Tagarchief: slang

VRIJESCHOOL – (Kunst)geschiedenis – Delphi

.

Onderstaande gezichtspunten over het Griekse Delphi kunnen je een beeld geven van een verleden waartoe we niet gemakkelijk toegang meer hebben. 
Wanneer je geschiedenis geeft in klas 5 of in de bovenbouw kan het helpen je in te leven en je inzicht in dit verleden te vergroten.
Voor mij zou het bezoeken van Delphi zonder deze achtergronden anders zijn geweest, dan kijkend vanuit de inhoud van dit artikel. 

 

DELPHI

Inspiratieplaats van sociale kunst in het oude Griekenland

Hij die de wereld op zijn grondvesten doet trillen, bliksems in het rond slingert en wolkenmassa’s samenbalt, hij, -Zeus-, liet volgens de Griekse mythologie, om het middelpunt der aarde te bepalen, twee adelaars uit tegengestelde richtingen van het heelal op elkaar toevliegen. De ontmoeting tussen de adelaars vond plaats op de zuidelijke helling van de Parnassus, in Delphi, de navel van de wereld. Daar woonde de draak Python, zoon van aarde-moeder Gaia. Vanuit de kloof verhief hij zich uit de opstijgende nevelsluiers die de Parnassus omhullen.

Toen Apollo, in Delos geboren, naar een plaats zocht om zijn tempel te bouwen, verbleef hij eens in Haliartos bij de bronnimf Thelpoussa, maar door haar misleid, verliet hij de plaats en bereikte bij Delphi de helling van de Parnassus. De door licht omstraalde God stootte hier op de Python en met zijn pijlen doodde hij de draak. Boven de kloof waar Python huisde, werd de tempel van Apollo opgericht. Vanaf deze tijd sprak hier Apollo, indien het gevraagd werd, door de mond van de Pythia.

De Pythische orakelspreuken werden het middel waarmee aan het staats-, volks-en familieleven van de Grieken gestalte werd gegeven en van waaruit de uitbreiding van hun cultuur naar Klein-Azië en het zuidelijke en zuidwestelijke Europa werd geleid. Wat zich in het sociale leven van de afzonderlijke Griekse volkeren als levensvorm moest openbaren, werd hier geïnspireerd. De onderlinge strijd van de Griekse volkeren werd vanuit Delphi langzamerhand beslecht en door de inauguratie van snarenspel en poëzie verlegd naar het gebied van de kunst. Zo werkte Apollo, de leider der muzen en de stichter van de Pytische spelen, waarin te zijner ere de pracht van de muzische wedstrijd werd ontplooid.

Dat is zo ongeveer wat heden ten dage over de ontwikkeling en de sociaal-kunstzinnige betekenis van Delphi in het oude Griekenland nog bekend is.

George Roux [1] heeft werkelijk zeer verdienstelijk alle overgeleverde details bijeen gebracht, geordend en op eigen wijze tegen elkaar afgewogen. Dit boek zou ieder, die zich nader bezig zou willen houden met het Delphische heiligdom, moeten lezen.

Wat de lezer echter niet zal vinden, is een overtuigende verbinding tussen de tastbare feiten en de inhoud van de Griekse godenleer.

Bij diegene, in wiens fantasie Delphi levend aanwezig is, zal het bezoek aan de geografische plaats een merkwaardig gespleten gevoel in de ziel veroorzaken. De aanblik van het door gouden avondzon overgoten monumentale landschap en de grootse steile rotswanden van de Phaedriadea, die ook nu nog, net als vroeger gloeien in het licht, wekt in de ziel iets als een vertrouwd gevoel van geborgenheid. Maar het reeds vóór onze tijd, op barbaarse wijze vernielde heiligdom, waarvan de brokstukken op zeer gebrekkige wijze geordend zijn, werken bevreemdend en halen de ziel in het heden terug.

De brede geasfalteerde verkeersweg, die het heiligdom doorsnijdt en het noordelijke Lamia, over de Parnassus heen, met het zuidoostelijk gelegen Levadia en verder met Athene verbindt, is een bode van de huidige civilisatie, die ook hier al de natuur geweld aandoet; een voortzetting van tempelvernietigende barbaarsheid in onze tijd. Het heiligdom maakt door de weg een verdeelde indruk. In het door de weg begrensde hoger gelegen gedeelte: het heilige gebied en het stadion; in het aan de overkant van de weg liggende lagere deel: het gebied van de ‘Athene Proneia’, de Athene-voor-de-tempel. Hier moet de Griekse wandelaar, komende van de haven Kirrha en door het dal van de bergbeek Pleistos omhoog stijgend, zijn voet gezet hebben op de drempel van het heiligdom.

Vanaf dit diepst gelegen geografische punt van het tempelgebied voerde de weg hem naar de bron Castalia waar hij, in een cultische handeling tegelijk met het stof ook de zonden van hoofd en voeten waste. Dan eerst betrad de bezoeker de heilige weg, die hem langs wijgeschenken en rotonden in het heilige gebied binnen voerde, dat door de heilige muur omsloten wordt. Tussen de tempel van Apollo en het theater eindigt deze weg. De eerst om de acht jaar, daarna om de vier jaar, georganiseerde Pythische Spelen, oorspronkelijk gehouden aan de oever van de Pleistos, ver beneden het Athene-Proneiagebied, worden later gehouden in het stadion, dat niet zo ver boven het heilige tempelgebied ligt als het heiligdom van Athene-Proneia daaronder.

De blik, gericht door het vermoeden, hier niet iets toevalligs voor ogen te hebben, deelt allereerst de drie gebieden van het Delphische heiligdom geografisch in: in de diepte, tegen de helling leunend, naar de beek Pleistos gewend, het heiligdom van de Athene-Proneia; midden op de helling, door de westelijke Phaedriadea omhuld, het heilige gebied met de Apollotempel en het theater; bijna boven aan de geëgaliseerde grond van het stadion, plaats van muzische en lichamelijke bekwaamheid.

De topografische schets geeft een indruk van de ruimtelijke samenhang van de drie architectonische delen, geeft echter geen beeld van de hoogteverdeling.

Op het heilige gebied, dat het middelpunt van het geheel vormt, valt architectonisch bijzonder de nadruk; het vormt het zwaartepunt van het gehele complex. Twee bouwwerken zijn erin tot een geheel verbonden: dieper gelegen, de tempel van Apollo; naar het stadion gekeerd, hoger gelegen, het theater. Wanneer men de blik richt op de ligging van beide bouwwerken ten opzichte van elkaar, dan beleeft de toeschouwer een gespannen-harmonische, maar niet symmetrische relatie. De assen van beide bouwwerken staan loodrecht op elkaar, het toneel van het theater ligt naar de lengtezijde van de tempel gekeerd. Beide liggen echter zo ten opzichte van elkaar verschoven, dat het symmetrievlak van het theater de tweede zuil van de lange zijde van de tempel snijdt, gerekend vanuit het westen. Deze onderlinge ligging van de beide bouwwerken verliest de toevalligheid die aanvankelijk gegeven lijkt, wanneer men let op de ligging ten opzichte van het stadion en van de tholos, de ronde tempel en het centrum van het Athene-Proneiaheiligdom: het middelpunt van de tholos, het middelpunt van tempel en theater, evenals de noordoostelijke hoek van het stadion liggen op een rechte lijn, die ook op de topografische schets werd getekend. Nu staat de middenas van de tempel echter niet loodrecht op deze rechte lijn en het symmetrievlak van het theater valt hier weer niet mee samen. Meet men de hoek die beide maken, dan komt men op 23½° (zie schets).

Dit kan nauwelijks toeval zijn. Hiermee ontstaat de opgave naar het kunstzinnige motief te zoeken dat de drie complexen van het gehele heiligdom tot een eenheid verbindt en waarvan de alle bouwwerken verbindende rechte lijn en de hoek van 23½° een uitdrukking zijn.

