VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 304A – voordracht 3

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: vspedagogie  voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER

GA 304A

 Anthroposophische Menschenkunde und Pädagogik

9 openbare voordrachten gehouden tussen 25 maart 1923 en 30 augustus 1924 in verschillende steden.

Vertaling

Antroposofische menskunde en pedagogiek

In de Gesamt-Ausgabe GA 304A is geen inhoudsopgave weergegeven voordracht 1: Pädagogik und Kunst – Stuttgart 25 maart 1923 is uitgegeven bij uitgevrij Pentagon, samen met voordracht 2: Pädagogik und Moral -Stuttgart 26 maart 1923 – onder de titel: Pedagogie, kunst en moraliteit

Inleidende woorden bij een euritmieopvoering 27 maart 1923

(Eigen) inhoudsopgave voordracht 3

‘Pädagogik’ kan worden vertaald met pedagogie én pedagogiek. De laatste is de ‘leer’ en de eerste ‘de praktijk’ van de opvoeding. Wat Steiner met ‘Pädagogik’ bedoelt is het samengaan van beide. Daarom is het m.i. niet nodig in vertalingen van zijn pedagogisch werk daarin een onderscheid te maken. Ik gebruikte beide opvattingen door elkaar. Vandaar ook in de titel (pedagogie(k)

Blz. 60: kan een wereldbeschouwing vruchtbaar zijn voor de pedagogie? Antroposofie wil geen wereldbeschouwing zijn, maar de mens beschrijven zoals hij is, wat daaruit volgt voor de opvoeding, is een vanzelfsprekendheid.
Blz. 61 e.v.: antroposofie wil vruchten kunnen afwerpen voor de opvoeding en het onderwijs: niet een of andere hobby zijn.
Blz. 63 e.v.: grote kloof tussen materialisme en geesteswetenschap, zichtbaar in theorie en praktijk van het leven;
Blz. 65 e.v.: het zich ontwikkelende kind waarnemen; de geest aan het werk zien, respect voor die scheppende wereld;
Blz. 67 e.v.: ontstaan experimentele psychologie; van buitenaf kijken, of innerlijk waarnemen;
Blz. 68 e.v.: over Ernst Mach, hoe deze de wereld zag en waarom; over ether- en astraallijf;
Blz. 71 e.v: de scholingsweg geeft je andere inzichten en doet je anders in het leven staan;
Blz. 75 :voorstellen, geheugen en groei; onderwijsvernieuwing kan niet zonder nieuwe menskunde;
Blz. 76: er is geen antroposofische pedagogie om wille van de antroposofie, maar om wille van vernieuwde opvoeding en onderwijs.

Blz. 60

Voordracht 3, Dornach 30 juni 1923   (deel 1 van 2)

Warum eine anthroposophische Pädagogik?

Meine sehr verehrten Anwesenden, es gereicht mir zur großen Befriedi­gung, wiederum zu Lehrern über ein pädagogisches Thema heute und morgen sprechen zu können, und ich möchte insbesondere neben allen übrigen heute anwesenden Mitgliedern die anwesenden Lehrer aufs herzlichste begrüßen.
Sie werden begreifen, daß angesichts des Umstandes, daß die aus der Anthroposophie hervorgegangene Pädagogik im Wesen nichts Theoreti­sches, nichts irgendwie Utopistisches, sondern eine wirkliche Praxis ist, man gerade aus diesem Grunde in zwei kurzen Vorträgen nur einige Gesichtspunkte angeben kann. Ich habe mir ja erlaubt, als eine Ver­sammlung schweizerischer Lehrer vor kurzem einmal längere Zeit hier anwesend war, in einer ausführlicheren Weise, aber noch immer in einer zu kurzen Art, über anthroposophische Pädagogik zu sprechen. Da war es schon möglich, weil es in der Praxis so vielfach auf Einzelheiten ankommt, die Dinge besser zu behandeln, als das in zwei kurzen Vorträgen möglich ist. Aber ich werde mich bemühen, in diesen kurzen Vorträgen wenigstens einige Gesichtspunkte zu entwickeln gerade mit Bezug auf die Frage, in die ich das Thema hinein formuliert habe:

WAAROM EEN ANTROPOSOFISCHE PEDAGOGIEK?

Zeer geëerde aanwezigen, ik voel me er heel gelukkig mee dat ik vandaag en morgen weer tot leraren kan spreken over een pedagogisch thema en ik zou graag in het bijzonder, naast alle andere aanwezige leden, de leerkrachten die nu hier zijn, hartelijk welkom willen heten.
U zal begrijpen dat met het oog op de omstandigheid dat de pedagogie die voortkomt uit de antroposofie in wezen niets theoretisch, niet iets utopisch of iets dergelijks is, maar een daadwerkelijk praktische en dat je daarom in twee korte voordrachten maar een paar gezichtspunten kan belichten. Toen hier een een poosje geleden voor langere tijd een groep Zwitserse leerkrachten aanwezig was, heb ik me veroorloofd om uitvoerig, maar toch altijd nog te kort, over antroposofische pedagogie te spreken. Het was toen wel mogelijk, omdat het in de praktijk zo vaak op de details aankomt, de dingen beter te behandelen dan in twee korte voordrachten mogelijk is. Maar ik zal mijn best doen in deze korte voordrachten op z’n minst een paar gezichtspunten uit te werken vooral met het oog op de vraag die ik in het thema verwerkt heb:

«Wozu eine anthroposophische Pädagogik?»
Diese Frage muß ja aus den verschiedensten Gründen auftauchen. Schon darum muß sie auftauchen, weil ja Anthroposophie sehr häufig heute noch als irgend etwas Sektiererisches genommen wird, als irgendeine aus der menschlichen Willkür hervorgegangene Weltanschauung. Da frägt man sich dann: Darf denn Pädagogik durch eine bestimmte Weltanschauung beeinflußt werden? Kann man sich etwas Fruchtbares davon versprechen, daß ein Weltanschauungs-Standpunkt irgendwie pädagogische Konsequenzen aus sich heraus zieht? Wenn diese Frage berechtigt wäre, so gäbe es wahrscheinlich das nicht, was man anthropo­sophische Pädagogik nennen kann.
Es ist ja allerdings so, daß die verschiedenen Weltanschauungen, die

‘Waarom een antroposofische pedagogie?
Deze vraag moet wel ontstaan om velerlei redenen. Alleen al, omdat de antroposofie tegenwoordig nog heel vaak als iets sektarisch wordt gezien, als een of andere wereldbeschouwing die door menselijke willekeur is ontstaan. Mag pedagogie door een bepaalde wereldbeschouwing beïnvloed worden? Kan er uit een wereldbeschouwelijk standpunt iets vruchtbaars ontstaan als daar pedagogische consequenties aan verbonden worden? Als deze vraag te rechtvaardigen zou zijn, zou er waarschijnlijk niet zoiets zijn dat je antroposofische pedagogie kan noemen.
Het is zeker zo, dat de verschillende wereldbeschouwingen die

Blz. 61

vorhanden sind, auch über das Erziehungswesen diese oder jene Ansich­ten entwickeln, diese oder jene Forderungen aufstellen. Und man merkt überall diesen oder jenen Weltanschauungs-Standpunkt hindurch.
Das gerade soll bei der anthroposophischen Pädagogik eben ganz unmöglich sein, und ich darf gleich einleitend vielleicht vorausschicken, daß wir ja seit nun schon einer Reihe von Jahren in Stuttgart versucht haben, eine Volks- und auch höhere Schule im Sinne dieser anthroposo­phischen Pädagogik einzurichten, und daß es gewissermaßen dort unser Ideal ist, daß die Dinge so natürlich und selbstverständlich im Einklang mit der ganzen Menschenwesenheit und ihrer Entwickelung vor sich gehen, daß gar niemand auf den Gedanken kommen kann, da sei irgendeine anthroposophische Idee verwirklicht, daß gar niemand eigentlich etwas merken kann davon, daß irgendein Weltanschauungs­Standpunkt da zur Offenbarung kommt. Das was ich in dieser Richtung zu sagen habe, hängt ja allerdings damit zusammen, daß man mit Bezug auf Dinge, die man in der Welt vertritt, nun einmal genötigt ist, einen Namen zu gebrauchen.

er bestaan, ook over de opvoedkunde bepaalde opvattingen ontwikkelen, bepaalde eisen formuleren. En in alles vind je wel het standpunt van die wereldbeschouwing terug.
Maar juist dat moet bij de antroposofische pedagogie dus niet mogelijk zijn en ik mag meteen wel als inleiding naar voren brengen dat wij al een aantal jaren op vrijeschool in Stuttgart geprobeerd hebben, een basis- en een middelbare school in te richten vanuit deze antroposofische pedagogie. En in zekere zin is het ons ideaal dat deze dingen zo natuurlijk en vanzelfsprekend overeenstemmen met het hele wezen mens en zijn ontwikkeling en dat niemand op de gedachte kan komen dat er een of ander antroposofisch idee verwezenlijkt wordt, dat er dus niemand iets van kan merken dat daar een of andere wereldbeschouwing aan het licht treedt. Wat ik, wat dit betreft, daarover wil zeggen, hangt er duidelijk mee samen dat je met het oog op de dingen waar je in de wereld voor staat, nu eenmaal een naam moet gebruiken.

