VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 10 (10-5-2/2)

..

In de 10e voordracht bespreekt Steiner de – naar zijn zeggen – moeilijk te begrijpen metamorfose die geleid heeft tot de vorm van ons hoofd.

Aangezien het begrip ‘metamorfose’ in zijn werk veelvuldig voorkomt, ook op het terrein van de opvoedkunst, is het van groot belang dat de opvoeder/leraar met dit begrip vertrouwd raakt.

Er zijn verschillende artikelen die daarbij kunnen helpen.

Zie de reeks [10-5/volgnr]

De antroposofische arts Leen(dert) Mees hield m.n. rond de jaren 1970 vele voordrachten over antroposofische onderwerpen.
Hij bundelde zijn voordrachten tot een reeks boeken, w.o. bijv. ‘Dieren zijn wat mensen hebben’, waarin hij een verrassend licht werpt op de samenhang mens-dier. Dit boek is – naast nog een aantal – te downloaden op ‘Antrovista‘.

Ook wijdde Mees zijn aandacht aan ‘metamorfose’ en probeerde de opmerkingen van Steiner over metamorfosen in of van het menselijk skelet te duiden.

Uit zijn ‘Geheimen van het skelet’ hier zijn gezichtspunten over metamorfose.

Hoofdstuk 2 draagt als titel:

METAMORFOSEN IN PLANTEN-, DIEREN EN MENSENRIJK

.
In artikel [10-5-2/1] was Mees aan het woord over de metamorfose bij plant en dier. Het eindigde ermee dat ‘de plant een vormmetamorfose vertoont‘.

Mees bereidt hier voor wat we nodig hebben om de vormverandering in de mens zelf – en hier de in de 10e voordracht met name genoemde verandering van wervel naar hoofd – in zijn essentie te kunnen begrijpen, al gaat het hier nog niet om dié metamorfose.

Tegelijkertijd geeft dit hoofdstuk wezenlijke verschillen aan tussen mens en dier en daarmee is het ook een uitbreiding van de gezichtspunten die Steiner aangeeft. [10-8]
Mees staat ook even stil bij ‘begeerte’ en zijn opvattingen kunnen een aanvulling zijn bij [4-3-3].

Ook kunnen de opvattingen van Mees een verdieping betekenen voor waar het in de dierkundeperioden om gaat. 

Het vorige artikel eindigde met:  ‘de plant een vormmetamorfose vertoont’.

Dit geldt niet voor het dier. Er is geen sprake van dat de pop een metamorfose van de vorm van de rups is, of de vlinder van de vorm van de pop. Dit samen genomen met het feit dat gezegd is dat elke fase van de dieren-metamorfose in de volgende verdwijnt, kan ons al het gevoel geven dat wij naar een totaal ander element te zoeken hebben. Bij de plant zagen wij dat de metamorfose gewekt wordt door invloeden van buitenaf, met name door de zon. Daarom was de plant te beschrijven als een wezen ’tussen hemel en aarde’.

Bij de dieren-metamorfose hebben wij ook naar datgene te zoeken wat zich metamorfoseert en wat dus duidelijk niet een vorm is. Dit ligt voor mij reeds besloten in de uitdrukking: gedaanteverwisseling. Bij de planten-metamorfose zou men dit woord immers nooit kunnen gebruiken. Bij het dier verwisselt iets voortdurend van gedaante. Wat is dit ’iets’?

De dieren-metamorfose speelt zich af tussen eicel en voldragen vorm. Reeds hierin is het verschil met de plant uitgedrukt. De bloem van de plant is het blad-principe dat zich, door de omgeving hiertoe gebracht, in een andere vorm vertoont. Men zou haast kunnen zeggen: de bloem is niet alleen van de plant, zij is ook van de zon.

De dieren-metamorfose speelt zich veel meer in de innerlijke wereld van het dier af. Datgene wat zo-even een ’iets’ genoemd werd, werkt binnen in het dier en wanneer wij willen vragen wat dat ’iets’ is, kunnen wij tot de verrassende slotsom komen dat het zich vertoont in de voldragen vorm. Wat werkt dus als ’iets’ in het dier, wat neemt voortdurend een andere gedaante aan? Datgene, wat wij als voldragen vorm zien, de slak, de slang, de leeuw, enzovoort. Wij zouden het dier kunnen beschrijven als het resultaat van een drang die in hem werkt en die in het voldragen dier zichtbaar wordt.

Wat moeten wij onder deze drang verstaan? Wij moeten daartoe het dier weer in zijn eigen omgeving opzoeken. Zoals de plant tussen hemel en aarde, leeft het dier tussen zich zelf en de omgeving. Dit dierenleven kan door iedereen bestudeerd en niet anders aangesproken worden dan als een begeerte.

