Tagarchief: vrijeschool

VRIJESCHOOL – Steiner: ‘Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven’ (19)

.

Dit artikel komt uit ‘ Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven
.

Zie ‘voorwoord‘.

.
Ook dit artikel, hoewel lang geleden geschreven, bevat inhoud waar we vandaag de dag nog steeds mee te maken hebben. Het schetst in het kort ook enkele belangrijke kenmerken van het vrijeschoolonderwijs.
.

Dr. A. H. Bos, Zeist
.

Vrijeschoolonderwijs en het beroepsleven van volwassenen
.

Dit tijdschrift streeft er voortdurend naar een nieuw licht te werpen op het vrijeschoolonderwijs – zowel wat betreft de fundamenten die door Rudolf Steiner zijn gelegd als de praktische toepassing ervan in talloze zelfstandige vrijescholen.
In dit artikel willen we laten zien hoe deze ideeën op vruchtbare wijze zijn aangepast voor volwasseneneducatie en hoe de kwestie kan worden bekeken vanuit het totaal andere perspectief van het ‘sociale driegeleding’.

Als je het wezenlijke verschil tussen het vrijeschoolonderwijs en vrijwel alle andere schooltypen en onderwijshervormingsbewegingen zou moeten verwoorden, zou dat als volgt kunnen: het basisconcept van de vrijeschool is het mensbeeld van de zich ontwikkelende mens.
De jaren die een kind op school doorbrengt, maken deel uit van een machtige stroom; de oorsprong daarvan in het voorgeboortelijke sfeergebied onttrekt zich aan ons zicht, net zoals het leven na de dood buiten ons huidige begripsvermogen valt.
In zijn boeken en voordrachten schetste Rudolf Steiner een beeld van de enorme ontwikkelingsreis van het individu en van de mensheid als geheel.
Mensen komen ter wereld met een veelheid aan vermogens en mogelijkheden; de opgave is om deze tot ontplooiing te brengen. We brengen een diepe wijsheid mee uit het voorgeboortelijke sfeergebied, en het doel is om de herinnering daaraan te wekken. We hoeven niets ‘toe te voegen’; we hoeven slechts datgene te wekken en in zijn ontwikkeling te stimuleren wat de ziel reeds in zich draagt. Het is duidelijk hoe deze pedagogische benadering contrasteert met andere onderwijsmethoden die geworteld zijn in het negentiende-eeuwse positivistisch-mechanistische mensbeeld – een visie die de mens beschouwt als een ‘tabula rasa’ (een onbeschreven blad) waarin allerlei zaken moeten worden ingebracht en waarin de leerstof moet worden ingeprent. Net als bij een machine kan er dan – qua vermogens en potentieel – niets meer uitkomen dan wat er door de ontwerper in is gestopt.

Op de vrijeschool is iedere lesstof ontwikkelingsstof. We hoeven niets toe te voegen; we moeten veeleer voeding bieden aan de ontwikkelingsmogelijkheden die inherent zijn aan de ziel. Uiteraard moeten we ook bedenken dat de zich ontwikkelende mens zijn plaats in de moderne wereld moet innemen. Hij moet fundamentele vaardigheden als lezen, schrijven en rekenen beheersen; hij moet zijn weg vinden in de uiterlijke wereld en de spelregels begrijpen, de weg kennen enz.

Niets hiervan mag echter ooit een doel op zich zijn – zoals in de meeste scholen wel het geval is – want dan gaat het ten koste van de menselijke ziel. Het is geen kunst om een ​​kind te leren rekenen; de vraag is of we dat kunnen doen op een manier die de ontwikkeling van morele krachten bevordert.
Het is geen kunst om een ​​kind een aantal historische feiten bij te brengen; de vraag is of we die zo kunnen overbrengen dat het kind een innerlijke band opbouwt met de geschiedenis en de eigen tijd, en dat er wilskrachten worden gewekt om de toekomst actief vorm te geven.
Wanneer iemand de school verlaat, wordt het leven zelf de school. In bredere zin wordt de enorme maatschappelijke wereld daarbuiten een leeromgeving.

De beroepswereld draagt ​​het stempel van dezelfde filosofie – en hetzelfde mensbeeld – als de zojuist beschreven schoolvormen. Het beroepsleven richt zich op uiterlijke productiviteit – op wat tastbaar, meetbaar en zichtbaar is als positief economisch resultaat (examenresultaten!) – en niet op de innerlijke beleving van degene die het werk verricht. Het beroepsleven is pragmatisch en zakelijk. Wie spreekt over menselijke ontwikkeling, krijgt vaak een standaardreactie: “Wij zijn hier geen onderwijsinstelling; mensen moeten zichzelf ontwikkelen – maar dan wel in hun vrije tijd.”

