Categorie archief: vertelstof

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over sprookjes, mythen, sagen en legenden (GA 57)

.

Zie de inleiding bij dit onderwerp.
Ik eindigde daar met:

En dat is, volgens Steiner, de inhoud van sprookjes, mythen en sagen: beelden die staan voor ‘grote waarheden’ die op een abstract niveau in ‘die tijd toen’ niet waren mee te delen.

Als kind woonde ik in een dorp, vlakbij de kerk waaromheen een gracht lag. Omdat ik daar iedere morgen langs moest, waarschuwde mijn moeder me om niet te dicht bij de rand te komen. Ik kon nog niet zwemmen en er stond genoeg water in om erin te kunnen verdrinken.
‘Als je erin valt, val je naar de diepte en het is zo diep dat je altijd blijft vallen.’
Ik geloofde mijn moeder onvoorwaardelijk en het feit dat je altijd bleef vallen, boezemde mij voldoende angst in dat ik wel uitkeek dat ik niet in die gracht terechtkwam.
Ik werd wat ouder en toen ik op een dag eens goed in het water keek, kon ik de bodem zien. Plotseling wist ik; ‘Altijd blijven vallen, dat kan helemaal niet!’

Ik hoefde voor dit inzicht niets te doen, het was er op een bepaald ogenblik. Ik was ouder geworden en veranderd, niet alleen fysiek, maar ook in mijn belevingen en in het begrijpen.

Door zo’n voorval kan ik makkelijk meevoelen met de idee van Rudolf Steiner dat ‘de ontwikkeling van de mens, een ontwikkeling van zijn bewustzijn is.’
En dat geldt voor ieder mens individueel, maar ook voor de individuen die in een bepaalde tijd en op een bepaalde plaats een soortgelijke ontwikkeling a.h.w. als groep doormaken. Groep in de zin van ‘stam’ of ‘ras’ of ‘volk’.

En ook in deze tijd speelt zo’n ontwikkeling zich af. 
Met grote onderlinge verschillen, er bestaat in de wereld wat dat betreft geen ‘gelijktijdigheid’.

Als we de idee van Steiner vasthouden dat geschiedenis een verslag is van de bewustzijnsverandering van mens en mensheid, kunnen we daarmee meer begrip krijgen voor het sprookje, de sage, de mythe, legende en het geloof.

GA 57 

Wo und wie findet man den Geist?

Waar en hoe vind je de geest?

Voordracht 5, Berlijn 14 november 1908

Bibel und Weisheit II

Bijbel en wijsheid ll

Blz. 126

Blicken wir ein wenig zurück in der Entwicklung des menschlichen Bewußtseins. Das Wort Entwicklung braucht man heute sehr häufig, aber so durchgreifend, so intensiv wie die Geisteswissenschaft Ernst macht mit dem Worte Entwicklung, so ist es bei keiner anderen Wissenschaft der Fall. Dieses menschliche Bewußtsein, wie es heute ist, hat sich aus anderen Bewußtseinsformen entwickelt. Wenn wir weit, weit zurückgehen in der Herkunft des Menschen, nicht im Sinne materialistischer Wissenschaft, sondern so, wie ich es vorgestern entwickelt habe, dann finden wir, daß das Menschen-Bewußtsein immer mehr als ein anderes erscheint, je weiter wir zurückgehen. Dieses Bewußtsein, welches die verschiedenen Verstandesbegriffe, die äußeren Sinneswahrnehmungen in
der bekannten Art verknüpft, das ist erst entstanden, wenn auch in urferner Vergangenheit, aber es ist erst entstanden. Wir können in jener Zeit einen Zustand des Bewußtseins finden, der ganz anders war als heute, weil besonders das Gedächtnis ganz anders war. Das, was der Mensch heute als Gedächtnis hat, ist nur ein herunterge­kommener Rest einer alten Seelenkraft, die in ganz anderer Weise vorhanden war. In alten Zeiten, als der Mensch noch nicht die kombinierende Kraft seines heutigen Verstandes hatte, als er noch nicht imstande war, zu rechnen und zu zählen im heutigen Sinne, als er noch nicht seine Verstandeslogik ausgebildet hatte, da hatte er dafür eine andere Kraft der Seele: er hatte ein universelles Gedächtnis aus­gebildet. Dieses mußte abnehmen, mußte zurücktreten, damit auf seine Kosten unser heutiger Verstand zu seiner Entwicklung kommen konnte. So ist überhaupt der Gang der Entwicklung, daß eine Kraft in den Hintergrund tritt, damit die andere auftauchen kann. Das Gedächtnis ist eine abnehmende Kraft, der Verstand und die Vernunft sind zunehmende Seelenkräfte.

Laten we eens terugkijken naar de ontwikkeling van het menselijk bewustzijn. Het woord ontwikkeling wordt tegenwoordig heel vaak gebruikt, maar geen enkele andere wetenschap is zo serieus en zo intensief als de geesteswetenschap het woord ontwikkeling serieus neemt. Dit menselijke bewustzijn zoals het nu is, heeft zich ontwikkeld uit andere vormen van bewustzijn. Als we ver, heel ver teruggaan naar de oorsprong van de mens, niet in de zin van de materialistische wetenschap, ( ) dan ontdekken we dat het menselijk bewustzijn zich steeds anders voordoet naarmate we verder teruggaan.
Ons bewustzijn, dat de verschillende intellectuele begrippen, de uiterlijke zintuiglijke waarnemingen op de bekende manier met elkaar verbindt, is ontstaan, ook al is dit in een ver verleden, het is ontstaan.
In die tijd vinden we een staat van bewustzijn die heel anders was dan vandaag, omdat vooral het geheugen heel anders was. Wat de mens vandaag als geheugen heeft, is slechts een verkommerd overblijfsel van een oude zielskracht die op een heel andere manier aanwezig was. In de oudheid, toen de mens nog niet het combinerend vermogen had van zijn huidige intellect, toen hij nog niet kon rekenen en tellen in de moderne zin van het woord, toen hij zijn intellectuele logica nog niet had ontwikkeld, had hij in plaats daarvan een andere kracht van de ziel: hij had een universeel geheugen ontwikkeld. Dit moest afnemen, moest plaats maken, zodat ons hedendaagse intellect ten koste van dit geheugen tot ontwikkeling kon komen.
Dat is het verloop van ontwikkeling in het algemeen, dat het ene vermogen naar de achtergrond verdwijnt zodat het andere naar voren kan komen. Geheugen is een afnemend vermogen, begrip en rede zijn toenemende vermogens van de ziel.
GA 57/126-127
Niet vertaald 

Van dit ‘algemene’ gaat Steiner dan in de 17e voordracht over naar iets wat hij met name noemt:

Voordracht 17, Berlijn 1 mei 1909

Alteuropäisches Hellsehen

Oud-Europese helderziendheid

Blz. 411

Wenn wir zurückblicken, namentlich in der Entwicklung der europäischen Völker, so finden wir überall mehr oder weniger das alte Bilderbewußtsein, das die Welt anschaut, wie sie innerlich ist, wie sie ihrer geistig-seelischen Wesenheit nach ist. Aber das Ich-Bewußtsein ist noch ganz unentwickelt. Und was ist denn geblieben von dem, was die Alten gesehen und erzählt haben, die noch nicht das vollständige Ich-Bewußtsein hatten? Wir können sehen, daß ein Übergang vorhanden war vom alten Bilderbewußtsein zum Gegenstandsbewußtsein. Oh, es ist ein gutes, schönes Erbstück davon vorhanden: das sind die Mythen und Sagen, der gesamte Inhalt der Mythologien. Was die Mythologien enthalten, das wird heute vielfach als Volksdichtung hingestellt. Da werden Wolken als Schafherden angesehen, oder Blitz und Donner in irgendeiner Weise umgedeutet. Es gibt vielleicht keine willkürlichere «Dichtung», als diese Ausdeutung der alten Mythen und Sagen. Alles dasjenige, was heute geblieben ist in Mythen und Sagen, entstammt altem Hellsehen. Das, was erlebt wurde im Unterbewußtsein, das ist erzählt worden, und diese Erzählungen sind die Sagen und Mythen und auch die Märchen. Alle Sagen und Mythen sind erlebt, nicht erdichtet, aber auch nicht im heutigen Gegenstandsbewußtsein erlebt, sondern im alten dämmerhaften Bewußtsein. Und wir können gleichsam tief hineinschauen in das Wirken dieses dämmerhaften Bewußtseins, wenn wir uns an etwas Großes in den religiösen Schriften erinnern.

Als we terugkijken, vooral in de ontwikkeling van de Europese volkeren, vinden we overal min of meer het oude beeldbewustzijn, dat naar de wereld kijkt zoals die innerlijk is, zoals die is volgens zijn spirituele-zielessentie.
Maar het Ik-bewustzijn is nog behoorlijk onontwikkeld. En wat is er overgebleven van wat de ouden zagen en vertelden, die nog niet het volledige ik-bewustzijn hadden? We kunnen zien dat er een overgang was van het oude beeldbewustzijn naar het objectbewustzijn.
Wel, er is een goede, mooie erfenis hiervan: dit zijn de mythen en legenden, de hele inhoud van de mythologieën. Wat de mythologieën bevatten wordt vandaag vaak voorgesteld als volkspoëzie. Wolken worden gezien als kuddes schapen, of donder en bliksem worden op de een of andere manier geherinterpreteerd. Er bestaat misschien geen willekeuriger “poëzie” dan deze interpretatie van de oude mythen en legenden.

Alles wat vandaag de dag overblijft in mythen en legenden komt voort uit oude helderziendheid. Dat wat in het onderbewuste werd ervaren is verteld, en deze verhalen zijn de legenden en mythen en ook de sprookjes. Alle legenden en mythen zijn ervaren, niet verzonnen, maar ook niet ervaren in het objectbewustzijn van vandaag, maar in het oude schemerbewustzijn. En we kunnen als het ware diep in de werking van dit schemerbewustzijn kijken als we naar iets groots opkijken in de religieuze geschriften.
GA 57/411-412
Niet vertaald

Blz. 414

(  ) des alten hellseherischen Bewußtseins, des Bilderbewußtseins, das Mythen und Sagen schafft.

( ) van het oude helderziende bewustzijn, het beeldbewustzijn, dat mythen en sagen creëert.

GA 57/414
Niet vertaald

Blz. 417/418

Wir haben an einzelnen Beispielen gesehen, wie sich in der wunderbaren Sagenwelt nichts anderes ausdrückt als der Gegenstand der Entwicklung des Bewußtseins. Von dem alten Bilderbewußtsein eroberte sich die Menschheit ihr gegenwärtiges helles Tagesbewußtsein, das dem Menschen das Selbstbewußtsein gebracht hat. Und während er früher nicht in sich hineinschauen konnte, nicht ein Selbst dort fand, so fand er, wenn er hinausschaute, überall geistige Wesen, in der Quelle, in der Luft, im Baum — alles war von geistigen Wesen belebt. Wenn er mit seinem dämmerhaften Bewußtsein hinausblickte und sah die Luft, so wußte er, daß sie die Verkörperung desjenigen Gottes war, der sein Inneres gestaltete. Drang die Luft in ihn ein, so wußte er: das bewegt mein Ich. — Brauste der Wind, der sonst von ihm eingeatmet wurde, draußen in kalten, stürmischen Winternächten über die Erde, dann wußte er, daß in dem Sturmesbrausen Wotan einherfährt. So könnten wir alle Mythen und Sagen durchgehen. Wir würden wohl Umgestaltungen durch Dichtungen finden, aber alle führen zurück auf altes hellseherisches Bewußtsein.

We hebben aan de hand van individuele voorbeelden gezien [deze voorbeelden heb ik hier niet weergegeven] hoe de wondere wereld van de legenden niets anders uitdrukt dan het object van de ontwikkeling van het bewustzijn. Vanuit het oude beeldbewustzijn veroverde de mens zijn huidige heldere dagbewustzijn, dat de mens zelfbewustzijn heeft gebracht. En terwijl hij voorheen niet in zichzelf kon kijken, daar geen zelf kon vinden, vond hij toen hij naar buiten keek overal spirituele wezens, in de waterbron, in de lucht, in de boom – alles werd bezield door spirituele wezens. Wanneer hij met zijn schemerig bewustzijn naar buiten keek en de lucht zag, wist hij dat het de belichaming was van de God die zijn innerlijk vorm gaf. Als de lucht tot hem doordrong, wist hij: dit beweegt mijn Ik. – Als de wind, die hij gewoonlijk inademde, op koude, stormachtige winternachten buiten over de aarde bulderde, wist hij dat Wotan in het stormachtige gebrul meereisde. 
We zouden alle mythen en legenden op deze manier kunnen doorlopen. We zouden waarschijnlijk transformaties vinden door poëzie, maar ze leiden allemaal terug naar het oude helderziende bewustzijn.
GA 57/417-418 
Niet vertaald

Voordracht 18, Berlijn 6 mei 1909

                  Die europäischen Mysterien und ihre Eingeweihten

                             De Europose mysteriën en hun ingewijden
Blz. 422

Im letzten Vortrag konnte darauf hingewiesen werden, daß in den alten Zeiten der europäischen Entwicklung bei den verschiedenen Völkern eine Art alten, ursprünglichen Hellsehens vorhanden war, und daß sich das gegenwärtige Bewußtsein erst aus diesem früheren Bewußtseinszustände, aus einem alten, hellseherischen Vermögen heraus entwickelt hat. Es ist darauf hingewiesen worden, wie das, was der alte Hellseher in gewissen Verhältnissen seines Lebens hat wahrnehmen können, einen Niederschlag gefunden hat in den Sagen und Mythen, die von Alpwesen, Elfenwesen, von Zwerg- und Lurenwesen handeln. Diese Sagen und Mythen sind höchst mannigfaltiger Art, und wenn wir Umschau halten könnten nur über das, was an solchen aus alten, hellseherischen Beobachtungen stammenden Mythen und Sagen in Europa sich erhalten hat, so würden zwar gewisse Ähnlichkeiten, gewisse Gleichheiten in allen diesen Überlieferungen vorhanden sein, aber doch auch wieder große Verschiedenheiten, weil das hellseherische Vermögen der einzelnen Menschen sehr verschieden war. Eine viel größere Obereinstimmung ist schon vorhanden in den großen Mythengebilden, in den großen Gebilden der Götter- und Heldensagen. Auch diese Götter- und Heldensagen führen zurück auf hellseherische Fähigkeiten, nur in anderer Art. Nicht auf die Erlebnisse führen sie zurück, die dem Menschen werden konnten durch natürliche hellseherische Begabung, sondern die großen einheitlichen Sagengebilde, die wir als Mythologie zusammenfassen, führen zurück auf jene Erlebnisse, welche die Eingeweihten in den Mysterien gehabt haben.

In de vorige voordracht [zie hierbovenwerd erop gewezen dat in de oude tijden van de Europese ontwikkeling een soort oude, oorspronkelijke helderziendheid aanwezig was onder de verschillende volkeren, en dat het huidige bewustzijn zich alleen heeft ontwikkeld uit deze vroegere staat van bewustzijn, uit een oud, helderziend vermogen. Er is op gewezen hoe, wat de oude helderziende in bepaalde omstandigheden van zijn leven kon waarnemen, tot uitdrukking is gekomen in de legenden en mythen over alfenwezens, elfenwezens, dwergwezens en ‘lore’wezens. [verlokkende wezens, zoals de Lorelei. Op blz. 414 gaat Steiner er nader op in]
Deze legenden en mythen zijn heel divers, en als we alleen al zouden kijken naar welke mythen en legenden die voortkomen uit oude helderziende waarnemingen in Europa bewaard zijn gebleven, dan zouden er bepaalde overeenkomsten zijn, bepaalde gelijkenissen in al deze tradities, maar er zouden ook grote verschillen zijn, omdat de helderziende vermogens van individuele mensen heel verschillend waren. Er is een veel grotere overlap in de grote mythen, in de grote mythen van de legenden van goden en helden. Deze legenden van goden en helden leiden ook terug naar helderziende vermogens, alleen op een andere manier. Ze leiden niet terug naar de ervaringen die de mens zou kunnen krijgen door natuurlijke helderziendheid, maar de grote samenhangende sagencomplexen die we samenvatten als mythologie, leiden terug naar de ervaringen die de ingewijden hadden in de mysteriën.
GA 57/422-423
Niet vertaald

.

Rudolf Steiner over mythen en sagenalle artikelen

Vertelstofalle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3294-3101

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over sprookjes, mythen, sagen en legenden (GA 34)

.

Telkens als bv. de T.U. van Eindhoven een of andere vinding heeft gedaan en er wordt uitgelegd hoe dan, begrijp ik daar eigenlijk nooit wat van.
‘Knappe koppen’, denk ik dan, een vorm van ingewijd zijn in jouw stukje wetenschap. ‘Ingewijde’ gebruiken we nauwelijks als woord, hier spreken we van ‘de expert’. 
Maar evenzogoed, die weet veel meer dan ik en zou mij erin kunnen ‘inwijden’.

Zo had ik eens een expert nodig om de inhoud van mijn computer te redden.
Deze ‘ingewijde’ nam erachter plaats, typte voor mij totaal vreemde opdrachten, opende dit en sloot dat, kortom: hij was zo thuis in dat voor mij zo onbekende gebied, dat ook hij mijn leraar had kunnen zijn op zijn vakterrein.
Hij wees mij ook op een zekere toekomst: als ik dit zou doen en dat zou nalaten, ontstonden er geen problemen meer. Ik heb hem als ‘een grotere geest’ vertrouwd en inderdaad, zijn voorspelling was juist.

Daar moet ik weleens aan denken wanneer ik bij Steiner over ‘inwijding’ en ‘mysteriën’ lees. Over de ingewijden die het gewone volk – zij die het ontwikkelingsniveau van de ingewijde niet hebben – zeggen wat ze wel en niet moeten doen.

Nu zijn mijn voorbeelden wat triviaal, bij Steiner gaat het nog om veel meer:
de ingewijden houden het volk, maar ook de inwijdeling – hij die op weg is ingewijd(e) te worden – soms een toekomst voor van de mens en de mensheid, soms een verleden.
Ze moesten dat op een bepaalde manier doen, het ging niet op het niveau waarop zij dit wisten, dat denkniveau had het volk niet.