Aber ich kann Ihnen die Versicherung geben, mir wäre es das Allerliebste, wenn das, was hier am Goetheanum vertreten wird, keinen Namen brauchte, wenn man es einmal so und einmal so nennen könnte, weil es sich hier nicht um eine Summe von Ideen handelt, wie sie gewöhnlich eine Weltanschauung bilden, sondern weil es sich hier um eine gewisse Forschungsart und Lebensbetrachtung handelt, die von den verschiedensten Seiten her in der verschiedensten Weise benannt werden kann. Und eigentlich führt bei der Art, wie man Namen gewöhnlich nimmt, jeder Name irre. Ich möchte mich darüber ganz trivial ausdrücken, aber Sie werden mich verstehen.
In bezug auf solche Dinge, wie Namen für geistige Strömungen, ist ja die Menschheit heute noch nicht viel weiter, als sie vor vielen Jahrhun­derten in Europa war mit Bezug auf Namengebung überhaupt. Heute hat man allerdings für die Namengebung bei Menschen das Nötige, was zu vergessen ist, vergessen. Wie gesagt, ich will mich ganz trivial ausdrücken.
Es hat einen Sprachforscher gegeben, einen berühmten Sprachfor­scher, er hieß Max Müller. Nehmen wir einmal an, jemand hätte gesagt, da und dort wohnt der Müller, und hätte damit die Wohnung des

Maar ik kan u wel verzekeren dat het mij het liefst is, dat waar we hier in het Goetheanum voor staan, helemaal geen naam nodig zou hebben; dat je het dan eens zus en dan eens zo zou kunnen noemen, omdat het hier niet om een optelsom van ideeën gaat die gewoonlijk een wereldbeschouwing vormen, maar  om een bepaalde manier van onderzoek en levensbeschouwing die van de meest verschillende kanten op de meest verschillende manieren benoemd kan worden. En eigenlijk leidt op de manier zoals men namen meestal neemt, iedere naam in een verkeerde richting. Dat wil ik heel alledaags onder woorden brengen, maar u begrijpt mij wel.
Met die dingen, zoals namen voor geestelijke stromingen, is de mensheid in Europa tegenwoordig nog niet veel verder dan eeuwen geleden en dat betreft ook het geven van namen in het algemeen. Tegenwoordig is in ieder geval wat de naamgeving bij mensen betreft, het nodige wat vergeten kan worden, ook vergeten. Zoals gezegd, ik druk me alledaags uit.
Er is een taalonderzoeker geweest, een beroemde, nl. Max Müller. Laten we eens aannemen dat iemand zou hebben gezegd dat daar of daar deze Müller woont en 

Sprachforschers Max Müller gemeint, und jemand hätte dann im Hin­blick auf das Wort Müller dem betreffenden Sprachforscher Getreide gebracht, daß er es mahlen solle – weil man ihm gesagt hatte, da wohne der Müller. Nicht wahr, bei Menschen sind wir bereits gewöhnt worden, nicht allzuviel auf die Wortbedeutung der Namen zu geben. Bei solchen Dingen, wie geistige Strömungen, tut man das heute noch. Man küm­mert sich oftmals nicht viel um die Dinge und analysiert, wie man sagt, den Namen «Anthroposophie». Man deutet den Namen und macht sich daraus eine Vorstellung.
Aber gerade so viel, wie das Wort Müller für den Sprachforscher Max Müller bedeutet, bedeutet das Wort Anthroposophie für das, was hier eigentlich als eine geistige Forschung und geistige Lebensbetrachtung gemeint ist. Daher wäre es mir am liebsten, wenn man, wie gesagt, jeden Tag die hier getriebene geistige Forschung und geistige Lebensbetrach­tung anders benennen könnte. Denn darin würde sich gerade ihre Lebendigkeit zum Ausdruck bringen. Man kann nur einigermaßen charakterisieren, was Anthroposophie will heute in der Weltzivilisation; man kann aber eigentlich nicht von ihr eine von vornherein verständliche Definition geben.

dat hij daarmee de woning van de taalonderzoeker Max Müller zou hebben bedoeld en dat er dan iemand met het oog op het woord Müller (molenaar) de betreffende taalonderzoeker koren zou hebben gebracht om dat te malen – omdat men hem had gezegd dat daar de molenaar woont. En niet waar, bij mensen zijn we er wel aan gewend geraakt, niet al te veel rekening te houden met de betekenis van namen. Maar als het om geestelijke zaken gaat, doet men dat nu nog wel. Dikwijls is men daar niet al te veel mee bezig en dan analyseert men de naam ‘antroposofie’. Men duidt die naam en maakt daarvan dan een voorstelling.
Maar net zoveel als de naam molenaar iets betekent voor de taalonderzoeker Max Müller, betekent het woord antroposofie iets voor wat hier eigenlijk als  geestelijk onderzoek en geestelijke levensbeschouwing wordt bedoeld.
Vandaar dat ik het liefst zou hebben, dat men, zoals gezegd, wat hier aan geestelijk onderzoek en geestelijke levensbeschouwing wordt gedaan, iedere dag anders zou kunnen noemen.
Want daarmee zou nu juist het levendige ervan tot uitdrukking gebracht worden. Je kan wel enigszins karakteriseren wat antroposofie vandaag in de wereldbeschaving wil; maar je kan er eigenlijk van te voren geen verstandige definitie van geven.

Und heute und morgen möchte ich mich eben bemü­hen, ein wenig gerade mit Bezug auf das Pädagogische zu zeigen, wie Anthroposophie fruchtbar werden kann für die Erziehung des werden­den Menschen, für das Unterrichten des werdenden Menschen.
Das werden einseitige Charakteristiken sein, denn die ganze Fülle desjenigen, was gemeint ist, kann eben durchaus nicht in zwei Vorträgen erschöpft werden.
Wenn wir uns heute mit Interesse für die Geistesentwicklung der Welt umsehen, dann merken wir ja unter den verschiedensten Forderun­gen, die uns umschwirren, die sogenannte pädagogische Frage. Reform­pläne über Reformpläne treten von mehr oder weniger geschulten, zumeist aber von dilettantischen Menschen auf. Das alles weist aber darauf hin, daß immerhin ein tiefes Bedürfnis vorhanden ist, über die Fragen des Erziehungs- und Unterrichtswesens ins klare zu kommen.
Das aber hängt auf der anderen Seite zusammen damit, daß es heute außerordentlich schwierig ist, gerade mit Bezug auf die Behandlung des werdenden Menschen zu fruchtbaren, ja nur zu genügenden Anschauungen

En vandaag en morgen wil ik proberen iets op pedagogisch gebied te laten zien van hoe de antroposofie vruchtbaar kan worden voor de opvoeding van de wordende mens, voor het lesgeven aan de wordende mens.
Dat zullen eenzijdige karakteristieken zijn, want wat volledig wordt bedoeld, kan echt niet in twee voordrachten uitputtend worden behandeld.
Wanneer we tegenwoordig met belangstelling voor de geestelijke ontwikkeling in de wereld om ons heen kijken, zien we dat onder de meest uiteenlopende vragen die ons niet loslaten, de z.g. pedagogische vraag is. Het ene vernieuwingsplan na het andere wordt door meer of minder geschoolde, maar meestal toch door leken in de openbaarheid gebracht. Maar dat wijst er wél op, dat er op z’n minst een diepe behoefte bestaat om over de opvoedings- en onderwijsvragen helderheid te krijgen.
Dat hangt aan de andere kant samen met dat het tegenwoordig buitengewoon moeilijk is, juist met betrekking tot de omgang met de wordende mens, tot vruchtbare, zelfs tot genoegzame gezichtspunten

Blz. 63

zu kommen. Und wir werden schon ein wenig hineinschauen müssen in einen Teil unserer Zivilisationsentwicklung, wenn wir die Gründe einsehen wollen, warum heute so viel von Erziehungs- und Unterrichtsforderungen und Idealen gesprochen wird.
Wenn wir heute das äußere Leben auf der einen Seite betrachten und auf der anderen Seite das geistige Leben, so finden wir eigentlich trotz der so großen Fruchtbarkeit, welche die Wissenschaft für das praktische Leben, für die Technik und so weiter gewonnen hat, eine tiefe Kluft, einen tiefen Abgrund zwischen dem, was man Wissenschaft, Theorie nennt, was man überhaupt zu lernen hat, wenn man in einem gewissen Sinne eine Bildung anstrebt, und demjenigen, was dann im äußeren Leben, in der Lebenspraxis verwirklicht wird. Es hat sich ja immer mehr und mehr ein eigentümliches Bedürfnis in der heutigen Zivilisation herausgestellt mit Bezug auf das, was man sich durch das Lernen, insofern es auf unseren Unterrichtsanstalten getrieben wird, aneignet.
Bedenken Sie nur einmal ein gewisses Gebiet, sagen wir die Medizin. Der junge Mediziner macht sein Studium durch. Er lernt dasjenige, was der Inhalt der heutigen medizinischen Wissenschaft ist, er lernt es auch an der Hand von allerlei Laboratoriums- und Klinikpraktiken.

te komen. En we zullen een beetje inzicht moeten kunnen krijgen in een deel van hoe onze beschaving zich ontwikkelt, willen we de redenen zien waarom er tegenwoordig zoveel over opvoedings- en onderwijsvraagstukken en idealen wordt gesproken.
Wanneer we nu aan de ene kant het uiterlijke leven in ogenschouw nemen en aan de andere kant het geestesleven, dan vinden we eigenlijk, ondanks dat de wetenschap voor het praktische leven, voor de techniek enz. zoveel potentieels heeft gebracht, een diepe kloof, een grote afstand tussen wat de wetenschap theorie noemt, die je wel degelijk moet leren, wil je in zeker opzicht gevormd worden en wat dan in het uiterlijke leven, in de praktijk van het leven verwezenlijkt wordt. In de huidige cultuur is er steeds duidelijker een merkwaardig verlangen ontstaan naar wat men zich door het leren, in zoverre dat plaatsvindt in onze onderwijsinstellingen, eigen maakt.
Kijkt u eens naar een bepaald terrein, laten we zeggen dat van de geneeskunst. De jonge arts volgt een studie. Hij leert de inhoud van de huidige medische wetenschap, hij leert die ook aan de hand van allerlei praktijkgevallen in het laboratorium en het ziekenhuis.

