Houd je het vol als (vrijeschool)leerkracht? Uit eigen ervaring weet ik dat het ‘glijden naar de vermoeidheidsput’ langzaam gaat, het ‘hellend vlak’ is aanvankelijk niet zo steil. Maar ineens is daar toch de rand van het gat en het is geen prettige toestand als je (daar) in(-)stort. Inzichten als onderstaande en de later genoemde verwijzingen naar ‘burn out’ e.d. kunnen je voor het te laat is, inzicht verschaffen in waar jij je op de helling bevindt.
.
Ineke van der Duijn Schouten i.s.m. George Maissan, huisarts, Weledaberichten nr 167, winter 1995
.
Kiezen tegen vermoeidheid
Het thema vermoeidheid begint, wellicht dankzij de aandacht voor het chronisch vermoeidheidssyndroom , in de publieke belangstelling te komen. Moe zijn wordt niet meer alleen toegeschreven aan zeurkousen en kinderen die geen zin hebben om naar school te gaan. Veel mensen in onze tijd lijden in meer of mindere mate aan vermoeidheid. Hoe komt dat?
In onze cultuur vragen zo veel dingen de aandacht, is er zo veel te zien en te beleven, dat je al gauw tijd tekort komt om alles wat je wilt doen bij te benen. Wat dat betreft kun je onze cultuur omschrijven als een begeerte-cultuur. Met een geweldige honger naar indrukken, naar ervaringen en naar materiële zaken spoeden we ons van hot naar haar.
Bij de meeste mensen is er tot hun vijfendertigste niets aan de hand. De jeugdige kracht is tot die tijd op een vanzelfsprekende manier aanwezig, zij het in afnemende mate. Een drukke baan met veel verantwoordelijkheid, kleine kinderen die het nodige vergen, de voetbal- of tennisclub, het bestuur van de school, invallen voor een zieke collega, je ouders verzorgen, het huis opknappen, het kan allemaal.
Tot de eerste vermoeidheidssymptomen zich aandienen: hoofdpijn, vermoeide ogen, concentratiestoornissen, snel geïrriteerd raken, problemen met inslapen. Het is al heel wat als je dan onderkent dat je in een toestand van constante vermoeidheid bent beland. Vaak gebeurt dat niet en doet zich het eigenaardige verschijnsel voor dat je in plaats van minder, steeds meer hooi op je vork neemt: meer werk, meer hobby’s, meer functies in de vrijetijdssfeer. Zolang je immers maar bezig blijft, voel je niet hoe moe je bent.
Ook komt er dagelijks een grote hoeveelheid prikkels op ons af via de televisie, de computer, de video, maar ook op de weg in de vorm van verkeersborden, reclame-uitingen, lichten en het gedrag van andere weggebruikers. Als je een dag aan de computer hebt gezeten of op de snelweg hebt doorgebracht, heb je eerder de neiging om ’s avonds naar een spannende film te kijken (wat nieuwe prikkels geeft) dan naar een boek te grijpen. Dat komt doordat het ik, de sturende kracht van de mens, de veelheid van indrukken niet meer aankan en zich terugtrekt. Als je oververmoeid bent, neemt het vermogen tot kiezen af. Je ondergaat dan alleen nog maar wat op je afkomt en je bent minder bestand tegen verleidingen. Het is de overprikkeling die een mens allereerst moe, en ten slotte ziek maakt. Dat geldt ook voor mensen onder de vijfendertig. Je kunt het aan kinderen vaak zien als ze de vorige dag een aantal uren tv hebben gekeken of veel computerspelletjes achter de kiezen hebben.
Moeten we dan dus maar alles wat kan opjagen en vermoeien uit ons leven bannen? Weg tv, computer, auto, krant en werk? Nee, want die elementen zijn een onderdeel van ons dagelijks leven. Waar het om gaat, is daarin naar een zekere mate van harmonie te streven, zodat je niet uit het lood raakt.