Bij deze inhoud denk ik weleens aan het feit dat de oudere aan een kleuter bv. geen algebra kan uitleggen. Dat kan de kleuter niet bevatten. 

En zo zou het gewone volk niet kunnen bevatten op een meer verstandsniveau, wat het toch op een of andere manier moest weten, ook door vragen die vanuit het volk werden gesteld.

Zo kunnen kinderen, ook kleuters al, vragen stellen over – voor hen – raadsels in het leven.
‘Wat is eeuwigheid’? vroeg een meisje in mijn klas mij.
Ik had natuurlijk een triviaal antwoord kunnen geven, in de trant van ‘heel erg lang’ of een filosofische omschrijving: ‘ontheven aan de tijd’.
Maar zou de  7-jarige daar wat aan hebben gehad.
Gelukkig kende ik een sprookje (Het herdersjongetje, Grimm 152) waarin één keer in de honderd jaar een vogeltje naar de Diamantberg komt om zijn snaveltje te slijpen en als de hele berg is afgeslepen, dan is de eerste seconde van de eeuwigheid voorbij.

Het kind keek me aan en zuchtte: ‘Wat duurt dat dan lang!’

Kennelijk geven de beelden op die leeftijd meer antwoord dan de abstracte zinnen.

En dat is, volgens Steiner, de inhoud van sprookjes, mythen en sagen: beelden die staan voor ‘grote waarheden’ die op een abstract niveau in ‘die tijd toen’ niet waren mee te delen.

GA 34

Lucifer-gnosis
1903-1908
Grundlegende Aufsätze zur Anthroposophie und Berichte

Basisartikelen over antroposofie en berichten

Lebensfragen der theosophischen Bewegung

Levensvragen van de theosofische beweging

Blz. 272

Aber selbst die Menschen, die in den allereinfachsten Verhältnissen lebten, konnten sie in jener Form erhalten, in der es für sie angemessen war. Die Märchen und Mythen enthalten diese Wahrheiten in Form von Bildern, von Gleichnissen usw. Es kommt nur aus materialistischer Gesinnung heraus, daß man in den Märchen, Sagen, Mythen die in ihnen Hegenden tiefen Weisheiten nicht erkennen oder nicht anerkennen will. Es kann hier zunächst nicht die Aufgabe sein, zu zeigen, was leicht gezeigt werden könnte, daß in Sagen und Mythen bildlich viel, viel größere Weisheiten über die Natur und die Menschheitsgeheimnisse enthalten sind, als in den Darlegungen unserer heute so fortgeschrittenen Wissenschaften. Völkern auf gewissen Kulturstufen muß man eben im Bilde geben, was bei einer höheren Entwickelung des Intellektes in Ideen an den Menschen herantreten muß. Allerdings gibt es viele Menschen noch heute, die da glauben, was nicht der Verstand begriffen hat, das sei überhaupt nicht verstanden. Dem gegenüber muß

Maar zelfs de mensen die in de eenvoudigste omstandigheden leefden
waren in staat om kennis over het hogere te ontvangen in de vorm die voor hen geschikt was. Sprookjes en mythen bevatten deze waarheden in de vorm van beelden, gelijkenissen, enz.

Het komt alleen voort uit een materialistische houding dat men de diepe wijsheid in sprookjes, legenden en mythen niet herkent of erkent.

Dat is iets wat vandaag de dag goed zichtbaar is. Hoe vaak wordt ‘sprookje’ niet gebuikt in de context van ‘niet waar, onzin’. Of hoe vaak moet niet ‘de mythe van dit of dat worden doorgeprikt’, m.a.w. ook de mythe als onwaarheid.
Hoe oppervlakkig wordt er soms gesproken over bepaalde mythologische figuren: Zeus als de op seks beluste vrouwenversierder, of de vrijeschoolleerkracht die het over ‘de soap van de Germaanse goden’ heeft.

Het kan hier in eerste instantie niet de taak zijn om aan te tonen, wat gemakkelijk kan worden aangetoond, dat er in legenden en mythen beeldend veel, veel grotere wijsheid over de natuur en de geheimen van de mensheid zit dan in de verklaringen van onze geavanceerde wetenschappen van vandaag.

Volkeren in bepaalde stadia van beschaving moet een beeld worden gegeven van wat bij een hogere ontwikkeling van het intellect tot de mens moet komen in de vorm van ideeën.

Er zijn echter veel mensen die nog steeds geloven dat wat niet door het intellect begrepen is, helemaal niet begrepen wordt. 

Blz. 273

aber betont werden, daß nicht nur der Verstand ein Erkenntnisvermögen ist, sondern daß man wirklich auch durch das Gefühl, durch die Phantasie und durch andere Seelenkräfte die Dinge verstehen kann.
Und es war ein wirkliches Verstehen für gewisse Stufen der Entwickelung, wenn die Menschen im Märchen, im Mythus die Weltgeheimnisse auf sich wirken ließen. Ja es kann für solche Entwickelungsstufen eine andere Form nicht einmal in Betracht kommen. Diejenige Form der höheren Wahrheiten, wie man sie heute in der Theosophie findet, verbleibt für solche Zeiten den Geheimlehren und ihren Schülern. Auf andern Entwickelungsstufen sind es die Religionen, in deren Form die Geheimnisse der unsichtbaren Welten den Menschen verkündet werden. In allen Religionen sind die höheren Geheimnisse in einer für das Gemüt und den Glauben zugerichteten Form enthalten. Wer nicht mit materialistischem Vorurteil, sondern ganz unbefangen und voraussetzungslos die Religionen studiert, der findet in ihnen alle Geheimlehren, so daß in einer jeden bestimmten Religion diese Lehren, angepaßt dem Charakter, dem Temperament und der Kultur desjenigen Volkes und derjenigen Zeit, für die sie bestimmt sind, enthalten sind.

Daartegenover moet echter benadrukt worden dat niet alleen het intellect een vermogen tot kennis is, maar dat men de dingen ook echt kan begrijpen door het gevoel, door de verbeelding en door andere krachten van de ziel.
En het was een echt begrijpen voor bepaalde ontwikkelingsstadia toen mensen in sprookjes, in mythen de mysteries van de wereld op zich in lieten werken. Voor dergelijke stadia van ontwikkeling kan er zelfs geen sprake zijn van een andere vorm.
Die vorm van de hogere waarheden, zoals we die vandaag de dag in de Theosofie* vinden, blijft voor zulke tijden voorbehouden aan de geheime leringen en hun discipelen.
In andere stadia van ontwikkeling zijn het de religies in wier vorm de geheimen van de onzichtbare werelden aan de mensen worden verkondigd.
In alle religies zijn de hogere mysteries vervat in een vorm die past bij gemoed en geloof.

Wie niet met materialistisch vooroordeel, maar volkomen onpartijdig en zonder vooronderstellingen religies onderzoekt, zal daarin alle geheime leringen vinden, zodat in elke religie deze leringen zijn opgenomen, aangepast aan het karakter, het temperament en de cultuur van het volk en de tijd waarvoor ze bedoeld zijn.

Mythen, Sagen, Religionen sind die verschiedenen Wege, auf denen die höchsten Wahrheiten den Menschen in ihrer Mehrzahl übermittelt worden sind. Das müßte auch weiter geschehen, wenn es ausreichen würde. Aber es reicht nicht mehr aus. Die Menschheit ist gegenwärtig auf einer Entwicklungsstufe angelangt, auf der ein großer Teil von ihr alle Religion verlieren würde, wenn die ihr zugrunde liegenden höheren Wahrheiten nicht auch in einer Form verkündigt würden, so daß auch das schärfste Nachdenken sie als gültig ansehen kann.
Die Religionen sind wahr, aber die Zeit ist für viele Menschen vorüber, in der Begreifen durch den bloßen Glauben möglich war. Und die Zahl der Menschen, für die das gilt, wird in der nächsten Zukunft mit ungeahnter Schnelligkeit zunehmen. Das wissen diejenigen, welche die Entwickelungsgesetze der
Menschheit wirklich kennen. Wenn die den religiösen Vorstel-

Mythen, sagen, religies zijn de verschillende manieren waarop de hoogste waarheden aan de meerderheid van de mensheid zijn doorgegeven.
Dit zou door moeten gaan, áls het toereikend zou zijn. Maar dat is het niet langer. De mensheid heeft op dit moment een stadium van ontwikkeling bereikt waarin een groot deel alle religie zou verliezen als de hogere waarheden waarop het gebaseerd is niet verkondigd zouden worden in zo’n vorm dat
ook het scherpste denkvermogen ze als geldig kan beschouwen.
De religies zijn waar, maar de tijd is voor veel mensen voorbij toen begrijpen alleen door geloof mogelijk was.
En het aantal mensen voor wie dít waar is zal in de nabije toekomst met ongekende snelheid toenemen.
Degenen die de wetten van de menselijke ontwikkeling echt kennen, weten dit.
Wanneer de wijsheden die aan de religieuze voorstellingen

Blz. 275

hingen zugrunde liegenden Weisheiten nicht in einer dem vollkommenen Denken standhaltenden Form in der Gegenwart öffentlich verkündet würden, so müßte alsbald der völlige Zweifel und Unglaube gegenüber der unsichtbaren Welt hereinbrechen. Und eine Zeit, in der das der Fall wäre, wäre trotz aller materiellen Kultur eine Zeit, schlimmer als eine solche der Barbarei. Wer die wirklichen Bedingungen des Menschenlebens kennt, der weiß, daß der Mensch ohne Verhältnis zum Unsichtbaren ebensowenig leben kann, wie eine Pflanze ohne nährende Säfte.

ten grondslag liggen niet in een vorm die voor een volmaakt denken standhoudt openlijk verkondigd zouden worden, dan zou er al snel volledige twijfel en ongeloof ten opzichte van de onzichtbare wereld ontstaan. En een tijd waarin dit het geval zou zijn, zou ondanks alle materiële cultuur een tijd zijn die erger is dan barbarij.
Iedereen die de werkelijke omstandigheden van het menselijk leven kent, weet dat de mens zonder een relatie tot het onzichtbare, net zo min kan leven als een plant zonder voedende sappen.
GA 34/272-275
Niet vertaald

*Steiner is hier nog lid van de Theosofische Vereniging, we zouden voor ‘theosofie’ hier nu ‘antroposofie’ kunnen schrijven.

.

Rudolf Steiner over mythen en sagenalle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3287-3094

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – Engels

.

De vertelstof van de 4e klas is de Germaanse mythologie.
Daarin staat o.a. het kostelijke verhaal vanHoe Thor zijn hamer terughaalde‘.

Wanneer je dat met je klas speelt en het dus in de belangstelling van de kinderen staat, zou je als leerkracht Engels er ook iets mee kunnen doen.
O.a. bepaalde passages, want het hele spel zou te veel kunnen zijn.
Het herkennen van de allitererende klanken, b.v.

Iets in het Nederlands kennen en datzelfde in het Engels (of een andere taal) doen, draagt bij aan het begrijpen van die andere taal.

THOR’S JOURNEY TO GIANTLAND

Children of about ten years old have a particular connection with Norse Mythology. At the same time it is good for them to experience the will element in the alliterative form of poetry. The following is based on the Edda.

One morning the mighty Mjölnir was missing.
Wild, on waking, was Thunderer Thor.
He bristled his beard, his breast was bursting
And his face a fierce frown wore.

“Loki”, said he, “My hammer is gone.
Without my weapon my works are weak.
Find thou Freya and dress in her feathers,
That which is stolen, I beseech thee to seek”.

The feather dress whirred and Loki flew fleetly,
Leaving Thor, the Thunderer to fume and fret.
To the realm of the Giants he rode and soon reached it.
There Trym, on a mound, the master he met.

Trym saw him and said, “I see thy deception.
What leads thee, Loki, alone to this land?”
And Loki told of the trouble in Asgard,
Thor’s howl when the hammer was gone from his hand.

Trym looked at Loki and loudly he laughed:
“Down deep in the depths of a dark mountainside
Thor’s hammer is hidden. That hole is its home
Till beautiful Freya you bring for my bride.”

Up Loki soared and to Asgard sped swiftly.
In a second Thor saw him and stood by his side.
“Thor, thy hammer is hidden, the Giant King keeps it,
Unless beautiful Freya we bring for his bride”.

Quickly the gods all gathered together,
To talk of the tidings Loki had told.
And Freya grew fierce and scaldingly snorted:
“I will not travel north, I will never be sold”.

Thus spake she, and suddenly silence descended.
No murmur nor mutter was made by the throng,
Till Heimdall, the hero, at last his voice lifted:
“Thor himself shall ride out and shall right us this wrong”.

‘The bridal veil let brave Thor bear.
And down to his knees let us drape a maid’s dress.
On his breast precious stones and fine silver shall sparkle.
And a pretty pink cap on his head let us press”.

Thor arose in a rage and wrathfully roared:
“Would you make me a maid, me, Thunderer Thor?”
But Loki was crafty and cunningly cried:
“Gainst the frost giants fearful, we can fight nevermore”.

Thor gasped and gazed on the garden of Asgard.
“I must have my hammer to defend our home.
I bid you, my brothers, the bridal veil bind.
To the cold giant country let me quickly begone”.

Then forth Loki stood and now sweetly he spoke:
“As thy maidservant, Thor, go I thither with thee.
I will dress as a girl and together we’ll go.
What a beautiful maid for the bride I shall be”.

In the palace of Trym a proud feast was prepared
To welcome the Wanderers and wish them well.
For the maidens a dish of fine dainties was set,
But Thor ate an ox, his craving to quell.

Then he seized and he swallowed eight fat salmon.
And he drank to the bottom three barrels of beer.
Trym waited and watched and in wonder he murmured:
“This maiden bites hard and heftily here”.

Close by there sat the serving maid still.
And the words of the giant well answered she:
“From food has Freya eight nights fasted.
So lively her longing to look at thee”.

Trym crossed to kiss the beautiful bride,
For his heart was in haste, so hot his desire,
But on lifting the veil a length back he leapt:
“This maid gives a glance like a furnace on fire”.

Close by there sat the serving maid still.
And the words of the giant well answered she:
“No sleep has Freya for eight nights found
So lively her longing to look at thee”.

Then laughing and loud spake the giant’s leader:
“Bring here now the hammer to hallow the bride.
On the knees of the maiden lay Mjölnir, the mighty.
And myself then softly will sit by her side”.

Thor seized his hammer and swung it swiftly
Above his body, around in a ring.
With a rushing of air and a roar of rage
He cracked the crown of the giant king.

He stood and swung it a second time
And down the giants dropped all dead.
A third time the Thunderer heaved his hammer.
A castle crumbled. Ruins stood there instead.

At last stood Loki and Thor alone
And so his hammer saved Odin’s son.

Bron: Roy Wilkinson

.
4e klas vertelstof: alle artikelen

4e klas: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

Niet-Nederlandse talen Engels: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 4e klas alle beelden

.

3254-3062

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Over de wijsheid van de sprookjes (1-7/5)

.

OTTO JULIUS HARTMANN  (†1990) bioloog en filosoof heeft tijdens zijn leven zeer veel publicaties verzorgd met antroposofie als uitgangsprincipe.
Zie bijv. een lijst met titels
Hij schreef ook regelmatig in een blad dat in de laatste tientallen jaren van de vorige eeuw in Duitsland verscheen voor (vrijeschool)ouders: Der Elternbrief.

Hartmann wijdde een aantal artikelen aan de ‘wijsheid van de sprookjes’.
.

Otto Julius Hartmann, der Elternbrief, nadere gegevens ontbreken
.

OVER DE WIJSHEID VAN DE SPROOKJES
.

Met doorzichtige politieke redenen wordt beweerd dat alle mensen gelijk zijn.
Dat vind je in de sprookjes niet.
Diepgaand kennen zij de menselijke natuur en zijn zij op de hoogte van de essentiële verschillen in de morele kwalificaties van mensen. Ze kennen wie begenadigd is of wie vervloekt, weten welke mensen bij het licht, welke bij de duisternis horen. Het blijft echter onduidelijk of deze mensen zo door God zijn geschapen of dat ze in de loop van hun aardse leven zelf de ene of de andere kant hebben gekozen.
Maar het is goed dat kinderen al een gevoel van waarheid krijgen (ook als het een meer onbewust voorvoelen is) voor de verschillen die ze in hun verdere leven bij mensen kunnen tegenkomen.

Vele, zo niet alle sprookjes hebben de taak om mensen langs de gevaarlijke en pijnlijke wegen naar zelfoverwinning en zelfkennis te leiden. Nu zijn er, zoals we hebben gezien, veel verschillende ‘kamers’ in het ‘koninklijke kasteel’ van het fysieke en mentale bestaan ​​van de mens, die bedoeld zijn voor zijn Ik om in te leven tijdens zijn aardse bestaan. Naast de kelder met de wilde dieren, is er nog een speciale kamer. Alle kamers, behalve deze ene, moeten door de “trouwe Johannes” (nr. 6)* worden geopend voor de zoon van de koning, volgens de wil van de stervende koning.
In deze kamer wordt het mysterie van het mannelijke en vrouwelijke bestaan ​​bewaard, en daarmee ook de grootste uitdagingen en gevaren die op het Ik in het aardebestaan afkomen

De jongere is in eerste instantie trots op de eenheid van zijn persoon. Maar nu moet hij ineens ontdekken dat hij in sommige opzichten maar de helft is. Als hij de andere helft moet ontdekken, komt dit neer op een soort verlamming die hij op een nieuw niveau zal moeten overwinnen. Dit is wat er met de koningszoon gebeurt als hij, achter de rug van ” de trouwe Johannes” naar de verboden kamer kijkend, het beeld van de koningsdochter ontmoet, d.w.z. het oer- en tegenbeeld van het eeuwige vrouwelijke, verborgen in zijn eigen ziel.  Oervreugde en oerverschrikking zijn ermee verbonden. De vrouw is tegelijkertijd de redding en de bedreiging van de man.