Dan worden twee dingen duidelijk. Op de eerste plaats is het woord ’begeerte’ niet iets vaags, niet iets dat in alle dieren dezelfde vorm aanneemt. De dierlijke begeerte, niet te scheiden van het begrip diereninstinct, is voor elke diersoort specifiek. Wanneer wij daarnaast vragen wat er in iedere begeerte leeft, kan mijns inziens het antwoord slechts zijn: streven naar bevrediging.

Wanneer wij daarnaast vragen in welke omgeving een dier leeft, dan is het antwoord: in dié omgeving die zijn begeerte kan bevredigen. Men moet dus nooit uit het oog verliezen dat ’omgeving’ hier niet identiek is met ruimte. Een mier, een vlinder en een leeuw hebben op dezelfde plaats in de wildernis een totaal verschillende omgeving, afhankelijk van hun gewaarwordingen.

De metamorfose van het dier is dan de metamorfose van een begeerte die zich afspeelt in de ontwikkeling van eicel tot voldragen vorm. Het dier is een zichtbaar geworden begeerte. Ik meen dat de conclusie die men hieruit trekken kan, hoewel misschien verrassend, toch een voor de hand liggende is: het dier is een eenheid van begeerte, vorm en omgeving.

Bij alles wat een dier doet kunnen wij zeggen: het zoekt iets in zijn omgeving wat zijn begeerte kan bevredigen. Dit leidt tot de gevolgtrekking dat de omgeving het dier voortdurend tot ander gedrag brengt.

Eén ding hebben plant en dier in hun metamorfose gemeen: waar de bloem het zaad voortbrengt, de vlinder het ei, het zoogdier de eicel, is in beide gevallen de kringloop gesloten; zij speelt zich voor onze ogen geheel op aarde af. Kortweg uitgedrukt: plant en dier blijven altijd ’hier’.

De specifieke metamorfose van de mens

Hoe staat het nu met de metamorfose bij de mens? Uit hetgeen over plant en dier gezegd is, waarbij met de begrippen vorm en begeerte naar het principe verwezen werd dat zich metamorfoseert, zullen we bij de metamorfose van de mens naar iets moeten zoeken dat zich principieel van datgene onderscheidt wat in plant en dier werkzaam is. Hier stuiten wij al dadelijk op een moeilijkheid omdat in het algemeen de opvatting voet gevat heeft dat mens en dier in wezen niet verschillend zijn; kortweg gezegd, de mens is het hoogste zoogdier, maar in elk geval een dier. Er kan in dit bestek natuurlijk niet te lang over dit vraagstuk gefilosofeerd worden. In brede kringen begon deze opvatting pas geaccepteerd te worden in de vorige eeuw. Dat de wortels reeds vroeger liggen, doet daaraan niet af. Er zijn vele schrijvers die zich in de laatste jaren op dit onderwerp geworpen hebben en getracht hebben aan te tonen welk netwerk van illusies in de opvatting dat de mens een dier is, leeft [1].

Een korte beschouwing kan ons misschien reeds op de goede weg helpen om het onderscheid tussen mens en dier aan het licht te brengen.

Laten wij ons afvragen wat het verschil is tussen een moeder die een baby, en een hond die jongen verwacht. — Als de hondjes en de baby geboren worden kan men zeggen dat in beide gevallen geboren werd wat verwacht werd, doch nu begint zich een merkwaardig verschil te tonen. Men kan namelijk vragen: wat zal een klein hondje worden? Het enige juiste antwoord is: een grote hond. Wat is het antwoord op de vraag: wat zal de baby worden? Als men dan zou zeggen: een volwassen mens, moet men er toch rekening mee houden dat de moeder hiermee blijkbaar niet bevredigd is. Wanneer zij haar kind in de armen heeft, zal zij maar al te vaak zeggen: wat zal dit wel worden? Het is duidelijk dat het antwoord ’een volwassene’ niet voldoende zou zijn. Zij bedoelt iets totaal anders, iets wat zij nog steeds verwacht.

Wanneer treedt dit te verwachten ’iets’ in verschijning? Oppervlakkig gezien kent ieder het antwoord ten dele wanneer hij een jongeman of een jonge vrouw ontmoet, die hij de laatste keer nog slechts als kleuter heeft gezien. In een gesprek met de trotse moeder zal men dan vaak te horen krijgen: wie had dat ooit kunnen denken!

Wij mogen echter niet concluderen dat de verwachting hiermee ook werkelijk vervuld is. Dit zou betekenen dat men van zo’n jongeman of vrouw dus niets verder zou verwachten. Iedereen voelt dadelijk het absurde daarvan.