Harmonie is met je ik het midden vinden tussen twee uitersten. Harmonie zoeken betekent voortdurend keuzes maken tussen het een en het ander. Zelf sta je als oordelende, keuzemakende instantie (als ik) tussen de dingen waaruit je kiest. Wil je de vermoeidheid te lijf gaan, dan zul je dus heel bewust, vanuit je ik, keuzes moeten maken.
Wat betekent dat concreet? Bij fysieke vermoeidheid geldt allereerst: opbouwen door slaap, rust en goed eten. Wie moe is, gaat zich vaak te buiten aan grote hoeveelheden zoetigheid of koffie, omdat dat tijdelijk helpt. Later volgt dan een ‘dip’. Ook bij psychische overbelasting is rust het allerbelangrijkste. Verder helpt het als je streeft naar ritme in de dag- en weekindeling. Wie door de week vroeg opstaat en zaterdags lang uitslaapt om eens goed bij te komen, kan er tot zijn verbazing een katterig, duf gevoel en een dag hoofdpijn aan overhouden. Rust nemen op zondag is belangrijk als je op maandag met gebundelde kracht aan de slag wilt. Wat ook goed werkt is terugkijken op de week die achter je ligt. Waaraan heb ik mijn tijd besteed? Waar lagen de moeilijke momenten? Welke rustmomenten heb ik ingebouwd? Op de week die voor je ligt kun je je voorbereiden, zodat de dingen je minder overkomen en je meer greep krijgt op je leven. Een te volle agenda kun je bijstellen en er kan ruimte worden gemaakt voor een ‘gezinsavond’, zodat je niet langs elkaar heen leeft.
Keuzes maken en grenzen trekken is moeilijk. Daarbij ontstaat vaak angst: angst om niet meer mee te tellen, de boot te missen, de verkeerde dingen te kiezen. In de praktijk blijkt die angst meestal ongegrond. Van het maken van eigen keuzes gaat juist een geweldige kracht uit: de beste remedie tegen overmoeidheid!
Bij dit artikel stond deze illustratie van Sonia van der Klift:
Afgebrand raken als docent is in het onderwijs een belangrijk topic. Vrijeschoolleerkrachten lijken hier sterk vatbaar voor, je wordt immers gevoed door je idealen, omhuld en gedragen. Kunnen zij zichzelf voldoende begrenzen? Is er wel genoeg kennis over burn-out in huis, krijgen leraren wel voldoende steun van collega’s? Een verkenning van de problematiek.
Over de burn-out problemen op vrijescholen vindt de nodige discussie plaats. Ruwweg lijken er twee kampen te zijn. Het ene kamp vindt datje als vrijeschooldocent bij uitstek verantwoordelijk bent voor je eigen vitaliteitshuishouding en dat je niet moet aankomen met klachten over gebrek aan ondersteuning of structuur. Dat is slachtoffergedrag, een bewustzijnsziel onwaardig. Het andere kamp vindt dat de vrijeschoolorganisatie tekortschiet in ondersteuning van docenten. Dat er beter voor leerlingen wordt gezorgd dan voor leerkrachten. En dat de roep om een gestructureerde aanpak niet langer genegeerd mag worden.
Na een week research dreigt mijn opdracht zelf een veenbrand te worden. Iedereen die ik spreek, kent weer een paar andere mensen die ik zéker moet spreken. Namen, telefoonnummers en emailadressen stromen mijn mailbox binnen. En heb ik dat boek al gelezen? O nee, maar dan toch wel een cursus. En er moeten cijfers zijn, waar weet niemand, maar die moet ik natuurlijk wel boven tafel krijgen. Ik houd mijn hoofd koel en ik trek mijn grens. Dit is een voorlopige, onvolmaakte en schetsmatige verkenning van het onderwerp.
