Categorie archief: vertelstof

VRIJESCHOOL – Vertelstof-sprookje (8-3/7)

.

Russisch sprookje

.

Verteltijd ca. 35 min.
.

DE DRIE RIJKEN, HET KOPEREN, HET ZILVEREN EN HET GOUDEN

In een zeker land, in een zeker rijk leefde tsaar Bel Beljanin; hij had een vrouw, Nastasja-met-de-gouden-vlecht, en drie zoons: Pjotr-tsarewitsj, Wassili-tsarewitsj en Iwan-tsarewitsj.
Eens ging de tsaritsa met haar minnen en kindermeisjes in de tuin wandelen. Plotseling stak er een hevige wervelstorm op en – o, lieve hemel! – hij greep de tsaritsa en sleurde haar mee, wie kon zeggen waarheen!
De tsaar treurde en tobde erover, en wist niet waar hij het zoeken moest.
Toen zijn zonen opgegroeid waren, zei hij tot hen: ‘Mijn kinderen, wie van jullie wil er op uittrekken om zijn moeder te zoeken?’
De twee oudste zoons reden weg, maar daarna begon ook de jongste zijn vader te smeken of hij mocht gaan. ‘Nee,’ zei de tsaar, ‘ga jij niet, zoontje. Laat mij oude man niet alleen.’ ‘Sta het me alstublieft toe, vadertje! Ik heb geweldig veel lust om door de wijde wereld te trekken en mijn moedertje te zoeken.’

En hoe de tsaar zich ook verzette, hij kon hem er niet van afbrengen. ‘Nu, dan is er niets aan te doen. Ga dan met God.’

Iwan-tsarewitsj zadelde zijn brave paard en begaf zich op weg. Hij reed en reed, lange of korte tijd – een sprookje is vlug verteld, maar een daad niet zo vlug gedaan – en kwam bij een bos. In dat bos stond een prachtig paleis.
Iwan-tsarewitsj reed de grote binnenplaats op, zag daar een oude man en zei: ‘Blijf nog vele jaren gezond, oudje.’ ‘Welkom! Wie ben je, brave jongeman?’ ‘Ik ben Iwan-tsarewitsj, de zoon van tsaar Bel Beljanin en van zijn vrouw, Nastasja-met-de-gouden-vlecht.’ ‘Ach, dan ben je mijn eigen neef. Waarheen ben je op weg?’ ‘Ja, dat zit zo,’ zei de tsarewitsj, ‘ik ben op zoek naar mijn moeder. Kun je me niet zeggen, oompje, waar ik haar kan vinden?’ ‘Nee, neef, dat weet ik niet. Maar ik zal je van dienst zijn zoveel ik kan. Hier heb je een bol: gooi die voor je uit. Hij zal verder rollen en je bij steile, hoge bergen brengen. In die bergen bevindt zich een groot hol; daar moet je ingaan en er de ijzeren klauwen nemen; doe die aan je handen en voeten en beklim de bergen. Misschien vind je daar je moeder Nastasja-met-de-gouden-vlecht.’

Nu, goed dan. Iwan-tsarewitsj nam afscheid van zijn oom en reed achter de bol aan. Deze rolde en rolde, en hij bleef er maar steeds achteraan rijden.
Lange of korte tijd daarna zag hij zijn broers Pjotr-tsarewitsj en Wassili-tsarewitsj op het open veld staan bij een legerkamp en een massa krijgsvolk. Zijn broers liepen hem tegemoet. ‘Ha! Waar kom jij vandaan, Iwan-tsarewitsj ?’ ‘Nu, ik verveelde me thuis,’ zei deze, ‘en ik bedacht dat ik mijn moedertje eens zou gaan zoeken. Stuur jullie je leger naar huis en laten we samen gaan.’ Dat deden ze dan ook: ze stuurden het leger naar huis en reden nu met zijn drieën achter de bol aan.

Al vanuit de verte zagen ze de bergen die zo hoog en steil waren dat ze met hun toppen tegen de hemel leunden. De bol rolde rechtstreeks naar het hol; Iwan-tsarewitsj steeg van zijn paard en zei tegen zijn broers: ‘Ik laat mijn brave paard nu bij jullie achter en ga de bergen in om mijn moeder te zoeken. Maar jullie moeten hier blijven; wacht precies drie maanden op mij, maar ben ik er dan niet, dan is het niet nodig nog langer te wachten.’ De broers dachten: ‘Hoe zal hij op die bergen kunnen komen? Daar breekt hij toch zijn nek bij.’ Maar ze zeiden: ‘Nu, ga dan met God en wij zullen hier op je wachten.’

Iwan-tsarewitsj ging naar het hol en zag daar een ijzeren deur. Hij stootte daartegen met al zijn kracht, en de deur ging open. Toen betrad hij het hol en de ijzeren klauwen schoven vanzelf om zijn handen en voeten. Nu begon hij tegen de bergen op te klimmen; hij klom en klom, zwoegde een hele maand, en bereikte met de grootste inspanning de top. ‘De hemel zij dank!’ zei de tsarewitsj. Hij rustte een beetje en vervolgde zijn weg over de bergen. Na lange tijd gelopen te hebben, zag hij opeens een paleis van koper; voor de poort ervan lagen aan koperen kettingen vreselijke slangen – het wemelde ervan. Daarnaast bevond zich een bron, waarboven aan een koperen ketting een koperen schepnapje hing. Iwan-tsarewitsj schepte water met het napje, gaf de slangen te drinken en deze bedaarden en gingen liggen, zodat hij kon doorlopen naar het paleis.
Daar kwam de tsaritsa van het koperen rijk hem tegemoet: ‘Wie ben je, brave jongeman?’ ‘Ik ben Iwan-tsarewitsj.’ ‘Kom je uit vrije wil of tegen je zin hier, Iwan-tsarewitsj?’ ‘Uit vrije wil; ik zoek mijn moeder Nastasja-met-de-gouden-vlecht. Een wervelstorm heeft haar uit de tuin weggerukt. Weet je niet waar ze is?’ ‘Nee, dat weet ik niet; maar niet ver van hier woont mijn zuster, de tsaritsa van het zilveren rijk, misschien kan zij het je zeggen.’ Ze gaf hem een koperen bol en een koperen ringetje mee, en zei: ‘De bol zal je naar mijn middelste zuster brengen, maar dat ringetje bevat het gehele koperen rijk. Als je de Wervelstorm overwint, die mij hier vasthoudt en me iedere drie maanden komt bezoeken, vergeet dan mij arme niet en neem me mee naar de vrije wereld.’ ‘Goed,’ antwoordde Iwan-tsarewitsj, nam de koperen bol en wierp die voor zich uit. Hij rolde weg en de tsarewitsj liep er achteraan.

Zo kwam hij in het zilveren rijk en zag daar een paleis, nog mooier dan het eerste, dat geheel uit zilver bestond. Voor de poort ervan lagen vreselijke slangen aan zilveren kettingen, en ernaast bevond zich een bron met een zilveren schepnapje. Iwan-tsarewitsj schepte water, gaf de slangen te drinken, en zij gingen liggen en lieten hem door. Uit het paleis kwam de tsaritsa van het zilveren rijk te voorschijn en zei: ‘Binnenkort zal het al drie jaar zijn dat de machtige Wervelstorm me hier vasthoudt; in al die tijd heb ik van geen enkel christenmens iets te horen of te zien gekregen, maar nu staat er een voor mijn ogen. Wie ben je, brave jongeman?’ ‘Ik ben Iwan-tsarewitsj.’ ‘Hoe ben je hier terechtgekomen? Uit vrije wil of tegen je zin?’ ‘Uit vrije wil: ik zoek mijn moeder. Ze was gaan wandelen in de groene tuin, toen er een wervelstorm opstak die haar wegrukte, wie weet waarheen. Weet je soms waar ik haar kan vinden?’ ‘Nee, dat weet ik niet. Maar niet ver hiervandaan woont mijn oudste zuster, de tsaritsa van het gouden rijk, Jelena de schone. Misschien kan zij het je zeggen. Hier heb je een zilveren bol; laat die voor je uitrollen en ga er achteraan – hij zal je in het gouden rijk brengen. Maar luister goed: als je de Wervelstorm hebt gedood, vergeet dan mij arme niet. Bevrijd me en neem me van hier mee naar de vrije wereld. De Wervelstorm houdt me hier vast en komt alle twee maanden bij me.’ Daarna gaf ze hem een zilveren ringetje met de woorden: ‘Dit ringetje bevat het gehele zilveren rijk.’

Iwan-tsarewitsj wierp de bol voor zich uit en volgde hem. Hij liep lange of korte tijd en zag ten slotte een gouden paleis dat als vuur schitterde. Voor de poort ervan sisten aan gouden kettingen vreeslijke slangen, en ernaast bevond zich een bron met daarboven een gouden napje aan een gouden ketting. Iwan-tsarewitsj schepte water met het napje, gaf de slangen te drinken en deze gingen rustig liggen. De tsarewitsj ging het paleis binnen, en daar kwam Jelena de schone hem tegemoet: ‘Wie ben je, brave jongeman?’ ‘Ik ben Iwan-tsarewitsj.’ ‘Hoe ben je hier gekomen, vrijwillig of tegen je zin?’ ‘Ik ben vrijwillig gekomen en zoek mijn moeder, Nastasja-met-de-gouden-vlecht. Weet je niet waar ik haar kan vinden?’ ‘Hoe zou ik dat niet weten? Ze woont niet ver van hier en de Wervelstorm bezoekt haar iedere week; maar bij mij komt hij één keer per maand. Hier heb je een gouden bol, werp die voor je uit en volg hem; hij zal je daar brengen waarheen je wilt gaan. En neem ook dit gouden ringetje – het bevat het gehele gouden rijk. Maar luister goed, tsarewitsj: als je de Wervelstorm hebt gedood, vergeet dan mij arme niet en neem me met je mee naar de vrije wereld.’ ‘Goed,’ zei Iwan-tsarewitsj, ‘dat zal ik doen.’

Hij wierp de kogel voor zich uit en volgde hem; hij liep en liep en kwam ten slotte bij een kasteel, dat – o, lieve hemel! – als het ware in vuur en vlam stond van briljanten en edelstenen. Voor de poort sisten zeskoppige slangen. Iwan-tsarewitsj gaf hun te drinken, de slangen bedaarden en lieten hem het paleis binnengaan. De tsarewitsj liep door grote zalen en in de laatste vond hij zijn moeder. Zij zat op een hoge troon in tsarentooi en gekroond met een kostbare kroon. Toen zij haar gast zag naderen, riep ze uit: ‘Ach hemel! Ben jij het, mijn zoon, mijn veelgeliefde? Hoe ben je hier gekomen?’ ‘Zo en zo,’ antwoordde de tsarewitsj, ‘ik ben gekomen om jou te halen.’ ‘Nu, zoontje, dat zal je zwaar vallen. Want hier op de bergen heerst de boze, machtige Wervelstorm, en alle geesten zijn aan hem onderworpen; hij is het die mij heeft ontvoerd. Je zult met hem moeten vechten. Laten we vlug naar de kelder gaan.’

Daar stonden twee kuipen met water, de ene rechts, de andere links. De tsaritsa Nastasja-met-de-gouden-vlecht zei: ‘Drink van het water dat rechts staat.’ Iwan deed het. ‘En, hoeveel kracht heb je nu?’ ‘Zoveel kracht dat ik het hele paleis met één hand kan omdraaien.’ ‘Drink dan nog wat.’ De tsarewitsj dronk weer. ‘Hoeveel kracht heb je nu?’ ‘Als ik wil, draai ik nu de hele wereld om.’ ‘O, dat is al erg veel. Nu moet je deze kuipen van plaats laten verwisselen. Die van rechts moet je links zetten en die aan de linkerkant naar rechts.’ Iwan-tsarewitsj pakte de kuipen en liet ze van plaats verwisselen. ‘De zaak is namelijk deze, lieve zoon: in de ene kuip zit water dat kracht geeft en in de andere water, dat kracht ontneemt; wie uit de eerste drinkt, wordt een sterke machtige held, maar wie uit de tweede drinkt, wordt volkomen krachteloos. De Wervelstorm drinkt altijd van het water dat sterk maakt, en zet dat aan de rechterkant. Daarom moeten we hem misleiden, anders worden we hem nooit baas.’
Ze keerden terug naar het paleis. ‘Spoedig komt de Wervelstorm er aanbruisen,’ zei de tsaritsa tegen haar zoon. ‘Ga onder mijn purperen mantel zitten, zodat hij je niet kan zien. En als de Wervelstorm nadert, en zich op mij werpt om me te liefkozen en te kussen, moet je zijn strijdknots beetpakken. Hij zal dan hoog, heel hoog opstijgen en je meedragen over zeeën en afgronden, maar het enige waarvoor je moet zorgen is dat je de knots niet loslaat. De Wervelstorm zal ten slotte uitgeraasd zijn en van het sterk makende water willen drinken; hij zal naar de kelder snellen en zich op de kuip storten die aan de rechterkant staat. Intussen moet jij uit de linkerkuip drinken. Dan zal hij volkomen krachteloos worden en jij pakt zijn zwaard en slaat hem daarmee met één slag zijn hoofd af. Op het ogenblik dat je dit doet, zul je achter je horen roepen : “Sla nog eens toe! Sla nog eens toe!” Maar jij, mijn zoontje, moet dat niet doen en antwoorden: De hand van een held slaat niet tweemaal toe; één slag is voldoende.’
Iwan-tsarewitsj had juist de tijd gehad zich onder de purperen mantel te verbergen, toen het buiten plotseling duister werd en alles in de omtrek begon te trillen: de Wervelstorm kwam er aanrazen. Hij sloeg met kracht tegen de grond, veranderde in een knappe jongeman en ging het paleis binnen met zijn strijdknots in zijn hand. ‘Foei! foei! Wat ruikt er bij jou zo naar christenmensen? Heb je soms een bezoeker gehad?’ De tsaritsa antwoordde: ‘Ik weet niet hoe je aan die indruk komt.’ De Wervelstorm wierp zich op haar en begon haar te omarmen en te kussen, maar Iwan pakte terstond de knots beet. ‘Ik zal je opeten!’ schreeuwde de Wervelstorm. ‘Nu, mijn grootmoeder zei altijd: het een of het ander. Of je eet me op of je doet het niet.’ De Wervelstorm verhief zich met een ruk van de grond en raasde het raam uit tot in de hoge hemel. Hij droeg Iwan-tsarewitsj mee over de bergen. ‘Wil je dat ik je te pletter laat vallen?’ zei hij, en toen ze boven de zee waren: ‘Wil je dat ik je laat verzuipen?’ Maar de tsarewitsj liet de knots niet los.
De Wervelstorm vloog over de hele wereld, maar ten slotte was hij uitgeraasd. Hij begon te dalen en wel rechtstreeks naar de kelder. Daar haastte hij zich naar de kuip aan de rechterkant, en dronk met volle teugen van het water dat krachteloos maakte. Maar Iwan-tsarewitsj snelde naar de linkerkant, dronk van het sterk makende water en werd de allersterkste held van de hele wereld. Toen hij zag dat de Wervelstorm geheel krachteloos was geworden, ontrukte hij hem zijn scherpe zwaard en sloeg hem met één slag het hoofd af. Achter hem riepen stemmen: ‘Sla nog eens toe! Sla nog eens toe!’ ‘Nee,’ antwoordde de tsarewitsj, ‘de hand van een held slaat niet twee keer toe, maar bij de eerste maal is alles afgelopen.’

Terstond maakte hij een vuur, verbrandde het lichaam en het hoofd en verstrooide de as in de wind. Zijn moeder was zo blij! ‘Laten we ons nu verheugen en wat eten, mijn allerliefste zoon,’ zei ze, ‘en dan zo gauw mogelijk naar huis gaan, want hier is het mistroostig – er is hier geen enkel mens.’ ‘En wie bedient hier?’ ‘Dat zul je zien.’ Zodra ze aan eten hadden gedacht, stond er meteen een tafel gedekt, waarop verschillende spijzen en wijnen verschenen. De tsaritsa en de tsarewitsj deden zich te goed, terwijl een onzichtbare muziek prachtige wijzen voor hen speelde. Zij aten, dronken en rustten wat. Toen zei Iwan-tsarewitsj: ‘Laten we gaan, moedertje, het is tijd, want onderaan de bergen wachten mijn twee broers. En onderweg moeten we de drie tsaritsa’s bevrijden die hier door de Wervelstorm gevangen werden gehouden.’

Ze namen al het nodige mee en begaven zich op weg. Het eerst gingen ze naar de tsaritsa van het gouden rijk, daarna naar die van het zilveren en ten slotte naar die van het koperen rijk, en namen hen mee.
Toen voorzagen ze zich van banen stof en allerlei gereedschap, en kwamen binnen korte tijd bij de plaats waar men zich van de bergen moest laten zakken. Iwan-tsarewitsj liet het eerst zijn moeder aan de stofbaan naar beneden, en daarna Jelena de schone en haar twee zusters. De broers stonden beneden te wachten en dachten bij zichzelf: ‘We zullen Iwan boven laten, maar onze moeder en de tsaritsa’s naar onze vader brengen en zeggen dat wij die gevonden hebben.’ ‘Jelena de schone neem ik voor mezelf,’ zei Pjotr-tsarewitsj. ’De tsaritsa van het zilveren rijk neem jij, Wassili, en de tsaritsa van het koperen rijk zullen we aan een generaal tot vrouw geven.’

Toen nu het ogenblik was gekomen dat Iwan-tsarewitsj van de berg moest worden neergelaten, grepen de oudere broers de stof beet, trokken er hard aan en scheurden ze stuk. En Iwan-tsarewitsj bleef op de bergen. Wat moest hij doen? Hij weende bitter en keerde om. Steeds verder liep bij door het koperen rijk, daarna door het zilveren en het gouden, maar er was geen levende ziel te vinden. Toen kwam hij in het briljanten rijk, en ook daar was niemand. Wat moest hij nu doen in zijn eenzaamheid? Hij verveelde zich dodelijk.
Daar zag hij opeens in een raam een fluit liggen en nam ze in zijn hand. ‘Nu,’ zei hij ‘uit verveling ga ik maar wat spelen.’ Nauwelijks had hij de eerste toon laten horen of er stonden opeens een lamme en een eenoog voor hem. ‘Wat is er van uw dienst, Iwan-tsarewitsj?’ ‘Ik wil eten.’ Terstond – waar hij vandaan kwam was niet te zien – stond er een tafel gedekt, met daarop de allerbeste wijnen en spijzen. Iwan-tsarewitsj at en dacht bij zichzelf: nu zou het niet kwaad zijn wat te rusten. Hij blies op zijn fluit en de lamme verscheen met de eenoog. ‘Wat wenst u, Iwan-tsarewitsj?’ ‘Laat er een bed gereedgemaakt worden.’ Nauwelijks had hij dit uitgesproken of het allerbeste bed stond al opgemaakt.
Hij ging er in liggen en sliep heerlijk uit. Daarna blies hij weer op de fluit. ‘Wat wenst u?’ vroegen de lamme en de eenoog hem. ‘Mag ik dan misschien alles wensen?’ vroeg de tsarewitsj. ‘Alles, Iwan-tsarewitsj. Voor wie op dit fluitje blaast, doen wij alles; zoals we vroeger de Wervelstorm gediend hebben, zo dienen we nu u met vreugde. Het is alleen nodig dat u deze fluit altijd bij u hebt.’ ‘Goed’ zei de tsarewitsj.’ ‘Laat ik dan terstond in mijn rijk zijn.’ Nauwelijks had hij dit gezegd of hij bevond zich op hetzelfde ogenblik in zijn eigen rijk, en wel midden op de markt. Hij liep daar wat heen en weer en kwam een schoenmaker tegen, zo’n echte kroegloper. De tsarewitsj vroeg: ‘Waar ga je heen, broertje?’ ‘Ik heb allerhand schoenen te koop, want ik maak ze zelf.’ ‘Neem mij aan als gezel.’ ‘Kun je dan schoenen maken?’ ‘Ja
, alles wat je wilt. Niet alleen schoenen, maar ook kleren.’ ‘Kom dan maar mee.’
Zij gingen naar huis en de schoenmaker zei: ‘Nu, gezel, daar heb je leer van de allerbeste soort; laat eens zien wat je er van kunt.’ Iwan-tsarewitsj ging naar zijn kamer, haalde de fluit te voorschijn, blies er op en de lamme verscheen met de eenoog. ‘Wat is er van uw dienst, Iwan-tsarewitsj ?’ ‘Laten de schoenen morgen klaar zijn.’ ‘O, dat is een kleinigheid, geen echte dienst.’ ‘Hier is het leer.’ ‘Wat is dat voor leer! Rommel, alleen goed om uit het raam te gooien!’
Toen de tsarewitsj de volgende dag wakker werd, stonden er op tafel prachtige schoenen van de allerbeste kwaliteit. Ook de schoenmaker stond op: ‘En, jongeman, heb je de schoenen klaar?’ ‘Dat heb ik.’ ‘Laat ze dan eens zien.’ De schoenmaker keek naar de schoenen en stond versteld: ‘Dat is me nog eens een meester! Geen meester, maar een wonder!’ En hij nam de schoenen mee naar de markt om ze te verkopen.

In die tijd werden er bij tsaar Bel Beljanin voorbereidingen getroffen voor drie bruiloften: Pjotr-tsarewitsj zou trouwen met Jelena de schone, Wassili-tsarewitsj met de tsaritsa van het zilveren rijk en die van het koperen rijk werd aan een generaal ten huwelijk gegeven. Voor deze bruiloften werden nu kleren gekocht, en voor Jelena de schone waren mooie schoentjes nodig. De mooiste schoenen waren bij onze schoenmaker gezien, en hij werd naar het paleis geleid. Jelena de schone wierp er een blik op. ‘Wat is dat?’ zei ze. ‘Alleen op de bergen kunnen ze zulke schoenen maken.’ Ze betaalde er een hoge prijs voor en beval: ‘Maak voor mij zonder de maat te nemen een tweede paar schoentjes; ze moeten voortreffelijk gemaakt zijn en versierd worden met edelstenen en briljanten. En ze moeten morgen klaar zijn, anders kom je aan de galg.’
De schoenmaker nam het geld en de edelstenen aan, en ging in een gedrukte stemming naar huis. ‘Wat een ramp!’ zei hij. ‘Wat moet ik nu doen? Hoe kan ik zulke schoentjes morgen klaar hebben, en dan nog wel zonder de maat te nemen? Je zult zien, ze hangen me morgen op. Laat ik nog maar eens voor het laatst mijn verdriet verdrinken met mijn vrienden.’ Hij ging naar de kroeg; daar had hij veel vrienden en zij vroegen hem: ‘Waarom ben je zo bedrukt, broeder?’ ‘Ach, beste vrienden, ze gaan me immers morgen ophangen?’ Maar waarom dan toch?’ De schoenmaker vertelde van zijn verdriet en zei toen: ‘Hoe kan ik nu nog aan werken denken ? Laten we liever voor het laatst drinken.’ Ze dronken en zopen zolang, dat hij ten slotte op zijn benen stond te wankelen. ‘Nu,’ zei hij, ‘ik neem een vaatje wijn mee naar huis en ga naar bed. En als ze me dan morgen komen halen om me op te hangen, drink ik terstond een hele emmer leeg. Laten ze het maar doen als ik buiten bewustzijn ben.’ En hij kwam thuis. ‘Nu, vervloekte kerel,’ zei hij tegen Iwan-tsarewitsj, ‘kijk eens wat jouw schoentjes hebben aangericht… zo en zo… en als ze me morgen komen halen, moet je me terstond wekken.’

s Nachts haalde Iwan-tsarewitsj zijn fluitje te voorschijn; hij blies erop en de lamme verscheen met de eenoog. ‘Wat is er van uw dienst?’ ‘Laten die schoenen morgen klaar zijn.’ ‘Heel goed.’ En Iwan-tsarewitsj ging slapen,
’s Morgens toen hij wakker werd, stonden de schoentjes op tafel en schitterden als vuur. Hij ging zijn baas wekken. ‘Baas! Het is tijd om op te staan.’ ‘Wat? Komen ze me al halen? Geef me dan heel vlug mijn vaatje wijn. Hier is een beker, schenk hem vol. Laten ze me maar ophangen als ik dronken ben.’ ‘Maar de schoenen zijn klaar.’ ‘Wat klaar? Waar zijn ze dan?’ De baas liep er haastig heen en wierp er een blik op. ‘Ach, hebben we die samen gemaakt?’ ‘Ja, vannacht. Herinner je je werkelijk niet meer hoe we ze gesneden en genaaid hebben?’ ‘Dat ben ik door mijn vaste slaap helemaal vergeten. Ik kan me er nauwelijks meer iets van herinneren.’
Hij nam de schoenen, pakte ze in en haastte zich naar het paleis. Jelena de schone zag de schoentjes en dacht bij zichzelf: Dat hebben de geesten zeker voor Iwan-tsarewitsj gedaan. ‘Hoe heb je dat klaargespeeld?’ vroeg ze de schoenmaker. ‘Ik kan immers alles maken,’ zei hij. ‘Als dat zo is, maak dan mijn bruidskleed voor mij. Het moet met goud geborduurd zijn en bezaaid zijn met briljanten en edelstenen. Maar morgenvroeg moet het klaar zijn – anders gaat je hoofd eraf.’
Opnieuw liep de schoenmaker met een bedrukt gezicht rond en zijn vrienden moesten lang op hem wachten. ‘Nu, wat is er?’ ‘Ja, wat?’ zei hij. ‘Het is of de duivel ermee speelt: daar is me een vijandin van de christenheid verschenen en heeft me bevolen voor morgen een japon met goud en edelstenen te borduren. En wat ben ik nu voor een kleermaker! Dus zullen ze zeker mijn hoofd afhakken.’ ‘Hé, broeder, de morgen is wijzer dan de avond: laten we pret maken.’
Ze gingen naar de kroeg en namen het ervan. De schoenmaker werd weer dronken, sleepte een heel vaatje wijn mee naar huis en zei tegen Iwan-tsarewitsj: ‘Nou, jongen, als je me wekt, zuip ik meteen een hele emmer leeg. Laten ze maar mijn hoofd afhakken als ik dronken ben. En zo’n japon kan ik van zijn leven niet klaar krijgen.’ De baas ging naar bed en begon te snurken, maar Iwan-tsarewitsj blies op zijn fluit, en de lamme verscheen met de eenoog. ‘Wat is er van uw dienst, tsarewitsj ?’ ‘Laat de japon morgen gereed zijn, en wel precies zo een als Jelena de schone bij de Wervelstorm droeg.’ ‘Zeer goed, ze zal klaar zijn.’ Toen het licht werd, ontwaakte Iwan-tsarewitsj en de japon lag op tafel, schitterend als vuur, zodat de hele kamer erdoor verlicht werd. Toen wekte hij zijn baas. Deze sperde zijn ogen wijd open. ‘Wat? Komen ze me soms halen om mijn hoofd af te hakken? Geef me heel gauw de wijn!’ ‘Maar de japon is gereed.’ ‘Is het mogelijk? Wanneer hebben we die dan afgekregen?’ ‘Vannacht, herinner je je dat niet? Je hebt ze zelf geknipt.’ ‘Ach, broeder, het kost me moeite het me te herinneren, ik zie het als in een droom.’ De schoenmaker nam de japon en haastte zich naar het paleis.

Jelena de schone gaf hem veel geld en bovendien het bevel: ‘Laat morgen bij het aanbreken van de dag het gouden rijk zich bevinden op een afstand van zeven werst in zee; en vandaar af tot aan ons paleis moet een gouden brug gebouwd zijn, bekleed met kostbaar fluweel; en langs de leuning aan beide zijden moeten prachtige bomen groeien, waarin vogels veelstemmig zingen. Als je dat niet voor morgen volbrengt, laat ik je vierendelen.’ De schoenmaker verliet Jelena de schone met hangend hoofd. Hij ontmoette zijn vrienden: ‘En wat, broeder?’ ‘Ja, wat? Ik ben verloren: morgen zullen ze me vierendelen. Ze heeft me zo’n opdracht gegeven, dat geen enkele duivel die kan uitvoeren.’ ‘Nou, zeg maar niets meer. De morgen is wijzer dan de avond: laten we naar de herberg gaan!’ ‘Ja, laten we dat doen. Een mens kan beter pret maken als het tegen zijn eind loopt.’

Ze dronken dus en bleven aan het drinken, en de schoenmaker was tegen de avond zo stomdronken dat ze hem naar huis moesten brengen. ‘Vaarwel, jongen,’ zei hij tegen Iwan-tsarewitsj. ‘Morgen word ik ter dood gebracht.’ ‘Heb je soms een nieuwe opdracht gekregen?’ ‘Ja, zo en zo.’ Hij ging liggen snurken, maar Iwan-tsarewitsj ging naar zijn kamer, blies op zijn fluit en de lamme verscheen met de eenoog. ‘Wat is er van uw dienst, Iwan-tsarewitsj ?’ ‘Kunnen jullie me deze dienst bewijzen?’ ‘Ja, Iwan-tsarewitsj, dat kan werkelijk een dienst worden genoemd. Maar daar is nu eenmaal niets aan te veranderen en morgen zal alles gedaan zijn.’ Nauwelijks was de volgende morgen aangebroken, of Iwan-tsarewitsj werd wakker; hij keek naar het raam, en – hemelse goedheid – alles was gedaan zoals het moest en het gouden paleis straalde als vuur. Hij wekte de baas, en deze sprong op. ‘Wat? Komen ze me halen? Geef me gauw de wijn. Laten ze me liever vierendelen als ik dronken ben.’ ‘Maar het paleis is klaar!’ ‘Wat zeg je?’ De schoenmaker keek door het raam naar buiten en stond verstomd. ‘Hoe is dat in zijn werk gegaan?’ ‘Herinner je je dan niet dat we het samen hebben klaargespeeld?’ ‘Ach, ik heb blijkbaar te vast geslapen en kan me er nauwelijks iets van herinneren.’
Ze snelden naar het gouden paleis – daar heerste ongeziene en ongehoorde rijkdom. Iwan-tsarewitsj zei: ‘Baas, hier heb je een vogelvleugel: ga op de brug de leuning vegen, en als er iemand komt die je vraagt: “Wie woont er in dat paleis?” moet je niets zeggen, maar hem alleen dit briefje geven.’ De schoenmaker ging dus de leuning van de brug schoonvegen.

’s Morgens werd Jelena de schone wakker, zag het gouden paleis en haastte zich terstond naar de tsaar: ‘Zie eens, majesteit, wat er bij ons is gebeurd: in de zee is een gouden paleis gebouwd, en vandaar loopt een zeven-werst-lange-brug, en langs de brug groeien prachtige bomen waarin vogels veelstemmig zingen.’
De tsaar zond dienaren uit om te vragen: ‘Wat heeft dit te betekenen? Komt er misschien een machtig krijgsman tegen mijn rijk optrekken?’ De boden kwamen bij de schoenmaker en begonnen hem vragen te stellen. Hij zei echter: ‘Daar weet ik niets van, maar ik heb een briefje voor uw tsaar.’

In dat briefje vertelde Iwan-tsarewitsj aan zijn vader hoe alles was gegaan: hoe hij zijn moeder had bevrijd, hoe hij Jelena de schone had gewonnen en hoe zijn oudere broers hem hadden bedrogen. Tegelijk met de brief zond Iwan-tsarewitsj gouden koetsen met het verzoek aan de tsaar en de tsaritsa om bij hem te komen met de tsaritsa Jelena de schone en haar zusters; maar de broers moesten achteraan komen in gewone houten karren.
Terstond gingen ze allen op weg, en Iwan-tsarewitsj kwam hun vol vreugde tegemoet. De tsaar wilde de oudste zoons wegens hun verraderlijk gedrag ter dood laten brengen, maar Iwan vroeg zijn vader om genade voor hen.
Toen werd er een reusachtig feestmaal aangericht en Iwan-tsarewitsj trouwde met Jelena de schone; aan Pjotr-tsarewitsj gaf hij de tsaritsa van het zilveren rijk tot vrouw en aan Wassili-tsarewitsj die van het koperen rijk. En de schoenmaker werd tot generaal benoemd.

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2942-2760

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (1-2/5)

.
Dieuwke Hessels
.

Vrouw Holle:

Een bloemlezing van artikelen, informatie, afbeeldingen, transparanten, liedjes, versjes,  boeken, verhaaltje en het sprookje van “vrouw holle.” 

Artikelen van : Abe v. der Veen, Alice Woutersen, Wikipedia, Annine v. der Meer, Beleven.org,,  levende sprookjes en Ineke Bergman. 

Het sprookje van vrouw Holle is een sprookje van Grimm, voor het eerst   opgeschreven in 1812.
Het is een van de weinige sprookjes waar een Godin in voorkomt! Vrouw Holle wordt ook wel Holda, Hölle of Hel genoemd. Zij is de godin van de onderwereld die heerst over het rijk der doden.
Zodra we dit weten krijgt het
sprookje een veel intensere lading.
Wanneer het meisje de put in springt, en vervolgens wakker wordt in een, begint haar reis door de onderwereld.
Je kan dit zien als de reis
van de ziel bij het sterven en (weder)geboren worden. Je kan het ook zien als een semi-dood die ondergaan wordt tijdens de initiatie van het meisje
tot priesteres.
Verderop zegt Abe de verteller: iedereen is slechts gehoorzaamheid verschuldigd aan zijn eigen levenslot, niet aan de maatschappij, niet aan familie, maar alleen aan de Godin, aan vrouw Holle, die dit levenslot voor jou heeft bepaald.
Aan ons de grote uitdaging om die draad te vinden en eraan vast te houden,  

Lelijke stiefmoeder

De scene met de verwende lelijke stiefzuster en de gemene stiefmoeder, die het lieve meisje slecht behandelen, is klassiek en komt in vele sprookjes voor. Moeder aarde of de moeder die in liefde haar kind omhult heeft plaatsgemaakt voor de moeder van de harde materie. Deze kijkt alleen naar de buitenkant, hoe goed presteert het meisje? De stille aandacht van het meisje – een teken dat ze het contact met de bron nog niet heeft verloren – wordt niet gezien of gewaardeerd. Het egoïstische kind wordt verwend en beloond, want daarin herkent de valse moeder zichzelf. De twee zusjes kan je zien als twee aspecten van jezelf, vanuit de buitenwereld wordt het harde, schreeuwende materiële beloond en het zachtmoedige, innerlijke kind voor die dromerigheid gestraft. Gevoel wordt gezien als een slechte eigenschap! 

In de put 

Spinnen bij een waterput doet sterk denken aan de schikgodinnen die ook de levensdraden spinnen gezeten bij de levensbron en zo het levenslot bepalen. Wie de levensenergie volgt, spint aan zijn eigen levensdraad of volgt eigenlijk de weg die de lotsgodin voor je heeft bepaald.
Wie te snel moet spinnen, moet te hard zijn best doen en raakt zo uit balans. De levensenergie vloeit uit het  meisje, het bloed springt uit haar vingers en kleeft aan de draden. Om de draden te wassen dompelt ze de  spoel in het water van de put en de spoel verdwijnt in het diepe water. Zonder spoel is het meisje haar  centrale as kwijt waarom de draden gewikkeld zijn. Ze is haar vaste basis, haar houvast in het leven kwijt. Deze  zal ze ook niet vinden bij haar stiefmoeder. Ze zal die moeten vinden onder in de put. Wie wil groeien moet  soms diep zinken. Het meisje zit letterlijk en figuurlijk diep in de put! Daar in het diepst van de ellende kan haar  reis beginnen. Die put van diepe ellendige emoties blijkt namelijk een tunnel naar de onderwereld. Maar niet  naar de
duisternis, het is een tunnel naar het licht! Via het water van het onbewuste gevoel bereikt zij een heerlijke  lenteweide vol bloemen. 

