VRIJESCHOOL – Vormtekenen (2-3/1)

.

FORMENZEICHNEN                                            VORMTEKENEN

Zie de inleiding

Hoofdstuk 3/1

Margrit Jünemann†:

DE LEERPLANAANWIJZINGEN VAN RUDOLF STEINER VOOR HET VAK VORMTEKENEN MET VOORBEELDEN UIT DE ONDERWIJSPRAKTIJK

(Dit is geen letterlijke vertaling. De opmerkingen, verwijzingen e.d. in blauw zijn van Pieter HA Witvliet)

Steiner gaf in diverse voordrachten over de ontwikkeling van het kind aan dat de eerste zeven jaar – globaal genomen – het fysieke lichaam wordt opgebouwd. Het vormkrachtencomplex stopt a.h.w. al zijn aandacht in deze opbouw. Deze plastisch-architectonische krachten opbouwkrachten komen, wanneer ze ‘klaar’ zijn met hun taak aan het fysieke lichaam, vrij voor ‘iets anders’. De uitdrukking voor dit ‘klaar zijn’ ziet Steiner in de tandenwisseling.
Deze krachten worden nu gebruikt om de belevingen te intensiveren, ze gaan a.h.w. in de ziel werken en maken het mogelijk dat dat wat beleefd en ervaren wordt om te zetten in beeld. In hoofdstuk 1 is dit proces uitvoerig beschreven.

Het kind is daarmee schoolrijp geworden en nu kan het met de vrijgekomen krachten gaan leren, o.a. schrijven en lezen waarbij er veel aandacht is voor het kunstzinnige.

In 1919 voegde Rudolf Steiner aan het leerplan een vak toe dat heel geschikt is om het schrijven voor te bereiden: vormtekenen.

De lijn die geen voorwerpen afbeeldt, maar opgevat wordt als spoor van een bewegingsverloop, laat vormen ontstaan, is een pedagogisch middel dat aan de bewegingsdrang van het kind dat nu van een ‘speelleeftijd’ in een ‘leerleeftijd’ komt, tegemoet komt. Zijn wilskracht wordt aangesproken en gestuurd, door het herhalende oefenen kan zijn gevoel voor vormen ontwikkeld worden en in zijn voorstellingen neemt het beelden op die het beleefd heeft en ervaren.

Een prachtig voorbeeld is hoe Rudolf Steiner in de eerste klas, in het eerste schooluur, te werk gaat.[1] Zie hiervoor: Rudolf Steiner over de 1e klas.

De kinderen komen zo voor het eerst veel bewuster in aanraking met het lijnenpaar ‘rond en recht’.
Steiner spreekt zelf van ‘Krumme’.
Omdat ‘krom’ nog een negatieve bijklank kan hebben, (ook in het Duits) wordt ‘met recht’ ook gesproken van ‘rond’ of ‘gebogen’. Jünemann gebruikt hier ook ‘Gebogenen’,
De kinderen kennen deze lijnen natuurlijk, want ze hebben die zo gauw ze zijn gaan tekenen, op de een of andere manier gebruikt.
Nu gaan ze meer de kwaliteit ervan ervaren.
Het is een oerpaar, waaruit zich allerlei variaties laten ontwikkelen.

Steiner laat – zie het betreffende artikel – de kinderen naar hun handen kijken en gebruiken: op het bord tekenen ze dan allemaal een loodrechte lijn.
De loodrechte lijn is in wezen de lijn waarmee de kinderen oefenden toen ze leerden te gaan staan.

Op het bord staat dan – al deze lijnen bij elkaar – een prachtig beeld van hoe de kinderen met deze lijn omgaan: niet een lijkt op de ander. De ene is kort en dik, krachtig neergezet; de andere dun en teer, een derde staat wat schuin, een andere is wat bibberig. Ieder kind laat daarmee iets van zichzelf zien wat voor de leerkracht belangrijk is.
(Ik heb dat zelf altijd als ‘plechtige’ ogenblikken beleefd. Het neemt je ook mee in dezelfde gespannen verwachting als die uit de kinderogen straalt. Toch is het aan te raden om op de een of andere manier te kunnen onthouden wie welke lijn getrokken heeft. Als de kinderen naar huis zijn, is dat niet meer zo makkelijk terug te halen.)

