VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 7 (7-2)

.

Enkele gedachten bij blz. 110 – 118 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

WAARNEMEN EN BEGRIJPEN

Om het verschil tussen gewaarworden en waarneming goed te kunnen aanvoelen, is het belangrijk eerst [1-7-2/3] nog eens te lezen. 
Voor Steiner is ‘waarnemen en begrijpen’ een belangrijk filosofisch probleem dat hij in o.a. ‘De filosofie van de vrijheid‘ puur kentheoretisch behandelt.

In deze voordracht begint hij over het waarnemen met de opmerking:

blz. 110  vert. 108

Indem wir uns zur Welt erkennend in Beziehung setzen, beobachten wir zu- nächst.

Wanneer wij ons met ons kenvermogen op de wereld richten, dan nemen we in de eerste plaats waar.

Met een paar woorden duidt Steiner even op de mogelijkheid dat je kan leren waarnemen met ziel en geest, dan komen we op het terrein van imaginatie, inspiratie en intuïtie [6-4], maar in het dagelijks leven nemen we vooral met onze zintuigen waar. 

Maar bij elke vorm van waarnemen moet – wil je tot kennis komen, tot weten – het begrip, het begrijpen bij wat wordt waargenomen, volgen. In [7-1] wordt uitvoerig ingegaan op hoe het ‘begrijpen’ zo goed mogelijk tot stand kan komen.

Steiner geeft dan een voorbeeld van hoe je door het kind en de grijsaard waar te nemen ertoe kan komen – door de dingen op elkaar te betrekken –  te begrijpen dat bij het kind het voelen meer met het willen is verbonden; in de ouderdom is het gevoel meer verbonden met het denken.

Op blz. 111 gaat hij weer verder met ‘de waarneming’ en nu komt ook de ‘gewaarwording’ ter sprake:

Blz. 114  vert. 111

Nun müssen wir darauf Rücksicht nehmen, daß bei aller unserer Beobachtung der Welt etwas zuerst auftritt, (  ) das ist die Empfindung. Wenn irgendeiner un Sinne in zusammenhang kommt mit der Umwelt, so empflindet er. Wir empfinden die Farbe, die Töne, Wärme und Kälte. So tritt in unserem Wechselverkehr mit der Umwelt die Empfindung auf.

Nu moeten we in onze overweging betrekken dat het eerste wat er optreedt bij iedere waarneming van de wereld, de gewaarwording is.° Wanneer een van onze zintuigen in aanraking komt met de buitenwereld, worden wij iets gewaar. Wij worden kleur, klank, warmte en kou gewaar. Zo treedt in onze wisselwerking met de buitenwereld de gewaarwording op.

° Aantekening in het boek:

de gewaarwording: De betekenis van dit woord (de vertaling van ‘Empfindung’) moet vooral uit de context duidelijk worden; ‘gewaarwording’ omvat zowel de zintuiglijke indruk als de beleving daarvan door de ziel; het oordeel over de beleving is te onderscheiden van de beleving zelf.

Hij probeert nu het waarnemen vanuit zijn eigen visie te vergelijken met wat de psychologie daarover heeft te zeggen.
In de afgelopen 100 jaar heeft de psychologie er steeds wel weer wat over gezegd; er zijn allerlei opvattingen. Daar zal ik er in [7-2-1] een aantal van weergeven) nog niet oproepbaar).
Ik volg hier zoveel mogelijk Steiners visie, die zeker te volgen is tegen de achtergrond van wat in 1-7-2/3] werd gezegd.

Als we in het gebied van het etherische ‘iets’ merken van gevoelens die nog sterk met het etherische verweven zijn, dan is het ‘bemerken’ ervan, dus het ‘gewaarworden’ wel iets waarmee ons iets tot bewustzijn wordt gebracht: we hebben honger of trek in, enz. Maar dit honger-gevoel richt zich niet verder op het kennen, maar op de wil: het gevoel moet worden bevredigd en je gaat = handeling = wil – op zoek naar eten.

Blz. 115  vert. 112

Wenn man die Empfindung wirklich in genügender Selbstbeobachtung durchschaut, so erkennt man: die Empfindung ist willensartiger Natur mit einem Einschlag von gefühlsmäßiger Natur. sie ist zunächst nicht verwandt mit dem denkenden Erkennen, sondern mit dem fühlenden Wollen oder dem wollenden Fühlen.

Wanneer men door voldoende zelfbeschouwing inzicht heeft gekregen in het wezen van de gewaarwording, ziet men in dat de gewaarwording wilsmatig van aard is en in geringe mate ook gevoelsmatig. De gewaarwording is in eerste instantie niet verwant met het denkend kennen, maar wel met het voelend willen of het willend voelen. 