Spagaat
Wat is het verschil tussen burn-out raken in het reguliere onderwijs en het vrijeschoolonderwijs? “Ik denk dat het nog moeilijker is om jezelf te begrenzen op een vrijeschool,” zegt Tessa Krop, voormalig vrijeschooldocent. “Mensen lopen leeg vanuit hun toewijding. Een ideaal is oneindig, onbegrensd. Je wilt de jaarfeesten goed vorm geven en mooie bordtekeningen maken. En je wilt mooie verhalen vertellen, en schilderen – je hebt toch die cursus gedaan om de verhaalstof kunstzinnig te verwerken? Als je daar niets mee doet, voldoe je niet aan de innerlijke beelden! En je wilt toch echt wel twee bijenwasknutsels laten maken, de kinderen moeten leren breien dus als de handwerkjuf ziek is, zorg jij dat ze leren breien. En de euritmist wil graag dat je bij zijn lessen aanwezig bent en de eindmusical is toch ook heel belangrijk. Maar daarbij moet je óók de Cito-toets voorbereiden en het Leerlingvolgsysteem op orde houden en alles doen wat de inspectie van je vraagt. Daar zit een spagaat.”
Ont-ikkend
Vrijeschoolleraren hebben het nog moeilijker met de wet- en regelgeving van nu dan reguliere, stelt Annejet Rümke, antroposofisch arts en auteur van Als een fenix uit de as, een boek over burn-out [1]. “We zijn tegenwoordig zo bezig met toetsen en protocollen. Dat is ont-ikkend en dat leidt bij vrijeschooldocenten tot extra frustratie. Als je idealen met voeten getreden worden, is dat zwaar.” De vrijeschoolleraar geeft les vanuit zijn ik, legt ze uit, waardoor het astraallichaam van de kinderen wordt opgevoed. Hij dient zijn zielenkrachten goed te beheren, zodat het etherlichaam de kinderen kan gedijen. “Steiner noemt dit de pedagogische hoofdwet. De leraar werkt met zijn ik op het astraallichaam van het kind en met zijn astraallichaam op het etherlichaam van het kind. Vanuit die gedachte is het ook heel erg voor de kinderen dat zoveel leerkrachten burn-out raken, waarbij hun ik de grip verliest, hun astraallichaam verbitterd raakt en hun etherlichaam uitgeput en opgebrand. Er is dus zeker reden hieraan iets doen, ook voor de gezondheid van de kinderen.”
Hooggevoelig.
Rümke stelt vast dat burn-out sowieso eerder voorkomt bij perfectionisten, bevlogen en idealistische professionals: die raken eerder teleurgesteld. Daarnaast trekt een idealistisch beroep meer hoog-sensitieve persoonlijkheden aan: “Die nemen meer dan gemiddeld waar van wat onder de oppervlakte speelt,” zegt ze. “En ze hebben doorgaans niet geleerd daarmee om te gaan. Juist binnen de antroposofie zouden hiervoor trainingen moeten komen. Er is een verwachting dat je de hele tijd beschikbaar bent. Je wordt geacht altijd mee te vergaderen, altijd compassie op te brengen.”
“Je hangt een beetje uit jezelf,” noemt Jet Nijhuis het, inmiddels gepensioneerd en volgens eigen zeggen zonder reserve-energie uit het vrijeschoolonderwijs gekomen. “Je zit altijd aan de sympathiekant. Dat moet ook wel, anders vang je de signalen van de kinderen niet op. Maar dan krijg je bijvoorbeeld te maken met problematische kinderen en lastige ouders en er is niemand die tegen die ouders zegt: ‘Nu is het klaar, ben je nou helemaal gek…!’ Niemand die even in de antipathie gaat zitten. Dat gebeurt in het reguliere onderwijs eerder. Nee, wij gaan nog eens drie uur lang met zo’n ouder zitten praten. Alleen al het eindeloze e-mailverkeer tussen ouders en leerkrachten is dodelijk vermoeiend.”
…maar niet kwetsbaar
Kwetsbaarheid tonen, toegeven dat iets niet lukt, lijkt ook extra moeilijk in deze omgeving. “Als je je bijzonder voelt, is dat leuk,” zegt Krop, “maar het kan je ook nekken. Want je moet altijd maar bijzonder zijn. We hebben allemaal wel onze mindere kanten, maar relativeren, erom lachen met een gezonde dosis zelfspot is er niet bij.”