Weliswaar heeft de beroepswereld inmiddels ontdekt dat mensen kunnen leren en dat dit economische voordelen oplevert. Daarom wordt ons tijdperk overspoeld met bijscholing, cursussen, workshops en dergelijke. Toch worden deze bijna allemaal gekenmerkt door de poging om er iets “in te stoppen” zodat het er snel weer “uitgehaald” kan worden. Bovendien zijn veel van deze opleidingsactiviteiten eenzijdig; ze zijn niet gericht op de mens, maar op de functie. Het doel is om het individu toe te snijden op een specifieke rol. Dergelijke activiteiten staan ​​ver af van het idee dat werk zelf zou kunnen dienen als een voortdurende bron van persoonlijke ontwikkeling. Doorgaans vinden deze activiteiten plaats als aanvulling op het eigenlijke werk – fysiek gescheiden daarvan en buiten de werkplek – en voorafgaand aan het aanvaarden van de betreffende functie. Zodra men echter met het werk is begonnen, verdwijnt elke gedachte aan opleiding en ontwikkeling meestal naar de achtergrond. Het doel wordt puur economisch: er moeten specifieke goederen worden geproduceerd of diensten worden verleend tegen zeer concurrerende prijzen. De toegepaste technische en organisatorische methoden zijn nauw afgestemd op dit economische doel. We zien hier dezelfde mentaliteit als bij het ontwerp van gereedschappen en machines ontstaan ​​door een proces van logische analyse, gebaseerd op een helder omschreven kwantitatief doel, gevolgd door een rationele constructie uit afzonderlijke onderdelen. Wie zich verdiept in de moderne organisatietheorie – die de basis vormt voor de structuur van vrijwel alle grote maatschappelijke instellingen (bedrijven, overheidsinstanties, verenigingen, onderwijsinstellingen, enzovoort) – komt overal de figuur van de ontwerper tegen. Alles is logisch bedacht en rationeel op elkaar afgestemd, maar nergens komt je de mens tegen. De machine fungeert hierbij als het onderliggende archetype.

De noodzaak om als mens binnen een dergelijk logisch systeem te functioneren, roept een gevoel van onbehagen op; men merkt dat het systeem als zodanig de mens niet werkelijk kent – ​​dat wil zeggen: het slaagt er niet in om creativiteit, initiatief of verantwoordelijkheidsbesef aan te spreken; kortom, het doet geen beroep op het specifiek menselijke ontwikkelingspotentieel.

Dit onbehagen bleef lange tijd sluimerend, omdat er aanvankelijk meer primaire behoeften vervuld moesten worden. Zolang er sprake is van werkelijke behoeften op puur fysiek niveau, komen hogere behoeften nog niet tot uiting. Naarmate de welvaart toeneemt en er een basis van fysieke verzadiging is gelegd, ontstaat er ruimte voor behoeften van de ziel – zoals erkenning, waardering, positieve menselijke relaties, een gevoel van vervulling in het werk, enzovoort. De afgelopen decennia is er veel aandacht besteed aan deze kwesties (denk aan ‘human relations’ en personeelsmanagement). Gaandeweg wordt echter duidelijk dat de problematiek rond de mens in het arbeidsproces niet louter op het niveau van de ziel kan worden opgelost – tenzij men erkent dat er zich een spirituele ‘Ik-kern’ in de menselijke ziel wil ontwikkelen en dat er aan de behoeften van de ziel nog fundamentelere spirituele behoeften ten grondslag liggen. Deze laatste behoeften zijn verbonden met de menselijke ontwikkeling in de loop van een heel leven. Wie gedurende langere tijd de gelegenheid heeft gehad om met mensen op alle niveaus te spreken – uit uiteenlopende maatschappelijke lagen en in de meest uiteenlopende beroepssituaties – en daarbij ook de ervaringen van anderen betrekt zoals die in recente literatuur naar voren komen, komt tot de conclusie dat er een groeiende weerstand tegen werken bestaat. Mensen willen zich nergens meer aan verbinden; ze missen de wil daartoe; ze ervaren werk als iets negatiefs, enzovoort. Deze verschijnselen wijzen op een opkomende kloof in onze cultuur die catastrofale gevolgen zou kunnen hebben. Ze leiden tot een kloof die het individu dwingt in twee werelden te leven: de ene is de wereld van het beroep – een domein waar steeds minder ruimte is voor de mens, waar men er als het ware ‘uit wordt georganiseerd’, en waar men zich moet neerleggen bij het feit dat hij vele uren per dag zielsdodend werk moet verrichten – werk waarbij hij geen persoonlijk belang heeft bij de doelstellingen en methoden ervan; de andere wereld is die van de vrije tijd, waarin iemand het verdiende geld kan gebruiken – mits hij “geluk” heeft in zijn beroepsleven – om een ​​zekere mate van “mens-zijn” te kopen, en waarin hij hoopt opnieuw menselijkheid te ervaren.

Dit dualisme kan niet eeuwig blijven bestaan: want als de ene sfeer van het menselijk bestaan ​​wordt opgeofferd, zullen de krachten die zich daarvan meester maken onvermijdelijk proberen zich ook de andere sfeer toe te eigenen. We zien de eerste tekenen hiervan al in de commercialisering van de vrije tijd en in het feit dat de menselijkheid die men in de vrije tijd koopt, een namaakmenselijkheid is – een menselijkheid die op den duur een groeiende leegte in de ziel achterlaat.