Na de rechte, tekenen ze ook allemaal een gebogen lijn. Die is wel moeilijker! Waar kom je uit. En dan op zo’n groot bord. Boven/onder, binnen/buiten hebben met elkaar te maken, maar hoe.
Ter afsluiting wordt het lijnenpaar nog eens bekeken en krijgen ze een naam. De ene is de rechte, de andere de ronde. Het woord van de leerkracht komt overeen met wat daar staat. Hier begint de pedagogiek van de tweede zevenjaarsfase!

Over deze oerbeelden van de vormentaal vinden we bij de Oude Griekse filosofen al opmerkelijke uitspraken. Zo schrijft de neoplatonicus Proklus: ‘Ook de ziel draagt van oudsher het rechte en het ronde als iets wezenlijks met zich mee, zodat ze daarmee al het onbegrensde en al het begrensde in de wereld aankan, door het rechte het begin van alles en door het ronde alles wat weerkeert kan bewerken.'[2]

De periode die het schrijven voorbereidt begint met deze opmaat en duurt vier tot zes weken. Rechten en ronden wisselen elkaar af, met variaties in grootte en vormveranderingen. Hierdoor worden de basisvormen die voor het eerste schooljaar zo belangrijk zijn, ontwikkeld.[3]
De vormkrachten die zijn vrijgekomen, die eerst nog aan het lichaam bouwden, hebben nu een nieuw arbeidsterrein.
De tekenende leerling gaat de vormtaal van de wereld leren ervaren, zijn oog wordt wakker voor de verschillen.

GS 294 blz. 54

Op het bord

Werken met de rechte

Aansluitend bij wat er in het eerste schooluur met de rechte en de ronde werd gedaan, volgt een tekenperiode waarin met de rechte en de ronde wordt gewerkt. Tussen die twee bestaan de grootst mogelijke verschillen en ze vullen elkaar op een bepaalde manier aan. Daarom worden ze door elkaar geoefend. Dus niet weken alleen de rechte of de ronde. De ene keer die, de andere keer die.
Jünemann geeft eerst voorbeelden van de rechte.
Als dat de volgende dag na het eerste schooluur begint, is het goed erop terug te komen en vandaar te beginnen.
Jünemann laat de kinderen met waskrijt (de staafjes!) werken. Over het gebruik van het materiaal heb ik hier een en ander naar voren gebracht.

In haar voorbeeld geeft zij alle mogelijke variaties die bij de rechte kunnen horen. Ik zeg hier bewust: ‘kunnen’,  want er zijn zoveel mogelijkheden dat het ondoenlijk is die allemaal weer te geven. 
In het boek zijn ze voornamelijk afgebeeld met een bruine kleur. Ook dat is geen voorschrift. Je kan alle kleuren nemen. Je kan een oefening met 1 kleur doen; met 2, enz. Daarbij kan het moeten afwisselen enerzijds verwarrend zijn, ‘te druk’, maar het is ook goed denkbaar dat je (later) deze variant gebruikt als een soort concentratie-oefening.

De afwisseling lang – kort (de orgelpijpen) e.a. zijn een goede oefening voor het gaan beheersen van de fijnere handmotoriek. Arm en vingers moeten op een bepaalde manier bewegen, spanning – ontspanning. Over ‘handigheid’ deed Steiner verschillende uitspraken [4] Die komt later van pas bij het schrijven. Maar ook het Ik doet mee en er bestaat een relatie met de ontwikkeling van het intellect. 