Appeltjes plukken en broden halen 

In deze wereld krijgt zij drie beproevingen, die staan voor de drie aspecten van de Godin, als maagd, moeder en oude vrouw. Zij loopt door de bloemenweide tot zij de appelen in de boom hoort roepen, pluk mij, pluk mij! (In het sprookje van Grimm, komt dit pas als tweede taak, er zijn echter ook versies waar het meisje begint met de appelen en symbolisch vind ik dit de juiste volgorde.) (2) Zij is als de maagd die alle genietingen van het leven mag ervaren.  Zij plukt de bloemen en daarmee het leven! De levensdraad wordt langer en dikker  door haar genietingen. Dan plukt ze de appels, op het moment dat ze rijp zijn, niet eerder. Zij ontdekt haar vrouwelijkheid en seksualiteit. In het Bijbelse verhaal is het een zonde als Eva in de tuin de  appel plukt. Voor de Godin is het een noodzakelijkheid om tot bewustzijn te komen. Het meisje volgt haar  instinct, de natuur zelf roept haar, de appelen schreeuwen, dus zij luistert. Na het plukken van de appelen is zij geen maagd meer en de consequenties komen snel. Zij heeft ‘a bun in the oven’ zo het Engelse spreekwoord  luidt… De broodjes in de oven zijn gaar en roepen haar toe. Zij mag kinderen ter wereld brengen. Ook de  moederfase gaat voorbeeldig. 

Vrouw Holle

Ten slotte komt ze bij vrouw Holle zelf. Eerst schrikt ze van haar, want ze heeft zulke lange tanden!
Zoals ik al zei is vrouw Holle een
Godin. Zij heerst over de holle wereld der geesten die je volgens het volksgeloof kan betreden via grotten, holle bomen, bronnen en putten. Dit is geen materiële wereld, je moet het niet letterlijk zien als een grot onder de grond! Het is de geestelijke, innerlijke wereld die je betreedt als je zonder lichaam bent. Pas in christelijke tijden werd deze wereld een oord van verderf en eeuwige pijn. Ook bij de heidense Noormannen en Grieken was de onderwereld geen pretje; in Hades werden misdadigers streng gestraft en in Hel kon het donker en somber zijn. Maar ook het Elysium der Gelukzaligen was hier te vinden en Holda hield in haar berg grote feestmalen met eeuwig zang, dans en mooie vrouwen. De godin Hel zelf wordt voorgesteld als voor de helft zwart en rottend en voor de andere helft roze. (3) In het  sprookje lijkt vrouw Holle lelijk en dus gemeen, maar de lelijke, donkere kant van de Godin is juist uiterst consequent!
Bij vrouw Holle ervaart het meisje de fase van de oude vrouw, haar winterperiode. Zo leert ze dat de laatste zogenaamd lelijke periode het net zo goed waard is om met alle ijver geleefd te worden als de ‘gouden’ tijd van de jeugd. Zij poetst het huisje van vrouw Holle ijverig schoon en schudt haar kussens op zodat het sneeuwt in de wereld. Dit is de periode om je etherische lichaam – het ‘huis’ waarin je woont – te reinigen, om  zo overbodige hechtingen en oude trauma’s kwijt te raken. Door het opschudden van je energetische kussen, raakt ze haar overbodige veren kwijt. Ze raakt – als het ware – in de rui en laat datgene los wat ze niet nodig heeft. Dit is de winterperiode van haar leven. 

Als je deze reis beschouwt als een initiatie van het meisje tot priesteres van de Grote Godin, dan zijn de drie taken van de appelboom, de broodoven en het huisje van vrouw Holle, ook te zien als de taken van de koppelaarster, de vroedvrouw en de ‘keening woman’. De laatste is degene die door haar rouwen helpt bij de overgang van de dood. Binnen deze interpretatie klopt het weer dat het meisje eerst de appelen plukt. Zij assisteert eerst bij het samenbrengen van geliefden, dan bij de geboorte en uiteindelijk bij het stervensproces. 

Goud of pek 

Uiteindelijk voelt het meisje de roep om een nieuw leven te beginnen. Zij wordt door vrouw Holle begeleid naar de poort van de onderwereld. Onder die poort krijgt zij de haar toegemeten portie levensenergie mee. Dit is zoveel dat zij van top tot teen met goud bedekt wordt. Zo wordt zij voor haar continue volgen van de levensdraad – waar het lot haar ook maar naar toe bracht – door vrouw Holle beloond. Als ze in de bovenwereld is roept de haan haar toe: ‘kukeleku onze gouden jonkvrouw zien we nu!’ Hij is de vogel die de dageraad en daarmee het dagbewustzijn en een nieuw leven aankondigt. Haar volgende leven wordt karmisch beloond met een grote portie geluk en zonneschijn. Het goud staat ook voor de paradijselijke kant van de onderwereld. Het is het onderaardse Elysium, waar het gouden tijdperk nog heerst en de gouden appelen een eeuwige jeugd brengen. 

Als de kwade stiefzuster zich in de put werpt is zij liever lui dan moe. Deze levenshouding wordt beloond, door haar bij het verlaten van de onderwereld te overgieten met pek. Dit blijft aan haar kleven en wil er haar hele leven lang niet af! Alles wat zij onderneemt in haar leven gaat door die pek, stroperig en zit vol met pech.
Pek is etymologisch verwant met pech! De pek betekent dus dat zij veel pech in haar volgende leven zal krijgen. Zij wordt zogezegd een pechvogel. De pech is ook de donkere kant van de onderwereld. Pech is een Oudhoogduits woord voor de hel, waar de zielen in de zwarte pek worden gebrand. (4)
Ook hier zien we de twee aspecten
van vrouw Holle en haar wereld. Het is licht en duisternis, wit en zwart. Wie met de stroom meegaat,                                     Gisela Gottschlich
zal in het licht lopen, wie tegendraads is
zal in het duister tasten en de weg niet vinden, zij
weet niet waar de energie te vinden is. 

Als dit allemaal heel moralistisch klinkt moet je bedenken dat iedereen slechts gehoorzaamheid verschuldigd is aan zijn eigen levenslot, niet aan de maatschappij, niet aan familie, maar alleen aan de Godin, aan vrouw Holle, die dit levenslot voor jou heeft bepaald.
Aan ons de grote uitdaging om die draad te vinden en eraan vast te houden, koste wat kost! 

Abe van der Veen

Vrouw Holle schudt de bedden 

Het sneeuwt! Het sneeuwt vanmorgen!
Het is schoonmaak wil ik wedden:
Daar wil zij voor zorgen.
Ze klopt en wast en poetst en boent
n overal ligt rommel…
Vrouw Holle wat een drukte toch?
Wat maak je een gestommel.
Maar…. als ze klaar is, lacht de zon.
Laat alles blinken, stralen.
Ja! Alles staat in voorjaarsglans
te pronken en te pralen. 

gebarenversje van Hermien IJzerman 

Achtergronden bij Vrouw Holle 

naar Alice Woutersen 

“Wie is eigenlijk Vrouw Holle:
Vroeger was zij bekend. Zij was verbonden  met de wetmatigheden van het mensenlot. Tegenwoordig noemen we dit karma. Zij  bestuurt het lot van de mensen.
Men noemde haar ook wel een van de drie schikgodinnen of nornen.
In dit sprookje vertegenwoordigt Vrouw Holle ze alle drie tegelijk.
Die drie normen worden in de Edda Urdt,  Verdandi en Skuld genoemd. In het Nederlands Oerd of Oer, Werdandi en Skoeld.” 

Het sprookje begint met de weduwe. Zij is ook stiefmoeder van de eerste dochter van haar overleden man. Alles is op het aardse gericht en wordt als zinvol gezien. De zielenverbinding die meer op het geestelijke gericht was, is gestorven en de op de materie gerichte houding is nog over. Het lijkt erop dat alleen de jonge mooie dochter nog met het geestelijke in de mens verbonden is. Zij is mooi en ijverig. Voor de andere dochter is het precies andersom; zij is lelijk en lui.
In het huis van de stiefmoeder is eigenlijk geen ruimte voor het mooie en ijverige meisje. Hier is haar geest namelijk niet belangrijk, niet op zijn plek. (Immers; de stiefmoeder is alleen op aardse en materiële zaken  gericht).
Daarom voelt deze (stief)moeder wel liefde voor haar eigen kind en geen liefde voor haar stiefkind.
Deze beide meisjes zijn allebei in onszelf aanwezig.
Zetten wij ons eigen mooie meisje dat graag gezien wordt ook niet vaak buiten de deur? Het arme, mooie meisje wordt als dienstmeid gezien, de laagste rang in het huishouden. Tegelijkertijd is dit ook de belangrijkste rang want degene die in de as blaast is ook verbonden met het vuur dat in ons huis brandt.
Dit meisje blaast het vuur aan, zodat wij van binnen warm kunnen worden, enthousiast kunnen zijn over iets.

Levensdraad 

Het arme meisje mag zelfs niet in huis spinnen, zij moet buitenshuis. Zij moet hard werken en zonder eigenbelang spinnen voor haar lelijke stiefmoeder en stiefzuster. Je krijgt de indruk dat deze twee nauwelijks iets doen.
Het meisje spint hier bij de put de levensdraad. Op het moment dat zij deze draad bevlekt met haar bloed, drukt zij haar eigen stempel op deze draad en dat  mag niet van haar stiefmoeder (die niets van de geestelijke kant wil zien). 
Het meisje probeert nog het bloed eraf te spoelen, maar dat lukt niet. De spoel valt uit haar handen en  verdwijnt in de put of bron. 
Spinnen is met het denken verbonden, want onze levensdraad wordt sterk beïnvloed door datgene dat wij  denken. Zolang het meisje haar zelfgesponnen draad niet met haar eigen denken verbindt, gaat het goed. Ze doet wat haar stiefmoeder heeft bevolen, maar o wee; als haar bloed zich met de draad verbindt… dan raakt zij haar  levensdraad kwijt. Het arme meisje schrikt, loopt naar haar stiefmoeder toe om alles te vertellen maar daar hoeft zij uiteraard  geen medelijden van te verwachten. In haar angst springt het meisje in de put om haar spoel terug te halen. 

Het kwijtraken van je levensdraad en het springen in de put zijn beelden die aangeven dat je sterft. (de put is de tunnel) Het meisje behoudt haar bewustzijn ook niet; als zij weer ontwaakt is ze in een andere wereld gekomen; de wereld van Vrouw Holle. Zij beleeft hier de etherwereld en in deze wereld staat het huisje van Vrouw Holle. 

Wie is vrouw Holle? 

Vroeger was zij bekend. Zij was verbonden met de wetmatigheden van het mensenlot. Tegenwoordig noemen we dit karma. Zij bestuurt het lot van de mensen. Men noemde haar ook wel een van de drie schikgodinnen of nornen. In dit verhaal vertegenwoordigt Vrouw Holle ze alle drie tegelijk.
Die drie normen worden in de Edda Urdt, Verdandi en Skuld genoemd. In het Nederlands Oerd of Oer, Werdandi en Skoeld.
Oerd of Oer is verbonden met het verleden (oer) en geeft ons onze levensdraad (lotsdraad) als wij geboren worden.
Werdandi (het wordende) is verbonden met het heden; zij knoopt levensdraden aan elkaar vast tijdens het leven.
Skoeld is verbonden met de toekomst en knipt de levensdraad bij het sterven door. Zij zorgt voor de vereffenings- of ontwikkelingsmogelijkheden van het lot. Dus het opbouwen van het karma waarmee de mens in zijn volgende leven aan de gang kan gaan.
Aan Skoeld bied je datgene aan wat je geschoold (skoel = school) hebt op aarde.
Men zei vroeger dat de normen verschenen bij de geboorte, het huwelijk en de dood. 

Skoeld Holda Brechta of Geertruid 

Vrouw Holle vangt in eerste instantie het meisje op in de functie van Skoeld en geeft het meisje de levensdraad weer terug in de functie van de Oerd.
In de volksmond wordt Skoeld ook wel Holda, Brechta of Geertruid genoemd en Oerd noemt men ook Anna.
Allerlei geestelijke wezens die vroeger vereerd werden, zijn door de mens in Vrouw Holle samengevoegd. Zij heeft ook duidelijk trekken van de Germaanse godin Freya, de godin van de liefde en het gezin, die volgens de  Edda gestorven zielen opving in haar rijk, waar deze zielen mochten blijven tot ze weer incarneren.
In dit sprookje lijkt Vrouw Holle ook wel op een drempelwachter en omdat het meisje nog niet zo ver ontwikkelt is, ziet Vrouw Holle er nog niet zo mooi uit.
Net als bij de drempelwachter spiegelt zij het ontwikkelingsniveau van de mens ten opzichte van het ideaalbeeld van de mens.
In het rijk van Vrouw Holle kun je vrijwillig de vermogens, die je reeds ontwikkeld hebt op aarde, tonen. Je kunt ook testen of deze bruikbaar zijn in de wereld tussen dood en nieuwe geboorte.
Ons arme en mooie meisje heeft veel vermogens ontwikkeld. Zij is namelijk in staat om te werken in de wereld van Vrouw Holle.
Zijn de broden en de appels vruchten van haar vlijtige leven? Het brood uit de samenwerking met het geestelijke en de appels door het werken met de boom van kennis van goed en kwaad? Voor wie is deze oogst?
Vrouw Holle is aardig naar haar en stelt haar gerust als ze ziet dat het meisje schrikt van haar uiterlijk. Werken voor Vrouw Holle wil zeggen dat je meewerkt met de geestelijke wereld in de periode tussen dood en nieuwe geboorte.
Waarom moet het bed geschud worden tot de veren in het rond vliegen? Waarom sneeuwt het dan op aarde?
Wanneer wij geïncarneerd zijn en dus op aarde leven, dan kennen wij een ritme van slapen en waken. Wanneer wij slapen verwerken wij in de nacht alles wat wij overdag hebben beleefd. Het inzicht en de wijsheid die wij in de nacht verzamelen doordat ons ik en het astrale in de geestelijke wereld vertoeven, komt terecht in het bed van onze eigen Vrouw Holle. Deze verzamelde wijsheid kunnen wij na onze dood aan de aarde schenken.
Sneeuwvlokken ontstaan doordat water uitkristalliseert in de vorm van zespuntige sterren.
Een zespuntige ster is het beeld voor wijsheid die uit de kosmos komt (hemel). 

Het meisje doet het goed bij Vrouw Holle, maar wil toch weer terug naar aarde. Vrouw Holle brengt haar daarom naar de poort (overgang van de wereld van Vrouw Holle naar de aardse wereld), geeft haar haar spoel terug en…. Het meisje wordt met goud bedekt; talenten die zij  in het volgende leven goed kan gebruiken.
De haan kondigt de nieuwe geboorte aan. Omdat het aardse luie meisje lui was op aarde van geest, laat haar denkvermogen in de geestelijke wereld veel te wensen over bij Vrouw Holle. 

Zij heeft geen echte vermogens ontwikkeld en alleen maar gedaan alsof ze wat deed. Kan zij het brood überhaupt wel uit de oven halen, of appels oogsten, of het dekbed schudden? Zij is dan ook niet in staat om te werken in het rijk van Vrouw Holle en kan dus ook niet met wijsheid terug naar aarde keren en vandaar dat zij met pek wordt overgoten bij haar terugkeer. Zij heeft geen spoel om te spinnen en kan niets zinvols bijdragen aan de levensdraad, hoogstens pech (pek). Bron: Alice Woutersen, 

Van Wikipedia: 

Vrouw Holle is een figuur uit volksverhalen uit Midden-Europa.
Ook is het de naam van een sprookje dat is opgetekend door de gebroeders Grimm in Kinder- und  Hausmärchen (KHM24). Het sprookje is ook bekend als: 

  • Het vlijtige Liesje en het luie Liesje 
  • Goud-Elsje en Pek-Elsje 

Vrouw Holle 

Vrouw Holle, Holda of Hulda is een van vele bovennatuurlijke vrouwelijke wezens uit het volksgeloof die vanuit hun oorsprong met de onderwereld in contact staan. De aard van dit type wezens varieert van behulpzaam en  vriendelijk tot bestraffend en hard.[1] 

Holda wordt “De Witte Dame”, maar ook “De Zwarte Grootmoeder” genoemd, dit heeft overeenkomsten met het sprookje over Vrouw Holle. Ze is een doodsgodin. Er zijn nog andere benamingen, zoals Vrou-Elde en Vrou-Elde, Frigga, Eastre, Fri, Fria, Fricka, Friga, Frige, Frigg, Gode, Ostara, Fri(a), Frig, Bertha, (Frau) Gode,  (Frau) Wode, Frija, Holda, Huda, Huld(r)a, Nerthus, Frea, Eastre, Bertha, Brechta, Frau Venus, Harfer, Herke,  Hold(e), Holl(e), Hulle of Frigga. 

Vrouw Holle wordt als aanvoerster van de Wilde Jacht gezien. Tussen 23 december en 5 januari kijkt ze of mensen dat jaar vlijtig of lui waren. Ze wordt in verband gebracht met de door Tacitus beschreven Nerthus.[2] Vrouw Holle maakt de sneeuw door haar kussen uit te kloppen, vergelijk dit met Frigg uit de Noordse mythologie: zij spint de wolken. Als het sneeuwt zeggen mensen in Hessen: Frau Holle schudt haar bed op.
De germaniste Erika Timm gaat ervan uit dat Vrouw Holle een bijnaam was voor Frigg, die tijdens en na de kerstening als zelfstandige naam werd gebruikt (het was gevaarlijk namen van heidense godheden aan te roepen
[3])
Vrouw Holle wordt gezien als godin van leven en dood en de aarde, ze gaf haar naam aan de onderwereld. Zie ook Hel, Perchta, Cailleach en Nehalennia, zij worden allen in verband gebracht met Vrouw Holle. Vrouw Holle  is beschermvrouw van de spinsters en wevers, er bestaan parallellen met de Völva, Nornen en witte wieven.  Vrouw Holle wordt soms als koningin van de kabouters of alven (zie ook elfen en fee) genoemd.[4] Zie  ook Huldra en Huld. 

In Gelderland is Schele Guurte bekend, zij heeft veel overeenkomsten met Vrouw Holle. Zie ook de sage Het  verhaal van Schele Guurte en Simeliberg

Vrouw Holle zou in een berg wonen, de Hohe Meißner (tussen Kassel en Eschwege), de Hörselberge bij Eisenach (in het bijzonder Hörselberg) en ook Hollerich (het rijk van Holle) worden genoemd als woonplaats. In de negentiende eeuw dansten meisjes nog bij het Hollelochs bij Schlitz. Alleen de
eerste strofe van het lied dat daarbij gezongen werd is nog bekend; 

Miameide – steht auf der Heide –
Hat ein grün’s Röcklein an.
Sitzen drei schöne Jungfern daran.
Die eine schaut nach vorne,
die andre in den Wind.
Das Weibsbild an dem Borne
hat viele, viele Kind. 

Jonge meisjes namen vroeger een bad in de Frau-Holle-Teich op de Hohe Meißner om vruchtbaar te worden.  Het water uit deze vijver zou geneeskrachtig zijn. Volgens de overlevering is de vijver bodemloos. Opgravingen rond de vijver duiden ook op een mogelijke offerplaats, er zijn vuurstenen uit de Steentijd gevonden. Ook munten uit de Romeinse keizertijd (uit de tijd van Titus Flavius Domitianus) en keramiekscherven uit de Middeleeuwen (en ouder) zijn aangetroffen. 

In het Ásatrú wordt Vrouw Holle als godin vereerd. De gewone vlier (in het Duits Holunder Holderbusch of Holleris) aan Vrouw Holle gewijd.

Door Annine van der Meer:

Oude beelden in het Westen van vrouwen en het vrouwelijke zijn vaak negatief. Ten onrechte, zo vond Annine van der Meer uit. Het sprookje van Vrouw Holle laat ten onrechte nare vrouwen zien; in de pre-Grimm versies was de stiefmoeder gewoon een moeder en de griezelige Vrouw Holle een wijze vrouw. Toch iets anders. Wat was er mis met die wijze vrouw? 

Wij kennen het sprookje van Vrouw Holle uit de sprookjesverzameling van de gebroeders Grimm. Echter…  weinigen van ons weten dat zij de oerversie van het Holle-sprookje sterk aanpasten aan de smaak van hun eigen tijd, de 19e eeuw. Er is de eerste Grimm-versie uit 1812 waarin onder leiding van een weduwe – en geen boze stiefmoeder twee zussen – de goede Goudmarie en de slechte Pekmarie – tegen elkaar worden uitgespeeld én er is de laatste eindversie bij Grimm uit 1857 waarin de weduwe is veranderd in een boze stiefmoeder. De Grimms voerden dus in de overbekende eindversie die tot op de dag van vandaag voorgelezen wordt een boze (stief)moeder en twee totaal verschillende dochters ten tonele, een eigen dochter en een stiefdochter. 

Wijsheid 

Wij beschikken over talloze oudere varianten van het sprookje van Vrouw Holle waaruit de Grimms geput hebben. Hierin heeft een moeder drie dochters die onderling solidair zijn; jaloezie speelt geen rol. En hierin wordt de enge en oude, gebogen Holle met de lange tanden afgeschilderd als wijze vrouw en niet als heks. De wijsheid van Vrouw Holle uit deze oudere versies biedt een volledig ander perspectief op de werkelijke positie en rol van vrouwen in eeuwenoude vertellingen. En dit is van essentieel belang om tot een nieuw inzicht over het leven te komen en tot nieuw vertrouwen, nieuwe verbinding en nieuwe individuele en collectieve vrede te komen. Deze oudere versies zijn de basis voor het geüpdatete sprookje voor mensen van nu. 

In deze 21e-eeuwse versie wordt het sprookje van Vrouw Holle op basis van historische gegevens, teruggebracht tot de essentie van de oude wijsheid en vertaald naar de beleving van mensen van nu. Grootmoeder Holle legt haar kleindochter Helle uit hoe van een loden hart een gouden hart te maken. In  eenvoudige en poëtische taal geeft de wijze vrouw Holle haar visie op de essentie van het leven, de dood en het leven na de dood. Eerst leert zij Helle over de buitenkant van de dingen en daarna over de binnenkant. Hierbij slaagt zij erin esoterische kennis over de relatie tussen het hart van de kosmos en het eigen hart als centrum van lichaam, ziel en geest, op speelse, beeldende en eenvoudige wijze aan Helle over te dragen. Vrouw Holle prikkelt haar kleindochter Helle om te gaan schatgraven in zichzelf. 

Miskenning 

Nederlandse vrouwen van nu beleven een tijd van erkenning en waardering. Achter ons ligt een tijd van verachting en miskenning van het vrouwzijn, van ontkenning van spirituele vermogen van het vrouwelijke, in vrouwen én in mannen. Deze periode vond een aantoonbaar dieptepunt in een vier eeuwenlange genocide op vrouwen van grofweg de jaren tussen 1400 en 1800. Vanaf het jaar 1400 veranderde de wijze vrouw definitief  in een oude heks met alle desastreuze gevolgen van dien. Voor dat omslagpunt rond het jaar 1400 had zij millennia lang als heler, genezer, geestelijke verzorger, kortom als steunpilaar van gemeenschappen op het platteland gefunctioneerd. Dit ‘behekste’ verleden heeft zowel individueel als collectief diepe sporen nagelaten  op zowel de vrouwelijke als de mannelijke psyche. Moderne vrouwenemancipatie moet verder gaan dan de strijd om politieke, sociale en economische gelijkwaardigheid. Die lijkt nu in het westen in grote lijnen bereikt,  al zijn er nog grote onderliggende verschillen. 

Waar het nu om gaat is de emancipatie van de geestelijke vermogens van het vrouwelijke in vrouwen én mannen. Volle oermoeders uit de prehistorie tonen ons hun oerkracht in hun volle bekken en buikgebied. Tegelijk zijn zij in die tijd de eerste leiders van de mensheid geweest met hart voor de gemeenschap waarin zij  dan leven. Wat heeft dat ruime bekkengebied te maken met hun grote hart? Deze oermoeders komen tot ons in kleine beeldjes én in de wijsheid van sprookjes. Wat kunnen wij als 21e-eeuwse mensen van hun oerkracht leren? Zij leren je jouw kracht in je eigen lichaam te vinden; ze leren je jezelf te worden en te blijven. Deze kracht of empowerment draagt je daarna op je eigen vleugels door de ups en downs van het leven…. Meer inzicht 

In het sprookje leven de heldin of de held aanvankelijk in een veilige en geborgen thuissituatie. De opening  luidt: ‘er was eens…’ Maar dan gebeurt er iets waardoor deze situatie eindigt. Nu wachten beproevingen en testen. Sommigen moeten door een donker bos of gaan naar het eind van de wereld, anderen dreigen opgegeten te worden door een monster, een boze wolf of een draak. De hoofdpersoon moet de testen met goed gevolg afleggen. Diens levenshouding moet getuigen van moed en doorzettingsvermogen. Belangrijk is te laten zien dat de heldin of de held meevoelt met een wezen – een dier of mens in nood. Te tonen dat zij/hij het eigenbelang opzij kan zetten en daadwerkelijk wil helpen.

Dan volgt de derde situatie van hernieuwd inzicht in de natuur- of kosmische wetten van het leven. Er breekt een gelukkige derde fase aan, het zogenaamd happy end. Het sprookje wordt dan afgesloten met: ‘En ze  leefden nog lang en gelukkig’. 

Meer inzicht in deze natuurwetten – onder andere gebaseerd op het principe ‘Wat je zaait zul je oogsten’ – opent buik, hart en hoofd, doet muren van verdriet, angst, schaamte en schuld rond het hart wegvallen en  brengt menselijkheid terug in mens en samenleving.  

Annine van der Meer 

Van Beleven.org:

Een sprookje van Grimm over gerechtigheid. De stiefdochter van een weduwe valt in een waterput en komt in een andere wereld terecht. Ze ontmoet een oude vrouw die haar als huishoudster in dienst neemt. Na jaren trouwe dienst wordt ze overladen met goud en keert ze terug naar aarde. 

Toelichting 

Grimm geeft in zijn commentaren een hele rij sprookjes die op Vrouw Holle lijken, maar andere avonturen geven van het leven onder de bron, een zelfs verwant met Hans en Grietje in het broodhuisje. In de meeste varianten van dit sprookje is er sprake van een naamloze oude fee i.p.v. Vrouw Holle. Dr. W. C. de Graaff: ‘Geneeskunde door de eeuwen heen’ geeft van de vlier (Du. Hollunder) andere namen:  holdertere, holluntar. Hij noemt het een boom die gewijd is aan Vrouw Holle, godin van de aarde en van leven en dood. Zij gaf haar naam aan de onderwereld (hel). Haar feest werd gevierd op 2 februari, later Maria -Lichtmis. Door sommigen wordt dit sprookje in verband gebracht met de reïncarnatiegedachte. Vrouw Holle speelt haar rol tussen dood en geboorte, de stiefmoeder heeft de hoofdrol tussen geboorte en dood. Vrouw Holle of Holda behoort met talrijke andere figuren van het volksgeloof tot de demonische vrouwelijke wezens. Zij tonen zich zeer verschillend van aard, soms behulpzaam en weldadig (zoals voor de stiefdochter),  soms ook straffend en zelfs wreed (zoals voor de luie dochter). 

Als het sneeuwt zeggen de mensen in Hessen nog: “Frau Holle macht ihr Bett” (“Vrouw Holle maakt haar bed  op). 

Dit sprookje komt voor in de Elzas, Italië (Pentamerone, De twee koekjes) en Noorwegen. Het motief van de  goede en de slechte zus vinden we ook in De feeën van Perrault (Sprookjes van Moeder de Gans).

Van de site: Levende sprookjes.  

“Frau Holle” schilderij van Mauro Breda

Wat zijn sprookjes? [Deel 3]

Loïs Eijgenraam

Sprookjes kunnen je innerlijk in beweging brengen: ze kunnen ‘het kind’ in je weer opwekken en de zogenaamde ‘kinderlijke’ vermogens: onbevangenheid, beweeglijkheid, het vermogen vragen te stellen, liefde voor het leven, verbondenheid met de wereld om ons heen, fantasie. 

Bert Voorhoeve 

Sprookjes vertellen over beelden, beelden die in ieder mens leven en die het innerlijk van de mens beschrijven. De zielenstemming van de mens, menselijke karaktereigenschappen en de ontwikkelingsfasen van de mens. Sprookjes en kinderen zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden. In een sprookje is alles waar en dat wil een (jong) kind ook. Is het waar dat… 

In sprookjes komt alles weer goed, dat wil een jong kind ook. Ervaren dat de wereld goed is. Dit betekent niet dat kinderen ‘het niet goede’ niet mogen ontmoeten in het opgroeien, het betekent dat kinderen in alles ‘een  zingeving’ ervaren of een ‘weer heel maken van’ ervaren. Als een jong kind een kopje stuk laat vallen is dat jammer van het kopje. We kunnen het proberen te repareren, het liefst waar het kind bij is of we kunnen het opruimen en zeggen; ‘scherven brengen geluk’. De grondhouding van het jonge kind tussen 0-7 jaar is dan ook: de wereld is goed. De lichtwereld waar het kind uit geboren is wordt op de aardewereld nog een tijd  doorlicht: het goede liefdevolle licht is alom aanwezig en langzaamaan kom je in de aardse materie aan. De grondhouding in de opvoeding van het kind tussen 7-14 jaar is ‘de wereld is waar’ [1]. In sprookjes wordt verteld over het leven en de ontwikkeling van de mens. In sprookjes horen kinderen over de weg die je als mens aflegt.
Kinderen krijgen beelden mee die laten zien dat iedere tegenslag overwonnen kan worden. Het boze hoort ook bij het leven net als het goede. De mens wordt opgeroepen om op weg te blijven om zo de ontwikkeling te laten ontwikkelen. 

Sprookjes stimuleren de fantasie. In het kind wordt een bron aangeboord die in het latere leven aangesproken kan worden als er op het levenspad nood is aan steun, bemoediging. Sprookjes ploegen de innerlijke akker om in het kind opdat het levenszaad er kan ontkiemen. Dit vraagt geduld en vertrouwen maar eens zal het kind sprookjesvruchten/levensvruchten van wijsheid kunnen oogsten. Een kind verbindt van nature de sprookjesbeelden met het leven van alledag. 

Dit hoor je terug in de beelden van het spel van de kinderen: ‘en dan kwam de prins en die kuste jou weer levend.’. 

Verschil tussen volkssprookjes en cultuursprookjes 

Cultuursprookjes zijn sprookjes die (in de huidige tijd) door iemand bedacht zijn. Volkssprookjes zijn sprookjes waarvan niemand precies weet wanneer ze zijn ontstaan. Ze stammen uit tijden die ver achter ons liggen. Tijden waarin mensen een andere verbinding met de aardewereld en hemelwereld hadden. De  mensen hoorden de hemelwereld nog boodschappen geven, zagen in de natuur wezens die zorgen voor de ritmische processen van groeien, bloeien, zaadvormen en sterven, de elementaire wezens. Volkssprookjes vertellen in beelden over de ontwikkeling die de mensheid is gegaan en die ieder mens als  individu, in vrijheid, kan gaan. In Europa zijn de volkssprookjes bekend die door de gebroeders Grimm, Jakob  (1785-1863) en Wilhelm (1786-1859) uit Duitsland zijn verzameld, in Rusland Alexander Afanasjev (1826- 1871). In Noorwegen Jørgen Moe (1813-1882) en Peter Christen Absjørnsen (1812-1885) en in Finland Elias Lönnrot (1802-1884). In andere delen van de wereld kennen mensen andere .

Waarom (baker)sprookjes aan peuters en kleuters vertellen? 

(Baker)sprookjes sluiten aan bij de behoeften aan herhaling van peuters en kleuters. (Baker)sprookjes bouwen aan de taalontwikkeling en woordenschatontwikkeling. Ze zijn een wezenlijk onderdeel van de literaire  ontwikkeling van kinderen. 

Sprookjes voor het slapen gaan…  

Slapengaan is de andere wereld in gaan. De aardse wereld wordt losgelaten en de andere wereld waar ook de beelden wonen treed je als mens binnen. In bed liggen en je overgeven aan de nacht, is voor veel kinderen, onbewust een drempelervaring. Op de drempel staan van de dagelijkse, bewuste wereld en op weg gaan naar de wereld van de nacht. Het is loslaten, overgave en soms een oefening in vertrouwen als een kind de nacht (nog) spannend vindt. In bed is ook de plaats waar je als kind even alleen met je ouder bent en de dag afsluit.  Een sprookje kan dan heerlijk zijn om te vertellen of voor te lezen.

Voor kinderen die moeite hebben met de dag loslaten kan het een hulp zijn om eerst de dag op te ruimen. Je  kunt dan terugblikken en vragen: wat was er fijn vandaag, was er ook iets dat minder fijn was. Dan is de innerlijke binnenwereld opgeruimd en tot rust gekomen en kan het sprookje voor deze kinderen beter  ontvangen worden. 

 Bert Voorhoeve (1940), auteur van diverse boeken over sprookjes en beeldentaal. 

Vertelstof als ontwikkelingsstof 

‘Vóór de tandenwisseling* kunnen verhalen, sprookjes enzovoort, die men aan het kind vertelt, alleen tot doel  hebben, dat er vreugde, verkwikking en vrolijkheid geschonken wordt.
Na die tijd moet men er bij de vertelstof bovendien nog op letten, dat voor de ziel van de jonge mens levensbeelden worden opgeroepen, die hij met geestdrift wil navolgen.’ 

Citaat uit: De opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie Rudolf Steiner grondlegger van de  antroposofie (1861-1925) 

*Opmerking: in de tijd dat Steiner opvoeders op deze gedachte wees, wisselden de meeste kinderen rond zes en een half/zeven jaar hun eerste tand. In de huidige tijd wisselen kinderen soms voor de vijfde verjaardag tanden. Opvoeders wordt gevraag het kind goed waar te nemen om keuzes te maken welk verhaal wanneer te vertellen. 

Verhalen die aansluiten bij de ontwikkelingsfase waar een kind zich in bevindt, zijn voeding voor de opbouw van de innerlijke binnenwereld. Een binnenwereld waarin het kind ook de eigen persoon ontwikkelt en ervaart.  Een innerlijke binnenwereld waarin het kind en later de volwassene te allen tijde zich in kan terugtrekken, waar het veilig en warm is (als er zich een gezonde innerlijke binnenwereld heeft opgebouwd met inspirerende, rijke, levendige beelden!). Verhalen bouwen aan menswording. Verhalen zijn in latere leeftijdsfasen de appeltjes voor de dorst op momenten dat biografische vraagstukken zich aandienen. Verhalen maken de wereld anders, ook de eigen innerlijke binnenwereld. 

Iedere leeftijdsfase heeft behoefte aan andere verhalen 

Baby’s en dreumesen (kinderen tot ongeveer twee een half jaar) genieten van liedjes die voor hen gezongen worden, eenvoudige prentenboekjes, kietelspelletjes, kiekeboespelletjes, en het uitspelen van hele kleine, eenvoudige verhaaltjes zoals een eekhoorn die een nootje zoekt, vindt en opkrabbelt. Peuters genieten van bakersprookjes, herhaalverhaaltjes stapelversjes, nonsensversjes, rijmpjes en eenvoudige prenten- en voorleesboeken. Deze bouwen aan een rijke taalontwikkeling en bevorderen ondermeer het leren luisteren naar een verhaal. In deze fase vormt gewoontevorming bij het beleven van taal aan het uiteindelijk worden van een liefhebber van verhalen en andere literaire vormen.

Kleuters 

Alle volkssprookjes zijn geschikt om te vertellen aan een kind mits je er zelf de juiste beelden bij hebt en terughoudt in het (moreel) invullen van de beelden. Kinderen voelen de moeite die jij hebt met een beeld in een sprookje aan en worden dan zelf ook bang voor dit beeld. Jonge kinderen voelen de emoties en oordelen van een volwassene feilloos aan. 

Sprookjes zou je zo ‘moeten’ vertellen dat je als een bemiddelaar bent tussen de beeldenwereld en het kind. Dan kan het kind zelf de beelden invullen en kleuren. Voor het ontwikkelen van een eigen beeldenwereld is het van belang dat het kind zo min mogelijk opgezadeld wordt met door volwassenen uitgekauwde beelden die af zijn en weinig tot niets aan de eigen verbeelding over laten. We kunnen dan denken aan de Teletubbies, Pokemon ed. Deze beelden zijn er nu eenmaal, de vraag aan de opvoeder kan zijn: voed mij met echte vrije ware beelden.