Het beroepsleven moet worden vermenselijkt – niet door intermenselijke relaties een rooskleurig vernisje te geven, maar door de filosofie en praktijk van leiderschap en organisatie te doordringen van een nieuwe inhoud, gebaseerd op het concept van de zich ontwikkelende mens. Op die manier treedt het individu werkelijk als een zelfbewust wezen het beroepsleven binnen. Bij elke functie moet men, naast de twee eerder genoemde vragen, een derde vraag stellen: niet slechts of de functie doelgericht is – dat wil zeggen, of ze uiteindelijk bijdraagt ​​aan het bevredigen van klantbehoeften (wat de economische taak van de onderneming is) – en evenmin enkel of ze logisch past in de totale functiestructuur (organisatie in strikte zin vertegenwoordigt het “juridische aspect” van het bedrijf, aangezien ze in wezen een complex van regels, normen en afspraken vormt met betrekking tot de gebieden waarop iedereen op gelijke voet staat); maar ook of de functie een zinvolle rol kan spelen in de geestelijke ontwikkeling van de medewerkers.

Dit betekent dat er, als het ware, een volledig nieuwe dimensie wordt toegevoegd aan het functioneren van de onderneming. We weten nog weinig over de ontwikkelingsdynamiek van de volwassene; we hebben weinig inzicht in welke soorten werk – in de verschillende fasen van de menselijke levensloop – de ontwikkeling remmen of juist bevorderen; en we hebben nog weinig geleerd over de vraag of alternatieve combinaties van functies, taakverdelingen, taakontwerpen, communicatiemethoden, besluitvormingsprocedures en dergelijke een positieve invloed op het individu zouden kunnen hebben. Toch is het dringend noodzakelijk dat we ons met deze vragen bezighouden. Hier ligt een grotendeels onontgonnen terrein, zowel voor wetenschappelijk onderzoek als voor organisatorische en pedagogische verbeeldingskracht en creativiteit. Net zoals er voor elke vrijeschoolleerkracht een pedagogische uitdaging erin bestaat om lesstof om te zetten in materiaal voor persoonlijke ontwikkeling, staan ​​we voor een vergelijkbare uitdaging: elke werksituatie omzetten in een kans voor ontwikkeling.

Met “ons” bedoelen we het Nederlands Pedagogisch Instituut in Zeist, Nederland, dat – onder leiding van professor Lievegoed – zich al tien jaar in de praktijk met deze vraagstukken bezighoudt. Dit sociaal-pedagogische werk heeft ook in Zwitserland wortel geschoten.

Dr.Bos was medewerker van het NPI.
Hij schreef boeken en artikelen.  
Op deze blog staan een aantal van zijn artikelen.

Sociale driegeleding: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3577-3370

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Ideeën en achtergronden

.

Hoofdstuk 111, waarvan 3.2, uit ‘Het binnenste buiten’ – eindrapportage project traditionele vernieuwingsscholen – Driebergen 1985, VPC
.

Ideeën en achtergronden
.

Opvattingen over kind-school-wereld De taak van de school is drieledig

Naar binnen toe is deze taak gericht op de individuele ontplooiing van de leerling. Naar buiten toe is de taak een cultureel centrum te vormen, dat een plaats in het maatschappelijk veld inneemt. Tussen deze twee pulseert de taak om de school tot leefgemeenschap te maken.

De school vormt een meso-sociaal organisme, waarin zowel de wetmatigheden van de individuele ontwikkeling als die van de samenleving weerspiegeld worden.

Het kind:

De ontwikkeling van kind tot volwassene draagt een geheim in zich, dat ontsluierd moet worden en waarvan het uiteindelijk resultaat principieel onvoorspelbaar is. Elk mens heeft een niet-herhaalbare dus unieke biografie, die behalve door milieu en erfelijkheid wordt bepaald door de persoonlijkheid van de mens.

Naar zijn persoonlijkheid is ieder kind uniek; met elkaar hebben kinderen gemeen dat zij op weg zijn hun individualiteit zichtbaar te laten doorbreken. De persoonlijkheid drukt zich uit in de menselijke vermogens van denken, voelen en handelen. Die vermogens van de psyche moeten zo ver tot ontwikkeling worden gebracht, dat het kind zijn eigen identiteit vindt in de relatie tot medemens en cultuur. Het leert zichzelf kennen naar mogelijkheden en beperkingen — zodat het zichzelf doelen kan stellen, die het verwezenlijken kan.

Individuele ontwikkeling:

Een ontwikkeling is alleen mogelijk, wanneer er voldoende vrijheid en onafhankelijkheid aanwezig zijn om als persoonlijkheid tot een zelfstandige oordeelsvorming en besluitvorming te komen [1] Levendige uitwisseling met de omgeving moet bestaan, aangezien scholing alleen wordt opgeroepen in relatie tot anderen.

School als leefgemeenschap:

Leerlingen, leerkrachten, besturen en oudergroeperingen hebben de mogelijkheden zich in een sfeer van vrijheid en gelijkwaardigheid te ontwikkelen en samen te werken.

In het meso-sociale organisme dient de betrokkenheid bij het schoolgebeuren in vele facetten tot uitdrukking te worden gebracht. De maatschappelijke functie van het onderwijs is ook te zijn: een maatschappelijke voorziening, waarin men zich met anderen samen kan bezinnen en ontwikkelen en waarin men bezig kan zijn met allerlei zaken, die men wil leren kennen, leren maken en leren ondergaan.

Onderwijs is niet slechts een collectieve investering voor later, maar ook een mogelijkheid van alle betrokkenen om zich te ontplooien om zich zelfs wil. De school als leefgemeenschap is in zekere zin losgekoppeld van het uitsluitend op maatschappelijk nut gericht zijn.

