VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde -voordracht 9 (9-1-1/13)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase van 0 – 7 jaar 

in de voordrachtenreeks:

Die gesunde Entwickelung des Menschwesens

GA 303

Voordracht 4 Dornach, 26 december 1921

Kind leeft mee met wat het in de buitenwereld ervaart

Blz. 68   vert. 75/76

Das Kindhafte besteht darinnen, daß nicht nur in instinktiver Weise durch die Kopforganisation die Verhältnisse der Umwelt erlebt werden, son­dern die Kopforganisation lebt im Stoffwechsel intensiv dasjenige mit, was sein Verhältnis zur Außenwelt ist. Wenn das Kind Farben sieht, so geschehen in ihm lebhafte Stoffwechselvorgänge. Das Kind konsu­miert gewissermaßen die äußeren Eindrücke auch bis in seinen Stoff-wechsel hinein. Man kann durchaus sagen, ohne bildlich, sondern ganz real zu sprechen: die Magenfunktion des Kindes richtet sich nicht nur nach den Speisen wegen des Geschmackes und ihrer Verdaulichkeit, sondern auch nach den Farbeneindrücken der Umgebung. Sie richtet sich nach dem, was das Kind aus der Umgebung herein erlebt. So daß man sagen kann: Bei dem Greise haben wir eine Animalisierung des Lebens in physischer Beziehung; bei dem Kinde haben wir das ganze Leben erfüllt von einer Sensitivität des vegetativ-organischen Pro­zesses.

Het kinderlijke bestaat in het feit dat de omstandigheden van de omringende wereld niet alleen op een instinctieve manier door de hoofdorganisatie beleefd worden, maar dat in de hoofdorganisatie in de stofwisseling intensief meebeleeft wat zijn verhouding tot de buitenwereld is. Wanneer het kind kleuren ziet, dan vinden in hem levendige stofwisselingsprocessen plaats. Het kind consumeert in zekere zin de uiterlijke indrukken ook tot in zijn stofwisseling. Je kunt gerust zeggen, en dat is niet beeldend, maar volstrekt reëel gesproken: de maagfunctie van het kind richt zich niet alleen naar de gerechten vanwege hun smaak en verteerbaarheid, maar ook naar de kleurindrukken van de omgeving. Ze richt zich op de dingen die het kind vanuit de omgeving in zichzelf beleeft. Zodat we kunnen zeggen: bij de bejaarde hebben we een verdierlijking van het leven in fysiek opzicht; bij het kind zien we het hele leven vervuld van een gevoeligheid van het vegetatief-organische proces.

Der vegetativ-organische Prozeß, nicht der animalisch-organische, sondern der vegetativ-organische Prozeß erlebt bei dem Kinde mit alles, was es in der Außenwelt erfährt. Das geht eben durchaus bis in die seelischen Eigenschaften hinein. So daß wir bei dem Kinde niemals zu einer vollständigen Erkenntnis kommen, wenn wir uns nicht auch fragen: Wie konsumiert das Kind bis in seinen Stoffwechsel hinein seine Eindrücke? – Darin besteht ja das sogenannte normale Menschenleben, daß der Mensch dann im späteren, reifen Alter seinen Stoffwechsel mehr sich selbst überläßt, daß er das Leben mit der Außenwelt wie­derum in einer selbständigeren Weise erlebt, daß der Mensch dasjenige, was er seelisch-geistig mit der Außenwelt erlebt, nicht so wie das Kind hinunterläßt in den Stoffwechsel, daß nicht immer von einer so leben­digen, innerlichen Drüsenabsonderung, wie es beim Kinde der Fall ist, alle äußeren Beziehungen zur Außenwelt begleitet werden.
Das Kind konsumiert dasjenige, was es in der Außenwelt erlebt, ich möchte sagen, wie eine Nahrung. Und der spätere, reife Mensch über­läßt seinen Stoffwechsel sich selber. Er ist nur dadurch eben ein reifer Mensch im normalen Leben, daß die Dinge nicht so tief in seine vege­tativ-organischen Prozesse hineingehen.

Het vegetatief-organische proces, niet het animaal-organische, maar het vegetatief-organische proces beleeft bij het kind alles mee wat het in de buitenwereld ervaart. Dat gaat zelfs helemaal tot in de eigenschappen van de ziel. Zodat we bij het kind nooit tot een volledig inzicht komen als we ons ook niet de vraag stellen: hoe consumeert het kind tot in zijn stofwisseling zijn indrukken? – Het zogenaamde normale mensenleven bestaat erin dat de mens dan op latere, rijpe leeftijd zijn stofwisseling meer aan zichzelf overlaat, dat hij het leven met de wereld om zich heen weer op een meer zelfstandige manier beleeft, dat de mens datgene wat hij psychisch-geestelijk aan de buitenwereld beleeft niet, zoals het kind dat doet, tot beneden in de stofwisseling laat doordringen, dat niet altijd elke uiterlijke relatie tot de buitenwereld, zoals dat bij het kind het geval is, door innerlijke klierafscheiding begeleid wordt.
Het kind consumeert wat het in de buitenwereld beleeft zogezegd als voedsel. En de oudere, rijpe mens laat zijn stofwisseling aan zichzelf over. Hij is gewoon een rijpe mens in het normale leven doordat de dingen niet zo diep in zijn vegetatief-organische processen binnendringen.
GA 303/68
Vertaald/75-76

Voordracht 7 Dornach 29 december 1921

Leeftijdsfasen kunnen worden onderverdeeld

Blz. 126/128   vert. 138/139

Man kann den gesamten menschlichen Lebenslauf in solche Abschnitte gliedern, und der erste, approximativ, ist eben bis zum siebenten Jahre hin. Aber jeder solche Lebensabschnitt gliedert sich wiederum in drei deutlich voneinander unterscheidbare Teile. Und wir können, wenn wir dieses allmähliche Freiwerden gewisser Kräfte des Atherleibes von der Geburt bis ungefähr zum siebenten Jahr be­trachten, sehen, wie durch zweieinhalb Jahre ungefähr von der Geburt an dieser Atherleib für den Kopf frei wird, wie er dann vom zweiein­halbten Jahre bis gegen das fünfte Jahr zu für die Brust frei wird, und dann für den Stoffwechsel-Gliedmaßenmenschen bis zum Zahnwechsel. So daß wir drei Etappen in diesem Freiwerden gewisser Kräfte des Bilde­kräfteleibes zu unterscheiden haben. Es ist deshalb schon so, daß man deutlich bemerken kann: der auch für den Kopfteil des Menschen noch ganz innerhalb erscheinende Bildekräfteleib weist den äußeren Willen der Erziehenden zurück.

Je kunt de hele menselijke levensloop in (zulke) fasen onderverdelen, en de eerste duurt bij benadering tot het zevende jaar. Maar elk van deze levensfasen is weer in drie duidelijk van elkaar te onderscheiden delen verdeeld. En we kunnen, wanneer we dit geleidelijke vrijkomen van bepaalde krachten van het etherlichaam vanaf de geboorte tot ongeveer het zevende jaar beschouwen, zien hoe gedurende ongeveer tweeëneenhalf jaar vanaf de geboorte dit etherlichaam voor het hoofd vrij wordt, hoe het dan vanaf tweeëneenhalf tot tegen het vijfde jaar voor de borst vrij wordt en dan tot aan de tandenwisseling voor de stofwisselingsledematenmens. Zodat we drie etappes in dit vrij worden van bepaalde krachten van het vormkrachtenlichaam moeten onderscheiden. Daarom kun je al duidelijk merken: het ook voor het hoofdgedeelte van de mens nog helemaal innerlijk verschijnende vormkrachtenlichaam wijst de uiterlijke wil van de opvoeder af.