De polariteit, die tot uitdrukking komt in de spanning tussen de zo essentieel verschillende architectuur van tempel en theater willen we eerst nader bekijken.

Het motief van de polariteit schijnt aan alles, wat er hier te ontdekken valt ten grondslag te liggen, het lijkt het heilige gebied te beheersen. Zo valt uit de berichten van Pausanias op te maken, dat de tempel, waarvan de ruïne voor ons ligt, gewijd was aan twee goden, die met het wisselen van de jaargetijden ritmisch in- en uitgaan. Gedurende de lange zomertijd, negen maanden, is de zonnegod Apollo de heer van de tempel. Met het invallen van de winter trekt hij naar de Hyperboreeërs in het noorden en begint Dionysos zijn heerschappij. Zo moeten er twee grote jaarfeesten geweest zijn, die cultisch gevierd werden. Het ene: de intocht van Apollo, de god, die door licht omstraald uit de geest vervulde natuur de Griek tegemoet treedt, evenwicht en harmonie stichtend. Het feest van zijn jaarlijkse wedergeboorte werd in het vroege voorjaar, in de bloeiende natuur gevierd. Het andere: het feest van Dionysos vierde men aan het begin van de winter. Hij is de god, die in het binnenste van de menselijke ziel woont. Over hem zegt de Griekse mythologie veelbetekenend: – hij werd door de mens beleefd, als hij door de diepste diepte van zijn eigen ziel naar beneden heersende goden afdaalde, tot de goden van het schimmenrijk, waarin de doden leven. Wat aan driften en hartstochten in zielendiepte leeft, doet zich aan de ziel voor bij die afdaling en roept huivering en verschrikking op. Voor deze ontmoeting met Dionysos moet de mens zo voorbereid zijn, dat hij sterk in zichzelf weet te rusten. Dionysos onvoorbereid te zien zou betekenen, tegenover hem het onderspit te delven. Geheel anders treedt de Griekse ziel de zonnegod Apollo tegemoet, die het middelpunt vormt van de boven heersende kring van goden en die zij begroette, als zij door de zintuiglijke wereld de weg had gezocht tot de goden van de hogere geestelijke wereld. Aan hem kan zij zich zonder strenge zedelijke scholing overgeven, want Apollo sticht harmonie, vrede en evenwicht.

Andermaal kunnen wij de polariteit ontmoeten, als wij onze blik richten op de Pythia, door wier mond Apollo kon spreken. Zittend in het adyton van de tempel, vermoedelijk op de plaats waar de as van het theater de tempel snijdt, geeft ze wijze antwoorden, die zowel in Apollinische als ook in Dionysische zin uitgelegd kunnen worden. Een van de bekendste orakelspreuken gaf ze aan Croesus: “Wanneer gij de rivier de Halys oversteekt, zult ge een groot rijk vernietigen”. Dit kan men dan Apollinisch verstaan, wanneer de zielenhouding: “Van buitenaf treedt de wereld op mij toe”, wordt aangenomen. In dat geval zou Croesus erop opmerkzaam geworden zijn, dat zijn eigen rijk bedoeld werd. Hij heeft echter de orakelspreuk vanuit een Dionysische zielenhouding opgevat: “Ik treed vanuit mijn innerlijk de wereld tegemoet”. Slechts in de laatste van de gegeven orakelspreuken, een eeuw na Christus, vallen beide opvattingen tragisch samen:

“Zegt het de Heer: Vernield is de heilige plaats van gezegende kunst.
Phoibos Apoll’ heeft geen huis meer,
verwelkt is de profetische laurierboom.
Verdroogd is de bron,
verstomd zijn de murm’lende waat’ren.

Niet alleen het tempelgebeuren is tweeledig, ook voor de verhouding tussen tempel en theater geldt dit motief. De tempel, waarin zich op ademende wijze, het ritme van het jaar volgend het goddelijke gebeuren zich voltrekt, staat tegenover het toneel van het theater waarop het lot der mensen in voorbeelden wordt vertoond. Hier werden de grote drama’s van Aeschylus, Sophokles en Euripides opgevoerd.

Het lot der mensen, door de goden bestuurd, ontroert de harten van de toeschouwers, die met uitroepen en gebaren het noodlotsgebeuren op het toneel begeleiden. Volgens de mythe was Delphi al vroeger de woonplaats van Dionysos dan van Apollo. Er wordt in gesproken over vuuroffers op zijn altaar, en over nachtelijke feesten, waarbij dienaressen van Dionysos met fakkels in de hand in een wilde vaart door de bergwouden van de Parnassus trokken.

Misschien stond het altaar van Dionysos daar, waar later het theater gebouwd werd, het architectonisch jongste deel van het Delphische heiligdom. Later werd ten tijde van het Dionysosfeest midden op het toneel van het theater, vuur ontstoken, waar omheen de koren op ritmisch gezang schrijdend, het geboorte-uur van het lk-bewustzijn vierden, het feest van de zich individualiserende mens. Goddelijke wereldadem in de tempel en menselijk hartenvuur in het theater, een tweeheid, die zich uitspreekt in de architectonische polariteit van tempel en theater.

Een geheel andere indruk krijgt men van het complex van het Athene-Proneiaheiligdom. Het verbazingwekkendste bouwwerk is wel de tholos, hier het architectonisch jongste deel. Het ligt tussen twee oudere tempels in, die beide aan de Athene-Proneia gewijd zijn. De jongste diende nog voor cultische handelingen, toen de tholos in de 4e eeuw voor Christus opgericht werd. Ze is in de Dorische stijl gebouwd, had aan de buitenkant twintig zuilen, die zich om de ronde tempel bevonden. Merkwaardigerwijs vond men in het binnenste tien Korinthische halfzuilen. Zie reconstructie(s)

Het deel boven de met leeuwenkoppen bezette Gaison is niet te reconstrueren.

Het raadsel van de tholos komt in de grote Oudgriekse heiligdommen driemaal voor.

In Delphi en in Epidauros bestaat twijfel over de godheid, aan wie ze gewijd zijn. In Olympia is het zeker, dat in de tholos geen godheid vereerd werd. Een feit dat aanvankelijk vreemd aandoet, Pausanius vertelt, dat in de tholos van Epidauros de heilige slangen gehouden werden. Enige jaren geleden, toen de cellavloer van de tholos in Delphi nog niet dicht gegooid was, werd een vierkant gemetselde schacht ontdekt, precies in het centrum van de cella, die in de Griekse tijd, al dan niet afgedekt, hier eveneens een plaats geweest kan zijn, waarin slangen gehouden werden. Het slangenmotief is überhaupt nauw verbonden met de gestalte van Athene. Athene werd uit het hoofd van Zeus geboren. In het museum op de Acropolis in Athene bevindt zich een doek, waarvan de randen een slangenmotief vertonen. Een soortgelijke Athene bevindt zich in Napels. De Athene die door Phidias voor het Parthenon gemaakt werd, heeft slangen op de helm.

Over het symbolische gebruik van het slangenmotief in het oude Griekenland maakt Rudolf Steiner de opmerking, dat de Griekse mens hierin het uit de toekomst komen – het individuele intellect, de individuele gedachtekrachten gezien heeft. Hierdoor raakt de mens van de goden vervreemd, wordt hij op zichzelf teruggeworpen, aan de aarde geketend. Voor zo’n toekomst ervoer hij angst en huivering. Voor de cultische plaats, waar deze toekomstkrachten in de architectuur zichtbaar geworden zijn, stond de Griekse mens die vanuit Kirrha Delphi bereikte.

Het stadion, dat bijna ter hoogte van de Phaedriadea is gelegen, dicht bij de goden, is de plaats van de wedstrijden. Hier meet zich de een met de ander in het spel op de kithara, het snareninstrument van Apollo en in de poëtische voordracht die vooral hier in Delphi beoefend werd. Wedstrijden in gymnastische oefeningen, hardlopen en discuswerpen werden gehouden. Er moet hier onbezorgde levenslust, vreugde en impulsiviteit geheerst hebben. Een muurinscriptie, waarschijnlijk uit latere tijd, verbiedt zeker niet voor niets het meebrengen van wijn. Dit stadion, het best bewaard gebleven bouwwerk in Delphi, is aan beide lengtezijden en aan een van de twee korte zijden omgeven door tribunes, die aan 6000 mensen zitplaats bieden.