Hooggevoelige mensen zouden juist eerder aan de bel moeten trekken en hulp vragen als ze die nodig hebben. Maar: “Er ligt een taboe op iets niet goed kunnen of het niet volhouden,” verklaart Frouke Beekman, ook als een vrijeschooldocent overspannen raakt. “De houding is: je mag in je handjes knijpen dat je in zo’n fijne omgeving kunt werken! De andere kant daarvan is dat er ook heel veel gevraagd wordt. Je moet alles kunnen, terwijl het natuurlijk toch zo is dat de één goed is in planning en de ander niet. De één kan prima ruzietjes op het schoolplein oplossen, een ander kost dat enorm veel energie. Als je durft opengooien dat ieder zijn kwaliteiten heeft en niet meer verwacht dat je alles perfect moet kunnen, wordt het gezonder en kan de lat wat omlaag.” De antroposofie is een gesloten wereldje, vindt Beekman. Als je laat merken dat je kritiek hebt op de gang van zaken, snap je het nog niet goed, of dan hoor je er niet bij. “Er zijn altijd mensen in een team die zeer overtuigd zijn van hun antroposofische gelijk en een stempel drukken op de hele sfeer: zo moet het, want zo hebben we het altijd gedaan en zo heeft Steiner het bedoeld. Terwijl ik zelf als vrijeschoolkind juist geleerd had alles te onderzoeken en van verschillende kanten te bekijken’.
Gebrek aan steun
“Van de directeur van een vrijeschool kreeg ik de vraag voorgelegd hoe komt het dat wij zo’n hoog ziekteverzuim hebben?” zegt Ramses van Hees, bedrijfsarts en consultatief antroposofisch arts. “Mijn antwoord was dat vrijescholen een bepaald type mensen aantrekken: idealistisch, begaan, zoekend, vaak hooggevoelig – maar de infrastructuur om speciaal deze mensen te begeleiden is er niet.” “Ik ben niet begeleid,” beaamt Nijhuis. “En ik zag het bij anderen ook. Van mensen die heel hard werken wordt snel gedacht dat ze het zelf wel afkunnen. Of er is wel inhoudelijke begeleiding, niet in de zin van: let je een beetje op jezelf? Zorg voor elkaar is er nauwelijks. En daar begint het mee. Als je waarneemt dat een collega het niet redt: kaart het aan, kijk hoe je kunt ondersteunen. Er zou veel meer intervisie en supervisie moeten zijn.”
Meer Sophia, minder Michaël
Van Hees vindt dat de hele antroposofie een patriarchaal tintje heeft meegekregen van Steiner. “Het monomane branden voor een ideaal, er dag en nacht voor strijden, is een extreem mannelijke eigenschap, weet ik uit eigen ondervinding. Je zou er ook zwanger van kunnen zijn, het laten wortelen in de aarde. Je netwerk verzorgen, anderen ondersteunen, knuffelen masseren: dat zijn meer vrouwelijke kwaliteiten.” Het heeft te maken met mysteriestromingen, legt hij uit, en de vraag of je in de bewustzijnsstroom staat of in de aardeomvormingsstroom. “De scholingsweg die Steiner heeft ontwikkeld, is sterk gekleurd door zijn mysteriestroming, op het bewustzijn gericht. Hij heeft de vrouwelijke kwaliteiten veel minder geleefd. Om het boud te formuleren: hij is zelf overleden aan een burn-out. En symboliseert het afbranden van het eerste Goetheanum niet het afbranden van het fysieke lichaam?” Het afwijzen van de vrouwelijke kwaliteiten en het verheerlijken van de scholingsweg van Steiner ziet hij als probleem van veel antroposofen. “Als we deze schijntegenstelling niet in ons bewustzijn oplossen, wordt het karma. En dat kan burn-out zijn.”
eerder teleurgesteld. Daarnaast trekt een idealistisch beroep meer hoog-sensitieve persoonlijkheden aan: “Die nemen meer dan gemiddeld waar van wat onder de oppervlakte speelt,” zegt ze. “En ze hebben doorgaans niet geleerd daarmee om te gaan. Juist binnen de antroposofie zouden hiervoor trainingen moeten komen. Er is een verwachting dat je de hele tijd beschikbaar bent. Je wordt geacht altijd mee te vergaderen, altijd compassie op te brengen.”
