Categorie archief: vrijeschool pedagogie

VRIJESCHOOL – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-2-2)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE – GA 293

GA= Gesamt Ausgabe, (volledige uitgave): de genummerde reeks boeken en voordrachten van Steiner.

Duitse tekst       Vertaling .

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat. Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3].

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik bij alle voordrachten een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken. De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Blz. 17/18

WEINIG HELDERZIENDHEID, VEEL BESCHOUWINGEN

Na zo’n tachtig jaar antroposofische publicaties is het voor mij de vraag of er bij zijn die vanuit een helderziend vermogen zijn geschreven. In vrijwel allemaal wordt er door de bril van de antroposofie gekeken naar de meest uiteenlopende onderwerpen en dat levert vaak verrassende gezichtspunten op. En meestal wordt een gezichtspunt van Steiner voor ons ‘gewone’ verstand daardoor grijpbaar – d.w.z. inleefbaar, beleefbaar, zichtbaar, navolgbaar. Zeker, er bestaat het gevaar van ‘het erin leggen’; van wat zich op het niveau van ‘het zou zo kunnen zijn’ bevindt, als vaststaande waarheid verkondigen: er zijn valkuilen, voetangels en klemmen. Maar, wie zich voortdurend bewust is van wat Steiner, ook in de ‘Algemene menskunde’ zegt: Maar we moeten ons bewust zijn van de achtergronden, de fundamenten van ons handelen,’ [blz. 27] zal steeds een gezonde dosis (zelf)kritiek hanteren bij het formuleren van gedachten, gezichtspunten, opvattingen, beweringen, enz.

Inzicht in de hogere wereld

Bij vele gelegenheden spreekt Steiner over de mogelijkheden die een mens heeft om tot dezelfde bovenzinnelijke kennis te komen als die hij verwoordt als antroposofie. Nog altijd staat dit dus op gespannen voet met de realiteit waarin ik mij (en velen van ons) zich bevinden: niet tot dit helderziende bewustzijn te kunnen komen. Is dat dan onmogelijk? Misschien! Misschien ook niet! Als je denkt aan Steiners uitspraak: ‘Spreek niet over de grenzen van het kennen, maar alleen over de grenzen van jouw kennis’, moet ik de onmogelijkheid puur als mijn onmogelijkheid, mijn onvermogen, blijven beschouwen. Als Steiner op andere plaatsen over het helderziend vermogen zegt, dat de mens, de mensheid in een (verre) toekomst deze vorm van denken ‘van nature’ weer zal hebben, is zijn methode om tot helderziendheid te komen een vooruitgrijpen op een (verre) toekomst; en is het vermogen om daar nu al in dit leven over te beschikken,  misschien weggelegd voor een enkeling.

Hopeloos?

Mocht je deze toestand als hopeloos ervaren: geen nood! Ook langs andere weg kun je met Steiners mededelingen omgaan. Wie leerkracht heeft kunnen worden, beschikt in ieder geval over ‘gezond verstand’. Wie vrijeschoolleerkracht wil worden, beschikt in ieder geval over de goede wil om dat te worden. Beide, gezond verstand en van goede wil, zijn volgens Steiner de voorwaarden om ‘mee’ te denken, ‘in’ te denken of letterlijk ‘na’ te denken wat hij zelf denkt en zegt. In 1904 schrijft Steiner het boek ‘Theosofie’ – een inleiding tot bovenzintuiglijke kennis van mens en wereld. Hij weet zelf maar al te goed hoe moeilijk het is voor de ‘gewoon’ denkende mens om op een andere manier te gaan denken. Ook welke kritiek en (voor)oordelen daartegen zijn in te brengen. Steeds wanneer hij dit onderwerp aanroert, zal hij vergelijkingen maken om de lezer inzicht te geven waar het eigenlijk om gaat. In genoemde ‘Theosofie’ doet hij dat vrij uitvoerig.

In diesem Buche soll eine Schilderung einiger Teile der übersinnlichen Welt gegeben werden. Wer nur die sinnliche gelten lassen will, wird diese Schilderung für ein wesenloses Phantasiegebilde halten. Wer aber die Wege suchen will, die aus der Sinnenwelt hinausführen, der wird alsbald verstehen lernen, daß menschliches Leben nur Wert und Bedeutung durch den Einblick in eine andere Welt gewinnt. Der Mensch wird nicht – wie viele fürchten – durch solchen Einblick dem «wirklichen» Leben entfremdet. Denn er lernt durch ihn erst sicher und fest in diesem Leben stehen. Er lernt die Ursachen des Lebens erkennen, während er ohne denselben wie ein Blinder sich durch die Wirkungen hindurchtastet. Durch die Erkenntnis des Übersinnlichen gewinnt das sinnliche «Wirkliche» erst Bedeutung. Deshalb wird man durch diese Erkenntnis tauglicher und nicht untauglicher für das Leben. Ein wahrhaft «praktischer» Mensch kann nur werden, wer das Leben versteht.

Dit boek wil een beschrijving geven van bepaalde gebieden van de bovenzinnelijke wereld. Wie alleen de zintuiglijke wereld wil laten gelden, zal deze beschrijving voor een onzinnig product van de fantasie houden. Wie echter de wegen wil zoeken die hem buiten de wereld van de zintuigen brengen, die zal al spoedig leren begrijpen dat het menselijk leven slechts waarde en betekenis krijgt door het ervaren van een andere wereld. De mens raakt niet – zoals menigeen vreest – door die ervaring vervreemd van het ‘werkelijke’ leven. Want hij leert daardoor pas veilig en stevig in dit leven te staan. Hij leert de oorzaken van het leven kennen, terwijl hij zonder die ervaring als een blinde op de tast door de gevolgen dwaalt. Door de kennis van het bovenzinnelijke krijgt de zintuiglijke ‘werkelijkheid’ pas betekenis. Daarom word je door deze kennis bruikbaarder en niet onbruikbaarder voor het leven. Een waarlijk ‘praktisch’ mens wordt slechts wie het leven begrijpt.
GA 9/De nieuwere Duitse uitgave heeft deze tekst – een toelichting van Steiner bij bepaalde nieuwe drukken – niet. In de vertaling is deze tekst wél te vinden: Vertaling/15

Zo gaat het nog steeds: als je wat studeert, moet je lezen. De inhoud tot je nemen, proberen te begrijpen, om deze vervolgens te kunnen reproduceren. En als je na een studie dan ‘met goede wil’ vrijeschoolleerkracht wordt, en vanuit die goede wil bv. deze ‘Theosofie’ gaat lezen, word je al gauw geconfronteerd met een oude leesgewoonte:

Wie man Bücher in unserem Zeitalter zu lesen pflegt, kann dieses nicht gelesen werden In einer gewissen Beziehung wird von dem Leser jede Seite, ja mancher Satz erarbeitet werden müssen. Das ist mit Bewußtsein angestrebt worden. Denn nur so kann das Buch dem Leser werden, was es ihm werden soll. Wer es bloß durchliest, der wird es gar nicht gelesen haben. Seine Wahrheiten müssen erlebt werden. Geisteswissenschaft hat nur in diesem Sinne einen Wert.

Dit boek kan niet gelezen worden op de manier waarop men in onze tijd boeken pleegt te lezen. In zekere zin zal de lezer iedere bladzijde, zelfs menige zin moeizaam moeten veroveren. Daar is welbewust naar gestreefd. Want alleen zo kan het boek voor de lezer worden wat het voor hem zou moeten worden. Wie het alleen doorleest zal het niet gelezen hebben. De waarheden in dit boek moeten worden beleefd. Alleen op die manier heeft geesteswetenschap waarde GA 9/Zie boven Vertaling/16

Wij zijn – in Steiners tijd was het niet anders – als bewust levend mens op zoek naar waarheden.  In veel gevallen levert de wetenschap die. Maar deze wetenschap is nog altijd ‘natuur’wetenschap. Voor velen is deze wetenschap DE wetenschap. Niet voor Steiner. Zoals voor hem het fysieke lichaam slechts een deel van de mens is, zo is de natuurwetenschap maar een deel van een meer omvattende wetenschap dan die slechts het materiële, de stof beschrijft. Wij hebben nog altijd de neiging om net zoals we dit in de natuurwetenschap doen, ook voor de niet-natuurwetenschap naar bewijzen te vragen.  Maar op de vraag wat een mens is en omdat het in de ‘Algemene menskunde’ om kinderen gaat, wat een kind is, kan de natuurwetenschap niet een volledig antwoord geven. Of dan ‘bewijzen’ nog zo belangrijk zijn, is de vraag. Belangrijker is, als het niet meer om het natuurwetenschappelijke gaat, in hoeverre je bereid bent en in staat bent ‘de ogen te openen’ of  ‘te laten openen’.

GA 9   blz. 6  vert. 19/20

Keinen Augenblick darf vielmehr daran gezweifelt werden, daß es in bezug auf diese Dinge möglich sei, jedem «die Augen zu öffnen», der den guten Willen dazu mitbringt. – Aus dieser Voraussetzung heraus haben daher alle diejenigen gesprochen und geschrieben, die in sich fühlten, daß ihnen selbst das «innere Sinneswerkzeug» erwachsen sei, durch das sie das den äußeren Sinnen verborgene wahre Wesen des Menschen zu erkennen vermochten. Seit den ältesten Zeiten wird daher immer wieder und wieder von solcher «verborgenen Weisheit» gesprochen. – Wer etwas von ihr ergriffen hat, fühlt den Besitz ebenso sicher, wie die, welche wohlgebildete Augen haben, den Besitz der Farbenvorstellungen fühlen. Für ihn bedarf daher diese «verborgene Weisheit» keines «Beweises». Und er weiß auch, daß sie für denjenigen keines Beweises bedürfen kann, dem sich gleich ihm der «höhere Sinn» erschlossen hat. 

Geen ogenblik mag eraan worden getwijfeld dat het met betrekking tot deze dingen mogelijk is een ieder ‘de ogen te openen’ die de goede wil daartoe meebrengt. – Vanuit deze overtuiging hebben daarom al diegenen gesproken en geschreven, die in hun binnenste voelden dat bij hen het ‘innerlijke zintuig’ tot ontwikkeling was gekomen waardoor zij het ware wezen van de mens konden kennen, dat voor de uiterlijke zintuigen verborgen blijft. Sinds de oudste tijden wordt daarom steeds opnieuw van zo’n verborgen wijsheid gesproken. ° – Wie iets van die wijsheid heeft verworven, voelt zich net zo zeker van dit bezit als degenen met goed ontwikkelde ogen zich zeker voelen van het bezit van kleurervaringen. Voor zo iemand behoeft dus deze ‘verborgen wijsheid’ geen ‘bewijs’. En hij weet ook dat diegene geen bewijs daarvoor nodig kán hebben die, zoals hij, het ‘hogere zintuig’ zelf heeft ontwikkeld.

.

°Sinds de oudste tijden … wijsheid gesproken: Met deze verborgen wijsheid is de wijsheid bedoeld die in de mysteriën, in de verschillende mysteriescholen werd bewaard en doorgegeven. In deze mysteriescholen werden bepaalde mensen voorbereid en tenslotte ingewijd. De ingewijden leerden de ‘hogere werelden’ kennen. Vgl. Steiner, De wetenschap van de geheimen der ziel

.

Zu einem solchen kann er sprechen, wie ein Reisender über Amerika zu sprechen vermag zu denen, die zwar nicht selbst Amerika gesehen haben, die sich aber davon eine Vorstellung machen können, weil sie alles sehen würden, was er gesehen hat, wenn sich ihnen dazu die Gelegenheit böte. Aber nicht nur zu Erforschern der geistigen Welt soll der Beobachter des Übersinnlichen sprechen. Er muß seine Worte an alle Menschen richten. Denn er hat über Dinge zu berichten, die alle Menschen angehen; ja, er weiß, daß niemand ohne eine Kenntnis dieser Dinge im wahren Sinne des Wortes «Mensch» sein kann. Und er spricht zu allen Menschen, weil ihm bekannt ist, daß es verschiedene Grade des Verständnisses für das gibt, was er zu sagen hat. Er weiß, daß auch solche, die noch weit entfernt von dem Augenblicke sind, in dem ihnen die eigene geistige Forschung erschlossen wird, ihm Verständnis entgegenbringen können. Denn das Gefühl und das Verständnis für die

Tot zo iemand kan hij spreken zoals een reiziger over Amerika kan spreken tot mensen die Amerika weliswaar niet zelf hebben gezien, maar zich daarvan wel een voorstelling kunnen vormen, omdat zij alles zouden zien wat hij heeft gezien, als zij daartoe in de gelegenheid zouden zijn. Maar niet alleen tot de onderzoekers van de geestelijke wereld moet de waarnemer van het bovenzinnelijke spreken. Hij moet zijn woorden tot álle mensen richten. Want hij heeft dingen te vertellen die alle mensen raken; ja, hij weet dat niemand zonder kennis van deze dingen ‘mens’ kan zijn in de ware zin van het woord. En hij spreekt tot alle mensen omdat hij weet dat er verschillende niveaus van begrip zijn voor wat hij te zeggen heeft. Hij weet dat ook diegenen, die nog ver verwijderd zijn van het ogenblik waarop zij zelf tot geestelijk onderzoek zullen komen, hem kunnen begrijpen. Want het gevoel en het begrip voor de 

Blz. 7    vert. 20

Wahrheit liegen in jedem Menschen. Und an dieses Verständnis, das in jeder gesunden Seele aufleuchten kann, wendet er sich zunächst. Er weiß auch, daß in diesem Verständnis eine Kraft ist, die allmählich zu den höheren Graden der Erkenntnis führen muß. Dieses Gefühl, das vielleicht anfangs gar nichts sieht von dem, wovon zu ihm gesprochen wird, es ist selbst der Zauberer, der das «Auge des Geistes» aufschließt. In der Dunkelheit regt sich dieses Gefühl. Die Seele sieht nicht; aber durch dieses Gefühl wird sie erfaßt von der Macht der Wahrheit; und dann wird die Wahrheit nach und nach herankommen an die Seele und ihr den «höheren Sinn» öffnen. Für den einen mag es kürzer, für den andern länger dauern; wer Geduld und Ausdauer hat, der erreicht dieses Ziel. – Denn wenn auch nicht jeder physisch Blindgeborene operiert werden kann: jedes geistige Auge kann geöffnet werden; und es ist nur eine Frage der Zeit, wann es geöffnet wird.

waarheid liggen in ieder mens. En tot dit begrip, dat in iedere gezonde ziel kan oplichten, richt hij zich in de eerste plaats. Hij weet ook dat in dit begrip een kracht gelegen is die langzamerhand tot de hogere niveaus van inzicht moet leiden. Dit gevoel, dat aanvankelijk wellicht volstrekt niets ziet van datgene waarover wordt gesproken, dat is zelf de tovenaar die het ‘geestesoog’ opent. In de duisternis ontwaakt dit gevoel. De ziel ziet niet; maar door dit gevoel wordt ze gegrepen door de macht van de waarheid; en dan zal de waarheid gaandeweg de ziel naderen en haar het ‘hogere zintuig’ ontsluiten. Voor de een zal het kort, voor de ander langer duren; wie geduld heeft en volhardt, die bereikt dit doel. – Want ook al kan niet iedereen die fysiek blindgeboren is, geopereerd worden: elk geestesoog kan worden geopend; en het is alleen een kwestie van tijd, wanneer het geopend wordt.

Gelehrsamkeit und wissenschaftliche Bildung sind keine Vorbedingungen zur Eröffnung dieses «höheren Sinnes». Dem naiven Menschen kann er sich ebenso erschließen wie dem wissenschaftlich Hochstehenden. Was in gegenwärtiger Zeit oft die «alleinige» Wissenschaft genannt wird, kann für dieses Ziel oft sogar eher hinderlich als fördernd sein. Denn diese Wissenschaft läßt naturgemäß nur dasjenige als «wirklich» gelten, was den gewöhnlichen Sinnen zugänglich ist. Und so groß auch ihre Verdienste um die Erkenntnis dieser Wirklichkeit sind: sie schafft, wenn sie, was für ihre Wissenschaft notwendig und segenbringend ist, für alles menschliche Wissen als maßgebend erklärt, zugleich eine Fülle von Vorurteilen, die den Zugang zu höheren Wirklichkeiten verschließen.

Geleerdheid en wetenschappelijke opleiding zijn geen voorwaarden voor de ontwikkeling van dit ‘hogere zintuig’. Bij de naïeve mens kan dit zintuig zich net zo openen als bij wie wetenschappelijk hoog is opgeleid. Wat tegenwoordig veelal de ‘enig ware’ wetenschap wordt genoemd, kan voor dit doel vaak zelfs eerder belemmerend dan bevorderlijk zijn. Want voor deze wetenschap geldt overeenkomstig haar aard alleen datgene als ‘werkelijk’ wat voor de gewone zintuigen toegankelijk is. En hoe groot haar verdiensten voor de kennis van deze werkelijkheid ook zijn: zij schept als ze datgene wat voor haar doel noodzakelijk en zegenrijk is, tot norm verheft voor al het menselijk weten, tegelijkertijd een massa vooroordelen die de toegang tot de hogere werkelijkheden afsluiten.

Blz. 8   vert. 21

Gegen dasjenige, was hier gesagt ist, wird oft eingewendet: dein Menschen seien einmal «unübersteigliche Grenzen» seiner Erkenntnis gesetzt. Man könne diese Grenzen nicht überschreiten; deshalb müssen alle Erkenntnisse abgelehnt werden, welche solche «Grenzen» nicht beachten. Und man sieht wohl auch den als recht unbescheiden an, der etwas über Dinge behaupten will, von denen es vielen für ausgemacht gilt, daß sie jenseits der Grenzen menschlicher Erkenntnisfähigkeit liegen. Man läßt bei einem solchen Einwande völlig unberücksichtigt, daß der höheren Erkenntnis eben eine Entwickelung der menschlichen Erkenntniskräfte voranzugehen hat. Was vor einer solchen Entwickelung jenseits der Grenzen des Erkennens liegt, das liegt nach der Erweckung von Fähigkeiten, die in jedem Menschen schlummern, durchaus innerhalb des Erkenntnisgebietes.

Tegen hetgeen hier gezegd is wordt vaak het volgende ingebracht: aan de kennis van de mens zijn absolute grenzen gesteld; die grenzen kun je niet overschrijden; daarom moet alle wetenschap worden afgewezen die zich niet aan zulke ‘grenzen’ houdt. En bovendien wordt wel als zeer onbescheiden beschouwd degene die iets wil beweren over dingen waarvan het toch voor velen een uitgemaakte zaak is dat ze voorbij de grenzen van het menselijk kenvermogen liggen. Men houdt er bij zo’n tegenwerping in het geheel geen rekening mee dat aan de hogere kennis een ontwikkeling van de menselijke kenvermogens vooraf moet gaan. Wat vóór zo’n ontwikkeling nog voorbij de grenzen van het kenbare ligt, dat ligt nádat de vermogens die in elk mens sluimeren gewekt zijn, zonder meer binnen het gebied van het kennen.

Eines darf dabei allerdings nicht außer acht gelassen werden. Man könnte sagen: wozu nützt es, über Dinge zu Menschen zu sprechen, für welche ihre Erkenntniskräfte nicht erweckt sind, die ihnen also selbst doch verschlossen sind? So ist aber die Sache doch falsch beurteilt. Man braucht gewisse Fähigkeiten, um die Dinge, um die es sich handelt, aufzufinden: werden sie aber, nachdem sie aufgefunden sind, mitgeteilt, dann kann jeder Mensch sie verstehen, der unbefangene Logik und gesundes Wahrheitsgefühl anwenden will. 

Eén ding mag daarbij evenwel niet veronachtzaamd worden. Men zou kunnen zeggen: waar is het goed voor, tegen mensen te spreken over dingen waarvoor hun kenvermogens nog niet gewekt zijn, die voor henzelf dus nog verborgen zijn? Op deze manier wordt de kwestie verkeerd beoordeeld. Je hebt bepaalde vermogens nodig om de dingen waar het om gaat te ontdekken; maar als ze, wanneer ze ontdekt zijn, worden meegedeeld, dan kan ieder mens ze begrijpen als hij maar onbevangen logisch nadenkt en op zijn gezond waarheidsgevoel afgaat. 
GA 9/6 – 8 Vertaling/19 – 21

Dan maar eens met een onbevangen gevoel voor logica en een gezond begrip voor waarheid, kijken wat Steiner verder gaat bespreken. .

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie

[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen

[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

1312-1225

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (40)

.

Beter rekenen door prentenboeken

Kleuters – vooral meisjes – gaan bij rekenen met sprongen vooruit als zij regelmatig worden voorgelezen uit prentenboeken.

In ‘gewone’ prentenboeken zit vaak wel iets dat de reken-wiskundige begripsontwikkeling van kinderen stimuleert. In een verhaal over een wachtkamer, bijvoorbeeld, is iemand als vijfde aan de beurt, en vervolgens als vierde, derde, etcetera. En in het boek De verrassing van Sylvia van Ommen is de hoofdpersoon een wollig schaap, dat als verrassing van haar wol een trui breit voor een giraffe. Het schaap weegt zichzelf en meet de dikte van haar vacht en brengt de resultaten hiervan keurig in kaart in een grafiek.

Hoogleraar Marja van den Heuvel-Panhuizen van het Utrechtse Freudenthal Instituut toonde met collega’s van de University of Cyprus en het Oostenrijkse Bundesinstitut BIFIE aan dat voorlezen uit prentenboeken positieve effecten heeft op de wiskundige begripsontwikkeling van kleuters.

In negen klassen werden kleuters drie maanden lang, twee keer per week, voorgelezen uit 24 verschillende prentenboeken. In negen andere klassen, de controleklassen werd het gewone programma gevolgd voor rekenen-wiskunde. De kleuters die het voorleesprogramma kregen aangeboden boekten 22 procent meer vooruitgang.

Aldus LD in het Onderwijsblad van 6 d3ec. 2014

.

Als de wetenschap het heeft gevonden, dan móet het wel waar zijn: dat kleuters een grotere woordenschat krijgen als ze worden voorlgelezen – dat betekent toch ‘als er tegen hen wordt gesproken’.
Maar dat weet iedereen: spreken leer je van je ouders – (al heet het ‘moedertaal’.)

Prentenboeken zijn er ook in de vrijeschoolkleuterklassen. Maar ‘het’ boek dat aan de eisen van de onderzoekers helemaal voldoet – terwijl ze het niet onderzocht hebben – is het Sprookjesboek van Grimm.

Met zijn vele getallen: ’12 broers’, ‘3 broers’, ‘7 raven’, met z’n zessen de hele wereld door’. En de vele begrippen die erbij horen: eerste, tweede, derde enz; oudste, middelste, jongste, eerste-laatste; vooraan, achteraan. Te veel om op te noemen. 
En wat een prachtige taal! Die nemen de kinderen gretig in zich op en weten die soms op het juiste ogenblik feilloos te gebruiken, zoals een jongetje van 5 op zijn verjaardagsfeestje treffend opmerkte tegen een paar vriendjes die al te gretig op de tractatie afgingen: ‘Wie grist en graait, krijgt niets!’

En wat een prachtige beelden: De vrouw die geen kinderen kan krijgen: ‘Ik ben als een akker zonder vrucht’. Of ‘Bergen en dalen ontmoeten elkaar niet, maar mensenkinderen wel, vooral goede en boze.’ ‘Ach, wat kun je van een os anders verwachten dan rundvlees.’

En dan heb ik het nog niet eens over de vele taalrijke vinger- en arbeidsspelletjes, waarbij niet alleen gekeken (prentenboek) wordt, maar actief meegedaan!

De vrijeschoolkleuterklas is eigenlijk één groot taalbad!

Zouden ze dat in Utrecht, Oostenrijk en op Cyprus dan niet weten?
Of vindt men het belangrijker dat een kleuter de dikte van een schapenvacht kan meten om de uitkomst in een grafiek te zetten?…………

.

Opspattend grind over de kleuter: [5]  [8]  [16]  [38]

Peuters en kleuters: alle artikelen
.

1311-1224

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 301 voordracht 6

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

GA 301: vertaling
inhoudsopgave;     voordracht:   [1]  [2]  [3]  [4]  [5]  [7]  [8]  [9]  [10]  [11]  [12] [13]  [14]  [vragenbeantwoording bij 6e vdr.]
.

RUDOLF STEINER:

DE VERNIEUWING VAN DE PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE KUNST DOOR GEESTESWETENSCHAP

14 voordrachten gehouden te Bazel van 20 april tot en met 11 mei 1920, met vragenbeantwoording en inleidende woorden bij twee euritmieopvoeringen [1]

6e voordracht Basel, 28 april 1920 [2]

Inhoudsopgave
Euritmie, muziek- teken- en taalles:
zwakke en achterrakende kinderen
betekenis van het beeldende voor de ziel
euritmie en muziek/e
euritmie: bewegingstendenzen van de spraakorganen op de hele mens overgedragen
versterking van de wilsinitiatieven
groeiende interesse voor de buitenwereld
het muzikale bewerkt verinnerlijking van het gemoed
kindertekeningen
taalles, grammatica
grotere logica in dialect
geesteswetenschappelijke pedagogie wil mensen vormen die initiatieven ontwikkelen.

blz. 89

Eurythmischer, musikalischer, Zeichen- und Sprachunterricht

Um einiges, was ich später ausführen will, zu illustrieren, gehe ich heute von einer Verhaltungsmaßregel aus, die ich in unserer Stuttgarter Waldorfschule versuchte. Nachdem ich dem Unterricht in den acht Klassen beigewohnt hatte und mich überzeugt hatte, wie unterrichtet wird, wurde ich in einer Lehrerkonferenz darauf aufmerksam, daß der eine oder der andere der Lehrer mit diesem oder jenem Kinde nicht fer­tig wurde, und daß im allgemeinen dem, was man gern in einer bestimm­ten Zeit erreichen wollte, aus diesem oder jenem Grunde eine gewisse Anzahl von Kindern in der Schule nicht folgen konnte. Ich habe mir dann die Liste dieser zurückbleibenden Kinder geben lassen und mir auf­einanderfolgend gerade die Kinder einer jeden einzelnen Klasse kom­men lassen, die sich als solche Schwächlinge in der damals verlaufenen Zeit des Schuljahres ergeben haben. – Da ich mich nur während der Weih­nachtsferien in Stuttgart aufhalten konnte, war dies nur durchzufüh­ren, weil sowohl die Eltern als auch die Kinder unserer Waldorfschule außerordentlich willig waren.

euritmie, muziek, tekenen en taal

Om iets, wat ik later wil uitwerken, te illustreren, ga ik vandaag uit van een gedragsregel die ik op de vrijeschool in Stuttgart wilde uitpoberen. Nadat ik het onderwijs in de acht klassen had bijgewoond en ik er mij van overtuigd had hoe er lesgegegeven wordt, viel het mij in een lerarenvergadering op, dat deze of gene leerkracht met het ene of het andere kind niet iets wist aan te vangen en wat men in ’t algemeen graag in een bepaalde tijd wilde bereiken, om de een of andere reden door een bepaald aantal kinderen op school niet gehaald kon worden. Ik heb dan een lijst gevraagd van deze achterblijvende kinderen uit iedere afzonderlijke klas die in de afgelopen tijd van het schooljaar als zwakke broeders te boek stonden.
Omdat ik alleen tijdens de kerstvakantie in Stuttgart kon zijn, kon dit alleen maar doorgaan, omdat zowel de ouders als de kinderen van onze vrijeschool buitengewoon bereidwillig waren.

-Es handelte sich für michdannnament­lich darum, mit dem betreffenden Klassenlehrer zusammen festzustel-len, um was es sich eigentlich psychologisch oder vielleicht auch physio­logisch handeln könne. Bei einer solchen Prüfung der Schülerfähigkeit muß man – und das möchte ich zur Illustration des Folgenden sagen -von etwas tieferen Prinzipien ausgehen, als diejenigen sind, die man heute anzuwenden pflegt unter dem Einfluß der sogenannten experi­mentellen Psychologie, gegen die ich auch nichts vorbringen will, wenn sie in ihren Grenzen bleibt.
Ich versuchte vor allen Dingen dies Prinzip zur Geltung zu bringen, daß man fehlerhafte Anlagen zuweilen prüfen muß an Dingen, die der eigentlichen Äußerung dieser fehlerhaften Anlagen sehr, sehr ferne lie­gen. Zum Beispiel nehmen wir den Fall: es stellte sich heraus, daß ein Kind, meinetwillen in der dritten Volksschulklasse, also ein acht- oder

– Het ging er mij voornamelijk om samen met de betreffende klassenleerkracht vast te stellen wat er zich eigenlijk psychologisch of wellicht fysiologisch zou kunnen voordoen. Bij zo’n onderzoek naar de capaciteiten van de leerlingen moet je – en dit wil ik als illustratie als volgt zeggen – van wat diepere principes uitgaan dan die men tegenwoordig hanteert onder invloed van de zgn. experimentele psychologie, waartegen ik niets wil inbrengen, zolang die maar binnen haar grenzen blijft.
Als principe probeerde ik het eerst zo te doen, dat je een gebrek aan aanleg soms moet onderzoeken aan dingen die zeer veraf staan van de eigenlijke uitdrukking ‘gebrekkige aanleg’. Als voorbeeld nemen we dit geval: het bleek dat een kind, zeg maar uit de derde klas van de basisschool, dus een acht- of

blz. 90

achteinhalbjähriges, wie es dort ist, durchaus nicht zu einer gewissen Aufmerksamkeit zu bringen ist. Wenn es aufmerkt, sagen wir, so kann man ihm etwas beibringen, das es übrigens vielleicht dann bald vergißt; aber es ist nicht möglich, das Kind in der richtigen Weise zu einem bestimmten Grade, zu einem wünschenswerten Grade von Auf­merksamkeit zu bringen.
Nun nahm ich ein solches Kind vor. Wie gesagt, die Kinder sind dort sehr willig durch die ganze Haltung unserer Lehrerschaft, die ja in der Art vorbereitet ist, wie ich es Ihnen neulich charakterisierte. Ich nahm also ein solches Kind vor und versuchte zum Beispiel folgende Prüfung mit ihm. Ich sagte: Nimm einmal schnell deinen linken Unterarm mit deiner rechten Hand. Oder nachher zeichnete ich ihm den Umriß eines Ohres auf und fragte: Ist das ein linkes Ohr? Ist das ein rechtes Ohr? Oder ich zeichnete irgendeine geometrische Figur, die das Kind eigent­lich gar nicht zu verstehen braucht, neben eine andere Figur, und ver­suchte herauszubekommen, ob das Kind eine Empfindung hat dafür, daß die eine Figur zu der anderen symmetrisch gestaltet ist, und wie lange das Kind braucht, um dies festzustellen, nicht nach irgendeiner Uhr gemessen, sondern nach dem Gefühl gemessen. 

achteneenhalfjarig oud kind, zich zo gedraagt dat het absoluut niet tot een zekere aandacht te brengen is. Wanneer het oplet – zeggen we – kan je het toch iets bijbrengen, wat het dan overigens misschien wel weer snel vergeten is; maar het is niet onmogelijk het kind op een goede manier tot op zekere hoogte, tot een bepaald niveau, een wenselijk niveau van aandacht te brengen.
Nu kwam het kind bij mij. Zoals gezegd, de kinderen zijn daar zeer van goede wil door de houding van de leerkrachten die op de manier die ik laatst gekarakteriseerde, zich voorbereiden. Het kwam kwam dus bij me en ik probeerde het volgende met hem. Ik zei: ‘Pak eens vlug je linkeronderarm met je rechterhand.’ Of, later tekende ik voor hem de omtrek van een oor en vroeg: ‘Is dat een linkeroor? Is het een rechteroor? Of ik tekende een meetkundig figuur dat het kind helemaal niet hoeft te begrijpen, naast een ander figuur en probeerde aan de weet te komen of het kind er een gevoel voor had, dat de ene figuur symmetrisch bij het andere was gezet en hoe lang het kind nodig heeft om dit vast te stellen, niet op de klok getimed, maar afgemeten aan een gevoel.

Auf diese Weise konnte man sehen, daß solch ein Kind eine schnel­lere oder langsamere Begabung hat für unmittelbare Lebenstatsachen. Nach einigen Monaten kam ich wiederum an die Schule, und da stellte sich heraus – einfach indem solche Dinge berücksichtigt worden sind, indem mitten in den Unterricht hinein ähnliche Fragen an das be­treffende Kind gestellt worden sind, daß zwei-, drei-, viermal so etwas mit ihm gemacht wurde -, daß schon eine gewisse Wirkung auf das Kind erzielt worden war. Eine gewisse Wirkung hat es nämlich immer auf das Kind, wenn man versucht vom Bildlichen auszugehen, aber von solchem Bildlichen, das sich an die eigene Körperlichkeit, an die eigene Leiblichkeit anknüpft, also nicht von etwas Bildlichem bloß aus­zugehen, das das Kind anschaut, das außer dem Kinde ist, sondern von dem Bilde auszugehen: erfasse mit der rechten Hand deinen linken Unterarm, oder dergleichen.
Diese Bildlichkeit, wo das Kind sich selbst in das Bild hineinstellen muß, das ist etwas, was dann fortdauernd auf das Kind wirkt. Wer mit Geisteswissenschaft nicht bekannt ist, kann nicht in der richtigen Weise die ganze Impression, den ganzen Eindruck, den ein solches Bild auf das Kind macht, von einem anderen, mehr abstrakten Bild, das

Op deze manier kon je zien dat zo’n kind een snellere of langzamere aanleg heeft voor wat er direct in het leven gebeurt.
Na een paar maanden kwam ik weer op school en toen bleek – simpel omdat met die dingen rekening werd gehouden, dat als je midden onder de les dergelijke vragen aan het betreffende kind stelt, twee, drie, vier keer zoiets met hem doet -, dat dit al een bepaalde uitwerking op het kind heeft. Op een kind heeft het namelijk altijd een bepaalde werking wanneer je probeert van iets beeldends uit te gaan, maar dan iets beeldends dat betrekking heeft op het eigen lichaam, wat te maken heeft met het eigen lichaam, dus niet van iets beeldends zonder meer, waarbij het kind dan naar iets kijkt wat buiten hem is, maar van het beeld uitgaan: pak met je rechterhand je linkeronderarm o.i.d.
In dit beeld moet het kind zichzelf plaatsen en dat werkt voortdurend op het kind terug. Wie niet vertrouwd is met geesteswetenschap, kan niet op een goede manier het verschil zien tussen de hele impressie, de hele indruk die zo’n beeld op een kind maakt, en van een meer abstract beeld, dat alleen

blz. 91

nur äußerlich angeschaut wird, unterscheiden. Wir unterschätzen näm­lich, wenn wir nicht von Geisteswissenschaft ausgehen, den Einfluß, den auf die ganze Entwickelung eines Kindes die Zeit hat, die das Kind verschläft. Es wird viel zu wenig in der Menschenbeobachtung ins Auge gefaßt, welch ein Geschehen vor sich geht vom Einschlafen bis zum Aufwachen. Nicht wahr, innerhalb unserer materialistischen Welt­anschauung, in unserer praktischen Empfindung sind wir doch mehr oder weniger gedrängt dazu, wenn wir es auch bestreiten wollten, das Geistig-Seelische wie unmittelbar aus dem Körperlich-Physischen her sich ergebend anzusehen. Dadurch werden wir niemals darauf auf­merksam, daß tatsächlich während des Wachens vom Aufwachen bis zum Einschlafen wir es zu tun haben mit einem Zusammensein des Geistig-Seelischen mit dem physischen Menschen, und daß wir es da­gegen zu tun haben vom Einschlafen bis zum Aufwachen mit einem ganz anderen Wesen, das da im Bette liegt. Dieses Wesen, das da im Bette liegt, ist eigentlich seines höheren Geistig-Seelischen beraubt, und dieses Geistig-Seelische führt ein außerkörperliches Dasein vom Ein-schlafen bis zum Aufwachen.

maar aan de buitenkant bekeken wordt. We onderschatten namelijk, wanneer we niet van geesteswetenschap uitgaan, de invloed die op de totale ontwikkeling van een kind, de tijd heeft die het kind verslaapt. Bij het waarnemen van mensen wordt veel te weinig gelet op wat er gebeurt vanaf het inslapen tot het wakker worden. Niet waar, binnen onze materialistische wereldbeschouwing, in onze praktische ervaring worden we toch min of meer gedwongen, ook al bestrijden we dat, het geestelijk-psychische te beschouwen als iets wat direct afkomstig is uit het lichamelijk- gevormde. Daarom zullen we nooit opmerken dat we daadwerkelijk vanaf het wakker worden tot het inslapen te maken hebben met het samengaan van de geestelijk-psychische met de lichamelijk-gevormde mens en dat we daarentegen vanaf het inslapen tot het wakker worden te maken hebben met een heel ander wezen dat daar in bed ligt. Dit wezen dat daar in bed ligt is eigenlijk verstoken van zijn hogere geest-ziel en dit leidt vanaf het inslapen tot het wakker worden een buitenlichamelijk bestaan.

Aber wenn dieses Geistig-Seelische sein Bewußtsein auch erhält durch die Körperlichkeit – unser Körper ist notwendig, damit wir von unserem Seeleninhalte ein Bewußtsein ha­ben -, so ist unsere Körperlichkeit nicht notwendig, um diesen Seelen-inhalt zu erleben. Es geht in dem Seeleninhalt fortwährend etwas vor in der Zeit vom Einschlafen bis zum Aufwachen. Und das, was da vor­geht, das kann man ja allerdings nur studieren mit Hilfe von geistes-wissenschaftlichen Untersuchungen. Da stellt es sich dann heraus, daß nur das Bildhafte, das heißt das, was entsprechende Gefühle erweckt, in unser Seelisches eingeht, und daß alles das, was wir nur an abstrak­ten Begriffen aufnehmen, was wir aufnehmen an unanschaulichen, un­beweglichen Begriffen, nicht an uns arbeitet vom Einschlafen bis zum Aufwachen, gar nicht eingeht in unmittelbarer Weise in unser See­lisches.
In gesunder Weise beim Kinde geht das Bildhafte nur ein, wenn es in irgendeiner Weise an die eigene Körperlichkeit gebunden ist, wenn die eigene Körperlichkeit damit verknüpft ist. Auf solch feine Unter­schiede im Leben kommt außerordentlich viel an für eine Grundlegung der pädagogischen Kunst. Wir müssen geradezu rechnen lernen mit der Mitwirkung des Geistig-Seelischen in dem Zustande, den der Mensch vom Einschlafen bis zum Aufwachen durchmacht. Lernen wir das nicht

Maar ook al krijgt dit geestelijk-psychische zijn bewustzijn door de lichamelijkheid – ons lichaam is nodig om ons van onze ziel bewust te kunnen zijn – onze lichamelijkheid is niet nodig om deze ziel te ervaren. Voortdurend vindt er in de ziel iets plaats in de tijd van inslapen tot wakker worden. En wat daar gebeurt kun je alleen maar bestuderen met behulp van geesteswetenschappelijk onderzoek. Dan blijkt dat alleen wat beeldend is, d.w.z. wat dienovereenkomstige gevoelens opwekt, in onze ziel terechtkomt en dat alles wat we slechts als abstracte begrippen opnemen, wat we opnemen aan begrippen waarbij je niets kan waarnemen, onbeweeglijke begrippen, niet aan ons werkt van het inslapen tot het wakker worden, helemaal niet op een directe manier in onze ziel terechtkomt .
Het beeldende gaat bij een kind alleen maar op een gezonde manier naar binnen, wanneer het op de een of andere manier gebonden is aan de eigen lichamelijkheid, wanneer de eigen lichamelijkheid ermee verweven is. Op zulke precieze verschillen in het leven komt het buitengewoon aan als je een pedagogische kunst een basis wil geven. We moeten meteen rekening leren houden met het meewerken van geest en ziel in de toestand die de mens van inslapen tot wakker worden doormaakt. Leren we dat niet

blz. 92

kennen, dann werden wir im Grunde genommen doch recht wenig für das spätere Leben durch die Schulzeit oder überhaupt durch die Er­ziehungszeit erreichen.
Aber erst dadurch, daß wir diese zwei Glieder der menschlichen Wesenheit zusammen schauen, indem wir es mit dem Kinde zu tun haben, erst dadurch werden wir aufmerksam darauf, wie sich in dem Kinde zusammensetzt dasjenige, was es scheinbar als eine ganz ein­heitliche Tätigkeit vollbringt. Wir müssen uns nämlich durchaus klar werden darüber, daß, wenn wir versuchen, irgend etwas an das Kind rein intellektualistisch heranzubringen, daß wir dann unter Umstän­den gerade bei dem einen oder bei dem anderen Kinde versagen. Wenn wir uns bemühen, dasjenige, was fehlt, also zum Beispiel die schnell sich erfassende Aufmerksamkeitskraft durch solches Bildliche zu unter­stützen, dann bringen wir an das Kind etwas heran, was es vielleicht gerade im einzelnen Falle braucht.
Wenn man es aus den sozialen Verhältnissen heraus notgedrungen mit einer größeren Schülerzahl zu tun hat, kann man bei gutem Wil­len selbst bei großen Klassen dann in einer gewissen beschränkten Weise individualisieren – indem man zum Beispiel Schwächlinge heraus-nimmt und aufmerksam zu werden versucht auf dasjenige, was ihnen fehlt und was durch vielleicht fernliegende Kleinigkeiten abgeändert werden kann.

kennen, dan zullen we in de aard der zaak toch echt weinig voor het latere leven door de schooltijd of door de opvoedingstijd bereiken.
Pas wanneer we deze twee aspecten van het mensenwezen tezamen bekijken als het om het kind gaat, pas daardoor krijgen we er oog voor hoe in het kind een tweeheid is wat het als een activiteit uitvoert die schijnbaar één geheel is. Het moet ons beslist duidelijk worden dat wanneer we proberen iets aan het kind aan te leren wat puur intellectualisitsch is, dat we dan onder bepaalde omstandigheden bij het ene of andere kind tekortschieten. Wanneer we moeite doen om dat wat ontbreekt, dus bijv. die snelle aandacht, door wat beeldend is, te versterken, geven we het kind iets wat het misschien juist in dat ene geval nodig heeft.
Wanneer je door de sociale verhoudingen gedwongen met een groter aantal leerlingen te maken krijgt, kan je met een beetje goede wil zelfs bij grote klassen toch op een bepaalde beperkte manier individualiseren – wanneer je bijv. zwakke leerlingen apart neemt en probeert te ontdekken wat eraan schort en wat door niet voor de hand liggende kleine dingen kan worden veranderd.

Das hier Charakterisierte möchte ich allerdings nicht als mustergültig hinstellen, aber das Mustergültige muß in dieser Rich­tung liegen. Das Wesentliche ist, daß man durch ein solches Studium des kindlichen Lebens es dahin bringt, zu begreifen, wie scheinbar ganz einheitliche Tätigkeiten in der menschlichen Natur sich aus einer Zwei­heit heraus ergeben, und das muß man beachten.
Ich habe vorgestern hier entwickelt, wie der Schreibunterricht aus­gehen soll von dem Zeichenunterricht, vielleicht sogar von einem ein­fachen Malunterricht, der aber dann dienen wird für manches andere noch, das ich erwähnen werde. Ich habe in der Waldorfschule über­haupt den Versuch gemacht, und es scheint mir, daß schon gewisse Be­weise für das Gelingen nach kurzer Zeit vorhanden sind, bei den klein­sten Kindern gerade überall von einer Art Künstlerischem auszugehen. Unsere Kinder in der Waldorfschule, die kleinsten, werden eigentlich schulmäßig kaum zwei Stunden des Tages in Anspruch genommen. Eine für die heutigen Verhältnisse große Zeit wird verwendet, damit gleich die Kleinsten fremdsprachlichen Unterricht erlernen. Und es ist

Wat ik hier karakteriseer wil ik zeker niet als hét voorbeeld geven, maar het modelvoorbeeld moet in die richting liggen. Het wezenlijke is dat je door zo’n studie van het kinderleven zover komt, dat je begrijpt hoe schijnbaar geheel bij elkaar horende activiteiten in de menselijke natuur uit een tweeheid blijken te bestaan en dat moet je bekijken.
Eergisteren heb ik uitgewerkt hoe het schrijfonderwijs uit moet gaan van het tekenonderwijs, misschien zelfs vanuit een eenvoudige schilderles, die dan ook nog kan dienen voor veel andere dingen die ik nog zal noemen. Ik heb op de vrijeschool ook een poging gedaan en mij lijkt het, dat er na een korte tijd al bewijzen voor zijn dat het slaagt, om bij de kleinste kinderen juist overal te beginnen met een bepaalde vorm van kunstzinnigheid.
Van onze kinderen op de vrijeschool, de kleinsten, wordt eigenlijk wat het schoolse betreft, nauwelijks twee uur per dag de aandacht gevraagd. Een naar verhouding grote tijd wordt nu gebruikt om de kleinsten ook van af het begin andere talen te leren. En er gaat

blz. 93

 – ich weiß, wie viele Vorurteile dagegen sind – von einer ungeheuer tiefgehenden Wirkung in bezug auf das Lebendig- und Aufmerksam­Werden der Kinder, in bezug auf das Wachwerden der Seelen, wenn man versucht, ohne irgendwelche grammatische Pedanterie, bloß in einer Art sachlichen Konversierens, fremdsprachlichen Unterricht ge­rade an kleine Kinder heranzubringen. Französischen und englischen Unterricht bekommen unsere Kinder sofort, wenn sie in die Schule hereinkommen. Darauf wird eine größere Zeit verwendet als es sonst üblich ist. Das Weitere, und zwar der Nachmittagsunterricht, besteht fast nur darinnen, daß wir Musikalisches treiben. Dem eigentlichen Schulunterricht fügen wir aber schon das ein, was ich die zeichnerische Grundlage für das Schreiben nenne. Also die Kleinsten werden vor allen Dingen in der Weise zum Zeichnen angeleitet, wie ich es nachher charakterisieren werde. Den Nachmittag, mit Ausnahme von ein paar Religionsstunden, welche die Pastoren, die Geistlichen erteilen, wo man sich richten muß nach der Zeit, verwenden wir fast ausschließlich dazu, körperliche Übungen zu machen und Gesanglich-Musikalisches zu treiben. Da sieht man gerade, wenn man bei den Kleinsten gleich so anfängt, daß man wirklich den ganzen Menschen erfassen kann mit dieser Art der künstlerischen Grundlegung des ganzen Unterrichtes

– ik weet hoeveel vooroordelen daarover bestaan – een buitengewoon diepe werking vanuit wat betreft het opleven en aandacht krijgen van de kinderen, wat betreft het wakker worden van de ziel, wanneer je probeert, zonder een of andere pedante grammatica, enkel met een soort zakelijk communiceren, andere talen juist aan kleine kinderen aan te leren. Frans en Engels krijgen onze kinderen meteen wanneer ze op school komen. Daaraan wordt meer tijd besteed dan op andere plaatsen gebruikelijk is. Het andere en met name het onderwijs in de middag, bestaat bijna alleen maar uit iets muzikaals. In het eigenlijke onderwijs hebben we al wel, wat ik de basis voor het schrijven noem, het tekenen, ingevoerd. Dus de kleinsten worden vooral op de manier tot tekenen aangespoord, zoals ik die later zal karakteriseren. De middag, met uitzondering van een paar godsdiensturen die de pastoor, de geestelijken geven, rekening houdend met de tijd, gebruiken we dan bijna helemaal om oefeningen met het lichaam te doen en te zingen en muziek te geven. Dan zie je juist, wanneer je daarmee met de kleinsten begint, dat je de hele mens kan aanspreken met deze vorm van een kunstzinnige ondergrond bij het hele onderwijs.

Durch das Musikalische werden vor allen Dingen die Kinder ver­innerlicht. Nun haben wir die körperlichen Übungen so eingeteilt, daß wir teilen zwischen dem bloßen physiologischen Turnen und demjeni­gen, was wir die Eurythmie nennen. Dasjenige, was wir die Eurythmie nennen – Eurythmie kommt auch vom künstlerischen Standpunkte aus in Betracht, aber das werde ich ein anderes Mal auseinandersetzen, könnte ich vom pädagogisch-didaktischen Standpunkte nennen ein beseeltes Turnen. Das wird hinzugefügt zu dem bloßen physiologischen Turnen. Sehen Sie, das bloße physiologische Turnen – womit ich das Turnen meine, wie es heute getrieben wird -, das geht doch mehr oder weniger, wenn man es auch leugnet, von einem Studium der mensch­lichen Körperlichkeit aus. Gewiß, ich weiß, daß dagegen sich manches einwenden läßt. Aber im ganzen denkt man doch nur auch bei dem, was man Durchseelung des Turnunterrichts nennen könnte – die heu­tige Naturwissenschaft gibt ja auch keinen Anlaß mehr zu denken -, doch nur eigentlich an das Physiologische oder höchstens an das Psycho­logische. Die Eurythmie unterscheidet sich von dem dadurch, daß jede Bewegung, die das Kind macht, beseelt ist, daß jede Bewegung nicht

Door het muzikale worden de kinderen vooral verinnerlijkt. Nu hebben wij de lichamelijke oefeningen zo ingedeeld, dat we een verdeling maken tussen de puur fysieke gymnastiek en wat we euritmie noemen  – euritmie kan ook vanuit een kunstzinnig standpunt beschouwd worden – dat zou ik vanuit een pedagogisch-didactisch standpunt een bezielde gymnastiek willen noemen. Dat wordt toegevoegd aan de puur fysieke gymnastiek. Ziet u, de puur fysiologische gymnastiek, waarmee ik de gymnastiek bedoel zoals die tegenwoordig gedaan wordt – die gaat toch min of meer uit, ook al wordt dat ontkend – van een bestuderen van het menselijk lichaam. Ik weet wel dat hiertegen nog veel ingebracht kan worden. Maar over het algemeen denkt men toch alleen maar bij wat je een bezieling van het gymnastiekonderwijs zou kunnen noemen, – de huidige natuurwetenschap geeft geen aanleiding om aan meer te denken – aan het fysieke, hoogstens aan iets psychologisch. Het verschil met euritmie is dat hierbij iedere beweging niet

blz. 94

nur eine körperliche Bewegung ist, sondern daß jede Bewegung ebenso der Ausdruck eines Seelischen ist, wie der Sprachlaut der Ausdruck eines Seelischen ist.
Da hat sich allerdings herausgestellt, daß wirklich durch die ganzen 280 Kinder hindurch, die wir in der Waldorfschule in acht Klassen haben, daß drei diesen Unterricht nicht mitmachen wollten. Sie wollten ihn nicht. Die anderen haben die größte Freude daran. Ging man der Sache nach, so fand man, daß diese Dreie die aktive Betätigung nicht liebten. Sie sind zu faul dazu; sie wollen lieber Bewegungen machen, die den Menschen bloß passiv in Anspruch nehmen. Sie wollen nicht hineingießen in die Bewegung dieses Durchseeltsein der Bewegung.
Eurythmie läuft zuletzt darauf hinaus, daß man, wenn man sie ver­steht, eurythmisierend, von Eurythmie ablesen kann genau ebenso ein Wort, einen Satz, wie durch die bloße Lautsprache. Es ist Eurythmie entstanden dadurch, daß – wenn ich den Goetheschen Ausdruck ge­brauchen darf – durch sinnlich-übersinnliches Schauen die Bewegungs-tendenzen des Kehlkopfes, des Gaumens, der Lippen studiert sind, und daß nach dem Goetheschen Metamorphosenprinzip die Bewegung eines Organs übertragen ist auf den ganzen Menschen. Bei Goethe herrschte die Anschauung, daß die ganze Pflanze nur ein kompliziertes Blatt sei. Wir sagen: Alles das, was der Mensch an Bewegungen nach seinem Willen vollziehen kann, ist ein Nachbilden dessen, was nicht die wirklichen Bewegungen, aber die Bewegungstendenzen sind in den Sprachorganen, so daß immer der ganze Mensch zu einem lebendig bewegten Kehlkopfe wird.

alleen een lichamelijke beweging is, maar dat iedere beweging ook een uitdrukking is van een gevoel, zoals een spraakklank een uitdrukking is van een gevoel.
Nu bleek ook dat er onder de 280 kinderen in acht klassen, die we op de vrijeschool hebben, er drie waren die niet aan deze lessen wilden meedoen. Ze wilden die les niet. De anderen beleefden er het grootste plezier aan. Toen dit bekeken werd, bleek dat deze drie niet hielden van actief bezig zijn. Ze zijn er te traag voor; ze willen liever bewegingen maken die de mens alleen passief aanspreken. Zij willen in de bewegingen geen bezieling leggen.
Het gaat met euritmie uiteindelijk zo dat je, wanneer je het begrijpt, euritmiserend, door euritmie net zo precies een woord, een zin kan lezen, als door alleen maar de spraakklanken. Euritmie is ontstaan door – wanneer ik de uitdrukking van Goethe mag gebruiken – het zintuiglijk-bovenzintuiglijk waarnemen van de bewegingsimpulsen van het strottenhoofd, het verhemelte, de lippen te bestuderen en dat dan volgens het metamorfoseprincipe van Goethe de beweging van een orgaan overgaat op de hele mens. Goethe was van mening dat heel de plant alleen maar één gecompliceerd blad is. Wij zeggen:

Das ist etwas, was ungeheuer selbstverständlich auf die kindliche Natur wirkt; denn man muß nur bedenken, daß das Sprechen in Lau­ten ein Lokalisieren der menschlichen Gesamttätigkeit ist. Es fließt zu­sammen in dem Sprechen die Vorstellungstätigkeit und die Willens-tätigkeit, und indem sie sich begegnen, werden sie Gefühlstätigkeit, Vorstellungstätigkeit und Willenstätigkeit. Die vorstellende Tätigkeit, die in unseren zivilisierten Sprachen zum größten Teile eine sehr ab­strakte ist, die wird nun gelassen bei der Eurythmie, und es fließt alles aus dem ganzen Menschen aus dem Willen heraus, so daß der Wille eigentlich bei der Eurythmie in Anspruch genommen wird. Eurythmie ist das Gegenteil vom Träumen. Träumen bringt den Menschen in das Erleben der Vorstellungswelt. Er liegt ruhig da, und die Bewegungen, die er sich vorstellt, die sind nicht in Wirklichkeit da. Er mag große

alles wat de mens aan bewegingen wil en kan maken, is het nadoen van wat niet de echte bewegingen zijn, maar bewegingsimpulsen zijn in de spraakorganen, zodat steeds de hele mens een levend bewegend strottenhoofd wordt.
Zoiets werkt ongelooflijk als vanzelf op de natuur van het kind; want je hoeft maar te bedenken dat het spreken in klanken een activiteit is van de hele mens die gelokaliseerd is. In het spreken komen samen voorstellen en willen en wanneer die elkaar ontmoeten worden ze een gevoelsactiviteit, een voorstellings – en wilsactiviteit. Het zich voorstellen dat in onze gecultiveerde talen voor het grootste deel zeer abstract is geworden, wordt bij euritmie minder en alles stroomt uit de totale mens vanuit zijn wil, zodat bij de euritmie eigenlijk de wil aangesproken wordt. Euritmie is het tegendeel van dromen. Dromen brengt de mens tot het beleven van de wereld van de voorstellingen. Hij ligt rustig stil en de bewegingen die hij zich voorstelt, zijn er in werkelijkheid niet. In zijn dromen

blz. 95

Landpartien unternehmen im Traume – er bewegt sich in der Wirk­lichkeit nicht. Das ist alles in seiner Vorstellung vorhanden. Bei der Eurythmie ist das Umgekehrte da. Beim Traum ist der Mensch halb eingeschlafen, bei der Eurythmie stärker aufgewacht, als er im ge­wöhnlichen Leben aufgewacht ist. Er führt dasjenige aus, was gerade im Traume unterschlagen wird; er unterdrückt dasjenige, was im Traume die Hauptsache ist; er führt für alles, was Vorstellen ist, zu­gleich eine Bewegung aus. Diese Aktivität, sie paßt allerdings manchen Kindern nicht. Also, ich bin fest überzeugt davon, und ich muß sagen, die kurze Zeit, in der wir in dieser Weise die sonst für das Turnen vor­geschriebene Zeit zwischen Turnen und Eurythmie teilen, sie hat mich doch schon überzeugt davon – natürlich dem Grade nach, die Sache muß erst weiter ausgeprüft werden -, daß das bloße physiologische Turnen gewiß diejenigen Dinge teilweise erreicht, die man anstrebt, aber es trägt dieses physiologische Turnen nichts bei zu der Stärkung der von der Seele ausgehenden Willensinitiative, höchstens indirekt, dadurch, daß man lernt, gewisse körperliche Ungeschicklichkeiten leichter zu überwinden. Aber in positiver Weise trägt das bloße physiologische Turnen nichts zur Willensinitiative bei. Und ich kann nicht anders, als dieser Frage auch eine große soziale Bedeutung beilegen.

mag hij dan wel uitstapjes op het platteland maken – in werkelijkheid beweegt hij zich niet. Het zit allemaal in de voorstelling. Bij euritmie is het omgekeerde het geval. In de droom is de mens half ingeslapen, bij euritmie sterker wakker dan dat hij in het dagelijks leven is. Hij doet dan, wat bij het dromen achterwege blijft; hij onderdrukt wat bij de droom de hoofdzaak is; hij voert voor alles wat voorstelling is, tegelijkertijd een beweging uit. Deze activiteit vinden sommige kinderen beslist niet fijn. Maar, daar ben ik vast van overtuigd en ik moet zeggen, de korte tijd waarin we op deze manier de tijd die anders voor de gymnastiek verplicht is, tussen gymnastiek en euritmie verdelen, heeft me toch de overtuiging gebracht – natuurlijk in verhouding, de zaak moet eerst nog verder geëxperimenteerd worden  – dat de uitsluitend fysieke gymnastiek zeker wel de dingen die nagestreefd worden voor een deel bereikt, maar deze fysieke gymnastiek draagt niets bij aan de versterking van de vanuit de ziel uitgaande wilsinitiatieven, hoogstens indirect bij het leren om bepaalde lichamelijke onvermogens makkelijker te overwinnen. Maar in positieve zin draagt de puur fysieke gymnastiek niets bij aan wilsinitiatieven. En ik kan niet anders dan aan dit vraagstuk ook een grote sociale betekenis te hechten.