Maatschappelijke samenleving:

De school is ingebed in een maatschappelijk verband. Onderlinge afhankelijkheid is een kenmerk van de samenleving. Het functioneren van een school werkt in op het samenlevingspatroon van de omgeving. In breder verband draagt de school bij tot het opwekken van de pedagogische component in het bedrijfsleven en kan de gedachte aan éducation permanente stimuleren.

Door de samenwerkingsvorm die het docententeam heeft, wordt een mogelijke samenwerkingsvorm binnen de maatschappij beleefbaar voor de kinderen.

De wereld en het kind:

In steeds breder kringen wordt de wereld-als-omgeving voor het opgroeiende kind zichtbaar, beleefbaar en kenbaar. De ingewikkeldheid en veelvormigheid van deze wereld is zo groot, dat grote voorzichtigheid in het begeleiden van het kinderlijke bewustwordingsproces geboden is.

Niemand weet, hoe de maatschappij van de toekomst eruit zal zien. In plaats van te wedden op het paard van de futurologen en statistici zal men dienen te wedden op dat van de creativiteit van de menselijke geest.

Kennis veroudert snel. Geestelijke lenigheid voor het onderscheiden van nieuwe mogelijkheden niet. Statistici komen tot een gemiddelde — een in wezen niet bestaande — cliché mens. Men bereidt een kind echter voor op de toekomst door het op te leiden tot vrijheid in het denken en tot vrije beschikking over kennis. De creatief denkende weet indoctrinatie te ontmaskeren en manipulatie te doorzien. Vanuit zijn gedachteleven kan hij nieuwe ideeën toevoegen aan de bestaande cultuur. Deze vrijheid wordt zorgvuldig voorbereid door de ontwikkeling van het kinderlijke denkvermogen te behoeden voor ontijdige en zinloze abstracties in het leerproces.

De onderwijsfilosofie

De Rudolf Steinerpedagogie heeft zijn wortels in de antroposofie en het daaruit voortvloeiende inzicht in de drieledigheid van mens en maatschappij.

Het mensbeeld van de drieledige mens naar lichaam, ziel en geest wordt daarbij verbonden met een maatschappijvisie die de juiste verhouding van economisch leven, rechtsleven en geestesleven in de menselijke maatschappij nastreeft en tevens recht doet aan de historische eisen van individualisme, democratie en socialisme; (vrijheid in het geestesleven; gelijkheid in het rechtsleven en broederschap in het economische leven). Bij de pedagogische gezichtspunten die door Rudolf Steiner zijn gegeven wordt uitgegaan van een ontwikkelingsmodel: stoffelijke (erfelijke) en geestelijke principes moeten door de opvoeding met elkaar in harmonie worden gebracht.

In het ontwikkelingsproces worden leeftijdsfasen onderscheiden, die mijlpalen aangeven voor de inwerking van de genoemde twee principes.

Deze mijlpalen leveren ook in de fysieke ontwikkeling van het kind markante punten op. aangezien de leeftijdsfasen een relatie met het stoffelijk-lichamelijke element vertonen.

Het overheersende principe bij het kleine kind is de lichamelijkheid en dient als zodanig gehonoreerd te worden. De geleidelijke inwerking van het geestelijke principe op de lichamelijkheid is datgene, wat zonder de opvoeding niet op adequate wijze tot stand kan komen.

Voor ieder kind liggen de mogelijkheden verschillend vanuit zijn situatie en constitutie.

Ook al schijnt de lichamelijke ontwikkeling zich langs lijnen van geleidelijkheid te voltrekken, toch zijn er zeer grote verschillen in datgene, wat het kind zich op deze weg naar aanleg en persoonlijkheid kan verwerven.

In het pedagogisch concept van Rudolf Steiner kan het kind op drie niveaus — uiteraard steeds in samenhang met de ontwikkelingsfase — worden benaderd:

— op wilsmatig (lichamelijk) niveau

— op gevoelsmatig niveau

— op cognitief niveau.

Ook al is in elk van de ontwikkelingsfasen een andere invalshoek voor pedagogisch handelen mogelijk, wanneer men van de bedoelde niveaus uitgaat, blijft steeds het gegeven bestaan, dat het kind zich als denkend, voelend en willend wezen continu blijft ontwikkelen.

De leeftijdsfase van de eerste zeven jaren van het kind, staat in het teken van de wil. De wil uit zich door bewegen. Door bewegen leert het kind rechtop lopen. Uit de beweging leert het kind spreken en vanuit het spreken leert het kind denken.

Bewegen, spreken, denken zou het kind echter nooit kunnen als het niet bij de geboorte het vermogen tot nabootsing had meegekregen. Het kind krijgt ook het vermogen tot rechtop lopen, spreken en denken mee. De voorwaarde echter om deze drie oer-menselijke activiteiten te ontwikkelen is de omgeving van mensen. De mens in de omgeving van het kind wekt zijn vermogens, het kind antwoordt met nabootsing.

De kleuterleerkracht begeleidt het kind van 4 tot 6 jaar door het een warme omgeving te bieden waar het vrij met mooie materialen kan spelen zonder dat zijn eigen belevingswereld door invloed van de volwassen wereld wordt verstoord. De kleuterleidster heeft tot taak de vermogens die het kind bij de geboorte meekrijgt zoals: nabootsing, spel, scheppende fantasie, te behoeden en te voeden tot aan de schoolrijpheid.

