Tagarchief: sympathie en antipathie

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 2 (2-7-2)

.

Enkele gedachten bij blz. 41 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Steiner:

Wir haben allerdings selbst in der leiblichen Offenbarung einen dreifachen Ausdruck dieser Sympathie und Antipathie. Gewissermaßen drei Herde haben wir, wo Sympathie und Antipathie ineinanderspielen. Zunächst haben wir in unserem Kopf einen solchen Herd, im Zusammenwirken von Blut und Nerven, wodurch das Gedächtnis entsteht. Überall, wo die Nerventätigkeit unterbrochen ist, überall, wo ein Sprung ist, da ist ein solcher Herd, wo Sympathie und Antipathie ineinanderspielen.

En nu zijn ons zelfs op drie plaatsen in ons lichaam de sym­pathie en antipathie geopenbaard. We hebben in zekere zin drie centra waarin sympathie en antipathie met elkaar in wisselwer­king zijn.

Het eerste centrum in het hoofd.

Een tweede – n0g zo’n sprong –  in het ruggenmerg:

Ein weiterer solcher Sprung findet sich im Rückenmark, zum Beispiel wenn ein Nerv nach dem hinteren Stachel des Rückenwirbels hingeht, ein anderer Nerv von dem vorderen Stachel ausgeht.

Ten tweede is er zo’n sprong in het ruggenmerg, bijvoorbeeld waar één zenuw de achterwortel van het ruggenmerg binnengaat en een andere de voorwortel uitgaat.

An drei Stellen unseres Organismus, im Kopf, in der Brust und im Unterleib spielt das hinein, da sind Grenzen, an denen Antipathie und Sympathie sich begegnen. Es ist mit Wahrnehmen und Wollen nicht so, daß sich etwas umleitet von einem sensitiven Nerven zu einem motorischen, sondern ein gerader Strom springt über von einem Nerven auf den anderen, und dadurch wird in uns das Seelische berührt: in Gehirn und Rückenmark. An diesen Stellen, wo die Nerven unterbrochen sind, sind wir eingeschaltet mit unserer Sympathie und Antipathie in das Leibliche; 

Op drie plaatsen in ons organisme – in het hoofd, in de borst en in het onderlichaam – speelt zich dat af, zijn er grenzen waar sympathie en antipathie elkaar ontmoeten. Met waarnemen en willen is het niet zo dat er iets van een sensitieve zenuw naar een motorische zenuw wordt omgeleid, maar er springt recht­streeks een stroom van de ene zenuw over op de andere en daardoor wordt in ons, in de hersenen en in het ruggenmerg, de zielenwereld aangeroerd. Op deze plaatsen waar de zenuwbanen onderbroken zijn, zijn wij met onze sympathie en antipathie verbonden met het lichaam;

Hoe ‘de sprong’ plaatsvindt in van de ene zenuw naar de andere, m.n. waar ‘één zenuw de achterwortel van het ruggenmerg binnengaat en een andere de voorwortel uitgaat’ heb ik nog niet zo duidelijk kunnen vinden als wat betreft ‘de sprong’ in het hoofd. [2-7-1]

Anatomisch zijn de voor- en achterwortel duidelijk aanwijsbaar:

Bouw van het ruggenmerg

1- witte stof
2 = centrale kanaal
3 = grijze stof
4 = achterwortel
5 = voorwortel
6 = ruggenmergszenuwknoop
7 = ruggenmergszenuw
8 = vetweefsel
9 = wervellichaam

[bron]

Ook Leber geeft geen duidelijke uitleg over ‘de sprong’ bij de voor- en achterwortel, hoewel hij nog uitgebreid ingaat op veel anatomische bijzonderheden i.v.m. de opvatting van Steiner dat het astraallijf en het Ik van de mens ’s nachts anders functioneren dan overdag.

Ook voor de zenuwknoop – ganglion – geeft hij geen nadere toelichtingen die de woorden van Steiner zouden kunnen verduidelijken.
Het woord -ganglion- betekent ook: Een ganglion is een bobbeltje aan uw pols, vinger of voet. Dit is een uitstulping van de peesschede of van het kapsel van het gewricht. [bron]

Meer over de zenuwknoop.
Uit deze informatie blijkt niet overduidelijk dat het alleen om de plaatsen gaat die Steiner zo duidelijk onderscheidt: 3 plaatsen:
Ganglia bevinden zich overal in het lichaam, maar zijn geconcentreerd in de zintuigen en in de wervelkolom.

Wel blijkt uit de informatie dat een zenuwknoop een groep zenuwcellen is – het zijn neuronen en – die beschikken over een synaps – zodat de conclusie gerechtvaardigd lijkt, ook de ganglia de mogelijkheid van ‘de sprong’ toe te schrijven.
De opmerking van Steiner dat ‘de sprong’ zich op 3 plaatsen zou bevinden, moeten we wellicht anders lezen.
Er zijn vele ‘sprongen’, zoals de informatie al aangeeft: in het hele lichaam. Steiners 3 plaatsen lijken me te duiden op ‘geconcentreerd in hoofd, wervelkolom, tot in het gebied van het onderlichaam. (Je zou bijna geneigd zijn te zeggen: in hoofd, romp en ledematen als we de laatste beperken tot zijn component: stofwisseling-(ledematen).

Bos zegt in zijn artikel: Nu onstaat de vraag: waarom is de zenuwbaan onderbroken? Als de zenuwen niet onderbroken zouden zijn, zouden wij niet ingeschakeld kunnen zijn in het hele proces van de hersenenacitivteit. Alleen door het feit dat de impuls hier bij de plaats waar de onderbreking is, overspringt, zijn wij zelf aanwezig in de wereld, daardoor zijn wij zelf bij deze impuls aanwezig.

Mijn vraag zou nu zijn: zijn wij dan bij elke sprong in ons hele lichaam ‘aanwezig’. En in gelijke mate? Of krijgen we hier te maken met het drietal ‘wakker – dromen – slapen’, zodat het ‘erbij zijn’ afgezwakt wordt.

En als we ‘erbij zijn’: heeft dat invloed op welke transmitters er afgevuurd worden. Als ik schematisch zeg: als we erbij zijn in toestand A (bang, blij, opgewonden) worden er dan andere transmitters actief dan wanneer ik mij bevind in toestand B (onverschrokken, droevig, in alle rust). 

En wat kan zo’n vraag voor het pedagogisch-didactisch handelen betekenen.

Als ik een leerling iets aanleer, kan ik mij afvragen: ‘hoe is hij er nu bij’. Met sympathie, of met tegenzin. 
Kun je ook vragen of er verschil in afgevuurde transmitters zit bij ‘het met sympathie erbij zijn of met tegenzin’. En waar blijven die stoffen. Ligt hier een antwoord op de wonderlijke conclusie die Steiner trekt wanneer hij een ‘verkeerde’ opvoeding soms koppelt aan fysieke klachten op latere leeftijd?

Kortom: veel (onzinnige?) vragen? Op zoek maar weer!

.

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
.

Algemene menskunde: voordracht 2: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1604

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties