VRIJESCHOOL – Biografieën – Karl Marx

.

Vandaag 200 jaar geleden werd Karl Marx geboren.

Karl Marx 1818-1883

De filosoof van de grote ommekeer

Marx deed de uitspraak:

‘De filosofen hebben tot nu toe de wereld verklaard; het komt er echter op aan haar te veranderen’.
Daaraan hield hij zich, hij werd de filosoof van de verandering. Een portret van Marx, de criticus, bestrijder maar ook historicus van zijn tijd.

Karl Heinrich Marx, geboren te Trier op 5 mei 1818, was het kind uit een tot het protantisme overgegane joodse advokatenfamilie – een overgang die in het uiterst conservatieve Pruisen de enige weg was voor joden naar emancipatie en loopbaan. Marx’ jeugdige intelligentie bloesemde in het verlichte en intellectuele ouderlijke milieu. Wanneer hij student wordt, eerst in Bonn, dan in Berlijn, is in dat donkere ‘Moorse’ hoofd (vrienden en kinderen noemden hem graag Mohr) een schat aan kennis opgehoopt: de literatuur, van de oude Grieken tot aan Goethe en Balzac, de filosofie, al weer van de Grieken tot Kant en Fichte, de wereldgeschiedenis. Het was geen dode kennis; de student bezat het soort intellect dat nooit rust: wat hem als wijsgerig of wetenschappelijk probleem werd gesteld, moest worden opgelost; er was een ware passie tot het verwerken van het levens- en studiemateriaal.

Marx heeft nooit een beeldend ‘oog’ gehad; in zijn werk ontbreken de beschrijvingen. Zijn geniaal verstand echter was beeldend. Het stond niet stil bij een verworven inzicht; het vermogen om in problemen door te dringen, bleef hem tot het einde toe eigen. Voor dat vermogen vond hij in de jaren dertig van de vorige eeuw in de filosofie van Hegel een ‘instrument’, de dialectiek. Hegel ontdekte dat wereld en geest en daarmee de wereldgeest, worden voortgestuwd door een logische wetmatigheid, die zich in de vorm van negatie en vervreemding, these en antithese, synthese en nieuwe negatie rusteloos uit. Die ingeschapen dialectiek van al het zijnde werd voor Marx een denkbeginsel, dat voor hem niet als bij Hegel bij ‘de geest’, maar bij ‘de materie’ begon en de ontwikkelingscyclus via het denkend bewustzijn weer bij de materie liet eindigen. Hij zette, kortom, de dialectiek van Hegel ‘op de voeten’.

Radicaal

Daarbij had hij hulp in het radicale denken dat zich na Hegel bij een school van jonge Duitse wijsgeren had gevormd: Feuerbach, Bruno Bauer en andere in veel opzichten revolutionaire voorvechters van nieuwe, democratische en humanistische opvattingen. Door hen werd ook Marx, die als student ongehoorde hoeveelheden wijsheid had verslonden, van de abstracte, de ideale mens geleid tot de mens ‘van vlees en bloed’, zoals hij leeft, lijdt en strijdt. Door zijn radicalisme niet uitverkozen tot de carrière van Pruisisch universiteitsprofessor (hij was, 23 jaar oud, gepromoveerd), dreef het lot hem de weg op van de ‘politiek’. Hij werd in 1842 redacteur van de liberale Rheinische Zeitung, en door die functie uit de academische sfeer in de dagelijkse, harde realiteit verplaatst. Het leven van de kleine, geplaagde mensen, de wijnboertjes en de proletariërs van het Rijnland, maakte van hem al een communist-in-aanleg: hij verdedigde hun rechten en pleitte voor hen als maatschappelijk verdrukten. De Rheinische Zeitung werd in 1843 door de Pruisische regering als ophitsend en staatsgevaarlijk verboden. Marx, die intussen met zijn jeugdvriendin Jenny von Westphalen, dochter uit een adellijk Pruisisch ambtenarengeslacht, was getrouwd, week uit naar Parijs. Hij kwam er midden in de socialistische wieling terecht: nergens zo hevig als in Parijs werd in die jaren gestudeerd op sociale en politieke systemen. Proudhon, Louis Blanc en een sleep van Fourieristen en Saint-Simonisten stelden het heersende politieke systeem ter discussie. Duitse, Poolse en Russische emigranten, onder wie Michael Bakoenin, studeerden Duitse filosofie en Frans socialisme. Wijsbegeerte en politiek werden ook voor de jonge Marx facetten van één radicaal denkproces; een derde facet van maatschappelijke bewustwording leverde hem zijn intense studie van de klassieke Engelse staathuishoudkunde. Alle overgeleverde waarheden en wijsheden werden door Marx aan een kritisch onderzoek onderworpen; zijn conclusie legde hij – in zekere zin – vast in een van zijn Thesen über Feuerbach: ‘De filosofen hebben tot op heden de wereld verklaard; het komt er echter op aan haar te veranderen’.