In het Duits hebben we dus het woord ‘Empfindung’. Met de waarschuwing van Steiner in ons achterhoofd dat we de betekenis van de dingen niet meteen uit de woorden moeten halen, maar uit de realiteit, kunnen de woorden ons toch op een bepaalde realiteit wijzen, zeker wanneer we naar hun oorsprong kijken, ze etymologisch volgen. Ook in de woordenboekomschrijvingen vinden we vaak nog lijntjes naar de dieper liggende realiteit.

gewaarworden – waarnemen

Zo omschrijft het woordenboek Duden Empfinden als: eine bestimmte Gemütsbewegung erfahren: een bepaalde gemoedsbeweging ervaren; heeft als synoniem ‘bespeuren’. 
Het Nederlands gaat terug op ‘op iets opmerkzaam worden’; het Duits kent veel meer de ‘gevoelskant’.
Wij hebben ook het woord: ‘merken’. Met de voorvoegseols ‘be’ en ‘op’ wordt merken geïnensiveerd tot ‘meer’: de gewaarwording – merken – op weg naar de waarneming – opmerken – ‘in het oog springen’. 

En nog even terzijde: ook hier blijft Steiner karakteriseren door te spreken over ‘voelend willen’ en ‘willend voelend’ – hij legt het niet vast!

Wij worden de hele dag ‘dingen’ gewaar.
Als je ’s avonds probeert terug te halen wat je zo’n dag allemaal gezien hebt, kom je maar tot een heel klein deel van wat er allemaal op je netvlies terecht is gekomen. Datzelfde geldt ook voor het gehoor. Ook voor de andere zintuigen is het bijna niet te doen, ’s avonds nog te weten wat die allemaal ‘waargenomen’ hebben.
Door nu het woord ‘waargenomen’ te gebruiken, maak ik het inhoudelijk wel iets moeilijker, maar zo zeggen we dat nu eenmaal.
Maar dat we zoveel van onze gewaarwordingen aan het eind van de dag niet meer weten, geeft je wel meteen een aanknopingspunt voor waarmee Steiner verder gaat: de zintuigen zijn overdag – als wij wakker zijn – niet helemaal wakker.
Als we ons nog iets weten te herinneren, is het meestal ‘vaag’, m.a.w. de helderheid, de wakkerheid ervan ontbreekt: dromerigheid, slaperigheid is in veel grotere mate aanwezig dan wakkerheid.

blz. 116    vert. 113

Die Empfindung ist also, wie sie im Menschen auftritt, wollendes Fühlen oder fühlendes Wollen. Daher müssen wir sagen: Da, wo sich äußerlich die menschliche Sinnessphäre aus- breitet – die Sinne tragen wir ja an der Außenseite unseres Leibes, wenn man sich grob ausdrücken darf , da ist im Menschen in gewisser Weise fühlendes Wollen, wollendes Fühlen vorhanden. zeichnen wir uns skizzenhaft den Menschen schematisch auf, so können wir sagen: An der äußeren Oberfläche des Menschen – ich bitte zu berücksichtigen, daß das alles schematisch gemeint ist -, da haben wir die Sinnessphäre, da ist wollendes Fühlen, fühlendes Wollen vorhanden. (Siehe Zeichnung S. 119.) Was tun wir denn an dieser Oberfläche, wenn fühlendes Wollen, wollendes Fühlen vorhanden ist, soweit diese Körperobeffläche Sinnessphäre ist? Wir verüben eine Tätigkeit, die halb Schlafen und halb Traum ist; ein träumendes Schlafen, ein schlafendes Träumen könnten wir es auch nennen. Denn wir schlafen nicht nur in der Nacht, wir schlafen fortwährend an der Peripherie, an der äußeren Oberfläche unseres Leibes, und wir durchschauen als Menschen deshalb die Empfindungen nicht ganz, weil wir in diesen Gegenden, wo die Empfindungen sind, nur schlafend träumen und träumend schlafen.