Het probleem is echter nog niet opgelost met de dramatische verwerving van de bruid, die het sprookje beschrijft. Voor beiden wachten nog de moeilijkste opgaven. Ze worden gesymboliseerd in het ‘wilde paard’, in het ‘vurige gewaad’ en in de ‘bloeddruppel’. Het egoïsme dat hier ontstaat, moet uiteindelijk op een eeuwenoude, mysterieuze manier worden goedgemaakt door het opofferen van kinderen als symbool van het ‘andere zelf’.
Onze kinderen zullen dit allemaal niet begrijpen, maar ze zullen wel een echte voorkennis verwerven over wat hen zal en moet overkomen, maar wat niet gemakkelijk is om op een menselijke manier mee om te gaan. Hoe dan ook negeert de huidige ‘seksgolf’ de ware realiteit van dit gebied.

Bijzonder merkwaardig zijn die sprookjes waarin de proefpersoon iets moet doen dat kennelijk onmogelijk of zelfs onzinnig is– en dat ook daadwerkelijk doet. Hij is er echter niet bij met zijn gewone dagelijkse bewustzijn en zelf. Hij slaapt. En terwijl hij slaapt, brengen mysterieuze krachten het schijnbaar onmogelijke tot stand. Bijvoorbeeld een berg afgraven, een vijver droogleggen of zelfs het bouwen van een heel kasteel met alle details in één dag. Bijvoorbeeld ‘De Ware Bruid’ (nr. 186), ‘De Gouden Vogel’ (nr. 57).
De Evangeliën spreken ook over een ‘berg’ die zou rijzen op verzoek van degene die werkelijk vertrouwt. Maar uiteraard ligt deze ‘berg’ niet buiten in het landschap (waarom zouden we hem wegdoen?), maar is het, zoals het sprookje zegt, de ‘berg’ die ons berooft van een helder zicht op de wereld. Dus de berg van ons egoïsme en egocentrisme, die de waarheid over onszelf en onze medemensen verduistert.

Maar wie kan in één dag een vijver droogleggen of een heel kasteel bouwen? Zijn dit misschien die gezonde en vernieuwende levenskrachten die ons elke nacht worden gegeven en die ons lichaam vernieuwen terwijl we in een diepe slaap liggen (niet in staat dit zelf te doen)? Maar er zijn dromen waarin we iets ervaren in een symbolische vorm van deze nachtelijke vernieuwingsprocessen die proberen te compenseren voor wat we overdag door onze chaotische gedachten en passies aan onze fysieke gezondheid verstoren.

Of de sprookjes van Grimm nu echte mysteriewaarheden bevatten of alleen maar morele opvattingen of zelfs maar het vrije spel van de menselijke verbeelding – ze betekenen in ieder geval ‘voedsel‘ voor de kinderzielen. Hebben die niet nog maar pas de zo verschillende werelden via de geboorte verlaten en dringen ze niet slechts heel geleidelijk en moeizaam door tot onze werkelijkheid die wordt gedomineerd door natuur- en scheikunde, technologie en geld.
Maar snel daarna, meestal al vanaf het begin van school, zullen ze wel moeten en zal hun Ik zich volledig onderdompelen in de wereld van computers. Maar ze zijn dit aardse bestaan binnengegaan om de aardse stof te gebruiken en daardoor hun Ik te ontwikkelen! Het is des te belangrijker om ze in de kindertijd te voeden met de rijkdom aan creatieve verbeeldingskracht. In werkelijkheid komt de rijkdom van het mineralen-, planten- en dierenrijk uit dezelfde bronnen waar ook onze echte sprookjes vandaan komen.

Maar de ‘natuur’ zoals die nu is, is een ‘natura naturate’, een (zoals Novalis het noemt) ‘versteende stad’ die al lang verlaten is door de creatieve oerkrachten van de evolutie (de natura naturans). Er wordt alleen nog niet ‘doorgegeven, niet langer op grote schaal getransformeerd en vernieuwd.

Hoe mooi voor de kinderen als ze in het sprookje kunnen ervaren hoe mensen in zwanen of raven veranderen en wegvliegen, maar ook weer in mensen kunnen veranderen. Want in de zielenwereld is nog mogelijk wat in de aardse wereld onmogelijk is.

.

*in Grimm

Sprookjesalle artikelen

Vertelstofalle artikelen

1e klasalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld1e klas                          * sprookjes  (Grimm)

.

3197-3009

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Over de wijsheid van de sprookjes (1-7/4)

.

OTTO JULIUS HARTMANN  (†1990) bioloog en filosoof heeft tijdens zijn leven zeer veel publicaties verzorgd met antroposofie als uitgangsprincipe.
Zie bijv. een lijst met titels
Hij schreef ook regelmatig in een blad dat in de laatste tientallen jaren van de vorige eeuw in Duitsland verscheen voor (vrijeschool)ouders: Der Elternbrief.

Hartmann wijdde een aantal artikelen aan de ‘wijsheid van de sprookjes’

.

Otto Julius Hartmann, der Elternbrief, nadere gegevens ontbreken
.

OVER DE WIJSHEID VAN DE SPROOKJES

.

Onbedorven kinderen zijn blij als ze meebeleven hoe in het sprookje ‘Repelsteeltje’ (nr. 55)* de boze machten door een enkel woord, door een speciale naam, hun macht verliezen. Ze verheugen zich terecht, omdat ze de geweldige betekenis aanvoelen die woorden en vooral “namen” in de wereld spelen. Wij volwassenen moeten dit feit echter tot ons volle bewustzijn laten doordringen. Natuurlijk moeten we eerst door ons eigen verkeerde gedrag, de vijandelijke krachten toegang hebben gegeven tot ons lot, zoals beschreven in dit sprookje,  net als in veel andere sprookjes. Maar dan kunnen de juiste woorden, uitspraken of namen hulp bieden, want de juiste eigennaam geeft de drager ervan macht.

In de wereld van de moderne wetenschap en technologie heeft het ‘woord’ geen betekenis. Atomen en moleculen hebben geen ‘eigennaam’, ze verwachten eenvoudigweg dat we hun wetten onderzoeken en ze dienovereenkomstig laten werken in onze industriële installaties. In de menselijke wereld is het ‘woord’ echter bijna almachtig. Denk maar eens aan de enorme betekenis van de woorden van de Evangeliën in positieve zin of de woorden van Karl Marx en Lenin in negatieve zin! De menselijke geschiedenis wordt in wezen gevormd door woorden (en de gedachten die er achter liggen).

Weg van mensen hebben woorden bv. B. nog steeds belangrijk bij honden, waaraan men eigennamen geeft en waarvan men de verstrengeling met woorden kan beheersen.
Naast de mens hebben woorden ook bij honden betekenis, we geven ze eigennamen en hun gedrag is door woorden te beïnvloeden.

In strikte zin heeft echter alleen de mens, voor zover hij een persoonlijkheid is, een eigennaam, waarachter de naam van alle namen “Ik” staat.

Namen en woorden zijn sterke krachten binnen de menselijke samenleving. Daarnaast is het woord of de naam echter ook van belang voor het veiligstellen van ons geestelijke bestaan ​​in relatie tot de natuur en het universum. Kinderen vragen dringend om woorden en namen omdat ze ervaren dat alleen op deze manier de mysterieuze en dwingende kracht van de dingen te beheersen is en van het geheimzinnige kan worden ontdaan. Niets is voor een volwassene meer verontrustend dan wanneer de naam van een ding of een persoon onbekend of vergeten is. Je voelt je eraan uitgeleverd.

Maar de juiste woorden en namen worden nog belangrijker voor onszelf en voor de krachten van ons eigen zielenleven. Zolang je bv. alleen maar woede, hebzucht, leedvermaak, etc. ‘hebt’, ben je daaraan overgeleverd. Maar als je die als realiteit kunt zien, misschien met de hulp van een medemens, als je het een naam durft te geven, het aan jezelf durft toe te geven, dan is de kracht ervan op de een of andere manier gebroken. Daarom zeggen wij tegen kinderen: “Kijk eens hoe je je hebt gedragen naar je vriendjes toe.” Door het juiste woord te gebruiken, help je het kind dus aan zelfbeheersing en daarmee aan vrijheid. – Wat dit betreft moeten de volwassenen dit sprookje en vele andere in hun bewustzijn meedragen.

Sommige sprookjes lijken aanvankelijk slechts humoristische producten van de menselijke verbeelding en zijn in die zin ook heerlijk voor kinderen. Bijvoorbeeld: Gelukkige Hans (nr. 83). Maar misschien schuilt er ook een verborgen stukje mysteriewijsheid achter.
Als het begint heeft een mens (“Hans”) een groot bezit (een “goudklompje”) verworven door te werken in het aardse materiële rijk. Maar aardse bezittingen zijn ook een last en zo laat het sprookje ons zien hoe Hans zich geleidelijk van deze last verlost (paard, koe, varken, gans, wetsteen) en uiteindelijk, bevrijd van alle aardse gehechtheden, gelukkig terugkeert naar het thuisland dat hem al te wachten staat: een symbool van het aardse pad van leven, dat bij het sterven leidt van ‘vervreemding’ naar het ware ‘thuis’. Kinderen zullen dit ook vermoeden, ook al kunnen ze het niet formuleren.

Sprookjes prediken geen moraliteit en doen niet in de eerste plaats een beroep op de rede. Ze spreken in beelden en hebben een nadrukkelijke werking op de ziel. B.v. “Koning Lijsterbaard” (nr. 52) Trots, arrogantie, spot en liefdeloosheid leiden vroeg of laat tot een lot dat een karmische compensatie voor misstappen teweegbrengt en in dit opzicht een transformatie van het menselijk karakter, dus  een ‘genezing’ van de “zonde-gerelateerde ziekte.”
Meer dan veel woorden of zelfs bestraffende preken, kan dit sprookje, als het hardop wordt verteld of voorgelezen, een levenslange indruk maken op de zielen van kinderen.

Maar veel andere sprookjes (bijvoorbeeld “Het water des levens”, nr. 97) beschrijven ons hoe de welwillende, behulpzame, vriendelijke persoon advies en steun krijgt van de hele natuur en hoe hij overal in zijn leven duidelijke paden voor zich ziet die hem uiteindelijk naar het ware doel van spiritueel ontwaken en naar vereniging met zijn hogere zelf of met de vrouwelijke kant van zijn wezen leidt, dat wil zeggen dat de ‘prins’ zijn ‘prinses’ vindt.

Natuurlijk zijn het niet de fysieke dieren die de zoölogen kennen (bijvoorbeeld mieren, kikkers, vogels, bijen, vossen, enz.) die naar de zoekende mens komen en hem helpen, maar uiteraard de krachten achter hen van een spirituele wereld, dat wil zeggen dat wat vroeger elementaire wezens van aarde, water en lucht werden genoemd en wier werkelijkheid ook voor ons vandaag de dag zeker zou moeten vaststaan.

De persoon die in harmonie met de wereldorde leeft, vindt een vrije weg, terwijl de persoon die onmenselijk en slecht in de breedste zin van het woord is, tegen onoverkomelijke obstakels aanloopt en uiteindelijk (een prachtige waarheid) wordt ingesloten door torenhoge rotsen, zodat hij zich niet meer kan bewegen, niet vooruit, maar ook niet zijwaarts of achterwaart. Natuurlijk zijn het geen letterlijke rotsen, maar de ‘rotsen’ of ‘bergen’ waar de Evangeliën over spreken en die ons, door onze eigen schuld, ook in onszelf hinderen (‘Het levenswater, nr. 97). en  (“De Gouden Gans, nr. 64).

Ook uiterlijk ongeluk en tegenslagen, waarvan we nu vooral onze medemensen of de zogenaamde ‘sociale omstandigheden’ beschuldigen, komen uiteindelijk voort uit een ‘zelf-tekort’, door zelfzuchtige passie, dat uiteindelijk kan leiden tot lichamelijke ziekte en gebrek.
De sprookjes van Grimm staan ​​vol met dit soort verhalen die je tegelijkertijd laten lachen en huilen.
We zouden nooit anderen, maar alleen onszelf, moeten beschuldigen van ons gedrag. We staan ​​op onze eigen manier ons zelf ‘in de weg’ en ‘in het licht’.

.

*in Grimm

Sprookjesalle artikelen

Vertelstofalle artikelen

1e klasalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld1e klas                          * sprookjes  (Grimm)

.

3191-3003

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Over de wijsheid van de sprookjes (1-7/3)

.

OTTO JULIUS HARTMANN  (†1990) bioloog en filosoof heeft tijdens zijn leven zeer veel publicaties verzorgd met antroposofie als uitgangsprincipe.
Zie bijv. een lijst met titels
Hij schreef ook regelmatig in een blad dat in de laatste tientallen jaren van de vorige eeuw in Duitsland verscheen voor (vrijeschool)ouders: Der Elternbrief.

Hartmann wijdde een aantal artikelen aan de ‘wijsheid van de sprookjes’

.

Otto julius Hartmann, der Elternbrief, nadere gegevens ontbreken
.

OVER DE WIJSHEID VAN DE SPROOKJES

We merken op: De sprookjes spreken in “beelden” _ maar de hele natuur, de planten en dieren en, niet in de laatste plaats, de mensen zijn “beelden” waarin kosmische spiritualiteit in haar vele aspecten wordt gepresenteerd.

De sprookjes “Vleerkens vogel” (nr. 46)*, “De roverbruidegom” (nr. 40)* en “De Peetoom” (nr. 42)* zijn verwant. Ze doen verslag van het “Grote Bos” waarin zon of maan en sterren nooit schijnen en in het midden ervan, waar het het donkerst is, staat een huis. Als je het binnengaat, lijkt alles stil en leeg, maar een vaag gevoel van afgrijzen overvalt degenen die binnenkomen en een stem roept: “Keer terug, jij mooie bruid, je bent in het huis van een moordenaar.” In eerste instantie verschijnt aan ons de heer des huizes dan misschien als een aantrekkelijke figuur. Niettemin wekt hij vage afschuw op, want de meisjes die met hem als bruid naar binnengaan, worden al snel worden vermoord en de lichamen worden in stukken gehakt en opgegeten. De heer van het huis is namelijk de Dood, en de bruiden vieren een “bruiloft met de Dood”.

Maar wij zijn allemaal ter dood gedoemd en in zoverre zijn wij zijn bruiden al vanaf het ogenblik dat we ons verbinden met een bevruchte eikiem en daarmee met de aarde. Dit ‘huwelijk met de dood’ neemt toe als we als kinderen worden geboren en uiteindelijk volledige aardse volwassenheid bereiken in de leeftijd van de ‘puberteit’, waarbij de macht van de dood groeit totdat deze uiteindelijk volledig aanwezig is op oudere leeftijd.

De machtige bomen van een oerbos zijn alleen aan de toppen van hun takken, in de ‘kronen’ groen. Verder naar beneden overheerst de materialiteit van het hout, grotendeels verlaten door het leven, want alleen onder de bast bevindt zich nog het dunne gebied van het levende cambium. Maar wanneer een storm uiteindelijk de bosreuzen treft, bezwijken ze onder hun eigen gewicht, ze rotten en veranderen in aarde. In de duisternis van een oerbos kunnen we zeker de “heer van de materie” tegenkomen, de dood. In het Grieks betekent ‘hyle’ zowel het bos als het hout of de materie.

In dit opzicht kunnen de beelden in bovengenoemde sprookjes zeker in verband worden gebracht met een stukje van de buitenwereld, namelijk met de macht van de dood in de ons omringende natuur.

Maar deze sprookjesbeelden verwijzen vooral naar ons mensen, naar processen binnen onze huid met de focus op de organen onder het middenrif. Wat aanvankelijk begint als het voedsel in de mond wordt gekauwd, zet zich vervolgens geleidelijk voort in de maag, de dunne en de dikke darm, met de bijkomende invloeden van de lever en de pancreas. Wat we levend en geheel uit de natuur halen, d.w.z. voedsel, wordt onderworpen aan een proces van ontbinding, vernietiging en dood. Rudolf Steiner spreekt krachtig over het ‘vernietigingscentrum’, dat zich in de regio van onze spijsverteringsorganen bevindt en, juist omdat het aanvankelijk vernietigt, ook de basis van ons eigen leven vormt.

Zolang deze destructieve krachten, buiten ons bewustzijn, diep verborgen in ons werken, zijn ze noodzakelijk en helend. Als ze er echter in slagen om tot ons bewustzijn door te dringen, ons Ik in beslag te nemen en in ons spreken en handelen naar buiten en tot onze medebroeders door te dringen, dan vormen ze de basis van wat we het kwaad in de breedste zin van het woord noemen.
In dit verband wordt er in de Evangeliën gezegd dat men broedermoord pleegt als men zijn naaste beledigt. Als men zegt dat iemand gif en gal tegen zijn medemens spuugt, is dat hetzelfde.

Iedereen kent deze kant van zijn zielenleven en probeert deze te beheersen. Maar het zou heel gevaarlijk zijn om zonder de juiste voorbereiding en voldoende kracht af te dalen in deze diepten van iemands levensorganisatie, dat wil zeggen het verschrikkelijke ‘huis’ met zijn verschrikkelijke bewoners te durven betreden.
Hij zou dan ervaren met welke doodskrachten de mens zich verbindt en moet verbinden, wanneer hij zich in het aardse bestaan ​​belichaamt en de ontwikkelingsstadia doorloopt tot hij op aarde volledig volwassen is, d.w.z. in zekere zin het ‘huwelijk met de dood’ viert.

Hoe belangrijk deze sprookjes ook zijn voor de verstandige volwassene, grote voorzichtigheid is geboden wanneer u ze aan kinderen vertelt. De in stukken gesneden bloedige menselijke lichamen die in een vat liggen of een grote kom zijn ware beelden, maar toch te veel voor kinderen.
In de middeleeuwse gedichten over de Danse Macabre was het idee van het huwelijk van de menselijke ziel met de dood nog springlevend. In onze veeleisende en welvarende samenleving is ‘dood’ absoluut taboe. Niettemin moeten kinderen hem op een passende manier leren kennen om zich bewust te worden van hun onsterfelijke ziel.