Het proletariaat

Zo werd Marx in Parijs in de jaren 1843, 1844, de filosoof van de verandering, en op grond van zijn ‘omgekeerde’ Hegeliaanse dialectiek van de alras revolutionaire verandering. Het proletariaat, waarvoor hij tot die tijd meegevoel had getoond, werd de dynamische factor in zijn politieke denkwijze: van slachtoffer van de feodale en veel meer nog de zich snel ontwikkelende kapitalistische productiewijze werd het de drager van de omwenteling, de toekomstige held en protagonist van de geschiedenis. De revolutie zelf werd naar Marx’ nieuwe inzichten een onvermijdelijkheid, niet in deterministische zin, als ‘onafwendbaarheid’, maar als resultaat van de diep zittende, onoplosbare, tot gewelddadigheid leidende tegenstellingen van het heersende kapitalistische systeem zelf. Tegenstellingen, die een ontwaakt, militant en van zijn roeping bewust proletariaat zou moeten leren doorzien, om zijn historische kans te grijpen.

Marx’ bemoeienissen met emigrantenbladen en -acties bezorgden hem een uitwijzing van de Franse regering. Hij ging naar Brussel met zijn gezin; daarheen vergezelde hem ook de fabrikantenzoon Friedrich Engels uit Barmen, die in Manchester werkzaam was op een van de textielbedrijven van zijn vader, en die – oog in oog met de misère van de Britse arbeidersklasse – tot dezelfde conclusies was gekomen als Marx. Marx en Engels zouden een twee-eenheid blijven vormen, en Engels was voorbestemd om Marx’ ‘onvoltooide’ (deel 2 en 3 van Das Kapital) na zijn dood openbaar te maken.

Voor Marx was de mens nu niet langer het individuele fenomeen, maar hij bevatte hem nog slechts als de mens in de zeer concrete politieke en maatschappelijke context van zijn tijd, land, klasse, deel van een geheel. Politiek werd voor Marx geen zaak meer van ‘vuile handen’, maar een wetenschap hoe de maatschappij te begrijpen en hoe haar te veranderen. In Brussel trad Marx in contact met Duitse, uitgeweken arbeiders; hun half geheim genootschap Bund der Gerechten werd door hem en Engels herschapen in de communistenbond, die met open vizier in het sociale strijdperk wilde treden, zoals het door hen samen geredigeerde Communistisch Manifest (1848) zonder omhaal verkondigde. 1848 werd, in bijna heel Europa, tot een revolutiejaar. De Parijse arbeiders vochten voor ’t eerst op de barricaden voor eigen zaak. Hun voorbeeld werd in vele landen gevolgd, ook in Duitsland. Marx keerde spoorslags terug naar het Rijnland en richtte er met een hele keurbende van jonge medestanders (de meesten waren net als hij niet ouder dan dertig) de Neue Rheinische Zeitung op, die een grote invloed kreeg op de volksbeweging en de binnenlandse, revolutionair-democratische politiek. De macht kwam niet aan het volk, zelfs niet aan de bourgeoisie: overal in Europa zegevierde de behoudzucht, er werden nog wat achterhoedegevechten geleverd, zoals in Hongarije, maar de democraten moesten hun nederlaag aanvaarden. Marx week voor de tweede keer uit naar Parijs, werd daar bij de staatsgreep van Louis Bonaparte, de neef van Napoleon I weer buiten de deur gezet, en vestigde zich in 1849 in Londen. In Londen is hij vierendertig jaar later gestorven.