Open staan voor de wereld

Nun ist das gerade der Lebensabschnitt, wo wir Allerwichtigstes lernen, was wir also ganz durch innere Arbeit lernen aus dem heraus, was wir uns aus dem präexistenten Leben mitgebracht haben. Beden­ken Sie, daß man in den ersten zweieinhalb Jahren sprechen lernt, ge­hen lernt, dasjenige also, was am intimsten mit der Selbstbehauptung des Menschen für sich und im sozialen Leben zusammenhängt. Dieses Wichtigste eignet man sich an, während die Kräfte des ätherischen Leibes noch am Gehirn arbeiten, hineinstrahlen in den ganzen übrigen Organismus. Wenn sie zu stark in den übrigen Organismus hinein-strahlen, so daß sie dort die noch zarten Stoffwechselverrichtungen oder die noch zarten Atmungsv errichtungen, Blutumlaufsverrichtungen zu stark stören, wenn sie also zu stark hinunterrumoren in den kind­lichen Organismus, dann gibt es schon im kindlichen Alter gern Schar­lach und ähnliche Kinderkrankheiten. Das, was da arbeitet, ist im Grunde genommen für ein von außen kommendes, bewußtes, willkür­liches Einwirken unzugänglich, schließt die Tore. Das Kind will im Inneren an sich arbeiten.

Nu is dat juist de levensperiode waarin we het allerbelangrijkste leren, wat we dus helemaal door innerlijke arbeid leren vanuit wat we uit het pre-existente leven hebben meegebracht. Bedenkt u eens dat we in de eerste tweeëneenhalf jaar leren spreken, leren lopen, dus dat wat het meest intiem samenhangt met de handhaving van de eigen persoonlijkheid van de mens voor zichzelf en in het sociale leven. Dit allerbelangrijkste maak je je eigen terwijl de krachten van het etherische lichaam nog aan de hersenen werken, nog binnenstralen in het hele overige organisme. Als ze te sterk in het overige organisme binnenstralen, zodat ze daar de nog zwakke stofwisselingsactiviteiten of de activiteiten van de nog zwakke ademhaling en bloedsomloop te sterk storen, als ze dus te sterk daar beneden rommelen in het organisme van het kind, dan treedt er gemakkelijk al op heel jeugdige leeftijd roodvonk op, of soortgelijke kinderziektes. Wat daar werkt is in wezen voor een van buiten komende, bewuste, willekeurige inwerking ontoegankelijk, sluit daar de poorten voor. Het kind wil innerlijk aan zichzelf werken.

Und das ist gerade beim Kinde in diesen zweieinhalb ersten Lebens­jahren von ganz besonderer Bedeutung, daß es nicht für den fremden Willen zugänglich ist, aber daß es ein feines, instinktives Wahrneh­mungsvermögen hat für alles das, was in seiner Umgebung vorgeht, insbesondere für das, was in den Personen vorgeht – wozu ja die Er­zieher im ganz besonderen Maße gehören -, mit denen es in einem ge­wissen seelischen Rapport steht. Nicht etwa, daß der äußere Blick schon ganz besonders geschärft wäre, das ist nicht der Fall; nicht das ausgesprochene Sehen macht es aus, sondern ein Gesamtwahrnehmen intimster Art richtet sich nach dem, was in der Außenwelt um das Kind herum vorgeht, und was nicht mit der Absicht vorgeht, daß auf das Kind besonders eingewirkt werden soll. Das Kind wehrt sich ganz unwillkürlich gegen dasjenige, was bewußt auf es einwirken will, be­sonders in den ersten zweieinhalb Lebensjahren. Daraus folgt aber, daß wir diese Empfänglichkeit, die noch die Wahrnehmung ganz in das Gefühl untergetaucht hat, berücksichtigen müssen.
Man macht sich vielleicht anschaulich, was diese Empfänglich­keit bedeutet, wenn man zu dem nächstniedrigen Wesen heruntergeht, zum Tiere.
Das Tier hat nämlich diese Empfänglichkeit ganz beson­ders.

En juist bij het kind in deze eerste tweeëneenhalf jaar is het van bijzonder groot belang dat het niet voor de vreemde wil toegankelijk is, maar dat het wel een fijn, instinctief waarnemingsvermogen heeft voor alles wat er in zijn omgeving gebeurt, vooral voor wat zich afspeelt in de personen – vooral dus de opvoeders – met wie het op een bepaalde manier zielsmatig in verbinding staat. Niet dat de uiterlijke blik hiervoor al heel bijzonder gescherpt zou zijn, dat is niet het geval. Het gaat niet om het uitgesproken zien, maar een waarnemen-van-het-geheel van zeer intieme aard richt zich op wat er in de buitenwereld rondom het kind gebeurt, en wat niet gebeurt met de intentie om vooral op het kind in te werken. Het kind verzet zich geheel onwillekeurig tegen dat wat bewust op hem wil inwerken, vooral in de eerste tweeëneenhalf jaar van het leven. Daaruit volgt echter dat we met deze ontvankelijkheid, die de waarneming nog helemaal in het gevoel heeft ondergedompeld, rekening moeten houden.
Het wordt misschien duidelijk wat deze ontvankelijkheid betekent als je afdaalt naar het eerste onder ons staande wezen, naar het dier. Het dier heeft namelijk deze ontvankelijkheid in heel bijzondere mate.

Nabootsing

Blz. 129/130/131  vert. 140/141/142

Und so steht in ähnlicher Weise in den ersten zweieinhalb Lebens­jahren auch das Kind, wenn sich der erziehende Führer richtig be­nimmt, in einer Art von seelischem Wahrnehmungsrapport zu diesem Führer, und es wird das Kind in allerausgesprochenstem Maße ein Nachahmer, ein Imitator. Uns erwächst dann die Aufgabe, nicht durch unseren Willen allerlei dem Kinde beibringen zu wollen, sondern in einer etwas unbequemeren Weise so zu sein in seiner Nähe, daß das Kind die betreffende Sache nachmachen kann; denn das Kind ist emp­fänglich für alles, was wir tun, wie wir uns bewegen. Das alles ahmt es entweder wirklich nach, das vielleicht erst später, aber es entwickelt in sich die Nachahmungstendenzen und preßt diese durch die orga­nisch-seelischen Kräfte in seine Körperlichkeit hinein. Und es ist auch empfänglich für unsere Gefühle, für unsere Gedanken. So daß die Er­ziehung in diesen ersten zweieinhalb Lebensjahren sich lediglich dar­auf beziehen kann, daß wir uns selbst so weit erziehen, daß wir in der Nähe des Kindes das denken, fühlen und wollen, was das Kind an­schauen kann. Es erhält sich das manchmal noch, weil die Nachah­mung im wesentlichen bis zum Zahnwechsel hingeht, für die späteren Lebensjahre. Man erfährt da, wenn man wirklich praktisch im Leben drinnensteht, gar manches von dieser Art.

En op een vergelijkbare manier heeft in de eerste tweeëneenhalf jaar ook het kind, als de opvoedende leider zich juist gedraagt, een soort van psychische waarnemingsverbinding tot deze leider en wordt het kind in de meest uitgesproken zin een nabootser, een imitator. Voor ons ontstaat dan de opgave het kind niet via onze wil allerlei dingen bij te willen brengen, maar, en dat is een stuk moeilijker, zó in de omgeving van het kind te zijn dat het de betreffende zaak kan nabootsen. Want het kind is ontvankelijk voor alles wat wij doen, hoe we ons bewegen. Dat alles bootst het ofwel werkelijk na — dat misschien pas later —, maar het ontwikkelt in zich de nabootsingtendens en perst die door de organisch-psychische krachten in zijn lichaam naar binnen. En het is ook ontvankelijk voor onze gevoelens, voor onze gedachten. Zodat de opvoeding in de eerste tweeëneenhalf jaar van het leven er alleen betrekking op kan hebben dat wij onszelf zo goed opvoeden dat we in de nabijheid van het kind datgene denken, voelen en willen wat het kind mag zien. Dat blijft dan soms zo in de volgende levensjaren bestaan, omdat de nabootsing in wezen tot de tandenwisseling voortduurt.

