VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 297A – voordracht 4

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: vspedagogie  voeg toe apenstaartje gmail punt com

 

RUDOLF STEINER

GA 297A

ERZIEHUNG ZUM LEBEN

OPVOEDING VOOR HET LEVEN 

5 voordrachten, een autoreferaat, 2 vragenbeantwoordingen, en een krantenverslag tussen 24 febr. 1921 en 4 april 1924 in verschillende steden. [1]

Inhoudsopgave  voordracht [1]  [2]  [3]  [5]  [6]
vragenbeantwoording bij voordracht 1    vragenbeantwoording 2

DAS ÜBERSINNLICHE IN MENSCH UND WELT

Voordracht 4, Rotterdam 1 november 1922

Blz. 113

Zuerst muß ich Sie um Entschuldigung bitten, daß ich nicht in der Lage bin, die folgenden Auseinandersetzungen heute abend in der Sprache dieses Landes zu geben. So bitte ich Sie, dieselben in der mir gewohnten Sprache entgegennehmen zu wollen.
Nun, jeder Unbefangene und jeder, der mit wachem Verstand und auch mit wachem Herzen das Leben der Gegenwart miterlebt, der fühlt ja, daß wir uns heute in einer Zeit befinden, welche dem Menschen herbe Hindernisse in den Weg legt. Die Zeiten sind schwierige geworden. Allein, man würde doch fehlgehen, wenn man meinte, daß man die Ursachen zu den heutigen Zeitschwierig­keiten allein in der äußeren Welt suchen soll. Dasjenige, was in der äußeren Welt – namentlich insofern diese äußere Welt aus den Handlungen der Menschen selbst sich zusammensetzt – uns entgegentritt, hat seine Wurzeln zuletzt doch in den Tiefen der menschlichen Seele. Man sieht es nur nicht immer, wie dem Men­schen die Kraft, die Zuversicht, die Tüchtigkeit und namentlich die Übersicht über das Leben dahinschwinden, wenn er nicht aus den geistig-seelischen Untergründen seines Wesens heraus eine Lebens­auffassung sich bilden kann, die ihm als solche innere Kraft gibt.

Het spirituele in mens en wereld

Allereerst mijn verontschuldigingen dat ik niet in staat ben de komende voordracht van vanavond in de taal van dit land te geven. Dus vraag ik u die in de taal die ik gewend ben te spreken, te willen beluisteren. 
Iedereen die onbevangen is en iedereen die met een wakker verstand en ook met een wakker hart meeleeft met het leven van tegenwoordig, voelt dat wij nu in een moeilijke tijd leven met veel problemen. Het zijn zware tijden geworden. Maar je zou er toch naast zitten, als je denkt dat je de oorzaak van de tijdsproblemen alleen in de uiterlijke wereld moet zoeken. Wat we in de uiterlijke wereld tegenkomen – voor zover deze uiterlijke wereld er door het doen en laten van de mens zelf is gekomen – vindt uiteindelijk zijn oorsprong in de diepere lagen van de menselijke ziel. Je ziet echter niet altijd hoe de mens de kracht, het positieve vertrouwen, de inzet en vooral het zicht hebben op het leven, kwijtraakt, wanneer hij niet vanuit zijn eigen spiritueel-psychische wezenskern een levensovertuiging kan vormen die hem van binnen kracht geeft. 

Wie gesagt, man macht sich das nicht immer klar, namentlich deshalb, weil man nicht weiß, wie selbst die physischen Kräfte des Menschen, die wir in der äußeren Welt anwenden, zuletzt abhängig sind von dem, was als seelisches Leben unseren ganzen Menschen durchwellt und durchrieselt. Daher muß es demjenigen, dem daran liegt, daß wir in den weiten Umkreisen unserer gegenwärtigen Zivilisation – denn auf einzelne enge Gebiete kommt es dabei nicht an – zu einem aus freudigem Menschenherzen herauskommenden Aufstieg kommen, dem muß es darum gehen, Einkehr zu halten in das menschliche Seelenleben, zu fragen, wie diesem aus tiefstem Inneren heraus Kräfte zur Arbeit, Kräfte zur Umschau im Leben,

Zoals gezegd, dat is niet altijd even duidelijk, en wel omdat men niet weet hoe zelfs de fysieke krachten van de mens  die we in de uiterlijke wereld gebruiken, uiteindelijk afhankelijk zijn van wat er in het gevoelsleven van alle mensen opborrelt, wat zijn gevoelsleven beroert. Vandaar dat het voor iemand die er veel aan gelegen is dat wij op een breed terrein van onze huidige beschaving – want om een paar afgeperkte deelgebiedjes gaat niet – met enthousiasme vanuit ons hart de weg omhoog vinden, het er voor zo iemand om moet gaan dat we over het gevoelsleven van de mens nadenken, dat we vragen hoe vanuit het diepste innerlijke leven er kracht te halen is voor het werk, om weer het overzicht te krijgen, 

Blz. 114

Kräfte überhaupt erwachsen können, um die Lebenswege in ent­sprechender Weise gehen zu können.
Und wenn wir den eigentlich heute vielen Menschen unbewuß­ten Konflikt ins Auge fassen wollen, so tritt uns dieser doch in der Art und Weise des Widerstreits entgegen, wie sich einerseits für unseren Kopf, andererseits vor allem für unser Herz ausnimmt, was wir an Erkenntnissen, an Eindrücken aus der seit einer Reihe von Jahrhunderten groß gewordenen naturwissenschaftlichen Welt­anschauung gewinnen können. Diese naturwissenschaftliche Weltanschauung hat Triumphe über Triumphe gefeiert, hat das ganze moderne Leben umgestaltet. Alles, was uns in der Außenwelt heute entgegentritt, namentlich wenn wir in Städten wohnen, ist ja ein Ergebnis des heutigen naturwissen­schaftlichen Denkens, wie es sich seit Jahrhunderten entwickelt hat.
Aber diesem naturwissenschaftlichen Denken steht ein anderes gegenüber, dasjenige, was aus den Bedürfnissen der Menschenbrust, ja, des ganzen Menschen hervorgeht als die moralische, als die reli­giöse Weltauffassung des Menschen. Wenn wir uns ein wenig in der Menschheitsentwicklung umschauen, dann mussen wir uns sagen:

dat er vooral kracht ontstaan kan om tegen het leven opgewassen te zijn.
En wanneer we het conflict waarvan veel mensen zich eigenlijk niet bewust zijn, onder ogen willen zien, doet zich dat toch voor als een soort strijd tussen wat het enerzijds voor ons hoofd en vooral anderzijds voor ons hart betekent wat we al sinds een paar eeuwen achter elkaar aan kennis, aan indrukken kunnen halen uit de groot geworden natuurwetenschappelijke wereldbeschouwing.
Deze natuurwetenschappelijke wereldbeschouwing heeft triomf na triomf gevierd, het hele moderne leven is erdoor veranderd. Alles wat we in de buitenwereld zien, vooral als we in de stad wonen, is het resultaat van het moderne natuurwetenschappelijk denken, zoals dat zich al eeuwen ontwikkeld heeft.
Maar tegenover dit natuurwetenschappelijk denken staat iets anders en dat komt uit de behoefte van de menselijke ziel, ja uit de hele mens, een behoefte aan de morele, religieuze wereldbeschouwing over de mens. Wanneer we eens een ogenblik naar de mensheidsontwikkeling kijken, moeten we zeggen

Je weiter wir zurückgehen in dieser Menschheitsentwicklung, desto mehr finden wir, daß in älteren und immer älteren Zeiten der Mensch alles, was er glaubte zu wissen, aus einer moralischen, aus einer religiösen Weltanschauung herleitete. Wenn er hinausblickte in die Natur, so glaubte er hinter den Naturerscheinungen überall leitende und lenkende geistige Wesenheiten wahrzunehmen. Und wenn er den Blick hinaufrichtete zu den Sternen, glaubte er die Formung der Sterne, die Bewegung der Sterne gelenkt und geleitet von göttlich-geistigen Wesenheiten. Und wenn er hineinblickte in seine eigene Seele, hineinblickte überhaupt in sein eigenes Wesen, dann dachte er sich, daß diese göttlich-geistige Lenkung und Lei­tung sich fortsetzt; er nahm an, daß, wenn er selbst nur einen Arm bewegte, wenn er einen Gang machte im alltäglichen Leben. eigentlich die göttlich-geistigen Lenker in ihm tätig seien.
Eine Naturanschauung, wie wir sie heute in solcher Größe vor uns haben, hatte der ältere Mensch eigentlich nicht. Das tritt uns ja

hoe verder we daarin teruggaan, des te meer vinden we dat in oudere en nog oudere tijden de mens alles wat hij dacht te weten, uit een morele en religieuze wereldbeschouwing haalde. Wanneer hij naar de natuur keek, meende hij achter de natuurverschijnselen overal leidende en sturende geestelijke wezens waar te nemen. En wanneer hij de blik richtte op de sterren, geloofde hij dat het ontstaan van de sterren en hun beweging gestuurd en geleid werd door goddelijk-geestelijke wezens. En als hij naar zijn eigen ziel keek, eigenlijk naar zijn hele wezen, dacht hij dat deze goddelijk-geestelijke leiding en sturing zich verder uitstrekt; hij nam aan dat wanneer hij zelfs maar een arm bewoog, wanneer hij in het dagelijks leven een wandeling maakte, dat deze goddelijke-geestelijke leiders ook in hem werkten. 
Een wijze van naar de natuur kijken zoals wij die tegenwoordig in alle grootsheid hebben, had de oudere mens eigenlijk niet. Dat wordt ons

Blz. 115

an mancher Einzelheit so gewaltig anschaulich entgegen. Denken Sie zum Beispiel daran, welch enge Verbindung in älteren Zeiten für den menschlichen Gedanken bestand zwischen der Krankheit, ja dem Tode, und demjenigen, was man Sünde nannte. Man glaubte, daß allein aus moralischen Untergründen heraus der Mensch krank werden könne. Man glaubte insbesondere in älteren Zeiten, daß der Tod über das Menschengeschlecht aus einer Ursünde heraus ver­ hängt war. Überall, wo man hinsah, sah man nicht in unserem heu­tigen Sinne Naturerscheinungen, man sah das Walten und Wirken göttlich-geistiger Mächte, deren Gebiet im Menschengeschlechte selber die moralische Weltanschauung ist und zu denen man das Herz, zu denen man das Gemüt hinlenkte, wenn man sich selber fühlen wollte in seinem geistig-ewigen Wesenskern, im Schoße des Göttlichen der Welt.
Neben dieser moralisch-religiösen Weltanschauung hatte man keine Naturanschauung. Und in der Gegenwart hat der Mensch eigentlich nur noch als seine moralische, als seine religiöse Welt­anschauung Reste desjenigen, was ihm aus alten Zeiten überkom­men ist, in denen einzig und allein eine moralisch-religiöse Welt-ansicht da war, ohne Naturanschauung.

aan sommige details heel duidelijk. Bijv. dat er in de oudere tijden in het menselijk denken een nauw verband bestond tussen ziekte, zelfs de dood en wat men zonde noemde. Men was van mening dat een mens alleen maar ziek kon worden door iets wat uit de morele diepte van zijn wezen kwam. In die oude tijden geloofde men vooral dat de dood als straf voor een oerzonde over het mensengeslacht was gekomen. Overal waar men keek, zag men geen, zoals wij nu,  natuurverschijnselen, men zag het heersen en werken van goddelijk-geestelijke machten en in het mensengeslacht is hun terrein de morele wereldbeschouwing en naar hen moet het hart, het gevoel uitgaan om zichzelf te beleven in zijn goddelijk-geestelijke wezenskern, in de schoot van de geestelijke wereld.
Naast deze moreel-religieuze wereldbeschouwing bestond er geen natuurbeschouwing. In de tijd van nu heeft de mens eigenlijk alleen nog maar als zijn morele, als zijn religieuze wereldbeschouwing de overblijfselen van wat er uit die oude tijden bewaard gebleven is, wat enkel en alleen bestond uit een moreel-religieuze wereldopvatting, is zonder natuuropvatting.

Heute stehen wir vor einer großartig entwickelten Naturan­schauung, und wir haben den Menschen einbezogen in diese Natur-anschauung; das 19. Jahrhundert hat namentlich darüber nachden­ken gelernt, wie der Mensch aus natürlichen Untergründen heraus gebildet wird, wie er sich allmählich aus niederen tierischen Formen herauf entwickelt hat. Das 19. Jahrhundert – und auch in einer noch vollkommeneren Weise jetzt schon der Anfang des 20. Jahrhunderts – hat darüber nachdenken gelernt, wie das, was wir in unseren Glie­dern tragen, unsere Lebenstüchtigkeit, im Grunde genommen die natürliche Folge der Vererbung ist. Den Menschen selbst hat die neuere Zeit in die Naturordnung hineingestellt. Überall erblicken wir Naturgesetzlichkeiten, die wir nicht verbunden denken können mit irgendwelchem Moralischen.
Die Art und Weise, wie die Pflanzen wachsen, wie Elektrizität und Magnetismus durch die Naturvorgänge wirken, wie die Entwicklung

Tegenwoordig hebben we een groots ontwikkelde natuuropvatting en we hebben de mensen meegetrokken in deze natuurbeschouwing: de 19e eeuw heeft vooral leren nadenken over hoe de mens vanuit de natuur gevormd wordt, hoe hij zich stap voor stap uit lagere diersoorten heeft ontwikkeld. De 19e eeuw – en ook op een nog veel volmaaktere manier nu al het begin van de 20e – heeft erover leren nadenken dat wat wij in onze ledematen met ons meedragen, dat we opgewassen zijn tegen het leven, in de grond van de zaak het vanzelfsprekende gevolg is van de erfelijkheid. De nieuwere tijd heeft de mens zelf een plaats gegeven in de natuurorde. Overal zien we natuurwetten die we niet verbonden kunnen denken met wat voor vorm van moraliteit dan ook.
De manier waarop planten groeien, hoe elektriciteit en magnetisme in de natuurprocessen werken, hoe de ontwikkeling 

Blz. 116

der Tiere, ja, wie die physische Entwicklung des Men­schen geschieht: in alles dasjenige, in das die Naturwissenschaft solche Klarheit gebracht hat, können moralische Gedanken zu­nachst nicht hineingebracht werden. Und wenn der Mensch auch seine innige Freude, sein tiefes Behagen, ja in gewisser Beziehung eine ästhetische Hingabe an die Natur haben kann: religiöse Hinga­be an die Weltordnung kann er insbesondere gegenüber derjenigen Natur nicht haben, die ihm heute die Wissenschaft vor Augen stellt. Und so ist der moderne Mensch dazu gekommen, das Wahre, das Seiende, dasjenige, was allein Wirklichkeit hat, in der Natur zu sehen. Aber in seiner Brust kämpft sich dennoch der Drang nach moralischer Weltordnung herauf, kämpft sich das innige Bedürfnis herauf, mit etwas zusammenzuhängen, was als Übersinnliches allem Sinnlichen in der Natur gegenübersteht, ringt sich der Drang her­auf, religiös empfinden zu können gegenüber Mächten, welche nicht aus der Naturgesetzlichkeit heraus zu den Menschen sprechen können. Und immer mehr und mehr wird dieser moderne Mensch irre daran, die alten Traditionen aus einer moralischen, aus einer religiösen Weltansicht beizubehalten; immer mehr und mehr findet er sie im Widerspruch mit dem, was eine neuere Naturanschauung gibt.

van de dieren, zelfs de lichamelijke ontwikkeling van de mens verloopt: in  alles waarin de natuurwetenschap zo’n opheldering heeft gebracht, kan je geen morele gedachten leggen. En ook al voelt de mens zich in de natuur intens gelukkig, vindt hij het er heerlijk, kan hij zich er op een bepaalde manier in een schoonheidsbeleving aan overgeven:  zich in het bijzonder religieus overgeven aan de wereldorde kan hij niet in de natuur zoals de huidige wetenschap hem die voor ogen stelt.
En zo kwam de moderne mens ertoe alleen de werkelijkheid, de waarheid, het wezenlijke in de natuur te zien. Maar in zijn ziel dringt zich desondanks het verlangen naar een morele wereldorde op, dringt de innerlijke behoefte zich op om met iets samen te hangen, met wat als het spirituele de tegenhanger is van al het zintuiglijk zichtbare in de natuur; dringt het verlangen zich op om religieus de machten te kunnen ervaren die niet tegen de mensen kunnen spreken uit de natuurwetten. En de moderne mens raakt steeds meer het spoor bijster als hij de oude tradities vanuit een morele, een religieuze wereldbeschouwing wil bewaren; steeds vaker vindt hij die in tegenspraak met wat de nieuwere natuurbeschouwing aandraagt. 