====
Een laag ziekteverzuim en geen burn-out
In mijn optiek is dit artikel wat negatief van toon en polariserend (twee kampen en vrijeschool versus regulier). Ik kan de redenering wel volgen: idealisten die dit soort onderwijs zoeken, perfectionisten, hoog gevoeligheid, slechte begrenzing en dergelijke. Dat leerkrachten vanuit hun ik-kracht werken volgens de antroposofen, geldt echter ook voor de leerkrachten van reguliere scholen zou ik denken, alleen die benoemen het niet zo. Als ik het bij mij op de scholen bekijk en concreet vertaal: wij hebben een laag ziekteverzuim en geen burn-out. Als er iemand om die reden uitvalt, is dit meestal een gevolg van de combinatie problemen thuis en de zware baan in het onderwijs. Dan is steun nodig: een team dat elkaar ziet en ingrijpt als het iemand teveel wordt. En een duidelijke organisatie en leiding die hierop stuurt die aandacht geeft. Ook is een hygiënische omgang met elkaar van belang: goed feedback geven, respect hebben voor elkaar en elkaars verschillen. En regelmatig opdoen van inspiratie door uitwisseling van kennis en ervaringen, met elkaar en andere scholen bijvoorbeeld. Dat is nodig om in balans te blijven. Helemaal in een vrijeschool, omdat hier inderdaad persoonlijke waarden zich kunnen vermengen met de taak die je hebt als leerkracht. Dat kan de kracht zijn van het onderwijs, maar ook de kwetsbaarheid.
Marin van Wijnen, directeur Zeister Vrije School
Structuur biedt houvast
Mooi om hier in Motief aandacht aan te geven. De trend is wel dat vrijescholen steeds beter scoren. De vrijescholen maken juist op dit moment een slag van het steunen op ik-krachten naar het steunen op wij-krachten. Daarbij biedt structuur dus juist houvast. Gezond in je werk staan is gezond met je eigen tijd om gaan. Samen met collega’s verantwoordelijkheid dragen. Je gezien weten door collega’s en je directeur. En als team realistisch zijn in wat je kunt bieden. Signaleren, ondersteunen en ingrijpen voor het te laat is. Niet aanmodderen. Functionerings-en beoordelingsgesprekken voeren. Allemaal heel vanzelfsprekend en het werkt! In 2011 hadden onze 7 scholen gezamenlijk nog 12 procent ziekteverzuim. In 2014 is dat gedaald naar 3,75 procent. Gemiddeld is het ziekteverzuim in het onderwijs in Nederland 6,7 procent.
Is het probleem echt zoveel groter in vrijescholen dan op andere scholen? Zijn daar cijfers over of is het slechts een gevoel? De toenemende regel- en administratieve druk wordt als één van de oorzaken genoemd. Echter in de jaren vóór de regeldruk raakten ook aardig wat vrijeschoolleerkrachten burn-out, misschien wel meer dan nu. En is het echt zo dat idealisten gevoeliger voor burn-out zijn dan anderen? Trekken idealistische beroepen écht meer HSP-ers aan? En de scholingsweg zou niet iets voor vrouwen zijn? Er zijn zeer veel manieren om die weg te volgen. Aan de andere kant herken ik ook veel van wat de schrijfster optekent. Ons onderwijs vraagt veel van leerkrachten, het is belangrijk dat directeuren aandacht hebben voor de vitaliteit van hun medewerkers (overigens zie ik relatief meer directeuren dan leerkrachten in burn-out raken). Ik zie ook dat leerkrachten elkaar niet bepaald helpen om wegen te vinden om met dit vraagstuk om te gaan. Er zijn veel mores over wat je als vrijeschoolleerkracht hoort te doen. Als je vitaal in je werk wilt staan, draait naar mijn mening alles om de volgende elementen: de stevigheid om jezelf en anderen te begrenzen, de drive om plezier, zingeving en flexibiliteit in je werk te organiseren en ten slotte een gezond lichaam en gezonde thuissituatie.
