VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 7 (7-3)

.

Enkele gedachten bij blz. 116/117 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de periferie

Dat we – en met name het kind – aan de periferie van ons lichaam, in de zintuigen, voelend/willend en/of willend voelend leven, is nog wel te volgen.
Dat we het hier over iets hebben dat vanuit de ziel [denken, voelen, willen] wordt bekeken, en tegelijk ook, als we vanuit het geestelijk standpunt [wakker, dromen, slapen] redeneren, we te maken hebben met een bewustzijnstoestand die dromend/slapend is.

Op zich is de laatste opmerking paradoxaal: wanneer we bij bewustzijn zijn, dromen en/of slapen we juist niet. Maar dat is slechts een oppervlakkige mening, zoals we al hebben kunnen zien: ook wanneer we (overdag) wakker, bij bewustzijn zijn, is er nog veel in ons, waar het bewustzijn geen toegang toe heeft, waar we dus niet wakker zijn, ergo waar we a.h.w. dromen en/of slapen.

Wetenschap

We komen in ons leven, vooral wanneer we iets studeren, voortdurend in aanraking met de wetenschap, met wetenschappelijke inzichtem, standpunten. Binnen de wetenschap veranderen die – het tempo waarin, verschilt, maar – dat zeggen wetenschappers vaak – ‘alles is voorlopig’.
Dat is echter niet zoals ‘het publiek’ -wij – ermee omgaan. Wij nemen de uitkomsten van de wetenschap aan – het is wetenschap, of wetenschappelijk bewezen – en wij nemen de ‘geldigheidswaarde’ dus als ‘waarheid’ mee en baseren ons erop en vaak, zonder dat we weten, langer dan eigenlijk gerechtvaardigd is, omdat de wetenschap inmiddels al weer verder is.

Bewustzijn

Een nog altijd moeilijk te doorzien verschijnsel is ons bewustzijn.
Nog altijd weten we niet wat het is en hoe het tot stand komt.
Het is al in vele toonaarden bezongen; vele gezichts- en standpunten zijn verkondigd, maar telkens bleken die na verloop van tijd ‘voorlopig’ te zijn geweest.

De laatste tijd zijn het vooral de neurowetenschappen die, mogelijk gemaakt door de verfijnde apparatuur, precisieonderzoeken, tot conclusies komen die na verloop van tijd gaan gelden als de waarheid.

Laatst had ik het met iemand over ‘de’ puber die er moeite mee heeft, o.a. zijn kamer op te ruimen.
Maar dat konden we hem nu niet meer kwalijk nemen. Wetenschappelijk was komen vast te staan, dat de puber nog helemaal niet plannen kan, dus ook niet gepland opruimen, omdat Dr. Eveline Crone in haar boekHet puberende breinbeweert datde prefrontale cortex van pubers nog niet helemaal uitgerijpt is. En omdat deze betrokken is bij impulsbeheersing en planning, zou je zo kunnen verklaren waarom pubers hun huiswerk niet maken, en soms nodeloos risico’s nemen.’

Over wat ze in 2008 schreef, merkt ze in 2012 op:Het ligt iets genuanceerder. Het idee van een onderontwikkelde prefrontale cortex is te simplistisch.’

Intussen beweerde mijn gesprekspartner in 2019 op basis van het boek uit 2008, hoe het dus zit met de puber.

Universiteitsprofessor Willem Koops, psychologie, is zeer kritisch t.a.v. de ‘puberprofessor’:
Uit een interview:
Waar Koops vooral over struikelt, is dat Crone in haar boek benadrukt dat in het puberbrein de prefrontale cortex nog niet uitontwikkeld is. Juist daardoor zouden pubers slecht kunnen plannen, en soms nodeloze risico’s nemen. Terwijl, schrijft hij, Crone vorig jaar zelf in een vakblad constateerde dat dit ‘populaire’ model te simpel is, en door huidige studies niet wordt gesteund.
En u vindt: een wetenschapper moet ideeën herroepen die in te simplistische vorm bij een breed publiek zijn blijven hangen?
“Je moet voorzichtig zijn. Dat vind ik. Mensen geloven graag dat wij ons brein zijn. Dat is geruststellend. Ouders van een puberend kind kunnen dan denken: ik kan er niks aan doen en hoef er niks aan te doen, want mijn kind heeft nu eenmaal een puberend brein. Het gaat vanzelf over.