Een kindergedicht 

Uit de DoeHoek van Rita Veenman

Vrouw Holle, zij die de wolken weeft,
Houdt van wat op de aarde leeft.
Haar appelboom hangt boordevol,
Zij bakt haar broden rond en bol.
Zij spint de wol tot draden sterk,
Dat alles is haar dagelijks werk.
Haar hondje aan haar rechter zij,
Kijkt naar haar op en kwispelt blij.
Ga je door de gouden poort,
Over de groene weide voort.
Door de heldere zonneschijn,
Dan wacht ze in haar huisje fijn.
En weet je wat ik ook nog zie?
Een mandje op vrouw Holles knie,
Zij schenkt iets uit de mand
Al in jouw open hand.
En wees gerust,
Ik weet dat je het lust.
Er is daar van alles te eten,
Je zal dat niet snel vergeten
Het schenkt krachten voor het leven
Dat heeft vrouw Holle te geven
En tot besluit;
Schud de bedden heel goed uit. 

Meer van Rita’s gedichten, verhaaltjes, spelversjes, vind je in haar boekje: ‘Ooievaar Kleppermaar

Frau Holda is, samen met Berchta en Frau Gaude, een
van de “Frauen” (vrouwenfiguren) die, volgens de
Oostenrijks-Duitse folklore, de wereld rondzwerven in
de dagen van Kerstmis tot Driekoningen (genaamd

“twaalf dagen van Kerstmis”, of in het Duits “Rauhnächte”, wat “ruwe nachten” betekent).

“Holda, de sneeuwkoningin”. Illustratie van de website in het Engels http://www.speakingofwitch.com.
Let op de  ganzen op de achtergrond, een heilig dier voor Holda.

Vrouw Holle 

Er was eens een weduwe, die twee dochters had. De één was mooi en ijverig, de andere lelijk en lui. Maar ze hield van de lelijke en luie, die haar eigen dochter was, veel meer, en de andere moest alle werk doen en Assepoes in huis zijn. Het arme meisje moest elke dag op straat zitten bij de waterput en ze moest zoveel  spinnen, dat het bloed haar uit de vingers sprong.
Nu gebeurde het eens, dat de spoel helemaal bloederig was. Toen bukte ze zich over de putrand en wilde de spoel even afwassen, maar de spoel sprong haar uit de hand en viel naar beneden. Ze begon te schreien, liep naar de stiefmoeder en vertelde van haar ongeluk. Maar die werd heel boos en was onbarmhartig en zei: “Als je de spoel erin hebt laten vallen, moet je maar zorgen dat hij eruit komt ook.”
Toen ging het meisje naar de waterput terug en wist niet wat ze beginnen moest, en in haar angst sprong ze de put in om de spoel te halen. Ze verloor het bewustzijn, maar toen ze weer wakker werd en weer tot zichzelf  kwam, lag ze in een prachtige weide; de zon scheen en er stonden duizenden bloemen. Ze stond op en liep de weide af. Daar kwam ze bij een oven vol met brood, en het brood riep: “Haal me eruit, haal me eruit, anders verbrand ik: ik ben al lang gaar!” Ze ging erheen en haalde platen vol brood eruit. Verder wandelde ze; ze  kwam bij een boom vol met appelen en de boom riep: “Schud me toch, schud me toch, want de appels zijn allemaal rijp!” Ze schudde de boom zodat de appels vielen alsof het regende, en ze schudde zolang, tot er geen een meer hing, ze legde al de afgevallen appels op een hoop, en toen wandelde ze weer verder. Eindelijk kwam ze bij een klein huisje. Een oude vrouw keek uit het venster, maar die had zulke grote tanden, dat ze er bang van werd, en ze wou weglopen.
Maar de oude vrouw riep haar na: “Waarom ben je bang, lieve kind? Blijf bij me. Als jij alle huiswerk wilt doen, zal het je goed gaan. Je moet alleen zorgen, dat je mijn bed goed schudt, zodat de veren vliegen, dan sneeuwt het in de wereld, ik ben vrouw Holle!” Toen de oude vrouw zo vriendelijk tegen haar sprak, vatte het meisje moed, stemde toe en kwam bij haar in dienst. Ze deed alles tot grote tevredenheid en schudde het bed steeds met zoveel geweld, dat de veren als sneeuwvlokken rondvlogen; maar ze had dan ook een goed leven bij haar, geen enkel boos woord en elke dag haar natje en haar droogje. Ze was al een poos bij vrouw Holle, toen  e triest werd en in het begin zelf niet wist wat er met haar was; eindelijk begreep ze dat het heimwee was; al had ze het hier duizendmaal plezieriger dan thuis, ze verlangde er toch naar terug.
Eindelijk zei ze tegen vrouw Holle: “Ik heb een vreselijk verlangen naar huis, en al gaat ’t me hier nog zo goed, ik kan niet langer blijven, ik moet naar mijn familie terug.” Vrouw Holle sprak: “Ik vind het lief van je, dat je weer naar huis verlangt, en omdat je me zo trouw gediend hebt, zal ik je zelf weer naar boven brengen.”
Ze nam haar bij de hand en bracht haar bij een grote poort. De poort werd geopend, en toen het meisje daar
onder stond, viel er een regen van goud neer, en al het goud bleef aan haar hangen, zodat ze helemaal met goud was overdekt. “Dat krijg je, omdat je zo ijverig bent geweest, “zei vrouw Holle en ze gaf haar ook de spoel terug, die in de put was gevallen.  

Daarop viel de poort dicht en het meisje was in de bovenwereld, niet ver van haar moeders huis en toen ze in de tuin kwam, zat de haan op de putrand en riep:
“Kukeleku,
Onze gouden jonkvrouw zien we nu.”
Toen ging ze naar binnen naar haar moeder en omdat ze met goud overdekt was, werd ze door haar en haar zuster vriendelijk begroet.
Het meisje vertelde alles wat ze ondervonden had, en toen de moeder hoorde, hoe ze tot grote rijkdom was gekomen, wilde ze haar eigen lelijke, luie dochter graag hetzelfde geluk gunnen.
Ze moest bij de waterput zitten en spinnen; en om de spoel bloederig te maken, prikte ze zich in haar vinger door met haar hand in de doornheg te stoten. Toen gooide ze de spoel in de put en sprong er zelf in. Ze  kwam, net als de ander, op de mooie weide en volgde hetzelfde pad.
Toen ze bij de oven kwam, riep het brood weer: “Haal me eruit, haal me eruit, anders verbrand ik, ik ben al lang gaar.”
Maar het luie meisje  antwoordde: “Denk je dat ik zin heb mijn handen vuil te maken,” en ze ging weg. Weldra kwam ze bij de appelboom, die riep: “Schud me toch, schud me toch, wij appels zijn allemaal al rijp!” Maar zij antwoordde: “Dat denk je maar, er zou best een appel op mijn hoofd kunnen vallen!” en daarmee ging ze verder.
Toen ze  bij het huisje van vrouw Holle kwam, was ze niet bang, want van die grote tanden had ze al gehoord, en ze verhuurde zich meteen. De eerste dag deed ze zichzelf geweld aan en was vlijtig en deed wat vrouw Holle  haar zei, want ze dacht aan al het goud dat ze ter beloning zou krijgen, maar de tweede dag begon ze al te luieren, en de derde nog meer: toen wou ze ’s morgens niet eens meer opstaan. Ze schudde het bed van  vrouw Holle ook niet, zoals het hoorde, en ze schudde zeker niet zo dat de veren vlogen. Dat verdroot vrouw  Holle al gauw en ze zei haar de dienst op. De luie was daar best mee tevreden en dacht, nu zal de gouden regen beginnen; vrouw Holle bracht haar bij de poort, maar toen zij daar onder stond, werd er in plaats van  goud een grote pan vol pek uitgestort. “Ter beloning van je diensten,” zei vrouw Holle en sloot de poort. Zo  kwam de luie meid thuis, helemaal vol pek, en de haan zat op de putrand en riep:
“Kukeleku,
Onze vieze jonkvrouw zien we nu!” 

Het pek bleef aan haar kleven en wilde er haar leven lang niet af!

Moeder Aarde – Vrouw Holle

door Alice Wouterse 

Na de kersttijd, in januari of februari, verschijnt op menige jaartafel Moeder
Aarde, met om haar heen wel of niet slapende wortelkindjes e.a.
Waarom laten
wij dit beeld op de jaartafel verschijnen? En waarom schenkt het ons in deze tijd ook zo’n bevrediging dit te doen?
Het is een beeld van hoop en verwachting: het leven zal weer terugkomen op de  aarde! De aarde zal weer vrucht dragen en ons voeden opdat wij kunnen leven.
Maar er is meer: Wij weten en voelen dat er in de aarde alweer krachten aan het  werk zijn die ervoor zorgen dat straks de bomen weer uitlopen, zaden weer
ontkiemen en de bloembollen weer gaan bloeien.
Moeder Aarde is met haar helpers (de elementenwezens) druk bezig de wortels  op te poetsen de zaadjes zo te omhullen dat ze gaan kiemen en de bolletjes en
knolletjes zo te stimuleren dat ze hun bloemenkleed voorbereiden.
De levenskrachten in de aarde worden weer wakker en de elementenwezens zijn aan het werk gegaan opdat de aarde weer kan gaan ademen. En als de aarde haar levenskrachtenstroom weer gaat uitademen dan sleept zij alles en iedereen mee.
De vogels gaan zingen, dieren ontwaken en de aarde tooit zich met een bloemenpracht. En de mens? De mens kan niet meer binnen zitten: de ramen gaan open, ieder zonnestraaltje wordt in verrukking opgevangen; de mens wil. naar buiten, erop uit trekken, de natuur en de wereld beleven. Het studeren en nadenken gaat meer moeite kosten.
Wij zijn zo deel van dit geheel, dat we ons nauwelijks bewust worden hoe sterk wij zelf verbonden zijn met deze uitademing van de aarde.
Deze levensstroom, die wij de scheppende kracht kunnen noemen, geeft aan alles vorm. Deze scheppende kracht, gevuld met materie noemen wij gewoonlijk aarde. De wijsheid die ten grondslag ligt aan deze scheppende kracht werd in de middeleeuwen Sofia (sterrenwijsheid) genoemd. In de voorchristelijke tijd  beleefde men deze wijsheid nog in de sterren waarvan de drie koningen (magiërs, wijzen, ingewijden) waarschijnlijk de laatste representanten waren.
In onze, noordelijke streken zijn van dit weten nog verflauwde beelden overgebleven, die zich onder andere uitkristalliseerden rond Vrouw Holle. Zij rijdt als rijzige witte gestalte in haar wagen (dit sterrenbeeld noemen we nu Grote Beer) en behoedt en helpt mens, dier en plant.
Volgens de verhalen woont ze onder de grond in een berg of heuvel en verschijnt ze in de gedaante van een oude vrouw. (zie o.a. Sprookjes van Vrouw Holle van Paetow)
Sofia en
aarde in één. Deze twee verschijningsvormen zou je samen Moeder Aarde kunnen noemen.
In de loop van de tijd zijn wij echter steeds intellectueler geworden. We zijn de verbinding met Sofia: de edele rijzige witte gestalte, de sterrenwijsheid, kwijtgeraakt, en voor ons bewustzijn is de aarde tot een stuk materie geworden. We voelen ons superieur en denken dat wij, nu we de wetmatigheden van de aarde in wetten en regels gevangen hebben de aarde in onze macht hebben.
Realiseren we ons wel werkelijk dat wij zelf afhankelijk zijn van de gezondheid van de aarde? Van het ecologische systeem? Als de bomen en de planten niet meer willen groeien dan betekent dat ook het einde van de mensheidsontwikkeling! Maar hoewel we dat allemaal wel weten gaan we door met het vervuilen van de aarde op de ons bekende manieren, zoals de auto, die niet alleen vervuilt, maar ons ook de mogelijkheid ontneemt ons met de afgelegde weg te verbinden.
Het zou voor de
kinderen van deze tijd heel heilzaam zijn lopend of fietsend naar school te gaan ook over langere afstanden; daarmee bewerkstellig je meer dan een goede gezondheid en conditie. Lopend of fietsend verbind je je met deze gang, je kent elke boom elke huis. Elke kuil, elk water, elk uitzicht.  Je neemt elke weers- en seizoen veranderingen in je op. Je ziet de planten groeien bloeien, vrucht dragen en verwelken. Doordat je elke dag in je eigen ritme deze weg aflegt verbind je je op natuurlijke wijze met je eigen lichaam. Door deze ervaringen krijg je de kans op je eigen manier wortels te vormen in (met) de aarde.  Hierdoor kan een mens innerlijke harmonie en rust in zichzelf ontwikkelen. Daar kan geen jaartafel tegenop! Het gaat erom dat we een eigen innerlijke belevingswereld opbouwen door iedere dag dezelfde weg af te leggen, met alle vreugde en moeite (regen, windkou) die erbij hoort; en natuurlijk niet te vergeten de thuiskomst! 

De Nornen en de drie Jonkvrouwen 

Wanneer de mens door zijn beleving zich innerlijk met het levende wezen van de aarde  kan verbinden dan is hij ook in staat op zoek te gaan naar Sofia. Doordat zijn wortels in de aarde staan kan hij ook de weg naar zijn bron vinden. Zijn Ik-boom kan uit deze bron drinken. De Edda geeft hier een prachtig beeld voor: de Yggdrasil. 

In de Noordse mythologie wordt de Yggdrasil (Ik-drager. Ik-boom) voor-gesteld door de boom Es. Een van zijn drie wortels gaat naar de bron van de drie Nornen (Urdr bron). Zij  verzorgen deze wortel door hem steeds met water uit de heilige bron te besprenkelen  zodat deze niet verdroogt. Het is ook de plek waar de goden (Asen) vergaderen. Zij  rijden over de regenboog naar deze plek om onderling en met de Nornen te overleggen hoe ze de mens verder moeten leiden.
De Nornen of schikgodinnen zijn ook een aspect van Moeder Aarde. Zij werken in de mens volgens strenge wetten. Urd (oer-verleden) geeft bij iedere geboorte de mens zijn levensdraad met al zijn ontwikkelingsmogelijkheden. Werdandi (het wordende heden) knoopt levensdraden aan, bijvoorbeeld bij een huwelijk; Skuld (schuld – d.w.z. de som van wat je goed en fout deed en wat je karma in je volgende leven bepaalt – Toekomst) knipt de levensdraad weer door bij het sterven. Deze Nornen hebben in de loop der tijd vele namen gekregen. In het sprookje van Vrouw Holle (Grimm) zijn ze tot één samen gesmolten. In de  christelijke kerk vind je ze terug onder de namen: Ambet, Wilbet en Borbet.

De Jonkvrouw die baren zal 

Het beeld van de vrouw(en) bij een heilige bron die vaak aan de voet van een heilige boom ligt, vind je overal in de wereld terug. Tot op de dag van vandaag worden er op Bali diensten opgedragen aan de godin van de vruchtbaarheid bij een heilige bron onder de heilige Waringinboom. Vele oude christelijke kerken zijn gebouwd op zulke heilige plaatsen. Als voorbeeld noem ik hier de kathedraal van Chartres die op een heilige bron is gebouwd. Op deze zelfde plek werd in voorchristelijke tijd de Virgo Paritura (de jonkvouw die baren zal) vereerd. Het beeld van de jonkvrouw die baren zal of de jonkvrouw met kind vinden wij ook terug in andere voorchristelijke mysteriën.. bv. Isis met het Horus kind; of in de Eleusische mysteriën de vrouw met het Jakchos kind.
Zijn dit beelden van een
voorschouw van en een voorbereiding voor dat wat toen nog op aarde moest plaatsvinden: de incarnatie van Christus op aarde?
En is het tevens een beeld, een “voor – beeld” dat ons duidelijk maakt dat wij in onze ziel vruchtbaar moeten worden zodat wij ons eigen lichtkind (geesteskind) zullen baren?
Het beeld van Moeder Aarde als brengster van vruchtbaarheid in mens, dier en plant dus als vruchtbaarheidsgodin is vaak vermengd met het aspect van  Moeder Aarde als leidster van onze ziel (meer in de richting van Sofia). Ook in de christelijke kerk vind je dit terug. Er worden processies en gebedsdiensten gehouden voor het gewas waar bij de gebeden gericht worden tot Onze Lieve Vrouwe tot Maria.
Men vindt in de kerken zwarte Madonna’s met een kind op de arm en blanke Madonna’s. Als sterren der zee  (bv. in Maastricht neigen ze meer naar de leidster van onze ziel, de ster die onze ziel zou moeten volgen. Ook  in deze kapel knielt menigeen neer om een kind te mogen ontvangen of om een kind te behouden. Hoeveel zullen hier neerknielen in het besef, dat Maria ons, als voorbeeld, wil oproepen zo vruchtbaar te worden in onze ziel, dat het licht daarin geboren kan worden?
Wat heeft dit lichtkind te maken met Moeder Aarde? Het wordt beschreven in de voordrachtencyclus ‘Mysteriëngestaltungen'(GA 232) [vertaald] van R. Steiner. Hierin wijst hij er o.a. op, dat in vele Mysteriën bij een bepaalde trap van inwijding erop gewezen werd dat er twee wegen tot inwijding zijn. In onze hedendaagse taal zouden wij dat noemen: één weg via de geest en de andere via de innerlijke beleving. Maar dat het in wezen gaat om het derde principe, namelijk de juiste verbinding tussen die twee. Op een prachtige wijze beschrijft hij hoe de inwijding in de mysteriën van Artemis (Moeder Aarde) zo’n 10 tot 8 eeuwen
voor Christus o.a. moest leren beleven wat het uitspreken van een woord in hemzelf bewerkstelligt. Een deel  van het woord stijgt op naar de gedachte, een ander deel druppelt neer naar het gevoel. De door de mond in trilling gebrachte lucht verdunt zich tot vuur, dat opstijgt naar de gedachte; anderzijds verdunt hij zich tot water dat naar beneden druppelt in het gevoel.
Dit principe wil ik met een huis-tuin- en-keukenvoorbeeld verduidelijken. Wanneer je koud water met vuur verhit, ontstaat waterdamp: ‘water’ + ‘vuur’ = lucht’, de omgekeerde volgorde dus. Maar deze damp is weer te splitsen in water en warmte, wat overeenkomt met het door Steiner beschreven proces. Zoals het woord zich als het ware in ons innerlijk splitst in de gedachte en het gevoel, zo ontstaat het  uitgesproken woord ook weer uit de samenvoeging van deze twee. De hoofdtempel van Artemis stond in Efese, tevens de stad waar de evangelist Johannes woonde. R. Steiner wijst erop dat het geen toeval is, dat Johannesevangelie begint met de woorden:

In den beginne was het woord en het woord was bij God en het woord was God. Alle dingen zijn door het  woord geworden en zander dit is geen ding geworden dat geworden is. In het woord was leven en het leven  was het licht der mensen; en het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet begrepen.(Joh.1:1- 5) 

Volgens het Johannes evangelie is alles geschapen uit het Woord (of Logos). Het levende, scheppende Woord is de eenheid waar alles uit ontstaan is en uit ontstaat. Wanneer wij nu kijken naar het hierboven beschreven proces, zoals dat in de mysteriën van Artemis beleefd kon worden, dan splitst het woord zich in iets dunner en iets dichters. Ontstond er uit het scheppende Wereldwoord ook iets lichters en iets dat zwaarder was?

Sofia en Moeder Aarde 

Hier wil ik Sofia en Aarde noemen, die in wezen één zijn. De wereld werd geschapen zodat de mens een omgeving zou hebben waarin hij zich zou kunnen ontwikkelen tot een vrij mens. De mens zelf werd ook gesplitst in een man en een vrouw, zodat beiden levenskrachten zouden hebben om een bewustzijn te ontwikkelen en zo tot vrije wezens te worden die de liefde zouden kunnen vervolmaken. De mens zou op eigen kracht het levende scheppende Wereldwoord moeten terugvinden. De mens ging op weg en verstrikte zich in de tegenstandersmachten Lucifer en Ahriman en was niet meer in staat om de Sofia en de Aarde zo in harmonie samen te voegen, dat hij daardoor het Wereldwoord zou kunnen vinden. Hij wist de weg niet meer en het ontbrak hem ook aan kracht.
Daarom daalde het Woord, de Logos, zelf af en incarneerde in een mensenlichaam. Hij doorwerkte al de wezensdelen van de mens, zodat hij de mens die kracht kon geven die hij nodig had om innerlijk en zelfstandig het  leven scheppende Woord terug te vinden. Deze Christuskracht leeft in ieder mens maar wij zijn vrij deze kracht al of niet te gebruiken. In onze tijd ervaren wij de aarde als een brok materie-waarvan wij de wetmatigheden ijverig opsporen. Maar wij missen het begrip voor de wijsheid, de Sofia, die aan alles ten grondslag ligt. 

De kleine Prins 

Dit doet denken aan de woorden die de Kleine Prins van de vos leert: ‘Alleen met je hart kan je goed zien, het wezenlijke is voor de ogen onzichtbaar.” Juist het wezenlijke zien we niet. En daar ligt ook de sleutel. Wanneer wij het onzichtbare achter de dingen willen begrijpen moeten we ons hart gebruiken want daarmee kunnen wij goed zien.
De aarde om ons heen bevat alle wijsheid, wij moeten die alleen onttoveren.
Wij moeten onze ziel zo scholen dat wij via datgene dat aards is: stenen, planten, dieren en mensen de Sofia vinden en dat lukt ons alleen geholpen door de Christuskracht in ieder mens door ons voelen (beleven) en ons denken in ons hart in harmonie te laten komen. Dan kan in ons hart het levende Woord ontstaan, dan wordt in ons hart het lichtkind geboren. Om tot zuiver beleven te kunnen komen is het van belang dat wij kunnen afdalen naar onze bron. De bron die we kunnen vinden doordat we ons met de aarde verbinden. Door haar echt innerlijk te leren beleven.
Niet een beleving die ons wordt opgelegd of voorgespiegeld maar een eigen
innerlijke beleving.
Laten wij onze kinderen zo opvoeden dat zij de weg naar hun bron kunnen vinden. Want wie de weg naar zijn schikgodinnen kent kan ook een verhouding vinden tot zijn lot en draagt de mogelijkheid in zichzelf Sofia te vinden.

Van de site: Levende Sprookjes

Een kort sprookje uit: ‘Sprookjes van Vrouw Holle‘ van Paetow 

Vrouw Holle schudt de dekbedden uit

Midden in hel bergachtige hart van Duitsland had Vrouw Holle een duiventil, hoog op een helling en met openingen naar alle vier de windstreken, waardoor de duifjes af en aan konden vliegen. Hier fokte Vrouw Holle haar sierlijke, sneeuwwitte duifjes, die zij voor allerlei doeleinden nodig had.
Wanneer de herfstwind de bladeren van de bomen rukte, kwamen de duifjes ook in de rui. Dan verzamelde Vrouw Holle de losse veertjes om ze in haar dekbedden en kussens te stoppen. Maar eerst schudde ze de veertjes van het vorige jaar. die ze niet meer nodig had. over het hele landschap uit. Door de wind mccgcvocrd wervelden die dan vrolijk in het rond, bleven aan de berghellingen kleven, kwamen los en zacht op de bomen van het woud terecht, breidden zich uit over de velden en bedekten ten slotte het hele land met een zachte wollige vacht.
Dan klapten de kinderen in het land van de mensen in hun handen en riepen: ‘Ha. het sneeuwt! Vrouw Holle schudt de dekbedden uit. Nu zal het spoedig Kerstmis zijn!’

Uit ‘Godinnen ven eigen bodem‘  

Ik ben Holle, godin van geboorte en de onderwereld, beschermvrouwe van het spinnen en het weven
In de winter schud ik de sneeuw uit de bomen
om het zaad in de grond te beschermen.
Een ieder die ijverig is, beloon ik met goud,
maar wie lui is, overgiet ik met pek.
Ik leer je de wetten van dood en wedergeboorte
en de diepste geheimen van magie.

Overeenkomsten van Lucia met Holle en Perchta 

De heilige Lucia vertoont nog duidelijk trekken van de heidense godinnen Holle en Perchta. Lucia is net als Holle beschermster van huis en hof. Zij hoort net als Holle en Perchta bij het midwinterfeest of de winterzonnewende, dat tegenwoordig 21 december wordt gevierd vanwege de terugkeer van de zon en het lengen van de dagen, maar vroeger in de tijd van de Juliaanse kalender op 13 december viel. Wij kennen in ons land ook het gezegde “Sinte Lucije laat de dagen dijen’’ (langer worden). 

De betekenis van de namen Lucia en Perchta vertonen een overeenkomst: Lucia betekent licht en Perchta betekent de glanzende, de stralende.
Perchta en Holle worden wel aangeduid als aanvoersters van de wilde jacht, ook wel wilde heir, hemelse bende of de tijd van de 12 nachten genoemd. Ze razen in de periode van 26 december tot en met 6 januari door de lucht en voeren een leger van overleden voorouders aan die de levenden moeten helpen om de chaos en de kwade geesten van de winter te bezweren. 

De wilde jacht is ook waar te nemen als natuurverschijnsel in de aanstormende  wolken die afsteken tegen de koude heldere lucht van december. Deze jagende vormen boezemden de mensen angst in.
Er is niet veel fantasie voor nodig om er een wilde jacht in te zien.
Dit komt overeen met de nacht van Sint Lucia waarvan            De wilde jacht door Peter Nicolai Arbo 1872Heidense gebruiken die door
Sint Lucia zijn overgenomen
in sommige streken nog wordt geloofd dat in de Lucia nacht ieder mens in gevaar is, vooral als het die avond stormt.
Ook gebruiken rond Holle en Perchta zijn door Lucia overgenomen. Een oud midwintergebruik was het stilzetten van alles wat bewegen en draaien kon vanaf midwinter. In de streken waar Holle of Perchta werden vereerd moest in de tijd van de 12 nachten alles stilstaan en mocht er niet gesponnen worden. Als je je daar niet aan hield kon Holle of Perchta voor straf je buik opensnijden en met stenen vullen, in sommige streken deden dezelfde verhalen over Lucia als kinderschrik de ronde. Op de plaatsen waar Lucia werd gevierd mocht van midwinter tot kerst ook niet gesponnen worden.
De optochten van de Lucia bruid en haar gevolg doen denken aan de heidense midwinterommegangen: luidruchtige, nachtelijke optochten van gemaskerde jonge mannen, die de overleden voorouders moesten voorstellen, met als doel mensen straffen die zich niet aan de maatschappelijke orde hielden. Net als bij het Ouwe Sunderklaas dat nog steeds op Texel wordt gevierd in de nacht van 12 op 13 december, waarbij de Texelaars zich onherkenbaar verkleden en gemaskerd langs de huizen gaan om met een verdraaide stem en borden met teksten erop bekenden in de maling te nemen. Later op de avond wordt bekend gemaakt wie er achter de maskers zaten en viert men feest. Bewoners worden naar hun huizen gejaagd door duivelse figuren in jute pakken met bezems om demonen te verjagen. Dit feest heeft meer met de midwinterviering van Perchta en Lucia te maken dan met ons Sinterklaasfeest.
In het noorden van Italië lijkt de viering van Sint Lucia wel op ons Sinterklaasfeest. Zij brengt kinderen in de nacht van 12 op 13 december cadeautjes, die zij verstopt in de huizen.
Lucia rijdt niet op een paard maar komt langs met haar ezel. Kinderen schrijven ook haar een verlanglijstje en laten hooi achter voor de ezel voor ze naar bed gaan. Voor Lucia leggen ze een sinaasappel neer of zetten rode wijn en koekjes klaar. Ouders waarschuwen de kinderen dat als ze die avond niet vroeg naar bed gaan Lucia as in hun ogen komt strooien, waardoor ze blind kunnen worden. De volgende ochtend mogen ze hun cadeaus gaan zoeken. 

Ook in Zweden, Noorwegen, Denemarken, Finland en IJsland wordt op 13 december nog altijd het Luciafeest gevierd, hoewel de katholieken daar niet talrijk zijn. Hier heeft het feest van Lucia weer meer de trekken van de voorchristelijke midwinterviering dat in het teken staat van het terugkerende licht. Er worden optochten met  fakkels en kaarsen gehouden. De naam Lucia betekent ook licht, het is afgeleid van het Latijnse woord lux. Meisjes verkleden zich als Lucia in een lange, witte jurk en een groene krans op hun hoofd met brandende kaarsen er in. In processie, gevolgd door een schare zingende kinderen, delen zij aan de boeren versgebakken saffraanbroodjes uit die Lussikatter worden genoemd, een soort duivelskaters die nog zijn terug te voeren op de Germaanse offerbroden. 

De rode draad  

Heidense godinnen en hun gebruiken blijven als een rode draad door onze geschiedenis lopen. Wat mij intrigeert aan Lucia is dan ook die rode draad. Die is niet terug te voeren op de mythe van Ariadne, waarin een rode draad de Atheense held Theseus uit het labyrint van de Minotaurus leidt. Ook brengt de Lucia-draad geen mensen samen zoals in het oude China werd geloofd: dat een onzichtbare rode draad, die nooit kon breken, mensen verbindt die voorbestemd zijn elkaar te ontmoeten, ongeacht tijd, plaats of omstandigheden waarin ze zich bevinden.
Het Luciadraadje leidt niet en verbindt niet, maar heeft een beschermende werking. Het zou een gunstig effect hebben op de ogen en bescherming bieden bij menstruatieproblemen en bloedingen. Laten diezelfde eigenschappen nu ook aan rode saffraandraadjes worden toegeschreven! Is het toeval dat de genezende  eigenschappen van saffraan overeenkomen met dezelfde kwaliteiten als de rode draad van Lucia? Zou die soms terug te voeren zijn op de rode saffraandraden die ook bij de heidense midwintervieringen in de gevlochten broodjes werden verwerkt? Zeker weten zullen we het wel nooit. Het doet mij in ieder geval goed  dat de oude godinnen en hun gebruiken, dankzij hun heilige opvolgsters, niet vergeten worden. 

Ineke Bergman 

uit: “Godinnen van eigen bodem”. 

.

[1] Voorhoeve baseert zich hierbij waarschijnlijk op Steiner die de leeftijdsfase 0 -7 meegeeft: de wereld is (moreel) goed; die van 7 – 14: de wereld is mooi; en die van 14 -21: de wereld is waar.
GA 293/151
Vertaald/139

Sprookjes – alle artikelen
Met een aantal artikelen over Vrouw Holle, m.n [2-4/19] Vrouw Holle 
met een antroposofische benadering van de beelden.

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2940-2758

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sprookjes – Er was eens……(9-2)

.

Pieter HA Witvliet

.

ER WAS EENS, MAAR HOE LANG NOG……?
.

In het Eindhovens Dagblad van 29 oktober 2022 staat een recensie van een ‘nieuw kinderboek’ van de Vlaamse Elisabeth Lucie Baeten. 

Boven het artikel prijkt de subkop:

Boek frist Doornroosje en andere sprookjesfiguren op

Wanneer je je verdiept in de sprookjesbeelden en je neemt daarbij de achtergrondmededelingen van Rudolf Steiner voor waar en de verdere uitwerkingen daarvan met zelf gevonden gezichtspunten die door antroposofische inhouden werden ontwikkeld, dan heb je niet de ‘opfrissing’ nodig die de schrijfster hier voorstaat.

En de hoofdkop luidt:

ER WAS EENS……EEN PRINSES DIE HET HEFT IN EIGEN HANDEN NAM

Mevrouw Baeten wil de sprookjes niet vervangen, want ze vindt deze ‘mooie, romantische’ verhalen.

Maar als mens van deze tijd ziet ze datde verhoudingen tussen de personages wel altijd hetzelfde zijn.’

Dat heeft ze m.i. goed gezien. 
Maar vanuit de achtergronden die ik hierboven noemde, is dat ook volkomen logisch. En meer dan dat: dit ‘hetzelfde’ maakt nu juist de kern uit van wat bijv. ‘de prinses’ is in de  b e e l d e n t a a l.

En de combinatie ‘mens van deze tijd’ en geen notie van de ‘beeldentaal van het sprookje’ maakt dat zij ook de personages meer ‘van deze tijd’ wil maken.
En dus:

heeft Belle in haar boek twee vaders,
is de Kleine Zeemeermin zwart,
en belangrijker: nemen de vrouwelijke sprookjesfiguren het heft in eigen hand.

M.a.w.: het sprookjesbeeld wordt ‘aangepast’ en daarmee is het geen sprookjesbeeld meer.
En daarmee houdt dus eigenlijk ook het sprookje als beeldverhaal op te bestaan.
Het wordt een gewoon verhaal dat je op -tig manieren kan variëren.

Op de achterflap vinden we:

‘Ariël wil geen ballet, maar liever waterpolo doen.
Doornroosje is veel te moe voor een ongevraagde zoen.
Wist je dat Rapunzel haar lange haren soms best haat?
En het Beest van Belle is misschien wel om een goede reden kwaad.’

‘Doornroosje is veel te moe voor een ongevraagde zoen.’
Verdiep je je in de betekenis van Doornroosje, dan is het moeilijk de opvatting van de schrijfster niet triviaal te noemen.

‘De eerste verhalen die een kind in haar of zijn leven hoort, gaan over meisjes die dienstbaar zijn en jongens die heldhaftig zijn. Sneeuwwitje, Doornroosje, Assepoester – ze leven uiteindelijk lang en gelukkig, alleen moeten ze daarvoor wel worden gered door een prins’.

Voor mevrouw Baeten is o.a. Sneeuwwitje ‘ondergeschikt’ aan de prins en dat

Terwijl meisjes ook helden kunnen zijn. Tieners, pubers en jongvolwassenen die lezen of films kijken weten dat inmiddels wel. Kijk naar Katniss Everdeen in De Hongerspelen, Lara Croft in Tomb Raider of superhelden als Black Widow en Wonder Woman. Ook hoofdrolspelers van kleur zijn, na decennia van bijrollen, normaler geworden. In The Black Panther (2018) is de hele cast zwart. In The Woman King zijn vrijwel alle personages zwart én vrouw. De 19-jarige om wie de film draait is ook nog koppig, weigert uitgehuwelijkt te worden, en vecht voor wat ze waard is. Tijdens een vertoning in de grote zaal van Pathé Den Haag zaten niet alleen relatief veel niet-witte meisjes in de zaal, het leek alsof ze na afloop ook nog eens met extra rechte rug naar buiten liepen.’

Dat ben ik helemaal met haar eens. 
Maar de vrouwelijke figuren in de sprookjes zijn geen ‘meisjes’.
Zij verbeelden andere kwaliteiten!

Mevrouw Baeten leest thuis ook alle klassieke sprookjes nog voor.
Maar, zegt zij, mag er iets naast?

Natuurlijk mag er iets naast!
Er is een schat aan prachtige verhalen waarin van alles aan bod komt.

Dat hoef je niet gekunsteld in ‘cultureel erfgoed’ te stoppen dat ook nog eens van een totaal andere beeldkwaliteit is.

Schrijf iets ‘anders’, mevrouw Baeten, en maak van uw werk geen beeldenstorm!

.

Het gebeurde al eerder:

Er was eens, maar hoe lang nog…

Sprookjes: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: sprookjes klas 1

.

2937-2755

.

.

.

   

VRIJESCHOOL – Vertelstof-sprookje (8-3/6)

.

Russisch sprookje
.

Verteltijd ca. 7 min..

Paard, tafellaken en hoorn
.