Wim den Blanken, directeur vrijeschool De Kleine Johannes in Deventer
[1]
Herstellen en voorkomen van Burn-out. Als een fenix uit de as, geschreven door Annejet Rümke
Dit artikel van dokter Aart van der Stel heeft mij veel inzicht verschaft in bepaalde situaties in mijn vrijeschoolleven.
Het lijkt me nog altijd actueel, ook al werd het in de jaren 1980 geschreven. Dit artikel van dokter Aart van der Stel heeft mij veel inzicht verschaft in bepaalde situaties in mijn vrijeschoolleven.
Het lijkt me nog altijd actueel, ook al werd het in de jaren 1980 geschreven.
.
Aart van der Stel, huisarts, in “Jonas’, nr. onbekend
.
Afgeknapt uit onvermogen in het hier en nu te leven
.
Het burnt out-syndroom bij leerkrachten
.
Doen wat er op dit moment aan de orde is, het is een van de sleutelbegrippen als het om gezond zijn en blijven gaat. Dat klinkt heel simpel, maar ga d’r maar aanstaan in de praktijk… Bijvoorbeeld als je leraar bent.
Het valt mij op dat er veel leraren zijn die zich ziek voelen of bang zijn om ziek te worden. Het vervangprobleem is groot. Veel leerkrachten ervaren hun beroep als (te) zwaar. Vakanties zijn broodnodig om ‘het weer aan te kunnen’. Sommige verplichtingen zoals de leraarsvergadering – over andere activiteiten kan ik niet oordelen – kan men niet nakomen.
Op zichzelf is er niets tegen ziek zijn. Ziek zijn is een manier om beter te worden, niet alleen als leerkracht, maar als mens. Ziekte dient met enige eerbied en terughoudendheid bejegend te worden. In het ziek zijn wordt een mogelijkheid geboden om in te grijpen in de biografie en te veranderen, te verbeteren en rijker te worden. Dat is het ‘betere’ van de genezing. Wil je echt beter worden, dan moet je hard werken. Wanneer je het ziek zijn beëindigt zodra het bestaan weer enigszins draaglijk geworden is, en niet tot het einde gegaan bent, dan leg je daarmee de basis voor een nieuwe ziekte. De beker moet geheel geleegd worden. Daarover straks. Eerst de vraag: waarom wordt een mens eigenlijk ziek?
Binnen en buiten Een mens functioneert tussen twee uitersten: tussen enerzijds de buitenwereld om hem heen en anderzijds de ‘binnenwereld’, de eigen wilsimpulsen, dat wat helemaal ‘ik’ is. De buitenwereld omvat alles wat je om je heen kunt waarnemen, stoffelijk en onstoffelijk. Dus niet alleen de natuur, onze medemensen (leerlingen en hun ouders bijvoorbeeld) en de cultuur waarin wij leven, maar ook de ideeën en idealen die voortkomen uit die cultuur, uit onze opvoeding of onze wereldbeschouwing. Wij baden, zo niet verdrinken in de voorstellingen, idealen en verwachtingen waaraan wij moeten voldoen als mens, partner, leerkracht, ouder enzovoort. Die voorstellingen zijn allemaal opgeslagen in het geweten, dat een samenstel is van allerlei bewuste, half- en niet-bewuste geboden en verboden, idealen en voorstellingen welke ooit in ons zijn verankerd. Het gevolg is dat we van onszelf moeten voldoen aan een hele reeks verwachtingen en dat valt niet altijd mee. In dit verband heeft ‘buiten’ alles te maken met ‘zoals het nu eenmaal is…’, met de geworden wereld die in het verleden is ontstaan. Over ‘binnen’ kun je alleen maar spreken in omschrijvende termen als ‘mijn diepste zelf’, ‘ik’, ‘dat wat bij mij hoort’ etcetera. ‘Binnen’ heeft te maken met het lot, met je karma. Het is het antwoord op de vraag ‘Wat is nu zo typisch voor mijn leven, wat herken ik als echt van mijzelf?’ ‘Binnen’ uit zich in de plotselinge opwelling, de gedrevenheid die je, soms tot je eigen verbazing voelt ten aanzien van bepaalde zaken als interesses, liefdes of je toekomstverwachting.
