Tagarchief: 2e klas Duits

VRIJESCHOOL – Niet-Nederlandse talen – Duits – lagere klassen (2)

De jaarfeesten bieden een prachtige gelegenheid om de leerlingen kennis te laten maken met wat zo karakteristiek is voor een  andere taal. Zo zullen er rond Kerstmis in vrijwel alle klassen  ‘Christmas carrols’ gezongen worden – zo typisch Engels.

Maar ook de andere talen hebben hun specifieke jaarfeestenliederen en gedichten. Soms traditioneel, soms ook recent gemaakt.

Voor het Duits is het werk van Hedwig Diestel en Norbert Thomsen erg waardevol.

PASEN

Oster-Gedicht

Der Hase kommt! Seid alle stilL,
Ihr Kinder, haltet Ruh’!
Weil er euch überraschen will,
macht eure Augen zu!

Er hüpft zum Neste in der Nacht,
Springt fort in schnellem Lauf.
Was hat er schönes mitgebracht?
Macht eure Augen auf!

Hedwig Diestel

Voor de 1e klas een heerlijk spelletje. Wanneer je een klein ‘hazenmaskertje’ hebt, met de oren, voelt ieder kind dat ‘m mag zijn, zich een echte haas.
Hij komt ergens uit een hoekje van de klas vandaan; alle kinderen hebben hun ogen dicht en of hun hoofd op tafel, verstopt in hun armen.
‘Hoor je wel, waar hij hupt?’
De haas heeft enkele voorwerpjes bij zich die hij ergens op een tafeltje neerlegt en gaat er dan vlug vandoor – heerlijk voor de kinderen die graag bewegen of veel beweging nodig hebben. De voorwerpjes moeten door de kinderen in het Duits benoemd worden: ‘Was hast du bekommen?” –“Ich habe einen Ball bekommen.” Enz.
Maar ook: ‘Was hat der Hase dir gebracht?’, zodat ook het spreken weer geoefend wordt.

Een pentatonisch paasliedje van Norbert Thomsen:

Duits paasliedje

bij ‘Ewigkeit’ – de 2 g’s – staat als muzikale aanwijzing: iets vertragen, gevolgd door ‘a tempo’ – evenzo bij  ‘der’ (Christ) en ‘Herrscher’

Osterlied

Willkommen sei die fröhlich Zeit,
uns zu begehn in Ewigkeit,
die Hölle überwand der Christ,
und nun im Himmel Herrscher ist.

Wie ist die Welt uns schön erneut!
Die Erde sich im Innern freut,
dass der Herr aller Gnaden Gab
vom Himmel hat gebracht herab.

Denn da er in die Erde kam
seins Wesens Kraft er mit sich nahm
und hat erneut durch seine Gewalt
so Stein und Meer, so Feld und Wald

(woorden: volks)

Niet-Nederlandse talen: alle artikelen

742

VRIJESCHOOL – alle klassen – Duits

Niet-Nederlandse talen: alle artikelen

srpaakoefeningen

Spraakoefeningen – vooral de tongbrekers – vergen een grote(re) wakkerheid van je spraakorganen, m.n. natuurlijk tong en lippen. Tegelijkertijd brengen ze je in nauw contact met het taaleigen van de taal waarin ze worden gesproken: de typische klanken voor die taal.

In geen taalles mogen ze ontbreken – ook in de bovenbouw niet.
Dat geldt ook voor het Nederlands.
Veel mensen spreken ronduit slordig: binnensmonds, eindlettergrepen worden ingeslikt, veel te vlug.

Spraakoefeningen vormen daartegen een remedie.

Steiner bracht het spreken m.n. in verband met het IK: daarin o.a. openbaart het zich. Spraakvorming is dus in zekere zin het Ik een mogelijkheid verschaffen zich adequaat van de spraakorganen te kunnen bedienen.

De oefeningen zijn o.a. van Steiner en M.Tittmann

Aanwijzing:
Regelmatig in ALLE klassen, in koor en individueel spreken, niet oplezen!
Duidelijk en scherp iedere letter uitspreken, wel vloeiend, het gaat niet om de inhoud.
Ook in omgekeerde volgorde, tempowisselingen en afwisselend hard en zacht.