Zu mir kam zum Beispiel einmal ein Elternpaar ganz trostlos und sagte: Unser Kind war immer ein braves Kind, jetzt hat es gestohlen! -Nun, hat es wirklich gestohlen? Na ja, es hat ja gestohlen, denn es hat einfach aus dem Schrank, wo seine Mutter das Geld immer liegen hat, Geld herausgenommen, hat Süßigkeiten gekauft, nicht einmal für sich selber immer verwendet, sondern sogar mit anderen Kindern geteilt. Ich sagte, das Kind hat gar nicht gestohlen. Es ist gar keine Rede da­von, daß das Kind gestohlen hat! Das Kind hat jeden Tag gesehen, wie die Mutter zu diesem Schrank geht, dort Geld herausnimmt; von der Vorstellung des Stehlens ist nichts in dem Kinde vorhanden. Aber ein Nachahmer ist das Kind, und es macht dasselbe, was die Mutter macht. Es geht also auch an den Schrank und kauft etwas. Das hat gar noch nichts zu tun mit dem Begriff des Stehlens oder Nichtstehlens. Und will man vermeiden, daß das Kind das tut, so muß man sich eben in einer anderen Weise in seiner Umgebung verhalten.

Een voorbeeld: een ouderpaar kwam eens wanhopig bij mij en vertelde: ‘Ons kind is altijd erg braaf geweest en nu heeft het gestolen!’ Welnu, heeft het nu echt gestolen? Nou ja, het heeft wel gestolen, want het heeft gewoon uit de kast waar zijn moeder het geld altijd bewaart geld genomen, heeft daar snoepgoed voor gekocht, niet eens alles zelf opgegeten, maar het met andere kinderen gedeeld. Ik zei dat het kind helemaal niet gestolen heeft. Er is helemaal geen sprake van dat het kind gestolen heeft! Het kind zag iedere dag hoe moeder naar die kast gaat en daar geld uit pakt; van het idee ‘stelen’ is bij het kind niets aanwezig. Maar het kind is een nabootser en het doet hetzelfde als wat moeder altijd doet. Het loopt dus ook naar de kast en gaat iets kopen. Dat heeft nog helemaal niets te maken met het begrip stelen of niet-stelen. En wil je vermijden dat het kind zoiets doet, dan moet je je op een andere manier in zijn omgeving gedragen.

‘Maar het kind is een nabootser en het doet hetzelfde als wat moeder altijd doet.’

Alles läuft darauf heraus, daß namentlich für die ersten zweiein­halb Lebensjahre das Kind so wird, wie wir selbst in seiner Umgebung sind. Und das bedingt, daß wir, indem das Kind zum Beispiel sprechen lernt, ihm nicht irgend etwas in der Sprache aufdrängen, vor allen Dingen nicht durch unseren Willen herankommen wollen, um zu be­wirken, daß es so oder so sagt; sondern wir müssen in seiner Umgebung so sprechen, wie uns der Schnabel gewachsen ist, damit es Gelegenheit hat zu hören, und müssen nur dafür sorgen, daß er uns moralisch ge­wachsen ist. Das Kind nimmt das auf und führt sich selbst in diese Bahn hinein.
Und wenn man genauer zusieht, das Kind lernt auch niemals gehen dadurch, daß wir alle möglichen Stehversuche und so weiter machen.

Het komt er helemaal op neer dat het kind met name de eerste tweeëneenhalf jaar van het leven zo wordt als wij zelf in zijn omgeving zijn. Daarom moeten we bijvoorbeeld wanneer het kind leert spreken, hem niet in de taal iets opdringen, vooral niet door onze wil het kind willen bereiken en ervoor zorgen dat hij dit of dat zegt. Maar we moeten in zijn omgeving spreken zonder een blad voor de mond te nemen, zodat het kind de gelegenheid heeft dat te horen. We hoeven er alleen voor te zorgen dat het moreel juiste dingen hoort. Het kind neemt dat in zich op en leidt zichzelf in deze richting.
Bij nauwkeurigere waarneming zien we ook dat het kind nooit leert lopen doordat wij allerlei pogingen doen het te laten staan en dergelijke. Later, in de gymnastiekles is dat wel op zijn plaats. Bij het leren lopen kunnen we, als we doordrammen en het kind veel te vroeg proberen te laten staan of lopen, het kind in zijn zenuwproces voor de rest van zijn leven ruïneren. We laten het kind waarnemen dat de volwassene rechtop staat. Als nabootser neemt hij op het juiste moment ook zo’n positie in. We moeten echt de mens bij zijn binnenkomst in het leven helemaal als een imiterend, een nabootsend wezen opvatten en onze opvoeding daarnaar inrichten.

Gewiß erwächst daraus manche Unbequemlichkeit, und Sie wer­den einwenden: es gibt ja doch Kinder, mit denen sich gar nichts an­fangen läßt, die einem den ganzen Tag die Ohren so vollbrüllen, daß einem das Trommelfell zerspringt, oder die nach anderer Richtung hin manche sogenannte Ungezogenheiten haben. Nun gewiß, die Außer­lichkeiten des Lebens bringen es mit sich, daß man auch wiederum äußerliche Maßnahmen treffen muß, damit das Kind nicht gerade durch seine Ungezogenheiten Schaden anrichtet. Aber zum Erziehen gehört das eigentlich im Grunde genommen nicht. Es ist ja unbequem, wenn das Kind uns den ganzen Tag die Ohren vollbrüllt, aber wenn wir daneben nur dennoch in seiner Umgebung uns so verhalten, wie ich es eben charakterisiert habe, dann wird unser Verhalten in seinen tieferen geistig-seelischen Kräften, die noch verwandt sind mit den organischen Kräften, aufgenommen, und später kommt das zum Aus­drucke. Dasjenige, was da in seinem Brüllen oder in etwas anderem enthalten ist, entpuppt sich für den unbefangenen Beobachter als Folge der Organisation. Das kommt aus etwas, was mit dem kindlichen Alter vorübergeht, allerdings nicht die intensiven Kräfte des Brüllens, aber die Neigung, gerade diese Kräfte durch das Brüllen zu äußern. Denn es ist wahr, das, was zum Beispiel im kindlichen Alter sich als Brüllkräfte äußert, hat eine gewisse Intensität. Erziehen wir das Kind durch das, was wir selber sind, zu moralischen Wesen, so äußern sich diese Brüll­kräfte seines ersten kindlichen Alters später als intensiv moralische Kräfte. Der spätere Mensch hat eine starke moralische Intensität, die im kindlichen Alter als intensives Brüllen sich auslebte. Wenn wir allerdings unmoralisch sind in seiner Umgebung, auch nur in Gedanken, dann äußern sich eben diese Brüllkräfte später in unmoralischer Intensität.

Daaruit ontstaat beslist veel ongemak en u zult tegenwerpen: er zijn toch ook kinderen waar helemaal niets mee te beginnen is, die de hele dag zo lopen te brullen dat je trommelvliezen ervan springen, of die allerlei andere zogenaamde ondeugendheden hebben. Welnu, het leven zoals het is brengt met zich mee dat we ook hier uiterlijke maatregelen moeten treffen, zodat het kind door zijn ondeugendheden geen schade aanricht. Maar in feite hoort dat niet bij de opvoeding. Het is zeker vervelend als het kind voortdurend aan het brullen is, maar als wij ons daarnaast in zijn omgeving toch zo gedragen als ik zojuist heb beschreven, dan wordt ons gedrag opgenomen in de diepere krachten van zijn geest en ziel die nog verwant zijn met de organische krachten, en dat komt later dan wel tot uitdrukking. Wat er achter het brullen of een andere gedraging schuilgaat, ontpopt zich voor de onbevangen waarnemer als een gevolg van het organisme. Dat komt voort uit iets wat met de kindertijd voorbijgaat. Weliswaar verdwijnen niet de intensieve krachten die het brullen veroorzaken, maar de neiging deze krachten nou juist door het brullen te manifesteren, verdwijnt wel. Want het is waar dat wat zich bijvoorbeeld in de kindertijd als brulkrachten manifesteert, een bepaalde intensiteit heeft. Voeden wij het kind op tot morele wezens door wat wij zelf zijn, dan manifesteren deze brulkrachten van zijn vroege kindertijd zich later als intensief morele krachten. De latere mens heeft een sterke morele intensiteit, die zich op de kinderleeftijd als intensief brullen uitleefde. Wel is het zo dat wanneer wij immoreel zijn in zijn omgeving, ook al is het maar in gedachten, dan openbaren deze brulkrachten zich later in immorele intensiteit.