In de tweede leeftijdsfase, die in hoofdzaak samenvalt met de lagere schooltijd, krijgt het kind steeds meer bewustzijn van zijn omgeving, terwijl zijn ik-bewustzijn geleidelijk wordt ervaren in de gevoelsmatige relatie tot de hem omringende werkelijkheid.

Het kind gaat zich meer ‘naar buiten richten’ en dit is een grondslag voor zijn ‘leren’, hoewel ook een voortzetting van de voorgaande ontwikkeling plaats heeft.

Het cognitieve moment daarin vormt steeds een eindfase van dit proces: wisselwerking met de omringende wereld. Daardoor is dit proces veel belangrijker dan de intellectuele kennis, die wel een gevolg van dit proces behoort te zijn. Vanwege de unieke verhouding, die elk kind tot de wereld heeft, een individuele verhouding derhalve, is het noodzakelijk en hoogst belangrijk, dat de school het kind als individu tegemoet treedt.

Ongetwijfeld heeft dit verregaande consequenties voor het onderwijs.

De leerkracht van de lagere school gaat met zijn groep kinderen mee van leerjaar 1 tot en met 7. [2] Zo is het mogelijk, dat hij of zij de ontwikkelingsprocessen volgt en begeleidt, waardoor de continue ontwikkeling van leerlingen en leerproces bevorderd wordt.

In de derde leeftijdsfase, die naar de volwassenheid leidt, staat de kennis (en het kenproces) veel meer centraal. Het opgroeiende kind gaat een begin maken met het proces van ik-realisatie. Deze fase zal niet verder uitgewerkt worden, daar zij niet binnen het kader van dit project ligt.

De leerstof en ervaringsstof

Voor de kleuterschool spreken we van ervaringsstof. Voor de lagere school spreken we van leerstof als ontwikkelingsstof. De leerstof en ervaringsstof moeten als factor tussen leerkracht en leerling de volgende kwaliteiten bezitten:

— de leerstof dient aan te sluiten bij de ontwikkelingsfase van het kind;

— de leerstof moet in die fase een hulp en katalysator zijn voor die ontwikkeling;

— de leerstof dient te appelleren aan het kind als willend, voelend en denkend wezen.

De leerstof en ervaringsstof moeten daarbij zo gekozen worden, dat het kind in latere fasen aansluiting vindt voor verdere emotionele en intellectuele ontwikkeling. Daardoor krijgt het onderwijs de noodzakelijke continuïteit. Leerstof wordt ontwikkelings- en ervaringsstof. Staat bij het kind in de eerste leeftijdsfase het lichamelijke aspect centraal, dan zal de leerstof elementen van nabootsbaar, zinvol handelen dienen te bevatten.

Staat in de tweede fase meer het gevoelsmatige op de voorgrond, dan moet de leerstof om als hulp en katalysator te kunnen werken, zelf doortrokken zijn van schoonheid en kunstzinnigheid. De leerstof zal op deze wijze niet de ervaringsprocessen en kenprocessen van elkaar scheiden en binnen kaders afgrenzen, maar veel meer voor het kind mogelijkheden open dienen te houden. Door het kind steeds nieuwe situaties te laten beleven, wordt een voorwaarde geschapen om een continue ontwikkeling door de opeenvolgende leeftijdsfasen door te maken.

Hierna noemen wij leerstof en ervaringsstof tezamen ‘ontwikkelingsstof’.

Ontwikkelingsfasen van het kind

Een meer uitvoerige typering van de leeftijdsfasen die in de kinderontwikkeling te onderscheiden zijn, kan niet gemist worden om te verduidelijken hoe de leerstof als ontwikkelingsstof gepresenteerd kan worden. De keuze van de leerstof heeft dan ook een antropologische grondslag en wordt niet alleen bepaald door externe, maatschappelijke eisen. De grondgedachte is dat de — inmiddels voor de biologie achterhaalde [3] — recapitulatietheorie van Haeckel geldigheid bezit voor de psychologische ontwikkeling van het kind wiens bewustzijnsprocessen een korte herhaling te zien geven van de in de historie herkenbare bewustzijnsontwikkeling van de mensheid. [4]

De leerstof wordt derhalve geput uit het algemene cultuurgoed van de mensheid. Daarmede wordt — met C. Vervoort [5] — het z.g. ‘middle-class cultuurmodel’ als unidimensionaal referentiekader duidelijk afgewezen. Principieel wordt de psychische geaardheid van de kinderen als uitgangspunt gekozen. Het gaat om mensvorming in de eerste plaats, aangezien de biologische geboorte nu eenmaal geen garantie vormt voor de menswording van de mens. Innerlijke processen bij het kind kunnen hun weerspiegeling vinden in beelden en feiten van de leerstof.

Wanneer het kind iets van zichzelf ‘herkent’ in de leerstof, iets wezenlijks dat bij hemzelf behoort, is een zeer belangrijke bron van motivatie aangeboord. Volgens het door Rudolf Steiner ontwikkelde mensbeeld bestaat de mens uit lichaam, ziel en geest. Het lichaam, sterk bepaald door erfelijkheid en milieu, verschaft de geest middels de ziel een woning. De geest is de eeuwige wezenskern, de individualiteit, die zich met de geboorte belichaamt en zijn levensplan via ziel en lichaam wil verwezenlijken. De wezenskern is uniek. Geen twee mensen zijn dan ook hetzelfde. Men kan deze wezenskern ook ‘hoger Ik’ noemen. Het hoger Ik gebruikt de ziel als instrument. De ziel, middelaar tussen geest en lichaam, is een bundeling van drie krachtvelden: het denken, het voelen en het willen.