Het kapitaal

De ervaringen van Marx en Engels maakten hen tot de critici, de bestrijders, maar ook tot de historici van hun tijd, hun maatschappij, de kapitalistische. Marx’ vermogen om eigentijdse politieke en economische verschijnselen en gebeurtenissen te vatten, te verklaren, te oordelen, krijgt hier een grote opvlucht. Om te beginnen trok Marx na de gebeurtenissen van 1848 de slotsom uit het optreden van de proletariërs, dat hun eerste mislukte stormloop op de posities van hun onderdrukkers niet hun einde, maar slechts een veel bewogen generale repetitie betekende (het stuk zou vele malen worden opgevoerd, en vele malen nog vallen). Het betekende voor hem ook dat hij zich meer dan voorheen verdiepte in de geschiedenis van de klassenstrijd; een onderzoek dat hem er toe bracht om de eigenlijke voedingsbodem, of als men wil, het strijdperk van zijn eigentijdse samenleving te analyseren en de verborgen beweging en wetmatigheid van de zenuw van die samenleving – het kapitaal – op te sporen en vast te leggen. In een geduldig, hardnekkig en grondig proces van onderzoekingen, voor een groot deel door hem gedaan in de bibliotheek van het British Museum (plaats G7), verrichtte hij nu zijn wetenschappelijk werk: een eindeloze reeks van rapporten, ‘blauwboekjes’, studies over geldomloop, wisselkoersen, het functioneren van banken, de rol van de industrie, de landbouw, vormden in hun eindeloze variatie Marx’ bronnen. Voor hem rees daarbij het panorama van een moderne wereld, die niet uit de lucht was komen vallen; integendeel, zij liet zich tot in haar verste economische uithoeken verkennen. Zij maakte, toen hij een keer haar interne wetten had vastgesteld, de indruk van een ‘natuurhistorisch’ proces, al wist niemand beter dan Marx dat natuur en samenleving twee uiterst verschillende machten zijn: de natuur is ons gegeven, de samenleving hebben wij – mensen – gemaakt. De natuur kan men tot op grote hoogte leren beheersen, de maatschappij kan men volledig omwentelen, want zij rust op een onderbouw van economische verschijnselen. Wat aan wetenschappelijke inzichten, aan godsdienstige voorstellingen, aan kunst en creativiteit in de ‘bovenbouw’ van de maatschappij optreedt, wordt door die onderbouw bepaald – hoewel niet in ‘fatale’ zin: de bovenbouw kan zoveel macht en glans ontwikkelen dat hij weer terugstraalt op de economische fundamenten en daarmee de algemene maatschappelijke dynamiek beïnvloedt.

Marx zag zich door zijn financieel steeds miserabele positie gedwongen om als correspondent aan allerlei bladen mee te werken, en daaraan danken wij een reeks van dikwijls briljante, doorgaans geestrijke, maar bovenal onthullende analyses van de internationale politiek van zijn eeuw. Het Brits Imperium heeft hij gevolgd in zijn financiële kunststukken, zijn koloniale onderdrukking in India, zijn opiumoorlogen in China; Frankrijk heeft hij in de persoon van de door hem gehate Napoleon III in de corruptieve en dictatoriale sfeer van het Tweede Keizerrijk uitgebeeld; de Verenigde Staten voerden naar zijn inzicht een ware strijd om een nieuw soort radicale democratie, die voor hem culmineerde in de burgeroorlog 1861-1865 en in de hem sympathieke figuur van Abraham Lincoln; in Duitsland vervolgde hij de listen en lagen, de gewelds- en veroveringspolitiek van Bismarck met bijzondere betrokkenheid, omdat hij toch met al zijn cosmopolitische visies diep in zijn ziel een Duitser bleef, zorgelijk om de toekomst van zijn geboorteland. Marx, kortom, is de historicus van zijn eigen eeuw geweest, veel meer dan de geschiedschrijving in ’t algemeen wil toegeven; hij bezat het acuut vermogen achter schermen en gevels te kijken, en zijn economisch dialectische opvatting van de geschiedenis hielp hem daarbij, zoals een echte detective geholpen wordt door zijn speurzin en aandacht voor details.