Jünemann begint haar voorbeelden met deze:

Als je begint met terug te gaan naar gisteren – het eerste schooluur – en je laat een kind op het bord de rechte nog eens maken, weet ieder kind wat de bedoeling is: we gaan rechten tekenen.
Het is goed om eerst te gaan staan. En ieder kind de rechte in de lucht te laten tekenen. Het hoeft niet meteen de eerste keer, het kan ook later, maar je kan hem ook met je voet over de vloer maken. Je kan als een ‘rechte’ gaan staan. Je kan hem met je arm in de lucht omhoog steken – hoe recht is die dan – ook de vingers kunnen hem laten zien. Je kan in de klas kijken waar je ‘rechten’ ziet. ‘Zoveel?’ en buiten de klas. Geef bv. de kinderen de opdracht mee om te kijken waar ze op weg van school naar thuis ‘rechten’ zien. Laat ze er de andere morgen over vertellen. Kortom: er is zoveel mogelijk om de rechte in de aandacht te krijgen en te houden.

Moet je eerst het papier en het potlood (potloden) uitdelen vóór deze staande oefeningen doet of erna? Het is wel fijn om na de staande oefeningen meteen te kunnen beginnen. Dan nog moeten wachten op je materiaal, creëert een soort ‘gat’ en de kinderen willen zo graag. Van tevoren uitdelen schept verwachting en het kind kan de goede gewoonte gaan aanleren, niet aan het materiaal te komen, voordat we echt beginnen.
Nu komt dan die eerste rechte. De tweede moet wel even groot zijn. Hier liggen dus ook veel aanknopingspunten naar de woordenschat. ‘Even groot, net zo groot, evenwijdig aan’ enz. Goed, even groot de tweede en de derde. Er moet nu goed gekeken worden, bovendien moet de lijn werkelijk loodrecht zijn. 
Als er van links naar rechts heel wat staan, kan daaronder een nieuwe reeks komen. Die moet natuurlijk nog mooier dan de die erboven staat. Het is goed dat de kinderen leren vergelijken en gaan zien, waar iets beter kan.
Dan zou je een tweede kleur kunnen uitdelen en zeggen dat de kinderen nu afwisselend de ene en de andere kleur mogen gebruiken.
Dat vraagt weer nieuwe concentratie.
Als er iets fout gaat, geen nood! Het is ook niet erg. ‘Want we gaan het gewoon nog eens doen’. Sommige kinderen vinden het verschrikkelijk, kunnen er zelfs om huilen, maar…’we zijn op school om te leren en als er iets mis gaat, doen we het beter.’

Zo tast je af hoe ver je kan komen, hoe groot de aandacht van de kinderen blijft.
En dan ruim je weer netjes op: gewoontevorming en er volgt iets anders, wellicht weer iets met een grotere ontspanning, na deze ‘inademing’.
De andere morgen ga je weer verder met een ronde, bv. De derde dagt pak je de eerste oefening weer op, herhalend, maar ook veranderend, uitgebreider.

Je kan zelfs met een gewoon potlood beginnen en de vorm steeds ‘vrolijker’ maken. Eerst met 1 andere kleur, dan met twee, met drie enz. Je kan de kinderen dan zelf een kleurenpatroon laten bedenken. Op deze manier ben je al snel drie, vier keer met dezelfde oefening bezig, die voor de kinderen toch steeds (heel) andere zijn.

Een volgende tekening bij Jünemann (in bruin):

Er komt na twee dezelfde groepjes er 1 bij. Ook hier bevestig je bv. wat de kinderen al kunnen tellen, door te zeggen: ‘Nu maken we er 4’, enz. Dan nog eens 4, dan 1 erbij enz. 
Ook hier zijn weer vele variaties mogelijk. Wanneer je je eerste rekenperiode hebt en de kinderen allemaal goed kunnen tellen, kan er ook een opdracht zijn om met 1 rechte te beginnen. Daaronder 2; daaronder 3 enz. Misschien wel tot 20. Ook dan kan er 1 kleur worden gebruik, of meerdere. Bij uitbreiding wordt steeds meer van de concentratie gevraagd!

