VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen – voeding

.

In 1998 gaf de firma Weleda het blad ‘Puur kind’ uit. 
Daarin werd veel aandacht besteed aan het jongere kind – vanaf de geboorte tot een jaar of drie, vier.

Zoals het meestal gaat met artikelen die als basis antroposofische menskunde hebben, zijn die – ondanks dat ze al jaren geleden zijn geschreven – nauwelijks verouderd.
Natuurlijk staan er voor die tijd ‘actualiteiten’ in die dat uiteraard nu niet meer kunnen zijn.

Waar het echter gaat om ‘ontwikkeling’ en hoe we die op een goede manier = een gezondhoudende/gezondmakende kunnen ondersteunen, heeft die aan actualiteit niets ingeboet.

Voedingsperikelen in het eerste jaar

Van de borst naar de boterham.
Dat is in een notendop het voedingspatroon in het eerste levensjaar. Maar dat loopt niet altijd van een leien dakje. Als je baby niet goed gedijt, helpt vooral een brede kijk op zijn ontwikkeling, zegt consultatiebureau-verpleegkundige Paulien Bom.

Bij de zuigeling hangt immers alles nog met elkaar samen. De ontwikkeling die een gezonde zuigeling in het eerste levensjaar doormaakt, is enorm. Van liggen naar zitten en staan, van niet zelf van een plek kunnen komen, naar kruipen en soms ook lopen, van borst (of fles) tot boterham. Ondertussen wordt ook het gewicht nog verdrievoudigd. Een hele prestatie, waar een baby alleen toe kan komen als hij liefdevol wordt verzorgd en gevoed, als hij genoeg warmte (ook letterlijk) krijgt aangeboden en in de gelegenheid is voldoende te bewegen en te slapen. Dan kan een kind op een gezonde manier bezit nemen van zijn lijfje en de wereld gaan verkennen.

Toch gaat dit lang niet altijd vanzelf. Het kan zijn dat een kind niet voldoende aankomt, dat het de borst weigert, dat het de hele dag (en soms ook de nacht) alleen maar hap-snap wil drinken of dat het de overgang naar vaste voeding niet accepteert. Zelden ligt de oorzaak daarvan in een enkel onderdeel. Op deze leeftijd, waarin alles nog in beweging en ontwikkeling is, hangt alles met elkaar samen en beïnvloedt bijvoorbeeld het slaappatroon ook het eetgedrag. Dat vraagt dus om een brede kijk op het geheel.

Borstvoeding

Allereerst de borstvoeding. Aan de tendens die na de Tweede Wereldoorlog inzette om steeds minder en steeds korter borstvoeding te geven, kwam in de loop van de jaren zeventig een eind door de inzet van de borstvoedingsorganisaties. Zij hebben door de jaren heen enorm veel kennis en ervaring opgedaan rond het thema borstvoeden waardoor ze vrouwen, ook als het moeilijk ging, konden motiveren door te gaan met zelf voeden. Want met name door het rigide beleid uit de jaren zestig en zeventig, waarbij precies volgens de klok moest worden gevoed, sneuvelde menig goed voornemen. Omdat de borsten te weinig werden gestimuleerd, liep de borstvoeding terug. Het idee dat je, als je maar niet te vaak aanlegt, genoeg overhoudt voor de volgende voeding, bleek niet te kloppen. Langzamerhand is iedereen er wel van doordrongen dat je met borstvoeding niet moet kruidenieren. rwoeden-op-vraag is het algemene beleid geworden en de ??m ‘regeldagen’ (waarbij de baby vaak om voeding vraagt en de moeder hem ook vaak aanlegt) is intussen gemeengoed geworden. In de praktijk van het consultatiebureau merk ik echter dat het voeden-op-vraag ook zijn nadelen heeft.

Voeden-op-ritme

Voor de eerste weken is voeden-op-vraag volkomen terecht. Het is de periode waarin het kind de techniek van het drinken nog moet leren en de ouders het kind nog moeten leren kennen. Maar zodra de baby de techniek goed te pakken heeft en de borstvoeding op gang is gekomen, zullen zowel moeder als kind beter gedijen bij een zeker ritme dan bij het elke dag opnieuw afwachten wanneer de baby zich meldt.