In het omgaan en leven met zulke gedachten, drong zich steeds sterker de indruk op dat het geheim, dat verborgen ligt in de harmonie van alle architectonische onderdelen van het Delphische heiligdom, één en dezelfde idee is, die zich in heel Delphi uitdrukt. Is de spanning, die tempel en theater verbindt, niet dezelfde die in de microkosmos, in het menselijke lichaam, tussen hart en longen tot uitdrukking komt?

Zijn het niet dezelfde vormkrachten die in het menselijk lichaam hart en longen gestalte geven en die aan de architectuur van tempel en theater ten grondslag liggen? Zoals de menselijke adem in de longen in- en uitgaat, zo gaan in de wereldadem Apollo en Dionysos in en uit de tempel van Delphi. Zoals de naar de omgeving toe zich openende long zich verhoudt tot het meer in het eigen organisme besloten liggende hart, zo verhoudt zich ook de voor de goden openstaande tempel tot het theater, waarin de tragedie van het menselijke lot in zijn oerbeeld wordt uitgebeeld.

Deze overeenkomsten tussen de hart- en longenorganisatie van het menselijk lichaam en het heilige gebied van Delphi riepen de vraag op, of de architectuur van Delphi niet evenzeer een evenbeeld van de macrokosmos zou kunnen zijn als het menselijk lichaam. De reeds genoemde hoek van 23½° waaronder tempel en theater ten opzichte van de hoofdas van het gezamenlijke heiligdom verschoven zijn, geeft daarvoor een aanwijzing. Het is dezelfde hoek waaronder in de macrokosmos de zon op- en ondergaat, in het menselijk lichaam het hart gelegen is ten opzichte van de hoofdas van het heiligdom staan. Tot zover de overeenkomsten.

Een duidelijke polaire verhouding is te vinden in de betrekking die het menselijk lichaam enerzijds, en het Delphische heiligdom anderzijds, tot de macrokosmos hebben. Terwijl het menselijk lichaam een door de goden en dus door de kosmos voor het menselijk Ik geschapen natuurlichaam is, is het Delphische heiligdom daarentegen een door de mensen voor de goden gebouwd cultuurlichaam. Het ene: woonplaats van de menselijke ziel, het andere: woonplaats van de goddelijke geest.

Ook de andere onderdelen van de Delphische architectuur kunnen zo gezien worden. Zoals het hoofd gedragen wordt door de romp, waarin tegenwoordig het individuele ik zich beleeft, zo wordt de Athene-Proneiatempel gedragen door het heilige gebied. Haar ronde tempel is een architectonisch beeld van de krachten van de geestelijke wereld, die de ronde vorm aan de menselijke schedel hebben gegeven. Zoals de in het hoofd levende individuele gedachtekrachten de mens aan de aarde ketenen, zo bevindt zich in het centrum van de tholos, ingelaten in de aarde, de slangenkuil. Bovendien ligt de tholos dichter bij de aarde namelijk, vanuit het heilige gebied in de richting van het dal gaande. Het stadion daarentegen is de hemel nabij, met de goden verbonden, zoals het onbewuste leven van de ledematen. Dit beeld werpt ook een licht op het wezen van het kunstzinnige en de gymnastische wedstrijden in het oude Griekenland. Ook hierbij ging het om een cultische handeling, een godsdienst. Zoals de Griek bij de aanblik van de rustende tholos zijn toekomstig intellect voelde oplichten en vermoedde dat dit deel van zijn wezen de goddelijke draad, de binding met de geestelijke wereld zou verliezen, zo ervoer hij in de bewegingen tijdens de oefeningen in het stadion de innig duurzame verbinding met de geestelijke wereld, die hem de zekerheid gaf, dat ook de toekomst daaraan niets zou veranderen. De idee van het menselijk organisme, dat zich drieledig in de lichamelijke gestalte uitspreekt, ligt ook ten grondslag aan de architectuur van het Delphisch heiligdom.

Maar de overeenkomst gaat nog een stap verder. Zoals de spraak het menselijk strottenhoofd tussen borst- en hoofdorganisatie vormt, zo vormt het water het ravijn van de Castalische bron in Delphi. Het bronhuis vertoont een merkwaardige stroming van het water, die uit de natuurlijke gegevens niet is te verklaren. De volgende tekening geeft een overzicht van de toestand. De onmiddellijk uit de rots ontspringende bron wordt achterlangs een uit de rots gehouwen wand buitenom het verzamelbekken gevoerd. Eerst vanuit de diagonaal tegenovergestelde zijde stroomt het bronwater in het bekken. Zoals het kraakbeenschild van het strottenhoofd ervoor zorgt dat de ademstroom niet in de mondholte terecht komt en deze van voor-onder naar achter-boven leidt, zo wordt ook het water van de Castalische bron in de holte van het waterbekken geleid, voordat het uit de geweldige kloof naar buiten komt, die de beide Phaedriadea scheidt, zoals de spraak uit de mond.

Topografische schets van de Castalische bron.

Geheel anders staat het met de blijkbaar sterk druipsteen vormende bron Cassotis, die zich tussen theater en heiligdom bevindt. Men kreeg onder de aarde vat op haar; werd langs de westelijke zijde van het theater gevoerd, in het adyton van de tempel binnen geleid en diende daar de cultische voorbereiding van de Pythia.

Alvorens ze de goddelijke inspiratie kon ontvangen, ging ze vanaf het Athene-Proneiaheiligdom op tot de Castalia en verrichtte daar de cultische wassingen. Ze brak de lauriertwijg af, betrad het adyton, nam plaats op de drievoet, kauwde op de taaie laurier, dronk van het water uit de Cassotis en ademde de dampen in die uitstroomden van het lichaam van de aardemoeder.

Zoals de mens door zijn strottenhoofd al sprekend de wereld bevrucht met wat als idee in zijn ziel geboren wordt, zo drukt zich in de gebeurtenis van lichamelijke geboorte door de tussen ledematen en borst gelegen organisatie uit, wat als fysiek lichaam, als omhulling van een naar de aarde afdalend ik dient. Ook deze polariteit lijkt in Delphi architectonisch verwerkelijkt en in de cultus toegepast te zijn. De werking van de Castalische bron die de ziel reinigt en door de kracht van de Cassotische bron die het lichaamsvuur ontsteekt, schept de Pythia de voorwaarden waaronder de twee geestelijke werelden, de achter de zintuiglijke wereld liggende Apollinische en de beneden de menselijke ziel liggende Dionysische, op vragen naar volks- en mensenlot kunnen antwoorden. Delphi heeft het organisme van de Griekse volkeren gevormd en ontwikkeld.

Het sociale organisme van het oude Griekenland had hier zijn broncentrum van inspiratie; architectonisch als cultische plaats op dezelfde wijze drieledig als het lichamelijke organisme van de mens.

Deze gedachte belicht ook het “Ken U zelve”, een overgeleverde kernspreuk van Delphi. Het drieledige heiligdom spreekt echter meer uit dan dit woord alleen. Het “Ken U zelve”behelst wat in het Athene-Proneiagebied architectonisch verwerkelijkt is. Het woord, dat zich in het heilige gebied van Delphi, in tempel en theater openbaart voor de aanschouwende mens, moet een ander geweest zijn. Het moet met de belevenis van het midden, met de harmonie tussen de beide polen samenhangen. Een woord als “houd maat” drukt uit, wat ook de architectuur zegt. Voor het stadion zou een inhoud te verwachten zijn die, tegengesteld aan het “Ken U zelve”, de verhouding van de mens tot de wereld uitdrukt. Zoiets als: “Vorm de wereld”.