Er leefde eens een oude vrouw die een erg domme zoon had.
Deze vond op zekere dag drie erwten, liep naar het dorp en stopte ze daar in de grond.
Toen de erwten waren opgeschoten, ging hij ze bewaken; en toen hij er weer eens een keer kwam kijken, zag hij dat er een kraanvogel in zat te pikken. De domoor sloop op hem af, pakte hem beet en zei: ‘Ik sla je dood!’
Maar de kraanvogel riep: ‘Nee, sla me niet, dan zal ik je iets ten geschenke geven.’ ‘Ga je gang,’ zei de domoor; en de kraanvogel gaf hem een paard, met de woorden: ‘Als je soms geld nodig hebt, zeg dan tegen dit paard: “Sta stil!” Maar als je genoeg gekregen hebt, moet je zeggen: “Vooruit!” ’
Toen nam de domoor het paard en wilde het bestijgen; hij riep: ‘Sta stil!’ en het paard loste zich op in zilverstukken. De domoor moest hierover hard lachen. Hij zei: ‘Vooruit!’ en het zilver werd weer een paard. Toen nam de domoor afscheid van de kraanvogel en leidde het paard naar huis.
Op het erf gekomen, bracht hij het rechtstreeks naar zijn moeder, en gaf haar daarbij op strenge toon het bevel: ‘Moedertje, zeg niet: “sta stil!” Maar zeg alleen: “Vooruit!”’
En hij ging terug naar de erwten.
Zijn moeder verkeerde lange tijd in twijfel. Waarom heeft hij die woorden tegen me gezegd? Ik zal maar eens sta stil! zeggen. En dat deed ze. Het paard loste zich op in zilverstukken. De ogen van de oude vrouw begonnen te schitteren; haastig raapte ze het geld bijeen in haar mand, en toen ze genoeg had, zei ze: ‘Vooruit!’

Intussen vond de domoor de kraanvogel weer in de erwten; hij pakte hem en bedreigde hem met de dood. Maar de kraanvogel riep: ‘Sla me niet! Ik zal je iets ten geschenke geven.’ En hij gaf hem een tafellaken, met de woorden: ‘Als je honger hebt, zeg dan: “Spreid je uit!” en als je klaar bent met eten, moet je zeggen: “Vouw je op!’” De domoor nam er terstond de proef mee en zei: ‘Spreid je uit!’ Het tafellaken spreidde zich uit. Hij at en dronk en zei: ‘Vouw je op!’ en het tafellaken deed het.
Toen nam hij het mee naar huis. ‘Kijk eens, moedertje,’ zei hij. ‘En zeg niet tegen dit tafellaken: “Spreid je uit!” maar zeg: “Vouw je op!”’
De domoor ging weer naar zijn erwten en de moeder deed met het tafellaken
hetzelfde als met het paard. Ze zei: ‘Spreid je uit!’ en genoot van de spijzen en dranken die er op verschenen. Daarna zei ze: ‘Vouw je op!’ en het tafellaken vouwde zich vanzelf op.

De domoor betrapte de kraanvogel opnieuw in de erwten, en ditmaal gaf deze hem een hoorn ten geschenke. Toen hij wegvloog, riep hij vanuit de lucht: ‘Domoor, zeg: “Uit de hoorn!”’ Tot zijn ongeluk zei de domoor hem deze woorden na, en plotseling sprongen er uit de hoorn twee sterke mannen met knuppels te voorschijn. Ze ranselden de domoor af en gingen daarmee door tot de arme jongen er bij neerviel. Toen riep de kraanvogel vanuit de lucht: ‘In de hoorn!’ en de mannen hielden op met slaan en kropen er weer in terug.

Weer kwam de domoor bij zijn moeder en zei: ‘Moedertje, zeg niet: “Uit de hoorn!” maar zeg: “In de hoorn!”’
Toen de domoor naar de buren was gegaan, deed de moeder eerst de deur op slot en zei: ‘Uit de hoorn!’ Terstond sprongen de mannen met knuppels te voorschijn en begonnen de oude vrouw af te ranselen. Zij schreeuwde moord en brand. De domoor hoorde haar schreeuwen en kwam toelopen; hij probeerde de deur open te doen, maar ze was op slot. Toen schreeuwde hij hard: ‘In de hoorn! In de hoorn!’ En de oude vrouw, wat bij gekomen van de slagen, maakte de deur voor hem open. Hij kwam binnen en zei: ‘Zie je wel, moedertje, ik had je toch geraden dat niet te zeggen.’

Nu wilde de domoor een feestmaal geven en nodigde daar voorname heren en bojaren voor uit. Zodra ze hadden plaatsgenomen, leidde de domoor het paard het huisje binnen en zei: ‘Sta stil! braaf paard.’ Het paard loste zich op in zilvergeld. De gasten waren verbaasd en begonnen het geld bijeen te grabbelen en in hun zakken te stoppen. Toen zei de domoor: ‘Vooruit!’ en het paard was er weer; het had alleen geen staart meer.
Daar hij zag dat het tijd was zijn gasten iets voor te zetten, haalde de domoor het tafellaken te voorschijn en zei: ‘Spreid je uit!’ Terstond spreidde het tafellaken zich uit, en er stonden vele soorten spijzen en dranken op in een grote hoeveelheid. De gasten aten, dronken en maakten plezier. Toen allen genoeg hadden, zei de domoor: ‘Vouw je op!’ en het tafellaken vouwde zich vanzelf op. De gasten begonnen nu te gapen en zeiden gekscherend: ‘Laat ons nog het een of ander zien, domoor.’ ‘Graag,’ zei de domoor, ‘voor u is me geen moeite te veel.’ En hij bracht de hoorn. De gasten schreeuwden terstond: ‘Uit de hoorn!’ en opeens kwamen er twee mannen met knuppels te voorschijn. Ze ranselden uit alle macht op de gasten in, zodat deze gedwongen waren het gestolen geld terug te geven en ervandoor gingen.

Maar de domoor leefde verder gelukkig met zijn moeder, zijn paard, zijn tafellaken en zijn hoorn, en won er vele bezittingen bij.

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2934-2752

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof-sprookje (8-3/5)

.

Russisch sprookje

.
Verteltijd ca. 20 min.

Marko de Rijke en Wassili Zonder-Geluk
.

In een zeker land leefde eens een zeer rijke koopman. Hij had een dochter, Anastasia de schone, die vijf jaar oud was. De koopman heette Marko, met de bijnaam de Rijke. Bedelaars kon hij niet uitstaan; als ze zijn raam naderden, gaf hij terstond aan zijn knechten bevel hen weg te jagen en de honden tegen hen op te hitsen.

Eens kwamen er twee oude mannen met wit haar bij zijn raam. Marko zag hen en gaf bevel de honden op hen los te laten. Anastasia de schone hoorde dit en smeekte: ‘Mijn eigen vadertje, laat ik hen tenminste in de knechtenkamer bij de stal mogen laten.’ Haar vader vond het goed en gaf bevel de armen binnen te laten in het knechtenverblijf van de stal.

Toen allen in huis sliepen, stond Anastasia op en ging naar de stal; ze klom naar de zolder en keek naar de bedelaars. Tegen de tijd van de vroegmis begon de kaars bij de iconen vanzelf te branden; de oude mannen stonden op, haalden uit hun zakken misgewaden te voorschijn, trokken deze aan en lazen de vroegmis. Toen kwam er een engel van God aangevlogen : ‘Heren! In dat en dat dorp bij die en die boer is een zoon geboren. Welke naam beveelt u hem te geven, en welk lot moet hem worden beschoren?’ De ene grijsaard zei: ‘Ik geef hem de naam Wassili en de bijnaam Zonder-Geluk, en ik verleen hem de rijkdommen van Marko de Rijke, bij wie wij overnachten.’

Anastasia had alles gehoord. Het werd dag. De oude mannen legden hun gewaden af voor ze hun reis hervatten en verlieten het huis. Anastasia ging naar haar vader en vertelde hem alles wat ze in de stal had gezien en gehoord. Haar vader vreesde dat de voorspelling zou kunnen uitkomen en wilde weten of er werkelijk een jongetje was geboren in het dorp; hij beval de paarden in te spannen en reed erheen.
Daar gekomen, begaf hij zich rechtstreeks naar de pope en vroeg: ‘Is er op die en die dag bij u een jongen geboren?’ ‘Inderdaad,’ zei de priester, ‘bij de allerarmste boer. Ik gaf hem de naam Wassili en de bijnaam Zonder-Geluk, maar ik heb hem nog niet gedoopt, omdat niemand peter wilde worden van het arme kind.’
Marko bood aan de peter te zijn, vroeg de vrouw van de pope meter te worden en beval een rijk feestmaal aan te richten. Het kind werd gebracht en gedoopt, en daarna werd er geschranst naar hartenlust.

De volgende dag riep Marko de Rijke de arme boer bij zich, deed vriendelijk tegen hem en zei: ‘Vriend, je bent een arm man en je zult je zoon geen opvoeding kunnen geven. Sta hem af aan mij, ik zal hem helpen zelfstandig te worden; en aan jou geef ik dan duizend roebel om van te leven.’
Na lang beraad stemde de vader toe. Marko gaf hem het geld, nam het kind, wikkelde het in een mantel van vossenbont, legde het in de koets en reed weg. Toen ze enige wersten hadden afgelegd, liet Marko de Rijke de koetsier stoppen en gaf zijn petekind aan de rentmeester met het bevel: ‘Pak het bij zijn benen en gooi het in de greppel naast de weg.’ De rentmeester greep het kind en gooide het in de diepe greppel. En Marko riep het na: ‘Beschik daar nu maar over wat mij toebehoort.’

Drie dagen later reden er kooplui langs dezelfde weg die Marko had gevolgd; zij wilden aan Marko de Rijke een schuld van twaalfduizend roebel gaan terugbetalen. Toen de kooplui langs de greppel kwamen, hoorden ze daar een kind huilen. Ze stopten, luisterden en stuurden er toen een rentmeester op af om te kijken wat daar aan de hand was. De rentmeester daalde in de greppel af en zag een groene weide waarop een kind met bloemen zat te spelen. Hij vertelde dit aan zijn heer, deze stapte zelf uit, nam het kind op, wikkelde het in een bontmantel, ging weer in het rijtuig zitten en reed verder.
Zo kwamen ze bij Marko de Rijke. Deze vroeg hun waar ze dat kind vandaan hadden. De kooplui vertelden het en Marko begreep terstond dat het zijn petekind, Wassili Zonder-Geluk was. Hij nam het op zijn arm, hield het even vast en gaf het toen aan zijn dochter: ‘Hier, dochtertje, pas jij er maar op.’
Intussen zette hij zijn gasten, de kooplui, allerhande spijzen voor en vroeg of ze hem het jongetje wilden afstaan. Zij voelden daar eerst niet voor, maar toen Marko zei: ‘Ik scheld jullie dan de gehele schuld kwijt,’ gaven ze hem het kind en vertrokken.
Anastasia was zo blij met het kind, dat ze terstond voor een wieg zorgde en daar gordijnen om hing; ze was er voortdurend voor in de weer en bleef er dag en nacht bij. Zo verliep een dag en een tweede; maar op de derde dag kwam Marko zeer laat naar huis toen Anastasia al sliep. Hij pakte het kind, zette het in een vaatje, besmeerde dat met teer en wierp het van de kade in het water. Het vaatje dobberde een hele poos en kwam ten slotte aandrijven bij een klooster.

Juist ging een monnik water halen; hij hoorde een kind huilen, tuurde in die richting en ontdekte het tonnetje; terstond voer hij er in een bootje heen, kreeg het vaatje te pakken, sloeg het kapot en vond – een kind! Hij nam het mee en bracht het naar de abt van het klooster. De abt noemde de jongen Wassili met de bijnaam Zonder-Geluk; van die dag af bleef Wassili zestien jaar in het klooster en leerde er lezen en schrijven. De abt hield van hem en stelde hem aan als koster.

Toen gebeurde het dat Marko de Rijke voor een heel jaar naar een ander land moest reizen om daar schulden te innen. Onderweg bezocht hij hetzelfde klooster. Hij werd er ontvangen zoals dat voor een rijk man betaamde. De abt beval de koster naar de kerk te gaan; deze gehoorzaamde, stak er de kaarsen aan, zong en las. Marko de Rijke vroeg de abt: ‘Is hij al lang hier bij u in het klooster?’ De abt vertelde alles: hoe hij uit een tonnetje was gehaald en hoeveel jaar dat geleden was. Marko rekende het na en begreep dat het zijn petekind moest zijn. Hij zei tegen de abt: ‘Had ik maar een flinke man in dienst, zo een als uw koster, dan zou ik hem tot eerste rentmeester maken en mijn gehele geldbezit aan hem toevertrouwen. Zou u hem niet aan mij kunnen afstaan?’ De abt bleef lange tijd weigeren, maar toen Marko hem vijfentwintigduizend roebel voor zijn klooster beloofde, ging hij met de andere monniken te rade. Ze dachten erover na en stemden er in toe Wassili Zonder-Geluk af te staan.

Marko zond Wassili naar zijn huis en gaf hem de volgende brief voor zijn vrouw mee: ‘Vrouw! Als je mijn brief ontvangt, moet je terstond met deze bode naar de zeepfabriek gaan, en hem daar, als je er langs komt, in de grote ketel van de ziederij duwen. Doe zonder mankeren wat ik je zeg, want anders zal ik het streng op je verhalen. Ik beschouw deze jongen als een booswicht.’
Wassili nam de brief en ging. Onderweg kwam hij een oude man tegen die hem vroeg: ‘Waar ga je heen?’ Wassili antwoordde: ‘Naar het huis van Marko de Rijke met een brief voor zijn vrouw.’ ‘Laat me die brief eens zien.’ Wassili haalde hem te voorschijn en gaf hem aan de oude man; deze verbrak het zegel en liet Wassili de brief lezen. Deze kreeg tranen in zijn ogen: ‘Wat heb ik die man gedaan, dat hij mij het verderf inzendt?’ De oude man zei: ‘Treur niet, God zal je niet verlaten.’ Hij ademde op de brief en het zegel werd weer zoals het was geweest. ‘Ga nu en geef de brief aan de vrouw van Marko de Rijke.’

Wassili kwam in Marko’s huis en gaf de brief aan diens vrouw. Deze las de brief, dacht er een poosje over na, riep haar dochter Anastasia en las haar de brief van haar vader voor. Maar daarin stond: ‘Vrouw! Als je mijn brief hebt ontvangen, zorg er dan voor dat Anastasia de dag daarop met deze bode trouwt. Houd je vooral aan dit bevel! Want anders zul je daarvoor tegenover mij verantwoording moeten afleggen.’

Bij rijke mensen is het niet nodig bier te brouwen of wijn te maken, alles staat al klaar; en met een vrolijk feestmaal werd de bruiloft gevierd. Wassili werd in mooie kleren gestoken, men toonde hem Anastasia en zij kreeg hem lief. En dus werden ze getrouwd.

Op zekere dag bereikte de vrouw van Marko de Rijke het bericht dat haar man in de haven was geland, en zij ging hem met haar dochter en schoonzoon verwelkomen. Toen Marko zijn schoonzoon zag, werd hij woedend en zei tegen zijn vrouw: ‘Hoe heb je het gewaagd hem met onze dochter te laten trouwen?’ ‘Omdat jij het bevolen had,’ antwoordde de vrouw. Marko wilde nu zijn brief zien, las hem en moest toegeven dat het zijn eigen handschrift was.

Een maand, een tweede en een derde leefde Marko met zijn schoonzoon. Toen riep hij deze op zekere dag bij zich en zei: ‘Hier heb je een brief; ga ermee door driemaal negen landen naar het driemaal tiende rijk, naar mijn vriend de Drakentsaar. Vorder van hem de belasting van twaalf jaar omdat hij zijn paleis op mijn grond heeft gebouwd, en tracht te weten te komen waar mijn twaalf schepen zich bevinden die al drie jaar zijn uitgebleven. Vertrek morgenvroeg.’ Wassili nam de brief, ging naar zijn vrouw en vertelde haar alles wat Marko hem had opgedragen. Anastasia weende bitter, maar durfde haar vader niets voor hem te vragen.

De volgende morgen vroeg bad Wassili tot God, pakte gedroogd brood in zijn ransel en ging op weg. Hij liep steeds door, lange of korte tijd, en opeens, dichtbij of veraf, hoorde hij van terzijde een stem: ‘Wassili Zonder-Geluk, waar ga je heen?’ Hij keek overal om zich heen en zei: ‘Wie roept mij ?’ ‘Ik, de eik, vraag waar je heengaat.’ ‘Ik ga naar de Drakentsaar om belasting van twaalf jaar te halen.’ De eik zei: ‘Breng dan op een geschikt ogenblik het gesprek op mij -zeg dat de eik er al driehonderd jaar staat en vraag of hij nog lang zal blijven staan.’ Wassili hoorde hem aan en vervolgde zijn weg.
Hij kwam bij de rivier, waar een veerman de mensen overzette. Wassili ging in het veer zitten en de veerman vroeg hem: ‘Waar ga je heen, vriend?’ Wassili antwoordde hetzelfde als aan de eik. En de veerman vroeg hem de Drakentsaar eraan te herinneren dat hij nu al dertig jaar overzette; moest hij dat nog lang blijven doen?’ ‘Goed,’ zei Wassili, ‘ik zal het vragen,’ en ging verder.
Hij kwam bij de zee. Dwars daarover lag een walvis, en de mensen liepen en reden over de walvis heen en weer. Toen Wassili ook over hem heen liep, zei de walvis: ‘Wassili, waar ga je heen?’ Wassili gaf hetzelfde antwoord als aan de veerman en de walvis vroeg hem: ‘Als er zich een geschikt ogenblik voordoet, denk dan aan mij, en zeg dat er dwars over de zee een walvis ligt en dat de mensen te paard en te voet zijn lichaam tot op de ribben hebben stukgelopen. Moet hij daar nog lang blijven liggen?’
Wassili beloofde het en liep door. Hij kwam bij een groene weide, waarop een groot paleis stond. Wassili ging het paleis binnen en liep door alle kamers; en de ene was nog mooier dan de andere. Toen hij de laatste had bereikt, zag hij daar op een bed een beeldschoon meisje zitten dat bitter weende. Toen ze Wassili zag, stond ze op, kwam naar hem toe en vroeg: ‘Wat ben jij voor een mens en hoe ben je op deze vervloekte plaats gekomen?’ Wassili toonde haar de brief, en vertelde dat Marko de Rijke hem had bevolen van de Drakentsaar een belasting over twaalf jaar te vorderen. Het meisje wierp de brief in de kachel, en zei tegen Wassili: ‘Je bent niet hierheen gezonden om die belasting, maar om als voedsel voor de draak te dienen. Welke weg heb je gevolgd? Heb je onderweg niet het een of ander gezien of gehoord?’ Wassili vertelde haar over de eik, de veerman en de walvis. Nauwelijks had hij daar de tijd voor gehad of de aarde en het paleis begonnen te dreunen. Het meisje verborg Wassili terstond in een kist onder het bed en zei ‘Luister goed naar het gesprek dat ik met de draak zal voeren.’ En ze ging de draak verwelkomen. Toen hij de kamer betrad, zei deze: ‘Het ruikt hier naar christenvlees.’ Het meisje antwoordde: ‘Hoe kan hier een christenmens binnenkomen? Je bent over Rusland gevlogen en hebt de lucht van christenen in je opgezogen.’ De draak zei: ‘Ik ben doodmoe, zoek op mijn hoofd naar luizen,’ en ging op het bed liggen. Het meisje zei tegen hem: ‘Tsaar, toen je weg was, heb ik deze droom gedroomd. Ik liep over een weg, daar riep een eikenboom tegen me: “Vraag aan de tsaar of ik hier nog lang moet staan”.’
‘Hij zal zo lang moeten staan tot er iemand komt die hem een trap geeft. Dan wordt hij ontworteld en zal neervallen. En onder de boom bevindt zich een geweldige hoeveelheid goud en zilver – zoveel heeft zelfs Marko de Rijke niet.’ ‘En… dan kwam ik ook nog bij een rivier, waar een veerman de mensen overzette; en die veerman vroeg mij of hij nog lang heen en weer moest blijven varen.’
‘Hij moet de eerste die zich aanmeldt in het veer laten stappen en het dan van de oever afstoten – die man moet dan in alle eeuwigheid blijven overzetten, maar de veerman kan naar huis gaan.’ ‘…En daarna was het alsof ik over een walvis de zee overstak; en deze vroeg me, of hij nog lang zou moeten bhjven liggen.’
‘Hij moet blijven liggen tot het ogenblik dat hij de twaalf schepen van Marko de Rijke uitspuwt; dan zinkt hij en zijn lichaam wordt weer heel.’
Zo sprak de Drakentsaar en viel in een diepe slaap. Het meisje liet Wassili Zonder-Geluk uit de kist en vertelde hem hoe hij te werk moest gaan: ‘Je moet niet aan deze kant van de zee tegen de walvis zeggen dat hij de twaalf schepen van Marko de Rijke moet uitspuwen, maar ga eerst naar de overzijde en zeg het dan. Hetzelfde geldt als je bij de veerman komt: zeg niet aan deze kant wat je over hem gehoord hebt. En als je bij de eik komt, geef er dan een trap tegen in oostelijke richting; dan zul je onmetelijke rijkdommen zien.’
Wassili Zonder-Geluk bedankte het meisje en ging op weg.

Hij kwam bij de walvis en deze vroeg hem: ‘Heb je over mij gesproken?’ ‘Dat heb ik. Ik steek nu over en zal het je dan zeggen.’ Toen hij de overkant had bereikt, zei Wassili: ‘Spuw de twaalf schepen van Marko de Rijke uit.’ De walvis deed het, en de schepen zeilden weg, in het minst niet beschadigd. Maar Wassili zonk daardoor tot aan zijn knieën in het water. Daarna kwam hij bij de veerman.
Deze vroeg: ‘Heb je met de Drakentsaar over mij gesproken?’ ‘Dat heb ik,’ zei Wassili. ‘Maar zet me eerst over.’
Toen hij op de andere oever was geland, zei hij tegen de veerman: ‘Wie het eerst bij je komt, moet je in het veer laten plaatsnemen en daarna stoot je het veer van de oever af; dan moet die man in alle eeuwigheid blijven overzetten; en jij kunt naar huis gaan.’
Wassili Zonder-Geluk kwam ook bij de eik en gaf er een trap tegen; de eik viel om, en eronder lag een onmetelijke schat aan goud en edelstenen. Wassili keek achter zich en zag dat de twaalf door de walvis uitgespuwde schepen recht op de oever afstevenden. Zij werden bestuurd door dezelfde oude man die Wassili had ontmoet toen hij met de brief op weg was naar de vrouw van Marko de Rijke. De oude zei tegen Wassili: ‘Zie je nu, Wassili, waarmee God je heeft gezegend?’ Daarna verliet hij het schip en ging zijns weegs. De matrozen droegen het goud en het zilver naar de schepen, ze laadden het in, en toen ze daarmee gereed waren, staken ze in zee. En Wassili voer met hen mee.
Intussen was aan Marko de Rijke gemeld dat zijn schoonzoon met zijn twaalf schepen onderweg was en dat de Drakentsaar hem onmetelijke rijkdom had geschonken.

Marko werd woedend, omdat het niet ging zoals hij het had gewild; hij liet inspannen en begaf zich naar de Drakentsaar om hem een standje te geven. Hij kwam bij de veerman, nam plaats in het veer, de veerman stootte dit van de wal af – en Marko moest in alle eeuwigheid blijven overzetten.
Maar Wassili Zonder-Geluk keerde terug naar zijn vrouw en schoonmoeder, leidde een goed leven en vermeerderde zijn bezit; hij hielp de armen, gaf geld en voedsel aan de bedelaars en beschikte over alle bezittingen van Marko de Rijke.

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 1e klas – sprookjes

.

2922-2741

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof-sprookje (8-3/4)

.

Klimka de dief
.

Een grondbezitter had een oude knecht die zo trouw was dat hij het hele huis mocht beheren; maar diens zoon Klimka was niet naar zijn vader geaard en had vanaf zijn vroegste kinderjaren het stelen geleerd, ofschoon zijn leven prettig en vrij genoeg was.
Zijn vader had hem uitgedost in een rood hemd en nieuwe laarsjes. Maar nee – op een oneerlijk mens kun je met giften en gaven geen indruk maken.
‘Vadertje,’ zei hij, ‘ik ga erop uit om een os te stelen.’
‘Ga niet, canaille! Ze zullen je hoofd er afrukken.’
Klimka luisterde niet naar zijn vader en ging stelen.

Er kwamen boeren aan die een kudde voor zich uitdreven. Klimka zag ze gaan, liep vooruit, trok een van zijn laarzen uit – zonder er iets om te geven dat ze nieuw waren – gooide die op de weg en verstopte zich in de struiken.
De boeren zagen de laars: ‘Hè, wat jammer dat het er maar één is. Als het een paar was van zulke laarzen, zou je ze kunnen aantrekken en ermee uitzien als een heer.’
Zo spraken ze, raapten de laars niet op en dreven hun kudde verder. Klimka wilde hun graag van dienst zijn: hij liep weer vlug vooruit, trok de tweede laars uit en gooide ze op de weg. De boeren zagen de laars, waren blij en liepen allemaal terug om de eerste te halen. Maar Klimka verloor geen tijd; zijn vingers jeukten om de zaak af te werken: hij nam een paar ossen en verdween.

‘Slecht, heel slecht heb je gehandeld,’ zei zijn vader. ‘Ik zal het aan de heer vertellen.’ En hij deed dit op een vrolijk ogenblik. Klimka werd geroepen.
‘Ze zeggen, Klimka, dat jij een dief bent?’ ‘Dat ben ik, heer.’ ‘Hahaha! Steel dan eens mijn hengst uit de stal.’ ‘Ik zal het doen, maar neem hem me dan later niet af.’ ‘Nee, ik zal hem je niet weer afnemen.’
De heer vond het een grap dat Klimka – zo’n jongen nog! – een dief zou zijn. De hengst werd bewaakt door een stel wachters: twee man hielden hem bij zijn teugel vast, twee bij zijn staart, vier bij zijn benen, een man zat op zijn rug en twee stonden op wacht bij de deur. In het geheel waren het elf bewakers. ‘Let goed op, jongens, niet inslapen of indommelen,’ zei de heer. ‘Als Klimka komt stelen, pak hem dan beet. We zullen hem leren en hem er flink van langs geven.’
De nacht kwam, en met hem kwam Klimka; hij klom op het dak, maakte daar een gat in en liet er aan halsters een vaatje wijn in zakken en heen en weer schommelen om de wachters te verlokken. ‘Broeders,’ zeiden de bewakers, ‘het lijkt of God ons een gave heeft gezonden, en we zouden domoren zijn als we daar geen gebruik van maakten.’ De een na de ander kwam zich aan het vaatje laven en de sterke wijn proeven; en zij proefden zo lang tot hun armen en neus omlaag hingen. Dat was nu juist waar Klimka op had gewacht. Hij was er meteen bij en ging alles regelen op zijn manier: de man die op het paard zat, haalde hij eraf en zette hem op een houtblok; de vier die de benen vasthielden, kregen elk een stok in de hand; zij die de staart bewaakten, kregen een bos uitgeplozen hennep toegestopt, en aan hem die de teugels vasthield gaf hij in plaats daarvan een stuk touw om vast te houden. Toen maakte hij de teugels van de hengst los en leidde het paard naar buiten. Hij besteeg het met veel zwier en reed tot voor de trap van het herenhuis. ‘Ach, ach, waar zijn mijn opzichters, waar zijn mijn wachten?’ De heer ging op onderzoek uit in de stal: daar lagen ze allen als versuft en sliepen hun roes uit.

‘Nu, Klimka, je hebt geluk. Het paard is van jou. Maar probeer nu eens mijn reiskist te stelen.’ ‘Dat zal ik doen, maar neem ze me niet af.’ ‘Nee, ik zal ze je niet afnemen.’

Klimka pakte een spade en een schop, ging naar het kerkhof, groef een dode op en maakte zich gereed voor de daad. Maar de heer verzamelde een troep bewakers die hij bewapende met hooivorken, spiesen en knuppels – je werd al bang als je naar hen keek! Alle wachters gingen in een kring zitten en plaatsten de kist midden tussen zich in. Daar zaten ze, verroerden geen vin, knipperden niet met hun ogen en pasten op het goed van hun meester. Het werd middernacht en er werd op het raam geklopt. De knuppels gingen omhoog, de spiesen schoten te voorschijn, de hooivorken werden op het raam gericht: daar vertoonde zich een hoofd, een mens klom naar binnen – Klimka de dief schoof de dode voor zich uit. Terstond stortten de wachters zich op het lijk, en sloegen en bewerkten het als koekdeeg. Toen gingen ze naar de heer om te zeggen dat ze Klimka hadden doodgeslagen en in stukken gehakt, en dat ze zijn reiskist uit alle macht verdedigd hadden. De heer prees hen niet, berispte hen ook niet en treurde blijkbaar niet erg over Klimka. Intussen droeg de dief de reiskist weg en ging naar bed.

Maar de volgende morgen had de heer zijn reiskist nodig en beval hun die aan hem te brengen; de knechten liepen er vlug heen en keken – hier had ze gestaan, maar nu stond ze er niet meer! ‘Wat een geschiedenis,’ dacht de heer. En kijk, daar kwam Klimka binnen. ‘Heb jij die reiskist weggenomen?’ ‘Ja, heer.’ ‘Hoe heb je dat dan gedaan?’ ‘Of ik ze wel of niet heb gestolen, dat is mijn zaak.’ ‘Nu, je bent aardig brutaal. Je zou misschien zelfs mijn vrouw durven stelen?’ ‘Dat zou ik kunnen, maar zonder losgeld krijgt u haar dan niet terug.’ ‘Afgesproken! Maar weet goed: als het je niet lukt, laat ik je ophangen.’ Zij werden het eens.

De heer omringde zijn vrouw nu met dienstboden, minnen en jonge meisjes. Zelf zat hij dag en nacht bij haar, keek haar in de ogen, bewaakte al haar schreden en volgde al haar sporen. Het was werkelijk heel moeilijk haar te stelen.

Toch moest de heer een keer door het bos rijden. Klimka liep vooruit en hing aan alle bomen klokjes. Zelf klom hij in de dichtstbijzijnde den, deed een strop om zijn benen en hing zichzelf op aan zijn voeten. Daar kwam de heer aan met zijn vrouw; hij zag dat Klimka aan de dennenboom schommelde en riep uit: ‘Ach, lieve Heer, daar heeft die dief Klimka zich opgehangen. Blijkbaar was hij bang voor mijn woede, omdat hij niet tot zijn meesteres heeft kunnen doordringen. Die arme Klimka!’ Maar overal in het bos hoorde hij de klokjes klingelen. ‘Jongens, wat is dat voor een geluid? Gaan jullie eens kijken.’ Eerst ging de ene knecht, toen de tweede, toen de derde, en ze gingen allemaal een andere kant op.
Ten slotte ging de heer er zelf opuit en verdween in het bos. Maar Klimka had alleen daarop gewacht: met een sprong maakte hij zich los van de boom, rende naar de calèche, in een ommezien zat hij op de bok, sloeg de paarden op hun flanken en het rijtuig rolde met hem weg. Toen de heer terugkwam, was zijn vrouw verdwenen, en hing er geen Klimka meer aan de boom – alleen het stof wervelde over de weg. Toen werd het hem duidelijk en te voet keerde hij naar huis terug. Daar beval hij Klimka te roepen. ‘Jij hebt je meesteres gestolen?’ ‘Ja.’ ‘Geef haar terug!’ ‘Nee heer, u maakt maar een grapje – een mens steelt niet om het dan weer terug te geven. Betaal me losgeld.’ ‘Hoeveel moet je hebben?’ ‘Een kistje vol zilver.’ De heer stemde toe. Klimka groef een gat en zette daar het kistje in na eerst de bodem eruit te hebben geslagen. De heer stortte er steeds maar zilver in zonder dat het kistje vol werd. En Klimka gaf de meesteres niet terug. De heer kreeg genoeg van het storten, de hele Klimka stond hem tegen en hij gaf bevel hem in zee te werpen.

Ze naaiden de dienstknecht Gods in een zak, legden die op het strand en gingen weg om een steen te zoeken die ze aan zijn hals wilden hangen. Maar Klimka de dief rolde in de zak heen en weer en begon hard te roepen: ‘Heren! Bojaren! Laat Gods gerechtigheid heersen! Ze willen een wojewode [soort legerleider, onderkoning] van me maken, ik moet rechtspreken en oordelen, maar ik deug niet voor wojewode!’ Een bojaar die juist voorbijging, hoorde deze woorden. Hij kwam naderbij en vroeg: Wat zeg je daar, broeder?’ ‘Ze willen een wojewode van me maken, ik moet rechtspreken en oordelen, maar ik deug niet voor wojewode.’ ‘Laat mij je plaats innemen. Klim eruit.’ De bojaar kroop in de zak, en zag zichzelf al als wojewode – hij kwam echter terecht in het water. Maar Klimka was weer in vrijheid ; hij werd een vrije kozak en leefde er tot ieders last op los – tot zijn brutale hoofd werd afgeslagen.

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2885-2706

.

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof-sprookje (8-3/3)

.

Russisch sprookje

.

Vorst Roodneus
.

Een vrouw had een stiefdochter en een eigen dochter. De laatste kon doen wat ze wilde, voor alles werd ze over haar hoofd gestreeld en ‘een knappe meid’ genoemd. Maar hoe bereidwillig de stiefdochter ook was, ze kon het haar stiefmoeder met niets naar de zin maken. Nooit was het goed, altijd was het verkeerd wat ze deed. Om de waarheid te zeggen: het was een meisje van goud en in goede handen zou ze als boter zijn geweest. Maar bij haar stiefmoeder was ze iedere dag in tranen.
Wat was daaraan te doen? De wind raast en loeit een poos en gaat dan weer liggen. Maar als een oude vrouw van leer trekt, komt er zo gauw geen rust – iedere keer bedenkt ze wat nieuws om haar tanden te slijpen.

Zo kwam ze op het idee haar stiefdochter het huis uit te jagen. ‘Breng haar weg, breng haar weg, oude man, waarheen je wilt. Dan hoeven mijn ogen haar niet meer te zien en mijn oren haar niet meer te horen. Maar niet naar familie in een warm huis – zet haar op het open veld in de krakende vorst.’
De oude man was bedroefd en huilde, maar toch zette hij zijn dochter op de slee. Eerst wilde hij een paardendeken over haar uitspreiden, maar hij durfde niet. En zo bracht hij het dakloze meisje naar het open veld. Daar zette hij haar neer op een sneeuwhoop, sloeg een kruis over haar en reed zo vlug mogelijk naar huis terug om de dood van zijn dochter niet te zien.

Het arme kind bleef alleen achter, beefde van de kou en bad in stilte.
Toen kwam huppelend en springend de vorst er aan. Hij bekeek het mooie meisje: ‘Meisje, meisje, ik ben vorst Roodneus.’ ‘Wees welkom, vorst. God heeft je zeker gezonden om mijn zondige ziel te halen.’ De vorst had haar willen aanraken en bevriezen, maar haar verstandige woorden bevielen hem en hij had medelijden met haar. Hij wierp haar een pelsmantel toe, zij deed die aan, trok haar benen onder zich en bleef zo zitten.

En weer kwam vorst Roodneus er aanhuppelen. Hij bekeek het mooie meisje en zei: ‘Meisje, meisje, ik ben vorst Roodneus.’ ‘Welkom, vorst. God heeft je zeker gezonden om mijn zondige ziel te halen.’ De vorst kwam echter helemaal niet om haar ziel, maar had voor het meisje een grote en zware kist meegebracht, gevuld met een veelsoortige uitzet. Daar zat ze nu in haar pelsjasje op de kist, zo vrolijk en lief om te zien!