Wij kunnen nog verder gaan en vragen: zou een gezond mens, ook al is hij nog zo oud, ooit tevreden zijn met de uitspraak dat men van hem niets meer verwacht? Ik geef toe, wij kunnen dit alleen voor gezonde mensen zo stellen, doch kunnen er dan tegelijkertijd op wijzen dat wij hiermee inderdaad in de mens iets gevonden hebben wat te karakteriseren is met de uitspraak: het eigenlijk menselijke in ons is iets dat altijd verder verwacht wordt.

Doordenkt men deze gedachte, dan verbindt ze zich met het feit dat een moeder reeds in verwachting was vóór de geboorte van haar kind. De voorstelling dat de geboorte daarmee een poort wordt, waardoor een wezen vanuit het hiervoor-maals verwacht wordt, hoeft ons dan geen moeite te kosten, mits men geen vooroordelen in die richting heeft.

Zou men niet evenzeer de gedachte mogen uitspreken dat op dezelfde manier het eigenlijk menselijke ook door de poort van de dood verwacht wordt in dezelfde wereld waarvanuit het door de moeder door de poort van de geboorte verwacht werd? Dan dringt zich de gedachte aan ons op dat het eigenlijk menselijke, waarvan wij de metamorfose gaan zoeken, zich van het metamorfoserende in planten- en dierenrijk onderscheidt, omdat van plant en dier gezegd moest worden dat ze altijd hier bleven. Als dat niet voor de mens geldt is de mens dus een wezen dat gedurende zijn leven slechts als tijdelijke gast op de aarde vertoeft.
Daar de verdere inhoud van dit boek zich met dit probleem van de metamorfose van de mens bezig zal houden, moge het voldoende zijn hier het wezen van de menselijke metamorfose met slechts enkele zinnen te karakteriseren.

Wanneer wij ons in verband met de metamorfose van het dier het begrip ‘gedaanteverwisseling’ voor de geest halen, ligt het voor de hand om te vragen: waar vinden wij de eigenlijke gedaanteverwisseling van de mens? Deze vindt men, wanneer de mens tevens gezien kan worden in het licht van een wetmatigheid, waartegenover de moderne wetenschappelijke wereld – in zekere zin zeer begrijpelijk – grote weerstand biedt. Dat is die van de reïncarnatie.

Wanneer wij de verschillende vormen waarin een individualiteit op aarde leeft als evenzovele vormen van een metamorfose willen beschouwen, moeten wij ook hier de wet van polariteit en toename terug vinden. In hoeverre dit inderdaad mogelijk is zal later blijken.

Omdat er steeds weer opvattingen naar voren gebracht worden die in de mens slechts het hoogst georganiseerde dier zien, is het goed er nogmaals op te wijzen dat de gedachtegang, die hier ontwikkeld is, niet op dieren van toepassing is. Een dier is altijd een exemplaar van een soort. Men kan een dierenleven, bijvoorbeeld dat van een leeuw die nu leeft, bestuderen, doch men kon dat honderd jaar geleden ook gedaan hebben. Wanneer de leeuw die nu leeft gestorven is, zal ik over honderd jaar het leeuwenleven nog steeds kunnen bestuderen. In dat opzicht sterft een leeuw dus niet. Natuurlijk, het exemplaar sterft, doch ’het’ leeuw, ’het’ mier, ’het’ vis, de soort blijft bestaan.

Men zal hier onmiddellijk kunnen opmerken dat ook de mens als soort reeds op aarde bestond vóór zijn geboorte en nog bestaat na zijn dood. Het gaat er echter om in de mens als het specifiek menselijke datgene te vinden wat boven de ’soort’ mens uitgaat. Dit gebeurt daar, waar wij met de kern van de persoonlijkheid, met de individualiteit te maken krijgen. In de anatomie en fysiologie, feitelijk ook in de psychologie hebben we met de mens als soort te maken. Het zal echter in niemand opkomen zich bij een gegeven uit een anatomie- of fysiologieboek te vragen: over welk mens gaat het hier? Ook wanneer wij psychologie studeren, hebben wij te maken met zieleneigenschappen die in wezen aan elk mens eigen zijn.