Een opnieuw uitgegeven werkje van Carl Gustav Carus, de bekende arts en Goetheanist uit de eerste helft van de vorige eeuw [2], bracht de blijde verrassing, dat er werkelijk drie Delphische spreuken geweest zijn. De tweede spreuk: Van niets teveel” behelst het verwachte. De derde spreuk, de letter ypsilon, door enkele schrijvers met “Gij zijt” vertaald, was niet onmiddellijk te begrijpen. Wat immers, zo kon men zich afvragen, is de voorwaarde waaronder de mens de wereld kan vormen, om uit datgene wat door de goden in de natuur gegeven is, een verantwoorde cultuurschepping te maken. De krachten van Athene moeten zijn binnengegaan door de poort waar voor ze in de Griekse tijd nog bleven toeven. Dat was voor de Griek nog toekomst. Zoals de uitnodiging “Ken U zelve” op het herscheppen van de natuur. “Vorm de wereld” is de uitnodiging, waar wij in deze tijd voor staan. Want het vormen der wereld, dat niet tot de dood van de natuur mag leiden, stelt zelfkennis als voorwaarde. Hoe moet de mens de wereld vormen, als hij niet weet wat hij zelf is?

Pas de antroposofie verbindt beide. Zij is de methode, waardoor de mens van deze tijd zich in de zelfkennis als microkosmos kan begrijpen, voordat hij begint de wereld te vormen, naar het beeld van zichzelf en van de goden: drieledig!

Zoals de mens van deze tijd, die niet alleen de natuur om moet vormen, maar reeds voor de opgave staat, haar van de dood door de huidige civilisatie te redden, het ik in het hoofd beleeft, zo beleefde de Griek, in wie het zelfbewustzijn pas in “Gij zijt” op de aarde aangekomen was, het ik een verdieping lager in het organisme. Hij beleefde het tussen hart en longen. In het drieledige, door de Griekse cultuur geschapen godenlichaam van het Delphische heiligdom ligt deze plaats tussen theater en tempel, op de as, die het stadion, het theater en de tempel met de tholos verbindt. Hier stond de voor ons behouden gebleven, geweldige bronzen plastiek van de wagenmenner. Hij draagt een band om zijn voorhoofd, beteugelt de paarden en heeft de stola kruislings over zijn rug bevestigd. De mens tussen Apollo en Dionysos, op de geografische plaats die het Griekse cultuurtijdperk als de navel van de wereld beleefde. De plaats, van waaruit de geestelijke wereld het sociale leven van Griekenland inspireerde en tot ontwikkeling bracht. Wij, in onze tijd, die het ik in ons hoofd beleven, hebben de van buiten komende hulp van de goden niet meer, maar dragen in ons de kiemen, die ontwikkeld moeten worden, als wij dit werk zelf willen volbrengen.

[1] George Roux: Delphi – “Het orakel en de cultusplaatsen   (blz. 44)
[2]  C.G. Carus: Over de levenskunst volgens de drie opschriften van de tempel te Delphi”,

.

Artikel lijkt een bewerking – auteur onbekend – van een hoofdstuk uit ‘Die Quellen der Kunst, Thomas Göbel

.

Kunstgeschiedenis: alle artikelen

Geschiedenisalle artikelen

.

1623

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – (Kunst)geschiedenis – Epidauros

.

Onderstaande gezichtspunten over het Griekse Epidauros kunnen je een beeld geven van een verleden waartoe we niet gemakkelijk toegang meer hebben. 
Wanneer je geschiedenis geeft in klas 5 of in de bovenbouw kan het helpen je in te leven en je inzicht in dit verleden te vergroten.
Voor mij zou het bezoeken van Epidauros  zonder deze achtergronden anders zijn geweest, dan kijkend vanuit de inhoud van dit artikel. 

EPIDAUROS

het heilige centrum van imaginatieve geneeskunst in het oude Griekenland

De Griekse cultuur heeft ons een grote hoeveelheid archeologische voorwerpen nagelaten, die min of meer gerestaureerd, geordend, van commentaar voorzien en tentoongesteld, in de gehele wereld en vooral natuurlijk in Griekenland zelf zijn te bezichtigen. Daartoe behoren ook de architectonische overblijfselen van oude tempels, waarvan in het navolgende het heiligdom van de god Asclepios te Epidauros zal worden besproken.

Willen wij een antwoord zoeken op de vraag, hoe het uiterlijk van deze heiligdommen in de oudheid geweest kan zijn, dan kunnen geschriften uit de Romeinse tijd ons daarbij helpen. In dit verband zijn de reisberichten van Pausanias te noemen of de beschrijvingen van Plutarchus. Bij de laatste zijn ook aanduidingen over het verloop van rituele handelingen te vinden, maar deze berichten zijn schaars en als men naar de oorsprong van de rituelen vraagt, laten de historische bronnen ons helemaal in de steek.
Wij zijn hier op de beeldentaal van de mythologie aangewezen, die met ons eigen abstracte, niet-beeldende denken zo moeilijk valt te begrijpen. Hoe meer zich het voor ons begrijpelijke, in deze beeldentaal kleedt, als wij de berichten tot in de tijd van de mythologische periode terug vervolgen, hoe meer de teksten ervan spreken dat de goden in het leven van de mensen ingrijpen en de loop van het lot van enkelingen en volkeren besturen. Zich in overeenstemming te weten met bepaalde wezens van de geestelijke wereld was voor de mens van het oude Griekenland tot in de hellenistische periode een na te streven doel. Voor een dergelijke levenshouding ontbreekt ons het bewustzijn aan ervaring en begrip. Het constateren van dit feit maakt ons er echter op attent, dat er voor ons begrip van de Griekse cultuur twee niveaus bestaan. Het ene vinden wij bij het aanschouwen van de archeologische overblijfselen, het tweede in de mythologische beelden. Het eerstgenoemde niveau lijkt ons daarom begrijpelijk, omdat wij objecten voor ogen hebben die wij gewend zijn te onderzoeken. Dat het mythologische niveau en het andere echter elkaar niet dekken, zou ons voorzichtig moeten maken, want voor de oude Grieken waren immers de objectief waarneembare en de met de uiterlijke zintuigen niet te bevatten geestelijke wereld onafscheidelijk met elkaar verbonden. Voor ons zijn ze dat niet. Wat aan de Griek zich ongescheiden openbaarde, verbinden wij niet meer met elkaar. Als wij voor de zichtbare overblijfselen van de Griekse cultuur een enigszins juist begrip willen krijgen, moeten zij – niet op de oude, maar voor ons hedendaagse bewustzijn geschikte wijze – met een geestelijke wereld in verband gebracht worden. Want een volkomen misverstand zou ontstaan, indien men zou vergeten, dat de oude culturen in eerste instantie in deze dualiteit verschijnen. Indien men een begrip voor Epidauros wil ontwikkelen, is het dus nodig bij dat, wat aan materiële overblijfselen is bewaard gebleven, het geestelijke te voegen.

theater van Epidauros

Het heiligdom van Asclepios ligt aan de noordoostelijke kant van de Peloponnesos en vormt samen met Delphi en Olympia de hoeken van een ongeveer gelijkzijdige driehoek. Delphi ligt in het noorden, aan de punt van de gelijkbenige driehoek, op het vasteland tegen de achtergrond van het indrukwekkende hooggebergte van de zuidelijke Parnassos. Epidauros vormt de oostelijke punt van de driehoek en ligt in een landschap van zacht glooiende bergtoppen van een middelgebergte. Het Olympische heiligdom aan de westelijke punt ligt in de laagvlakte van het Alpheiosdal in de noordwestelijke Peloponnesos.