De internationale

Gegeven het kapitalisme, gegeven de ‘onvermijdelijke’ omslag van de bestaande orde in haar ‘negatie’, dit is de verovering van de macht door het proletariaat, heeft Marx gewild, dat dit proletariaat de geschiedenis in eigen hand zou nemen: er voltrekt zich geen sociale ommekeer zonder bewuste ingreep van de mensen. Daarom heeft hij de oprichting van de (eerste) Arbeiders Internationale, de IAA, in 1864, toegejuicht. Hij werd al spoedig de spil waaromheen deze eerste organisatie van arbeiders draaide; zijn adressen, zijn raad, zijn richtlijnen werden toonaangevend voor de overal ontstaande arbeiderspartijen, waarvan de Duitse sociaal-democratie onder Liebknecht en Bebel het meest beantwoordde aan zijn ‘model’. Zonder de IAA zou de partijvorming van de arbeiders, overal ter wereld, tot in Rusland en de Verenigde Staten toe, zeker niet zoveel elan hebben gekregen. Dat de onderlinge meningsverschillen, de strijd met ‘concurrerende’ partijvormingen, waaronder met name die van de anarchisten onder Bakoenin, die een heel andere oplossing voor de machtsaanvaarding door de verdrukten zagen, aan Marx’ Internationale in 1876 de solide basis hebben ontnomen, is een ander verhaal. Een verhaal dat aantoont hoe ook Marx zich kon verkijken, hoe hij de grote omwenteling te snel heeft verwacht (een ‘fout’ van allen die naar ommekeer snakken), hoe hij zich heeft verrekend wat betreft het bewustzijnspeil van de uitgebuite klassen. Hoe ten slotte ook in hem, de intellectuele onderzoeker, de clinicus van de bestaande maatschappij, een utopisch verlangen heeft geleefd: het droombeeld van een wereld, waarin beginselen van macht, vrijheid en humaniteit via de ‘dictatuur van het proletariaat’ een verbond zouden aangaan, om het mensdom tot een hogere historische fase te verheffen. Terwijl de huidige communistische partijen – voor zover zij autonoom kunnen handelen – het oude dogma van de ‘dictatuur van het proletariaat’ meest overboord hebben gegooid, omdat de moderne maatschappij te pluriform is voor zo’n politiek recept, heeft Marx haar voor het eerst menen te zien in de Commune van Parijs. In 1871 na de val van Napoleon III en als gevolg van de Frans-Duitse oorlog kwam het Parijse volk in opstand, vestigde een radicale volksdemocratie, voerde tal van vernieuwingen in, nog wel onder het vuur van de Duitse kartetsen en alras ook van het Franse leger zelf, en bewees dat er een arbeidersbewind mogelijk is. Marx was diep onder de indruk van de Commune en heeft er enkele van zijn beste en ontroerendste politieke artikelen aan gewijd.

De mens Marx

Marx’ persoonlijk leven was, wij zeiden het al, gekenmerkt door een sleep van materieel lijden, geldzorgen, ziekten, sterfgevallen. Zijn beide zoons stierven op de kinderleeftijd. Zijn geliefde dochter Jenny – de oudste, die ‘de zoon’ in feite had moeten vervangen – stierf een jaar voor hem, nadat zijn vrouw Jenny von Westphalen, kennelijk gefnuikt door een bestaan van onuitroeibare  beslommeringen, al eerder overleden was. Het gezin Marx wordt doorgaans afgeschilderd als een hechte eenheid, waar iedereen van iedereen hield. Toch plaatst men tegenwoordig vraagtekens bij die, in het Oostblok nog steeds gangbare hagiografie. Er waren veel interne spanningen, zoals die welke werd veroorzaakt toen Marx bij het trouwe dienstmeisje Helene Demuth een kind maakte, dat onmiddellijk werd uitbesteed en waarover nooit meer werd gepraat. De verhouding tussen vader en dochters was ongetwijfeld innig, er was bij de meisjes een intense bewondering. Tegelijkertijd kan men niet ontkomen aan de indruk dat het genie van Marx te veel levensruimte voor zichzelf nodig had, en dat de familieleden nolens volens vaak in de psychische verdrukking raakten. Engels, die als welgesteld man in 1870 in Londen kwam wonen, heeft Marx levenslang geldelijk uit de puree proberen te halen, maar ook zijn ressources kenden een grens.

