VRIJESCHOOL – Verstelstof – biografieën – Harriet Beecher Stowe

.

HAAR BOEK ONTKETENDE EEN OORLOG

 

Eind november 1862, zo gaat het verhaal, ontving Abraham Lincoln op het Witte Huis een kleine vrouw van middelbare  leeftijd. Hij pakte haar smalle hand in zijn knokige vuist en riep uit: “U bent dus het vrouwtje dat deze grote oorlog heeft ontketend!”

Dat vrouwtje was Harriet Beecher Stowe, schrijfster van De Negerhut van Oom Tom. Tien jaar tevoren had de verschijning van deze roman in hoge mate tot Lincolns verkiezing als president bijgedragen. Staatslieden en geschiedkundigen uit die tijd be­groetten het als de grootste bijdrage die één mens had geleverd tot de afschaffing van de slavernij.

 

Beecher-Stowe

Harriet was geboren en getogen in Connecticut en woonde 18 jaar lang in Cincinnati. Hier had zij relletjes tegen de slavernij gezien, weggelopen slaven geholpen en geluisterd naar hun ver­halen. In 1850 verhuisden de Stowes naar Brunswick in Maine, waar Harriets man, Calvin Stowe, was benoemd tot hoogleraar aan het Bowdoin College. Maar het probleem van de slavernij deed zich overal voor, zelfs in Maine. De kranten stonden er vol van. De vergaderzaal van de Amerikaanse Senaat weergalmde van de hartstochtelijke pleidooien van Charles Sumner uit Massachusetts voor de afschaffing van de slavernij. Harriets broer, de reeds beroemde predikant Henry Ward-Beecher, hield van de kansel af zijn opzwepende “slavenveilingen”.

Harriet had al wat korte verhalen geschreven om het altijd te lage inkomen van de Stowes aan te vullen. Zij had het vaste geloof van de kruisvaarders en snakte ernaar de wereld een beeld te geven van de onmenselijkheid der slavernij zoals zij die kende. Als je de lezers de slavernij beschreef in menselijke beelden — meis­jes die werden verkracht, moeders die hun kinderen moesten af­staan, gezinnen die uiteengerukt werden, meesters die zich aan machtswillekeur te buiten gingen — als zij die beelden voor zich zagen, zouden zij de slavernij niet langer dulden. Maar schrijven over een politieke kwestie was in strijd met haar hele opvoeding. Een brief van haar schoonzuster gaf de eerste stoot. “Als ik de pen kon voeren zoals jij,” schreef de vrouw van Edward Beecher, “zou ik iets schrijven dat de hele natie deed voelen welk een ver­vloekte instelling die slavernij is.”

Harriets kinderen herinnerden zich altijd hoe zij hun die brief voorlas. Ze ging dan staan alsof het een inwijdingsplechtigheid betrof, de brief verkreukelend in haar kleine gebalde vuist. “Ik wil iets schrijven,” zei ze.

En zo ging ze op een dag achter haar schrijftafel zitten en begon: “Laat in de middag op een kille dag in februari zaten twee heren alleen achter een glas wijn in een goed gemeubileerde eetkamer in de stad P—, Kentucky.”

Die woorden waren het begin van een lange reis. Harriet wist niet waar ze zou eindigen, maar ze eindigde in Gettysburg en Appomattox. Harriet had er geen idee van welk een verschrikke­lijke kracht De Negerhut van Oom Tom zou ontketenen. Zij be­schouwde haar verhaal als een vredesboodschap. “De Heer zelf heeft hem geschreven,” zei ze dikwijls.

De scène waarin Oom Tom wordt afgeranseld — geschreven weken vóórdat ze een definitief plan voor haar verhaal had uit­gewerkt — zag ze als in een visioen tijdens een avondmaalsviering. Zo duidelijk alsof ze erbij tegenwoordig was geweest, zag ze een blanke woesteling een oude slaaf doodranselen. Na de zegen liep Harriet naar huis terwijl zij met moeite haar tranen bedwong. Als in trance ging ze naar haar slaapkamer en schreef het visioen neer zoals ze het had gezien. Toen ze het haar gezin voorlas, be­gonnen de kinderen luid te snikken. En haar man zei: “Hattie, je moet een verhaal schrijven waarin dit het hoogtepunt vormt. De Heer wil het zo.”

Harriet zette het verhaal op als “drie of vier” schetsen en bood het Bailey, de hoofdredacteur van de National Era aan, een klein Washingtons blad. Hij accepteerde het ongezien voor 300 dollar. Arme Harriet! Haar “drie of vier” schetsen werden er 40 en bijna een jaar verstreek voordat zij eindelijk alle draden van haar weef­sel bijeen had. Het verhaal werd langer en langer, maar Bailey betaalde niet meer. In de National Era van 5 juni 1851 verscheen op pagina 1 de eerste aflevering van de roman die een hele gene­ratie kinderen — onder wie Harriets zoon Fred — zodanig zou beïnvloeden dat zij tien jaar later met dezelfde bezieling als in vroeger tijden de kruisvaarders, op de kanonnen afmarcheerden.