In de Griekse mythologie is Asklepios bekend als zoon van de zonnegod Apollo. Zijn moeder is de Thessalische koningsdochter Coronis. Het kind van Apollo onder haar hart dragend, wordt zij de God ontrouw. Vertoornd geeft Apollo aan zijn zuster Artemis de opdracht om Coronis met haar pijlen te doden. Op het ogenblik dat de ouders de dode dochter in het vuur verbranden, herinnert Apollo zich zijn zoon en redt hem uit het lichaam van de brandende Coronis. Hij brengt de jonge Asklepios naar het Peliongebergte naar de centaur Chiron, de grote opvoeder, die, zoals Pindarus zegt, vol liefde voor de mensen was. Volgens een andere, uit Epidauros stammende legende, baart Coronis haar kind heimelijk op de berg Myrtio bij Epidauros, die sindsdien de naam Titthio draagt, d.w.z. de berg waar gezoogd werd. Coronos legde hem daar te vondeling en hij werd door een geit gevoed en door een hond bewaakt, totdat hij gevonden werd door een herder, Aristenas, die zijn goddelijke afkomst herkent. Asklepios, god en mens tegelijk, wordt de genezer van ziekten. Geen andere god uit de kring der Griekse goden buigt zich met zo’n mildheid en met zo’n sterke wil om te helpen tot de mensen als hij. Weliswaar is uit sommige van de beschreven gevallen van genezing op te maken, dat hij bij gebrek aan belangstelling, onnauwkeurig en gebrek aan medewerking bij de hulp die hij biedt, met een zekere listigheid weet te straffen. Een vrouw bijvoorbeeld, die een zwangerschap wenst, helpt hij, maar zij kan gedurende drie jaar niet baren. Naar Epidauros teruggekeerd, moet zij zich door Asklepios laten zeggen, dat zij een kind had moeten wensen. Na het brengen van een offer mag zij haar kind baren. De gevallen van genezing werden in Epidauros op grote zuilen opgetekend en in het heiligdom opgesteld. Pausanias beschrijft, dat er in zijn tijd nog slechts zes zuilen aanwezig waren. Twee ervan werden gevonden, zij zijn in het museum van Epidauros tentoongesteld.

Laten wij ons thans tot de architectuur van het heiligdom van Epidauros wenden; de restanten en fragmenten en de bouwfundamenten, die nog bewaard zijn gebleven. Het gehele complex kreeg zijn definitieve vorm in de tijd van de hoogste bloei van het Hellenendom, in de periode toen Perikles in Athene heerste en de Griekse cultuur haar hoogtepunt overschreed. De naam van de architect die de ronde tempel, de tholos, ontwierp, is ons bekend, het was Polykletos de jongere.

Wij mogen verwachten dat de afzonderlijke bouwcomplexen niet willekeurig in het landschap werden neergezet, maar dat de sociale taak van het heiligdom, nl. de plaats van genezing voor de ziekten van de mens, ook in het geheel van de architectuur ligt verborgen. Laten wij de zieke volgen die van de haven, twee uur te voet, of van de istmus bij Korinthe komend, het heiligdom van Asklepios bereikt. Als men vóór de Propyleeën van het heiligdom staat, blijft al het andere voor het oog van de beschouwer verborgen. Slechts het theater zal, al naar gelang van het toenmalige boombestand, zichtbaar geweest kunnen zijn. Een opgeworpen heuveltje, dat door de architect bewust is aangebracht, verbergt het abaton, de zaal, waar Asklepios de zieken in hun slaap verschijnt. Verborgen blijft ook de tempel van Asklepios en de tholos, een merkwaardig rond bouwwerk. Pas wanneer de woorden die op de Propyleeën staan zich in de ziel van de intredende hebben gevestigd en de drempel van het heiligdom is overschreden, wordt het complex van gebouwen stapsgewijs aan hem onthuld. Pausanias heeft de woorden van de Propyleeën opgetekend:

“Rein, zij een ieder die de van wierook geurende tempel betreedt.
Rein zijn betekent, in gedachten het goddelijke koesteren.”

De reinheid van de peinzende ziel, zoals wij uit het motto van het heiligdom kunnen opmaken, moet wederom gevonden worden, want al het denken, voelen en willen dat de goden onwaardig is, ligt aan de ziekten van het lichaam ten grondslag. Dat lichaam en ziel een samenhang hebben, daarvan zijn wij ons ook bewust. Deze eenheid van lichaam en ziel werd echter in de Griekse cultuur au sérieux genomen. In het belangrijkste centrum van genezing werd alleen de terug verkregen reinheid van de ziel tot therapie van het lichaam.

Misschien laat zich het beeld dat men in de oudheid van de mens had, ontraadselen, wanneer wij trachten alles tot eenheid te brengen, wat voor de genezing van de mens in Epidauros architectonisch werd geschapen. Laten wij proberen daarbij in het oog te houden, dat voor het Griekse bewustzijn het uit de ziel komende het lichaam schaadt, wanneer het ongoddelijk wordt – echter het lichaam ook kan genezen, wanneer het zich weer met het goddelijke verbindt.

Epidauros is wel het meest vernielde heiligdom van het oude Griekenland. Alleen het theater bleef behouden

en de weinige noodzakelijke restauratiewerkzaamheden worden met een gevoel voor het mogelijke door Griekse archeologen uitgevoerd. Het is een van de weinige klassieke plaatsen die door de Grieken wordt uitgegraven. (Schets nr. 1 geeft de topografische situatie weer; houd er echter rekening mee, dat het noorden links beneden ligt).

Het opgerichte kleine museum biedt ondanks de bescheiden middelen die ter beschikking stonden een indruk van hetgeen er van architectuur eens voorhanden was. Bijzondere moeite werd besteed aan de restauratie van een sector van de tholos, die eens buiten de cella door 26 Dorische zuilen en binnen door 14 Korinthische zuilen werd gedragen. Onder de tholos bevindt zich een crypte, die als labyrint is gebouwd, bestaande uit drie cirkelvormige gangen, die naar verhouding goed bewaard zijn gebleven. In het midden daarvan werden de heilige slangen gehouden, zonder welke Asklepios niet goed denkbaar is. De overleveringen zeggen, dat aan Epidauros een van de heilige slangen werd gevraagd, wanneer in een stad of streek van het oude Griekenland een Asklepeion zou worden opgericht. Een gezantschap ging naar Epidauros en wanneer de god zijn toestemming gaf, brachten de afgezanten een van de heilige slangen terug, die de stammoeder van het slangengeslacht van het nieuwe Asklepeion werd.

Hier vele voorbeelden van een reconstructie. In dit artikel worden ze aangeduid met schets 2.

Zuidelijk van de tholos ligt het stadion, ten noordoosten ervan de tempel van Asklepios. Als men in het midden van de naar de tholos toegekeerde kant van de tempel gaat staan, is men verrast het midden van de tholos en de meest westelijke hoek van het stadion op een rechte lijn te zien liggen. Een blik op het kaartje bevestigt deze observatie. Men krijgt het gevoel dat met deze ontdekte ruimtelijke samenhang ook een culturele zou kunnen overeenkomen. Voordat wij op een dergelijk aspect ingaan, zal worden onderzocht, of niet nog meer ruimtelijke samenhangen tussen de genoemde bouwwerken: tempel van Asklepios, tholos, stadion en theater bestaan. De twee op een cirkelvormige plattegrond staande gebouwen zijn de tholos en het theater.