De basis voor de ontplooiing van de wil wordt gelegd in de eerste zeven levensjaren. De grondslag voor de ontplooiing van een rijk en genuanceerd gevoelsleven wordt ontwikkeld in de tweede zevenjarige periode (7-14 jaar). Na het 14e levensjaar ontwikkelt zich het zelfstandige, kritische denken. Na 21 jaar is de jongere rijp om zelfstandig in het leven te staan; het ik kan nu in de denkkrachten, gevoelskrachten en wilskrachten tot uitdrukking worden gebracht. Volgens de bovengenoemde wetmatigheid ontwikkelen de drie zielskrachten zich spontaan in ieder kind, al brengt het de globale wetmatigheid van de leeftijdsfasen toch op persoonlijke wijze tot uitdrukking.

De eerste zeven jaar (algemeen)

Het kind is in de eerste zeven jaar geheel aan de zintuiglijke indrukken overgeleverd. Het leeft met zijn zintuigen in de hem omringende wereld. Het is geheel oor als het luistert, geheel oog als het kijkt. Er is een onbewuste wilsstroom die op de wereld gericht is en zich uit in de nabootsing. Door de bewegingen na te bootsen ontwikkelt het kind zijn eigen bewegingen.

Lichamelijk presteert het kind dat het zijn eigen lichaam opbouwt. In de antroposofie spreekt men ervan dal het kind het hem geschonken ‘erfelijkheidslichaam’ naar buiten uitstoot en van binnen uit zijn individuele lichaam, de individuele vormen van de organen, opbouwt naar eigen temperament en aanleg. Als afsluiting van dit proces worden de melktanden uitgestoten.

Hoe degelijker en rustiger het lichamelijke fundament gelegd wordt, hoe beter het kind zijn verdere ontwikkeling daarop kan bouwen. Een huis met een slechte fundering stort in.

De eerste fase is dus de lichamelijke fase, het lichaam moet verzorgd worden, gewoonten moeten in deze tijd bijgebracht worden. Bijvoorbeeld goed kauwen, waarbij zowel het fysieke orgaan van de spraak —hetgeen articulatie ten goede komt —- als ook het hele verdere lichaam in beweging gezet wordt, met name de bloedstroom en stofwisseling. Eten is ook de verbinding met de aarde.

Het kind moet in deze tijd in de eerste plaats aardeburger worden. Ontvangen we het kind met 4 jaar in de kleuterklas, dan is dit proces in volle gang. De kleuterklas (school) behoort dus eigenlijk een instituut te zijn waar deze processen een vervolg kunnen hebben zodat het kind de gezonde lichamelijkheid kan opbouwen als basis voor het verdere leven.

Langzaam went het kind ook aan de aarde-ritmen, zoals de dag en nacht. Ook die ontwikkelingsstroom hoort als het kind de school binnen komt geëerbiedigd te worden. Het leven in onze school voltrekt zich in de eerste plaats als voorwaarde ritmisch. Ritme is de tijd vormend in beweging zetten en beweging is het element waar het kind in leeft. Door de dag ritmisch in te delen ontstaat er rust, afgewisseld door activiteit.

Wij kunnen dus vaststellen dat de ontwikkeling van een kind van 0-7 jaar adembenemend is. Het is daarom goed het kind met rust te laten om de processen hun eigen gang te kunnen laten gaan. Aan de andere kant moeten wij hel kind helpen de omgeving zo te scheppen dat daaruit een ontmoeting ontstaat, zodat de vermogens die een kind heeft, gewekt kunnen worden.

Kinderen in deze leeftijdsfase beïnvloeden met een leerproces dat gebaseerd is op intellectueel inzicht, kan tot stagnatie van groei en ontwikkeling leiden.

Drie fasen in de ontwikkeling van 0 tot 7 jaar

Al staan de eerste zeven jaren in het teken van de volutionele fase; er zijn drie kleinere fasen in deze periode te herkennen die respectievelijk de eerste cognitieve-, de eerste emotionele- en de eerste volutionele fase mogen worden genoemd.

Door nabootsing verricht het kind tussen geboorte en tweede levensjaar een grootse prestatie; het richt zich op, gaat lopen en maakt zich vervolgens de spreektaal eigen, dit alles terwijl zijn wil verweven is met intense zintuiglijke waarneming.

Tussen het tweede en vierde levensjaar ontwikkelt zich in samenhang met het zojuist veroverde lopen en spreken het cognitieve proces. De waarnemingsinhoud wordt geassocieerd.

Het moment waarop de los van elkaar staande waarnemingen en voorstellingen door associatie met elkaar in relatie komen en een gesloten samenhang krijgen, kan men de geboorte van het denken noemen.

Lichamelijk ontwikkelt zich de baby-gestalte, waarbij hel hoofd in verhouding preponderant is, tot de kleutergestalte, waarbij een ‘vulling’ van de romp optreedt.