So steht der heutige Mensch da im Zwiespalt, indem er hin­sieht auf die Welt, die ganz von Naturgesetzen durchwoben ist, die ihren Anfang aus Naturgesetzen genommen hat, die seiner Hypo­these nach ihr Ende nach Naturgesetzen nehmen muß.
Und darüber steht dasjenige, von dem er sagt, daß es ihn eigent­lich erst zum Menschen mache; darüber steht das moralische Emp­finden, darüber steht diereligiöse Hingabe. Und der Mensch steht da mit seiner bangen Rätselfrage des Daseins: Bin ich imstande, demjenigen, was ich aus meinem moralischen Sinn herausbringe, eine Realität zu geben, da die Natur ihm keine Realität gibt? Bin ich imstande, meinen religiösen Sinn nach etwas zu wenden, dem er zu­streben kann in Wahrheit und Ehrlichkeit, da dieser Sinn demjeni­gen, was nur als Naturgesetzlichkeit ihm entgegentritt, sich nicht zuwenden kann?
So kommt sich dieser Mensch vor, wie wenn seine moralischen

De mens van nu bevindt zich in een spagaat als hij naar de wereld kijkt die helemaal vol zit met natuurwetten, die door natuurwetten is begonnen en die naar verwachting ook volgens natuurwetten zal ophouden te bestaan.
En daar bovenuit gaat iets waarvan hij zegt dat hem dat pas tot mens maakt; daar bovenuit gaat zijn morele beleving, zijn religieuze toewijding. En de mens staat daar met zorgelijke vragen over het bestaan: ben ik in staat wat ik vanuit mijn morele stemming naar buiten breng, te verwezenlijken nu de natuur de mens die realiteit niet biedt? Ben ik in staat mijn religieuze stemming op iets te richten dat ik in waarheid en eerlijkheid kan nastreven, nu ik deze stemming  niet kan richten op wat alleen als natuurwet voorhanden is.
Zo is het voor de mens alsof zijn morele

Blz. 117

ideale, seine religiösen Empfindungen immer mehr und mehr anfin­gen, als Abstraktes in einer seelischen Luft zu hängen, wie wenn sie verurteilt wären, ebenfalls begraben und verschollen zu sein im bloß naturgesetzlichen Weltenall, wenn dereinst einmal die Erde in einer Art von Wärmetod ihr Ende findet.
In einen tiefen Zwiespalt ist der Mensch der Gegenwart auf diese Art hineingestellt. Er bringt sich diesen Zwiespalt nicht immer zum Bewußtsein. Allein es kommt ihm etwas anderes zum Bewußtsein. Es kommt ihm zum Bewußtsein, daß er sich nicht auskennt in der Welt, daß er keine Kraft hat und keine Freudigkeit, um in der Welt zu wirken. Und oftmals, um nun wenigstens einen Halt für sein Moralisches, für sein Religiöses zu haben, greift er zurück zu aller­lei alten Weltanschauungen, zu allerlei alten mystischen oder, wie man auch sagt, okkultistischen Weltanschauungen. Er wärmt sie auf, weil er aus dem, was ihn selbst heute umgibt, eine Erkenntnis des Übersinnlichen in Mensch und Welt nicht finden kann.
Dennoch ist es möglich, dieses Übersinnliche in Welt und Mensch zu finden. Und wie es gefunden werden soll, davon wollen wir heute abend reden.

idealen, zijn religieuze ervaringen steeds meer in zijn ziel als iets abstracts in de lucht kwamen te hangen, alsof ze veroordeeld waren ook begraven te worden, ten onder te gaan in wat alleen maar de natuurwetten van de kosmos zijn, wanneer ooit de aarde in een soort warmtedood zal ophouden te bestaan.
De mens van nu bevindt zich zo in een diepe tweestrijd. Hij is zich hiervan niet altijd bewust. Wél wordt hij zich van iets anders bewust: dat hij het nu op deze wereld niet zo goed weet, dat hij geen energie heeft en geen vreugde om in deze wereld actief te zijn. En vaak, om toch ten minste een houvast te hebben voor zijn morele en religieuze gevoelen, grijpt hij terug op allerlei oude wereldbeschouwingen, op allerlei oude mystieke of zoals men ook zegt, occulte wereldbeschouwingen. Hij poetst ze op, omdat hij in waar hij nu middenin staat, geen kennis van het spirituele in mens en wereld kan vinden. 
Maar het is zeker mogelijk dit wél te vinden. En over hoe we dat moeten vinden, zal vanavond worden gesproken. 

.Zwischen dem, was rein moralisch und rein religiös ist, und dem, was natürlich und sinnlich ist, empfand man immer mitten drinnen-stehend etwas, was am Menschen selbst während seines Lebens einem entgegentritt. Anders hat man das in älteren Zeiten angese­hen, wo man nur moralisch, wo man nur religiös die Welt angese­hen hat, anders sieht man es heute an. Aber dennoch, man kann auch heute nur in einer einseitigen Weise dasjenige, was so am Menschen ist, in die bloße Naturordnung hineinstellen. Drei Dinge sind es am Menschen, die, ich möchte sagen hin- und herwanken, hin- und herpendeln zwischen demjenigen, was doch als Übersinnliches gefühlt wird, und demjenigen, was nur natürlich ist. Es wird Ihnen vielleicht sonderbar erscheinen, daß ich gerade diese drei Erscheinungen an der Menschennatur hervorhebe; allein, Sie werden sehen, daß sie es gerade sind, deren Umwandlung, deren Metamorphosierung uns hinaufführen wird in eine Betrachtung der übersinnlichen Erkenntnisse und Weltanschauungen.

Tussen het zuiver morele en zuiver religieuze en wat natuur en zintuigelijk is, beleefde omdat men daar middenin stond altijd iets waar men in zijn leven mee te maken krijgt. In oudere tijden beschouwde men dat anders, want daarin beschouwde men de wereld alleen maar vanuit het morele en religieuze, dat is nu anders. Maar toch kan je ook nu op een eenzijdige manier wat zo des mensen is, uitsluitend een plaats in de natuurorde geven. 
Er zijn bij de mens drie dingen die heen en weer bewegen, een pendelbeweging maken tussen wat als spiritueel gevoeld wordt en wat alleen natuur is. U zal het misschien vreemd vinden dat ik juist deze drie verschijnselen van de natuur van de mens naar voren haal, alleen, u zal zien dat juist deze, hun verandering, hun metamorfose ons bij een beschouwing zal brengen over de spirituele kennis en wereldbeschouwingen.

Blz. 118

Das Erste, was uns entgegentritt am Menschen, wenn er, ich möchte sagen seine ersten Lebenserfahrungen als ganz kleines Kind im Kampfe mit der Umwelt durchzumachen hat, ist, daß er aus seinem Wesen, dem in der Welt noch nicht seine eigene Lage gege­ben ist, diese eigene Lage sich erkämpft: den aufrechten Gang, das Stehen.
Das Zweite, in das der Mensch sich hineinfindet, das ist das Sprechenlernen. Und erst aus dem Sprechen heraus – wer das kind­liche Lebensalter unbefangen zu beobachten vermag, weiß das – entwickelt sich die Gabe des Denkens. Sich selbst in der Welt zu orientieren, so daß man nicht wie das Tier zur Erde hinunterschaut, sondern frei hinaus in den Weltenraum zu den Sternen blickt, sein eigenes Inneres hinaustragen zu können zu seinen Mitmenschen in der Sprache, hereinzubekommen in das seelische Leben die Welt in der Form der Gedanken: das empfand eine ältere Weltanschauung als etwas, was gewissermaßen hier herunten im Sinnlichen eine Gabe des Übersinnlichen für den Menschen ist. Den Zusammen­hang des übersinnlichen Menschen mit der übersinnlichen Welt empfand man, indem man nach diesen drei Eigentümlichkeiten der Menschennatur hinblickte

Het eerste dat we bij de mens zien, wanneer deze als heel klein kind zijn eerste levenservaringen door moet maken in de uiteenzetting met de wereld om hem heen, is dat hij vanuit zijn wezen, dat in de wereld nog geen plaats gekregen heeft, zich een eigen plaats verovert: het rechtop gaan, het staan.
Het tweede waarmee de mens zich vertrouwd maakt, is het leren spreken. En pas vanuit het spreken – wie de kinderleeftijd onbevangen weet waar te nemen, weet dat – ontwikkelt zich de gave van het denken. Zich in de wereld te oriënteren, zodat je niet zoals het dier je naar de aarde hoeft te richten, maar vrij het universum in kan kijken naar de sterren, je eigen innerlijk te uiten naar je medemens in de taal, in je gevoelsleven de wereld in je te kunnen opnemen in de vorm van gedachten: een oudere wereldbeschouwing ondervond dat als iets wat in zekere zin hier op aarde in het zichtbare voor de mens een geschenk is uit de niet-zichtbare wereld. De samenhang van de bovenzintuiglijke mens met de bovenzintuiglijke wereld ondervond men, wanneer men naar deze drie eigenschappen van de menselijke natuur keek.

Daß der Mensch so gebaut ist, daß aus seinem Bau heraus der aufrechte Gang, das Hinausblicken in Him­melsweiten entspringt, das sah eine ältere Weltanschauung, die auf das Moralische und Religiöse der Weltordnung hinsah, als eine Gabe göttlich-geistiger Mächte, die im Menschen wirkten. Und das Sprechenlernen sah man erst recht als eine Gabe dieser göttlich-geistigen Mächte an.
Niemals war es in älteren Zeiten der Menschheitsentwicklung anders, als daß der Mensch sich sagte: Wenn Gedanken in seinem Inneren Platz greifen, dann leben in diesen Gedanken engelhaft­geistgleiche Wesenheiten. – Erst im Laufe des Mittelalters hat der Mensch die Diskussionen begonnen, ob seine Gedanken nur seine eigene Schöpfung seien oder ob in seinen Gedanken sich göttlich-geistige Mächte innerhalb seiner Leibesorganisation ausleben.
So hat man diese drei Gaben in älteren Zeiten als etwas angesehen, was von übersinnlichen Welten in den Menschen hereinkommt und

Dat de mens zo gebouwd is, met een rechtop gaande houding, zodat hij in hemelverten kan kijken, is gelegen in zijn bouw: dat zag een oudere wereldbeschouwing die het morele en religieuze van de wereldorde beschouwde als een geschenk van goddelijk-geestelijke machten die in de mens doorwerkte. En vooral het leren spreken beschouwde men als een gave van deze goddelijk-geestelijke machten.
Nooit was het in oudere tijden van de ontwikkeling van de mensheid anders dan dat de mens zei: wanneer er innerlijk in hem gedachten leven, dan leven in deze gedachten wezens die van een engelachtige geestelijke orde zijn. 
Pas in de loop van de Middeleeuwen begon de mens erover te discussiëren of zijn gedachten nu zijn eigen voortbrengselen zijn of dat goddelijk-geestelijke machten zich binnen zijn lichamelijke organisatie manifesteren.
Op deze manier heeft men in oudere tijden naar deze drie gaven gekeken als iets wat vanuit bovenzintuiglijke werelden in de mens komt en 

Blz. 119

da west und lebt. Daher hat man angeknüpft an diese drei Gaben, die dem Menschen während seiner Kindheit zukommen, wenn man den Menschen, der auf der Erde steht und auf der Erde lebt und auf der Erde seine Arbeit zu verrichten hat, hinauflenken wollte zu den Mächten der moralischen, der religiösen Weltordnung. Ich will jetzt absehen von denjenigen Übungen, welche eine noch ältere Menschheit zum Beispiel durch Regulierung des Atems gemacht hat, um auf diese Weise zu den Erkenntnissen der äußeren Welt die übersinnlichen Erkenntnisse zu gewinnen. Ich will auf al­lerdings weit im Vorchristlichen liegende, aber doch nicht gerade alteste Ansichten und Übungen der Menschheit zurückblicken, welche sich namentlich an diese drei charakterisierten Eigentüm­lichkeiten der Menschennatur anschlossen.
Da sehen wir, wie im Orient drüben, wo in älteren Zeiten ein mächtiges Streben nach einer Erkenntnis des Göttlich-Geistigen war, zunächst der Mensch dasjenige ausbilden wollte, was in der Kraft seiner Orientierung liegt, was in der Kraft liegt, die ihn als Kind dazu bringt, ein aufrechtes, in die Weiten der Welt hin­ausblickendes Wesen zu werden.

actief werkzaam is. Daarom verbond men aan  Toen men de mens die op aarde staat en op aarde leeft en op aarde moet werken, wilde wijzen op de machten van de morele, religieuze wereldorde, verbond men daaraan deze drie gaven die de mens gedurende zijn kindertijd krijgt.
Ik wil nu de oefeningen niet noemen die bijv. een oudere mensheid nog deed om de adem te reguleren om op deze manier bij de kennis van de zichtbare wereld de kennis van de onzichtbare wereld te verkrijgen. Ik wil per se terugkijken in voor-christelijke tijden, maar dan niet naar de oudste opvattingen en oefeningen van de mensheid, maar die met name aansloten bij deze drie gekarakteriseerde bijzonderheden van de mensennatuur. 
Dan zien we hoe in het oosten waar in oudere tijden een machtig streven heerste naar een kennis van het goddelijk-geestelijke, de mens in eerste instantie het vermogen wilde ontwikkelen dat de kracht van het zich oriënteren ligt, wat in de kracht ligt die hem als kind ertoe brnegt een wezen te worden dat rechtop staand in de wereldverten kijken kan.