Zodra wij echter met een biografie te maken krijgen, bevat die een inhoud die slechts voor die éne mens op de wereld geldt. De schijnbare tegenspraak die wij ontmoeten als we, speciaal bij de hogere dieren, onderlinge verschillen binnen één soort opmerken, waardoor wij in de verleiding kunnen komen ook bij een dier van een biografie te spreken, kan opgelost worden als men zich erin oefent individuele verschillen te onderscheiden van verschillen door individualiteit. [2]

Reïncarnaties kunnen dan, zoals gezegd, gezien worden als metamorfosen, als men wil, gedaanteverwisselingen van een individualiteit, van een geestelijk wezen dat zich, telkens weer opnieuw in een biografie, in het gebied van ruimte en tijd openbaart. Men kan aldus reïncarnatie ook beschrijven als de metamorfose van een biografie.

De gegeven gedachtegang kan het ons mogelijk maken te begrijpen dat de mens zich – in tegenstelling tot plant en dier – op een bepaald ogenblik van zijn metamorfose van de aarde voor een zekere tijd geheel terugtrekt. Met deze korte aanduiding moet hier voorlopig worden volstaan. In hoofdstuk 4 wordt er nog meer over gezegd [3].

Vorm en wezen

Polariteit en toename zijn algemeen bekende begrippen geworden. Ze zijn echter fenomenen die, zoals gezegd, direct wijzen in de richting van de verbindende eenheid van een wezen dat zich in deze verschijnselen openbaart. Wij leven in een tijd waarin, vooral in de moderne biologie, het woord wezen, dat als een onzichtbaar iets scheppend zou werken in de vormen om ons heen, niet meer voorkomt doch integendeel beslist afgewezen wordt als onwetenschappelijk. Men kan uit deze impasse alleen geraken als men ontdekt en wil toegeven dat, op het ogenblik dat men, als men van een enkele waarneming naar een reeks waarnemingen die men combineert overgaat, ontdekt dat deze samenstelling meer openbaart dan de som van wat elk der afzonderlijke feiten ons leert. Daarmee kan men niet meer in die zin wetenschappelijk blijven als men oorspronkelijk gewild heeft. Wie feiten combineert stelt iets samen, hij schept een compositie en begint de natuur zelf als een compositie te zien. Daarmee is hij onherroepelijk in het gebied van het kunstzinnige terecht gekomen! Dit is één van de redenen waarom er op het gebied van de biologie en antropologie, vooral ook op het gebied van de evolutieleer, zo veel meningen en onenigheden bestaan. Over feiten zelf zal men het altijd wel eens kunnen worden. Bij het samenstellen ontstaat er een resultaat dat op verschillende manieren aan kan spreken. Het wetenschappelijke is dan niet volledig van het kunstzinnige te scheiden, hoezeer men dat ook zou willen.

De weerstand die een kunstzinnige beschouwing in de wetenschap in het algemeen ondervindt, heeft mijns inziens een heel speciale achtergrond. Het woord compositie roept namelijk de associatie met het woord componist op, doch hiermee wordt het begrip wezen, scheppend wezen in een wetenschappelijke beschouwing geïntroduceerd. Daarmee verschijnt echter onvermijdelijk ook een religieus element in onze gedachtegang.

Hiermee wordt op een belangrijk strijdpunt gewezen tussen twee groepen van evolutionisten, wetenschapsmensen die zich met de evolutieleer bezighouden. Een deel redeneert als volgt: wanneer we een horloge zien, kunnen we niet anders dan onmiddellijk de conclusie trekken dat een horlogemaker aan het werk geweest moet zijn. Geen horloge zonder een wezen dat het horloge geschapen heeft. Aangezien de levende natuur vormen vertoont, waarvan we niet kunnen aannemen dat ze ooit door toevallige samenballing van materie ontstaan zijn, kunnen we niet anders dan achter het ontstaan van de natuurvormen ook een scheppend wezen denken.

De tegenstanders van deze gedachte nemen vanzelfsprekend wel aan dat een horloge door een horlogemaker vervaardigd is. Zodra men echter met vormen in de natuur te maken heeft, willen ze deze gedachte niet consequent voortzetten, omdat, zo zeggen ze, het niet wetenschappelijk is met het begrip horlogemaker te werken, waar deze niet als zichtbaar wezen verschijnen kan. ’Geen horlogemaker, no watchmaker!’ is de leuze. Men kan dit ook aldus uitdrukken: Men wil onder alle omstandigheden een begrip vermijden dat nog enigszins aan religie doet denken, waarbij de gehele schepping als het resultaat van activiteiten van een ongeziene wereld beschouwd zou moeten worden. Het is in te zien, dat deze moeilijkheid alléén dan te vermijden is, wanneer men in de ‘zuivere’ wetenschap niet verder zou willen gaan dan de zintuiglijke waarnemingen zonder enige samenhang te beschrijven. Dan blijft men exact. Doch voor deze wetenschap zouden slechts weinig mensen een werkelijke interesse hebben.