Omstreeks het vierde levensjaar komt wederom een belangrijk moment in de ontwikkeling van het kind. Er ontstaat een begin van een gestructureerde gevoelswereld. Voor die tijd was er slechts een gevoelsmatige reactie (in lust of onlust) op de waarneming van buitenwereld of eigen vitale functies. Deze reactie was gebonden aan het toevallige ogenblik.

Het moment waarop het kind zich weet te distantiëren van de toevallige omgeving en het ogenblik, kan men de geboorte van het gevoel noemen. Er ontstaat dan een min of meer afgesloten en gestructureerd innerlijk leven, dat voelend beleven mogelijk maakt. In het begin van deze gestructureerde gevoelswereld ontstaat een nieuwe kracht in het kind, die van binnen uit tegenover de buitenwereld wordt gesteld.

Het kind bezit nu de kracht van zichzelf uit om de buitenwereld om te vormen tot zijn eigen wereld. De eigen wereld waarin hij koning kan zijn en waar alles mogelijk is. De scheppende fantasie is geboren.

Dit fantasievolle spel is voor het kind even belangrijk als eten en slapen. Met het spel leeft het kind zich dieper in het aardse leven in. Voor dit fantasievolle spel heeft het kind geen ingewikkeld uitgedacht speelgoed nodig; integendeel, zulk speelgoed remt het kind. Eenvoudige voorwerpen worden tot speelgoed, zoals tafels, stoelen, rekken, doeken. Zij maken de bruisende bron van de fantasie tot een klaterende waterval.

Naar het zesde jaar toe wordt de sluier van de eigen fantasiekrachten geleidelijk weggetrokken van het kinderlijke gevoelsleven. Gaandeweg beleeft het kind zijn onvermogen om in de buitenwereld vormend op te treden. Eerbied ontstaat bij het kind voor de volwassenen die iets kan (iets maken, speelgoed repareren, etc.). Zo zoekt het kind de volwassene als natuurlijke autoriteit en wordt ontvankelijk voor de school. Het denken in deze leeftijdsfase ontwikkelt zich geleidelijk van een geheel van waarnemingen en voorstellingen in gesloten samenhang tot de mogelijkheid van het hebben van denkbeelden.

Alle abstracte voorstellingen zijn de kleuter volmaakt vreemd. De kleuter bezit de voor abstractie vereiste innerlijke bewustheid nog niet en hij kan zich dus nog geen zelfstandige voorstellingen eigen maken.

Tot de tandwisseling zijn de voorstellingen nog aan de willekeur van het kind onttrokken. Dit hangt samen met de sterke overgave aan de omgeving. Iets van buiten af roept de voorstelling onwillekeurig bij de kleuter op.

Mutatis mutandis is ditzelfde het geval bij het geheugen. Een kind kan vóór de tandwisseling zijn vroegere belevingen niet willekeurig als herinneringsbeelden in zich wakker roepen. Een kleuter, die bijv. naar een dierentuin is geweest, weet zich bij navraag niets meer te herinneren van wat hij gezien heeft. Maar verschijnt plotseling een hond in zijn blikveld, dan komt een stroom van herinneringen aan leeuwen en olifanten onwillekeurig bij hem op.

Het werken op geheugen en voorstellingsvermogen bij de kleuter door abstracties heeft dus even weinig zin als het vertonen van mooie plaatjes aan een (ontijdig verlost) embryo-oog.

Ook de wilskrachten maken bij de kleuter een ontwikkeling door. In de eerste cognitieve fase wordt het kinderlijk handelen gedreven door begeerten en driften. In de emotionele fase wordt dit handelen meer bepaald door de productieve stroom van de spelfantasie. Maar tegen het einde van de kleutertijd wordt het handelen van het kind boven deze niveaus verheven.

Wanneer het kind zich doelen gaat stellen, wanneer het zich een taak kan stellen die het ook tot een einde wil brengen, is er een begin van het zich bewust-willend in de wereld plaatsen. Het begin van dit proces kan men de geboorte van het willen noemen. Met de tandwisseling is de kleuterfase afgelopen. Er zijn nieuwe mogelijkheden ontstaan, doordat het kind zich doelen kan stellen, zich willekeurige voorstellingen en herinneringsbeelden kan vormen en denkbeelden met een gestructureerde belevingswereld kan verbinden.

Dan is het kind volutioneel-, emotioneel- en cognitief rijp om in schoolse zin te gaan leren.

De lichamelijke ontwikkeling wordt in deze laatste volutionele fase gekenmerkt door strekking van de ledematen. Bij het doorbreken van de tandwisseling is een zekere harmonie in de gestalte bereikt, doordat hoofd, romp en ledematen onderling andere proporties hebben gekregen.

De tweede zeven jaar (algemeen)

In het voorafgaande hoofdstuk werd beschreven hoe de overgang van de eerste volutionele fase naar de tweede zevenjarige fase zich voltrekt. In deze tweede fase die globaal genomen samenvalt met de lagere schooltijd, ligt het belangrijkste accent op de emotionele of affectieve ontwikkeling van het kind.

Tussen het begin van de tandwisseling en de geslachtsrijpheid bepaalt het gevoelsleven van het kind in hoge mate, hoe het zich zal ontwikkelen. Met name zal het gevoelsleven bepalend zijn voor de houding van het kind ten opzichte van het ‘schoolse leren’. Het cognitieve proces wordt geheel en al gedragen en geïmpulseerd door het emotioneel-affectieve.