Sehen Sie, ich frage mich heute: Woher kommt es denn, daß wir, trotzdem wir durch die Not der letzten Jahre gegangen sind, heute vor einer Menschheit stehen, welche so wenig Verständnis hat für die um sich greifende Willenslähmung? Diejenigen, die hier in der Schweiz leben und niemals sich zum Beispiel Gegenden anschauen, wie man sie heute in Deutschland finden kann, die haben doch kein rechtes Ver­ständnis für eine solche Erscheinung. Sie werden dieses Verständnis in fünf bis sechs Jahren oder vielleicht etwas später erwerben; denn das­jenige, was sich in einzelnen Gegenden Europas ergibt, wenn nicht Re­medur geschaffen wird, wird sich über ganz Europa verbreiten – man hat in Gegenden, die noch wenig davon betroffen sind, keine Vorstel­lung davon, wie gelähmt gerade der seelische Wille zum Beispiel der mitteleuropäischen Bevölkerung ist. Das ist etwas Furchtbares. Wenn man sich Mühe gegeben hat, durch Wochen und Monate die Leute auf das oder jenes hinzuweisen und man dann mit dem einen oder anderen spricht hinterher, sagt er: Das mag ja alles recht sein, aber es ist schon alles ganz gleich! Das ist eine Rede, die ich oft und oft gehört habe im Verlaufe eines Jahres. Und ich kann nicht anders – ich habe mir viel

Kijk, ik vraag mij tegenwoordig af: hoe komt het toch dat wij, ondanks dat we de ellende van de laatste jaren hebben meegemaakt, tegenwoordig naar een mensheid kijken die zo weinig begrip heeft voor de om zich heen grijpende wilsverlamming. Wie hier in Zwitserland woont en nooit gebieden ziet zoals je die tegenwoordig in Duitsland kan vinden, heeft toch geen echt begrip voor zo’n verschijnsel. Die zal dit begrip wel over vijf of zes jaar of misschien nog wat later krijgen; want wat zich afspeelt in enkele gebieden van Europa, zal zich ook, wanneer er geen remedie tegen wordt ontwikkeld, over heel Europa verspreiden – men heeft er in gebieden die er nog weinig door getroffen zijn, geen voorstelling van hoe verlamd de wil al is van bijv. de bevolking van Midden-Europa. Dat is iets vreselijks. Wanneer je je de moeite hebt getroost, weken, maanden lang de mensen op het een en ander te wijzen en als je dan later met deze of gene spreekt, zegt die: ‘Dat kan allemaal wel zijn, maar het is allemaal een pot nat!’ Dat is een reden die ik in de loop van het jaar telkens en telkens weer heb gehoord. En ik kan niet anders – ik heb er veel

blz. 96

Mühe gegeben, auf die Gründe für solche Dinge zu kommen – als auch das als eine Folge der großen Lobhudelei – wenn ich mich des Aus­druckes bedienen darf, ich bitte aber, daß Sie mir ihn nicht übelneh­men – des bloßen physiologischen Turnens anzusehen. Das stärkt nicht die Initiative des Willens! Die Initiative des Willens wird gestärkt, wenn man Bewegungen ausführt als Kind, wo jede einzelne Bewegung eine seelische zu gleicher Zeit ist, wo Seele sich hineingießt in jede ein­zelne Bewegung.
Wenn man in dieser Weise versucht, künstlerisch und – wenn ich mich des Ausdrucks bedienen darf – künstlerisch-menschlich an die Dinge heranzukommen, da sieht man, was gerade die jüngsten Kinder von einer solchen künstlerischen Führung des Unterrichts in Wirklich­keit haben. Durch dasjenige, was sie als beseeltes Turnen durchmachen
– das kann man ganz deutlich sehen -, wächst ihr Interesse für die Außenwelt. Es ergibt sich als eine ganz notwendige Folge, daß das Interesse für die Außenwelt wächst. – Herman Grimm, der Kunst­historiker, hat mir in verschiedenen Gesprächen seine Verzweiflung darüber ausgesprochen, daß die Gymnasiasten, die an die Universität kommen und denen er Kunstgeschichte vortragen sollte, bei der Vor­führung eines Bildes von Raffael nicht unterscheiden konnten, welche Gestalten hinten und welche vorne stehen, daß sie gar nicht den ge­ringsten Begriff haben von irgend etwas, was im Hintergrunde, im Vordergrunde ist.

moeite voor gedaan om de oorzaken van deze dingen te vinden – als ook dat als een gevolg te zien van het grote ophemelen – wanneer ik dit zo zeggen mag en ik vraag u mij dat niet kwalijk te nemen – van de puur fysieke gymnastiek. Die versterkt de wilsinitiatieven niet! De wilsinitiatieven worden sterker wanneer je de bewegingen die je als kind uitvoert, waarbij iedere aparte beweging tegelijkertijd iets van de ziel is, waarbij de ziel in iedere beweging naar buiten komt.
Wanneer je op deze manier probeert, kunstzinnig en – wanneer ik het zo zeggen mag – kunstzinnig-menselijk de dingen te benaderen, zie je wat met name de jongste kinderen aan zo’n kunstzinnig uitvoeren van het onderwijs daadwerkelijk hebben. Door wat zij beleven aan de bezielde gymnastiek – dat kun je heel duidelijk zien – neemt hun belangstelling voor de buitenwereld toe. Het onvermijdelijke gevolg is, dat de belangstelling voor de buitenwereld toeneemt.

Herman Grimm sagte mir oft: Ich bin ganz ver­zweifelt, wenn ich diese Schüler bekomme und ihnen dann Kunst­geschichte vortragen soll. – Bei solchen Kindern, die nun in den ersten Jahren schon lernen, mit bewußtem Seelenleben ihre eigenen Bewegun­gen zu durchdringen, würde dies, wie ich glaube, ganz und gar nicht möglich sein. Sie bekommen ein solches Interesse für die Beobachtung der Außenwelt, daß das ganz erstaunlich ist. Zu dieser Kultur des Willens hat man in der entsprechenden Weise hinzuzufügen die Kultur der Innerlichkeit, die entsteht, wenn man richtiges Musikalisches und Gesangliches an die Kinder heranbringt. Und beides muß im Einklang gehalten werden. Wir haben, um diesen Einklang zu erreichen, eben den Versuch gemacht, daß der Gesangs-, der Eurythmie- und der Turnunterricht durch dieselbe Lehrkraft erteilt werden. Wenn man dieses versucht, so findet man, daß durch das Eurythmisch-Turnerische das Verhältnis zur Außenwelt in bezug namentlich auf das, was vom Willen ausgeht, gestärkt wird, mit Initiative durchdrungen wird, und

Hermann Grimm*, de kunsthistoricus, uitte tegen mij in verschillende gesprekken, zijn twijfel over de gymnasiasten die naar de universiteit komen en voor wie hij lezingen over kunstgeschiedenis wilde geven en die bij het vertonen van een schilderij van Rafael niet konden onderscheiden welke figuren vooraan en welke achteraan staan; dat ze niet het minste begrip hebben voor iets wat op de achtergrond staat of op de voorgrond treedt. Hermann Grimm zei me dikwijls: ‘Ik ben vaak vertwijfeld, wanneer ik deze studenten krijg en hun dan kunstgeschiedenis moet doceren.’- Bij zulke kinderen, die in de eerste jaren al leren met bewust gevoel hun eigen bewegingen te doordringen, zou dit, geloof ik, helemaal niet mogelijk zijn. Zij krijgen zo’n interesse voor het waarnemen van de buitenwereld, dat dat heel verbazingwekkend is. Aan deze wilscultuur moet je op een adequate manier de cultuur van het innerlijk toevoegen, die ontstaat, wanneer je op een goede manier muziekles geeft en met de kinderen zingt. En dat moet elkaar in evenwichthouden. We hebben, om dit evenwicht te bereiken, ook een poging gedaan, dat het zingen, de euritmie en de gymnastiek door dezelfde leerkracht worden gegeven. Wanneer je dit probeert, vind je dat door de euritmisch-gymnastische activiteit de verhouding tot de buitenwereld wat de wil betreft, sterker wordt, inititatiefkracht krijgt en

*Herman Grimm, 1828-1901, kunst- und literatuurhistoricus, essayist.

blz. 97

daß vom Musikalischen in jeder Form ausgeht die gemüthafte Ver­innerlichung. Das ist etwas, was außerordentlich bedeutsam ist. Dann aber, wenn man in dieser Weise versucht, das werdende Kind zu stu­dieren, dann wird man eben aufmerksam, wie namentlich beim wer­denden Kinde Dinge, die einheitlich zu sein scheinen, aus zwei Quellen des menschlichen Erlebens hervorgehen.
Ich habe wirklich durch Jahrzehnte hindurch vor allen Dingen meine Aufmerksamkeit zugewendet dem primitiven Zeichnen der Kinder. Dem Zeichnen der Kinder kommt man nicht bei, wenn man versucht, die primitiven Formen, zu denen das Kind es bringt, bloß zu verfol­gen, sondern um richtig zu verstehen, was eigentlich vorgeht in dem Kinde, indem es zeichnet, ist notwendig, daß man beobachtet Kinder, die aus irgendwelchen Umständen heraus schon mit dem 6., 7. Jahre Neigung haben zu zeichnen, dann wiederum, daß man beobachtet solche Kinder, welche durch irgendwelche Umstände nicht dazu kom­men, vor dem 9., 10. Jahre zu zeichnen. Es ist ja nicht gut, daß es solche Kinder gibt, aber in unserem Leben hat es wirklich solche Kinder genügend zu beobachten gegeben.

dat van het muzikale in elke vorm uitgaat het verinnerlijken van het gevoel. Dat is iets heel belangrijks. Want, wanneer je op deze manier probeert het wordende kind te bestuderen, leer je zien hoe met name bij het wordende kind de dingen die ogenschijnlijk een eenheid lijken, uit twee bronnen van de menselijke beleving stammen.
Ik heb daadwerkelijk tientallen jaren lang me vooral beziggehouden met het eerste tekenen van kinderen. Van het tekenen van kinderen begrijp je niets, wanneer je probeert de elementaire vormen die het kind maakt, alleen maar na te gaan, maar om precies te begrijpen wat er eigenlijk plaatsvindt in het kind wanneer het tekent, is het noodzakelijk om kinderen waar te nemen die om wat voor redenen dan ook, al met 6e, 7e jaar de neiging hebben te gaan tekenen, en dan die kinderen die er door welke omstandigheid dan ook niet ertoe gekomen zijn vóór het 9e, 10e jaar te gaan tekenen. Het is niet goed dat er zulke kinderen zijn, maar in ons leven waren er werkelijk genoeg van die kinderen om te kunnen waarnemen.

Es ist ein großer Unterschied in den Zeichnungen, die diejenigen hervorbringen, die etwa mit zehn Jahren zeichnen und noch niemals früher gezeichnet haben, gegenüber den Zeichnungen, die im 6., 7. oder im 8. Jahre hervorgebracht werden. Der Unterschied ist der, daß Kinder, welche im frühen kindlichen Alter irgendwie veranlaßt werden zu zeichnen – das wissen Sie ja alle, ich brauche das nur zu wiederholen -, in einer sehr primitiven Weise zeichnen. Sie zeichnen so, daß sie, sagen wir, einen Kopf zeichnen (es wird gezeichnet), Kopf, zwei Augen, einen Mund – sie zeichnen ja oftmals die Zähne – und dann gleich die Beine. Oder aber sie zeich­nen: Kopf, sie zeichnen dann auch den Rumpf, machen da zwei Striche (für die Arme), und manchmal werden sie sich bewußt, daß dies noch etwas wie eine Hand hat oder dergleichen.
Nun, solche Zeichnungen können Sie ja verfolgen. Es ist ja auch da in den pädagogischen Handbüchern außerordentlich reiches Material gesammelt. Nun handelt es sich aber darum, daß man solche Zeichnun­gen aus dem ganzen Wesen des Menschen heraus verstehen lernt. Das ist heute außerordentlich schwierig, weil wir im Grunde genommen nicht umfassende Kunstanschauungen haben, weil wir den ganzen Prozeß des künstlerischen Hervorbringens des Menschen nicht in der richtigen Weise erfassen. Unsere Kunstanschauung ist beeinflußt von

Er zit veel verschil in die tekeningen die iemand maakt die ongeveer gaat tekenen als hij tien zis en daarvoor nog nooit getekend heeft en de tekeningen die op 6-, 7- of 8-jarige leeftijd gemaakt zijn. Het verschil is dat de kinderen die op jonge leeftijd een of andere aanleiding vonden om te gaan tekenen – dat weet u allemaal, dat hoef ik niet te herhalen – op een heel elementaire manier tekenen. Ze tekenen zo, dat wanneer ze, laten we zeggen een hoofd tekenen: hoofd, twee ogen, een mond – ze tekenen ook dikwijls de tanden – en dan meteen de benen. Of ze tekenen: hoofd, dan tekenen ze de romp, zetten twee strepen voor de armen en vaak worden ze zich bewust dat deze nog een hand of zoiets hebben.
Nu, zulke tekeningen kun je bestuderen. In pedagogische handboeken vind je buitengewoon rijk materiaal verzameld. Nu gaat het er echter om, dat je dergelijke tekeningen uit het hele wezen van de mens leert begrijpen. Dat is tegenwoordig buitengewoon moeilijk, omdat we als regel geen omvattende kunstbeschouwing hebben omdat we het hele proces van wat de mens kunstzinnig voortbrengt niet op de juiste manier kunnen vatten. Onze kunstbeschouwing wordt beïnvloed door

blz. 98

dem künstlerischen Schaffen, wie es sich herausgebildet hat in der neueren Zeit. Und eigentlich wird ja erst in den allerletzten Jahren in oftmals recht unzulänglicher Weise Front gemacht gegen dasjenige, was sich da herausgebildet hat – in oftmals recht unzulänglicher Weise, das sage ich ausdrücklich. Denn im Grunde genommen hängt unser ganzes künstlerisches Hervorbringen in irgendeiner Weise am Modell, das heißt, an der äußeren Anschauung.
Ich habe wahrhaftig in meinem Leben viel Zeit zugebracht in Ate­liers und habe gesehen, wie alles beim heutigen Künstler, namentlich beim Bildhauer, beim Maler, vom Modell abhängig ist. Das führt dann dazu, daß man zum Beispiel glaubt, daß auch die Griechen vom Modell in ihrem künstlerischen Schaffen abhängig waren, und doch ist dieses nicht der Fall. Es ist nicht der Fall. Wer richtig versteht so etwas wie, sei es meinetwillen die Laokoon-Gruppe, sei es irgendeine einzelne Figur – wir haben ja solche natürlich aus der späteren griechischen Kunstzeit -, aber wer sich wirklich hineinversenkt in diese Dinge, der wird doch nach und nach dazu kommen, einzusehen die Unabhängig­keit gerade des griechischen Künstlers vom Modell. Gewiß, der grie­chische Künstler konnte gut anschauen, und er konnte gut behalten das Bild. Aber das allein genügt eben nicht.

door het kunstzinnig scheppen zoals zich dat ontwikkeld heeft in de modernere tijd. En eigenlijk wordt pas de allerlaatste jaren, vaak op een ontoereikende manier, een barrière opgeworpen tegen wat er tot stand is gekomen – op een dikwijls ontoereikende manier, dat benadruk ik. Want in wezen is heel ons kunstzinnig produceren op de een of andere manier afhankelijk van het model, d.w.z. van de uiterlijke waarneming.
Ik heb in mijn leven echt wel wat tijd doorgebracht in ateliers en ik heb gezien hoe alles bij de tegenwoordige kunstenaar, met name bij de beeldhouwer, de schilder afhangt van het model. Dat leidt ertoe dat men bijv. gelooft, dat ook de Grieken bij hun kunstzinnig scheppen van een model afhankelijk waren en toch is dat niet het geval. Dat is niet het geval. Wie zoiets, als voor mijn part de Laokoongroep goed begrijpt, of een of ander apart staand figuur – die hebben we natuurlijk uit de latere Griekse kunsttijd – maar wie zich werkelijk in deze dingen verdiept, komt er uiteindelijk toe, juist de onafhankelijkheid van een model bij deze Griekse kunstenaars te zien. Zeker, de Griekse kunstenaar kon goed waarnemen en hij kon het beeld goed vasthouden. Maar dat alleen was niet genoeg.

Der griechische Künstler schuf namentlich als Plastiker so, daß er von dem Fühlen des Gliedes, von dem eigenen Fühlen und Empfinden des Gliedes und seiner Bewegung im künstlerischen Schaffen ausging, daß er zum Beispiel einen gebeug­ten Arm mit einer geballten Faust innerlich empfand, und dieses inner­liche Empfinden, also nicht dasjenige, was er bloß mit dem Auge an­schaute an dem äußeren Modell, gab er wieder, sondern dieses inner­liche Empfinden, dieses Fühlen der menschlichen Gestalt, das prägte er dem Stoffe ein. Es ist tatsächlich dieses innerliche Erfühlen des Men­schen seit der Griechenzeit der europäischen Zivilisation verlorenge­gangen. Und man muß erst studieren den Übergang vom Erfühlen des Menschen, von seiner organischen Selbsterkenntnis, die beim Griechen da war, die schließlich in jedem griechischen Gedicht steckt, die in jedem griechischen Drama steckt, wenn man sie nur finden will – man muß den Unterschied zwischen diesem Erfühlen, dieser organischen Selbsterkenntnis des Menschen, besser gesagt Selbstanschauung des Menschen oder Selbsterfühlung des Menschen, und dem, was entsteht durch anschauungslose Nachahmung des Angeschauten, durch das Bauen auf das Modell erkennen können. Und gewiß, es floß beim griechischen

De Griekse kunstenaar schiep namelijk als beeldhouwer zo, dat hij door het voelen van een arm of been, door het zelf voelen en ervaren van een arm of been en de beweging ervan in zijn kunstzinnig werk uitging; dat hij bijv. een gebogen arm met een gebalde vuist innerlijk ervoer en deze innerlijke ervaring, dus niet wat hij alleen met het oog aan het uiterlijke model waarnam, verbeeldde hij, maar deze innerlijke gewaarwording, het voelen van de menselijke gestalte, dat drukte hij in de materie uit. En feitelijk is dit innerlijke meevoelen van de mens sinds de Griekse tijd in de Europese beschaving verloren gegaan. En je moet eerst de overgang van het gevoel voor de mens, voor het zichzelf kennen dat hij van nature* had, dat  de Grieken hadden, dat tenslotte in ieder Grieks gedicht zit, in ieder Grieks drama, wanneer je er maar naar op zoek gaat – je moet het onderscheid tussen dit invoelen, deze zelfkennis van nature, beter nog de zelfwaarneming van de mens of de zelfbeleving van de mens en tussen wat er ontstaat door nabootsen van een waarnemingsobject zonder het echt waar te nemen, door het leunen op het model, kunnen inzien. En ja, bij de Griekse

*Het Duits heeft hier Organ-Erfühlen. Letterlijk zou dit dus vertaald kunnen worden met het ‘(in)voelen van een orgaan. Wat Steiner hier zegt over het beleven van een arm of been, kan dit ‘Organ’ zijn. Ook ‘organischer Selbsterkenntnis’ kan betekenen ‘de organen van of in jezelf kennen’, maar wel ‘gewoon’, ‘vanzelf’. Dat heb ik met ‘van nature vertaald’. Dat geldt ook voor wat er nog volgt.

blz. 99

Künstler dasjenige, was er wollte, zusammen. Man hat es ja leicht, nicht wahr, indem man sagt: durch die olympischen Spiele und dergleichen konnte der Grieche die Formen übersehen. Gewiß, das trug auch dazu bei; aber das Wesentliche des künstlerischen Schaffens war dieses innerliche Erfühlen, das Organ-Erfühlen. Und so war er schaf­fend ganz stark unabhängig von dem Modell, das höchstens für ihn eine Art Vorwurf war, an den er sich äußerlich hielt. Das Wesent­liche war bei ihm dieses innerliche Erfühlen, diese organische Selbst­erkenntnis.
Und ich muß sagen: sehe ich mir jetzt noch so primitive und schema­tische Zeichnungen eines Kindes an, so finde ich in jeder einen Zu­sammenfluß der kindlichen Anschauung und des kindlichen primitiven Sicherfühlens in den Organen. Man kann, ich möchte sagen, in jeder einzelnen Linie dieser kindlichen Zeichnungen auseinanderhalten: da versucht das Kind etwas aufzusetzen, was aus dem Auge stammt; da versucht es etwas hineinzusetzen, was aber bloß aus dem innerlichen Erfühlen stammt. Nehmen Sie sich eine ganze Anzahl von kindlichen Zeichnungen, versuchen Sie zu sehen, wie das Kind Arme und Beine zeichnet, dann werden Sie sehen, das stammt aus dem innerlichen Er­fühlen; nehmen Sie an, wenn das Kind Profil zeichnet, das stammt aus dem Anschauen. Aus zwei Quellen des seelischen Lebens fließt das zu­sammen.

kwam alles wat hij wilde, samen. Het is wel makkelijk, niet waar, om te zeggen: door de Olympische spelen kon de Griek de vormen overzien. Zeker, dat droeg er ook aan bij; maar het wezenlijke van het kunstzinnig scheppen was dit innerlijk ervaren, het ervaren van de natuurlijke vormen. (Organ-Erfühlen) En op deze manier was hij scheppend heel sterk onafhankelijk van het model, dat voor hem hoogstens een soort onderwerp was, waaraan hij zich uiterlijk hield. Het wezenlijke was bij hem dit innerlijk meevoelen, deze zelfkennis van nature. (organische Selbsterkenntnis)
En ik moet zeggen: al kijk ik naar nog zulke elementaire en schematische tekeningen van een kind,  zie ik in elk een samenstromen van de kinderlijke waarneming en hoe het kind op elementaire manier zijn organen voelt. Je kan – zou ik willen zeggen – in iedere losse lijn van deze kindertekeningen onderscheiden: daar probeert het kind iets neer te zetten, wat hij door het oog ziet; daar probeert het iets neer te zetten, wat puur uit zijn innerlijke beleving stamt. Neem een groot aantal kindertekeningen, probeer te zien hoe het kind armen en benen tekent, dan zal u zien, dat het uit het innerlijk gevoel komt; neem eens aan dat het kind een profiel tekent, dat komt door waar te nemen. Uit twee bronnen van de ziel stroomt dat samen.

Und die Sache wird interessant, wenn man dann Zeichnungen von Kindern nimmt, die bis zu einem gewissen Lebensalter nicht ge­zeichnet haben, die zeichnen mehr oder weniger eigentlich Intellekt. Die kleinen Kinder zeichnen nicht Intellekt, die zeichnen Erleben, pri­mitive Anschauungen verquickt mit dem primitiven Organ-Erfühlen. Ich glaube, man kann immer unterscheiden, wenn das Kind den Mund hinzeichnet, so ist der Umriß des Mundes angeschaut, wenn es die Zähne macht, da ist das aus dem innerlichen Organ-Erfühlen in irgend­einer Weise genommen. Wenn Sie aber. ein Kind, das erst anfängt im 9. oder 10. Jahre zu zeichnen, verfolgen in seinem Zeichnen, so werden Sie sehen, das macht eigentlich manchmal viel schönere expressionistische Sachen als die Expressionisten; das zeichnet, das malt hin unter Um­ständen sogar, besonders gern mit dem Buntstift, malt hin dasjenige, was es sich einbildet, was es sich ausgedacht hat. Es ist manchmal ganz merkwürdig, wie Kinder irgend etwas, wovon man zunächst gar nicht weiß, was sie wollen, hinzeichnen und dann sagen: Das ist der Teufel, oder: Das ist ein Engel. Es sieht gar nicht irgendwie wie ein Engelwesen

En het wordt interessant, wanneer je dan de tekeningen neemt van kinderen die tot een bepaalde leeftijd niet hebben getekend; die tekenen min of meer eigenlijk het intellect. De kleine kinderen tekenen geen intellect, die tekenen beleving, elementair waarnemen gevitaliseerd door een elementair orgaanbeleven.
Ik geloof dat je altijd kan onderscheiden, wanneer een kind een mond tekent, dan heeft het naar de omtrek gekeken, wanneer het de tanden tekent dan komt dat op een of andere manier uit een innerlijk orgaanbeleven. Wanneer je echter een kind volgt dat pas is gaan tekenen op z’n 9e of 10e jaar, dan zul je zien dat hij eigenlijk vele malen mooiere expressionistische dingen maakt, zoals de expressionisten; hij tekent, hij schildert onder bepaalde omstandigheden graag met kleur, schildert wat hij zich inbeeldt, wat hij bedenkt. Het is soms heel merkwaardig hoe kinderen iets waarvan je totaal niet weet wat ze ermee willen, tekenen en dan zeggen: ‘Dat is de duivel’, of ‘dat is een engel.’ Het ziet helemaal nergens hoe een engel

blz. 100

aus, aber das Kind sagt: Das ist ein Engel. Es malt seinen In­tellekt, es malt das, was es sich eingebildet hat.
Es ist ebenso, wenn in den Jahren, in denen es darauf ankommt, zwischen dem 6., 7. und 9. Jahre, nicht gepflegt wird das innerliche Organempfinden, dann überwuchert sogleich der Intellekt. Und dieser Intellekt, der ist im Grunde genommen der Feind des intellektuellen menschlichen Lebens und auch des sozialen Lebens, wobei ich durchaus nicht für die Verdummung der Menschheit sprechen will. Aber es kommt darauf an, daß wir eben den Intellekt in seiner parasitären Natur erkennen, daß wir ihn erkennen so, daß wir ihn für vollkommen nur ansehen, wenn er aus dem ganzen Menschen sich ergibt und nicht einseitig auftritt. Aber man wird nur etwas erreichen nach dieser Rich­tung, wenn man den künstlerischen Zeichen- und Musikunterricht -ich will über all diese Dinge noch einiges später sprechen – unterstützt zu gleicher Zeit durch andere Zweige des Unterrichts, vor allen Dingen durch den Sprach- und auch durch den Rechenunterricht.
Sprachunterricht – sehen Sie, erst muß man den ganzen Sinn des Sprachunterrichtes kennenlernen. Ich muß sagen, eigentlich ging mir der Sinn des Sprachunterrichts auf, als ich Gelegenheit hatte zu ver­folgen, was sich ergibt, wenn dialektsprechende Kinder mit anderen Kindern, die nicht Dialekt sprechen, in der Schule zusammensitzen.

er uitziet, maar het kind zegt: ‘Dat is een engel.’ Het tekent zijn intellect, het tekent wat het zich voorstelt. Het is nu eenmaal zo, wanneer in de jaren waar het erop aankomt, tussen het 6e, 7e en 9e jaar, geen mogelijkheid wordt geboden tot het innerlijk ervaren van de organen, het intellect dan overwoekert. In dit intellect is uit de aard der zaak de vijand van het intellectuele menselijke leven en ook van het sociale leven, waarbij ik beslist niet wil spreken over het afstompen van de mensheid. Maar het gaat erom dat we het intellect met zijn parasitaire natuur leren kennen; dat we het zo kennen dat we het alleen voor vol aanzien, wanneer het uit de hele mens tevoorschijn komt en niet eenzijdig zich voordoet. Maar in deze richting zal je alleen maar wat bereiken, wanneer je het kunstzinnige teken- en muziekonderwijs – later zal ik nog meer zeggen over deze dingen – ondersteunt door andere aspecten van het onderwijs, vooral door taal- en ook door het rekenonderwijs.
Taalonderwijs – kijk eens, eerst moet je de hele zin van het taalonderwijs leren kennen. Ik moet zeggen dat mij de zin van het taalonderwijs eigenlijk duidelijk werd toen ik de gelegenheid had te volgen, wat er gebeurt, wanneer kinderen die een dialect spreken met andere kinderen die dat niet doen, samen op school zitten.

Gerade die Beobachtung der dialektsprechenden Kinder und die Füh­rung der dialektsprechenden Kinder ist ja außerordentlich wichtig und auch interessant. Der Dialekt, jeder Dialekt hat nämlich eine gewisse Eigentümlichkeit. Er geht noch aus dem hervor, was ich innerliches Er­fühlen des Menschen nennen möchte, genau ebenso, wie es ein inner­liches Organ-Erfühlen gibt, das nur unter unserem heutigen Intellek­tualismus sehr zurückgegangen ist, so ein innerliches Erleben, das doch den ganzen Menschen im Grunde genommen in die Sprache hinein-drängt. Aber bei unserer abstrakt gewordenen sogenannten gebildeten Umgangssprache – Schriftsprache nennt man es manchmal -,da ist kein rechter Zusammenhang mehr zwischen dem innerlichen Erleben und zwischen dem, was sich im Laut oder in der Lautfolge äußert. Gewisse feine Unterschiede, die da bestehen in dem Verhältnis des anschauen­den Menschen zu seiner Umgebung, die kommen in dem Dialekt wun­derschön zum Ausdrucke. Von denen verspürt man in der gebildeten Umgangssprache nichts mehr. Wenn ich zum Beispiel als Knabe gehört habe: Himmlitzer – ich wußte gleich, das ist irgend etwas, was dem

Juist de waarneming van de kinderen die dialect spreken en de begeleiding van deze kinderen is buitengewoon belangrijk en ook interessant. Het dialect, ieder dialect heeft namelijk een zekere eigenheid. Het stamt uit wat ik innerlijk gevoel van de mens zou willen noemen, net zo, als het van nature innerlijk orgaanbeleven, dat onder invloed van ons huidig intellectualisme zeer teruggedrongen is; zo’n innerlijk beleven dat toch de hele mens wat dat betreft dieper met die taal verbindt. Maar bij onze abstract geworden zogenaamde gevormde omgangstaal – men noemt het dikwijls schrijftaal – is er geen echte samenhang meer tussen het innerlijk beleven en tussen wat in de klank of in de opeenvolging van klanken tot uitdrukking komt. Bepaalde fijnzinnige nuances die er bestaan tussen de waarnemende mens en zijn omgeving, komen in het dialect prachtig tot uitdrukking. Daarvan vind je in de gevormde omgangstaal niets meer terug. Toen ik als jongen bijv hoorde: Himmlitzer [voor dit woord heb ik niet naar een vertaling gezocht] – wist ik gelijk dat is iets wat hetzelfde moet zijn als

blz. 101

Laute ähnlich sein mußte. Himmlitzer – versuchen Sie nun einmal zu fühlen das Wort Himmlitzer. Es ist in gewissen Dialekten der Blitz oder auch das Wetterleuchten; es liegt in dem Laute das durchaus drin­nen, in der Lautfolge. Die Sprache zeichnet da. Sie zeichnet auf inner­lich musikalische Art. Dieses enge Zusammenhängen des innerlichen Gefühlserlebnisses mit der Sprache ist eigentlich im Dialekte unendlich viel stärker als in unserer gebildeten Umgangssprache.
Dann kommt aber noch etwas in Betracht. Es ist doch eine eigen­tümliche Erscheinung, daß, wenn wir vergleichend die Sprache studieren, wir darauf kommen, daß die eigene Logik der Sprache gerade bei pri­mitiven Sprachen größer ist als bei gebildeten Umgangssprachen. Man würde das Gegenteil erwarten. Es ist – allerdings nicht bei den Neger-sprachen, aber das sind wirklich primitive Sprachen – ich werde dar­auf auch noch mit einem Worte zurückkommen -, es ist bei gewissen primitiven Sprachen eine merkwürdige innere Logik in der Sprache, die dann gar viel abstrakter, einfacher wird, wenn die Sprache mehr zivilisiert wird. Und so ist auch im Dialekt tatsächlich mehr innere Logik als in der gebildeten Umgangssprache, und man kann sehr, sehr viel erreichen; wenn man, sagen wir, in der Dorfschule ganz aus dem Dialekt heraus zu arbeiten hat, dann muß man natürlich mit dem Dialekt beginnen, dann muß man mit den Kindern den Dialekt reden,

de klank. Himmlitzer – probeert u het woord Himmlitzer eens te voelen. Het is in bepaalde dialecten de bliksem of ook het onweer; dat ligt absoluut in de klank, in de klankvolgorde. De taal tekent daar. Ze tekent op een innerlijk muzikale manier. Deze nauwe samenhang van de innerlijke gevoelsbelevenis met de taal is in het dialect eigenlijk veel sterker dan in onze gevormde omgangstaal.
Dan is er echter nog wat. Het is toch een eigenaardig verschijnsel, wanneer we vergelijkend de taal bestuderen, dat we erop komen dat de eigen logica van de taal bij oorspronkelijke talen groter is dan bij de gevormde omgangstaal. Je zou het tegendeel verwachten. Het zit – in elk geval niet bij de negertalen, maar dat zijn echt elementaire talen – ik zal daar met een paar woorden nog op terugkomen – bij bepaalde elementaire talen een opvallende innerlijke logica in de taal, die dan veel abstracter, eenvoudiger wordt, wanneer de taal geciviliseerder wordt. ʢ1 En zo zit er in het dialect daadwerkelijk meer innerlijke logica dan in de gevormde omgangstaal en je kan zeer, zeer veel bereiken, wanneer je – laten we zeggen – in de dorpsschool helemaal vanuit het dialect zou moeten werken, dan moet je natuurlijk met het dialect beginnen, dan moet je met de kinderen dialect praten,

dann muß man versuchen, dasjenige zum Bewußtsein zu bringen, was unbewußt schon in der Sprache darinnen ist, und das ist eigentlich die Grammatik. Die Grammatik sollte im Grunde genommen ganz leben­dig gelehrt werden, so lebendig gelehrt werden, daß man die Voraus­setzung macht, sie ist ja schon da, wenn das Kind spricht. Es ist ja schon alles da, wenn das Kind spricht. Man läßt das Kind Sätze aussprechen, die ihm ganz liegen, deren inneren Zusammenhang und innere Plastik das Kind fühlt. Und dann beginnt man damit, das Kind aufmerksam zu machen, wie das bewußt werden kann, was es unbewußt vollzieht. Das braucht man durchaus nicht zu einer pedantischen Analyse zu machen, aber man kann die ganze Grammatik dadurch entwickeln, daß man einfach das Leben der Grammatik, das schon da ist, wenn das Kind sprechen gelernt hat, daß man dieses Leben zur Bewußtheit heraufholt.
Ja, man kann diese Voraussetzung machen, daß eigentlich die ganze Grammatik schon im menschlichen Organismus drinnen steckt. Macht man ernst mit dieser Voraussetzung, dann kommt man dazu, sich zu sagen: Indem du zur rechten Zeit in lebendiger Art herausholst die bewußte

dan moet je proberen tot bewustzijn te brengen wat onbewust al in de taal aanwezig is en dat is eigenlijk de grammatica. Grammatica moet als regel heel levendig aangeleerd worden, zo levendig aangeleerd dat je van te voren weet, die is er al, wanneer het kind spreekt. Alles is er al, als een kind spreekt. Je laat het kind zinnen uitspreken die hem goed liggen, waarvan het kind de innerlijke samenhang en de innerlijke plastiek voelt. En dan begin je ermee het kind erop te wijzen, hoe bewust kan worden, wat het onbewust doet. Daar hoef je zeer zeker geen pedante analyse van te maken, maar je kan de hele grammatica ontwikkelen door eenvoudig het actieve van de grammatica dat er al is, wanneer het kind heeft leren spreken, dit actieve bewust te maken.
Ja, je kan dit zeker aannemen dat eigenlijk de hele grammatica al in het menselijk organisme zit. Wanneer je deze veronderstelling serieus neemt, kom je ertoe te zeggen: ‘Wanneer je op de juiste tijd op een levendige manier de

blz. 102

Grammatik aus dem unbewußten Üben der Grammatik, arbei­test du einfach an der Herstellung des Ich-Bewußtseins des Kindes. Und mit dieser Erkenntnis im Leibe, möchte ich sagen, muß man gegen das 9. Jahr hin, wo das Ich-Bewußtsein normalerweise richtig erwacht, alles hinorientieren, ins Bewußte heraufheben dasjenige, was unbewußt un­ten steckt im kindlichen Organismus. Dann erreicht das Kind diesen Rubikon der Entwickelung mit dem 9. Jahre in einer normalen, in einer günstigen Weise, dann hebt man in der richtigen Weise herauf das Unbewußte zum Bewußten. Dann arbeitet man mit den Kräften im Kinde, die sich entwickeln wollen, nicht mit Kräften, die man von außen in das Kind erst hineinbringt. Und diese Art, Sprachunterricht zu treiben an dem, was das Kind schon aussprechen kann, und die Un­terstützung dieses Sprachunterrichts durch einen lebendigen Verkehr, den man entwickelt zwischen den die gebildete Umgangssprache spre­chenden Kindern und den dialektsprechenden Kindern, indem man das eine an dem andern sich abmessen läßt gefühlsmäßig, nicht in ab­strakter Art, gefühlsmäßig das eine Wort, den einen Satz, den Dialekt-satz in den anderen hinüberleitet, ein solcher Sprachunterricht läßt einen, wenn man ihn während 1 1/2 Stunden erteilt hat, gehörig schwit­zen.

bewuste grammatica uit het onbewuste oefenen van de grammatica haalt, werk je eenvoudigweg aan het tot stand komen van het ik-bewustzijn van het kind. En met deze kennis gewapend, zou ik willen zeggen, moet je zo tegen het einde van het 9e jaar waar het ik-bewustzijn normaal gesproken echt wakker wordt, alles richten op het bewust maken van wat onbewust in het kinderlijk organisme verborgen zit. Dan bereikt dit kind de Rubicon van de ontwikkeling met zijn 9e jaar op een normale manier, op een gunstige manier, dan haal je op de juiste manier het onbewuste naar het bewuste. Dan werk je met de krachten in het kind die zich willen ontwikkelen, niet met de krachten die je eerst vanbuiten af in het kind legt. En deze manier van taal geven met wat het kind al verwoorden kan en de ondersteuning van dit taalonderwijs door een levendige omgang die je ontwikkelt tussen de kinderen die het ABN spreken en de kinderen die dialect spreken, dat het ene kind gevoelsmatig, niet op een abstracte manier, met het andere kan vergelijken, gevoelsmatig, dat ene woord, die ene zin, de dialectzin omgezet in de andere, zo’n taalonderwijs laat iemand, wanneer die daar 1½ uur mee bezig is, behoorlijk transpireren.

Auch die Lehrer, die in dieser lebendigen Weise in der Waldorf­schule zu unterrichten haben, haben genug, wenn sie morgens 1 1/2 bis 1 3/4 Stunden in dieser Weise unterrichtet haben. Wenn man in dieser Weise den Sprachunterricht treibt mit der Erkenntnis im Leibe, daß man eigentlich die Bewußtheit, das Selbstbewußtsein dadurch erzeugt, dann arbeitet man mit dem Künstlerischen, das man in dem Zeichnen und musikalischen Unterricht gelegt hat, zusammen, dann sind das zwei sich gegenseitig unterstützende Prozesse.
Dies möchte ich zunächst einmal über das Zusammenarbeiten des Sprachunterrichts mit dem künstlerischen Zeichnen und musikalischen Unterricht sagen.
Es hat mich eigentümlich berührt, als ich in den Handbüchern der neueren pädagogischen Literatur gefunden habe, wie da behauptet wird, daß der Zeichenunterricht durch den Sprachunterricht beein­trächtigt wird, weil der Sprachunterricht den Menschen – überhaupt das Sprechen – zur Abstraktion treibt. Man verlernt das Sehen, man verlernt das Verfolgen desjenigen, was in der Außenwelt an Formen und an Farben vorhanden ist – so wird behauptet. Das ist dann nicht der Fall, wenn man den Sprachunterricht nicht in abstrakter Weise,

Ook de leerkrachten die op een levendige manier op de vrijeschool les moeten geven, krijgen genoeg, wanneer ze ’s morgens 1½ tot 1¾ uur op deze manier les hebben gegeven. Wanneer je op deze manier taalles geeft, gewapend met de kennis dat je eigenlijk daarmee het bewuste, het zelfbewustzijn ontwikkelt, werk je met het kunstzinnige dat je in het tekenen en in de muziekles gebruikt hebt, samen; dan zijn dat twee elkaar ondersteunende processen.
Dit wilde ik eerst eens over het samenwerken van het taalonderwijs met het kunstzinnig tekenen en het muziekonderwijs zeggen.
Op een merkwaardige manier deed het me wel wat toen ik in de handboeken van de recentere pedagogische literatuur vond, hoe er beweerd wordt, dat het tekenonderwijs door het taalonderwijs beïnvloed wordt, omdat het taalonderwijs de mens – vooral het spreken – abstract zou maken. Men zou het kijken verleren, ook het volgen van wat er in de buitenwereld aan vormen en kleuren aanwezig is – dat wordt beweerd. Dat is niet het geval, wanneer je het taalonderwijs niet op abstracte manier

sondern so treibt, daß man ihn auch aus dem innerlichen Erleben her­ausholt. Dann unterstützen sich beide, und dann wird dasjenige, was Heranerziehen des Selbstbewußtseins ist bis gegen das 9. Lebensjahr hin, Stück für Stück sichtbar werden daran, daß es übergeht in ein Durch­dringen der äußeren Anschauung mit einem künstlerischen Gefühl auch für die äußere Form.
Und da lasse ich auch noch in der Waldorfschule die folgende Unter­stützung gewähren, weil eben ganz aus dem Künstlerischen heraus ge­arbeitet werden soll. Es dürfen bei uns die Lehrer nicht zufrieden sein, wenn die Kinder einen Kreis zeichnen können, ein Quadrat zeichnen können, ein Dreieck zeichnen können, sondern es müssen unsere Kinder den Kreis, das Dreieck, das Quadrat fühlen lernen. Sie müssen den Kreis so zeichnen, daß sie das Runde in der Empfindung haben. Sie müssen das Dreieck so zeichnen lernen, daß sie die drei Ecken in der Empfindung haben, daß sie schon, indem sie die erste Ecke andeuten, die Empfindung haben: da werden drei Ecken. Ebenso zeichnen sie das Quadrat so, daß sie empfinden das Eckigwerden, das das Gefühl, die ganze Linienführung vom Anfange an durchdringt. Ein Kind bei uns muß lernen, was ein Bogen ist, was eine Horizontale ist, was eine Ver­tikale, Gerade ist, aber nicht bloß für das Anschauen, sondern für das innerliche Verfolgen mit dem Arm, mit der Hand.

blz. 103

geeft, maar zo, dat je dit uit het innerlijke beleven haalt. Dan ondersteunen ze elkaar en dan zal wat ontwikkeling van het zelfbewustzijn is, zo tegen het 9e jaar, beetje voor beetje zichtbaar worden, wat je ziet aan hoe dat overgaat in een doordringen van wat uiterlijk zichtbaar is met een kunstzinnig gevoel, juist ook voor de uiterlijke vorm.
En dan geef ik in de vrijeschool ook nog de volgende ondersteuning, omdat er geheel uit het kunstzinnige gewerkt moet worden. De leraren mogen bij ons niet tevreden zijn, wanneer de kinderen een cirkel kunnen tekenen, maar onze kinderen moeten de cirkel, de driehoek, het vierkant leren voelen. Ze moeten de cirkel zo tekenen, dat ze het ronde in hun gevoel krijgen. Ze moeten de driehoek zo tekenen, dat ze de drie hoeken in hun gevoel krijgen, dat ze alleen al als ze de eerste hoek aangeven het gevoel hebben: daar komen drie hoeken. Net zo tekenen ze het vierkant, zodanig dat ze het hoekige ervaren, dat het gevoel, het zetten van de lijnen meteen doordringt. Bij ons moet een kind leren wat een boog is, wat een horizontale lijn is, een verticale, een rechte lijn, maar niet alleen door er naar te kijken, maar door het innerlijk te vervolgen met de arm, met de hand.

Das soll gemacht werden auch als Grundlage für den Schreibunterricht. Es soll bei uns kein Kind ein P schreiben lernen, ohne daß es erst ein Erlebnis hat über eine Vertikale und über einen Bogen; nicht bloß, daß das Kind eine abstrakte Anschauung nach außenhin laufend, von der Vertikalen und von dem Bogen hat, sondern eine gefühlsmäßige Anschauungs­weise soll es haben, ein gefühlsmäßiges Erleben der Dinge.
Indem man nach und nach alles bloß Intellektuelle aus dem Künst­lerischen, aus dem ganzen Menschen herausarbeitet, wird man auch ganze Menschen heranziehen, Menschen mit wirklicher Initiative, die wiederum Lebenskraft im Leibe haben, nicht Menschen, die, wie bei un­serer Bevölkerung sich jetzt herausstellt, nachdem sie ja die große Prüfung durchgemacht hat, mit 30 Jahren eigentlich nicht wissen, wo sie stehen. Es ist in dieser Beziehung zum Verzweifeln. Wenn man be­rufsmäßig – wenn ich mich des paradoxen Ausdrucks bedienen darf -Menschen kennenzulernen hat, dann kann man folgendes Erlebnis haben: Man hat zum Beispiel zu prüfen 26-, 30jährige Menschen, ob sie wohl zu dieser oder jener Anstellung kommen. Ja, da wird man nicht

Dat moet ook gedaan worden als basis voor het schrijven. Bij ons moet geen kind een P leren schrijven, zonder dat het een beleving heeft van een verticaal en van een boog; niet alleen maar dat het kind een abstract waarnemen van de verticaal en de boog heeft dat aan de buitenkant verloopt, maar dat een gevoelsmatige manier van waarnemen moet hebben, een gevoelsmatige manier van het beleven der dingen.
Wanneer je stap voor stap alles wat alleen maar intellectueel is uit het kunstzinnige, uit de hele mens ontwikkelt, zul je ook de complete mens opvoeden, mensen met echte initiatieven die weer vitaliteit in hun lijf hebben, geen mensen die zoals bij onze bevolking nu blijkt, nadat ze de grote examen gedaan hebben, met 30 jaar eigenlijk niet weten, waar ze staan. In dit verband is het om radeloos van te worden. Wanneer je beroepshalve – als ik mij zo paradoxaal mag uitdrukken – mensen moet leren kennen, kun je het volgende ervaren: Je moet onderzoeken of bijv. 26-, 30-jarigen geschikt zijn voor deze of gene aanstelling. Ja, daar kom je

blz. 104

mit ihnen fertig heute – das ist eine sehr ausgebreitete Tatsache -, wenn man an sie herantritt mit der Zumutung, sie sollen Initiative ent­wickeln, insbesondere diejenigen Menschen, die in die praktischen Be­rufe hineinsegeln. Es wird einem gesagt: Ja, jetzt verlangen Sie dies und jenes von mir, aber ich will erst nach Indien, oder ich will erst nach Westamerika gehen, um dort die Usancen meines Berufes kennenzu-lernen. Das heißt, der Mensch will sich zunächst hineinsetzen ganz passiv. Er will nicht aus seiner Initiative heraus etwas haben, sondern er will sich in die Gelegenheit bringen, daß die Welt aus ihm etwas macht. Ich weiß, indem ich dieses ausspreche, sage ich für viele Men­schen etwas Schreckliches. Aber ich deute zu gleicher Zeit damit etwas an, was einem von dem fertigen Menschen aus durchschauen läßt alles das, was die Erziehung und der Unterricht aus diesen Menschen in den letzten Jahrzehnten nicht gemacht haben, nämlich Menschen, die, wenn es nötig ist, im gehörigen Lebensalter wirklich Initiative, bis in die Seele hinein Initiative entwickeln können. Es ist ja natürlich leicht, zu sagen, man soll die Initiative heranerziehen. Es handelt sich darum, wie man das macht, daß man den Unterrichtsstoff, daß man das Er­ziehungsleben so gestaltet, daß sie nicht gegen die Willensinitiative, sondern im Sinne der Willensinitiative wirken. Das ist es, worauf es ankommt.

met hen tegenwoordig niet uit – het is een zeer uitgebreid iets – wanneer je ze benadert met de aansporing om initiatieven te ontwikkelen, in het bijzonder de mensen die in de praktische beroepen willen. Dan zeggen ze: ‘Ja, nu verlangt u dit of dat van mij, maar ik wil eerst naar India, of ik wil eerst naar West-Amerika om daar te leren kennen wat in mijn beroep gebruikelijk is. Dat betekent dat de mens zich eerst heel passief wil opstellen. Hij wil niet iets door zijn eigen initiatief, maar hij wil de gelegenheid hebben dat de wereld iets uit hem haalt. Ik weet dat wanneer ik dit zeg, dit voor veel mensen iets vreselijks is. Maar ik geef daarmee tegelijkertijd iets aan, wat zich aan de mens die klaar is, laat aflezen van wat de opvoeding en het onderwijs de voorbije tientallen jaren niet van deze mens hebben gemaakt, namelijk een mens die, wanneer het nodig is, op de passende leeftijd echte initiatieven, tot in zijn ziel, initiatieven ontplooien kan. Het is natuurlijk makkelijk om te zeggen dat je tot initiatieven moet opvoeden. Het gaat erom hoe je dat doet, dat je de lesstof, dat je de opvoeding zo vormgeeft dat ze wilsinitiatieven niet belemmeren, maar adequaat bevorderen. Daar komt het op aan

[1] GA 301: Die Erneuerung der pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft

[2] 6e voordracht (Duits)

.

Rudolf Steiner over schrijfonderwijs

Rudolf Steiner over pedagogie

Rudolf Steiner: alle artikelen

.

1308-1221

.

VRIJESCHOOL – Schoolrijpheid (3)

.

Wanneer is een kind schoolrijp?

Als hij allerlei werkjes kan maken? Testen uitgedacht door volwassenen? Of als hij interesse krijgt voor het leren schrijven en lezen?

Het woord zegt het al: schoolrijpheid – rijpheid is groeien.

De krachten die deze rijping voltrekken kunnen we vormkrachten noemen.

Je kunt het zien aan het kind. De eerste opbouw van het lichaam is voltooid. Het lichaam strekt zich.
– zij gaan anders lopen
– het buikje gaat eraf
– de bewegingen worden soepeler
– uitdrukkingsmogelijkheden groter
– het spel verandert.

Het laatste teken van dat groeiproces is dan de tandenwisseling.

Het lichaam is wakker geworden. Dus als het kind naar de 1e klas kan, is zijn werk aan de opbouw van het lichaam klaar.
Het lichaam moet alleen nog verder groeien. Het kind heeft de beschikking gekregen over alle vermogens van het lichaam.
Met dat wakker worden komen er ook denkkrachten vrij.
Dit proces is echt een rijpingsproces. Te vergelijken met een zaadje.
Dat zaadje moet de tijd hebben om te groeien en je kunt niet verwachten dat de bloem er al komt voordat er bladeren aan zijn gekomen. Wel kun je het op een goed plekje zetten, water geven, voldoende zonlicht. Meer kun je niet doen.

Dus al groeiend verkent het kind de wereld.
– een baby, die nog geen idee van afstand heeft probeert de maan te pakken;
– een peuter die nog zonder fantasiekrachten speelt en het gras nog echt opeet;
– de 4-jarige waar je zo duidelijk de fantasie ziet groeien;
– bij een 6-jarige neemt dat alweer iets af, omdat de denkkrachten naar boven komen.

En waar kijk je dan naar in de kleuterklas?

Je ziet het bij alle bezigheden zo de dag door. Direct bij binnenkomst:

Jongsten: vaak nog erg stevig/rond aan de hand van hun vader/moeder; geven samen een handje.
– jas en tas worden opgehangen voor het kind
– zelf staan ze wat te kijken, te dromen
– samen wordt er naar een plaatsje gezocht
– moeilijk om afscheid te nemen
– ouders-kind nog zo’n eenheid.

Oudsten:
– komen vaak zelfstandig binnen, ouders nog in de gang of buiten
– doen zelf hun jasje uit en hangen hun tasje aan de kapstok
– geven uit zichzelf een handje of juist niet
– zoeken zelf een plekje naast een vriendje, houden een plaats vast.

De echte schoolrijpe kinderen willen hun werkje ook laten staan om er de volgende dag aan verder te gaan. Ze overbruggen een nacht en zo breekt op een gezonde wijze het schoolrijp zijn door.
Het prestatiegericht zijn komt op die manier vanzelf, als een appel die rijp is.
Opruimen kunnen de oudsten prima, de jongsten daarentegen gaan zo ongemerkt weer spelen. Ze overzien het nog niet, moet je echt samen doen.

Tekenen geeft ook een vrij duidelijke ontwikkeling aan. De schoolrijpe kinderen kunnen dan ook duidelijk en stevig een huis tekenen met een grondlijn en een hemel. De tekeningen worden steeds gedetailleerder.

Het luisteren naar verhalen is ook anders. Oudsten kunnen langer luisteren. Verheugen zich op wat komen gaat, zeggen het soms gauw voor. Het kind leeft wakker mee. Ze kunnen intens geboeid luisteren en na weken wordt het echt een bezit van hen. Dat zie je terug in het vrije spel met de poppenkast e.d. Ook verbeteren ze vaak kleine foutjes.

De jongsten genieten meer van de sfeer, van bepaalde bewegingen die terugkomen. Ze dromen voor zich uit.

Met de vingerspelletjes, liedjes en spelletjes doen de jongsten uit volle overgave mee vanuit de nabootsingsdrang (uiterlijk of innerlijk).

De oudsten raken iets van die vanzelfsprekendheid kwijt. Zij voelen een andere kracht in zich ontwaken waaruit ze wel of niet, mee kunnen doen. Ze kunnen zelfstandig kringspelletjes leiden. Ze weten precies hoe het gaat. Ze verbeteren je of zijn verbaasd als het anders gaat. Zij vervullen graag belangrijke rollen, zoals koning e.d.

Jongsten doen ook graag mee maar moeten zich veilig voelen daarin en het spel eerst verschillende malen hebben gezien en dan nog doen ze liefst een rolletje waar er meer van zijn – kabouter, engel e.d.

In het vrije fantasiespel is het schoolrijpe kind ook duidelijk te herkennen. Met een plan treedt het op het speelgoed af en verkondigt wat het wil gaan maken of doen. Er wordt hard gewerkt en als er een zekere afronding van het planspel is, komt er weer een nieuw spel.
Het niet-schoolrijpe kind is fantasievoller, beweeglijker. Aan toeval is hun spel onderhevig, maken geen plan, het gaat om het doen.
Ze spelen graag met de groteren mee en onderwerpen zich aan hun spel, aan hun gezag, zoals baby, hondje.

Zo zie je de hele dag door hoe de kinderen zich ontwikkelen. Ook let je voor schoolrijpheid op hun bewegingen; huppelen, hinkelen, vangen en gooien, springen, klimmen, veters strikken. Is hij handig in de vingers, met borduren bijv. En kan een kind zich concentreren in zijn spel.

Natuurlijk ook hoe hij emotioneel is. Wij kijken dus naar het kind in zijn geheel en de veranderingen daarin.

En het is niet altijd makkelijk om te zien of het kind nu echt schoolrijp is of niet.
.

Geri Arentzen, kleuterjuf Steinerschool, nadere gegevens onbekend

.

Schoolrijpheid: alle artikelen

.

Peuters/kleuters: alle artikelen

.

VRIJESCHOOL in beeld: peuters/kleuters

.

1305-1218

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – kind en leerplan

.

VAN ARK, BIEZENKIST EN KRIBBE

Leerplan en kinderen van de 3e klas

Zonnige blik in de ogen, en de mond letterlijk, niet figuurlijk, vol tanden. Flink uit de kluiten gewassen, goed gevormd, een echt mensje, dat opgewekt naar zwembad en gymles gaat. Kortom, de grootste van de kleine kinderen.

Dat is de derdeklasser!

Hoewel er nog veel van het stromende, ritmisch vloeiende uit de eerste klas en veel van de luchtige bokkensprongen, het borrelende en lawaaiige uit de tweede klas gebleven is, kwam er duidelijk iets bij. Iets warms en krachtigs iets vurigs, wat vocht en lucht doordringt en wat zich wil verinnerlijken.

Er komt meer regelmaat, het kind begrijpt meer, wil meer overzicht, een groots beeld, een richting. De regenboog van het bewustzijn hangt hoopvol boven de woelige wateren. In de warmtekracht komt een glimp van het wezenlijke tevoorschijn. Het persoonlijke gaat zich aankondigen door het bekijken van de wereld. Niet van de omgeving uit, maar van zich uit. Nog is het kind geheel vanzelfsprekend met alles uit de omgeving verbonden, maar het vlies is al dun. De spreuk voor de kleintjes, die begint: “het liefdelicht der zon” zal spoedig plaats moeten maken voor het: “Ik zie rond in de wereld” van de spreuk voor de groten. Deze omkering van buitenwereld tot binnenwereld brengt mee, dat het kind de dingen meer van zich uit gaat beleven. In dit proces van verinnerlijking kan een leidende, sturende stem van binnen gaan klinken. Geweten hangt samen met weten, het geeft vertrouwen en zekerheid. De wereld is mooi en doelmatig ingericht.

Het leven is praktisch. Dat wekt de belangstelling, dat zien ze en dat beleven ze. De kinderen kunnen nog juist op tijd een totaal beeld van een zinvol geheel opnemen: ontstaan en samenhang van de zichtbare wereld. Twee jaar lang werd bij het kind regelmatig bewustzijn gewekt voor de omgeving van mens, dier en plant, van steen en aarde, van zon, maan en sterren. Maar in de derde klas verlangt het kind ook te horen – als beeld, niet begripmatig!- hoe de samenhang van alles is, hoe alles gekomen is en hoe alles behoort tot één wereld, die uit één conceptie, één schepping is ontstaan.

Het verlangt ook te horen, hoe je met dit alles als mens kunt leven. Wat doet de mens met de dingen? Hoe stelt hij zich in de wereld? Het kind wil iets mee beleven van de oeractiviteiten van het menselijk ras. Hoe voed je je?-Hoe kleed je je? Hoe woon je?

Het leerplan sluit aan op deze vragen: behandeling van granen, landbouw, boerenbedrijf, koeien met hun melk, boter, kaas. Ploegen, zaaien, oogsten, dorsen, malen, brood bakken; hoe lok je groenten en fruit te voorschijn uit de aarde, en wat dies meer zij!
Hoe krijg je goed timmerhout? Hakken, vellen, slepen, zagen, timmeren, schaven! Hoe maak je klompen, schoenen?
Hoe kleding van leer, wol, linnen, katoen? Hoe bouw je een huis?

Een wonderlijke samenhang is er in da wereld, waarin de plant de aarde, het dier de plant, de mens het dier, en de aarde de mens nodig heeft. En alles heeft behoefte aan de hemelkrachten. Bebouwen, voeden, verzorgen, eren werd in menig taal door één werkwoord aangegeven, zoals “cultura” in het Latijn. Dus zowel de landbouw als datgene wat wij cultuur noemen.

Nu, er moet natuurlijk ook alles opgeschreven en genoteerd worden, wat er nodig is. Ook wat er teveel is en wat verkocht kan worden. Rekenen met geld dus. Een beetje handel mag ook wel. Het gaat dus echt om elementaire dingen. Niet om angst te wekken over milieuvervuiling, tekort aan grondstoffen, overbevolking of om begrip te wekken voor zonder twijfel belangrijke beroepen als referendaris, surnumerair, belastingconsulent. Dat is alles “niet des kinds”. Dat komt later nog vroeg genoeg.

Al de oeractiviteiten van de mens komen voor het eerst samen in de historisch zo bekende culturen van Egypte en Babylon: landbouw, veeteelt, handel, sterrenkunde, rekenen, scheepvaart, huizen-en stedenbouw, en niet te vergeten het schrift.

Egypte en Babylon (Sumer-Akkad-Chaldea) waren tweelingculturen, waarvan de bloeitijd tussen 3000 v.Chr. en 800 v. Chr. ligt.

Diep verbonden met beide was het kleine volk van Israël, dat evenwel een geheel eigen bijdrage tot de cultuur van de mensheid leverde. De verhalen uit de bron van Israël, het Oude Testament, zijn vervuld van warmte, vuurkracht, IK-kracht. Daarom zijn zij zo geschikt voor de derdeklasser.

Vanaf de gloedwolk van de geest Gods over de wateren, de vuurregen van Sodom, de vuurzuil bij de uittocht uit Egypte, de rook- en vlammenzee van de Sinai tot en met de warmte van de harten der herders bij de kribbe van Bethlehem, overal warmte, gloed, vuur. Zelfs op de letters van het Hebreeuwse alfabet branden grote en kleine vlammen!

Aan de slavernij in Egypte komt een einde door de opdracht aan Mozes vanuit het brandende braambos, aan de Babylonische ballingschap komt een eind door het vlammenschrift aan de wand. Daartussen ligt de weg van het volk van Israël dat zichzelf in de woestijn als volk-van-God vond.

In de huidige tijd kan men vaak de mening aantreffen, dat de verhalen uit het Oude Testament uit een te eenzijdig Joodse traditie zouden zijn voortgekomen. In de eerste plaats zou dit aan de grootse beelden geen afbreuk kunnen doen! Maar het is nog onjuist ook. Men leze de Bijbel eens nauwkeurig, al gaan we hier geen theologie bedrijven. Dan blijkt het volgende.

Van Adam tot Noach heeft men met algemene mensheidsgeschiedenis te maken. Na Noach vindt men pas rassen. Door de Ark wordt het zaad voor de rassen bewaard. Na Abraham, gekomen uit de omgeving van de toren van Babel, vindt men pas volkeren. Na Mozes ontstaat het volk van Israël pas.

De biezenkist van Mozes bewaart de ziel van het volk van Israël. Na de Christus ontstaat pas de ik-bewuste, individuele mens, die tot innerlijke vrijheid kan komen. De kribbe van Bethlehem bewaart het geesteszaad van de vrije ik-mens. Nu, dit alles geeft de kinderen richting en kracht door het beeld.

Wat een goede voorbereiding voor het wankele evenwicht van de kinderziel omstreeks het tiende jaar, wanneer het kind zich wel een ik-mens voelt, maar het nog niet is! Wanneer het kind heen en weer geslingerd wordt tussen twijfel, angst, onzekerheid en overmoed, kritikasterigheid en blufferij, dan is de verbondenheid gebroken, verscheurd.

Het leerplan van de derde klas is niet alleen een verdichting, samenvatting en afsluiting van de drie leerjaren, maar ook een voorbereiding op de toekomst In beeldentaal wordt de kinderen gezegd: uit het kinderparadijs kom je, de woestijn ga je in, maar eens zul je jezelf vinden!

.

P.C.Veltman, schoolkrant vrijeschool Leiden, datum onbekend

.

3e klas: alle artikelen

.

VRIJESCHOOL in beeld:  3e klas

.