 

Bang und bänglich bellen böse Hunde.

Bei biedern Bauern bleib brav.

Baldur bannt Böses.

Blühende Seringenbüsche schütten ihre süssen Blüten nieder.

Bunte Blumen blühen bald.

Braver Bruder bring mir Brot und Brei.

Perlen rollen rund umher.

Prüge, Probe und Preis, dann preise die Wahl.

Plötzlich platzen pelzige Pilze.

Peter Purzel plumst vom Pappelbaum.

Pfui, pfeife pfiffiger Pfeifer Pfiffe.

Donar dröhnt im Donner.

Drei drehen sich um und drohen.

Dringe nicht in das Wasser, wenn du trinkst.

Bedeutung suche in jedem Ding.

Was du tust, tue durch deinen tatkräftigen Willen.

Tritt dort die Türe durch.

Tiere hüpfen durch die Türe.

Tausend düstere Tannen decken tief dunkle Täler drunten.

Trabe nicht mit der Trommel die Treppe herab.

Traust du dich tapfer mit dem Teufel zu streiten?

Thor tötet törische Riesen.

Trüb und traurig träufelt Regenwasser Sommers Abschiedssegen.

Freue dich der freien Natur.

Frisch, fromm, fröhlich, frei, aber nicht frech.

Fenriswolf faucht gefangen in Fesseln.

Führe vier Kühe, Kind, über die Brücken.

Fürchte dich vor Niemand und fliehe nicht feige,
dich findet im Finstern der Furchtbare Feind.

Grabe kräftig Gras und Kräuter.

Gönne jedem Können sein ganzes Können.

Komm kurzer, kräftiger Kerl.

Gierige Krähen greifen und kratzen mit greulichen Krallen.

Günstig schaue auf künstlerisches Schaffen.

Kämpfe kühn mit kecken Kerlen.

Ganz kurze krumme Christbäume kann man kaufen.

Kurze knorrige knochige Knaben knicken manchem Männchen manchmal manchen Knorpel.

Es hat geknackt im Takt gehackt,
gekollert wie ein Knochenkatarakt.

Heimdal hört hell.

Hirt und Hund hüten die Herde.

Helligkeit hege das Haupt,
Heiligkeit hüte das Herz,
Hand sei hurtig zu helfen.

Ja, der junge Jäger jagt jeden Tag und jede Nacht.

Loki lügt listig.

Auf linden Lüften leicht und lieblich lockend lacht der Lenz.

Lalle Lieder lieblich lipplicher Laffe, lappiger, lumpiger, laichiger Lurch.

Meine Mühe macht mich mutig.

Mäuse messen mein Essen.

Menschlein, müh dich mit munterem Mut,
mach du manches mit Mühsal gut.

Nimmermüde Mühlen mahlen mächtige Mengen Mehl.

Nimm nicht Nonnen in nimmermüde Mühlen.

Nimm mir nicht mürrisch neidisch meine Nüsse.

Oh,  sch?l und schmor mühevoll mir mit Milch Nüss und Muss.

Es reiten drei Reutlinger Reiter ums Reutlingsr Rathaus herum.

Rasende Rachsucht, rastloses Rigenruchloses Reden, brausende
Brandung der brennenden Brust.

Rauhe Herbststürme brausen über Wiesen und Felder,
welke Blätter rascheln sausend durch die Frühe, durch die Wälder.

Süsse Sommersonne sendet heisse Strahlen nieder.

Die Säule sei dir Waagezeichen des Weges.

Seile winden schaum Säulen.

Sieh,  silberne Segel auf fliessendem Wasser.

Sieh auf dem stillen See die sieben besonnten Segel.

Schäume scheinen mehr als sie sind.

Schaue die schlanke Schwalbe schweben.

Zwei zischende Schlangen zwischen zwei spitzigen Steinen.

Auf den Zaun sitzen zwei Zeisige und zwitschern.

Zier zwingt Zwist.

Stich mich nicht flüchtiger Wicht.

Ein kleines Mäuschen schlich ins Häuschen,
wollt ein bisschen naschen von den süssen Nüssen,
kam die Katze es haschen,
hat!s bitter büssen müssen.