“We merken het hier in Utrecht als psychologen en pedagogen met ouders bespreken hoe ze gedragsafwijkingen van hun kind tegemoet kunnen treden. ‘Heel mooi’, zeggen die ouders, ‘maar ik kan even helemaal niks, want mijn kind heeft een puberend brein.’ Die hebben dan de boekjes van Crone gelezen. Terwijl dus dat inzicht niet blijkt te kloppen! Ja, dan vind ik dat je als onderzoeker de plicht hebt mensen van dat idee af te helpen.”

Mensen hebben de strekking van het boek zelf misschien ook wel erg versimpeld.

“Maar juist als psycholoog moet je beseffen hoe gemakkelijk mensen je boek verkeerd kunnen begrijpen.

Zenuwen

Ik reken mijzelf tot ‘de gewone mens’ en heb dus ook altijd gesproken over motorische en sensitieve zenuwen, zoals gasngbaar gebruikelijk.
Wanneer je je verdiept in Steiners menskunde – en dat gebeurt in deze artikelen – krijg je te maken met zijn opvatting dat er geen onderscheid tussen gemaakt moet worden.
Hier werd al gewezen op enkele uitspraken over het denken en de functie(s) van de hersenen.

Waar wakker?

Wanneer Steiner op blz. 116 zijn beschouwingen over de gewaarwording min of meer afrondt, gaat hij van het slapend in de periferie over naar ‘van binnen gelegen’ als antwoord op: waar zijn we dan wakker.
In voordracht 6 was dat duidelijk: bij het denken, bij het kenproces.

blz.  119       vert. 116

Sie sind also nicht nur im denkenden Erkennen voll wach, sondern Sie sind überhaupt nur im Inneren Ihres Leibes voll wach. An der Körperperipherie, an der Leibesoberfläche schlafen Sie auch fortwährend.

Wakker bent u dus niet alleen in het denkend kennen, u bent ook alleen maar in het binnenste van uw lichaam volledig wakker. Aan de periferie, aan de oppervlakte van uw lichaam slaapt u ook voortdurend.

Nu volgt er iets wat tegenstrijdig lijkt, in ieder geval snel voor verwarring kan zorgen: dat we ook in het hoofd slapen, terwijl we toch ervaren dat we daar het meest wakker zijn. Als je echter de hele zin overziet, gaat het hier over de slaapprocessen van de stofwisseling, van het bloed. En aangezien er ook stofwisseling plaatsvindt in de hersenen die ook van bloed worden voorzien, is dat het gedeelte dat evenals in de spieren, in het bloed slaapt. 

Was da in der Umgebung des Leibes oder, besser gesagt, an der Oberfläche des Leibes stattfindet, das findet in ähnlicher Weise auch statt im Kopf, und am stärksten findet es statt, je weiter wir in däs Innere des Menschen hineinkommen, in das Muskelhafte, das Bluthafte.

En wat er zich zo in de omgeving of, liever gezegd, aan de oppervlakte van het lichaam afspeelt, dat speelt zich op soortgelijke wijze ook af in het hoofd. Het sterkst is het hoe verder we binnen in de mens komen: in de spieren en het bloed.

Je zou die zin ook zo kunnen zeggen: 

Was da in der Umgebung des Leibes oder, besser gesagt, an der Oberfläche des Leibes stattfindet, findet am stärksten statt, je weiter wir in das Innere des Menschen hineinkommen, in das Muskelhafte, das Bluthafte. das findet in ähnlicher Weise auch statt im Kopf,

In de vertaling is daarmee rekening gehouden doorop soort gelijke wijze‘.

En dan volgt nog een kleine herhaling van wat al aan de orde is gekomen, m.n. in de 6e voordracht:

Da drinnen schläft der Mensch wiederum und träumt dabei. An der Oberfläche schläft und träumt der Mensch, und auch mehr gegen sein Inneres zu schläft er und träumt wiederum dabei. Daher bleibt in unserem Inneren dasjenige, was mehr seelisch-wollendes Fühlen, fühlendes Wollen ist, unser Wunschleben und so weiter wiederum in einem träumenden Schlaf.

Aan de oppervlakte slaapt en droomt de mens en ook meer in zijn binnenste. Daardoor bevindt ook het willend voelen, het voelend willen van de ziel, onze wensen en dergelijke, zich in ons innerlijk in een dromend slapen. Ook daar slaapt en droomt de mens.