1304-1217

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 301 voordracht 5

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

GA 301: vertaling
inhoudsopgave;     voordracht:   [1]  [2]  [3]  [4]  [6]  [7]  [8]  [9]  [10]  [11]  [12]  [13]  [14]

RUDOLF STEINER:

DE VERNIEUWING VAN DE PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE KUNST DOOR GEESTESWETENSCHAP

14 voordrachten gehouden te Bazel van 20 april tot en met 11 mei 1920, met vragenbeantwoording en inleidende woorden bij twee euritmieopvoeringen [1]

5e voordracht Basel, 26 april 1920 [2]

Inhoudsopgave:
Iets over het leerplan:
vruchtbaarheid van geesteswetenschappelijke pedagogie wordt zichtbaar in de toepassing;
leerplan;
noodzaak van een compromis;
samenhang van zielenkrachten;
leren schrijven;
ontstaan spraak;
handvaardigheid;
uitgaan van het kunstzinnige;
eigen oordeel en aannemen van waarheden uit liefde en gerechtvaardigd autoriteitsgevoel;
Mach;
invloed op de kinderlijke fantasie;
grote klassen en individualiseringsvraag;
een leraar moet de kinderen door heel de basisschool heen begeleiden;
indien mogelijk weinig binding met uiterlijke normen.

blz. 75

                                               Einiges über den Lehrplan

Die bisherigen Auseinandersetzungen sind ja, wie Sie wohl gesehen haben werden, nicht nur dem Inhalte nach verschieden von demjenigen, was man sonst heute als Anthropologie oder dergleichen hat, sondern sie sind der Art der ganzen Betrachtungsweise nach verschieden. Wer nicht jenes Gefühl entwickeln will, von dem ich am Schlusse des letzten Vortrages gesprochen habe, der wird nicht gleich einsehen, wie ein solches Erkennen vom Menschen, wie ich es ja allerdings nur nach ver­schiedenen Richtungen hin hier skizzieren konnte, anders zustande kommt, als das heute Geltende. Es kommt dadurch zustande, daß man gewissermaßen den ganzen werdenden Menschen, und zwar den leib­lichen und den geistig-seelischen Menschen in lebendiger Bewegung erfaßt. Durch ein solches Erfassen des lebendigen Menschen in Be­wegung, durch ein solches Sichhineinversetzen in die menschliche Wesen­heit erzeugt man in sich eine Erkenntnis, die nicht tot, die selber leben­dig ist, und die vor allen Dingen geeignet ist, auf der einen Seite nicht haften zu bleiben am äußerlich Materiell-Physischen, und auf der an­deren Seite doch nicht in Illusionen und Phantastereien zu verfallen.

Iets over het leerplan

De uiteenzettingen tot nog toe zijn, zoals u wel gezien zal hebben, niet alleen wat de inhoud betreft verschillend van wat men tegenwoordig als antropologie e.d. heeft, maar ze zijn verschillend door de hele manier van beschouwen. Wie niet dat gevoel wil ontwikkelen waarover ik aan het eind van de vorige voordracht heb gesproken, zal niet meteen inzien dat een dergelijk kennen van de mens zoals ik dat hier vanuit verschillende standpunten kon schetsen, anders tot stand komt dan wat tegenwoordig gangbaar is. Het komt tot stand doordat men in zeker opzicht de hele wordende mens en met name de lichamelijke en de geestelijk-psychische mens in levendige beweeglijkheid ziet. Door zo’n opvatting van de levendige mens in beweging roept men in zichzelf een weten op dat niet dood is, maar zelf levendig en dat vooral in staat is enerzijds niet te blijven steken in het stoffelijk-fysieke, anderzijds niet te vervallen in illusies en fantasterijen.

Und so kommt es, daß eigentlich so recht fruchtbar werden kann, was hier angeschlagen wird, erst in der unmittelbaren Anwendung, weil es seine besondere Eigenart in der unmittelbaren Anwendung zeigt.
Ich möchte da gewissermaßen episodisch eben erwähnen, worauf ich ja schon hingewiesen habe, daß der Versuch gemacht worden ist, die Denkweise, von der hier gesprochen wird, in der Stuttgarter Waldorf­schule wirklich pädagogisch fruchtbar zu machen. Diese Stuttgarter Waldorfschule ist dadurch zustande gekommen, daß Emil Molt, der in Stuttgart eine Fabrik zu leiten hat, zunächst eine Schule, die wirk­lich rein auf geisteswissenschaftlich pädagogisch-didaktischen Prin­zipien gebaut sein soll, für die Kinder seiner Arbeiter einrichten wollte. Diese Schule ist längst über diesen Rahmen hinausgewachsen, und man

En zo komt het dat wat hier aangestipt is, eigenlijk zo mooi vruchtbaar kan worden, al bij het onmiddellijke toepassen, omdat het bijzondere karakter ervan zichtbaar wordt in de directe toepsassing.
Ik zou hier, even tussen haakjes, willen noemen, waarop ik gisteren al gewezen heb, dat we hebben geprobeerd de manier van denken waarover hier gesproken wordt, op de vrijeschool in Stuttgart pedagogisch vruchtbaar te maken. Deze vrijeschool in Stuttgart is er gekomen doordat Emil Molt* die in Stuttgart aan een fabriek leiding moet geven, voor de kinderen van zijn werknemers vooral een school wilde inrichten die werkelijk zuiver gestoeld zou zijn op geesteswetenschappelijke pedagogisch-didactische principes.

Deze school is allang meer dan dat en je
*Emil Molt, 1876-1936, Raad van bestuur. Eigenaar van de Waldorf-Astoria-sigarettenfabrik Stuttgart. In die hoedanigheid stichtte hij 1919 de Freie Waldorfschule, in de eerste plaats voor de medewerkers van de fabriek. Op zijn vraag nam Rudolf Steiner de inrichting en de leiding van de school op zich.

blz. 76

kann sagen, es ist dies der erste Versuch – allerdings wir stehen im ersten Schuljahr mit der Stuttgarter Waldorfschule, und wir haben die Kinder aller möglichen Klassen der äußeren Schule hereinbekommen; daher ist für den Anfang ein Kompromiß notwendig – auf Grundlage geisteswissenschaftlicher Erfassung des Menschen eine solche Schule ihrem Lehrziele und ihrem Lehrplane nach zu gestalten. Daraus wer­den Sie auch sehen, daß es sich bei dem, was ich eigentlich hier meine, nicht darum handelt, etwa nur pädagogisch zurechtkommen zu wollen, wenn man an den Einzelnen, an das einzelne Kind herankommt, wenn man etwa auch kleine Klassen hat, wo man sich mit dem Einzelnen, wie man meint, genügend beschäftigen kann. Was hier vertreten wird, soll eine solche Durchdringung der Lehrerindividualität möglich machen, daß man durchaus auch vor großen Klassen bestehen kann, wenn man durch die sozialen Verhältnisse vor solche gestellt wird; und zwar, weil ein Erfassen des Menschen in lebendiger Bewegung zur Ein­sicht führt, daß das Herz nicht eine Pumpe ist, die das Blut durch den Organismus pumpt, sondern wie der Mensch innerlich lebendig ist und wie auch die Säftebewegung und die Herzbewegung ein Ergebnis dieser Lebendigkeit sind. Wenn man seinem Geiste die Konfiguration gibt in dieser Weise zu denken, werden bestimmte Kräfte in der Lehrerindivi­dualität in bezug auf die Entwickelung des Kindes sehend.

kan zeggen dat dit het eerste proberen is om – zeer zeker, we bevinden ons in het eerste schooljaar met deze Stuttgarter vrijeschool en we hebben kinderen uit alle mogelijke klassen van de gangbare scholen erbij gekregen; daarom moeten we voor dit begin compromissen sluiten – op basis van een geesteswetenschappelijke opvatting over de mens een dergelijke school wat leerdoelen en leerplan betreft, vorm te geven. Daaraan kunt u ook zien dat het er bij wat ik hier eigenlijk bedoel, niet om gaat, een beetje pedagogisch uit te komen, wanneer je met het individu, met het individuele kind, ook als je maar kleine klassen hebt waarin je aan het aparte kind- zoals men zegt – voldoende aandacht kan besteden.
Wat we hier willen, moet de individualiteit van de leerkracht zo doordríngen dat het mogelijk wordt zich ook voor grote klassen waar te maken, wanneer je door de sociale verhoudingen voor zo’n klas komt te staan; en wel, omdat een opvatting over de mens in levendige beweging tot het inzicht leidt dat het hart geen pomp is dat bloed door de organen pompt, maar dat de mens innerlijk levendig is en dat ook de vloeistofbeweging en de beweging van het hart een gevolg zijn van deze levendigheid.

Und dieses Sehend-Werden kann wirklich dahin führen, daß einem, selbst an einem Kinde aus einer sehr großen Klasse, mit der man sich nur wenige Monate beschäftigt hat, Bedeutendes aufgeht. Wenn man seinen Geist in diesem Sinne trainiert und dadurch einen starken Kontakt erzeugt, kommt dieser Geist dazu, gewissermaßen hellsichtig hineinzuschauen in die Individualität des Kindes. Also auf das kommt es an. Nicht so sehr ist Wert darauf zu legen, daß wir nun wissen, das Herz ist nicht die Ursache der Blutzirkulation, sondern das Ergebnis der Blutzirkula­tion; nein, sondern darauf kommt es an, daß, wer überhaupt in sich die Möglichkeit entwickelt, umgekehrt gegenüber unserem heutigen materialistischen Denken sich die Sache vorzustellen, wer diese Mög­lichkeit in sich entwickelt, so seinen Geist zu konfigurieren, der macht sich in einer andern Weise lebendig gegenüber dem werdenden Kinde und auch gegenüber einer ganzen Summe, einer ganzen Zahl von wer­denden Kindern, und gerade dadurch auch gelangt man dazu, den Lehrplan aus der Natur des sich entwickelnden Kindes abzulesen.
Ich war ja allerdings in Stuttgart genötigt, da man ja natürlich

Wanneer je met je geest probeert in deze samenhangen te denken, ontstaan er in de individualiteit van de leraar bepaalde krachten om de ontwikkeling van een kind te zien. En dit zien dat ontstaat, kan er werkelijk toe leiden dat je zelfs bij een kind uit een zeer grote klas waarmee je nog maar een paar maanden bezig bent, iets belangrijks merkt. Wanneer je je geest in deze zin oefent en daardoor een sterk contact bewerkstelligt, komt deze geest ertoe op een bepaalde manier helderziend de individualiteit van het kind te zien. Daar komt het dus op aan. Er hoeft niet zo’n nadruk op te liggen dat wij nu weten dat het hart niet de oorzaak is van de bloedsomloop, maar het gevolg van de bloedsomloop; nee, het komt erop aan dat wie in zichzelf de mogelijkheid schept wat het huidige materialistische denken betreft, de dingen zich precies omgekeerd voor te stellen, wie die mogelijkheid in zichzelf ontwikkelt, zijn geest een andere inhoud te geven, dat die zich op een andere manier levendig maakt t.o.v. het wordende kind en ook wat betreft een grote groep, een heel aantal van wordende kinderen en juist daardoor bereik je dat je het leerplan kan aflezen aan de natuur van het zich ontwikkelende kind.
Ik was uiteraard in Stuttgart verplicht, daar je natuurlijk

blz. 77

nicht bloß aus reiner Pädagogik und Didaktik heraus so etwas wie eine Schule entwickeln kann innerhalb unserer heutigen sozialen Ver­hältnisse, in einer gewissen Weise einen Kompromiß zu schließen. Ich sagte: Sie haben die drei folgenden Etappen zu berücksichtigen: Völlige Freiheit in bezug auf die Durchführung des Lehrplanes durch das erste, zweite, dritte Schuljahr. Dann wollen wir die Kinder so weit bringen, daß sie die gleichen Lehrziele haben wie die Kinder äußerer Schulen. Dann wiederum nach dem zwölften Jahre, also der 6. Volksschulklasse, und dann wiederum, wenn sie abgehen aus der Schule. So daß bisher nur erreicht werden konnte, den Lehrplan, der nun einfach abgelesen ist dem Naturgesetze, in diesen Zwischenetappen durchzuführen, also in den drei ersten, in den zweiten drei Schuljahren und in der dritten Etappe, den zwei letzten Schuljahren. Das sind eben Dinge, die natür­lich als Kompromisse mit den heutigen sozialen Verhältnissen ge­schlossen werden müssen. Aber innerhalb dieser Zwischenräume läßt sich immerhin schon einiges erreichen. Es läßt sich zum Beispiel auf dem gesunden Prinzip bauen, daß man nicht ausgeht vom Intellek­tuellen, wovon im Grunde genommen der heutige Unterricht zumeist ausgeht, also nicht einseitig von dieser einen Eigenschaft des werdenden Menschen, dem Intellekt, sondern daß man ausgeht vom ganzen Men­schen.

niet alleen uit pure pedagogie en didactiek zoiets als een school kan ontwikkelen, binnen onze huidige sociale verhoudingen, op een bepaalde manier compromissen te sluiten. Ik zei: Je moet op drie volgende fasen letten: volledige vrijheid wat betreft de uitvoering van het leerplan in het eerste, tweede en derde schooljaar. We willen de kinderen dan zover brengen dat ze dezelfde leerresultaten hebben als de kinderen in de andere scholen. Dan weer na het twaalfde jaar, dus na de zesde klas en dan weer, wanneer ze de school verlaten. Zodat tot nog toe alleen bereikt kon worden, het leerplan dat eenvoudig afgelezen is aan de natuurwetten, in deze tussenfasen door te voeren, dus in de eerste drie jaar, in de tweede drie schooljaren en in de derde fase, de laatste twee schooljaren. Dat zijn dus de dingen die natuurlijk als compromis met de huidige sociale verhoudingen gesloten moeten worden. Maar binnen deze tussenruimte kun je altijd al wel wat bereiken. Dat kun je bijv. op het gezonde principe baseren, dat je niet uitgaat van het intellectuele, waarvan als regel het huidige onderwijs meestal uitgaat, dus niet eenzijdig van deze eigenschap van de wordende mens, het intellect, maar dat je uitgaat van de hele mens.

Sehen Sie, da handelt es sich darum, daß man erst sich einen deut­lichen Begriff von dem verschafft, was eigentlich der ganze Mensch ist. Heute haben die Leute die Meinung, daß man denken lernt, indem man den werdenden Menschen logisch anleitet zum Denken, weil man nicht beobachten kann, wie das Denken in der menschlichen Natur drinnen figuriert. Ich muß gestehen und darf es gestehen, ich habe die sechs Jahrzehnte meines bisherigen Lebens immer dazu verwendet, Menschenbeobachtung nach dieser Richtung hin zu treiben. Wer den werdenden Menschen beobachten kann, wer vergleichen kann den wer­denden Menschen mit dem, was Mensch geworden ist, der sieht gewisse Zusammenhänge, die über die Lebensepochen des Menschen verbreitet sind, die sich, wenn man nicht den Blick dafür geschult hat, der Beob­achtung eben entziehen. Ich möchte etwas anführen, auf das ich gern hinweise, weil es in einer gewissen fast sprichwörtlichen Weise hin­deutet auf gewisse Zusammenhänge in der menschlichen Natur. Be­obachtet man Kinder und sieht man, wie sie dadurch, daß die Um­gebung in der richtigen Weise sich zu ihnen verhält, in einer berechtigten

Kijk, het gaat erom dat je eerst een duidelijk begrip krijgt van deze hele mens. Nu denken de mensen dat je leert denken, als je de wordende mens een logische aanleiding voor het denken geeft, omdat men niet kan waarnemen hoe het denken in de menselijke natuur vanbinnen werkt. Ik moet bekennen en mag bekennen dat ik de zes decennia van mijn leven tot nog toe steeds gebruikt heb om in deze richting bezig te zijn met het waarnemen van mensen. Wie de wordende mens kan waarnemen, wie de wordende mens kan vergelijken met iemand die mens is geworden, ziet bepaalde samenhangen die zich uitstrekken over de leeftijdsfasen van de mens, die zich, wanneer je je blik daarvoor niet geschoold hebt, zich aan de waarneming onttrekken. Ik zou iets naar voren willen brengen waarop ik graag wijs, omdat het op een bepaalde bijna spreekwoordelijke manier verwijst naar bepaalde samenhangen in de menselijke natuur. Wanneer je kinderen waarneemt en ziet hoe ze door de omgeving die op een juiste manier met hen omgaat, op een terechte

blz. 78

Weise den Erziehern oder überhaupt denjenigen Personen, denen gegenüber das berechtigt ist, ein Ergebenheitsgefühl entwickeln kön­nen, und verfolgt dann weiter, was aus diesen Kindern im späteren Leben wird, dann findet man, daß sich dieses Ergebenheitsgefühl immer mehr und mehr so verwandelt, daß aus diesen Kindern solche Men­schen werden, die für ihre Mitmenschen einfach dadurch, daß sie da sind, daß sie zu ihnen sprechen, manchmal schon dadurch, daß sie über­haupt ihnen nur in irgendeiner Lebenslage einen Blick zuwerfen, zur Wohltat werden. Sie werden zur Wohltat aus dem Grunde, weil man dadurch, daß man verehren, oder, wenn ich sagen darf, daß man beten lernt, für spätere Zeit das Segnen lernt, daß man die segnende Kraft wirklich bekommt. Keine Hand kann segnen im späteren Alter, die nicht in der Kindheit verehren, beten, bitten gelernt hat. Es ver­wandeln sich eben metamorphosisch die Eigenschaften des Kindesalters im späteren Lebensalter in einer ganz gesetzmäßigen Weise.
Auf solche Dinge muß eben hingesehen werden. Für solche Dinge muß man sich den Blick erobern durch eine lebendige Wissenschaft, die Gefühl und Wille werden kann, nicht durch eine tote Wissenschaft, wie wir sie heute haben. So kann man sehen, wie man den ganzen Men­schen erfaßt, wenn man dasjenige zunächst vermeidet, was ja natürlich sehr nahe liegt, an das Kind Konventionelles heranzubringen im weite­sten Sinne des Wortes.

manier de opvoeder of vooral ook de personen voor wie dat terecht is, een gevoel van vertrouwen kunnen ontwikkelen en volg je dan verder wat van deze kinderen op latere leeftijd is geworden, zul je vinden dat dit gevoel van vertrouwen zich steeds meer kan omvormen, dat deze kinderen die mensen worden die voor hun medemens alleen al doordat ze er zijn, dat ze tegen hen spreken, vaak alleen al door hun in een bepaalde situatie van het leven een blik waardig te gunnen, tot zegen worden. Dat worden ze omdat je door te vereren of – wanneer ik dat zo mag zeggen – door te leren bidden, op latere leeftijd leert zegenen, dat je daadwerkelijk een kracht krijgt om te kunnen zegenen. Geen hand kan op latere leeftijd zegenen, die niet in de kindertijd heeft leren vereren, bidden. De eigenschappen van de kinderleeftijd veranderen  als metamorfose op een heel wetmatige manier.
Naar zulke dingen moet toch worden gekeken. Voor die dingen moet je je een blik verwerven door een levende wetenschap die gevoel en wil worden kan, niet door een dode wetenschap zoals we die tegenwoordig hebben. Zo kun je zien hoe je de hele mens aanspreekt wanneer je eerst vermijdt, wat natuurlijk zeer voor de hand ligt, het kind iets conventioneels te geven in de breedste zin van het woord.

Nicht wahr, wir haben die Aufgabe, die Kinder schreiben zu lehren. Ja, aber so wie die Schrift heute ist, ist sie ein vorgerücktes Kultur-produkt. Sie ist dadurch entstanden, daß sich im Laufe der Mensch­heitsentwickelung aus einer Bilderschrift unsere heutige, rein schon bis zum Konventionellen abstrakte Schrift entwickelt hat. Wenn man versucht, ältere Schriften, ich will sagen, die ägyptische Bilderschrift, sich noch in ihrem ganzen Grundcharakter vor die Seele zu führen, dann sieht man, wie ursprüngliche menschliche Veranlagung davon ausgegangen ist, die Außenwelt nachzuzeichnen.
Schreiben und Nachzeichnen der Außenwelt liegen ja auch in einer gewissen Weise der menschlichen Sprachbildung zugrunde. In bezug auf diese Sprachbildung sind viele Hypothesen aufgestellt worden. Da gibt es – und damit sage ich nicht irgend etwas Nichtsnutziges, sondern die Dinge werden technisch in vielen Schriften so genannt -, da gibt es die sogenannte «Bim-Bam-Theorie«, die davon ausgeht, daß das Spre­chen eine Nachbildung gewisser innerer Klangeigentümlichkeiten der

Niet waar, we hebben de opdracht de kinderen te leren schrijven. Maar ja, zoals het schrift nu is, is het een laat cultuurproduct. Het is ontstaan doordat zich in de loop van de mensheidsontwikkeling ons huidige schrift zich helemaal tot een conventioneel abstract schrift heeft ontwikkeld uit een beeldschrift. Wanneer je probeert oudere schriftsoorten, ik bedoel, het Egyptisch beeldenschrift zich voor te stellen, hoe het in wezen was, zie je hoe de oorspronkelijke menselijke aanleg ermee begonnen is de buitenwereld na te tekenen.
Schrijven en natekenen liggen op een bepaalde manier ook ten grondslag aan de vorming van het menselijk spreken. Wat dat betreft zijn er veel hypothesen opgesteld. Je hebt – en daarmee zeg ik niet iets wat waardeloos is, die dingen worden technisch in veel geschriften zo genoemd – daar heb je de zgn. ‘bim-bamtheorie’ die  ervan  uitgaat dat het spreken een navorming van bepaalde innerlijke klankkarakteristieken van de

blz. 79

Umgebung ist. Da gibt es die «Wau-Wau-Theorie», welche darin be­steht, daß das Sprechen beruhe auf einer Art Nachbildung desjenigen, was aus dem Innern der uns umgebenden Wesen selber an Lauten und dergleichen hervorkommt. Alle diese Theorien gehen nicht aus einer genügend umfassenden Betrachtung des Menschenwesens hervor. Eine umfassende Betrachtung des Menschenwesens, vor allen Dingen eine wirklich geschulte Beobachtung des kindlichen Sprechens selbst zeigt, wie das Gemüt des Menschen ganz anders engagiert ist beim Lernen der sogenannten Selbstlaute. Die Dinge werden ja gefühlsmäßig ge­lernt. Aber schult man sich seine Beobachtung, so sieht man, wie alles Selbstlautliche, alles Vokalische dadurch entsteht, daß das Innere des Menschen in gewisse Erlebnisse kommt, die so sind, wie einfache oder komplizierte Interjektionen, Gefühlsausbrüche, innere Erlebnisse. Im Vokalischen lebt sich das Innere des Menschen aus. Im Konsonantischen zeichnet der Mensch äußere Vorgänge nach. Er zeichnet äußere Vor­gänge nach durch seine eigenen Organe; aber er zeichnet sie nach. Es ist schon das Sprechen selber ein Nachzeichnen der äußeren Vorgänge durch das Konsonantische, und ein Tingieren, ein Durchmalen dieses Nachzeichnens mit dem Vokalischen. So ist auch das Schreiben ur­sprünglich so ein Nachmalen, ein Nachzeichnen.

omgeving is. Dan heb je nog de ‘waf-waftheorie’, die eruit bestaat dat het spreken berust op een soort nadoen van wat uit het innerlijk van de ons omringende wezens zelf aan klank enz. voortkomt. Al deze theorieën komen niet voort uit een beschouwing van het mensenwezen dat omvattend genoeg is.
Een omvattende waarneming van het mensenwezen, vooral een werkelijk geschoolde waarneming van het spreken van kinderen zelf, toont hoe het gemoed van de mens heel anders betrokken is bij het leren van de zogenaamde klinkers. Die worden gevoelsmatig geleerd. Maar wanneer je je waarneming schoolt, dan zie je hoe alles van de klinker, alles van de vocaal ontstaat omdat het innerlijk van de mens tot bepaalde belevingen komt die dan zo zijn als eenvoudige of gecompliceerde interjecties (taalkundig: tussenwerpsel). Uitbarstingen van gevoel, innerlijke belevingen. In het vocale drukt zich het innerlijke van de mens uit. In wat met de consonanten samenhangt tekent de mens uiterlijke processen na. Hij tekent uiterlijke processen na met zijn eigen organen; maar hij tekent ze na. Het spreken zelf is al een natekenen van uiterlijke processen door het consonantische en alles wat met het vocale samenhangt, kleurt deze tekening. Oorspronkelijk is ook het schrijven op deze wijze een naschilderen, natekenen.]

Bringen wir deshalb an das Kind, so wie es heute ist, das heran, was nun schon unsere konventionelle Schrift geworden ist, so wirken wir doch nur auf den Intellekt. Deshalb sollen wir ausgehen nicht vom eigentlichen Schreibenlehren, sondern ausgehen von einem gewissen künstlerischen Erfassen derjenigen Formen, die dann in der Schrift, auch in der Druckschrift, zum Ausdrucke kommen.
Sehen Sie, da kann man ja natürlich, wenn man wenig Erfindungs­geist hat, so vorgehen, daß man zum Beispiel die ägyptische Bilder-schrift oder eine andere Bilderschrift nimmt und dann versucht, aus ge­wissen Formen dieser Bilderschrift die heutigen konventionellen Buch­stabenformen herauszubekommen. Aber das hat man nicht einmal nötig. Es ist ja nicht notwendig, daß wir uns ganz halten an den reali­stischen Gang der Menschheitsentwickelung. Wenn wir selber ver­suchen, in den heutigen Buchstabenformen solche Linien zu entdecken, die uns die Möglichkeiten bieten, in dem Kinde zur Ubung zu bringen diese oder jene Hand- oder Fingerbewegung, wenn wir die Kinder diese oder jene Linien zeichnen lassen, ganz abgesehen davon, daß sie Buchstaben werden sollen, wenn wir die Kinder Rundungen, Eckiges,

Bieden we het kind het conventionele schrift aan zoals het tegenwoordig is, dan werken we op het intellect. Daarom moeten wij niet uitgaan van het eigenlijke schrijfonderwijs, maar van bepaalde kunstzinnige vormen die dan in het schrift, ook in het drukschrift, tot uitdrukking komen.
Kijk, je kan natuurlijk als je niet zo vindingrijk bent, als voorbeeld het Egyptische beeldschrift nemen of een ander beeldschrift en dan proberen uit bepaalde vormen van dit beeldschrift de tegenwoordige conventionele lettervorm te herleiden. Maar dat is helemaal niet nodig. Het is helemaal niet nodig om je te houden aan hoe het werkelijk in de ontwikkeling van de mensheid ging. Wanneer we zelf proberen in de huidige letters lijnen te ontdekken die ons de mogelijkheid geven het kind te laten oefenen met een of andere hand- of vingerbeweging, wanneer we de kinderen deze of die lijn laten tekenen, geheel afgezien ervan dat het letters moeten worden; wanneer we kinderen ronde, hoekige vormen,

blz. 80

Horizontales, Vertikales innerlich gefühlsmäßig durch den ganzen Menschen verstehen lernen lassen, dann werden wir das Kind zu einer auf die Welt hingeordneten Geschicklichkeit bringen. Und dadurch erreichen wir etwas psychologisch außerordentlich Wichtiges. Wir leh­ren zunächst noch gar nicht schreiben, aber wir richten ein gewisses künstlerisch geleitetes Zeichnen ein, das sich sogar bis zum Malen ver­steigen kann, wie wir es in der Waldorfschule machen, damit die Kin­der zugleich ein lebendiges Verhältnis auch zur Farbe und zur Farben­harmonik in der Jugend erhalten, für die sie ganz besonders empfäng­lich sind im 7. und 8. Lebensjahr. Wenn man, ganz abgesehen von dem, daß zuletzt das Schreiben daraus werden soll, das Kind diesen künst­lerisch geleiteten Zeichenunterricht genießen läßt, so merkt man, wie dadurch, daß ja das Kind genötigt ist, seine Finger, seinen ganzen Arm in einer gewissen Weise zu bewegen, nicht etwa bloß vom Denken auszugehen, sondern von der Geschicklichkeit auszugehen, daß dadurch das Ich dazukommt, den Intellekt als etwas, was wie eine Konsequenz erscheint des ganzen Menschen, in sich entwickeln zu lassen. Je weniger man den Intellekt dressiert, je mehr man darauf ausgeht, den ganzen Menschen zu behandeln so, daß aus den Gliederbewegungen, aus der Geschicklichkeit der Intellekt wird – und er wird -, desto besser ist es.

horizontalen, verticalen innerlijk gevoelsmatig door de hele mens leren te begrijpen, dan zullen we het kind tot een op de wereld betrokken vaardigheid brengen. En daarmee bereiken we iets wat psychologisch gezien uiterst belangrijk is. We leren eerst nog helemaal het schrijven niet aan, maar we maken een zeker kunstzinnig geleid tekenen mogelijk, dat zelfs in schilderen kan uitmonden, zoals we dat op de vrijeschool doen, opdat de kinderen in hun jeugd tegelijkertijd een levende verhouding krijgen tot kleur en kleurenharmonie, waarvoor ze op hun 7e, 8e jaar bijzonder open staan.
Wanneer je, geheel afgezien van het feit dat ten slotte daaruit het schrijven moet worden ontwikkeld, het kind laat genieten van dit kunstzinnig geleide tekenonderwijs, dan merk je hoe het kind niet anders kan dan zijn vingers, zijn hele arm op een bepaalde manier te bewegen, niet alleen maar van het denken uit te gaan, maar van de vaardigheid uit te gaan en dat daardoor het Ik erbij komt om het intellect als iets wat als een logisch vervolg van de hele mens verschijnt, in zich te laten ontwikkelen. Hoe minder je het intellect dresseert, hoe meer je je toelegt om met de hele mens zo om te gaan dat vanuit de bewegingen van de ledematen, uit de handigheid het intellect ontstaat – en dat doet het – des te beter is het.

Man wird wahrscheinlich zunächst etwas paradox berührt sein, wenn man bei uns in der Waldorfschule in Stuttgart in den Handfertigkeits-unterricht kommt und da sieht, wie Knaben und Mädchen durcheinan­dersitzend stricken und häkeln und alle, nicht nur «weibliche» Hand­arbeiten machen, denn da sind es auch «männliche« Handarbeiten. Und warum dieses? Der Erfolg zeigt sich ja daran, daß die Knaben, wenn sie nicht künstlich davon abgehalten werden, ganz dieselbe Freude haben an diesen Arbeiten wie die Mädchen. Aber warum dieses? Wenn man weiß, daß unser Intellekt nicht dadurch gebildet wird, daß wir direkt losgehen auf die intellektuelle Bildung, wenn man weiß, daß jemand, der ungeschickt die Finger bewegt, einen ungeschickten Intellekt hat, wenig biegsame Ideen und Gedanken hat, während derjenige, der seine Finger ordentlich zu bewegen weiß, auch biegsame Gedanken und Ideen hat, hineingehen kann in die Wesenheit der Dinge, dann wird man nicht unterschätzen, was es heißt, den äußeren Menschen mit dem Ziel zu entwickeln, daß aus der ganzen Handhabung des äußeren Menschen der Intellekt als ein Stück hervorgeht.
Insbesondere ist dann der Moment von einer ganz besonderen erzieherischen

Het zal waarschijnlijk eerst paradoxaal op u overkomen, dat wanneer men bij ons op de vrijeschool in Stuttgart in de handwerkles komt en ziet hoe daar jongens en meisjes door elkaar zitten en breien en haken en allemaal, niet alleen maar ‘vrouwelijk’ handwerk maken, want daar is dat ook ‘mannelijk’ handwerken. En waarom dat zo? Het gevolg zie je dat de jongens, wanneer ze er niet expres vanaf gehouden worden, net zoveel plezier beleven aan die activiteit als de meisjes. En waarom dat dan? Wanneer je weet dat ons intellect niet alleen maar gevormd wordt door direct met intellectuele vorming te beginnen, wanneer je weet dat iemand met onhandige vingers, niet zo’n goed intellect heeft, weinig beweeglijke ideeën en gedachten, terwijl degene die zijn vingers handig kan bewegen, in kan gaan op het wezenlijke van de dingen, dan zal je niet onderschatten wat het betekent de uiterlijke mens te ontwikkelen met het doel dat door met de uiterlijke mens dingen te doen, het intellect als gevolg zich ontplooit.
Met name is dan het ogenblik waarop je

blz. 81

Wichtigkeit, durch den man die Schriftformen heraussprin-gen läßt aus dem, was man rein künstlerisch geleitet hat, und aus den Schriftformen erst die Formen, die dem Lesen zugrunde liegen. So daß also der Unterricht in der Waldorfschule ausgeht von einem rein Künstlerischen. Er entwickelt aus dem Künstlerischen zum Beispiel -neben anderem, ich will das alles nur illustrieren – das Schreiben, aus dem Schreiben heraus erst das Lesen. Dadurch entwickelt man das Kind ganz im Sinne derjenigen Kräfte, die nach und nach aus der kindlichen Natur wirklich heraus wollen. Dadurch trägt man in Wahr­heit gar nichts Fremdes in das Kind hinein, und es ergibt sich ganz von selbst, daß man bis gegen das 9. Jahr hin es erreichen kann, daß das Kind das Zeichnen zum Schreiben und auch zum Lesen gebracht hat. Das ist von einer ganz besonderen Wichtigkeit, weil in den Fällen, wo man das gegen die Kräfte der Menschennatur, nicht mit den Kräften der Menschennatur erzieherisch entwickelt, man dem Menschen für das ganze Leben schadet. Verfährt man so, daß man genau dasjenige treibt, was die Natur des Kindes will, dann kommt man an den Menschen so heran, daß man in ihm entwickeln kann, was ihm dann für das ganze Leben fruchtbar werden wird.

de schrijfvormen tevoorschijn laat komen uit wat je puur kunstzinnig geleid hebt, van een bijzonder pedagogisch belang en uit de schrijfvormen dan de vormen die de basis vormen voor het lezen. Zodat dus het onderwijs op de vrijeschool uitgaat van een puur kunstzinnig iets. Uit dit kunstzinnige bijv. wordt – naast andere dingen, ik wil het slechts illustreren – het schrijven en daaruit pas het lezen ontwikkeld. Daardoor ontwikkel je het kind geheel in overeenstemming met die krachten die zich beetje voor beetje uit de natuur van het kind daadwerkelijk willen manifesteren. Daardoor zadel je het kind niet op met iets wezensvreemd en het gaat helemaal vanzelf dat je tegen het 9e jaar kan bereiken dat het kind het tekenen tot schrijven en ook tot lezen heeft gebracht. Dat is heel belangrijk, omdat je in die situaties waarin je tegen de krachten van de mensennatuur werkt en niet met deze krachten, de mensennatuur opvoedend ontwikkelt, de mens voor zijn hele leven tekort doet. Ga je zo te werk dat je precies doet wat de natuur van het kind verlangt, dan bereik je de mens zo, dat je in hem iets tot ontwikkeling brengt, wat voor zijn hele leven vruchtbaar kan zijn.

Wenn wir von dem Äußeren mehr in das Innere gehen, ist es wich­tig, zu sehen, wie das Kind zunächst im 6., 7., 8. Jahr gar nicht dazu veranlagt ist, sich schon als eine Ich-Wesenheit von seiner Umgebung zu unterscheiden, und man nimmt gewissermaßen der gesunden Natur des Menschen etwas weg, wenn man diesen Unterschied der Ich-Wesen­heit von der Umgebung zu früh entwickelt. Beobachten Sie nur einmal Kinder, die sich in dem Spiegel beschauen. Beobachten Sie die vor dem 9. Jahre und im 10. Jahre, also nach dem 9. Jahre, und eignen Sie sich einen Blick an für die Physiognomie-Gestaltung. Dann werden Sie sehen, daß Ihnen einfach der Blick auf die Physiognomie-Gestaltung zeigt, daß mit dem Überschreiten des 9. Lebensjahres – ungefähr, selbst­verständlich ist alles approximativ, für das eine Kind so, für das an­dere Kind so – etwas außerordentlich Wichtiges in der menschlichen Natur geschieht. Man kann dieses Wichtige so charakterisieren, daß man sagt: Bis zum Zahnwechsel hin entwickelt sich der Mensch eigent­lich als eine Art Nachahmer. Es liegt im Prinzip, daß der Mensch seine Umgebung nachahmt. Wir würden nicht sprechen lernen, wenn wir nicht Nachahmer wären in dieser Zeit. Dieses Prinzip der Nachahmung geht dann noch in die folgenden Jahre hinein, bis ins 9. Lebensjahr

Wanneer we van het uiterlijke meer op het innerlijke overgaan, is het belangrijk om te zien hoe het kind op 6-, 7-, 8-jarige leeftijd vanuit zijn wezen helemaal niet in staat is, zich al te kunnen onderscheiden als een Ik-wezen tegenover de omgeving en je haalt iets van de gezonde mensennatuur af, wanneer je dit onderscheid Ik-wezen en natuur te vroeg ontwikkelt. Kijkt u eens naar kinderen die in de spiegel naar zichzelf kijken. Kijkt u naar hen vóór het 9e en in het 10e jaar, dus na het 9e en maakt u zich eigen dat u zicht krijgt op hoe de fysionomie zich vormt. Dan zal u zien met een blik op de fysionomievorming dat met het overschrijden van het 9e levensjaar – ongeveer, natuurlijk is alles bij benadering, bij het ene kind zo, bij het andere kind zo – iets buitengewoon belangrijks gebeurt in de menselijke natuur. Je kan dit belangrijke zo karakteriseren dat je zegt: tot aan de tandenwisseling ontwikkelt de mens zich eigenlijk als een soort nabootser. Dat komt door het principe dat de mens zijn omgeving nabootst. We zouden niet leren spreken, wanneer wij geen nabootsers zouden zijn in deze tijd. Dit principe van nabootsen zet zich nog voort in de volgende jaren, tot in het 9e levensjaar

blz. 82

etwa. Aber schon während des Zahnwechsels beginnt unter dem Ein­fluß des Autoritätsgefühls das Prinzip sich zu entwickeln, dasjenige gelten zu lassen, was die verehrten Persönlichkeiten der Umgebung als richtig anerkennen. Worum es sich handelt, ist, daß man wirklich dieses Autoritätsgefühl, und zwar ein berechtigtes, das in der Zeit vom Zahn-wechsel bis zur Geschlechtsreife auftritt, dem Kinde gegenüber zu er­halten versteht; denn die menschliche Natur will das.
Alle Deklamationen unserer Zeit, man solle gewissermaßen das Kind selber schon über das urteilen lassen, was es zu lernen für richtig findet
– auf das kommt ja manches heute schon hinaus -, alle diese Deklama­tionen berücksichtigen eben nicht das Bedürfnis der Menschennatur selbst, das in das ganze spätere Leben hineingetragen wird dadurch, daß der Mensch, indem er nur noch das Nachahmungsprinzip über das 7. Jahr ins 9. Jahr führt, dieses Nachahmungsprinzip mit dem Autori­tätsgefühlsprinzip durchwirkt. Vom 9. Jahre an kommt dann dieses Autoritätsprinzip immer reiner und reiner heraus, und vom 12. Jahre an mischt sich wieder ein Neues hinein, nämlich das eigene Urteils­vermögen.

ongeveer. Maar al tijdens de tandenwisseling begint onder invloed van het autoriteitsgevoel het principe zich te ontwikkelen, te laten gelden wat de vereerde persoonlijkheden uit de omgeving als goed zien. Waar het om gaat is dat je dit autoriteitsgevoel werkelijk, juist als het terecht is, dat manifest is in de tijd tussen tandenwisseling en puberteit, voor het kind leert te handhaven; want de menselijke natuur wil het zo.
Al die beweringen in onze tijd dat je het kind op een bepaalde manier zelf al moet laten oordelen over wat het goed vindt om te leren – daar zijn sommige mensen al op uitgekomen -, al die beweringen houden er dus geen rekening mee wat de behoefte is van de mensennatuur zelf die meegaat naar het hele latere leven doordat de mens wanneer bij hem enkel maar het principe van de nabootsing verder dan het 7e jaar tot in het 9e loopt, dit nabootsingsprincipe zich vermengt met het autoriteitsprincipe. Vanaf het 9e jaar komt dit autoriteitsprincipe dan steeds zuiverder op de voorgrond te staan en vanaf het 12e jaar vermengt het zich weer met iets nieuws, namelijk het eigen oordeelsvermogen.

Es ist für alle Erziehungskunst von fundamentaler Bedeutung, daß man den Menschen, den werdenden Menschen nicht zu früh zum eige­nen Urteil bringt. Gewiß, alles das, was man Anschauungsunterricht nennt, es hat eine gewisse eingeschränkte Berechtigung, sehr große Be­deutung auf einem eingeschränkten Gebiete. Aber wenn man den An­schauungsunterricht so verbreitet, daß man meint, man dürfe nur das­jenige an das Kind heranbringen, was es selber einsieht aus der un­mittelbaren Anschauung, so weiß man erstens nicht, daß es Dinge gibt in der Welt, die sich eben nicht anschauen lassen, und die man auch an das Kind heranbringen muß. Es gibt unanschauliche Dinge, zum Bei­spiel alle religiösen Dinge sind unanschaulich. Ebenso alle sittlichen Dinge sind unanschaulich. Man kann höchstens die Wirkungen der Dinge in der Welt anschaulich zeigen, nicht aber das eigentliche Un­anschauliche. Aber ganz abgesehen davon, es kommt auf etwas anderes an. Wer nicht in der richtigen Weise zu rechnen vermag mit diesem Ge­fühl, etwas hinzunehmen, weil man einer Autorität gegenübersteht, etwas zu glauben, weil diese Autorität glaubt, wenn man darauf nicht die nötige Rücksicht nimmt, so nimmt man dem Menschen, den man er­zieht, für das ganze spätere Leben etwas. Ich meine, man sehe hin auf dasjenige, was man erlebt. Wenn man, ich will gleich einen sehr späten

Voor elke opvoedkunst is het fundamenteel van belang, dat je de mens, de wordende mens niet te vroeg tot het eigen oordeel laat komen. Zeker, alles wat men aanschouwelijkheidsonderwijs noemt, heeft een zeker beperkt recht van bestaan, heeft een heel grote betekenis voor een beperkt gebied. Maar wanneer men het aanschouwelijkheidsonderwijs zo verspreid dat men van mening is dat je slechts aan het kind mag aanbieden, wat het zelf inziet vanuit een direct aanschouwen, weet men in de eerste plaats niet dat er in de wereld dingen zijn, die zich niet laten waarnemen en die je een kind ook moet bijbrengen. Er zijn niet-waarneembare zaken, bijvoorbeeld alle religieuze zaken zijn niet waarneembaar. Net zo zijn alle ethische dingen niet waarneembaar. Je kan hoogstens de uitwerking van de dingen in de wereld waarneembaar laten zien, maar niet het eigenlijke niet-waarneembare. Maar nog helemaal afgezien daarvan, komt het op iets anders aan. Wie met dit gevoel niet op de juiste manier rekening kan houden met iets aan te nemen, omdat je met een autoriteit te maken hebt, iets te geloven, omdat die autoriteit dat gelooft, wanneer je daarmee te weinig rekening houdt, dan neem je de mens die je opvoedt, voor het hele latere leven iets af. Ik bedoel: men kijkt op naar wat men beleeft. Wanneer je, ik wil meteen maar een zeer late

blz. 83

Termin annehmen, als 30-35 jähriger Mensch sich zurückerinnert an irgend etwas, was man in der Schule beigebracht erhalten hat, so ergibt sich, daß man es dazumal nicht verstanden hat, aber weil man den Lehrer liebte, nahm man es auf. Man hatte das Gefühl, das man natür­lich nicht exemplifizierte, aber das man erlebte, man hatte das Gefühl:
Diesen Mann muß ich verehren, oder diese Frau muß ich verehren, die meint das, ich muß es auch meinen. An so etwas, was man nicht ver­standen, sondern aus Liebe angenommen hat, erinnert man sich im 30. oder 35. Lebensjahre. Jetzt ist man reifer geworden. Man sieht das, was man herausholt aus den Untergründen seiner Seele, mit seinem späteren Menschen an, und man kommt auf folgendes: was man viele Jahre vorher aus Liebe aufgenommen hat, man nimmt es wiederum in den Horizont des Lebens herein und klärt sich jetzt darüber auf. Man muß nur beobachten können, was das bedeutet. Das bedeutet, daß aus einem solchen Wiederheraufholen dessen, was jetzt erst aus der eigenen Reife heraus verstanden wird, eine Steigerung des Lebensgefühls kommt, die wir brauchen, wenn wir für das Leben, für das soziale Leben überhaupt brauchbare Menschen werden wollen. Das würde den Menschen viel nehmen, wenn wir ihnen das Aufnehmen von Wahr­heiten aus Liebe nehmen würden, aus hingebender Liebe in berechtig­tem Autoritäts empfinden.

tijd nemen, je als 30-35-jarige mens iets herinnert van wat je op school geleerd hebt, blijkt dat je het toen niet begrepen hebt, maar omdat je van de leerkracht hield, nam je het in je op.  Je had het gevoel dat je voor je hield, maar dat je wel beleefde, je had het gevoel: deze man moet ik vereren, of deze vrouw moet ik vereren, die meent het, dan moet ik het ook menen. Aan zoiets wat je niet begrepen hebt, maar uit liefde aangenomen, herinner je je op je 30e, 35e jaar. Nu ben je rijper geworden. Je kijkt naar wat je zo opgehaald hebt uit de diepte van je ziel, als latere mens en dan kom je op het volgende: wat je jaren geleden uit liefde opgenomen hebt, verschijnt nu weer aan de horizon van het leven en plotseling is het duidelijk. Je moet alleen kunnen waarnemen wat het betekent. Dat betekent dat uit zoiets wat weer naar bovenkomt, wat nu pas door eigen rijping begrepen kan worden, een intensivering van het levensgevoel ontstaat dat we nodig hebben wanneer we voor het leven, voor het sociale leven vooral, geschikte mensen willen worden. Er zou veel van de mens afgepakt worden, wanneer we hem het opnemen van waarheid uit liefde, uit toegewijde liefde voor een terecht ervaren autoriteit, zouden afpakken.

Dieses berechtigte Autoritätsempfinden, dem muß das Kind ausgesetzt sein, und wir müssen mit aller Kraft unserer Seele in der pädagogischen Kunst darauf hinarbeiten, daß wir dem Kinde von seinem Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife die berechtigte Autorität erhalten.
Nun müssen wir uns aber klar sein darüber, daß die Tatsache, daß wir gerade die Volksschulzeit einteilen müssen in drei Epochen, uns ja die Grundlage für das Ablesen des Lehrplanes und das Ablesen der Lehrziele gibt. Erste Volksschuljahre: die Nachahmung wird durch-wirkt vom Autoritätsprinzip. 9. bis 12. Lebensjahr: das Autoritäts­prinzip greift immer mehr über, die bloße Nachahmung tritt zurück. 12. Lebensjahr: die Urteilskraft erwacht. Im 9. Lebensjahr beginnt das Kind schon auch im eigenen inneren Erleben das Ich abzulösen von der Umgebung. Aber dieses Ich ruft es vom 12. Jahre an zum eigenen Ur­teilen auf.
Auf diesem Gebiete hängt wirklich die Art und Weise, wie wir über das Leben denken und empfinden, gar sehr zusammen mit der Art, wie wir über das richtige Unterrichten denken. Sie haben vielleicht gehört

Het kind moet de kans krijgen een legitieme autoriteit te ervaren en wij moeten met alle kracht van onze ziel in de pedagogische kunst ernaar toewerken dat we het kind vanaf zijn tandenwisseling tot aan de puberteit die terechte autoriteit bieden.
Nu moeten we echter wel weten dat het feit, dat we nu juist de basisschooltijd moeten indelen in drie fasen, ons de basis geeft voor het aflezen van het leerplan en het aflezen van de leerdoelen. Eerste basisschooljaren: de nabootsing vermengt zich met het principe van de autoriteit. 9e tot 12e jaar: het autoriteitsprincipe wint steeds meer terrein, de zuivere nabootsing wordt minder. 12e levensjaar: de oordeelskracht ontwaakt. In het 9e levensjaar begint het kind al ook in zijn eigen innerlijk beleven het Ik los te maken van de omgeving. Maar dit Ik spoort hem vanaf het 12e jaar aan tot een eigen oordeel.
Op dit gebied hangt werkelijk de manier van hoe wij over het leven denken en het ervaren, erg samen met de manier waarop wij over goed onderwijs denken. U hebt misschien gehoord,

blz. 84

von dem aus naturwissenschaftlichen Grundanschauungen hervor­gegangenen Philosophen Mach. Er ist ein sehr ehrlicher, aufrichtiger Mann gewesen, aber ein Mann, der eigentlich auch ganz in seinem Lebenstypus dargelebt hat den materialistisch gesinnten Menschen der Gegenwart. Weil er so ehrlich war, ehrlicher als die anderen, so lebte er auch die innerliche Struktur des materialistischen Denkens besonders aus. Und so erzählt er mit einer gewissen naiven Aufrichtigkeit, wie er einmal, nachdem er sehr ermüdet war, hinaufsprang in einen Omnibus-wagen. Nun, da kam er hinein und, merkwürdig, auf der anderen Seite, vis-á – vis, springt, wie er sich sagte, ein schulmeisterlich aussehen­der Mensch hinein, der auf ihn einen ganz sonderbaren Eindruck macht. Er kam erst darauf, nachdem er sich schon niedergesetzt hatte
– das gesteht er selbst -, daß da ein Spiegel war gegenüber der Einlaß-türe, so daß er sich selbst gesehen hat. So wenig wußte er von seiner äußeren Gestalt! Das passierte ihm noch einmal: es war ein Spiegel an­gebracht vor einem Schaufenster, er begegnete sich selbst darin und erkannte sich nicht! – Es hängt das, daß dieser Mann so wenig Anlage hatte, körperliche Erkenntnismerkmale zu sehen, mit seinem fanati­schen Vertreten eines gewissen pädagogischen Prinzips zusammen. Der Mann ist nämlich ein fanatischer Feind alles Wirkens auf die jugend­liche Phantasie des Kindes. 

van de uit de natuurwetenschappelijke beginselen voortgekomen filosoof Mach. Hij was een erg eerlijk, oprecht mens, maar een mens die eigenlijk ook in heel zijn levenstype voorleefde de materialistisch gezinde mens van tegenwoordig. Omdat hij zo eerlijk was, eerlijker dan de anderen, gaf hij ook de innerlijke structuur van het materialistisch denken in het bijzonder gestalte. En zo vertelt hij mij met een zekere naïeve oprechtheid, hoe hij eens, nadat hij erg moe was geworden, in een rijtuig sprong. Nu, hij kwam binnen en – merkwaardig – aan de andere kant, springt vis-à-vis, zoals hij zei, een schoolmeesterachtig uitziende man naar binnen, die op hem een heel bijzondere indruk maakt. Hij zag het pas, nadat hij al was gaan zitten – dat bevestigt hij zelf -, dat er tegenover de instapdeur een spiegel zat, zodat hij zichzelf had gezien. Zo weinig kende hij zijn eigen uiterlijk. Dat gebeurde hem nog een keer: voor een etalage, daarin ontmoette hij zichzelf en hij herkende zichzelf niet! – Dat deze man zo weinig aanleg had om lichamelijke kenmerken te zien, hangt samen met zijn fanatieke vertegenwoordiging van een bepaald pedagogisch principe. De man is namelijk een fanatieke vijand van alles wat werkt op de fantasie van een kind.

Er will nicht, daß man dem Kinde irgend­welche Märchen erzählt, daß man dem Kinde etwas anderes beibringt, als was naturalistischer Abklatsch einer äußeren sinnlichen Wirklich­keit ist. So hat er auch seine Kinder erziehen lassen. Das erzählt er mit naiv ehrlicher Offenheit.Nun, man mag denken wie man will über den geistigen Gehalt der äußeren sinnlichen Wirklichkeit, aber Gift ist es für den werdenden Menschen, wenn er gerade in der Zeit zwischen dem 6., 7. und dem 9. Jahre nicht gerade auf märchenhafte Art die Phantasie entwickelt bekommt. Ist der Lehrer selber kein Phantast, so wird er zunächst alles dasjenige, was er an das Kind über die Umgebung des Menschen heran­bringen will – das Kind unterscheidet sich ja noch nicht von der Um­gebung, das tritt erst später, im 9. Jahre ein -, alles das, was er ent­wickelt über Tier, Pflanze, über die übrige Natur, er wird es dem Kinde in Märchenform beibringen. Wenn man nur einmal sich damit vertraut machte, welch gewaltiger Unterschied darinnen liegt, ob man dem Kinde Märchen liest oder man solche Märchen selber erst aus­gestaltet! Ich bitte, lesen Sie noch so viel Märchen und erzählen Sie gelesene

Hij wil niet dat men een kind een of ander sprookje vertelt, dat men het kind iets anders aanleert dan wat natuurgetrouwe kopieën zijn van een uiterlijke, zintuiglijke werkelijkheid. Zo heeft hij ook zijn kinderen laten opvoeden. Dat vertelt hij met naïeve eerlijke openheid.
Nu mag je denken wat je wil over het geestelijke gehalte van de uiterlijke zintuiglijke werkelijkheid, maar het is gif voor de wordende mens in de tijd tussen het 6e, 7e en het 9e jaar wanneer het juist niet op sprookjesachtige manier zijn fantasie kan ontwikkelen. Is de leerkracht zelf geen fantast, dan zal hij vooral alles wat hij aan het kind over de omgeving van de mens wil leren (het kind onderscheidt zich dus nog niet van zijn omgeving, dat komt pas later, in het 9e jaar), alles wat hij maakt over dier, plant, over de overige natuur, hij zal het het kind bijbrengen in de vorm van een sprookje. Maakte men zichmaar eens vertrouwd met wat voor geweldig verschil het is of je het kind sprookjes voorleest of dat je zelf eerst zulke sprookjes ontwerpt. Ik vraag u, leest u nog zo veel sprookjes en vertel de gelezen

blz. 85

Märchen Ihren Kindern, sie wirken nicht so, als wenn Sie viel schlechtere Märchen selber ausgestalten und sie an die Kinder heran­bringen, und zwar weil der Prozeß des Gestaltens in Ihnen – das ist ja eben das, was ich meine mit dem Lebendigen – auf das Kind nachwirkt, weil er sich wirklich dem Kinde mitteilt. Das sind die Imponderabilien des Umgangs mit dem Kinde.
Es ist von einem großen Vorteil für die Entwickelung des Kindes wenn man versucht, gewisse Vorstellungen durch äußere Bilder dem Kinde beizubringen, sagen wir zum Beispiel: Ich will, und es ist das gut, dem Kinde schon möglichst früh eine Empfindung von der Un­sterblichkeit der Seele beibringen. Ich versuche das, indem ich mit allen Mitteln, die sich mir dafür ergeben, darauf hinarbeite; ich versuche das, indem ich das Kind darauf aufmerksam mache, wie aus der Schmetter­lingspuppe der Schmetterling ausfliegt, und indem ich es darauf hin­weise: so fliegt die unsterbliche Seele aus dem Leibe aus.
Nun gewiß, es ist ein Bild; aber Sie werden nur Glück haben mit diesem Bilde, wenn Sie dieses Bild nicht als abstrakte intellektualistische Ausgestaltung an das Kind heranbringen, sondern wenn Sie selber daran glauben. Und man kann daran glauben. Dringt man wirklich ein in die Geheimnisse der Natur, dann wird einem selbst dasjenige was aus der Schmetterlingspuppe ausfliegt, das von dem Schöpfer selbst in die Natur hineingestellte Symbolum für die Unsterblichkeit.

sprookjes aan uw kinderen, ze werken niet zo, als wanneer u veel slechtere sprookjes zelf maakt en die aan de kinderen geeft en wel omdat het proces van het maken in u – dat is nu wat ik bedoel met het levendige – in het kind nawerkt, omdat het echt bij het kind aankomt. Dat is het imponderabele in de omgang met het kind.
Het is voor de ontwikkeling van een kind van groot belang, wanneer je probeert het bepaalde voorstellingen door uiterlijke beelden bij te brengen, laten we zeggen als voorbeeld: ik wil – en dat is goed – het kind zo mogelijk vroeg een gevoel meegeven van de onsterfelijkheid van de ziel. Ik probeer met alle middelen die mij daarvoor ten dienste staan, daar naar toe te werken; ik probeer het wanneer ik het kind erop wijs hoe uit de vlinderpop de vlinder wegvliegt en wanneer ik het daar attent op maak: zo vliegt de onsterfelijke ziel uit het lichaam.
Zeker, het is een beeld; maar u zal alleen met dit beeld alleen iets naar tevredenheid hebben, wanneer u dit beeld niet als abstract intellectualistische vorm aan het kind geeft, maar wanneer u er zelf in gelooft. En je kan erin geloven. Dring je daadwerkelijk door tot de geheimen van de natuur, dan wordt voor iemand zelf dat wat uit de vlinderpop wegvliegt, het door de schepper zelf in de natuur gelegde symbool voor de onsterfelijkheid.

Man muß an diese Dinge selber glauben. Und ganz anders wirkt das, was man selber in dieser Weise glaubt und erlebt, auf das Kind, als das­jenige, was man nur intellektuell annimmt. Darum wird in unserer Waldorfschule versucht, alles dasjenige, was sich auf die menschliche Umgebung bezieht, in den ersten Schuljahren durch die Phantasie an die Kinder heranzubringen. Wie gesagt, der Lehrer, der nicht selber ein Phantast ist, macht auch die Kinder nicht zu Phantasten, mag er noch so phantasievoll über Käfer und über Pflanzen und über Elefanten. und über Nilpferde erzählen.
Das sind die beiden Dinge, um die es sich handelt: künstlerisch zu­nächst vorgehen, mit wirklicher Selbsthingabe an das künstlerische Ge­stalten, sagen wir, des Schreibens, so wie ich es gemeint habe, es sich aus dem Zeichnen entwickeln lassend, und zunächst in diesen ersten Volksschuljahren auf die Phantasie wirkend. Alles ist schädlich, was man vor dem 9. Lebensjahre an naturwissenschaftlicher Beschreibung oder dergleichen an das Kind heranbringt. Realistische Beschreibungen

Je moet aan deze dingen zelf geloven. En heel anders werkt het wat je zelf op deze manier gelooft en beleeft, op het kind dan wat je alleen maar intellectueel aanvaardt. Daarom wordt in onze vrijeschool geprobeerd alles wat te maken heeft met de menselijke omgeving in de eerste schooljaren door de fantasie aan de kinderen te geven. Zoals gezegd, de leerkracht die zelf geen fantast is, maakt ook zijn kinderen niet tot fantast, al spreekt hij nog zo fantasievol over kevers en over planten en over olifanten en over nijlpaarden.
Dat zijn de twee dingen waarom het gaat: vooral kunstzinnig werken, met een echte persoonlijke toewijding aan een kunstzinnige vormgeving – laten we zeggen – van het schrijven, zoals ik het bedoel, ontwikkelen vanuit het tekenen en vooral in deze eerste schooljaren op de fantasie werkend. Alles is ongezond wat je vóór het 9e jaar aan natuurwetenschappelijke beschrijvingen o.i.d. aan het kind aanbiedt. Realistische beschrijvingen

blz. 86

eines Käfers oder eines Elefanten oder was immer, so wie wir es wöhnt sind in den Naturwissenschaften zu geben, auch in der Natur-geschichte zu geben, es ist schädlich vor dem 9. Lebensjahre für das Kind. Da müssen wir nicht schon auf den realistischen Nachdenksinn wirken, sondern auf die Phantasie. Allerdings, wir müssen das können. Da müssen wir dann die Gabe haben, wenn wir einer ganzen Klasse gegenüberstehen, wirklich beobachten zu können. Mir erscheint es gar nicht einmal so schlimm, wenn die Klassen, wenn sie gut gelüftet sind, wenn sie gesundheitlich richtig sind, viele Schüler haben; denn das­jenige, was man Individualisieren nennt, das geschieht von selbst, wenn der Lehrer so wirkt, daß das, was er tut, aus der lebendigen Er­fassung der Menschenwesenheit und der Weitwesenheit hervorgeht. Dann wird er so interessant für seine Schüler, daß die sich selber indi­vidualisieren. Die individualisieren sich schon; sie individualisieren sich aktiv. Man braucht sich nicht mit jedem Einzelnen zu beschäftigen, daß passiv individualisiert wird. Aber dasjenige, um was es sich handelt, ist eben, daß man durchaus versucht, die ganze Klasse so zu behandeln, daß dieser lebendige Kontakt mit dem Lehrer vorhanden ist, der sich ganz von selbst ergibt. Wenn man sich selber in seinem eigenen Seelen-leben daraufhin konfiguriert hat, Lebendiges zu erfassen, dann spricht Lebendiges zu lebendig Empfangenwollendem.

van een kever of van een olifant of wat dan ook zoals we die gewend zijn in de natuurwetenschap te geven, ook in de biologie te geven, is ongezond voor het kind vóór het 9e levensjaar. Daar moeten we nog niet op het realistische nadenken werken, maar op de fantasie. Dat moeten we hoe dan ook kunnen. Dan moeten we ook de gave hebben, wanneer we voor de klas staan, echt te kunnen waarnemen. Het lijkt mij helemaal niet zo erg als er in de klassen, wanneer ze goed gelucht worden, wanneer ze wat de gezondheid betreft in orde zijn, veel leerlingen zitten; want wat men individualiseren noemt, vindt vanzelf plaats als de leerkracht zo te werk gaat dat wat hij doet uit de levende opvattingen over het wezen mens en over de wereld stamt. Dan wordt hij voor zijn leerlingen zo interessant, dat die zich zelf individualiseren. Die individualiseren zich zelf al; dat doen ze actief. Je hoeft niet met ieder afzonderlijk bezig te zijn, dat er passief geïndividualiseerd wordt. Maar waar het om gaat is nu, dat je vooral probeert de hele klas zo te behandelen dat dit levende contact met de leerkracht er is, dat het er vanzelfsprekend is. Wanneer je zelf in je eigen gevoelsleven je toegelegd hebt om iets levends in je bewustzijn op te nemen, dan spreekt dit levende tot iets wat dit levende wil ontvangen.