Sehen Sie hin auf jene Stellun­gen, auf jene Körperlagen, welche der orientalische weise Lehrer seinem Schüler vorschreibt, weil er ihm – indem er als erwachsener Mensch in anderer Weise dasjenige in Angriff nimmt, was im Kinde zur Orientierung des Ganges, zur Orientierung der Stellung wird -die Möglichkeit geben will, in den Körper das Göttlich-Geistige hereinwirken zu lassen. Man sagte sich: Wenn das Kind aus dem kriechenden den aufrechten Gang lernt, dann wirkt das Göttlich-Geistige herein. Wenn der Schüler des orientalischen Weisen seine Beine übereinanderlegt und sich auf die übereinandergelegten Beine selber mit seinem Oberkörper lagert, dann nimmt er eine andere Position ein. Und wenn er sich dann voll dieser Position bewußt wird, dann kann in ihm diese geistig-seelische Welt hereinwirken, wie sie in das Kind hereinwirkt, so daß sie es zum aufrechten Gang anspornt. Und wenn der Mensch, statt daß er das Sprechen so lernt, wie es in der sinnlichen Welt der Fall ist, das Sprechen nach inwärts wendet, dann wendet er diese Gabe Gottes um in eine hellseherische

Kijk eens naar die lichaamshoudingen, naar die posities waarin het lichaam zich bevindt die de Oosterse wijze leraar een leerling voorschrijft omdat hij hem – daar hij dat als volwassen mens op een andere manier doet dan wat bij het kind de houding wordt om zich te gaan oriënteren bij het lopen – de mogelijkheid wil geven het goddelijk-geestelijke in te laten werken op het lichaam. Men zei: Wanneer het kind vanuit een kruipende houding rechtop gaat leren staan, dan werkt het goddelijk-geestelijke in. Wanneer de leerling van de Oosterse wijze zijn benen over elkaar legt en hierboven zijn bovenlichaam een houding geeft, dan neemt hij een andere positie in. En wanneer hij zich dan ten volle bewust wordt van deze positie, kan de goddelijk-geestelijke wereld in hem werken, zoals deze in het kind werkt, zodat dit daardoor aangespoord wordt de staande houding aan te nemen. En wanneer de mens in plaats dat hij leert spreken zoals in de zintuiglijke wereld het geval is, het spreken op het innerlijk richt, verandert hij deze gave Gods in een helderziende

Blz. 120

und hellfühlende Kraft, so daß er dadurch sein eigenes Übersinnliches in Verbindung bringen kann mit dem Übersinn­lichen der Welt.
Daher war es, daß in älteren orientalischen Zeiten mit einer ge­wissen Disziplin des Atmens verbunden war das rezitativ-gesang­hafte Sprechen von gewissen Sprüchen, die man Mantrams nannte, die nicht hinausgesprochen wurden, um sich mit anderen Menschen zu verständigen, sondern gewissermaßen hineingewendet wurden, die den menschlichen Organismus durchvibrierten, die alles dasje­nige, was wir sonst in der Sprache nach außen wenden, hineinwen­deten, so daß der ganze menschliche Organismus die Kraft, die Gewalt dieser mantrischen Worte mitmachte. Und das, was das Kind als eine Gabe des Übersinnlichen, die ihm geworden war, hin­ausergoß in die Sprache, durch die es sich mit Menschen verständig­te, das goß der Schüler des orientalischen Weisen in den eigenen Körper hinein. Bei ihm vibrierten die Worte nicht allein nach außen, damit er sich mit dem anderen Menschen verständigen konnte, bei ihm vibrierten die Worte hinunter in die Lunge, vibrier­ten weiter in das Blut, vibrierten im Blute mit den Atemstößen hin­auf in das Gehirn.

en heldervoelende kracht, zodat hij daardoor zijn eigen spiritualiteit in verbinding kan brengen met het bovenzintuiglijke van de wereld.
Vandaar dat in oude Oosterse tijden met een bepaalde adembeheersing een recitatief-zangachtig spreken van bepaalde spreuken was verbonden die men mantrams noemde, die niet uitgesproken werden om met andere mensen te communiceren, maar in zekere zin gebruikt werden om ze in het menselijke organisme te laten vibreren, om alles wat wij anders in het spreken naar buiten gebruiken, naar binnen te richten, zodat het hele menselijke organisme deel had aan de kracht, de macht van deze mantrische woorden. En wat het kind als een geschenk van het spirituele dat hem ten deel was gevallen, in zijn spreken bracht waarmee het zich met de mensen kon verstaan, dat liet de leerling van de Oosterse wijze aan zijn eigen lichaam ten goede komen. Bij hem vibreerden de woorden niet alleen naar buiten om met andere mensen te kunnen communiceren, bij hem vibreerden de woorden naar binnen, naar de longen, naar het bloed en met het bloed naar de hersenen. 

Und wie derjenige, der unserer Sprache zuhört, den Schlag unserer Seele, die Empfindung unserer Seele aus den Worten fühlt, so erfühlte der orientalische Weise aus dem, was als Wort in seinem Leibe vibrierte, aus diesem übersinnlichen Erleben des mantrischen Wortes das Übersinnliche der Welt.
Und wenn das Kind aus dem Sprechen das Denken entwickelt, so entwickelte dieser orientalische Weise als die dritte Stufe – indem er das Übersinnliche durch das mantrische Wort, durch den mantri­schen Spruch empfand – jetzt nicht ein Denken, das nur in ihm war. Denn so, wie in der gewöhnlichen Sprache unsere Seele zum ande­ren Menschen hinausvibriert, so vibrierte in dem inneren Wort, das er erlebte, die Welt herein. Und was zu ihm sprach, war jetzt nicht ein anderer Mensch, waren nicht Menschengedanken; was zu ihm sprach, waren Weitgedanken, es war der Geist, das Übersinnliche der Welt, das sich in seinen eigenen Organismus als ein Übersinn­liches ergoß.

En zoals degene die naar ons spreken luistert de heftigheid van onze ziel, wat onze ziel doormaak,t uit de woorden opmaakt, zo voelde de Oosterse wijze uit wat als woord door zijn lichaam vibreerde, uit dit bovenzintuiglijk beleven van de mantrische woorden, het spirituele van de wereld.
En zoals het kind vanuit het spreken het denken ontwikkelt, zo ontwikkelde deze Oosterse wijze als het derde niveau – wanneer hij het bovenzintuiglijke door het mantrische woord, door de mantrische spreuk beleefde – niet een denken dat alleen van hém was. Want zoals in het gewone spreken onze ziel naar de andere mens vibreert, zo vibreerde in het innerlijke woord dat hij beleefde de wereld. En wat tot hem sprak, was dus geen andere mens, waren niet de menselijke gedachten; maar wereldgedachten, het was de geest van het spirituele van de wereld dat in zijn eigen organisme als een bovenzintuiglijk iets binnenstroomde.

Blz. 121

In einer solchen Weise suchte man in älteren Zeiten das Über­sinnliche des Menschen in ein Verhältnis zu bringen zu dem Über­sinnlichen der Welt. Und alles, was an religiöser Weltanschauung, was an moralischer Weltanschauung auf uns gekommen ist, was in der Tradition lebt, rührt her von einer solchen Verbindung, die einstmals der Mensch zwischen seinem Übersinnlichen und dem Übersinnlichen der Welt hergestellt hat.
Der Mensch ist für eine gewisse Epoche herausgetreten aus die­sem Miterleben des Göttlich-Geistigen in der Welt. Die Lehrer, die ihren Weg in die übersinnlichen Teile der Welt hinein suchten, wurden immer seltener; und die Menschen, die für solche Lehrer Bedürfnis hatten und die auf dasjenige, was solche Lehrer zu sagen hatten, hören wollten, um die eigene Seelennahrung daraus zu be­ziehen, wurden immer seltener. Denn der Mensch ging für eine Weile durch eine Epoche hindurch, in der alles, was sich in ihm entwickeln sollte, auch geistig-seelisch entwickeln sollte, in engstem Zusammenhange mit seinem Leibe, mit seinem physischen Körper, mit seinem Sinnlichen stehen sollte.

Op zo’n manier probeerde men in oudere tijden het bovenzintuiglijke van de mens te verbinden met de bovenzintuiglijke wereld. En alles wat er aan morele en religieuze wereldbeschouwing tot ons gekomen is, wat traditie is, komt door zo’n verbinding die de mens eens legde tussen zijn eigen spiritualiteit en die van de wereld. De mens heeft voor een bepaalde tijd dit meeleven met het goddelijk-geestelijke in de wereld losgelaten. De leraren die hun weg in de bovenzintuiglijke delen van de wereld zochten, werden steeds zeldzamer; en die mensen die behoefte hadden aan dergelijke leraren en die wilden luisteren naar wat deze te zeggen hadden om bij hen hun zielenvoedsel te halen, werden ook steeds zeldzamer. De mens ging een bepaalde tijd door een periode waarin alles wat in hem tot ontwikkeling zou moeten komen, ook de ontwikkeling van ziel en geest, nauw samen moest hangen met zijn lichaam, met zijn fysiek lichaam, met het uiterlijk zichtbare.

Denn jener ältere Mensch, der sich ganz und gar geborgen fühlte in einer moralischen Weltord­nung, die nicht in ihm lag, sondern die die Welt durchflutete, der sich ganz und gar geborgen fühlte in einer göttlichen Welt, die ihm die Natur völlig aufsog, dieser Mensch hätte als solcher niemals zur Freiheit kommen können – zu jener Freiheit, die sich bewußt wird des eigenen Ich als eines festen Stützpunktes im Innern des Men­schen; zu jener Freiheit, welche die Handlung, die der Mensch aus­führt, nicht unmittelbar ableitet vom Göttlich-Geistigen, das her-einwirkt in den Menschen und das eigentlich im Menschen handelt; zu jener Freiheit, die im Menschen selber den Antrieb zum Han­deln suchen will.
Zu diesem Ich-Bewußtsein, zu diesem Freiheitserlebnis mußte die Menschheit kommen und ist sie gekommen. Aber jetzt stehen wir an einem wichtigen Wendepunkt in der Menschheitsentwick­lung. Wir haben den alten Zusammenhang mit dem Göttlichen ver­loren. Und auch diejenigen können ihn nicht finden, die, wie ich schon angedeutet habe, in aller möglicher Weise die alten Wege 

Want die oudere mens die zich helemaal geborgen voelde in een morele wereldbeschouwing die niet van hem persoonlijk was, maar die de wereld doortrok, die zich helemaal geborgen voelde in een goddelijke wereld die voor hem de natuur volledig in zich opnam, deze mens zou nooit tot vrijheid hebben kunnen komen – tot die vrijheid die zich bewust wordt van zijn eigen Ik als een vast innerlijk anker; tot die vrijheid waarbij de mens een handeling verricht die deze niet direct uit het goddelijk-geestelijke haalt dat in de mens werkzaam is en dat eigenlijk in de mens handelt; tot die vrijheid die in de mens zelf de drijfveer voor het handelen wil zoeken.
De mensheid moest tot dit Ik-bewustzijn, tot dit vrijheidsbeleven komen en dat is gebeurd. Maar nu staan we in de ontwikkeling van de mensheid op een belangrijk keerpunt. We hebben de oude samenhang met de goddelijke wereld verloren. En ook diegenen kunnen hem niet vinden die, wat ik al aangegeven heb, op alle mogelijke manieren de oude wegen

Blz. 122

wieder aufwärmen wollen, nach dem Gnostizismus, nach dem orientalischen Okkultismus hinschauen, um Trost für dasjenige zu finden, was sie aus der naturwissenschaftlichen Anschauung der Gegenwart heraus nicht finden können. Nein, die Anschauung, von der ich hier spreche, die wird zwar oftmals auch dahin verleumdet, daß sie auch nur den alten Gnostizismus oder Orientalismus auf­wärmen wollte. Das ist aber nicht der Fall. Diese Weltanschauung steht auf dem Standpunkte, daß wir aus derselben streng exakten Denkweise, die wir heute im Naturerkennen anwenden, den Weg ins Übersinnliche finden können, wenn wir sie nur in der richtigen Weise erkraften und verschärfen. Allerdings, auch dasjenige, was ich eben als die Dreiheit beson­derer Eigenschaften in der Menschennatur charakterisiert habe und was in älteren Zeiten als Gaben der moralisch-göttlichen Welten-ordnung angesehen worden ist, erscheint dem Menschen der Ge­genwart, auf den mit mächtiger Gewalt und überzeugender Autori­tät die naturwissenschaftliche Weltanschauung wirkt, nur als eine natürliche, als eine sinnliche Gabe.

opnieuw willen bewandelen, die naar het gnosticisme kijken, naar het oosterse occultisme, om troost te vinden voor wat ze bij de natuurwetenschappelijke zienswijze van tegenwoordig niet kunnen vinden. De gezichtspunten waarover ik hier spreek worden weliswaar ook vaak in een kwaad daglicht geplaatst als zouden ze ook de kliekjes van het oude gnosticisme of de oosterse denkwijzen willen opwarmen. Dat is echter niet het geval. Deze wereldbeschouwing staat op het standpunt dat wij met dezelfde exacte manier van denken die we nu bij de natuurwetenschap gebruiken, de weg naar het spirituele kunnen vinden, als we dat maar op de juiste manier sterker en exacter maken.
Zeker ziet ook, wat ik net als de drieheid van bijzondere eigenschappen van de menselijke natuur gekarakteriseerd heb en wat in oudere tijden als de gaven van de moreel-goddelijke wereldordening beschouwd werd, er voor de mens van nu op wie met kracht en overtuigend de autoriteit van de natuurwetenschappelijke wereldbeschouwing van invloed is, uit als alleen maar een natuurlijk, een zintuigelijke gegeven. 