Blz. 132  vert. 142/143

Aber dasjenige, worauf es ankommt, wird man schon nach dieser Auseinandersetzung in der richtigen Weise würdigen können. Und das ist das Wesentliche, daß wir uns zum Beispiel nicht verleiten lassen von einem falschen Instinkt – es ist eigentlich nicht einmal ein Instinkt, son­dern es ist etwas durch gewisse Vorurteile Anerzogenes -, wie es un­erzogene, wenn ich mich so ausdrücken darf, Ammen und Kindermäd­chen tun, das dem Kinde vorzumachen, was es eigentlich gar nicht nachmachen soll, daß wir versuchen, selbst recht kindisch zu sein und in seiner Nähe auch so zu sprechen, möglichst ins Kindische gekleidet. Diese Übersetzung macht das Kind nach seinem Vermögen schon selbst. Wir tun ein Unrecht an dem Kinde, wenn wir unsere Sprache zum Beispiel besonders herrichten; denn das Kind will nachahmen den, der in seiner Nähe ist und mit dem es in einem bestimmten Rapport steht in demjenigen, was er seiner Natur nach tut. Das Kind lehnt aber im Grunde genommen alles innerlich ab, was durch den Willen des Er­ziehenden eingerichtet ist, wie zum Beispiel die kindliche, naive Spra­che, die wir in seiner Nähe annehmen. Es ist gezwungen, sich diese Sprache gefallen zu lassen, hat aber eine tiefe innerliche Antipathie dagegen, die im Grunde genommen eine für das ganze spätere Leben wirkende schwache Verdauung zum Beispiel bewirkt. So daß manches, was man im späteren Leben als schwache Verdauung diagnostizieren kann, seinen Ursachen nach richtig herausgefunden wird dadurch, daß man erfährt: dieser Mensch hat als ganz kleines Kind ein sich zu kind­lich machendes Kindermädchen gehabt.
Das sind so Maximen, die für das erste Drittel des ersten großen Lebensabschnittes, für die ersten zweieinhalb Jahre des kindlichen Al­ters notwendig sind.

Maar datgene waar het op aankomt, zullen we na deze uiteenzetting wel op de juiste wijze kunnen waarderen. En het wezenlijke is dat we ons bijvoorbeeld niet laten verleiden door een verkeerd instinct — het is eigenlijk niet eens een instinct, maar iets wat door bepaalde vooroordelen is aangeleerd — hetzelfde te doen als, wanneer ik me zo mag uitdrukken, onopgevoede kinderjuffrouwen en kindermeisjes doen, namelijk het kind iets voordoen wat het eigenlijk helemaal niet hoort na te bootsen, door te proberen zelf echt kinderlijk te zijn en in zijn nabijheid ook zo kinderlijk mogelijk te praten, zo mogelijk kinderlijk gekleed. Deze vertaalslag maakt het kind naar vermogen zelf al. We doen het kind onrecht als we bijvoorbeeld onze taal speciaal aanpassen. Want het kind wil het natuurlijke gedrag nabootsen van degene die in zijn omgeving is en waarmee het op een bepaalde manier nauw verbonden is. Het kind wijst eigenlijk innerlijk alles af wat door de wil van de opvoeder is ontstaan, zoals bijvoorbeeld de kinderlijke naïeve taal die wij in zijn omgeving aannemen. Het kind is gedwongen zich deze taal te laten welgevallen, maar heeft een diepe innerlijk antipathie daartegen. Die zorgt er bijvoorbeeld voor dat hij zijn hele latere leven last heeft van een slecht werkende spijsvertering. Zodat van veel wat we later in het leven kunnen diagnosticeren als een slechte spijsvertering, de echte oorzaak gevonden wordt als we te horen krijgen: deze mens heeft als heel klein kind een te kinderlijk optredend kindermeisje gehad.
Dat zijn zo de grondregels die voor het eerste derde deel van de eerste grote levensfase, voor de eerste tweeëneenhalf jaar van de kinderleeftijd nodig zijn.

Tussen 2½  en 5 jaar

Wenn das Kind dann etwa zweieinhalb Jahre alt geworden ist, dann ist seine Kopfesorganisation so weit, daß der Teil des Bildekräfte­leibes, des Atherleibes, der in den ersten Kinderjahren diese Kopfplastik besorgt, frei wird. Und diese Befreiung trifft dann auf ein weiteres Freiwerden, das nach und nach in bezug auf den Atherleib der Brust sich vollzieht bis gegen das fünfte Jahr hinein. Das Atmen, der Blut­kreislauf werden dann von den in ihnen noch liegenden Atherkräften bis zu einem gewissen Grade befreit. Und es wirkt also in dem Kinde, das dann sprechen gelernt hat, das gehen gelernt hat, dasjenige zusam­men, was als seelisch-geistige Kräfte aus dem Kopforganismus heraus frei geworden ist, und das dann zusammenschwingt mit demjenigen, was sich nach und nach befreit im Brustorganismus. Und das erscheint als die besondere Heranbildung dieses lebendigen kindlichen Gedächtnis­ses, das man ja gerade sich heranentwickeln sieht zwischen dem zwei­einhalbten und gegen das fünfte Jahr hin, und namentlich in dem wirkt, was ich Ihnen eben geschildert habe als die Heranbildung, die Heran-entwickelung der eigentümlichen kindlichen Phantasie.

Wanneer het kind dan ongeveer tweeëneenhalf jaar is, is het in zijn hoofdorganisatie zo ver dat het deel van het vormkrachtenlichaam, het etherlichaam, dat in de eerste kinderjaren voor de vormende kracht van het hoofd zorgt, vrij komt. En deze bevrijding ontmoet dan een verder vrijkomen, dat geleidelijk met betrekking tot het etherlichaam van de borst plaatsvindt tot ongeveer het vijfde jaar. Dan worden het ademen en de bloedsomloop van de nog in hen aanwezige etherkrachten tot op zekere hoogte bevrijd. En in het kind dat dan heeft leren spreken, heeft leren lopen, werken dan nog samen datgene wat als psychisch-geestelijke krachten uit het hoofdorganisme vrij geworden is en wat dan samen vibreert met datgene wat zich geleidelijk in het borstorganisme bevrijd heeft. En dat verschijnt dan als de bijzondere ontwikkeling van dit levendige kinderlijke geheugen, dat we met name tussen de leeftijd van tweeëneenhalf en vijf zich zien ontwikkelen en dat vooral werkt in dat wat ik u geschetst heb als de opbouw, de ontwikkeling van de typische kinderlijke fantasie.

Dieses beiderseitige Wirken auf der einen Seite des sich seelisch ge­staltenden Gedächtnisses, der sich seelisch gestaltenden Phantasie, das muß in diesem Lebensabschnitte von dem erziehenden Führer ganz be­sonders berücksichtigt werden. Immer bleibt ja das Kind ein nach­ahmendes Wesen. Und insbesondere in bezug auf das sich heranbil­dende Gedächtnis, die Erinnerungsfähigkeit, muß man sich klar sein, daß man das Kind wiederum möglichst sich selbst überlassen muß, daß man nicht gut tut, in diesem Lebensabschnitte dem Kinde etwas bei­zubringen, wobei man darauf rechnet, daß es sich erinnert. Es soll dasjenige aufnehmen in vollständig freiem Sich-Heranbegeben an das, was es behalten will, woran es sich erinnern will. Ja nicht irgendwie etwas nach Gedächtnisübungen Ausschauendes mit dem Kinde in die­sem Lebensalter machen! Wer einem Kinde für die Merk-, für die Er­innerungsfähigkeit zwischen dem zweiten und fünften Jahre etwas auf­drängt, der beachtet dasjenige nicht, was sich eben beobachten läßt, wenn man den ganzen menschlichen Lebenslauf wiederum ins Auge faßt.