Hat man sich dann angeeignet eine wirkliche Beobachtungsgabe, dann kann man auch einer großen Klasse gegenüber etwas wahrneh­men. Man kann sehen, wenn man das Künstlerische, das erst später verabstrahiert, verintellektualisiert wird, an die Kinder so heran-bringt, wie ich es jetzt skizzenweise dargestellt habe, daß dann sich die Physiognomien, die wirklichen Physiognomien der Kinder ändern, wie wirklich kleine Varianten in der körperlichen Physiognomie auftreten, und daß zwischen dem 7. und 9. Lebensjahre das Kind sich innerlich so erfaßt, daß man sieht, es kommt in seine Gesichtsphysiognomie etwas Gesund-Aktives, nicht Nervös-Aktives hinein. Es ist von einer eminenten Wichtigkeit für das ganze Leben, daß das eintritt; denn durch dieses Eintreten eines gesund-aktiven Momentes in die Phy­siognomie, dadurch gelangt man dazu, im späteren Leben auch Welten-liebe, Weltengefühl, innerliche Heilkräfte gegen jede Art von Hypo­chondrie, überflüssige Kritikasterei und dergleichen zu entwickeln. Eigentlich ist es schrecklich, wenn man als Erzieher und Lehrer es nicht erreicht, daß die Kinder auch äußerlich rein der Physiognomie nach

Wanneer je je dan de gave van het waarnemen eigen gemaakt hebt, kun je ook voor een grote klas staand iets waarnemen. Je kan zien wanneer je het kunstzinnige, dat pas later geabstraheerd wordt, intellectualistischer gebracht, aan de kinderen aanbiedt, zoals ik net in grote lijnen heb weergegeven, dat dan de fysionomie, de echte fysionomie van de kinderen anders wordt, als echte kleine varianten in de lichamelijke fysionomie plaatsvinden en tussen het 7e en het 9e levensjaar het kind zich innerlijk zo begrijpt, dat je ziet dat er in zijn gezichtsfysionomie iets gezonds-actief, niet nerveus-actief verschijnt. Dat is van eminent belang voor het hele leven dat dit gebeurt; want door het verschijnen van een gezond-actieve kracht in de fysionomie krijgt men op latere leeftijd de mogelijkheid ook liefde voor de wereld, een gevoel voor de wereld, innerlijke gezondheidskrachten tegen zwaarmoedigheid, overdadige criticasterij en dergelijke te ontwikkelen.
Eigenlijk is het verschrikkelijk wanneer je als opvoeder en leerkracht niet bereikt dat de kinderen ook uiterlijk, puur wat de fysionomie betreft,

blz. 87

mit dem 9. Lebensjahre etwas anderes sind als vorher. Vor großen Schulklassen, meine ich, braucht man nicht zurückzuschrecken; da­gegen müßte man schon anstreben – die Einwände hiergegen kenne ich wohl und sage sie erst, nachdem ich die Einwände berücksichtigt habe -, daß man den Lehrer am besten die ganze Volksschule hindurch nicht wechselt; die erste Volksschulklasse einem Lehrer übergibt und diesen Lehrer aufrücken läßt in seiner Klasse, soweit es nur überhaupt geht, am besten bis zum Schluß der Volksschule. Wie gesagt, ich kenne alle Einwände; aber dasjenige, was geleistet wird dadurch an intimem Zu­sammenwachsen mit der Schülerschaft, das wiegt alle Nachteile auf; denn dadurch gleichen sich auch diejenigen Dinge aus, die anfangs noch als Nachteile auftreten durch die ja notwendige Unbekanntschaft mit der ganzen Individualität etwa einer Klasse, die viele Schüler hat; die gleichen sich im Laufe der Zeit aus. Man wächst immer mehr und mehr zusammen mit seiner Klasse und lernt wirklich solche Dinge kennen, die sich beziehen auf so etwas, wie ich es eben gesagt habe. Denn leicht ist es nicht, darauf zu kommen, diesen feinen Umschwung in der Phy­siognomie des betreffenden Kindes zu bemerken.

met het 9e jaar iets anders zijn dan daarvoor. Voor grote schoolklassen hoef je – vind ik – niet terug te schrikken; daarentegen zou je er naar moeten streven – de bezwaren hiertegen ken ik wel en noem ze, nadat ik de bezwaren bekeken heb – dat de leerkracht het beste de hele basisschooltijd niet van klas wisselt; dat men de eerste klas van de basisschool aan hem toevertrouwt en deze leraar mee laat gaan, voor zover dat natuurlijk gaat, het beste tot het eind van de basisschool. Zoals gezegd, ik ken alle bezwaren; maar wat er bereikt wordt als een fijnzinnig samengroeien met de leerlingen, weegt tegen alle nadelen op; want daardoor wordt alles wat aanvankelijk nog als nadeel werkt doordat noodgedwongen de hele individualiteit van zoiets als een klas waarin veel leerlingen zitten, onbekend is voor je, vereffend in de loop van de tijd. Je groeit steeds dichter naar je klas toe en leert werkelijk die dingen kennen die betrekking hebben op zoiets als ik net gezegd heb. Want makkelijk is het niet zover te komen die fijne verandering in de fysionomie van het betreffende kind op te merken.

Es handelt sich mir nicht darum, daß ich Ihnen theoretisch aus irgendeinem Grunde habe mitteilen wollen, man könne jede seelisch-geistige Kraft des Menschen so verfolgen, daß man sie in ihrem Zu­sammenhange mit dem Leiblichen sieht, sondern darauf kommt es an, daß es einem gar keine Ruhe läßt, wenn man einmal begriffen hat, daß der Mensch in dieser Weise eine Einheit ist, bis man es in jedem ein­zelnen Falle wirklich erschaut. Man schult sich durch diese Beobach­tungsweise erst, zu beobachten, wie die Menschen anders werden, da­durch, daß man sie in entsprechender Weise entwickelt. Es darf ja vielleicht verraten werden, daß man sich sogar eine gewisse Beobach­tungsgabe dafür aneignen kann, wie ein Mensch noch zuhört, wenn er alt geworden ist. Man kann ganz gut einfach an der Physiognomie ab­lesen, ob der ganze Mensch zuhört, das heißt, dasjenige aufnimmt, was er hört, mit Vorstellen, Fühlen und Wollen, oder ob er bloß mit dem Vorstellen oder bloß mit dem Vorstellen und Fühlen durchdrungen zuhört, oder ob er als Choleriker es vielleicht auf seinen Willen wirken läßt. Es ist für den Pädagogen unter allen Umständen ganz besonders gut, wenn er auch für das Leben überhaupt sich solche Beobachtungs­gabe anerzieht; denn alles das, was wir überhaupt im Leben uns an­eignen, hilft uns, wenn es sich darum handelt, Kinder weiter zu bringen.

Het gaat mij er niet om, dat ik u theoretisch om een of andere reden heb willen meedelen, dat je iedere psychische of geestelijke kracht in de mens zo volgen kan, dat je ze ziet in samenhang met het fysieke, maar het komt erop aan, dat je niet rust, wanneer je eenmaal begrepen hebt dat de mens op deze manier een eenheid is ,voor je het in ieder apart geval daadwerkelijk ziet. Je schoolt je door deze manier van waarnemen pas, door waar te nemen hoe anders de mensen worden wanneer je ze op adequate manier ontwikkelt. Het mag ook wel verteld worden dat je je zelfs een zekere waarnemingsgave eigen kan maken hoe een mens nog luistert, wanneer hij oud geworden is. Je kan heel goed simpelweg aan de fysionomie aflezen of de hele mens luistert, dat wil zeggen, opneemt wat hij hoort met voorstellen, voelen en willen of dat hij enkel met zijn voorstellen of enkel met zijn voorstellen en voelen doordrongen luistert of dat hij als cholericus het wellicht in laat werken op zijn wil. Het is voor de pedagoog onder alle omstandigheden bijzonder goed, wanneer hij ook voor het leven zo’n opmerkingsgave ontwikkelt; want alles wat we ons zo in het leven eigen maken, helpt ons, wanneer het erom gaat kinderen verder te helpen.

blz. 88

Wenn man, wie ich bei der Waldorfschule, sehen kann, wie der Lehrer seiner Individualität entsprechend wirkt, so bemerkt man, wie jede Klasse zusammen mit dem Lehrer ein Ganzes wird, was etwas anderes ist als die Summe der Kinder oder Lehrer und Kinder, und aus diesem Ganzen geht dann dasjenige hervor, was Entwickelung der Kinder ist. Das kann bei dem einzelnen Lehrer wieder in der allerverschiedensten Weise sein und gleich gut sein. Man braucht durchaus nicht zu glauben, daß diese Dinge eindeutig sind, die ich hier vorbringe. Sie sind nicht eindeutig. Sie sind so, daß sie sich durchaus individualisieren lassen, und man kann sagen: Einer, der neunjährige Knaben und Mädchen unterrichtet, kann sie in einer gewissen Weise gut unterrichten. Ein an­derer, der ganz anders unterrichtet, unterrichtet sie auch gut; denn da tritt auch eine vollständige Individualisierung ein.
So meine ich, daß es möglich ist, wirklich für die einzelnen Lebens­jahre des Volksschülers aus der Natur des Menschen Lehrplan und Lehrziele herauszufinden.

Wanneer je, zoals ik bij de vrijeschool, zien kan hoe de leerkracht in overeenstemming met zijn individualiteit werkt, merk je hoe iedere klas samen met de leerkracht een geheel wordt, wat iets anders is dan de optelsom van kinderen of de leraar en de kinderen en uit deze eenheid komt dan te voorschijn wat de ontwikkeling van de kinderen is. Dat kan bij de individuele leerkrachten op de meest uiteenlopende manieren gaan en even goed zijn. Je hoeft echt niet te geloven dat deze dingen die ik hier naar voren breng, precies hetzelfde zijn. Dat zijn ze niet. Ze zijn zo dat ze zich absoluut laten individualiseren en je kan zeggen: iemand die negenjarige jongens of meisjes lesgeeft, kan ze op een bepaalde manier goed lesgeven. Een ander die heel anders lesgeeft, geeft ze ook goed les; want er vindt ook een volledige individualisering plaats.
Ik bedoel dus dat het mogelijk is, daadwerkelijk voor de aparte levensjaren van de basisschoolleerling vanuit de natuur van de mens leerplan en leerdoelen te vinden.

Daher ist ein so großer Wert darauf zu legen, daß der Pädagoge selber Herr in der Schule ist – wenn ich den Ausdruck «Herr» gebrauchen darf -, daß nicht bestehen irgendwelche Normen, nach denen man sich zu richten hat, sondern daß der Päd­agoge selber Herr der Schule ist, daß er verwächst nicht nur mit der Methodik, sondern daß er verwächst mit dem Plane der Schule, daß er verwachsen ist, ob er nun in einem Jahr die erste oder die achte Klasse unterrichtet, mit der ganzen Konfiguration der Volksschule selber und in der ersten Klasse schon so unterrichtet, daß in dieser Art des Unter­richtens auch die Art gegeben ist, wie man dann in der achten Klasse unterrichten muß.
Nun, von diesen Dingen will ich dann weiter ausgehend übermor­gen den Lehrplan im Detail charakterisieren und die Lehrziele für die einzelnen Jahre rechtfertigen. Es ist natürlich, daß heute, weil wir ja in einer materialistischen Kultur drinnenstecken, die auch auf unseren Lehr­plan und unsere Lehrziele sich auswirkt, man diese Dinge nur wie ein Ideal für die Zukunft hinstellen, und sie dann verwirklichen kann, so­weit es geht. Wenn einmal irgendwo eine Lücke ist, wie im Württember­gischen Schulgesetz, kann man in diese Lücke gerade noch kompromiß-weise etwas hineinbringen. Aber solche Dinge müssen eben doch aufge­nommen werden; denn ich glaube, sie hängen zusammen mit dem, was wir durchdringen müssen, damit wir über die Misere hinauskommen, die sich in den Ereignissen der letzten fünf bis sechs Jahre gezeigt hat.

Vandaar moet er zo’n grote waarde aan worden gehecht, dat de pedagoog zelf  ‘heer en meester’ is op school – als ik de uitdrukking ‘heer’ mag gebruiken -, dat er niet een of andere norm is waarnaar je je moet richten, maar dat de pedagoog zelf  heer en meester van de school is, dat hij verweven is niet alleen met de methodiek, maar verweven met het doel van de school, dat hij verweven is, of hij dat jaar nu lesgeeft in een eerste of een achtste klas, met de hele opzet van de basisschool zelf en in de eerste klas al zo lesgeeft dat op deze manier ook aangegeven is hoe je dan in de achtste les moet geven.
Nu, van deze dingen verder uitgaand wil ik dan overmorgen het leerplan in detail karakteriseren en de leerdoelen voor de aparte jaren  verantwoorden. Het is natuurlijk zo dat tegenwoordig, omdat wij nu eenmaal in een materialistische cultuur leven die ook invloed heeft op ons leerplan en onze leerdoelen, je deze dingen slechts als een ideaal voor de toekomst kan opstellen om ze dan te realiseren voor zover het gaat. Mocht er ergens nog eens een hiaat in de wet zitten, zoals in de Württembergerschoolwet, dan kun je daar nog iets als een compromis bewerkstelligen. Maar zulke dingen moeten toch opgenomen worden; want ik geloof dat ze samenhangen met wat we grondig moeten doorwérken, willen we de misère te boven komen die zich in de gebeurtenissen van de laatste vijf, zes jaar hebben voorgedaan.

.

[1] GA 301: Die Erneuerung der pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft

[2] 5e voordracht (Duits)

Rudolf Steiner over pedagogie

Rudolf Steiner: alle artikelen

.

1303-1216

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 301 voordracht 4

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

GA 301: vertaling
inhoudsopgave;     voordracht:   [1]  [2]  [3]  [5]  [6]  [7]  [8]  [9]  [10]  [11]  [12]  [13]  [14]
[vragenbeantwoording bij 4e vdr.]

RUDOLF STEINER:

DE VERNIEUWING VAN DE PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE KUNST DOOR GEESTESWETENSCHAP

14 voordrachten gehouden te Bazel van 20 april tot en met 11 mei 1920, met vragenbeantwoording en inleidende woorden bij twee euritmieopvoeringen [1]

4e voordracht Basel, 23 april 1920 [2]

Inhoudsopgave:
De opvoeder als vormer van de toekomstige inhoud van de menselijke ziel:
abstracte voorstellingen bewerken tussen de mensen scheiding;
intellectuele vorming ‘gefilterde’ geest;
geesteswetenschap belangrijker door de manier van optreden, dan door de inhoud; innerlijke passiviteit van de moderne mens;
geheugenweten en actief verstand;
biogenetische grondwet (Haeckel);
oorsprong van het geslacht mens en de sindsdien gevolgde ontwikkelingsveranderingen;
omvorming van fysieke in zielenkrachten:
wat vroeger de natuur gaf, moet nu in innerlijke activieit bereikt worden;
de inhoud van de menselijke ziel is in de hand gelegd van hen die de jeugd vormen.

Der Erzieher als Bildner des zukünftigen menschlichen Seeleninhalts

blz. 60

Ich habe bisher versucht, Ihnen zu zeigen, wie man von der äußeren Seite her an den Menschen herankommen kann. Heute möchte ich mich unserer Aufgabe von der anderen Seite her nähern, von der Seite, die ich nennen möchte: die Seite des inneren Erlebens desjenigen, was ich an den drei vorhergehenden Tagen versucht habe zu erörtern. Es könnte scheinen, als ob die Anschauung vom Menschen, wie ich sie versucht habe darzulegen, zunächst nicht dazu führen würde, im Prak­tischen der pädagogischen Kunst eine Grundlage zu liefern. Allein, es wird sich hier gerade darum handeln, sich zuerst dem Wesen des Men­schen von den zwei verschiedenen Seiten her, von der äußeren, wie wir es bisher getan haben, und der inneren Seite zu nähern, und daraus dann erst wirkliche Anhaltspunkte und nicht bloß Gesichtspunkte für die pädagogische Kunst zu gewinnen.

de opvoeder als iemand die de ziel van de toekomstige mens vormt

Ik heb tot nog toe geprobeerd, u te laten zien, hoe je van buitenaf de mens kan benaderen. Vandaag zou ik onze opgave van de andere kant willen benaderen, van de kant die ik zou willen noemen: de kant van de innerlijke beleving van wat ik de drie voorafgaande dagen geprobeerd heb te verduidelijken. Het zou kunnen lijken alsof de beschouwing over de mens, zoals ik geprobeerd heb die te geven, er vooralsnog niet toe zou leiden voor de pedagogische kunst in de praktijk een basis te leggen. Maar het gaat er hier juist om eerst het wezen van de mens vanuit de twee verschillende kanten te benaderen, vanuit de uiterlijke, zoals we tot nog toe hebben gedaan en vanuit de innerlijke om dan daaruit pas echte aanknopingspunten en niet alleen maar gezichtspunten voor de pedagogische kunst te krijgen.

Da möchte ich Sie zunächst darauf hinweisen, daß nach und nach durch die Betrachtungsweise, die hier als Zukunft der Naturwissen­schaft gewissermaßen geltend gemacht worden ist, der Mensch von außen her durchsichtig wird. Man kommt gewissermaßen durch die Betrachtung des Menschen dahin, aus der Tätigkeit der Organe, aus dem ganzen Wesen heraus dasjenige zu entdecken, was dann innerlich im Menschen erlebt wird, erlebt wird zunächst als Vorstellen, erlebt wird als Fühlen, erlebt wird als Wollen. Bei allem, was gegenwärtige Weltanschauung ist, hat man es auf der einen Seite zu tun mit einem undurchdringlichen’ dunklen Menschenwesen, das man nicht durch­schaut, das wie undurchsichtig vor einem steht; und auf der anderen Seite hat man es zu tun mit mehr oder weniger abstrakten inneren Er­lebnissen von Denken, Fühlen und Wollen, deren konkrete Auslegung man durchaus nicht innerlich wahrnimmt, innerlich empfindet. Wir haben gesehen, daß der Mensch ein dreigliedriges Wesen ist. Sehen wir ihn jetzt nach den drei Aspekten Denken, Fühlen und Wollen innerlich

Dan zou ik er u allereerst op willen wijzen, dat geleidelijk door de manier van bekijken die hier voor de toekomst van de natuurwetenschap in zekere zin aangegeven is, de mens van buitenaf zichtbaarder wordt. Je komt in zekere zin door de beschouwing van de mens ertoe om uit de activiteit van de organen, uit de hele mens te ontdekken, wat die mens innerlijk beleeft, pas beleeft als voorstellen, beleeft als voelen, beleeft als willen. Bij alles wat tegenwoordig de wereldbeschouwing is, heb je aan de ene kant te maken met een ondoordringbaar, vaag mensenwezen waarin je geen inzicht krijgt, dat ondoorzichtig voor iemand staat; en aan de andere kant heb je te maken met min of meer abstracte belevingen van denken, voelen en willen waarvan je de concrete betekenis beslist innerlijk niet waarneemt, innerlijk beleeft. We hebben gezien dat de mens een drieledig wezen is. Als we innerlijk naar deze drie aspecten denken, voelen en willen kijken,

blz. 61

an – wir werden schon sehen, wie sich die beiden Betrachtungen, die äußere und die innere, zusammenschließen.
Dasjenige, was wir heute gewinnen als unseren Vorstellungsinhalt, das ist im Grunde genommen etwas sehr, sehr Abstraktes. Durch diesen Vorstellungsinhalt können wir uns als Lehrer, als Pädagogen, als Er­zieher auch dem werdenden Menschen nicht nähern. Es ist gewisser­maßen eine Scheidewand zwischen uns und dem anderen Menschen. Sie ist da im sozialen Leben und bringt uns unser soziales Unheil. Sie ist da auch in so speziellen Gebieten wie im Unterrichten, im Erziehen. Durch die naturwissenschaftlich materialistische Entwickelung, die un­ser ganzes Denken angenommen hat, und die auch in unsere Gesin­nung eingeflossen ist, ist alles dasjenige, was wir über Seele, über Geist zu sagen haben, nach und nach zur Phrase geworden; und aus der Phrase heraus kann man nicht handeln, aus der Phrase heraus kann man sich zu dem erwachsenen Menschen nicht verhalten. Man kann sich auch dem Kinde gegenüber aus der Phrase nicht verhalten. Man muß zur Realität vordringen. Diese Realität, die wird uns nicht zuteil, wenn wir nur jenes abstrakte intellektualistische Verstandesleben ha­ben, wie es durch die bisherige naturwissenschaftliche Richtung gepflegt worden 

– we zullen gauw genoeg zien hoe de beide benaderingen, de uiterlijke en de innerlijke, bij elkaar komen.
Wat we nu krijgen als onze voorstellingsinhoud is in wezen genomen iets zeer, zeer abstracts. Door deze voorstellingsinhoud kunnen wij als leraar, als pedagoog, als opvoeder ook de wordende mens niet nader komen. Er zit in zekere zin een muur tussen ons en de andere mens. Die is er in het sociale leven en brengt ons het sociale onheil. Die is er ook op dat speciale gebied van onderwijs en opvoeding.
Door de natuurwetenschappelijk materialistische ontwikkeling die deel is gaan uitmaken van heel ons denken en die ook in onze houding geslopen is, is alles wat wij over ziel, over geest te zeggen hebben, langzamerhand tot frase geworden; en vanuit de frase kun je niet handelen, uit de frase kun je je niet verhouden t.o.v. de volwassen mens. Ook t.o.v het kind kun je vanuit de frase geen verhouding vinden. Je moet doordringen tot de realteit. Deze realiteit valt ons niet ten deel, wanneer wij dat abstracte intellectualistische verstand hebben, zoals het door de natuurwetenschappelijke richting tot nog toe gewoonlijk geworden is.

Durch diese kommt man zwar zum Geist. Alles dasjenige, was wir heute in unserer intellektualistischen Bildung als Verstandes-inhalt haben, ist Geist, aber es ist filtrierter Geist. Es ist ein solcher Geist, der gewissermaßen gar nicht aus sich heraus kann, der nicht sich innerlich als wirklicher Inhalt erlebt, der daher – ich möchte sagen, wenn ich mich vergleichsweise ausdrücken darf – brutaler bleibt. Die­ser Geist beherrscht unser Leben, dieser Geist, der in nichts eigentlich eindringt, dieser Geist, der in der Kunst die materielle äußere Form ausprägt, statt sie herauszuholen aus dem Material selbst, dieser Geist, der in bezug auf die sozialen Gestaltungen der Menschengemeinschaft äußerlich soziale Zusammenhänge aufdrängen möchte, statt sie aus dem unmittelbaren, lebendigen Menschen selbst herauszuholen. Da be­kommt man eine ganz andere Stellung zum Geiste, wenn man sich an dasjenige hält, was Geisteswissenschaft geben kann. Denn sehen Sie, Geisteswissenschaft, sie ist viel wichtiger durch die Art, wie sie auftritt, als durch ihren Inhalt. Wenn Sie sich an das halten, was heutiges Wis­sen ist, so werden Sie finden, daß es gewissermaßen das wiedergibt, was schon da ist. Wir sind jä dadurch zum Naturalismus gekommen, der in der Kunst nur die Außenwelt abbildet, weil wir keine Erkenntnisse

Hierdoor kom je weliswaar tot de geest. Alles wat we tegenwoordig in onze intellectualistische vorming inhoudelijk als verstand hebben, is geest, maar is gefilterde geest. Het is zo’n geest die in zekere zin zich helemaal niet kan manifesteren, die zichzelf innerlijk niet als echte inhoud beleeft, die vandaar – wanneer ik een vergelijking mag gebruiken – gevoellozer blijft. Deze geest beheerst ons leven, deze geest die eigenlijk in niets doordringt, deze geest die in de kunst de stoffelijke uiterlijke vorm uitdrukt in plaats van dat ze die uit het materiaal zelf tevoorschijn haalt, deze geest die met betrekking tot de sociale instellingen van de mensengemeenschap uiterlijke sociale samenhangen zou willen opdringen in plaats van deze direct uit de levende mens zelf te halen. Dan krijg je een heel andere opstelling tot de geest, wanneer je je houdt aan wat de geesteswetenschap kan geven. Want, ziet u, geesteswetenschap is veel belangrijker door de manier waarop ze zich manifesteert dan door haar inhoud. Wanneer u zich houdt aan wat de huidige wetenschap is, zal u merken dat die iets opnieuw geeft, wat er al is. Daarom zijn we tot het naturalisme gekomen dat in de kunst alleen de buitenwereld afbeeldt, omdat wij geen kennis

blz. 62

haben, die über diese Außenwelt zu einem selbständigen Inhalt kommen. Wir bewegen uns nur in dem Abklatsch der Außenwelt. Wir werden nicht darauf aufmerksam, wie aus den Quellen des Menschen hemaufspmießen kann lebendigem Inhalt, denn diesem lebendige Inhalt kann dann nicht von etwas anderem kommen als vom Geiste selbst.
Nehmen Sie nun den ganzen Gegensatz zwischen dem, was Inhalt dem Geisteswissenschaft ist und was Inhalt dem gewöhnlichen Natur­wissenschaft ist. Diese Geisteswissenschaft wird von vielen Menschen der Gegenwart, wenn sie so hören, was sie zu sagen hat, zunächst ge­nommen wie etwas, ich möchte mich radikal ausdrücken, wie etwas Närrisches, ganz Phantastisches. Warum denn? Weil man nicht ge­wohnt ist, über die Welt so sprechen zu hören, wie Geisteswissenschaft spricht. Man ist gewohnt, über die Welt so sprechen zu hören, daß man vergleichen kann das Besprochene mit dem, was man draußen sieht, mit dem, was die Augen wahrnehmen, was sonst wahrgenommen wird. Geisteswissenschaft bringt Dinge, für die man nicht irgend etwas in dem Außenwelt zunächst finden kann, für die man nicht etwas finden kann dadurch, daß man bloß mit den Sinnen beobachtet, sondern für die man nur etwas dadurch erwirken kann, daß man aus dem eigenen Geiste schafft.

hebben die over deze buitenwwereld tot een zelfstandige inhoudt komt. We bewegen ons slechts in een waardeloos nadoen van de buitenwereld. We merken niet hoe vanuit de bron van de mens zelf een levendige inhoud op kan borrelen, want deze levendige inhoud kan dan niet van iets anders vandaan komen dan van de geest zelf.
Neem nu eens de totale tegenstelling tussen wat de inhoud van de geesteswetenschap is en die van de gewone natuurwetenschap. Deze geesteswetenschap wordt door veel mensen van nu, wanneer ze zoal horen wat deze heeft te zeggen, in het begin – ik wil me een beetje radicaal uitdrukken – als iets idioots, volledig fantasterij. Waarom dan wel? Omdat men er niet aan gewend is, zo over de wereld te horen spreken, zoals de geesteswetenschap spreekt. Men is eraan gewend zo over de wereld te horen spreken, dat men kan vergelijken wat besproken is, met wat men buiten ziet, met de ogen kan waarnemen, wat bij andere gelegenheden waargenomen kan worden. Geesteswetenschap brengt dingen die je niet direct ergens in de buitenwereld kan vinden, die je niet kan vinden door alleen maar met de zintuigen waar te nemen, maar waarbij je moeite moet doen om uit je eigen geest te scheppen.

Man schafft ja allerdings aus dem tieferen Inhalte dem Welt heraus, aber man muß eben produktiv aus dem Geiste heraus schaffen. Auf dieses kommt es an, auf dieses produktive aus dem Geiste heraus Schaffen. Man wartet nicht, wenn man Geisteswissenschaft, wenn ich so sagen darf, studiert, bis einem entgegenkommt von außen ein Baum, ein Tier, das man im Begriff abbildet; man muß den Begriff in seiner inneren Lebendigkeit erzeugen. Wir werden gleich nachher Beispiele sehen, wie man gerade aus dem Geisteswissenschaft heraus Begriffe inner­lich erzeugen muß, wie sie dadurch ein lebendigem Inhalt werden im Menschen. So daß man sagen kann: unser intellektualistischem Verstand ist allmählich leer geworden. Geisteswissenschaft gibt diesem intellek­tualistischen Verstand etwas, wodurch er aus sich selbst heraus seine Leerheit erfüllen kann.
Wenn Sie heute zum Beispiel so etwas nehmen wie meine »Geheim-wissenschaft«, und Sie diese »Geheimwissenschaft« lesen wie irgendein anderes Buch, das heute von dem Welt handelt, so werden Sie nicht zu­rechtkommen; denn man ist ja selbst bei künstlerischen Werken heute dazu gedrängt, daß man sagt: Ja, da wird etwas dargestellt, wo findet man so etwas in der Welt? Vom Drama, vom Roman selbst, also von

Men is zeer zeker wel scheppend bezig vanuit de diepere inhoud van de wereld, maar je moet dus productief vanuit de geest scheppend bezig zijn. Daar komt het op aan: op dit productieve scheppend bezig zijn vanuit de geest. Men wacht niet, wanneer men geesteswetenschap, als ik het zo zeggen mag, studeert tot iemand van buitenaf een boom, een dier tegenkomt dat men in een begrip verbeeldt; je moet het begrip in wat innerlijk levendig in je is, oproepen. We zullen meteen hierna voorbeelden zien, hoe je nu uit de geesteswetenschap begrippen innerlijk moet oproepen, hoe die daardoor een levende inhoud worden in de mens. Zodat je kan zeggen: ons intellectualisitsche verstand is langzmerhand leeg geraakt. Geesteswetenschap geeft dit intellectualistische verstand iets waardoor het uit zichzelf die leegte vullen kan.
Wanneer u vandaag bijv. zoiets neemt als mijn ‘Wetenschap van de geheimen der ziel’* en u leest dit als een of ander boek dat het vandaag de dag over de wereld heeft, dan heb je er niets aan; want tegenwoordig voelt men zich zelfs bij kunstzinnige werken ertoe gedwongen te zeggen: ja, wat daar beweerd wordt, waar vind je dat in de wereld? Van het drama, van de roman zelf, dus van de

*GA 13 Die Geheimwissenschaft im Umriss
vertaald

blz. 63

Phantasieprodukten verlangt man heute, daß sie sich ihrem Inhalte nach genau so oder etwa nahezu genau so in der Welt finden. Das können Sie bei dem, was der Inhalt der Geisteswissenschaft ist, zunächst gar nicht. Sie sind zu etwas anderem genötigt. Und deshalb findet sich so viel Gegnerschaft gegen die Geisteswissenschaft, weil man zu etwas ganz anderem genötigt ist, als dem gewöhnlichen wissenschaftlichen oder künstlerischen Produkte der Gegenwart gegenüber. Man ist genötigt, jeden Schmitt, dem gewissermaßen als von dem Verfasser eines solchen geisteswissenschaftlichen Buches getan, nachgezeichnet wird, in innerem Aktivität mitzumachen. Man hat nichts von dem Lektüre eines solchen Buches, wenn man nicht seinen Inhalt sofort nach der Anleitung dieses Buches aus sich selber heraus produziert. Gerade dadurch stellt sich Geisteswissenschaft heute in dem hembsten Weise gegen die Zeitbildung. Die Leute laufen heute am liebsten auch in solche Vorträge, in denen ihnen mit Lichtbildern oder auf eine ähnliche Weise vor die Sinne das­jenige gestellt wird, was sie eigentlich aufnehmen sollen. Oder die Leute laufen heute ins Kino, weil sie da etwas sehen können; sie geben nicht viel darauf, daß da auch ein paar Worte zur Erklärung stehen. Das heißt: man will passiver Mensch bleiben, will ein Mensch bleiben, dem nur schaut, der nur hinsieht.

fantasieproducten verlangt men tegenwoordig dat de inhoud ervan precies zo of ongeveer zo in de wereld te vinden is. Dat kun je bij het inhoudelijke van de geesteswetenschap aanvankelijk helemaal niet. Dan moet je anders te werk gaan. En daarom zijn er zoveel tegenstanders van de geesteswetenschap, omdat je gedwongen wordt heel anders te werk te gaan dan de huidige wetenschappen of anders moet staan ten opzichte van de huidige kunstzinnige producten. Je moet zogezegd iedere stap die door de schrijver van zo ’n geesteswetenschappelijk boek gezet is, ook zetten en die innerlijk mee voltrekken. Je hebt niets aan zo’n boek, wanneer je de inhoud niet meteen volgens de aanwijzingen vanuit jezelf laat komen. Juist daardoor stelt de geesteswetenschap zich tegenwoordig op de meest scherpe manier op tegenover de huidige ontwikkeling. De mensen lopen vandaag het liefst bij een voordracht binnen waar hun zintuigen met dia’s of iets dergelijks iets voorgeschoteld krijgen wat ze in feite moeten opnemen. Of de mensen lopen de bioscoop binnen, omdat ze daar iets kunnen zien; ze letten er niet zo op dat er ook nog een paar woorden ter verklaring staan. Dat betekent: men wil een passief mens blijven, wil een mens blijven die alleen maar kijkt, toekijkt.

Wenn man in dieser Weise die Ge­wohnheiten der heutigen Zeit auf sich wirken läßt, so hat man von einem geisteswissenschaftlichen Buch oder Vortrag gar nichts. Da ent­hält er eigentlich gar nichts, dem geisteswissenschaftliche Vortrag oder das geisteswissenschaftliche Buch. Alles hängt davon ab, daß man in­nerlich dasjenige erarbeitet, was, ich möchte sagen, nur fadengezeich­net wird in dem Buche oder in dem Vortrage.
Es handelt sich also darum, daß der passiv gewordene Verstand un­seres intellektualistischen Zeitalters aktiv wird. Geisteswissenschaft selber ist ein innerliches Tun, insofern man sich mit einem Vorstellungs­welt beschäftigt, und unterscheidet sich dadurch radikal von dem, was man heute gewöhnt ist. Sehen Sie, auf diese innerliche Selbstemziehung kommt ungeheuer viel an. Denn dadurch wird die abstrakte Geistig­keit, die gerade dem heutigen Verstandesbildung anhaftet, durchaus überwunden. Dadurch aber wird die ganze Geistes- und Seelenver-fassung des Menschen eine andere.
Es war mir, ich möchte sagen, ergreifend, als ich gerade heute mor­gen einen Brief bekam von einer Lehrkraft unserer Stuttgarter Wal­domfschule’ die wir ja aus den hier geltend gemachten pädagogischen 

Wanneer je zo de gewoonten van deze tijd op je laat inwerken, dan heb je niets aan een geesteswetenschappelijk boek of een voordracht. Dan zit er eigenlijk niets in, in zo’n geesteswetenschappelijke voordracht of zo’n geesteswetenschappelijk boek. Alles hangt ervan af of je innerlijk verwerkt, wat er – wat ik zou willen noemen – in een boek of voordracht slechts als lijnen wordt uitgezet.
Het gaat er dus om, dat het passief geworden verstand van ons intellectualistisch tijdperk actief wordt. Geesteswetenschap zelf is een innerlijke activiteit, voor zoverre je je bezighoudt met een wereld van voorstellingen en onderscheidt zich radicaal van wat men tegenwoordig gewend is. En ziet u, op deze innerlijke zelfopvoeding komt het buitengewoon aan. Want daardoor wordt het abstract geestelijke dat juist de huidige verstandsvorming aankleeft, echt overwonnen. Daardoor echter, wordt de totale geestelijke en zielenconfiguratie van de mens anders.
Het deed me wel wat, toen ik juist vandaag een brief kreeg van een leerkracht van onze vrijeschool in Stuttgart die wij pas uit de hier concreet gemaakte pedagogische

*GA 297  Idee und Praxis in der Waldorfschule
De 1e drie voordrachten waren bekend onder de naam ‘Die Waldorfschule und ihr Geist’.
Hiervan werd de voordracht van 31 aug. 1919 vertaald in ‘Vrijheid van onderwijs en sociale driegeleding’ uitg. Nearchus.

blz. 64

Prinzipien begründet haben. Es ist Ihnen vielleicht bekannt, daß ich wochenlang vorher die Lehrerschaft dieser Waldorfschule durch einen seminaristischen Kursus vorbereitet habe; die Lehrer lesen den Kursus immer wiederum nach. In diesem Brief schrieb diese Lehrkraft: »Wenn ich immer wieder und wiederum diese pädagogischen Vorträge lese, so ist es mir, wie wenn ich in einer fremden Gegend mich befindlich plötz­lich Heimatklänge hörte.« – Es ist ein Gefühl, das ich ganz gut ver­stehen kann. Der Mensch, der innerlichste Mensch heute fühlt sich fremd in unserer intellektualistischen Welt; und überwindet er sich wirklich so weit, daß er seinen aktiven, inneren Menschen in Tätigkeit bringt, wie er es tun muß bei jeder geisteswissenschaftlichen Darstel­lung, dann hat er etwas wie menschliches Urheimatgefühl’ wie etwas von den Klängen aus der geistigen Welt heraus, aus der ja der Mensch eigentlich stammt. Und darauf kommt es an, daß man sich angewöhnt, das Geistige immerfort gegenwärtig zu haben. Worauf kam es mir zum Beispiel den Lehrern der Waldorfschule gegenüber an? Darauf kam es mir an, daß diese Lehrer abtun gewissermaßen alles dasjenige, was Normpädagogik ist, was dann so verwertet wird im Unterrichte, daß man sich erinnert, man solle dieses so, jenes so machen, die richtige pädagogische Wissenschaft sagt dies und sagt jenes und so weiter.

principes opgericht hebben. Het is u misschien bekend dat ik wekenlang van te voren de lerarengroep van deze vrijeschool door een opleidingscursus* voorbereid heb; de leraren lezen de cursus steeds weer door. In deze brief schreef deze leerkracht: ‘Wanneer ik deze pedagogische voordrachten steeds weer lees, is het alsof ik mij in een vreemde streek bevindt en plotseling iets hoor van thuis.’
Dat is een gevoel dat ik heel goed kan begrijpen. De innerlijke mens, de diep innerlijke mens voelt zich tegenwoordig een vreemde in onze intellectualistische wereld; en komt hij werkelijk zo ver dat hij zijn actieve, innerlijke mens in beweging brengt zoals hij dat moet doen bij iedere geesteswetenschappelijke beschrijving, dan krijgt hij iets van een oermenselijk gevoel van thuiszijn, alsof iets vanuit die geestelijke wereld klinkt waaruit de mens in feite stamt. En daar komt het op aan, dat je het tot een gewoonte maakt het geestelijke steeds weer paraat te hebben. Waarop kwam het mij bijv. aan bij de leerkrachten van de vrijeschool. Het ging mij erom dat de leerkrachten wat dat betreft alles achter zich laten wat normpedagogie is, die in het onderwijs gerealiseerd moet worden door er dan aan te denken dat je dit zó moet doen en dat zus; dat de ware pedagogische wetenschap dit en dat zegt enz.

*Rudolf Steiner hield vóór de oprichting van de vrijeschool in de tijd van 21 aug. tot 5 sept. 1919 in Stuttgart dagelijks drie cursussen als voorbereidng voor de leerkrachten:
GA 293 Allgemeine Menschenkunde als Grundlage der Pädagogik
vertaald                     bespreking op deze blog
GA 294 Erziehungskunst-Methodisch-Didaktisches
vertaald
GA 295 Erziehungskunst-Seminarbesprechungen
vertaald

Gei­steswissenschaft ist gewissermaßen darauf hinauslaufend, daß man in jedem Momente eigentlich vergißt den geistigen Inhalt, den man durch die Geisteswissenschaft aufgenommen hat, und ihn jederzeit wiederum neu aufnehmen und in sich erzeugen muß. Man hat nicht wirklich die Geisteswissenschaft, wenn man sie als etwas hat, woran man sich er­innert.
Nehmen Sie es mir nicht übel, wenn ich hier etwas Persönliches vor­bringe. Ich bin niemals imstande, wenn ich 30-, 40-, 50mal über das­selbe Thema rede, irgendwie den gleichen Vortrag zu halten. Ich kann dies ebensowenig, wie ich – verzeihen Sie den grotesken Vergleich -das wieder essen könnte, was ich gestern gegessen habe. Da steht man im Lebendigen drinnen. Und so steht man mit dem, was geisteswissen­schaftlicher Inhalt ist, im Lebendigen drinnen. Man hat es immer fort und fort neu zu erarbeiten. So versuchte ich auch die Lehrer der Wal­dorfschule so vorzubereiten, daß sie gewissermaßen jeden Morgen mit jungfräulicher Seele ihre Schule betreten, um vor etwas völlig Neuem zu stehen, vor lauter neuen Rätseln. Das Vergessenkönnen, das nur die andere Seite des Verarbeitetwerdens ist, das ist es, was Geisteswissenschaft

Geesteswetenschap mondt a.h.w. daarin uit dat je op ieder ogenblik de geestelijke inhoud eigenlijk vergeet die je door de geesteswetenschap opgenomen hebt en die je iedere keer weer opnieuw op moet nemen en in jezelf op moet roepen. Geesteswetenschap heb je niet echt, als je die alleen maar hebt als iets wat je je herinnert.
Neem me niet kwalijk dat ik hier iets persoonlijks zeg. Ik kan nooit, wanneer ik 30, 40 of 50 keer over hetzelfde thema spreek, op de een of andere manier dezelfde voordracht houden. Ik kan dit net zo min – excuses voor het groteske vergelijk – als opnieuw opeten wat ik gisteren gegeten heb. Dat is in het leven staan. En zo sta je met de inhoud van de geesteswetenschap in het leven. Je moet het steeds weer nieuw verwerken. Op deze manier probeerde ik ook de leerkrachten van de vrijeschool zo voor te bereiden dat ze eigenlijk iedere morgen met een frisse ziel de school binnengaan om voor iets volledig nieuws te staan, voor louter nieuwe opgaven. Kunnen vergeten, dat alleen maar de andere kant van het verwerkingsproces is, dat leert de geesteswetenschap

blz. 65

dem Menschen anerzieht, was das Ergebnis der Selbst-erziehung durch Geisteswissenschaft ist. Sie werden sagen: Ich kenne ja auch ein paar Geisteswissenschafter oder Anthroposophen, die zäh­len mir doch an den Fingern her dasjenige, was sie gelernt haben. Ja, meine sehr verehrten Anwesenden, das ist ja noch die Unvollkommen­heit der Anthroposophen. Ich habe es nicht verhindern können, daß auch solche Anthroposophen gegenwärtig hier sind, die müssen sich das also eventuell anhören. Es ist eine Unvollkommenheit, wenn man das anthroposophische Wissen als ein Gedächtniswissen hat, wenn man es nicht hat als einen Urquell des inneren Seelenerlebens, das jederzeit neu erschaffen sein will in der Seele. Das ist aber die Stimmung, in der man gerade dem Menschen gegenüberstehen soll, wenn man ihn unterrichten oder erziehen soll. Also darum handelt es sich, daß Geisteswissenschaft durch die Art, wie man sie verarbeitet, unsere Seele in eine Lebendig­keit bringt, die so verläuft, wie im Physischen der Verdauungsprozeß jeden Tag neu verläuft, so daß alles bloß Gedächtnismäßige schwindet gegenüber dem, was Geisteswissenschaft dadurch gibt, daß sie vom aktiven Verstande, nicht vom passiven Verstande ausgeht.

aan de mens, het is het resultaat van de zelfopvoeding door geesteswetenschap. Je kunt zeggen: ik ken ook een paar geesteswetenschappers of antroposofen die vertellen op hun duimpje wat ze geleerd hebben. Ja, maar zeer geachte aanwezigen, daar schieten de antroposofen nog tekort. Ik heb het niet kunnen tegenhouden dat er tegenwoordig ook zulke antroposofen hier zijn; die moeten dit eventueel dan maar aanhoren. Het is een tekort wanneer je antroposofisch weten als een weten vanuit je geheugen hebt, wanneer je dat niet hebt als een oerbron in je innerlijk, die iedere keer weer nieuw gewekt wil worden in de ziel. Dat is echter de stemming waarmee je nu juist t.o.v. de mens moet staan die je moet onderwijzen, op moet voeden. Dus het gaat erom, dat geesteswetenschap door de manier waarop je deze geestelijk je eigen maakt, je ziel energie geeft zoals dat iedere dag opnieuw in het lichaam gebeurt in het stofwisselingsproces, zodat alles wat maar gedachten vanuit het geheugen zijn, verdwijnt voor wat geesteswetenschap ervoor in de plaatst geeft doordat ze uitgaat van het actieve verstand, niet vanuit het passieve.

Das ist, was ich nennen möchte eine Befruchtung der pädagogischen Kunst schon auf dem Vorstellungsgebiete dadurch, daß man gerade Geisteswissenschaft einfließen läßt in sein ganzes Denken, in sein Vor­stellen. Man kann nun auf der einen Seite sich dem Menschen innerlich von der Vorstellungs-, von der Verstandesseite aus nähern; man kann das aber auch von der Willensseite aus tun. Ich kann das ja hier nur schildern, aber die Ideen, die ich versuchen werde zu schildern, die sind geeignet, wenn man sie nur tief genug erfaßt, Feuer in denjenigen hineinzugießen, der Menschen zu erziehen oder zu unterrichten hat. Da möchte ich auf etwas hinweisen, was zusammenhängt mit der Frage, die mir gestellt worden ist.
Es ist gefragt worden, wie sich die Entwickelung des Kindes, so wie ich sie versucht habe wenigstens zunächst zu skizzieren, wie sich diese Entwickelung des Kindes bis zum 7. Jahre, dann bis zum 14., 15. Jahre verhält zu dem, was sich etwa für die Entwickelung ergibt aus dem biogenetischen Grundgesetz Ernst Haeckels heraus.
Sie wissen ja, dieses biogenetische Grundgesetz besagt für die äußere naturwissenschaftliche Betrachtung der Welt, daß sich, wenn wir beim Menschen bleiben, in der menschlichen Embryonalentwickelung die Stammesentwickelung wiederholt, daß gewissermaßen die Ontogenie

Dat is wat ik zou willen noemen, een bevruchting van de pedagogische kunst, alleen al op het gebied van het voorstellen, door geesteswetenschap op te nemen in heel je verstand, in het voorstellen. Dan kun je enerzijds de mens innerlijk van de voorstellingskant, van de verstandskant uit benaderen; je kan het ook doen vanuit de wilskant. Ik kan dat hier alleen maar schetsen, maar de ideeën die ik wil schetsen zijn geschikt, wanneer je ze maar goed genoeg begrijpt, iemand enthousiast te maken die mensen moet opvoeden of onderwijzen. Ik wil nu op iets wijzen, wat samenhangt met een vraag die me is gesteld.
De vraag was, hoe de ontwikkeling van een kind, zoals ik die min of meer wat geprobeerd heb te schetsen, de ontwikkeling van het kind tot het 7e jaar, daarna tot het 14e, 15e jaar te vergelijken is met de ontwikkeling zoals die uit Haeckels* biogenetische grondwet volgt.
U weet dat deze biogenetische grondwet beweert voor de uiterlijke natuurwetenschappelijke opvatting van de wereld, dat wanneer we bij de mens blijven, zich in de ontwikkeling van het embryo van de mens, de ontwikkeling van de stam herhaalt, dat in zekere zin de ontogenese

* Ernst Haeckel, 1834-1919,Duits voorvechter van het Darwinismus. Boven de «bio­genetische grondwet» staat: «Algemene morfologie van de organismen« (Berlin 1866).

blz. 66

eine Wiederholung der Phylogenie ist. Der Mensch ist in der Zeit von der Konzeption bis zu der Geburt nach und nach in einer solchen Ent­wickelung, daß er die verschiedenen Tierformen, von den einfacheren bis zu den komplizierteren, bis herauf zum Menschen eben durchmacht. Dieses für die naturwissenschaftliche Weltanschauung außerordentlich bedeutungsvolle Gesetz – ich kenne sehr gut seine Ausnahmen, seine Grenzen – aber gerade derjenige, der das kennt, muß es ein sehr be­deutungsvolles naturwissenschaftliches Gesetz nennen -, das hat man versucht, auch auf die geistig-seelische Entwickelung des einzelnen Menschen im Verhältnis zur ganzen Menschheit geltend zu machen. Man ist dadurch auf eine ganz falsche Fährte gekommen.
Wodurch würde man einen Parallelismus finden können zwischen der seelisch-geistigen Entwickelung des Menschen und zwischen diesem biogenetischen Grundgesetz? Doch nur dann, wenn man sagen könnte:
das kleine Kind, wenn es seinen irdischen Lebenslauf beginnt, macht gewissermaßen Urzustände des Menschengeschlechts durch. Wächst es heran, so macht es Zustände späterer Entwickelungsepochen der Menschheit durch und so weiter. Es wiederholt die kindliche Ent­wickelung die Entwickelung des ganzen Menschengeschlechtes.

een herhaling van de fylogenese is. De mens is in de tijd vanaf de conceptie tot aan de geboorte na elkaar in zo’n ontwikkeling dat hij de verschillende diervormen, van de meest eenvoudige tot de gecompliceerdere, tot aan de mens doormaakt. Deze voor de natuurwetenschappelijke wereldbeschouwing buitengewoon belangrijke wet – ik ken de de uitzonderingen en de grenzen ervan – en juist degene die dat weet moet het een zeer belangrijke natuurwetenschappelijke wet noemen – heeft men geprobeerd ook te laten gelden voor de ontwikkeling van geest en ziel van de individuele mens t.o.v. de hele mensheid.
Men is daardoor in verkeerd vaarwater terechtgekomen.
Waardoor zou je een parallel kunnen trekken tussen de ontwikkeling van de menselijke ziel en geest en tussen deze biogenetische wet? Toch alleen dan, wanneer je zou kunnen zeggen:
Het kleine kind, wanneer het zijn aardse levensloop begint, maakt dus oertoestanden van het mensengeslacht door. Wordt het groter, dan maakt het toestanden door van latere ontwikkelingsfasen van de mensheid enz. De ontwikkeling van het kind herhaalt de ontwikkeling van heel het geslacht mens.

So etwas kann man als ein Phantasiegebilde aufstellen, aber es entspricht dies keiner Wirklichkeit; und erst Geisteswissenschaft ist in der Lage, auf diesem Gebiete sich der Wirklichkeit zu nähern. Wenn man den mensch­lichen Embryo verfolgt von der ersten, zweiten, dritten Woche – so­weit man es heute schon kann, bis zu seinem Reifwerden -, so sieht man da die Andeutungen der aufeinanderfolgenden, immer vollkom­mener werdenden Formen, die Fischgestalt und so weiter. Wenn man dagegen im Kinde die ersten Entwickelungsjahre beobachtet, so sieht man nichts von einer Wiederholung von irgendwelchen Urzuständen der Menschheitsentwickelung, oder im weiteren Fortgang, von folgen­den Epochen der Menschheitsentwickelung. Da müßte man in die kindliche Entwickelung Kräfte und Vorgänge hineinträumen, wenn man so etwas finden wollte. Es war ein schöner Traum, als Leute, wie der Pädagoge Wolf oder andere geltend gemacht haben, Kinder ma­chen gewissermaßen die Zeiten der wilden Barbarenzeit durch, dann gibt es gewisse Knabenzeiten, wo man die persische Kulturzeit durch-macht und so weiter. Schöne poetische Bilder können dabei heraus­kommen, aber Unsinn bleibt es, denn es entspricht eine solche Schil­derung durchaus nicht einer wahren Wirklichkeit! Da muß man schon

Zoiets kun je als een fantasieproduct formuleren, maar het is niet in overeenstemming met de werkelijkheid; pas de geesteswetenschap is in staat op dit gebied de werkelijkheid te benaderen. Wanneer je het menselijk embryo volgt vanaf de eerste, tweede, derde week – voor zover men dit tegenwoordig [1920] al kan, tot het helemaal volgroeid is – dan zie je daar de aanduidingen van de op elkaar volgende, steeds volmaakter wordende vormen, vissengestalte enz. Wanneer je daarentegen bij het kind de eerste jaren van zijn ontwikkeling waarneemt, zie je niets van een herhaling van een of andere oertoestand van de mensheidsontwikkeling. Dan moet je wat met krachten en processen voor je uit zitten te dromen, wanneer je zoiets wilt vinden. Het was een mooie droom, toen mensen, zoals de pedagoog Wolf en anderen, opperden dat kinderen op een bepaalde manier de tijd van de wilde barbaren doormaken en dan bij de jongens een bepaalde tijd waarin ze de Perzische cultuur doormaken, enz. Mooie, dichterlijke beelden kunnen ontstaan, maar het blijft onzin, want tegenover zo’n schildering staat zeker geen echte werkelijkheid! Je moet in staat zijn

blz. 67

in der Lage sein, das menschliche Leben in seiner vollen Realität zu schauen, wenn man das Entsprechende im Geistig-Seelischen für das biogenetische Grundgesetz finden will. Und da zeigt sich der Geistes­wissenschaft, daß man nicht an den Anfang des Lebens sehen darf, sondern an das Ende des Lebens blicken muß. Wenn man über das 35., 40., 45. Jahr hinaus ist und nun wirklich sich über diese Jahre hin­aus bewahrt hat die Möglichkeit einiger Selbstbeobachtung, dann zeigen sich im Seelenleben des Menschen, im innersten Erleben des Menschen gewisse Rudimente. So wie sich in bezug auf äußerliche Körperlichkeit im Embryonalleben Rudimente der Stammesentwicke­lung zeigen, so zeigen sich merkwürdige innere Erlebnisse, die der Mensch hat nach dem 35., 40., 45. Jahre, wenn er zu wirklicher Selbst-beobachtung aufsteigt, zu der man vielleicht eben doch nur dadurch kommt, daß man jene Aktivität des Denkens, wie man sie sich aneignen muß, wenn man Geisteswissenschaft wirklich durchlebt, ausbildet. Da merkt man: im Alter treten innerliche Erlebnisse auf, die nicht ganz herauskommen, die wie Rudimente sich ausnehmen; die Leiblichkeit ist nicht mehr da, die uns die Möglichkeit bietet, das, was im Alter geistig-seelisch auftritt, wirklich herauszubringen; der Leib, die Leib­lichkeit versagt.

om het menselijk leven in zijn volle werkelijkheid te overzien, wil je de voor de biogenetische grondwet een daartegenover passende component voor geest en ziel vinden. En dan laat de geesteswetenschap zien dat je niet mag kijken naar het begin van het leven, maar dat je naar het einde moet kijken. Wanneer je boven de 35, 40, 45 jaar bent en je hebt de mogelijkheid gehouden van een bepaalde zelfwaarneming dan vind je in de ziel van de mens, in het diepste beleven van de mens, bepaalde rudimenten. Net zoals met betrekking tot de zichtbare lichamelijkheid in het embryo rudimenten zijn te zien van een evolutionaire ontwikkeling, zo vertonen zich opmerkelijke innerlijke belevingen die de mens heeft na het 35e, 40e, 45e jaar, wanneer het komt tot echte zelfwaarneming, waartoe je misschien toch alleen komt doordat je díe denkactiviteit aan de dag legt die je je eigen moet maken, wanneer je de geesteswetenschap werkelijk doorleeft. Dan merk je: wanneer je op leeftijd bent, krijg je innerlijke belevingen die niet helemaal helder worden, ze zijn er nog wel; je lichaam is niet meer in staat, geeft ons geen gelegenheid meer te realiseren wat we zo op die leeftijd voelen en denken; het lichaam, de lichamelijkheid laat ons in de steek. We worden, wanneer we ons niet door onze lichamelijkheid voor de gek laten houden, op leeftijd wat ziel en geest betreft, rijk.

Wir werden, wenn wir uns nur durch unsere Leib­lichkeit nicht beirren lassen, im Alter seelisch-geistig reich. Allerdings wenige Menschen merken heute in unserer intellektualistischen Kultur etwas von dem, was da im Alter des Menschen wie rudimentär in der Seele auftritt. Und wissen Sie, warum man es nicht merkt? Man merkt es nicht wegen unserer heute auf Intellektualismus gebauten Erzie­hung! Die macht uns im hohen Grade abhängig vom Leiblichen. Da­bei merken wir nicht, wie, sobald als wir über das 35. Jahr hinauskom­men, in unserem Seelenleben Dinge auftreten, die eben einfach durch die heutige Körperlichkeit der Menschheit körperlich sich nicht aus-leben können, die aber innerlich erlebt werden können, wenn wir die­sen Zeitraum des Menschenlebens nicht eigentlich seelisch verschlafen.
Das ist es, was sich einem so furchtbar auf die Seele legt, daß der größte Teil der heutigen Menschheit jene Alterserlebnisse, die den Menschen in ungeheuere Tiefen hineinführen können, einfach dadurch, daß er älter wird, mit vollem inneren Wachsein älter wird, geradezu verschläft. Heute wird ja ungeheuer viel von der Menschheit verschla­fen! Eignet man sich den aktiven Verstand an, eignet man sich vor allen Dingen – wir werden gleich sehen, was eigentlich damit gemeint

Toch merken maar weinig mensen in onze intellectualistische cultuur van tegenwoordig iets van wat daar rudimentair in de ziel van de mens op leeftijd merkbaar is. En weet je waarom je dat niet merkt? Door de opvoeding die in onze tijd op het intellectualisme stoelt. Die maakt ons in hoge mate afhankelijk van ons lichaam. Daarbij merken we niet, zodra we boven de 35 komen, hoe in onze ziel dingen gebeuren die eenvoudigweg door de moderne lichamelijkheid van de mensheid zich fysiek niet kunnen verwerkelijken, die innerlijk wel beleefd kunnen worden, wanneer we deze tijd van ons leven wat de ziel betreft tenminste, niet verslapen. Wat zo zwaar op je ziel kan drukken is dat het grootste deel van de moderne mensheid die leeftijdsbelevingen die de mens in een ongekende diepte zouden kunnen voeren, alleen al door het feit dat hij ouder wordt, vol bewust ouder wordt, nu juist verslaapt. Tegenwoordig verslaapt de mensheid heel veel! Zou je het actieve verstand, zou je bovenal –we zullen zo zien wat daarmee eigenlijk bedoeld wordt –

ist – das aktive Gemütsieben und Willensieben an, dann merkt man diese Rudimente des Seelenlebens im Alter. Und eine wirklich von der Geisteswissenschaft befruchtete Erziehungskunst, die wird es dahin bringen, daß wir tatsächlich diese Alterserlebnisse haben können. Dann wird man auch in der sozialen Lebensordnung wissen: solche Alters-erlebnisse gibt es; dann wird man auch in einer anderen Weise dem Alter entgegenleben. Man wird gewissermaßen neugierig sein, was das Alter einem bieten kann. Ganz andere innere Lebenserfahrung wird im Menschen reif.
Aber woher kommt es denn, daß solche Alterserlebnisse, solche ru­dimentären Erlebnisse auftreten? Um das zu verstehen, muß man aus der Geisteswissenschaft heraus die wirkliche Entwickelung des Men­schengeschlechtes ins Auge fassen. Diese wirkliche Entwickelung des Menschengeschlechtes ist ganz verfinstert worden durch unsere mate­rialistische Anthropologie. Im Ausgangspunkte der Menschheitsent­wickelung glaubt man, wäre menschliche Wildheit. Das trifft nicht zu. Im Gegenteil, wenn wir zurückgehen ins 7., 8. vorchristliche Jahrtausend, so war über einem großen Teil der damals zivilisierten Menschheit ein Urwissen, allerdings instinktiver Art, ausgebreitet, aber ein Urwissen, vor dem wir heute in Demut uns beugen, wenn wir es erfassen können. Letzte Reste sind aufgezeichnet in den Veden der Inder. Aber das ist nicht das Ursprüngliche, das ist schon etwas Abgeleitetes.

het actieve gevoels- en wilsleven je eigen maken, dan zou je de rudimenten in je ziel opmerken wanneer je op leeftijd komt. En een opvoedkunst, geïnspireerd door geesteswetenschap zou ons zo ver kunnen brengen dat wij daadwerkelijk deze ouderdomsbelevingen zouden kunnen ervaren. Dan zou men ook in het sociale leven weten: dergelijke leeftijdsbelevingen zijn er; men zou ook op een andere manier zijn ouderdom tegemoet gaan. Je wordt nieuwsgierig naar wat de ouderdom iemand te bieden heeft. Heel andere innerlijke levenservaring wordt rijp in de mens.
Maar hoe komt het dan dat er dergelijke leeftijdsbelevingen, die rudimentaire belevingen plaatsvinden. Om dat te begrijpen moet je vanuit de geesteswetenschap de werkelijke ontwikkeling van het mensengeslacht in het oog vatten. Deze werkelijke ontwikkeling is door onze materialistische antropologie helemaal onzichtbaar geworden. Bij het begin van de mensheidsontwikkeling, zo denkt men, waren de mensen wilden. Maar dat klopt niet. In tegendeel, wanneer we teruggaan in de 7e, 8e eeuw voor Christus, beschikten de mensen van de toen beschaafde mensheid over een oerweten, weliswaar van instinctieve aard, maar een oerweten waarvoor we ons nu deemoedig zouden buigen, als we het konden bevatten. De laatste resten daarvan zijn opgetekend in de Veda’s van de Indiërs. Maar dat is niet het oorspronkelijke, dat is al iets wat daarvan afgeleid is.