De tegenovergestelde pool van bovengenoemde sprookjes kennen we in de ‘Stukgedanste schoentjes’ (nr. 133)*. Hier ligt de nadruk niet op het lot van het lichaam, maar wordt er naar de onsterfelijke ziel gevraagd.
Wie kan zeggen waar menselijke zielen naartoe gaan als ze hun lichaam verlaten, of ze nu in slaap vallen of sterven? Ook in dit sprookje moet je ‘wakker’ zijn, dat wil zeggen een bewustzijnsniveau bereiken dat onafhankelijk is van je lichaam, om te kunnen doordringen in de gebieden waarin, zoals het sprookje zegt, de twaalf koningsdochters ’s nachts een “sterrendans” dansen met hun prinsen.

Iedereen die zich meldt voor de proef en faalt, riskeert zijn leven. Zo was het in de oude mysteriën wanneer iemand, zonder de nodige voorbereiding, in een driedaagse slaap zijn lichaam verliet, maar vervolgens de weg terug niet vond en daardoor stierf.

Zoals in veel sprookjes is het ook hier een ‘soldaat’ die de test doorstaat. Hoe komt dat? Omdat soldaten volgens de sprookjes mensen zijn die veel hebben gevochten en geleden en daardoor bijzondere Ik-krachten hebben verworven die ze nu nodig hebben voor de mysteriewijding.

Volgens de oude traditie wordt het ‘hiernamaals’, waar de twaalf prinsessen elke nacht heen gaan, beschreven als een paradijselijk landschap met bomen van goud, zilver en edelstenen en ook nog met een breed meer of een stroom, aan de andere oever verrijst een paleis. Dit meer is waarschijnlijk hetzelfde als het water van de doden bij de Grieken, waarover de veerman van de doden Charon met zijn boot mensenzielen naar het hiernamaals vervoert. Er zijn ook dromen die soortgelijke beelden bevatten.

Als de soldaat geacht wordt wakker te blijven om achter de prinsessen aan te sluipen, mag hij natuurlijk niet de wijn drinken, die, als de ‘wijn van de wereld’, de menselijke ziel aan de stoffelijke wereld bindt en haar in slaap laat zinken en  waardoor verhinderd wordt dat zij schouwend hogere sferen bereikt.

Het vermogen om (in hogere zin) wakker te kunnen zijn, is een basisthema van de mysterietaal van het sprookje.

*in Grimm

Sprookjesalle artikelen

Vertelstofalle artikelen

1e klasalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld1e klas                          * sprookjes  (Grimm)

.

3186-2998

.

.

.

VRIJESCHOOL – Over de wijsheid van de sprookjes (1-7/2)

.

OTTO JULIUS HARTMANN  (†1990) bioloog en filosoof heeft tijdens zijn leven zeer veel publicaties verzorgd met antroposofie als uitgangsprincipe.
Zie bijv. een lijst met titels
Hij schreef ook regelmatig in een blad dat in de laatste tientallen jaren van de vorige eeuw in Duitsland verscheen voor (vrijeschool)ouders: Der Elternbrief.

Hartmann wijdde een aantal artikelen aan de ‘wijsheid van de sprookjes’

In onderstaand artikel laat hij zijn gedachten gaan over dood, geboorte en ontwikkeling, met voorbeelden uit ‘Vrouw Holle’, ‘Roodkapje’ en ‘Sneeuwwitje’.
.

Otto julius Hartmann, der Elternbrief, nadere gegevens ontbreken
.

OVER DE WIJSHEID VAN DE SPROOKJES
.

Een patiënte vertelt hoe zij in verband met een ernstige chirurgische ingreep door de totale narcose aanvankelijk in diepe bewusteloosheid wegzakte, maar vervolgens plotseling ontwaakte in een nieuw, heel ander bewustzijn en het volgende ervoer: “Ik bevond mij op een wonderbaarlijke weide, en een ongeëvenaard gevoel van geluk stroomde door mij heen. In de verte zag ik duidelijk figuren die net zo gelukkig leken te zijn als ik. Maar op het ogenblik dat ik mij thuis wilde voelen in dit nieuwe, onvergelijkbaar mooie landschap, kwam er een bijzondere lichtfiguur op mij af. Ze droeg een groot ei in haar stralende handen, en ik voelde een warme golf van sympathie, toen ze zo ongeveer dit tegen mij zei: ‘Je kunt hier niet blijven, je moet nog wel naar de aarde terug’.” Het bericht gaat nog verder, maar houdt niet direct verband met wat ons nu bezighoudt.

Vrouw Holle” is een speciaal soort sprookje (nr. 24*). Op het eerste gezicht lijkt het een humoristische fantasie met een morele inslag, aangezien het over twee meisjes gaat, één lui en één hardwerkende, één egoïstisch en één bereid om offers te brengen. De diepere betekenis is echter
1. de beschrijving van de pijn van het aardse bestaan ​​(bloedige handen door zwaar werk),
2. in de put springen en wakker worden op de “hemelse weide” (dat wil zeggen sterven en overgaan in een heel ander soort bestaan). Ook daar bij Vrouw Holle moet werk worden verricht.
3. Maar dan wordt de menselijke ziel, ondanks alle aardse ontberingen die zij heeft doorstaan, gegrepen door een nieuw aards verlangen en wordt een wedergeboorte toegestaan ​​door de krachten van het hiernamaals.
Ze moet door de poort van conceptie en geboorte gaan en krijgt tegelijkertijd een lot toegewezen, een karma, dat de rechtvaardige gevolgen vertegenwoordigt van haar vorige leven, zowel in het verleden van deze wereld als in het huidige hiernamaals. Hoe dan ook, Moeder Aarde is blij haar kind terug te mogen verwelkomen, en ze genieten allebei van elkaar.

Maar nu is het ene meisje een Goud-Marie, het andere een Pek-Marie. ‘Goud’ hebben we graag; het is een goed lot dat ons in staat stelt in alles te slagen. Je zou graag van ‘pek’ af willen, maar het kleeft stevig aan het diepste innerlijk van de mens en je kunt er je hele bestaan ​​op aarde niet vanaf komen. Maar je kunt je voorbereiden op een beter toekomstig lot, misschien zelfs een gouden lot, als je de pek van je huidige bestaan ​​moedig draagt ​​en vooral je karakter in positieve zin verandert. Dit sprookje is bijzonder betekenisvol omdat het verwijst naar herhaalde levens op aarde.

Als je naïeve kinderen het sprookje van “Roodkapje” (nr. 126) vertelt, worden hun zielen aanvankelijk droevig als ze de gevaren voelen waaraan Roodkapje wordt blootgesteld. Maar eindelijk juichen ze als ze Roodkapje en grootmoeder uit de donkere buik van de wolf zien komen. De volwassene ziet echter alleen de groteske en lachwekkende dingen in dit sprookje, dus alleen geschikt voor kinderen. Maar het is juist dit sprookje dat bijzonder duidelijk de ware bedoeling van alle echte sprookjes onthult: verhuld door het lachwekkende of kinderachtige moeten de diepste verbanden van het lot van de mens worden duidelijk gemaakt aan degenen die het weten, maar verborgen blijven voor degenen die het niet weten. Want dit is niets minder dan de zogenaamde “opstanding uit de dood”.

In het Oude Testament wordt ons verteld hoe de profeet Jona werd opgeslokt door een grote vis die hem na drie dagen weer uitspuugde en aan land zette. In de Evangeliën vinden we drie soortgelijke gebeurtenissen: de dochter van Jaïrus, de jonge man in Naïn en de opwekking van Lazarus. [1] In alle drie de gevallen wordt echter uitdrukkelijk gesteld: deze persoon is niet gestorven, hij verkeert slechts in een diepe slaap, waaruit hij door de heerlijkheid van God zal worden gewekt voor een nieuw, totaal ander leven.

Het weer levend maken van een dode, als dat medisch mogelijk zou zijn, is in spirituele zin absoluut zinloos. Want dan zou de “oude Adam” gewoon weer voor ons staan ​​met al zijn tekortkomingen en fouten. Het zou daarom zinloos zijn om zo’n leven van alledag door een bijzonder wonder te verlengen.

Wat er echter werkelijk gebeurt in de bovengenoemde gevallen en waar ‘Roodkapje’ op schijnbaar humoristische wijze naar verwijst, kan worden afgeleid uit de praktijk van oude Grieks-Romeins-Oosterse mysteriewijdingen. Het werd de ingewijde verboden daarover te berichten op straffe van de dood. Alleen Apulejus zei hier iets over in zijn werk “Het Mysterie van Isis”. Na een lang verblijf in het heilige tempelgebied en rigoureuze oefeningen moest de leerling (een neofiet genoemd) wachten op een bijzondere droom waarin de godin hem zelf toegang verleende tot de daadwerkelijke wijding. Door de priester in een bijzondere slaap gebracht, dacht hij dat hij de drempel van de dood overschreed, voor de hogere en lagere goden stond en bijzondere opdrachten ontving. Als hij dan weer terugkeerde naar zijn aardse lichaam, was hij nu een ingewijde (een epope), niet alleen, maar een gelovige. Maar: iedereen die onvoorbereid komt, zal sterven! Hij kan niet terugkeren naar zijn lichaam.

Jezus Christus verwijst ook naar een dergelijke mysterieuze wijding in zijn gesprek met de hoge Joodse hoogwaardigheidsbekleder Nicodemus. Als hij vraagt ​​hoe iemand de koninkrijken van de hemel verwerft, wordt hem geantwoord dat iemand opnieuw geboren moet worden. Maar zoals Nicodemus geleidelijk aan begrijpt, gaat het niet om een ​​tweede geboorte uit de moederschoot, dat wil zeggen ‘van onderaf’, maar eerder om een ​​geboorte ‘van bovenaf’, dat wil zeggen juist als resultaat van een “sterf en word” tijdens de inwijdingsgebeurtenis.

Misschien hoort ook het sprookje ‘Sneeuwwitje’ (Grimm 53) in deze context thuis. Ook hier wordt de dood beschreven als gevolg van de vergiftigde appel, maar deze leidt niet tot de lichamelijke dood. Er valt niets definitiefs over te zeggen, maar een van de krachtigste sprookjesbeelden die we vaker tegenkomen is de ‘glazen kist’ die Sneeuwwitje omhult en waarin, ook in andere sprookjes, koningsdochters slapen , wachtend op degene die hen wekt. Maar het nieuwe, ontwaakte bestaan ​​is nooit een pure voortzetting van het oude, maar eerder een verdere ontwikkeling en verlichting.

Mensenlevens zijn blijkbaar pas echt interessant voor de biograaf in zoverre ze tot iets nieuws leiden en daarom voorbeelden zijn.

*in Grimm

[1] Zie Rudolf Steiner: Het Johannesevangelie (bv. blz.44)

Sprookjesalle artikelen

Vertelstofalle artikelen

1e klasalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld1e klas                          * sprookjes  (Grimm)

.

3177-2989

.

.

.

VRIJESCHOOL – Over de wijsheid van de sprookjes (1-7/1)

.

OTTO JULIUS HARTMANN  (†1990) bioloog en filosoof heeft tijdens zijn leven zeer veel publicaties verzorgd met antroposofie als uitgangsprincipe.
Zie bijv. een lijst met titels
Hij schreef ook regelmatig in een blad dat in de laatste tientallen jaren van de vorige eeuw in Duitsland verscheen voor (vrijeschool)ouders: Der Elternbrief.

Hartmann wijdde een aantal artikelen aan de ‘wijsheid van de sprookjes’

In onderstaand artikeltje laat hij zijn gedachten gaan over uiteenlopende zaken, zonder direct op één sprookje in te gaan. 

Otto julius Hartmann, der Elternbrief, nadere gegevens ontbreken

over de wijSheid van de Sprookjes
.

Reëel en fundamenteel begrijpen we en hebben we inzicht in alleen wat we zelf hebben bedacht en gemaakt – dat wil zeggen het steeds groter wordende domein van onze gereedschappen, apparaten en machines.
Aan de andere kant is de natuur, de rotsen, de bomen en de dieren aanvankelijk het versluierde beeld van de godin van Saïs, d.w.z. tegelijkertijd de openbaring en de verhulling van een hoog spiritueel werk. In haar vreemdheid heeft de ongerepte natuur iets bedreigends, of beter gezegd ontzagwekkends voor ongeschoolde mensen en kinderen. Noch in rotsen, noch in bomen en dieren ontmoeten we echter “iemand” met wie we van wezen tot wezen zouden kunnen spreken zoals met een mens. Daarom voelt de ongeschoolde persoon als individu zich alleen in de natuur, verlaten, misschien zelfs bedreigd, omdat hij aanvankelijk met niemand kan praten en door niemand kan worden gehoord.

In de tijd dat (vermoedelijk) de sprookjes van Grimm ontstonden, was Midden- en Oost-Europa bedekt met een enorm, deels moerassig oerbos. Iedereen die hier verdwaalde, was verloren. De oorspronkelijke natuur werd dus vooral ervaren als iets vreemds, zelfs vijandig, maar juist om die reden ook ervaren als een openbaring van hoge geestelijke wezens. Goddelijke boodschappen konden worden ontvangen van heilige bomen, maar ook in de verschijning van bepaalde dieren. Laten we ons bijvoorbeeld eens afvragen of we werkelijk weten ‘wat’ in een diepere zin bijv. een beuk, een vos, een hert, een kikker of een vogel “zijn”. We denken dat we ze kennen als botanici of zoölogen, maar dat is slechts een illusie uit gewoonte. Zouden wij bijv. als absolute stadsbewoners voor het eerst in het wild bomen en bosdieren zien – we zouden ze als totaal geheimzinnige wezens ervaren – wat ze in feite ook zijn.

Vandaag zijn we erin geslaagd het mysterie van de natuur, weliswaar niet op te lossen, maar het niet meer te laten mee tellen en ons daardoor te bevrijden van elke angst of ontzag: eerst hebben we de oerbossen gerooid en overal velden en weiden, paden en wegen aangelegd. De moderne natuur- en scheikunde hebben  echter nog radicaler voor deze onttroning gezorgd. Tegenwoordig zien we een ingewikkelde structuur van sommige soorten atomen en moleculen (dubbele DNA-helix) als de volledige ontrafeling van alle geheimen van de natuur.

Net zoals de Madonna van Rafael voor de scheikundige oplost in een structuur van kleurdeeltjes, of de Dom van Keulen voor de mineraloog een stukje rotswetenschap vertegenwoordigt, hebben wij dit met de hele natuur bereikt. Maar we hebben onze machines en onze wereld van welvaart opgebouwd uit het lijk van de natuur, dat wil zeggen uit haar materiële componenten, maar nu leven we in absolute eenzaamheid en door God verlaten.

Daarentegen kan men zien hoe al aan het begin van de sprookjesJorinde en Joringel” (nr. 69)* en “De Kikkerkoning en de IJzeren Hendrik (nr. 61) het betoverde en betoverende, d.w.z. de kracht van de natuur die de mensheid in eerste instantie bedreigt, voor ons staat: de ondoorgrondelijk diepe put in het diepe bos. Het koningskind met de gouden bal, die ze tijdens het spelen verliest zodat een kikker die uit het water moet halen, evenals het minder wakkere Ik nadat de zon is ondergegaan, zijn het de problemen van de Ik-bedreiging waarin de volwassen wordende mens verstrikt raakt door zijn seksualiteit, zodat betovering verbroken wordt.
Is de idee zo ver weg dat in de grote, glanzende gouden ogen van de kikkers een betoverd spiritueel wezen in dierlijke vorm naar ons kijkt of dat in de oude, donkere muren en kastelen de macht van de materie over de geest verschijnt?

En dan nog het water! We horen van de oude Griekse filosoof Heraclitus van Efeze: ‘de essentie van de ziel heeft een vurig karakter en haar thuis zijn de sferen van licht en vuur die de aarde omringen.’
Als de zielen nat worden, betekent dit dat ze een incarnatie naderen en uiteindelijk een aards lichaam aannemen. Wanneer, in het volksgeloof ooievaars kleine kinderen uit de vijver halen en bij hun moeders brengen, wijst dat in dezelfde richting; in Noord-Siberië zijn er geen ooievaars, maar wel spechten, en daarom is de specht de drager van kleine kinderen daar. Het zijn dus eigenlijk helemaal geen zoölogische dieren, maar eerder een soort spirituele boodschappers die zorgen voor succesvolle zwangerschappen van vrouwen. In ieder geval is ‘water’ de drager van de hemel naar de aarde, van het hiernamaals naar deze wereld.

Het sprookje “De dood als peet” (nr. 44) beschrijft de tegenovergestelde pool van conceptie en geboorte. Hier is het de dood zelf die een jongere kiest en hem tot een bekwame arts maakt. Dit is veelbetekenend omdat dokter en dood in wezen bij elkaar horen, omdat beide te maken hebben met ziek zijn en elke ziekte op weg kan zijn naar de dood, tenzij men de conceptie en geboorte beschouwt als de eerste kiemachtige toegang tot het rijk van de sterfelijkheid. Maar nu het cruciale punt: de arts mag het levensreddende middel alleen aan een ernstig zieke geven als hij (helderziend) het beeld van de dood aan het hoofd van de zieke ziet. Hij mag het niet doen als hij de figuur van de dood aan zijn voeten ziet. Waarom dit? Net zoals een boom zijn wortels in de aarde heeft, zo staat een mens met zijn voeten op de aarde en ontvangt de noodzakelijke vitale krachten, b.v. eten en drinken van Moeder Aarde. Als hij ervan wordt gescheiden, sterft de persoon. Daarom draagt ​​de figuur van de Dood een sikkel waarmee hij de menselijke ‘plant’ maait, net zoals de boer het rijpe graan omlegt. Omdat: Wanneer een persoon sterft (behalve in tijden van wijdverbreide catastrofe), is hij “rijp”, dat wil zeggen dat zijn levensloop voor deze tijd voltooid is (volgens een hogere beslissing) – ongeacht of hij nog een “kind” is of al een “oud mens”.

Sprookjesalle artikelen

Vertelstofalle artikelen

1e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas                           *sprookjes  (Grimm)

.

3169-2981

.

.

.

VRIJESCHOOL – Biografieën in klas 7 en 8

.

Op deze blog staan veel biografieën. Die zullen niet allemaal voldoen aan de criteria die de auteur hier stelt.
Toch hebben ze alle wel in eniger mate die bevleugelende aspecten die je voor de kinderen van klas 7 en 8 (en later!) beeldend kan vertellen. 