Met dit werken aan twee kanten – enerzijds het in de ziel zich vormende geheugen, anderzijds de psychisch zich vormende fantasie — moet in deze levensfase heel speciaal rekening worden gehouden door de leidende opvoeder. Altijd blijft het kind immers een nabootsend wezen. En vooral met betrekking tot het zich ontwikkelende geheugen, het herinneringsvermogen moet het duidelijk zijn dat je het kind weer zo veel mogelijk aan zichzelf moet overlaten, dat je er geen goed aan doet in deze levensfase het kind iets bij te brengen waarbij je erop rekent dat het kind het zich herinnert. Het kind moet, door zich volledig vrij aan iets over te geven, in zich opnemen wat het onthouden wil, wat het zich herinneren wil. Dus nooit iets met het kind op deze leeftijd doen wat ook maar op een geheugenoefening lijkt! Wie het kind voor het opmerkingsvermogen, voor het geheugen tussen het tweede en het vijfde levensjaar iets opdringt, die houdt geen rekening met wat je toch kunt waarnemen als je de hele levensloop van de mens bekijkt.

Blz. 133/134    vert. 144/145

Man kann ja manche Menschen kennenlernen, die erklären einem, wenn sie vierzig Jahre alt geworden sind oder noch später: sie haben Gliederreißen, Rheumatismus. Nun gewiß, das kann ja von allem mög­lichen herrühren; aber es gibt durchaus diejenigen Fälle, in denen man, wenn man die Untersuchung nur weit genug treibt, durchaus darauf kommt, daß der Rheumatismus, das Gliederreißen von einem Überfüttern mit Gedächtnismaterial in diesem früheren Lebensalter der Kinder herrührt. Ja, die Lebenszusammenhänge sind eben durchaus kompliziert, und nur derjenige, der sich darauf einläßt, diese Lebens-zusammenhänge kennenzulernen, kann für das Erziehen und überhaupt für die ganze Führung des werdenden Menschen auch die rechte Liebe in sich entwickeln, die doch allein nur das beste Erziehungsmittel ist.

Je kunt soms mensen leren kennen die, wanneer ze veertig jaar of ouder geworden zijn, ons vertellen dat ze last hebben van hun gewrichten, van reumatiek. Zeker, dat kan door allerlei dingen veroorzaakt worden. Maar er zijn beslist ook gevallen waarbij we, als we maar ver genoeg onderzoek doen, ertoe komen dat de reumatiek, de gewrichtsreumatiek terug te voeren is op het overvoeren met geheugenstof op deze jonge leeftijd van het kind. Ja, de samenhangen in het leven zijn nu eenmaal erg gecompliceerd. En alleen degene die zich erop toelegt deze levenssamenhangen te leren kennen, kan voor het opvoeden en überhaupt voor de hele begeleiding van de wordende mens ook de juiste liefde in zich ontwikkelen. En alleen liefde is toch het beste middel om op te opvoeden.

Steiner spreekt in deze voordracht ook over spel

Blz. 136  vert. 148

Wenn es dann gegen das fünfte Jahr zugeht, dann ist von dem Atherleib das frei geworden, was die Atmungsorganisation, die Blut­zirkulation versorgt. Und es ringt sich allmählich bis zum Zahnwechsel hin dasjenige los, was von dem Bildekräfteleib aus dem Stoffwechsel­Gliedmaßenorganismus heraus frei werden kann. Da werden dann gei­stig-seelisch allmählich schon diejenigen Kräfte rege, die eigentlich erst voll herauskommen nach dem siebenten Jahre, die wir daher erst später besonders besprechen werden. Aber sie leuchten schon in diesen letzten, den dritten Lebensabschnitt der ersten großen Lebensepoche herein. Das Kind wird ja durch dasjenige, was gerade an seelisch-geistigen Kräften aus seiner Brust heraus frei wird, empfänglich für Ermahnungen, für dasjenige, was aus der Autorität heraus kommt, was man glauben muß. Vorher glaubt das Kind nicht, hat für das Sollen nicht einen Sinn, son­dern nur für das Nachahmen.
Man kann nun erst gegen das fünfte Jahr hin anfangen, das Sollen an das Kind heranzubringen. Wenn wir also ins Auge fassen, daß das Kind in diesem ganzen großen Lebensabschnitt bis zum Zahnwechsel ein nachahmendes Wesen ist und sich nach und nach herausarbeitet zu einem leisen Gebrauch von Phantasie und Gedächtnis, von einem mo­ralischen Glauben, von einem Autoritätsgefühl gegenüber dem Erwach­senen, namentlich dem Erzieher, mit dem es in Rapport steht, dann werden wir aus dieser Gesinnung heraus, die wir durch solche Einsicht gewinnen können, in der richtigen Weise erziehen, und in diesem Le­bensalter jedenfalls noch nicht unterrichten.

Wanneer het dan richting het vijfde jaar gaat, dan is van het etherlichaam dat deel vrij geworden dat de ademhalingsorganisatie en de bloedsomloop verzorgt. En dan worstelt zich geleidelijk tot aan de tandenwisseling datgene los wat zich van het vormkrachtenlichaam uit het stofwisselings-ledematenorganisme kan bevrijden. Daar worden dan geleidelijk al die krachten geestelijk-psychisch levendig die eigenlijk pas na het zevende jaar volledig te voorschijn komen. Die zullen we daarom later speciaal bespreken. Maar zij werpen hun licht al vooruit in dit laatste, derde deel van de eerste grote levensfase. Het kind wordt door wat er aan psychisch-geestelijke krachten uit zijn borst vrij komt, ontvankelijk voor wat van de autoriteit afkomstig is en waard is om in te geloven. Van te voren gelooft het kind niet, het heeft er geen gevoel voor, het bootst alleen na.
Je kunt nu pas tegen het vijfde jaar beginnen het kind het ‘moeten’ aan te leren. Als we dus inzien dat het kind gedurende deze hele levensfase tot aan de tandenwisseling een nabootsend wezen is en geleidelijk een fijn gebruik van fantasie en geheugen ontwikkelt, van een moreel geloof, van een autoriteitsgevoel tegenover de volwassene, met name tegenover de opvoeder met wie het sterk verweven is, dan zullen wij vanuit deze gezindheid die we door zo’n inzicht kunnen verkrijgen, op de juiste manier opvoeden en op deze leeftijd in ieder geval nog geen les gaan geven.
GA 303/voordracht 7
Vertaald

Voordracht 10 Dornach 1 januari 1922

Animisme

Blz. 178   vert. 202

Mit dem vollendeten neunten Jahre hört zum Beispiel in einer deut­lichen Weise das auf, was von einer kindlichen Wissenschaft immer in ganz falschem Lichte dargestellt wird. Man sieht darauf hin, daß das Kind, wenn es sich an einer Tischecke stößt, die Tischecke schlägt. Aber dann sagt die Wissenschaft: das Kind personifiziert den Tisch, es macht ihn zum lebendigen Wesen, das es strafen muß. Es zeigt wenig ein tieferes Eingehen auf die Gemütsverfassung des Kindes, wenn man so etwas ausspricht, denn es ist das durchaus nicht der Fall, daß das Kind den Tisch personifiziert. Es hat nur noch nicht das tote Wesen von dem lebendigen Wesen unterscheiden gelernt. Der Vorgang des Personifi­zierens spielt sich gar nicht ab im kindlichen Leben, sondern es behan­delt eben die Außenwelt noch ganz im allgemeinen, und sich selber stellt es in diese Außenwelt so hinein, daß es sich von dieser Außenwelt recht wenig unterscheidet.