Und so sucht man heute selbst­verständlich – und tut von einem gewissen Standpunkt aus durch­aus recht damit -, aus dem besonderen Aufbau, der sich aus der Le­bensweise des Menschen ergibt, die aus der Lebensweise der Tier­heit herausgewachsen ist, die andersartige Organisation der einzel­nen Menschenglieder abzuleiten und dadurch den aufrechten Gang aus rein natürlichen Verhältnissen heraus zu verstehen. Man sucht die Sprache aus der natürlichen Organisation heraus und aus dem Zusammenhang zu verstehen, den diese natürliche Organisation des Kindes mit dem älteren Menschen hat. Und man sucht auch das Denken selbst, das Hegen von Gedanken als etwas zu begreifen, was mit der menschlichen Organisation zusammenhängt.
Wie sollte man das nicht? Hat doch die Naturwissenschaft zu-nÄchst gezeigt, daß die Gedanken der Menschen gar sehr abhängig sind von ihrer natürlichen Organisation. Es braucht nur diese oder jene Partie des Gehirnes des Menschen gelähmt zu sein; eine gewis­se Partie von Gedankentätigkeit kann ausfallen. Wir sehen überall, wie selbst durch Anwendung von giftigen Substanzen, die im

En zo zoekt men tegenwoordig vanzelfsprekend – en vanuit een bepaald standpunt is dat ook beslist juist –  uit de bijzondere bouw die je aan de leefwijze van de mens kan zien, die ontstaan is uit hoe de dieren leefden, het anders geaard zijn van bepaalde delen van de mens af te leiden en daardoor de rechtop gaande houding te begijpen, puur vanuit natuurlijke omstandigheden. Men probeert de taal vanuit de natuurlijke organisatie te begrijpen en vanuit de samenhang die de natuurlijke organisatie van het kind heeft met de oudere mens. En ook het denken zelf, het zorgvuldige denken als iets te begrijpen wat met de menselijke organisatie samenhangt.
En waarom ook niet? De natuurwetenschap heeft al aangetoond dat de gedachten van de mens heel erg afhankelijk zijn van zijn natuurlijke organisme. Er hoeft maar een bepaald gedeelte van de hersenen van de mens verlamd te zijn en een bepaald deel van het gedachtevermogen valt uit. We zien overal dat zelfs door het toedienen van giftige stoffen die in het

Blz. 123

menschlichen Leibe wirken, die menschliche geistige Tätigkeit be­einträchtigt werden kann. Die Gewohnheit, alles naturwissen­schaftlich zu betrachten, hat gerade diese Dreiheit – Orientierung des Menschen im Weltenall, Sprechenlernen, Denkenlernen – auch auf naturgemäße sinnliche Weise in eine natürliche sinnliche Wel­tenordnung hineingestellt. Und von da aus hat man noch anderes in eine solche Weltenordnung hineingestellt. Nun, was der Mensch zunächst durch seine Geburt, oder sagen wir durch seine Empfängnis hier für diese Erde wird, von dem kann man glauben, daß es hervorgehe – denn man sieht es äußerlich her­vorgehen – aus einer bloßen natürlichen Ordnung. So kann man hinblicken auf der einen Seite nach vorne, nach der Geburt, und man kann in Geburt und Vererbung alles dasjenige sehen, was uns Menschen durchpulst und durchkraftet. Aber sieht man nach der anderen Seite, nach der Seite des Todes, dann sieht man klar, wenn man nur ein wenig unbefangen sein will, wie das, was wir sind als Mensch, die Natur nicht wieder aufnimmt, sondern es auslöscht, wie die Flamme der Kerze ausgelöscht wird. So erscheint es dem modernen Menschen, als ob er selber sich von der Natur gegeben würde durch Keimesleben und Vererbung.

menselijk lichaam werkzaam zijn, de menselijk geestelijke activiteit beïnvloed kan worden. De gewoonte alles door de bril van de natuurwetenschap te bekijken, heeft m.n. deze drieheid – de oriëntering van de mens in de wereld, het leren spreken, leren denken – ook op een natuurlijke manier in een natuurlijke uiterlijke wereldbeschouwing geplaatst.
Wat de mens door de geboorte, door de conceptie hier voor deze wereld wordt, daarvan mag je aannemen dat het tevoorschijn komt – want dat zie je aan de buitenkant – dat is puur natuur. Zo kan je enerzijds naar het begin kijken, naar de geboorte en kan je in het geboren worden en de erfelijkheid van alles zien wat in ons mensen werkzaam is. Maar kijk je naar de andere kant, naar de dood, dan zie je duidelijk, als je maar een beetje onbevangen wil zijn, hoe wat wij als mens zijn door de natuur dan niet opnieuw opgenomen wordt, maar dat de natuur het uitdooft, zoals de kaarsvlam dooft. Zo komt het op de moderne mens over, alsof hij zelf een gegeven is van de natuur door de kiem en de erfelijkheid.

Aber es muß ihm auch erscheinen, als ob er sich selber am Ende seines Erdenlebens durch die Natur in keiner Fortsetzung sehen könnte, als ob die Natur eben nicht in der Lage wäre, sein menschliches Wesen aufzuneh­men, sondern nur, es zu zerstören. Deshalb ist das große Rätsel, das einstmals für die Menschen in älteren Zeiten, in denen man nament­lich eine moralische und eine religiöse Weltanschauung hatte, das Geburtsrätsel war, für eine spätere Menschheit und noch für uns heute zum Todesrätsel geworden. Das Rätsel des Geborenwerdens ist zu dem Rätsel der Unsterblichkeit geworden.
Denn in der Zeit, in der die Menschen nach der göttlich-geistigen Welt in moralischer, in religiöser Beziehung erkennend haben hin­schauen können, das Übersinnliche der Menschen mit dem Über­sinnlichen der Welt in Beziehung haben bringen können, fragte man sich: Wie ist der Mensch herunter gekommen von den geisti­gen Welten, in denen er früher gelebt hat, auf diese Erde? Was

Dan moet het hem ook wel zo vóórkomen dat hij aan het eind van zijn aardse leven op geen enkele manier door de natuur verdergaat, dat de natuur niet in staat is hem als mens in zich op te nemen, maar hem alleen maar te vernietigen. Vandaar dat ooit voor de mens in de oudere tijden waarin men nog een morele en religieuze wereldbeschouwing had, het grootste raadsel dat van de geboorte was, wat voor een latere mensheid en ook nu nog voor ons het raadsel van de dood is geworden. 
Het raadsel van de geboorte is tot het raadsel van de onsterfelijkheid geworden.
Want toen de mensen nog in moreel-religieus opzicht met een bepaald weten naar de goddelijk-geestelijke wereld konden opzien, toen ze het spirituele van de mens met het spirituele van de wereld met elkaar in verband konden brengen, vroeg men: hoe is de mens vanuit de geestelijke werelden naar deze aarde gekomen, waar hij eerder al eens woonde? Wat

Blz. 124

natürliches Geschehen im Keimesleben, bei der Geburt war, das sah man nur als den äußeren Ausdruck dieses Heruntersteigens aus göttlich-geistigen Welten ins physische Erdenleben. Die Geburt war das große Rätsel. Was hat der Mensch hier auf der Erde zu vollbringen? Das fragte man sich. Heute blickt der Mensch nach der anderen Seite, nach der Seite des Todes, wenn er sich das große Rätsel nach dem wahren Wesen seines innersten Menschheitskernes aufwerfen will.Und noch von einer anderen Seite können wir dasselbe Rätsel betrachten. Ja, man kann den Glauben haben, daß aus den natürli­chen Instinkten, die aus dem Blute, aus dem Fleische, aus dem Nervensystem, aus der ganzen menschlichen Organisation geboren werden, durch eine gewisse Vervollkommnung die moralischen Impulse des Menschen entstehen, und man kann aus dem Vorhandensein solcher moralischer Impulse auch gewisse religiöse Empfindungen ableiten. Man kann also gewissermaßen das Her­kommen der Moral und das Herkommen der religiösen Emp­findungen aus der sinnlichen Naturordnung ableiten.
Aber wir brauchen nicht etwa von der Vergeltung der morali­schen oder unmoralischen Handlungen zu sprechen. Das führt zu sehr ins egoistische Gebiet. 

bij de geboorte een natuurlijk proces in het kiemleven was, zag men slechts als de uiterlijke uitdrukking van dit incarneren vanuit goddelijk-geestelijke werelden in het fysieke aardeleven. De geboorte was het grootste raadsel. Wat moet de mens hier op aarde volbrengen? Dat vroeg men zich af. Tegenwoordig kijkt de mens naar de andere kant, de kant van de dood, als hij het grootste raadsel van zijn ware wezen, van zijn diepste menselijke wezenskern te berde wil brengen.
En we kunnen hetzelfde raadsel van nog een andere kant bekijken. Je kan van mening zijn dat uit de natuurlijke instincten die uit het bloed, uit het vlees, uit het zenuwsysteem, uit de hele menselijke organisatie geboren worden, door een zekere vervolmaking de morele impulsen van de mens ontstaan en je kan uit de aanwezigheid van dergelijke morele impulsen ook bepaalde religieuze gevoelens afleiden. Je kan in zekere zin het ontstaan van de moraal en het ontstaan van religieuze ervaringen afleiden uit wat je aan een uiterlijke natuurlijke ordening waarneemt. Maar we hoeven niet te spreken over een soort rekenschap afleggen van morele of niet morele handelingen. Dat leidt te veel naar het egoïstische vlak.

Doch wir können davon sprechen, daß dasjenige, was wir moralisch vollbringen – wenn wir als Allumfas­sendes nur die sinnliche Naturordnung glauben -, kraftlos in der Welt erlöschen müßte. Die Frage entsteht: Die kleinste Äußerung der elektrischen Kraft hat innerhalb des Weltenalls ihre bestimmte Folge – das ist nach der Anschauung der Naturwissenschaft; das­jenige, was moralisch aus uns entspringt, das sollte im Weltenall keine Folgen haben? Wir blicken auch in dieser Beziehung nach dem andern Ende. Wir können zur Not die moralischen Impulse als höher entwickelte Triebe und Instinkte ansehen, aber wir können nicht die Bedeutung der moralischen Impulse für die Zukunft aus einer bloß natürlich-sinnlichen Weltanschauung heraus erkennen.
Vor diesen Fragen steht ein Teil der Menschen lieute ganz be­wußt. Und wer bewußt vor diesen Fragen steht, der muß sich eben

Maar we kunnen wel zeggen dat dat wat wij moreel doen – wanneer wij als allesomvattend alleen in de uiterlijke natuurordening geloven – zonder kracht in de wereld ten onder moet gaan. De vraag komt op: de kleinste uiting van elektrische kracht heeft binnen het universum bepaalde gev0lgen – dat is de opvatting van de natuurwetenschap; en wat moreel voortkomt uit ons, zou dat voor het universum geen gevolgen hebben?
We kijken in dit opzicht ook naar de andere kant. We kunnen als noodgeval de morele impulsen als hoger ontwikkelde driften en insioncten beschouwen, maar we kunnen de betekenis van de morele impulsen voor de toekomst niet uit alleen maar een natuurlijk-zintuiglijke wereldbeschouwing leren kennen. Deze vragen leven bij een deel van de mensen tegenwoordig heel bewust. En wie deze vragen bewust beleeft, moet zich richten

Blz. 125 

zu demjenigen hinwenden, was hier als anthroposophische Geistes­wissenschaft auseinandergesetzt wird. Ein großer Teil der Mensch­heit steht unbewußt, mehr empfindend vor diesen Fragen. Er kann nicht mehr ganz mitgehen mit dem, was ihm an alten religiösen Tra­ditionen überliefert worden ist, denn er fühlt instinktiv, daß das doch aus alten Erkenntnissen hervorgegangen sein muß. – Das ist nicht aus einem Glauben, den man heute den Menschen aufreden will, hervorgegangen! Alle religiösen Bekenntnisse sind aus alten Erkenntnissen entsprungen, aus solcher Verbindung des Übersinn­lichen im Menschen mit dem Übersinnlichen der Welt, wie ich es Ihnen vorhin charakterisiert habe. Aber wir können diesen alten Weg heute nicht wiederum gehen. Die Menschheit hat seither an­dere Entwicklungsformen angenommen. Sie hätte sonst nicht jenen Weg, ich möchte sagen jene Zwischenepoche durchmachen können, in der sie sich das Gefühl des Ich-Bewußtseins, das Erlebnis der Freiheit geholt hat. Sie hätte nicht ganz im physischen Menschenlei­be leben können, wenn sie nicht ganz anders organisiert gewesen wäre in dieser Zwischenepoche als in jenen älteren Zeiten, wo die­jenigen Vertrauen und Anerkenntnis gefunden haben, die

op wat hier als antroposofische geesteswetenschap uiteengezet wordt. Een groter deel van de mensheid staat onbewust, meer gevoelsmatig t.o. deze vragen. Die kan niet meer helemaal meegaan met wat aan oude religieuze tradities overgeleverd is, want instinctief voelt men dat dat toch uit een oud geloof ontsproten moet zijn. Het is niet ontstaan uit een geloof dat men nu aan de mensen wil vertellen! Alle religieuze richtingen zijn uit oude overtuigingen gekomen, uit die verbinding van het spirituele in de mens met het spirituele in de wereld, zoals ik u al eerder geschetst heb. Maar we kunnen deze oude wegen nu niet meer inslaan. De mensheid heeft nadien andere ontwikkelingsvormen aangenomen. Zij zou anders niet die weg zijn gegaan, die tussenfase door hebben kunnen maken, waaruit zij het gevoel van het Ik-bewustzijn, het vrijheidsbeleven gehaald heeft. Als ze in deze tussenfase niet een heel ander organisme zou hebben gekregen, had ze niet helemaal in een fysiek lichaam kunnen leven zoals in die oudere tijden waarin diegenen vertrouwen en erkenning gevonden hebben

 auf dem Wege der Körperposition, der Mantrams und der sich ihnen offenbarenden Weltgedanken den Menschen Kunde gebracht haben von der Art und Weise, wie die Menschenseele, das Menschenin­nere mit dem Übersinnlichen der Welt zusammenhängt, wie der Mensch nur als Körper ein vergängliches, als Seelisches aber ein unvergängliches Wesen, eine ewige Wesenheit ist.Wenn der Mensch heute versucht – und es tun es ja viele, ich möchte sagen zum Unheil für eine wirkliche Erkenntnis -, in der­selben Weise die Verbindung des Übersinnlichen in seiner Natur mit dem Übersinnlichen der Welt zu suchen wie, sagen wir die Anhänger des Buddha, wenn er etwa durch besondere Körperposi­tionen, durch Absingen von Mantrams und durch so geartete, im Innern regsame Worte im inneren Logos sich offenbarende Weltge­danken suchen wollte, wenn er durch das alles zum Übersinnlichen kommen wollte, so würde er als heutiger Mensch, der in ganz an­derer Weise seinen physischen Leib ausgebildet hat als eine ältere

die via de weg van hun lichaamshouding, van de mantrams en de wereldgedachten die hun geopenbaard waren, de mensen verteld hebben van hoe de mensenziel, het menselijk innerlijk met het spirituele van de wereld samenhangt, hoe de mens alleen als lichamelijk wezen vergankelijk is, maar als zielenwezen onvergankelijk, een eeuwig wezen. Wanneer de mens nu probeert – en dat doen er veel en ik zeg wel tot schade voor een werkelijke kennis – op dezelfde manier verbinding te zoeken tussen het bovenzintuiglijke in zijn wezen en het spirituele van de wereld, zoals laten we zeggen de aanhangers van Boeddha, wanneer hij door bijzondere lichaamshoudingen, door het zingen van mantrams en door dergelijke innerlijke actieve woorden, in de innerlijke logos de zich openbarende wereldgedachten wilde zoeken, wanneer hij door dat alles tot het bovenzinlijke zou willen komen, dan zou hij als mens van nu die op een heel andere manier zijn fysieke lichaam gevormd heeft dan een oudere 