Herta Schlegtendal, Erziehungskunst jrg.31 nr 10-11 1967

.

BIOGRAFIEËN IN KLAS 7 EN 8
.

Rudolf Steiner raadde voor de laatste tijd in de zevende klas en voor de achtste
aan om de kinderen biografieën te vertellen. 
Op deze leeftijd begint enerzijds de puberteit: in de ziel begint het stormachtiger toe te gaan, de relatie met vader en moeder raakt aan sterke schommelingen onderhevig, het kind komt in conflict met de wereld van de volwassenen en voelt zijn eigen persoonlijke vervreemding en eenzaamheid.* Zo nu en dan rijst de vraag naar de zin van het leven. Dat is allemaal misschien nog niet duidelijk bewust, maar er zit onrust in de gevoelens en levenshouding van kinderen van deze leeftijd; aan de andere kant ervaren ze nog altijd tijden van zonnige onbezorgdheid en gracieus vertrouwen en hoop voor de toekomst. Wat ze van een dierbare autoriteit geboden krijgen, accepteren ze nog zonder scepsis. Nu worden er voorzichtig idealen geboren, een beginnend gevoel van de eigen individualiteit en levensopdracht.

Het is de tijd waarin de jonge Johann Gottlieb Fichte in alle boeken het motto schreef: “En als de wereld instort, zullen de dapperen zelfs het puin nog wegdragen!” (Dat is al de stem van dezelfde geest die naar voren kwam in ‘Reden an die Deutsche Nation’) 

Een betere hulp dan juist gekozen biografieën is hier nauwelijks mogelijk.
Biografieën die door de leraar van binnen warm worden doorleefd, de heldere beelden dan aan het kind verteld.
Maar de keuze moet wel goed zijn. Je moet mensen laten zien die blij zijn met hun lot en door hun eigen onverzettelijke wil doorzetten tot menselijke hoogtepunten en hun taak volbrengen.
Of over mensen bij wie het lijkt of hun lot en karakter zo zijn dat ze vanaf het begin voor elkaar lijken bestemd.
Weer andere biografieën laten mensen zien die door offerkracht en hoge idealen hun leven vormgeven en een zegen worden voor hun medemensen.
Bovenal zijn de biografieën ook wel bedoeld om een ​​heilzaam contrast te bieden aan de vele karikaturen van het mensenbeeld die tegenwoordig in het leven van de kinderen vanaf jonge leeftijd doordringen; een biografie kan er het beeld tegenoverstellen van een hoogstaand moreeel gezond mens.
Het gaat er niet alleen om dat het kind deze verhalen fijn vindt, maar ook dat ze zijn wil sterken, helpen zijn idealen te kiezen en moedig te zijn, in jezelf en je lot

te vertrouwen en een beeld op te roepen van een krachtdadig geleid leven. 

Kinderen zijn bovenal mensen die zich ontwikkelen en vinden het geweldig om de ontwikkeling van een persoon mee te maken. De leraar doet er dus goed aan als hij de nadruk legt op de jeugd en de jongere jaren van de personen, meer dan op hun latere prestaties.

Hier doet zich ook een moeilijkheid voor en hebben we te maken met de reden waarom Steiners bijzondere advies zo zelden wordt gevolgd.
De meeste biografieën voor volwassenen laten de kinder- en jeugdjaren achterwege, om in detail in te gaan op de daden en verdiensten van de persoon die al is ontstaan, maar heel weinig kinderen geven daar echt om. 
Want kinderen willen niet zozeer de held van de biografie imiteren, ze willen ontdekken hoe je zelf in het leven kan komen te staan, hoe het in een leven van een persoon in het algemeen kan toegaan, hoe idealen tot stand komen, of  de mens aan een blind toeval overgeleverd is of door hogere machten, ook al zijn die oinzichtbaar, worden geleid.
Zeer weinig biografieën leggen enige nadruk op de richting van het lot; de wisselwerking tussen lot en aanleg wordt zelden getoond.
Pure jeugdbiografieën bijvoorbeeld, eindigend op het twintigste of dertigste jaar van het beschreven leven, bevredigen het kind ook niet. Dat wil, ook al is het maar kort, weten wat er ontstaan is.
Zelfs die speciaal voor kinderen geschreven biografieën volgen zelden de bovengenoemde standpunten.
Ze willen entertainen, vreugde brengen en kennis vergroten. Maar dat laatste is niet het punt van biografieën op deze leeftijd.

Dus moet de leraar veel boeken doornemen en er kostbare uren aan besteden voordat hij hier en daar iets vindt wat hij kan gebruiken,
Maar daar is niet genoeg tijd voor. [1]

De levende uitwerking van de biografie op de jeugd wordt zeker tekort gedaan
als deze wordt voorgelezen en niet wordt verteld. 
Nog moeilijker is het om biografieën uit het hoofd te leren en ze te vertellen dan
de vertelstof uit de voorafgaande klassen. 
Maar als je al hebt geoefend met het onthouden van de essentiële beelden om daarmee het sprookje, de legende, te vertellen, zul je snel merken dat deze ervaring ook van grote hulp is bij het vertellen van de biografie.
 De belangrijkste punten kun je natuurlijk ook op een vel papier schrijven.
Als je eenmaal de moed gevat hebt om biografieën te vertellen, ervaar je al snel dat de moeilijkheden waar je in eerste instantie zo bang voor was, weldra zijn overwonnen.

De auteur zegt nu – het is 1967 – dat de jeugd klaagt dat ze geen rolmodellen meer heeft, maar dat lijkt me nu niet meer zo (als het al zo was) want hoeveel ‘idolen’ worden in deze tijd niet vereerd, ‘influencers’ gevolgd (al door 10-jarigen) 
Volgens mij leven de kinderen meer dan ooit in ‘een waan van de dag’.
Daarom kan je het vertellen van biografieën als een bittere noodzaak zien
omdat hier totaal andere levensrealiteiten aan de orde zijn.

De jonge mens zal steeds voorbeelden nodig hebben om zich aan te kunnen optrekken en de leerkrcht die dat inziet zal vanzelf bereid zijn zich offers daarvoor te getroosten, want dat kan het wel betekenen als je in een zevende of achtste klas, 15 tot 20 minuten uit moet trekken voor het vertellen van het verhaal.
Maar de klassenleraar zal ook plezier beleven aan de vruchten van zijn zelfdiscipline die hij zich oplegt.

De auteur is er zeker van, je kan het ook als vraag stellen: 
worden de kinderen voor heel hun latere leven gezegend door een groter gevoel van veiligheid, een sterkere wil en een rustiger geborgenheid als ze biografieën worden verteld? [2]

Een persoonlijke ervaring:
Op mijn 14e hoorde ik het levensverhaal van Hellen Keller. M.n. in de jaren daarna, wanneer ik met problemen had te kampen, gaf haar levensvoorbeeld mij een stimulans deze niet uit de weg te gaan. 

*[Paul van Vliet: Meisjes van 13]
[1] Op deze blog staan veel biografieën die -zie opmerking aan het begin – toch goed bruikbaar zijn.
[2] Soms komt een vertelling na jaren weer in het bewustzijn.

Biografieën: alle biografieën

Vertelstof: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

8e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3166-2978

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertellen

.

Hester Anschütz, Antroposofisch Magazine, juni 2019, nummer 14
.

Een verhaal brengt je tot jezelf
.

Op de vrijeschool heeft elke klas zijn eigen verhalen
.

“Vertel, vertel…,” zeggen we tegen elkaar en we praten over hoe onze dag was. We kletsen heel wat af, maar bijna niemand vertelt nog een spannend verhaal uit het hoofd, met kop en staart en een spanningsboog, zoals in vroeger tijden. Behalve op de vrijeschool. Daar is het vertellen van verhalen zelfs een bewust pedagogisch middel dat wordt ingezet om de ontwikkeling van de kinderen te ondersteunen. Want een verhaal goed en vrij vertellen is ‘een feestje’, voor verteller én luisteraar en bovendien gezond!

“Een goede verteller brengt zijn luisteraar met zijn voorstellingsvermogen in de wereld van het verhaal. Hierdoor keert de luisteraar in zichzelf, wordt stil van binnen en komt in zijn lichaam aan,” vertelt Wim Wolbrink, die al meer dan twintig jaar als verhalenverteller door het leven gaat en sinds twaalf jaar cursussen ‘verhalen vertellen’ geeft op de Nationale Vertelschool. “In onze huidige, hectische wereld word je door alles wat om je heen gebeurt uit jezelf getrokken. Een goed verhaal doet het omgekeerde en brengt je dichter bij jezelf. Dat is een gezonde werking.”

Omdat je een verhaal via je voorstellingsvermogen in je opneemt, via je gevoel, je ziel en minder via het cognitieve denken, zijn verhalen heel geschikt om kinderen levendige beelden aan te reiken. Vooral tussen het zevende en veertiende jaar; de periode waarin een kind, volgens de antroposofische visie op de mens, zijn levenskrachten ontwikkelt. Dat is dát deel in jezelf waarmee je je leven en alles wat je voelt en ervaart, vorm geeft en structuur. Dit bereik je vooral via je gevoel en je ziel. En beelden zijn de taal van de ziel.

Heiligen waren niet altijd heilig

“Met voorlezen reik je ook beelden aan, maar een vrij verteld verhaal werkt nog sterker,” zegt Wim. “Iemand die voorleest, zit bovendien meestal. Zijn lijf is passief en hij moet wat hij leest, via zijn eigen denken nog vertalen in zijn eigen voorstellingsvermogen. Pas dan kan hij het verhaal enigszins tot leven brengen voor de luisteraar.”

Op de vrijeschool heeft elke klas zijn eigen verhalen, die aansluiten bij de ontwikkelingsfase en gevoelswereld van de kinderen in die klas. Zo horen de eersteklassers, die nog met één been in de dromerige fantasiewereld vertoeven, de sprookjes van Grimm.
“In een sprookje begint een boom of de zon ineens te praten. Dat is voor kinderen van rond de zeven jaar nog heel gewoon,” zegt Eveline Reedeker, die al bijna twintig jaar vrijeschoollerares is op Vrijeschool Vredehof in Rotterdam. “De tweedeklasser is al wat steviger in de wereld aanwezig, maar kinderen van acht jaar knallen er ook nog van alles zo maar uit. Ze hebben nog niet veel terughouding.” Dat past bij de dierenfabels, waarin dieren menselijke eigenschappen hebben, die sterk vergroot zijn en hen vaak in moeilijkheden brengen. Om de fabels niet in het karikaturale te laten vervallen, klinken als tegenwicht in deze klas de zogeheten heiligenlegenden: verhalen over Sint-Nicolaas, Sint-Maarten en Fransicus van Assisi. Eveline: “Die legenden appelleren aan de wens van een achtjarige om goed te doen, om goed voor elkaar te zijn, ook als dat niet altijd lukt. Tenslotte waren de heiligen ook niet meteen heilig, zij moesten bepaalde aardse zaken overwinnen. Dat kan een tweedeklasser nog niet, maar dat wil een tweedeklasser wel.”

Van groep naar individu

“De derde klas ervaart zichzelf vaak als een groep: Wij zijn met elkaar en de leerkracht is leidend.” Volgens Eveline heerst er sterk een tendens van ‘als je goed doet, dan ontmoet je ook goed’, wat terug te vinden is in de verhalen in deze klas, die van het Oude Testament. “Daar is één God leidend. Zolang je doet wat hij zegt, dan komt alles wel goed.”

In klas 4 volgt een crisis rond het negende levensjaar. “Dit is voor elk kind anders, maar elk kind ervaart dat hij een ‘ik’ is tegenover de wereld. Dit wordt in antroposofische termen een ‘ik-Inslag’ genoemd. Kinderen hebben dit voor het eerst rond het tweede levensjaar, als ze voor het eerst ‘ ik’ tegen zichzelf zeggen. Met negen jaar volgt dan het besef dat ze echt een ‘ ik’ zijn, los van de wereld om zich heen.” Kinderen kunnen op deze leeftijd ineens bang worden om te gaan slapen, of ze kunnen sterke gevoelens van eenzaamheid ervaren. “De verhalen van de Noorse ontstaansgeschiedenis van de wereld, de Edda, weerspiegelen dit gevoel. Nadat de wereld in deze verhalen is ontstaan, klinkt meteen dat alles weer zal vergaan. Behoorlijk heftig,” meent juf Eveline. Maar het is van eenzelfde heftigheid als wat de negenjarige ervaart, en daarom kan het hem helpen.

Echt gebeurd?

Na deze heftigheid volgt een rustiger jaar in klas 5. “Volgens de boekjes tenminste,” zegt Eveline grinnikend. “Tienjarigen zijn over het algemeen evenwichtig, tot in hun fysieke gestalte aan toe. De verhoudingen zijn mooi; de slungeligheid van de puberteit komt pas later.” Deze harmonie vind je terug in de vertelstof van de Griekse beschaving, waar dit schoonheidsideaal een belangrijke rol speelde. “In de vijfde hoor ik vaak: ‘Is het nou echt gebeurd, wat je daar vertelt?'” En dat zijn de verhalen in dit jaar ook steeds meer, met historische figuren, zoals Alexander de Grote.

Met de verhalen over de Romeinse koningen en keizers gaat het in klas 6 bijna alleen nog over echte mensen. “Leiders van het volk, die moeten worden gevolgd en dus heb je regels en wetten nodig.” De zesdeklasser ziet graag dat alles functioneel is. “Bij de Romeinen vinden we een heleboel functionele en handige dingen, die je nu nog steeds kunt bezoeken: aquaducten, badhuizen, delen van tempels. Allemaal zo degelijk gebouwd, dat het er nu nog staat!”

Stoffig en zweterig

In al haar verhalen probeert Eveline aansluiting te vinden bij de kinderen, met behulp van veel zintuigelijke beschrijvingen. “Een historisch waargebeurd verhaal vind ik lastiger om te vertellen dan een sprookje of legende. Bij een Romeins gevecht zie ik dat er zand is en het wordt stoffig, zweterig en bloederig. Maar het kost me meer tijd om zo’n beeld, dat in mijn beleving best snel gaat, op te roepen dan bijvoorbeeld een sprookje van vrouw Holle,” vertelt ze. “Ik bereid een verhaal altijd voor en lees het een paar keer, zodat ik het voor me kan zien. Pas dan kan ik het de kinderen vertellen, vanuit mijn eigen innerlijke beeld.”

Ook eens proberen?

Wim Wolbrink van de Nationale Vertelschool geeft tips:

• Heb lol!
• Zoek inspiratie, ga luisteren naar goede vertellers.
• Kinderen van zes tot acht jaar zijn het beste beginnerspubliek, probeer een verjaardagsfeestje bijvoorbeeld.
• Bereid je voor: lees een verhaal, leg het aan de kant en schrijf de personages op. Stel je een karakter voor met je ogen dicht. Hoe ziet het karakter eruit, met wat voor geluiden is dit karakter omgeven, hoe ruikt hij, hoe smaakt hij en hoe voelt hij aan? Doe dit ook met de locaties in het verhaal. Maak er een feestje van en verzin samen met twee of drie mensen hoe een reus smaakt! Maak vervolgens een tekening van het verhaal, met alle karakters en locaties en schrijf een samenvatting. Leg vervolgens alles weg en het verhaal komt, beginnend met ‘ Er was eens…’, zo uit je mond!

Tips voor gevorderden

Durf tijdens het vertellen te spelen met stiltes Je zult merken hoe fijn dat is.
• Durf mensen tijdens het vertellen aan te kijken, maak oogcontact, Niet te strak, want dan worden mensen bang.
• Experimenteer, loop rond, ga op een tafel staan als er een reus in het verhaal voorkomt.

Bij deze laatste opmerking plaats ik, PHAW, een kanttekening:
Loop, de hele basisschooltijd door, NIET heen en weer of rond tijdens het vertellen. Een beetje acteren mag, maar ga in de 1e klas niet op tafel staan als de reus langskomt. Dat is te veel! (Bovendien is een tafel niet om op te staan (voorbeeld!) 

Nationale vertelschool.nl

Vertelstof: alle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: zie de diverse klassen: vertelstof

.

3035-2850

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof-sprookje (8-3/12)

.

Russisch sprookje

.
Verteltijd ca. 4 min.
.

De rechtvaardige beloning
.

In een zeker rijk reed de koning eens door zijn residentie en verloor daarbij zijn naamring van zijn vinger. Hij liet terstond in alle kranten bekend maken dat degene die hem vond en bij hem terugbracht, een grote geldelijke beloning zou ontvangen.
Nu had een gewoon soldaat het geluk de ring te vinden. ‘Wat moet ik doen,’ dacht de soldaat. ‘Als ik het bekend maak in het regiment, dan komt de zaak bij de overheid terecht en gaat van de sergeant naar de

compagniecommandant, van de compagniecommandant naar de bataljonscommandant, dan naar de overste en van hem naar de brigadecommandant – daar komt zo gauw geen eind aan. Ik kan beter rechtstreeks naar de koning gaan.’

Hij kwam bij het paleis en de soldaat van de wacht zag hem. ‘Wat wil je?’ ‘Ik heb de ring van de koning gevonden,’ zei de soldaat. ‘Goed, broeder. Ik zal je bij de koning aandienen, maar alleen op deze voorwaarde: wat de koning je ook voor beloning geeft – de helft daarvan is voor mij.
De soldaat dacht: daar zul je nu eens een gelukje hebben en dan moet je het nog delen. ‘Goed,’ zei hij tegen de wacht, ‘maar geef het me op schrift dat de ene helft van jou is en de andere voor mij.’ De wacht gaf het hem op een briefje en diende hem aan bij de koning.