Als men de hoek meet tussen het middelpunt van de tholos, de meest oostelijke hoek van het stadion en het middelpunt van het theater, vindt men een waarde van 120°, de driedeling van de cirkel. De benen van deze hoek staan in een verhouding van 1:5. Het traject 1 is de afstand, middelpunt van de tholos – meest oostelijke hoek van het stadion. Traject 5 is de afstand tussen de meest oostelijke hoek van het stadion tot het centrum van het theater. Als men deze hoek zodanig om zijn hoekpunt draait, dat hij een tangent aan het theater vormt, vormt hij ook een tangent aan de tholos. Dus hebben de diameters van de tholos en ’t theater een verhouding van 1:5, ( zie hiervoor, alsmede voor de volgende beschouwingen, deze schets 3):

Een tweede keer is de hoek van 120° in de architectonische compositie te vinden, wanneer men het middelpunt van de tempel van Asclepios weer met de meest oostelijke hoek van het stadion en deze op de oostelijke zijde ervan met de meest zuidelijke verbindt. Draait men deze hoek zodanig om zijn hoekpunt dat het op de tempel gerichte been tot tangent aan de tempel wordt, dan zal het andere been tot diagonaal van het stadion worden. Op deze wijze zijn de vier bouwwerken zodanig tot elkaar gecomponeerd, dat de maten wederzijds van elkaar afhankelijk zijn. De middelen die de architect hiervoor heeft gebruikt, zijn de driedeling van de cirkel en de verhouding 1:5 van de lengtematen. Daarbij komt als een absolute lengtemaat een stadie, d.w.z. de lengte van het stadion. Indien deze afstand een gegeven is, dan bepaalt de ligging van de tholos op de rechte lijn tussen het stadion en de tempel, die wij de hoofdas van het heiligdom willen noemen, alle andere proporties. Hierdoor houdt de tholos de architectonische compositie van Epidauros in harmonie. Het lijkt derhalve wenselijk allereerst de betekenis van de tholos te begrijpen om te weten te komen wat de delen tot een geheel ordent, (schets 2 levert het materiaal voor de aanschouwelijkheid en schets 4 toont o.a. de plattegrond.)

(Duits: Hauptachse des Heiligtum = hoofdas van het heiligdom; süd – zuid; ost – oost)

De tholos die op oude inscripties ook thymele genoemd wordt, is een cirkelvormig bouwwerk, omgeven door een zuilengang die uit 26 zuilen van gewit tufsteen bestond. De muur van de cella bestond uit veelkleurige ornamenten, bloemen, meanders, holle lijsten, tandlijsten en fresco’s van de schilder Pausias, waarvan er twee door Pausianas zijn beschreven. Op een fresco was Eros afgebeeld, die boog en pijlen ter zijde heeft gelegd en naar een lier grijpt; op het andere fresco is de dronkenschap uitgebeeld, uit een glazen fles drinkend. Binnen de cella bevond zich een tweede zuilengang bestaande uit 14 Korinthische zuilen van marmer. Tussen de binnenste Korinthische zuilen en de wand van de cella bestaat het plafond uit een cassettenring die zich tussen de cellamuur en de door de Dorische zuilen gedragen architraaf door twee verdere cassettenringen voortzet. In elke cassette bevindt zich een bloesem die zich van cassettenring tot cassettenring van binnen naar buiten toenemend lijkt te openen. Deze bloemen van het cassetteplafond zetten een vormmotief voort dat zich aan de Korinthische zuilen in het binnenste van de cella bevindt. De kapitelen van deze zuilen zijn drieledig. Dicht bij de basis dragen de kapitelen bladmotieven, in het middelste gebied ziet men stengelvormen, die zich in spiraalvorm naar boven slingeren en in de nabijheid van de dekplaat verschijnen vier bloesems. Deze bloemvorm gaat klaarblijkelijk in het cassetteplafond over en zet zich voort tot in het plafond buiten de cella. Wie de overdreven vormen van de Korinthische zuilen uit de Romeinse tijd kent, zal verbaasd zijn te zien met welke eenvoud en schoonheid het Korinthische kapiteel hier gevormd is. Mij persoonlijk is geen poging tot een verklaring van deze merkwaardige tempel bekend. Als wij in onze beschouwing verder willen komen, moeten wij naar geschikte begrippen zoeken, die ons helpen het geheim van de tholos tenminste in een eerste aanzet te ontraadselen.

In zijn derde voordracht van de voor artsen gehouden cyclus “Geesteswetenschap en medische wetenschap”[1] herinnert Rudolf Steiner aan het vermogen van lagere diersoorten om verloren lichaamsdelen weer te vervangen of toch zodanig te compenseren, dat het organisme in al zijn functies weer wordt hersteld. Hij maakte deze opmerking om, overgaande op de mens, de vraag te behandelen wat bij hem uit deze regeneratie- en reproductiekrachten is geworden. Want de mens is immers niet in staat om een verloren orgaan opnieuw te vormen. Rudolf Steiner beschrijft dan hoe dat deel van het menselijk lichaam dat hij het vormkrachten– en/of etherlichaam noemt, over deze krachten beschikt. Daarmee wendt hij zich echter niet meer tot het lichaam, maar tot de ziel. In de cultureel scheppende krachten die in het denken, voelen en willen van de mens leven, kunnen de krachten weer worden gevonden, die aan het lichaam ontbreken. Met behulp van deze kan de mens op dezelfde wijze gedachten tot een geheel vormen als de regenworm het met zijn lichamelijk organisme kan doen. De gedachte ligt voor de hand dat de krachten die het lichaam mist, omdat zij als cultureel werkzame krachten ter beschikking van de ziel staan, de oorzaak van de ziekten van de mens zijn. Omdat de mens een geestelijke wezen is, mist hij in het lichaam krachten die hij zou moeten hebben om onder alle omstandigheden gezond te zijn. Vandaar dat de geest van de mens de oorzaak van zijn ziekte is.

De geciteerde geesteswetenschappelijke uitspraak van Rudolf Steiner kunnen wij nu verder differentiëren. Want al naar gelang van de graad van bewustzijn die de mens in de verschillende ledematen van zijn lichaam ontwikkelt, zijn aan deze levenskrachten onttrokken. In het gebied van de stofwisseling slaapt de ziel en heeft het lichaam de meeste levenskrachten. In het bereik van de borstkas droomt zij en daarom ontbreken aan het lichaam meer levenskrachten dan in het stofwisselingsgebied. In het hoofd heerst het wakkere bewustzijn, zodat daaraan de meeste levenskrachten zijn onttrokken. Het hoofd als drager van het wakkere bewustzijn is daarmee ook de pool waarvan in principe de ziekte uitgaat. Hier worden de levenskrachten nagenoeg geheel tot het cultureel werkzame instrument, het denken. Het zou verwonderlijk zijn als van het stuk bovenzinnelijke waarheid over de mens dat wij zo hebben leren kennen, de mens in het oude Griekenland geen bewustzijn zou hebben gehad. Het zou kunnen zijn dat het geweldige beeld van Prometheus die vastgesmeed is aan de rots van de aarde, de Kaukasus, en aan wiens lever de adelaar vreet, een weten van het beschreven feit in de oude beeldentaal van het toenmalige bewustzijn vertolkt. Wanneer dus een dergelijk weten in het Griekse bewustzijn heeft geleefd, dan zou Epidauros als centrum van geneeskunst ook de plaats zijn waar een dergelijk weten werd beoefend. Zulke gedachten doen de vraag rijzen of de tholos zich niet tot het geheel van het complex van Epidauros verhoudt als het hoofd tot het menselijk organisme. Men kan er over nadenken welke verhouding de wezensdelen van de mens tot elkaar in het hoofd hebben. In de omgeving van het hoofd ligt het waarnemingsbereik van de mens. Hier zijn de zintuigen werkzaam die wij de ‘lange afstandszintuigen’ zouden kunnen noemen. Door te zien en te horen omvat de ziel van de mens, van het hoofd uitgaande, meer dan alleen het eigen lichaam en de grens tot de omgeving. In deze omgevings-zielenruimte leeft het wakkere Ik van de mens. Het Ik leeft eveneens wakker in het binnenste van het hoofd, wanneer het gedachten vormt. De denkprocessen die de instrumenten van het Ik bij de vorming van gedachten zijn, blijken, zoals wij gezien hebben, de metamorfosen van de werkzaamheden van het vormkrachtenlichaam te zijn, dat niet alleen aan de levensprocessen van de mens, maar ook aan de levensprocessen van alle andere levende organismen ten grondslag ligt. In de plant vinden wij de levensprocessen het zuiverst werkzaam, omdat geen ander wezensdeel over de activiteiten heen werkt. Zoals de plant de vorming van haar gestalte door bloesems en vruchten bekroond en afsluit, wordt ook de werkzaamheid van het vormkrachtenlichaam in het menselijke hoofd door de vorming van gedachten bekroond, die de goden waardig, dus waar zijn, omdat zij zich vruchtbaar tonen. Door deze gedachte kan men een begrip voor de tholos krijgen. Het in de omgeving levende Ik, dat zichzelf als rechtop en door een centrum bekroond beleeft, vindt zijn uitdrukking in de Dorische zuilen van de buitenste gang van de tholos. De muur van de cella zelf zou met de grens van de binnenste en buitenste zielenruimte vergelijkbaar kunnen zijn. Het denken, cultureel scheppende processen van het vormkrachtenlichaam, komt overeen met de Korinthische kapitelen in het binnenste van de cella, die van daar, overgaande op het met bloemen versierde cassetteplafond, naar buiten treden in de omgevingsruimte. Wij zouden dus op deze wijze in de tholos een architectonische vorm voor ons hebben, die volgens wetten is gebouwd welke wij vinden, als wij de samenhang van het Ik en het etherlichaam (vormkrachten) in het menselijke hoofd in beschouwing nemen. Evenals de mens zich met het in de kosmos levende zich verbindt, wanneer hij waarheden, dus genezend op het lichaam werkende gedachten denkt, is de tholos met het kosmische middelpunt, de zon, verbonden.
Zijn middenas, die door het midden van de tholos en het midden van de celadeur is bepaald, is ten aanzien van de oost-westrichting met 23½º naar het noorden verschoven, dus met dezelfde hoek die de aarde tegenover de ecliptica vormt. Zie hiervoor schets 4.

