Tagarchief: Frans 3e klas

VRIJESCHOOL – Niet-Nederlandse talen* – klas 2 of 3 – Frans

.

In veel vrijescholen worden in de klassen 1 en 2 Engels en/of Duits gegeven. Met Frans wordt meestal in klas 3 begonnen.
In Duitsland ligt dat iets anders, want hier is Duits geen andere taal zoals bij ons; vandaar dat er in de meeste vrijescholen in de 1e klas al met Frans wordt gestart.

Onderstaand artikel gaat over een opvoering in klas 2 ‘Reintje de vos’. In Nedeerland zou je dat zeker ook in klas 3 kunnen doen.

Jessica Gube, Erziehungskunst, maart 2019
.

WIE WAS REINTJE DE VOS?
uIT DE FRANSE LES IN DE TWEEDE KLAS

Samenhangen beleven is een motief dat voor de vrijeschoolpedagogie wezenlijk is. Met de verhalen over de slimme vos kunnen deze én tussen de vakken als ook tussen de culturen gevormd worden.

De tweede klas voert met zijn klassenleerkracht een toneelstukje op dat in het hoofdonderwijs ingestudeerd werd – Reintje de Vos voor de rechtbank aan het hof van de leeuw, de koning der dieren.
Opgewekt en met verve spelen de kinderen de scènes met de listige vos die steeds weer iedereen voor de gek houdt en ook in de neteligste situaties zijn kop uit de galg weet te houden.

Fabels en legenden vormen de vertelstof van het hoofdonderwijs in de tweede klas. Terwijl de heiligenlegenden vertellen over hoe de mens de blik naar boven wendt, over het zoeken naar de hemelse wereld, gaat het bij de fabels over de vele karaktereigenschappen en de zwaktes van de mens die zich hullen in het dierlijke kleed. Enthousiast geworden door het hoofdonderwijs, is er een heel goede voedingsbodem gelegd om aan te knopen bij de lessen in de niet-Nederlandse talen.

Meer omvattende motieven maken samenhangend leren mogelijk

In de niet-Nederlandse taalles kun je in de tweede klas de wereld van de dieren op velerlei manieren gebruiken. Ook de poëtische vorm ontbreekt daarbij niet. Met name in het Frans kom je bijna meteen bij de fabels van Jean de La Fontaine (1621-1695) uit en bij de ‘Roman de Renart’, in het Nederlands ‘verhalen van Reintje de Vos’. Zowel La Fontaine als Reintje behoren tot de klassiekers van het Franse cultuurgoed. In Frankrijk is er nauwelijks een jong mens te vinden die als scholier niet eens een keer een van de fabels van La Fontaine uit het hoofd leerde. Na tientallen jaren worden ze meest nog zomaar als uit het niets verteld.
‘Le corbeau et le renard’, de vos en de raaf die ruzie maken om een stuk kaas, dat de vos uiteindelijk door een list te pakken krijgt, is zondermeer een klassieker.

Het is niet moeilijk om voor Frans in de tweede klas een keus te maken. Met een grote tekening die de beginsituatie verbeeldt, heb je in de les al een kader gemaakt waarbij je niets hoeft uit te leggen; je vertelt het verhaal, de woordenschat is aanschouwelijk. ‘Ah, die kennen we, dat is natuurlijk Reintje de Vos’, de kinderen vinden dat fijn. Met grappige gebaren die het duidelijker maken en karakteristieke accenten worden de twee dieren gesproken met steeds terugkerende verzen en dat wordt iedere dag herhaald. Tegelijkertijd met dit speelse uit het hoofd leren, spreken we voor en na het verhaal vrij in losse zinnen. We beschrijven met een eenvoudige woordenschat de tekening en stellen vele vragen in het Frans die bij de fabel aangeknoopt kunnen worden: wie bevindt zich waar, wie eet graag kaas, wie eet het op, wie lacht wie uit, wie wordt boos, wie is arm enz. De kinderen beleven plezier aan de listige vos en hebben meelij met de arme raaf die natuurlijk wel zelf de schuld is van zijn ellende.

Vers en beeld aan het eigen lijf ervaren – het in scène zetten

De kinderen beleven er veel plezier aan als ze het verhaal kunnen spelen. De raaf, in het zwart, met een lap stof als vleugels en een grote snavel van geel karton, krijgt als kaas een grote gele spons onder z’n kin geklemd. Hij zit op een ‘boom’, een trapje met een groen kleed en kijkt van boven naar beneden naar de in het rood geklede vos die tussen de bomen door sluipt – de rest van de klas, in het groen, zijn de ‘bomen’. Dat is het al, meer is niet nodig om de fantasie van de kinderen en van de dichter in het juiste licht te zetten. 
Alles krachtig spreken! Naar de figuren wijzen wanneer die aan de beurt zijn! Niet wegdromen! Het wordt in koor gesproken, nog niet individueel. Iedereen moet alles kennen. Dat is geen geringe opdracht. Ook wanneer de fabel maar drie minuten duurt, vereist dit al een hele serie oefeningen.

