Tagarchief: klas 3 Frans

VRIJESCHOOL – Niet-Nederlandse talen – Frans (2)

Niet-Nederlandse taal: alle artikelen

HET FRANSCH IN DE LAGERE KLASSEN

De spelling met -sch- heb ik laten staan: het is een artikeltje uit 1930!

De schookrant van de vrijeschool Den Haag heette toen “Ostara”.

Opvattingen en praktijk doen absoluut niet gedateerd aan!

‘Homines enim formamus, non psittacos.”
( “wij vormen immers mensen, geen papegaaien”.)
 Comenius ~ Didactica magna.

Daar het onderwijs in de moderne talen, indien het op de juiste wijze gegeven wordt, krachtig kan meehelpen, de
ontwikkelings­mogelijkheden van den mensch tot volle ontplooiing te brengen, en het tevens den wordenden mensch in staat stelt, bewuster in de hem omringende menschheïd te staan, heeft Rudolf Steiner het een zeer belangrijke plaats in zijn paedagogie toegewezen.

Zijn kennis van de vormingsphasen van het kind noodzaakte hem, ook op dit gebied met alle conventioneele sleur te breken en het
taal­onderwijs grondig te hervormen.

Zoo oordeelde hij het buitengewoon gewichtig, om den fantasierijken nabootsingsdrang en de plasticiteit der spraakorganen, die het kind na het tandenwisselen nog tot zijn negende, tiende jaar behoudt, niet verloren te laten gaan, maar vol in het taalonderwijs te benutten. In de eerste klas van de Vrije School wordt dan ook reeds met twee moderne talen begonnen, terwijl de derde er in de derde klas bijkomt.

Nu zou de natuurlijke ontwikkeling van het jeugdige kind, dat nog zoo goed als uitsluitend leeft in wils- en gevoelsuitingen, onherstel­baar geschaad worden, indien we zouden trachten, het op de ge­bruikelijke intellectualistische manier kennis bij te brengen van de moderne talen. Geen leçons de choses dus over dingen, die het kind koud laten, geen rijen woordjes-met-of-zonder-plaatjes, die van buiten geleerd moeten worden, geen thema’s en, gedurende de eerste drie jaren, geen grammatica-onderwijs, geen geschreven of gedrukte taal zelfs. Maar wel alles, wat het kind op dezen ontwikkelingstrap met zijn geheele wezen kan opnemen, wat zijn wils- en gevoelsleven beroert en zijn rijke fantasie oproept.

Een rijke bron hiervoor vinden we in de chansons populaires, die voor een groot deel stammen uit een tijd, toen het wils- en gevoels­leven der menschen nog niet overheerscht werd door het abstracte denkleven. Door hun fantasiewekkend vermogen, gesteund door hun rhythme, rijm en melodie, zijn die liederen ondanks eeuwen levend gebleven. Voor het onderwijs in de moderne talen aan kleine kinde­ren zijn ze, mits goed gekozen, van groote waarde, te meer, daar het meerendeel er van als kleine tooneelstukjes gespeeld kan worden.

Het kind, dat b.v. in het bekende “Meunier, tu dors!” de rol heeft gespeeld van den wind, die zich verbergt, als de molenaar hem roept en wacht, tot deze slaapt om hem de poets te spelen, de wieken bijna dol te laten draaien, vergeet niet licht zinnetjes als: „Je suis le vent. Je souffle, je siffle. Meunier, tu dors, ton moulin va trop vite!”, daar ze intens beleefd worden. En op hun beurt worden alle kinderen meunier, moulin, vent, réveilleur, want ze zingen en spelen derge­lijke liederen zóó gaarne, dat deze telkens weer herhaald kunnen worden.

Zoo worden ze — om een greep te doen uit het overvloedige materiaal, dat de chansons populaires ons bieden — in „Le Loup et l’Ane’ de bloeddorstige wolf, het slimme ezeltje en de knechts, die de schuurdeuren achter den gefopten wolf sluiten; in „Lorsque j’étais chez mon père” de herderin, die haar schapen laat verdwalen, en de herder, die ze met zijn doedelzak weer weet te verzamelen; in „Frère Jacques’ de slapende monnik, die door de kloosterlingen gewekt moet worden en de klok, die de uren slaat; in „Le petit Navire” de kapitein, de kok, de scheepsjongen en de matrozen; in „Mon Garçon” de verschillende muziekinstrumenten; in „La Main” de vingers, en zoo verder.

Klassikale en individueele commando’s, die uitgevoerd moeten worden en talrijke spelletjes, zooals Le Jeu des Couleurs, Colin-maillard au son, Colin~maillard au toucher, Les Cris des Animaux, Pigeon~vole, Le Jardinier, helpen eveneens krachtig mee om de kin­deren — ook die met minder taalbegaafdheid — in de sfeer van de levende taal te brengen.

Ten slotte leveren in de eerste klas de sprookjes, in de tweede de dierfabels, in de derde de chansons de métier dankbare en bijna
on­uitputtelijke leerstof.

Mimiek, gestes en teekenkrijt ondersteunen de voorbereiding, die aan al deze liederen, recitaties, enz. voorafgaat, zoodat de moedertaal slechts zelden te hulp geroepen behoeft te worden.

Hebben de kinderen op deze wijze in de eerste drie jaren al zin­gende en spelende een vrij omvangrijke taalschat gewonnen, die niet alleen passief begrepen, maar langzamerhand ook actief gebruikt wordt, dan kan nu, naast de voortzetting van de gesproken taal, begonnen worden, de moeilijkheden van de geschreven taal te over­winnen.

De tot dusverre domineerende poëzie moet nu een groot deel van haar plaats afstaan aan het proza, terwijl tevens een eenvoudige grammatica wordt ingeleid. In de vierde klas bepaalt deze laatste zich tot de woordleer. De kinderen leeren de voornaamste woordsoorten onderscheiden, ze merken de woordveranderingen op en leiden er de voornaamste taalregels uit af. Voorbeelden zoeken ze en vinden ze in overvloed in de leerstof der eerste drie jaren, die daarbij ongemerkt herhaald wordt. Ook leeren ze al handelende en reciteerende de vormen van het werkwoord.

In de vijfde klas voegen zich daar de eenvoudigste regels van de zinsleer bij, in de zesde klas de belangrijkste spreekwoorden en
uit­drukkingswijzen.

In deze klas krijgen de kinderen hun eerste leesboekje en beginnen ze, in aansluiting met de geleerde chansons populaires en vooral met de chansons de métier uit de verschillende deelen van Frankrijk, het leven en werken van het Fransche volk te leeren kennen, hetgeen voortgezet wordt in de zevende en achtste klas.

In de beide laatste klassen maken ze daarenboven kennis met de voornaamste figuren uit de Fransche literatuurgeschiedenis, terwijl in de achtste klas ook de poëtica en de metriek worden ingeleid, die in de tiende klas uitvoerig worden behandeld.

Als dan ten slotte in de negende klas, door een samenvatting en uitbreiding van het geleerde in de vierde tot achtste klas, de
gram­matica volledig is herhaald, hebben de leerlingen een voldoende praktische en theoretische kennis van de Fransche taal om aan de hand van de belangrijkste dramatische en prozawerken dieper in de Fransche literatuur door te dringen.

(J.M. in Ostara 3e jrg. 5/6-okt.1930)

zie vooral: uitgaven verschenen bij ‘Forschungsstelle beim Bund der Freien Waldorfschule

Niet-Nederlandse talen: alle artikelen
721
Advertenties