Overziet men vanuit de optiek van vandaag het marxisme, dan is men geneigd de conclusie te trekken dat het niet slechts bestreden, maar in veel opzichten verdonkeremaand is, weggedrongen in een historische hoek waar men met enig medelijden van Marx’ overleefde ideeën spreekt. Voor de schrijver van deze regels, die vanuit een intense betrokkenheid één roman en twee studies aan Marx heeft gewijd, ligt dat anders. Ik denk nu niet aan de zogenaamde socialistische landen, waar het marxisme tot een dogmatisch leervak, een belijdenis-met-de-mond, is verlaagd, waar Marx’ naam met andere woorden misbruikt wordt. Ik zie daarentegen dat het marxisme in de negentiende eeuw, die in veel opzichten nog onze geboorte-eeuw mag heten, bij een veelheid van grote culturele verschijnselen – de schilderkunst, de muziek, de literatuur, de natuurwetenschap – een zeer bijzondere bijdrage betekent tot onze civilisatie. Marx was een man van grote, geestrijke beschaving. Hij heeft zijn politiek-economisch onderzoek met evenveel toewijding verricht als Darwin zijn natuurwetenschappelijke ontdekkingen. Beide geleerden hebben voor ons hele besef van de ontwikkelingsgeschiedenis van het mensdom, de natuurlijke en de sociale, pionierswerk gedaan. Marx was een historicus, omdat hij in de geschiedenis zelf het eigenlijk levensterrein van de moderne mens herkend had, zowel van enkelingen als klassen. En deze historicus schreef een meeslepende, soms flonkerende, vaak diepzinnige en intellectuele stijl (de weerspiegeling van zijn persoon), die ons vandaag nog boeiend materiaal en inzichten levert. Hij heeft daarbij de werkende mensen geleerd, hoe zij zich moeten organiseren om hun rechten te verdedigen, maar bovenal om straks de leiding van zaken te nemen, als de huidige heersende klassen blijven doorgaan met hun bankroetierseconomie.

Fetisj en ommekeer

Het is duidelijk waarom men vanuit die heersende kringen en ook vanuit de burgerlijke wetenschap de indruk wil wekken dat Marx ons weinig meer heeft te zeggen, dat zijn optreden misschien destijds, maar nu niet meer van consequentie is. Die consequentie blijkt er integendeel te zijn, nu de historische continuiteit zich weer aandient in alle vormen van bevrijdingsstrijd. Marx had in de beweging van de geschiedenis het eeuwig doorwerkend element van de scheppende verandering opgespoord, en in zijn hoofdwerk en zijn andere studies aangeduid als de dialektiek van een maatschappij, die bij geen enkel conflict, geen enkele innerlijke tegenstrijdigheid kan blijven staan, maar deze moet uitvechten. Niet het compromis, niet het temporiseren, alleen de echte revolutie kan de huidige samenleving verlossen van haar stoffelijke ellende, maar ook van haar onmenselijke vervreemding. Een psychisch effect dat in de kapitalistische maatschappij, bij de fetisjdienst van geld en goed, de mens vervreemdt van arbeid en creativiteit, en daarmee van eigen menselijk bewustzijn.

Marx, kortom, was de filosoof van de ommekeer. Het onderkennen van de fetisj, die ons onderwerpt aan de macht waarmee de mens hem eerst heeft bekleed, en het omverwerpen van een dergelijke valse god, was Marx’ menselijke boodschap. Wie de status-quo beminnen, wie vinden dat onze maatschappijstructuren, hun geweld en hun onrechtmatigheden ten spijt, moeten blijven bestaan; wie in de mens geen nieuwe, betere mogelijkheden ziet, schuift Marx en het marxisme ver van zich, negeert hen. Wie er als de schrijver van deze schets van overtuigd is, dat Marx een perspectief van nog ongekende sociale en humane mogelijkheden heeft ontsloten, huldigt ook vandaag nog in hem een onmiskenbare actualiteit.
.

Theun de Vriers, Jonas 16, 01-04-1983

.

Alle biografieën

1520

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s