Je kan ook al rekening houden met wat er in andere klas volgt: een soort ‘compositie’ een ‘geheel’.
Jünemann geeft deze tekening:

Deze zou ik zeker ook zo geven dat aan de rechterkant het gespiegelde eerste blokje komt te staan. 

Bij de rechte hoort ook de horizontaal. Die kun je ook weer op bord laten tekenen. De leerlingen voelen natuurlijk het verschil met de verticaal. Je gaat hier in de breedte. Met uitgestrekte armen kun je met de horizon meegaan. 
Nu is er wel een verschil of je met de horizontaal van links naar rechts gaat of van rechts naar links. 
Omdat de schrijfrichting van links naar rechts verloopt, moet ook de horizontaal van links naar rechts gaan. 
Met de horizontaal kunnen uiteraard weer heel veel oefeningen gemaakt worden.

Van gelijke lengte boven elkaar. Van verschillende lengte. Breder worden naar links en/of rechts; die rechts kleiner worden, groter worden, kleiner worden. Enz. Zie de verticale oefeningen, maar nu als horizontale bv.

Dan kan de rechte ook nog als ‘schuine’ als diagonaal gebruikt worden. Eveneens weer met alle mogelijke variaties. Je kan het best rechtsboven beginnen en dan naar linksonder. Even grote en die steeds korter worden.

De hoek

Met rechten tekenen heeft tot gevolg dat er ook hoeken kunnen ontstaan, zoals bij de tekening hierboven met de diagonalen. Een horizontale en een verticale met een aantal diagonalen levert een ster op en daarin bevinden zich scherpe, stompe en rechte hoeken. De rechte hoek heeft het meest ‘evenwicht’, die staat tussen de scherpe en de stompe precies in het midden. In de wereld vormt de rechte hoek overal waar wordt gebouwd de belangrijkste voorwaarde voor stabiliteit. Hier ontmoeten horizontaal en verticaal elkaar.
Vanuit de ster kun je een hoekenpaar nemen en daarmee kun je weer allerlei variaties maken.

In de 6e klas, in de meetkundeperiode, wordt er ook aandacht besteed aan de hoeken. Dat wordt hier in de 1e klas al voorbereid door veel bewuster naar een hoek te gaan kijken. En deze ook te tekenen. 

Met al deze – en nog veel meer vormen – kunnen allerlei oefeningen worden bedacht. Ook de kinderen kunnen ze bedenken binnen de context van ‘ze moeten bij elkaar passen of het moet er ‘vrolijk’ uitzien. En wat al niet meer.

Jünemann merkt op dat het tekenen van de hoeken achter elkaar en dan aan elkaar, anders is dan telkens opnieuw de hoek beginnen. Bij aan elkaar verdwijnt het hoekbeleven iets meer doordat de lijn weer een ‘spoor van een beweging’ wordt.

Zij gaat hier niet verder op in, maar het telkens onderbreken, betekent een telkens opnieuw moeten inzetten; dat is in wezen een voortdurende onderbreking in een ritme dat er is wanneer je de lijn aan elkaar tekent. Die ritme-onderbreking is het ‘wekkende’ wilselement. [Algemene menskunde]
Dat een lijn aan elkaar meer het ritmische element heeft, daarmee eigenlijk meer het gevoel vertegenwoordigt dan de wil (bij onderbreking) wordt vaak duidelijk aan het ‘inslapen’ van de vorm, doordat deze a.h.w. uit het bewustzijn verdwijnt, wat er dan zo uitziet:

Zie voor een ander voorbeeld hiervan: rekenen en temperament

Bij het tekenen van een rij scherphoekige punten die steeds spitser worden, zullen de kinderen ervaren dat ze op weg zijn naar de verticaal en in het geval van stompe hoeken op weg naar de horizontaal.