Zo ken ik een gezin waar de eerste twee kinderen volgens het voeden-op-vraag principe de borst kregen. De moeder was, zoals ze zelf zei, geen held in het structureren, terwijl ze wel behoefte had aan een goed dagritme. Dat ritme kwam, ook toen de kinderen ouder werden, niet van de grond.

Bij het derde kindje pakte ze het anders aan. Zodra zich een eerste ritme in de voedingstijden begon af te tekenen, zorgde ze ervoor dat dit ook het ritme werd waarop ze de baby voedde. Ze had de situatie hierdoor meer in de hand en kon zich beter ontspannen. De aanmaak van borstvoeding had onder dit strakkere ritme niet te lijden en de baby floreerde. Bovendien viel het haar na een paar jaar op dat het jongste kind zelf veel meer gevoel voor ritme had, bijvoorbeeld bij het naar bed gaan en het honger hebben, dan de oudste twee.

Eén zo’n voorbeeld bewijst natuurlijk niets, maar in de praktijk merk ik vaak dat het voeden-op-ritme gezond werkt op de baby en op de rest van het gezin. Je zou kunnen zeggen dat het voeden-op-ritme een goede middenweg is tussen het voe-den-op-vraag van nu en het voeden-op-de-klok van vroeger.

Ritmeverstoorders

Het lukt niet altijd om ritme in de voedingstijden aan te brengen, ook al wil je dat als ouder nog zo graag. Er zijn baby’s die zich daar niet in lijken te willen voegen. Dat zijn vaak kinderen die kleine beetjes slapen, kleine beetjes drinken en vooral veel wakker zijn. Het is mijn ervaring dat als je het slapen aanpakt, ook het drinken aan de borst of de fles beter gaat. Ik zou niet weten hoe ik het in mijn werk zonder het bakeren* moest doen. Ik adviseer het veel en ook bij dit probleem. Door het bakeren gaan vrijwel alle baby’s langer en dieper slapen. Ze worden wakker met een flinke honger en doordat ze beter drinken en goed verzadigd zijn, wordt de vicieuze cirkel doorbroken.

Een tweede ritmeverstoorder is het opschuiven van de nachtvoeding. Een baby is er meestal niet van de ene op de andere dag aan toe om een nacht door te slapen. Vaak gaat daar een periode aan vooraf waarbij hij de ene keer om vier uur voeding vraagt en de volgende keer om half zes. Dat betekent dat je op de voedingstijden overdag ook geen peil meer kunt trekken. Bij borstgevoede kinderen raad ik aan om ’s nachts. een flesje met een klein beetje afgekolfde borstvoeding, verdund met water te geven. De baby voelt dan wel de verzadiging van een gevulde maag maar zal zich toch weer sneller dan normaal melden omdat de voedingswaarde gering is. Op die manier kun je de dag op een min of meer vaste tijd beginnen. Het gevaar voor gewenning aan de fles is niet zo groot omdat in de fase waarin een baby ertoe neigt de nacht door te slapen, de borstvoedingstechniek meestal al goed verankerd zit.

Zuigtechniek

Als een baby niet voldoende aankomt, is het lang niet altijd zo dat dat aan een tekort aan voeding van de moeder ligt. Veel vaker ligt het aan de zuigtechniek van de baby. Als ik daar expliciet naar vraag, geven moeders nogal eens toe dat het voeden pijn doet. Borstvoeden hoort, afgezien misschien van de eerste dagen waarin de tepels nog moeten wennen, geen pijn te doen. Als het voeden wel pijn doet of als de baby niet goed aankomt, is het verstandig deskundige hulp te vragen. Ik heb de meest lastige situaties zien verbeteren nadat er een lactatiekundige was ingeschakeld.