De gewaarwording is dus, zoals deze zich in de mens voordoet, een willend voelen of een voelend willen. Dan kunnen we het volgende zeggen. In de mens vindt men een zogenaamd voelend willen, een willend voelen op de plaats waar zich aan de buitenkant de sfeer van de zintuigen bevindt. De zintuigen zitten immers, vergeeft u mij deze grove aanduiding, aan de buitenkant van ons lichaam. Maken we een schets van de mens, een schema, dan kunnen we zeggen: aan de buitenkant van de mens, aan de oppervlakte – let wel, dit blijft een schema — is de sfeer van de zintuigen; daar is een willend voelen, een voelend willen :

Wat doen wij nu aan deze oppervlakte bij dit voelend willen of willend voelen voor zover het lichaam hier zintuigen heeft? Wij oefenen een activiteit uit die half slapen en half dromen is; we kunnen dat een dromend slapen, een slapend dromen noemen. We slapen namelijk niet alleen ’s nachts, we slapen constant aan de periferie, aan het buitenste oppervlak van ons lichaam; de reden dat we als mens de gewaarwordingen niet geheel doorzien, is dat we op deze plaatsen waar zich gewaarwordingen afspelen slapend dromen en dromend slapen.

Door de dingen te karakteriseren en op elkaar te betrekken, ontstaat er een grotere, een diepere kennis, een beter begrijpen van de fenomenen.

Steiner maakt ons hier weer een stukje wijzer:

blz. 117  vert. 114

Sie sehen, die Begriffe von Schlafen und Träumen haben eine ganz andere Bedeutung noch als die, welche wir im gewöhnlichen Leben anwenden würden. Wir kennen das Schlafen im gewöhnlichen Leben nur dadurch, daß wir wissen: in der Nacht, wenn wir im Bette liegen, schlafen wir. Wir wissen gar nicht, daß dieses Schlafen etwas ist, was eine viel größere Verbreitung hat, was wir fortwährend auch tun an unserer Körperoberfläche; nur mischen sich an unsere Körperoberfläche in das Schlafen fortwährend Träume hinein. Diese ‘Träume” sind die Sinnesempfindungen, bevor sie vom Verstande und vom denkenden Erkennen erfasst sind.

U ziet dat de begrippen slapen en dromen nog een heel andere betekenis hebben dan die welke we in het dagelijks leven zouden gebruiken. Gewoonlijk kennen we het slapen alleen als het slapen ’s nachts in bed. We weten helemaal niet dat dit slapen zich veel verder uitstrekt. We slapen voortdurend aan de oppervlakte van ons lichaam, maar daar spelen voortdurend dromen doorheen. Deze ‘dromen’ zijn de zintuiglijke gewaarwordingen voordat ze door het verstand en het denkend kennen opgenomen zijn.

Pas als je a.h.w. stilstaat bij zo’n gewaarwording, wordt deze je bewuster, komt dus in het denkend kennen, wordt erdoor opgenomen.
Dat verklaart ook het verschil met het waarnemen. De waarneming hoort veel meer bij het bewuste leven.
Het zingen van een vogel dringt misschien vaag tot je door, maar welke vogel daar zingt, niet. Pas als je met meer aandacht, dus wakkerder, dus bewuster luistert, hoor je het roodborstje.
Dat is ook met kijken. Er fladdert altijd wel een vogel langs je raam, maar of het nu een koolmees, dan wel een pimplemees is, zie je alleen als je bewust kijkt. 

Nu heeft Steiner al opgemerkt dat de gewaarwording meer verwant is met het voelend willen of het willend voelen; ook dat het kind meer een voelend, willend wezen is. Deze twee feiten verbindt hij nu door te zeggen

blz. 117  vert. 114

Sie müssen die Willens- und Fühlenssphäre beim Kinde auch in seinen Sinnen aufsuchen. 

U moet de sfeer van het willen en voelen bij het kind ook zoeken in zijn zintuigen.

hoofd, hart, hand

Als wij in de vrijeschoolpedagogie spreken over ‘hoofd, hart en hand, en als we dan beweren dat we het kind eerst iets laten beleven aan leerstof vóór het die leerstof tot intellectueel eigendom maakt, kunnen wij dus niet om de zintuigen heen.
Dit zintuigengebied omvat nog veel meer dan alleen het zien en horen.
Hier vind je veel artikelen met allerlei gezichtspunten.

Tegen deze achtergrond moet je ook Steiners uitspraak zien dat het kleine kind een en al zintuig is; dat het met deze kracht door nabootsing leert

Wanneer de 6e-klas kinderen voor het eerst natuurkunde krijgen, spelen de zintuigen, nu wél m.n. zien en horen, een grote rol. Er wordt niet uitgegaan van formules, definities o.i.d., maar van de gewaarwordingen die versterkt moeten worden tot waarnemingen. En op grond van die waarnemingen – fenomenologie – moeten dan de ‘wetten’ ontdekt worden. Als het goed is, gaat dit gepaard met verwondering.

Deshalb betonen wir so stark, daß wir, indem wir das Kind intellektuell erziehen, auch auf den Willen fortwährend wirken müssen; denn in allem, was das Kind anschauen muß, was es wahrnehmen muß, müssen wir auch den Willen und das Fühlen pflegen, sonst widersprechen wir ja eigentlich dem kindlichen Empfinden. 