Drie weken later:

Bij de opvoering op het toneel merken de kinderen hoe het publiek op het juiste ogenblik lacht en de kinderen zijn trots en gelukkig. Een groot applaus is de beloning voor het oefenen. 
De beelden die innerlijk blijven, zijn gestolde ervaringen, een voldane werkelijkheid. Dat is het gevoel bij een levendige taalcultuur en dat nu wil juist het vroege niet-Nederlandse taalonderwijs op de vrijeschool mogelijk maken.

Van doen naar begrijpen

Ook zonder uitleg of dwarsverbanden kan de spiegel van de menselijke karaktereigenschappen- en zwakte in de dierverhalen een invoelend begrijpen, een aanvoelen van een moraal bij de kinderen oproepen dat ontstaat door het beleven tijdens het doen. 
Het in sociaal verband leren als mensen samen, met alle karakterfacetten die zich daar voordoen, is ook voor het klassenleven een concrete ervaring. Verhalen van het ‘menselijk drama’ in diervorm leveren kunstzinnige beelden die niet uitgelegd hoeven te worden. 
Het cognitieve begrijpen van woorden, zinswendingen en manieren van uitdrukken in het Frans in het kader van een niet-Nederlandse taal leren is een verdere stap, meer op het leervlak dat in de les eerst via de herhaling, dan via de overdracht geoefend wordt dat de basisregel ‘via het doen en beleven tot begrijpen komen’ als pedagogisch uitgangspunt van de onderbouw verduidelijkt. 

‘Reinaert’ – een veel verklaarde verschijning in vele gedaantes

Wie was dit Reintje, deze ‘Reinaert’ eigenlijk? Bij deze vraag blijkt eens te meer hoe wonderbaarlijk de wereld in elkaar zit en ons cultuurgoed uit vele landen komt.
De eerste sporen van de verhalen over ‘Reinaert’ (overigens uit het Middelhoogduits ‘Reinhard’ of ook wel ; Reginhard’ dat met de eerste lettergreep ‘raad’ en met de tweede hard, sterk, helder betekent en in een afgeleide vorm als eigennaam naar Frankrijk kwam) stammen uit het noorden van Frankrijk, waar ze tussen 1040 en 1170 eerst in Lotharingen, daarna nog iets noordelijker opduiken, in hoge mate anoniem, tot wel in 25 verschillende handschriften. Ieder handschrift vertelt nieuwe episoden die als loten, vertakkingen van het eerste verhaal de tijd overleven. Vanuit Frankrijk sprong Reintje over de taalgrenzen, kwam in het Nederlandse en in 1498 in een handschrift uit Lúbeck ook in het Duits terecht om vandaar uit te zwermen naar Scandinavië om tenslotte verbreiding over heel Europa te vinden. 
Met het aflopen van de middeleeuwen raakte Reinaert wat in vergetelheid, werd echter door de gebroeders Grimm, vooral door Jacob Grimm, weer in het daglicht geplaatst en zelfs in de 20e en 21e eeuw duikt hij steeds weer op, 1915 als opera ‘Le renard’ van Igor Stravinski, als theaterstuk in 1987 in het Hamburger Schauspielhaus of als kinderboek in 1962 door Janosch en als kinderanimatiefilm

De vos op zich duikt in de vertellingen van de mensen overal op waar hij in de natuur thuis is, dus in Eurazië, Noord-Amerika en in het Middellandse Zeegebied. 
Dieren als boodschapper van het menselijke karakter kun je vanuit het Avondland via Rome (Phaedrus) en Griekenland (Aesopus) tot in het Morgenland tot in India (Panchatantra) vinden.

En ten slotte: het Oudfranse woord voor vos (goupil) werd na het bekend worden van de ‘Roman de Renart’ die zich al gauw in een ongekende populariteit mocht verheugen, zo sterk naar de achteergrond gedrukt, dat uiteindelijk Renart van een eigennaam de betekenis ‘vos’ kreeg. Ook nu nog is vos in het Frans ‘renard’

Dat weten de kinderen van een tweede klas natuurlijk niet. Maar ze beleven wel de diepe waarheid van de volkswijsheid in het beeld en in het kunszinnige doen. En wie weet? Misschien was er ergens, werkelijk een onverschrokken en slim iemand van adel die Renart heette, de niet bang was voor hel of hemel en zoveel indruk maakte dat hij tijd en ruimte overleefde?