Bijvoeding

Ergens in de eerste zes à zeven maanden komt het moment dat een baby naast de voeding die hij kan zuigen, ook voeding krijgt van een lepeltje. Dat is in de meeste gevallen fruit of groente, kort gezegd bijvoeding. Ik ben zelf groot geworden in een tijd dat baby’s vanaf een week of zes wat sinaasappelsap bijgevoed kregen omdat er anders tekorten zouden ontstaan. Later is ontdekt dat borstvoeding in principe tot zes maanden volledig is en heeft men dat vroege starten met bijvoeding gestaakt. Ook de industriële flesvoedingen werden nadien zo vervaardigd dat er tot zes maanden geen bijvoeding gegeven hoefde te worden, wat met name voor kinderen met een allergische aanleg goed bleek te zijn.
Ook als er geen sprake is van zo’n aanleg bij hun kind, willen veel ouders graag tot zes maanden wachten met bijvoeding. Het is echter gebleken dat het niet verstandig is om, als het niet echt noodzakelijk is, zo lang te wachten. Want ook hier kun je voeding weer niet los zien van de gehele ontwikkeling van je kind. Vanaf een maand of vier raakt een baby geïnteresseerd in zijn omgeving. Het ontdekt zijn handjes, leert pakken en wil alles in zijn mond steken. Als een kind van die leeftijd bij je op schoot zit en merkt dat je iets eet, wil het dat ook. Het wil proeven en likken, oftewel: het wil via de mond, de lippen en de smaak de buitenwereld leren kennen. Dit is de meest gunstige fase om met bijvoeden te beginnen omdat je dan aansluit bij de natuurlijke ontwikkeling. Wacht je veel langer, dan zal je baby meer moeite hebben de dikkere voeding en de nieuwe smaak te accepteren.

Verslikken

Op een workshop over voeding zag ik een video van een moeder die haar baby van vier en een halve maand voor het eerst een fruithapje geeft. De baby zit enthousiast te trappelen als het eerste hapje nadert. Hij trekt een grimas bij het proeven van de vreemde smaak, verslikt zich in de dikke substantie maar begroet nog geen minuut later weer even enthousiast het volgende hapje.
Nogal wat ouders deinzen terug voor deze eerste reactie omdat ze denken dat hun baby het hapje niet lekker vindt of er nog niet aan toe is of omdat ze bang zijn voor verslikken of verstikken. Op de video was mooi te zien hoe snel de baby door had hoe je die voeding weg moet slikken, en de proestbuitjes leken hem volstrekt niet te deren. Lukt het om dit eerste drempeltje te nemen en langzamerhand verschillende soorten voeding te introduceren, dan vervangt de bijvoeding allengs (een deel van) de zuigvoeding.

Boterham

En dan komt het moment dat de baby ook wat vastere, geprakte voeding en een boterham gaat eten. Dan wordt eten echt eten en drinken echt drinken. Tot die tijd waren dorst en honger nog min of meer één. Die overgang vinden sommige kinderen moeilijk. Elk oneffenheidje, elk klontje in de voeding wodt zorgvuldig met de tong uit de mond gewerkt. Schiet er toch nog een stukje naar binnen, dan kan een kind rillen van viezigheid. Ik heb de indruk dat dat samenhangt met de manier waarop de voeding is bereid. Als je de hapjes kookt en met een staafmixer pureert, krijg je een supergladde babyvoeding. Daar went een kind aan. Probeer je een grovere substantie te maken door korter te mixen, dan wordt het een gladde massa met ongepureerde stukken erdoor. Dat heeft het effect van vla met klonten: het kind stelt zich in op glad maar opeens duiken er stukjes op. Inderdaad om te rillen. De ouderwetse roerzeef biedt soelaas. Daarbij horen verschillende zeven zodat je de mate van grofheid langzaam kunt opvoeren. Als je baby een jaar is geworden en in een kinderstoel aan tafel een deel van de maaltijd mee kan eten, kun.je met recht zeggen dat er veel is gebeurd dat eerste jaar en dat je het niet langer over je baby moet hebben maar over je peuter, op weg naar de volgende fase.

*Brochure: ‘Gewikkeld in doeken’, Ria Blom

Paulien Blom, Weleda Puur Kind nr. 5, lente 2000

.

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.