Wenn er aber dann sein letztes Examen gemacht hat, dann ist man sich klar dar­über, daß er nun erst eigentlich eine Art Praktikum, ein klinisches Prak­tikum durchzumachen hat, daß er also eigentlich mit dem letzten Ex­amen noch nicht praktisch ist. Und gar häufig, ja fast immer stellt sich dann heraus, daß eigentlich ungemein wenig von dem, was man zuerst theore­tisch getrieben hat, in der wirklichen Praxis eine Anwendung findet. Ich habe nur das Gebiet des medizinischen Studiums herausgehoben, ich könnte es fast mit jedem Studium so machen. Überall würden wir sehen, daß wir heute, indem wir eine gewisse Bildung uns aneignen auf diesem oder jenem Lebensgebiet, im Grunde genommen die Kluft, den Abgrund zur Praxis hin erst extra noch zu überwinden haben. Das hat nicht nur der Mediziner, das hat nicht nur der Techniker, das hat nicht nur derjenige, der eine Handelshochschule absolviert, das hat vor allen Dingen heute auch der Lehrer zu überwinden, der, weil wir nun einmal im wissenschaftlichen Zeitalter leben, in einer Art Wissenschaftlichkeit in die Pädagogik hineingeführt wird, aber dann, nachdem er eben einen

Maar wanneer hij dan eindexamen heeft gedaan, is het duidelijk dat hij nu eigenlijk pas een soort practicum, een ziekenhuispracticum moet doen, dat hij dus eigenlijk met zijn eindexamen nog niet praktisch is. En heel vaak, ja bijna altijd, blijkt dan, dat er eigenlijk heel erg weinig van wat men eerst theoretisch gedaan heeft, praktisch kan worden toegepast.
Ik heb alleen maar de nadruk gelegd op de medicijnenstudie, maar ik zou het bij elke studie kunnen doen. Telkens zouden we zien dat wij tegenwoordig, als we een bepaalde opleiding voor dit of dat levensgebied hebben gevolgd, we dan in de grond van de zaak de kloof naar de praktijd dan pas nog extra moeten overbruggen. Dat is niet alleen bij de arts zo, niet alleen bij de technicus, niet alleen bij degene die de handelshogeschool afsluit, maar dat moet vooral tegenwoordig de leraar overbruggen die, omdat wij nu eenmaal in een wetenschappelijke tijdsfase leven, in een vorm van wetenschappelijkheid in de pedagogie ingeleid wordt, maar dan, nadat hij dus een

Blz. 64

gewissen theoretischen Bildungsstoff aufgenommen hat, nun sich erst in die Praxis hineinfinden muß.
Das, was ich bis jetzt gesagt habe, wird man mehr oder weniger zugeben. Aber ein anderes wird man kaum zugeben wollen, und das ist dieses, daß eigentlich heute eine so starke Kluft besteht zwischen dem, was man theoretisch sich aneignet, was den eigentlichen Inhalt unseres Geisteslebens bildet, und dem, was die Lebenspraxis ausmacht; daß diese Kluft heute eigentlich nur überbrückt wird von den technischen Berufszweigen, weil diese technischen Berufszweige, ich möchte sagen, grau­sam unerbittlich sind. Baut man eine Brücke theoretisch richtig, aber praktisch unmöglich, so stürzt sie bei dem ersten Eisenbahnzug, der darüberfährt, ein. Die Natur reagiert sogleich auf das Falsche. Da muß man sich schon wirkliche Lebenspraxis aneignen.
Geht man herauf in diejenigen Dinge, die mehr mit dem Menschen zu tun haben, dann wird die Geschichte schon anders. Die Frage ist ja gar nicht zu beantworten, wie viele Menschen von einem Arzt richtig und wie viele falsch behandelt werden, denn da hört ja jede Möglichkeit auf, daß das Leben selber einen Beweis führt.

een bepaalde theoretische leerstof zich eigen heeft gemaakt, nu pas zijn weg moet vinden in de praktijk.
Wat ik nu gezegd heb, zal men wel min of meer kunnen toegeven. Maar iets anders zal men volstrekt niet willen toegeven en wel dit, dat er vandaag eigenlijk zo’n grote kloof bestaat tussen wat men zich theoretisch eigen heeft gemaakt, wat de eigenlijke inhoud van ons geestesleven vormt en wat de praktijk van het leven bepaalt; dat deze kloof tegenwoordig eigenlijk alleen maar overbrugd wordt door de technische beroepen, omdat deze buitengewoon stringent zijn. Als je een theoretisch juiste brug bouwt, maar een onmogelijke voor de praktijk, dan stort die in als de eerste trein erover heen rijdt. De natuur reageert meteen op het verkeerde. Hier moet je je echt wel levenspraktijk hebben eigen gemaakt.
Ga je dan in op de dingen die meer met de mens te maken hebben, wordt het hele verhaal anders. De vraag hoeveel mensen er door een arts juist of verkeerd behandeld worden, is helemaal niet te beantwoorden, want daar houdt iedere mogelijkheid op dat het leven zelf daar een bewijs voor aanvoert.

Und gehen wir gar in das Feld der Pädagogik herauf, gewiß, man kann da durchaus der Anschauung sein, daß in dieser Richtung viel kritisiert wird, und daß die Pädagogen schon einiges auszuhalten haben. Aber daß das Leben irgendwie eine Entscheidung darüber trifft, ob nun falsch oder richtig erzogen worden ist, das wird man nicht mit einem unbedingten Ja beantworten können. Man wird allerdings sagen können: Das Leben gibt nicht so bestimmte Antworten wie die tote Natur, aber es ist dennoch eine gewisse Empfin­dung berechtigt, die dahin geht, daß wir mit der besonderen Art, wie wir uns heute das Theoretische, also das eigentlich Geistige, in seiner heuti­gen Form aneignen, in die Lebenspraxis eigentlich gar nicht hinein­kommen.
Nun gibt es eines in der Welt, bei dem man, ich möchte sagen, recht anschaulich zeigen kann, wie unmöglich es ist, weiterzukommen mit einem geistigen Leben, das eine solche Kluft hat zwischen dem Theore­tisch-Wissenschaftlichen auf der einen Seite, und dem Leben und seiner Praxis auf der anderen Seite. Und dieses eine in der Welt ist eben der Mensch.

En begeven we ons op het terrein van de pedagogie, dan kan je zeker van mening zijn, dat er in deze richting veel kritiek is, en dat de pedagogen wel wat moeten verdragen. Maar dat het leven een of andere beslissing neemt over of we verkeerd, dan wel goed opgevoed zijn, dat zul je niet met een volmondig ja kunnen beantwoorden. Zeker kun je zeggen: het leven geeft niet van die zekere antwoorden als de levenloze natuur, maar toch is een bepaald gevoel wel gerechtvaardigd aangaande dat wij met de bijzondere manier van hoe wij tegenwoordig de theorie, dus het eigenlijk geestelijke, in zijn huidige vorm ons eigen maken, niet kunnen doordringen tot de eigenlijke praktijk van het leven. Nu is er iets in de wereld waarbij je heel goed kan laten zien, hoe onmogelijk het is, met het geestesleven verder te komen waarbij zo’n grote kloof bestaat met enerzijds het theoretisch-wetenschappelijke en anderzijds met het leven en de levenspraktijk. En dit ene in de wereld is nu net de mens.

Blz. 65

Wir haben im Laufe der letzten Jahrhunderte, insbesondere des 19. Jahrhunderts, einmal einen bestimmten wissenschaftlichen Geist ent­wickelt. Jeder einzelne Mensch, heute sogar schon der sogenannte völlig Ungebildete, steht eigentlich in diesem wissenschaftlichen Geist drinnen. Alles denkt im Sinne dieses wissenschaftlichen Geistes.
Und sehen Sie sich einmal die Weltfremdheit dieses wissenschaftlichen Geistes an, wenn es sich darum handelt, ihn in die Lebenspraxis überzu­führen. Kläglich war es ja zum Beispiel in den letzten Jahren, als wirklich in großen Zügen die Weltgeschichte an uns vorüberrollte und Tatsachen brachte von ungeheurer Tragweite, daß die Menschen mit ihren Theo­rien recht gescheit sein konnten, aber eben durchaus nichts über den Verlauf der Lebenspraxis auszumachen imstande waren. Haben wir ja doch gesehen, daß gescheite Nationalökonomen im Beginn des Welt­krieges gesagt haben: Unsere Wissenschaft lehrt uns heute, daß die kommerziellen und anderen wirtschaftlichen Zusammenhänge in der Welt so verstrickt sind, daß heute ein Krieg höchstens mehrere Monate dauern kann. Die Realität hat das Lügen gestraft. Der Krieg hat jahrelang gedauert. Was die Menschen dachten aus ihrer Wissenschaft heraus, was sie ergrübelt hatten über den Gang der Weltereignisse, war ganz und gar unmaßgebend für diesen Gang der Weltereignisse selber.

We hebben in de loop van de eeuwen, vooral in de 19e eeuw, nu eenmaal een bepaalde wetenschappelijke geest ontwikkeld. Ieder mens, tegenwoordig zelfs ook de mens zonder opleiding, maakt deel uit van deze wetenschappelijke gezindheid. Alles wordt hiermee gedacht.
En kijk nu eens naar de wereldvreemdheid van deze wetenschappelijke gezindheid als het erom gaat deze in het leven in praktijk te brengen. De laatste jaren bijv., toen de wereldgeschiedenis zich in grote trekken voor ons afspeelde en gebeurtenissen met zich meebracht van ongekende reikwijdte, was het betreurenswaardig dat de mensen met hun theorieën heel slim konden zijn, maar toch niet in staat waren iets voor het verloop van de levensomstandigheden te doen. We hebben toch kunnen zien dat knappe staatseconomen aan het begin van de Wereldoorlog gezegd hebben: onze wetenschap houdt ons nu voor dat de commerciële en andere economische samenhangen in de wereld zo verstrikt zijn geraakt dat een oorlog vandaag de dag hooguit een paar maanden kan duren. De werkelijkheid heeft die leugen afgestraft. De oorlog heeft jaren geduurd. Wat de mensen vanuit hun wetenschap dachten, wat ze hebben zitten uitdenken over het verloop van de gebeurtenissen in de wereld, speelde voor dit verloop zelf geen enkele rol.

Der Mensch, indem er heranwächst, indem er vor uns hintritt, man möchte sagen, in seiner wunderbarsten Gestalt, als Kind, der Mensch ist nicht irgendwie zu erfassen mit einer geistigen Art, die eine solche Kluft hat zwischen Praxis und Theorie. Denn man müßte schon ein starrer Materialist sein, wenn man glauben wollte, daß dasjenige, was in dem Kinde heranwächst, nur eine Folge, ein Ergebnis seiner leiblich-physi­schen Entwickelung sei.
Wir sehen mit ungeheurer Hingebung, Bewunderung, mit Ehrerbie­tung auf jene Offenbarung der Schöpfung hin, die uns das Kind in seinen ersten Lebenswochen darstellt, wo in ihm noch alles unbestimmt ist, wo in ihm aber schon dasjenige liegt, was dieser Mensch im späteren Leben leisten wird.
Und wir schauen hin auf das werdende Kind, wie es von Woche zu Woche, von Monat zu Monat, von Jahr zu Jahr aus seinem Inneren heraus die Kräfte an die Oberfläche treibt, die seine Physiognomie

De mens, wanneer deze opgroeit, wanneer deze zich aan ons voordoet in zijn meest wonderbaarlijke vorm, als kind, is op geen enkele manier geestelijk te begrijpen, als er zo’n kloof gaapt tussen praktijk en theorie. Je moet wel een starre materialist zijn om te kunnen geloven dat wat er uit een kind wordt, alleen maar het gevolg zou zijn van een lichamelijk-fysieke ontwikkeling.
We kijken met een buitengewone toewijding, bewondering, eerbied naar die uiting van de schepping die het kind ons in zijn eerste weken van zijn leven vertoont, waarin bij hem alles nog maar vaag zichtbaar is, maar waarin al wel ligt wat deze mens in het latere leven zal gaan doen. En wij kijken naar het zich ontwikkelende kind hoe dat van week tot week, maand na maand, jaar na jaar vanuit zijn innerlijk de krachten naar de buitenkant brengt die zijn fysionomie