De koning prees de soldaat om zijn eerlijkheid. ‘Dank je wel, brave jongen. Ik zal je hiervoor met tweeduizend roebel belonen.’ ‘Nee, koninklijke majesteit, dat is geen beloning voor een soldaat. De beloning voor een soldaat zijn stokslagen.’ ‘Stommerd die je bent!’ zei de koning, en liet stokken halen. De soldaat begon zich uit te kleden, knoopte zijn jas los en het papiertje viel er uit. ‘Wat is dat voor een papiertje?’ vroeg de koning. ‘Op dat papiertje staat geschreven dat deze beloning alleen voor de helft van mij is, maar voor de andere helft van de soldaat van de wacht.’
De koning lachte, riep de wacht binnen en beval hem honderd stokslagen te geven; en daarop werd hij dus getrakteerd. Maar toen ze de laatste tien aan het tellen waren, wendde de soldaat zich tot de koning en zei: ‘Uwe majesteit, als hij zo begerig is en zoveel nodig heeft, dan wil ik hem mijn helft ook nog wel offeren.’
‘Kijk eens aan, wat ben je goed,’ zei de koning, en liet nog eens tweehonderd aan de wacht geven.

Na zo’n beloning kon deze ternauwernood op handen en voeten naar huis kruipen, maar de soldaat werd door de koning geheel uit de dienst ontslagen en kreeg als toegift nog drieduizend roebel om van te leven.

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2974-2791

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof-sprookje (8-3/11)

.

Russisch sprookje

.

Verteltijd ca. 7 min.

.

De tsaritsa als speelman
.

In een zeker land, in een zeker rijk leefden eens een tsaar en een tsaritsa.
Toen hij geruime tijd met haar geleefd had, besloot de tsaar naar het verre, vreemde land te trekken, waar de joden Christus hadden gekruisigd. Hij gaf zijn bevelen aan de ministers, nam afscheid van zijn vrouw en ging op weg.

Na lange of korte tijd kwam hij in het verre vreemde land, waar Christus door de joden was gekruisigd. Daar regeerde echter in die tijd een goddeloze koning. Toen deze de tsaar zag, liet hij hem grijpen en in de gevangenis werpen. In zijn kerkers bevonden zich gevangenen van allerlei slag; ’s nachts waren ze geketend, maar ’s morgens kregen ze op last van de goddeloze koning een haam om hun hals en moesten ze tot de avond de akkers ploegen.
In zulke kwellende omstandigheden bracht de tsaar volle drie jaren door, zonder te weten hoe hij zich moest bevrijden en hoe hij bericht aan de tsaritsa kon sturen. Maar door een toeval kon hij haar toch een briefje doen toekomen. ‘Verkoop ons gehele bezit,’ schreef hij, ‘en koop me los uit de gevangenschap.’

Toen de tsaritsa de brief had ontvangen en gelezen, brak ze in tranen uit: ‘Hoe kan ik de tsaar loskopen? Als ik er zelf heenga, zal de goddeloze koning me zien en me zogenaamd tot vrouw nemen. En de ministers eropaf zenden? Op die valt geen staat te maken.’ En wat bedacht ze erop? Ze knipte haar lange, bruine vlechten af, kleedde zich als een muzikant, nam een goesli, (een mandoline), en ging zonder tegen iemand iets te zeggen op weg naar het verre land.

Ze kwam bij het paleis van de goddeloze koning en speelde daar zo mooi op de goesli, dat je er wel eeuwig naar had kunnen luisteren. Toen de koning deze verrukkelijke muziek hoorde, liet hij de goesli-speler terstond binnenroepen. ‘Gegroet, speelman. Uit welk land en uit welk rijk kom je?’ vroeg de koning. De speelman antwoordde: ‘Al sinds mijn kinderjaren trek ik door de wijde wereld, maak de mensen blij en verdien er mijn brood bij.’ ‘Blijf bij mij een dag, en een tweede, en een derde. Ik zal je er rijkelijk voor belonen.’ De speelman bleef, speelde iedere dag voor de koning, en deze kreeg nooit genoeg van het luisteren. Wat was dat een verrukkelijke muziek! Alle somberheid en alle zwaarmoedigheid werden er terstond als met de hand door weggewist!

Drie dagen bracht de speelman bij de koning door, daarna kwam hij afscheid nemen. ‘Wat kan ik je voor je moeite geven?’ vroeg de koning. ‘Majesteit, geef mij een van uw gevangenen, u hebt er toch zoveel in uw kerkers. En ik heb een makker nodig voor onderweg: altijd trek ik door vreemde, verre landen en dikwijls heb ik dan geen mens om een woord mee te wisselen.’ ‘Alsjeblieft, zoek er maar een uit die je aanstaat,’ zei de koning, en bracht de speelman naar de kerker. Deze bekeek de gevangenen en zocht de gevangen tsaar uit. Samen vertrokken ze, en ten slotte kwamen ze in hun eigen rijk. Daar zei de tsaar ‘Laat me gaan, brave man, want ik ben geen gewone gevangene: ik ben een tsaar. Vraag zoveel losgeld van me als je wilt, ik zal niet zuinig zijn met geld of met boeren.’ ‘Ga met God,’ zei de speelman, ‘ik heb niets van je nodig.’ ‘Wees dan tenminste mijn gast.’ ‘Als het zo eens uitkomt, zal ik komen.’ Daarna namen ze afscheid van elkaar en ieder ging zijns weegs.

De tsaritsa sloeg vlug een kortere weg in en was nog voor haar man thuis; hier trok ze de speelmanskleren uit en kleedde zich weer zoals het behoorde.
Een uur later ontstond er in het paleis veel drukte en rumoer van heen en weer lopende hovelingen die schreeuwden: ‘De tsaar is gekomen!’ De tsaritsa snelde hem tegemoet, maar hij begroette iedereen en gunde haar geen blik. Bij de begroeting van zijn ministers zei hij: ‘Nu ziet u, mijne heren, hoe mijn vrouw is: hier vliegt ze me om de hals, maar toen ik in de gevangenis zat en haar schreef dat ze mijn gehele bezit moest verkopen, deed ze helemaal niets. Waar dacht ze wel aan, dat ze haar man vergat?’
De ministers berichtten: ‘Uwe majesteit, zodra de tsaritsa uw brief had ontvangen, verdween ze op dezelfde dag, en het is niet bekend waar ze zich verborgen heeft gehouden en wat ze al die tijd heeft gedaan. Pas vandaag heeft ze zich weer in het paleis laten zien.’

De tsaar werd zeer boos en beval: ‘Heren, oordeelt mijn ontrouwe vrouw volgens recht en waarheid. Waar mag ze in de wereld hebben rondgezworven? Waarom wilde ze me niet loskopen? U zoudt uw tsaar in der eeuwigheid niet meer hebben gezien als die jonge speelman er niet was geweest. Voor hem zal ik altijd tot God blijven bidden, en het zou me niet te veel zijn hem de helft van mijn rijk af te staan.’
Intussen had de tsaritsa zich weer in de kleren van de speelman kunnen steken; ze ging naar buiten het erf op en begon de goesli te bespelen. Toen de tsaar dit hoorde, snelde hij er heen, nam de muzikant bij de hand, bracht hem in het paleis en zei tegen zijn hovelingen: ‘Dit is de speelman die mij uit de gevangenis heeft bevrijd.’
De speelman wierp zijn bovenkleding af, en allen herkenden terstond de tsaritsa. Toen was de tsaar zeer verheugd; uit vreugde liet hij een feestmaal aanrichten en zette dat een hele week voort.

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2967-2785

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof-sprookje (8-3/10)

.

Russisch sprookje

Verteltijd ca. 8 min.

.

Het verstandige meisje

.

Er waren eens twee broers onderweg; de een was arm, de ander welgesteld. Ze hadden allebei een paard, de arme een merrie, de welgestelde een ruin. Toen ze ergens samen overnachtten, kreeg de merrie van de arme in die nacht een veulen en dit gleed onder de kar van de rijke, ’s Morgens wekte deze de arme: ‘Sta op, broeder, mijn kar heeft vannacht een veulen geworpen.’ Zijn broer stond op en zei: ‘Hoe is het mogelijk dat een kar een veulen ter wereld brengt! Dat is natuurlijk mijn merrie geweest.’ De rijke zei: ‘Als jouw merrie het veulen geworpen had, zou het toch bij haar liggen.’ Ze bleven erover twisten en wendden zich tot de overheid. De welgestelde gaf de rechter geld, maar de arme pleitte met woorden voor zichzelf. Ten slotte werd de zaak aan de tsaar voorgelegd. Hij beval de beide broers te roepen en gaf hun vier raadsels op:
‘Wat is het sterkste en het snelste ter wereld, wat is het vetste, wat het zachtste en wat het dierbaarste ?’ En hij gaf hun drie dagen bedenktijd. ‘Op de vierde dag moeten jullie me antwoord komen geven.’

De rijke peinsde en peinsde, dacht opeens aan zijn peettante en ging haar om raad vragen. Zij liet hem aan tafel plaatsnemen, zette hem van allerlei voor en vroeg: ‘Waarom kijk je zo somber, peetzoon?’ ‘De tsaar heeft me vier raadsels opgegeven, en ik heb drie dagen bedenktijd gekregen.’ ‘Wat voor raadsels? Zeg me dat.’ ‘Luister dan, peettante, het eerste raadsel luidt: “Wat is het sterkste en snelste ter wereld?” ‘Hè, wat een raadsel is me dat nou! Mijn man heeft een bruine merrie en niets is sneller dan zij. Als je die de zweep laat voelen, haalt ze een haas in.’ ‘Het tweede raadsel luidt: “Wat is het vetste ter wereld?”’ ‘Wij mesten nu al het tweede jaar een gevlekte ever; die is zo vet geworden dat hij niet meer op zijn poten kan staan.’ ‘Het derde raadsel luidt zo: “Wat is het zachtste ter wereld?’” ‘Dat is toch bekend: een veren bed, iets zachters kun je niet bedenken. Het vierde raadsel: “Wat is het allerdierbaarste op de wereld?’ ‘Het allerdierbaarste en liefste is mijn kleinzoon Iwanoesjka! ’ ‘Dank je wel, peettante. Ik heb het van jou geleerd, en zal het nooit vergeten.’

Maar de arme boer ging bitter wenend naar huis; daar kwam zijn zevenjarig dochtertje hem tegemoet – zijn hele familie bestond uit deze enige dochter. ‘Waarom zucht je, vadertje, en waarom huil je?’ ‘Hoe kan ik anders dan treurig en in tranen zijn? De tsaar heeft me vier raadsels opgegeven die ik van zijn leven niet kan oplossen.’ ‘Zeg me wat die zijn.’ ‘Dit zijn ze: “Wat is het sterkste en snelste ter wereld, wat is het vetste, wat het zachtste en wat het dierbaarste?”
‘Ga naar de tsaar, vadertje, en zeg hem: “Het sterkste en het snelste is de wind, het vetste is de aarde – alles wat groeit en leeft wordt door haar gevoed. Het zachtste is de hand, want waar een mens ook gaat liggen, altijd legt hij zijn hand onder zijn hoofd; en iets dierbaarders en zoeters dan de slaap bestaat er niet.’”

Beide broers kwamen bij de tsaar, de rijke en de arme. De tsaar hoorde hen aan en vroeg de arme: ‘Heb je de raadsels zelf opgelost, of heeft iemand je dat geleerd?’ De arme antwoordde: ‘Uwe majesteit, ik heb een dochtertje van zeven jaar; zij heeft ze me geleerd.’
‘Als je dochter zo knap is, dan heb je hier een zijden draadje. Laat ze daarvan vóór de ochtend een gebloemde handdoek weven.’
De boer nam het zijden draadje aan en ging bedroefd en somber naar huis. Ach, wat zijn we ongelukkig,’ zei hij tegen zijn dochter. De tsaar heeft je bevolen uit dit draadje een handdoek te weven.’ ‘ Tob niet, vadertje,’ zei het zevenjarige meisje. Ze brak een takje uit de bezem, gaf het aan haar vader en zei: ‘Ga naar de tsaar en zeg hem dat hij een meester moet zoeken die uit dit takje een weefgetouw kan maken. Daarop zal ik dan de handdoek weven.’ De boer bracht dit aan de tsaar over. De tsaar gaf hem honderd vijftig eieren: ‘Geef ze aan je dochter,’ zei hij, ‘en laat ze er voor morgen honderdvijftig kuikens uit broeden.’

De boer kwam nog bedroefder, nog somberder thuis. ‘Ach, dochtertje, pas heb je het ene ongeluk achter de rug of er komt een ander op je af.’ ‘Tob niet, vadertje,’ zei het meisje. Ze kookte de eieren en zette ze opzij voor het middag- en het avondeten. Maar haar vader zond ze naar de tsaar: ‘Zeg hem dat de kuikens als voer eendaagse gierst nodig hebben. Op dezelfde dag moet het veld geploegd en de gierst gezaaid, geoogst en gemalen worden. Andere gierst willen onze kuikens niet eten.’ De tsaar hoorde het aan en zei: ‘Als je dochter zo verstandig is, laat ze zich dan morgenvroeg aan mij komen vertonen – niet te voet en niet te paard, niet naakt en niet gekleed, niet met een geschenk en niet zonder een gift.’

Nu, dacht de boer, een zo listig raadsel zal zelfs mijn dochter niet kunnen oplossen. Het is nu afgelopen met ons. ‘Tob niet, vadertje,’ zei zijn zevenjarig dochtertje. ‘Ga naar de jagers en koop voor mij een levende haas en een levende kwartel.’ De vader ging er heen en kocht de haas en de kwartel.

De volgende dag deed het kleine meisje ’s morgens al haar kleren uit, trok een net over zich heen, nam de kwartel in de hand en ging op de haas zitten. En zo reed ze naar het paleis. De tsaar kwam haar bij de poort tegemoet en zij boog voor hem.

‘Hier heb ik een gift voor u, heer tsaar,’ zei ze en gaf hem de kwartel. De tsaar wilde er zijn hand naar uitsteken, maar de kwartel vloog weg. ‘Goed,’ zei de tsaar, ‘het is gedaan zoals ik het had bevolen. Zeg me nu dit: je vader is immers arm. Waarvan leven jullie dan?’ ‘Mijn vader vangt vissen op de droge oever, hij zet geen fuiken uit in het water. Ik draag die vissen naar huis in de punt van mijn rok en kook er een vissoep van.’ ‘Ach wat! Dom kind, sinds wanneer zwemmen er vissen op de droge oever? Dat doen ze immers in het water.’ ‘Bent u dan soms verstandig? Wanneer is het ooit gezien dat een boerenkar een veulen ter wereld bracht? Het was niet de kar, maar de merrie.’ De tsaar besliste dat het veulen aan de arme boer moest worden gegeven, maar diens dochter nam hij in huis. En toen het zevenjarige meisje volwassen was geworden, trouwde hij met haar en werd ze tsaritsa.

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2960-2778

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof-sprookje (8-3/9)

.

Russisch sprookje

Verteltijd ca. 26 min.
.

De tsaar van de Zee en Wassilissa de WijZe

.

Er leefden eens een tsaar en een tsaritsa.
De tsaar ging graag op jacht om wild te schieten, en toen hij eens aan het jagen was, zag hij op een eik een jonge adelaar zitten; hij legde al op hem aan, maar de adelaar smeekte: ‘Schiet me niet dood, heer tsaar, neem me liever bij je op; als het daar de tijd voor is, zal ik je van nut zijn.’ De tsaar dacht hier lang over na, zei ten slotte: ‘Hoe zou jij me van nut kunnen zijn?’ en wilde weer schieten. Voor de tweede maal smeekte de adelaar: ‘Schiet me niet dood, heer tsaar. Laat me liever bij je wonen; op de geschikte tijd zal ik je van nut zijn.’ Weer dacht de tsaar hier een poos over na, en nog altijd kon hij niet inzien, hoe de adelaar hem van nut zou kunnen zijn; daarom wilde hij hem nu eerst recht doodschieten. Voor de derde maal waarschuwde de adelaar: ‘Schiet me niet dood, heer tsaar. Neem me liever bij je op; als de juiste tijd daarvoor gekomen is, zal ik je van nut zijn.’

De tsaar had medelijden, nam de adelaar bij zich op en gaf hem twee jaar lang te eten; en de adelaar at zoveel dat de hele kudde er aan ten offer viel: de tsaar hield geen schaap en geen koe over. Toen zei de adelaar: ‘Laat me een poosje los.’ De tsaar liet hem los; de adelaar beproefde zijn vleugels – maar nee, hij kon nog niet vliegen. En hij vroeg: ‘Heer tsaar, je hebt me nu twee jaar lang te eten gegeven. Doe dit als je wilt nog een jaar, en blijf het doen, zelfs als je het voedsel lenen moet; het zal niet in je nadeel zijn.’
De tsaar deed het: van overal leende hij vee en bleef zo de adelaar nog een heel jaar voedsel geven. Daarna liet hij hem vrij. De adelaar steeg heel hoog op, vloog geruime tijd, daalde daarna weer op de aarde neer en zei:
‘Bestijg me nu, heer tsaar; we gaan samen vliegen.’ De tsaar besteeg de vogel en ze vlogen weg. Lange of korte tijd later waren ze boven de kust van de blauwe zee gekomen. Hier wierp de adelaar de tsaar van zijn rug; deze viel in het water en werd nat tot aan zijn knieën. Maar de adelaar liet hem niet verdrinken; hij nam hem op met zijn vleugel en vroeg: ‘Nu, heer tsaar, ben je erg geschrokken?’ ‘Ik ben geschrokken,’ zei de tsaar. ‘Ik dacht al dat ik zou verdrinken.’ Ze vlogen verder en bereikten een andere zee. Hier wierp de adelaar de tsaar van zijn rug toen ze er boven waren, en de tsaar werd nat tot aan zijn middel. De adelaar nam hem op met zijn vleugel en vroeg: ‘En, heer tsaar, ben je soms geschrokken?’ ‘Ik ben geschrokken,’ zei de tsaar, ‘maar ik dacht: God zal me er misschien door jou uit laten trekken.’
Weer vlogen ze verder en kwamen boven een derde zee. De adelaar liet de tsaar boven de grote diepte vallen, en deze werd nat tot aan zijn hals. Voor de derde maal haalde de adelaar hem er uit met zijn vleugel en vroeg: ‘Heer tsaar, ben je erg geschrokken?’ ‘Ik ben erg geschrokken,’ zei de tsaar, ‘maar ik dacht aldoor: misschien trekt hij me er wel uit.’ ‘Wel, heer tsaar, je hebt nu gevoeld wat doodsangst is. Dat was voor het oude, voor wat voorbij is: weet je nog wel, toen ik op de eik zat en je me wilde doodschieten, en toen ik je aldoor smeekte het niet te doen? Drie keer stond je op het punt te schieten, en ik smeekte je telkens weer en hoopte in mijn hart dat je me niet zou vernietigen, dat je medelijden zou hebben en me bij je zou zou nemen.’