Maar waarom wil men per se het begrip ongeziene wereld met onwetenschappelijk afdoen? Is een gedachte, is een gevoel, is zwaartekracht zichtbaar? Wij moeten nooit vergeten dat de voornoemde houding pas op een speciaal ogenblik in de 19e eeuw naar voren gekomen is, toen men om zo te zeggen overeenkwam alleen nog verklaringen vanuit de zichtbare wereld te accepteren. Daarmee stelde men echter een dogma op. Voor mij is dogma iets dat werkelijk onwetenschappelijk genoemd kan worden.

Wanneer men dus bemerkt dat met het invoeren van een kunstzinnige
benadering in een wetenschappelijke beschouwing iets van een religieus element aan de horizon verschijnt, zou men daarvoor niet terug moeten schrikken. Men zou moeten zeggen: wetenschap van de natuur om ons heen kan alleen dan volle bevrediging geven als ze het in elk van ons levende kunstzinnige en religieuze element aanspreekt. Het zal duidelijk zijn dat dit met het begrip godsdienst, zoals dit woord op het ogenblik nog veel gehanteerd wordt, niets te maken heeft. Toen Louis Bolk in zijn evolutietheorie tot de uitspraak kwam dat voor hem de mens niet als toevallige verschijning op het dierenrijk volgde, maar dat de idee mens van den aanvang af in de dierenevolutie een leidende rol gespeeld heeft, zei hij: ’Op grondslag van aanpassing en selectie kan de evolutie niet anders zijn dan een resultaat, terwijl ik voor mij er liever iets principieels in zie. In zijn uiterste consequentie toegepast moet dit standpunt voeren tot de mening dat in het laagste, laat ik het maar aanduiden als oerorganisme, reeds de noodzakelijkheid besloten lag der menswording. Men zou kunnen opmerken dat elke nieuwe vorm dan tot op zekere hoogte een vormnoodwendigheid zou zijn, ontstaan door de actie van die, de evolutie regulerende en beheersende, in het organisme zelf wonende factor. De opmerking is juist, maar ik wijk voor de consequentie niet terug. Het klinkt mystiek, maar geeft mij zelf toch meer bevrediging dan de consequente toepassing van de selectie- of aanpassingstheorie als enig leidend beginsel der evolutie, waarbij ten slotte de menswording louter spel van het toeval geweest was’[4].

Ik meen dat ook wij er zo langzamerhand eveneens aan toe zijn voor zulke consequenties niet terug te wijken. Wij moeten er alleen voor zorgen een element als voornoemd niet als hypothese in te voeren. Als consequentie van een bepaalde benadering is zij in de meest ware zin van het woord wetenschappelijk verantwoord.

Vorm en genetische structuur

Er is zo-even gezegd dat er in ’t algemeen in de wetenschap, daar waar men zich bezig houdt met gedachten over het ontstaan van vormen (onder meer in de theorieën over evolutie) een grote weerstand bestaat tegen het begrip scheppend wezen; een werkelijkheid naast de in de zichtbare wereld werkende krachten wordt gewoonlijk verworpen. Men zal van dat gezichtspunt uit het ontstaan van de vormen in de levende natuur verklaren door erop te wijzen dat deze het gevolg zijn van de genetische structuur in hun chromosomen. Het is hier niet de plaats om in filosofische beschouwingen hierover uit te weiden. Een enkel voorbeeld uit de praktijk moge het standpunt dat ik ten opzichte van dit vraagstuk inneem, verduidelijken.

Men ontmoet zeer vaak de opvatting: ’Onze gedachten zijn een product van onze hersenstructuur; feitelijk denken onze hersenen’.

Als argument voert men dan aan, dat bij een bepaalde verstoring van die structuur óók een storing in het denken optreedt. Wanneer echter een musicus een piano bespeelt, zal de toestand van het mechaniek, van de toetsen, snaren enzovoort een voorwaarde zijn voor het juiste ten gehore brengen van de compositie. Als er een en ander in het instrument niet werkt of afwezig is, kan het stuk niet goed gespeeld worden. Toch zal niemand kunnen zeggen dat de piano het stuk speelt. Wij spelen en hebben daarvoor een goed instrument nodig. Wij denken en hebben daarvoor gezonde hersenen nodig.

Hetzelfde ontmoeten wij in het samenspel van scheppend wezen en de zogenaamde genetische structuur in onze beschouwing. Als deze structuur verstoord wordt, zal men slechts een verminkte openbaring te zien krijgen. Wanneer zal men eens inzien, dat de vele variaties die men door een gewelddadige beïnvloeding van buitenaf op de genetische structuur, bij de zogenaamde Drosophila-vlieg in het leven roept, niets anders dan de misvormde openbaringen van het eigenlijke wezen zijn!