Mit ungeheuer trockener Intellektualität geht heute unsere Gelehrsamkeit an dasjenige, was die ersten historischen Überbleibsel sind aus dem Ägyptertum, aus dem Babyloniertum, aus dem Indertum. Aber dasjenige, was unsere Gelehrsamkeit nur in aller Trockenheit zutage fördert, das ist wiederum nur der letzte Rest eines instinktiven Urwissens der Menschheit, durch das der Mensch sich eins fühlte mit dem ganzen Universum. Wer heute wirklich Naturwissenschaft be­herrscht, und dann sieht, was dieses Urwissen der Menschen, selbst in dem schwachen Abglanz, der historisch überliefert ist, war – Geistes­wissenschaft kann dasjenige zeigen, was nicht historisch überliefert ist; Sie können darüber in meiner »Geheimwissenschaft« nachlesen -, wer wirklich hineinzuschauen weiß in dieses Urwissen, der weiß, daß es anders ausgesehen hat in den älteren Zeiten der Menschheitsentwicke­lung, als die heutige materialistische Anthropologie glaubt, die sich einbildet, daß sich der Mensch von selbst vom Wilden zu dem herauf-entwickelt hat, von dem wir heute sagen: Wir haben’s so herrlich weit

Met een ongekend droge intellectualiteit benaderen tegenwoordig de geleerden wat de eerste historische overblijfselen zijn uit Egypte, uit Babylonië, uit India. Maar wat de geleerden droog aan het licht brengen, is eveneens slechts de laatste rest van een instinctief oerweten van de mensheid, waarmee de mens zich één voelde met het hele universum. Wie tegenwoordig echt de natuurwetenschap beheerst en dan ziet, wat dit oerweten van de mensen, zelfs in de zwakke afspiegeling die historisch overgeleverd is, behelsde – geesteswetenschap kan laten zien, wat niet historisch overgeleverd is – u kunt daarover lezen in mijn ‘Wetenschap van de geheimen der ziel’ – wie werkelijk dit oerweten kan doorgronden, weet dat het er anders uitzag in de oudere tijden van de mensheidsontwikkeling dan de huidige materialistische antropologie gelooft; die beeldt zich in dat de mensen zich vanzelf ontwikkelden van wilden tot diegenen van wie we nu zeggen: ‘wij hebben het zo geweldig ver gebracht.’

blz. 69

gebracht. Nein, es weist uns die wirkliche Betrachtung der Menschen­entwickelung dahin, daß es zunächst eine Periode vorgeschichtlicher Entwickelung gegeben hat. Wir kommen dabei bis ins 7., 8., 9. Jahr­tausend vor der Entstehung des Christentums zurück, wo die Menschen ein Urwissen gehabt haben, das sie sich aber nur aneignen konnten da­durch, daß sie bis in ein höheres Alter herauf leiblich-seelisch entwicke­lungsfähig geblieben sind. Und dann blicken wir auf die erste, im Sü­den von Asien nach einer großen Weltkatastrophe, welche die Erde betroffen hatte, entstandene Kultur. Nur dadurch kommen wir dieser Urkultur nahe, daß wir auf die Eigentümlichkeit der Menschheit in der damaligen Zeit blicken. Das Parallelgehen der leiblichen Entwickelung mit der Seelenentwickelung bis zum 7. Jahre, dann wiederum bis zur Geschlechtsreife, das hört mit den Zwanzigerjahren auf, dann sind wir fertige Menschen für die heutige Zeit. Da dürfen wir nicht mehr glauben, daß wir uns in einer ähnlichen Weise über die Abgründe der Entwickelung hinüberheben, wie wir uns hinüberheben über den Zahn-wechsel und über die Geschlechtsreife.

Nee, een werkelijke beschouwing van de ontwikkeling van de mens wijst erop dat er zeer zeker een periode is geweest van voorchristelijke ontwikkeling. Wij komen uit in de 7e, 8e, 9e eeuw vóór het ontstaan van het christendom, toen de mensen een oerweten hadden, dat ze echter alleen kregen doordat ze tot op hoge leeftijd lichamelijk, maar ook in hun ziel de mogelijkheid hielden zich te ontwikkelen. En dan kijken we naar de eerste cultuur in het zuiden van Azië die na een zondvloed die de aarde trof, is ontstaan. We begrijpen alleen maar iets van deze oercultuur, als we naar het karakteristieke van de mensheid in die tijd kijken.
Het samengaan van de lichamelijke ontwikkeling met de zielenontwikkeling tot het 7e jaar, dan tot de geslachtsrijpheid, dat houdt met de twintiger jaren op, dan zijn we tegenwoordig als mens ‘af’. Dan mogen we er niet meer in geloven dat wij ons op gelijksoortige manier over de markering in de ontwikkeling heenkomen, zoals we over de tandenwisseling en de geslachtsrijpheid heen komen.

Das war anders in Urzeiten der Menschheit. In der alt-indischen Zeit haben sich die Menschen bis in die Fünfzigerjahre hinein physisch-leiblich so entwickelt, wie wir uns nur bis in die zwanziger Jahre hin­ein entwickeln. Durch diesen Parallelismus der physisch-leiblichen Entwickelung und der geistig-seelischen Entwickelung war das instink­tive Urwissen vorhanden, das erlebt wurde von den Patriarchen der damaligen Zeit, von denen, die einfach alt geworden sind, und die noch solche körperliche Umwandlung, wie wir sie nur in der Ge­schlechtsreife erleben, bis über die Fünfzigerjahre hinaus mit dem seelisch-geistigen Entwickeln durchgemacht haben.
Dann kam die Zeit, die ich in meiner »Geheimwissenschaft« die urpersische genannt habe. Da kommen wir in das 4., 5., 6. Jahrtausend der vordiristlichen Zeitrechnung zurück, und da vollzieht sich die leib­liche Entwickelung noch bis über die Vierzigerjahre hinauf. Und dann kommt die ägyptisch-babylonische Entwickelung, die bis ins 3., 4. Jahr­tausend der vordiristlichen Zeitrechnung geht. Da bleibt der Mensch entwickelungsfähig bis in die Mitte des Lebens, bis übers 35. Jahr hin­aus. Dann kommt diejenige Entwickelung, von der wir eigentlich historisch allein etwas Erhebliches wissen, es kommt die Entwickelung der griechisch-lateinischen, der griechisch-römischen Zeit, jene Ent­wickelung, in der der Mensch immerhin noch bis zum Anfang der

Dat was anders in de oertijd van de mensheid. In de Oud-Indische tijd hebben de mensen tot in hun vijftigste zich fysiek-lijfelijk zo ontwikkeld, zoals wij tot in ons twintigste. Door het samengaan van de fysiek-lijfelijke ontwikkeling en die van ziel en geest was het instinctieve oerweten aanwezig; dat ervoeren de aartsvaders van die tijd; en zij die eenvoudigweg oud geworden waren en die nog zo’n fysieke metamorfose doormaakten als wij nu met de geslachtsrijpheid, tot boven de vijftig jaar. Dan kwam de tijd die ik in mijn ‘Wetenschap van de geheimen der ziel’ de Oer-Perzische heb genoemd. Dan zijn we in de 4e, 5e, 6e eeuw van de voorchristelijke tijd en daar gaat de lichamelijke ontwikkeling nog door tot in de veertiger jaren. En dan komt de Egyptisch-Babylonische ontwikkeling die tot in de 3e, 4e eeuw van de voorchristelijke tijdrekening loopt. Daar blijft de mens nog de mogelijkheid houden zich te kunnen ontwikkelen tot in het midden van het leven, tot boven zijn 35e.. Dan komt de ontwikkeling waarvan we eigenlijk alleen historisch iets belangrijks weten; de ontwikkeling van de Grieks-Latijnse, van de Grieks-Romeinse tijd; die ontwikkeling waarin de mens in elk geval nog tot het begin

blz. 70

Dreißiger in seiner Leiblichkeit voll entwickelbar bleibt. Der Grieche lebte anders, auch noch der alte Römer lebte anders als wir leben. Solche Wahrheiten der weltgeschichtlichen Entwickelung, man will sie heute nur nicht zugeben, weil man auf diese Dinge nicht die Aufmerk­samkeit hinwendet. Der Grieche lebte noch so, daß er das Geistig-Seelische zugleich als ein Leibliches spürte. Wenn er den Blick hinaus-wendete in die Welt, so wußte er: ich schaue die Dinge nicht bloß an; er wußte gleichzeitig um den physischen Vorgang seines Leibes. Das hing davon ab, daß er viel länger entwickelungsfähig blieb, als wir körperlich-physisch entwickelungsfähig sind.
Sehen Sie, all das, was die Menschen einer früheren menschlichen Entwickelungsepoche noch im Leibe erlebt haben, das erleben wir im Alter nur noch geistig-seelisch, wenn wir es nicht verschlafen. Das sind die Rudimente. Während für das Physische im biogenetischen Grund­gesetz der Anfang des Lebens als Wiederholung erscheint dessen, was in der Stammesentwickelung durchgemacht wurde, wachsen wir gerade heute hinein in das, was die Urmenschheit durchgemacht hat, indem wir die Rudimente im Alter betrachten. Dasjenige, was wir heute er­leben, wenn wir am Ende der Vierziger-, Anfang der Fünfzigerjahre sind, als seelische Rudimente, das kann uns noch eine Vorstellung geben von der ersten indischen Urkultur, die bis ins 7., 8. Jahrtausend der vorchristlichen Zeitrechnung zurückgeht.

van zijn dertigste wat zijn lichamelijkheid betreft, zich nog volledig kon ontwikkelen. De Griek leefde anders, ook de oude Romein leefde anders dan wij nu leven. Zulke waarheden in de ontwikkeling van de wereldgeschiedenis wil men tegenwoordig niet toegeven, omdat men er zijn aandacht niet op richt. De Griek leefde nog zo, dat hij geest en ziel tegelijk als iets lichamelijks voelde. Wanneer hij zijn blik richtte op de buitenwereld, dan wist hij: ik kijk niet alleen maar naar de dingen; hij kende tegelijkertijd wat er zich in zijn lichaam fysiek afspeelde. Dat hij veel langer capabel bleef zich lichamelijk, fysiek te ontwikkelen dan wij, hing daarvan af.
Zie je, alles wat de mensen in een vroegere menselijke ontwikkelingsfase nog in hun lijf ervoeren, dat beleven wij als we op leeftijd zijn alleen nog in onze ziel, onze geest, als we het niet verslapen. Dat zijn de resten. Terwijl wat het fysieke betreft in de biogenetische grondwet het begin van het leven als een herhaling verschijnt van wat in de evolutieontwikkeling doorgemaakt werd, komen wij terecht in wat de oermensheid doormaakte als we de resten daarvan beschouwen als we op leeftijd zijn.
Wat wij tegenwoordig ervaren als overblijfselen in onze ziel als we eind 40, begin 50 zijn, kan ons nog een voorstelling geven van de eerste Indische cultuur die tot in de 7e, 8e eeuw voor Christus teruggaat.

Das, was wir in den Vierzi­gerjahren innerlich seelisch erleben, gibt uns einen Abglanz dessen, was die urpersische Zeit war im 4., 5. Jahrtausend. Dasjenige, was wir er­leben in den letzten Dreißigerjahren ist ein Abglanz – nicht mehr geistig, nur leiblich – von dem, was die alten Ägypter, Babylonier ganz anders lebten und fühlten, weshalb sie auch ein ganz anderes soziales Leben führen konnten. Die Gelehrten beschreiben heute die Griechen so, daß sie ihnen im Grunde ganz fremd gegenüberstehen. Es ist ganz merkwürdig, was man eigentlich alles an Äußerlichkeit heute geleistet hat. Wir haben vor den Kriegsjahren gehört, wie da oder dort in der Welt »olympische Spiele« wiederum gefeiert werden sollen, olympische Spiele, in denen man die Äußerlichkeit nachahmt von etwas, das ganz darauf gebaut war, daß der Mensch über die Dreißi­ger hinaus noch eine leiblich-physische Entwickelung durchmacht, die er heute eben nicht durchmacht. Aus dem Leiblichen heraus floß dem Menschen ein Geistig-Seelisches bis ins hohe Alter hinauf in den frü­heren Zeiten.

Wat wij innerlijk, met onze ziel, beleven wanneer we boven de 40 zijn, geeft ons nog een glimp van wat de Oer-Perzische tijd in de 4e, 5e eeuw was. Wat we beleven als we eind dertig zijn is een glimp – niet meer geestelijk, alleen lichamelijk – van wat de oude Egyptenaren en Babyloniërs nog beleefden en voelden, waardoor ze ook een heel ander sociaal leven konden leiden.
De geleerden beschrijven tegenwoordig de Grieken zo, dat zij basaal heel vreemd tegenover hen staan.
Het is heel opmerkelijk wat men tegenwoordig tot stand heeft gebracht wat uiterlijke feiten aangaat. Vóór de oorlog hoorden we al hoe hier of daar in de wereld weer ‘Olympische Spelen’ gehouden zouden moeten worden, olympische spelen waarin men de uiterlijke vorm nadoet van iets dat er helemaal op gericht was dat de mens boven de dertig nog een fysiek-lijfelijke ontwikkeling doormaakt, wat hij nu niet meer doet.
Uit het levend-lichamelijke ontsproot nog iets van ziel en geest tot op hoge leeftijd in die vroegere tijden.

blz. 71

So daß wir sagen können:
1.    Kulturstufe: wirkliche Erlebnisse bis über das 48. Jahr
2.    Kulturstufe: wirkliche Erlebnisse bis über das 42. Jahr
3.    Kulturstufe: wirkliche Erlebnisse bis über das 35. Jahr
4.    Kulturstufe: wirkliche Erlebnisse vom 28. bis zum 35. Jahr.
Die 5. Kulturstufe ist unsere heutige, ist unsere Gegenwart; in der leben wir drinnen seit der Mitte des 15. Jahrhunderts. Da bleiben wir entwickelungsfähig höchstens bis zum 27. oder 28. Jahr.
Allein diese Anschauung erklärt uns, wie die gegenwärtige Mensch­heit beschaffen ist. Diese gegenwärtige Menschheit ist so beschaffen, daß sie sich anders entwickeln muß als eine frühere Menschheit. Der gegenwärtigen Menschheit erstehen im Geistig-Seelischen keine An­schauungen mehr, wenn sie sich passiv der leiblich-physischen Ent­wickelung hingibt. Wenn wir von den Dreißigerjahren an nicht ver­öden wollen, sind wir darauf angewiesen, uns Anschauungen aus an­deren Quellen heraus zu schaffen, als diejenigen sind, die wir bloß durch unsere leiblich-physische Entwickelung erhalten. Vorläufig geben sich die Menschen in bezug auf diese Dinge noch furchtbaren Illusionen hin.

Zodat we kunnen zeggen:

1e cultuurfase: werkelijke belevingen tot boven het 48e jaar
2e                  —                   —                                              42e
3e                  —                   —                                              35e
4e                  —                   —               vanaf het 28e tot 35e

Het 5e cultuurtijdperk is het onze, is onze huidge tijd waarin we sedert het midden van de 15e eeuw zijn aangekomen. We houden hier nog ontwikkelingsmogelijkheden tot ongeveer het 27e, 28e jaar. Alleen wat we hier waarnemen verklaart hoe het er met de huidige mensheid voor staat. Het is zo dat zij zich anders moet ontwikkelen.
De tegenwoordige mensheid haalt uit de geest-zielenwereld geen waarnemingen meer, wanneer men zich passief overgeeft aan de lijfelijk-fysieke ontwikkeling. Wanneer we vanaf ons dertigste niet willen verkommeren, zijn we erop aangewezen in ons zelf waarnemingen te ontwikkelen vanuit andere bronnen als die, die wij alleen maar krijgen door onze lijfelijk-fysieke ontwikkeling. Voorlopig hebben de mensen wat deze dingen betreft nog te veel vast van illusies.

Ich will Sie nur darauf aufmerksam machen, daß unsere religiösen Vorstellungen, auch diejenigen, wovon wir heute noch im Unterrichten leben, ererbte sind. Warum haben wir denn eigentlich diese Furcht vor irgendeiner Erneuerung der religiösen Vorstellungen? Weil man eben heute mit ungeheurer Scheu entgegenblickt dem Entgegennehmen aus geistigen Quellen. Man will bei dem Ererbten stehenbleiben, weil man gewissermaßen sich vor dem Nichts sieht. Das Gefühl ist berechtigt, denn mit 27, 28 Jahren stirbt heute beim Menschen das durch die Lei­besentwickelung geweckte innere Geistesleben ab. Wir würden also verödet sein, wenn nicht die ererbten religiösen Vorstellungen wenig­stens noch unbewußt und instinktiv in uns spielten. Und wenn wir nicht manche Vorstellungen aus alten Zeiten noch traditionell fort-pflanzten, würden wir alle nach dem 28. Jahre veröden. Wir sind eben heute darauf angewiesen, anzuerkennen dies Gesetz der Menschheits­entwickelung. Sie werden merken, die Sache ist im übertragenen Sinne gemeint. Je weiter die Menschheitsentwickelung fortschreitet, desto jünger wird die Menschheit. Mit anderen Worten: diese Menschheits-entwickelung erreicht passiv nur immer jüngere Jahre, dann hört sie auf in geistiger Hinsicht wirksam zu sein. Der Grieche erreichte noch

Ik wil u er nog op wijzen dat onze religieuze voorstellingen, waaruit we tegenwoordig nog leven bij het onderwijzen, overgeërfd zijn. Waarom zijn we eigenlijk bang voor een of andere vernieuwing van religieuze voorstellingen? Omdat men tegenwoordig een ongekende schroom heeft om uit geestelijke bronnen iets in zich op te nemen. Men wil bij wat is overgeleverd blijven staan, omdat men in zekere zin zich voor het Niets gesteld ziet. Dat gevoel klopt wel, want met 27, 28 jaar sterft tegenwoordig in de mens het door het lichaam opgeroepen innerlijke geestesleven af. We zouden ons verlaten voelen, wanneer niet de overgeërfde religieuze voorstellingen nog onbewust en instinctief mee zouden doen. En wanneer we niet vele voorstellingen uit oude tijden traditioneel zouden doorgeven, zouden wij ons allemaal na het 28e verlaten voelen. We zijn er dus tegenwoordig op aangewezen deze wet van de ontwikkeling der mensheid te accepteren.
Je zult merken dat dit alles in overdrachtelijke zin is bedoeld.
Hoe verder de mensheidsontwikkeling voortgaat, des te jonger wordt de mensheid. Met andere woorden: deze mensheidsontwikkeling bereikt passief slechts steeds jongere jaren, dan houdt ze in geestelijk opzicht op werkzaam te zijn.

blz. 72

die Dreißigerjahre in der Leibesentwickelung. Der heutige Mensch erreicht sie nur in seelisch-geistiger Entwickelung und innerlich in An­lagen, die er durch produktive Geistigkeit hervortreiben muß. Und je mehr die Menschen erkalten in bezug auf die traditionellen religiö­sen Vorstellungen und nichts anderes an ihre Stelle setzen wollen, desto mehr werden sie erleben dieses Erkalten. Die rein intellektualistische Bildung könnte nie und nimmer irgend etwas den Menschen geben für das spätere Alter. Sie ist im wesentlichen dasjenige, was mit dem Zahn-wechsel auftritt, was in jungen Kindesjahren auftritt, was wir nur durch eine Anspornung des Willens dann weiter bringen können. Aber dasjenige, um was es sich handelt, ist, daß der Mensch heute in einer Menschheit lebt, die eigentlich nur bis zum 27., 28. Jahre entwicke­lungsfähig bleibt durch ihre Leiblichkeit, und der die weiteren Ent­wickelungsimpulse für das höhere Alter durch geistige Quellen zu­geführt werden müssen.
Wenn man heute so das soziale Leben betrachtet, dann sagt man sich ja allerdings, die Betrachtung nach Ideen zeige uns dieses Jüngerwerden der Menschheit, zeige uns dieses immer Unvollkommenerwerden der Menschheit nach einer gewissen Seite hin.

De Griek bereikte met zijn lichamelijke ontwikkeling nog zijn dertiger jaren. De mens van nu bereikt deze alleen in zijn ontwikkeling van ziel en geest en innerlijk in een aanleg die hij door actieve geestkracht aan de oppervlakte moet zien te krijgen. En hoe meer de mensen onverschilliger worden met betrekking tot traditionele religieuze voorstellingen en er niets anders voor in de plaats willen stellen, des te meer zullen ze die onverschilligheid beleven. De puur intellectualistische vorming zal nooit en te nimmer de mens iets geven voor het latere leven.
Het is in wezen datgene wat met de tandenwisseling gebeurt, wat in de prille kinderjaren gebeurt, wat we dan alleen met het aansporen van de wil verder kunnen brengen.
Maar waarom het gaat is dat de mens van nu in een mensheid leeft die eigenlijk slechts tot het 27e, 28e jaar zich door zijn lichamelijkheid nog ontwikkelen kan en die verdere ontwikkelingsimpulsen voor wat betreft zijn ouderdom uit geestelijk bron moet verkrijgen.
Wanneer je tegenwoordig eens naar het sociale leven kijkt, dan moet je bij jezelf zeggen: het in ogenschouw nemen van ideeën laat ons dit jonger worden van de mensheid zien, laat ons vanuit een bepaalde kant zien het steeds minder volmaakt worden van de mensheid.

Aber ich glaube, derjenige, der nun wirklich so etwas erfassen kann, der sich mit vollem Verant­wortungsgefühl in die Menschheit hineinstellen kann mit einem solchen Wissen von der Entwickelung der Menschheit, in dem geht der Wille auf, der unsere pädagogische Kunst befruchten kann. Man sieht dann hin auf dasjenige, was man eigentlich zu leisten hat. Man hat aus geisti­gen Quellen etwas herauszuholen, was den Menschen Mensch sein läßt, auch wenn er über das 27. oder 28. Jahr hinauf sich entwickelt. Dieses Sichvertiefen mit Gefühl und Gemüt in die Entwickelungsimpulse der Menschheit, das ist der Sporn in uns, den wir zuerst brauchen. Man überschaut es heute nicht genügend. Wenn dem Menschen heute ein­geimpft wird, die Erde habe sich herausentwickelt aus einem Urnebel mit den anderen Planeten, werde einstmals wiederum in die Sonne zu­rückfallen, und man wisse nicht, wozu eigentlich diese Menschheit da ist; wenn man heute in seine Gesinnung die ganze Entwickelung auf­nimmt, von der die naturwissenschaftliche Weltanschauung spricht, da wird kein Wille daraus. Aus dieser Weltanschauung, die auf die wahre Wirklichkeit im Menschen hinblickt, wird Wille, denn man weiß jetzt, was man zu tun hat, man weiß, daß jetzt jene Erziehungsnotwendig­keiten beginnen, die vorher von der Natur selbst geleistet worden sind.

Maar ik geloof wel dat bij degene die dit daadwerkelijk kan oppakken, die met een groot verantwoordelijkheidsgevoel zijn plaats in de mensheid kan innemen met een dergelijk weten van de ontwikkeling der mensheid, dat in diegene de wil ontwaakt die onze pedagogische kunst kan bevruchten.
Dan kijk je naar datgene wat je eigenlijk te volbrengen hebt.
Je moet uit geestelijke bronnen iets halen wat de mens mens laat zijn, ook wanneer hij zich ontwikkelt na zijn 27e, 28e jaar. Dit zich verdiepen in de ontwikkelingsimpulsen van de mensheid met het gevoel, het gemoed, is de aansporing in ons die we nu net nodig hebben. Men overziet het nu niet genoeg.
Wanneer de mens tegenwoordig opgedrongen wordt dat de aarde met de andere planeten zich ontwikkeld heeft uit een oernevel, en ooit weer in de zon terug zal vallen en men weet niet waartoe de mensheid eigenlijk hier is; wanneer men tegenwoordig heel die sfeer in zich opneemt waarvan de natuurwetenschappelijke wereldbeschouwing spreekt, dan ontstaat daaruit geen wil. Uit die wereldbeschouwing die het oog richt op de echte werkelijkheid in de mens, daaruit komt wil voort, want je weet dan wat je moet doen, je weet dat de noodzaak om op te voeden nu aangebroken is, wat eerder van nature ging.

blz. 73

Man blickt zurück in die alten Zeiten und sagt: Ihr Griechen waret noch so glücklich, daß ihr aus eurer Leiblichkeit heraus über das 28. Jahr hinein Geistig-Seelisches in euch habt entwickeln können, ihr Ägypter, ihr Babylonier, daß ihr selbst noch bis in die Vierzigerjahre rein da­durch, daß Göttliches urkräftig in eure leiblichen Organe hineingewirkt hat, das wiederum habt herausholen können. Diese Möglichkeit, das jenige, was die Natur selbst, das heißt die göttlichen Kräfte in der Natur geleistet haben, herauszuholen, die besteht für die heutige Menschheit nicht mehr, wird immer weniger bestehen für die zukünf­tige Menschheit. Wir Menschen müssen die Entwickelung in die Hand nehmen. Wir müssen immer mehr und mehr uns hineinfinden in die Aufgabe, aus den Menschen erst Menschen zu machen.
Da beginnt Wissenschaft unmittelbar Wille zu werden. Denn da, da zeigt es sich, daß wir eigentlich in jene Zeit der Menschheitsentwicke­lung erst eingetreten sind, in der gerade für die Erziehungskunst die neuen Aufgaben erwachsen. Deshalb war alle Erziehungskunst bis in die neueste Zeit instinktiv. Mehr als irgend etwas anderes war alle Er­ziehungskunst instinktiv. Dann gab es gute abstrakte Grundsätze, die ich hinlänglich schon auseinandergesetzt habe.

Je kijkt terug in de oude tijden en zegt: ‘Jullie Grieken waren nog zo gelukkig dat jullie uit je lichamelijkheid je nog tot boven je 27e , 28e wat je ziel en geest betreft, hebben kunnen ontwikkelen; jullie Egyptenaren, jullie Babyloniërs, dat jullie zelfs nog tot boven de veertig eveneens uit jullie zelf hebben kunnen halen, louter door wat aan goddelijke oerkracht tot in jullie lichamelijk organisme doorwerkte.
Deze mogelijkheid om naar boven te halen wat de natuur zelf, dat betekent de goddelijke krachten in de natuur bewerkstelligd hebben, is er voor de huidige mensheid niet meer; die zal er steeds minder zijn voor de mensheid van de toekomst. Wij mensen moeten de ontwikkeling zelf ter hand nemen. Wij moeten steeds meer vertrouwd raken met de opgaven uit de mens een echt mens te vormen.
Dan begint wetenschap meteen wil te worden. Want hier blijkt dat wij eigenlijk die tijd in de mensheidsgeschiedenis zijn binnen gegaan waarin juist de opvoedkunst zich voor nieuwe opgaven gesteld ziet. Alle opvoedkunst was tot in de jongste tijd nog instinctief. Meer dan iets anders was alle opvoedkunst instinctief. Toen kwamen er goede abstracte uitgangspunten die ik onlangs nog besproken heb.

Jetzt aber entsteht die Notwendigkeit, diese abstrakten Grundsätze von innen heraus zu be­leben, weil wir es in der Hand haben, entweder diese abstrakten Grundsätze durch Belebung zu einer wirklichen Kunst der Menschen-bildung zu machen, oder aber die Menschheit der Ödigkeit auszu­liefern in der Zukunft.
Indem ich jetzt am Beginne desjenigen stehe, was ich eigentlich päd­agogisch-künstlerisch erörtern will, sehen Sie, daß ich den Ausgangs­punkt nehmen möchte nicht von einer theoretischen Erörterung, son­dern von einem Gefühl. Ich möchte hier am Ausgangspunkt der Be­trachtungen die Worte aussprechen, daß man bei einer Pädagogik nicht auszugehen hat von Grundsätzen, sondern von einem Gefühl. Wir müssen in diesem Moment von dem Gefühl durchdrungen sein:
Der Menschheit Seeleninhalt ist in die Hand der Jugendbildner, der Erzieher gegeben. Sie ist es in gesunder Weise, wenn wir sozusagen die Zukunft der Menschheit in uns fühlen. Dies ist der richtige Ausgangs­punkt, nicht wenn wir das oder jenes wissen, sondern wenn wir das fühlen, wenn wir das empfinden, wenn wir die ganze Aufgabe der Er-ziehung, wie sie zusammenhängt mit derMenschheitsentwickelung, füh­len und empfinden. Diesen Ausgangspunkt wollte ich heute als nicht

Nu echter ontstaat de noodzaak deze abstracte uitgangspunten van binnenuit levend te maken omdat wij het in de hand hebben ofwel deze abstracte uitgangspunten door ze handen en voeten te geven te maken tot een werkelijke kunst om mensen te vormen of juist de mensheid in de toekomst uit te leveren aan de leegte.
Wanneer ik nu aan het begin ben van wat ik eigenlijk pedagogisch-didactisch wil uitspreken, zou ik niet vanuit een theoretische uiteenzetting willen uitgaan, maar van een gevoel. Ik zou bij het uitgangspunt van de beschouwingen de woorden willen uitspreken dat je bij een pedagogie niet moet uitgaan van basisregels, maar van een gevoel. Op dit ogenblik zouden wij doordrongen moeten zijn van dit gevoel: Wat de mensheid innerlijk bezit, heeft hij die de jeugd vormt, de opvoeder, in de hand. En dit is gezond, wanneer wij a.h.w. de toekomst van de mens in ons voelen. Dat is het juiste uitgangspunt; niet dat we dit of dat weten, maar wanneer we voelen, innerlijk ervaren hoe de hele opvoedingsopgave samenhangt met de ontwikkeling van de mensheid, dat te voelen en te ervaren. Die opgave wilde ik vandaag niet als

blz. 74

einen theoretischen, sondern als einen empfindungsgemäßen vor Sie hinstellen. Ich möchte sagen, das, was ich heute vor Sie hinstellen wollte, hat man dann richtig erfaßt, wenn man alle einzelnen Sätze, die ich gesprochen habe, alle einzelnen theoretischen Wendungen, die ich gebraucht habe, vergessen kann, und auf seiner Seele lasten fühlt dasjenige, was die Aufgabe des Erziehers ist. Wenn man, in dieses Ge­fühl zusammengefaßt, das mitnehmen kann, was angeregt werden sollte durch diese Betrachtungen, wenn sich alles Gesprochene in einem Gefühl ablagert, werden wir aus diesem Gefühl die Einzelheiten der pädagogischen Kunst in den folgenden Betrachtungen entwickeln können.

een theoretische voor u neerzetten, maar als een van het gevoel. Ik zou willen zeggen dat wat ik vandaag voor u wilde neerzetten, is dan pas goed begrepen, wanneer je alle zinnen die ik heb uitgesproken, alle theoretische zinswendingen die ik heb gebruikt, kan vergeten en op zijn ziel voelt drukken als de opdracht van de opvoeder. Wanneer je, in dit gevoel samengevat, mee kan nemen wat door deze beschouwingen aangewakkerd is, wanneer alles wat gesproken is, in het gevoel beklijft, zullen we uit dit gevoel de details voor de pedagogische kunst in de verdere uiteenzettingen kunnen ontwikkelen.

.

[1] GA 301: Die Erneuerung der pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft

[2] 4e voordracht (Duits)

Menskunde en pedagogie: Haeckel en de vrijeschoolpedagogie nr. 12

Rudolf Steiner over pedagogie

Rudolf Steiner: alle artikelen

.

1299-1212

.

.

VRIJESCHOOL – zintuigen – evenwichtszin (4-2)

.

Van alle zintuigen zijn we ons het minst bewust van de voortdurende invloed van het evenwichtszintuig. We hebben er, net als van de meeste andere zintuigen in ons hoofd, twee en deze zitten, samen met het slakkenhuis van het oor, in het rotsbeen, het hardste bot van de schedel.

Het evenwichtsorgaan is opgebouwd uit drie halfcirkelvormige kanaaltjes die loodrecht op elkaar staan en zo de drie dimensies bestrijken. En, eronder, twee kleine holtes die, net als de kanalen, gevuld zijn met vloeistof die beweegt wanneer het hoofd wordt bewogen. In de holtes bevindt zich het eigenlijke zintuig dat gevormd is uit rechtopstaande haarcellen waarop kleine steentjes liggen, die bewegen als het hoofd van positie verandert. Het ene in het horizontale vlak en het andere in het verticale. De halfcirkelvormige kanalen hebben ook een bolvormige verwijding waar een zelfde soort haarcellen de beweging van de vloeistof oppikken. De kanalen pikken de beweging op van het hoofd en de holtes de stand ervan. De signalen worden samen met de signalen uit de zintuigorgaantjes van de gewrichten en de spieren en de signalen van de ogen onbewust verwerkt in het cerebellum, ofwel de kleine hersenen. Dat is een belangrijk onderdeel van de hersenen dat maar zelden ter sprake komt. Hoewel het maar tien procent uitmaakt van het hersenvolume bevat het wel vijftig procent van de totale hoeveelheid zenuwcellen. De kleine hersenen spelen een hele grote rol in het evenwicht, maar ook bij andere vaardigheden. Welke dat zijn, valt gemakkelijk samen te vatten aan de hand van de symptomen van dronkenschap. Het eerste gebied in de hersenen waar het mis gaat bij alcohol is namelijk het cerebellum. Dat levert evenwichts- en coördinatieproblemen van de spieren op, waaronder die van de spraak. Maar ook cognitieve problemen. Er gaan verder ook wat signalen van het evenwichtsorgaan via de thalamus (de censor in de hersenen waar alle zintuigelijke prikkels langs gaan, behalve de reuk) naar de hersenschors, maar er is nog geen overeenstemming over welke gebieden daar de grootste rol in spelen.

Op vier poten is het niet zo moeilijk om je evenwicht te bewaren maar wij staan op onze twee benen in een labiel evenwicht. Wij registreren, als we staan of bewegen, voortdurend of wij in evenwicht zijn, ook al zijn we ons daar hoogst zelden van bewust. In evenwicht staan is onze grondhouding. Wij houden ons hoofd hoog en de rug recht. Wij zijn de enige wezens bij wie alle gewrichten, van enkelgewricht tot kaakgewricht, dan in één (frontaal) vlak staan. En het evenwichtsorgaan ligt ook in dat vlak. Wij willen, nee wij moeten evenwichtig zijn. Wij hebben een standpunt. Wij staan ergens voor. Dat is nog eens een reden van bestaan. Als je je evenwicht verliest, verlies je je waardigheid. Nergens verkneukelen mensen zich meer om dan om hoogwaardigheidsbekleders die ergens over struikelen. Het is maar een mechanisch gebeuren, maar de omstanders interpreteren het als een sociale val. En vergeet de gênante vertoning niet die dronkenschap oplevert. Daar is meer reden voor schaamte, die de dronkenman (vrouw) overigens niet voelt.

Waar mensen vaak enorm van schrikken is de eerste keer dat ze worden geconfronteerd met de duizeligheid die het syndroom van Menière veroorzaakt. Het levert het gevoel op dat je jezelf kwijt bent. Patiënten komen dan in paniek op het spreekuur omdat ze denken dat er iets vreselijks met hun hersenen is gebeurd en dat hun bestaan op het spel staat. Bij zeeziekte beleven mensen iets vergelijkbaars. De evenwichtszin heeft daarom veel meer betekenis dan alleen de verwerking van de objectieve prikkels van de zwaartekracht en onze bewegingen. Het verzorgt de grond onder onze emoties, onze stemmingen en zelfs onder onze morele oordelen, kortom onder ons hele bestaan. Van alle zintuigen is het het eerste waar een kind mee moet worstelen, namelijk wanneer het leert staan. Het moet het evenwicht echt veroveren. Zonder een goede evenwichtszin zul je je nooit goed kunnen ontwikkelen als mens. Of, anders gezegd, het is geen slechte keus om evenwichtsoefeningen te doen wanneer je je ontwikkeling een goede evenwichtige basis wilt geven.
.

Arie Bos in Stroom nr.4 herfst 2014
.

Arie Bos : ‘Hoe de stof de geest kreeg‘ ; ‘Mijn brein denkt niet, ik wel

zintuigen: alle artikelen

1287-1201

.

.

VRIJESCHOOL – Is de vrijeschool een antroposofische school (3-1/3)

.

over dierkunde

IS DE VRIJESCHOOL EEN ANTROPOSOFISCHE SCHOOL?

Deze vraag stelt Luc Cielen, leerkracht met een zeer lange praktijkervaring waarvan een deel bij de Federatie van steinerscholen in België; het grootste deel op scholen die hij zelf oprichtte en waar hij de vrijeschoolpedagogie op zijn manier en met zijn gezichtspunten in de praktijk bracht.

Op mijn blog [rechts in de kolom BLOGROLL] staat een linkverwijzing naar een van zijn sites waarop hij vele gezichtspunten over o.a. zijn praktijk van het lesgeven heeft gepubliceerd.

Hier verwees ik naar hem toen het ging over ‘blokschrift aanleren of niet’, en stelde:
Het is zeer de moeite waard om zijn gedegen uiteenzettingen over de vrijeschoolmethodiek grondig te bestuderen!

Nu heeft Luc zich op zijn site LUXIELEN in een reeks artikelen uitgesproken over de vraag of de vrijeschool, in Vlaanderen steinerschool genoemd, een antroposofische school is.

In zijn eerste artikel zegt hij:
‘Is de steinerschool een antroposofische school? In vele opzichten niet, maar de wetenschappelijke vakken zijn wel sterk getekend door de antroposofie. Er is werk aan de winkel om de steinerscholen hiervan te bevrijden. Ik probeer al vele jaren de steinerleerkrachten hiervan bewust te maken, maar dit dringt moeilijk door. Dat Steiner zelf meer dan eens gezegd heeft dat er geen antroposofie in de school mag komen, is een uitspraak van hem die blijkbaar niet gehoord wordt.’ 

Luc is in de reeks van inmiddels 11 artikelen tot de conclusie gekomen dat er ‘een te groot antroposofisch keurslijf’ is waaruit – volgens hem – de scholen zich moeten bevrijden.’

Ik vraag me met hem af: wat is ‘het antroposofische’ in de school, waar vind je het.

Bij het lezen van de pedagogische voordrachten viel het mij op dat Steiner er steeds maar weer op terugkwam dat de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school moet zijn:

Rudolf Steiner over antroposofisch onderwijs

Luc is van mening dat er wél sprake is van ‘antroposofische dogma’s’ en hij geeft veel voorbeelden van wat in zijn optiek antroposofie in het vrijeschoolonderwijs is.

In Is de steinerschool een antroposofische school (1) gaat het over geschiedenis, dier- en plantkunde.

Luc:
‘Het vak mens- en dierkunde dat Steiner voorschreef voor de vierde klas van de lagere school, begint met het antroposofische mensbeeld. De dierenwereld deelt hij, in analogie met het driedelige mensbeeld, in in kopdieren, borstdieren en rompdieren. De voorbeelden die hij gaf, worden nog steeds in alle steinerscholen onderwezen: de inktvis als kopdier, de adelaar en leeuw als borstdieren en het rund als rompdier. Zeldzaam zijn de leerkrachten die van deze richtlijn afwijken en zich meer richten op de wetenschappelijke indeling van de dierenwereld.’

Beste Luc,
Wanneer je het mensbeeld meteen ‘antroposofisch’ noemt, wekt dat de indruk dat het ‘antroposofie’ is. Maar de indeling in hoofd, romp en ledematen is geen exclusief antroposofische, maar staat o.a. in ‘Anatomie en fysiologie van de mens (onder 4.5). Voor de dierenwereld is deze indeling: kop, borst, poten een gangbare en ook deze op de mens toepassen, levert niet iets ‘antroposofisch’ op, maar geeft simpelweg een beeld van de realiteit.

(Een interessante gevolgtrekking zou kunnen worden gemaakt: als de indeling hoofd-romp-ledematen een realiteit is en de antroposofie beschrijft deze indeling, dan beschrijft de antroposofie dus een realiteit. Wie zou daar tegen kunnen zijn? Als die indeling ‘waar’ is, beschrijft zij dus de waarheid!)

De indeling die je aangeeft in kopdieren, borstdieren en rompdieren, zou ik, wat de laatste betreft in ieder geval nog met ‘ledematen’ nader willen bepalen. Het gaat niet alleen om de vorm, maar vooral toch om de functie: bij de vorm van het hoofd: het waarnemende (de zintuigen) intellect; bij de borst: het aan bloedsomloop en ademhaling gebonden gevoel en bij de romp/ledematen: de daaraan gebonden stofwisseling.
Dat is ook een realiteit die de antroposofie eveneens beschrijft, zonder dat daarmee die realiteit ineens antroposofie is.

Je zegt: ‘De voorbeelden die hij (Steiner) gaf, worden nog steeds in alle steinerscholen onderwezen: de inktvis als kopdier, de adelaar en leeuw als borstdieren en het rund als rompdier.’
Ik zou hier iets genuanceerder willen zeggen: ‘Van de voorbeelden die hij gaf’, want er is sprake van meer dieren: muis, lam, paard, schaap, kameel enz.
Maar, inderdaad, de door jou genoemde dieren komen wel het meest aan bod.

Voor waar het om gaat, zijn het ook bijna wel de meest representatieve dieren.

Je zegt: ‘Zeldzaam zijn de leerkrachten die van deze richtlijn afwijken en zich meer richten op de wetenschappelijke indeling van de dierenwereld.

Maar dat ‘zeldzaam’ lijkt me vanzelfsprekend!
Wat jij ‘richtlijnen’ noemt, heb ik altijd beleefd als een pedagogisch principe met een diepe inhoud.

Je hebt ze misschien ook wel moeten leren, de pedagogische principes, destijds toen je voor je onderwijzersdiploma studeerde. Ik wel en wat me zo opviel in de praktijk van het lesgeven was, dat ondanks deze principes, lesgeven toch vooral kennisoverdracht was.
Een van de principes is, datJe uit moet gaan van de belangstelling van het kind. Natuurlijk, vanzelfsprekend!
Wanneer ik op je site je aanwijzingen voor dierkunde bekijk, vind ik die heel sterk. Ik kan het niet helpen dat ik meteen de ‘vrijeschoolelementen’ zie: boeiend vertellen, fabels, legenden, boetseren, schetsen, liederen, gedichten.

Maar ik mis ook iets – in mijn ogen iets heel wezenlijks.
Ik las ook je 8e artikel.

Je schrijft:
Het is dan ook een noodzaak dat alle elementen in een steinerschool die vanuit een antroposofische visie afkomstig zijn, eruit verwijderd worden.

In mijn ogen is het wezenlijke dit:
De verhouding van de mens t.o.v het dier. De eenzijdigheid van het dier t.o.v de veelzijdige mens. Het dier dat moet, de mens die een mogelijkheid tot vrijheid heeft en daardoor kan. De handen waarmee de mens kan scheppen, maar ook vernielen. Dat vind ik in je aanwijzingen voor het lesgeven niet terug en als je dat er bewust hebt uitgelaten omdat je van mening bent dat dit antroposofie is, heb je de moraliteit weggelaten, die zeer zeker geen exclusieve aangelegenheid van antroposofisch denken is, getuige de talloze filosofische opvattingen over moraliteit.
Door de dieren (als kop-, borst- of ledematendier) te karakteriseren en de kinderen gevoelsmatig te laten ervaren: eigenlijk zijn wij dat ook, maar toch weer anders, heb je een mogelijkheid ze een bepaalde samenhang te laten ervaren tussen henzelf en het dierenrijk.
Of, om het nog wat ruimer te nemen: dat ze bij de wereld horen en de wereld bij hen!

Die gezichtspunten gaven mij destijds het gevoel van: hier heb ik het verdiepte pedagogische principe van ‘uitgaan van de belangstelling’. Kan die groter zijn als het over jou gaat?

Eigenlijk heb ik het over een van de eerste zinnen in de voordracht waarmee de vrijeschool begint – uit ‘algemene menskunde als basis voor de pedagogie’:
‘wij kunnen onze taak alleen naar behoren vervullen, wanneer wij haar niet slechts beschouwen als een aangelegenheid van het intellect en van het gemoed, maar als een taak die in de hoogste zin moreel en geestelijk is;’ (  )

Ik ben er nog niet zo van overtuigd dat deze opvatting uit ‘Steiners gezond boerenverstand’ komt.

Ik krijg de indruk, Luc, dat jij ‘moreel-geestelijk’ eruit wilt, omdat je van mening bent dat dit ‘antroposofie’ is. Als ik het verkeerd heb: neem me niet kwalijk!

Die mening deel ik absoluut niet.
Als ik kijk naar wat er in de wereld gebeurt, dan hebben we als mensheid een veel grotere moraliteit nodig.
Ik volg ‘de richtlijnen’ niet omdat ze van Steiner zijn of omdat er dan ‘iets antroposofisch’ wordt gedaan. Mij geven die gezichtspunten van Steiner een mogelijkheid om met morele opvoeding bezig te zijn – dat staat helemaal los van Steiner en de antroposofie, maar zit regelrecht vast aan wat de wereld nodig heeft: meer moraliteit! Meer eerbied voor mens en wereld, hier dus mens en dier. En je hoeft maar om je heen te kijken om te zien dat de wereld dat meer dan ooit nodig heeft.
En daarom ben ik als leerkracht blij die mogelijkheid gekregen te hebben.

En daarom is het in mijn ogen goed dat je kunt concluderen: ‘Zeldzaam zijn de leerkrachten die van deze richtlijn afwijken en zich meer richten op de wetenschappelijke indeling van de dierenwereld.’

Ik weet niet precies wat je bedoelt met ‘wetenschappelijke’ indeling. Is dat de koe als: rijk, stam, klasse, orde enz; of als zoogdier naast vis en insect?
Is dat feitenkennis i.p.v. karakteriseren of naast karakteriseren. In het laatste geval krijgen de kinderen natuurlijk heel wat feiten en passant mee, die ook geleerd moeten worden. Als stofwisselingsdier met haar vier magen – pens en lebmaag moeten zeker gekend worden – en met haar vijfentwintig meter darm is het toch een heel ander dier dan de ‘wakkere’ inktvis, waarvan natuurlijk ook geleerd moet worden dat hij octopus heet en acht tentakels heeft, een papegaaienbek, een sifon, om maar wat te noemen.

Hoe kunstzinnig zet je dier en mens in de wereld.

Dit kunnen we ons niet genoeg realiseren:
dat pedagogische kunst uit moet gaan van het leven en niet van een aftreksel van wetenschappelijk denken.
(Wegwijzer 110)

Dat is volgens mij hier een essentiële vraag.

Kunst = wil en wil = moraliteit.
Wetenschap kan pas in zijn volle glorie na het 12e, moet dan ook en komt in de bovenbouw dan zonder meer – vooral door de huidige exameneisen – ruim aan de orde.

Rudolf Steiner over dierkunde: alle artikelen
.

Kritiek van Perra op ‘het indoctrinerende van de dierkunde’
.
Dierkunde: alle artikelen


.

VRIJESCHOOL in beeld: dierkunde
.

Meer commentaren op Luc Cielens artikelenreeks:
Ís de steinerschool een antroposofische school’:

[1-1] geschiedenis [1]
[1-2geschiedenis [2]
[1-4plantkunde
[2de ochtendspreuk voor de lagere klassen
[3de ochtendspreuk voor de hogere klassen
[4] meer spreuken
[5] nog meer spreuken
[6] en nóg meer spreuken
[7] het schoollied
[8] atheïst of agnost: kun je dan vrijeschoolleerkracht zijn?
[9jaarfeesten
[10] euritmie en gymnastiek
[11] muziekonderwijs

.
vrijeschool en antroposofie
alle artikelen
.

1282-1196

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 – alle artikelen

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE – GA 293

voordracht 1

Vertaling 2018

Een kleine uitleg over de indeling in paragrafen:
Het eerste cijfer verwijst altijd naar de voordrachtenvolgorde in de uitgave. [1-
Het tweede cijfer is het onderwerp van de beschouwing, aangegeven met het bladzijnummer en een korte inhoudsomschrijving. [1-1]
Het derde cijfer [1-1-1] geeft een uitbreiding aan van de inhoud van [1-1]
Wanneer je de gang door de voordracht wil volgen, hoef je de uitbreidingen niet per se te lezen. De volgorde door de voordracht is dus de reeks [1-1] [1-2] [1-3] enz.
Als kleur: rood

[1-1] blz. 17
Over: intellectueel en gemoedelijk/moreel-geestelijk. Voorbeeld: dierkunde; intellect en verantwoordelijkheid;

[1-1-1]
Voorbeelden uit het dagelijks leven bij ‘intellectueel-gemoedelijk/moreel-geestelijk; hebzucht, egoïsme, inhaligheid

[1-1-2] Oorsprong en uitwerking van het materialisme
Christoph Lindenberg
over: de ontdekking van de dood in de historie van de nieuwe tijd; wetenschap en techniek; het experiment; materialisme; maat, gewicht, getal; gericht op geld; geïsoleerd van de natuur; uitwerking op omgeving.

[1-2blz. 17/18
Over: ‘verbinding met de geestelijke wereld’; de controverse: scholing – het vele schoolwerk; weinig tot geen mededelingen van derden over ‘de geestelijke wereld’; als je op een vrijeschool begint, heb je wél een opdracht vanuit die geestelijke wereld; de ongedrukte passage; de goede geest uit wiens naam Steiner een dankwoord uitspreekt: Michaël;

[1-2-1] blz. 17/18
Over: ‘verbinding met de geestelijke wereld‘; niet geloven of napraten, maar openstaan en onderzoeken
Stefan Leber over: ‘hiërarchieën‘; de 3e: wezens die geen interesse meer hebben voor de mens, tenzij deze zich openstelt voor ‘geest’.

[1-2-1/1] Blz. 17/18
Rudolf Steiner in GA 206 over: verbinding met de geestelijke wereld; hoe de kerk via dogma’s de kennis van het voorgeboortelijke elimineerde; waardoor alleen het geloof overbleef in een hiernamaals; waardoor een basis werd gelegd voor het natuurwetenschappelijk denken – uit GA 206

[1-2-2] blz. 17/18
Over: als ‘waarnemen in de geestelijke wereld, bewustzijn op hogere gebieden’ niet tot je mogelijkheden behoort, kun je dan wel verder. Volgens Steiner heel goed: een gezond verstand, een onbevangen gevoel voor logica en een gezond begrip voor waarheid en een goede wil geven voldoende basis om verder te komen.

[1-2-3] blz. 17/18
Over: hoe verhoudt zich ‘gezond verstand‘ en de inhoud van de ‘Algemene menskunde’ met de huidige opvattingen over de mens. ‘De’ wetenschap t.a.v. de mens lijkt nóg meer de wetenschap te worden van ‘wij zijn ons brein’. Maar er zijn krachtige tegengeluiden. Steiners gezichtspunten over brein, denken en wetenschap zijn uiterst actueel.

[1-2-3/2] Wetenschap en wereldbeeld
Klaas van Egmond over: (bij het verschijnen van het gelijknamige boek)

[1-2-4/1] blz. 17/18
Rudolf Steiner spreekt over ‘de goede geest’. Deze tijdgeest is de aartsengel Michaël.
Hans Peter van Manen over het jaar 1879, het jaar waarin een nieuw tijdperk zou zijn begonnen geïnspireerd door deze tijdgeest.

[1-2-4/2] blz. 17/18
Hans Peter van Manen vervolgt het artikel van hierboven. 1914 eindigde een tijd van optimisme; (filosofisch) idealisme; Goethe; Schiller; Van idealisme naar materialisme; Herbart; 1848 revoluties; 1840 betrekkelijke rust, maar industriële revolutie naar het vaste land; geen Goetheanisme

[1-2-4/3] blz.17/18
Hans Peter van Manen vervolgt zijn artikelenreeks van hierboven.
Marx, Bauer, Wurmband, Engels en het toenemende materialisme

[1-2-4/4] blz. 17/18
Hans Peter van Manen vervolgt zijn artikelenreeks van hierboven.
Strijd Michael – Ahriman. Gevolgen op aarde. Geschiedenis als zichtbaar resultaat van bovenzintuiglijke gebeurtenissen. Menselijke vrijheid. Andersen: Sneeuwkoningin

[1-3] blz. 19/20/21
Over: waarom vrijeschool; ‘onze tijd’; ‘de’ maatschappij; Ik en egoïsme; spiegeling oud-jong: dood-geboorte; hiernamaals en hiervoormaals;

[1-3-1] blz. 19/20/21
Rudolf Steiner in GA 209 over: geen belangstelling voor ongeborenheid: de mens kan zichzelf niet kennen; egoïsme door alleen naar onsterfelijkheid te kijken.

[1-3-1-1] blz 22/23
De zich incarnerende mens ‘op weg’ naar zijn fysiek/etherisch lichaam:
Dr. Jaap van der Wal over de ongeboren mens, gezien vanuit de embryologie:
embryo: vrucht of mens?

[1-3-1-2] Geboorte en dood – poorten van het leven
Klaus Raschen over: tegenstelling geboorte – dood; baby-bejaarde; leven – dood; lichamelijke groei – lichamelijke aftakeling; ontwikkeling; lopen, spreken, denken; angst voor de dood; te overwinnen? 

[1-3-1-3] Gedachten over reïncarnatie
Siegfried Gussmann over: vanwaar en waarheen van de persoonlijkheid; de biografie van de mens; verleden en lot; kan de idee van reïncarnatie onze toestand van nu verhelderen?

[1-3-1-4] Poorten van het leven: geboorte en dood
Werner Hassauer over: tegenstellingen bij het geboren worden en bij het sterven; wat en hoe over de ziel; verhouding tot geest; ziel bij mens en dier; over het Ik; individualiteit; slaap; het Ik bewaart de herinneringen, vaardigheden enz. door de nacht heen; eeuwigheidskarakter van het Ik; opbouw- en afbraakkrachten; ritmen; tegenstelling leven – bewustzijn; geest – materie; beeldentaal van mythen, de Bijbel; Ik en vrijheid, doel voor de mens; 

[1-4blz. 19
Over: ‘bijzondere tijden hebben bijzondere opdrachten’; sociale ellende, daarom: sociale driegeleding als opdracht; ‘vrije’ in vrijeschool; het sociale probleem is een opvoedingsvraagstuk;

[1-4-1/1]
Rudolf Steiner over: geesteswetenschap en het sociale vraagstuk: Ingrijpende vooruitgang vraagt om een werkelijk inzicht
Geesteswetenschap kan dat werkelijke inzicht geven; en tot oplossingen komen, ook van het sociale vraagstuk; wat heb je aan geesteswetenschap voor het sociale leven als je honger hebt door een te laag loon; Robert Owen; uitbuiting, onderdrukking;

[1-4-1/2]
Rudolf Steiner over: geesteswetenschap en het sociale vraagstuk:
persoonlijk eigenbelang; uitbuiting; Robert Owen; egoïsme;

[1-4-1/3]
Rudolf Steiner over: geesteswetenschap en het sociale vraagstuk:
sociale hoofdwet; individu en collectief; mens van nature goed?; taak van de geesteswetenschap;

[1-4-2]
Christoph Lindenberg over: De bijzondere tijden hebben hun bijzondere opdracht; hij gaat via een aantal historisch plaatsgevonden revoluties naar de in zijn ogen noodzakelijke nieuwe: die in onszelf: de revolutie van anders waarnemen en anders denken;

sociale driegeleding: alle artikelen

[1-5] blz. 22
Over: abstracte gedachten; over de begrippen ‘Menschenkunde’ (menskunde); ‘Menschenkenntnis’ en ‘Menschenerkenntnis’: kennis over/van de mens (= ook weer menskunde) en tegelijk ‘mensenkennis’.

[1-6] blz. 22
Over: opvoeden vóór de geboorte: is niet mogelijk; taak van de moeder en houding en sfeer van de omgeving cruciaal.

[1-7] blz. 23
Over: materie is, leven wordt; het grote belang van karakteriseren; verschillende mensbeelden.

[1-7-1]
Over: het tweeledig mensbeeld; de begrippen Geistseele en Seelengeist, vertaald met geestziel en zielegeest, Körperleib en Leibeskörper, vertaald met organisch lichaam en lichamelijke organisatie; verschil ‘lijf-lichaam’; opvoeding is o.a. harmoniseren; Ik en erfelijkheid; met eerbied opvoeden; opvoeden met een soort religieus gevoel.

[1-7-1-1] Het masker van de speler
Hans Bom over: het persoonlijke is de wijze waarop we handelen; het individuele, meer verscholen, schijnt daardoorheen; subjectief, objectief; sociale leven; sympathie en antipathie; persona;

[1-7-2]
Op blz. 23/24 gebruikt Rudolf Steiner een aantal antroposofische begrippen. Die worden in de volgende artikelen besproken:

[1-7-2/1]
Over het fysieke lichaam en de samenhang met de natuur = de minerale wereld; Körper – Leib  =  lichaam – lijf;

[1-7-2/1-1]
Rudolf Steiner over het fysieke lichaam uit verschillende GA’s:
GA 34   GA 52GA 53   GA 54 GA 55GA 56GA 57GA 58  GA 59GA 88 GA 89

[1-7-2/2]
Over het etherlijf en de samenhang met de natuur = de vegetatieve wereld.
De tegenstellingen zoeken: dood versus leven; Körper=Leib; Körperleib – Leibeskörper; karakteriseren: etherlichaam=etherlijf=vormkrachtenlijf; vormkrachtencomplex; anti-zwaartelijf; tijdslijf; bewegingslijf.

[1-7-2/2-1]
Jesse Mulder over: het etherlichaam; waarneming van buiten en van binnen; materie en vitaliteit

Meer over het etherlijf in de reeks: kind en etherlijf

[1-7-2/2-2]
Over levenskracht; opvattingen van Mellie Uyldert; levenskracht, levensgeest in de vele folkloristische overblijfselen (Zie onder aan het artikel de tags)

[1-7-2/2-4]
Rudolf Steiner over het etherlijf uit verschillende GA’s:
GA 34; GA 52; GA 53; GA 54; GA 55; GA 56; GA 57; GA 58; GA 59; GA 66;

[1-7-2/3]
Over het gewaarwordingslijf en de gewaarwordingsziel; samenhang met etherlijf; voorwaarde: zintuigen; gewaarworden en waarnemen; gemeenschappelijk met de dieren.

[1-7-2/4]
Over het astraallijf; over de naamgeving; uit GA 100: het astraallijf in de nacht – vermoeid en uitgerust.

[1-7-2/4-1]
Rudolf Steiner over het astraallijf uit verschillende GA’s:
GA 34; GA 52; GA 53; GA 54; GA 55;GA 56; GA 57; GA 58; GA 59

[1-7-2/4-2]
Pieter HA Witvliet over: woorden die Steiner noemt i.v.m. het astraallijf als de drager van bepaalde gevoelens. Deze woorden nader bekeken, tevens een poging ze te rubriceren naar de verschillende soorten gevoel die Steiner onderscheidt.

[1-7-2/5]
Een kleine verhandeling over lichaam-ziel-geest; gewaarwordingsziel in relatie tot gemoedsziel; gemoedsziel; invloed van verstandsziel op gewaarwordingsziel; verstands-gemoedsziel.