Dus aan de periferie en inwendig in de organen voor groei en vernieuwing, in de kringloop van de sapstromen.

Dan volgt uiteraard de vraag:

Wo sind wir denn also nur voll wachend?

Waar hebben we dan wel een volledig waakbewustzijn?

En ook dat is waneer je de ‘gewone’ anatomie volgt, voor de meesten van ons nieuw: wij hebben nooit gehoord van ‘tussengebieden’.

In der zwischenzone, wenn wir ganz wach sind.

In het tussengelegen gebied, althans wanneer we helemaal wakker zijn.

Nogmaals benadrukt Steiner het standpunt dat hij nu inneemt: vanuit de geest, d.w.z. met de begrippen wakker – dromen – slapen:

blz. 120  vert. 116

Sie sehen, wir gehen jetzt vom geistigen Gesichtspunkte aus, indem wir die Tatsachen des Wachens und des Schlafens auch räumlich auf den Menschen anwenden und dies auf seine Gestaltung beziehen, so daß wir uns sagen können: Der Mensch ist vom geistigen Gesichtspunkte angesehen so, daß er an seiner Oberfläche und in seinen Innenorganen schläft und nur in der Zwischenzone im Leben zwischen Geburt und Tod jetzt wirklich ganz wach sein kann.

U merkt dat we uitgaan van het geestelijk standpunt nu we de feiten van waken en slapen ook ruimtelijk op de mens toepassen en relateren aan zijn gestalte. Vanuit geestelijk standpunt is het dus zo dat de mens aan de oppervlakte en in zijn binnenste organen slaapt en alleen in het tussengelegen gebied werkelijk helemaal wakker kan zijn in dit leven tussen geboorte en dood.

Was für Organe sind denn in dieser Zwischenzone am meisten ausgebildet? 

Welke organen met name bevinden* zich in dit gebied?

*bevinden lijkt mij niet identiek aan ‘ausgebildet’ = gevormd, met een bepaald doel tot onwikkeling gekomen. En hier nog wel ‘am meisten’ = het meest tot ontwikkeling gekomen (voor dit doel).

Dat Steiner eerst de hersenen noemt, is te begrijpen, en ook het ruggenmerg. Dat hij steeds ‘wakkerheid’ aan ‘zenuwen’ koppelt, ligt ook voor de hand. Maar voor mij niet letterlijk invoelbaar: ik voel geen wakkerheid in of bij mijn ruggenmerg. 
En dat geldt ook voor de zonnevlecht.

Diejenigen Organe, besonders im Kopfe, die wir die Nerven nennen, der Nervenapparat. Dieser Nervenapparat sendet seine Ausläufer in die äußere Oberflächenzone hinein und wieder in das Innere; da verlaufen die Nerven, und zwischendrinnen sind solche Mittelzonen wie das Gehirn, namentlich das Rückenmark, auch das Bauchmark.

Dat zijn – vooral in het hoofd – de organen die wij zenuwen noemen: het zenuwstelsel. De uitlopers van het zenuwstelsel lopen door tot in de buitenste lagen en ook weer naar binnen. Daar lopen de zenuwen en daartussen bevinden zich van die tussengebieden als de hersenen en met name ook het ruggenmerg en de zonnevlecht.

In het Duits staat niet ‘Sonnengeflecht’, maar Bauchmark.
De vraag is nu, is dat hetzelfde. Anatomieboeken spreken niet over ‘zonnevlecht’ en een letterlijke vertaling van Bauchmark naar buikmerg, i.t.t. rug(gen)merg vind je alleen in een bepaalde vorm aanwezig in lagere dieren (o.a. wormen). 
Sonnengelecht is in deze verwijzing het vegetatieve zenuwstelsel, dat in het Nederlands dan weer autonoom zenuwstelsel heet. Het regelt een aantal onbewust verlopende functies.
Dit is dus – zo ziet het er voor mij nu uit – nog een onoverbrugbare tegenstelling: iets verloopt onbewust en toch zouden we daar de grootste wakkerheid hebben.
In ieder geval onttrekt het zich aan het bewustzijn.

Voor Steiner zijn het drie plaatsen en:

blz. 120  vert. 117

Da ist uns Gelegenheit gegeben, so eigentlich recht wach zu sein. Wo die Nerven am meisten ausgebildet sind, da sind wir am meisten wach.