Jünemann wijst nog op het karakter van de verschillende hoeken: het naar boven opengaan is een ander gebaar dan wanneer de punt naar boven wijst. Ze neemt als voorbeeld een boomvorm en een klassiek dak van een huis.
Dat kun je weer als een opdracht aan de kinderen meegeven: waar zie je in de wereld deze hoekvorm – (je had het al gevraagd voor de rechte en de ronde).

Driehoek, vierhoek, zesster

Ze tekent met de kinderen allerlei gesloten driehoeken: scherpe, rechthoekige en stompe. Met de punt naar boven en naar beneden, tegen elkaar aan (een ruit) horizontaal en verticaal.

Ook de vijf- en zesster, als ‘ster’ (pentagram, hexagram) en ‘omschreven’ (pentagoon en hexagoon) met de ster daarin.
Ze geeft echter geen aanwijzingen hoe je dat dan doet. In de lucht voordoen betekent dat je zelf heel goed moet weten hoe je de kinderen het wil laten doen: gaat de lijn naar je toe of van je af. Waar begin je, wat daarna.
Ze zegt ook niet voor welke klas dit is bedoeld, maar gezien het hele verhaal krijg je de indruk dat dit allemaal in de 1e klas gebeurt. Zelf zou ik die gecompliceerde stervormen bewaren voor een hogere klas. 

Er is een aanwijzing van Steiner tijdens de begincursus in 1919 (GA 294), vertaald met ‘Opvoedkunst’ waarin hij zegt:

Und jetzt (9-12) können wir in diesem Lebensalter des Menschen auch zur Geometrie übergehen, während wir vorher dasjenige, was dann Geo­metrie wird, ganz im Zeichnerischen drinnen gehalten haben. Am Zeichnerischen können wir ja dem Menschen Dreieck, Quadrat, Kreis und Linie entwickeln. Die eigentlichen Formen entwickeln wir also am Zeichnerischen, indem wir zeichnen und dann sagen: Das ist ein Drei­eck, das ist ein Quadrat. Aber was als Geometrie hinzutritt, wo wir die Beziehungen zwischen den Formen suchen, das beginnen wir erst so um das 9.Jahr herum.

En dan kunnen we in die fase [9 – 12jr] ook geometrie gaan geven. Voor die tijd hebben we ons beperkt tot het tekenen van geometrische vormen en daaruit wordt de geometrie afgeleid. In het tekenen kunnen we de mens vertrouwd maken met de driehoek, het vierkant, de cirkel en de lijn. De eigenlijke vormen worden dus in het tekenen ontwikkeld, door ze eerst te tekenen en dan te zeggen: dat is een driehoek, dat een vierkant. Maar met de eigenlijke geometrie, de relaties tussen de vormen, beginnen we pas zo rond het negende jaar.
GA 294.139
Vertaald/115

Voor de zesster gaat Jünemann zo te werk: ze laat twee even grote  driehoeken met de basis tegen elkaar tekenen. In een tweede tekening schuift de bovenste een beetje over de andere heen, of omgekeerd. De ster die nu ontstaan ism voelt nog niet harmonisch. Dat komt door schuiven in een volgende tekening. Bij een volgende tekening kunnen de buitenlijnen worden getekend. Dan alleen de buitenkant. Deze methode maakt het mogelijk makkelijker de juiste verhoudingen te vinden.

 

[1] Steiner GA 294/56
vertaald/49
[2] Uit verklaringen bij de ‘Elementen van Euclides’. Proklus, filosoof, 412-485 n chr.
[3] Steiner GA 295/170
Vertaald/155-156
[4] Steiner GA 301/79-80
Op deze blog vertaald/79-80

Voorbeelden van ‘rechten’ op Waldorf-Ideen-pool
Daar ook ‘sterren e.d.

Jünemann: over ‘de ronde

Jünemann over ‘schrijfoefeningen

Jünemann over ‘symmetrie

Het boek ‘Formenzeichnen‘: inhoud   (vertaald)

Vormtekenenalle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

2148

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.