Opnieuw kwam vorst Roodneus er aanhuppelen en springen en bekeek het mooie meisje. Zij begroette hem vriendelijk en deze keer gaf hij haar een met goud en zilver bestikte japon. Ze trok die aan en zag er schitterend in uit. Daar zat ze dan en zong het ene liedje na het andere…

Haar stiefmoeder had echter het maal voor haar begrafenis al gereedgemaakt en pannenkoeken gebakken. ‘Ga er heen, man, en breng je dochter terug om haar te begraven.’ De oude man gehoorzaamde, maar het hondje onder de tafel blafte: ‘Tjaf! Tjaf! De dochter van de oude man draagt goud en zilver, maar die van de oude vrouw willen de vrijers niet.’ ‘Koest, domme hond! Daar heb je een pannenkoek. En zeg: “De dochter van de oude vrouw willen de vrijers graag, maar van die van de oude man komen alleen de botjes thuis”.’ Het hondje at de pannenkoek op, maar blafte weer: ‘Tjaf! Tjaf! De dochter van de oude man draagt goud en zilver, maar die van de oude vrouw willen de vrijers niet.’ En of de oude vrouw het nu pannenkoeken gaf of het sloeg – het hondje bleef steeds blaffen: ‘De dochter van de oude man draagt goud en zilver, die van de oude vrouw willen de vrijers niet.’

Toen knarste de poort, de deur ging open, de grote, zware kist werd binnengebracht, en de stiefdochter verscheen, stralend als een voorname dame. Toen de stiefmoeder haar zag, sloeg ze de handen ineen, en riep: ‘Oude man, oude man, span nieuwe paarden in en breng gauw mijn dochter weg. Zet haar neer op hetzelfde veld en op dezelfde plek.’

De oude man reed naar hetzelfde veld en zette haar neer op dezelfde plek. Ook nu kwam vorst Roodneus er aanhuppelen en springen. Hij bekeek zijn gast, maar vernam geen vriendelijk woord. Toen werd hij boos en vroor haar dood.

‘Oude man, oude man, span flinke paarden in en ga mijn dochter naar huis halen. Maar pas op dat de slee niet omslaat en dat de kist er niet afvalt.’

Maar het hondje onder de tafel blafte: ‘Tjaf! tjaf! De dochter van de oude man willen de vrijers graag, maar van die van de oude vrouw komen alleen de botjes thuis.’ ‘Lieg niet! Hier heb je een pasteitje. En zeg: “de dochter van de oude vrouw komt er aan in het goud en het zilver”.’
De poort ging open, de oude vrouw liep naar buiten om haar dochter te verwelkomen, maar in plaats daarvan kon ze alleen haar koude lichaam omarmen. Ze jammerde en klaagde luid, maar het was te laat…

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2879-2700

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof-sprookje (8-3/2)

.
Dit Russische sprookje gebruikte ik meerdere keren om de letter V aan te leren.*
.

Finist, de heldere valk
.

Eens leefde er een oude man met zijn oude vrouw. Zij hadden drie dochters, en de jongste was zo mooi dat het met geen woorden te zeggen was en met geen pen te beschrijven viel.
Op zekere dag ging de oude man naar de jaarmarkt in de stad en zei: ‘Mijn lieve dochters, wat kunnen jullie gebruiken? Zeg het maar, ik zal alles op de jaarmarkt voor jullie kopen.’
De oudste vroeg: ‘Koop een nieuwe japon voor mij, vadertje.’
De middelste: ‘Koop voor mij een schouderdoek.’
Maar de jongste zei: ‘Koop voor mij een rood bloempje.’
De oude man lachte zijn jongste dochter uit: ‘Dom kind, wat heb je aan een rood bloempje? Wat is daar nu aan? Ik zal liever mooie kleren voor je kopen.’ Maar wat hij ook zei, hij kon haar niet ompraten: ‘Koop een rood bloempje,’ daar bleef het bij.

De oude man ging naar de jaarmarkt, kocht voor zijn oudste dochter een japon, voor de middelste een schouderdoek, maar een rood bloempje kon hij in de hele stad niet vinden. Hij was al aan het wegrijden, toen hij een onbekende oude man tegenkwam die een rood bloempje in zijn hand had. ‘Oudje, verkoop mij dat bloempje.’ ‘Dat is niet te koop, het is een voorspellende bloem. Als je jongste dochter met mijn zoon Finist, de heldere valk, wil trouwen, geef ik je het bloempje voor niets.’
De vader was in tweestrijd: nam hij het bloempje niet, dan zou hij zijn dochter bedroeven; maar deed hij het wel, dan moest hij haar laten trouwen met de hemel weet wat voor iemand. Hij dacht er lang over na en nam toch maar het rode bloempje aan. ‘Wat voor kwaad kan het eigenlijk,’ dacht hij. ‘De jongen moet haar eerst ten huwelijk komen vragen en als hij ons niet aanstaat, kan hij geweigerd worden.’

Hij reed naar huis, gaf aan zijn oudste dochter de japon, aan de middelste de sjaal; maar aan de jongste gaf hij het bloempje met de woorden: ‘Dat bloempje van jou bevalt me niet, lieve kind, het bevalt me helemaal niet.’ En zachtjes fluisterde hij haar in het oor: ‘Want het is een voorspellende bloem en het was niet te koop; ik heb het gekregen van een onbekende oude man, op voorwaarde dat ik jou tot vrouw geef aan zijn zoon Finist, de heldere valk.’
‘Trek het je niet aan, vadertje,’ 2ei de dochter. ‘Want hij is goed en lief. Als heldere valk vliegt hij door de lacht, maar als hij zich met een slag op de grond laat vallen, wordt hij de allerknapste en allerverstandigste jongeman.’ ‘Ken je hem dan?’ ‘Ik ken hem vadertje. De vorige zondag was hij in de mis en heeft de hele tijd naar me gekeken. En ik heb ook met hem gesproken — hij houdt immers van me, vadertje.’ De oude man schudde zijn hoofd, keek zijn dochter scherp aan, bekruiste haar en zei: ‘Ga naar je kamer, lief dochtertje. Het is tijd van slapen. De morgen is wijzer dan de avond – later zullen we beraadslagen.’ De dochter sloot zich op in haar kamertje, zette het rode bloempje in het water, maakte het raam open en tuurde in de blauwe verte.

Plotseling – waar hij vandaan kwam viel niet te zeggen – verscheen vóór haar in de lucht Finist, de heldere valk met de bonte veren. Hij fladderde het raam binnen, liet zich met een slag op de grond vallen en werd een jongeman. Het meisje was geschrokken; maar toen hij daarna met haar begon te spreken, voelde ze zich zo wonderlijk vrolijk en blij te moede! Ze praatten met elkaar tot de zon opging – ik weet heus niet waarover. Ik weet alleen dat Finist, de heldere valk met de bonte veren, haar, toen het licht begon te worden, kuste en zei: Iedere nacht zal ik naar je toe komen vliegen, mijn liefste, maar je moet steeds het rode bloempje in het raam zetten. En hier heb je een veertje uit mijn vleugel: als je soms mooie kleren nodig hebt, ga dan naar buiten voor de deur staan en wuif ermee naar de rechterkant – en in een oogwenk staat alles wat je hart begeert voor je.’ Hij kuste haar nog eens, veranderde weer in een heldere valk en vloog weg naar het donkere bos. Het meisje keek haar verloofde na, sloot het raam en ging slapen.

Van die tijd af kwam iedere nacht zodra ze het rode bloempje voor het open raam had gezet, Finist, de heldere valk, de knappe jongeman, naar haar toevliegen.

Toen werd het zondag. De oudere zusters kleedden zich op hun mooist voor de mis. ‘Maar wat trek jij aan? Je hebt immers niets nieuws,’ zeiden ze tegen de jongste. Zij antwoordde: ‘Dat hindert niet. Ik kan ook thuis bidden.’
De oudere
zusters gingen naar de kerk, maar de jongste zat in haar werkkleren voor het raam te kijken naar de gelovigen die naar de mis gingen. Ze wachtte het goede ogenblik af, ging buiten voor de deur staan, woof met het lichte veertje naar de rechterkant, en – waar hij vandaan kwam, was niet te zeggen – daar stond een kristallen koets vóór haar, met raspaarden bespannen, met lakeien in het goud, vol kleren en allerlei sieraden van veelkleurige edelstenen.
In een oogwenk was het mooie meisje aangekleed; ze stapte in de koets en reed naar de kerk. De mensen zagen haar schoonheid en waren verwonderd: ‘Het zal wel de een of andere tsarewna zijn,’ zeiden ze tegen elkaar. Onder het slotgezang verliet ze vlug de kerk, nam plaats in de koets en reed terug. De kerkgangers hadden wel willen zien waar ze heen reed, maar daar kwam niets van in: toen ze naar buiten stroomden, was het meisje al lang verdwenen. Nauwelijks had onze schoonheid haar huis bereikt of ze woof met het bonte veertje naar de linkerkant, en in een oogwenk hadden dienstmeisjes haar mooie kleren uitgetrokken en was de koets uit het gezicht verdwenen. Alsof er niets was gebeurd, zat ze weer als tevoren aan het raam naar de mensen te kijken die uit de kerk terugkwamen. Ook de zusters kwamen thuis: ‘O, zusje, wat een schoonheid was er vandaag in de mis!’ riepen ze. ‘Gewoon een lust voor het oog! Niet te zeggen en niet te beschrijven! Het moet een tsarewna uit een vreemd land zijn geweest – ze was zo prachtig, zo schitterend gekleed!’

De tweede zondag kwam en de derde; en telkens nam het mooie meisje de kerkgangers, haar zusters en haar vader en moeder kalm in het ootje. Maar de laatste maal vergat ze bij het uitkleden een briljanten steekspeld uit haar vlechten te nemen.
De oudere zusters kwamen uit de kerk en vertelden haar over de mooie tsarewna, maar toen ze eens goed naar hun jongste zuster keken, zagen ze de briljant als vuur in haar vlechten schitteren. ‘O, zuster, wat heb je daar?’ riepen de meisjes. ‘Precies zo’n speld had de tsarewna immers vandaag in het haar. Waar heb je die vandaan?’ Het mooie meisje uitte een kreet van schrik en snelde naar haar kamertje. Er kwam geen einde aan de vragen, de vermoedens en het gefluister, maar de jongste zuster zweeg en lachte in haar vuistje.

Toen gingen de oudere zusters op haar letten; ze stonden ’s nachts te luisteren bij haar kamertje, en op een keer hoorden ze een gesprek tussen haar en Finist, de heldere valk. En bij het aanbreken van de dag zagen ze met eigen ogen hoe hij uit het raam naar het donkere bos vloog.
Het moeten boosaardige meisjes geweest zijn, die zusters. Ze spraken af om voor de avond in het raam van het kamertje van hun zuster scherpe messen te plaatsen, zodat Finist, de heldere valk, zijn bonte vleugels zou snijden. Wat ze bedacht hadden, voerden ze ook uit; maar de jongste zuster had er geen erg in: ze zette haar rode bloempje in het raam, ging in bed liggen en sliep vast in. Finist, de heldere valk, kwam er aanvliegen, maar toen hij het raam wilde binnenfladderen, sneed hij zich in zijn linkerpoot. Het mooie meisje merkte daar niets van – ze sliep zo heerlijk en zo rustig. Vertoornd steeg de heldere valk op naar de hoge hemel en vloog weg over het donkere bos.

’s Morgens werd de schoonheid wakker; ze keek naar alle kanten, het was al licht, maar van de jongeman viel niets te bespeuren. Toen keek ze naar het raam: daar staken kruiselings scherpe messen omhoog, en rood bloed druppelde daarvan op het bloempje. Lange tijd vergoot het meisje bittere tranen, vele slapeloze nachten bracht ze door aan het raam van haar kamertje — maar vergeefs. Er kwam geen heldere valk Finist aanvliegen en hij zond ook geen dienaar. Ten slotte ging ze met betraande ogen naar haar vader, vroeg zijn zegen, en zei: ‘Ik ga waarheen mijn ogen zich richten.’
Ze liet drie paar ijzeren schoenen voor zich maken, drie ijzeren staven om op te steunen, drie ijzeren mutsen, drie ijzeren hostiebroden. Met het ene paar schoenen aan haar voeten, de muts op haar hoofd, de staf in haar hand sloeg ze de richting in, waaruit Finist, de heldere valk, steeds naar haar toe was komen vliegen. Ze liep door het donkere bos, moest er over boomstronken en omgevallen stammen klimmen, maar het mooie meisje liep steeds verder en het bos werd steeds donkerder; de ijzeren schoenen waren al aan het slijten, de ijzeren muts niet minder, de staf was gebroken, het hostiebrood opgegeten, maar het mooie meisje liep steeds verder en het bos werd steeds donkerder en dichter.
Plotseling zag ze een ijzeren hutje; het stond op kippenpoten en was aanhoudend aan het draaien. Het meisje zei: ‘Hutje, hutje! Sta stil
met je rug naar het bos, maar met je voorzijde naar mij gekeerd.’ Het hutje draaide zich om en stond met de voorzijde naar haar gericht. Zij ging er binnen – en daar lag een Baba Jaga, uitgestrekt van de ene hoek naar de andere, met haar lippen op het vloerzand, terwijl haar neus tegen de zoldering stootte
‘Foei! Foei! Vroeger was er nergens een christenziel te zien of te horen, maar tegenwoordig lopen er christenmensen door de hele wijde wereld, ze komen me voor ogen en dringen zich op aan mijn neus. Waarheen ben je op weg, mooi meisje? Ben je voor daden gevlucht of wil je zelf daden gaan doen?’
‘Vroeger was Finist, de heldere valk met de bonte veren, van mij, grootmoedertje; maar mijn zusters hebben hem kwaad gedaan. En nu zoek ik Finist, de heldere valk.’
‘Dan zul je nog ver te lopen hebben, kleintje, nog door heel veel landen. Finist, de heldere valk met de bonte veren, leeft in het vijftigste rijk, in het tachtigste land, en hij heeft zich al verloofd met een tsarewna.’

De Baba Jaga gaf het meisje te eten en te drinken, en bracht haar naar bed. Maar zodra het ’s morgens licht was geworden, wekte ze haar en gaf haar een kostbaar geschenk: een gouden hamertje en tien briljanten spijkertjes, met de woorden: ‘Als je bij de blauwe zee komt, zal de verloofde van Finist, de heldere valk, langs het strand gaan wandelen; dan moet je het gouden hamertje ter hand nemen en daarmee op de briljanten spijkertjes slaan. Zij zal ze allebei van je willen kopen, maar jij, mooi meisje, moet er niets voor aannemen, en alleen vragen of je naar Finist, de heldere valk, mag kijken. Ga nu met God naar mijn middelste zuster.’

Opnieuw trok het mooie meisje door het donkere bos, steeds verder en verder, en het bos werd steeds donkerder en dichter – de toppen van de bomen rankten tot in de hemel. Het tweede paar schoenen was al versleten, de tweede muts ook, de ijzeren staf was gebroken en het ijzeren hostiebrood opgegeten – daar stond vóór het meisje een ijzeren hutje op kippenpoten dat zich aanhoudend in de rondte draaide. ‘Hutje, hutje! Sta stil met je rugzijde naar het bos gekeerd en je voorkant naar mij. Ik wil bij je binnenklimmen en brood eten.’ Het hutje draaide zich met de rugzijde naar het bos en de voorkant naar het meisje. Zij ging er binnen – en daar lag een Baba Jaga uitgestrekt van de ene hoek naar de andere, met de lippen op het vloerzand, terwijl haar neus tegen de zoldering stootte. ‘Vroeger was er geen christenziel te zien of te horen, maar nu lopen er christenmensen door de wijde wereld. Waarheen ben je op weg, mooi meisje.’ Grootmoedertje, ik zoek Finist, de heldere valk.’ ‘Hij staat op het punt te trouwen, het is daar al de avond voor de bruiloft,’ zei dc Baba Jaga. Ze gaf het meisje te eten en te drinken, en bracht haar naar bed. Maar toen het de volgende morgen licht was geworden, wekte ze haar, gaf haar een gouden schoteltje met een briljanten kogeltje, en zei met veel nadruk: ‘Als je aan het strand van de blauwe zee komt, moet je het briljanten kogeltje over het gouden schoteltje laten rollen. Dan zal de bruid van Finist, de heldere Valk, bij je komen en het schoteltje met het kogeltje van je willen kopen. Maar jij moet geen geld aannemen en alleen vragen of je naar Finist, de heldere valk met de bonte veren, mag kijken. Ga nu met God naar mijn oudste zuster.’

Weer liep het mooie meisje door het donkere bos, steeds verder en verder, en het bos werd steeds donkerder en dichter. Het derde paar schoenen was al versleten, de derde muts ook, de laatste staf was gebroken en het laatste hostiebrood opgegeten — daar stond een ijzeren hutje op kippenpoten en draaide voortdurend in het rond. ‘Hutje, hutje! Draai je met je rugzij naar het bos en met je voorkant naar mij; ik wil bij je binnenklimmen en brood eten.’ Het hutje draaide zich om, en weer lag er een Baba Jaga in, uitgestrekt van de ene hoek naar de andere, met haar lippen op het vloerzand terwijl haar neus tegen de zoldering stootte. ‘Foei, foei! Vroeger was er geen christenziel te zien of te horen, maar nu wandelen christenmensen door de wijde wereld. Waarheen ben je op weg, mooi meisje?’ ‘Grootmoedertje, ik zoek Finist, de heldere valk.’ ‘Ach, mooi meisje, hij is al met de tsarewna getrouwd. Hier heb je mijn snelle ros, bestijg het en rijd met God.’ Het meisje besteeg het ros en galoppeerde weg, en het bos werd steeds minder dicht.

Daar strekte de blauwe zee zich tot in de wijde verte voor haar uit, en daar héél ver schitterden als vuur de gouden torenspitsen van witstenen paleizen. ‘Dat zal het rijk van Finist, de heldere valk, zijn,’ dacht het meisje. Ze ging op het dorre zand zitten en sloeg met het gouden hamertje op de briljanten spijkertjes. Toen kwam de tsarewna er aan met al haar minnen, dienstmeisjes en hofdames; ze stond stil en wilde geld bieden voor de briljanten spijkertjes en het gouden hamertje. ‘Laat me alleen een blik mogen werpen op Finist, de heldere valk, tsarewna, dan mag je het voor niets hebben,’ zei het meisje. ‘Finist, de heldere valk, slaapt op het ogenblik, en heeft bevolen niemand bij hem toe te laten. Maar geef me je prachtige spijkertjes en het hamertje, dan mag je hem zien. Dat moet dan maar.’

Ze nam het hamertje en de spijkertjes, haastte zich naar het paleis en stak in de kleding van Finist, de heldere valk, een betoverde sierspeld, waardoor hij zo vast zou slapen dat hij niet kon ontwaken. Daarna gaf ze haar dienstmeisjes bevel het mooie meisje in het paleis te brengen bij haar man, de heldere valk; en intussen ging ze wandelen.
Lang lag het meisje voor haar liefste op de knieën, lang weende zij bij hem, maar ze vermocht hem niet te wekken.
Toen de tsarewna lang genoeg gewandeld had, kwam ze thuis, joeg het meisje weg en trok de sierspeld eruit. Finist, de heldere valk, werd wakker. ‘Ach, wat heb ik lang geslapen,’ zei hij. ‘Er is hier iemand geweest die lange tijd bij mij heeft geweend en gejammerd; maar ik kon mijn ogen niet opendoen – het was erg moeilijk voor me.’ ‘Dat heb je maar gedroomd,’ zei de tsarewna. ‘Er is hier niemand geweest.’

De volgende dag zat het mooie meisje weer aan het strand van de blauwe zee en liet de briljanten kogel over het gouden schoteltje rollen. De tsarewna kwam naar buiten om te wandelen, zag het en vroeg: ‘Verkoop het mij.’ ‘Als ik alleen maar een blik mag werpen op Finist, de heldere valk, geef ik het u voor niets.’ De tsarewna vond het goed en stak opnieuw een sierspeld in de kleren van Finist, de heldere valk. Weer weende het meisje bitter bij haar geliefde, weer kon ze hem niet wekken. En op de derde dag zat ze bedroefd en somber aan het strand van de blauwe zee en voerde haar ros met gloeiende kolen. De tsarewna zag dat het ros zich met vuur liet voeren en wilde er geld voor bieden. ‘Als ik alleen maar een poosje mag kijken naar Finist, de heldere valk, dan geef ik het u voor niets.’ De tsarewna vond het goed, haastte zich naar het paleis en zei: ‘Finist, heldere valk, laat ik je hoofd eens afzoeken.’ Ze ging zijn hoofd zitten afzoeken en stak daarbij de sierspeld in zijn haar. En hij sliep terstond in. Toen zond zij haar gedienstigen om het mooie meisje te halen.

Dit kwam, trachtte haar geliefde te wekken, omarmde hem, kuste hem en weende bitter. Maar hij werd niet wakker. Ze begon zijn hoofd af te zoeken en trok toevallig de betoverde sierspeld uit zijn haar.

Finist, de heldere valk met de bonte veren, werd onmiddellijk wakker, zag het mooie meisje en was zeer verheugd. Zij vertelde hem alles wat er gebeurd was: dat haar boze zusters jaloers op haar waren geweest, hoe ze had rondgezworven en hoe ze had gemarchandeerd met de tsarewna. Hij hield nog meer van haar dan tevoren, kuste haar op haar zoete lippen en beval zonder uitstel zijn bojaren, vorsten en mannen van alle standen bijeen te roepen. En hij stelde hun de vraag: ‘Hoe luidt uw oordeel: met welke vrouw moet ik mijn leven doorbrengen, met haar die me heeft verkocht, of met deze die alles voor me heeft over gehad?’ Alle bojaren en vorsten en mannen van andere standen beslisten als uit één mond dat hij haar moest nemen die alles voor hem had over gehad, en dat zij die hem had verkocht, aan de poort moest worden opgehangen en doodgeschoten. En zo handelde Finist, de heldere valk met de bonte veren.

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2874-2695

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – Goethe ‘de groene slang en de lelie’

.

Zoals wellicht bekend heeft Rudolf Steiner het werk van Goethe van commentaar voorzien.
In zijn vele voordrachten sprak hij met grote regelmatig over aspecten van Goethes werk, passend bij de voordracht.
In GA 22 en 53 (vdr. 1, 2) gaat hij nader in op Goethes sprookje ‘Van de groene slang en de schone lelie’. 

Het ‘Wat is heerlijker dan het goud?’ vroeg de koning.
‘Het licht,’ antwoordde de slang.
‘Wat is verkwikkender dan het licht?’ vroeg de eerste.
‘Het gesprek,’ zei de slang. is wel een van de bekendste zinnen.

In sommige vrijeschoolklassen wordt het door de leerkracht die er op de een of andere manier zelf enthousiast voor is, aan de leerlingen verteld.

De tekst is hier te vinden.

Het is bij verschillende uitgeverijen in druk verschenen.
N.a.v. de tekst verschenen er ook illustraties.

Hier is het verhaal ‘in wol’ verteld.

De schilder Hermann Linde creëerde 12 beelden van het sprookje en verbond deze met de Steiners ‘Mysteriedrama’s.

(afbeelding 4) De onderaardse tempel:

«Mir hat befohlen eine Kraft,
Die aus den Erdengründen
Zu meinem Geiste spricht,
Zu gehen an den Weiheort.
Sie will durch mich euch künden
Von ihrer Sorge, ihrer Not.»

Rudolf Steiner: ‘De poort van de inwijding’ (tafereel 5)

‘Mij is bevolen door een kracht
die tot mijn geest
uit diepten van de aarde spreekt,
naar dit gewijde oord te gaan.
Die wil door mij haar zorg en nood
aan jullie laten horen.’
GA 14/95
Vertaald/98

(afbeelding 8) De tocht over de brug

Rudolf Steiner: ‘De poort van de inwijding’ (tafereel 4)

‘Wenn ihr den Weg zurück
nicht wieder findet
gedeiht ihr nimmermehr’

‘Als jullie nu de weg daarheen niet vinden,
dan zal het jullie slecht vergaan’
GA 14/88
Vertaald/91

(afbeelding 12) De tempel op de brug:

En tot op de huidige dag wemelt de brug van wandelaars en is de tempel de meest bezochte plaats op de gehele aarde.

.

Vertelstof: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2743-2572

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – vertellen

.

DE SCHEPPING IN HET OUDE TESTAMENT
.

Als vertelstof voor de 3e klas raadde Steiner de verhalen uit het Oude Testament aan.
O.a. in het blad ‘Vrije Opvoedkunst‘ is in verschillende artikelen* over het waarom hiervan gesproken.

Jakob Streit vertelde de verhalen zodanig na dat deze voor de leerkracht dé bron vormen om deze vertelstof op beeldende manier aan de kinderen te vertellen – uit het hoofd: deze worden niet voorgelezen!

Rudolf Steiner besteedde in 1910 een voordrachtenreeks aan de ‘zeven scheppingsdagen’ waarbij hij de Hebreeuwse woorden uit Genesis 1 verklaart vanuit zijn antroposofische visie.

Als persoonlijke noot voeg ik hier graag toe dat ik na het lezen van zijn uiteenzettingen met nóg meer eerbied de scheppingsdagen aan de kinderen heb kunnen vertellen.
Uiteraard spreek je met de kinderen niet over Steiners gezichtspunten: antroposofie hoort geen lesinhoud te zijn.
Maar het kan je zeer verrijken om zijn uitleg wél te bestuderen.

Ik vond het altijd heel mooi om met de kinderen de woorden in de Bijbel in het Hebreeuws met ze te reciteren.
Alleen, hoe spreek je ze uit.

Daarbij kan onderstaande inhoud helpen:

Ook mooi om een stukje tekst op het bord te schrijven – en als je met de kinderen een ‘Scheppingsboek’ maakt, kan het daar natuurlijk bij. Je moet wel van rechts naar links schrijven!

De tekst als geheel:

Gen. 1:1

Gen. 1;2

Gen. 1:3

Gen. 1:4

Gen.1:5

De diverse Bijbelvertalingen geven hun eigen versie van deze eerste scheppingsdag. 

*Artikelen in Vrije Opvoedkunst:
De verhalen uit het Oude Testament
Over het Oude Testament
Het Oude Testament als oerbeeld van de geschiedenis

.

2620-2454

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sprookjes (2-4/24)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen

.

IJZEREN HANS

Er was eens een koning en bij zijn slot lag een groot woud, waarin allerlei wild rondliep. Op een keer stuurde de koning er een jager op uit om een ree te schieten, maar hij kwam niet terug. ‘Misschien is hem een ongeluk overkomen,’ zei de koning en stuurde de volgende dag twee andere jagers erop uit die hem moesten zoeken, maar die bleven ook weg. Toen liet de koning de derde dag al zijn jagers bij zich komen en sprak: ‘Trek door het hele woud en kom niet terug voor jullie hen alle drie hebt gevonden,’ maar ook van deze jagers kwam er geen een weerom en van de meute die zij hadden meegenomen werd geen hond meer gezien. Vanaf die tijd waagde niemand zich meer in het woud en het lag daar stil en verlaten en men zag er alleen nu en dan een adelaar of een havik overheen vliegen.

Toen de mens die in oude tijden leefde nog op een koning leek, lag er in zijn binnenwereld (zijn rijk) een gebied dat nog weinig toegankelijk was. Dat was het gebied van het vegetatieve leven; daar was woekerende groei van allerlei krachten dicht bij elkaar; er was nog weinig onderzocht en overwonnen. De taal van het beeld noemt dit gebied ‘het grote woud’. Er waren wel jagers, koninklijke jagers in doorgedrongen, die het ‘wild’ te lijf moesten gaan: de  driften die in dit gebied van nature huizen. Maar ze zijn er allemaal in ten onder gegaan.

Dat duurde vele jaren; toen meldde zich een vreemde jager bij de koning, die was op zoek naar een betrekking en hij bood aan, het gevaarlijke woud in te gaan. Maar de koning wilde zijn toestemming niet geven en sprak: ‘Het is daar niet pluis. Ik ben bang dat het jou niet beter zal vergaan dan de anderen en dan kom je er niet meer uit.’ De jager antwoordde: ‘Heer, ik wil het op eigen verantwoording ondernemen – vrees ken ik niet.’ De jager ging dus met zijn hond naar het woud. Het duurde niet lang of de hond kwam een dier op het spoor en wilde er achteraan gaan maar nauwelijks had hij een paar passen gelopen of hij stond voor een diepe poel en kon niet verder en een naakte arm kwam uit het water, pakte hem en trok hem naar beneden. Toen de jager dat zag, ging hij terug en haalde drie mannen die met emmers het water eruit moesten scheppen. Toen zij de bodem konden zien, lag daar een wildeman die een lichaam had zo bruin als verroest ijzer en haar dat over zijn gezicht tot op zijn knieën viel.

Pas als de tijd rijp is, lukt het degene die vrijwillig en zonder schroom daar naartoe gaat om te leren wat zich in die geheimzinnige sfeer afspeelt. De zin om dat op te sporen is wakker en snelt hem vooruit (de hond); die wordt weliswaar in een onbekende diepte getrokken, maar daardoor komt de jager te weten wat er nu nodig is. 
Iedere ‘diepte’ moet ‘scheppend’ worden benaderd! Hij die zeker is van zijn doel en niet bang de dingen onder ogen te zien, zet drie even actieve geestkrachten in (zijn voelen, denken en willen – hier de drie mannen), om deze onbekende diepte te doorgronden.
De gezamenlijke activiteit heeft succes, wat voordien niet mogelijk was, nl. te doorzien wat er aan diepte ten grondslag ligt: een enorme natuurkracht die tot nog toe alles naar beneden trok, zelf niet in het daglicht verscheen, de wilde man, de IJzeren Hans.
De wildeman was. zoals we al eerder zagen, een van de meest voorkomende symbolische beelden uit de middeleeuwen en het begin van de nieuwe tijd. Je ziet hem nog in musea, op schilden van herbergen, op muren van huizen. Hij werd altijd naakt afgebeeld. ‘Naakt’ betekent, wat zijn wezen betreft, niet in het omhulsel van het lichaam. Vaak heeft hij een knuppel in zijn hand of een uitgetrokken boom, soms met bladeren om zijn hoofd en heupen gewonden. 
De mensen moeten zien hoe sterk en wild zijn natuurkracht is, en hoe ze zelf als geestelijke mens met deze natuurmens om moeten gaan. 
In ons sprookje is hij ‘bruin als roestig ijzer’; zinnebeeldig is hij de kracht die in het ijzer in ons bloed zit. ‘Roestig’ ijzer wordt aan de elementen overgelaten; het wordt nog niet door Ik-kracht die het veranderen kan, verzorgd en gebruikt.

Zij bonden hem met touwen vast en brachten hem naar het slot. Daar was iedereen zeer verbaasd over de wildeman, maar de koning liet hem in een ijzeren kooi op het slotplein zetten en hij verbood op straffe des doods de deur van de kooi te openen en de koningin zelf kreeg de sleutel in bewaring. Van nu af aan kon iedereen weer veilig het woud ingaan.

Het oude Zelf van de mens (de koning) probeert deze natuurkracht die hem vreemd is, in te perken en de orde te bewaren. Ook in de buitenwereld was het ijzer als te verwerken stof  lang onbekend; maar de ontwikkeling die met de ontdekking ervan zijn gang ging, kon niet worden tegengehouden.

De koning had een zoontje van acht jaar dat eens op het slotplein speelde en onder het spelen viel zijn gouden bal in de kooi. De jongen liep erheen en zei: ‘Geef mij mijn bal eens aan.’ – ‘Niet eerder,’ antwoordde de man, ‘dan dat je de deur voor mij hebt opengemaakt.’ – ‘Nee,’ zei de knaap, ‘dat doe ik niet, dat heeft de koning verboden,’ en hij liep weg. De volgende dag kwam hij terug en eiste zijn bal op maar de wildeman zei: ‘Maak mijn deur open,’ maar de jongen wilde niet. De derde dag was de koning op jacht en toen kwam de jongen weer en zei: ‘Al zou ik het willen, ik kan de deur niet openmaken want ik heb de sleutel niet.’ Toen zei de wildeman: ‘Die ligt onder het hoofdkussen van je moeder. Daar kan je hem halen.’ De jongen die graag zijn bal wilde terug hebben, overwon zijn aarzeling en haalde de sleutel. De deur ging moeizaam open en de jongen klemde zijn vinger. Toen de deur open was, kwam de wildeman eruit, gaf hem zijn gouden bal en holde weg. De jongen was bang geworden, hij schreeuwde en riep hem na: ‘Ach wildeman, ga niet weg, anders krijg ik slaag.’ De wildeman keerde om, tilde hem op, zette hem op zijn schouders en liep snel het bos in. Toen de koning thuiskwam zag hij de lege kooi en vroeg aan de koningin hoe dat gekomen was. Zij wist er niets van en zocht de sleutel, maar die was weg. Zij riep de jongen maar niemand antwoordde. De koning zond zijn mensen het veld in om hem te zoeken maar zij vonden hem niet. Toen kon hij wel raden wat er gebeurd was en er heerste diepe rouw aan het koninklijk hof.

In ons sprookje is de koningszoon acht jaar oud als dit dramatische deel begint. 
Ook al wil het overgeërfde Zelf ( de vader) deze angstaanjagende natuurkracht tegenhouden, de naïeve kracht van het wordende Ik (de zoon) komt er onvermijdelijk mee in aanraking: de koningszoon raakt zijn bal aan IJzeren Hans kwijt. Tot het achtste jaar zit er in alles wat een kind doet, nog een onbewust dromend iets. Niet zijn vrije Ik handelt, maar een kinderlijke levenskracht speelt met samenge-bal-de wijsheid (met de gouden bal). Deze instinctieve gave valt ten prooi aan de ijzerkracht die vrij wil worden. IJzer is nodig om ons bewustzijn in ons lichaam te verankeren. Het is de basis voor ons Ik-bewustzijn. We worden slap en willoos wanneer we te weinig ijzer in ons bloed hebben. 
IJzeren Hans komt vrij en bevrijdt ook de jongen die hij wegdraagt. Het vrij worden van een natuurkracht verloopt niet zonder pijn: hij klemt zijn vinger. Het ‘hand-elen’, tot nog toe onbewust spelend, wordt plotseling beperkt (ingeklemd). Pijnlijk bewust wordt nu het eigen-handelen. Het jonge Ik maakt zich los uit de overgeërfde krachten, het geestelijk-vaderlijke en het zielsmatige van de moeder, het komt nu onder de invloed van het ijzer.

Toen de wildeman weer in het duistere woud was aangekomen nam hij de jongen van zijn schouders en sprak tot hem: ‘Je vader en je moeder zie je nooit meer terug, maar ik zal je bij mij houden, wantje hebt mij bevrijd en ik heb medelijden met je. Als je alles doet wat ik zeg, zal je het goed bij mij hebben. Goud en schatten heb ik genoeg, meer dan wie ook in de wereld.’ Hij maakte een bed van mos voor de jongen waarop hij insliep en de volgende morgen bracht de man hem naar een bron en zei: ‘Zie je, de goudbron is zo helder als kristal – jij moet erbij gaan zitten en opletten dat er niets invalt, anders wordt hij ontwijd. Iedere avond kom ik kijken of je mijn gebod hebt opgevolgd.’ De jongen ging aan de rand van de bron zitten en zag dat zich daarin dan weer een gouden vis, dan weer een gouden slang liet zien en hij zorgde ervoor dat er niets in het water viel. Toen hij daar zo zat begon zijn vinger hem zo’n pijn te doen dat hij hem onwillekeurig in het water stak. Hij trok hem er snel weer uit, maar toen zag hij dat de vinger al helemaal verguld was en hoeveel moeite hij ook deed het goud er weer af te vegen, het was allemaal vergeefs, ’s Avonds kwam IJzeren Hans terug, keek de jongen aan en vroeg: ‘Wat is er met de bron gebeurd?’ – ‘Niets, niets,’ antwoordde hij en hield zijn vinger op zijn rug opdat hij hem niet zou zien. Maar de man zei: Je hebt je vinger in het water gedoopt – deze keer zal ik het je vergeven, maar pas op dat je er niet nogmaals iets in laat vallen.’ Heel vroeg in de morgen zat de jongen al bij de bron om die te bewaken. Zijn vinger deed hem weer pijn en hij streek ermee over zijn hoofd; toen viel er per ongeluk een haar in de bron. Hij nam hem er snel uit maar hij was al helemaal verguld. IJzeren Hans kwam en hij wist al wat er gebeurd was. Je hebt een haar in de bron laten vallen,’ zei hij, ‘ik zal het nog één keer door de vingers zien, maar als het voor de derde maal gebeurt dan is de bron ontwijd en dan kan je niet langer bij mij blijven.’