Gezondheid Als het goed is, is de mens in staat om binnen en buiten, oftewel toekomst en verleden tijd, met elkaar in evenwicht te brengen en te houden en daardoor in het hier en nu te leven. Daar hoort een andere gemoedstoestand bij dan bij verleden en toekomst. In het heden gaat het erom dat je wakker bent voor wat er op dit moment met je gebeurt. Wat zie, hoor en voel ik nu? Wat zou ik nu willen doen? Ziek word je daarentegen, wanneer je je geheel laat bepalen door dat wat er van je verwacht wordt. Buiten is dan de belangrijkste auteur van je biografie. Je wordt óók ziek, wanneer je je eigen intenties, dat wat alleen voor jou belangrijk is, als enige maatstaf neemt voor je activiteiten. Geplaatst in het licht van de tegenstelling ziekte-gezondheid is ziekte dus een onvermogen om binnen en buiten met elkaar te verzoenen en gezondheid het vermogen om in het heden te leven. Het sleutelwoord bij het onderhouden van die gezondheid is ‘aanwezigheid’. Het is niet gemakkelijk om aanwezig te zijn in het heden. Om je als leraar niet te laten afleiden door allerlei eisende en zorgvragende ouders enerzijds en hoge pedagogische idealen anderzijds en om ‘gewoon’ te ervaren wat de kinderen je laten zien. Anders gezegd: om te zien wat er te zien is, in plaats van te kijken om te zien wat je geacht wordt te zien. Alleen aanwezig te zijn en te kijken is echter niet genoeg: het zijn slechts voorwaarden om tot inzichten te komen. Al kijkend en onvoorwaardelijk waarnemend kan je ‘opeens’ iets invallen, waardoor je als het ware achter de waarneming kunt kijken. De antroposofie noemt dergelijke invallen imaginaties. Overigens doen imaginaties zich vaker voor dan het lijkt. Ze zijn het resultaat van het onvoorwaardelijke kijken, de innerlijke arbeid die je verzet om niet te zien wat je zou willen zien. Dergelijke invallen heeft iedereen van tijd tot tijd. Het interessante is nu, en ook dat kan iedereen ervaren, dat je van het bewust worden van zo’n imaginatie op een prettige manier opgewonden en enthousiast kunt worden. Het geeft energie, prikkelt je tot het vormen van ideeën. Met die energie ben je werkzaam in je klas; kinderen leven van de imaginaties van hun leerkrachten. Het nastreven van idealen die je van de buitenwereld hebt geleend (en die je je dus nog niet eigen hebt gemaakt) kost echter juist energie. In ideeën die je pet te boven gaan, bijvoorbeeld dat het goed is voor het kind dat het rechtshandig leert schrijven, moet je eerst energie investeren om ze je enigszins eigen te maken. Het is te vergelijken met het leerproces van leerlingen: voor ze sommen met breuken onder de knie hebben, moeten ze eerst flink ploeteren.