Blz. 66

immer ausdrucksvoller machen, die seine Bewegungen immer geordne­ter, orientierter machen. Wir sehen in diesem werdenden Menschen das ganze Rätsel der Schöpfung in wunderbarer Weise vor unseren Augen sich abspielen. Und wenn wir sehen, wie der eigentümlich unbestimmte Blick des kindlichen Auges im Laufe der ersten Lebenszeit Aktivität gewinnt, innere Wärme, inneres Feuer gewinnt, wenn wir sehen, wie aus den unbestimmten Bewegungen der Arme und Finger Bewegungen werden, die in schönerer Weise etwas bedeuten als die Buchstaben des Alphabetes – wenn wir das alles mit voller menschlicher Hingabe betrachten, müssen wir uns sagen: Da arbeitet gewiß nicht bloß Physi­sches, da arbeitet im Physischen das Geistig-Seelische; da ist jedes Stückchen Mensch im Physischen zu gleicher Zeit eine Offenbarung des Geistig-Seelischen. Da gibt es keine Färbung der Wange, die nicht Ausdruck eines Geistig-Seelischen wäre; da gibt es keine Möglichkeit, die Färbung der Wange aus bloßen materiellen Grundlagen zu verstehen, wenn wir nicht wissen, wie die Seele sich hineinergießt in das Wangen-rot. Da ist Geist und Natur in einem vorhanden.
Und wenn wir dann mit unserer altgewordenen Geistesanschauung kommen, die eine Kluft läßt zwischen dem, was sich theoretisch auf den Geist richtet, und dem, was sich äußerlich praktisch an das Leben richtet, dann gehen wir an dem Kinde vorbei

steeds meer tot uitdrukking brengen, die zijn bewegingen steeds meer gecoördineerd, georiënteerd laten verlopen. Wij zien in deze wordende mens het hele raadsel van de schepping op een wonderbaarlijke manier zich voor onze ogen afspelen. En als we zien hoe de karakteristieke vage blik van het kinderlijke oog in de loop van de eerste tijd in het leven aan activiteit wint, meer warmte krijgt, innerlijk vuur; als we zien hoe uit de ongecoördineerde bewegingen van de armen en de vingers bewegingen komen die op een mooiere manier iets betekenen dan de letters van het alfabet – als we dat allemaal met een diepe menselijke eerbied aanschouwen, moeten we zeggen: daar is niet alleen iets lichamelijks aan het werk, daar is iets van de geest en de ziel in het lichamelijke aan het werk; daar is elk stukje mens lichamelijk gezien, tegelijkertijd een uiting van geest en ziel. Er bestaat geen kleur op de wangen die niet een uitdrukking zou zijn van geest en ziel; er is geen mogelijkheid de kleur op de wangen vanuit een pure materiële basis te begrijpen, als we niet weten hoe de ziel uitvloeit in het rood van de wangen. Daar is geest en natuur als één geheel aanwezig.
En als we dan aankomen met onze oud geworden geestelijke opvattingen die een kloof laten bestaan tussen wat zich theoretisch naar de geest richt en wat zich richt naar het uiterlijk praktische in het leven, dan gaan we aan het kind voorbij.

Dann wissen wir weder mit unserer Theorie, noch mit unserem Instinkt, der keinen Geist erfassen kann in unserer heutigen Zivilisation, etwas mit dem Kinde anzufangen. Wir haben im Leben das geistige Treiben von dem materiel­len getrennt. Damit ist uns das geistige Treiben zu einer abstrakten Theorie geworden. Und dann sind solche abstrakte theoretische Anschauungen auch über die Erziehung erwachsen, wie sie zum Beispiel in der Herbartschen Pädagogik enthalten waren, die geistvoll in ihrer Art, theoretisch großar­tig sind, die aber ohnmächtig sind, in das eigentliche Leben einzugreifen. Oder aber wir werden irre an allem Hineinleben in das Geistige, wir wollen absehen von aller wissenschaftlichen Pädagogik und uns rein dem Erziehungsinstinkt überlassen. Das ist etwas, was heute auch schon viele Menschen fordern.
Wir können auch noch an einer anderen Erscheinung sehen, wie wir

Dan weten we noch met onze theorie, noch met ons instinct die in deze cultuur geen geest als inhoud kan hebben, iets met het kind te beginnen. We hebben in het leven een scheiding aangebracht tussen de werking van de geest en de materie. Daardoor is voor ons deze werking een abstracte theorie geworden.
En dan zijn dergelijke abstract theoretische opvattingen ook bij de pedagogie terecht gekomen, zoals bijv. in de pedagogie van Herbart; op hun manier geestrijk, theoretisch geweldig, maar niet bij machte om invloed uit te oefenen op het eigenlijke leven. Of we worden dol van al dit inleven in het geestelijke, we willen afzien van al die wetenschappelijke pedagogie en het alleen maar laten bij ons opvoedingsinstinct.
Dat is iets waar tegenwoordig veel mensen naar verlangen.
Ook aan een ander verschijnsel kunnen we nog zien, hoe voor ons

Blz. 67

im Grunde genommen dem Menschen fremd geworden sind dadurch, daß wir die Kluft geschaffen haben zwischen dem theoretischen Ergrei­fen des geistigen und dem vollen Erfassen des praktischen Lebens.
Unsere Wissenschaft hat sich großartig entwickelt. Natürlich war auch die Pädagogik aus der Wissenschaft heraus zu gestalten. Aber die Wissenschaft hatte nichts, um an den Menschen heranzukommen. Die Wissenschaft wußte vieles zu sagen über die äußere Natur; aber je mehr sie über die äußere Natur in der neueren Zeit zu sagen wußte, über den Menschen wußte sie eigentlich immer weniger zu sagen. Und so mußte man sich anschicken, nach dem Muster der Naturwissenschaft an dem Menschen zu experimentieren, und eine experimentelle Pädagogik stellte sich ein.
Was bedeutet denn dieser Drang zur experimentellen Pädagogik? Mißverstehen Sie mich nicht, ich habe weder etwas gegen Experimen­talpsychologie noch gegen experimentelle Pädagogik; sie können wis­senschaftlich viel leisten, sie geben theoretisch großartige Aufschlüsse. Hier handelt es sich nicht darum, in kritischer Weise über diese Dinge abzusprechen. Hier handelt es sich aber darum zu sehen: was für ein Drang der Zeit drückt sich in solchen Dingen aus? Man ist genötigt, außen herumzuexperimentieren, wie das Gedächtnis bei diesem, bei jenem Kinde ist, wie der Wille wirkt, wie die Aufmerksamkeit wirkt; außen an dem Menschen herumzuexperimentieren ist man genötigt.

in de aard van de zaak de mens een vreemde geworden is door de kloof die wij tussen het theoretisch begrijpen van het geestelijke en het volle begrijpen van het leven hebben doen ontstaan.
Onze wetenschap heeft zich reusachtig ontwikkeld. En natuurlijk kun je ook de pedagogie vanuit de wetenschap vorm geven. Maar de wetenschap had niets om dichter bij de mens te komen. De wetenschap wist veel aan te dragen over de zichtbare natuur; en naarmate ze meer in de modernere tijd over de zichtbare natuur te berde kon brengen, wist ze over de mens eigenlijk steeds minder te zeggen. En dus moest men zich opmaken om naar het voorbeeld van de natuurwetenschap nu met de mens te gaan experimenteren en er ontstond een experimentele pedagogie.
Wat betekent die hang naar deze experimentele pedagogie? Begrijp me niet verkeerd, ik heb niets tegen experimentele psychologie of  pedagogie; die kunnen wetenschappelijk veel voor elkaar krijgen, die geven theoretisch belangrijke uitkomsten. Het gaat er niet om deze dingen op een kritische manier af te wijzen.
Het gaat er hier echter om te zien welke tijdsdrang zich uitdrukt in dit soort zaken.
Men voelt zich genoodzaakt van buitenaf te experimenteren hoe het geheugen bij het ene of het andere kind is, hoe de wil functioneert, hoe de aandacht werkt; men voelt zich genoodzaakt van buitenaf met de mens te experimenteren.

Weil man das innere Verhältnis zum Menschen, das eigentlich geistige Verhältnis zum Menschen verloren hat, weil man nicht mehr als Mensch mit der Seele zur Seele des anderen Menschen dringt, will man aus seinen körperlichen Äußerungen experimentell ablesen, welches diese seeli­schen Äußerungen sind. Gerade diese experimentelle Pädagogik und Psychologie sind ein Beweis dafür, daß unsere Wissenschaft ohnmächtig ist, an den vollen Menschen, der Geist, Seele und Leib zugleich ist, wirklich heranzukommen.
Diese Dinge müssen, wenn man im Ernste heute auf Erziehungs- und Unterrichtsfragen eingehen will, in vollem Maße gewürdigt werden, denn sie führen allmählich zu der Anschauung hin, daß das Notwendig­ste für einen Fortschritt auf dem Gebiet des Erziehungs- und Unter­richtswesens eine wirkliche Menschenerkenntnis ist.

Omdat men de innerlijke relatie tot de mens, de eigenlijk geestelijke relatie verloren is, omdat men niet meer als mens met de ziel doordringt tot de ziel van de andere mens, daarom wil men vanuit de lichamelijke uitingen experimenteel aflezen wat die uitingen van het gevoelsleven zijn. Juist deze experimentele pedagogie en psychologie zijn het bewijs dat onze wetenschap machteloos geworden is daadwerkelijk de volledige mens die tegelijkertijd geest, ziel en lichaam is, te bereiken.
Deze dingen moeten, wil je in alle ernst tegenwoordig in wil gaan op de opvoedings- en onderwijsvragen, volledig serieus genoemen worden, want zij voeren stap voor stap tot de opvatting dat het meest noodzakelijke voor een vooruitgang op dit gebied van opvoeding en onderwijs, echte menskunde is.