Wanneer dan de vraag: ’Wat is de oorzaak van de genetische structuur?’ gesteld wordt, is het antwoord hierop niet moeilijk; zij is mede het resultaat van de activiteit van het scheppende wezen dat zich een vorm, tot in alle finesses toe, heeft geschapen en zich daarin ten slotte openbaart. Inderdaad een vorm tot in alle finesses, tot in de kleinste onderdelen van de vorm, tot in de formule toe! [5] In elke schepping van een kunstenaar ervaren wij hetzelfde; met elk product van onze techniek is het niet anders gesteld. Dat men zich dit niet realiseert, komt omdat het scheppende, geestelijke wezen mens, dat een ieder dus zonder uitzondering, uit eigen ervaring kent, steeds meer en meer miskend en over het hoofd gezien wordt. Dat laat duidelijk zien dat wanneer men de vorm door een genetische structuur wil verklaren men feitelijk niets anders doet dan het oorspronkelijke probleem naar een ander punt verplaatsen.

Daarom heeft de gedachte dat leven, ziel en geest slechts functies van materiële vormen zouden zijn, een heel speciale achtergrond. Zij hangt samen met de voorstellingen die zich in de loop der eeuwen over het begrip materie in ons cultuurleven ontwikkeld hebben. Deze voorstellingen moesten de vroegere overtuiging dat de zichtbare wereld door een geestelijk wezen geschapen was, aan het wankelen brengen.

Immers, als men leven, ziel en geest als iets werkelijks opvat, dat een eigen bestaan leidt in onze materiële wereld, dan moet men kunnen begrijpen hoe de vormen ontstaan zijn waarin leven, ziel en geest verschijnen.

Vroeger heeft men daar geen probleem van gemaakt. Een werkelijke geestelijke wereld, die op zich zelf door ons niet waargenomen kan worden, doch die we in de natuur om ons heen in haar openbaring waarnemen, werd als een vanzelfsprekendheid gevoeld. Hierin kwam verandering toen men zich over het wezen van de materie voorstellingen trachtte te maken. Deze voorstellingen ontwikkelden zich in een richting die de vraag opwierp: Kan de vroegere gedachte, dat de wereld door een geestelijk wezen (’God’) geschapen is, nog volgehouden worden? De wereld die wij zien is een materiële. Hoe kan een geestelijk wezen met totaal andere kwaliteiten dan die, welke wij aan de materie moeten toekennen, met deze materie in wisselwerking treden?

Om dit te begrijpen moeten wij ons eerst bewust zijn van de diepe kloof die gaapt tussen twee opvattingen: ’geest heeft de materie gevormd’ enerzijds, en ’geest is een functie van de materiële vorm’ anderzijds. Op dit laatste ben ik in mijn boek ‘De aangeklede engel’ [3] uitvoerig ingegaan. Ik heb daar getracht aan te tonen dat vormen nooit functioneren, dat altijd het scheppende principe zelf met, of in de vorm, functioneert. Daarnaast is dus nu voor ons dit de belangrijkste vraag: hoe kan de brug tussen geest en materie geslagen worden?

Het ontstaan van vormen

Wij hebben hierbij met een tweeledigheid te maken: met datgene wat vormt, wat zich uitdrukt en met datgene wat wij het materiaal kunnen noemen, zoals we ook bij een kunstenaar van zijn materiaal spreken.

Nu is een kunstenaar een stoffelijk, zichtbaar wezen en het is voor ons geen probleem dat hij in staat is vormen in materie te scheppen.

In het geval van vormen in de natuur, en dus ook in het skelet, zullen wij een scheppend principe, zoals het hier al zo vaak genoemd is, ook moeten aanvaarden, al hebben wij hier niet met een zichtbaar wezen te maken. Datzelfde werd bedoeld, toen in het vorige hoofdstuk over ’wezen’ gesproken werd in verband met het begrip metamorfose.

De vraag die nu begrijpelijkerwijze rijst is: Als wij een scheppend wezen in dit geval moeten karakteriseren als niet-materieel, onzichtbaar, bovenzintuigelijk (in het Duits: ’übersinnlich’), hoe kan een dergelijk wezen dan de materie in de concreetheid, zoals wij haar kennen, aangrijpen, hanteren? Grof gezegd: Hoe kan geest materie beetpakken? [6]

Deze vraag geldt feitelijk alleen voor de oorsprong van de levende vormen in de evolutie. Zodra deze op aarde eenmaal verschenen zijn, geldt de algemeen bekende wet: Het levende komt uit het levende voort. Zowel bij verborgen leven (in het zaad of het ei) als bij het geopenbaarde leven (bijvoorbeeld de bloem) hebben wij dus altijd met een levend wezen op aarde te maken.