De derde dag zat de jongen bij de bron en hoeveel pijn hij ook aan zijn vinger had, hij bewoog hem niet. Maar de tijd begon hem lang te vallen en hij bekeek zijn gezicht in de waterspiegel. Toen hij zich daarbij steeds verder voorover boog om zichzelf in de ogen te kunnen zien, gleden zijn lange haren van zijn schouders af in het water. Hij richtte zich snel op maar al zijn haar was al verguld en het glansde als de zon. Jullie kunt je wel indenken hoe die arme jongen schrok. Hij nam zijn zakdoek en bond die om zijn hoofd dat de man het niet zou zien. Maar toen hij kwam wist hij alles al en hij zei: ‘Maak die doek los.’ En daar kwam het gouden haar te voorschijn en hoe de jongen zich ook verontschuldigde, het hielp niets. Je hebt de proef niet doorstaan en je kunt niet langer hier blijven. Ga de wereld in, dan zal je ervaren wat het is om arm te zijn. Maar omdat je geen kwaad hart hebt en ik het goed met je meen, zal ik je één ding toestaan – als je in nood bent, ga dan naar het bos en roep “IJzeren Hans”, dan kom ik je te hulp. Mijn macht is groot, groter dan je denkt en goud en zilver heb ik in overvloed.’

Het ijzer leidt hem nu en maakt hem wijzer. Het eerste wat hij moet leren is dat de gouden bron van de wijsheid van de kindertijd waarvan het bestaan nu voor het prille Ik duidelijk wordt, moet behoed worden. Daarin glanzen de ‘gouden vissen’, die gedachten die niet gedacht worden, maar vol wijsheid uit de diepten ‘opduiken’, en de ‘gouden slang’, die nog niet de verleider van het intellect is geworden. Het is ‘ijzeren’ noodzakelijkheid dat de gouden bron beschermd wordt. Van pijn vervuld raakt de koningszoon door zijn handelen in conflicten: hij kan de gouden bron niet zuiver houden. En wat zich in het handelen voordoet, gebeurt ook in het denken (de jongen grijpt naar zijn haren). Daar worden de conflicten bewust en omdat het jonge Ik dat nu vrij is van vader en moeder zichzelf wil beschouwen en leren kennen, krijgt het weliswaar een waarneming van zichzelf, maar wat hij ziet is het Zelf van de gouden bron van zijn kindertijd. Onderdompeling in deze scheppende bron vervult hem met wijsheid (zijn haren vallen erin en worden goudkleurig); maar je zelf zien en zelfkennis zijn nog niet rijp. 
Nooit mag de mens met het goud dat hij zo verkrijgt, tevreden zijn. De wijsheid van het kind – al was het tot genialiteit geworden – kan in het leven niet blijvend zijn, wanneer het exacte individuele denken niet tevens ontwikkeld wordt.
Zonder de activiteit van het hoofd, het hersenwerk dat ons in eerste instantie afsnoert van de kosmos en ons tot een zelfstandige persoon maakt, gaat het niet.
In het sprookje zijn kap of hoed het beeld voor dit hoofddenken. ‘Jij bent een Ik,’ zegt het ijzer in het bloed, ‘je moet alles op je nemen – Duits heeft hier ‘auf die Kappe nehmen’. En zo worden de haren eerst met een doek bedekt en later met een hoedje.
Verder leert het ijzer aan de koningszoon nog: ga de wereld in en leer de armoede kennen; wat je bezit, moet je door eigen werk verkrijgen, je moet je ontwikkelingsweg gaan en een universeel denken, een wereldbeschouwing je eigen maken. Sommige van deze paden zijn door anderen betreden, sommige moet je zelf vinden.

Toen verliet de koningszoon het woud en liep steeds verder over gebaande en ongebaande wegen tot hij tenslotte in een grote stad kwam. Daar zocht hij werk maar hij kon niets vinden en hij had ook niets geleerd waarmee hij de kost kon verdienen. Ten langen leste ging hij naar het slot en vroeg of hij daar mocht blijven. De hovelingen wisten niet waarvoor zij hem moesten gebruiken, maar zij mochten hem wel en lieten hem blijven. Ten slotte nam de kok hem in dienst en zei dat hij hout en water kon aandragen en de as aanvegen. Eens, toen er niemand anders bij de hand was, beval de kok hem de spijzen naar de koninklijke dis te brengen; omdat hij echter zijn gouden haar niet wilde laten zien, hield hij zijn hoedje op. Zoiets had de koning nog nooit meegemaakt en hij sprak: ‘Als je bij de koninklijke tafel komt, moet je je hoed afzetten.’ – ‘Ach Heer,’ antwoordde hij, ‘dat kan niet want ik heb schurft op mijn hoofd.’ Toen liet de koning de kok roepen, berispte hem en vroeg, hoe hij zo’n jongen in dienst had kunnen nemen; hij moest hem dadelijk wegjagen. Maar de kok had medelijden met hem en verruilde hem voor de tuinjongen.

Nu komt de koningszoon bij een andere, vreemde koning. Hij komt op een ander gebied, dat van de ziel. 
Eerst moet hij in de keuken werken, hout dragen, water halen en de as omkeren. ‘Hout dragen’ betekent altijd het dorre, het verdroogde dagelijks op je nemen en wegbrengen. Dat is het bijv. het abstract geworden levenloze denken. ‘Water’ is als tegenstelling, het vloeibaar-beweeglijke element van de ziel; de ‘bron’ vinden, stromend het ‘scheppende’ verkrijgen, is de noodzakelijke aanvulling.
Een oude Chinese waarheid zegt: ‘O, hoe zonderbaar, hoe opmerkelijk is het: Ik schep water, ik draag brandhout.’
En de as wordt omgekeerd: ‘as’ is het gelouterde (in alchemistische zin) het wilsvuur dat in het innerlijk oplaait, loutert, leidt tot een innerlijke verandering.

Bij de kok van de koning dienen betekent: ervaren wat echt zielenvoeding en voedsel voor de geest is. En dan mag hij uiteindelijk de heerser van het rijk ontmoeten. Velen die deze trap bereikt hebben, denken nu dat ze van verder leren kunnen afzien en zou de hoed voortijdig afgezet hebben; maar onze held niet, hij voelt de verantwoording voor nog hogere ontwikkeling. De tijd is nog niet rijp om de rijkdom van de gouden haren te tonen.
Nu begint een nieuwe fase van de zelfopvoeding.

Nu moest de jongen in de tuin planten en gieten, spitten en graven en hij was blootgesteld aan weer en wind. Op een zomerdag toen hij alleen in de tuin werkte, was het zó warm dat hij zijn hoedje afnam zodat de lucht hem wat verkoeling zou brengen. Toen de zon op zijn haar scheen, glinsterde en flonkerde het zó, dat de stralen in de slaapkamer van de koningsdochter vielen en zij sprong op om te zien wat dat was. Toen zag zij de jongen en riep hem toe: Jongen, breng mij eens een bos bloemen.’ Hij zette vliegensvlug zijn hoedje weer op, plukte wilde veldbloemen en bond ze bij elkaar. Toen hij daarmee de trap opging kwam hij de tuinman tegen die zei: ‘Hoe kun je nu aan de koningsdochter een boeket van zulke simpele bloemen brengen? Ga gauw andere halen en zoek de beste en de zeldzaamste uit.’ – ‘Ach nee,’ antwoordde de jongen, ‘de wilde ruiken sterker en zullen haar beter bevallen.’ Toen hij in de kamer kwam sprak de koningsdochter: ‘Neem je hoedje af, het is niet behoorlijk om het in mijn tegenwoordigheid op te houden.’ Hij antwoordde weer: ‘Dat mag ik niet want ik heb schurft op mijn hoofd.’ Zij greep echter naar het hoedje en trok het af: daar vielen zijn gouden haren over zijn schouders en het was prachtig om te zien. Hij wilde weghollen maar zij hield hem aan zijn arm vast en gaf hem een handvol dukaten. Hij ging ermee weg maar hij gaf niet om het goud en bracht het aan de tuinman en zei: ‘Ik geef het aan je kinderen, die kunnen ermee spelen.’ De volgende dag riep de koningsdochter hem weer toe, dat hij haar een bos veldbloemen moest brengen en toen hij daarmee binnenkwam, greep zij dadelijk naar zijn hoedje om het hem af te nemen, maar hij hield het met beide handen vast. Zij gaf hem weer een handvol dukaten maar hij wilde ze niet houden en gaf ze aan de tuinman voor zijn kinderen om mee te spelen. De derde dag ging het net zo. Zij kon hem zijn hoedje niet afnemen en hij wilde haar goud niet hebben.

De koningszoon wordt tuinman; in onze taal bestaan er allerlei beelden bij. Wie het zaad van het woord in het aardrijk van zijn ziel kan zaaien, wie in staat is kiemen te verzorgen, het zwakke steun te bieden en geduldig te wachten tot de vruchten rijp worden, lijkt op een tuinman die het leven bevordert en het edele tot groei brengt.
Het is een ontwikkelingstrap die iedere opvoeder zou moeten bereiken, m.n. de kleuterleid(st)er en de leerkracht. 
Vanzelfsprekend valt de jongeling nu op bij de hogere ziel (de koningsdochter); zij weet van de rijkdom die hij in zijn kindertijd meegekregen heeft en die hij met het logische denken dat hij voortdurend verder ontwikkelt en als een schat
be-hoed-t. Voor het vrij wordende Ik is het een karakteristiek teken dat de jongeling ook in de nabijheid van de koningsdochter, net zo als bij de koning, zijn hoedje ophoudt. Hij wil zelf beslissen wanneer het tijd is, dat hij dit persoonlijke eigen-denken (zijn hoedje) af kan zetten. Ook goudstukken die de koningsdochter hem geeft, hebben voor hem weinig waarde, wel wetend dat de zoeker naar wijsheid niet met iedere ‘gemunte’ waarheid tevreden mag zijn.

Niet lang daarna kwam er oorlog in het land. De koning bracht zijn volk bijeen maar hij wist niet of hij de vijand, die overmachtig was en een groot leger had, wel weerstand kon bieden. Toen zei de tuinjongen: ‘Ik ben volwassen en wil mee ten strijde trekken, geef mij maar een paard.’ De anderen lachten en zeiden: ‘Als wij weg zijn, zoek je er maar een uit – wij zullen er een voor je in de stal achterlaten.’ Toen zij weg waren, ging hij naar de stal en haalde het paard eruit; het was aan een been kreupel en hinkte, hinkelepink, hinkelepink. Toch ging hij erop zitten en reed naar het donkere woud. Toen hij aan de rand daarvan was gekomen riep hij driemaal zó hard ‘IJzeren Hans’ dat het tussen de bomen schalde. Dadelijk daarop verscheen de wildeman en vroeg: ‘Wat wens je?’ – ‘Ik wens een sterk paard want ik wil ten strijde trekken.’ -‘Dat zal je krijgen en meer dan dat.’ Daarop ging de wildeman weer het bos in en het duurde niet lang of er kwam een stalknecht uit het bos die een paard aan de teugel leidde dat met opengesperde neusgaten snoof en nauwelijks in toom te houden was. Daar achteraan kwam een grote schare krijgsvolk, allemaal geharnast, en hun zwaarden blonken in de zon. De jongeling gaf zijn driebenig paard aan de stalknecht, besteeg het andere en reed weg aan het hoofd van zijn schare. Toen hij bij het slagveld kwam was er al een groot deel van de soldaten van de koning gevallen en het scheelde niet veel of de anderen moesten terugtrekken. Toen kwam de jongeling met zijn geharnast krijgsvolk aanjagen, voer als een stormwind over de vijand heen en sloeg iedereen neer die zich tegen hem verzette. Zij sloegen op de vlucht maar de jongeling zat hen op de hielen en hield niet op voor er niemand meer over was.
Doch in plaats van naar de koning terug te keren, leidde hij zijn troep weer naar het woud en riep IJzeren Hans. ‘Wat wens je?’ vroeg de wildeman. ‘Neem je paard en je krijgsvolk terug en geef mij mijn driebenig paard weer.’ Alles gebeurde zoals hij wenste en hij reed op zijn driebenig paard naar huis.

Wanneer het rijk van de ziel in gevaar is en het koninkrijk wordt bedreigd, moet het Ik bereid zijn zich optimaal in te zetten. Alle strijdbare krachten worden opgeroepen. Die staan de mens altijd ten dienste, wanneer hij ernstig wil en de ijzerkracht in zijn bloed bemerkbaar is. Voor de strijd heeft de held het sterkste paard nodig: het is het symbool van het instinctieve verstand, die kracht die, getemd en beteugeld, actief tot geestelijke doelen kan leiden.
Plato vergelijkt het verstand van de mens met een paard dat hij bij de teugel houdt. 
Ook in onze taal vind je een hele reeks toepasselijke uitdrukkingen: ‘hij zit hoog te paard’, ‘hij heeft het verstand van een knol’, ‘vast in het zadel zitten’ e.a. 
De koningszoon krijgt nu een paard dat aan één been lam is, een kreupel paard. Maar hij wijst het niet af en gebruikt het ‘desondanks’. 
In vele sprookjes met een Ik-motief komt het beklagenswaardige, schurftige en hinkende paard voor. Het beeld wijst erop dat de mens alleen door eigen toedoen zijn verstand veranderend ontwikkelt tot de best mogelijk dragende kracht. Alle opgeroepen krachten zijn ‘allemaal geharnast’ en daardoor lukt het de inzet van het Ik, wat de zielen-koning alleen niet voor elkaar kon krijgen: de macht van de tegenstander wordt teruggeslagen. Bescheiden keert de echte geestesstrijder terug naar zijn dagelijks leven.

Toen de koning weer in zijn slot terugkeerde kwam zijn dochter hem tegemoet om hem geluk te wensen met de overwinning. ‘Niet ik heb de zege behaald,’ sprak hij, ‘maar een vreemde ridder die mij met zijn schare te hulp kwam.’ Zijn dochter wilde weten wie die vreemde ridder was, maar de koning wist het niet en zei: ‘Hij is de vijand achterna gegaan en ik heb hem niet meer gezien.’ Zij vroeg bij de tuinman naar de jongen, maar die lachte en sprak: ‘Hij is juist op zijn driebenig paard thuisgekomen en de anderen hebben hem bespot en toegeroepen: “Daar komt onze hinkelepink weer aan.” Zij vroegen ook: “Achter welke heg heb jij onderwijl liggen slapen?” Hij antwoordde: “Ik heb het beste werk verricht, zonder mij was het slecht afgelopen.” Toen werd hij nog meer uitgelachen.’
De koning sprak tot zijn dochter: ‘Ik ga een groot feest geven dat drie dagen zal duren en jij moet een gouden appel werpen – misschien komt de onbekende ridder ook.’ Toen het feest was aangekondigd ging de jongeling naar het woud en riep IJzeren Hans. ‘Wat wens je?’ vroeg hij. ‘Dat ik de gouden appel van de koningsdochter vang.’ – ‘Het is of je hem al had,’ zei IJzeren Hans, ‘je krijgt er een rode wapenrusting bij en je zult rijden op een fiere vos.’ Toen de dag aanbrak kwam de jongen aandraven en stelde zich op tussen de ridders en hij werd door niemand herkend. De koningsdochter trad naar voren en wierp de ridders een gouden appel toe, maar hij was de enige die hem ving; maar zodra hij hem had, galoppeerde hij weg. De tweede dag had IJzeren Hans hem uitgerust als een witte ridder en hem een schimmel gegeven. Weer ving alleen hij de appel, bleef echter geen ogenblik staan maar galoppeerde ermee weg. De koning werd boos en zei: ‘Dat mag niet. Hij moet voor mij verschijnen en zijn naam zeggen.’ Hij gaf bevel, als de ridder die de appel had gevangen, zich weer uit de voeten maakte, moesten zij hem nazetten en wanneer hij niet goedschiks terugkeerde, op hem inslaan en hem steken. De derde dag kreeg de jongeling van IJzeren Hans een zwarte uitrusting en een zwart paard en hij ving opnieuw de appel, maar toen hij ermee weggaloppeerde volgden de mannen van de koning hem en één kwam zo dichtbij, dat hij hem met de punt van zijn zwaard aan zijn been verwondde. Hij ontkwam hen evenwel maar zijn paard ging er met zo’n geweldige sprong vandoor dat de helm van zijn hoofd viel en toen zagen zij dat hij goud haar had. Zij reden terug en meldden alles aan de koning.

De appel is de vrucht van de boom van de kennis van goed en kwaad. Dat wordt een gouden appel wanneer deze kennis tot wijsheid wordt. De koninklijke ziel moet deze vrucht ten goede laten komen aan degene die deze kan vastgrijpen.
Het Ik verlangt daarnaar en opnieuw is het de natuurkracht van het ijzer die hem daarbij helpt; want hij krijgt de rode uitrusting en het rode ros. Ons bloed is de basis voor het Ik in het lichaam. Gezond rood bloed is de voorwaarde ervoor dat de mens wakker de wereld tegemoet kan gaan, zijn omgeving op de juiste manier waarneemt en zich daarvoor weet in te zetten. Met deze ijzerkracht is hij uitgerust. Die werkt ook door in zijn verstand, uitgedrukt door het rode paard. Als we aan Parzival denken die een rode ridder werd en op het rode paard rijdt, dan hebben we hier hetzelfde voor ons. 
Bij het inzicht dat nu verkregen is door het bloed, moet de kennis van de geest komen. Waar deze kennis zich verbindt met het bovenzintuiglijke (tot het witte paard wordt), ontstaat in de mens de zuiverheid van de immateriële wereld (de witte uitrusting wordt aangetrokken) en deze leidt naar een nieuwe ontmoeting met de koningsdochter die op deze ontwikkelingstrap hem de vruchten kan aanreiken.
Op de derde dag draagt de held de zwarte uitrusting en rijdt op een zwart paard. Zwart is de kleur van het aards-materiële. Het zich kunnen richten op de stoffelijke zintuigwereld is op het niveau van de keukenjongen en de tuinknecht lange tijd geoefend. ‘Ga de wereld in en leer de armoede kennen’, had IJzeren Hans geëist. De aardse wereld is armoede zolang men die alleen maar als stoffelijle wereld ziet. Wanneer echter de geestelijke kennis dermate sterk wordt – de rode en witte uitrusting – worden de goddelijke scheppingskrachten herkend die aan de stoffelijke wereld ten grondslag liggen en die vormgeven.
De koningszoon krijgt de zwarte uitrusting en beheerst het zwarte paard. Omdat het vergeestelijkte verstand ook deze donkere zintuigwereld doorziet en overwint, wordt de vloek opgeheven: de rode appel is op dit niveau verworven.

De volgende dag vroeg de koningsdochter de tuinman naar zijn tuinjongen. ‘Hij werkt in de tuin – die rare snaak is ook op het feest geweest en pas gisterenavond thuisgekomen; hij heeft aan mijn kinderen drie gouden appels laten zien die hij had gewonnen.’ De koning liet hem voor zich verschijnen. Hij kwam en had het hoedje weer op zijn hoofd, maar de koningsdochter liep op hem toe en nam het hem af, waarop zijn gouden haar over zijn schouders viel en hij was zo schoon dat allen verbaasd waren. ‘Was jij de ridder die iedere dag in een andere kleur op het feest kwam en die de drie gouden appels ving?’ vroeg de koning. ‘Ja,’ antwoordde hij, ‘en hier zijn de appels,’ en hij haalde ze uit zijn zak en overhandigde ze de koning. ‘Als u nog meer bewijzen verlangt kan ik u de wond laten zien die uw mannen mij hebben toegebracht toen zij mij achtervolgden. Maar ik ben ook de ridder die u aan de overwinning op de vijand heeft geholpen.’ – ‘Als je tot zulke daden in staat bent, dan ben je geen tuinjongen – zeg mij, wie is je vader?’ – ‘Mijn vader is een machtig koning en ik heb goud in overvloed, zoveel ik maar wens.’ – ‘Ik zie wel,’ sprak de koning, ‘dat ik je dank verschuldigd ben. Kan ik je ergens een genoegen mee doen?’ – ‘Ja,’ antwoordde hij, ‘dat kunt u. Geef mij uw dochter tot vrouw.’ Daarop begon de jonkvrouw te lachen en sprak: ‘Hij windt er geen doekjes om, maar ik had aan zijn gouden haar al gezien dat hij geen tuinjongen was,’ en zij liep naar hem toe en kuste hem. Zijn vader en zijn moeder kwamen op de bruiloft en waren heel gelukkig want zij hadden reeds alle hoop laten varen hun geliefde zoon ooit weer te zien. Toen zij aan de bruiloftsdis zaten verstomde opeens de muziek, de deuren gingen wijd open en een trotse koning trad met groot gevolg binnen. Hij ging naar de jongeling toe, omarmde hem en sprak: ‘Ik ben IJzeren Hans en ik was veranderd in een wildeman, maar jij hebt mij verlost. Alle schatten die ik bezit zullen jouw eigendom zijn.’

Nu kan het hoedje van zijn hoofd en het gouden haar wordt zichtbaar. Het zelfstandige denken dat door vele offers verworven is, verandert van betekenis: hoogste wijsheid straalt in het gedachteleven. Wat in de gouden bron (de kindertijd) aangelegd werd, is door de loutering tot een bezit geworden dat niet meer verloren gaat.
In geen sprookje vinden we zo’n direct, bijna brutaal huwelijksaanzoek; tot in de stijl drukt de Ik-mens zich uit. Nu kan de koninklijke bruiloft worden gevierd.
Als het Ik als het eeuwig-mannelijke rijp geworden is, kan het één worden met het eeuwig-vrouwelijke van de ziel.
De verborgen natuurkracht van het ijzer laat zich nu zien in de ware betekenis en met de volle rijkdom; ze is door de mens die zichzelf veranderd heeft, tot een koninklijke geestgestalte edel geworden. 

.Illustratie uit Grimm Sprookjes,
Uitgegeven bij Lemniscaat.
.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2542-2381

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sprookjes (2-4/23)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen

.
De koningszoon die nergens bang voor was

Er was eens een koningszoon wie het thuis bij zijn vader niet meer beviel en omdat hij nergens bang voor was dacht hij: ik ga de vrije wereld in, dan valt de tijd mij niet zo lang en ik zal vele wonderlijke dingen zien. Dus nam hij afscheid van zijn ouders en ging weg, steeds verder, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat en het was hem om het even waar de weg hem heenvoerde. En zo gebeurde het dat hij bij het huis van een reus kwam en omdat hij moe was ging hij voor de deur zitten om uit te rusten. En terwijl hij zijn ogen de kost gaf zag hij op het erf het speelgoed van de reus liggen – dat waren een paar geweldige ballen en kegels .zo groot als een mens. Na een tijdje kreeg hij zin de kegels op te zetten, gooide er met de ballen naar, hij juichte als de kegels omvielen en was in de beste stemming. De reus hoorde het lawaai, stak zijn hoofd door het raam en ontwaarde een mens die niet groter was dan andere mensen en toch met zijn kegels speelde. ‘Wurmpje,’ riep hij, ‘wat kegel jij daar met mijn kegels? Wie heeft je daar de kracht toe gegeven?’ De koningszoon keek op, zag de reus en zei: ‘O jij lummel, je dacht zeker dat jij alleen sterke armen had? Ik kan alles waar ik zin in heb.’ 

Als een zoon volwassen is geworden, wordt het tijd dat hij het vaderhuis verlaat om de wereld in te gaan en om zichzelf te bewijzen. Dat geldt ook voor de binnenwereld. Het jonge Ik dat sterker aan het worden is, wil een vrije, zelfstandige individualiteit worden. Het oude zelf (de vader) en de ziel waaruit die geboren is (de moeder) kunnen hem niet meer geven wat hij nodig heeft. Hij heeft een opvatting over de wereld nodig en hij moet zo volwassen worden dat hij zichzelf in de hand heeft. Dat heet in het sprookje ‘het koningschap vinden’. Dat betekent vele opgaven volbrengen en de weg daarnaartoe is vol gevaar. Het eerste gevaar is de reus en die is kennelijk des te machtiger, naarmate het Ik sterk is. 
Reuzen zijn imaginaties van grote, ongeslachtelijke, teugelloze natuurkrachten. Door helderziende mensen werden ze gezien als vorst-, ijs- en stormreus. Ze gaan geweldig, maar zinloos tekeer, daarom worden ze groot en dom genoemd. Ook in de mens kunnen deze ‘reuzen’krachten werken, teugelloos, mateloos. En het geheel van onze menselijke natuur in ons, is zo’n reus. Iedereen krijgt ermee te maken, het meest echter degene die zijn koninklijke waardigheid zelfstandig wil verwerven.
De reus speelt graag met ballen en kegels die zo groot zijn als een mens. De bal is, evenals de ring, de uitdrukking voor de kosmos. Hiermee wordt de sferische vorm aangegeven. De natuurmens in ons gebruikt die krachten, onbewust gaat hij ermee om, hij speelt. Het Ik moet die krachten en de gevolgen ervan net zo leren gebruiken, maar vanuit een vrije wil en een bewuste houding. Hij moet zich t.o. die reuzenkracht opstellen en kunnen zeggen: jij hebt niets anders dan je grofstoffelijke wildheid, de kracht die in je fysieke lichaam werkt; maar ik kan deze krachten bewust beheersen.

De reus kwam naar beneden, keek heel verbaasd naar het kegelen en zei: ‘Mensenkind, als jij er zó een bent, ga dan voor mij een appel van de Boom des Levens halen.’ – ‘Wat moet je daarmee?’ vroeg de koningszoon. ‘Ik wil die appel niet voor mijzelf hebben,’ antwoordde de reus, ‘maar ik heb een bruid die ernaar verlangt en ik heb overal in de wereld rondgelopen maar ik kan die boom niet vinden.’ – ‘Ik zal hem wel vinden,’ zei de koningszoon, ‘en ik zou niet weten wat mij ervan kan weerhouden een appel van die boom te plukken.’ De reus zei: Je denkt zeker dat dat zo eenvoudig is? De tuin waarin die boom staat is door een ijzeren hek omgeven en voor dat hek liggen wilde dieren, de een naast de andere en zij houden de wacht en laten geen mens binnen.’ – ‘Mij zullen ze wel binnenlaten,’ zei de koningszoon. Ja, en als je dan al in de tuin komt en de appel aan de boom ziet hangen, dan is hij nog niet van jou – er hangt een ring voor, waar je je hand doorheen moet steken om de appel te kunnen grijpen die je wilt plukken en dat is nog niemand gelukt.’ – ‘Mij lukt dat wel,’ sprak de koningszoon.

De appel is in het Avondland de vrucht van de boom van de kennis. Hij werd het symbool voor de gebeurtenis waarbij de mens uit een hogere bewustzijnstoestand in een lagere ‘viel’ en de paradijselijke hogere wereld verwisselde voor de ons omringende zintuigwereld. De mens werd burger van twee werelden. Door deze ‘val’ verkrijgt hij echter de kennis van goed en kwaad. Deze ‘appel’ hebben Eva en Adam plaatsvervangend voor ons gegeten. Wat is de appel des levens? Het beeld van de tuin wijst naar de plaats waar in rijke mate een volheid aan levenskiemen groeit, waar vruchten en zaden rijpen. Het is de wereld van de groei- en levenskrachten die ons lichaam doortrékken en die overal leven wekken. Het is het bijzondere krachtengebied in de mens dat Aristoteles de ‘vegetatieve ziel’ noemt. Dit is een beschermd gebied: om de tuin bevindt zich een ijzeren hek; je moet een ijzeren wil hebben om er binnen te kunnen gaan. Deze wil moet Ik-karakter hebben, behorend bij een sterke persoonlijkheid (het ijzer in het bloed maakt het Ik krachtig).
Vóór het hek liggen wilde dieren. de een naast de ander en houden de wacht en laten geen mens binnen. Onze gewaarwordingswereld zit vol met driften en begeerten. Deze wilde driften zijn de dieren die ons de ingang in deze tuin van Eden waarin de beste vrucht groeit, versperren. Je hebt een onoverwinnelijk gevoel van vertrouwen in de goddelijkheid van de menselijke ziel nodig om geloof te hebben in dit beeld van het Paradijs en het in zichzelf te vinden. Je moet weten dat je met elke wildheid, ja met al je driften af kan rekenen wanneer dit doel je onwankelbaar voor ogen staat. ‘Mij zullen ze wel binnenlaten’, zegt de koningszoon. ‘Mij lukt dat wel,’ als het over de ring gaat. Wanneer de mens leert dat het Ik-bewustzijn dat zich in de loop van het leven vormt, niet zijn totale Ik is, maar slechts een deel dat bij de stoffelijke zintuigwereld hoort, dan vat hij het op als een schijnvrucht. Doet hij zijn best niet alleen vanuit dit lagere Ik te leven, maar vanuit een hoger Ik, dan overwint hij deze ‘val’ in de afzondering, in de zonde. Het afdalen naar de zintuigwereld heeft naast de kennis van het goede ook de kennis van het boze gebracht. Als de mens zich bewust wordt, dat hiermee ook de keuze tussen goed en kwaad verbonden is, dat het kunnen kiezen hem tot een vrij mens maakt, dan heft hij daarmee de zondeval op. Hij kan in vrijheid het lagere Ik in een hoger transformeren, wanneer hij niet meer uit egoïsme, maar uit onzelfzuchtige liefde handelt. Terwijl hij echter in deze wereld met de doodskrachten vertrouwd raakte en de dood in zich moest opnemen, is er aan gene zijde geen dood, daar is alleen leven. Daarmee komt er in de plaats van de appel, de vrucht van de boom der kennis van goed en kwaad, de vrucht van de boom des levens.
Het sprookje zegt: wie deze vrucht wil plukken, moet door de ring heen pakken. De ring, die in zich gesloten cirkel, maakt het beeld nog duidelijker. Wanneer handelt de mens vanuit de geslotenheid van een op zich staand geheel? Wanneer voor hem begin en eind, geboorte en dood één zijn. Wanneer zijn bewustzijn één geheel wordt, nooit versaagt en hem tot een op zich staande harmonische persoonlijkheid maakt, die zich als eeuwig ziet. Ook in Richard Wagners ‘Ring der Nibelungen’ gaat het om dit persoonlijkheidsbewustzijn. En ook daar is de ring het symbool. Alleen wie door deze ring heen grijpt, kan de vrucht van de boom van het leven plukken.

Hij nam afscheid van de reus en liep over bergen en door dalen, langs velden en bossen tot hij eindelijk de wondertuin vond. De dieren lagen er omheen, maar zij lieten hun koppen hangen en sliepen. Zij werden ook niet wakker toen hij aankwam en hij stapte over ze heen, klom over het hek en kwam ongedeerd in de tuin. Daar stond in het midden de Boom des Levens en de rode appels glansden aan de takken. Hij klom langs de stam naar boven en toen hij een appel wilde grijpen zag hij er een ring voor hangen, maar hij stak er zijn hand zonder moeite doorheen en plukte de appel af. De ring sloot zich vast om zijn arm en hij voelde hoe er opeens een geweldige kracht door zijn aderen stroomde. Toen hij met de appel weer uit de boom was geklommen wilde hij niet over het hek klimmen, maar pakte de grote poort beet en behoefde daar slechts éénmaal aan te rukken en hij sprong onder hevig gekraak open. Toen ging hij naar buiten en de leeuw die voor de poort had gelegen was wakker geworden en rende achter hem aan, maar niet in woede en razernij, integendeel: hij volgde hem deemoedig als zijn meester.
De koningszoon bracht de reus de beloofde appel en sprak: ‘Zie je, ik heb hem zonder moeite gehaald.’ De reus was blij dat zijn wens zo snel vervuld was, haastte zich naar zijn bruid en gaf haar de appel die zij gewenst had. Het was een mooi en verstandig meisje en toen zij de ring niet aan zijn arm zag zei zij: ‘Ik geloof pas dat jij de appel gehaald hebt als ik de ring om je arm zie zitten.’ De reus zei: ‘Ik hoef hem alleen maar thuis te gaan halen,’ en hij dacht dat het een kleinigheid zou zijn, om die zwakke mens met geweld af te nemen wat hij niet goedschiks wilde geven. Hij eiste dus de ring van hem op, maar de koningszoon weigerde. ‘Waar de appel is hoort ook de ring te zijn,’ sprak de reus, ‘als je hem niet goedschiks geeft moet je er met mij om vechten.’

Wie de vrucht van de boom des levens veroverd heeft, kan de poort van deze hof van Eden openen. De wilde dieren (de driften) slapen. Zij zijn getemd. ‘Nu sluimert ieder wild verlangen’, staat er in de Faust. Roekeloosheid is moed geworden: de leeuw volgt de koningszoon en dient hem.
De mooie en slimme bruid van de reus is de onschuldige natuurziel van de mens. Voor haar werd de appel gehaald. Het beeld wil zeggen: nog wordt de levensvrucht op een natuurlijke manier een deel van de menselijke ziel. Het bewustzijn echter dat de mens daardoor heeft gekregen (de ring) mag hij niet meer opgeven; daar moet hij voor vechten, die mag de reus niet hebben.

Zij worstelden een hele tijd met elkaar maar de reus kon de koningszoon die door de toverkracht van de ring sterk was geworden, niet klein krijgen. Toen verzon de reus een list en hij zei: ‘Ik heb het warm gekregen van het vechten en jij ook, laat ons in de rivier gaan baden om af te koelen eer wij opnieuw beginnen.’ De koningszoon die geen bedrog kende, ging met hem naar het water, deed bij het uitkleden ook de ring van zijn arm en sprong in de rivier. Dadelijk greep de reus de ring en liep ermee weg, maar de leeuw die de diefstal had gezien, zette de reus na, rukte hem de ring uit zijn hand en bracht hem aan zijn meester terug. Nu ging de reus achter een eikenboom staan en toen de koningszoon bezig was zich weer aan te kleden, overviel hij hem en stak hem beide ogen uit.

Een sterk Ik gaat dikwijls gepaard met argeloosheid, met een te groot vertrouwen. Vervuld van een kracht die de wereld kan veroveren ontbreekt het de mens aan waakzaamheid waar ’t het kwaad betreft en de sprookjes laten steeds weer zien dat het kwaad niet duidelijk genoeg herkend wordt en de zich steeds opdringende, remmende krachten niet worden herkend. In dit geval: de doffe, reuzennatuurkracht was weliswaar de aanleiding om het totale persoonlijkheidsbewustzijn (de ring) te verkrijgen, maar in het ‘water’ wordt het veel minder. Water is het oerbeeld van de zielenwereld die ervaren wordt (in de zin van: ‘de mensenziel lijkt op het water’ (Goethe), daar golft de gevoelswereld van stemmingen, hartstochten, daar duiken dromen en onbewuste gedachten op. In beeldentaal: in zich verzonken zijn, het Duist heeft hier nog ‘Auftrieb’: een ‘stijgende kracht’) In deze wereld van dromende gevoelens te duiken – en hoe vaak verleidt de reus ons daar niet toe – betekent gevaar voor het Ik-bewustzijn. Je raakt ‘op drift’. Dan helpt de verworven leeuwenmoed – de leeuw.
Nadat de list van de reus niet gelukt was, probeert hij het op een andere manier: hij gaat achter een eikenboom staan en steekt de koningszoon beide ogen uit. In het uiterlijke leven zou iedere rover tevreden zijn met een dikke boom. In het innerlijk leven is de eikenboom de beste verstopplaats en met een bijzondere betekenis. De wildeman met een eikenboom, dikwijls met een uitgetrokken eikenboom in de hand, is een van de meest voorkomende symbolen uit de middeleeuwen. In familie- en stadswapens kwam het voor, maar ook in naamschilden van herbergen (herberg ‘In de wildeman’) en het was eigenlijk een voortdurende vermaning bedacht te zijn op de overmacht van de natuur en zich bewust te zijn van haar kracht door ze te overwinnen. De eikenboom is het symbool van de omhoogstijgende wilskrachten – het Duits heeft ‘aufbäumen’ die diep in de mensenziel als aanleg wortelen. De mens zonder angst heeft in zekere zin een machtige eikenboom in zich. Hierachter gaat graag de reus schuil om ons de ogen uit te steken, d.w.z. hij berooft ons van de mogelijkheden die dingen daadwerkelijk te doorzien, om een echt inzicht te krijgen. Wie zich in het gevoelsleven (n het water) verliest, valt makkelijk ten prooi aan het gevaar dat hij zich in zijn wilsleven te buiten gaat. Hij wordt ‘blind’ voor ieder verstandig inzicht.