Blz. 126

Menschheit, nur seinen physischen Menschenleib in Unordnung bringen und ihn nicht hinauflenken können zum Ubersinnlichen. Jener ältere Menschenleib, der in der Weise mit Übungen zu durchdringen war, wie ich das dargestellt habe, der hatte eben noch nicht jene Festigkeit, jene innere Konsistenz, aus der ein starkes Erden-Ich-Bewußtsein, ein starkes Erdenfreiheitserlebnis ent­springt. Der menschliche Organismus ist konsistenter geworden. Würde man heute eine genauere Physiologie, wie sie die hier ge­meinte anthroposophische Geisteswissenschaft gibt, anerkennen, so würde man wissen, daß in den neueren Menschenleibern die festen Bestandteile, namentlich die salzigen, intensiver ausgebildet sind, als sie in den Körpern der alten Menschen ausgebildet waren, die solche Übungen für die höhere Erkenntnis machen konnten, wie ich sie geschildert habe. Der heutige Mensch muß deshalb in ande­rer Weise sein eigenes Übersinnliches mit dem Übersinnlichen der Welt in Beziehung, in Verbindung bringen. Der heutige Mensch muß auf andere Weise das Moralische, das Religiöse in der Welten-ordnung suchen, als es ältere Zeiten gesucht haben.

mensheid, alleen maar zijn fysieke lichaam in disorde brengen en het niet kunnen richten op het bovenzintuiglijke. Dat oudere mensenlichaam dat op die manier met oefeningen doordrongen kon worden, zoals ik uiteengezet heb, had  de stevigte nog niet, die innerlijke consistentie waaruit een sterk aarde-Ik-bewustzijn, een sterke beleving van aardse vrijheid ontspringt. Het menselijk organisme is consistenter geworden. Zou men tegenwoordig een preciezere fysiologie erkennen zoals de hier genoemde antroposofische geesteswetenschap die geeft, dan zou men weten dat in de nieuwere mensenlichamen de vaste bestanddelen, met name de zoutachtige, intensiever ontwikkeld zijn dan die in de lichamen van de mensen uit de oudheid die de oefeningen voor de hogere kennis konden doen zoals ik aangaf. De mens van nu moet daarom op een andere manier zijn eigen spiritualiteit met die van de wereld in verbinding kunnen brengen. De mens van nu moet op een andere manier het morele, het religieuze in de wereldorde zoeken, dan dat in oudere tijden gebeurde.

Die Geisteswissenschaft, von der ich hier spreche, sucht deshalb von zwei Seiten her in die übersinnliche Welt hineinzukommen: er­stens von der Seite des Gedankens, zweitens aber von der Seite des Willens. Von der Seite des Gedankens dadurch, daß der Mensch den Gedanken, der ihm ja so ungeheure Dienste gerade in der modernen Naturwissenschaft in der Beobachtung und Experimentierkunde geleistet hat, nicht bloß als ein Abbild der Außenwelt erlebt, son­dern daß er lernt, mit diesen Gedanken im stillen Inneren der Seele zu leben. Dadurch kann der moderne Mensch eine geisteswissenschaftliche Methode ausbilden, ähnlich wie der alte Mensch sie durch seine Mantrams ausgebildet hat, nur daß die Mantrams noch etwas Sinnlicheres waren, der moderne Mensch aber etwas Geistigeres in der bloßen Ausbildung der Gedanken hat.Ich habe im einzelnen den weiten Weg, den man zu durchlaufen hat, um in dieser Weise zu einer wirklichen Geisteswissenschaft und somit zu einer Erkenntnis der übersinnlichen Welten zu kom­men, ausführlich in meinen Büchern, zum Beispiel in dem Buch

De geesteswetenschap waarover ik hier spreek, zoekt daarom van twee kanten de bovenzintuiglijke wereld binnen te gaan: ten eerste de kant van het denken, ten tweede echter de kant van de wil. Van de kant van het denken, zodat de mens de gedachten die hem in de natuurwetenschap in het waarnemen en het kunnen experimenteren zo’n grote dienst bewijzen, niet alleen maar als een beeld van de buitenwereld beleeft, maar dat hij leert met deze gedachten in het verstilde innerlijk van de ziel te leven. Daardoor kan de moderne mens een geesteswetenschappelijke methode ontwikkelen, net zo als de oude mens die door zijn mantrams ontwikkeld heeft, met dien verstande dat de mantrams nog iets zintuiglijker waren, en de moderne mens iets meer het geestelijke in de zuivere ontwikkeling van de gedachten heeft. Ik heb in detail de brede weg die je moet doorlopen om op deze manier tot werkelijke geesteswetenschap en daarmee tot kennis van de bovenzintuiglijke werelden te komen, uitvoerig in mijn boeken beschreven, bijv. in het boek

Blz. 127

«Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten?», im zweiten Teil meiner «Geheimwissenschaft» und in anderen Büchern, ge­schildert. Hier möchte ich nur kurz prinzipiell andeuten, wie man heute – ganz angemessen der heutigen Menschheitsorganisation -zum Geistesforscher werden kann.
Nicht jeder braucht ein Geistesforscher zu werden, aber einzelne Menschen können es werden. Bis zu einem gewissen Grade kann allerdings jeder wenigstens zum Nachprüfer dieser Geistesfor­schung werden, wenn er dasjenige als Übungen sich angelegen sein läßt, was ich in den genannten Büchern dargestellt habe. Aber wer heute ein Geistesforscher werden will, muß es nicht mehr durch das sinnliche Absingen von Mantrams, sondern durch rein übersinn­liche Übung in Gedanken werden.
Nun, wir haben es heute zu exakten Gedanken gebracht. Wenn ich hinschaue in die Sternenwelten in der exakten Astronomie: da haben wir es zu einem exakten Denken im Physikalischen, im Che­mischen gebracht; sogar streben wir es heute schon im biologischen Forschen, im Erforschen der Lebewesen an, und wir fühlen uns da insbesondere dann befriedigt, wenn wir die äußere sinnliche Welt so erforschen können, wie wir gewöhnt sind, unsere Gedanken zu orientieren, wenn wir in der Mathematik Probleme lösen.

De weg tot inzicht in hogere werelden‘, in het tweede deel van mijn ‘Wetenschap van de geheimen der ziel‘ en in andere boeken. Hier zou ik nu kort principieel willen aanduiden – hoe men tegenwoordig – geheel in overeenstemming met de menselijke organsiatie van nu – een onderzoeker van de geest kan worden. Niet iedereen hoeft het te worden, maar een paar mensen kunnen het wel. Tot op zekere hoogte kan iedereen in ieder geval op z’n minst wel iemand worden die dit onderzoek na kan gaan, wanneer hij de oefeningen wil doen die ik in mijn boeken aangegeven heb. Maar wie tegenwoordig onderzoeker van de geest wil worden, moet dat niet meer doen door het zingen van mantrams, maar alleen door puur bovenzintuiglijke oefeningen in het denken.
We hebben het nu tot exacte gedachten gebracht. Wanneer ik naar de sterrenwereld kijk in de exacte astronomie; we hebben een exact natuurkundig denken, ook in de chemie, we streven er zelfs naar bij het biologische onderzoek, bij het onderzoek van de levende wezens en wij voelen ons bijzonder tevreden, wanneer wij de uiterlijk zintuiglijke wereld zo kunnen onderzoeken, zoals we gewend zijn onze gedachten te richten, wanneer we bij wiskunde problemen oplossen.

Daher hat man ja das Wort geprägt, nur soviel sei wirkliche Wissenschaft der Natur vorhanden, als Mathematik in der Naturwissenschaft enthal­ten ist. Und man redet aus diesem Grunde von exakter Naturwis­senschaft. Alles soll in Beobachtung und Experimentieren so über­schaut werden können, wie man die Probleme überschaut, wenn man mathematische Aufgaben löst. Von exakter Wissenschaft redet man da. Von exaktem Hellsehen, exakter Clairvoyance redet die anthro­posophische Geisteswissenschaft, die hier gemeint ist. Wenn der heutige Naturwissenschafter die heutige Welt in exakter Weise er­forscht, so macht derjenige, der anthroposophischer Geistesfor­scher wird, etwas ebenso Exaktes, nur auf einem anderen Gebiete. Er entdeckt allmählich, daß es in der Seele verborgene Kräfte gibt, die im gewöhnlichen Leben und in der gewöhnlichen Wissenschaft

Daarom heeft men de slogan bedacht, slechts zoveel is echte natuurwetenschap als er wiskunde in de natuurwetenschap zit. En daarom spreekt men dan over exacte natuurwetenschap. Alles moet zo waargenomen en ermee geëxperimenteerd kunnen worden, als je wiskundeproblemen oplost. Dan heeft men het over exacte wetenschap.
Over exacte helderziendheid, bovenzintuiglijk waarnemen spreekt de antroposofische geesteswetenschap die hier wordt bedoeld. Wanneer de natuurwetenschapper de wereld van nu op een exacte manier onderzoekt, dan doet degene die antroposofisch onderzoeker wordt dat even exact, alleen op een ander gebied. Hij ontdekt langzamerhand dat er in de ziel verborgen krachten leven die in het dagelijks leven en in de gewone wetenschap

Blz. 128

nicht angewendet werden. Er entdeckt allmählich, daß es wirklich so ist, daß im Kinde, im ganz kleinen Kinde, Geistig-Übersinnliches und Physisch-Sinnliches noch ungetrennt zusammenwirken, daß aber dann das Kind gewissermaßen in den aufrechten Gang, in die Sprache, in das Denken nach der sinnlichen Außenwelt dasjenige ergießt, was in ihm vorher übersinnlich gestaltet lebt. Alles, was in der allerersten Lebenszeit des Menschen hinunterquillt in das das, was ganz und gar in den Organen vibriert, das ergießt sich, indem der Mensch sich in der Außenwelt orientiert, nach außen; das ergießt sich in der Sprache nach außen, das ergießt sich ins­besondere im Denken nach außen.
Aber wir können es wieder zurücknehmen. Der orientalische Schüler des orientalischen Weisen suchte vorzugsweise durch das Zurückwenden der Sprache zu erreichen, was man Verbindung des Übersinnlichen im Menschen mit dem Übersinnlichen der Welt nennen kann. Wir Neueren müssen den Gedanken selbst nach in­nen wenden. Wir müssen uns ganz im Ernste sagen können: Wir haben es weit gebracht in der Beobachtung der äußeren Natur. Es stehen vor uns die exakten Gedanken der Sternenformen und Sternenbewegungen. 

niet worden gebruikt. Hij ontdekt stap voor stap dat het echt zo is dat bij het kind, het heel kleine kind, dat wat geestelijk-bovenzintuiglijk is en dat wat fysiek-zintuiglijk is, nog als één geheel samenwerken, dat dan het kind in zekere zin in het rechtop gaan, in het spreken, in het denken, naar de zichtbare buitenwereld laat overgaan, wat in hem daarvóór bovenzintuiglijk leeft. Alles wat in de allereerste levenstijd van de mens naar het bloed gaat, wat er allemaal in de organen meevibreert, dat stroomt wanneer de mens zich op de buitenwereld oriënteert, naar buiten, dat stroomt in het spreken, en in het bijzonder in het denken.
Maar dat kunnen we ook weer terugnemen. De oosterse leerling van de oosterse wijze zocht in de eerste plaats door het terughouden van de spraak te bereiken, wat je een verbinding van het bovenzintuiglijke in de mens met het bovenzintuiglijke in de wereld kan noemen. Wij als nieuwere mensen moeten onze gedachten zelf naar binnen richten. We moeten heel ernstig tegen onszelf kunnen zeggen: bij het waarnemen van de natuur hebben we het ver gebracht. We hebben exacte gedachten over de sterrenvormen en sterrenbewegingen.

Es stehen vor uns die exakten Gedanken der elek­trischen, der magnetischen, der Wärme-Wirkungen, der Schall-, der Licht-Wirkungen. Wir blicken in die Welt hinaus – exakte Gedan­ken in uns bilden uns diese Welt ab. Wir müssen uns als Geistesfor­scher in die Lage versetzen können, jetzt von allen Gedanken abzu­sehen, die uns so nach außen zu den Sternen, zu den elektrischen, magnetischen Wärmeerscheinungen führen. Wir müssen imstande sein, so wie der alte Weise sein mantrisches Sprechen nach innen wendete und sich dadurch den Logos der Welt offenbaren ließ, die Kraft des Gedankens nach innen wenden zu können. Mit derselben Stärke wie äußerlich durch unsere Sinne – die körperliche Organi­sationen sind und uns zu Hilfe kommen, so daß wir nicht die eigene Stärke, die Stärke der Seele anzuwenden brauchen – müssen wir uns aufschwingen, das Denken im Meditieren so stark zu machen, daß unsere Gedanken, obwohl sie nur innerlich entwickelt werden, so lebhaft werden wie sonst die Sinnesempfindungen.

We hebben de exacte gedachten over elektriciteit, magnetisme, warmtewerkingen, geluid en licht. We kijken de ruimte in – in exacte gedachten hebben we deze wereld voor ons. Als onderzoeker van de geest moeten we in de positie kunnen komen nu juist af te zien van alle gedachten die ons zo naar de sterren, de elektriciteit, het magnetisme en de warmteverschijnselen voeren. We moeten in staat zijn zoals de oude wijze zijn mantrisch spreken naar binnen richtte en zich daardoor de Logos van de wereld liet openbaren, die kracht van de gedachten naar binnen te richten. Met dezelfde kracht als uiterlijk door onze zintuigen – het lichamelijk organisme dat ons te hulp komt, zodat we niet onze eigen kracht, die van de ziel hoeven te gebruiken – moeten we er nu toe komen het denken in het mediteren zo sterk te maken dat onze gedachten, hoewel die nu alleen innerlijk ontwikkeld worden, net zo levend worden als de zintuigervaringen. 