Blz. 68

Aber eine wirkliche Menschenerkenntnis wird man nicht gewinnen, wenn nicht der Abgrund zwischen Theorie und Praxis, der sich heute so furchtbar aufgetan hat, wirklich überbrückt wird. Solche Theorie, wie wir sie heute haben, kommt nämlich nur an den menschlichen Körper heran. Und wenn solche Theorie auch an die Seele und an den Geist herankommen will, so macht sie krampfhafte Versuche, kommt aber doch in Wirklichkeit nicht an sie heran, denn Seele und Geist müssen auf eine andere Weise erforscht werden, als diejenige ist, die im Sinne der heute anerkannten sogenannten wissenschaftlichen Methode liegt.
Um den Menschen zu erkennen, muß in ganz anderer Weise an den Menschen herangegangen werden, als es heute vielfach für exakt und richtig gilt. Dieses Herangehen aber an die wahre, wirkliche Menschen natur, dieses Aufsuchen einer wirklichen Menschenkenntnis, einer Men­schenkenntnis, die Geist, Seele und Leib im Menschen in einem schaut, das ist die Aufgabe der Anthroposophie. Anthroposophie will wiederum nicht bloß den physischen Menschen, sondern den ganzen Menschen erkennen. Aber wo da die großen Aufgaben gegenüber dem vollen Leben liegen, das bemerkt man heute vielfach gar nicht.

Maar er komt geen werkelijke menskunde wanneer de kloof tussen theorie en praktijk die tegenwoordig zo vreselijk gemeengoed is geworden, niet overbrugd wordt. Die theorieën die we nu hebben, benaderen alleen maar het menselijk lichaam. En als je daarmee ook de ziel en de geest wil benaderen, zie je de krampachtige pogingen waarmee je ziel en geest niet bereikt, want die moeten op een andere manier onderzocht worden, anders dan op de manier van de huidige officiële wetenschappelijke methode.
Om de mens te kennen, moet je deze op een heel andere manier benaderen dan die tegenwoordig als exact en juist gezien wordt. Maar het benaderen van de echte, reële natuur van de mens, dit zoeken naar een echte menskunde, een die geest, ziel en lichaam in en aan de mens waarneemt, is de opdracht van de antroposofie. Die wil op haar beurt niet alleen de fysieke mens leren kennen, maar de hele mens. Heel vaak wordt niet gezien waar de grote opgaven liggen als het om het leven gaat.

Ich möchte mich durch ein Beispiel aussprechen, um Sie hinzuweisen darauf, wie die Aufmerksamkeit ganz anderen Dingen einmal zugelenkt werden muß, als man es heute gewöhnt ist, wenn wirkliche Menschener­kenntnis wiederum erworben werden soll.
Sehen Sie, als ich jung war, es ist lange her, da kam unter anderen Weltanschauungs-Standpunkten auch der auf, den der Physiker Mach begründet hat. Es war ein ganz berühmter Weltanschauungs-Stand punkt. Ich führe das, was ich jetzt sage, nur als Beispiel an, und ich bitte, es auch nur als Beispiel hinzunehmen. Das Wesentliche dieses Mach­schen Standpunktes bestand darin, daß Mach sagte: Es ist ein Unsinn, von einem Ding an sich zu sprechen, ein Unsinn, von einem Ding an sich als Atom in der Welt zu sprechen. Es ist auch ein Unsinn, von einem Ich zu sprechen, das wie ein Ding in uns selber ist, sondern wir können nur sprechen von Empfindungen. Wer hat schon einmal ein Atom wahrge­nommen? Rote, blaue, gelbe Dinge, cis, g, a in den Tönen nehmen die Leute wahr; süße und saure und bittere Geschmäcke nehmen die Leute wahr; harte und weiche Dinge für den Tastsinn nehmen die Leute wahr,

Ik wil een voorbeeld geven om u erop te wijzen hoe de aandacht op heel andere dingen gevestigd moet worden dan tegenwoordig gebruikelijk is, willen we echte menskunde verkrijgen.
Kijk, toen ik jong was – dat is lang geleden – deed naast andere wereldbeschouwelijke opvatting ook die van de natuurkundige Mach opgeld. Ik zeg dit alleen als voorbeeld en ik zou het fijn vinden als u het ook alleen als voorbeeld ziet. Het wezenlijke van het standpunt van Mach bestaat erin dat hij zegt: het is onzin om over een ‘ding-op-zich’ te spreken, een ‘ding-op-zich’ als atoom in de wereld. Het is ook onzin om over een Ik te spreken dat als een ding in ons zelf zit, we kunnen alleen maar over gevoelens spreken. Wie heeft er ooit een atoom waargenomen? Rode, blauwe, gele dingen, cis, g, a in de tonen, nemen de mensen waar, harde en zachte dingen nemen ze met hun tastzin waar.

Blz. 69

Empfindungen nehmen die Leute wahr. Und wenn wir uns ein Weltbild machen, so besteht es nur aus solchen Empfindungen. Und wenn wir in uns selbst hineinschauen, so haben wir auch nur Empfindungen. Nichts ist da, als nur überall Empfindungen; Empfindungen, die zusammengehalten werden. Eine gewisse Härte, ein gewisses, ich will sagen, sanftartiges Anfühlen mit der Röte in der Rose, die Empfindung, daß man gebrannt wird, mit einem rötlichen Aussehen beim glühenden Eisen – überall miteinander verbundene Empfindungen, so sagte Ernst Mach. Man muß sagen, gegenüber der Anschauung einer Atomwelt, die kein Mensch natürlich sehen kann, war das in der damaligen Zeit ein Fortschritt. Das ist wieder vergessen worden. Ich will nicht über diese Anschauung sprechen, sondern über ein Beispiel menschlicher Entwik­kelung.
Sehen Sie, Ernst Mach hat einmal erzählt, wie er zu dieser Anschauung gekommen ist. Da sagte er, er sei als siebzehnjähriger Jüngling zu den Hauptsachen dieser Anschauung gekommen. Einmal, als er spazieren ging an einem besonders heißen Sommertag, da wurde ihm klar, die ganze Welt der Dinge an sich ist eigentlich müßig, das fünfte Rad am Wagen in aller Weltanschauung.

De mensen ervaren hun gevoelens. En wanneer wij een wereldbeeld creëren bestaat deze alleen uit deze gevoelens. En als we in ons zelf naar binnen kijken , hebben we daar ook alleen maar gevoelens. Niets is er dan alleen maar gevoelens; gevoelens die bij elkaar gehouden worden. Een bepaalde hardheid, een bepaald teer aanvoelen van het rood van de roos, het gevoel dat je je brandt aan een gloeiend ijzer dat er rood uitziet – overal gevoelens die met elkaar verbonden zijn, aldus Ernst Mach. Je moet wel zeggen dat t.o.v. de opvatting van een atomaire wereld die natuurlijk niemand kan zien, dit  in die tijd een vooruitgang betekende. Dat is weer vergeten. Ik wil het niet over deze opvatting hebben, maar over het voorbeeld van een menselijke ontwikkeling.

Kijk, Ernst Mach heeft eens verteld hoe hij tot deze opvatting is gekomen. Toen zei hij dat hij als zeventienjarige tot de hoofdzaken van die opvatting is gekomen. Toen hij eens op een bijzonder warme zomerdag ging wandelen, werd het hem duidelijk dat de hele wereld van de dingen op zich, er eigenlijk niet toe doet, het vijfde wiel aan de wagen van alle wereldbeschouwingen.

Da draußen sind nur Empfindungen. Die schmelzen mit den Empfindungen der eigenen Leiblichkeit, des eigenen menschlichen Wesens zusammen. Draußen sind die Empfindun­gen etwas loser, innen etwas fester verbunden, und zaubern dem Men­schen ein Ich vor. Alles Empfindung. Das kam dem siebzehnjährigen Jüngling an einem heißen Sommertag in einem Moment gerade zu. Spater, sagte er, hat er eigentlich das nur noch theoretisch weiter ausgeführt, aber die ganze Weltanschauung kam ihm auf diese Art an einem heißen Sommertag, wie er plotzlich sich zusammenfließen fühlte mit dem Rosenduft, der Rosenröte und so weiter. Ja, wäre es noch ein bißchen heißer geworden, dann würde wahr­scheinlich nicht diese Weltanschauung entstanden sein vom Zusammenfließen des eigenen Ichs mit den Empfindungen, sondern der gute Mach wäre als siebzehnjähn.ger Jüngling vielleicht von einer Ohnmacht befal­len worden, und wenn es noch heißer geworden wäre, hätte er einen Sonnenstich gekriegt.

Daar buiten bestaan er alleen maar gevoelens. Die smelten met de gevoelens van het eigen lichaam, met het eigen mensenwezen samen. Daar buiten zijn de gevoelens wat losser, van binnen steviger met elkaar verbonden en toveren de mens een Ik voor. Alles gevoelens.
Dat kwam bij de zeventienjarige jongen op een warme zomerdag in een ogenblik bij hem op. Later, zei hij, had hij dat alleen nog maar theoretisch verder uitgewerkt, maar zijn hele wereldbeschouwing kwam op deze manier op een warme zomerdag bij hem op, toen hij zich plotseling samen voelde smelten met de rozengeur, met het rood van de roos, enz. Maar ja, als het nog een beetje warmer zou zijn geworden, zou deze wereldbeschouwing van het samensmelten van het eigen Ik met de gevoelens waarschijnlijk niet ontstaan zijn, maar dan zou de goede Mach als zeventienjarige misschien flauw zijn gevallen en als het nog warmer zou zijn geworden, had hij misschien een zonnesteek opgelopen.

Blz. 70

Da haben wir drei Stufen von dem, was ein Mensch durchmachen kann. Die erste Stufe besteht darinnen, daß er, etwas gelockert, eine Weltanschauung ausgestaltet, die zweite, daß er ohnmächtig wird, die dritte, daß er einen Sonnenstich kriegt. Ich glaube, wenn heute einer äußerlich nachdenkt darüber, wie so jemand, wie der sehr gelehrte Ernst Mach, zu seiner Weltanschauung gekommen ist, da wird er nachdenken, was der alles gelernt hat, was in seinen Anlagen gelegen hat und so weiter; daß aber das die Hauptsache ist, wie er nun selbst erzählt, daß er die erste von den drei charakterisier­ten Stufen durchgemacht hat, das wird man nicht in den Vordergrund stellen. Und dennoch ist es so.
Worauf beruht denn das? Sehen Sie, man kennt einfach den Menschen nicht, wenn man nicht eine solche Erscheinung versteht. Was ist denn da eigentlich geschehen, als der siebzehnjährige Jüngling Mach spazieren ging? Es ist ihm offenbar sehr, sehr heiß geworden, und er stand zwischen dem, wo man sich ohne Hitze wohl fühlt und dem Ohnmäch­tigwerden mitten drinnen. Über einen solchen Zustand weiß man nichts Richtiges, wenn man nicht durch die anthroposophische Forschung darauf kommt, daß der Mensch eben nicht nur seinen physischen Leib hat, sondern über diesen physischen Leib hinaus noch das, was ich in meinen Schriften den ätherischen oder Bildekräfteleib genannt habe, einen übersinnlichen, unsichtbaren Leib.