Aan het einde van het negende jaar houdt bijvoorbeeld heel duidelijk op wat door een kinderlijke wetenschap altijd in een volkomen verkeerd licht wordt voorgesteld. We zien dat het kind, wanneer het zich aan de hoek van de tafel stoot, de hoek van de tafel slaat; maar vervolgens zegt de wetenschap: het kind personifieert de tafel, het maakt de tafel tot een levend wezen dat het moet straffen. Het duidt op een oppervlakkige benadering van de gemoedstoestand van het kind als je zoiets uitspreekt. Want het is helemaal niet zo dat het kind de tafel personifieert. Het heeft alleen nog niet het dode wezen van het levende wezen leren onderscheiden. Het verschijnsel van het personifiëren speelt zich helemaal niet af in het kinderleven, maar het kind behandelt gewoon de buitenwereld nog helemaal in het algemeen, en het plaatst zichzelf zo in de buitenwereld dat het zich eigenlijk weinig onderscheidt van deze buitenwereld.

Geheugen

Blz. 192   vert. 216/217

Von besonderer Bedeutung ist es, daß man für das kindliche Alter die richtige Stellung gewinne zur Entwicklung des Gedächtnisses. Wir müssen nicht vergessen, daß bis zum Zahnwechsel hin das Gedächtnis, das Erinnerungsvermögen im engsten mit der organischen Entwick­lung gebunden, verbunden ist. Was das Kind in dieser Zeit dann in leichter Weise erinnert, das wirkt durch Kräfte, die zu gleicher Zeit im Wachstum, in der Ernährung wirken. Es ist einmal das Kind in bezug 303/193 auf die geistig-seelischen Kräfte und die physisch-leiblichen Kräfte bis zum Zahnwechsel eine Einheit. Wir können daher auch die größten Fehler machen, wenn wir für das Kind vor dem Zahnwechsel ver­suchen, allerlei zu veranstalten, um das Gedächtnis künstlich stärker zu machen.
In solcher Beziehung müssen wir uns darüber klar sein, daß eben auch für die Entwicklung des Gedächtnisses vor dem Zahnwechsel das Kind ein nachahmendes Wesen ist, daß wir das Richtige in seiner Um­gebung tun müssen, allerdings eben das Richtige, dann wird das Kind, je nach seinen Wachstumsanlagen, nach seinen Ernährungsanlagen, auch im vollsten Sinne des Wortes sein Gedächtnis heranentwickeln. Leibliche Pflege, von der wir noch zu sprechen haben werden, Pflege der körperlichen Gesundheit sind in dieser Zeit auch die beste Pflege für das Gedächtnis, für das Erinnerungsvermögen.

Speciaal van belang is dat we ons de voor de leeftijd van het kind juiste houding ten opzichte van de ontwikkeling van het geheugen verwerven. We moeten niet vergeten dat tot aan de tandenwisseling het geheugen, het herinneringsvermogen heel nauw aan de organische ontwikkeling gebonden is, ermee verbonden is. Wat het kind zich in deze tijd dan op een gemakkelijke manier herinnert, dat werkt door middel van krachten die tegelijkertijd in de groei, in de voeding werken. Het kind is nu eenmaal tot aan de tandenwisseling met betrekking tot de geestelijk-psychische krachten en de fysiek-lichamelijke krachten een eenheid. Vandaar dat we ook de grootste fouten kunnen maken als we door allerlei kunstgrepen proberen bij het kind de tandenwisseling het geheugen sterker te maken.
In verband hiermee moet het voor ons duidelijk zijn dat ook wat betreft de ontwikkeling van het geheugen het kind voor de tandenwisseling een nabootsend wezen is, dat wij het juiste in zijn omgeving moeten doen, absoluut het juiste; dan zal het kind al naargelang zijn groeiaanleg, al naar gelang zijn voedingsvermogens ook in de beste zin van het woord zijn geheugen verder ontwikkelen. Lichamelijke verzorging, waarover we later nog zullen spreken, verzorging van de lichamelijke gezondheid zijn in deze periode ook de beste verzorging voor het geheugen, het herinneringsvermogen.

Blz. 193   vert.

Das Charakteristische unseres materialistischen Zeitalters ist, daß die Menschen womöglich früh schon anfangen möchten, in künstlicher Form allerlei Erziehungsmäßiges an den Menschen heranzubringen. So möchten sie auch auf eine seelisch-geistige Weise schon vor dem sieben­ten Jahre das Gedächtnis pflegen. Sie möchten sogar noch weitergehen, und das zeigt, auf welchem falschen Wege gerade ein materialistisches Zeitalter in dieser Beziehung ist. Es gibt Mütter, ich kann Ihnen das aus Erfahrung sagen, die fragen einen nicht nur, wie soll man in einer Weise, die erst für ein späteres Lebensalter in Betracht kommt, das Kind vor dem Zahnwechsel erziehen, sondern die fragen einen, wie soll man das Kind vor der Geburt erziehen im embryonalen Zustande? Da möchten die Menschen allerlei Anweisungen haben. Man kann ihnen nur sagen: Schau auf dich selbst als Mutter, behandle dich ordentlich, dann wird das Kind, dessen Bildekräfte du doch noch dem Schöpfer überlassen mußt, schon in der richtigen Weise gedeihen.

Het kenmerkende van ons materialistische tijdperk is dat de mensen zo mogelijk al vroeg zouden willen beginnen in een kunstmatige vorm allerlei opvoedingsacties aan de mens op te dringen. Zo zouden ze ook op een geestelijk-psychische wijze al voor het zevende jaar het geheugen willen oefenen. Ze zouden zelfs graag nog verder willen gaan, en dat laat zien op wat voor verkeerde weg juist een materialistisch tijdperk in dit verband is. Er zijn moeders — ik kan u dat uit ervaring meedelen — die vragen je niet alleen hoe je op een manier die pas op latere leeftijd in aanmerking komt, het kind voor de tandenwisseling moet opvoeden, maar die vragen je: hoe moet ik het kind vóór de geboorte, in embryonale toestand opvoeden? Daar zouden deze mensen allerlei aanwijzingen voor willen krijgen. Je kunt tegen hen alleen maar zeggen: kijk goed naar jezelf, hoe je als moeder bent, ga goed met jezelf om, dan zal je kind, wiens vormkrachten je toch aan de schepper moet overlaten, wel op de juiste wijze gedijen.
GA 303/voordracht 10
Vertaald

Voordracht 11 Dornach 2 januari 1921

Blz. 205/206  vert. 232

Beim ganz kleinen Kind sitzen die plastizierenden, gestaltenden Kräfte im Gehirn; die strahlen von da aus. Dann geht die Sache an die Mus­keln über. Und wenn der Mensch im zwölften Jahr angekommen ist, setzt er seinen ganzen Menschen ins Skelett hinein, und dann geht es heraus in die Welt, dann erst geht es heraus. Der Mensch geht durch sich durch und kommt dann in eine Beziehung zu der ganzen Welt. Zuerst Kräfte des Kopfes; diese Kräfte des Kopfes werden dann später in die Muskeln hineinergossen, dann in die Knochen hinein; der Mensch setzt sich in die Knochen hinein, und wenn er geschlechtsreif geworden ist, setzt er sich in die ganze Welt hinein. Da steht er erst in der Welt in Wirklichkeit drinnen.