Het hele verhaal berustte op haar eigen ervaringen. Het Zuiden van de Verenigde Staten kende zij alleen van een bezoek van enkele dagen aan de plantage van een schoolvriendin, in Ken­tucky, dus moest oom Tom een slaaf op die plantage zijn. Maar omdat de enigen die zij in Kentucky had ontmoet, aardige mensen waren geweest, moest zij Oom Tom laten verkopen door zijn goedaardige meester.

Als voorbeeld voor Oom Tom had zij de neger Josiah Henson genomen, predikant en maatschappelijk werker, die zich had vrijgekocht en die Harriet in Boston had ontmoet. In zijn jeugd was “Vader” Henson levenslang invalide geworden door een af­ranseling die zijn wrede meester in Maryland hem had toegediend. Verder beschreef ze de opzichter die haar broer Charles had ont­moet op een boot uit New Orleans. Deze toonde een vuist zo hard als een eikenhouten knuppel en pochte dat hij “die had verworven door het neerslaan van nikkers”. Zo kwam Harriet aan haar Simon Legree. De sinistere naam van de harige, aapachtige meester berustte uitsluitend op fantasie. Celeste was een klein ondeugend negermeisje dat Harriet destijds tevergeefs had trach­ten te kerstenen in haar zondagsschoolklas. Celeste werd Topsy.

Er wordt dikwijls beweerd, dat de mensen uit het Zuiden de negers beter begrijpen dan die uit het Noorden, en beter met hen weten om te springen. Alsof dat iets nieuws zou zijn! Harriet schreef dit al in 1851 en 1852. Zij zag de goede, patriarchale kant van de slavernij niet over het hoofd, en dat is een van de redenen waarom haar boek zo moeilijk te weerleggen is. Enkele van de vriendelijkste en rechtschapenste figuren in haar roman waren mannen uit het Zuiden en slavenhouders. En zij maakte van Simon Legree, de aartsschurk van de Amerikaanse literatuur, een man uit Vermont. Tante Ophelia, St. Clare’s nicht uit New England, rilde al bij de gedachte dat ze Topsy zou moeten aan­raken, maar de kleine Eva kroop dolgraag op Oom Toms knie. En dat deze dingen meer dan een eeuw geleden werden opge­merkt, getuigt van een scherpe geest.

Een merkwaardige reactie van het verhaal was de woede die het overal ontketende, terwijl het als feuilleton in een onbekend blaadje werd gepubliceerd. In bijna iedere gemeenschap was wel minstens één voorstander van de afschaffing van de slavernij die een abonnement had op de Era en zijn exemplaar ging van hand tot hand, totdat het letterlijk stukgelezen was. Op het kantoor van de Era begonnen de brieven binnen te stromen. Elke nieuwe figuur, elk nieuw voorval werd geestdriftig begroet. En toen in het najaar Harriets volgende hoofdstuk niet op tijd voor het nieuwe nummer in Washington aankwam, daalde er een storm van protesten neer op het hoofd van de ongelukkige uitgever.

En terwijl Harriet steeds verder schreef en maar geen eind kon vinden, begon het verhaal haar steeds erger te tiranniseren. Wat ze ook deed, waar ze ook kwam, de volgende aflevering van haar verhaal achtervolgde haar. Ze moest koken en de huishouding doen en haar drukke gezin maakte haar wanhopig.

Er was nog iemand die de steeds groeiende lengte van de roman ontzet gadesloeg. John P. Jewett, directeur van een kleine uit­geverij in Boston, had beloofd, het feuilleton in boekvorm te zullen uitgeven. Hij had gerekend op een dun bandje dat voor een lage prijs verkocht kon worden. Tegen eind oktober begon het erop te lijken dat Oom Tom in twee delen zou moeten verschijnen; Jewett vond dat bedenkelijk. Hij smeekte Harriet, een eind te maken aan haar roman. Zij schreef over een onderwerp dat niet populair was, zei hij — in twee delen zou deze roman waarschijn­lijk geen enkel succes hebben.

Jewett sprak bepaald niet tegen dovemansoren. Harriet was doodmoe en bereid, het hoofd in de schoot te leggen. De Era pu­bliceerde het voorstel dat — aangezien het herhaal nu al zo lang was geworden — mevrouw Stowe er vlug een slot aan zou maken door in enkele nuchtere alinea’s te vertellen hoe alles afliep. De lezers antwoordden met een denderend NEE. Hoofdredacteur Bai­ley stelde zijn abonnees haastig gerust en Harriet schreef verder.