[1-7-2/6]
Nogmaals verstands-gemoedsziel; bewustzijnsziel; relatie van bewustzijnsziel met verstands-gemoedsziel; de relatie tot waarheid, tot ‘de idee’; de bewustzijnstoestanden slapen, dromen, waken; onvrijheid, gebondenheid in fysiek-vitale leven – vrijheid in bewustzijnsziel

[1-7-2/7]
Relatie van bewustzijnsziel en geestzelf; de rol van het Ik; intuïtie

[1-7-2/7-1]
Rudolf Steiner over het Ik uit verschillende GA’s:
GA 34; GA 52; GA 54; GA 55; GA 56; GA 57; GA 58; GA 59

[1-7-2/7-2]
De werking van Ik aan het eigen wezen: inleiding

[1-7-2/8]
Geestzelf vanuit het perspectief van de activiteit van Ik die de ziel omvormt; levensgeest is dan de invloed van het Ik op etherlijf; geest(es)mens de invloed van het Ik op het fysiek lichaam

[1-7-2/8-1]
Rudolf Steiner over het geestzelf uit verschillende GA’s :
GA 9; GA 34; GA 53; GA 54; GA 55; GA 56; GA 57; GA 58; GA 59

[1-7-2/8-2]
Rudolf Steiner over de levensgeest uit verschillende GA’s:
GA 9; GA 13; GA 34; GA 53; GA 54; GA 55; GA 56; GA 57; GA 58; GA 59;

[1-8] blz. 24/25
Taak van opvoeding in geestelijke zin: harmoniseren; invloed adem op zenuw-zintuig- en stofwisselingsleven; de onregelmatige ademhaling

[1-8-1]
Adem, Adam, ruach, geest, ziel; invloed gevoelens op ademhaling (grafische weergave); gevoelens en vertellen

[1-8-2/1]
Invloed van de adem op het hersenwater; anatomische schetsen; pulserende invloed van adem op hersenwater; betekenis voor de ziel; kleine kind ademt nog niet harmonisch; opvoeding: die harmonie bevorderen

[1-8-2/2] blz. 26/27
Kind moet nog leren slapen; slaap volwassene: ervaringen naar geestelijke wereld – kind nog niet; opvoeding: harmonie bevorderen

[1-9blz. 23, 24, 29
Harmoniseren door de leerstof als middel te gebruiken; allerphysischt, ganzüberphysisch, halb-überphysisch, überphysisch, geheel fysiek, volledig fysiek, halffysiek, bovenfysiek; bovenste en benedenste, onderste mens; conventionele leerstof (schrijven/lezen), kunstzinnige leerstof (muziek, tekenen); daartussenin: rekenen; verschil schrijven/lezen-rekenen

[1-10] blz. 27-29
Bewustzijn voor alles wat je doet; niet wat je doet, maar hoe je bent; het verschil tussen de ene leerkracht en de andere: het imponderabele – welke gedachten/gevoelens neem je mee de klas in; herkomst ‘spreuk’ ‘uit de geestelijke wereld is dit kind tot je afgedaald – of andere vertalingen; vlinder en onsterfelijke ziel; je ‘sores’ moet buiten de klas blijven; de vrijeschoolleerkracht moet vervuld zijn van de gedachte: de mens werd geboren; daardoor werd hem de mogelijkheid geschonken dat te doen wat hij niet kon doen in de geestelijke wereld.
.

[1-10-1] Blz. 29
Een vervolg op [1-10] met voordracht 4 uit GA 161. Tevens een uitgebreide beschouwing over het voorgeboortelijke, de conceptie, de incarnatie, het fenomeen spiegeling.
.

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Seineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen.
.

.

 1280-1194

.

.

.

 

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 301 voordracht 2

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

GA 301: vertaling
inhoudsopgave;     voordracht  [1]  [3]  [4]  [5]  [6]  [7]  [8]  [9]  [10]  [11]   [12]  [13]  [14]

RUDOLF STEINER:

DE VERNIEUWING VAN DE PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE KUNST DOOR GEESTESWETENSCHAP

14 voordrachten gehouden te Bazel van 20 april tot en met 11 mei 1920, met vragenbeantwoording en inleidende woorden bij twee euritmieopvoeringen [1]

2e voordracht Basel, 21 april 1920 [2]

Inhoudsopgave
Drieledigheid van het mensenwezen:
Geesteswetenschap geen ‘verzameling aantekeningen’, maar iets wat leven schept; mens als drieledig wezen: zenuw-zintuigsysteem, ritmisch en stofwisselingsysteem; motorische en sensitieve zenuwen;
het muzikale;
kracht van stemmingmakende verkeerde hypothesen;
drieledigheid in de ziel: denken, voelen, willen;
sympathie en antipathie;
drieledigheid vanuit een geestelijk gezichtspunt: wakker, slapen, dromen.

Dreigliederung des menschlichen Wesens

blz. 26

Es wird unter Umständen schwierig, aus dem heutigen Zeitbewußt­sein heraus die besondere Artung der Geisteswissenschaft zu charak­terisieren; denn es ist ja selbstverständlich, daß man eine Sache zu­nächst, wenn sie einem gegenübertritt, nach dem beurteilt, was man schon hat. Geisteswissenschaft, wie sie hier gemeint ist, ist von anderer Art als dasjenige, was man heute gewöhnt ist, Wissenschaft zu nennen; natürlich nicht dadurch von anderer Art, daß sie etwa durchaus überall über die Dinge andere Inhalte, andere Ideen konstatieren wollte, son­dern dadurch, daß sie in einer gewissen anderen Art zum ganzen Menschen spricht. Und gerade durch diese andere Artung kann Geistes­wissenschaft fruchtbar werden für die pädagogische Kunst. Soll ich mich ausdrücken darüber, wie diese andere Artung ist, so möchte ich heute zunächst vorläufig das Folgende sagen.
Wenn wir von irgendeinem Wissen heute vernehmen, so denken wir uns, wir erwerben irgendwelche Vorstellungen über dieses und jenes und tragen dann diese Vorstellungen, wenn wir ein mehr oder weniger gutes Gedächtnis haben, mit uns das ganze Leben hindurch herum. Wir erinnern uns an die Dinge, und wir wissen sie dadurch. Auf eine solche Verwendung im Leben ist eigentlich Geisteswissenschaft nicht berech­net. Gewiß, aus den Lebensgewohnheiten der Gegenwart wird ja auch Geisteswissenschaft vielfach so aufgenommen. Aber diejenigen, die sie so aufnehmen wie gewissermaßen eine Notizensammlung, die betrach­ten Geisteswissenschaft nicht im rechten Sinne. Sie betrachten etwas, was dem Leben viel näher steht als die gewöhnliche sinnliche und ma­terielle Erkenntnis, in einer Weise, die dem Leben ebenso fernsteht wie die sinnlich-materielle Betrachtungsweise. Sehen Sie, wenn ein Mensch sagen würde: Ich habe gestern gegessen und getrunken, das ist einmal geschehen, also brauche ich das nicht mehr mein ganzes Le­ben hindurch, so würden Sie das selbstverständlich für einen Unsinn

drieledigheid van het mensenwezen

Het wordt onder bepaalde omstandheden moeilijk vanuit het huidige tijdbewustzijn het bijzondere karakter van de geesteswetenschap te karakteriseren; want het is vanzelfsprekend dat men een zaak allereerst als men ermee te maken krijgt, beoordeelt naar wat men al weet. Geesteswetenschap zoals die hier wordt bedoeld, is van een ander gehalte dan wat men tegenwoordig gewend is wetenschap te noemen; natuurlijk niet van een ander gehalte omdat zij zeer zeker over alles wel andere inhouden, andere ideeën wil constateren, maar omdat ze op een bepaalde andere manier tot de hele mens spreekt. En juist door dit andere gehalte kan geesteswetenschap vruchtbaar worden voor de pedagogische kunst. Wanneer ik over dat andere gehalte wil spreken, zou ik nu eerst voorlopig het volgende willen zeggen.
Wanneer we tegenwoordig van een of andere wetenschap iets horen, dan denken we, dat we bepaalde voorstellingen over dit of dat opdoen en dat we dan deze voorstellingen wanneer we een goed of minder goed geheugen hebben, het hele leven met ons mee dragen. We herinneren ons de dingen en weten ze daardoor. Op zo’n toepassing in het leven is geesteswetenschap eigenlijk niet berekend. Zeker, door de gewoonten in het leven van tegenwoordig wordt ook de geesteswetenschap vaak zo opgenomen. Maar degene die ze zo opneemt alsof het een verzameling aantekeningen is, die heeft geen juiste opvatting over geesteswetenschap. Die vat iets wat veel dichter bij het leven staat op, als de gebruikelijke zintuiglijke en materiële kennis, op een manier die even ver van het leven afstaat als de zintuiglijk-stoffelijke opvatting. Ziet u, als een mens zou zeggen: gisteren heb ik gegeten en gedronken, dat is nu eenmaal gebeurd, dus dat heb ik m’n hele leven lang niet meer nodig, dan zou u dat vanzelfsprekend onzin vinden.

blz. 27

ansehen. Denn die Verbindung des menschlichen Organismus mit dem­jenigen, was dieser menschliche Organismus aus der außermensch­lichen Natur zu sich nehmen muß, um zu leben, muß immer erneuert werden, und man kann nicht anders, als in diesen Prozeß des Aufneh­mens, des neuen Verarbeitens immer wieder und wiederum einzutre­ten. So, in einer gewissen Beziehung, ist es mit Geisteswissenschaft. Geisteswissenschaft gibt dem Menschen innerlich etwas ihn Durch-lebendes, das er eigentlich genötigt ist immer wieder zu erneuern, damit es in ihm immer lebendig bleibt. Und daher ist Geisteswissen­schaft etwas, was eigentlich dem im Menschen Schöpferischen viel näher steht als das gewöhnliche Wissen, und was daher tatsächlich von vielen Seiten her Anregung geben kann, um dieses wertvollste Material, das der Mensch nur als Künstler richtig in die Hand nehmen kann, den heranwachsenden Menschen, zu bearbeiten.
Es wird nicht gleich in den ersten Stunden so aussehen, als ob Gei­steswissenschaft in dieser Richtung etwas unmittelbar Lebendiges wäre. Aber wenn Sie die Geduld haben, dasjenige, was zunächst aus den Lebensgewohnheiten der Gegenwart in einer mehr abstrakten Form vorgebracht werden muß, so zu betrachten, daß Sie bemerken, wie das allmählich wirkliches Leben wird, so daß wir nicht nur Kenntnisse daran haben, sondern etwas, was in

Want de verbinding van het menselijk organisme met wat dit uit de natuur buiten de mens tot zich moet nemen om in leven te blijven, moet steeds vernieuwd worden en je kan niet anders dan met dit proces van opname, van het opnieuwe verwerken, altijd weer mee te doen. Zo, in zekere zin, is het ook met geesteswetenschap. Geesteswetenschap geeft aan de mens iets wat hem doorlééft, dat moet hij eigenlijk steeds weer vernieuwen, wil het in hem steeds levend blijven. En vandaar dat geesteswetenschap iets is wat eigenlijk veel dichter bij het scheppende element in de mens staat dan het gewone weten en vandaar werkelijk van veel kanten kan aansporen om met dit waardevolle materiaal dat de mens alleen maar als kunstenaar op een goede manier ter hand kan nemen, met de opgroeiende mens, te werken.
Het ziet er in de eerste tijd niet naar uit dat geesteswetenschap in deze richting iets is wat dan ook meteen lééft. Maar wanneer u geduld heeft om datgene wat nu nog uit de gewoonten van het leven van nu op een meer abstracte manier naar voren gebracht moet worden, zo te bekijken, dat u merkt hoe dat langzamerhand werkelijk leven wordt, zodat we niet alleen maar kennis hebben

jedem Augenblick, in jeder Stunde eine Schule der Lebensliebe zugleich ist, dann werden Sie eben sehen, wenn Sie Geduld haben, wie Geisteswissenschaft durchaus eine andere Richtung hat, und wie diejenigen der Geisteswissenschaft selbst am meisten schaden, die irgend etwas einmal kennengelernt haben von dieser Geisteswissenschaft und es dann so behandeln wie irgendein an­deres Wissen, es als eine Notizensammlung der Welt betrachten.
Ich habe dies vorausschicken wollen, weil gerade die Dinge, die ich werde heute genötigt sein zu sagen, zunächst schon in diesem Lichte zu betrachten sind. Ich habe gestern darauf hingewiesen, wie man zu wirklicher Menschenkenntnis den Menschen zu betrachten hat von den verschiedensten Gesichtspunkten aus, wie aber diese verschiedenen Ge­sichtspunkte gerade dazu führen, einheitlich zu überschauen das Kör­perlich-Physische und das Seelisch-Geistige. Ich habe gestern gesagt, daß man in der Geisteswissenschaft redet von dem physischen Men­schen, dem ätherischen Menschen, dem astralischen Menschen und dem Ich-Wesen. Von diesen Gliedern der menschlichen Natur ist jedes wie­derum in einer gewissen Beziehung dreigliedrig. Der physische Leib ist

daarvan, maar iets wat op ieder ogenblik, op ieder uur tegelijkertijd de school is van de liefde voor het leven, dan zal u zeker zien, wanneer u geduld hebt, hoe geesteswetenschap beslist een andere richting opgaat en hoe degenen die geesteswetenschap zelf het meeste afbreuk doen, die ooit iets hebben leren kennen van deze geesteswetenschap en daar dan zo mee omgaan als een willekeurig ander weten en het beschouwen als een aantekeningverzameling over de wereld.
Dat wilde ik vooropstellen, omdat juist de dingen die ik vandaag moet zeggen, allereerst in dit licht gezien moeten worden. Ik heb er gisteren op gewezen, hoe je bij echte menskunde de mens moet beschouwen vanuit de meest verschillende gezichtspunten, hoe deze echter er juist toe leiden, als een eenheid te zien het lichamelijk-fysieke en wat ziel en geest is. Ik heb gisteren gezegd dat je in de geesteswetenschap spreekt over de fysieke mens, de etherische mens; de astrale mens en het Ik-wezen. Elk van deze vier delen van de menselijke natuur is vanuit een bepaald standpunt ook drieledig. Het fysieke lichaam is

blz. 28

dreigliedrig; alle anderen Glieder der menschlichen Wesenheit sind auch dreigliedrig, so daß die verschiedensten sich durchkreuzenden Gesichtspunkte in Betracht kommen. Ich werde heute von einer ganz anderen Seite her die menschliche Natur zu beleuchten versuchen, und Sie werden sehen, daß sich in den verschiedenen Beleuchtungen zuletzt eine lebendige Charakteristik der menschlichen Wesenheit ergeben wird.
Wir können nämlich in ganz anderer Beziehung, als dies gestern ge­schehen ist, den Menschen wiederum betrachten von drei Gesichts­punkten aus: von dem leiblichen Gesichtspunkt, von dem seelischen Gesichtspunkt und von dem geistigen Gesichtspunkt. Ich betone eben ausdrücklich, daß das, was ich heute sage, von einem ganz anderen Gesichtspunkte aus gesagt ist und sich erst später mit dem zusammen­finden wird, was gestern erwähnt worden ist. Den Menschen können wir betrachten, sagte ich, vom leiblichen Gesichtspunkte aus. Da er­scheint er uns sogleich als ein dreigliedriges Wesen. Wiederum vom seelischen Gesichtspunkte aus erscheint er uns als ein dreigliedriges Wesen, und vom geistigen Gesichtspunkte aus erscheint er uns ebenfalls als ein dreigliedriges Wesen.

drieledig; alle andere delen van het menselijk wezen zijn ook drieledig, zodat de meest verschillende gezichtspunten die door elkaar lopen, bekeken moeten worden. Ik zal vandaag proberen de menselijke natuur van een heel andere kant te belichten en u zal zien, dat er met die verschillende visies uiteindelijk een levendige karakteristiek van het mensenwezen ontstaat.
We kunnen namelijk in een heel ander verband, anders dan gisteren, de mens weer bekijken vanuit drie gezichtpunten: vanuit het gezichtspunt lichaam, ziel en geest. Ik wijs er met klem op dat wat ik nu zeg, vanuit een heel ander gezichtspunt wordt gezegd en dat dit pas later samenkomt met wat gisteren gezegd is. Ik zei: we kunnen de mens beschouwen vanuit een lichamelijk gezichtspunt. Dan verschijnt hij meteen als een drieledig wezen. Vanuit het standpunt van de ziel verschijnt hij ook als een drieledig wezen en eveneens vanuit het standpunt van de geest.

Betrachten wir den Menschen zunächst vom leiblichen Gesichts­punkte aus. Da geht ja die heutige physiologische naturwissenschaft­liche Betrachtung vielfach fehl und bringt es nicht zu einer wirklichen plastischen Ansicht von der Wesenheit des Menschen. Ich habe auf diese Dinge hingewiesen, ich darf sagen, aus einem dreißig Jahre lang andauernden Studium dieser Sache heraus in meinem vor zwei oder drei Jahren erschienenen Buche »Von Seelenrätseln». Im Anfange habe ich hingewiesen auf diese naturgemäß gegebene Dreigliederung des Menschen vom Gesichtspunkte des Leiblichen aus. Ich werde zunächst diese Dinge wie berichtend anführen, um allmählich im Laufe der Stunde die Einzelbeweise für diese Sache beizubringen.
Wenn wir den Menschen zunächst in leiblicher Beziehung betrach­ten, so handelt es sich darum, daß wir erst hinsehen auf dasjenige, was der Mensch dadurch ist, daß er ein Wesen ist, das durch die Sinne die Außenwelt wahrnimmt. Aber Sie wissen ja auch, daß diese Sinne, die gewissermaßen an der Peripherie des menschlichen Organismus lokalisiert sind, sich nach dem inneren Menschen hin in den Nerven fortsetzen. Wer Sinnes- und Nervenorganisation ohne weiteres zusam­menwirft mit der Organisation des übrigen Menschen, der betrachtet den Menschen durchaus nicht so, daß er ihm seiner Wesenheit nach

Nu vanuit een lichamelijk standpunt. Daar gaat het met de huidige fysiologische natuurwetenschappelijke opvatting meestal mis en deze komt niet met een werkelijk plastische opvatting van het wezen mens. Ik heb hierop gewezen, ik mag wel zeggen, vanuit een dertig jaar durende bestudering van deze dingen in mijn voor een jaar of twee drie geleden verschenen boek ‘Vom Seelenrätseln’*. Aan het begin heb ik gewezen op deze door de natuur gegeven drieledigheid van de mens waar het het lichaam betreft. Ik zal deze dingen eerst als mededeling doen om in de loop van het uur de details hiervoor aan te dragen.
Wanneer we de mens eerst lichamelijk beschouwen, gaat het erom eerst aandacht te schenken aan wat een mens is door een wezen te zijn dat door de zintuigen de buitenwereld waarneemt. Maar u weet ook dat deze zintuigen die in zekere zin aan de buitenkant van de mens gelegen zijn, zich naar binnen toe voortzetten door de zenuwen. Wie de zenuw-zintuigorganisatie zonder meer op een hoop gooit met de organisatie van de rest van de mens, kijkt beslist niet zo, dat hij hem wat zijn wezen betreft, kan doorgronden.

*«Von Seelenrätseln» (1917): GA 21, Gesamtausgabe Dornach 1976.
.

blz. 29

durchschaubar werden könnte. Es ist ein hoher Grad von Selbständig­keit, von Individualisierung in dem, was ich nennen möchte den Ner­ven-Sinnes-Menschen. Und gerade weil man heute eigentlich den gan­zen Menschen wie eine nebulose Einheit nur naturwissenschaftlich betrachtet, kommt man nicht darauf, diese fundamentale Selbständig­keit des Nerven-Sinnes-Menschen ins Auge zu fassen. Wir werden uns gleich noch besser verstehen, wenn ich die Sache weiter ausführe.
Ein zweites selbständiges Glied der menschlichen leiblichen Wesen­heit ist dann alles dasjenige, was in unsern Organismus eingegliedert ist als – ich nenne es den rhythmischen, den rhythmisierenden Organis­mus des Menschen; was Atmungssystem ist und rhythmisch ist, was Blutzirkulationssystem ist und rhythmisches System ist, was Lymph­gefäßsystem ist und rhythmisch ist. Alles das, was in rhythmischer Tätigkeit im Menschen ist, das ist ein zweites System der gesamten menschlichen Wesenheit und hat eine relative Selbständigkeit gegen­über dem Nerven-Sinnes-Menschen. Es ist, als wenn diese zwei Systeme einfach ineinander verbunden wären als selbständige und nur kommu­nizierten. Es ist keine solche Einheit im Menschen, wie sie aus unklaren Begriffen heraus die heutige Naturwissenschaft konstatiert.

Er is een hoge graad van zelfstandigheid, van individualisering in wat ik graag noem de zenuw-zintuigmens. En juist omdat men tegenwoordig eigenlijk de hele mens als een vage eenheid beschouwt, komt men er niet op deze fundamentele zelfstandigheid van de zenuw-zintuig mens onder ogen te zien. We zullen dit zo nog beter begrijpen, wanneer ik de zaak verder uiteenzet.
Een tweede zelfstandig deel van het menselijk lichamelijk wezen is alles wat in ons organisme een plaats vindt als – wat ik noem – het ritmische, het ritmische organisme van de mens; het ademsysteem is ritmisch; de bloedsomloop is ritmisch; het lymfevatensysteem is ritmisch. Alles wat in een ritmische activiteit in de mens zit, is een tweede systeem van de totale mens en heeft een relatieve zelfstandigheid t.o.v. de zenuw-zintuigmens. Het lijkt alsof deze twee systemen simpelweg met elkaar verbonden zijn als zelfstandigheden en slechts communiceren. Zo’n eenheid als de huidige natuurwetenschap met vage begrippen vaststelt, zit er in de mens niet.

Und das dritte ist wieder etwas, was relativ selbständig ist in bezug auf den ganzen Menschen; das ist dasjenige, was ich den Stoffwechsel-Organismus nennen möchte. Wenn Sie in bezug auf die Tätigkeit ein­fach den dreifachen Menschen betrachten, den Nerven-Sinnes-Men­schen, den Menschen, der in gewissen rhythmischen Tätigkeiten lebt, den Menschen, der im Stoffwechsel lebt, dann haben Sie alles, was in der menschlichen Natur, sofern sie ein tätiger Organismus ist, vor­handen ist. Und Sie haben zugleich auf drei selbständige Systeme im menschlichen Organismus hingewiesen.
Sehen Sie, über diese drei selbständigen Systeme macht sich die heutige Wissenschaft ganz falsche Begriffe, indem sie einfach sagt: See­lenleben, das ist verknüpft mit dem Nervenleben. Wir können ja über­all als eine Gewohnheit, die sich im Laufe der Zeit, man kann sagen, etwa seit dem Ende des 18. Jahrhunderts eingebürgert hat, sehen, daß das Seelenleben in einen gewissen Zusammenhang gebracht wird nur mit dem Nervenleben. Wir wollen, um einen gewissen Sinn zu ver­binden mit dem, was ich gerade als die Dreigliederung des mensch­lichen Leibes angedeutet habe, die Zugehörigkeit des menschlichen Seelenlebens einmal zu diesem dreigliedrigen Menschen untersuchen.

En het derde is weer iets, wat relatief zelfstandig is m.b.t. de hele mens; dat is wat ik het stofwisselingsorganisme zou willen noemen. Wanneer je, wat de activiteit betreft, eenvoudig naar deze drievoudige mens kijkt, de zenuw-zintuigmens, die in bepaalde ritmen leeft, de mens die in de stofwisseling leeft, heb je alles wat in de menselijke natuur, in zoverre deze een actief organisme is, voor handen. En je hebt tegelijkertijd op drie zelfstandige systemen in het menselijk organisme gewezen.
Kijk eens, over deze drie zelfstandige systemen vormt de huidige wetenschap totaal verkeerde begrippen, als ze simpelweg zegt: het leven van de ziel is gebonden aan het zenuwleven. We kunnen zeker als een gewoonte die in de loop van lange tijd, je kan zeggen ongeveer vanaf het einde van de 18e eeuw, ingeburgerd raakte, zien dat het zielenleven in een zekere samenhang gebracht wordt, alleen maar met het zenuwleven. Wij willen om een bepaalde zin te verbinden met wat ik juist als drieledigheid van het menselijk lichaam aanduidde, de samenhang van het zielenleven van de mens met deze drieledige mens onderzoeken.

blz. 30

Nun müssen wir sagen: Alles, was im menschlichen Stoffwechselleib konzentriert ist, was als Tätigkeit der Stoffwechselleib ist, das hängt zusammen unmittelbar mit dem menschlichen Wollen. Dasjenige, was Zirkulationssystem ist, hängt zusammen unmittelbar mit dem mensch­lichen Fühlen, und dasjenige, was Nerven-Sinnes-System ist, hängt zusammen mit dem menschlichen Vorstellen. Sehen Sie, hier macht sich die neuere Naturwissenschaft eben ganz falsche Begriffe. Sie sagt, das Seelenleben des Menschen hängt zusammen mit dem Nervenleben über­haupt, höchstens also mit dem Nerven-Sinnes-Leben. Denken, Fühlen und Wollen hängen zusammen unmittelbar mit dem Nervenleben, und erst durch die Nerven wird übertragen die Tätigkeit des Seelenlebens indirekt auf den Zirkulationsmenschen, auf den rhythmischen Men­schen und auf den Stoffwechselmenschen. Dadurch kommt eine ganze Verwirrung in die Auffassung vom Menschen hinein. Man entfernt sich von der menschlichen Natur, statt daß man sich ihr nähert. Mit dem Nerven-Sinnes-Leben hat nichts anderes als das Vorstellen in unmittel­barer Art zu tun. Dagegen ist ebenso unmittelbar, wie das Vorstellungs-leben verknüpft ist mit dem Nerven-Sinnes-Leben, das Gefühlsleben des Menschen unmittelbar verbunden mit dem rhythmischen System des Menschen.

Nu moeten we zeggen: alles wat in het menselijk stofwisselingsgebied geconcentreerd is, wat dit stofwisselingsgebied als activiteit heeft, hangt direct samen met de menselijke wil. Wat circulatiesysteem is, hangt direct samen met het menselijk gevoel en wat zenuw-zintuigsysteem is, hangt samen met het menselijke voorstellen. Kijk, hier vormt de nieuwere natuurwetenschap ook verkeerde begrippen. Ze zegt dat het zielenleven van de mens in hoge mate samenhangt met de zenuwen, hooguit met het zenuw-zintuigleven. Denken, voelen en willen hangen direct samen met de zenuwen en  door de zenuwen wordt de activiteit van het zielenleven indirect op het circulatiesyteem, op de ritmische mens en op de stofwisselingsmens overgebracht. Daardoor ontstaat een complete verwarring over hoe de mens gezien wordt. Men neemt afstand van de menselijke natuur, in plaats dat men die nader komt. Met het zenuw-zintuigleven heeft niets anders van onmiddellijke doen: het voorstellen. Vergelijkenderwijs is even direct, zoals het voorstellingsleven verbonden is met het zenuw-zintuigleven, het gevoelsleven van de mens verbonden met het ritmische systeem van de mens.

Gefühlsleben als seelisches Leben pulsiert zugleich in Atmung, Blutzirkulation, Lymphzirkulation und ist ebenso unmittel­bar mit diesem System verbunden, wie das Vorstellungssystem mit dem Nervensystem. Und das Willenssystem ist unmittelbar verbunden mit dem Stoffwechselsystem. Immer geschieht irgend etwas im mensch­lichen Stoffwechsel, wenn eine Willenstätigkeit oder eine Willenskom­bination vorliegt. Das Nervenleben hat nicht die Beziehung zum Wol­len, die man ihm gewöhnlich zuschreibt, sondern der Wille hat un­mittelbar eine Beziehung zum Stoffwechsel, und diese Beziehung zum Stoffwechsel nimmt der vorstellende Mensch erst wiederum wahr durch das Nervensystem. Das ist die wirkliche Beziehung. Das Nervensystem hat keine andere Aufgabe als vorzustellen. Ob vorgestellt wird irgend­ein äußerer Gegenstand, ob vorgestellt wird dasjenige, was durch den Willen im Zusammenhange mit dem Stoffwechsel geschieht, der Nerv hat immer die gleiche Aufgabe. Die heutige Wissenschaft unterscheidet sensitive Nerven, die da sein sollen, um von der Körperperipherie aus gewissermaßen die Eindrücke der Außenwelt zum Zentralorgan, wie man sagt, zu tragen; dann wiederum sollen motorische Nerven da sein, welche dasjenige, was vom Zentralsystem als Willensimpuls ausgehen

Gevoelsleven als zielenleven pulseert tegelijkertijd in ademhaling, bloedsomloop, lymfecirculatie en is net zo direct met dit systeem verbonden, als het voorstellingsleven met het zenuwsyteem. En het wilssysteem is direct verbonden met het stofwisselingssyteem. Steeds gebeurt er iets in de menselijke stofwisseling, wanneer er een wilsactiveit of een wilscombinatie speelt. Het zenuwleven heeft niet die relatie tot het willen, die men er gewoonlijk aan toeschrijft, maar de wil heeft een onmiddellijke relatie tot de stofwisseling en deze relatie neemt de zich voorstellende mens pas weer waar door het zenuwsysteem. Dat is de werkelijke relatie. Het zenuwsysteem heeft geen andere opdracht dan het voorstellen. Of er nu een of ander voorwerp van buiten, of voorgesteld wordt wat via de wil samenhangt met de stofwisseling, de zenuw heeft steeds dezelfde opgave. De wetenschap van tegenwoordig onderscheidt sensitieve zenuwen die zouden bestaan om vanuit de lichaamsperiferie bepaalde indrukken uit de buitenwereld naar het centrale orgaan – zoals men zegt – te transporteren; en dan zouden er motorische zenuwen zijn, die dan wat vanuit het centrale zenuwstelsel als wilsimpuls uit moet gaan

blz. 31

soll, nach der Peripherie des Körpers zu tragen haben. Man hat, ich werde davon noch genauer reden, sehr geistreiche – geistreich sind sie ja, die Dinge -, sehr geistreiche Theorien ersonnen, um nachzuwei­sen, wie man durch Durchschneiden und so weiter von Nerven be­weisen könne, daß ein solcher Unterschied besteht zwischen sensitiven und motorischen Nerven. Aber in Wirklichkeit existiert er nicht. Und viel bedeutungsyoller als alle im Laufe der Zeit geistreich ersonnenen Theorien über den Unterschied von motorischen und sensitiven Nerven ist die andere Tatsache, daß man allerdings den sogenannten moto­rischen Nerv zerschneiden kann, sein Ende zusammenstückeln kann mit dem Ende eines ebenfalls durchschnittenen sensitiven Nervs, und daß dies dann wiederum einen Nerv von einer Nervenart gibt. Das ist viel mehr sprechend als alles übrige, was sonst ersonnen worden ist, daß ein Unterschied in der wirklichen Funktion zwischen motori­schen und sensitiven Nerven nicht gefunden werden kann. Er kann auch in anatomisch-physiologischer Beziehung nicht gefunden werden. Die sogenannten motorischen Nerven sind nicht dasjenige, was den Willensimpuls vom Zentralorgan zu der Peripherie des Menschen trägt, sondern diese motorischen Nerven sind in Wirklichkeit auch sensitive Nerven.

naar de periferie van het lichaam moeten brengen. Men heeft, ik zal daar nog preciezer over spreken, zeer geestrijke – geestrijk zijn ze, die dingen -, zeer geestrijke theorieën bedacht om na te gaan hoe je door het doorsnijden van zenuwen kan bewijzen, dat er tussen sensitieve en motorische zenuwen zo’n onderscheid bestaat. Maar in werkelijkheid bestaat dat niet. En veel belangrijker dan alle in de loop van de tijd geestrijk bedachte theorieën over het verschil in motorische en sensitieve zenuwen, is het andere feit dat je dus de zogenaamde motorische zenuw door kan snijden, het eind ervan aan het eind van een eveneens doorgesneden sensitieve zenuw kan koppelen en dat dit dan weer een zenuw van een van de soorten oplevert. Dat is veel sprekender dan al het andere, wat maar bedacht is, dat een onderscheid in de werkelijke functie tussen motorische en sensitieve zenuwen niet kan worden gevonden. Ook in anatomisch-fysiologisch verband kan dit niet worden gevonden. De zogenaamde motorische zenuwen zijn niet datgene wat de wilsimpuls van het centraalorgaan naar de periferie van de mens brengt, maar deze motorische zenuwen zijn in werkelijkheid ook sensitieve zenuwen.

Sie sind dazu da, sagen wir, wenn ich zum Beispiel einen Finger bewege, daß eine unmittelbare Beziehung zwischen dem Willensentschluß und dem Stoffwechsel des Fingers zustande kommt, daß der unmittelbare Einfluß, der vom Willen ausgeübt wird, den Stoffwechsel des Fingers ergreift. Diese Stoffwechseländerung, dieser Stoffwechselvorgang wird durch den sogenannten motorischen Nerv wahrgenommen. Und wenn ich den Stoffwechselvorgang nicht wahr-nehme, dann erfolgt auch kein Willensentschluß, weil der Mensch darauf angewiesen ist, dasjenige, was in ihm vorgeht, ebenso wahr­zunehmen, wenn er dadurch etwas wissen soll, sich beteiligen soll daran, wie irgend etwas in der äußeren Welt wahrzunehmen ist, wenn er daran beteiligt sein soll.
Es ist geradezu, ich möchte sagen, diese Unterscheidung von sen­sitiven Nerven und motorischen Nerven der bequemste Knecht des Materialismus, allerdings ein Knecht, der nur hat heraufziehen können in der materialistischen Wissenschaft dadurch, daß man einen billigen Vergleich gefunden hat in dieser neueren Zeit, nämlich den des Tele-graphen. Man telegraphiert von einer Station zur anderen hin, und dann telegraphiert man wiederum zurück. Nach diesem Bilde des Telegraphierens

Ze zijn er om, laten we zeggen, als ik bijv. een vinger beweeg, dat er een directe verbinding tussen het wilsbesluit en de stofwisseling van de vinger tot stand komt, dat de directe invloed die door de wil uitgevoerd wordt, in de stofwisseling van de vinger dringt. Deze stofwisselingsverandering, dit stofwisselingsproces wordt door de zogenaamde motorische zenuw waargenomen. En wanneer ik het stofwisselingsproces niet waarneem, dan volgt er geen wilsbesluit, omdat de mens erop aangewezen is wat er in hem gebeurt, net zo waar te nemen, als wanneer hij iets weten moet, er deel van uit moet maken, hoe iets in de buitenwereld waar te nemen is, wanneer hij daar deel van uit moet maken.
Met name – zou ik willen zeggen – is dit onderscheid van sensitieve en motorische zenuwen de hulpvaardigste knecht van het materialisme, zeker een knecht die in de materialistische wetenschap opgeklommen is door een goedkope vergelijking te vinden in deze moderne tijd, die van de telegraaf. Men telegrafeert van het ene station naar het andere en dan telegrafeert men weer terug. Met dit beeld van telegraferen

blz. 32

stellt man sich ungefähr heute die Vorgänge vor von der Peripherie nach dem Zentralorgan und wiederum zurück durch sensitive und motorische Nerven. Das ganze Bild ist natürlich nur möglich in einem Zeitalter, in dem eben gerade die Telegraphie eine solche Rolle zu spielen hat wie im 19. Jahrhundert. Wäre die Telegraphie nicht da, so hätte man ja auch dieses Bild nicht gefunden, und man wäre vielleicht zu einer naturgemäßeren Anschauung der entsprechenden Vorgänge gekommen.
Sehen Sie, es sieht aus, als wenn man, ich möchte sagen, aus einem gewissen Radikalismus heraus, aus Kritikasterei dasjenige in Grund und Boden treten wollte, mit dem sich so viele Menschen soviel ernst­liche Mühe gegeben haben. Aber glauben Sie nicht, daß das leicht ist. Glauben Sie nicht, daß einem das leicht wird. Ich habe mich als ganz junger Mann zu beschäftigen angefangen mit der Nervenlehre, und es war für mich etwas Erschütterndes, zu bemerken, wie gerade diese Nervenlehre der schlechte Knecht des Materialismus ist, weil dasjenige, was ein unmittelbarer seelischer Einfluß des Willens auf den Stoff­wechsel ist, dadurch vermaterialisiert wird, daß man sich vorstellt, der materielle Nervenstrang trage den Willensimpuls vom Zetitralorgan zu der Peripherie des Menschen, das heißt zum Muskel, zum Be­wegungsorgan. Man zeichnet so die materiellen Prozesse in den Or­ganismus hinein.

stelt men zich min of meer tegenwoordig het proces voor van de periferie naar het centraalorgaan en weer terug door de sensitieve en motorische zenuwen. Dit hele beeld is natuurlijk slechts mogelijk in een tijd waarin nu juist de telegrafie een grote rol moest spelen, zoals in de 19e eeuw. Wanneer de telegrafie er niet was geweest, dan zou men dit beeld ook niet hebben gevonden en was man wellicht op een meer natuurgetrouwe opvatting van de onderhavige procesen gekomen.
Kijk, het lijkt erop dat men – zou ik zeggen – vanuit een zeker radicaliteit, vanuit criticasterij dat waarmee veel mensen ernstig bezig waren geweest, in de grond wilde boren. Maar geloof maar niet dat dit makkelijk is. Geloof maar niet dat dit iemand makkelijk afgaat. Ik ben als heel jong mens me al gaan bezighouden met de leer van de zenuwen en het was voor mij nogal schokkend te merken hoe met name deze leer de slechte bediende van het materialisme is, omdat hetgeen een directe gevoelsmatige invloed van de wil op de stofwisseling is, materialistisch gemaakt wordt door zich voor te stellen dat een stoffelijke zenuwbaan de wilsimpuls van het centraalorgaan naar de periferie van de mens transporteert, d.w.z. naar de spieren, naar het bewegingsorgaan. Op die manier stelt men zich de stoffelijke processen in het organisme voor.

In Wahrheit ist bei einem Willensakt zunächst durchaus ein un­mittelbarer Zusammenhang zwischen dem, was der seelische Willens­impuls ist, und irgendeinemProzeß desStoffwechsels.DerNerv ist eben nur dazu da, um die Wahrnehmung dieses Prozesses zu vermitteln. Ebenso ist der Nerv nur dazu da, um jene Wahrnehmung zu ver­mitteln, welche bestehen muß für den Menschen, wenn zwischen seinem Fühlen und irgendeinem solchen Vorgang, der sich ausdrückt in Zir­kulation, eine Beziehung entsteht. Das ist immer dann der Fall, wenn wir fühlen. Da liegt zunächst nicht zugrunde irgendein nervöser Pro­zeß, sondern es liegt zugrunde eine Modifikation unseres Zirkulations­wesens. Bei irgendeinem Gefühl liegt immer ein Vorgang im, jetzt nicht Stoffwechsel, sondern im rhythmischen Gange der Zirkulations­prozesse vor. Und das, was vorgeht, was im Blute, in der Lymph­bildung vorgeht, in dem Sauerstoffwechsel, was aber nicht ein wirk­licher Stoffwechsel ist – der Sauerstoffwechsel ist schon ein Stoffwechsel, insofern gehört er aber zu den Willensvermittlern -, aber insofern wir

In waarheid is er bij een wilsactivieit allereerst een directe samenhang tussen wat de wilsimpuls van de ziel is en een of ander stofwisselingsproces. De zenuw is er alleen maar voor om de waarneming van dit proces over te brengen. Net zo is de zenuw er om iedere waarneming over te brengen die er voor de mens moet zijn, wanneer er tussen zijn voelen en een dergelijk proces dat zich uitdrukt in de circulatie, een relatie ontstaat. Dat is steeds het geval wanneer we voelen. Daaraan ligt niet meteen een of ander zenuwproces ten grondslag, maar er aan ten grondslag ligt een modificatie van ons circulatiewezen. Bij een of ander gevoel is er altijd een proces in – nu niet de stofwisseling – maar in het ritmisch verloop van het circulatieproces. En wat er gebeurt, wat in het bloed, in de lymfevorming plaatsvindt, in de zuurstofuitwisseling, die geen echte stofwisseling is – zuurstofuitwisseling is wel stofwisseling, in zoverre die hoort bij het overbrengen van de wil -, maar in zover wij

blz. 33

es zu tun haben mit einem rhythmischen Prozesse der Atmung, gehört das zum Fühlen. Alles Fühlen ist direkt zugeordnet dem rhythmischen Prozesse. Und wiederum sind die Nerven nur dazu da, um dasjenige wahrzunehmen, was sich da unmittelbar abspielt zwischen dem see­lischen Fühlen und dem rhythmischen Prozesse im Organismus. Ner­ven sind also auch da wiederum nur Wahrnehmungsorgane. So daß wir, ich möchte sagen, in dieser geisteswissenschaftlichen Unter­suchung erst sehen, was es eigentlich bedeutet, wenn wir in Lehrbüchern der Physiologie oder auch der Psychologie immer wieder und wie­derum finden mußten: Ja, man muß aus der Theorie heraus hypothe­tisch annehmen, der Mensch habe sensitive und motorische Nerven; aber anatomisch unterscheiden sich die beiden höchstens ein wenig durch ihre Dicke, jedenfalls nicht durch irgend etwas anderes. Speku­lationen bei der Tabes und dergleichen, die man gemacht hat – auf die werde ich noch zurückkommen. Ich wollte heute nur eben andeuten zu­nächst, daß eine unbefangene Betrachtung des menschlichen Organis­mus diesen als einen dreigliedrigen uns zeigt: den Nerven-Sinnes-Or­ganismus, der zugeordnet ist dem vorstellenden Seelenleben, dann den Organismus, der in Rhythmen lebt, zugeordnet dem Gefühlsseelen­leben, den Organismus, der im Stoffwechsel lebt, im weitesten Sinne, zugeordnet unmittelbar dem Willensteil des Seelenlebens.

te maken hebben met een ritmisch proces van de adem, hoort die bij het voelen. Alle voelen hoort direct bij het ritmische proces. En ook hier zijn de zenuwen er alleen maar om waar te nemen wat zich daar direct afspeelt tussen het voelen van de ziel en het ritmische proces in het organisme. Zenuwen zijn ook daar weer slechts waarnemingsorganen. Zodat we, in dit geesteswetenschappelijk onderzoek pas zien, wat het uiteindelijk betekent, wanneer we in de studieboeken over fysiologie of ook over psychologie steeds opnieuw weer moeten aantreffen: Ja, men moet vanuit de theorie hypothetisch aannemen dat de mens sensitieve en motorische zenuwen heeft; echter, anatomisch verschillen die twee hoogstens wat de dikte betreft, in ieder geval niet door iets anders. Op speculaties die men gemaakt heeft bij de tabes e.d. kom ik nog terug. Ik wilde nu allereerst even aanduiden dat een onbevangen waarnemen van het menselijk organisme ons dit als drieledig verschijnt: het zenuw-zintuigorganisme, dat hoort bij de zich voorstellende ziel, dan het organisme dat in ritmen leeft, behorend tot het gevoelsleven van de ziel; het organisme dat in de stofwisseling leeft, in de ruimste zin van het woord, direct behorend bij het wilsdeel van het zielenleven.

Nun können wir ja zur Verdeutlichung einmal ins Auge fassen das Leben, sagen wir, im Musikalischen. Dieses Leben im Musikalischen, es ist der allerbeste Beweis – zunächst einer von vielen, wir werden noch verschiedene kennenlernen, aber vielleicht einer der besten Be­weise – für die besondere Zuordnung des Gefühlslebens zum rhyth­mischen Leben des Organismus. Dieses rhythmische Leben wird in seinem Zusammenhang mit dem Gefühlsleben wahrgenommen von dem Vorstellungsleben, das an den Nerven-Sinnes-Organismus ge­bunden ist. Wenn wir etwas Musikalisches hören, ja, wenn wir irgend­wie uns einem Tonbilde hingeben, dann ist das allerdings scheinbar zunächst aufgenommen durch den Sinn. Aber diejenigen Physiologen, die etwas feiner beobachten können, merken, wie innerlich beteiligt ist an dem Verfolgen eines Tonbildes das Atmen, und wie wirklich unser Atmen etwas zu tun hat mit dem, was wir als dasjenige in uns erleben, was uns das Tonbild erscheinen läßt als etwas, das ästhetisch zu be­urteilen ist, das in das Gebiet der Kunst zu versetzen ist.
Wir müssen uns nämlich klar sein, welch komplizierter Prozeß 

Nu kunnen we ter verduidelijking eens de blik richten op het leven, laten we zeggen, het muzikale. Dit leven in het muzikale is het allerbeste bewijs – eigenlijk een van de vele (we zullen er nog verschillende leren kennen), maar misschien wel een van de beste bewijzen – voor de bijzondere verbondenheid van het gevoelsleven met het ritmische leven van het organisme. Dit ritmisch leven wordt in zijn samenhang met het gevoelsleven waargenomen door het voorstellingsleven dat aan het zenuw-zintuigorganisme gebonden is. Wanneer we iets muzikaals horen, ons op de een of andere manier op een toongeheel richten, dan wordt dat in ieder geval schijnbaar allereerst opgenomen door de zintuigen. Maar de fysiologen die iets preciezer kunnen waarnemen, bemerken hoe de adem innerlijk meedoet aan het volgen van het toongeheel; hoe daadwerkelijk ons ademen iets te maken heeft met wat we in onszelf beleven van wat het toongeheel ons geeft als iets wat je esthetisch kan beoordelen, wat je bij de kunst kan plaatsen.
We moeten wel duidelijk hebben, wat voor gecompliceerd proces

blz. 34

eigentlich in uns fortwährend vorgeht. Nehmen Sie einmal diesen un­seren Organismus an. Dieser Nerven-Sinnes-Organismus, der zentra­lisiert ist im menschlichen Gehirn, er ist ja so zentralisiert, daß das Gehirn eigentlich nur zum geringsten Teil in einem gewissen festen Zustande ist; das ganze Gehirn schwimmt im Gehirnwasser. Ich ver­suche dasjenige, was da zugrunde liegt, durch folgendes klarzumachen:
Es würde unser Gehirn, wenn es nicht im Gehimwasser wirklich schwimmen würde, fortwährend auf die an der Schädelunterlage be­findlichen Blutgefäße drücken und diese fortwährend zerdrücken. Un­ser Gehirn erleidet nämlich dadurch, daß es im Gehirnwasser schwimmt, einen fortwährenden Auftrieb – was man nach dem Archimedischen Prinzip den Auftrieb nennt, wie Sie aus der Physik wissen -, so daß von dem reichlich 1300 bis 1500 Gramm wiegenden Hirn eigentlich auf die Unterlage des Schädels höchstens 20 Gramm drücken. So daß also dadurch, daß das Gehirn einen mächtigen Auftrieb erleidet, auf die Unterlage des Schädels sehr wenig gedrückt wird. Aber dieses Ge­hirnwasser, das ist nicht minder beteiligt an unserem ganzen mensch­lichen Erleben als etwa das Feste des Gehirnes. 

zich daar eigenlijk voortdurend in ons afspeelt. Laten we ons eens naar dit deel van ons organisme richten. Dit zenuw-zintuigorganisme, dat gecentraliseerd is in de menselijke hersenen; zo gecentraliseerd dat de hersenen eigenlijk maar voor het kleinste deel zich in een zekere vaste toestand bevinden; het hele brein zwemt in het hersenwater. Ik probeer om wat daaraan ten grondslag ligt door het volgende duidelijk te maken: onze hersenen zouden, wanneer ze niet daadwerkelijk in het hersenvocht zouden zwemmen, voortdurend op de bloedvaatjes van de schedelbasis drukken en deze voortdurend verdrukken. Onze hersenen ondergaan namelijk doordat ze in het hersenvocht zwemmen een voortdurende opwaartse druk – wat je naar Archimedes de opwaartse druk kan noemen, zoals u dat uit de natuurkunde kent – zodat er van de ruim 1300 tot 1500 gram wegende hersenen eigenlijk op de schedelbasis hooguit 20 gram drukken. Zodat er door de opwaartse druk waaraan de hersenen onderhevig zijn, op de schedelbasis zeer weinig druk wordt uitgeoefend. Maar dit hersenwater is niet minder betrokken bij heel ons menselijk beleven dan de vaste hersensubstantie.

Dieses Gehirnwasser, das ist nämlich in einer stetigen Auf- und Abbewegung. Es bewegt sich das Gehirnwasser rhythmisch auf und ab vom Gehirn durch den Rückenmarkskanal, strahlt dann aus in die Bauchhöhlung, wird bei der Einatmung zurückgestoßen in die Gehirnhöhlung, wieder heraus-gestoßen, und bei der Ausatmung fließt es wieder herunter. In fort­währendem Auf- und Abbewegen ist dieses Gehirnwasser, das heißt, seine Fortsetzung in den übrigen Organismus hinein, so daß eine fort­währende vibrierende Bewegung stattfindet, die im Grunde genommen den ganzen Menschen erfüllt und die mit dem Atmen zusammenhängt.
Indem wir irgendeiner Folge von Tönen gegenüberstehen, stehen wir ihr als atmende Menschen gegenüber. Fortwährend wird das Was­ser aufwärts und abwärts getrieben. Und indem wir hören, schlägt innerlich der Rhythmus des auf- und absteigenden Wassers an das­jenige an, was da durch die Töne in uns im Gehörorgan als Sinnes-wahrnehmung figuriert, und ein fortwährendes Zusammenschlagen der innerlichen Vibrationsmusik unseres Atmens findet statt mit dem, was als Wahrnehmungsvorgang an unser Ohr schlägt. Darinnen besteht eigentlich das musikalische Erlebnis, in diesem Ausgleich zwischen der Gehörwahrnehmung und dem rhythmischen Atmungsprozeß. Und der schildert ganz falsch, der etwa das musikalische Wahrnehmen, das ja

Dit hersenwater is namelijk in een op-en-neerbeweging. Het hersenwater beweegt ritmisch op en neer vanuit de hersenen door het ruggenmergkanaal, straalt dan uit in de buikholte, wordt door het inademen weer teruggedrukt in de hersenholte, weer weggedrukt en bij de uitademing vloeit het weer naar beneden. In een voortdurende stijg- en daalbeweging is dit hersenwater; dat beteken:t het gaat vandaaruit de rest van het organisme in, zodat er een voortdurende vibrerende beweging plaatsvindt die uiteindelijk door de hele mens heengaat en die met de adem samenhangt.
Wanneer we te maken hebben met een bepaalde volgorde van tonen, hebben we daar als ademende mens mee te maken. Voortdurend wordt het water op- en neer geperst. En wanneer we horen, beroert innerlijk het ritime van het op-en-neergaande water dat wat door de tonen in ons gehoororgaan als zintuigwaarneming werkt en een constant samengaan van de innerlijke vibratiemuziek van onze adem vindt plaats met wat als waarnemingsproces in ons oor gebeurt. Daaruit bestaat eigenlijk de muzikale beleving, in deze uitwisseling tussen gehoorswaarneming en het ritmische ademproces. En degene die min of meer dit muzikale waarnemen

blz. 35

überall im wesentlichen durchzogen ist vom Fühlen, nur in Beziehung bringen möchte direkt mit den Nervenvorgängen. Die sind eigentlich beim musikalischen Wahrnehmen nur dazu da, daß wir dasjenige, was eigentlich vorgeht, tiefer mit unserem Ich verbinden, daß wir es so recht wahrnehmen, daß wir es ins Vorstellen umsetzen.
Ich habe nach allen Richtungen hin versucht, diesen Dingen nach­zugehen. Es war in der Zeit, in der die europäische Menschheit sich noch mehr für solche Fragen unmittelbar interessierte. Da war, wie Sie wissen, der lebhafte Streit vorhanden zwischen der Auffassung des Musikalisch-Schönen durch Richard Wagner und die Wagner-Schüler und durch den Wiener Hanslick. Da konnte man das Problem des mu­sikalischen Wahrnehmens nach allen Richtungen erörtert finden. Da wurde auch hingewiesen in diesem Zusammenhange auf diejenigen Versuche, die man machen kann, um hinter das musikalische Wahr­nehmen zu kommen. Und gerade beim musikalischen Wahrnehmen drängt es sich auf, die unmittelbare Beziehung zu suchen zwischen den Zirkulationsvorgängen und dem, was eigentliches menschliches Fühlen ist, während gleichzeitig eine unmittelbare Beziehung zwischen dem Nervensystem und dem Vorstellen vorhanden ist.

dat overal hoofdzakelijk doortrokken is met gevoel, slecht meteen aan de zenuwprocessen wil koppelen, zit er naast. Die zijn er bij het muzikale waarnemen eigenlijk alleen maar voor, dat wij dat wat er gebeurt, dieper met ons wezen kunnen verbinden, dat we het zo goed waarnemen dat we het in voorstellen kunnen omzetten.
In alle richtingen heb ik geprobeerd deze dingen na te gaan. Het was in de tijd waarin de Euroeose mensheid zich nog meer voor zulke vragen direct interesseerde. Daar vond, zoals u weet, een levendige strijd plaats tussen de opvatting van het muzikaal-esthetische door Richard Wagner* en zijn leerlingen en door de uit Wenen afkomstige Hanslik**. Toen kon je het probleem van het muzikale waarnemen van alle kanten uitgelegd krijgen. In deze samenhang werd er ook gewezen op de proeven die je kan doen om achter het muzikale waarnemen te komen. En met name bij het muzikale waarnemen dringt zich op de directe samenhang te zoeken tussen de circulatieprocessen en wat eigenlijk menselijk gevoel is, terwijl gelijktijdig er een directe samenhang bestaat tussen het zenuwsysteem en het voorstellen.

*Ricbard Wagner, 1813-1883, deutscher Komponist. «Tannbäuser«, «Lohengrin«, «Ring des Nibelungen« u.a.
**den Wiener Hanslick: Eduard Hanslick (1825-1904). «Vom Musikalisch-Schönen« (Leipzig 1854/91).
.

Aber diese unmittel­bare Beziehung ist nicht zu suchen zwischen dem Nervensystem und dem Fühlen und nicht zwischen dem Nervensystem und dem Wollen.
Ich bin überzeugt davon, daß die falsche Hypothese von den sensi­tiven und motorischen Nerven, die in die Wissenschaft als der Knecht des Materialismus eingezogen ist, weit mehr als man meint schon die Denkweise der Menschen ergriffen hat und in der nächsten oder in der zweitnächsten Generation Gesinnung wird. Ja, ich bin überzeugt, daß diese materialistische Nervenlehre schon Gesinnung geworden ist in der Menschheit und daß wir eigentlich heute das, was wir in der Phy­siologie oder in der Psychologie so als Theorie hersagen, schon in un­seren Gesinnungen haben, und daß diese Gesinnungen eigentlich die Menschen trennen. Wenn man das Gefühl hat – und die Leute haben heute schon das Gefühl -, daß eigentlich der andere Mensch uns nur gegenübersteht so, daß wir selber auf ihn einen Sinneseindruck machen, er auf uns, daß er da abgeschlossen von uns in sich hat sein Gefühls­leben, das erst durch die Nerven vermittelt werden soll, dann richten wir eine Scheidewand zwischen Mensch und Mensch auf. Es ist ja wirk­lich so, daß diese Scheidewände zu merkwürdigen Anschauungen ge­führt haben, wenn man heute hört, daß Leute sagen: Ja, wenn ich

Maar deze directe relatie is niet te vinden tussen het zenuwsysteem en het voelen en niet tussen het zenuwsysteem en het willen.
Ik ben ervan overtuigd dat de valse hypothese van de sensitieve en motorische zenuwen die in de wetenschap als knecht van het materialisme is gekomen, veel meer dan men denkt, al bezit heeft genomen van de manier van denken van de mens en in de volgende of daarop volgende generatie de opvatting wordt. Ja, ik ben ervan overtuigd dat deze materialistische leer over de zenuwen onder de mensen al dé opvatting geworden is en dat wij eigenlijk wat we in de fysiologie of in de psychologie zo als theorie aangeven, al onze opvatting is en dat deze opvattingen de mensen eigenlijk verdelen. Wanneer je het gevoel hebt – en de mensen hebben tegenwoordig dit gevoel – dat de andere mens zo tegenover ons staat, dat wijzelf op hem een indruk maken, hij op ons, dat hij afgesloten voor ons een gevoelsleven heeft dat eerst door de zenuwen moet gaan, richten wij tussen de mensen een barrière op. Het is echt zo dat deze barrières tot merkwaardige opvattingen geleid hebben, zoals wanneer je hoort dat de mensen zeggen: Ja, wanneer ik

blz. 36

einen anderen Menschen ansehe, so sehe ich, daß er die Nase mitten im Gesicht hat, daß er zwei Augen hat an derjenigen Stelle, wo ich weiß, ich habe auch zwei Augen. Er hat ein Gesicht so geformt wie ich; indem ich das alles sehe, ziehe ich den unbewußten Schluß: Da ist ein ebensolches Ich in dem Organismus drinnen wie in mir. – Es gibt heute schon Leute, die auch diese Theorie vertreten und das Verhältnis vom Menschen zum Menschen so äußerlich auffassen, daß sie meinen, aus der Gestalt des Menschen wäre erst ein unbewußter Schluß notwendig, um darauf zu kommen, daß der andere Mensch ein mit dem eigenen Ich gleiches Ich hat. Die Anschauung, welche nur das Nervenleben zu­sammenbringt mit dem Vorstellungsleben, dagegen das Zirkulations-und Atmungsleben zusammenbringt mit dem Gefühlsleben, das ganze Stoffwechselleben zusammenbringt mit dem Willensleben, die wird, wenn sie Gesinnung wird, wenn sie einmal wirkliches Erleben wird, die Menschen wiederum zusammenführen. Ich kann für dieses Zusam­menbringen heute zunächst nur ein Bild gebrauchen.
Sehen Sie, wir würden ja wirklich geistig-seelisch als Menschen sehr voneinander getrennt sein, wenn wir geistig-seelisch so einander gegen­überstünden, daß wir eigentlich alles Fühlen und Wollen durch unsere Nerven in unserem Innern entwickelten und der ganze Mensch in sei­ner Haut abgeschlossen gedacht werden müßte. Da wird das Seelische sehr isoliert.

naar een ander mens kijk, dan zie ik, dat zijn neus midden in zijn gezicht zit, dat hij twee ogen heeft op dezelfde plaats waar ik ze heb. De vorm van zijn gezicht is net zo als het mijne en als ik alles overzie, trek ik onbewust de conclusie: in dit organisme zit net zo’n Ik als in het mijne. – Er zijn tegenwoordig ook mensen die ook deze theorie vertegenwoordigen en de relatie van mens tot mens zo uiterlijk nemen dat ze denken dat vanuit de gestalte van de mens eerst een onbewuste gevolgtrekking nodig is om erop te komen dat de andere mens in vergelijk met het eigen Ik eenzelfde Ik heeft. De opvatting die alleen maar het zenuwleven samenneemt met het voorstellingsleven, het circulatie- en ademleven daarentegen samenneemt met het gevoelsleven, heel het stofwisselingsleven samenneemt met het wilsleven, zal, wanneer dat de opvatting wordt, wanneer die ooit een echte beleving wordt, de mensen weer samenbrengen. Ik kan voor dit samenbrengen nu alleen maar een beeld gebruiken.
Kijk, wij zouden werkelijk als geest-zielenmensen zeer van elkaar gescheiden zijn, wanneer we als geest-zielenwezen zo tegenover elkaar zouden staan, dat we eigenlijk al het voelen en het willen door onze zenuwen in ons innerlijk zouden ontwikkelen en de hele mens binnen zijn huid opgesloten gedacht zou moeten worden. Dan komt de ziel heel alleen te staan.

Und ich möchte sagen: So fühlen sich heute die Menschen, und ein getreues Abbild dieses Fühlens ist der antisozial und immer antisozialer werdende Zustand Europas.
Aber es gibt auch eine andere Möglichkeit. Wir sitzen hier alle in diesem Saale zusammen; wir atmen die gemeinsame Luft zunächst, da können wir nicht sagen, daß wir jeder um uns herum unseren Luft-kasten abschließen können. Wir atmen die gemeinsame Luft. Wer das gesamte Seelenleben an das Nervensystem heftet, der isoliert die Men­schen. Wer zum Beispiel an das Atmungsleben wiederum zurückgibt das Seelenleben, der macht auch das Seelenleben zu etwas Gemein­schaftlichem. So wie diese Luft uns gemeinschaftlich ist, so ist uns und wird uns das Seelenleben gemeinschaftlich, wenn wir es an den Rhyth­mus-Organismus zurückgeben. Und wenn sich auch in unserer sozialen Ordnung die einen Menschen heute noch ein bißchen was Besseres kau­fen können, die anderen was Schlechteres kaufen müssen, es kann doch nicht der reiche Mensch, damit er nicht dasselbe ißt wie der Arme, seine Nahrungsmittel vom Monde her, von einem ganz anderen Weltenkörper

En ik zeg: zo voelen de mensen zich vandaag en een getrouw beeld van dit gevoel is de antisociale en steeds antisocialer wordende toestand van Europa.
Maar er is ook een andere mogelijkheid. Wij zitten hier allemaal in deze zaal bij elkaar; we ademen zodoende de gemeenschappelijke lucht in en dan kunnen wij niet zeggen dat ieder van ons om zich heen zijn luchtkastje af kan sluiten. We ademen dezelfde lucht. Wie het hele zielenleven aan het zenuwsysteem plakt, isoleert de mensen. Wie bijv. aan het ademleven het zielenleven weer teruggeeft, maakt ook het zielenleven tot iets gemeenschappelijks. Zoals deze lucht voor ons gemeenschappelijk is, zo is ons en wordt ons zielenleven weer iets gemeenschappelijks wanneer we het teruggeven aan het ritme-organisme. En wanneer ook in onze sociale orde de ene mens tegenwoordig nog wel wat beters voor zichzelf kan kopen, de anderen het met iets minder moeten doen, dan kan toch de rijke mens opdat hij niet hetzelfde eet als de arme, zijn voedsel niet van de maan halen, vanuit een andere planeet betrekken.

blz. 37

beziehen. In bezug auf den Stoffwechsel haben wir ein gemein­sames Leben. So aber wird auch unser Willensieben zu einem gemein­schaftlichen, wenn wir so ursprüngliche, unmittelbare primäre Bezie­hungen vom Willensleben zum Stoffwechselleben hin einsehen. Sie werden sehen, wie es von einer unendlichen Tragweite ist, daß man diesen Zusammenhang des Gefühlslebens mit allem, was rhythmisch ist in der menschlichen Natur, und was rhythmisch den Menschen auch mit der Außenwelt zusammenschließt, einsieht, und daß man auf der anderen Seite das Willensleben in seinem Zusammenhange mit dem Stoffwechselleben kennenlernt. Auch darinnen zeigt sich wiederum, wie Geisteswissenschaft gerade geeignet ist, die Materie und ihre Vor-gange wirklich kennenzulernen. Der Materialismus ist ja einmal dazu verurteilt, gerade von der Materie nichts zu verstehen.
Damit habe ich Sie zunächst präliminarisch – wir werden auf alle diese Dinge genauer eingehen – bekannt gemacht mit der Dreigliede­rung des menschlichen Leibeslebens in ein Nerven-Sinnes-Leben, in ein Leben des Rhythmus-Organismus und in ein Leben des Stoffwechsel-Organismus. In bezug auf das Seelenleben haben wir ja eigentlich die Dreigliederung schon gelegentlich des Leibeslebens besprochen.