Op die plaatsen is ons de mogelijkheid gegeven werkelijk wakker te zijn. Daar waar de zenuwen het meest ontwikkeld zijn, zijn we het meest wakker. 

In GA 137 spreekt Steiner ook over deze drie plaatsen:

Denken Sie einmal, daß das wesentliche Organ des Kopfes, was Sie ja sehr leicht einsehen werden, das Gehirn ist. Der Mensch hat aber noch etwas, was dem Gehirn sehr ähnlich ist und was nur, ich möchte sagen, um etwas scheinbar Geringes, aber sehr Bedeutungsvolles von dem Kopfgehirn sich unterscheidet. Der Mensch hat tatsächlich etwas wie ein zweites Gehirn. Das ist das Rückenmarksgehirn, das Rückenmark, das im Rückgrat eingeschlossen ist.
Fassen Sie einmal diesen Gedanken ins Auge. Nehmen wir an, wir haben es zu tun mit diesem eigentümlichen Rückenmark, das wir eigentlich bloß als ein stabförmiges, in die Länge gezogenes dünnes Gehirn empfinden können, wie wir anderseits auch das Gehirn empfinden können als ein Rückenmark, das in entsprechender Weise aufgeblasen ist. 

Denk je eens in dat het wezenlijke orgaan van het hoofd, dat zal u zeker makkelijk kunnen inzien, de hersenen zijn. De mens heeft echter nog iets wat zeer op de hersenen lijkt en wat alleen maar schijnbaar weinig, maar zeer belangrijk onderscheidt van de hersenen. De mens heeft inderdaad zoiets als een tweede brein. Dat is het ruggenmerg(brein), het ruggenmerg, dat in de ruggengraat ligt. Zie die gedachte eens onder ogen. We nemen aan dat we te maken hebben met dit bijzondere ruggenmerg, dat we eigenlijk alleen maar als een staafvormig, in de lengte getrokken, dun brein kunnen beleven en hoe we op een andere manier ook de hersenen kunnen ervaren als een ruggenmerg dat op een adequate manier opgeblazen is.

Sie wissen alle, daß sich im Menschen noch ein von den beiden anderen Nervensystemen, dem Gehirnsystem und dem Rückenmarksystem getrenntes Nervensystem befindet, das Gangliensystem, das Sonnengeflecht genannt, das sich im unteren Teile des Menschen ausbreitet und seine Stränge, parallel dem Rückenmark, nach oben schickt. Das ist ein von den übrigen genannten gesondertes Nervensystem, das heißt, dem richtigen Gehirn gegenüber betrachtet, ein besonderes, unausgebildetes Gehirn.

U weet allen dat er in de mens nog een zenuwsysteem zit dat van de andere twee systemen gescheiden is, van de hersenen en het ruggenmerg; het ganglionsysteem, zonnevlecht genoemd, dat zich in onder in de mens uitstrekt en de strengen lopen parallel aan het ruggenmerg naar boven. Dit is een van overig genoemde afzonderlijke zenuwsystemen, d.w.z. t.o.v de hersenen een bijzonder onvolkomen brein.

Mit diesem Sonnengeflecht stehen im wesentlichen Zusammenhange – und das ist etwas, worüber die äußere Wissenschaft nicht so leicht in Klarheit kommen kann – die Nieren und das Nierensystem. So wie die Substanzmasse des Gehirns mit den Nervenverbindungssträngen zusammengehört, so gehören die Nieren zusammen mit dem Bauchgehirn, dem Sonnengeflecht. Tatsächlich sind Sonnengeflecht und Nieren zusammen eine besondere Art von untergeordnetem Gehirn.

Met deze zonnevlecht staan in een wezenlijke samenhang – en daarover kan de uiterlijke wetenschap niet zo makkelijk helderheid verschaffen – de nieren en het niersyteem. Zoals de substantiële hersenmassa bij de zenuwverbindingen hoort, staan de nieren in samenhang met de buikhersenen, de zonnevlecht. In feite zijn de zonnevlecht en de nieren samen een bijzondere vorm van hersenen die ondergeschikt zijn.
GA 137/117
Niet vertaald

Daarmee is het probleem voor mij nog niet opgelost.
.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 7: alle artikelen 

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

2029

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.