De aflevering die in het kerstnummer van de Era verscheen, beschreef de dood van kleine Eva. Nadat ze deze had geschreven, moest Harriet twee dagen in bed blijven — ze was volkomen uit­geput. Het was haast alsof ze zelf een zwaar verlies had geleden. En de lezers maar brieven sturen, helemaal overstuur door de moord op het engelachtigste kind van Amerika; ze was een harte­loze schrijfster, alleen maar uit op effect! Maar zij zag nu haar weg duidelijk voor zich; ze hoefde alleen nog de dood van Oom Tom te beschrijven, een paar kleine details af te werken en dan was het af.

In februari deed Jewett een laatste poging om iets van zijn geslonken kapitaaltje te redden: hij stelde de Stowes voor dat zij de helft van de kosten zouden dragen en voor de helft delen in de winst, als er tenminste winst zou zijn. Maar de Stowes hadden geen cent en dus sloot Calvin een overeenkomst volgens welke zij een royalty van 10 percent van de totale verkoop zouden krijgen. Als Harriet de helft van de winst op De Negerhut van Oom Tom had ontvangen, zou alleen al de verkoop in Amerika van het eerste jaar haar rijk en onafhankelijk hebben gemaakt. Maar Harriet was heel blij met het contract. “Ik hoop,” zei ze, “dat het genoeg zal opbrengen voor een zijden japon.”

Het boek werd niet voorafgegaan door een reclamecampagne en de critici schreven evenmin over de op handen zijnde verschij­ning. Maar op de dag dat het van de pers kwam, 20 maart 1852, heerste er grote opwinding in het kantoor van de uitgever. De eerste druk van 6000 exemplaren was onmiddellijk uitverkocht. Binnen een week liet Jewett drie snelpersen 24 uur per etmaal werken, de hele week behalve ’s zondags; 100 boekbinders werkten voor hem en drie papierfabrieken voorzagen hem van papier. Harriets eerste cheque over de royalties van vier maanden be­droeg 10 300 dollar. Eén jaar na de datum van verschijning maak­te Jewett bekend dat hij 305 000 exemplaren had verkocht “en er is nog evenveel vraag naar”.

Al gauw publiceerden uitgevers in een stuk of tien landen na­drukken en vertalingen van De Negerhut van Oom Tom. De onder­drukte klassen van Europa sloten het boek in hun hart en lazen er hun eigen ellende in. In Londen, New York en Boston werden toneelbewerkingen opgevoerd en de toeschouwers raakten buiten zichzelf van geestdrift. De Amerikanen zongen liedjes van Oom Tom en Kleine Eva. Een fabrikant in Rhode Island maakte reclame voor een kaartspel dat “Oom Tom en Kleine Eva” heette.

De eerste aanval op de geloofwaardigheid van de roman kwam merkwaardig genoeg uit het Noorden. Harriet had ingezien dat zij het kwaad van de slavernij niet uitsluitend de mensen in het Zuiden in de schoenen kon schuiven, want heel wat geld uit het Noorden was belegd in de katoenindustrie, die leefde van de slavernij. De verdediger van die belangen was de Newyorkse Journal of Commerce, die eind mei het eerste salvo afvuurde tegen De Negerhut van Oom Tom. Overal in het land begon de pers zich met de zaak te bemoeien, voor en tegen Harriet, en er volgde een felle polemiek tussen de kranten onderling.

Tot dusver was De Negerhut van Oom Tom slechts een roman ge­weest waarover men kon debatteren; het boek werd in het Noor­den en het Zuiden vrij verkocht en won voorstanders aan beide kanten. Plotseling werd het in het Zuiden verboden en was het gevaarlijk het boek in huis te hebben. Moeders in het Zuiden stelden Harriet tegenover hun kinderen voor als een monsterachtig vrouwspersoon. Bij de vele post van bewonderaars kwamen nu ook anonieme brieven binnen, dreigend en gemeen, waarin haar op­hitsing tot een slavenopstand werd verweten.

Beide zijden beseften nu wel dat dit niet zomaar een roman was, maar een mijn, die met een brandende lont onder de grondvesten van de republiek was aangebracht. Harriets roman deed de onder­linge verdeeldheid uitgroeien tot een haat die niet zou sterven voordat de harten die zij zo vurig deed kloppen tot stof waren vergaan.

Veertig jaar later kenschetste de bekende Newyorkse criticus Kirk Monroe de plaats van het boek in de geschiedenis als volgt: “De afschaffing van de slavernij is niet en kon niet worden be­werkstelligd door één mens. Ze is het resultaat geweest van ver­eende krachten . . . Maar de belangrijkste en vérstrekkendste van al deze invloeden was De Negerhut van Oom Tom.”

Alle biografieën

.

580-533

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

2 Reacties op “VRIJESCHOOL – Verstelstof – biografieën – Harriet Beecher Stowe

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Nobel/ von Suttner | VRIJESCHOOL

  2. Pingback: VRIJESCHOOL – Vertelstof – Biografieën – alle artikelen | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.