Zuwider zwingen zwar zwei zweckige Zwacker,
zuwenig zwanzig Zwerge,
die schnige Krebse sicher suchend schmausen dass schmatzende Schmachter schmiegsam schnellstens schnurrig schnalzen.

Wirke wacker weil du wach bist.

Wir wollen wacker werken und wirken.

Wodan weht im Winde.

Und es wallet und woget und brauset und zischt,
wie wenn Wasser mit Feuer sich mengt.

Da wallen und wogen die Wipfel des Waldes,
da brausen die Bäume und beu­gen sich bange.

Weiche wehendem Wind auf Wiesenwegen.

Was du erfährst auf Lebenswegen weitet dir Sinne und Denken.

Gute Menschen weisen den Waisen wägend den Weg.

Schätze ebene Wege und wäge deine Schritte,
dass du wacker wagen kannst,
was du vorsätzlich als Ziel dir setzest.

Welke Blatter rascheln sausend durch die Frühe, durch die Wälder.

Eile ohne Weile vor dem Sturm, greulich heulen Eulen hoch vom Turm.

Tief in die Wiesen fliegen die Bienen.

Es ritten und stritten viel Ritter.

Wäge dein Wollen klar,
Richte dein Fühlen stark.

Ja, ich weiss woher ich stamme,
Ungesattigt wie die Flamme glühe und verzehr ich mich.
Licht wird alles, was ich fasse,
Kohle alles was ich lassef
Flamme bin ich sicherlich.

Niet-Nederlandse talen: alle artikelen

712

VRIJESCHOOL – Niet-Nederlandse talen – Duits – lagere klassen (1)

.
(Marijke Buursink, vrijeschool Groningen, nadere gegevens onbekend)

.

VREEMDE* TALEN IN DE EERSTE 3 SCHOOLJAREN
.

Vol verwachting zijn alle ogen op me gericht als ik de 1e klas binnenstap voor de eerste Duitse les. Sommigen zijn afwachtend, ook wel gereserveerd zelfs en anderen willen wel onmiddellijk beginnen – waarmee weten ze niet. De onzekerheid van sommige kinderen (“ik kan dat toch niet verstaan! “) verdwijnt al snel, want “Guten Tag!” verstaat iedereen.

“Guten Tag, meester Ebe, guten Tag, Liebe Kinder!” Een paar vlotteriken wensen me direct ook een goede dag, en als ik m’n hand achter mn oor houd en de klas vragend aankijk, antwoordt de hele klas “Guten Tag!”

“Ich bin juf Marijke, wer bist du?” Ik wijs naar mezelf en dan naar de ander, kijk vragend. “Ze vraagt hoe je heet!” wordt er dan van alle kanten geroepen.

“Gerlof ist ein Junge” en Lara ist ein Mädchen” en als ik zeg “Stefan ist ein Mädchen” gaat er al een gejoel op. Hoe kan juf zo dom zijn! Het ijs is gebroken. En dan kunnen we gaan klappen, stampen, zingen, staan, zitten, lopen, spelen en vooral vingerspelletjes doen.

Waarom vreemde talen in de laagste klassen?

Een “economische” reden daarvoor is, dat die jongste kinderen in hun “naboot­singsfase” de talen uiterst snel overnemen.  (U heeft misschien zelf in het buitenland ervaren, hoe de kinderen vaak sneller dan uzelf woorden, klanken feilloos naspreken).

Hun mondspieren zijn nog erg soepel en deze kunnen zich nog aan de meeste “vreemde” klanken aanpassen. Daarmee kun je in de laagste klassen een basis leggen voor een vertrouwdheid met die vreemde klanken.

Een belangrijke reden is, dat die nabootsing ook van binnen, innerlijk ge­beurt. Je beweegt als het ware van binnen ook mee met de klanken die je spreekt.

In die lagere klassen gaat het voornamelijk om de klanken! Die klanken zijn er niet “toevallig”, ze hebben allemaal een eigen “kwaliteit”, ze spreken allemaal een eigen taal!