Energie Een behoorlijke huishouding beweegt zich tussen inkomsten en uitgaven. Alleen uitgeven gaat maar een beperkte tijd goed: Op een bepaald moment moeten er ook inkomsten tegenover staan, anders ontstaan er grote problemen. Zo is het ook met energie. Er is dus niets op tegen om je als leraar bezig te houden met de vaak moeilijke teksten van Steiner, zolang dat maar in evenwicht gehouden wordt door eigen ervaringen, en door enthousiasme voortgebracht door eigen activiteit. Je kunt met de teksten van Steiner zo omgaan dat ze in je eigen groeiproces fungeren als herkenningspunt. Daardoor kan een bepaalde zinsnede plotseling op zijn plaats vallen. Ineens, eigenlijk ook weer als een imaginatie, doorzie je nog dieper de betekenis van je ervaringen. Ideaalbeeld en werkelijke belevenis sluiten op zo’n moment op elkaar aan. Hoe kunnen collega’s ervoor zorgen dat er een sfeer van wederzijdse gezondheidsbevordering ontstaat? Hoe zou je het bovenstaande bijvoorbeeld in de groep van leerkrachten, de collegevergadering, kunnen toepassen? Het woord ‘college’ houdt duidelijk iets gemeenschappelijks in. Dat uit zich ook in hetgeen er in de collegevergadering besproken wordt. Ruwweg vallen daarbij twee aandachtsgebieden te onderscheiden: schoolaangelegenheden (‘punten’ en kinderbesprekingen) en bezinning op het ideeëngoed van de vrijeschoolpedagogiek (inhoudelijk deel). Het eerste gebied komt overeen met dat wat ik eerder als ‘buiten’ typeerde, het tweede met wat ik ‘binnen’ noemde. Wat echter maar heel summier aan de orde komt is dat wat zich tussen binnen en buiten beweegt: het ontwikkelen van bewustzijn ten aanzien van het eigen functioneren, het waarnemen van de andere collega’s én het daarover op een prettige, opbouwende manier communiceren. Dat is het gebied waar we elkaar in het sociale leven gezond kunnen maken. Juist dit gebied dreigt echter voortdurend te worden ingepikt door ‘binnen’ en ‘buiten’. Als de lerarenvergadering werkelijk het hart van de school is dan moet daarin alles wat de leraren ter harte gaat aan de orde kunnen komen.
Vertrouwen Dat gaat niet echter zomaar. Allereerst moet er vertrouwen zijn. Vertrouwen is de basis voor elke menselijke relatie; door wantrouwen wordt elke relatie tot een uitputtingsslag. Als ik dus zeg dat ik iets moeilijk vind, niet kan of niet wil, dan moet dat niet tegen mij gebruikt worden. Hoogstens kan het dienen om samen met de gesprekspartner te kijken hoe een eventuele oplossing er uit zou kunnen zien. Een essentiële voorwaarde voor vertrouwen is het toelaten van de ontdekking dat je iets moeilijk vindt en ook dat je het moeilijk vindt om dat toe te geven. Het vergt nogal wat om voor jezelf toe te geven dat je niet zo geweldig bent als je wel gehoopt had. Gewoon zijn wie en wat je bent en daar bewustzijn over ontwikkelen is moeilijk maar wel een eerste voorwaarde voor innerlijke groei.
Innerlijke groei moet je jezelf gunnen. Innerlijk en uiterlijk moet er ruimte voor gemaakt worden. Een van de grote trucs om niet aan innerlijke groei te hoeven werken is “het te druk hebben”. “Geen tijd om na te denken” maakt weliswaar veel indruk op de buitenwereld, maar leidt wel tot verschraling van de ervaring van de eigen persoonlijkheid. Innerlijk gecreëerde ruimte kan je gebruiken voor je eigen innerlijke ontwikkeling. Daarnaast om iemand anders (partner, collega, leerling) in jezelf toe te laten. Iemand in jezelf toelaten noemen we interesse. Zonder interesse is het niet mogelijk om een helpende rol te spelen in de biografie van een ander. Een ander kan alleen ten volle in jezelf aanwezig zijn als hij helemaal zichzelf mag zijn. Dat vergt een grote mate van objectiviteit. Zodra iemand op weg naar ons innerlijk allerlei vooroordelen ontmoet kan er van een echte interesse geen sprake meer zijn. Het beroep van leerkracht is een zwaar beroep, niet in het minst door de grote maatschappelijke druk (ouders die scheiden, het toenemend geweld) waaronder leerkrachten moeten functioneren. Het werk kan alleen gedaan worden – en dat ook op langere termijn- wanneer leerkrachten zichzelf en elkaar gezond houden. Dat gaat niet vanzelf. Er zijn allerlei (intra) persoonlijke weerstanden, of, zoals de antroposofie ze noemt, tegenkrachten. We moeten ons er goed van bewust zijn dat die krachten niet van buitenaf komen, maar in ons ontstaan en aanwezig zijn. De ondermijning van het schoolleven komt van binnenuit en niet van buitenaf.