We hebben hier drie niveaus van iets wat een mens kan doormaken. Het eerste bestaat eruit dat hij, een beetje losjes, een wereldbeschouwing vormt, het tweede dat hij gaat flauwvallen en het derde dat hij een zonnesteek oploopt.
Ik geloof dat wanneer tegenwoordig iemand er uiterlijk over nadenkt, hoe zo iemand als de zeer geleerde Ernst Mach, tot zijn wereldbeschouwing is gekomen, hij er dan over zal nadenken wat Mach allemaal heeft geleerd, wat hij in aanleg had enz.; maar wat de hoofdzaak is hoe hij nu zelf vertelt dat hij de eerste van de drie genoemde niveaus door heeft gemaakt, dat zal men niet voorop stellen. En toch is het zo.
Waar berust dat dan op? Kijk, je kent de mens simpelweg niet, wanneer je zo’n verschijnsel niet begrijpt. Wat is er eigenlijk gebeurd, toen de zeventienjarige Mach ging wandelen? Hij heeft het klaarblijkelijk erg warm gekregen en hij bevond zich precies in het midden van de toestand waarbij men zich zonder warmte goed voelt en het flauwvallen.
Over zo’n toestand weet men niet iets te zeggen wat juist is, wanneer men niet door het antroposofisch onderzoeken erop komt, dat de mens dus niet alleen maar zijn fysieke lichaam heeft, maar daarboven nog iets wat ik in mijn schriftelijk werk het etherische of het vormkrachtenlichaam genoemd heb, een bovenzintuiglijk, onzichtbaar lichaam.

Ich kann Ihnen heute natürlich nicht alle die Forschungen vorerzäh­len, auf denen die Erkenntnis eines solchen übersinnlichen Bildekräfte­leibes beruht; aber Sie können das ja in der anthroposophischen Litera­tur nachlesen. Es ist ein gesichertes Forschungsresultat, wie andere gesicherte Forschungsresultate.
Aber wie verhält es sich mit diesem Bildekräfteleib? Mit diesem Bildekräfteleib verhält es sich so, daß wir sonst immer im wachen Zustand voll angewiesen sind auf unseren physischen Leib. Die materialistische Anschauung hat ganz recht, wenn sie das Denken, das der Mensch in der physischen Welt entwickelt, an das Gehirn oder das Nervensystem überhaupt gebunden erklärt, denn wir brauchen den physischen Leib zu dem gewöhnlichen Denken. Wenn wir aber dieses gewöhnliche Denken etwas überleiten in ein gewisses freies innerliches

Ik kan u natuurlijk niet alle onderzoeken gaan vertellen waarop de kennis van zo’n bovenzintuiglijk vormkrachtenlichaam berust; maar dat kan u in de antroposofische literatuur nalezen. Het resultaat van dat onderzoek staat vast, zoals andere vaststaande onderzoeksresultaten. Maar hoe is de samenhang met dit vormkrachtenlichaam? Zodanig, dat we anders in wakkere toestand volledig aangewezen zijn op ons fysieke lichaam. De materialistische opvatting heeft helemaal gelijk dat wanneer die het denken dat de mens in de fysieke wereld ontwikkelt, aan de hersenen of het zenuwsysteem gebonden verklaart, want we hebben het fysieke lichaam nodig voor het gewone denken. Wanneer we echter dit gewone denken iets verder brengen tot een zeker vrij innerlijk

Blz. 71

Erleben, wie das zum Beispiel in der künstlerischen Phantasie der Fall ist, dann geht die fast gar nicht bemerkbare Tätigkeit des Bildekräfte-oder ätherischen Leibes zu einer größeren Intensität über.
Denkt also einer, wie man im gewöhnlichen Leben denken muß – mit dem, was ich da charakterisiere, ist wirklich nichts Abfälliges gemeint -, denkt einer in der gewöhnlichen nüchternen Weise, wie man es nun einmal muß im äußeren physischen Leben, so denkt er mit seinem physischen Leibe, und nur ganz wenig wird der Ätherleib benützt.
Geht einer zum Phantasieschaffen über, sagen wir zum dichterischen Schaffen, so tritt der physische Leib etwas zurück und der Ätherleib wird mehr tätig. Dadurch werden die Vorstellungen beweglicher; die eine fügt sich lebendiger in die andere ein und so weiter. Der ganze innere Mensch geht in eine größere innere Beweglichkeit über, als wenn die gewöhnliche nüchterne Alltagstätigkeit als Denken ausgeführt wird. Das alles liegt in der Willkür des Menschen. Aber zu all dem, was in der menschlichen Willkür liegt, kommt noch etwas anderes dazu, etwas, wozu der Mensch veranlaßt werden kann durch die äußere Natur. Wenn es uns recht warm wird, dann tritt die Tätigkeit des physischen Leibes, also auch die Denktätigkeit des physischen Leibes zurück, und der Ätherleib wird tätiger und tätiger.
Und indem der siebzehnjährige Mach spazieren gegangen ist und unter dem Eindruck der drückenden Sonnenhitze war, wurde einfach sein Ätherleib tätiger.

beleven, zoals dat bijv. het geval is in de kunstzinnige fantasie, dan gaat de nauwelijks merkbare activiteit van het vormkrachten- of etherlijf tot een grotere intensiteit over.
Wanneer iemand denkt zoals je in het gewone leven moet denken – met wat ik hier karakteriseer is niets afkeurends bedoeld – wanneer iemand op een gewone, nuchtere manier denkt, zoals dat nu eenmaal in het uiterlijk fysieke leven moet, dan denkt hij met zijn fysieke lichaam en het etherlijf wordt maar weinig gebruikt.
Wanneer iemand fantasievol schept, bijv. bij het dichten, dan houdt het fysieke lichaam zich iets terug en het etherlijf wordt actiever. Daardoor worden de voorstellingen beweeglijker; de ene voegt zich levendiger bij de andere enz. De hele mens komt in een grotere beweeglijkheid dan wanneer het gewone, nuchtere alledaagse denken actief is. Dat heeft de mens in zijn willekeur. Maar bij alles wat de mens willekeurig kan doen, komt nog iets anders, iets waartoe de mens aangezet kan worden door de uiterlijke natuur. Wanneer we het goed warm krijgen, neemt de activiteit van het fysieke lichaam af, dus ook de denkactiviteit van het fysieke lichaam en dan wordt het etherlijf steeds actiever.
En wanneer de zeventienjarige Mach is gaan wandelen en met de invloed van de drukkende zonnewarmte te maken krijgt, wordt simpelweg zijn etherlijf actiever.

Alle übrigen Physiker haben mit ihrem massiven physischen Leib die Physik ausgebildet. Den jungen Mach hat die Sonnenhitze dazu gebracht, nicht so denken zu können wie die anderen Physiker, sondern mit flüssigeren Begriffen zu denken: die ganze Welt besteht nur aus Empfindungen. Wäre die Hitze noch größer geworden, so wäre der Zusammenhang zwischen seinem physischen Leib und seinem Ätherleib so gelockert worden, daß der gute Mach nicht mehr mit seinem Ätherleib hätte denken können, gar keine Tätigkeit mehr hätte ausüben können. Der physische Leib denkt nicht mehr, wenn es zu heiß ist; und wenn es noch weiter geht, wird der Mensch krank, bekommt den Sonnenstich.
Ich führe Ihnen dies als Beispiel an, weil wir hier an der Entwicklung eines Menschen sehen, wie man verstehen muß, wie da in die menschliche

Alle andere natuurkundigen hebben met hun vaste fysieke lichaam de natuurkunde ontwikkeld. De jonge Mach werd er door de zonnewarmte toe gebracht dat hij niet zo kon denken als de andere natuurkundigen, hij dacht juist met meer stromende begrippen: de hele wereld bestaat alleen maar uit gevoelens.
Als de hitte nog was toegenomen, dan was het samengaan van zijn fysieke lichaam en zijn etherlijf nog losser geraakt en dan had de goede Mach niet meer met zijn etherlijf kunnen denken, dan had hij helemaal niets meer kunnen uitvoeren. Het fysieke lichaam denkt niet meer als het te warm is, en als dat nog verder gaat, wordt de mens ziek, hij krijgt een zonnesteek.
Ik kom hiermee als voorbeeld, omdat we hier aan de ontwikkeling van een mens zien, hoe je moet begrijpen, hoe hier in de menselijke

Blz. 72

Tätigkeit eingreift ein Übersinnliches im Menschen, der ätherische oder Bildekräfteleib, der uns die Form gibt, der uns die Gestalt gibt, der in uns die Wachstumskräfte hat und so weiter.
Außer diesem aber zeigt uns Anthroposophie, wie im Menschen noch weitere übersinnliche Wesensglieder stecken. – Stoßen Sie sich nicht an Ausdrücken. – Über den Bildekräfte- oder ätherischen Leib hinaus haben wir dann dasjenige, was der eigentliche Träger der Empfindung ist, den astralischen Leib, und dann erst die Wesenheit des Ich. Wir müssen den Menschen nicht nur seinem physischen Leibe nach kennen­lernen, sondern wir müssen ihn praktisch kennenlernen als ein Zusam­menwirken verschiedener Glieder seiner Wesenheit.
Diesen Gang vom Sinnlichen, dem die ganze gegenwärtige Wissen­schaft huldigt, zum Übersinnlichen hin, diesen Gang geht Anthroposo­phie. Sie geht ihn nicht aus Mystik und Phantastik heraus, sie geht ihn in derselben strengen Wissenschaftlichkeit wie heute die Wissenschaft in bezug auf die Sinnenwelt und die gewöhnliche nüchterne Verstandestä­tigkeit, die aber an den physischen Leib gebunden ist, verfährt. So entwickelt Anthroposophie eine Erkenntnis, eine Anschauung, und damit eine Empfindung für das Übersinnliche.

activiteit iets bovenzintuiglijks in de mens ingrijpt, het ether- of vormkrachtenlichaam dat ons de vorm geeft, de gestalte, die in ons de groeikracht heeft enz.
Buiten dit echter laat de antroposofie ons ook zien, hoe er in mens nog andere wezensdelen aanwezig zijn. Neem geen aanstoot aan uitdrukkingen!
Boven het vormkrachten- of etherlijf hebben we dan iets wat de eigenlijke drager van de gevoelens is, het astraallijf en dan ook het Ik-wezen. We moeten de mens niet alleen leren kennen wat zijn fysieke lichaam betreft, maar we moeten hem praktisch leren kennen als een samenwerking van verschillende wezensdelen.
De weg vanuit het zintuiglijke die door de hele tegenwoordige wetenschap eer wordt aangedaan, naar het bovenzintuiglijke, bewandelt de antroposofie. Dat is geen weg van mystiek of fantasterij, maar een van dezelfde strenge wetenschappelijkheid als de wetenschap bewandelt wat betreft de zintuigwereld en de gewone, nuchtere activiteit van het verstand, dat echter aan het fysieke lichaam is gebonden. En op deze wijze ontwikkelt de antroposofie kennis, opvattingen en daarmee een gevoel voor het bovenzintuiglijke.