Blz. 129

Denken Sie nach, wenn Sie Töne hören, Farbe sehen, wenn Wärme- und Kälte-Empfindungen Ihren Leib durchrieseln, wie lebendig das alles ist, wie intensiv das wirkt. Denken Sie darüber nach, wie grau und abstrakt die Gedanken dagegen sind, die Sie von diesen Erlebnissen der Außenwelt behalten. Und Meditieren be­steht darinnen, daß man diese Gedanken – die sich nur grau und abstrakt an die Außenwelt schließen, die dadurch in uns aufdäm­mern, daß man sich passiv an die Beobachtung der Sinne hingibt -innerlich so erkraftet, so intensiviert, daß sie genauso werden wie Sinneswirkungen. Dadurch schwingt man sich auf zu einem neuen Denken. Während das Denken, das man im gewöhnlichen Leben und in der gewöhnlichen Wissenschaft hat, so ist, daß man sich darinnen passiv fühlt, daß diese Gedanken eigentlich kraftlos sind, nur Bilder sind, die die äußere Welt abbilden, kann man durch das Meditieren erreichen, daß man in der Gedankenwelt lebt, wie man in seinen Wachstumskräften lebt, wie man in Hunger und Durst lebt, wie man im innerlichen leiblichen Wohlbefinden lebt – das ist der Ertrag des Meditierens. Man muß nur eines lernen, um in einer solchen Weise die Gedankenwelt innerlich zu beleben: man muß lernen, liebend in Gedanken innerlich zu weben.

Besef, dat wanneer je tonen hoort, kleur ziet, wanneer warmte en kou door je lijf trekken, hoe levensecht dat allemaal is, hoe intensief dat werkt. En denk er dan eens over na hoe grijs en abstract daarentegen de gedachten zijn die je overhoudt aan de belevenissen vanuit de buitenwereld. En mediteren bestaat eruit dat je deze gedachten – die grauw en abstract aansluiten bij de buitenwereld en in ons uitdoven, doordat je je passief aan de zintuigwaarneming overgeeft – innerlijk zo krachtig maakt, zo intensiveert, dat ze net zo worden als het werken van de zintuigen. Daardoor werk je jezelf op tot een nieuw denken. Terwijl het denken dat je in het dagelijks leven hebt en het denken van de gangbare wetenschap, zo is, dat je je daarin passief voelt, dat die gedachten eigenlijk krachteloos zijn, alleen maar beelden die de uiterijke wereld voorstellen, dan kan je door mediteren bereiken dat je in de gedachtewereld leeft, zoals je in je groeikrachten leeft, zoals je aanwezig bent in je honger en dorst, zoals je in je lichaam een innerlijk behaaglijk gevoel hebt – dat is het resultaat van mediteren. Je hoeft maar één ding te leren om op zo’n manier innerlijk de gedachtewereld te ervaren: je moet leren innerlijk met liefde in je gedachten actief te zijn. 

Das muß man, wenn man Geistesforscher werden will, mit ebensolcher Hingabe üben, wie man, wenn man Physiker werden will, jahrelang im physikalischen Laboratorium üben muß, wie man jah­relang, wenn man Astronom werden will, auf der Sternwarte üben muß. Es ist wahrhaftig nicht leichter, Geistesforscher zu werden, als ein Astronom oder ein Physiker. Nachprüfen kann jeder, der nur ein wenig beachtet, was ich im Buche «Wie erlangt man Er­kenntnisse der höheren Welten?» beschrieben habe, dasjenige, was der Geistesforscher sagt. Aber ebensowenig, wie jeder ein Astro­nom werden soll, der die Ergebnisse der Astronomie in seine Welt­anschauung aufnimmt, ebenso wenig braucht jeder ein Geistes-forscher zu werden, wenn Geistesforschung ein Element unserer Zivilisation, unseres Kulturlebens werden soll. Ja, im Gegenteil: jene Beziehung von Mensch zu Mensch, die einmal dadurch entste­hen kann und die eigentlich in einer nicht sehr fernen Menschheitszukunft

Als je onderzoeker van de geest wil worden, moet je met net zoveel toewijding oefenen, als wanneer je natuurkundige wil worden en je jarenlang in het laboratorium moet oefenen, zoals je jarenlang op de sterrenwacht moet praktiseren, als je sterrenkundige wil worden. Het is beslist niet eenvoudiger om geesteswetenschapper te worden dan astronoom of natuurkundige.
Ieder die maar een beetje rekening houdt met wat ik in het boek ‘De weg tot inzicht in hogere werelden‘ beschreven heb, kan nagaan wat de geesteswetenschapper zegt. Maar net zomin als iedereeen astronoom hoeft te worden om de resultaten van de astronomie in zijn wereldbeschouwing op te nemen, hoeft evenmin iedereen geesteswetenschapper te worden, wil het onderzoeken van de geest een element van onze beschaving, van ons cultuurleven worden. Integendeel: iedere relatie van mens tot mens die daardoor ontstaan kan en die eigenlijk in een niet al te ver van ons vandaan liggende toekomst van de mensheid

Blz. 130

entstehen muß – wenn der Niedergang nicht immer stärker und stärker werden soll -, jenes soziale Zusammenleben zwischen Mensch und Mensch, das notwendig werden wird und, man könnte sagen eigentlich schon heute notwendig ist, das wird wesentlich belebt, wenn jenes Vertrauen wiederum in das soziale Leben der Menschen einzieht, wodurch man weiß: Wer aus den Tiefen sei­ner Seele heraus über die geistigen, übersinnlichen Welten spricht, weil er als Geistesforscher sich zu ihnen aufgeschwungen hat, der verdient Vertrauen.
Wo in dieser Weise die Seelen intim zueinander stehen können, daß die Intimitäten der übersinnlichen Welt in der übersinnlichen Wesenheit des Menschen einander mitgeteilt werden, in einer sol­chen sozialen Ordnung werden diejenigen Kräfte leben, die einzig und allein wiederum unser soziales Leben festigen werden. Des­halb ist es vollständig unbegründet und entspringt eigentlich nur einem menschlichen Egoismus, wenn man sagt: Ich halte mich nicht an die Erkenntnisse der anthroposophischen Forschung über das Übersinnliche, solange ich die Dinge nicht selber sehe. – Jeder Mensch ist so geartet, daß er für die Wahrheit und nicht für die Unwahrheit veranlagt ist. Erforschen kann nicht jeder die übersinnliche Welt, wie nicht jeder ein Bild malen kann. 

moet ontstaan – wil de neergang niet steeds sterker worden – dat sociale samenleven tussen de mensen onderling dat noodzakelijk zal worden en je zou kunnen zeggen eigenlijk nu al noodzakelijk is, dat wordt als wezenlijk ervaren wanneer dat vertrouwen weer deel wordt van het sociale leven van de mens, waardoor men weet: wie vanuit de diepte van zijn ziel over de geestelijke, spirituele werelden spreekt, omdat hij als geesteswetenschapper zich zo ontwikkeld heeft dat hij daar toegang toe heeft, die verdient vertrouwen.
Wanneer zo de zielen op een diepere manier t.o.v. elkaar kunnen staan, ze het diepere van de bovenzintuiglijke wereld in hun bovenzintuiglijk wezen aan elkaar kunnen meedelen, dan zullen in een sociale orde enkel en alleen die krachten levend werken die ons sociale leven sterker maken. Daarom heeft het geen enkele basis en komt eigenlijk alleen maar uit het menselijke egoïsme voort om te zeggen: ik houd mij niet aan de kennis van het antroposofische onderzoek van het spirituele, zolang ik de dingen niet zelf zie. Ieder mens zit zo in elkaar dat hij voor de waarheid en niet voor de leugen geschapen is. Niet iedereen kan de bovenzintuiglijke wereld onderzoeken, zoals niet iedereen een schilderij kan maken.

Wie aber jeder ein Bild, das künstlerisch gemalt ist, in sich aufnehmen kann, ebenso kann auch jeder, weil er als ganzer, als Vollmensch für die Wahrheit veranlagt ist, nicht auf einen blinden Glauben hin, son­dern auf innerliches Erleben hin die Wahrheit der Geisteswissen­schaft, wie sie hier gemeint ist, anerkennen. Diese Geisteswissen­schaft selbst kann nur dadurch erlangt werden, daß durch Medi­tieren, durch Konzentrieren innerhalb des Denklebens selbst in dieser Weise von dem gewöhnlichen abstrakten Denken zu einem bildhaften Denken vorgeschritten wird, zu einem solchen Denken, das innerlich lebendig ist. In diesem Denken leben wiederum die Weltgedanken. In diesem Denken fühlt sich dann der Mensch nicht mehr wie eingeschlossen in seinem Leibe, in diesem Denken fühlt er sich auf der ersten Stufe bezüglich des Eintrittes in die ubersinnliche Welt.

Maar de manier waarop iemand een beeld in zich kan opnemen dat kunstzinnig geschilderd is, zo kan iedereen, omdat hij als een heel mens, een echt mens geschapen is voor de waarheid, niet om die blind te geloven, maar via zijn innerlijk beleven, de waarheid van de geesteswetenschap zoals die hier bedoeld wordt, erkennen. Deze geesteswetenschap zelf kan alleen verkregen worden door het mediteren, door concentratie van het gedachteleven zelf, wanneer op deze manier van het gewone abstracte denken verder gegaan wordt naar een beeldend denken, naar zo’n manier van denken dat innerlijk leeft. In zo’n denken leven dan weer de wereldgedachten. In zo’n denken voelt de mens zich dan niet meer opgesloten in zijn lichaam, in dit denken voelt hij zich op de eerste trap wat betreft het binnengaan in de bovenzintuiglijke wereld.

Blz. 131

Der ältere Mensch ging von etwas mehr Sinnlichem, von dem nach innen gewendeten Worte aus. Der neuere Mensch muß von etwas mehr Geistigem, von dem nach innen gewendeten Gedanken selber ausgehen, und er findet dadurch seinen Zusammenhang mit dem Übersinnlichen der Welt und kann wiederum sprechen von die­sem Übersinnlichen der Welt. Denn das bleiben nicht leere Worte, die sich einem dann ergeben, wenn man in solcher Weise durch das innerlich belebte Denken in das Übersinnliche der Welt eintritt und mit dem Übersinnlichen in seinem eigenen Inneren dieses Übersinn­liche der Welt miterlebt. Geradeso, wie wir in der sinnlichen Außen­welt von den vielen Pflanzenformen, von den Formen der Tiere um­geben sind, wie wir umgeben sind von demjenigen, was uns aus den Sternen herunterleuchtet, so verglimmt gewissermaßen vor der gei­stigen Anschauung, die sich dem bildhaften Denken ergibt, die sinn­liche Welt, und eine geistige Welt geht auf. Man erblickt jetzt nicht mehr bloß die Sonne in ihrem physischen Glanze, man erblickt eine Summe von geistigen Wesenheiten, deren physisches Abbild die physische Sonne ist. Man dringt durch die physisch erscheinende Sonne zu dem geistigen Sonnenwesen vor.

De oudere mens ging uit van iets meer invoelbaars, van de woorden die nog meer naar binnen gingen. De modernere mens moet meer van het geestelijke uitgaan, van de gedachten die naar binnen gericht zijn en daardoor vindt hij zijn samenhang met de bovenzintuiglijke wereld en kan dan over deze wereld spreken. Want het blijven geen lege woorden die iemand dan krijgt wanneer je op deze manier door het denken, dat innerlijk levend geworden is, de geestelijke wereld binnengaat en met dit bovenzintuiglijke in je eigen innerlijk, dit spirituele in de wereld meebeleeft. Net zoals we in de waarneembare wereld omringd zijn door de vele planten- en diervormen, hoe we omringd zijn door wat ons vanuit de sterren toestraalt, zo verbleekt in zekere zin voor de geestelijke waarneming die in het beeldende denken verschijnt, de zintuiglijke wereld en een geestelijke wereld gaat open. Je ziet dan niet alleen maar meer de zon in de fysieke glans, je ziet een hoeveelheid geestelijke wezens waarvan hun fysieke voorkomen de fysiek aanwezige zon is. Je komt van de fysiek verschijnende zon bij de zon als geestelijk wezen. 

Und ebenso dringt man durch den physisch erscheinenden Mond zu den geistigen Monden­wesen vor. Man lernt erkennen, wie diese geistigen Mondenwesen die Menschenseele aus geistig-seelischen Welten durch die Geburt hier in das Erdenleben hereinführen, wo sie von der Mutter und von dem Vater den Leib annimmt. Man lernt erkennen, wie in dem geisti­gen Sonnenwesen diejenigen Kräfte liegen, die den Menschen durch den Tod wiederum hinausführen, und man lernt erkennen den Gang der Menschenseele aus den übersinnlichen Welten heraus.
Diese Erkenntnis vertieft sich einem allerdings noch dadurch, daß man jetzt nicht den Willen durch Körperlagen ausbildet, wie es der alte Orientale getan hat, sondern daß man den Willen in einer ahnlichen Weise ausbildet, wie man den Gedanken zu einer exakten Clairvoyance, zu einem exakten Hellsehen ausgebildet hat, wie ich es Ihnen geschildert habe. Es war auch eine Willensbildung, wenn man die äußere Orientierung unterdrückte, seine Beine kreuzte und sich darauf setzte, um in einer anderen Lage des Menschenleibes

En dat geldt ook voor de maan. Je leert hoe deze geestelijke maanwezens de menselijke ziel vanuit geest-zielenwerelden door de geboorte hier naar het leven op aarde leiden waar deze ziel van moeder en vader het lichaam aanneemt. Je leert kennen hoe in het geestelijk wezen van de zon de krachten aanwezig zijn die de mens door de dood weer wegleiden en je leert de gang van de mensenziel door de bovenzintuiglijke werelden kennen. Die wetenschap wordt ook nog eens verdiept doordat je nu niet de wil vormt door de positie van het lichaam zoals de oude Oosterse mens deed, maar doordat je de wil op soortgelijke manier vormt, zoals je de gedachten voor een exacte helderziendheid gevormd hebt, zoals ik u dat heb laten zien. Het was ook wilsvorming toen men het gericht zijn op het uiterlijke onderdrukte, zijn benen kruiste en erop ging zitten om in een andere lichaamspositie van de mens 