De “d” van “ding” zegt ons iets anders dan de “r” van “ring”. Het is daarmee begrijpelijk dat de verschillende talen (die immers verschil­lende woorden voor één voorwerp hebben) verschillende aspecten van dat voor­werp benadrukken.

Spreekt U de verschillende woorden eens uit! Welk deel van de boom past het best bij dat woord?

(Bij “Baum” en “boom” zou ïk eerst naar de stam kijken, bij “arbre” eerst naar de blaadjes in de kruin. Ik stel me trouwens een heel andere boom
ook voor, met andere kleuren, in een ander jaargetijde).

niet Nederlandse talen

Door mee te bewegen in de verschillende klankwerelden, blijft het innerlijk soepel. Die kleine kinderen oefenen al doende om beweeglijk te zijn, om niet al te vast te komen zitten in één belevingswereld. Die beweeglijkheid wordt diep in hun ervaring verankerd! Het kan de basis zijn voor latere beweeglijk­heid, souplesse in denken en voelen.

niet Nederlandse talen 2

Wat we zoal doen

Die Familie Hand-

Das ist der Vater
lieb und gut,
Das ist die Mutter,
mit froher Mut,
Das ist der Bruder,
stark und gross,
Das ist die Schwester,
mit dem Püpchen auf dem Schoss,
Das ist das kleine Kindlein,
Das soll die ganze Familie sein.

(1e klas)  .

Kommt eine Maus
die baut ein Haus.
Kommt ein Mückchen
die baut ein Brückchen.
Kommt eine Floh,
die macht so.

(1e en 2e klas)

Viktoria! Viktoria!
Der kleine weise Zahn ist da!
Mutter, komm,und guck hinein,
Sieh der kleinen weisen schein!

(1e, 2e en 3e klas)

A-A wir sind alle da
E-E wir bewegen uns und steh’n
I-I Lichtlein sind wir,sieh!
O-O wir lieben und So.
U-U wir rufen uns zu:
Guten Tag, Kinder
Guten Tag, Juffie.

(1e en 2e klas)

Hopp Hopp Hopp
Pferdchen in Galopp.
über Stock und Steine,
aber brich dir nicht die Beine!
Hopp, Hopp, Hopp.

(1e en 2e klas)

Eine kleine Piepmaus
Lief durch’s Rathaus,
Schöne wipp, schöne wapp,~
du bist ab.

(2e klas)

Ein Elefant
Stand am Strand,
auf einer Hand!
Dann fiel er um,
das war dumm!

In de derde klas die ik nu ken, willen de kinderen ‘écht‘ leren, vooral de woorden van de voorwerpen in de klas, of van de dieren. Ze luisteren dan echt naar een Duits verhaal, en willen precies weten wat er gezegd wordt. Met de voorwerpen zijn we intensief bezig geweest.

Bovendien beginnen we dan ook met moeilijker klanken en oefenen die echt. b.v.:

Es war einmal ein Mann, der hatte 3 Söhne
Der erste hiess Schack                                                                                           ;
Der zweite hiess Schackschawerack

Der dritte hiess Schackschawerackkonomini.

of:

Der dicke Dietrich trug der dünnen Dietrich durch das Dorf.

We doen raadsels:

Fällt vom Himmel,
Macht dich nass,
sage mir,
was ist denn das?

Ik merk in de derde klas op dit moment, dat de “vierde er al begint aan te komen: de kinderen gaan hun eigen wil meer doorzetten, willen sommige “kinderachtige” gedichtjes of liedjes niet meer en willen echt leren.

Het zal niet lang meer duren of we gaan misschien al iets met elkaar
schrij­ven, om de overgang te gaan maken van gesproken woord. Maar dat komt eigenlijk pas in de vierde klas.

* ‘Vreemde’ is m.i. een woord dat we i.v.m. andere talen niet zouden moeten gebruiken. Er is in wezen niets ‘vreemds’ aan deze talen – zijn alleen anders dan de onze.
Wellicht is het goed dat kinderen ‘anders-zijn’ niet associëren met ‘vreemd’= raar.

Zie vooral: uitgaven verschenen bij ‘Forschungsstelle beim Bund der Freien Waldorfschule

.
Niet-Nederlandse talen: alle artikelen

.
1e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 1e klas

.

623-572

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.