Misschien zal men zeggen dat het nodig is een definitie van het begrip leven te geven. Ik volsta hier met het citeren van een zin van Prof. Bolk (Hersenen en cultuur), waarin hij uitspreekt: ’Voor mij is het leven een vormprincipe sui generis’. — Leven en vormen scheppend worden daardoor identiek. Ik kan hier volledig achter staan. Wil men een begrip ontwikkelen over het hoe van de oorspronkelijke synthese leven-materie, dan is materie hier in principe dus de zogenaamde dode materie uit het mineralenrijk. Wij moeten ons vervolgens voor de geest halen dat het mineralenrijk gebieden vertoont die men vroeger de vier elementen aarde, water, lucht en vuur noemde, waarvan men het wezenlijke verschil door het invoeren van het begrip aggregaatstoestanden verregaand uit het oog verloren heeft.

Voor velen nu zal het een verrassing zijn te horen dat deze vier elementen tot op zekere hoogte ook weer het principe van een metamorfose vertonen.

Wij moeten begrijpen dat metamorfose hier noodzakelijkerwijze iets anders betekent dan in het voorafgaande, omdat er in de minerale wereld – waar het hier om gaat — niet op dezelfde manier van het leven en van vormen gesproken kan worden. Men noemt haar immers juist vormloos, amorf, waarbij wij hier even af moeten zien van het rijk van de kristallen, die een vraagstuk op zichzelf zijn. Wij hebben te maken met kwantiteiten, kwaliteiten en eigenschappen.

Er kan alleen dan een verband met metamorfose gevonden worden, als we kunnen aantonen dat ook in het mineralenrijk iets in verschillende gedaanten verschijnen kan, zoals wij dat van het wezen gezegd hebben in het gebied van de vormen van de levende natuur. Wij zullen dan tevens ook weer iets van een tegenstelling en een toename moeten vinden.

Aarde, water, lucht en warmte zouden verschillende verschijningsvormen van iets gemeenschappelijks moeten zijn. Dat lucht, water en aarde als toestanden in elkaar kunnen overgaan is bekend. Men kent ontelbare stoffen in gasvormige, vloeibare en vaste toestand. Zodra echter het element warmte of vuur aan de orde komt, bestond er tot voor kort in de fysica een onoverbrugbare kloof tussen warmte en materie. Warmte was immers arbeidsvermogen van beweging. Van een overgang, bijvoorbeeld van warmte naar lucht (lucht-materie) kon in een wetenschappelijke beschouwing nooit sprake zijn.

Dit is thans anders geworden, sinds men tot de conclusie moest komen dat ook materie, dus zowel vaste en vloeibare als gasvormige, in laatste instantie als verdichte energie opgevat moet worden. Daarmee was het essentiële verschil tussen warmte en materie opgeheven. Arbeidsvermogen en energie drukken ten slotte met verschillende woorden hetzelfde uit.

Hiermee moge op het ogenblik volstaan worden. Energie is dan dus het principe waar wij naar gezocht hebben toen wij ons tot taak stelden de vier elementen als metamorfose van elkaar te beschouwen; energie vertoont zich hier in vier gedaanten: die van warmte, lucht, water en aarde. Dat we tevens met een polariteit en een toename te maken hebben van verdichting en verdunning is duidelijk. Daarmee wordt echter een brug geslagen tussen de begrippen wezen en materie, als men deze laatste ontstaan denkt door verdichting van een warmte-toestand. Wat is energie? Hoe komen wij aan dat woord? Energie hebben betekent in het menselijke leven: tot activiteit in staat zijn. Hoe verwant is dit begrip met ons woord wil.

Wij kunnen nu nóg een stap verder gaan.

Er is in het voorafgaande al zo vaak over vormende krachten gesproken. In de chemie en in de fysica komt het woord kracht ontelbare malen voor. Maar is het woord kracht eigenlijk niet een volkomen leeg, abstract begrip, als wij niet aan een wezen denken waar die kracht van uitgaat? Ik weet maar al te goed hoe ver het tegenwoordige wetenschappelijke denken zich van zulk een conclusie verwijdert. Ik ben er evenzeer van overtuigd dat het er vlak vóór staat. Jaren geleden sprak een vriend tijdens een discussie uit: ’Wil is een kracht die in staat is een weerstand te overwinnen’. Ik vond en vind dit nog steeds een zeer goede omschrijving. Daarmee wordt van wil als van een kracht gesproken.