Wat de stofwisseling betreft hebben we een gemeenschappelijk leven. Zo wordt echter ook ons wilsleven iets gemeenschappelijks, wanneer we de oorspronkelijke, directe relatie tussen wilsleven en stofwisselingsleven inzien. U zal zien hoe dit van een enorme reikwijdte is wanneer je deze samenhang van het gevoelsleven met alles wat ritmisch is in de menselijke natuur en wat ritmisch de mens ook met de buitenwereld verbindt, inziet en dat je aan de andere kant het wilsleven in zijn samenhang met het stofwisselingsleven leert kennen. Ook daarin blijkt opnieuw hoe geesteswetenschap met name in staat is de materie en de processen daarvan werkelijk te leren kennen. Het materialisme is er nu eenmaal tot veroordeeld, juist van de materie niets te begrijpen.
Hiermee heb ik u allereerst inleidend – we zullen op al deze zaken nog preciezer ingaan – bekend gemaakt met de drieledigheid van het menselijk organisme in een zenuw-zintuigleven, in een leven van het ritme-organisme en in een leven van het stofwisselingsorganisme. Wat betreft het zielenleven hebben wij eigenlijk de drieledigheid al bij de levende lichamelijkheid besproken.

Wir können einfach die triviale Einteilung, die man gewöhnlich zugrunde legt, in Denken, Fühlen und Wollen, als die Gliederung des Seelen-lebens betrachten. Aber man kommt dem Seelenleben ja nur schlecht bei, wenn man diese Gliederung, die eine durchaus berechtigte ist, in den Vordergrund stellt. Sie wissen ja, daß vielfach in den Psychologien wiederkehrt die Gliederung des menschlichen Seelenlebens in Vor­stellen, Denken, Fühlen und Wollen. Aber daß eine wirkliche Anschau­ung des Seelenlebens dadurch ja eigentlich doch nicht gewonnen wird, das muß immer mehr und mehr für ein unbefangenes Betrachten der Menschennatur klar werden.
Nun gibt es eigentlich eine Erscheinung, oder sagen wir einen Er­scheinungskomplex, der viel charakteristischer ist für das Seelenleben als die Abstraktion Denken, Fühlen und Wollen. Die Abstraktion Denken, Fühlen, Wollen ist, wie gesagt, gut, aber um lebendig das Seelenleben kennenzulernen, tut man besser, wenn man nicht gleich ausgeht von Denken, Fühlen und Wollen, sondern wenn man etwas, was im Seelenleben eigentlich ganz durchgeht, zunächst ins Auge faßt als eine viel primärere Offenbarung des Seelenlebens, nämlich, daß die­ses Seelenleben immer lebt abwechselnd in Sympathien und Antipathien,

We kunnen eenvoudigweg de alledaagse indeling die men gewoonlijk gebruikt, in denken, voelen en willen als de indeling van het zielenleven beschouwen. Maar je begrijpt het zielenleven maar slecht, wanneer je deze indeling die zeer zeker gerechtvaardigd is, op de voorgrond plaatst. U weet dat de indeling van het menselijk zielenleven veelvuldig in de psychologieën terugkeert als denken, voelen en willen. Maar dat een werkelijke waarneming van het zielenleven daardoor eigenlijk toch niet bereikt wordt, dat moet voor een onbevangen waarnemen van de mensennatuur, steeds meer duidelijk worden.
Nu is er eigenlijk een verschijnsel of laten we zeggen een complex van verschijnselen dat veel karakteristieker voor het zielenleven is dan de abstractie denken, voelen en willen. De abstractie denken, voelen, willen is – zoals gezegd – goed, maar om het zielenleven levendig te leren kennen, doe je er beter aan om niet meteen uit te gaan van denken, voelen en willen, maar wanneer je eerst let op iets wat het zielenleven eigenlijk helemaal doortrékt als een veel meer primaire uiting van het zielenleven, namelijk dat dit zielenleven steeds leeft in de afwisseling van sympathie en

blz. 38

in Lieben und Hassen. Wir merken nur gewöhnlich nicht, wie das Seelenleben hin- und herpendelt zwischen Lieben und Hassen, zwi­schen Sympathien und Antipathien. Wir merken es aus dem Grunde nicht, weil wir ja gewisse Vorgänge des Seelenlebens gar nicht in der richtigen Weise taxieren.
Sehen Sie, der Mensch urteilt. Das Urteil ist entweder ein bejahendes oder ein verneinendes. Ich sage: Der Baum ist grün. Ich verbinde die zwei Vorstellungen Baum und grün, ich verbinde sie in positiver Weise. Ich sage: Du bist gestern nicht bei mir gewesen. Ich verbinde zwei Vor­stellungen respektive Vorstellungskomplexe in negativer Weise. Auch einem solchen Urteile liegt zuletzt für das Seelenleben etwas von Sym­pathie und Antipathie zugrunde. Das bejahende Urteil wird immer mit Sympathie erlebt, das verneinende Urteil wird immer mit Anti­pathie erlebt. Nicht als ob die Richtigkeit des Urteils auf der Sym­pathie und Antipathie beruhte, aber erlebt wird die Richtigkeit des Urteils durch Sympathie und Antipathie. Und wir können sagen: ein drittes zwischen beiden, zwischen Sympathie und Antipathie ist ja auch deutlich vorhanden. Das ist, wenn der Mensch die Entscheidung tref­fen soll zwischen Sympathie und Antipathie.

antipathie; in liefhebben en haten. We merken gewoonlijk niet hoe het zielenleven heen en weer pendelt tussen liefhebben en haten, tussen sympathieën en antipathieën. We merken het niet, omdat wij bepaalde processen van het zielenleven helemaal niet op de juiste wijze taxeren.
Kijk, een mens oordeelt. Het oordeel is of bevestigend of ontkennend. Ik zeg: ‘De boom is groen.’ Ik verbind de twee voorstellingen boom en groen, ik verbind die op een positieve manier. Ik zeg: ‘Jij bent gisteren niet bij mij geweest.’ Ik verbind twee voorstellingen, respectievelijk twee voorstellingscomplexen op een negatieve manier. Ook aan zo’n oordeel ligt uiteindelijk voor het zielenleven iets van sympathie en antipathie ten grondslag. Het bevestigende oordeel wordt altijd met sympathie beleefd, het ontkennende oordeel wordt met antipathie beleefd. Niet als zou de juistheid van het oordeel op sympathie en antipathie berusten, maar beleefd wordt de juistheid van het oordeel door sympahtie en antipathie. En we kunnen zeggen: een derde element tussen die twee, tussen sympathie en antipathie is ook duidelijk aanwezig. Dat is wanneer de mens een beslissing moet nemen tussen sympathie en antipathie.

Wir haben ja nicht bloß im Seelenleben Sympathie und Antipathie, wir haben deutlich ein skeptisches Hin- und Herpendeln zwischen beiden, das auch ein posi­tiver Zustand ist. So finden wir auch da nicht so geschieden wie beim Leibe, weil wir es mit einem Prozeß zu tun haben und nicht mit unter­scheidbaren Gliedern, aber doch auch das Seelenleben gegliedert in Sympathien und Antipathien und was zwischen beiden ist.
Deutlicher aber tritt uns die Gliederung wieder auf, wenn wir das Geistige im Menschen betrachten, das ja von der neueren Psychologie in ganz entschiedener Weise immer zusammengeworfen wird mit dem Seelischen. Aber wir werden sehen, daß man eine wirkliche plastische Einsicht in das Wesen des Menschen nur gewinnen kann, wenn man in die Lage kommt, diese drei Gesichtspunkte der menschlichen Wesen­heit auseinanderzuhalten: das Leibliche, das da besteht im Nerven-Sinnes-Prozesse, im Zirkulationsprozesse, im Stoffwechselprozesse; das Seelische, das da besteht in den Erlebnissen von Antipathie und Sym­pathie und dem Hin- und Herpendeln zwischen beiden; und das Gei­stige, das nun auch uns ganz entschieden dreigliedrig entgegentritt. Auch das Geistige des Menschen tritt uns dreigliedrig entgegen, und zwar in drei deutlich voneinander geschiedenen Zuständen. Beim geistigen

We hebben in het zielenleven niet alleen maar sympathie en antipathie, we hebben duidelijk een sceptisch heen en weer pendelen tussen beide, wat ook een positieve toestand is. Zo vinden we daar ook niet zo’n scheiding zoals bij het lichaam, omdat we met een proces te maken hebben en niet met te onderscheiden delen, toch ook wel het zielenleven gedeeld in sympathieën en antipathieën en wat daar tussen ligt.
Duidelijker echter vertoont zich de deling weer, wanneer we de geest van de mens bekijken die dus door de nieuwere psychologie op een heel besliste manier steeds weer op één hoop gegooid wordt met de ziel. Maar we zullen zien dat je een werkelijk plastisch inzicht in het wezen van de mens alleen maar krijgt wanneer je in staat bent, deze drie gezichtspunten van het mensenwezen uit elkaar te houden: het lichamelijke dat dan bestaat uit zenuw-zintuigprocessen, uit het circulatieproeces, uit het stofwisselingsproces; de ziel die dus bestaat uit de belevingen van antipathie en sympathie en het heen en weerpendelen tussen die twee; en de geest die we ook heel duidelijk als drieledig aan ons zien verschijnen. Ook de geest van de mens verschijnt drieledig aan ons en wel in drie duidelijk van elkaar gescheiden toestanden.

blz. 39

Erleben des Menschen haben wir deutlich zu unterscheiden zwi­schen dem wachen Erleben, das wir alle kennen als einen Zustand unse­res Geisteslebens, der uns vom Aufwachen bis zum Einschlafen eigen ist, und dann haben wir einen anderen Zustand unseres Geisteslebens vom Einschlafen bis zum Aufwachen, das Schlafesleben. Und wir haben das dritte zwischen beiden, das wir in dem Momente des Aufwachens kennenlernen, das Traumesleben. Wachen, Träumen, Schlafen, das sind die drei Glieder des Geisteslebens. Wachen, Träumen, Schlafen. Nur muß man nicht bloß die triviale Vorstellung verbinden mit Wachen, Träumen und Schlafen, um zu einer wirklichen Erkenntnis des Geistes­lebens vorzudringen, sondern man muß sich klar darüber sein, daß man sich Beobachtungssinn aneignen muß für die Art, wie sich der schlafende Geisteszustand zunächst auslebt. Da sehen wir ja, daß uns der Schlaf einmal entgegentritt dadurch, daß der Mensch bewegungslos wird, daß er unempfindlich wird für Sinneseindrücke und so weiter; aber wenn wir versuchen, zunächst einen anderen Gesichtspunkt geltend zu machen – wir könnten viele andere Gesichtspunkte geltend machen-, können wir uns ja auch dem, was für unser Leben Schlaf ist, in der folgenden Weise nähern.

Bij het geestelijk leven van de mens moeten we duidelijk onderscheid maken tussen het wakkere leven, dat we allemaal kennen als een toestand van ons geestesleven die ons van wakker worden tot inslapen eigen is en dan hebben we een andere toestand van ons geestesleven van het inslapen tot het wakker worden, het slaapleven. En we hebben het derde daartussenin, wat we op het ogenblik van wakker worden leren kennen; het droomleven. Wakker, dromen, slapen, dat zijn de drie delen van het geestesleven. Waken, slapen, dromen. Alleen moet je niet de alledaagse voorstelling verbinden met waken, dromen en slapen, wil je tot een werkelijke kennis van het geestesleven komen, echter, het moet duidelijk voor je zijn dat je een waarnemingszintuig moet ontwikkelen voor de manier waarop de slapende geestelijke toestand zich allereerst uit. We zien dat we met de slaap te maken hebben, wanneer de mens geen bewegingen meer maakt, dat hij niet meer open staat voor zintuigindrukken enz., maar als we proberen eerst een ander gezichtspunt te laten gelden – kunnen we wat voor ons leven de slaap is, op de volgende manier benaderen.

Man glaubt gewöhnlich, daß wir, wenn wir zurückschauen auf unser Leben, auf einen geschlossenen Strom blicken. Wir setzen ja eigentlich unsere Rückerinnerungen wie in einer geschlossenen Strömung zusam­men; das ist hingegen ein Irrtum. Sie erinnern sich an dasjenige, was Sie heute seit dem Aufwachen erlebt haben. Davor liegt die Zeit, wo Sie mit schlafendem Bewußtsein waren; da ist die Strömung der Er­innerung unterbrochen durch die ganze Schlafesdauer. Dann kommt wiederum das Tagesleben, dann kommt wiederum Schlafesdauer. Das­jenige also, was wir als einen einheitlichen Strom rückwärts so im Be­wußtsein haben, das ist eigentlich immer unterbrochen von den Schlaf-zuständen. Und sehen Sie, das hat eine gewisse Bedeutung. Schon für das Bewußtsein selber hat es eine gewisse Bedeutung. Man kann ge­radezu sagen: Wir sind manchmal darauf eingerichtet, geradezu darauf eingestellt, da, wo etwas fehlt, das Fehlende so sehr wahrzunehmen als das Ausfüllende; nur machen wir uns das nicht immer klar. Wenn ich Ihnen hier auf die Tafel eine weiße Fläche zeichnen würde, so, daß ich immer schwarze Kreischen ausspare, so würden Sie hinschauen auf die weiße Fläche, aber eigentlich die weiße Fläche weniger beachten als das, wo nichts ist, wo die schwarzen Pünktchen sind, die ich nur ausgespart

Men gelooft gewoonlijk dat wij, wanneer we terugkijken op ons leven, wij op een aaneengesloten stroom terugblikken. We nemen eigenlijk onze herinneringen als een aan elkaar verbonden stroom; dat is daarentegen een vergissing. U herinnert zich aan wat u vandaag, sinds het wakker worden, beleefd hebt. Daarvóór bevindt zich de tijd waarin u een slapend bewustzijn had; daar wordt de opeenvolging van de herinneringen onderbroken door de totale duur van de slaap. Dan komt het dagelijks leven weer, dan komt weer de tijd van de slaap. Wat we dus terugziend als één stroom in ons bewustzijn hebben, is eigenlijk steeds onderbroken door de toestand van het slapen. En dat heeft een bepaalde betekenis. Je kan wel zeggen: we zijn er dikwijls op ingesteld, juist erop ingesteld om waar iets ontbreekt, wat er ontbreekt net zo waar te nemen als wat er is; maar we weten dat niet altijd duidelijk. Wanneer ik hier op het bord een wit vlak teken, zodanig dat ik steeds zwarte cirkeltjes uitspaar. dan zou u naar het witte vlak kijken, maar eigenlijk minder op het witte vlak letten dan waar er niets is, waar de zwarte puntjes zijn die ik alleen uitgespaard heb,

blz. 40

habe, wo ich nichts hingezeichnet habe. Wir sehen, wenn wir zum Bei­spiel eine Selterswasserflasche haben, wir sehen auch da gewissermaßen das Wasser, das das Dichtere ist, nicht gegenüber den kleinen Blasen, Luftblasen, die drinnen sind, den Kohlensäureblasen. Wir sehen also dasjenige, was nicht da ist, in dem Wasser drinnen. Und so empfin­den wir, indem wir rückwärts empfinden, eigentlich nicht unsere Er­lebnisse; die überschauen wir ja gewiß, wie wir hier das Weiße über­schauen; aber unmittelbar wahrnehmen tun wir etwas anderes. Und was wir unmittelbar wahrnehmen, das erfordert, daß man sich dar-über recht genau unterrichtet. Darauf kommt man nur, wenn man nun wirklich versucht, wahrzunehmen, worauf eigentlich unser Ich-Gefühl beruht. Allmählich – und ich werde Ihnen die Erscheinungen, die dazu führen, in den folgenden Vorträgen sorgfältig aufzählen – kommt man dazu, zu bemerken, daß diese Wahrnehmung der ausgesparten Schlafzustände eigentlich unser Ich-Gefühl vermittelt, daß wir unser Ich-Gefühl zerstören, indem wir nicht ordentlich schlafen. Das ist schon eine Folge davon, daß eingestreut sein muß in unserer Rückerinnerung diese Unterbrechung durch den Schlaf, damit wir zu einem geordneten Ich-Gefühl kommen.

waar ik niets heb getekend. We zien, wanneer we bijv. een een flesje spuitwater hebben, ook hier het water, dat de dichtere substantie is, niet in relatie met de kleine belletjes, de luchtbellen die erin zitten, de koolzuurbubbels. Wij zien dus in het water, wat er niet is. En zo ervaren we, wanneer we teruggaan in de ervaringen, eigenlijk niet onze belevenissen; die overzien we wel, zoals we hier het witte overzien; maar direct waarnemen doen we iets anders. En wat we direct waarnemen, dat vereist dat je je daar goed rekenschap van geeft. Daar kom je alleen op, wanneer je nu werkelijk probeert, waar te nemen, waarop eigenlijk ons Ik-gevoel berust. Langzamerhand – en ik zal u de fenomenen die daartoe leiden, in de volgende voordrachten zorgvuldig  noemen – kom je ertoe te bemerken dat deze waarnemening van de uitgespaarde slaaptoestand eigenlijk ons Ik-gevoel tot stand brengt, dat we ons Ik-gevoel verstoren, wanneer we niet goed slapen. Dat is al een gevolg van het feit dat in onze herinnering de onderbreking door de slaap ingevoegd moet zijn.

Und studieren Sie – wie gesagt, einzelnes werde ich noch erwähnen -, studieren Sie im Zusammenhange jene Störungen, die durch ein ungeordnetes Schlafleben im Ich-Gefühle auftreten, dann werden Sie es, ich möchte sagen, mit Händen greifen können, daß das Ich-Gefühl beruht auf diesen Aussparungen im Bewußtsein, auf diesen Lücken, die da im Ich-Gefühl auftreten. Ich sage nicht, die Ich-Vorstellung, ich sage: im Ich-Gefühl.
Nun, im Menschen lebt nicht allein das, was wir den Inhalt des Wachbewußtseins nennen können, sondern auch das Schlafesleben hat einen unmittelbaren Anteil an dem, was im Menschen lebt, es hat sogar einen noch viel größeren Anteil. Wer wirklich die menschliche Subjek­tivität beobachten kann, der findet, wenn er so richtig den Wach-zustand sich zum Bewußtsein bringt, daß dieser Wachzustand eigent­lich nur im Vorstellen faktisch vorhanden ist. Wir können unmöglich denselben Grad des Wachzustandes in dem menschlichen Fühlen suchen. Das menschliche Fühlen ist unmittelbar durchaus nicht in derselben Weise in unserem Bewußtsein vorhanden wie das menschliche Vorstel­len. Das Fühlen hat vielmehr zu unserem Bewußtsein keine andere Be­ziehung als das Traumesleben. So sonderbar das klingt, so muß eben doch derjenige, der nun wirklich imstande ist, sich den Unterschied des

En bestudeer je – zoals gezegd – details zal ik nog geven – bestudeer je in samenhang met die stoornissen die door een onvoldoende slaapleven in het Ik-gevoel optreden, dan heb je binnen handbereik, dat het Ik-gevoel berust op deze uitsparingen in het bewustzijn, op die open plekken die in het Ik-gevoel optreden. Ik zeg niet de Ik-voorstelling, ik zeg: in het Ik-gevoel.
Welnu, in de mens leeft niet alleen wat we de inoud van zijn waakbewustzijn kunnen noemen, maar ook het slaapleven heeft een direct aandeel in wat er in de mens leeft; dat heeft zelfs nog een veel groter aandeel. Wie daadwerkelijk de menselijke subjectiviteit kan waarnemen, vindt wanneer hij de waaktoestand zich goed tot bewustzijn brengt, dat deze waaktoestand eigenlijk in feite alleen maar in het voorstellen aanwezig is. We kunnen onmogelijk dezelfde graad van waaktoestand in het menselijke voelen opzoeken. Het menselijke voelen is zeer zeker niet direct op dezelfde manier in ons bewustzijn aanwezig als het menselijke voorstellen. Het voelen heeft tot ons bewustzijn geen andere relatie dan die van het droomleven. Hoe wonderlijk dit ook klinkt, degene die werkelijk in staat is, zich duidelijk te maken wat het verschil is

blz. 41

Vorstellens und des Fühlens rein als Bewußtseinsphänomen klarzu­machen, er muß darauf kommen, daß dieselbe Art des Erlebens vor­liegt, wenn wir die Träume, die im Bewußtsein sind, wahrnehmen, wie beim Fühlen. Wir werden darüber noch genauer sprechen, heute wollen wir die Sache zunächst skizzieren.
Dann ist aber dieselbe Art des Erlebens, die im bewußtlosen Schlaf-zustande im traumlosen Schlafe da ist, eigentlich beim Wollen da. Sie brauchen sich nur einmal zu überlegen: Sie heben Ihre Hand, Sie heben den Arm, und Sie haben ein Willensergebnis. Sie nehmen das Willens-ergebnis wahr. Der Willensimpuls, der unmittelbare geistige Impuls, der hat zu tun mit dem Stoffwechsel. Den ganzen inneren Vorgang, der sich abspielt zwischen dem Willensimpuls und dem Stoffwechsel, durchschauen Sie genau genommen ebensowenig, wie Sie dasjenige be­wußt erleben, was vorgeht mit Ihnen, wenn Sie im bewußtlosen, im traumlosen Schlafe sind. Ganz gleichwertig sind die Bewußtseinserleb­nisse der eigentlichen Willensvorgänge und die traumlosen Schlaf-vorgänge. Gleichartig sind die Vorgänge des Gefühlslebens und die Traumvorgänge. Denn das wirklich wache Leben besteht eigentlich nur im Vorstellungsleben

tussen voorstellen en voelen puur als bewustzijnsfenomeen, moet er opkomen dat dezelfde manier van beleven aanwezig is, wanneer we de dromen die in het bewustzijn zijn, waarnemen, zoals bij het voelen. We zullen daarover nog preciezer spreken, vandaag willen we de dingen alleen maar schetsen.
Dan is echter dezelfde manier van beleven die in de bewusteloze slaaptoestand in de droomloze slaap zit, er eigenlijk bij het willen. Je hoeft het maar even bij jezelf na te gaan: je tilt je hand, je arm op en je hebt het resultaat van de wil. Je neemt het resultaat van de wil waar. De wilsimpuls, de directe geestelijke impuls heeft met de stofwisseling te maken. Het hele inwendige proces dat zich afspeelt tussen de wilsimpuls en de stofwisseling doorzie je precies genomen, net zo min als wat je bewust beleeft van wat er met je gebeurt wanneer je in een bewusteloze, in droomloze slaapt verkeert. Volkomen gelijkwaardig zijn de bewustzijnsbelevenissen van de eigenlijke wilsprocessen en de processen bij de droomloze slaap.  Gelijkwaardig zijn de processen van het gevoelsleven en die van het dromen. Want het werkelijk wakkere leven is eigenlijk alleen maar in het voorstellingsleven aanwezig.

So daß wir nicht bloß schlafen, wenn wir in dem Zustande sind zwischen Einschlafen und Aufwachen, sondern wir schlafen partiell auch wenn wir wach sind; denn wir wachen nur in bezug auf unser Vorstellungsleben, wir träumen in bezug auf unser Gefühlsleben, wir schlafen in bezug auf unser Willensleben.
Sagen Sie nicht, da müßte das Willensleben unbewußt bleiben. Nein, es bleibt eben nicht unbewußt. Wenn ich hier eine weiße Fläche hätte mit vier ausgesparten, schwarzen Kreisen, so würde ich da, wo nichts ist, wo ausgespart wurde, gerade so etwas wahrnehmen, wie ich in meinem Bewußtsein auch die ausgesparten Inhalte, die Willensinhalte, die eigentlich im wachen Tagesleben verschlafen werden, wahrnehme.
Und jetzt denken Sie, sieht man nun plastisch auf den Menschen hin, so sieht man eigentlich in ihm ein Zusammenspielen deutlich voneinan­der geschiedener Verhältnisse, drei Geisteszustände. In seinem Vor­stellen ist tätig der wache Geist; in seinem Fühlen ist tätig der träu­mende Geist; in seinem Wollen ist tätig der schlafende Geist. Wir müs­sen nicht nur Wachen und Schlafen voneinander unterscheiden lernen in ihren Wechselzuständen Tag und Nacht, sondern wir müssen Wa­chen und Schlafen auch voneinander unterscheiden lernen im wachen-den Menschen, wie sie ineinander spielen. Diese Sache hat eine sehr

Zodat we niet alleen slapen, wanneer we in de situatie verkeren tussen inslapen en wakker worden, maar we slapen gedeeltelijk ook wanneer we wakker zijn; want we zijn alleen wakker wat ons voorstellingsleven betreft, we dromen wat ons gevoelsleven betreft, we slapen wat ons wilsleven betreft.
Zeg nu niet dat het wilsleven dus onbewust moet blijven. Nee, dat blijft niet onbewust. Wanneer ik hier een wit vlak zou hebben met vier uitgespaarde zwarte cirkels, dan zou ik hier, waar niets is, waar uitgespaard is, net zo iets waarnemen, zoals ik in mijn bewustzijn ook de uitgespaarde inhoud, de wilsinhoud die eigenlijk in het wakkere dagleven verslapen wordt, waarneem.
Bedenk dus, wanneer je plastisch naar de mens kijkt, dat je eigenlijk in hem een samenspel ziet van duidelijk van elkaar gescheiden verhoudingen, drie geestestoestanden. In zijn voorstellen is de wakkere geest werkzaam; in zijn voelen is de dromende geest werkzaam; in zijn willen is de slapende geest werkzaam. We moeten wakkerzijn en slapen niet alleen leren onderscheiden bij de afwisseling van dag en nacht, maar we moeten wakkerzijn en slapen ook van elkaar leren onderscheiden in de wakkere mens, hoe die in elkaar grijpen. Deze zaak heeft een zeer

blz. 42

praktische Bedeutung gerade für die Pädagogik, eine sehr, sehr prak­tische Bedeutung. Wir müssen fragen: Wie lerne ich entsprechend eigentlich das Wechselspiel von Willen und Vorstellen kennen, und wie lerne ich damit am besten, wie ich das Kind vom sechsten, siebenten Jahre an, wo ich besonders zu beachten habe dieses Zusammenspiel von Vorstellen und Wollen, am besten zu behandeln habe. Die Antwort lautet: Indem ich das Zusammenspiel von Wollen und Vorstellen an dem anderen Phänomen beobachte, an dem es in handgreiflicher Weise, in augenscheinlicher Weise auftritt, an dem Wachen und Schlafen. Studiere ich das Wachen und Schlafen, so habe ich etwas, womit ich Wollen und Vorstellen vergleichen kann.
Dieses muß im Anfange dieses Kursus aus dem Grunde erwähnt werden, weil durch Geisteswissenschaft unsere Psychologie erst einen wirklichen realen Inhalt erhält. Nehmen Sie heute psychologische Lehr­bücher in die Hand, Sie finden Definitionen von Wollen, Definitionen von Denken – aber das bleiben mehr oder weniger Wortdefinitionen. Man muß diese Dinge real kennenlernen. Real lernt man die Dinge aber nur kennen, wenn man sie in der Welt wirklich aufeinander be­ziehen kann, wenn man zum Beispiel das Verhältnis von Wachen und Schlafen studieren kann, wie wir es tun werden, und wenn man damit zu gleicher Zeit ein Streiflicht wesentlicher Art auf das Verhältnis von Vorstellen und Wollen wirft. 

praktische betekenis, met name voor de pedagogiek een zeer praktische betekenis. We moeten ons de vraag stellen: hoe leer ik adequaat de afwisseling van willen en voorstellen kennen en hoe leer ik daarmee het best, hoe ik met het kind vanaf zijn zesde, zevende jaar, wanneer ik in het bijzonder op dit samenspel van voorstellen en willen moet letten, moet omgaan. Het antwoord is: wanneer ik het samenspel van willen en voorstellen aan het andere fenomeen waarneem, waarbij het meer voor de hand ligt, waarbij het duidelijk aanwezig is, aan het wakkerzijn en slapen. Als ik het wakkerzijn en slapen bestudeer, heb ik iets waarmee ik willen en voorstellen vergelijken kan.
Dit moet aan het begin van deze cursus gezegd worden , omdat door geesteswetenschap onze psychologie pas zijn werkelijk reële inhoud krijgt. Pak de huidige psychologieboeken, je vindt definities van willen, definities van denken – maar dat blijven min of meer woorddefinities.
Je moet deze dingen werkelijk leren kennen. Maar ze werkelijk leren kennen doe je alleen wanneer je ze in de wereld daadwerkelijk op elkaar betrekken kan, wanneer je bijv. de verhouding tussen wakkerzijn en slapen kan bestuderen, zoals wij het zullen doen en wanneer je daarmee tegelijkertijd op een wezenlijke manier licht werpt op de verhouding voorstellen-willen.

Dann dringt man ein in die wirkliche Welt. Das möchte eben Geisteswissenschaft tun. Diese betrachtet das geistige Leben wirklich nicht bloß aus irgendeinem subjektiven Be­dürfnis heraus, weil das was Schönes ist für manche Leute, die sonst nicht viel zu tun haben, die eventuell, statt daß sie ihre anderen Kaffee­klatsch-Inhalte suchen, einmal auch den Kaffeeklatsch-Inhalt suchen: der Mensch besteht aus physischem Leib, Ätherleib, astralischem Leib und Ich. Es ist dies ja vielfach der Gesinnung der Menschen nach bloß ein Kaffeeklatsch. Aber es handelt sich darum, daß das nicht im Sek-tiererischen des Kaffeeklatsches steckenbleiben darf, sondern daß das­jenige, was durch Geisteswissenschaft in der Erkenntnis des Geistes geleistet wird, in Wahrheit dazu berufen ist, in das menschliche Leben wiederum so hineinzuleuchten, daß wir dieses menschliche Leben sei­ner praktischen Wirklichkeit nach behandeln lernen, während wir ver­lernt haben, es seiner praktischen Wirklichkeit nach zu behandeln. Und das Ergebnis dieses Verlernens ist ja das Chaos von Europa, sind doch die absurden Ereignisse der letzten fünf bis sechs Jahre. Es ist ein Zusammenhang

Dan dring je door in de werkelijke wereld. Dat wil geesteswetenschap. Die bekijkt het geestesleven echt niet alleen maar vanuit een of andere subjectieve behoefte, omdat dit voor sommige mensen die anders niet veel te doen hebben, iets leuks is, die eventueel, in plaats van dat ze hun andere koffieleutgesprekken zoeken, ook een keer de koffieleutinhoud zoeken: de mens bestaat uit fysiek lichaam, etherlijf, astraallijf en Ik. Dat is vaak de stemming van de mensen bij het koffiegeleuter. Maar het gaat erom dat dit niet in het sektarisch koffiegeleuter mag blijven steken, maar dat wat door geesteswetenschap voor de kennis van de geest gedaan wordt, er waarlijk toe geroepen wordt weer zo’n licht te brengen dat wij dit menselijk leven wat de praktische werkelijkheid betreft, leren verzorgen, omdat we dit verleerd zijn. Het resultaat daarvan is de chaos van Europa, het zijn de absurde gevolgen in de laatste vijf à zes jaar. Er is

blz. 43

zwischen dem Verlernen des eigentlichen realen Inhaltes der Welt und zwischen der Not unserer Zivilisation. Diejenigen, die glauben, man könne bei der alten Gesinnung verbleiben, die irren sich gar sehr. Insbesondere da, wo man am meisten an die Zukunft der Menschheit zu denken hat, weil man es mit dem zukünftigen Menschen zu tun hat, auf dem Gebiete der Pädagogik, da sollte zuerst gedacht werden an die Kräfte, die es uns möglich machen, daß wir der zu­künftigen Generation etwas anderes mitgeben, als was diese Genera­tion bekommen hat, die jetzt diese furchtbaren Zustände unserer Zivilisation herbeigeführt hat.
Da eröffnet sich schon der Blick, ich möchte sagen, von dem ein-geschlossenen, aber eigentlich für die Entwickelung der Menschheit heiligen Schulland hinaus in die ganze große Entwickelung der Menschheit.

een samenhang tussen dit verleren van de eigenlijke reële inhoud van de wereld en de ellende van onze beschaving. Degenen die geloven dat ze bij de oude toestand kunnen blijven stilstaan, vergissen zich heel erg. In het bijzonder waar we het meest aan de toekomst van de mensheid moeten denken, omdat het te maken heeft met de toekomstige mens; op het gebied van de pedagogiek moet allereerst gedacht worden aan die krachten die het ons mogelijk maken dat we de toekomstige generatie iets anders meegeven, dan wat deze generatie gekregen heeft, wat nu die vreselijke toestanden van onze beschaving gebracht heeft.
Dat opent al de blik – wil ik zeggen – van de besloten, maar eigenlijk voor de ontwikkeling van de mensheid heilige schoolgrond naar de heel grote ontwikkeling van de mensheid.
.

[1] GA 301: Die Erneuerung der pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft

[2] 2e voordracht (Duits)

.

Voor een nadere uiteenzetting, uitleg e.d. van de door Steiner gehanteerde begrippen, o.a. vierledige mens; denken, voelen, willen; Körper/Leib = lichaam-lijf; wakker-dromen-slapen enz.: zie Antroposofie een inspiratie
.

Rudolf Steiner over pedagogie

Rudolf Steiner: alle artikelen

.

1272-1187

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 301- voordracht 1

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

GA 301: vertaling
inhoudsopgave;     voordracht:    [2]  [3]  [4]  [5]  [6]  [7]  [8]  [9]  [10]  [11]   [12]  [13]  [14]

RUDOLF STEINER:

DE VERNIEUWING VAN DE PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE KUNST DOOR GEESTESWETENSCHAP

14 voordrachten gehouden te Bazel van 20 april tot en met 11 mei 1920, met vragenbeantwoording en inleidende woorden bij twee euritmieopvoeringen [1]

1e voordracht Basel, 20 april 1920 [2]

Inhoudsopgave:
Inleiding: geesteswetenschap en moderne pedagogie;
Herbart;
ondanks voortreffelijke pedagogische principes sociale chaos;
door geesteswetenschap kan de pedagogie kunst worden;
grenzen aan de antropologische zienswijze;
ziel en lichaam; denken, voelen en willen;
fasen in de kinderontwikkeling: melktanden, tandenwisseling, geslachtsrijpheid; metamorfose van krachten;
betekenis van autoriteit;
spraak en wilsvorming;
wil en voorstelling als levende krachten;
in plaats van abstracties levert geesteswetenschap waarneming van de menselijke wording.

Einleitung

blz. 9

Meine sehr verehrten Anwesenden!
Für die Veranstaltung habe ich den Herren Veranstaltern wirklich herzlich zu danken. Sie können sich ja denken, daß derjenige, der sein ganzes Sein einsetzt für die Verbreitung der sogenannten Geisteswissenschaft, auch mit einer ge­wissen Begeisterung an dieser Geisteswissenschaft hängen und den Glauben haben muß, daß diese Geisteswissenschaft innerhalb der uni­versellen Bildung und der ganzen Zivilisation unserer Zeit eine be­stimmte Rolle zu spielen hat. Daß dieser pädagogische Kursus zu­stande kommt, erscheint mir eine ganz besonders dankenswerte Tat­sache, denn gerade an dem Erziehungswesen wird sich vielleicht die Geisteswissenschaft am besten und am ehesten erforschen lassen. An dem Erziehungswesen wird sich auch zeigen können, wie wenig diese Geisteswissenschaft die Angelegenheit einiger Schwärmer und Träu­mer oder irgendeiner Sekte ist, sondern wie sie etwas sein will, womit der gesamten Menschheit eine Art von Anleitung an die Hand gege­ben wird.

inleiding

Zeer geachte aanwezigen!
Voor de organisatie moet ik de heren organisatoren werkelijk hartelijk bedanken. U kunt zich wel indenken, dat degene die zijn hele wezen inzet voor het bekend maken van de zogeheten geesteswetenschap er ook met een zeker enthousiasme aan gehecht moet zijn en erin moet geloven dat deze geesteswetenschap binnen de universele vorming en de hele beschaving van onze tijd een bepaalde rol heeft te vervullen. Dat deze pedagogische cursus tot stand komt, is voor mij een feit om bijzonder dankbaar voor te zijn, want juist bij de pedagogiek zal de geesteswetenschap het beste en het eerste onderzocht kunnen worden. Bij de pedagogiek zal zij ook kunnen laten zien, hoe weinig deze geesteswetenschap de aangelegenheid is van dwepers en dromers of op de een of andere manier een sekte is, maar dat ze iets wil zijn, waarmee de hele mensheid een soort leidraad ter hand gesteld wordt.

Daher, ich darf es wohl mit diesen kurzen Worten ausspre­chen, bin ich wirklich herzlich dankbar denen, welche diese Vorträge veranstaltet haben, und ich danke auch Ihnen, die Sie sie besuchen wollen und hoffe, daß wir uns im Laufe der nächsten Tage über wich­tige Angelegenheiten der Menschheit werden unterhalten können.
Im heutigen Vortrag werde ich mir erlauben, eine Art von Ein­leitung, einen Hinweis zu geben auf die Richtung, welche das Thema, das ich mir vorgesetzt habe, nehmen wird. Nun bitte ich Sie, aus der Formulierung meines Themas durchaus nicht etwa den Schluß ziehen zu wollen, daß ich, wie irgendein unvernünftiger Radikaler es vielleicht tun würde, durch diese Themaformulierung etwa habe andeuten wol­len, daß die Erziehungswissenschaft, so wie sie sich namentlich im Laufe des 19. Jahrhunderts und bis in unsere Tage herausgebildet hat, nichts tauge, und daß sie auf Geisteswissenschaft gewartet habe, um

Daarom, ik mag het wel met deze korte woorden uitspreken, ben ik daadwerkelijk de mensen dankbaar die deze voordrachten georganiseerd hebben en ik dank ook u, omdat u ze wil bijwonen en ik hoop dat we elkaar in de loop van de komende dagen over belangrijke zaken die de mensheid betreffen, kunnen spreken.
In de voordracht van vandaag neem ik de vrijheid een soort inleiding, een aanwijzing te geven in de richting van het thema dat ik gekozen heb. Nu verzoek ik u uit de omschrijving van mijn thema beslist niet de conclusie te willen trekken dat ik met dit thema zoiets heb willen aanduiden als dat de opvoedkundige wetenschap, zoals die zich in de loop van de 19e eeuw tot vandaag de dag zich ontwikkeld heeft, niet zou deugen en dat die op geesteswetenschap heeft zitten wachten om

blz. 10

gewissermaßen erst geschaffen zu werden. Dieser Glaube lag ganz ge­wiß der Formulierung des Themas nicht zugrunde. Im Gegenteil, es ist eigentlich eine ganz andere Empfindung als Ausgangspunkt da für dasjenige, auf das ich in diesen Vorträgen aufmerksam machen möchte. Ich glaube durchaus, daß die Erziehungswissenschaft, welche gerade im Laufe des 19. Jahrhunderts so hervorragende Persönlichkeiten zu ihren Vertretern gehabt hat, deren Wirksamkeit ja hereinragt in die pädagogische Betätigung der Gegenwart, daß diese Erziehungswissen­schaft gerade eine gewisse Vollkommenheit erlangen kann. Ich glaube, daß derjenige, der heute aus diesem oder jenem Grunde genötigt ist, sich in den verschiedensten Wissenschaften umzusehen und kennen­zulernen, wie man diese Wissenschaften theoretisch und praktisch ver­tritt, wie sie hineingehen in das Leben, und der dann auch sich mit der Erziehungswissenschaft beschäftigt, daß der eigentlich mit dieser Erzie­hungswissenschaft im Vergleich mit den andern Wissenschaften – so sonderbar das klingen mag, ich möchte es als meine eigene Erfahrung aussprechen – das Urtei. verbinden muß: sie enthält eigentlich, so wie sie heute gestaltet ist, die allersorgfältigsten Grundsätze, manche un­anfechtbaren Formulierungen desjenigen, was eigentlich der Erzie­hungstätigkeit als Prinzip zugrunde liegen müßte, so daß man,

in zekere zin nu pas in het leven te worden geroepen. Deze overtuiging lag zeer zeker niet aan de formulering van het thema ten grondslag. Integendeel, eigenlijk is een heel ander gevoel als uitgangspunt aanwezig, waarop ik in deze voordrachten wil duiden. Ik geloof zeer belsist, dat de opvoedingswetenschap die in de 19e eeuw zulke eminente persoonlijkheden als vertegenwoordigers heeft gehad, van wie de invloed nog tot in het pedagogisch werk van heden reikt, dat deze opvoedingswetenschap juist een zekere perfectie kan bereiken. Ik geloof dat degene die tegenwoordig om een of andere reden verplicht is de meest verschillende wetenschappen te bekijken en te leren kennen hoe men deze wetenschappen theoretisch en praktisch vertegenwoordigt, op de manier waarop ze er in het leven zijn en die zich dan ook met opvoedingswetenschap uiteenzet, dat die met deze wetenschap in vergelijking met de andere – hoe gek dat ook mag klinken, maar ik zou het als mijn eigen ervaring kunnen uitspreken – het oordeel moet verbinden: eigenlijk bevat ze, zoals ze tegenwoordig gestructureerd is, de meest zorgvuldige basisregels, veel niet aanvechtbare formuleringen van wat eigenlijk ten grondslag moet liggen aan dit opvoedkundig werken, zodat men,

wenn man auf das Wollen und auf das urteilsmäßige Durchdringen der Er­ziehungsnotwendigkeiten hinsieht, von dieser pädagogischen Wissen-schaft eigentlich nur den allerbesten Eindruck erhält. Gerade davon möchte ich ausgehen, daß ich durchaus nicht unterschätze, um nur einen zu nennen, die Wirksamkeit eines solchen Geistes, wie es zum Beispiel Herbart ist.
Ich habe selber die Herbartsche Strömung recht intim kennengelernt. Ich bin ja die erste Hälfte meines Lebens in Österreich gewesen, bin in Österreich fast bis zum 30. Lebensjahre herangewachsen; und in Öster­reich war eigentlich die Herbartsche Pädagogik für das gesamte staat­liche Unterrichtswesen, das dazumal Oetzler (?) und andere geordnet hatten, tonangebend geworden. An allen österreichischen Universitäten wirkten für die Pädagogik Herbartianer, so daß mir im Laufe meines Lebens gerade die Herbartsche Pädagogik, ich möchte sagen, in ihren einzelnsten Bestrebungen entgegentrat. Aber auch, wenn ich die Betrachtung ausdehne von der Herbartschen Pädagogik auf andere pädagogische Strömungen, die aus der jüngsten Vergangenheit in die Gegenwart hereinragen, so möchte ich auch sagen: Es ist eigentlich auf

wanneer je naar de impulsen kijkt en naar hoe er geoordeeld wordt bij het doordringen tot de noodzaken van de opvoeding, je van deze pedagogische wetenschap eigenlijk alleen maar de allerbeste indruk krijgt. Ik wil er juist van uitgaan dat ik beslist niet onderwaardeer, om maar een voorbeeld te noemen, wat er van zo’n geest als Herbart uitgaat. Ik heb de stroming die van Herbart* uitging tamelijk van dichtbij leren kennen. Ik ben de eerste helft van mijn leven in Oostenrijk geweest, ik ben bijna tot mijn 30e in Oostenrijk opgegroeid; en in Oostenrijk was eigenlijk voor het hele onderwijsbestel van de staat, dat toentertijd Oezler(?) en anderen ingericht hadden, de pedagogie van Herbart toonaangevend geworden. Aan alle universiteiten werkten voor de pedagogiek aanhangers van Herbart, zodat ik in de loop van mijn leven juist de pedagogiek van Herbart – ik zou willen zeggen – als meest gedetailleerde beweging, tegenkwam. Maar ook, wanneer ik de beschouwing van de pedagogiek van Herbart naar andere pedagogische stromingen nog wat verder voer, die uit het jongste verleden tot op heden doorwerken, zo zou ik ook willen zeggen: Eigenlijk

*Johann Friedrich Herbart, 1776-1841, Philosoph und Pädagoge. Leitete mittels Psychologie aus Anschauungen der Ethik das Ziel der Erziehung ab. «Allgemeine Pädagogik« (1806), «Umriß pädagogischer Vorlesungen« (1835).

blz. 11

den Gebieten des pädagogischen Denkens, Empfindens überall Erfreu­liches zu verzeichnen. Das ist eine Strömung, ich möchte sagen, der wir gegenüberstehen, wenn es sich darum handelt, das Pädagogische als ein wichtigstes Glied unserer ganzen Zivilisation ins Auge zu fassen.
Das andere aber, das ist dieses, daß eigentlich – es war ja immer bis zu einem gewissen Grade der Fall, aber so stark doch nicht, wie heute -das Ganze der pädagogischen Kunst, des pädagogischen Denkens einer weitgehenden Kritik unterworfen wird. Wir sehen, wie von Laien und von Fachleuten wiederum das Pädagogische in einer herben Weise zu­weilen bekrittelt wird, wie es auf der anderen Seite manchmal ge­schickt, manchmal auch nicht besonders geschickt verteidigt wird, so wie es nun einmal sich herausgebildet hat und wie es heute herrschend ist. Wenn wir sehen, was alles gesagt wird von Leuten, die etwa Land­erziehungsheime gründen, und die da von einer völligen Erneuerung des pädagogischen Wesens sprechen, wenn wir dann weiter verfolgen, wie weiteste Kreise an solchen Diskussionen Anteil nehmen, so müssen wir auch sagen:

is er op het gebied van pedagogisch denken, aanvoelen, overal iets verheugends op te tekenen. We staan tegenover een stroming waarbij het erom gaat wat pedagogie is, als een zeer belangrijk deel van onze gehele beschaving te beschouwen.
Het andere echter is dit, dat eigenlijk – dat was altijd wel een beetje het geval, maar niet zo sterk als nu – de hele pedagogische kunst, het denken over pedagogiek aan een vergaande kritiek onderworpen wordt. We zien hoe door leken en door vakmensen  de pedagogiek af en toe opnieuw op een frisse manier bekritiseerd wordt en hoe die enerzijds soms adequaat, anderzijds soms ook niet zo bijzonder handig verdedigd wordt, zoals dat nu eenmaal gaat en gangbaar is. Wanneer we zien wat er allemaal gezegd wordt door mensen die zoiets als instituten op het platte land stichten (Landerziehungskeime) en die daarom van een volledige vernieuwing van de pedagogie spreken, wanneer we dan verder volgen, hoe uit de breedste kringen mensen aan dergelijke discussies deelnemen, moeten we ook wel zeggen:

Indem die Menschen hinschauen auf dasjenige, was eigentlich erreicht wird durch das – ich sage es ganz unverhohlen – groß­artige unserer Erziehungswissenschaft, so können wir wieder manchmal nicht ganz Unrecht der Kritik geben, die sich da geltend macht.
Zwischen diesen beiden Gesichtspunkten steht man eigentlich mit­ten drinnen. Dazu kommt ein anderer, ein viel umfassenderer. Und ich glaube wirklich nicht das Gebiet eines einleitenden Vortrages zu einem pädagogischen Kursus zu überschreiten, wenn ich auf dieses Sonder­bare auch aufmerksam mache.
Wir sind in den letzten fünf bis sechs Jahren, wenn das auch in der Schweiz weniger bemerkbar geworden ist als in den anderen Gebieten Europas, wir sind durch eine schwere Zeit durchgegangen, jedenfalls
– das wird auch jeder Schweizer ohne weiteres zugeben müssen – durch eine solche Zeit, von der sich die Menschen vor zehn Jahren keine Vor­stellung gemacht haben. Man frage sich nur einmal, ob sich die Men­schen vor zehn Jahren hätten träumen lassen, daß über Europa das kommen werde, was nun gekommen ist. Wir dürfen nicht vergessen, was heute, ich möchte sagen, wie ein Niederschlag der furchtbaren Kriegsnot sich ergeben hat: ein Chaos in den sozialen Verhältnissen über einem großen Teil von Europa. Und derjenige täuscht sich, der glaubt, daß dieses Chaos etwa bereits an einem Wendepunkt wäre und daß es nächstens besser wird. Wir stehen in bezug auf diese chaotischen

als de mensen kijken naar wat er in feite bereikt wordt door – ik zeg het zonder er doekjes omheen te winden – het grootse van onze opvoedingswetenschap, dan kunnen we soms weer de kritiek die gegeven wordt, niet helemaal onterecht vinden.
We staan eigenlijk midden tussen deze beide gezichtspunten in. Daarbij komt nog wat anders en dat is veel omvattender. En ik geloof werkelijk niet buiten mijn boekje te gaan, wanneer ik in een inleidende voordracht bij een pedagogische cursus op dit wonderbaarlijke ook de aandacht vestig.
Wij hebben de laatste vijf of zes jaar, ook al merkte men dit in Zwitserland minder dan in andere gebieden van Europa, een zware tijd gehad, in ieder geval – dat zal iedere Zwitser zondermeer moeten toegeven – zo’n tijd waarvan de mensen tien jaar geleden zich geen voorstelling maakten. Vraag maar eens of de mensen tien jaar geleden hadden kunnen bevroeden dat er over Europa zou komen, wat nu plaatsgevonden heeft. We mogen niet vergeten wat nu het ernstige gevolg is van die vreselijke oorlogsnood: chaos in de sociale verhoudingen in een groot deel van Europa. En wie gelooft dat deze chaos nu al op een keerpunt is en dat het hierna beter wordt, vergist zich. We staan wat deze

bl. 12

Verhältnisse im Grunde genommen erst im Anfang. Und da muß man sich dann doch fragen: Liegt es denn wirklich nur an den äußeren Verhältnissen, daß wir in dieses Chaos sozialer europäischer öffent­licher Angelegenheiten hineingekommen sind? Muß man denn nicht bei unbefangener Betrachtung sich sagen: Es kann nicht an den Verhält­nissen liegen, denn die Verhältnisse werden durch die Menschen ge­macht; es muß an den Menschen liegen.
Sieht man genauer zu, so findet man audi sehr bald heraus, wie es an den Menschen liegt; wie es daran liegt, daß heute, in der Zeit, in der man am meisten schreit nach sozialer Gliederung unserer gesellschaft­lichen Verhältnisse, so wenig eigentlich wirklich soziale, sondern zu­meist antisoziale Empfindungen vorhanden sind. Und wirklich, kann man denn umhin, sich zu gestehen, daß dies alles herangezogen worden ist trotz aller Vorzüglichkeit der pädagogischen Grundsätze, trotz alles dessen, was in anerkennenswerter Weise geleistet worden ist und was vom besten Willen beseelt ist? Wir müssen sagen: Trotz allem haben wir nicht vermocht, die Menschheit der neueren Zeit dahin zu bringen, daß der eine dem andern wirklich verständnisvoll gegenüber­stehen kann.

chaotische verhoudigen betreft in wezen pas aan het begin. En dan moet je je toch afvragen: ligt dit dan werkelijk alleen maar aan de uiterlijke verhoudingen, dat wij in deze chaos van sociale Europese publiekelijke aangelegenheden terecht zijn gekomen? Moet je niet zeggen, wanneer je er onbevangen naar kijkt: het kan niet aan de verhoudingen liggen, want de verhoudingen worden door de mens gemaakt; het moet aan de mensen liggen.
Kijk je nauwkeuriger, dan vind je al gauw hoe het aan de mens ligt; hoe het komt dat tegenwoordig, in een tijd waarin het hardst om een sociale verdeling van onze maatschappelijke verhoudingen wordt geroepen, er zo weinig echte sociale, maar meestal antisociale sentimenten aanwezig zijn. En kun je er dan daadwerkelijk omheen toe te geven dat dit alles naderbij gekomen is, ondanks alle voortreffelijke pedagogische basisprincipes, ondanks alles wat op een gerespecteerde manier tot stand is gebracht en door beste wil bezield? We moeten zeggen: ondanks alles zijn we niet in staat gebleken de mensheid van de nieuwere tijd daar te brengen, dat de ene mens met werkelijk begrip de ander ontmoeten kan.

Wir haben eine Zeit heraufziehen sehen, in der wahr­haftig die Menschen nicht gegeizt haben mit dem Lob, daß wir es so herrlich weit gebracht haben. Aber wir haben auch das Sich-selbst-ad­absurdum-Führen dieser Zeit gründlich kennengelernt. Da müßte es denn wenigstens in die Herzen einziehen wie eine Sehnsucht, zu prü­fen, ob denn nicht doch gerade durch diese pädagogische Kunst dieses Geschlecht, das heute sich so in den Haaren liegt in Europa, heran­gezogen worden ist? Dies müßte doch sehr einer näheren Fragestellung unterworfen werden. Und sieht man etwas genauer zu, so findet man da: Es ist gar nicht anders möglich, als mit wirklicher Verehrung zu hängen an den großen Gestalten der Pädagogen des 19. Jahrhunderts, an Herbart, Ziller, Diesterweg, Pestalozzi und so weiter – Ihnen brauche ich ja die einzelnen Namen nicht zu nennen -, aber auf der anderen Seite muß man auch sagen: Ja, wir haben eine mustergültige Erziehungswissenschaft, aber es handelt sich beim Erziehen gerade mehr als sonstwo um noch etwas anderes als um eine vorzügliche Wissenschaft, es handelt sich gerade beim Erziehen darum, daß diese Wissenschaft übergehen kann in eine wirkliche Kunst; daß Pädagogik Kunst werden kann.
Wenn man die Sache einmal, nur um zu verdeutlichen, im Vergleich

We hebben een tijd op zien komen waarin de mensen echt niet zuinig waren met de loftuitingen dat we zo geweldig ver gekomen zijn. Maar we hebben ook leren kennen hoe deze tijd zichzelf ad absurdum heeft gevoerd. Dan moet het tenminste als een verlangen in de harten komen, te onderzoeken of dan toch deze generatie die in Europa elkaar in de haren is gevlogen, niet juist door deze pedagogische kunst opgevoed is. Dit zou toch aan een nader onderzoek onderworpen moeten worden. En kijk je nauwkeuriger, dan vind je: het is echt niet anders mogelijk dan met werkelijke verering de grote pedagogische persoonlijkheden van de 19e eeuw te volgen: Herbart, Ziller*, Diesterweg**, Pestalozzi*** enz. = ik hoef u niet alle namen een voor een te noemen -. maar aan de andere kant moet je toch zeggen: Ja,we hebben een voorbeeldige opvoedingswetenschap, maar het gaat bij de opvoeding juist meer dan ergens anders, om nog wat anders, dan om een voortreffelijke wetenschap, het gaat er bij het opvoeden juist om dat deze wetenschap een werkelijke kunst kan worden; dat pedagogie kunst kan worden.
Wanneer je de zaak eens, alleen maar ter verduidelijking, in vergelijking

  *Tuiskon Ziller, 1817-1882.
**Adolf Diesterweg, 1790-1866. Pädagoge und Schulpolitiker, der der staatlichen und kirchlichen Einflußnahme auf das Schulwesen entgegenwirkte.
***Johann Heinrich Pestalozzi, 1746-1827. Eigentlicher Begründer der Volksschule. Werke: u.a. «Abendstunde eines Einsiedlers«, «Lienhard und Gertrud«. Vgl. auch C. Englert-Faye, «Vom Menschen Johann Heinrich Pestalozzi« (Basel 1967).

blz. 13

mit der Kunst betrachten will, so kann man sagen: Es kann eine vor­zügliche Asthetik geben, vorzügliche Kenntnisse, wie man es in der Musik oder in der Plastik oder Malerei macht, und diese Wissenschaft vom Malen, diese Wissenschaft vom Bildhauern, diese Wissenschaft vom Komponieren, sie kann großartig sein; aber es ist doch etwas an­deres, diese Wissenschaft nun anwenden zu können. Ja, man kann sagen: Derjenige, der sie anwendet, der Bildhauer, der Maler, der Musiker, der hat sogar in der Regel eine rechte Antipathie gegen die Grundsätze, die ausgedacht worden sind. Bei ihm handelt es sich darum, daß diese Grundsätze überhaupt gar nicht ins Vorstellungs­leben übergehen, sondern daß diese Grundsätze in seinen Händen, in seinern ganzen Wesen leben, daß sie in ihm lebendige Gestalt werden können. In der Erziehungswissenschaft liegt die Sache nicht ganz so wie in irgendeiner anderen ästhetischen Wissenschaft. Inder Erziehungs­wissenschaft muß alles bewußter, muß alles viel mehr von Vorstellun­gen durchdrungen sein, als, sagen wir, in der Malerei oder Musik oder Plastik. Aber dennoch, was wir als richtig begreifen im Erziehen, das muß übergehen können in das ganze Wesen unserer Persönlichkeit, wenn wir pädagogische Künstler werden wollen. 

met de kunst wil bekijken, kun je zeggen: je kan een voortreffelijke schoonheidsleer hebben, voortreffelijke kennis over hoe men het in de muziek of bij het beeldhouwen of het schilderen doet en deze wetenschap van het schilderen, deze wetenschap van het beeldhouwen, deze wetenschap van het componeren kan groots zijn; maar iets anders is het toch deze wetenschap te kunnen toepassen. Ja, je kan zeggen: degene die ze toepast, de beeldhouwer, de schilder, de musiscus heeft zelfs in de regel heel wat tegenzin in al die grondregels die er bedacht zijn. Bij hem gaat het erom dat deze basisregels helemaal niet in zijn voorstellingen terechtkomen, maar in zijn handen, in zijn hele wezen leven, dat die in hem tot iets levends kunnen worden. Bij de opvoedingswetenschap ligt de zaak niet helemaal zo als in een of andere esthetische wetenschap. In de opvoedingswetenschap moet alles bewuster, moet alles veel meer van voorstellingen doordrongen zijn, dan – laten we zeggen – bij de schilderkunst of in de muziek of het beeldhouwen. Maar toch, wat we bij de opvoeding goed begrijpen, moet kunnen overgaan in onze hele persoonlijkheid, als we een pedagogisch kunstenaar willen worden.