Blz. 132 

andere Strömungen der Welt durch den Menschen hindurch und so vom Übersinnlichen eine Wahrnehmung zu bekommen. Der moderne Mensch kann das nicht ausführen. Sein Organismus ist ein anderer geworden. Der moderne Mensch muß auf den Willen selber gehen. Was der alte Orientale, ich möchte sagen durch eine mehr physische Weise durch Körperstellungen ausgebildet hat – er stellte ja auch den Körper nach Osten, nach Westen, nach Süden -, alles dasjenige würde Scharlatanerie für den modernen Menschen sein. Der moderne Mensch muß seinen Willen unmittelbar in die Hand nehmen. Und Sie finden wiederum in «Wie erlangt man Erkennt­nisse der höheren Welten?» und in der «Geheimwissenschaft» eine ganze Anzahl von Übungen zur Selbstüberwindung, Selbsterzie­hung, vor allem zur Willenskultur. Ich möchte nur einige anführen.
Wenn der Mensch zum Beispiel – während er sonst gewöhnt ist, mit seinem Denken nur die äußeren sinnlichen Vorgänge von rück­wärts nach vorne [vom Früheren zum Späteren] zu verfolgen – sein Denken umstellt, zum Beispiel abends dasjenige, was er zuletzt er­lebt hat, vorstellt, dann dasjenige, was er früher am Tage erlebt hat und so zurück bis zum Morgen,

andere stromen uit de wereld door de mens heen te krijgen en zo van het bovenzintuiglijke een waarneming te krijgen. Dat kan de moderne mens niet uitvoeren. Zijn organisme is anders geworden. De moderne mens moet met de wil werken. Wat de oude Oosterling op een meer fysieke manier door lichaamshoudingen ontwikkeld heeft – hij richtte het lichaam ook naar het oosten, het westen, naar het zuiden – dat zou voor de moderne mens allemaal poppenkast zijn. De moderne mens moet direct met zijn wil aan het werk gaan. En dan vindt u weer in ‘De weg tot inzicht in hogere werelden‘ en in Wetenschap van de geheimen der ziel‘ een heel aantal oefeningen om zelf verder te komen, voor zelfopvoeding, boven alles voor het cultiveren van de wil. Ik wil er een paar noemen. Wanneer de mens bijv. – terwijl hij anders gewend is met zijn denken alleen de uiterlijk zintuiglijke processen van achter naar voren (van wat eerder was naar wat later kwam] te volgen – zijn denken omkeert, bijv. zich  ’s avonds voorstelt wat hij het laatst beleefd heeft, en dan wat hij eerder op die dag heeft beleefd en zo terug tot ’s morgens, 

wenn er also gewissermaßen die Naturordnung in umgekehrter Folge vor seiner Seele darstellt, dann reißt er sich mit seinem Denken, das sonst an dem Naturlaufe haftet, das vom Früheren zum Späteren geht, los von diesem Natur-laufe. Er denkt dem Lauf der Natur entgegengesetzt. Dadurch er­kraftet sich der Wille, der in dem Denken liegt. Insbesondere ist das dann der Fall, wenn man auf Kleinigkeiten, auf Einzelheiten ein­geht. Stellen Sie sich zum Beispiel vor: Ich bin heute über eine Trep­pe hinaufgegangen; ich stelle mich nicht auf der untersten Stufe, sondern auf der höchsten Stufe vor, gehe so zurück, stelle das ganze Hinaufgehen als einen Heruntergang vor, reiße mich los von dem­jenigen, was wirklich Erlebnis war, stelle es umgekehrt vor. Da­durch erkrafte ich den Willen, der in dem Denken liegt. Ich kann diesen Willen auch dadurch erkraften, daß ich zum Beispiel meine Selbsterziehung in die Hand nehme, daß ich mir sage: Ich habe diese oder jene Lebensgewohnheit; ich ändere sie – ,in drei Jahren muß ich in bezug auf irgend etwas eine ganz andere Lebensgewohnheit

wanneer hij in zekere zin dat wat van nature verloopt, nu in omgekeerde volgorde zich voorstelt, dan maakt hij zich met zijn denken dat anders vastzit aan het natuurlijk verloop van het eerdere naar het latere, los van dit natuurlijk verloop. Hij denkt de gang der dingen omgekeerd. Daardoor wordt de wil die zich in het denken bevindt, sterker. Dat is in een bijzondere mate het geval, wanneer je op details, op kleinigheden ingaat. Stelt u zich bijv. voor: ik ben vandaag met de trap naar boven gegaan; ik ga niet op de onderste tree staan, maar op de bovenste, ga dan terug, stel me het naar bovengaan als een naar beneden gaan voor; maak me los van wat de echte beleving was, stel het me omgekeerd voor. Daardoor maak ik de wil in het denken sterker. Ik kan deze wil ook sterker maken doordat ik bijv. mijn zelfopvoeding ter hand neem, dat ik tegen mezelf zeg: ‘Ik heb die of die gewoonte, dat ga ik anders doen – binnen drie jaar moet ik met dit of dat een heel andere levensgewoonte

Blz. 133

haben. Und so gibt es Hunderte und Tausende von Übungen, die unmittelbar Willensübungen sind, die unmittelbar auf eine Umänderung des Willens abzielen, so daß sich der Wille losreißt von demjenigen, was ihm durch die bloße Körperlichkeit auf-gedrängt ist.
Dadurch macht in seiner Art der moderne Mensch etwas Ähn­liches durch wie der alte Mensch durch seine Körperstellung. Denn zu diesen alten Übungen können wir aus den erwähnten Gründen nicht wiederum zurückgehen. Dadurch aber gelangt dieser moder­ne Mensch dazu, immer mehr und mehr in ein unmittelbares Ver­hältnis seines eigenen Übersinnlichen zu dem Übersinnlichen der Welt zu kommen.
Was ich da meine, darf ich vielleicht durch ein Gleichnis klarma­chen. Das menschliche Auge zum Beispiel – wodurch ist es eigent­lich unser Sehorgan? Nun, Sie können an der Starkrankheit, die eine Verhärtung der Linse oder des Glaskörpers darstellt, sehen, wie das Auge nicht mehr dem Sehen dienen kann, wenn sich das Materielle im Auge geltend macht. Das Auge muß in gewissen Teilen seiner Organe selber absolut durchsichtig sein, wenn es dem Sehen dienen soll.

hebben. En zo zijn er honderduizend oefeningen die meteen wilsoefeningen zijn, die direct werken op een omvormen van de wil. zodat de wil loskomt van wat deze door de lichamelijkheid opgedrongen wordt.
Daardoor maakt de moderne mens iets soortgelijks door als de oude mens door zijn lichaamsposities. Want wij kunnen niet teruggaan naar die oude oefeningen zoals ik al verklaard heb. Daardoor echter komt de moderne mens steeds meer in een directe verbinding van zijn eigen spiritualiteit met die van de wereld.
Wat ik bedoel, mag ik misschien door een vergelijking verduidelijken. Het menselijk oog bijv. – waarom is dat een gezichtszintuig. Je kan aan de staarziekte die een verharding van de lens of het glaslichaam is, zien hoe het oog niet meer geschikt is om te zien wanneer de materie de overhand krijgt. Het oog moet in bepaalde delen zelf absoluut doorzichtig zijn, als ’t het zien wil dienen.

Es muß gewissermaßen selbstlos sein, dann dient es dem Men­schen. So wird unser Leib, wenn wir den Willen in der Weise er­kraften, wie ich es eben dargestellt habe, geistig-seelisches Sinnes­organ – wenn ich das Paradoxon gebrauchen darf; unser Leib wird –    in gewissen Augenblicken der Erkenntnis natürlich, sonst im Le­ben wohl – nicht mehr von Trieben, Instinkten, Begierden, welche unseren Körper undurchsichtig machen, in seelischer Weise durch­drungen. Er wird in bezug auf Wünsche, Triebe, Begierden so rein, wie es in bezug auf das Materielle das durchsichtige Auge ist. Und wie man durch das durchsichtige Auge die Farbenwelt sieht, so kommt man durch den wunsch- und begierdelos gewordenen Leib
–    er ist es nicht immer, aber er kann darauf eingestellt werden bei demjenigen, der sich dazu durch die Übungen in den genannten Büchern geübt hat – zum Ansichtigwerden der geistigen Welt, der übersinnlichen Welt, der man als übersinnliche Wesenheit des Menschen, die man ja in seinem Innern ist, angehört.

In zekere zin moet het onzelfzuchtig zijn, dan kan het de mens dienen. Zo wordt ons lichaam, wanneer we de wil op die manier sterker maken die ik zojuist aangegeven heb, een zintuig voor geest en ziel – wanneer ik de paradox mag gebruiken; op bepaalde kennisogenblikken natuurlijk, anders in het leven wel – dringen bepaalde driften, instincten, begeerten die ons lichaam ondoorzichtig maken, niet meer vanuit de ziel door in ons lichaam. Dat wordt m.b.t. tot wensen, driften, begeerten zo puur als het doorzichtige oog, wat betreft de materie. En zoals je door het doorzichtige oog de wereld van de kleur ziet, zo kom je door het lichaam dat zonder wensen en begeerten is geworden – dat is niet steeds zo, maar het kan zo gaan bij degene die zich door de oefeningen in de genoemde boeken geoefend heeft – tot het doorzichtig worden voor de geestelijke wereld, de bovenzintuiglijke wereld waartoe je hoort als spiritueel mensenwezen dat je innerlijk bent.

Blz. 134

Damit lernen wir das wahrhaft Übersinnliche in dem Menschen selber kennen. Hat man einmal durchschaut, wie es sich mit dem Menschen verhält, wenn er seinen Leib in der geschilderten Weise durchsichtig gemacht hat, wenn er in der rein übersinnlichen Welt lebt, dann hat man schauend das Rätsel des Todes gelöst, denn man hat in der Anschauung das Leben ohne den Leib. Man weiß, wie man lebt, wenn man durch die Todespforte gegangen ist und den Leib abgelegt hat. Man weiß, wie es sich in der Welt ohne den Leib lebt. Man lernt auf diese Weise sein eigenes menschliches Übersinn­liches kennen. Und indem man so sein eigenes menschliches Über­sinnliches kennenlernt, wie es lebendig seelisch durch die Todes-pforte geht, lernt man es erkennen als etwas, was von einer über­sinnlichen Welt dann aufgenommen werden kann, wie es bei der Empfängnis von der übersinnlichen Welt entlassen worden ist. Lernt man auf diese Weise durch den lebendigen Gedanken, der im Meditieren errungen wird, hinter der Sonne die geistige Sonnen-welt, hinter dem Mond die geistige Mondenwelt kennen, das heißt diejenigen geistigen Wesenheiten, welche den Menschen ins irdi­sche Dasein hereinführen, welche ihn aus dem irdischen Dasein hinausführen, dann lernt man das Übersinnliche der Welt kennen. 

Daarmee leren we het zuivere spirituele in de mens zelf kennen. Als je eenmaal doorziet hoe dit met de mens in relatie staat, wanneer hij zijn lichaam op de aangegeven manier doorzichtig gemaakt heeft, wanneer hij in de zuiver bovenzintuiglijke wereld leeft, dan heb je ook schouwend het raadsel van de dood opgelost, want je ziet nu het leven zonder het lichaam. Je weet dan hoe je leeft wanneer je door de poort van de dood gegaan bent en het lichaam los hebt gelaten. Je weet wat het is zonder lichaam in de wereld te leven. Je leert op deze manier je eigen menselijke spiritualiteit kennen. En wanneer je leert kennen hoe je eigen menselijke spiritualiteit levend-zielsmatig door de poort van de dood gaat, leer je het kennen als iets wat dan door de geestelijke wereld kan worden opgenomen, hoe het bij de geboorte door de geestelijke wereld losgelaten is. Leer je op deze manier door de levende gedachten die in het mediteren ontwikkeld worden, achter de zon de geestelijke zon, achter de maan de geestelijke maanwereld kennen, d.w.z. die geestelijke wezens die de mens naar de aarde leiden en hem wegleiden van het aardse bestaan, dan leer je de bovenzintuiglijke wereld kennen.

Und dann weiß man, wie unsere lebendige Seele nach dem Tode von dem lebendigen Wesen der Welt, dem lebendigen Wesen des Universums, des übersinnlichen Universums aufgenommen wird. Wie unser Leib von der Sinnenwelt aufgenommen wird und zum Tode gerufen wird, so wird zum Leben im Ewigen die Menschenseele von denjenigen Wesen gerufen, die man im Übersinnlichen der Welt durchschaut.Den Gang, den die Menschheitszivilisation auf diese Weise ge­nommen hat, den erkennen wir dann als einen solchen, der uns die Kraft gibt, in der Gegenwart wiederum aus unserer Natur heraus in ebenso exakter Weise durch Willenskultur – die, wie sonst mathe­matische Probleme, ganz exakt in Übungen durchgeführt wird, durch Übungen in Gedanken, wie ich sie geschildert habe, die zur exakten Clairvoyance führen -, an die natürliche Weltenordnung eine Moralität, eine Religion anzugliedern.