Daarna vlogen ze over driemaal negen landen – heel, heel lang bleven ze vliegen. Toen zei de adelaar: ‘Kijk eens om je heen, heer tsaar. Wat is er boven en wat onder ons ?’ De tsaar keek. ‘Boven ons is de hemel,’ zei hij, ‘en onder ons de aarde.’ ‘Kijk nog eens: wat is er aan de rechterkant en wat aan de linkerkant?’ ‘Rechts van ons is een open veld, links van ons staat een huis.’ ‘Laten we erheen vliegen,’ zei de adelaar, ‘daar woont mijn jongste zuster.’ Zij daalden neer op het erf; de zuster kwam hen tegemoet, ontving haar broer en liet hem plaatsnemen aan de eikenhouten tafel; maar de tsaar keek ze niet eens aan: ze liet hem op het erf staan, maakte de jachthonden los en hitste ze tegen hem op. Toen werd de adelaar zeer toornig; hij sprong van tafel op, greep de tsaar en vloog met hem weg.

Na lange tijd gevlogen te hebben, vroeg de adelaar: ‘Kijk eens wat er achter ons is.’ De tsaar wendde zich om, keek en zei: ‘Achter ons is een rood huis.’ En de adelaar zei: ‘Daar staat het huis van mijn jongste zuster in brand. Waarom heeft ze je ook niet ontvangen, waarom heeft ze de jachthonden tegen je opgehitst?’
Ze vlogen en vlogen, en weer zei de adelaar: ‘Kijk eens, heer tsaar, wat is er boven ons en wat onder ons?’ ‘Boven ons is de hemel en onder ons de aarde.’ ‘Kijk nog eens, wat is er rechts en wat is er links?’ ‘Rechts is een open veld en links staat een huis.’ ‘Daar woont mijn middelste zuster. Laten we haar gaan bezoeken.’ Ze daalden neer op een ruime binnenplaats; de middelste zuster ontving haar broer en liet hem plaatsnemen aan de eiken tafel, maar de tsaar liet ze buiten staan. Ze maakte de jachthonden los en hitste ze tegen hem op. De adelaar werd toornig, sprong van tafel op, greep de tsaar en vloog met hem weg.

Weer vlogen en vlogen ze, en de adelaar zei: ‘Heer tsaar, kijk wat er achter ons ligt.’ De tsaar wendde zich om: ‘Achter ons ligt een rood huis.’ ‘Daar staat het huis van mijn middelste zuster in brand,’ zei de adelaar. ‘Laten we nu daarheen vliegen waar mijn moeder en mijn oudste zuster wonen.’ Ze vlogen erheen. De moeder en de oudste zuster waren zeer blij met hun bezoek; ze ontvingen de tsaar vriendelijk en met eerbied. ‘Nu, heer tsaar,’ zei de adelaar, ‘rust bij ons uit. Daarna zal ik je een schip geven en je alles vergoeden wat ik bij je heb opgegeten. Reis dan met God naar huis.’
Hij gaf de tsaar een schip en twee kistjes, het ene rood, het andere groen, en zei: ‘Zorg ervoor de kistjes niet open te maken voordat je thuis bent. Het rode kistje moet je openen achter het huis, en het groene op het erf vóór het huis.’
De tsaar nam de kistjes in ontvangst, zei de adelaar vaarwel en voer over de blauwe zee. Hij bereikte een onbekend eiland en wierp daar het anker uit. Toen hij de oever betrad, dacht hij opeens aan de kistjes, en vroeg zich af wat die toch wel konden bevatten, en waarom de adelaar verboden had ze open te maken; lang dacht hij hierover na en ten slotte kon hij zijn ongeduld niet langer bedwingen: hij moest het weten. Hij nam het rode kistje, zette het op de grond en maakte het open. En er kwamen allerlei soorten vee uit te voorschijn in een zo’n onafzienbare massa, dat het eiland ze nauwelijks kon bevatten.
Toen de tsaar dit zag, werd hij zeer bedroefd; hij weende en zei bij zichzelf: wat moet ik nu doen? Hoe moet ik de hele kudde weer in een zo klein kistje terugkrijgen?
Opeens zag hij een man te voorschijn komen uit het water. Hij kwam op de tsaar af en vroeg: ‘Waarom ween je zo bitter, heer tsaar?’ ‘Heb ik daar niet alle reden voor?’ antwoordde de tsaar. ‘Hoe moet ik die hele grote kudde in dat kleine kistje terugkrijgen?’ ‘Ik zou je te hulp kunnen komen in je nood, en deze hele kudde voor je kunnen verzamelen, maar alleen op deze voorwaarde: dat je me geeft wat je thuis niet kent.’ De tsaar dacht: wat zou ik thuis niet kennen? Ik ken daar toch alles. Hij dacht nog even na en stemde toe. ‘Verzamel de kudde,’ zei hij, ‘en ik zal je geven wat ik thuis niet ken.’ En de man slaagde erin de hele kudde in het kleine kistje onder te brengen. De tsaar scheepte zich in en voer naar huis.

Maar toen hij thuiskwam, zag hij dat daar zijn zoon, de tsarewitsj geboren was. Hij kuste en liefkoosde het kind en vergoot daarbij veel tranen. ‘Heer tsaar,’ vroeg de tsaritsa, ‘zeg me waarom je zo bitter weent.’ ‘Van vreugde,’ zei de tsaar; hij durfde haar niet de waarheid te zeggen: dat hij de tsarewitsj zou moeten weggeven. Wat later ging hij naar het erf achter het paleis, maakte het rode kistje open – en daar kwamen ossen en koeien, schapen en rammen, enorme hoeveelheden vee van alle soorten uit te voorschijn; alle schuren en stallen, en alle vleespotten werden vol. En toen hij naar het erf aan de voorkant ging en er het groene kistje openmaakte, verrees daar voor zijn ogen een grote, prachtige tuin. Hoeveel soorten bomen waren daar wel te zien! De tsaar was zo verheugd dat hij vergat zijn zoon weg te geven.

Vele jaren gingen voorbij. Op zekere dag kreeg de tsaar lust in wandelen en kwam hij bij de rivier; plotseling kwam uit het water dezelfde man te voorschijn en zei: ‘Je bent vergeetachtig geworden, heer tsaar. Herinner je dat je een schuld aan mij hebt.’ De tsaar keerde vol hartzeer en verdriet naar huis terug, en vertelde aan de tsaritsa de volle waarheid. Ze treurden en weenden samen en kwamen tot de slotsom dat er niets aan te doen was en dat ze de tsarewitsj moesten afstaan. Ze brachten hem naar het strand van de zee en lieten hem daar alleen achter.

De tsarewitsj nam zijn omgeving op, zag een paadje en sloeg dat in. Hij liep lange tijd en kwam ten slotte terecht in een donker bos; daar stond een hutje en in dat hutje leefde de Baba Jaga. ‘Laat ik er maar heengaan,’ dacht de tsarewitsj en ging het hutje binnen. ‘Gegroet, tsarewitsj,’ zei de Baba Jaga. ‘Ben je erop uit om daden te gaan verrichten, of ben je voor daden gevlucht?’ ‘Ach, grootmoeder, geef me te eten en te drinken, en stel je vragen daarna.’ Zij gaf hem te eten en te drinken en de tsarewitsj vertelde haar alles zonder geheimhouding : waar hij heen ging en waarom hij dat deed. De Baba Jaga zei tot hem: ‘Ga naar de zee, kindje; daar zullen twaalf zwanen komen aanvliegen; ze zullen veranderen in mooie meisjes en daar gaan baden. En dan moet jij zachtjes naderbij kruipen en het hemd van de oudste wegnemen. Als je je weer met haar verzoend hebt, moet je naar de tsaar van de zee gaan. Onderweg zul je de Veelvraat en de Veelzuip tegenkomen, en ook de Krakende Vorst. Neem ze alle drie mee – ze zullen je van nut zijn.’

De tsarewitsj nam afscheid van de Baba Jaga, ging naar de aangewezen plek aan zee en verborg zich in het struikgewas. Toen kwamen er twaalf zwanen aanvliegen; met een slag kwamen ze op de grond terecht en veranderden in mooie meisjes, die gingen baden. De tsarewitsj kroop naar het hemd van de oudste, ging achter een struik zitten en verroerde zich niet. De meisjes baadden en kwamen daarna weer op de oever af. Elf meisjes raapten hun hemd op, werden weer vogels en vlogen naar huis; maar de oudste, Wassilissa de Wijze, bleef alleen achter. Ze smeekte en bad de jongeman; ‘Geef me mijn hemd terug. Als je bij mijn vader, de tsaar van de zee, komt, zal ikzelf je van nut zijn.’ De tsarewitsj gaf haar het hemd terug, terstond veranderde zij in een zwaan en vloog achter haar vriendinnen aan. De tsarewitsj vervolgde zijn weg en kwam drie sterke mannen tegen: de Veelvraat, de Veelzuip en de Krakende Vorst. Hij nam hen mee en kwam bij de tsaar van de zee.

Toen deze hem zag, zei hij: ‘Gegroet, vriendje. Waarom heeft het zo lang geduurd eer je bij me kwam? Ik was het wachten op jou al moe geworden. Ga nu aan het werk. En dit is de eerste taak: bouw in één nacht een grote, kristallen brug die morgenvroeg gereed moet zijn. Doe je het niet, dan vliegt je hoofd eraf.’
De tsarewitsj keerde bitter wenend terug van zijn ontmoeting met de tsaar der zee. Wassilissa de Wijze deed haar raampje open en vroeg: ‘Waarom ben je in tranen, tsarewitsj?’ ‘Ach, Wassilissa de Wijze, hoe zou ik dat niet zijn? Je vadertje heeft me opgedragen in één nacht een kristallen brug te bouwen, en ik weet niet eens hoe ik een bijl in mijn handen moet houden.’ ‘Dat hindert niet. Ga slapen, de morgen is wijzer dan de avond.’

Ze stuurde hem naar bed, maar ging zelf op het bordes voor de deur staan en floot schel en hard; van alle kanten kwamen er timmerlui aanlopen; de een maakte de grond gelijk, de ander sleepte bakstenen aan, en spoedig was de kristallen brug gebouwd; ze versierden ze nog met kunstige ornamenten en gingen naar huis.
’s Morgens vroeg wekte Wassilissa de Wijze de tsarewitsj; ‘Sta op, tsarewitsj, de brug is klaar en aanstonds zal vadertje er naar komen kijken.’ De tsarewitsj stond op, pakte een bezem en ging op de brug staan – hier veegde hij een beetje, daar maakte hij wat schoon. De tsaar van de zee prees hem. ‘Dank je,’ zei hij. ‘Je hebt me een dienst bewezen; bewijs me nu een tweede. Dit is je taak: plant vóór morgen een groene tuin. Hij moet groot zijn en schaduwrijk, er moeten zangvogels zingen in de bomen, en deze moeten bloeien en beladen zijn met rijpe peren en appels.’
Na dit onderhoud met de tsaar van de zee was de tsarewitsj in tranen. Wassilissa de Wijze maakte haar raampje open en vroeg: ‘Waarom ben je in tranen, tsarewitsj?’ ‘Hoe kan het anders? Je vader heeft me bevolen in één nacht een tuin aan te leggen.’ ‘Dat hindert niet. Ga maar slapen, de morgen is wijzer dan de avond.’

Ze stuurde hem naar bed, maar ging zelf op het bordes voor de deur staan en floot schel en hard. Daar kwamen van alle kanten tuinlui aanlopen; ze legden de groene tuin aan – vogels zongen er hun lied, de bomen stonden in bloei en er hingen rijpe peren en appels aan. ’s Morgens wekte Wassilissa de Wijze de tsarewitsj: ‘Sta op, tsarewitsj! De tuin is klaar, en aanstonds komt vadertje er naar kijken.’
De tsarewitsj pakte terstond een bezem en ging naar de tuin – hier veegde hij een paadje aan, daar raapte hij een takje op. De tsaar van de zee prees hem: ‘Dank je, tsarewitsj. Je hebt me trouw en eerlijk gediend. Zoek nu een bruid uit onder mijn twaalf dochters. Ze lijken allen sprekend op elkaar, hebben gelijke haren, zijn gelijk gekleed. Als je er driemaal dezelfde uithaalt, zal zij je vrouw worden. Maar kun je dat niet, dan laat ik je ter dood brengen.’
Wassilissa de Wijze vernam dit. Ze wachtte het juiste ogenblik af en zei tegen de tsarewitsj : ‘De eerste maal zal ik met mijn doekje wuiven, de tweede maal zal ik mijn japon rechttrekken, en de derdè maal zal er een vlieg boven mijn hoofd zoemen.’
En zo kwam het, dat de tsarewitsj er alle drie keren Wassilissa de Wijze uithaalde. Ze werden getrouwd en er werd feest gevierd.
De tsaar van de zee liet zoveel van alle spijzen aandragen, dat honderd man ze niet zouden hebben kunnen opeten. En hij gaf aan zijn schoonzoon het bevel dat alles moest worden verorberd. Als er iets overbleef, zou het slecht met hem aflopen.
‘Vadertje,’ vroeg de tsarewitsj, ‘er is in mijn gevolg een oude man — vindt u het goed dat hij meeëet?’ ‘Laat hem maar komen.’ Terstond verscheen de Veelvraat; hij verslond alles en het was nog te weinig voor hem.
Daarna liet de tsaar een geweldige hoeveelheid drank aanrukken, wel veertig vaten; en hij zei tegen zijn schoonzoon dat alles tot de laatste druppel moest worden opgedronken. ‘Vadertje,’ zei de tsarewitsj weer, ‘ik heb een andere oude man in mijn gevolg. Vindt u het goed dat hij op uw gezondheid komt drinken?’ ‘Laat hij maar komen.’ Toen verscheen de Veelzuip; hij dronk meteen alle veertig vaten leeg en vroeg toen nog een slokje van iets sterks om weer nuchter te worden.
Toen de tsaar van de zee zag dat niets hielp, beval hij voor de jonggehuwden het badhuis gloeiend heet te stoken. Het ijzeren badhuis werd gestookt met twintig sazjen (vadems) hout, de kachel stond er rood en de muren gloeiend – het was niet mogelijk het tot op een afstand van vijf werst te benaderen. ‘Vadertje,’ zei de tsarewitsj, ‘vindt u het goed dat een oud mannetje uit mijn gevolg vóór ons in het stoombad gaat, om het te proberen?’ ‘Laat hij maar in het stoombad gaan.’ De Krakende Vorst ging het badhuis in; hij blies in de ene hoek, toen in de tweede, en er hingen al overal ijspegels. Na hem gingen ook de jonggehuwden in het bad; ze wasten zich, namen een stoombad en keerden naar huis terug.

‘Laten we vadertje tsaar-der-zee verlaten,’ zei Wassilissa de Wijze tegen de tsarewitsj. ‘Hij is nu zo woedend op je, dat hij je wel eens iets ergs zou kunnen aandoen.’ ‘Ja, laten we weggaan,’ zei de tsarewitsj.
Zonder uitstel zadelden ze hun paarden en reden naar het open veld. Ze reden en reden en er ging veel tijd voorbij. ‘Stijg van je paard, tsarewitsj,’ ze Wassilissa de Wijze, ‘en leg je oor tegen de grond. Kun je soms horen of ze ons achterna zitten?’
De tsarewitsj legde zijn oor tegen de grond: er was niets te horen, zei hij. Toen steeg Wassilissa de Wijze zelf van haar brave paard, luisterde met haar oor op de grond en zei: ‘Ach, tsarewitsj, ik hoor dat ze met een sterke macht achter ons aan zijn.’
Zij veranderde de paarden in een put, zichzelf in een schepnapje en de tsarewitsj in een oud mannetje. De achtervolgers kwamen er aanrijden. ‘Hé, oude, heb je soms een knappe jongeman en een mooi meisje gezien?’ ‘Dat heb ik, beste mensen. Maar het is allang geleden: ze zijn voorbij gereden toen ik nog jong was.’
De achtervolgers keerden terug naar de tsaar van de zee. ‘Nee,’ zeiden ze, ‘geen spoor, geen tijding; het enige wat we gezien hebben was een oude man bij een put, waarin een schepnapje rondzwom.’ ‘Waarom hebben jullie ze niet gepakt?’ riep de tsaar van de zee.
Hij liet de achtervolgers terstond op wrede wijze ter dood brengen en zond een andere troep achter de tsarewitsj en Wassilissa de Wijze aan. Zij waren echter in die tijd al veel verder gevorderd.

Toen Wassilissa de Wijze de nieuwe achtervolging hoorde naderen, veranderde ze de tsarewitsj in een oude pope en zichzelf in een bouwvallig kerkje, waarvan de muren op instorten stonden en met mos overwoekerd waren. De achtervolgers kwamen er aanrijden: ‘Hé, oudje, heb je soms een knappe jongeman met een mooi meisje gezien?’ ‘Dat heb ik, beste mensen. Het is alleen al heel lang geleden: ze zijn voorbijgereden toen ik nog jong was en dit kerkje bouwde.’
De tweede troep achtervolgers keerde terug naar de tsaar van de zee; ze verklaarden: ‘Nee, uwe tsarenmajesteit, geen spoor, geen tijding. We hebben alleen een stokoude pope en een bouwvallig kerkje gezien.’ ‘Waarom hebben jullie ze niet gepakt?’ schreeuwde de tsaar van de zee, nog veel woedender dan de eerste maal. Hij liet de achtervolgers een wrede dood sterven en ging nu zelf achter de tsarewitsj en Wassilissa de Wijze aan. Maar ditmaal veranderde Wassilissa de Wijze de paarden in een rivier van honing met oevers van vruchtenvla, de tsarewitsj in een woerd en zichzelf in een grijze eend. De tsaar van de zee wierp zich op de vruchtenvla met honing; hij at en at, slurpte en slurpte, tot hij barstte. Toen gaf hij dan ook de geest.