.
*Laten we voortaan spreken over ‘niet-Nederlandse talen’ i.p.v. ‘vreemde’ taal: een taal is niet vreemd, maar anders.

Niet-Nederlandse talen: alle artikelen

De vos en de raaf: spelletje

2e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 2e klas

.

1805
.

Advertenties

VRIJESCHOOL – Niet-Nederlandse talen – Frans (1)

Niet-Nederlandse talen: alle artikelen

Vanaf het ogenblik dat de eerste vrijeschool in Duitsland in 1919 begon, stonden er op het lesrooster vanaf de 1e klas 2 andere talen: Engels en Frans.
De Nederlandse vrijescholen kregen te maken met drie andere talen: naast het Engels en Frans ook het Duits.

Drie talen vanaf klas 1 is wel veel voor de kleintjes en meestal viel de keuze op Engels en Duits; vanaf klas 3 kwam het Frans er dan bij; in principe is het mogelijk om ook het Frans vanaf klas 1 te doen.

Belangrijk bij het geven van deze talen is, wanneer je er eenmaal aan bent begonnen, moet er continuïteit zijn in het aanbod.

Frans heeft het daarbij moeilijker, lijkt het wel. Het is me (te) vaak opgevallen dat er in de 3e klas werd gestart, maar dat er – om welke reden ook – in de 4e of 5e geen leerkracht meer voor was. Dan ging het vooraf geleerde en geoefende min of meer weer verloren en dat is geen goede zaak.

In de voorbije jaren werd er steeds gekeken wat de leerstof voor de verschillende leerjaren zou kunnen omvatten.]

Hier volgen verschillende gezichtspunten:

In de klassen t/m 3
Spelletjes, liedjes, kleine gedichtjes, eenvoudige spraakoefeningen; tellen, dagen/maanden, benoemen van voorwerpen in de klas, korte commando’s: “frappe sur le tableau-noir” bv., antwoorden op korte vragen: hoe heet je? ik heet….Waar woon je?…Ik woon in …..Hoe oud ben je?……
kleuren, dieren, lichaamsdelen, kleding, fruit,korte toneelstukjes.
letten op uitspraak.

Eind 3 begin 4
Als alle kinderen behoorlijk lezen krijgen ze een schrift. Aanvankelijk schrijven we op wat we al kennen aan versjes en woorden, met tekeningetjes. Dit wordt iedere les terug gelezen. Dan ook, vanaf 4: niet alleen spreken maar ook schrijven: getallen, klok, verhaaltjes/toneelstukjes

Vanaf klas 5
Ook gedrukte teksten, kleine verhaaltjes – uit La Claire Fontaine, bv. – klassikaal en individueel lezen. Een door de leerkracht verteld verhaaltje. Verder werkwoordsvormen: avoir, être, ww op -er.
Langere gedichten en moeilijkere teksten. Aan de hand van de teksten : le – la, pers./bez.vnw., ontkenningen, meervoud, teg.tijd, verl.tijd, volt.tijd. Woordjes opschrijven + leren. Woordbeeld-uitspraak.
Reciteren, spraakoefeningen, zingen.

vanaf klas 6
Overhoren, ook (schriftelijk). Ook zelfst.ww. vervoegen en verder het geleerde in praktijk brengen.

Alles schuift op, wanneer je later begint. Je moet dan e.e.a. van het bovengenoemde aanpassen aan de leeftijd.

Als je pas vanaf de 6e klas begint, bv.

Kleine beschrijving door een leerkracht:

Deze taal dus helemaal nieuw voor de kinderen. Heb in het begin vooral laten horen en doen. Daarvoor greep ik naar liedjes, onzingedichtjes, aftelversjes en de getallen die je fijn ritmisch kunt oefenen. We speelden ook een paar dialoogjes: Qui est la? C’est Jean Madame.