Een opmerkelijk feit is nog te constateren, als men de ligging van de hoofdas van het heiligdom in de beschouwing betrekt. Deze halveert de hoek die tussen de as van de tholos en de noordelijke richting bestaat (33¼°).

Zoals de tholos in de ligging van zijn as een zonnemaat vertoont, is dit ook bij de tempel van Asklepios het geval. Zijn symmetrieas loopt parallel met die van de tholos en wijkt eveneens 23½º af. Nog andere bouwwerken binnen het heiligdom lopen parallel met deze richting, maar wij kunnen hier niet op meer dan de reeds genoemde ingaan.

De tholos staat voor ons innerlijk oog als een bouwwerk, dat de wetmatigheden van het hoofd openbaart, d.w.z. de wetmatigheden welke de oorzaak van ziekten zijn. Het is mogelijk dat wij hiermede de plaats hebben gevonden, waar de priester-artsen van Epidauros hun kennis van ziekten hebben toegepast. Hiervoor vormt de tholos de meest waardige achtergrond, omdat hij als architectuur openbaart, wat de daarin werkzame mensen op het gebied van kennis zoeken. Het door de heilige slangen bewoonde labyrint onder de tholos is een noodzakelijke aanvulling tot het verkregen beeld. Het is de plaats die qua niveau lager ligt dan die, waar zich de gedachten bevinden, die de goden waardig zijn. Hij komt dus overeen met het aan de aarde gekluisterde denken, dat de mens in een duister labyrint leidt, wanneer de verbinding met de kosmos verbroken is en de weg van de geest niet meer wordt verlicht. (Het heiligdom van Epidauros geeft aanleiding om de zeker veelzijdige realiteit en betekenis van het labyrint ook eens van deze kant te bekijken. Zo was het mogelijk, dat de -zoals wij heden ten dage zouden zeggen- naar de diagnose zoekende priester-arts, het beeld van de ziekte, die genezen moest worden in het centrum van het tholos-labyrint zag, omdat de wezens, die de ziekte zijn, de zieke loslieten en de tholos binnen trokken. Zoals alle genezing niet van het hoofd uitgaat, maar van het middengebied van de mens, dat door zijn ritmen een harmonie teweegbrengt tussen de hoofd-mens en de stofwisselingsmens, die de substanties voor de genezing levert, zo gaat de imaginatie van de therapie, het beeld van de medicijn, van Asclepios uit, die zijn woning in de tempel heeft genomen. Deze tempel is door zijn ruimtelijke ligging even onafscheidelijk verbonden met de tholos, als diagnose en therapie het, tenminste in het oude Griekenland, waren. Op hetzelfde moment – zo zou men kunnen denken – dat de ziekte zich imaginatief aan de priester openbaarde, verschijnt aan de in het abaton slapende zieke, Asklepios, die uit mildheid zijn tempel verlaat, in het abaton de zieke bezoekt en de genezende artsenij brengt. Teneinde de genezingsslaap in het abaton te mogen houden, moest de zieke onder aanwijzing van de priester door oefeningen in een muzische en gymnastische disciplines, die in het stadion plaats vonden, alsmede door het opbouwen van een gezond gevoelsleven zijn bijdrage tot de therapie leveren. In het theater, zoals men mag veronderstellen, leert de patiënt het gevoelsleven harmoniseren, wanneer hij de grote tragedies beleeft, die de lotgevallen van mensen als voorbeelden vertonen. Hij beleeft, hoe mensen, subjectief gezien zonder schuld, door de wil van de Goden in hun lot verward raken, om de krachten te verwerven die zij voor hun ontwikkeling nodig hebben. De zieke moest dus zelf bij zijn genezing meewerken. Hij moest werkzaam zijn in dat deel van zijn organisatie, dat voor het wakkere bewustzijn ontoegankelijk is. Hij werkte aan het ledematen- en stofwisselingssysteem door lichamelijke oefeningen en daar, waar krachten tot in het voelende bewustzijn, tot naar het hart stijgen, door het genietend beleven van de dramatische kunst. De priester en arts greep vanaf het hoofd door het mededelen van oefeningsinhouden in het verloop van de ziekte in, opdat Asclepios vanuit het ritmische middengebied van het heiligdom, de tempel, de imaginatie van de therapie kon geven, wanneer de zieke, door de oefeningen te verrichten, de voorwaarde voor de genezing had geschapen. Dat was klaarblijkelijk dan het geval, wanneer in de ziel van de zieke de gezonde harmonie tussen denken, voelen en willen zodanig was hersteld, als deze in het heiligdom van Epidauros architectonisch uitdrukking vindt. Wanneer deze toestand was hersteld, was de door de inscriptie op de Propyleeën genoemde eis vervuld en mocht de zieke Asclepios zijn offer brengen; de priester gaf toestemming tot de slaap in het abaton.

Het meest gebruikte en ook meest geschikte offer voor Asclepios was de haan. Zoals de mythologie overlevert, zijn haan en slang twee natuurbeelden die nauw met de werkzaamheid van Asclepios zijn verbonden. In het volgende zal een poging worden ondernomen ook deze twee beelden in onze huidige taal te vertalen. Hiertoe kan de natuurwetenschap vanuit een bepaald aspect bijdragen. De vogels, waartoe de haan behoort en de reptielen, waartoe de slang wordt gerekend, worden door de zoölogische systematiek samengevat tot de afstammelingen van de Sauriërs, de Sauropsiden. In tegenstelling tot alle andere diersoorten hebben de Sauropsiden één merkwaardigheid met de mens gemeen, die, omdat deze op het eerste gezicht profaan is, niet in deze samenhang lijkt te passen. Mensen en Sauropsiden scheiden in de urine niet alleen urinestof uit, zoals alle andere dieren ook doen, maar bovendien urinezuur. Urinezuur kan door sommige in de woestijn levende slangen zelfs in kristallijne vorm worden uitgescheiden. Dit is een indicatie dat urinezuur een stof is die zich graag wil kristalliseren. In de fysiologie weet men dat in het menselijk organisme een geheel chemisch systeem wordt opgebouwd dat de kristallisatie van urinezuur verhindert. Daarbij komt het feit, dat de mens een heel bepaalde en individueel verschillende spiegel van opgelost urinezuur in zijn organisme behoudt. Rudolf Steiner, naar wie nog eens mag worden verwezen, heeft in gesprekken artsen gestimuleerd de veranderingen in de afscheiding van urinezuur door denkprocessen te onderzoeken. Aan deze suggestie heeft G.Suchantke gevolg gegeven. [2] De toenmalige intentie was het verband van denkprocessen met de overwinning van kristallisatieprocessen te willen bewijzen. De denkkracht die door haar verbindende werkzaamheid begrippen samenvoegt, hangt samen met het ontbinden van natuurlijke substanties, d.w.z. van zouten. Zoals de opbouw van de menselijke lichaamsorganisatie erop berust dat natuurlijke substanties door de spijsvertering worden afgebroken en vernietigd, heeft ook de op denkprocessen gerichte culturele kant van de menselijke levensorganisatie klaarblijkelijk deze grondslag nodig. De in het hoofd aanwezige zenuwen zijn dan op dezelfde wijze het werkinstrument van het vormkrachtenlichaam bij deze werkzaamheid als de met darmen gevulde buikholte het instrument is van het vormkrachtenlichaam bij de natuurlijke processen. Evenals de spijsvertering niet alleen door de werkzaamheid van de darmen is beschreven, maar daartoe het voedsel nodig is, kunnen ook de denkprocessen niet alleen door de werkzaamheid van de hersenen worden beschreven. Pas wanneer wij de overwinning van de kristallisatiekrachten van het urinezuur er aan toevoegen, hebben wij de gehele grondslag van de denkactiviteit. Het licht dat de mens in het hoofd kan ontsteken, is zonder zijn op ontbindingsprocessen gebaseerde organische grondslag niet mogelijk.