Daar stond nu de arme koningszoon blind en hulpeloos. Toen kwam de reus er weer aan, vatte hem bij de hand alsof hij hem wilde leiden en bracht hem naar de top van een hoge rots. Daar liet hij hem staan en dacht: nog een paar stappen dan stort hij naar beneden en valt dood en dan kan ik de ring van zijn arm aftrekken. Maar de trouwe leeuw had zijn meester niet verlaten, hij hield hem vast aan zijn jas en trok hem langzaam aan weer terug.
Toen de reus kwam om de dode te beroven zag hij dat zijn list was mislukt. ‘Kan zo’n zwak mensenkind dan niet vernietigd worden?’ zei hij nijdig tot zichzelf, vatte de koningszoon weer bij de hand en bracht hem langs een andere weg nogmaals bij de afgrond; maar de leeuw die de boze opzet begreep, redde zijn meester ook hier van het gevaar. Toen zij dicht bij de rand waren gekomen liet de reus de hand van de blinde los en wilde hem alleen achterlaten maar de leeuw gaf de reus een duw, zodat hij naar beneden stortte en te pletter viel.

Sommige bergwandelingen naar de top, sommige hoogten heb je te danken aan de reus in je, wanneer je je aan hem overgeeft. Als hij je echter het zicht heeft benomen, kan je niet meer overzien en sta je spoedig aan de afgrond. De moed van het hart, de leeuw, moet de ware leider zijn en de onstuimige natuur doden.

Het trouwe dier trok zijn meester weer van de afgrond weg en leidde hem naar een boom waar een heldere beek langs stroomde. De koningszoon ging daar zitten, maar de leeuw ging liggen en spatte hem met zijn poot water in het gezicht. Nauwelijks hadden enkele druppels zijn oogkassen bevochtigd of hij kon weer een beetje zien en hij zag een vogeltje dat heel dicht langs hem vloog maar zich stootte aan een boomstam. Daarop liet het zich in het water zakken en baadde daarin en toen vloog het op, scheerde zonder zich te stoten tussen de bomen door alsof hij zijn gezicht weer had teruggekregen. Toen begreep de koningszoon het teken Gods, boog zich over het water en waste en bette daarin zijn gezicht. En toen hij zich oprichtte waren zijn ogen zo helder en klaar als nooit tevoren.

Hier wordt getoond hoe hetzelfde element dat een gevaar vormt voor wie erin duikt zonder zijn volledige persoonlijkheid te bewaren, omgekeerd genezend is wanneer de mens de krachtige aanwijzing van het hart ernstig neemt. Er ontstaat nieuw inzicht. Hij wordt helderziend, in de zin van Wagners ‘wereld-helderziendheid’. Nu duurt het niet lang meer en de kennisweg van het Ik leidt naar het gebied van de hogere ziel zelf.

De koningszoon dankte God voor deze grote genade en trok met zijn leeuw verder de wereld in. Nu gebeurde het dat hij bij een slot kwam dat betoverd was. In de poort stond een jonkvrouw, schoon van gestalte en met een fijn gelaat, maar zij was helemaal zwart. Zij sprak hem aan en zei: ‘Ach, kon jij mij maar verlossen van de boze betovering die over mij is uitgesproken!’ – ‘Wat moet ik dan doen?’ vroeg de koningszoon. De jonkvrouw antwoordde: ‘Drie nachten moet je doorbrengen in de grote zaal van het betoverde slot, maar er mag geen vrees in je hart opkomen. Als je het bij de ergste kwellingen die zij je aandoen uithoudt, zonder dat er één geluid over je lippen komt, dan ben ik verlost; zij mogen je niet het leven benemen.’ Toen sprak de koningszoon: ‘Ik ben niet bang, ik zal het met Gods hulp proberen.’ En zo ging hij opgewekt het slot binnen en toen het donker werd ging hij in de grote zaal zitten en wachtte af. Tot middernacht was het stil; maar toen ontstond er plotseling een hevig spektakel en uit alle hoeken en gaten kwamen kleine duivels aanlopen. Zij deden of zij hem niet zagen, gingen midden in de kamer zitten, maakten een vuur aan en begonnen te spelen. Als er een verloor, zei die: ‘Het is niet pluis, er is hier iemand die niet bij ons hoort en het is zijn schuld dat ik verlies.’ – ‘Wacht ik zal je krijgen, jij daar achter die kachel,’ zei een ander. Het geschreeuw werd steeds erger, zodat niemand ernaar had kunnen luisteren zonder bang te worden. De koningszoon bleef heel rustig zitten en was niet bevreesd – maar tenslotte sprongen de duivels van de grond op en stortten zich op hem en het waren er zoveel dat hij ze niet van zich af kon slaan. Zij sleurden hem over de grond, knepen, porden, sloegen en kwelden hem, maar er kwam geen geluid over zijn lippen. Tegen de morgen verdwenen zij en hij was zo uitgeput dat hij zijn ledematen nauwelijks kon bewegen; maar toen de dag aanbrak trad de zwarte jonkvrouw bij hem binnen. Zij had een klein flesje in haar hand waarin Water des Levens zat, daarmee waste zij hem en weldra voelde hij alle pijn verdwijnen en nieuwe kracht stroomde door zijn aderen. Zij sprak: ‘Eén nacht heb je goed doorstaan, maar er staan er je nog twee te wachten.’ Daarop ging zij weer weg en toen zag hij dat haar voeten wit waren geworden. De volgende nacht kwamen de duivels en begonnen opnieuw met hun spel. Zij stortten zich op de koningszoon en sloegen hem veel harder dan de vorige nacht, zodat zijn lichaam vol wonden zat. Maar aangezien hij alles zwijgend verdroeg, moesten zij hem verder wel met rust laten en met het morgenrood verscheen de jonkvrouw en genas hem met het levenswater. En toen zij wegging zag hij tot zijn grote vreugde dat zij al tot aan haar vingertoppen wit was geworden. Nu moest hij het nog slechts één nacht volhouden, maar dat was de ergste. Het gesprek van de duivels begon opnieuw. ‘Ben je daar nog?’ schreeuwden zij. ‘Je zult gepijnigd worden dat de adem in je keel stokt.’ Zij staken en sloegen hem, wierpen hem heen en weer, trokken hem aan armen en benen alsof zij hem uit elkaar wilden rukken, maar hij verdroeg alles zonder ook maar één geluid te geven. Eindelijk verdwenen de duivels, maar hij lag bewusteloos op de grond en bewoog zich niet. Hij kon zijn ogen dan ook niet opslaan en zien dat de jonkvrouw binnenkwam en hem met het water des levens besprenkelde en overgoot. Maar opeens was hij van alle pijn bevrijd en hij voelde zich fris en gezond alsof hij uit een slaap ontwaakt was, en toen hij zijn ogen opsloeg zag hij de jonkvrouw naast zich staan, die sneeuwwit was en zo schoon als de heldere dag.

Het eeuwig-vrouwelijke, het hoogste doel van de ontwikkeling van de ziel, is verduisterd. De mens wordt belemmerd dit oerbeeld van zijn ziel te ontmoeten. Boze machten laten geen vrijer bij de koninklijke jonkvrouw toe. Je moet haar zonder angst leren kennen. De boze geesten die volgens de oudste overleveringen vooral om middernacht actief zijn, zijn de ahrimanisch-mefistolische. Zij inspireren het materialisme. Ze liegen de mensen voor dat de aardse wereld alleen de ware wereld is. Ze krijgen toegang tot de ziel door de lafheid. Wie laf is, is bang voor zijn hachje, zijn aardse bezit en valt aan de duivel toe. De materialist kent alleen het lichamelijke leven en wil dit als het hoogste niet inzetten of verliezen. De materialistische mens is ook bang voor het spirituele. Hij wil de zekere basis van de uiterlijke feiten niet verliezen. Hij wordt gegijzeld door angst. De ware zoeker naar de geest leert daarentegen dat ondanks zelfzucht en onverschrokkenheid nog steeds vergissing, fouten en leugens in hem actief zijn, want dat zit diep in de mens verankerd en verduistert zijn ziel. 
De laatste proef voor het inzicht moet in drie fasen doorstaan worden, volgens de oude mysterie-overleveringen in drie inwijdingsnachten. Dan wordt het zielenwezen verlicht op het levenspad (in de voeten), in het handelen (in de handen) en in het denkende kennen (in het hoofd) Hij put de wijsheid uit de oerbron en dat is het water des levens voor de mens die tot aan de grens van de dood gekomen is.

‘Sta op,’ sprak zij, ‘en zwaai met je zwaard driemaal over de trap dan is alles verlost.’ En toen hij dat had gedaan was het hele slot van de betovering bevrijd en de jonkvrouw was een rijke koningsdochter. Dienaren kwamen zeggen, dat in de grote zaal de tafel al gedekt was en de spijzen opgediend. Toen gingen zij zitten, aten en dronken met elkaar en ’s avonds werd met grote vreugde de bruiloft gevierd.

De trap is de weg die naar het eeuwig-vrouwelijke leidt. Ook deze opklimmende weg is ten prooi gevallen aan de boze betoveringsmacht. 
Omdat het het laatste is wat de verlossing betreft, stelt die vermoedelijk de vroegste dwaling voor. Het tweesnijdend zwaard in de hand van de rechtschapen man – die koning is geworden – is het enige dat kan helpen: de door de geest vervulde taal. Wie door de mystieke dood is gegaan, wijst aan de zoekende die wil volgen, de weg.

.

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

2536-2376

.

.

.

VRIJESCHOOL- Sprookjes (2-4/22)

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen
.

De drie mannetjes in het bos

.

Er was eens een man wiens vrouw stierf en een vrouw wier man stierf; en de man had een dochter en de vrouw had ook een dochter.

Hier sterft de ziel van een Ik en er was ook een ziel die Ik-loos, geestloos was geworden. En deze ziel wil zich met het andere Ik verbinden. Als dat gebeurt, zal zich een drama voltrekken, want de jonge zielenkrachten zullen daaronder te leiden hebben. Dat zijn de beide dochters. In hun wezen zijn ze zo totaal anders, net zo als de beide ouders die hen mee in het huwelijk brengen. 

De meisjes kenden elkaar en gingen samen wandelen en kwamen daarna bij de vrouw thuis. Deze sprak tot de dochter van de man: ‘Hoor eens, je moet tegen je vader zeggen dat ik met hem wil trouwen; dan mag jij je elke morgen met melk wassen en je krijgt wijn te drinken, maar mijn dochter moet zich met water wassen en zij krijgt ook water te drinken.’

Melk is niet meteen een aards product. Het wordt gevormd in levende wezens en hangt samen met de voortplanting onder invloed van de maankrachten. Melk geeft wel kracht om op aarde te leven.
In de sprookjes duidt melk altijd op een kosmische kracht die gezond maakt.
Heel anders is dit met de wijn. Het is een nobel aards product dat ontstaat onder invloed van de zon; wanneer je in de cultuurontwikkeling zoekt, vind je bijv. dat het individualiserend werkt, dat het het Ik-bewustzijn doet toenemen. Het vieren van de Dionysos-feesten in de Oudheid bijv.

De vrouw belooft dus: jij kan je wezen rijker maken door kosmische kracht en het doen groeien tot een individualiteit met een aards bewustzijn.
De ontwikkeling is voor haar, het zal haar goedgaan.


Water om te wassen en water om te drinken duiden het tegendeel aan. Water staat wel het meest bekend als iets scheppends, als het element dat leven geeft, maar hier is ongetwijfeld iets negatiefs bedoeld; water bestond eerder dan melk en wijn: de ontwikkeling gaat achteruit. De taal heeft, dat iets ‘verwatert’. 
Alleen met water te moeten leven, betekent: heen- en weer dobberen op het gevoel en geen ontwikkeling doormaken.

Het meisje ging naar huis en vertelde haar vader wat de vrouw had gezegd. De man sprak: ‘Wat moet ik doen? Trouwen is een vreugde, maar ook een verdriet.’ Omdat hij geen besluit kon nemen, trok hij eindelijk zijn laars uit en zei: ‘Neem deze laars, er zit een gat in de zool, ga ermee naar de zolder, hang hem aan de grote spijker op en giet er dan water in. Als het water erin blijft staan, zal ik weer een vrouw nemen; loopt het er echter uit dan doe ik het niet.’ Het meisje deed zoals haar bevolen was, maar door het water trok het gat dicht en de laars vulde zich tot bovenaan toe. Zij vertelde haar vader hoe de proef was uitgevallen. Daarop ging hij zelf naar boven en toen hij zag dat het waar was, ging hij naar de weduwe en vroeg haar ten huwelijk, en de bruiloft werd gevierd.

Hoe onzeker het Ik geworden is sinds de ziel die met hem verbonden was, zoin vrouw, gestorven is, blijkt wel uit zijn vraag aan het lot. De mogelijkheid en het vermogen om met zekerheid door het leven te gaan, zijn weg, het is op: de zool van de laars is kapot.
In het sprookje is het dak van een huis, het hoofd. Het hoofd in het huis van het lichaam. We gebruiken ‘dak’ hiervoor ook, bij bijv. ‘uit je dak gaan’. De man wordt zich daar bewust van zijn situatie. Nu laat hij het aan het toeval over en zijn lot wordt dat hij in verbinding treedt met een materialistische ziel: hij trouwt met de vrouw.

Toen de beide meisjes de volgende morgen opstonden, stond er voor de dochter van de man melk klaar om zich mee te wassen en wijn om te drinken, maar voor de dochter van de vrouw stond er water om zich te wassen en water om te drinken. De tweede ochtend stond er water om zich te wassen en water om te drinken zowel voor de dochter van de man als voor de dochter van de vrouw. En op de derde ochtend stond er water om zich te wassen en water om te drinken voor de dochter van de man, en melk om zich te wassen en wijn om te drinken voor de dochter van de vrouw, en zo bleef het verder. De vrouw werd de aartsvijandin van haar stiefdochter en zij was er altijd op uit haar het leven met de dag zuurder te maken. Ook was zij jaloers omdat haar stiefdochter mooi en lieflijk was, maar haar eigen dochter lelijk en afstotelijk.

De nieuwe vrouw ontpopt zich voor de dochter van de man als een harde pseudo-moeder zonder verinnerlijking: ze wordt een boze stiefmoeder. Voor de ‘stijve’ moeder telt alleen de materie, de stoffelijkheid. Zij leeft alleen met wat de zintuigen kunnen vatten en ze is doof voor al het bovenzintuiglijke. 
De sprookjes schetsen dit voortdurend. Want als de zekerheid van de ziel en de blik op de geest verduisteren, wordt dit het lot van alle mensen in onze culturele ontwikkeling.

Toen het op een keer ’s winters gevroren had dat het kraakte en bergen en dalen onder de sneeuw lagen, maakte de vrouw een papieren jurk, riep het meisje en sprak: ‘Hier, trek deze jurk aan en ga naar het bos om een mandje aardbeien te plukken; daar heb ik zin in.’

In de Germaanse mythologie vinden we: Als de tijd van de Fenris-wolf aanbreekt, de tijd van het zwaard, van de ellende, van de echtscheidingen, dan komt de Fimbul-winter. [zie Edda]
Onze voorouders zagen een tijd komen waarin de zielen zullen verstarren en ten prooi vallen aan de koude en de ijzige adem van het intellect waarbij het warme, levende voelen gedood wordt, zodat de mensen zich heel moeilijk tot elkaar kunnen verhouden.
Dat is de Fimbul-winter en het thuisland van de boze stiefmoeder. Haar gevoel is koud en berekenend en ze haar het goede.
Midden in de winter verlangt zij naar aardbeien en die moet de echte dochter voor haar halen.

Aardbeien ranken met hun driedelige bladeren laag op de aarde en daar worden ze rijp, zoete, rode vruchten met heerlijk sap; als we haar helende werking zien, begrijpen we waarom schilders uit de middeleeuwen bij het goddelijke kind aardbeien schilderden, bij het kribbetje, zelfs de krib op een aardbeienbed.
De grote symboolschilder Jeroen Bosch laat in zijn ‘De tuin der lusten’ * een hele groep mensen aardbeien vinden die ze met hun handen en op hun hoofd dragen. De levenwekkende, genezende en bloedvernieuwende aardbei wordt een symbool voor die krachten die in ons beginnen te werken, wanneer de liefde die alles beter maakt ons bezit wordt. Deze genezende liefde is met het goddelijke kind naar de aarde gekomen. 
Naar deze liefde verlangt de verharde ziel, want zij heeft die nodig, maar kan die zelf niet vinden; ze heeft die nodig als een genezende kracht als de Fimbul-winter heerst.

 ‘Lieve hemel,’ zei het meisje, ‘’s winters groeien er toch geen aardbeien, de aarde is bevroren en de sneeuw heeft alles toegedekt. En waarom moet ik in deze papieren jurk lopen? Het is buiten zo koud dat je adem bevriest – de wind waait er dwars doorheen en de doorns scheuren hem kapot.’ – ‘Wil jij mij soms tegenspreken?’ zei de stiefmoeder. ‘Maak dat je weg komt en kom mij niet weer onder de ogen voor je het mandje vol aardbeien hebt.’ Toen gaf zij haar nog een stukje hard brood en sprak: ‘Daaraan heb je genoeg voor de hele dag,’ en zij dacht: daarbuiten zal zij wel doodvriezen en verhongeren zodat ik haar nooit meer hoef te zien.
Het meisje was gehoorzaam, zij deed de papieren jurk aan en ging met het mandje naar buiten. Wijd en zijd was er niets te zien dan sneeuw, geen groen sprietje stak eruit.

Als een mensenziel een ‘papieren jurkje’ draagt, kan de omhulling bijna niet armelijker en schameler zijn. Dat geeft de boze stiefmoeder aan de dochter, d.w.z. wat de dochter nog met haar oorspronkelijke ziel uitstraalde, is nu afgepakt. 
Het is meisje is gehoorzaam; ze neemt de koude voor lief en is met deze armoedige omhulling ook nog bereid om naar aardbeien te gaan zoeken.

Toen zij in het bos kwam, zag zij een klein huisje waaruit drie kleine mannetjes naar buiten zaten te kijken. Zij zei hen goedendag en klopte bescheiden aan de deur.

Nog tot het begin van de 16e eeuw waren veel mensen vertrouwd met de elementaire wereld. Ze zagen niet, zoals wij nu, alleen maar de uiterlijke dingen. Ze zagen vooral ook het wezen(lijke) dat ermee verbonden was. Nu is het geest-zielenwezen van de mens veel vaster met het lichamelijke verbonden, bij die vroegere mens was dit ‘losser’, ‘doorlaatbaarder’ en daardoor konden ze een directer contact hebben met de voor ons onzichtbare wezens die we alleen nog als naam kennen: fee, nimf, dwerg, kabouter enz. De krachten van deze elementairwereld werden ook beelden, imaginaties. 
Er zijn heel veel vertellingen over natuurgeesten – bijv. in vorm van natuursagen – er bestaan berichten over bovennatuurlijke belevingen die zo plastisch worden beschreven dat je het gevoel krijgt dat het werkelijk zo is. Min of meer bewust gingen de mensen over een drempel naar een ander niveau van waarnemen en dat overviel hen dan eens in huis, dan weer buiten in de natuur en sommigen konden die twee werelden niet scheiden. Men leefde dan toch in een soort eenheidswereld: die met de dingen die je gewoon kon zien en ervaren en die overging naar een wereld die niet meteen met de zintuigen was te ervaren. 
In het Duits is bijv. de uitdrukking ontstaan: ; ‘Gib acht wie ein Wichtelmann’ – let op als een kabouter (een soort van). Deze wezens werden als zeer slim afgeschilderd en als zeer goede waarnemers. Ze worden omschreven als oude wijze mannetjes met grote hoofden en mutsen op: ze zijn de symbolen geworden voor oeroude wijsheid op aarde. Ons sprookje neemt hier zoiets als realiteit.

In de technische wereld – de techniek is een product van de mensengeest – kan de natuur niet meer zo scheppend zijn, zoals ze zou willen; de natuur als wijsheidsdraagster trekt zich terug. In de volksmond zegt men: de dwergen en gnomen zijn erop uitgetrokken. Voor de blik van de moderne mens zijn zij niet waarneembaar, maar wel voelt hij hoe landschappen kunnen verschillen: ‘rijk gevuld, of kaal en verlaten’.
In een tijd van kille berekening en egoïstische uitbuiting is voor die kleine wezens in de natuur weinig ruimte.

Zij riepen: ‘Binnen,’ en zij liep de kamer in en ging bij de haard zitten om zich te warmen en haar ontbijt op te eten. De mannetjes zeiden: ‘Geef ons er ook een stukje van.’ – ‘Met plezier,’ sprak zij, brak haar stukje brood doormidden en gaf hun de helft. Zij vroegen:. ‘Wat doe je hier midden in de winter in je dunne jurkje in het bos?’ – ‘Ach,’ antwoordde zij, ‘ik moet een mandje vol aardbeien zoeken en mag pas thuis komen als ik ze heb.’ Toen zij haar brood had opgegeten, gaven ze haar een bezem en spraken: ‘Veeg daarmee de sneeuw voor de achterdeur weg.’ Maar toen zij buiten was, spraken de mannetjes tot elkaar: ‘Wat zullen wij haar geven, omdat zij zo lief en zo goed is en haar brood met ons heeft gedeeld?’ Toen zei de eerste: ‘Ik geef haar dat zij elke dag mooier wordt.’ De tweede sprak: ‘Ik geef haar dat er goudstukken uit haar mond rollen bij elk woord dat zij spreekt.’ De derde sprak: ‘Ik geef haar dat er een koning komt die haar tot vrouw neemt.’

Bescheiden komt de echte dochter nu in deze sfeer terecht; ze straalt naar de dwergen medegevoel en liefde uit, want daar hebben de natuurwezens heel erg behoefte aan en zij lijden ook tijdens de Fimbul-winter. Voor de natuur is het heel belangrijk hoe de mens over haar denkt, of ze die harteloos uitbuit en verstoort of wel dat hij de wezenskracht van de natuur leert kennen en erkennen.
Terwijl verstarring en kou in de ziel heersen, zijn er verborgen toch liefdeskrachten aanwezig – liefdeskrachten die het goddelijke kind op aarde heeft gebracht: onder het sneeuwdek groeiden ze om vrucht te dragen. Je moet alleen in staat zijn om de sneeuw weg te vegen. Wie niet aan de verleiding toegeeft het kwaad met zijn eigen wapens te bestrijden, maar bereid is zelf nood en kou te lijden, ontwikkelt het vermogen om de sneeuw weg te kunnen vegen. Die mens vindt de aardbeien, helpt de natuur en dient de mensen tegelijkertijd. De natuur beloont hem daarvoor.
Waar medelijden en liefde heersen, straalt het ware oerbeeld van de mens van hem af: de jonkvrouw wordt steeds mooier. De woorden die uit haar mond komen, worden rijker aan inhoud en betekenis. Ze zitten vol wijsheid zodat ze rijkdom betekenen voor de omgeving, zoals de gouden munten; en de ziel zal naar zijn hogere, ware Ik (de koning) toegroeien en uiteindelijk één met hem worden.

Het meisje deed zoals de mannetjes gezegd hadden, zij veegde met de bezem de sneeuw achter het huisje weg, en wat denk je dat zij daar vond? Louter rijpe aardbeien die helemaal donkerrood uit de sneeuw te voorschijn kwamen. Haastig en vol blijdschap vulde zij haar mandje, bedankte de kleine mannetjes, gaf hun elk een hand en snelde naar huis om haar stiefmoeder het verlangde te brengen. Toen zij binnentrad en ‘Goedenavond’ zei, viel er meteen al een goudstuk uit haar mond. Daarop vertelde zij wat haar in het bos was overkomen en bij elk woord dat zij sprak rolden er goudstukken uit haar mond zodat de hele kamer er weldra mee bezaaid lag. ‘Kijk me die opschepperij eens aan!’ riep de stiefzuster, ‘om dat geld zomaar rond te strooien,’ maar zij was heimelijk jaloers en wilde ook naar het bos om aardbeien te zoeken. De moeder sprak: ‘Nee, lief dochtertje, het is te koud, je zou bevriezen.’ Maar omdat zij haar niet met rust liet, gaf zij tenslotte toe, naaide een prachtige bontmantel voor haar die zij aan moest trekken, en gaf haar boterhammen en koek mee voor onderweg.

De aan de materie gebonden stiefmoederziel zorgt voor haar dochter en voorkomt dat zij honger krijgt en kou moet lijden. Ze krijgt een bontmantel: het dierlijk-driftmatige verwarmt haar.

Het meisje ging het bos in en liep regelrecht naar het huisje toe. De drie kleine mannetjes zaten weer naar buiten te kijken, maar zij groette hen niet en zonder naar hen om te kijken en zonder hen te groeten stampte zij de kamer in, ging bij de haard zitten en begon haar brood en haar koek op te eten. ‘Geef ons er wat van!’ riepen de kleinen, maar zij antwoordde: ‘Ik heb niet eens genoeg voor mezelf, hoe kan ik er dan nog iets van weggeven aan anderen?’ Toen zij klaar was met eten, spraken zij: ‘Hier heb je een bezem, veeg daarmee buiten voor de achterdeur alles schoon.’ – ‘Nou zeg, vegen jullie zelf maar,’ antwoordde zij, ‘ik ben jullie dienstmeid niet.’

Zij krijgt geen contact met de kracht van de elementairwezens in de natuur. Zij deelt niets met hen, ze is egoïstisch en alleen met zichzelf bezig. Zij kan niets bijdragen aan het wegvegen van de alles bedekkende koude. Ze zou een activiteit moeten kunnen ontplooien waarbij liefde kan ontwaken en die vrucht kan dragen.

Toen zij zag dat zij haar niets wilden geven, liep zij de deur uit. Toen spraken de mannetjes tot elkaar: ‘Wat zullen wij haar geven, omdat zij zo onaardig is en een slecht jaloers hart heeft dat niemand iets gunt?’ De eerste sprak: ‘Ik geef haar dat zij elke dag lelijker wordt.’ De tweede sprak: ‘Ik geef haar dat er bij elk woord dat zij spreekt een pad uit haar mond springt.’ De derde sprak: ‘Ik geef haar dat zij ongelukkig aan haar eind komt.’ Het meisje zocht buiten naar aardbeien; toen zij er echter geen vond, ging zij verbolgen naar huis. En toen zij haar mond opende om haar moeder te vertellen wat haar in het bos was overkomen, sprong er bij elk woord een pad uit haar mond, zodat allen een afkeer van haar kregen.

Lelijkheid is het tegendeel van schoonheid. De ziel die gekluisterd is aan de natuur van de zintuigen, kan het goede steeds slechter tot uitdrukking brengen. Daarmee gaat een ander proces hand in hand: de taal verandert, bij elk woord springt er een pad uit haar mond.
Ooit was de pad het symbool van de uit het duister van de aarde opwellende vruchtbaarheid; ze woont nu eenmaal in moeras modder en deze golden als de schoot van waaruit het oerleven ontsproot. Later werd de pad tot symbool van het seksuele. De middeleeuwse schilders waarvan er velen uit dezelfde bron putten als onze sprookjesopvoeders, beeldden de pad in deze zin af. Kijk ook eens naar de padachtige monsters op de dommen. Bij liefdeloze mensen die zich afgekeerd hebben van de zuivere geest van de natuur, raken de geslachtelijke krachten vervreemd van hun hogere zingeving, ze verschrompelen tot pure seksualiteit – verschrompelen tot pad. Het gevolg daarvan is dat hun taal ‘schuin’ wordt en giftig en wat die mens zegt roept tegenzin en afkeer op.

Nu werd de stiefmoeder nog veel bozer en zij dacht er alleen maar aan hoe zij de dochter van haar man die elke dag in schoonheid toenam, op alle mogelijke manieren verdriet kon doen. Tenslotte nam zij een ketel, zette die op het vuur en kookte er garen in. Toen dat gekookt was, hing zij het over de schouders van het arme meisje en gaf haar ook een bijl; daarmee moest zij naar de bevroren rivier gaan, een bijt hakken en het garen spoelen. Zij gehoorzaamde, ging erheen en hakte een bijt in het ijs, maar midden onder het hakken zag zij een prachtige koets komen aanrijden waarin de koning zat.

Onzelfzuchtigheid, goedheid en geduld werken in het leven stimulerend op rechtschapen mensen, die roepen steeds op dat ze worden nagevolgd. Maar in de wereld van de ziel heerst een geestelijke wet waarbij het toenemen van de goedheid ook het kwaad dat ons wil verleiden toeneemt. De stiefmoeder wil steeds meer. Ze heeft sterk garen gekookt en het ijverige kind moet het schoonmaken. We kennen de uitdrukking; “er goed garen bij spinnen’. We kennen ook het beeldende ‘hersenspinsel’. Wanneer dergelijke hersenspinsels steeds weer hardnekkig en met gloeiende begeerte als voorbeeld dienen, dan wordt er werkelijke ‘garen gekookt’. Maar wie het leed moet dragen, is degene die luistert naar het lot en naar het goede streeft. Die krijgt de last van deze hersenspinsels op de schouders gelegd, die moet gedragen worden: de stiefmoeder hangt het garen om haar schouders. Uiteindelijk wordt ze weggestuurd om het garen te gaan wassen. Weer is zij degene die gehoorzaam is aan het lot; zij moet de gevolgen dragen van wat anderen ‘uitgekookt’ bedacht hebben.
De verstarring en de verharding is nog ondoordringbaarder geworden. Om in het ijs te hakken is nog meer inspanning nodig dan het wegvegen van sneeuw. Alleen met de grootst mogelijke activiteit kom je bij stromend-levende; de jonkvrouw moet zelfs een bijl gebruiken; met actieve slagkracht moet ze door de verstarring en de verharding heenbreken. Nu krijgt ze toegang tot het reinigende element; alleen daarin kan opgelost worden wat de materialistische ziel aan hersenspinsels heeft uitgedacht. Dat geldt voor de uiterlijke en de innerlijke wereld. ‘Maar midden onder het hakken zag zij een prachtige koets komen aanrijden waarin de koning zat’.

De koets hield stil en de koning vroeg: ‘Mijn kind, wie ben je en wat doe je daar?’ – ‘Ik ben een arm meisje en spoel garen.’ De koning kreeg medelijden en toen hij zag hoe mooi zij was, sprak hij: ‘Wil je met mij meerijden?’ – ‘O ja, heel graag,’ antwoordde zij, want zij was blij uit de buurt van haar moeder en zuster te komen.
Dus stapte zij in de koets en reed met de koning weg; en toen zij in zijn slot gekomen waren, werd de bruiloft met grote pracht gevierd zoals de kleine mannetjes het meisje toegedacht hadden. Na een jaar kreeg de jonge koningin een zoon.

Als de ziel met het goede bezig is, roept zij een geestelijke activiteit in het leven; voor zo’n beginnend proces kennen we de uitdrukking ‘zich vermannen”, de man in het innerlijk, het Ik is geroepen en dit Ik, dit koninklijke Ik heeft het vermogen om de ziel voor de bruiloft te vragen. De eenwording met de bevruchtende kracht van de geest heet in de taal van de middeleeuwen de mystische bruiloft.
Lenz gebruikt ook het woord ‘über’zeugend naast bevruchtend. ‘Zeugen’ is o.a. fokken, dus voortbrengen van nieuw leven. ‘Über’-zeugen gaat hier bovenuit; het brengt iets geestelijks voort.
De vrucht van deze bruiloft noemden de middeleeuwers: de vrucht van de geest in de schoot van de ziel. Maar dit nieuwe begin in de mens, dit subtiele gebeuren, vraagt om een zorgvuldige aandacht; want waar het lichaam van de vrouw in de hoogste zin van het woord scheppend is, wanneer zij een kind ter wereld brengt, zo is de ziel in de hoogste zin van het woord scheppend wanneer de vrucht van de geest in haar tot verschijning komt. Iedereen die iets scheppends heeft verricht, moet die aandacht oefenen; nooit is de mens kwetsbaarder dan wanneer hij het uiterste in zijn werken gegeven heeft. Hier proberen de tegenmachten in te grijpen.

En toen de stiefmoeder van het grote geluk had gehoord, kwam zij met haar dochter naar het slot en zij deed alsof zij op bezoek kwam. Maar toen de koning eens was uitgereden en er ook verder niemand aanwezig was, pakte de boze vrouw de koningin bij het hoofd en de dochter pakte haar bij de voeten, en samen tilden zij haar uit bed en wierpen haar het raam uit in de voorbijstromende rivier. Daarna ging de lelijke dochter in het bed liggen en de oude dekte haar toe en trok de dekens tot over haar hoofd. Toen de koning weer terugkwam en met zijn vrouw wilde spreken, riep de oude: ‘Stil, stil, dat kan nu niet, zij ligt te baden in het zweet, u moet haar vandaag met rust laten.’ De koning vermoedde niets kwaads en kwam pas de volgende morgen terug, maar toen hij met zijn vrouw sprak en zij hem antwoord gaf, sprong er bij elk woord een pad uit haar mond, terwijl er vroeger altijd een goudstuk uitgerold was. Hij vroeg hoe dat kwam, maar de oude vertelde dat zij dat van het zweten had gekregen en dat het wel weer over zou gaan.

Maar ’s nachts zag het koksmaatje hoe een eend door de keukengoot kwam aanzwemmen die sprak:

                                                        ‘Koning, wat doet ge?
                                                         Slaapt ge of waakt ge?’

En toen hij geen antwoord gaf, sprak zij:

                                                        ‘Wat doen mijn gasten?’

Toen antwoordde het koksmaatje:

                                                         ‘Die slapen vaste.’

Toen vroeg zij verder:

                                                         ‘Wat doet mijn kindje klein?’

En hij antwoordde:

                                                          ‘Het slaapt in het wiegje fijn.’

Toen ging zij in de gedaante van de koningin naar boven, gaf het kind te drinken, schudde zijn bedje op, dekte hem toe en zwom als een eend weer weg door de goot. Zo kwam zij twee nachten; de derde nacht sprak zij tot het koksmaatje: ‘Ga aan de koning zeggen dat hij zijn zwaard moet pakken en dat op de drempel driemaal over mij heen moet zwaaien.’ Toen rende het koksmaatje weg en vertelde het aan de koning; die kwam met zijn zwaard en zwaaide het driemaal over de geestverschijning – en bij de derde maal stond zijn vrouw voor hem, fris, levend en gezond en precies zoals zij vroeger was geweest.


Bij het wezenlijke van medelijden en liefde hoort, dat ze zich voor alles met begrip openstellen en alles – ook het kwaad – argeloos tegemoet treden. Want er is altijd geloof in de kracht van de verandering. Wanneer echter de nieuwe kiem, de vrucht van de geest is geboren, dan moeten medelijden en liefde met oplettendheid samengaan. Het kwaad moet herkend worden, niet alleen maar verdragen. Maar het jonge paar heeft deze wakkerheid nog niet. Het sprookje zegt dat de koning was weggegaan dat hij de koningin alleen liet. Wij zeggen: de mens is geestelijk afwezig – maar nu zou er juist tegenwoordigheid van geest moeten zijn.
De koningin ia in de stroom gegooid en wordt een eend. De ziel moet van de wil van het kwaad ten ‘ondergaan’. Bij wie de ziel uitvloeit, verwatert – het Duits heeft ‘verschwimmen’, is niet in staat om te handelen. Alleen ’s nachts nog in het rijk van de dromen, verschijn nog het ware zlef van de moeder. Het Ik echter is helemaal ten prooi gevallen aan de verwisseling. Het niet-spirituele, het lelijke dat zich in de taal uit in het ‘schuine’, in het ‘pad-achtige’, heeft zich een plaats veroverd. 
Maar een kinderlijke kracht, vol jeugdige frisheid – het koksmaatje – staat open voor de waarschuwende stem. De koning moet driemaal met zijn zwaard over zijn rechtmatige gemalin, de geest-ziel – zwaaien, want zij is de geest-ziel, sinds zij in het huwelijk trad met de geest.
Het zwaard kan helpen en beschermen, maar ook verwonden en doden. Het is in de ware zin van het woord tweesnijdend. Ook het woord is tweesnijdend: het kan helpen en redden, ook kwetsen en doden. Na de zegen van het zwaard verlangen betekent: om hulp vragen door de geesteskracht van het spreken. De gezonken gemalin wordt omhoog gehaald naar het volle leven. 
Tegen het woord wordt gezondigd wanneer dit misbruikt – seksueel – geworden is; de kracht van het woord kan genezen en de zonde wegnemen.