Hoewel het nog zeer simpel van taal bleef, hadden de kinderen er veel plezier aan. Zo konden ze al proeven van die Franse taalwereld. Al vlot beloofde ik de kinderen dat we een mooi “cahier” zouden maken. Ik nam een groot formaat schrift teken/schrijven, 1 op 1, want ik wilde hen niet te snel of te veel aan het schrijven zetten. We besteedden iedere les ook een deel aan het zorgvuldig maken van een titelpagina, uitschrijven van naam of een kort gedichtje/raadsel dat we al kenden. Een spreuk werd uitgebreid versierd. Na verloop van tijd schreven we ook liedjes in die we ook gebruikten bij het leren lezen. Verder in het jaar kwam daar steeds meer bij: dialogen, de getallen (t/m 100.000), de kleuren, dagen, maanden, parties du corps, allerlei liedjes. Op een gegeven moment introduceerde ik het verhaaltje van la Petite Poule Rouge. Daar zijn we uitgebreid mee bezig geweest. Taferelen als strip getekend, korte tekstjes eronder (ww-er). Het hele versje (4 strophes) gespeeld, uitgeschreven. Nieuwe zinnetjes gemaakt en gelezen. Daarna voor het eerst gesproken over de woorden- begonnen met een gedichtje over het ww porter, uitgespeeld als modeshow en vervolgens het paradigma uitgeschreven + regel o.t.t. Andere ww op -er ‘ingeslepen’ door samen hardop te zeggen. Verder hebben we zo in de loop van het jaar geoefend met vraag en antwoord: Où est?, Qui est? Qui sont etc. We deden een leuke beweegoefening met de voorzetsels: sur-sons- en dessus- en dessons, devant, derrière. Die voorzetsels probeerden we te gebruiken bij onze vraag en antwoordspelletjes.

We speelden Quine (getallen en maakten sommen). We werkten een keer met het woordenboek en kunnen nu zelf al wat terugvinden (f-n).

Aan woordenschatarbeid ben ik (nog) niet begonnen. Ik weet ook nog niet of ik dat echt via een boekje wil doen. Wel denk ik erover om bijv. na Kerstmis echt vanuit een boekje te gaan lezen (le Tarasque?)

Heb het gevoel dat de kinderen nu pas rijp zijn om ook dingen te gaan leren. Ik vond het erg belangrijk om ze eerst het Frans te laten beleven (gekke spraakoefeningen) voor ik ze van alles over die taal laat weten.,..ik merk wel dat ook van hun kant die vraag nu komt!

klas 7
(het spreekt voor zich dat deze stof in de 7e alleen kan worden aangeboden als daar al een aantal jaren Frans aan vooraf is gegaan)
Grammatica:
expliciet: begin van de grammatica.
Onderwerpen: lidwoord (bepaald en onbepaald)
zelfstandig naamwoord: meervoudsvorming
voorzetsels en contracties
delend lidwoord
onregelmatige werkwoorden in de o.t.t

Woordkennis

Mots de passé: een hoofdstuk per week (+25 woorden) N-F mondeling en schriftelijk, lees en spreekvaardigheid

Lezen: Surcouf: eenvoudig leesboekje (klassikaal).

Wanneer dit het 1e jaar is waarin Frans wordt gegeven:

Een leerkracht:
Voor mij leek belangrijk dat ik de leerlingen niet meteen van alles liet leren. Daarom ook begon ik met allerlei oersimpels: een nonsens gedichtje dat frans klonk een aftelversje en een echt gedicht. Verder liedjes: Bonsoir, Feuilles volages, Saint Michel, een Noel. We o
efenden met de getallen eerst 1 t/m 12 dan 1 t/m 21 vervolgens 1 t/m 100 tot nu 100.000. We leerden de namen van de dagen en de maanden. Het een en ander werd ook opgeschreven. De uitgeschreven teksten gebruikten we als leestekst. Via gedichtjes introduceerde ik de o.t.t., de ww etre en avoir en de ww op -er. We oefenden de paradigma’s (klassikaal) en schreven de regels in. Er werd geoefend mei de ontkenning. Ondertussen vertelde ik het verhaal van Jean le Fou (stond in o.t.t.). We schreven dit later in en gebruikten het als oefentekst voor het lezen. Apart werken aan vocabulaire heb ik niet gedaan en ik weet ook nog niet of ik dat volgend jaar wil doen. In deze 7e vond ik het moeilijk te kiezen tussen het aanbieden van het levende Frans d.m.v. recitatie, dialoogjes, spelletjes, liedjes en het werken aan grammatica. Vooral omdat de leerlingen nog niets van het Frans gemaakt hadden. Ik was bang om het meteen tot iets doods te maken als ik meteen in regels en leren verviel. Wellicht kan ik er in de volgende klas makkelijker toe komen, en meer geven omdat ik ze al iets anders heb mogen geven. Nu was het nog heel erg zoeken wat wel en wat niet…

Behandeld/gedaan/gezongen:
Poëzie, liedjes, getallen 1-100.000, avoir être : o.t.t., ww op -er, ontkenning (ne…pas), dagen en maanden.

Niet-Nederlandse talen: alle artikelen

718