Bij het heel kleine kind zitten de boetserende, vormende krachten in de hersenen. Die stralen van daar uit. Vervolgens gaat de zaak op de spieren over. En wanneer de mens zijn twaalfde levensjaar heeft bereikt, plaatst hij zijn totale mens in het skelet, en treedt dan naar buiten, de wereld in; pas dan treedt hij naar buiten. De mens gaat door zichzelf heen en komt dan in een relatie tot de hele wereld. Eerst de krachten van het hoofd; deze krachten van het hoofd worden dan later in de spieren uitgegoten, en vervolgens in de botten. De mens verplaatst zich in zijn botten en wanneer hij geslachtsrijp is geworden, plaatst hij zich in de hele wereld. Dan staat hij echt midden in de wereld.
GA 303/205
Vertaald/232

Voordracht 13 Dornach 4 januari 1922

Blz. 235/236   vert. 265/266 

Wir haben ja im Laufe der Betrachtungen gesehen, wie der Mensch bis zum Zahnwechsel ein nachahmendes Wesen ist, wie er in dieser Zeit einer noch nicht getrennten organisch-seelischen Tätigkeit in sei­nem Inneren hingegeben ist, wie von der Kopforganisation eine geistig-seelische Tätigkeit ausgeht, die noch organische Tätigkeit ist und die den ganzen Organismus erfüllt.
Der Mensch lebt also für dieses Le­bensalter ganz in seinem Inneren nach seinem geistig-seelischen Inhalte und auch nach seinem physisch-leiblichen Inhalte. Besonders charakteristisch ist für dieses Lebensalter, wie der Mensch lebt. (  )

Wenn der Mensch in diesem Lebensalter schläft, ist es äußerlich natürlich auch so, daß beim Einschlafen sein Geistig-Seelisches aus dem Physisch-Leiblichen herausgeht, beim Aufwachen wiederum hineingeht. Aber es ist noch kein großer Unterschied zwischen dem bewuß­ten Erfahren im Leibe und dem unbewußten Erfahren im Schlafe. Das unbewußte Erfahren im Schlafe, wenn es normal verläuft, wenn nicht Reminiszenzen aus dem Tagesleben hineingehen – und das ist beim Kinde noch kaum der Fall -, dieses Schlafesleben bewegt sich durch­aus in einer Überwelt gegenüber dem Irdischen, und aus dieser Überwelt heraus wird ja zunächst auch diejenige Aktivität geholt, welche vom Gehirn aus im wachenden Zustande beim Kinde in den ganzen Organismus hineinarbeitet.

We hebben in de loop van deze beschouwingen gezien hoe de mens tot aan de tandenwisseling een nabootsend wezen is, hoe hij in deze tijd in zijn innerlijk nog overgegeven is aan een niet opgesplitste organisch-psychische activiteit, hoe er van de hoofdorganisatie een geestelijk-psychische activiteit uitgaat, die nog een organische activiteit is en die het hele organisme vervult. De mens leeft dus op deze leeftijd helemaal in zijn innerlijk zowel wat zijn geestelijk-psychische inhoud als zijn fysiek-lichamelijke inhoud betreft. Je kunt zeggen: vooral kenmerkend voor deze leeftijd is hoe de mens leeft.
Wanneer de mens op deze leeftijd slaapt, is het uiterlijk natuurlijk ook zo dat zijn geest en ziel bij het inslapen het fysiek-lichamelijke verlaten en bij het ontwaken weer binnentreden. Maar er is nog geen groot verschil tussen het bewuste ervaren in het lichaam en het onbewuste ervaren tijdens de slaap. Het onbewuste ervaren tijdens de slaap, als het normaal verloopt, als er geen herinneringen uit het dagleven binnenkomen — en dat is bij het kind nog nauwelijks het geval —, dit slaapleven beweegt zich volledig in een bovenwereld vergeleken bij het aardse, en vanuit deze bovenwereld wordt allereerst ook die activiteit gehaald die vanuit de hersenen in wakende toestand bij het kind op het hele organisme inwerkt.

Wenn das Kind nun durch den Zahnwechsel hindurchgeht, so wer­den gewisse geistig-seelische Kräfte so frei, daß sie nicht mehr bloß ihre organische Gestalt annehmen. Sie nehmen schon einen geistig-seelischen Charakter an. Das Kind entwickelt ein freieres Denken, Fühlen und Wollen zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechts-reife als vorher. Es ist nicht bloß ein nachahmendes Wesen, es ent­wickelt den Grad des Bewußtseins, durch den es aus dem Autoritäts­gefühl heraus sich an Äußeres anschließen kann. 

Wanneer het kind nu de tanden wisselt, komen bepaald geestelijk-psychische krachten zo vrij dat ze niet meer uitsluitend hun organische gedaante aannemen. Ze nemen al een geestelijk-psychisch karakter aan. Het kind ontwikkelt een vrijer denken, voelen en willen tussen de tandenwisseling en de geslachtsrijpheid dan tevoren. Het is niet meer uitsluitend een nabootsend wezen, het ontwikkelt de graad van bewustzijn waardoor het zich vanuit het autoriteitsgevoel bij het uiterlijke kan aansluiten.
GA 303/235
Vertaald/265

Voordracht 15 Dornach 6 januari 1922

Blz.275  vert. 309

Wir haben zum Beispiel gesehen, wie das Kind vorzugsweise vor dem Zahnwechsel ganz in seinem physischen Organismus drinnen lebt. Dieses Leben im physischen Organismus ist nun im höchsten Grade der Fall beim Säugling, und zwar wiederum am hervorstechendsten in be­zug auf seine Ernährung. Er genießt ja, wie Sie wissen, zunächst eine außerordentlich einförmige Ernährung, wenn er die Welt betritt. Und wenn der Erwachsene dauernd so einförmig leben müßte, fast ganz von einem einzigen Nahrungsmittel, zum Frühstück, Mittag, sonst, er würde das ja ganz gewiß für seine seelische und auch leibliche Verfas­sung nicht gerade zuträglich finden. Der Erwachsene will alles durch­einandermischen, er will Abwechslung haben. Der Säugling bekommt diese Abwechslung nicht. Und dennoch machen sich die wenigsten Menschen eine Vorstellung davon, wie groß gerade das Glück des Säuglings durch seine Ernährung ist, weil die wenigsten Menschen wis­sen, mit welcher intensiven Süße der ganze physische Organismus des Säuglings durch die Muttermilch durchzogen wird.

We hebben bijvoorbeeld gezien hoe het kind vooral voor de tandenwisseling helemaal in zijn fysieke organisme leeft. Dit leven in het fysieke organisme is het sterkst bij de zuigeling het geval en dat is dan weer het meest opvallend met betrekking tot zijn voeding. Zoals u weet gebruikt hij, wanneer hij ter wereld komt, in eerste instantie een buitengewoon eentonige voeding. Als de volwassene voortdurend zo eentonig zou moeten leven, bijna helemaal van één enkel voedingsmiddel, bij het ontbijt, ’s middags en op andere tijden, dan zou hij dat zeer zeker voor zijn psychische en ook lichamelijke gesteldheid niet bepaald bevorderlijk vinden. De volwassene wil alles door elkaar mengen, hij wil afwisseling hebben. De zuigeling krijgt deze afwisseling niet. En toch maken maar heel weinig mensen zich er een voorstelling van hoe groot juist de gelukzaligheid van de zuigeling door zijn voeding is, omdat maar heel weinig mensen weten met wat voor intensieve zoetheid het hele fysieke organisme van de zuigeling door de moedermelk doortrokken wordt.

Blz. 276/277   vert.

Der Erwachsene hat ja nur noch die Möglichkeit, Geschmacksemp­Findungen auf seinem Gaumen und dessen Nachbarorganen zu haben. Er hat schon einmal das Malheur, daß alle Geschmacksempfindungen sich nach dem unglückseligen Kopfe hingezogen haben, und dadurch unterscheidet er sich von dem Kinde, das im Säuglingsalter durch und durch Geschmacksorganismus ist, das durch und durch schmeckt. Und mit dem Ende des Säuglingsalters hört dieses durch und durch Schmek­ken auf. Es wird ja auch später, von den Menschen, die sich nun ein­mal nur des gewöhnlichen Lebensbewußtseins bedienen, vergessen. Die wissen gar nicht, wie verschieden von ihrer späteren Lebensverfassung das Schmecken während des Säuglingsalters war. 