Nu was de koning zeer verheugd, maar hij hield de koningin in een kamer verborgen tot de zondag waarop het kind gedoopt zou worden. En toen het was gedoopt, sprak hij: ‘Wat moet er gebeuren met iemand die een ander uit zijn bed tilt en in het water gooit?’ -‘Die verdient niet beter,’ antwoordde de oude, ‘dan dat men de booswicht in een vat stopt met spijkers erdoor en dat van de berg afrolt het water in.’ Toen zei de koning: ‘Je hebt je eigen vonnis uitgesproken,’ en hij liet zo’n vat halen en de oude met haar dochter erin stoppen; daarna werd de bodem dichtgespijkerd en het vat de berg afgerold tot het in de rivier terechtkwam.

Wat in de nacht duidelijk was geworden en ten einde gebracht, heeft toch nog bescherming nodig. Opnieuw laat het sprookje zien hoe christelijk het is, zonder daar al te veel woorden aan te besteden. Bij de doop krijgt het doopkind zijn naam en wordt door het woord van de sacramentshandeling met Christus verbonden. Dan kan de confrontatie met het kwaad plaats hebben. Door de rechtsprekende macht van de volmaakte mens – de koning en zijn gemalin spreekt het kwaad zijn eigen oordeel uit. En de ondervinding wordt bewaarheid: onrecht dat iemand wordt aangedaan, komt vroeg of laat weer op je pad. ‘Wie een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in’, zegt het volkse spreekwoord. 
De kuil – Duits Grube – duidt erop, net zoals het woord ‘vat’ dat het sprookje gebruikt – dat het kwaad ingeperkt wordt, teruggebracht in de kleinste ruimte. Dat er ook nog spijkers door het vat worden geslagen, wil zeggen: al die kwetsende praat, de stekeligheden, de verwondingen die je een ander aandoet, moeten nu op jezelf betrokken, doorgemaakt worden.
Het vat wordt dichtgespijkerd: het kwaad wordt opgesloten en aan de stroom van het leven en het lot overgegeven. 
Kwade leugenachtige bedoelingen en slechte daden hebben zichzelf berecht.

 *Lenz geeft hier ‘Garten der himmlischen Wonne’ dat vertaald zou betekenen ‘de tuin van de hemelse liefde’. Maar er is alleen ‘de tuin der lusten’. In een verklaring van de daar gebruikte symboliek komt de aardbei in een heel ander licht te staan. 

.

 

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2528-2371

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Sprookjes (2-4/21)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen

.
Jorinde en Joringel

Er was eens een oud slot middenin een groot dicht woud.

Tussen wakker zijn en slapen kan zich de droom bevinden. De net niet bewuste beeldenwereld. Deze beelden kunnen ‘ware’ beelden zijn – voorstellingen in beeld van wat zich in begrippen moeilijk laat omschrijven. Lenz gebruikt het woord ‘Wahrtraum’ dat zoveel betekent als ‘voorspellende’ droom. Sprookjes, zegt zij, zijn de ‘Wahrträume’ van de volkeren.

Wat is het voor beeld als we meegenomen worden naar een oud slot, midden in een groot woud. 
Daarmee wordt ons een beeld geschetst van ons eigen lichaam, de behuizing van ons wezen. Eens was dat een grootse en rijke verschijning, met veel mogelijkheden om ‘naar binnen te gaan en naar buitten’, (met deuren en poorten) en nog meer mogelijkheden om naar binnen en naar buiten te kijken (met heel veel vensters). Maar het ligt ver van ons verwijderd, oud en vergeten achter woekerende vegetatie. Wie heeft zo’n landschap niet een keer innerlijk beleefd? 
Vegetatie in de volle levenskracht kan ons wel verkwikken, ook in het bos en in de uiterlijke wereld.
Maar hier heerst de wildernis, hier is het onbegaanbaar, het schemerduister van de onzekerheid is rondom ons. Daar doorheen te gaan en licht te brengen vraagt  een soort doorzettingsvermogen en sterkte om machten te kunnen weerstaan die daar huizen en zich opdringen aan de zoekende ziel. Dat zijn opgaven en beproevingen.

Daar woonde heel alleen een oude vrouw, die een aartstovenares was.

Vaak wonen in een slot een koning, koningin, prinsessen, koks enz., a.h.w. een verzameling van allerlei zieleneigenschappen, maar hier woont heel alleen een oude vrouw. Ze beschikt nog over een magisch weten uit lang vervlogen tijden; aan het oude is nauwelijks nog een herinnering over, maar het ‘spookt’ daar nog rond en valt op de ziel aan.
Geloof maar niet dat wij niet dergelijke gebieden in ons hebben waar dit oude nog op de loer ligt. Wij dragen ook verleden(s) met ons mee en hoe zou het heden eens toekomst kunnen worden als we het verleden niet zouden kunnen overwinnen?

Overdag veranderde zij zich in een kat of in een nachtuil, maar ’s avonds kreeg zij haar menselijke gedaante weer. Zij kon het wild en de vogels naar zich toe lokken en dan slachtte, kookte en braadde zij die. Wanneer iemand tot op honderd passen het slot naderde, moest hij stil blijven staan en kon niet van zijn plaats komen tot zij hem door een toverspreuk bevrijdde; maar als een reine jonkvrouw binnen die kring kwam, veranderde zij haar in een vogel en sloot haar op in een korf en die korf bracht zij naar een kamer in het slot. Zij had wel zevenduizend korfjes met zulke bijzondere vogels in het slot.

Deze aartstovenares heeft duidelijk een dag- en een nachtkant.
De uil slaapt overdag en is ’s nachts actief. Symbool van de wijsheid dat blind is in het wakkere denkleven, maar de ogen zijn open in het rijk van de dromen; de vogel van Pallas Athena die kennis bracht in de wereld van de droombeelden.
De kat, zacht speeldiertje en klein roofdier tegelijk, is overdag slaperig en ’s nachts heel wakker. In Egypte droeg de godin van de liefdesbetovering een kattenkop. Is liefde niet altijd een betovering en heeft deze niet ook haar dag- en nachtzijde? Hier wordt geschetst hoe overdag de nachtkant wakker wordt in de liefdesdrift: de kat sluipt; en in de kennisdrift: de uil zweeft voorbij. En hoewel in de nacht het menselijke weer wakker wordt, maar ook het vuur van de begeerte begint op te laaien, vallen de onschuldige natuurdriften daaraan ten prooi: het wild en de vogels worden geslacht en gebraden.
Magie verlamt de wil en houdt deze vast. De zielenkrachten met de kwaliteiten van de jonkvrouw (de reine jonkvrouwen) komen in deze omgeving in haar ban. De kracht van de kennis, de begaafdheid van het verstand, dus de menselijke krachten verworden hier tot instinctieve, dierlijke, verdoofd: ze worden vogels.

Nu was er eens een jonkvrouw, die heette Jorinde; zij was schoner dan alle andere meisjes. Zij en een schone jongeling, genaamd Joringel, waren met elkaar verloofd. Zij waren in de bruidsdagen en zij beleefden de grootste vreugde aan elkaar.

Mooier dan alle wezenlijke zielenkrachten (als alle ander meisjes) is de ziel zelf. Wanneer deze zover ontwikkeld is dat ze zich het geestelijke aspect van het Ik bewust wordt, – dat ze zich kan overgeven en een kan worden – dan wordt ze de bruid. De individuele mensengeest die van alle kanten wijzer wordt – gedachten wint – die overtuigen – het Duits heeft über-zeugen, waar ‘zeugen’ lichamelijk voortbrengen’ betekent, maar ‘über’ gaat daarbovenuit en betekent ‘geestelijk voortbrengen’ dan kan deze de ziel bevruchten, hij is de bruidegom. 

Om nu eens vertrouwelijk samen te kunnen praten gingen zij in het woud wandelen. ‘Pas op,’ zei Joringel, ‘dat je niet te dicht bij het slot komt.’ Het was een mooie avond, de zon scheen helder tussen de stammen van de bomen door in het donkere groen van het woud en de tortelduif koerde klaaglijk in de oude meibeuken.
Jorinde schreide af en toe, zij ging op een zonnig plekje zitten en weeklaagde; Joringel klaagde ook. Zij waren zo ontdaan, alsof zij moesten sterven; zij keken om zich heen, zij waren in de war en wisten niet welke kant zij op moesten om weer thuis te komen. De zon stond nog half boven de berg en was al half onder. Joringel keek door het struikgewas en zag de oude muur van het slot vlakbij; hij schrok en werd doodsbang. Jorinde zong:

‘Mijn vogeltje met het ringetje rood
Zingt lijden, lijden, lijden!
Het zingt voor het duifje, zingt zijn dood,
Zingt lijden, lij – – tuwiet, tuwiet, tuwiet.’

Joringel keek naar Jorinde. Jorinde was in een nachtegaal veranderd, die zong: ‘Tuwiet, tuwiet.’

Als de dag in schemering verandert en het avond wordt, raakt de mens makkelijk in zo’n tussenstadium, dat het sprookje zo treffend bij Jorinde schetst. De mens verzinkt in dromen en deze kunnen zo sterk worden dat de ziel er niet meer los van komt; ze verzinkt in zichzelf, wordt meegetrokken in een onbewust element. Ze raakt in de ban van de betovering. Vooral meisjes kunnen daaraan ten prooi vallen.
Wanneer de persoonlijkheid zich vormt, de mens een individu wordt en dan met een ander een toekomst ziend, treden ziel en geest met elkaar in een vertrouwd gesprek over de eeuwige bestemming, dan kan als geestelijk octaaf diezelfde stemming de innerlijke mens aangrijpen. Geest en ziel bevinden zich tussen twee werelden. In de beeldentaal worden die dag en nacht genoemd. Nacht en dag zijn twee aspecten van de binnenwereld. De maan was heerser van de opeenvolgende tijd, volgens de maanperioden. denk bijv. aan ‘a fortnight’= veertien nachten, rep. veertien dagen, ‘a sennight’ = zeven nachten, toen in de mensheid de van nature helderziendheid nog beslissend was en ook de voorspellende droom en de profetische openbaring. Het was de zuiver oorspronkelijken tijd van het moederrecht, het vrouwelijke tijdperk van de mensheid. De beeldentaal zegt: de mens was nachtmens en noemt deze tijd ‘nacht’. In het mannelijke tijdperk werd de zon de heerser van de tijd; het denken kwam tot ontwikkeling, natuurlijke helderziendheid en droombeeld-wijsheid verdwenen. De beeldentaal noemt deze tijd ‘dag’. Wakkerheid in de zintuigwereld en activiteit in het denken, dat is ‘dag’. Wakkerheid in het droomleven, passiviteit in het denken, dat heet ‘nacht’. Nacht en dag bevinden zich in de mens: de nacht als het verleden, de dag als het heldere heden. Maar oude, nog oudere toestanden kunnen – het huidige dagbewustzijn verduisterend – naar boven komen. Zo’n crisis beschrijft dit sprookje. De ziel – Jorinde – voorvoelt dit, zingt het als toekomstlied.

Als de ziel bevleugeld was en met hoge vluchtkracht begiftigd, in zich gesloten als een ring en vol actief met de kracht van het bloed (mijn vogel met het ringetje rood, dan zou ze moeten ervaren dat de oorspronkelijke geest moet sterven, geest die als genade een geschonken erfenis was – het duifje. De ziel kan geen bruid meer zijn, tot overgave bereid, bestemd om één te worden. Oeroude magie verduistert, de ziel zinkt in het instinctieve. Haar stem is alleen nog te horen in de nacht, zij wordt nachtegaal. Wie in de ban raakt van een medium of tot een slaaptoestand vervalt, lijkt op deze nachtvogels. Dat hoeft niet altijd een ziekelijke toestand te zijn. In ieder mens kan het diep-vrouwelijke van de ziel tot zo’n beleven vervallen. Dan moet, beeldend gezegd, de bruidegom de bruid beschermen. Het Ik moet wakker blijven; maar hier is ook het Ik in de ban van de betovering geraakt.

Een nachtuil met gloeiende ogen vloog driemaal om haar heen en krijste driemaal: ‘Hoei-hoe-hoe-hoe.’ Joringel kon zich niet bewegen; hij stond daar als versteend, kon niet schreien, niet spreken, geen hand en geen voet bewegen. Nu was de zon onder: de uil vloog in een struik en dadelijk daarna kwam een oude gebogen vrouw daaruit te voorschijn, geel en mager – met grote rode ogen en een kromme neus die met de punt tot aan haar kin kwam. Zij mompelde wat, ving de nachtegaal en droeg die op haar hand weg. Joringel kon niets zeggen en niet van zijn plaats komen; de nachtegaal was weg. Eindelijk kwam de vrouw terug en zei met doffe stem: ‘Gegroet Zachiël, als het maantje in het korfje schijnt, maak los, Zachiël, te rechtertijd.’ Toen kwam Joringel los. Hij viel voor de vrouw op zijn knieën en smeekte haar hem zijn Jorinde terug te geven; maar zij zei dat hij haar nooit terug zou krijgen en liep weg. Hij riep, hij schreide, hij jammerde, maar alles tevergeefs. ‘Hoeh, wat zal er met mij gebeuren?’

In de mysteriën van Eleusis werd er bij maanlicht een offergave in een mand gebracht. We weten nu niet wat er in die korf zat, maar de maan moest schijnen. De lettergreep ‘el’ betekent in het Hebreeuwse ‘God’, Zachariel is de naam van een aartsengel. Wat betekent Zachiel hier? Men gebruikt de naam ook voor de duivel. Wil de verbastering zeggen dat in deze nachtelijke tover, verloren gegane oude resten zijn van wat eens een heilig mysterieweten was? Zoals ook de Hagazussa, de in het woud levende zieneres en priesterlijke hoedster van de stam, tot gedemoniseerde heks werd in een voortdurende neergang? Als de ziel zich wil ontworstelen aan zulke atavistische machten, dan heeft het Ik een nieuwe ontwikkeling nodig. Behoedende, zorgende krachten moeten worden verworven.

Joringel ging weg en kwam tenslotte in een vreemd dorp; daar hoedde hij lange tijd de schapen. Vaak liep hij om het slot heen, maar niet te dicht erbij.

Zoals een herder zijn kudde hoedt en die groter laat worden, het leven verzorgt zoals dat in de natuur voorkomt, dat hij niet zelf schept, maar behoedend beschermt, zo is er een trap van innerlijke ontwikkeling waarop hetzelfde op geestelijk vlak gebeurt. De mens leert behoeden en verzorgen wat hem van boven als een levende openbaring geschonken wordt. Hier brengt hij geen leven voort, maar hij behoedt en verzorgt het en wat bij hem binnenstroomt, wordt steeds meer. Herdersvolkeren leven met dit bewustzijn. Wat ze in de droom als openbaring kregen, namen ze aan. ‘De Heer geeft het de Zijnen in de slaap’. noemt de Bijbel deze toestand. Wat ze uiterlijk deden, was in overeenstemming met het innerlijke leven. (Dat vind je in het verhaal over Abel). Dit nachtbewustzijn in de positieve uitwerking moet het Ik ervaren en op een nieuwe manier nabeleven. Anders zou het Ik de ziel geen recht kunnen doen die op een ongezonde manier ten prooi was gevallen aan de nachtzijde. Het sprookje zegt: Joringel werd herder en hoedde lange tijd de schapen.

Eindelijk droomde hij op een nacht dat hij een bloedrode bloem vond met in het midden een mooie grote parel. Hij plukte de bloem, liep ermee naar het slot en alles wat hij met de bloem aanraakte werd uit de betovering verlost; ook droomde hij dat hij zijn Jorinde daardoor terug had gekregen. Toen hij ’s morgens wakker werd, ging hij zoeken over berg en dal of hij zo’n bloem kon vinden. Hij zocht tot aan de negende dag, toen vond hij de bloedrode bloem vroeg in de morgen. In het midden lag een grote dauwdruppel zo groot als de schoonste parel. Deze bloem droeg hij dag en nacht tot hij aan het slot kwam.

De bloedrode bloem met de parel is het beeld voor de werkzame liefde zoals ons bloed dat meedraagt; maar dat doet het met de onschuld van de plant. Deze liefde moet omsluiten wat als kostbare winst zich verdicht heeft uit de diepten van de ziel, zoals de parel die in het water geboren wordt. Is water niet in alle sprookjes een beeld van de diepe golvende zielenwereld, waarin de gedachten op-duiken of ten ondergaan (het Duits heeft ‘ver-schwimmen’), waarin een beeldenwereld ontstaat en vergaat?
Wat als een kostbaar extract uit de zielenwereld – zo diep als een water – verkregen kan worden, moet omhuld worden en gedragen worden door liefde vanuit het Ik, die ook aardse werkelijkheid heeft zoals de rode bloem die vanuit de aarde groeit. Negen dagen moet Joringel naar de bloem zoeken: de mens heeft negen wezensdelen: de lichamelijkheid in het minerale, plantaardige en dierverwant-zijn; in zijn ziel in het denkende, voelende en willende; in de geest in het geestzelf, de levensgeest en de geestmens. [1] Dat zijn de negen trappen zoals vele sprookjes deze negenheid brengen. De mens moet zich ontwikkelen, wil hij deze negenheid in zijn wezen herkennen.
’s Morgens op de negende dag wordt de bloedrode bloem gevonden. De parel is een dauwdruppel geworden: gift van de nacht aan het begin van de dag. De bloem door de dag en de nacht heendragen betekent: voortschrijdend leren kennen, in het dagheldere werkelijkheidsdenken en in de nachtwakkere beelden, de imaginaties.

Toen hij honderd passen van het slot af was, verstarde hij niet, maar kon doorlopen tot aan de poort. Joringel was zeer verheugd, hij raakte de poort met de bloem aan en deze sprong open. Hij trad binnen en liep over het slotplein, luisterend waar het gefluit van de vele vogels vandaan kwam; eindelijk hoorde hij ze. Hij liep door en vond de zaal waar de tovenares bezig was de vogels in de zevenduizend korfjes te voeren. Toen zij Joringel zag werd zij boos, heel erg boos, zij schold, zij spuwde gif en gal naar hem, maar zij kon niet dichter bij hem komen dan op twee passen afstand. Hij stoorde zich niet aan haar en ging de korfjes met de vogels bekijken; maar er waren vele honderden nachtegalen, hoe kon hij daartussen zijn Jorinde terugvinden? Terwijl hij daar zo stond te kijken, merkte hij dat de oude stilletjes een korfje met een vogel weghaalde en ermee naar de deur liep. Vliegensvlug sprong hij erop af, raakte met de bloem het korfje aan en ook de oude vrouw; nu kon zij niets meer betoveren en daar stond Jorinde, zij viel hem om de hals en was net zo mooi als vroeger. Daarna veranderde hij ook alle andere vogels weer in jonkvrouwen en toen ging hij met zijn Jorinde naar huis en zij leefden lang en gelukkig met elkaar.

Liefde is de hoogste kennende kracht die de mens als vermogen heeft, want die vraagt van ons om zo tot een ander door te dringen, als was men het zelf. Zo’n activiteit die tegelijkertijd onzelfzuchtig is, kan de bancirkel doorbreken die de magische betovering getrokken heeft en heeft de kracht deuren te openen.
De tovenares met de rode bloem aanraken betekent: oude, decadent geworden magie door kennis onschadelijk maken. 
Het korfje met de nachtegaal aanraken betekent: herkennen wat de ziel insloot en isoleerde en wie verwant was geworden aan de dieren, weer veranderen; vanuit het gebonden zijn aan de driften, ontstaat een vrije ziel met Ik-krachten. Het ligt in het wezen van de onzelfzuchtige liefde besloten dat haar kracht verandering teweeg kan brengen bij iedereen die ermee aangeraakt wordt, haar werking is zegenrijk. Ook worden door de liefdesdaad van Joringel de andere zielen die tot het driftmatige vervallen waren en onvrij geworden eveneens bevrijd.

[1] Voor een nadere uitleg van deze begrippen zie: Algemene menskunde voordracht 1 vanaf [1-7-2/1]

Een jeugdvriend van Goethe, Jung-Stilling, heeft dit sprookje opgetekend uit de mond van een oude nicht.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2523-2366

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sprookjes (2-4/20)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen

.

VLEERKENS VOGEL

Er was eens een heksenmeester, die nam de gestalte aan van een arme man, ging langs de huizen bedelen en ving mooie meisjes! Geen mens wist waarheen hij ze bracht, want zij kwamen nooit meer te voorschijn. Op een dag verscheen hij voor de deur van een man die drie mooie dochters had; hij zag eruit als een arme vermoeide bedelaar en droeg een mand op zijn rug alsof hij daarin milde gaven wilde verzamelen. Hij vroeg om een beetje eten en toen de oudste dochter naar buiten kwam om hem een stuk brood te geven, raakte hij haar slechts even aan en toen kon ze niet anders: zij moest in de mand springen. Daarop spoedde hij zich met forse schreden weg en bracht haar een duister woud in, naar zijn huis dat daar middenin stond. Van binnen was het huis prachtig. Hij gaf haar wat zij maar wenste en sprak: ‘Liefje, het zal je bij mij bevallen, je hebt alles wat je hartje begeert.’

Wat doet een heksenmeester? Hij gooit twee werelden door elkaar, de wetmatigheden van onze gewone wereld zet hij op zijn kop, werkelijkheid wordt tot schijn en schijn wordt werkelijkheid. 
De heksenmeester in het sprookje doet hetzelfde op een hoger niveau. Hij representeert de zintuigmens in ons, want die is de grote tovenaar. Voor hem geldt alleen de blijde wereld van de kleurenpracht, dus alles wat je met de zintuigen waarneemt. En omdat hij die als zaligmakend weet voor te stellen, wordt de geestelijke wereld die daar werkzaam in is, tot iets zintuiglijks betoverd. 
Waar zit die tovenaar in de mens? De mens heeft nog al wat plekjes. Hij woont diep in het bos, zegt het sprookje. Dat betekent daar waar het plantenleven woekerend groeit, iemands vegetatieve leven. Vandaaruit worden de zielenkrachten gegrepen (de mooie meisjes) en die wil hij beheersen.
Een bruiloft van de ziel met wat aan de zintuigen is gebonden, is het tegendeel van de koninklijke bruiloft die we telkens in de sprookjes tegenkomen. Misschien vertelt het sprookje daarom dat hij ze op zijn rug wegdraagt.

Dat ging zo een paar dagen door, toen zei hij: ‘Ik ga op reis en moet je voor korte tijd alleen laten; hier zijn de sleutels van het huis, je kunt overal binnengaan en alles bekijken, alleen niet in de kamer waarop dit sleuteltje past, dat verbied ik je op straffe des doods.’ Hij gaf haar ook een ei en sprak: ‘Bewaar dit ei zorgvuldig voor mij, ik wil graag datje het steeds bij je draagt, want als het verloren gaat, zou dat een groot ongeluk veroorzaken.’ Zij nam de sleutels en het ei aan en beloofde alles te doen wat hij had gezegd. Toen hij weg was, liep zij het hele huis door van boven naar beneden en bekeek alles. De kamers glansden van het goud en het zilver en zij geloofde, dat zij nog nooit zoveel pracht bij elkaar had gezien. Tenslotte kwam zij ook bij de verboden deur; zij wilde er voorbij lopen, maar zij was zó nieuwsgierig, dat ze geen rust had. Zij bekeek de sleutel die er net zo uitzag als iedere andere sleutel, zij stak hem in het slot en draaide er een beetje aan, toen sprong de deur open, maar wat zag zij toen zij binnentrad? Er stond een groot bloedig bekken middenin de kamer waarin dode, in stukken gehakte mensen lagen, daarnaast stond een houtblok waarop een blinkende bijl lag. Zij schrok zo vreselijk dat het ei dat zij in haar hand hield, in het bekken viel. Zij haalde het er weer uit en veegde het bloed af, maar tevergeefs, het kwam op hetzelfde ogenblik weer te voorschijn; zij veegde en krabde maar zij kon het er niet af krijgen.
Het duurde niet lang of de man kwam van de reis terug en het eerste waarom hij vroeg was de sleutel en het ei. Bevend gaf zij ze hem, maar hij zag meteen aan de rode vlek dat zij in de bloedkamer was geweest. ‘Ben je tegen mijn wil die kamer ingegaan?’ sprak hij. ‘Dan zal je er tegen je eigen wil weer binnengaan. Je leven is ten einde.’ Hij wierp het meisje neer, sleepte haar aan de haren erheen, sloeg haar op het blok het hoofd af en hakte haar in stukken, zodat haar bloed op de grond wegvloeide. Daarop wierp hij het meisje bij de anderen in het bekken.

De wereld van de zintuigen kan voor de ziel op een indrukwekkende manier glanzen: het huis van de tovenaar straalt door zilver en goud en het meidje mag, moet ervan genieten. Altijd zijn er nieuwe aspecten te ontwikkelen en onbekende ruimten gaan open. De opgave en de beproeving die de heksenmeester eist is om het ei goed te bewaren. Een ei is een levenskern. Daaruit komt steeds weer nieuw leven voort. In de Oudheid vind je het vaak als symbool op een grafsteen. Het beeld voor de innerlijke kern van de mens die in de dood blijft bestaan, het is het onvergankelijke eeuwige in de mens. Het bewustzijn van het ware Ik. Of het nu hier is of aan gene zijde in de geestelijke wereld: de eeuwige kern van het Ik is de centrale levenskiem. 
De heksenmeester haalt eerst de oudste dochter. De eerstgeborene is dat deel van de ziel dat zich het eerst ontwikkeld heeft, de waarnemende, voelende ziel. Die ontwikkelt zich al in het kind. Die moet tot het huwelijk gedwongen worden, dus een zintuiglijke ziel worden. Of ze de bloedkamer binnengaat of niet, ligt in haar vrijheid, hij geeft haar de sleutel.
Deze plaats is een geestelijke ruimte waarin het bloed aan het zintuiglijke leven gebonden is en dat de ziel gevangen kan houden. Daar heerst de lagere natuur van driften en begeerten. De beproeving is dit te leren kennen, maar toch de zuiverheid van het eeuwige Ik-bewustzijn te bewaren.
Als de oudste dochter, de voelende ziel, het ei in haar bezit heeft, dat leeft het weten van de eeuwigheid van de \ik-kiem in het voelen. Daar moet het in reinheid bewaard worden. Maar ‘zij laat het ei in het bloed vallen’. Het eeuwige wordt als een innerlijk diepe beleving van de lagere natuur van het bloed uitgeleverd. Daardoor valt de ziel aan de heksenmeester toe. Ze kan zich niet meer staande houden – het Duits heeft hier – be-haupt-en, met als kern ‘hoofd’, wij zouden nog kunnen zeggen ‘het hoofd bieden’, en wordt ont-hoofd, de eenheid die ze is gaat verloren, die valt uiteen.

‘Nu ga ik de tweede halen,’ sprak de heksenmeester en ging weer in de gedaante van een arme man naar het huis om te bedelen. Nu bracht de tweede dochter hem een stuk brood en hij ving haar net zoals de eerste, door haar slechts even aan te raken en daarop nam hij haar mee. Het verging haar niet beter dan haar zuster, ook zij liet zich door nieuwsgierigheid verleiden, opende de bloedkamer en keek naar binnen en moest dat bij zijn terugkeer met haar leven bekopen.

De tweede dochter kennen we als de ziel die zich naar het denken richt, en het vergaat haar evenzo. Zij moet de wereld van de heksenmeester die aan de zintuigen is gebonden, met haar denken verhelderen, ophelderen. Vanuit het denken zou zij de kiem van haar eeuwige Ik zuiver moeten bewaren, maar ook zij laat deze ‘in het bloed vallen.’ En ook zij verliest haar eenheid, verliest haar hoofd en de kracht van de zintuigmens overwint.

Daarop ging hij de derde halen, maar die was schrander en slim. Toen hij haar de sleutel en het ei had gegeven en was vertrokken, borg zij eerst het ei zorgvuldig weg, daarna bekeek zij het huis en ging tenslotte de verboden kamer binnen. Ach, wat zag zij daar! Haar twee lieve zusters lagen daar in het bekken, jammerlijk vermoord en in stukken gehakt. Maar zij begon hun ledematen uit te zoeken en aan elkaar te leggen, hoofd, romp, armen en benen. En toen er niets meer aan ontbrak begonnen de ledematen te bewegen, voegden zich aaneen en beide meisjes openden hun ogen en werden weer levend en zij kusten en omhelsden elkaar vol vreugde. Bij zijn terugkomst eiste de man meteen de sleutel en het ei op en toen er geen spoor van bloed op te bekennen viel sprak hij: ‘Jij hebt de proef doorstaan, jij wordt mijn bruid.’ Hij had nu geen macht meer over haar en moest doen wat zij verlangde. ‘Welaan,’ antwoordde zij, ‘eerst moet je een mand vol goud naar mijn vader en moeder brengen en het er zelf op je rug heendragen; onderwijl zal ik de bruiloft voorbereiden.’ Daarna liep zij naar haar zusters die zij in een kamertje had verstopt, en zei: ‘Het ogenblik is gekomen waarop ik jullie kan redden – de booswicht zal jullie zelf weer naar huis dragen, maar zodra jullie thuis zijn, moet je mij hulp zenden.’ Zij liet beide meisjes in een mand kruipen en bedekte hen helemaal met goud, zodat er niets van hen te zien was; daarna riep zij de heksenmeester binnen en zei: ‘Breng nu de mand weg, maar pas op dat je onderweg niet blijft staan om uit te rusten, ik kijk uit mijn venstertje en let erop.’
De heksenmeester tilde de mand op zijn rug en ging ermee weg, de mand was echter zo zwaar dat het zweet hem over zijn gezicht liep. Toen ging hij zitten om een beetje uit te rusten, maar dadelijk riep er een uit de mand: ‘Ik kijk uit mijn venstertje en zie dat je zit uit te rusten, wil je wel eens doorlopen.’ Hij dacht dat zijn bruid hem dat toeriep en ging weer verder. Nogmaals wilde hij gaan zitten maar er werd dadelijk geroepen: ‘Ik kijk uit mijn venstertje en zie dat je zit uit te rusten, wil je wel eens doorlopen.’ En zo vaak hij stilstond werd er geroepen en dan moest hij weer verder tot hij eindelijk steunend en buiten adem de mand met het goud en met de beide meisjes het huis van hun ouders binnenbracht.

De bruid echter bereidde thuis het bruiloftsfeest voor en nodigde de vrienden van de heksenmeester daarvoor uit. Daarna nam zij een doodskop met grijnzende tanden, zette hem een hoofdtooi op met een bloemenkrans, plaatste hem voor het zolderraam en liet hem van daar naar buiten kijken. Toen alles klaar was ging ze in een vat met honing zitten, sneed daarna een veren bed open en rolde daarin rond zodat zij eruit zag als een wonderlijke vogel en geen mens haar kon herkennen. Toen liep zij het huis uit en onderweg ontmoette zij enkele bruiloftsgasten die vroegen:

‘Zeg, Vleerkens Vogel, waar kom je vandaan?’
‘Uit Vlere Vleerkens huis ben ik gegaan.’
‘Wat doet dan daar de jonge bruid?’
‘Zij keerde van onder tot boven het huis,
Door het zolderraam kijkt zij nu uit.’

Tenslotte kwam zij de bruidegom tegen die langzaam naar huis terugliep. Hij vroeg net als de anderen:

‘Zeg Vleerkens Vogel, waar kom je vandaan?
‘Uit Vlere Vleerkens huis ben ik gegaan.’
‘Wat doet dan daar de jonge bruid?’
‘Zij keerde van onder tot boven het huis,
Door het zolderraam kijkt zij nu uit.’

De bruidegom keek naar boven en zag de versierde doodskop; hij dacht dat het zijn bruid was, knikte haar toe en groette haar vriendelijk. Toen hij echter samen met zijn gasten het huis was binnengegaan, kwamen de broers en de familieleden van de bruid aan die waren gezonden om haar te redden.
Zij sloten alle deuren van het huis zodat niemand kon ontsnappen, staken het huis in brand en zo kwam de heksenmeester met zijn trawanten in de vlammen om.

Pas de derde dochter wordt de situatie meester. Die kennen we als de willende ziel. Het is in de ziel de kracht die zich het laatst heeft ontwikkeld als hoogste zielenkracht. ‘Wil’ mag niet worden verwisseld met begeerte of wens, ook niet met een eenzijdige koppigheid. Er moet inzicht zijn en in het handelen slimheid, zelfs list, zegt het sprookje. Voor ze het huis verder onderzoekt, legt ze het ei weg. Ze beslist zelf over wat ze doet. Ze weet dat ze de wereld van de schitterende zintuigbeleving wakker binnen moet gaan. En zo komt ze te weten hoe de slagkracht van het boze haar beide zielenzusters vernield en gedood heeft. Maar omdat zij het ei bewaard heeft, kan zij de voelende en denkende ziel genezen  en weer heel maken. (Hoe vaak zeggen we niet: ik voel me verscheurd, verdeeld, (terneer)geslagen, uit elkaar gerukt, maar ook: ik heb me weer teruggevonden, heb mijn positieven weer bij elkaar, voel me weer ‘composed’.)
Nu ze de tovenaar overwonnen heeft, kan ze de oorspronkelijke heelheid van de ziel weer herstellen. Ze stuurt de beide zusters weer terug naar het ouderlijk huis. Die vinden weer aansluiting van het oude Zelf, bij het oerwezen van de ziel.
En omdat kennis en de overwinning van het kwaad wijsheid in zich dragen, worden de zusters met goud bedekt terug-gedragen
En nu laat de derde dochter, de door de doorstane beproeving volledig tot bewustzijn van zichzelf gekomen wilsziel, zien wat van de zintuigmens geworden is. Eens maakte die ook de hoge vlucht van de geest. Want de wereld van de zintuigen was nog niet in de kale zintuiglijke wereld weggedrukt. Er leefde nog een geestelijke wereld in die voor hem oorspronkelijk nog waarneembaar was,
De witte zielenvogel met de veren dragende bevlogenheid was zijn deel. Hij was een – het Duits heeft – Fitcher- vertaald als Vleerkens vogel. Fitcher komt uit het IJslands, fitfuglar, een watervogel, wit als een zwaan.
Maar nu is er in het huis van het lichaam – voor zover dat van hem is, want ieder mens heeft zijn eigen ‘huis’- geen leven meer. De mens die alleen in de zintuigen leeft, ontwikkelt zich niet verder, hij vergaat met de stoffelijkheid waarin hij opgaat. In waarheid beleeft hij alleen nog doodsprocessen, want stof vergaat en de geest blijft.
De hoogstmogelijke blik (het venster in de gevel) laat hem de bruid zien die hij door het doden van het leven verworven heeft.
En verder laat de ziel die de geestvolle wil bezit aan de vogel wat er van zijn zielenvogel is geworden. Want ze zegt: ‘Uit Vlere Vleerkens huis ben ik gegaan.’
Op aarde gaand, zonder de dragende zielenvogel, met geplukte veren bedekt, list en bedrog verspreidend met op de achtergrond de schijnlevende, grijnzende dood – dat is het beeld van de ziel zonder geest.
Alle oorspronkelijke krachten waaruit de ziel stamt (ouders en verwanten), moeten samen sterk staan en het geestesvuur aansteken, dat voor de heksenmeester en zijn trawanten de dood betekent.

Wikipedia

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2517-2360

.

.

.

.