De vogels en in het bijzonder de zangvogels hebben een transparant schedeldak. Speciaal de oogholten zijn toegankelijk voor het licht. Men weet tegenwoordig, dat het in de ogen en hersenen van de vogels schijnende zonlicht de klierwerkzaamheid van de hypofyse stimuleert. Dit geschiedt vooral door de lengte van de dag en zijn cyclische verandering in de loop van het jaar. Het zingen van de vogels in de lente, maar ook het trekinstinct van de trekvogels wordt op deze wijze gestimuleerd. De ochtendzang in het voorjaar begint precies op de minuut volgens de plaatselijke tijd. De merel b.v. begint 43-44 minuten voor zonsopgang, het roodborstje 34 minuten, de tortelduif 27 en de blauwkopmees 9½ minuten voor zonsopgang. Portmann geeft in zijn boek “Von Vögeln und Insekte”[3] waaraan deze cijfers zijn ontleend een beschrijving en samenvatting van hetgeen over de lentezang en zijn oorzaken met zekerheid kan worden gesteld. De vogels zijn met hun door de zon doorlichte hersenen natuurbeelden voor gedachten, de goden waardige gedachten, die de mens door zijn wil om te denken kan voortbrengen, De door de denkwilskracht in het binnenste ontstoken zon heeft voor haar schijnen evenzeer het correlaat van het urinezuur nodig, als de kosmische zon, wanneer deze door het transparante schedeldak het jubileren van de vogels uitlokt. Het urinezuur is de substantie, waardoor het geest-dragende wezen van de mens en het zielenwezen van de vogels zich voor het zonlicht ontvankelijk maken.

De slangen hebben hun schedel door de vorming van hoornsubstantie verduisterd. Alleen boven de pijnappelklier bevindt zich in het schedeldak een gat, misschien een aanduiding voor datgene wat bij hun val ter aarde verloren is gegaan. Dit gat in het schedeldak toont, dat de slangen volgens hun oorsprong voor het ontvangen van zonlicht zijn gevormd. Door zich van de inwerking van de zon af te sluiten zijn zij koud (wisselwarm) gebleven en hebben geen individueel warmte-organisme gevormd. De koude – zo kan men het zien – is de oorzaak dat de hoornsubstantie bij de slangen zich tot pantser heeft ontwikkeld, die het reptiel in zijn eigen organisme gevangen houdt en tegen de zonnewerking afschermt. Bij de vogels die over het warmte-organisme met de hoogste temperatuur in het gehele dierenrijk beschikken, heeft de hoornsubstantie zich tot veren omgevormd, is luchtig-licht tot drager van kleuren en tekeningen geworden, waarop is afgebeeld wat uit het zonlicht werd ontvangen. De koude, aan de duistere aarde gebonden slang, die uit oeroud, verloren gegane verwantschap met de vogelwereld het urinezuur als organische grondslag voor het ontvangen van het licht nog in het organisme draagt, is een natuurbeeld voor dat denken in het menselijke hoofd, dat de goden onwaardige, aan de aarde gekluisterde gedachten denkt. Dat zijn gedachten die voor het geestelijke deel van de wereld blind zijn, die geen genezend licht in het organisme ontsteken, die geen zielenwarmte voortbrengen. Zij leiden tot koude van de ziel en tot ziekte en vormen een zielenpantser, zoals de slang dit fysiek heeft. Zo is de slang een beeld van het materiegebonden denken. Het zich verwerven van deze wijze van denken is een ontwikkelings-historische noodzakelijkheid voor het mensdom. Hoe had de mens tot een individueel Ik, tot een zichzelf-leiden kunnen komen, als de goden hem niet hadden losgelaten? De loodrechte staf van Asklepios en de Dorische zuil van de tholos in Epidauros, zijn beelden van het vrije Ik, dat zonder de er omheen kronkelende slang niet tot zichzelf zou zijn gekomen. De staf omstrengeld door de slang, is een groots mythologisch beeld voor de zichzelf bewuste en derhalve aan ziekten blootgestelde mens.

Asklepios aanvaardt het offer van de haan, de vogel die op aarde heeft leren lopen, zonder, zoals zijn kraaien in de ochtend toont, de relatie met de zon te hebben verloren. Dit offer neemt Asklepios aan van degene die de werking van de ziekte, van de donkere zielenkrachten in zichzelf wil overwinnen.

“Kriton, wij zijn aan Asklepios een haan verschuldigd, ga en offer hem, vergeet het niet!”, dit zijn de laatste woorden van Socrates, toen hij de gifbeker reeds had gedronken; deze woorden verkrijgen hun oude klank, hun ware betekenis pas, wanneer wij ze tegen de hier geschetste achtergrond kunnen zien. Het door eigen schuld aan het lichaam toegevoerde vergif kan Asklepios geestelijk in de ziel genezen, wanneer de mens zelf de brug naar de geestelijke wereld niet wilde verliezen. Zo is ook voor Socrates de haan een natuurbeeld voor de kracht waarmee hij in het uur de geestelijke zon zocht.

De hedendaagse mens heeft zich zijn individuele Ik verworven, en de wereld van de goden verloren. Het aan zichzelf overgelaten mensdom heeft reeds te lang geaarzeld om de verloren draad weer aan te knopen, uit eigen kracht de weg terug te zoeken, om de goden als een vrij individu weer tegemoet te treden. Deze draad kan alleen daar weer worden aangeknoopt, waar zich iets goddelijks in het binnenste heeft gevormd, toen de goden in de buitenwereld verloren gingen. Dit is de kracht van het Ik, die warmte en licht in de gedachten kan brengen, opdat uit eigen kracht tot een kleurig verenkleed wordt wat anders slechts een koude slangenpantser is. Deze kracht van innerlijke verandering te oefenen en te scholen is een geneesmiddel voor de aan de ziel toegebrachte schade van onze tijd, zij is Asklepios in onszelf.

1. GA 312, de blz. is niet vermeld
Vertaald
[2] G.Suchantke: Über den Zusammenhang des Seelisch-Geistigen im Menschen mit seiner Leibesnatur, Natura, 1929/30
[3] Portmann: “Von Vögeln und Insekte”,(Uitg. Fr.Reinhardt,Basel,o.J.)

.
Artikel lijkt een bewerking – auteur onbekend – van een hoofdstuk uit ‘Die Quellen der Kunst, Thomas Göbel

.

Kunstgeschiedenis: alle artikelen

Geschiedenis: alle artikelen

.

1622

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.