Damit aber wird nicht etwa bloß das geliefert, daß man über die gewöhnliche Wissenschaft hinaus noch eine andere Wissenschaft hat. Es ist ja nicht so in der Anthroposophie, daß man zu dem, was wir heute als Naturwissenschaft, als Geschichtswissenschaft haben, noch eine andere besondere Geisteswissenschaft hinzufügt, die nun auch wiederum nur eine Theorie ist. Nein, wenn man so zum Übersinnlichen hinaufsteigt, so bleibt die Wissenschaft nicht Theorie, sondern die Wissenschaft wird da von selbst Praxis. Die Wissenschaft wird dasjenige, was da aus dem ganzen Menschen hervorströmt.
Von der Theorie wird nur der Kopf ergriffen. Von dem, was Anthro­posophie als eine Erkenntnis, die aber mehr ist als Erkenntnis, über den ganzen Menschen gibt, wird auch der ganze Mensch ergriffen. Und wie ist es dann?
Ja, lernt man in der Anthroposophie kennen, was im ätherischen oder Bildekräfteleib enthalten ist, dann kann man nicht stehenbleiben bei den scharf konturierten Begriffen, die wir heute haben für die physische

Daarmee wordt niet alleen maar aangedragen dat er naast de gewone wetenschap nog een andere wetenschap is. Het is niet zo bij de antroposofie dat we naast wat we tegenwoordig als natuurwetenschap, als geschiedeniswetenschap hebben, nog een andere bijzondere geesteswetenschap zetten, die dan ook weer alleen maar een theorie is.
Nee, wanneer je tot het bovenzintuiglijke komt, blijft de wetenschap geen theorie, maar wordt de wetenschap vanzelf praktijk. Wetenschap wordt iets wat uit de hele mens tevoorschijn stroomt.
Door de theorie wordt alleen het hoofd aangesproken. Door wat antroposofie als weten, dat echter meer is dan weten, over de hele mens aanreikt, wordt de hele mens aangesproken. En hoe is dat dan?
Wel, als je in de antroposofie leert kennen wat in het etherische of vormkrachtenlichaam aanwezig is, kun je niet blijven staan bij de scherp gekaderde begrippen die we tegenwoordig hebben voor de fysieke

Blz. 73

Welt, dann werden alle Begriffe beweglich, dann wird der Mensch, indem er zum Beispiel die Pflanzenwelt ansieht, nicht bloß Formen, bestimmte aufzuzeichnende Formen des Pflanzlichen haben, sondern bewegliche Formen. Sein ganzes Vorstellungsleben kommt in eine innere Beweglichkeit. Der Mensch ist genötigt, seelisch sich eine Frische zuzulegen, weil er jetzt nicht mehr die Pflanze zum Beispiel äußerlich bloß anschaut, sondern weil er, indem er über die Pflanze denkt, das Wach­sen, das Sprießen, das Sprossen der Pflanze selber mitmacht. Der Mensch wird im Frühling selber Frühling mit seinen Vorstellungen, im Herbste selber Herbst mit seinen Vorstellungen. Der Mensch sieht nicht nur die Pflanze aus dem Boden sprießen, Blüten bekommen, oder wiederum die Blätter sich verfärben ins Bräunliche, abfallen, nein, der Mensch macht diesen ganzen Prozeß mit. Indem er über die sprießende, sprossende Pflanze im Frühling, auf die er hinschaut, denkt, vorstellt, wird seine Seele mitgerissen. Seine Seele macht innerlich den Wachs­tums-, den Blüteprozeß mit. Seine Seele wird innerlich ein Erlebnis haben, wie wenn alle seine Vorstellungen zum Sonnenhaften hingingen.

wereld, dan worden alle begrippen beweeglijk, dan zal de mens, wanneer hij bijv. naar de plantenwereld kijkt, niet alleen maar vormen, bepaalde plantenvormen moeten optekenen, maar beweeglijke vormen. Heel zijn voorstellingsleven komt innerlijk in beweging. De mens wordt genoodzaakt wat zijn gevoel betreft, een bepaalde frisheid te verwerven, omdat hij nu de plant bijv. niet meer van buiten waarneemt, maar omdat hij, als hij over de plant denkt, de groei, het uitbotten, het uitlopen van de plant zelf meebeleeft. De mens wordt in de lente met zijn voorstellingen zelf lente, in de herfst met zijn voorstellingen zelf herfst. De mens ziet niet alleen maar de plant opkomen uit de grond, in bloei raken of  de bladeren verkleuren tot bruinachtig, afvallen, nee de mens maakt dit hele proces mee. Wanneer hij over de uitlopende, uitbottende plant die hij waarneemt in de lente, denkt, zich voorstelt, wordt zijn ziel meegenomen. Zijn ziel beleeft innerlijk het groei- en bloeiproces mee. Innerlijk beleeft hij mee hoe al zijn voorstellingen zich op het zonachtige richten.

Er hat gewissermaßen die Vorstellung, indem er immer mehr und mehr sich vertieft in das Pflanzliche, es ist das Sonnenlicht, zu dem er innerlich in der Seele emporstrebt. Alles wird innerlich lebendig.
Da werden wir nicht vertrocknete Begriffsmenschen, da werden wir innerlich seelisch lebendige Menschen. Da machen wir etwas von einer gewissen Trauer mit, wenn die Blätter sich verfärben und abfallen, da werden wir, wie gesagt, selber Frühling, Sommer, Herbst und Winter. Da frieren wir innerlich seelisch mit dem Schnee, der als äußerlich weißes Kleid die Erde bedeckt. Da wird alles in uns lebendig, was sonst trockenes Vorstellungsleben ist.
Und kommt man gar herauf zu Begriffen des sogenannten astralischen Leibes, ja, sehen Sie, da kommen die Leute und sagen: Ach, dieser astralische Leib, den haben so ein paar phantastische Kerle ausgesonnen.
Nein, er ist beobachtet, beobachtet wie etwas anderes. Aber derjenige, der ihn wirklich versteht, beginnt etwas anderes zu verstehen. Er beginnt zu verstehen dasjenige zum Beispiel, was erlebte Liebe ist. Er beginnt zu verstehen, wie die Liebe webt und wellt im Dasein. So wie er durch seinen Körper eine innere Erfahrung bekommt, ob es warm oder kalt ist,

Op een bepaalde manier krijgt hij de voorstelling, wanneer hij steeds meer zich verdiept in de plantenwereld, dat hij zich innerlijk in zijn ziel richt op het zonnelicht. Alles wordt innerlijk levend.
Dan worden we geen mensen met droge begrippen, maar mensen die innerlijk in hun gevoel léven. Dan beleven we iets van een bepaalde droefenis als de bladeren kleuren en afvallen, we worden, zoals gezegd, innerlijk in ons gevoel zelf lente, zomer, herfst en winter. Dan bevriezen we innerlijk als het sneeuwt, als de sneeuw als een uiterlijk wit kleed de aarde bedekt. Alles wat anders droge voorstellingen zijn, gaat dan in ons leven.
En wanneer je dan de begrippen van het zogenaamde astraallijf aanroert, komen er mensen die zeggen: ‘Ach, dit astraallijf is maar verzonnen door een paar fantasierijke figuren.
Nee, dit is waargenomen, waargenomen zoals andere dingen. Wie het werkelijk begrijpt, begint ook iets anders te begrijpen. Bij. wat doorleefde liefde is. Hij begint te begrijpen wat de liefde is die in het bestaan als een golfbeweging verbindt. Alsof hij door zijn lichaam een innerlijke ervaring krijgt, alsof het warm of koud is,

Blz. 74

so bekommt er durch die Erkenntnis des astralischen Leibes eine innerli­che Wahrnehmung, ob Liebe webt und wellt, oder ob Antipathie webt und wellt. Es ist eine volle Bereicherung des Lebens.
Sie werden nicht behaupten können, wenn Sie auch noch so viel Theorien, wie sie heute üblich sind, studieren, daß dann dasjenige, was Sie studieren, in Ihren ganzen Menschen übergeht. Es bleibt Kopfbesitz. Wollen Sie es anwenden, so müssen Sie es nach einem äußerlichen Prinzip anwenden. Studieren Sie Anthroposophie, so geht das über in Ihren ganzen Menschen, wie das Blut in Ihrem Körper rinnt. Das ist Lebensstoff, geistiger Lebensstoff – wenn ich das widerspruchsvolle Wort bilden darf -, geistiger Lebensstoff, der uns durchdringt. Wir werden andere Menschen, wenn wir Anthroposophie aufnehmen.
Und es ist so: wenn Sie ein Stück eines Menschenleibes nehmen, vom Finger hier, so kann dieses Stück höchstens tasten. Es muß ganz anders sich durchorganisieren, wenn es das Auge werden soll. Das Auge besteht auch aus solchen Geweben wie der Finger, aber das Auge ist innerlich selbstlos, ist innerlich durchsichtig geworden. Daher vermittelt einem das Auge dasjenige, was außerhalb des Auges ist.

zo krijgt hij door de kennis van het astraallijf een innerlijke waarneming alsof liefde verbindt en golft of dat antipathie heerst en golft. Het is een totale verrijking van het leven.
Je zal niet kunnen beweren, ook al zou je nog zoveel theorieën. zoals die nu gebruikelijk zijn, bestuderen, dat dan wat je bestudeert een deel wordt van je hele wezen. Het blijft iets van het hoofd. Als je het wil toepassen, moet dat volgens een uiterlijk principe. Als je antroposofie bestudeert, gaat dat in je hele wezen zitten, zoals het bloed door het fysieke lichaam stroomt. Het is stof voor het leven, geestelijke stof voor het leven – als ik deze tegenstrijdige woorden mag gebruiken: geestelijke stof voor het leven die ons doordringt. We worden andere mensen, wanneer we antroposofie in ons opnemen. En het is zo, wanneer je een deel van een mensenlichaam neemt, neem dit stukje vinger, dat kan alleen maar aftasten. Dat moet heel anders in elkaar steken om een oog te worden. Het oog heeft net zulk weefsel als een vinger, maar innerlijk is het oog onzelfzuchtig, innerlijk is het doorlaatbaar geworden. Vandaar dat het oog je doorgeeft, wat zich erbuiten bevindt.