De volwassene heeft alleen nog de mogelijkheid smaakgewaarwordingen op zijn gehemelte en de naastgelegen organen te hebben. Het is voor hem jammer genoeg nu eenmaal zo dat alle smaakgewaarwordingen zich naar het rampzalige hoofd teruggetrokken hebben, en daardoor onderscheidt hij zich van het kind, dat op de zuigelingenleeftijd helemaal smaakorganisme is, dat door en door proeft. En met het einde van de zuigelingenleeftijd houdt dit door en door proeven op. Het wordt later ook door de mensen, die zich nu eenmaal uitsluitend van het gewone levensbewustzijn bedienen, vergeten. Die weten helemaal niet hoe het proeven tijdens de zuigelingenleeftijd van hun latere levenstoestand verschilde. 

Das Kind steckt also in seinem physischen Organismus so drinnen, solange es Säugling ist, daß es eigentlich nur ißt mit seinem physischen Organismus, aber auch davon wirklich sehr viel hat. Und darin besteht ja das Entwachsen aus dem Säuglingsalter, daß zunächst dasjenige be­ginnt, was sich allmählich so stark nach dem Kopfe heraufzieht, daß der Zahnwechsel möglich wird, daß im Kopfe diese starke Kraft ent­wickelt werden kann, welche die ersten Zähne abstößt, die zweiten herausbringt. Das geschieht natürlich in dieser Weise im ganzen Lebensalter von der Geburt bis zum Zahnwechsel hin; und das lebt sich darinnen auf den verschiedensten Gebieten aus. So daß also nach dem Säuglingsalter zunächst der Geschmack nach dem Kopfe heraufzieht, und daß dann das Kind damit beginnt, nicht bloß mit dem Leibe zu essen, sondern mit der Seele zu essen, daß es wenigstens mit der Seele unterscheiden lernt, dann auch die einzelnen Nahrungsmittel differen­ziert.
Und da müssen wir in der Lage sein, dem Kinde nachgehen zu können. Da mussen wir Verständnis entwickeln können für das Kind. Wir müssen Verständnis entwickeln für das, was dem Kinde schmeckt und nicht schmeckt, denn darinnen liegt noch ein sehr guter Regulator für dasjenige, was beim Kinde auch gesundend und kränkend ist. Aller­dings muß man sich zu diesem Zwecke eben eine richtige Anschauung über das Ernähren des Menschen überhaupt erwerben.

Het kind zit dus, zolang het een zuigeling is, zo in zijn fysieke organisme dat het eigenlijk alleen eet met zijn fysieke organisme, maar daar ook echt heel veel aan beleeft. En het ontgroeien aan de zuigelingenleeftijd begint met wat geleidelijk zó sterk omhoog naar het hoofd trekt dat de tandenwisseling mogelijk wordt, dat in het hoofd die sterke kracht ontwikkeld kan worden welke de melktanden afstoot en de tweede tanden doet verschijnen. Dat gebeurt natuurlijk op deze manier in de hele leeftijdsfase die vanaf de geboorte tot aan de tandenwisseling duurt. En dat krijgt daarbinnen op de meest verschillende gebieden gestalte. Zodoende wordt na de zuigelingenleeftijd eerst de smaak omhooggetrokken naar het hoofd. En vervolgens begint het kind ermee niet alleen met het lichaam te eten, maar ook met de ziel. Het leert ten minste met zijn ziel te onderscheiden, en dan differentieert het ook de verschillende voedingsmiddelen.
En daar moeten wij in staat zijn het kind te kunnen volgen. Daar moeten we begrip kunnen ontwikkelen voor het kind. We moeten begrip ontwikkelen voor wat het kind goed smaakt en wat het niet lekker vindt, want daarin ligt nog een zeer goede regulator van wat bij het kind ook gezond- of ziekmakend is. Natuurlijk moet je je, om dit soort dingen te kunnen zien, überhaupt een juiste opvatting omtrent de voeding van de mens verwerven.

Vragenbeantwoording Dornach 5 januari 1922 (’s Avonds)

Blz. 346  vert. 386

Frage:    Wie kann der Erzieher am besten der Betätigung der Kinder von fünfeinhalb bis sieben Jahren entgegenkommen, wenn sie bitten, etwas zu tun?

Nun, es ist bei Kindern, die etwa dieses Lebensalter (5 ½) erreicht haben, ja das vorhanden, was ich versuchte in den Vorträgen anzudeu­ten. Es scheint gewissermaßen schon dasjenige herein, was Autoritätsgefühl ist es ist aber im wesentlichen noch die Sehnsucht nach der Nachahmung in der Hauptsache vorherrschend. Darnach muß denn auch das eingerichtet werden, was man mit solchen Kindern tut. Es ist gerade bei solchen Kindern auch außerordentlich gut anzuwenden, was ich etwa als die beweglichen Bilderbücher angeführt habe. Dadurch ist ihre erwachende Phantasie schon durchaus gut zu beschäftigen. Wenn sie verlangen, etwas zu tun, dann würde ich – wir werden ja, sobald wir Gelegenheit haben, selber einen Kindergarten in Stutt­gart anlegen und werden dann versuchen, das auszuprobieren -, wenn die Kinder irgend etwas zu tun bekommen wollen, dann werden wir versuchen, die einfachsten Arten gerade zu malen, zu modellieren, so durchzuführen, daß man ihnen die Sache vormacht, sie zuschauen läßt.
Nur wenn man also dann das Schreiben herausholen will aus dem Zeichnen oder Malen, so muß man auch da natürlich wiederum die Nachahmung zu Hilfe nehmen. Aber im wesentlichen würde man im Kindergarten für fünfeinhalb- bis siebenjährige Kinder versuchen, diese Dinge vorzumachen, die sie dann ihrerseits nachmachen, und man kann ja auf diese Weise eben das Nachahmungsprinzip hinüber­leiten zu dem Prinzip des Autoritativen.

Vraag: Hoe kan de opvoeder het best de activiteit van kinderen van vijfenhalf tot zeven jaar tegemoetkomen als zij vragen of zij iets mogen doen?

Dr. Steiner: Welnu, bij kinderen van ongeveer deze leeftijd is datgene aanwezig wat ik geprobeerd heb in de voordrachten aan te duiden. Er straalt in zekere zin al iets van een autoriteitsgevoel naar binnen, maar in wezen overheerst nog het verlangen naar de nabootsing. De dingen die we met zulke kinderen doen, moeten daar ook op afgestemd zijn. Bij zulke kinderen zijn ook de beweeglijke plaatjesboeken buitengewoon goed te gebruiken. Daarmee kun je absoluut goed op hun ontwakende fantasie inwerken.

Als ze vragen of zij iets mogen doen, dan zou ik – we zullen immers zodra we gelegenheid hebben, zelf een kleuterklas in Stuttgart inrichten en dan proberen die uit te testen —, als de kinderen iets te doen willen krijgen, dan zullen we proberen de eenvoudige vormen van schilderen, van boetseren zo uitvoeren dat als we hun iets voordoen, we hun daar naar laten kijken. Nietwaar, bij kinderen die de tandenwisseling achter zich hebben, doe je de dingen niet meer voor, maar daar probeer je, zonder het voor te doen, hen ertoe te brengen vanuit zichzelf iets te maken. Alleen als je dan het schrijven vanuit het tekenen of schilderen wilt ontwikkelen, dan moet je natuurlijk weer de nabootsing te hulp roepen. Maar in wezen zou je in de kleuterklas bij vijfenhalf tot zevenjarige kinderen proberen deze dingen voor te doen, die zij dan op hun beurt nadoen, en je kunt vervolgens op deze manier het nabootsingsprincipe over laten gaan naar het principe van autoriteit.
GA 303/346
Vertaald/386

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Over de werking van de omgeving op een kind: zie het ‘hersenvoorbeeld‘ in dit artikel.

Rudolf Steiner over spel

Over de werking van tv op kleine kinderenopvoedingsvragen onder nr. 19  m.n. [19-10]
.
Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2147

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.