Drie fasen in de ontwikkeling van 7 tot 14 jaar

Ook de tweede zevenjarige ontwikkelingsfase kan, evenals de eerste, onderverdeeld worden in drie kleinere fasen — elk met een duur van ongeveer 2 a 2 1/jaar — waarvan de eerste een cognitief-emotioneel, de tweede affectief-emotioneel en de derde een volutioneel-emotioneel karakter draagt.

Deze kleinere fasen komen ook tot uitdrukking in de lichamelijke ontwikkeling, waarin men tijdens de eerste een harmonisatie van de gestalte, tijdens de tweede een vulling van de romp en tijdens de derde een strekking van de ledematen kan waarnemen.

De gehele schoolkindfase staat lichamelijk in het teken van de uitbouw en regulatie van het ritmische systeem. In zeven jaar ontwikkelt het kind geleidelijk een verhouding =1:4 tussen ademtocht en hartslag, zoals de volwassene dat heeft. Met het begin van de tandwisseling ontstaat bij het kind de mogelijkheid denkbeelden te hebben. Het kind gaat leven in een wereld van fantasievolle beelden. De cognitieve processen van die leeftijdsfase zijn beeldende processen in de kinderziel. Het kind wordt zich geleidelijk bewust van de wereld om hem heen, maar de toch nog altijd enigszins beschermende sluier van de beeldenwereld en de fantasie doet de wereld nog niet in volle scherpte tot zijn ziel doordringen. Het kind voelt zich nog één met de wereld. De nieuwe ontwikkeling in de cognitieve processen wordt als het ware gedragen door de emotionele en volutionele krachten die het kind nog uit de kleutertijd heeft meegenomen. Er is reeds gewezen op de sterke eerbiedskracht die de kleuter ontwikkelt, wanneer hij zijn onmacht beleeft om de buitenwereld te vormen naar het doel dat hij zich met zijn ‘pasgeboren’ wil gesteld heelt. Als klein kind kende hij de eerbied niet, maar vanaf het ogenblik dat hij de volwassene beleven kan als helper, die hij niet kan ontberen, ontwaakt in hem het verlangen naar een natuurlijke autoriteit. Het jonge schoolkind is een evenwichtig wezen en het begroet ieder die fantasievol op zijn wereldje weet in te gaan met diepe sympathie.

In de loop van het tiende levensjaar voltrekt zich echter een ingrijpende verandering in het gevoelsleven die de tweede fase inluidt. Een verscherping van het bewustzijn zet in: in het gevoelsleven van het kind wordt voor het eerst een scheiding tussen ‘ik’ en ‘wereld’ beleefd. Het kind krijgt een zekere afstand tot alles in zijn omgeving. Het voelt zich niet meer één met de wereld. Nu is de beschermende sluier weggerukt,
hetgeen onzekerheid en onevenwichtigheid met zich meebrengt. Het kind voelt zich eenzaam en bang (bijv. voor de dood). Het wordt soms ook agressief, hetgeen tot uiting komt in kritiek, ongezeggelijkheid en querulantie. Voor het begin van de prepuberteit hervindt het meestal een zeker innerlijk evenwicht. Een nieuwe, meer persoonlijke verhouding tot de omgeving wordt opgebouwd. Door inzicht en sympathie kan de volwassene daarbij zeer behulpzaam zijn.

Met de prepuberteit die omstreeks het 12e jaar intreedt, begint het proces van afscheiding tussen persoonlijkheid en wereld dat met de puberteit geheel voltooid wordt.

Wil en intellect komen in een nieuw stadium. Het kind wil zich de buitenwereld veroveren in beeld en in begrip. Ook komt er een duidelijk verschil tussen de geslachten tot uitdrukking. De jongen krijgt meestal een hoekige en slungelige gestalte. Hij wordt krachtig, dikwijls agressief en belust op avontuur. Het meisje wordt gewoonlijk ronder. Het sluit zich meer al, is vaak dromerig, slap en hangerig.

Bij het kind ontwaakt de drang om het denken logisch en abstract, het oordelen zelfstandig te maken. Het verlangt een waarheidsgetrouw beeld van de wereld en de samenhangen daarin, waarvoor het belangstelling kan hebben. Ook de nieuwsgierigheid ten opzichte van het andere geslacht is daarbij betrokken. Kortom, het kind wordt met de puberteit rijp voor de aarde. ‘Aarde-rijpheid’ is dan ook een zinrijker woord dan ‘geslachtsrijpheid’ volgens Rudolf Steiner.

[1] De Groot – Over fundamentele ervaringen – Ped.Stud, 1974 (51)Hayward – The participatory planning process for education, Parijs 1972
Meijer -wel hier genoemd, niet in literatuuropgave
[2] Dat is nu klas 1 (groep 3) t/m klas 6 (groep 8)
[3] Men zie ‘Vom Ei zum Embryo’. Dr. E. Blechschmidt, Stuttgart 1968
[4] artikelen Het leerplan en Ernst Haeckel
[5] Vervoort – Onderwijs en sociale ongelijkheid, Alphen aan den Rijn, 1973

(voetnoten door mij in- en bijgevoegd)
.

Leren: voorstelling en wil, Algemene menskunde: voordracht 2: alle artikelen

Over ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.
1073-995

.