Wanneer deze wil tot scheppen ’in den beginne’ bestaan heeft en we vragen ons weer af: hoe heeft geest materie kunnen pakken, moeten we ons in elk geval voorstellen dat deze materie slechts warmte geweest kan zijn. Warmte is de brug, de schakel tussen wil en onze dichtere materie.

Zo komen wij tot een wonderlijke, misschien wel wonderbaarlijke reeks: willend wezen, kracht, warmte, materie, vorm. Wanneer hier vorm genoemd wordt, spreekt het wel vanzelf dat door de genoemde factoren pas dan een vorm kan ontstaan als wij weer aan het begrip gezichtspunt denken, dat wij van te voren al ingevoerd hebben. Zonder dit kan er nimmer sprake zijn van een inhoud, een idee die aan elke vorm ten grondslag moet liggen, wil zij niet slechts een contour zijn.

Dat een geestelijk wezen een bron van willen, kracht en activiteit is en daardoor, van een gezichtspunt uitgaande, tot vormen-scheppen in staat is, is een dagelijkse ervaring van ieder mens. Dat de mens op het ogenblik op aarde het enige scheppende wezen is in een zichtbare gedaante, doet niets af aan het feit dat hij in werkelijkheid een geestelijk wezen is.

Men heeft in vroegere tijden de wereld altijd als een schepping van geestelijke wezens gezien. Dit zien, deze vorm van weten is langzamerhand verloren gegaan. In de antroposofie* wordt over deze wezens, die men hiërarchische wezens noemt, met dezelfde concreetheid gesproken als wij dat doen over de zichtbare wezens om ons heen.

Het ligt nog ver van ons af om te overzien hoe de overgang van wezen en energie enerzijds, naar de verdichting van de warmte tot in de zichtbare vormen anderzijds, plaats vindt. Deze laatste verschijnen bovendien nog in zoveel soorten, zoals planten, dieren en mensen. Even ver ligt echter voor het wetenschappelijke denken bijvoorbeeld het begrip energie, die de essentie van de materie blijkt te zijn, af van de uiteindelijke toestand waarin zij als mineralenrijk verschijnt.

Ik ben mij er dan ook van bewust slechts allereerste aanduidingen voor een oplossing gegeven te hebben. Een groot aantal vragen blijft voorlopig onbeantwoord liggen. De voornaamste bedoeling was te laten merken hoe de moleculaire voorstellingen over materie zich in de laatste eeuwen tot voor kort in een zodanige richting ontwikkeld hebben dat de tegenwoordige materialistische wereldbeschouwing er het gevolg van moest zijn!

Ik houd deze ontwikkeling echter voor uiterst belangrijk, omdat men ertoe gekomen is in scherp geformuleerde gedachten te denken. Dit denken, dat steeds beter leert onderscheiden, moet echter als het consequent blijft, voortdurend weer bereid zijn eens gevormde stellingen op te geven, ingewortelde voorstellingen om te buigen. Zij heeft dit ook voortdurend gedaan. Doch hoe vaak ontmoet men steeds weer de neiging op elk ogenblik te zeggen: nu weten wij het eindelijk. Ons denken moet niet verstarren, doch beweeglijk blijven. Laten wij onze blik steeds open houden voor nieuwe ontdekkingen en opvattingen.

[1] Zie o.a. Hermann Poppelbaum: Mens en dier, uitgeverij Vrij Geestesleven, Zeist 1973
[2] Steiner ‘Theosofie’ GA 9, vertaald
[3] In De aangeklede engel (uitgegeven bij Vrij Geestesleven, Zeist) heb ik getracht aan te tonen dat de reïncarnatiegedachte dan pas verantwoord uitgesproken kan worden, als men eerst in de mens dat principe heeft leren onderscheiden waarvoor reïncarnatie denkbaar, acceptabel zou zijn, zowel als datgene waarvoor zij beslist niet geldt.
[4] Hersenen en cultuur, pag. 49 ff.
[5] Formule betekent kleine vorm
[6] Dit is geen voetnoot in het boek van Mees, maar inmiddels heeft de antroposofische arts Arie Bos een boek gepubliceerd dat dit onderwerp uitvoerig behandeld: ‘Hoe de stof de geest kreeg‘.

.

L.F.C. Mees ‘Geheimen van het skelet’   (volg link voor een PDF-versie)

Op deze blog staan ook verschillende artikelen die de metamorfose (van de plant) behandelen:

Metamorfose van de planten

Goethes fenomenologische methode

Ook in het tijdschrift van de Ver, v Vrije Opvoedkunst verschenen talloze artikelen over metamorfose

Algemene menskunde: voordracht 10 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Seineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2422

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.