En dan weet je hoe onze levende ziel na de dood door de levende wezens van de wereld, de levende wezens van het universum, van het bovenzintuiglijke universum opgenomen wordt. Zoals ons lichaam door de zintuigwereld opgenomen wordt en tot de dood geroepen, zo wordt de mensenziel geroepen tot het leven in de eeuwigheid door die wezens die je in het spirituele van de wereld aanschouwt.
De gang die de beschaving van de mensheid op deze manier gegaan is, leren we dan kennen als een die ons de kracht geeft in de huidige tijd weer vanuit onze natuur aan de natuurlijke wereldorde een moraliteit, een religie aan te knopen. Door wilscultuur, door gedachteoefeningen zoals ik die heb laten zien, die tot een exacte helderziendheid. Vergelijkbaar met net zo’n exacte manier waarop mathematische problemen geoefend worden

Blz. 135

Das brauchen wir heute. Dieser Gang der Menschheitsentwick­lung, er wird auch in grandioser Weise angedeutet in der Stellung, die gerade eine wirkliche Geisterkenntnis dem Mysterium von Golgatha in der Menschheitsentwicklung geben kann.
Wie war es doch – lassen Sie mich das zum Schlusse noch mit einigen Worten andeuten – unmittelbar, nachdem das Mysterium von Golgatha sich auf der Erde abgespielt hat, mit denjenigen Men­schen, die die ersten Bekenner dieses Mysteriums von Golgatha waren? Sie haben hingeschaut auf dasjenige, was ihnen berichtet worden ist, daß es auf Golgatha geschehen ist. Sie haben hingeschaut auf dasjenige, was der Jesus von Nazareth erlebt hat, und sie haben empfunden, daß in dem Jesus von Nazareth als Menschen das göttlich-geistige Christus-Wesen gelebt habe.
Das haben sie empfunden, daß dieses göttlich-geistige Christus-Wesen zu ihnen heruntergestiegen ist auf die Erde, um ihnen etwas zu bringen, was sie auf Erden gar sehr brauchten. Was hat denn Veranlassung gegeben, daß diese ersten Christen die Weisheit des Mysteriums von Golgatha so unbedingt angenommen haben? Das hat Veranlassung gegeben, daß da noch Reste vorhanden waren je­ner alten Anschauungen, die sich sagten: 

Dat hebben we tegenwoordig nodig. Deze gang van de mensheidsontwikkeling wordt ook op een grandioze manier aangegeven door de betekenis die met name  een werkelijk spiritueel weten aan het mysterie van Golgotha in de mensheidsontwikkeling kan geven.
Hoe was het toch nadat het mysterie van Golgotha zich op aarde had afgespeeld vrijwel daarna met de mensen die de eerste verkondigers van dit mysterie van Golgotha waren? Ze hebben hun blik gericht op wat zij te horen kregen over wat er op Golgotha was gebeurd. Ze hebben hun blik gericht op wat Jezus van Nazareth doormaakte en ze hebben ervaren dat in de mens Jezus van Nazareth de goddelijk-geestelijke Christus geleefd heeft.
Ze hebben ervaren dat dit goddelijk-geestelijk Christuswezen tot hen is afgedaald op aarde om hen iets te brengen wat ze op aarde dringend nodig hadden. Wat was er dan de oorzaak van dat deze eerste christenen de wijsheid van het mysterie van Golgotha zo zonder meer aangenomen hebben? Dat kwam omdat er nog resten aanwezig waren van de oude opvattingen die zeiden:

Der Mensch ist von über­sinnlichen Welten durch die Geburt ins irdische Dasein herunter­gestiegen. Als der Mensch in älteren Zeiten das noch aus seinem instinktiven Anschauen und aus demjenigen, was ihm seine Ein­geweihten, seine Lehrer gesagt haben, ganz klar gewußt hat, da empfanden die Menschen, daß ein geistiger Führer in den geistigen Welten war, der sie zum physischen Erdendasein heruntergeleitet hat. Aber sie fühlten, weil sie wußten, daß sie als Geister auf die Erde heruntergekommen sind, daß sie auch durch die Pforte des Todes gehen werden. Und der Tod hatte nichts Rätselhaftes, keine Schrecken für die ältere Menschheit, geradeso – mißverstehen Sie den Vergleich nicht, es ist nicht für den Menschen herabsetzend gemeint – wie das Tier auch keine Todesrätsel und keinen Schrek­ken des Todes empfindet.
Daß der Mensch den Tod empfinden lernte, kam erst im Laufe der Zeit. Der Tod wurde erst Rätsel, als der Mensch nicht mehr das

De mens is vanuit geestelijke werelden door de geboorte naar het aardse bestaan afgedaald. Toen de mens in de oudere tijden dat nog uit zijn instinctieve blik en uit wat hem zijn ingewijden, zijn leraren zeiden, heel helder wisten, ervoeren de mensen dat er een geestelijke leider in de geestelijke werelden was die hen naar het fysieke bestaan begeleid had. Maar ze voelden, terwijl ze wisten dat zij als geest op de aarde gekomen waren, dat zij ook door de poort van de dood zouden gaan. En de dood had niets raadselachtigs, boezemde de oudere mensheid geen angst in, net zoals – begrijp mijn vergelijking niet verkeerd, die is niet beledigend bedoeld – het dier ook geen raadsels omtrent de dood kent of angst daarvoor ervaart. Dat de mens de dood leerde beleven, kwam pas in de loop van de tijd. De dood werd een raadsel toen de mens niet meer het

Blz. 136

Rätsel der Geburt hatte, als er nicht mehr hinaufschaute in die gei­stig-seelischen Welten, aus denen er heruntergestiegen war, als in der Menschheitsentwicklung die Anlage heraufkam, die dann alles dasjenige, was wir im Geburtsvorgang haben, als ein bloß Natür­liches ansah – da kam über die Menschen das Todesrätsel, da kam der eigentliche Schrecken des Todes.Das wurde nicht geheilt durch eine theoretische Erkenntnis, das wurde aber dadurch geheilt, daß sich das Mysterium von Golgatha auf der Erde abspielte. Und die Menschen wußten aus den Resten der alten Weisheit, daß der Christus, der auf der Erde in dem Men­schen Jesus von Nazareth erschienen war, dasselbe Wesen war, das die Menschen als Seelen aus geistig-seelischen Welten auf diese Erde heruntergeleitete. Und die ersten Christen wußten, daß der Chri­stus auf die Erde heruntergestiegen ist, um den Menschen auf Erden dasjenige zu geben, was sie über das Rätsel des Todes hinwegführt. Daher sehen wir jenen Zusammenhang, den selbst noch Paulus zwischen dem Todesrätsel und demjenigen, was auf Golgatha voll­bracht worden ist, hat. Wir sehen, daß Paulus den Menschen klar-macht, daß sie über den Tod als Menschenseelen nur hinausdenken können, wenn sie hinblicken können zu dem Auferstandenen, das heißt zu dem den Tod besiegenden Christus.

het mysterie van de geboorte kende, toen hij niet meer in de geest-zielenwereld kon schouwen, waaruit hij was afgedaald, toen in de mensheidsontwikkeling de aanleg kwam alles wat wij bij de geboorte hebben, enkel te zien als iets van de natuur – toen kwam het mysterie van de dood onder de mensen, toen kwam de eigenlijke angst voor de dood.
Dat werd niet beter door theoretische kennis, maar wel door wat zich afspeelde op aarde met het mysterie van Golgotha. En de mensen wisten vanuit een rest van de oude wijsheid dat de Christus die op aarde in de mens Jezus van Nazareth was verschenen, hetzelfde wezen was dat de mensen als ziel vanuit geest-zielenwerelden naar deze aarde begeleidde. En de eerste christenen wisten dat de Christus naar de aarde was afgedaald om de mensen op aarde te geven wat hen boven het mysterie van de dood zou verheffen. Daarom zien we die samenhang  tussen het mysterie van de dood en wat op Golgotha volbracht was, dat die zelfs nog bij Paulus leeft. Wij zien dat Paulus de mensen duidelijk maakt dat zij als mensenziel alleen verder kunnen denken dan de dood, wanneer ze kunnen opzien naar de Opgestane, d.w.z. naar de Chrsitus die de dood overwon. 

Nun, aus älterer Weisheit heraus waren die ersten Christen noch imstande – mehr fühlend als klar erkennend -, den Christus als den­jenigen zu erfassen, der auf die Erde heruntergestiegen ist. Die neuere Geisteswissenschaft, von der ich Ihnen heute abend gespro­chen habe, lehrt die Menschen wiederum durch exakte Clair­voyance in die übersinnlichen Welten hineinschauen. Diese anthro­posophische Geistesforschung wird, indem sie den Menschen zum Schauen außer seinem Leibe hinführt – wenn dieser Leib in der ge­schilderten Weise durchsichtig geworden ist und sich der Mensch in der Welt, in der er zu leben hat, wenn er durch die Pforte des Todes geschritten ist, erlebt -, wiederum hinweisen dürfen nicht nur auf den Menschen Jesus von Nazareth, sondern auf den göttlich-geisti­gen Christus, der aus übersinnlichen Welten heruntergestiegen ist und das Übersinnliche im Menschen selber durchkraften kann. Aus

Vanuit een oudere wijsheid waren de eerste christenen nog in staat – meer vanuit het gevoel dan door bewuste kennis – Christus als diegene te beschouwen die naar de aarde was afgedaald. De nieuwere geesteswetenschap waarover ik vanavond heb gesproken, leert de mensen weer door exacte helderziendheid in de bovenzintuiglijke wereld te zien. Wanneer het antroposofisch geestesonderzoek de mens leidt bij het waarnemen buiten zijn lichaam om  en wanneer dit lichaam op de geschetste manier doorzichtig geworden is en de mens de wereld waarin hij moet leven wanneer hij door de poort van de dood is gegaan,-ervaart, kan dit hem niet alleen wijzen op de mens Jezus van Nazareth maar ook op de goddelijk-geestelijke Christus die uit bovenzintuiglijke werelden afgedaald is en het spirituele in de mens zelf versterken kan. Uit 

Blz. 137

dieser Durchkraftung, aus dieser Kraft heraus, die Christus in ihm nach dem Paulusworte: «Nicht ich, sondern der Christus in mir» entfaltet, kann der Erdenmensch den Impuls gewinnen, mit dem Christus als lebendige Seele durch den Tod durchzugehen, um nicht blind in jene geistigen Welten einzutreten, in denen er – wie ich es dargestellt habe – von dem Sonnenwesen aufgenommen wird, sondern durch das Licht, das Christus auf die Erde gebracht hat, sehend in diese geistige Welt einzutreten.
So kann eine solche anthroposophische Geisteswissenschaft das religiös-christliche Leben aufnehmen. So wird das religiös-christli­che Leben auf diese Weise gerade durch die anthroposophische Geisteswissenschaft wiederum eine Vertiefung erfahren. Die letzten Jahrhunderte haben uns die Großartigkeit der Naturwissenschaft gebracht, die wir langsam sich entwickeln sehen – jedoch so, daß wir in dem Entwickelnden keine moralische Weltordnung erblicken können, ja die Natur sich uns um so treuer offenbart, je weniger wir in sie hineinmoralisieren. 

dit sterker worden, uit deze kracht die Christus in hem volgens het woord van Paulus: ‘Niet ik, maar de Christus in mij’ ontwikkelt, kan de aardse mens de impuls verkrijgen met Christus als levende ziel door de dood te gaan om niet blind in die geestelijke werelden binnen te gaan waarin hij – zoals ik heb laten zien – door het zonnewezen opgenomen wordt, maar door het licht dat Christus op aarde gebracht heeft, ziende in deze geestelijke wereld binnen te gaan.
Zo kan een dergelijke antroposofische geesteswetenschap het religieus-chtistelijke leven in zich op nemen. Zo zal het religieus-christelijke leven op deze manier juist door de antroposofische geesteswetenschap weer een verdieping ondergaan. De laatste eeuwen hebben ons de grootsheid van de natuurwetenschap gebracht die wij langzaam tot ontwikkeling zien komen – maar zo, dat wij in deze ontwikkeling geen morele wereldbeschouwing kunnen waarnemen; zelfs hoe zuiverder de natuur zich openbaart, hoe minder wij er aan morele zaken in kunnen leggen.

Wie wir uns jedoch nicht eigentlich an dasjenige, was Naturgesetzlichkeit ist, als an ein Göttliches hinge­ben können, so werden wir aber, indem wir die exakte Methode, die wir in der Mathematik, in der Naturwissenschaft anwenden gelernt haben, auf das Denken anwenden, dieses zur Bildhaftigkeit, zur exakten Clairvoyance erheben. Und indem wir die exakte Methode auf unseren Willen anwenden, uns selbst erziehen, die schönsten Taten zu unserer Selbsterziehung tun, werden wir dadurch nicht zu einer äußerlich scharlatanhaften Magie, sondern zu einer inner­lichen, idealistischen Magie kommen und so wiederum das Mora­lische an das Natürliche, an das Religiöse anknüpfen.
Und letzten Endes: was will diese Anthroposophie, von der ich hier spreche? Sie will den tiefen Abgrund ausfüllen, der wenigstens für den modernen Menschen, für alle Menschen, die nur irgendwie die Welt miterleben, unbewußt zwischen der natürlichen amora­lischen Weltenordnung auf der einen Seite und der religiösen mora­lischen Ordnung auf der anderen Seite besteht, damit der Mensch in der Zukunft in seinem Leben, in dem, was ihm durch seinen Leib die Natur, die Sinnlichkeit gibt, das starke Übersinnliche wieder

Zoals wij ons toch niet echt aan de natuurwetmatigheden kunnen overgeven als was het iets goddelijks, zo zullen wij als we de exacte methode die wij in de mathematica, in de natuurwetenschap hebben leren gebruiken, op het denken toepassen, dit verheffen tot beeldend denken, tot exacte helderziendheid. En wanneer we de exacte methode op onze wil toepassen, ons zelf opvoeden, iets heel moois verrichten voor onze zelfopvoeding, komen wij daardoor niet tot een uiterlijke scharlatenachtige magie, maar tot een innerlijke, idealistische magie om zo het morele weer te verbinden met de natuur, met het religieuze. En ten slotte: wat wil deze antroposofie waarover ik hier spreek? Ze wil de diepe kloof overbruggen die er in ieder geval voor de moderne mens bestaat, voor alle mensen die slechts op de een of andere manier de wereld meebeleven, die er onbewust bestaat tussen de natuurlijke, niet-morele wereldbeschouwing aan de ene kant en de religieus-morele wereldbeschowuing anderszijds, zodat de mens in de toekomst in zijn leven in wat de natuur, het zintuiglijke hem via zijn lichaam, geeft, het sterke bovenzintuiglijke weer

Blz. 138

habe, in das die Weltenmoral, nicht nur die Menschheitsmoral her­einströmt, in das nicht bloß die Naturordnung, sondern die gött­liche Ordnung hereinströmt.
Und mit den kosmisch-moralischen Impulsen, die seine indivi­duellen werden, mit der Durchdringung mit dem durch den geistig geschärften Blick ihm gegebenen Gottesbewußtsein, wird der Mensch seinen Weg in die Zukunft finden und jene wichtigen Fra­gen und Rätsel lösen, die man heute schon ahnen kann, wenn man nicht schlafend, sondern mit voller, wacher Unbefangenheit die Welt rings herum und dasjenige, was im Menschenherzen als Drang, als Hoffnung aus der Gegenwart heraus in die Zukunft hinein leben kann, ansieht.

bezit, waarin de wereldmoraal, niet alleen de moraal van de mensheid, instroomt, waarin niet alleen de natuurorde, maar de goddelijke orde stroomt. En met de kosmisch-morele impulsen die hem eigen worden, met het doordringen van het hem gegeven godsbewustzijn, met de door de geestelijk scherper geworden blik, zal de mens zijn weg in de toekomst vinden en die belangrijke vragen en raadsels oplossen waarvan je nu een vermoeden kan hebben, wanneer je niet slapend, maar met een volle, wakkere onbevangenheid de wereld om ons heen aanschouwt en ziet wat in de mensenharten als drang, als hoop uit het heden naar de toekomst leven kan. 

.

[1] GA 297A [Duits]
[2] GA 297A [Duits]    

GA 297Ainhoudsopgave

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

.

2379

/

 

 

 

./

 

 

 

./

 

 

 

./

 

 

Wat op deze blog staat

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.