Daarom leggen we er zo de nadruk op om bij een op het intellect gerichte opvoeding ook voortdurend te werken op de wil. In alles wat een kind moet opnemen, moet waarnemen, moeten we ook de wil en het gevoel aanspreken, anders druist de opvoeding in tegen de wijze van gewaarworden van een kind.

Dit kwam vanuit een bepaalde invalshoek ook in de 4e voordracht ter sprake

En met iets andere woorden herhaalt hij wat hij op blz. 110 al zei:

Wir können erst zum Greise, erst am Lebensabend des Menschen so zu ihm sprechen, daß wir auch die Empfindungen auffassen als schon metamorphosiert. Beim Greise ist es so, daß auch schon die Empfindung übergegangen ist vom fühlenden Wollen zum fühlenden Denken oder denkenden Fühlen. Bei ihm ist die Empfindung etwas anderes geworden. Da haben die Empfindungen mehr Gedaakencharakter und entbehren des unruhigen WilIenscharakters, tragen größere Ruhe in sich. Beim Greise können wir erst sagen, die Empfindungen haben sich dem Begriffe, dem Ideencharakter angenähert.

Pas wanneer de mens in de fase van de ouderdom is, kan hij aangesproken worden op een wijze die ervan uitgaat dat de gewaarwordingen al gemetamorfoseerd zijn. Bij een oud iemand zijn ook de gewaarwordingen al veranderd van een voelend willen naar een voelend denken of denkend voelen. Bij hem is de gewaarwording anders geworden. Ze heeft meer het karakter van gedachten en heeft meer rust in zich; het onrustige karakter van de wil ontbreekt. Pas bij een oud iemand is er sprake van gewaarwordingen die enigszins het karakter van begrippen, van ideeën hebben.

En even later nog:

blz. 118   vert. 114/115

Bei der Empfindung würden wir finden, daß sie auch lebt, daß sie auch ein Werden im Leben durchmacht, daß sie beim Kinde mehr willensartigen Charakter hat, beim Greise mehr verstandesmäßig intellektuellen Charakter.

In het geval van de gewaarwording zouden we zien dat ook deze levend is en ook een wordingsproces in het leven doormaakt, dat de gewaarwording namelijk bij een kind meer wilsmatig van aard is en bij een mens in de fase van de ouderdom meer verstandelijk, intellectueel.

En even later volgt er nog een herhaling:

blz. 119  vert. 116

Und so bekomrnen wir auch nur einen realen Begriff von der E~pfindung, wenn wir wissen: sie entsteht als wollendes Fühlen oder fühlendes Wollen beim Kinde noch in der Körperper-rie dadurch, daß diese Körperperipherie beim Kinde gegenüber dem mehr menschlichen Inneren schläft und dabei träumt. 

En zo krijgen we ook alleen een reëel begrip van de gewaarwording wanneer we weten dat deze bij een kind ontstaat in de periferie van het lichaam als willend voelen of voelend willen, en wel doordat deze periferie bij een kind dromend slaapt in vergelijking met het meer naar binnen gelegen gebied.

Dat meer naar binnen gelegen gebied is onderwerp van [7-3] (nog niet oproepbaar)

Wanneer wij op de vrijeschool de kinderen ‘van alles’ laten doen en beleven, werken we eigenlijk nog in hun gewaarwordingsfeer, dus in het voelend willen en willend voelen. Maar dat is de dromend-slapende sfeer. 
Dit ‘van alles’ moet echter ook aankomen ‘in het meer binnen gelegen gebied’, simpelweg gezegd: het moet geleerd worden en eigenbezit worden.
Tafels van vermenigvuldiging lopen of klassikaal opzeggen, speelt zich nog in deze gewaarwordingssfeer af: je erop moeten bezinnen betekent ook dat je bewuster met – hier – de tafelrij leert omgaan. Dat kan bv. door het ritme even te onderbreken, door stil te staan of door een bepaald getal dan wel hard of juist zacht te spreken, of daar juist stil te zijn. 
Laat je niet verleiden: wanneer een klas ‘iets’ klassikaal perfect lijkt te doen, zegt dat niet alles over ieder kind afzonderlijk! 
De kennis blijft te veel aan de periferie: aan de oppervlakte: blijft te oppervlakkig! Moet dieper aankomen! 
Het oude woord ‘beklijven’ heeft ‘kleven’ als kern: de kennis moet a.h.w. aan je blijven kleven.
.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 7: alle artikelen 

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2024

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.