De tsarewitsj en Wasilissa de Wijze reden verder. Toen ze bijna thuis waren bij de vader en moeder van de tsarewitsj, zei Wassilissa de Wijze: ‘Ga jij vooruit, tsarewitsj, en meld je bij je vader en moeder; en ik zal hier op de weg op je wachten. Geef aan iedereen een kus, alleen niet aan je zuster, want dan zou je mij vergeten.’
De tsarewitsj kwam thuis, begroette iedereen, gaf ook een kus aan zijn zuster, en was op hetzelfde ogenblik zijn vrouw vergeten, alsof hij haar nooit in zijn gedachten had gehad.

Drie dagen bleef Wassilissa de Wijze wachten. Op de vierde dag kleedde ze zich als een bedelares, ging naar de residentiestad en vond er onderdak bij een oude vrouw.
Maar de tsarewitsj maakte toebereidselen voor zijn huwelijk met een rijke koningsdochter; en er was in het gehele rijk afgekondigd dat iedere rechtgelovige de bruidegom en de bruid moest komen gelukwensen, en dan als gift een gebak uit tarwemeel moest meebrengen. Toen begon ook de oude vrouw, bij wie Wassilissa de Wijze haar intrek had genomen, meel te zeven en beslag voor een koek te maken. ‘Voor wie ga je een koek bakken?’ vroeg Wassilissa de Wijze haar. ‘Wat bedoel je met “voor wie” ? Weet je dan niet dat de zoon van onze tsaar met een rijke koningsdochter gaat trouwen? Iedereen moet naar het paleis gaan en het bruidspaar een baksel aanbieden.’
‘Laat mij ook een koek bakken en die naar het paleis brengen — misschien zal de tsaar mij met het een of ander begunstigen.’ ‘Bak dan maar in ’s hemelsnaam.’ Wassilissa de Wijze nam meel, kneedde het deeg, deed er kwark in, maar ook een doffer en een duifje, en bakte de koek.

In het paleis was een feestmaal aangericht voor de hele wereld, en toen de oude vrouw met Wassilissa daar aankwam, was het juist begonnen. De koek van Wassilissa de Wijze kwam op tafel, en zodra hij in het midden was doorgesneden, vlogen de doffer en het duifje er uit. De duif had een brokje kwark in haar snavel en de doffer zei: ‘Duifje, geef mij daar ook wat van.’ Maar het duifje antwoordde: ‘Nee, ik geef je daar niet van, anders vergeet je me, zoals de tsarewitsj zijn Wassilissa de Wijze heeft vergeten.’ Toen herinnerde de tsarewitsj zich zijn vrouw weer; hij sprong van tafel op, vatte haar bij haar blanke handen en liet haar aan zijn zijde plaatsnemen. Van toen af leefden ze met elkaar in alle voorspoed en geluk.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2953-2771

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – geschiedenis – ontdekkingsreizen

.
Inleiding:

Vertellen is een kunst. En moet dat op de vrijeschool ook zijn, wil je met recht, ook op dit gebied, van ‘kunstzinnig onderwijs’ mogen spreken.
Hoewel het veel voorbereiding vraagt, is het vertellen – uit het hoofd!!! – van de vertelstof van de lagere klassen que inhoud, niet zo moeilijk.
Sprookjes zijn in wezen kant en klaar opgeschreven; Noordse, Griekse en Romeinse sagen en legenden vormen ook geen probleem, maar bijv. in klas 7 een ontdekkingsreis vertellen, is een stuk moeilijker.
De wederwaardigheden van ontdekkingsreizigers staan meestal in feiten, in een verslag in een of ander boek en als je dat gaat vertellen, wordt het een opsomming van feiten.
Hoe worden de figuren waarom het gaat, personen van vlees en bloed.
Dat is de opdracht aan de leerkracht: hoe beleven de kinderen de reis mee, wat zien ze voor zich door jouw woorden.
Ja, ook voor de 7e klas vond Steiner het belangrijk dat er nog veel fantasie – dat is ‘menskundig’ beeld – in het onderwijs aanwezig is.

Er zijn verschillende schrijvers die van het verhaal van hetBehouden huiseen roman hebben gemaakt.
Daarin komen de karakters tot leven. Zo’n roman kan wel als voorbeeld dienen, maar meestal is het hele boek te groot om als vertelling te gebruiken.
Je zal dus keuzes moeten maken.
Verderop heb je een voorbeeld van hoe Jaap ter Haar dit deed.
Hieronder volgen feiten waarmee je je verhaal kan maken.

‘kunnen wij ‘om de noord’?

.
De reis van Heemskerk en Barentsz

de feiten:

Aan het eind van de 16e eeuw begonnen Europese ontdekkingsreizigers erover na te denken reizen te ondernemen naar de Noordpool. In die tijd probeerden ze, via het noordoosten of noordwesten, een nieuwe route te vinden naar Azië. Het vinden van een zeeweg naar het Oosten was vooral voor Engeland van groot belang, omdat de handel met Frankrijk en Nederland in verval geraakte. Een nog belangrijker motief was echter de grote rijkdom, die Spaanse en Portugese kooplieden hadden verworven dankzij de nieuwe handelspartners, die ze ontdekt hadden in Amerika, India en vooral in China (of Cathay, zoals de Europeanen het toen noemden). Londense kooplieden en de heersende vorsten kregen een groeiende belangstelling voor de Engelse ontdekkingsreizigers, die een nieuwe route naar het oosten wilden vinden en verleenden hun financiële steun.

Tegen het eind van de 16e eeuw waren de Hollandse zee- en kooplieden de grootste rivalen van Engeland in het nasporen van een land- of zeeroute naar de rijkdommen van Cathay. Zij zagen meer heil in een noordoostelijke doorgang, omdat ze dan onderweg met de Russen handel konden drijven. De belangrijkste man bij deze Hollandse Noordpoolexpedities was Willem Barentsz. Hij was gezagvoerder en gids op drie succesvolle reizen. Op zijn derde expeditie, die in 1596 in Amsterdam begon, hoopte hij de Kara Straat te bereiken door langs de noordpunt van Nova Zembla te varen. Door deze zeer noordelijke route te nemen, loodste Barentsz de schepen van zijn expeditie door nog niet bekende zeeën. Zodoende ontdekte hij West-Spitsbergen, het grootste eiland van de eilandengroep, die men nu Svalbard noemt. Daarna koerste hij in oostelijke richting. Toen hij echter Nova Zembla naderde, sloot het ijs zijn schip aan alle kanten in. Het begon zo’n enorme druk op de wanden van de boot uit te oefenen, dat de romp omhoog werd geperst. Toen het schip tenslotte uit het ijs geduwd was, was het zo ontzet en gehavend, dat Barentsz niets anders kon doen dan het verlaten en onderdak te zoeken op de kust van Nova Zembla.

Dit was de eerste overwintering van Europese ontdekkingsreizigers op een zo noordelijk gelegen plaats. Hun ervaringen kennen we door het verslag, dat één van de mannen, die erbij betrokken was, maakte. Van de spanten van het schip, die ze in veiligheid hadden gebracht, bouwden de Hollanders een hut. Ze richtten deze in met slaapbanken, lampen en al het overige materiaal dat ze konden wegslepen van het bevroren wrak.

Toen het winter werd, werd het zo koud, dat de wijn bevroor en de dekens er uit zagen als stijve witte platen. Van de voorraad berenvet was nog maar weinig over. De rook van het vuur in de hut werd zo verstikkend, dat de mannen in bed moesten blijven en zich zo goed en zo kwaad als dat ging warm moesten houden met de hete stenen, die ze om hun voeten hadden gelegd.

Toch wisten de Hollanders de winter te overleven. Er was echter nog weinig hoop dat ze ooit gered zouden worden. Barentsz was ervan overtuigd dat de enige manier om nog eens in Amsterdam terug te komen een bootreis naar het dichtstbijzijnde vasteland was. Dit was het schiereiland Kola, 2800 kilometer verder.

Midden juni slaagden de dappere expeditieleden erin zichzelf in zo’n conditie te brengen, dat ze in staat waren tot een ander hachelijk experiment. Ze laadden de sloepen van hun schip met alle vracht, die deze konden dragen en vertrokken. Ze speelden het klaar de reis naar het schiereiland Kola te voltooien, doordat ze gebruik maakten van alle middelen, die ze kenden — ze roeiden, ze zeilden en droegen zelfs de sloepen van de ene vaarweg naar de andere. Barentsz mocht dit echter niet meer beleven. Enkele dagen na het vertrek stierf hij in het laatste stadium van de expeditie, dat hij zo noodzakelijk had gevonden.

Met de terugkeer van Barentsz expeditie eindigde de Hollandse belangstelling voor het vinden van een noordoostelijke zeeweg.

Tijdens zijn eerste reis in 1594 bereikte Willem Barentsz met zijn vloot de kust van Novaja Semlja (Nova Zembla). Met het oog op de naderende winter werd de reis niet voortgezet, maar keerde Barentsz naar Amsterdam terug om verslag uit te brengen van zijn vorderingen in oostelijke richting.

Navigatie-instrument van Barentsz’ laatste reis, dat in 1871 in de hut op Nova Zembla werd gevonden. Tussen de met ijs bedekte ruïnes van de hut werden verschillende voorwerpen ontdekt die nog in prima staat verkeerden: kaarsenhouders, borden en zelfs boeken.

Jaap ter Haar vertelt in zijnGeschiedenis van de lage landen‘:

Als koning Filips schepen in beslag neemt en daardoor de handel in gevaar brengt, steken ondernemende kooplui de koppen bij elkaar:
De uit Antwerpen afkomstige, Middelburgse koopman Moucheron heeft overleg gepleegd met admiraal Duivenvoorde, met gedeputeerden, ten slotte ook met prins Maurits en Oldenbarnevelt.
„Excellentie, ik heb alle beschikbare kaarten en alle bestaande reisbeschrijvingenbestudeerd. Mercator, de beroemde geograaf, heeft beweerd, dat er dwars over de Pool een grote open zee loopt, waarlangs Indië te bereiken moet zijn!”
„Bent u daar zeker van?”
Moucheron knikt. Hij somt voordelen op en weet de anderen te overtuigen. Vanwege zijn enthousiasme rusten de Staten twee schepen uit. Amsterdamse kooplieden, die graag een gokje wagen, dragen voor een derde in de kosten bij.
In juli 1594 begint de tocht onder bevel van Jan Huyghen van Linschoten met de ervaren stuurman Willem Barendsz. op de brug.
„Goeie reis!”
„En behouden vaart!”
Ze zeilen langs Noorwegen, de Noordkaap, Lapland, Finland, Rusland, de Witte Zee en vinden een zeestraat met open water, die Waaigat wordt gedoopt. Maar juist dan moeten zij naar huis wegens gebrek aan proviand.

Een nieuwe vloot van 7 schepen probeert het een jaar later. Uit de scheepsjournalen van die reis slechts één detail:
Hoog in het noorden zijn de bootsgezellen aan land gegaan om gretig te graven naar bergkristal. Een ijsbeer sluipt nader, valt één van hen aan in de rug:
„Hij heeft hem metterhaast de halve kaak en wang met het halve hoofd afgebeten en zuigt zijn bloed zó lang, tot de ongelukkige de geest geeft. . .” Tevergeefs tracht het scheepsvolk, nog 29 man sterk, de beer te verjagen. Wapens hebben ze niet, die zijn aan boord gelaten. Een tweede zeeman sterft in de sterke klauwen van de beer. De rest vlucht weg naar het schip. Later krijgen ze het monster toch nog te pakken. De matroos, die de ijsbeer vilt en opensnijdt, vindt in de maag de halve hoofden en de kaken van zijn gezellen!
Omdat schotsen en ijsbergen de weg versperren, keert de vloot naar het vaderland terug. Dan stoppen de Staten hun pogingen. Wel loven zij een prijs uit:
„25.000 gulden voor ieder, die de noordelijke zeeweg naar Indië vindt!”

Het behouden huis

Het stadsbestuur van Amsterdam rust de derde expeditie uit. In mei 1596 varen de Rijp en Heemskerck uit. De ervaren Willem Barendsz. gaat ook dit keer mee. De schippers hebben zoveel mogelijk ongehuwd scheepsvolk aangemonsterd :
„Om te minder door de trek tot wijf en kinderen in het werk te versagen!” Het zijn knapen, die tegen een stootje kunnen.
De Rijp houdt een westelijke koers, ontdekt Spitsbergen en wijkt dan naar Finland uit. Heemskerck en Barendsz. zeilen oost-noord-oost.
Gerrit de Veer schrijft op, wat ze tijdens de reis „ter werelt noyt so vreemt ghehoort” beleven: „Zwanen! Een hele zee vol reuzenzwanen!” roept de uitkijk op een dag. De hele bemanning stormt aan dek om te zien hoe . . . ijsschotsen naderen en voorbijdrijven. Ze bereiken Nova Zembla en vriezen daar vast in het ijs:
„Het schip ligt scheef als een bootsgezel na twee volle kruiken bourgogne!”
De sloepen gaan de wal op. Dan volgen de vaatjes boter, de voorraden gezouten vlees, meel, wijn. De bemanning, 17 man sterk, besluit een huis te bouwen, waarin zij de op handen zijnde winter kunnen doorstaan. In oktober komt het geraamte van de hut gereed. Kort daarop sterft de scheepstimmerman. Zonder zijn kundige leiding ploeteren de zeebonken voort. Het dak sluiten ze af met een zeil. [op illustraties zie je een houten dak, wat aannemelijker is]
„Het Behouden Huis!” Dat is de naam voor de hut in die volslagen verlaten wereld. Toch staat er trouw een wacht bij het schip: om te zien of het ijs al smelt.
De lange poolnacht gaat in. Op 1 december valt de eerste sneeuw. Het blijft sneeuwen. Metershoog hopen de vlokken zich op. De schoorsteen raakt verstopt en poolvossen sluipen over het dak! Het vriest dat het kraakt. IJzel bedekt de kleren. De bevroren schoenen zijn onbruikbaar. Van hout maken ze klompen en bekleden die met vossenbont. De versleten, ontoereikende kleding verwisselen zij voor een ijsberenpels. Het houtvuur in het Behouden Huis rookt en geeft nauwelijks warmte. Dat is verschrikkelijk, maar hoe bloemrijk klinkt dat in de oud-Hollandse taal:

De mannen van Willem Barentsz schieten een ijsbeer. Hun wanhopige poging met hun schip open water te bereiken, hadden geen succes. Het onverbiddelijke noordpoolijs hield hen gevangen en dwong hen te overwinteren. 

„Als wij onze voeten nae ’t vuur staken, soo verbranden wij veel eer onze cousen, eer wij de warmte gevoelden . . . jae, hadden wij ’t niet eer gheroken als ghevoelt, wij souden se eer gantsch verbrandt hebben, eer wij ’t ghewacr gheworden hadden!”

Verkleumd zitten ze tijdens sneeuwstormen bijeen op een karig rantsoen. Het vuil hoopt zich op.
„We moeten Driekoningenavond vieren”, hebben ze gezegd. Van twee pond meel bakken ze koeken. Ze drinken wijn:
„Constabel, jou maken we koninck van Nova Zembla!” Eventjes hebben ze lol, maar soms worden ze half gek van de lange winter, van de eenzaamheid en van elkaar. Steeds weer brengen de Bijbel en de wijze Willem Barendsz. vertroosting.

De speurtocht naar een noordelijke doorvaart deed Willem Barentsz in het onherbergzame noordpoolgebied belanden. Hier verzamelen de bemanningsleden van zijn in het ijs gevangen schip wrakhout om een hut te bouwen. De afbeelding is ontleend aan het officiële verslag van de expeditie, dat in 1598 werd gepubliceerd.

Voorjaar! Het open water komt dichterbij. De ene dag is het nog maar 100 meter van het ingevroren schip verwijderd. Een paar dagen later is alles weer ijs en ligt het water weer 500 meter weg.
„Schipper, we motten naar huis. Desnoods in een sloep. We gaan hier kapot,,
Ze smeken. Ze janken. Maar Heemskerck laat zijn goede schip niet voor wat jammerend scheepsvolk in de steek. Nog drie weken gaan voorbij. Het rantsoen is nog slechts twee ons spek per dag.
„Gaan we nou?”
„Maak de sloepen maar zeilklaar!”
„Godlof!”
Barendsz. is ziek. Hij schrijft drie brieven, waarin hij over zijn lotgevallen vertelt. Een van die brieven laat hij in een kruithoorn hangen aan de schoorsteen van het Behouden Huis. (In 1871 vindt de walvisjager Elling Carlsen die brief bij de ingezakte woning terug, mét de koperen braadpannen, een klok, waskaarsen, kisten en kleren. Dankzij een Engelsman komen al die overblijfselen met Heemskerks’ scheepsvlag naar Amsterdam.)

Met twee kleine sloepen kiezen ze zee. Ze dragen de zieke Barendsz. en de uitgeputte matroos Claes Andriesz. aan boord. Beiden sterven.
„De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen . . .” Een simpele plechtigheid. „In Godsnaam!” Ze zetten hun gestorven makkers overboord. De lichamen zakken weg in het groene, ijskoude water.

Zeilend en roeiend bereiken ze de Russische kust en later, o wonder, het schip van Jan Cornelisz. de Rijp. Het einde van de barre onderneming komt eindelijk in zicht, als zij boven de horizon de vertrouwde Hollandse torenspitsen uit de ommuurde steden zien verrijzen. Beurtschippers op de Zuiderzee schreeuwen een eerste welkom en vragen:
„Wie zijn jullie?”
„De Rijp en Heemskerck. Terug van Nova Zembla!”
En misschien horen zij dan al het grote nieuws:

„Houtman en De Keyser zijn van een reis naar Indië teruggekeerd!”
Terwijl ze vastgevroren zaten in het ijs, zijn andere Hollanders erin geslaagd, het verre Indië langs de Zuidelijke route te bereiken . . .

.

7e klas: vertelstof of geschiedenis?

7e klasalle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

Vrijeschool in beeld7e klas

.

2948-2766

.

.

.

.