Hat der Mensch innerlich ergriffen den astralischen Leib, so vermittelt der ihm dasjenige, was außerhalb ist. Der astralische Leib wird ein seelisches Auge. Der Mensch schaut in die Seele des anderen Menschen hinein, nicht in einer abergläubischen, zauberischen Weise, sondern in einer ganz natürlichen Weise. Aber es tritt so ein, was sonst nur unbewußt im Leben die Liebe macht. Sie schauen dasjenige, was in der Seele des anderen Menschen ist. Unsere heutige Wissenschaft sondert Theorie von Praxis ab. Anthroposophie bringt dasjenige, was Erkenntnis ist, in das unmittelbare Leben hinein, macht den Menschen zu einem anderen Menschen.
Es ist unmöglich, wenn man Anthroposophie studiert, daß man hinterher erst eine Praxis in der Anthroposophie durchmachen muß. Es ware ein Widerspruch in sich. So wie das Blut, wenn der Mensch als Embryo organisiert wird, in seinen Körper dringt, so dringt in Seele und Geist als eine Realität dasjenige, was Anthroposophie ist.
Dadurch aber kommen wir nicht etwa dazu, nun äußerlich am Men­schen herumzuexperimentieren, sondern wir kommen dahin, in das

Wanneer de mens innerlijk het astraallijf heeft begrepen, dan geeft dit aan hem wat erbuiten is. Het astraallijf wordt een oog voor de ziel. De mens kijkt in de ziel van de andere mens, niet op een bijgelovige, magische manier, maar heel natuurlijk. Maar het gebeurt zo, zoals anders alleen maar onbewust in het leven de liefde doet. Je kijkt in wat de ziel van de andere mens is. Onze huidige wetenschap scheidt theorie van praktijk. Antroposofie brengt hetgeen wat weten is, direct over op het praktische leven, maakt de mens tot een ander mens.
Het is onmogelijk wanneer je de antroposofie bestudeert, om pas achteraf een praktijk door te moeten maken. Dat zou met elkaar in tegenspraak zijn. Zoals het bloed in het lichaam doordringt wanneer de mens als embryo ontstaat, zo dringt de antroposofie door in ziel en geest als een realiteit.
Daarom komen wij er niet toe om uiterlijk met de mens te gaan experimenteren, maar wij komen ertoe

Blz. 75

innere Seelengefüge des Menschen hineinzuschauen, an den Menschen wirklich heranzukommen. Dann aber lernen wir auch noch etwas ande­tes. Dann lernen wir erkennen, wie innig verwandt zum Beispiel das menschliche Vorstellen mit dem menschlichen Wachstum ist.
Was weiß denn die heutige Psychologie von der Verwandtschaft des menschlichen Vorstellens mit dem menschlichen Wachstum? Man redet auf der einen Seite von der Art und Weise, wie Vorstellungen zustande­kommen. Man redet auf der anderen Seite in der Physiologie, wie der Mensch wächst. Aber daß diese beiden Dinge, Wachstum und Vorstel­lung, etwas miteinander zu tun haben, innig verwandt sind, davon weiß man ja gar nichts. Daher weiß man auch nicht, was es bedeutet, wenn in dem Lebensalter, das ungefähr zwischen dem siebenten und vierzehnten Jahr liegt, an den Menschen, an das Kind, unrichtige Vorstellungen herangebracht werden, wie das seinen Wachstumsprozeß beeinflußt, wie das den richtigen körperlichen Wachstumsprozeß beeinflußt. Man weiß nicht, wenn man dem Kinde zuviel Gedächtnisvorstellungen beibringt, wie das hemmend wirkt auf seinen Wachstumsprozeß. Man weiß nicht, wenn man dem Kinde zuwenig Gedächtnisvorstellungen beibringt, wie das sein Wachstum, ich möchte sagen, übermächtig macht, so daß es zu allerlei Krankheiten neigt.

dat we kunnen waarnemen in de ziel van de mens, we komen werkelijk bij de mens. Dan leren we ook nog iets anders. Dan leren we bijv. kennen dat het menselijke voorstellen diep verbonden is met de groei van de mens.
Wat weet de huidige psychologie van het verband van het voorstellen door de mens met zijn groeien? Aan de ene kant heeft men het over de wijze waarop voorstellingen tot stand komen. Aan de andere kant heeft men het in de psychologie erover hoe de mens groeit. Maar dat deze twee, groeien en voorstellen, iets met elkaar te maken hebben, diep verbonden zijn, daar weet men echter niets vanaf. Daarom weet men ook niet wat het betekent, als je in de levensfase die ongeveer tussen het zevende en het veertiende jaar ligt, de mens, het kind, onjuiste voorstellingen meegeeft en hoe dat zijn groeiproces beïnvloedt, hoe dat een gezond lichamelijk groeiproces beïnvloedt. Men weet niet dat wanneer je een kind te veel voorstellingen voor zijn geheugen bijbrengt, dit remmend werkt op zijn groeiproces. Men weet niet dat wanneer je een kind te weinig gedachtevoorstellingen bijbrengt, dat zijn groeien oppermachtig wordt, zodat dit tot allerlei ziekten neigt.

Man kennt nicht diesen innigen Zusammen­hang zwischen allem Seelischen und allem Leiblichen.
Ohne das aber ist jede Erziehung und jeder Unterricht ein finsteres Herumtappen am Menschen. Anthroposophie hat ganz gewiß im Anfang nicht darnach gestrebt, eine Pädagogik zu begründen. Sie wollte Menschenerkenntnis, ganze, volle Menschenerkenntnis liefern. Aber indem sie ganze, volle Menschenerkenntnis lieferte, entstand ganz von selbst das Pädagogische. Und wenn wir uns nun umschauen, was da und dort heute als Reformgedanken auftritt, so ist das alles außerordentlich gut gemeint, und man kann vor mancherlei allen Respekt haben, was in dieser Weise auftritt, denn die Menschen können ja nichts dafür, daß zunächst keine Menschenerkenntnis, keine wahre, wirkliche Menschenerkenntnis da ist. Wäre Menschenerkenntnis in diesen pädagogischen Reformplänen, Anthroposophie brauchte nichts zu sagen. Aber wenn Menschener-kenntnis vorhanden wäre, dann wäre es ja eben Anthroposophie. Weil

Men kent de diepe samenhang niet tussen alles wat ziel is en alles wat lichaam is.
Zonder dat is iedere opvoeding en elk onderwijs echter een vaag wat doen met de mens. Antroposofie had aanvankelijk niet de bedoeling een pedagogie te ontwikkelen. Ze wilde menskunde, volledige menskunde leveren. Maar toen ze deze bracht, ontstond als vanzelf het pedagogische.
En als we nu eens kijken wat hier en daar als vernieuwingsgedachten naar voren komt, is dat allemaal goed bedoeld en je kan voor van alles wat op deze manier gebracht wordt, veel respect hebben, niettegenstaande dat er voor de mensen nu geen menskunde, geen echte reële menskunde bestaat. Als er in deze pedagogische vernieuwingsplannen echte menskunde zou zitten, dan hoefde de antroposofie niets te zeggen. Maar als daar echte menskunde bij zou zijn, dan zou het antroposofie zijn. Omdat

Blz. 76

eine wirkliche Menschenerkenntnis heute in unserem ganzen Zivilisa­tionsleben fehlt, kam Anthroposophie und wollte diese Menschenerkenntnis geben. Und weil Pädagogik nur auf Menschenerkenntnis fußen kann, weil Pädagogik nur dann gedeihen kann, wenn nicht Theorie auf der einen Seite, Praxis auf der anderen Seite da ist, sondern wenn, ie beim wirklichen Künstler, alles, was man weiß, auch in das Tun, in die Tätigkeit hineingehen kann; weil Pädagogik nur gedeihen kann, Wenn alles Wissen Kunst ist, wenn die Erziehungswissenschaft nicht Wissen schaft, sondern Erziehungskunst ist, muß eine solche in sich tätige Menschenerkenntnis die Grundlage des pädagogischen Wirkens und Arbeitens sein.
Sehen Sie, darum existiert eine anthroposophische Pädagogik. Nicht weil man nun einmal fanatisiert ist für Anthroposophie, und deshalb der Anthroposophie zuschreibt, daß sie ein solcher Allerweltskerl ist, daß sie alles kann, also auch Kinder erziehen, nicht deshalb gibt es eine anthro­posophische Pädagogik, sondern weil mit Notwendigkeit nur aus einer wirklichen Menschenerkenntnis heraus, die eben Anthroposophie geben will, Pädagogik erwachsen kann. Deshalb, meine sehr verehrten Anwe­senden, gibt es eine anthroposophische Pädagogik.

Nun möchte ich morgen, nachdem ich heute nur einige einleitende Striche gegeben habe, über das Thema weitersprechen.

er nu in onze hele beschaving een echte menskunde ontbreekt, kan de antroposofie die geven en dat wil ze ook doen. En omdat pedagogie alleen maar gefundeerd kan worden op menskunde, omdat de pedagogie alleen maar gedijen kan als er niet aan de ene kant theorie bestaat en aan de andere kant praktijk, maar wanneer er, net als bij de echte kunstenaar, alles wat je weet ook in het doen, in de activiteit over kan gaan; omdat pedagogiek slechts gedijen kan, wanneer alle kennis kunst is, wanneer de opvoedingswetenschap geen kennis creëert, maar opvoedkunst is, dan moet de in zichzelf actieve menskunde de basis zijn van het pedagogisch bezig zijn.
U ziet het: daarom bestaat er een antroposofische pedagogie. Niet omdat we nu eenmaal fanatiek antroposofie willen en men daarom van de antroposofie zegt dat het een manusje-van-alles is, dat ze alles kan, dus ook kinderen opvoeden. Maar daarom is er geen antroposofische pedagogie. Maar wel door de noodzaak dat een pedagogie alleen groeien kan door een echte menskunde, die de antroposofie dus wil geven.
Daarom, zeer geachte aanwezigen, is er antroposofische pedagogie.

Nu wil ik, nadat ik vandaag maar een paar inleidende aanzetten heb gegeven, morgen over het thema verder spreken.

.

Rudolf Steinerpedagogische voordrachten

Rudolf Steineralle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

.2646

.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.