Und gerade auf diesem Gebiete glaube ich, daß Geisteswissenschaft helfen kann. Und von dieser Hilfe, die durch Geisteswissenschaft der Pädagogik werden kann, möchte ich eben in diesem Kurse sprechen. Nicht, daß ich glaube, daß die Grundsätze der pädagogischen Wissen­schaft reformiert zu werden brauchen, sondern ich glaube, um diese richtigen Grundsätze – sei es in einem einzelnen Falle der Erziehung, sei es der großen Klasse gegenüber – in wirklicher praktischer Weise an-zuwenden, ist es notwendig, daß diese Grundsätze belebt und durch­zogen werden von dem, was eigentlich nur Geisteswissenschaft geben kann. Geisteswissenschaft ist etwas, was einziehen will in alle Gebiete gegenwärtigen wissenschaftlichen Erkennens. Geisteswissenschaft ist etwas, das eine Auffrischung geben soll für alles, was von unserer Zeit-kultur angestrebt wird; dieser Zeitkultur, die – wenn auch heute viele Menschen glauben, man sei bereits in einer Art Rückschritt zum Idealis­mus begriffen – ja doch hervorgegangen ist aus dem Materialismus, und die den Materialismus aus der letzten Hälfte des 19. Jahrhunderts noch voll in sich hat. Alle Zweige menschlicher Geistesbetätigung, ja man kann fast sagen alle Zweige menschlicher Kulturbetätigung, haben ihre heutige Gestalt durch diese materialistische Zeitgesinnung. Nicht

En juist op dit terrein geloof ik, dat geesteswetenschap kan helpen. En over deze hulp die door de geesteswetenschap aan de pedagogie ten goede kan komen, wil ik dus in deze cursus spreken.
Niet omdat ik geloof dat de basisprincipes van de pedagogische wetenschap vernieuwd moeten worden, maar omdat ik geloof  – om deze basisprincipes die goed zijn – zij het dat in een enkel opvoedingsgeval, zij het bij een grote klas – op een daadwerkelijke praktische manier toe te passen, het noodzakelijk is dat deze principes gevitaliseerd worden en doortrokken met wat eigenlijk alleen de geesteswetenschap kan aanreiken. Geesteswetenschap is iets dat op elk gebied van de tegenwoordige wetenschappelijk kennis deel wil uitmaken. Geesteswetenschap is iets dat verfrissend moet zijn voor alles wat door de cultuur van onze tijd nagestreefd wordt; deze tijdscultuur die – ook al geloven tegenwoordig veel mensen dat we al op een soort terugweg naar het idealisme gaan – toch uit het materialisme voortgekomen is en die het materialisme van de 19e eeuw nog helemaal met zich meedraagt. Alle geledingen waarbij het om de menselijke geest gaat, ja je kan bijna wel zeggen alle geledingen waarbij het om de menselijke cultuur gaat, hebben in hun huidige gedaante een materialistische tijdgeest.  Niet

blz. 14

in allem zeigt sich diese materialistische Zeitgesinnung in gleich schäd­licher Weise: am meisten Einfluß in schädigender Weise muß Ma­terialismus, wenn er da ist, im Erziehungswesen bringen.
Das ist, was ich heute einleitend nur andeuten will, was sich aber durch die ganze Haltung der Vorträge ergeben wird. Geisteswissen­schaft wird heute vielfach verkannt, und deshalb habe ich schon nötig, wenigstens mit einigen Worten auf das hinzuweisen, wodurch sich Mißverständliches richtigstellen kann. Denn bevor ich in die Lage komme, Ihnen zu beweisen, was Geisteswissenschaft gerade für die rechte Anwendung einer vorzüglichen pädagogischen Wissenschaft lei­sten kann durch die Verwandlung des pädagogischen Wissens in päd­agogisches Können, muß ich schon im einzelnen von Mißverständnissen gegenüber der Geisteswissenschaft sprechen. Und da möchte ich nicht in Abstraktionen sprechen, sondern möchte möglichst gleich konkret darauf eingehen.
Sie werden – wenigstens viele von Ihnen – gehört haben, daß Gei­steswissenschaft es nicht so leicht hat wie die äußere Anthropologie der Gegenwart, den Menschen zu betrachten, den Menschen, mit dem wir es ja vorzugsweise in der Erziehung zu tun haben. Diese äußere An­thropologie der Gegenwart, die vereinfacht sich gewissermaßen die Probleme, welche uns in bezug auf den Menschen obliegen.

in alles vertoont deze materialistische tijdsgeest zich op even schadelijke wijze: de meeste invloed op een schadelijke manier moet het materialisme, als het er eenmaal is, wel op de opvoeding hebben.
Dit wil ik vandaag slechts als een inleiding aanstippen, het zal door de hele ductus van de voordrachten blijken. Geesteswetenschap wordt tegenwoordig veelal miskend en daarom is het voor mij nodig om in ieder geval met een paar woorden op iets te wijzen wat misverstanden uit de wereld kan helpen. Want voor ik in de gelegenheid kom om u te bewijzen wat geesteswetenschap juist voor een goede toepassing van een voortreffelijke pedagogsiche wetenschap kan betekenen door het omwerken van pedagogisch weten naar pedagogisch kunnen, moet ik toch in detail over de misvattingen wat de geesteswetenschap betreft, spreken. En dit wil ik niet abstract doen, maar zoveel mogelijk wil ik er direct concreet op ingaan.
U zal wel – in ieder geval velen van u, vernomen hebben dat geesteswetenschap het niet zo gemakkelijk heeft als de alledaagse antropologie bij het waarnemen van de mens, de mens met wie we hoofdzakelijk in de opvoeding te maken krijgen. Deze uiterlijke antropologie van nu maakt de problemen waar wij ons wat de mens betreft mee bezig houden, wat simpeler.

Und man sieht dann, ich möchte sagen, so wie auf eine Art von Aberglauben herunter, wenn man hört, Geisteswissenschaft habe nötig, übersinnliche Glieder der menschlichen Wesenheit zu verzeichnen; in dem aufwach­senden Kinde schon zu sehen, wie sich nicht nur dieser Mensch im all­gemeinen entwickelt, sondern wie sich zunächst – approximativ sei es gesprochen – vier Glieder der menschlichen Wesenheit entwickeln.
Man hat es leicht, aus unserer fortgeschrittenen Naturerkenntnis und der aus ihr gezogenen Weltanschauung heraus heute darüber zu lachen, wenn man hört, Geisteswissenschaft sage, der Mensch bestehe aus physischem Leib, aus Ätherleib, aus astralischem Leib und noch aus einem besonderen Ich-Wesen. Ich kann auch dieses Lachen ganz gut verstehen. Ich kann verstehen, wie man aus dem Mißverstehen heraus sich über diese Dinge lustig macht. Aber man macht sich eigentlich lustig auf Kosten einer wirklich gedeihlichen Fortentwickelung der Menschheit und auf Kosten einer richtig auf den Menschen hinschauen-den Erziehungskunst. Wohl muß ich Ihnen recht geben: Wenn Sie hören, daß da oder dort in sektiererischer Weise sich Theosophen in

En dan kijk je naar een soort bijgeloof, wanneer je hoort dat geesteswetenschap het over iets bovenzintuiglijks moet hebben; al in het opgroeiende kind wil zien hoe niet alleen deze mens zich in het algemeen ontwikkelt, maar hoe – bij benadering genoemd – vier delen van het mensenwezen zich ontwikkelen.
Het is makkelijk om zich vanuit onze voortgeschreden natuurwetenschappelijke kennis en de daarop gebaseerde wereldbeschouwing zich daar vrolijk over te maken, wanneer men hoort dat de geesteswetenschap zegt dat de mens bestaat uit een fysiek lichaam, uit een etherlijf, een astraallijf en nog uit een bijzonder Ik-wezen. De lachlust kan ik wel begrijpen. Ik kan best begrijpen dat men zich vrolijk maakt over wat men niet begrijpt. Maar men lacht wel ten koste van een echt vruchtbare verdere ontwikkeling van de mensheid en ten koste van een opvoedkunst die op een goede manier naar de mens kijkt. Ik moet u wel gelijk geven, wanneer hier en daar op een sektarische manier theosofen bij elkaar komen

blz. 15

Zweigen zusammensetzen, und nun irgend jemand, der es im Buche gelesen oder in den Vorträgen gehört hat, den Leuten vorträgt: Der Mensch besteht aus physischem Leib, aus ätherischem, astralischem Leib und dem Ich – so ist dies wirklich eine höchst unfruchtbare Wissenschaft, und es ist etwas, worüber man vielleicht sogar ein Recht hat, sich in einer gewissen Weise lustig zu machen. Denn wenn es dabei bleibt, daß Leute diese Dinge wie eine Art religiöses Bekenntnis sek­tiererisch verbreiten, so kommt für die Kultur der Menschheit, für das wirkliche Leben eigentlich nichts Besonderes dabei heraus. Heraus kommt erst dann etwas aus diesen Dingen, wenn man sie nimmt, ich möchte sagen, als Richtkräfte, um das Leben reicher zu betrachten, als man es betrachten kann, wenn man bloß den abstrakten Begriff des Menschen oder des heranwachsenden Kindes zugrunde legt.
Es ist gewiß, wenn wir beim Allerabstraktesten stehenbleiben, ein außerordentlich guter Grundsatz der Pädagogen, zu sagen, man müsse den Menschen nach seiner Individualität entwickeln, man müsse stu­dieren, welche Kräfte nach und nach in der menschlichen Wesenheit beim sich entwickelnden Kinde herauskommen, und man müsse ge­wissermaßen dasjenige entwickeln durch die pädagogische Kunst, was da sich herausarbeiten will aus der menschlichen Wesenheit.

en dat er dan iemand die dat in een boek gelezen heeft of in een voordracht gehoord, aan de mensen vertelt: de mens bestaat uit fysiek lichaam, uit een etherische en een astraal lijf en uit een Ik – dan is dit werkelijk een hoogst onvruchtbare wetenschap en het is iets waarover men wellicht zelfs een beetje terecht op een bepaalde manier kan lachen. Want wanneer het blijft bij dat de mensen deze dingen als een soort religieuze belijdenis sektarisch verspreiden, levert dat voor de cultuur van de mensheid, voor het echte leven eigenlijk niets bijzonders op. Uit deze dingen komt pas echt iets, wanneer je ze als richtlijn neemt om het leven op een vollere manier te bekijken dan wanneer je dat kan doen, wanneer je je slechts baseert op het abstracte begrip mens of opgroeiend kind.
Zeker, wanneer je bij het allerabstractste blijft staan, een buitengewoon goede basisregel van de pedagogen die zegt, dat je de mens in overeenstemming met zijn individualiteit moet ontwikkelen, dan moet je bestuderen welke krachten zich bij het zich ontwikkelende kind geleidelijk manifesteren en dat je tot op zekere hoogte door de pedagogische kunst ontwikkelen moet wat uit het mensenwezen worden wil.

Es ist dieses ein vorzüglicher Grundsatz, aber er darf nicht Abstraktion blei­ben, er darf nicht so bleiben, daß man ihn nur ansieht als einen vor­züglichen Grundsatz, und daß man nur den guten Willen dazu hat, ihn auch anzuwenden. Nein, der Grundsatz hat nur dann eine Be­deutung, wenn er wirklich ins Leben übergehen kann, wenn wirklich das Leben die Möglichkeit gibt, den werdenden Menschen vom ersten Lebensjahre bis zum Erwachsensein so zu betrachten, daß man die Kräfte, die sich herausarbeiten, wirklich sieht.
Wenn man nur denjenigen Menschenbegriff nimmt, den die heutige Anthropologie gibt, den Sie heute aus der Wissenschaft gewinnen kön­nen: dann merken Sie eben nicht, was eigentlich im Menschen zutage treten, was sich aus dem Menschen herausarbeiten will. Es sind bloß Richtlinien, die angedeutet werden, wenn man sagt: Der Mensch be­steht aus physischem Leib, Ätherleib, astralischem Leib und Ich-Wesen. Denn dann sagt man: Du mußt die Art der Betrachtungsweise, an die man sich heute gewöhnt hat aus der materialistischen Naturwissen­schaft heraus, nur für den physischen Menschen anwenden; du mußt aber noch andere Gesichtspunkte für die Menschenbetrachtung geltend

Dat is een uitstekende basisregel, maar die mag geen abstractie blijven; die mag niet zo blijven dat men deze alleen ziet als een voortreffelijk grondprincipe en dat men alleen maar de goede wil heeft, deze toe te passen. Nee, de basisregel is alleen van betekenis, wanneer die werkelijk leven kan worden, wanneer deze daadwerkelijk de mogelijkheid verschaft de wordende mens vanaf zijn eerste levensjaar tot de volwassenheid zo te bekijken dat men de krachten die naar buiten komen, werkelijk waarneemt.
Wanneer je alleen al het begrip mens, zoals de huidige antropologie levert, die je tegenwoordig uit de wetenschap kan afleiden, dan heb je niet in de gaten wat er eigenlijk vanuit de mens zichtbaar wil worden, naar buiten komen wil. Het zijn maar richtlijnen die toegepast worden, wanneer men zegt: de mens bestaat uit fysiek lichaam, etherlijf, astraallijf en Ik-wezen. Want dan zeg je: je moet de manier van waarnemen waaraan men nu gewend is door de materialistische wetenschap, alleen toepassen op de fysieke mens; maar je moet nog andere gezichtspunten bij het waarnemen van de mens 

blz. 16

machen. Du mußt den Menschen als ein viel komplizierteres Wesen ansehen, und du mußt dir einen Blick gewinnen, wie aus der Menschen-natur sich auch etwas herausentwickelt, was nicht in den bloßen Naturgesetzen eingeschlossen ist, was wir durch höhere Glieder der menschlichen Natur allein umfassen können.
Was heißt es denn eigentlich, wenn wir sagen: Der Mensch besteht aus vier Gliedern? Sehen Sie, da deutet man auf etwas hin, was ja im Grunde genommen selbstverständlich jedem Pädagogen, der seine Psychologie kennengelernt hat, bekannt ist; was ihm aber so bekannt ist, daß noch nicht aus dieser Bekanntschaft fließt ein wirkliches tiefes Hineinschauen in die ganze menschliche Wesenheit. Bekannt ist ja, wie­viel von Psychologen, auch von pädagogischen Psychologen, darüber diskutiert worden ist, daß wir das Seelische des Menschen zu sehen haben – sagen wir, um ganz vorsichtig zu sprechen – in einer drei­gliedrigen Metamorphose als Denken, Fühlen und Wollen. Sie wis­sen, wieviel im Laufe des 19. Jahrhunderts und bis in unsere Tage herein darüber gestritten worden ist, ob der Wille das Ursprüngliche ist und sich das Denken gleichsam herausarbeitet aus der Willensnatur, oder ob das Denken zugrunde liegt oder das Vorstellen.

laten gelden. Je moet de mens als een veel gecompliceerder wezen beschouwen en je moet je een blik zien te verwerven voor hoe uit de natuur van de mens iets naar buiten komt wat niet valt onder alleen maar natuurwetten, wat we alleen maar kunnen begrijpen door hogere wezensdelen van de mensennatuur.
Wat betekent het dan toch wanneer we zeggen: de mens bestaat uit vier wezensdelen? Ziet u, dan doel je toch op iets wat uiteraard natuurlijk iedere pedagogoog die zijn psychologie goed geleerd heeft, weet; wat hij echter zó weet, dat uit deze kennis nog geen werkelijk diepe blik in heel het wezen mens tevoorschijn komt. Bekend is ook hoeveel er door psychologen, ook door pedagogische psychologen gediscussieerd is over hoe we naar de ziel van de mens moeten kijken – laten we heel voorzichtig zeggen – in een drieledige metamorfose als denken, voelen en willen. U weet hoeveel er in de loop van de 19e eeuw en tot in onze tijd erover geredetwist is of de wil het oorspronkelijke is en het denken a.h.w. uit de wilsnatuur tevoorschijn komt, of dat het denken ten grondslag ligt aan het voorstellen.

Sie wissen, daß zum Beispiel in der Herbartschen Pädagogik ein gewisser Intellek­tualismus vorherrscht, daß der Wille gewissermaßen nur gilt als eine Art Resultierende aus den Vorstellungsbestrebungen und so weiter. Gerade wenn man unbefangen auf die ganze Art des Diskutierens über Denken, Fühlen und Wollen hinsieht, dann merkt man, daß diesen Diskussionen etwas fehlt. Das wirkliche Hineinblicken in die mensch­liche Wesenheit fehlt. Und gerade wirklich hineinblicken in die mensch­liche Wesenheit möchte Geisteswissenschaft. Sie möchte, daß man wie­derum die Fähigkeit gewinne, diese menschliche Wesenheit in ihrer Totalität zu durchschauen.
Wir reden ja, wenn wir nicht grobklotzige Materialisten sind, da­von, daß der Mensch nicht nur den äußeren physischen Leib hat, son­dern eine Seele, und dem Seelischen sprechen wir eben das Denken, Fühlen und Wollen zu. Aber kennen Sie denn nicht die Diskussionen, die heute gepflogen werden und immer wieder und wieder darauf hinauslaufen: man könne sich eigentlich keine Vorstellung machen, wie das Seelische mit dem Leiblichen zusammenhänge, wie das Seelische auf das Leibliche, das Leibliche auf das Seelische wirke? Im Grunde ge­nommen leiden an dieser Fragestellung alle Menschen, die es mit diesen

U weet dat bijv. in de pedagogiek van Herbart een zeker intellectualisme de overhand heeft, dat de wil in zekere zin slechts gezien wordt als een soort resultaat van voorstellingsactiviteit enz. Juist wanneer je onbevangen naar de manier van discussiëren over denken, voelen en willen kijkt, merk je dat er aan deze discussies iets ontbreekt. Wat er ontbreekt is de juiste blik op het wezen mens. En dat wil geesteswetenschap nu juist; een realistische blik in het wezen van de mens. Zij wil dat men weer de vaardigheid krijgt het wezen mens in zijn totaliteit te doorgronden.
Wij zeggen dus, omdat we geen grofstoffelijke materialisten zijn, dat de mens niet alleen maar zijn uiterlijke fysieke lichaam heeft, maar een ziel en aan de ziel schrijven we denken, voelen en willen toe. Maar kent u dan de discussies niet die vandaag de dag plaatsvinden en er steeds weer in uitmonden: je kan je er eigenlijk geen voorstelling van vormen hoe de ziel met het lichaam samenhangt; hoe de ziel op het lichaam, het lichaam op de ziel werkt? In de grond van de zaak lijden alle mensen die de dingen serieus nemen aan deze manier van vragen.

blz. 17

Dingen ernst nehmen. Aber sie kommen nicht darauf, daß vielleicht die ganze Fragestellung, so wie sie gewöhnlich gegeben wird, eine nicht ganz richtige ist. Sie kommen nicht darauf, daß vielleicht die ganze Betrachtungsweise einmal geändert werden müßte.
Gerade wenn wir das heranwachsende Kind ins Auge fassen, dann kommen wir dazu, einzusehen an der Entwickelung dieses heranwach­senden Kindes, wie Seelisches sich herausarbeitet in dem Leiblichen. Wer nur einen Sinn hat für äußere Gestaltung, wie sie sich so wunder­bar, so rätselhaft auf der einen Seite, und so zum Menschensinn spre­chend auf der anderen Seite, in dem Kinde ergibt, wenn wir es von Tag zu Tag in den ersten Lebenswochen, wenn wir es von Woche zu Woche, von Monat zu Monat, von Jahr zu Jahr in dem folgenden Leben be­trachten – wer diese Umgestaltung betrachtet und einen Sinn dafür hat, wie das Seelische sich herausarbeitet, der muß die Frage stellen: Wie hängt denn eigentlich zusammen dasjenige, was wir an Seelischem ent­wickeln, mit dem Körperlichen in seiner äußeren Offenbarung? Denn offenbar ist es ja, daß im Körperlichen das Seelische drinnen arbeitet; gerade im Kinde sieht man es. Aber die heutige Wissenschaft ist nicht stark genug, ich möchte sagen, sie hat zu stumpfe Waffen, um nun an diese Fragestellung:

Maar ze komen er niet op, dat wellicht de hele vraag, zoals die gewoonlijk gesteld wordt, niet helemaal juist is. Ze komen er niet op dat wellicht de hele manier van kijken eens veranderd zou moeten worden.
Met name als we naar het opgroeiende kind kijken, komen wij door naar dit opgroeiende kind te kijken tot het inzicht hoe alles van de ziel in het lichamelijke zichtbaar wordt. Wie alleen al een zintuig heeft voor wat zich uiterlijk vormt, wat je aan de ene kant zich zo wonderbaarlijk, zo raadselachtig in het kind ziet voltrekken, wat anderzijds zo tot het menselijk bewustzijn spreekt, wanneer je het in de eerste weken van zijn leven van dag tot dag volgt, wanneer we het waarnemen van week tot week, van maand tot maand, van jaar tot jaar in het leven dat volgt – wie die omvorming waarneemt en er een zintuig voor heeft hoe de ziel tevoorschijn komt, moet zich de vraag stellen: hoe hangt dan eigenlijk wat we aan zielenkrachten ontwikkelen samen met het lichamelijke dat we uiterlijk zien. Want duidelijk is dat in het lichaam de ziel vanbinnen werkzaam is; juist bij het kind zie je dat. Maar de huidige wetenschap is niet krachtig genoeg – ik wil zeggen – haar instrumenten zijn te bot – om deze vraag:

Wie arbeitet das Seelische in dem Physischen drin­nen? – in der richtigen Weise herantreten zu können. Gewisse Er­scheinungen, sie werden einfach heute von der Wissenschaft nicht sach­gemäß betrachtet. Und da sehen wir, indem wir die ersten Lebensjahre des Kindes durchlaufen, eine Erscheinung, die uns mit jedem Tag neue Rätsel aufgibt; wir müssen sie nur sehen.
Wir sehen diese Erscheinung, wie das Kind ungefähr am Ende des ersten Lebensjahres oder etwas später seine ersten Milchzähne be­kommt. Wir sehen, wie diese Milchzähne wiederum ausfallen und vom siebenten Jahre an durch die bleibenden Zähne ersetzt werden. Diese Erscheinung, gewiß, sie wird nach allen Noten beschrieben von der heutigen Wissenschaft, aber was diese Erscheinung eigentlich bedeutet, worauf sie deutet im ganzen Entwickeln des Menschen, das zu unter­suchen, dazu hat die heutige Wissenschaft eben nicht wirkliche Kraft. Und weiter, wir sehen, wie sich dann das heranwachsende Kind bis zur Geschlechtsreife hin entwickelt, wie dieses Eintreten in die Ge­schlechtsreife eine völlige Revolution im körperlichen und seelischen Leben des Menschen bewirkt. Wir wissen, indem wir an die Volks­schule denken: gerade in die Zeit vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife

hoe werkt de ziel binnen het fysieke? op de juiste wijze te kunnen benaderen. Bepaalde verschijnselen worden simpelweg door de wetenschap niet adequaat bekeken. En dan zien we, als we de eerste levensjaren van een kind volgen, een fenomeen dat ons iedere dag voor nieuwe raadsels stelt; je hoeft ze alleen maar te zien.
Wij zien het fenomeen hoe het kind ongeveer aan het einde van zijn eerste levensjaar of iets later zijn eerste melktandjes krijgt. We zien ook dat deze melktanden weer uitvallen en vanaf het zevende jaar door de vaste tanden worden vervangen. Dit verschijnsel, zeker, wordt door de wetenschap in alle toonaarden bezongen, maar wat dit fenomeen betekent, waarop het wijst in de totale ontwikkeling van de mens, om dat te onderzoeken heeft de huidige wetenschap de instrumenten niet. En verder zien we dan hoe het opgroeiende kind zich tot aan de puberteit ontwikkelt, hoe het geslachtsrijp worden een totale ommekeer in lichaam en ziel teweegbrengt. We weten, wanneer we aan de basisschool denken: juist in de tijd van tandenwisseling tot aan de puberteit

blz. 18

ist das wichtigste vom Volkserziehen in der Volksschule ein­geschlossen. Aber die Wissenschaft und alles Leben hat heute nicht die Macht, einzudringen in das, was da eigentlich geschieht in dem Gebiet, das wir nun nicht einseitig das Leibliche und Körperliche und einseitig das Seelische, sondern das Seelisch-Leibliche des Menschen nennen.
Es läuft einfach darauf hinaus, daß wir uns eine genauere, eine in­timere Beobachtungskunst der menschlichen Wesenheit aneignen. Be­obachten Sie nur einmal intimer. Der menschliche Organismus kommt ein Jahr oder nach einer etwas längeren Zeit nach seiner Geburt dazu, aus sich herauszugestalten, aus seinem Ganzen herauszugestalten, wahr­haftig nicht bloß aus dem Ober- und aus dem Unterkiefer, sondern aus seinem Ganzen herauszugestalten die ersten Zähne. Das ist etwas, was sich vollzieht in dieser rätselvollen Wesenheit des Menschen. Aber das ist etwas, was sich noch einmal wiederholt durchschnittlich gegen das siebente Jahr hin. Da sehen wir aber, wie der Organismus eine viel längere Zeit braucht, um dies härteste Gebilde, den Zahn, aus sich herauszudrücken, als er gebraucht hat, um in der frühsten Kindheit die Milchzähne herauszudrücken.
Sehen Sie, man muß nun, indem man so etwas körperlich betrachtet, dies nicht bloß mit den Mitteln der heutigen Naturwissenschaft tun.

vindt het belangrijkste van de volksopvoeding op de basisschool plaats. Maar de wetenschap en alles wat er leeft heeft tegenwoordig niet het vermogen door te dringen tot wat er eigenlijk gebeurt op het gebied dat we nu niet eenzijdig lichaam en eenzijdig ziel noemen, maar de psychische lichamelijkheid van de mens.
Het leidt er simpelweg toe dat we ons bekwamen tot een nauwkeurigere, een intensievere waarnemingskunst van het wezen mens. Neem gewoonweg intensiever waar. Het menselijke organisme komt er een jaar na de geboorte of wat langer toe uit zijn hele organisme, niet alleen maar uit de boven- of onderkaak, de eerste tanden zichtbaar te laten worden. Dat is iets wat zich voltrekt in dit raadselachtige wezen mens. Maar dit wordt nog eens herhaald, gemiddeld tegen het zevende jaar. Nu zien we dat het organisme veel meer tijd nodig heeft om dit hardste bouwwerkje, de tand, van zich uit naar buiten te drukken, dan het nodig had om in de prilste kindertijd de melktandjes naar buiten te werken.
Ziet u, je moet nu, wanneer je zoiets lichamelijks bekijkt, dit niet alleen maar doen met de middelen van de huidige wetenschap.

Man muß zugleich sehen, wie während dieser Zeit mit jeder Woche vom Bekommen der Milchzähne bis zum Bekommen der bleibenden Zähne das ganze Wesen des Menschen auch im Seelischen ein anderes wird. Wie in dieser Zeit aus der menschlichen Wesenheit heraus andere Kräfte auch seelisch wirken als etwas später zwischen dem Zahnwech­sel und der Geschlechtsreife. Man muß den Menschen ganz in seiner Totalität betrachten, und dann findet man, daß das ganze seelische Leben in einer anderen Weise sich vollzieht vor dem Zahnwechsel als nach dem Zahnwechsel. Und wenn man einen Sinn dafür hat, was eigentlich da herauskommt nach dem Zahnwechsel, so wird man sich sagen: Vernehmen wir das denkerische, das intellektuelle Wesen im Menschen, und versuchen wir dasjenige zu ergründen, was da bis zum Zahnwechsel hin und während des Zahnwechsels herauskommt an menschlichem, intellektuellem Wesen, an Vorstellungswesen! Wenn man unbefangen betrachtet, muß man eigentlich sagen: Da kommt viel heraus. Jean Paul, der auch viel über Pädagogik nachgedacht hat, hat nicht mit Unredit darauf aufmerksam gemacht, daß die ersten Lebens-jahre mehr Einfluß auf den Menschen haben als die drei akademischen

Je moet tegelijkertijd zien, hoe gedurende deze tijd met iedere week van het krijgen van melktanden tot het krijgen van de blijvende tanden het hele wezen van de mens ook psychisch, anders wordt. Hoe in deze tijd vanuit het wezen mens andere krachten ook psychisch werken dan iets later tussen de tandenwisseling en de geslachtsrijpheid. Je moet de mens geheel in zijn totaliteit bekijken en dan vind je dat heel het zielenleven zich op een andere manier voltrekt vóór de tandenwisseling dan erna. En wanneer je open staat voor wat er eigenlijk na de tandenwisseling gebeurt, zul je zeggen: wanneer we naar het denken kijken, naar het intellectuele aspect in de mens en proberen te doorgronden wat er tot de tandenwisseling en tijdens de tandenwisseling zich manifesteert: wat we daar tevoorschijn zien komen aan wezenlijks op het gebied van menselijke intellectualiteit, aan voorstellingen! Wanneer je onbevangen kijkt, moet je eigenlijk zeggen: er verschijnt heel veel. Jean Paul, die ook veel over pedagogiek nagedacht heeft, heeft er niet ten onrechte op gewezen, dat de eerste levensjaren van grotere invloed op de mens zijn dan de drie academische

blz. 19

Jahre. Dazumal gab es nur drei. Es ist schon so, daß, wenn wir auf die Konfiguration des Intellektuellen hinschauen, die wichtigsten Jahre für die Gestaltung der Intellektualität des Menschen, für die Gestal­tung der Urteilskraft, die ersten Lebensjahre bis zum Zahnwechsel sind. Man versuche nur einmal, sich einen wirklichen Beobachtungssinn anzuerziehen für dasjenige, was da seelisch anders wird. Man versuche auch zurückzudenken, bis wie weit das deutliche Gedächtnis reicht und versuche zu denken, wie wenig weit es hinter die Zahnwechselepoche zurückreicht, wie wenig also vor der Zahnwechselepoche der Mensch fähig ist, in sich anzusammeln festgestaltete Begriffe, die dann der Er­innerung einverleibt werden. Dann kann man geradezu sagen: je weniger der Organismus jene starken Kräfte, die er später nicht mehr braucht, um die harten Zähne zum zweiten Male aus sich herauszu­gestalten, anzuwenden braucht, desto mehr kommt er gerade in die Lage, dasjenige, was er intellektuell aufnimmt, zu festen Vorstellun­gen zu gestalten, die ihm in der Erinnerung bleiben.
Ich will Ihnen heute die Sache zunächst nur andeuten.

jaren. In die tijd waren er maar drie. Het is inderdaad zo, wanneer we naar het complex van het intellectuele kijken, dat de belangrijkste jaren voor de vorming van de menselijke intellectualiteit, voor de vorming van het oordeelsvermogen, de eerste levensjaren tot aan de tandenwisseling zijn. Probeer echt een daadwerkelijk zintuig te ontwikkelen om waar te kunnen nemen wat er psychisch anders wordt. Probeer er ook eens aan te denken tot hoe ver terug jouw duidelijke herinneringen gaan en probeer er eens aan te denken hoe ver dat vóór je tandenwisseling is, hoe slecht de mens dus in staat is vóór de periode van tandenwisseling vastomlijnde begrippen te bewaren die dan deel worden van de herinneringen. Dan kun je wel zeggen: hoe minder het organisme die sterke krachten die het later niet meer nodig heeft om de harde tanden voor een tweede keer naar buiten te brengen, hoeft te gebruiken, des te meer komt het in de toestand om wat het intellectueel opneemt, tot vaste voorstellingen te vormen, die dan als herinnering blijven.

Sie sehen aus dem eben Gesagten, daß zunächst dieses Kraften im Körper, das ge­wissermaßen wie in einer Kulmination in dem Hervorgehen der zwei­ten Zähne gipfelt, parallel geht mit dem Festsetzen derjenigen Kräfte in der Seele, welche die Vorstellungen, die sonst vergessen werden, um­formen in festgestaltete Begriffe, die dann bleiben, die ein Schatz in der menschlichen Seele werden. Ich möchte das, was ich heute sagen will, zunächst nur als eine Frage hinstellen; in den nächsten Tagen wird es sich uns erweisen. Müssen wir doch danach fragen: Hat denn nicht vielleicht das Vorstellen gerade mit diesen Kräften, die im Zahn-entstehen sich geltend machen, etwas zu tun? Ist es denn nicht gerade so, als wenn das Kind in den ersten sieben Jahren bis zum Zahnwech­sel gewisse Kräfte körperlich verwenden müßte, die Seele in den Kör­per hinein ergießen müßte, damit die Zähne herauskommen? – Ist es fertig damit, dann geschieht eine Metamorphose, dann wandelt das Kind diese Kräfte um, und sie werden eigentlich seelische Vorstellungs­kräfte. Sehen wir denn nicht, wie die Seele, die vorstellende Seele in dem Zahnbilden arbeitet? – Und wenn das Zahnbilden, das heißt die Verwendung gewisser seelischer Kräfte in der vorstellenden Seele er­schöpft ist, nachdem die Zähne herausgekommen sind, da machen sich diese selben Kräfte seelisch geltend.
Denken Sie nur einmal, wie wenig man geneigt ist, heute mit den

Ik wil nu de zaak alleen maar terloops noemen. Uit wat net werd gezegd ziet u dat aanvankelijk dit krachtenspel in het lichaam in zekere zin uitmondt als een culminatie in het tevoorschijn komen van de blijvende tanden en dat dit parallel loopt met het zelfstandig worden van die zielenkrachten die de voorstellingen die anders vergeten worden, omvormen tot vastomlijnde begrippen die daarna blijvend zijn, die een schat worden in de menselijke ziel. Ik zou wat ik nu wil zeggen, eerst als vraag op willen werpen; in de komende dagen zal het blijken. Maar we vragen toch: heeft het voorstellen wellicht te maken met deze krachten die in de tandenwisseling manifest zijn? Is het dan niet juist zo dat wanneer het kind in de eerste zeven jaar tot de tandenwisseling bepaalde lichamelijke krachten gebruiken moet, zijn zielenkracht in zijn lichaam moet uitstromen, zodat het tanden kan krijgen? – Is het daarmee klaar, dan vindt er een metamorfose plaats, dan werkt het kind deze krachten om en die worden dan de krachten om zich met de ziel te kunnen voorstellen. Zien we dan niet, hoe de ziel, de zich voorstellende ziel werkzaam is bij het vormen van de tanden? – En wanneer het vormen van de tanden, d.w.z. het gebruik van bepaalde zielenkrachten, afgerond is als de tanden naar buiten komen, manifesteren diezelfde krachten zich psychisch.
Maar bedenk wel hoe weinig geneigd men is, tegenwoordig met de

blz. 20

Mitteln der Naturwissenschaft auf solche Metamorphosen hinzuschauen! Wie sehr man sich heute den Kopf darüber zerbricht: Wie hängen Leib und Seele zusammen? Aber man muß doch erst hinschauen auf diejeni­gen Gebiete, wo das Seelische im Leibe tätig ist. Denkt man daran zu fragen: Ist es vielleicht das vorstellende Seelische, das ganz augen­scheinlich in dem Bau der Zähne sich zum Ausdruck bringt? Sehen wir nicht da das Seelische im Leibe drinnen wirksam, und erkennen wir nicht, wie es sich dann erspart diese Wirksamkeit und in anderer Weise, nämlich rein seelisch herauskommt? Da handelt es sich wirklich darum, zu gesünderen Vorstellungen – die man schon früher gehabt hat, bevor der Materialismus in der heutigen Gestalt sich verbreitete – wiederum zurückzukehren, nämlich tatsächlich zu sehen, wie das Geistig-Seelische im Physisch-Körperlichen wirkt.
Es ist nämlich etwas höchst Merkwürdiges richtig: Der Materialis­mus hat die Eigentümlichkeit, daß er allmählich die Fähigkeit verliert, Materie und ihre Erscheinungen zu verstehen. Es ist nicht so, daß der Materialismus etwa bloß den Zusammenhang mit dem Geist verliert; nein, sein tragisches Schicksal besteht darinnen, daß er zuletzt gerade dazu verurteilt ist, das Materielle nicht zu verstehen.

middelen van de natuurwetenschap naar zo’n metamorfose te kijken!
Hoe zeer breekt men vandaag het hoofd over : wat is de samenhang tussen lichaam en ziel? Maar eerst zul je toch moeten kijken naar de gebieden waar de ziel in het lijf actief is. Denk je eraan te vragen: is het wellicht de voorstellingskracht van de ziel die zich heel duidelijk in de vorming van de tanden laat zien? Zien we daar niet de activiteit van de ziel in het lichaam en zien we niet in, hoe zij dan deze activiteit laat gaan om op een andere manier, namelijk puur psychisch, manifest te worden? Nu gaat het er werkelijk om weer terug te gaan naar gezondere voorstellingen, die men eerder al had, vóór het materialisme in de huidige vorm zich verspreidde, om daadwerkelijk te zien, hoe geest en ziel werkzaam zijn in het levend-fysieke.
Iets hoogst merkwaardigs is namelijk juist: het materialisme heeft de eigenaardigheid dat het langzaam de mogelijkheid verliest de materie met haar verschijnselen te begrijpen. Het is niet zo dat het materialisme zoiets als de samenhang met de geest verliest; nee, haar tragisch lot is, dat ze er uiteindelijk juist toe veroordeeld is, de materie niet te begrijpen.

Wir haben den Materialismus heraufkommen sehen: Er hat keine Möglichkeit, hinein-zuschauen in das Leibliche mit denselben Kräften, mit denen Sie später sich erinnern, mit denen Sie später in Gedanken tätig sind, mit den­selben Kräften, die im Leiblichen in der Zahnbildung wirksam sind. Nicht, daß der Materialismus just das Geistige verkennt  er ver­kennt das Körperliche sogar noch stärker, indem er gar nicht sieht, wie das Geistig-Seelische an dem Körperlichen arbeitet.
Das will gerade Geisteswissenschaft bringen: Ein richtiges Verstehen dessen, was am Menschen arbeitet. Der Materialismus ist geradezu verurteilt, das Materielle nicht zu verstehen; denn das Materielle ist dasjenige, worin das Geistige fortwährend arbeitet, und die materia­listische Betrachtungsweise kann nicht verfolgen diese Arbeit im Geistig-Seelischen des Menschen. Man müßte doch glauben, der größte Schaden würde angerichtet, müßte der Mensch zu denken aufhören, müßte der Mensch zum Tier werden, wenn der Materialismus das Geistige voll-ständig verkennen würde! Es kann ja kein Mensch zugeben, daß, wenn man denkt, man nicht in irgendeiner Geistigkeit drinnen ist! Aber das ist gerade das Schicksal des Materialismus, daß man das Physisch-Leibliche nicht versteht.

We hebben het materialisme op zien komen: ze heeft geen mogelijkheid inzicht te krijgen in het lichamelijke, dat het dezelfde krachten zijn waarmee je je later kunt herinneren, waarmee je later denkend bezig bent, als de krachten die in het lichamelijke in de tandenvorming werkzaam zijn.
Niet dat het materialisme nu juist de geest verkeerd beoordeelt – ze beoordeelt het lichamelijke zelfs nog verkeerder, daar ze niet ziet hoe geest en ziel aan het lichaam werken,
Dat wil geesteswetenschap nu juist wél brengen: een juist begrip voor wat aan de mens bouwt. Het materialisme is er juist toe veroordeeld het stoffelijke niet te begrijpen, want het is de stof waarin de geest voortdurend werkzaam is en de materialistische manier van beschouwen kan de activiteit in geest en ziel van de mens niet volgen. Je moet toch aannemen dat het grootste onheil aangericht zou worden, als de mens op zou moeten houden met denken, als de mens een dier zou moeten worden, mocht het materialisme de geest volledig ontkennen! Geen mens kan toegeven dat wanneer je denkt, je niet op een of andere manier je in iets geestelijks bevindt. Maar dat is juist het noodlot van het materialisme dat het ’t fysiek-levende niet begrijpt.

blz. 21

Nun ist es nicht so, daß man etwa an diesem abstrakten Grundsatz Genüge haben kann: Dieselben Kräfte, die im Vorstellen sind, arbeiten an der Zahnentstehung. Sondern, wenn man das weiß, dann beobach­tet man das Kind in einer ganz anderen Weise, und vor allen Dingen, man beobachtet es nicht nur im Intellekt in einer anderen Weise, son­dern man steht mit dem Gefühl, mit der Empfindung, mit allen Wil­lensimpulsen in einer ganz anderen Weise zum Kinde. Sie werden in den folgenden Vorträgen sehen, wie diese Dinge, die wirklich vom Gei­stig-Seelischen aus eindringen, nicht etwa bloß abstrakte Grundsätze sind, sondern unmittelbar inderGegenwart angewandt werden können.
Und weiter: Wir sehen dann gerade während der Volksschulzeit, jener wichtigen Epoche in dem heranwachsenden Kinde, wo das Ge­dächtnis schon wirkt, wo wir mit dem Gedächtnis schon rechnen kön­nen, wie gerade beim Kinde es so unendlich wichtig wird, daß es an dem Lehrer, an dem Erzieher eine Autorität fühlt, eine selbstgewählte, freiwillig gewählte Autorität empfindet. Es ist ein vollständiges Ver­kennen der Menschennatur, wenn man nicht zugibt, daß die Sehnsucht, eine Autorität neben sich zu haben, zu den Grundkräften und Grund-empfindungen des kindlichen Lebens vom 6., 7. bis zum 14., 15. Le­bensjahre gehört.

Nu is het niet zo, dat je aan die abstracte basisregel wel zo ongeveer genoeg hebt: dezelfde krachten die bij het voorstellen een rol spelen, werken aan het ontstaan van de tanden. Echter, wanneer je dat weet, dan kijk je toch heel anders naar het kind en vooral, je neemt het niet alleen anders waar met je intellect, maar met je gevoel, gevoelsmatig, met al je wilsimpulsen sta je op een andere manier t.o.v. het kind. U zal in de komende voordrachten zien hoe deze zaken die echt uit de geest en de ziel vandaan komen, niet simpelweg abstracte basisregels zijn, maar direct toepasbaar. En verder: we zien dan met name tijdens de basisschooltijd, die belangrijke tijd in het leven van het opgroeiende kind, waar het geheugen al werkt, waar we al rekening kunnen houden met het geheugen; hoe het bij het kind zo oneindig belangrijk wordt, dat het in de leraar, in de opvoeder een autoriteit voelt, een zelf gekozen, een vrijwillig gekozen autoriteit ervaart. Het is een volledig miskennen van de mensennatuur wanneer je niet erkent, dat het verlangen een autoriteit naast zich te hebben, tot de elementaire en basisgevoelens behoort in het leven van een kind van 6, 7 jaar tot het 14e, 15e.

Wir werden hören, wie das zu dem tiefstbedeut­samen Lebenselemente des Menschen gehört, daß er in dieser Weise eine Autorität, freigewählt durch seine Empfindung, außer sich und neben sich haben kann.
Aber wer einmal geschärft hat seinen Blick dafür, daß ein gewisser Zusammenhang besteht zwischen dem Seelisch-Geistigen und dem Leiblichen bis zur Periode des Zahnwechsels, der merkt dann für die folgende Periode etwas außerordentlich Wichtiges. Sehen Sie, wir brau­chen eine gewisse Zeit, um als Menschen die ersten Milchzähne zu be­kommen. Das ist eine kurze Zeit. Dann brauchen wir eine längere Zeit, bis wir sie auswechseln können gegen die zweiten Zähne. Wir werden hören im Verlaufe dieser Vorträge, wie die zweiten Zähne in einer viel innigeren Verbindung mit der Individualität stehen als die ersten Zähne, die mehr auf Vererbung von den Vorfahren beruhen. Aber wahrhaftig, nicht bloß mit den Zähnen ist es so, daß wir uns gewisser­maßen aus unserer eigenen Natur heraus dasjenige noch einmal an­eignen, was wir erst durch Vererbung bekommen haben, sondern es ist für etwas anderes auch.so; es ist vor allen Dingen so mit der mensch­lichen Sprache. Und ich möchte hier gleich einleitungsweise auf etwas

We zullen horen hoe dat tot de meest betekenisvolle aspecten in een mensenleven behoort om op deze manier een autoriteit, vrijwillig gekozen met zijn gevoel, om zich heen en naast zich te hebben.
Wie eenmaal zijn blik verscherpt heeft voor het bestaan van een samenhang tussen geest-ziel en lichaam tot aan de tijd van de tandenwisseling, merkt dan voor de volgende periode iets buitengewoon belangrijks op. Kijk, we hebben een bepaalde tijd nodig om de eerste melktanden te krijgen. Dat is een korte tijd. Dan hebben we een langere tijd nodig om ze te kunnen wisselen voor de blijvende tanden. Tijdens deze voordrachten zullen we horen, hoe de blijvende tanden een veel intiemere verhouding met de indivdualiteit hebben dan de eerste tandjes die meer te maken hebben met de erfelijkheid van de voorouders. Maar echt, niet alleen met de tanden is het zo dat wij ons in zekere zin vanuit onze eigen natuur nog een keer iets eigen maken, wat we eerst door de erfelijkheid hebben gekregen; het is bij iets anders ook zo; met name bij het menselijke spreken. En ik wil hier meteen als een soort inleiding op iets

Blz. 22

hindeuten, was natürlich in den Vorträgen erst näher ausgeführt wer­den kann: Das Geheimnis der menschlichen Sprachentwickelung ver­birgt sich eigentlich in ihrem wesentlichsten vor der heutigen natur-wissenschaftlichen Denkweise, vor der gesamten heutigen Wissenschaft. Man weiß nicht, daß in der Tat gerade so, wie man die ersten Zähne erhält durch eine Art Vererbung von den Eltern, man die Sprache er­hält durch eine Art äußeren Einflusses der Umgebung, durch das Nach­ahmungsprinzip, das aber zum organischen Prinzip wird.
 Aber diese Sprache, die man da lernt, die das Kind bis zum 4., 5., 6. Jahre noch spricht, die verhält sich zum ganzen Menschen, wie sich die Milchzähne zum ganzen Menschen verhalten. Und was der Mensch, nachdem er die Geschlechtsreife erlangt hat, nachdem er 14, 15 Jahre alt geworden ist, eigentlich an der Sprache hat, was er da spricht, was da in ihm betätigt wird, indem er spricht: das ist gerade so ein zweites Mal angeeignet, neuerdings angeeignet, erarbeitet vom Menschen, wie das Zahnerhalteprinzip ein zweites Mal erarbeitet ist. Das zeigt sich äußerlich bei der Knabenentwickelung in dem Wandel der Stimme – bei der weiblichen Entwickelung geht es mehr ins inner­liche Leben zurück, aber es ist auch vorhanden.

wijzen, wat natuurlijk in de voordrachten pas verder uitgewerkt kan worden: het geheim van de menselijke spraakontwikkeling is voor de huidige natuurwetenschappelijke manier van denken, voor alle hedendaagse wetenschappen, wat het wezenlijke betreft, verborgen.
Men weet niet dat het net zoals je de eerste tanden krijgt door een soort overerving van de ouders, je het spreken verkrijgt door invloed van buiten, van de omgeving, door het principe van de nabootsing, dat echter een organisch principe is.
In de eerste levensjaren leer je spreken door je omgeving. Maar het spreken dat je leert, dat het kind tot z’n 4e, 5e, 6e jaar nog doet, verhoudt zich tot de hele mens, als de melktanden zich tot de hele mens verhouden. En wat de mens, nadat hij geslachtsrijp geworden is, als hij zo 14, 15 jaar oud geworden is, eigenlijk aan spreken heeft, wat hij spreekt, wat er actief is als hij spreekt: dat is net zo voor de tweede keer geleerd, nog een keer aangeleerd, door de mens bewerkt, zoals de tanden die blijven een tweede bewerking is. Dat blijkt uiterlijk bij de ontwikkeling van de jongen, bij de stemwisseling – bij de vrouwelijke ontwikkeling houdt zich dat wat terug in het innerlijke leven, maar het is ook aanwezig.

Weil diese Kräfte beim Knaben im Kehlkopf anders arbeitend sind, zeigt sich das auch äußer­lich. Das ist eine Offenbarung, wie nun auch gerade in diesen wichtigen Volksschuljahren im ganzen Menschen, nicht bloß im menschlichen Leibe und nicht bloß in der menschlichen Seele, sondern im mensch­lichen Seelen-Leib, in der Leibes-Seele, fortwährend von Jahr zu Jahr, von Monat zu Monat Dinge vorgehen, die zusammenhängen mit der innerlichen Aneignung desjenigen, was man als Sprache äußerlich schon in der ersten Kindheit aus der Umgebung her sich angeeignet hat. Wer das weiß, wie Seelisch-Geistiges arbeitet am Menschen bis zum
14.,    15. Jahre hin, wer das in unmittelbar instinktiver Intuition an dem Volksschüler beobachten kann, bei dem wird diese Beobachtung unmittelbares Leben. Man sagt sich: Da ist der eine Schüler – Kehl-laute bringt er in dieser Weise hervor, Lippenlaute in dieser Weise her­vor, Gaumenlaute in dieser Weise; der bringt Gaumenlaute leichter hervor, der Lippenlaute und so weiter. Das wird eine ganz intensive Wissenschaft, aber eine Wissenschaft, die in allen ihren Einzelheiten in dasjenige hineinweist, was als Seelisch-Leibliches, Leiblich-Seelisches am Kinde sich heranentwickelt

Omdat deze krachten bij de jongen in het strottenhoofd anders actief zijn, is dat ook uiterlijk waarneembaar. Het is een uiting van hoe ook juist in deze belangrijke basisschooljaren in de totale mens, niet alleen in de fysieke mens en niet alleen in de psychische mens, maar waar ziel en lichaam en lichaam en ziel interacteren, voortdurend van jaar tot jaar, van maand tot maand dingen plaatsvinden die samenhangen met de innerlijke verwerving van wat je als spreken uiterlijk al in de eerste kindertijd uit de omgeving je eigen hebt gemaakt. Wie weet hoe geest en ziel aan de mens werken tot het 14e, 15e jaar, wie dat in directe instinctieve intuïties aan de basisschoolleerling kan waarnemen, voor hem wordt deze waarneming meteen leven. Dan zeg je: daar is de ene leerling – keelklanken laat hij op deze manier horen, lipklanken op deze, gehemelteklanken op die enz. Dat wordt een heel intensieve wetenschap die met al haar details op datgene wijst wat zich als psychisch-lichamelijks, lichamelijk-psychisch ontwikkelt.

blz. 23

Und es werden einem einfach die Umgestaltungen der Sprache, auf die man gewöhnlich gar nicht achtet, zwischen dem 7. und 15. Jahre dasjenige, was seelisch gerade da in der Sprache so großartig wirkt, wenn man einen Beobachtungssinn dafür hat. Das entgeht einem, wenn man seinen Beobachtungssinn nur schärft an dem, was man heute ohne Geisteswissenschaft lernt. Denn wer hier beobachten kann, der findet nun das Folgende: In den ersten Lebensjahren bis zum Zahnwechsel sieht man, wie das Vorstellen sich gleichsam ausspart in dem Zahn-wechsel, so daß, wenn der Zahnwechsel sich vollzogen hat, die Vor­stellung dann sich gestalten kann! Während da das Vorstellen ge­wissermaßen sich aus dem Leiblichen zurückzieht und selbständig See­lisches wird, ist es später, zumeist schon vorher sich ankündend, aber namentlich vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife, der Wille, das, was wir Wille nennen, was sich zurückzieht aus der ganzen Organisa­tion des Kindes und sich lokalisiert in der Kehlkopf- und Sprachorgani­sation. Ganz genau so, wie sich nach innen drängt das Vorstellungs-leben, und selbständig seelisches Element wird, so lokalisiert sich in dem, was aus der Sprache und ihren Organen im 14., 15. Jahre wird -bei manchen Kindern etwas früher natürlich -, das Willenselement. Man kann sehen in dem, was als Organ-Umgestaltung des Knaben im Kehlkopf eintritt – wir werden noch davon zu reden haben, was dem bei Mädchen entspricht – dasjenige, wohin der Wille kulminiert.

Wanneer je er een opmerkingsgave voor hebt, worden eenvoudig de omvormingen van het spreken tussen het 7e en 15e jaar waarop gewoonlijk niet gelet wordt tot iets van de ziel die met name in het spreken zo geweldig werkzaam is. Aan iemand die zijn opmerkingsgave alleen scherpt aan wat men tegenwoordig zonder geesteswetenschap leert, ontgaat dat. Want wie hier waar kan nemen, vindt het volgende: in de eerste levensjaren tot de tandenwisseling zie je, hoe het voorstellen a.h.w. een plaats krijgt binnen de tandenwisseling, zodat, als de tandenwisseling zich voltrokken heeft, dan het voorstellen gevormd kan worden! Terwijl het voorstellen in zekere zin zich uit het lichamelijke terugtrekt en zelfstandig een zielenkwaliteit wordt, is het later, meestal zich van te voren aankondigend, maar wel van de tandenwisseling tot de geslachtsrijpheid, de wil, wat wij de wil noemen, die zich terugtrekt uit de hele organisatie van het kind en zich lokaliseert in het strottenhoofd en de spraakorganisatie. Precies zoals het voorstellingsleven zich een weg baant naar het innerlijk en een zelfstandig deel van de ziel wordt, zo lokaliseert de wil zich in wat er uit de spraak en de organen in het 14e, 15e jaar ontstaat – bij sommige kinderren natuurlijk wat vroeger. In wat als een omvorming van een orgaan bij de jongen in het strottenhoofd plaatsvindt – we zullen er nog over spreken hoe dat bij het meisje is, kun je zien waar de wil zijn culminatiepunt bereikt.

Mit anderen Worten, wenn man so geisteswissenschaftlich die Dinge betrachtet, so hören Vorstellung und Wille auf, solche Abstraktionen zu sein, wie sie gewöhnlich sind. Von diesen Abstraktionen aus kann man allerdings nicht die Brücke hinüberziehen zu ganz anders gearte­tem Leiblichem. Lernt man aber wirklich beobachten, und lernt man namentlich erkennen, wie ganz anders die Wesenheit eines Kindes ist, bei der man sieht, wie die Lippenlaute anders angeeignet sind als die Gaumenlaute, und anders als die Kehllaute und so weiter, dann lernt man auf diese Dinge hinschauen, dann lernt man erkennen, wie das Vorstellen in den ersten sieben Lebensjahren im Leibe arbeitet. Man lernt erkennen die äußere physische Offenbarung eines Geistig-See­lischen, und man lernt erkennen das Sich-Lokalisieren der Willens-natur in der Kehlkopfnatur, man lernt beobachten das Hineinschießen des Willens in die menschliche Sprache. Wille wird entwickelt, und Vorstellen wird nicht mehr Abstraktion, sondern wird etwas, was wir an den realen Vorgängen des Lebens beobachten. So wie wir beobachten

M.a.w., wanneer je geesteswetenschappelijk naar deze dingen kijkt, houden voorstelling en wil op, die abstracte begrippen te zijn, die ze gewoonlijk zijn. Vanuit deze abstracties kun je niet de verbinding leggen naar een lichamelijkheid van heel andere aard. Leer je echt waarnemen en leer je ook kennen hoe heel anders het wezen van een kind is, dat de lipklanken zich op een heel andere manier eigen maakt dan de gehemelteklanken en anders dan de keelklanken enz., den leer je naar die dingen te kijken, dan leer je kennen hoe het voorstellen in de eerste zeven jaren aan het lichaam werkt. Je leert kennen het uiterlijk fysieke zichtbaar worden van iets van geest en ziel en je leert kennen het lokaliseren van de wilsnatuur in de strottenhoofdnatuur en je leert waarnemen hoe de wil in het menselijk spreken stroomt. Wil wordt ontwikkeld en voorstellen wordt geen abstractie meer, maar wordt iets wat wij bij de reële processen van het leven waarnemen.

blz. 24

die Fallkraft, die Schwerkraft an dem vom Berge herabstürzenden Wasser, wie wir die Schnelligkeit des Wassers beobachten an der Schwerkraft und ihren Widerständen, so lernen wir erkennen, wie sich das Leibliche von Woche zu Woche entwickelt gerade aus dem Geistig-Seelischen heraus, wenn wir erst beobachten lernen dieses Seelisch-Geistige in seinem Arbeiten im Leiblichen darinnen.
Sehen Sie in dem, was ich sage, einfach eine Anleitung, das Werden des Menschen so zu beobachten; eine Anleitung dazu, wirklich hinein­schauen zu können in das, was im werdenden Menschen vor sich geht. Das ist die etwas unbequemere, komplizierte Art, wie Geisteswissen­schaft von der menschlichen Wesenheit spricht – gegenüber der heutigen Naturwissenschaft, die eben einfach nicht berücksichtigt, daß dieser Mensch ein wunderbares Wesen ist, das zusammenzieht aus der ganzen Welt die Gesetzmäßigkeit, das in sich selber wiederum eine Welt, eine kleine Welt gegenüber der großen Welt enthält. Wenn wir sagen: Der Mensch besteht aus dem physischen Leib, er besteht außerdem noch aus dem Ätherleib – so bedeutet das:

Op de manier waarop wij de kracht van het neerstorten, de zwaartekracht van het water dat van een berg naar beneden stort, waarnemen, hoe wij de snelheid van het water waarnemen aan de zwaartekracht en aan de weerstand, zo leren wij kennen hoe het lichamelijke zich van week tot week ontwikkelt vanuit geest en ziel, als we dan deze ziel en geest leren waarnemen in hun activiteit in het lichaam.
Ziet u in wat ik zeg, eenvoudig een aansporing het wezen van de mens zo waar te nemen; een aansporing daadwerkelijk te kunnen waarnemen wat er in de wordende mens gebeurt. Dat is die enigszins ongemakkelijke, gecompliceerde manier waarop de geesteswetenschap over de mens spreekt – t.o.v. de huidige natuurwetenschap die er even gemakkelijk geen notie van neemt, dat deze mens een wonderbaarlijk wezen is dat uit de hele wereld in zich samenbalt de wetmatigheid dat in hem ook een wereld, een wereld in het klein tegenover de grote wereld aanwezig is. Wanneer wij zeggen: de mens bestaat uit het fysieke lichaam, hij bestaat bovendien nog uit het etherlijf – dan betekent dit:

Du sollst beobachten lernen, wie du nicht bloß an dem Leichnam oder dergleichen äußerlich naturwissen­schaftlich anatomisch, physiologisch verfolgen sollst, wie sich die kör­perliche Entwickelung in den ersten kindlichen Jahren bis zum sieben­ten Jahre hin gestaltet, sondern du sollst beobachten lernen, wie es ein Seelisch-Geistiges ist, und dieses Seelisch-Geistige, ob man es nun Ätherleib nennt oder wie man es nennen will, im Leiblichen arbeitet. Denn dadurch lernt man erkennen, wie es erst am Leibesgestalten arbeitet im Zahnbilden, das aus dem ganzen Leibe heraus kommt, und dann arbeitet in dem Grunde der Vorstellungen, so daß sie bleibend werden können, diese Vorstellungen. Und so können wir sagen: Beim Zahnwechsel wird eigentlich der Ätherleib erst geboren; bis zum Zahn-wechsel wirkt er noch im physischen Leib drinnen; da gestaltet er das­jenige, was im Zahnwechsel kulminiert. Dann wird er frei und arbeitet in der Bildung von Vorstellungen, die erinnerungsmäßig bleiben kön­nen. Und später sprechen wir von dem selbständigen Ich, das vorzugs­weise im Willen konzentriert ist, das sich aber auch in dem Werden der Sprache, in dem richtig geschauten Werden der Sprache ankündigt. Wir reden davon, daß der Wille erkannt wird, wenn man ihn nun nicht einfach bloß seelisch vergleicht mit dem Vorstellen, sondern wenn man ihm ansieht, wie er tätig ist an der Sprachbildung als an etwas ganz Konkretem. Wir erkennen in dieser Willensbildung die Ich-Entwickelung,

je moet leren waarnemen hoe je niet alleen maar aan het lijk of iets dergelijks uiterlijke natuurwetenschap anatomisch, fysiologisch moet studeren, hoe zich de lichamelijke ontwikkeling in de eerste jaren van een kind tot het zevende jaar verloopt, maar je moet leren waarnemen hoe het iets van geest en ziel is en of je dat nu etherlijf noemt of hoe je het ook noemen wil, op het lichamelijke inwerkt. Want daardoor leer je kennen hoe dit eerst aan de vorming van het lichaam werkt in de vorming van de tanden wat uit het hele lijf komt en dan basaal werkt aan de voorstellingen zodat die blijvend kunnen worden. En dan kunnen we zeggen: bij de tandenwisseling wordt eigenlijk het etherlijf pas geboren; tot aan de tandenwisseling werkt dit nog in het fysieke lijf; daarin vormt het, wat uitmondt in de tandenwisseling. Dan wordt het vrij en werkt aan het vormen van voorstellingen die in de herinneringen blijvend kunnen worden. En later spreken we van een zelfstandig Ik, dat allereerst in de wil geconcentreerd is, dat zich echter ook in het ontstaan van de spraak, in de op de juiste manier bekeken wording van de spraak zichtbaar wordt. Wij zeggen dat de wil gekend wordt, wanneer je deze niet eerst als zielenaspect eenvoudigweg vergelijkt met het voorstellen, maar wanneer je deze beschouwt in hoe hij werkzaam is aan het vormen van het spreken, als aan iets heel concreets. Wij kennen in deze wilsvorming de ontwikkeling van het Ik

blz. 25

die man für sich verfolgen muß, und mitten drinnen sehen wir dasjenige, was zwischen Ätherleib und Ich liegt, was gerade in der Sprache zum Ausdrucke kommt, was besonders beachtet werden muß in den ersten Volksschuljahren in der pädagogischen Kunst.
Wir sehen da, was das eigentlich Seelische des Menschen ist. Es lebt im werdenden Kinde so, daß, wenn das Kind nun zur Volksschule kommt und gerade unter dem Einflusse der Kräfte des Zahnwechsels steht, das Intellektuelle noch gar nicht herauskommt; aber das Willens­artige schießt während der Volksschulzeit von Woche zu Woche, von Monat zu Monat in das Leibliche hinein, in dem es sich lokalisiert. Weiß man dies, so wird man im Volksschullehrplan dasjenige drinnen haben, was in der richtigen Richtung liegt, so daß es dieses Hineingestalten des Willens in den Intellekt fördert. Wenn man so versteht, was Wille, was Intellekt ist, und auch beobachten kann, wie bei man­chem Kinde von Monat zu Monat, von Jahr zu Jahr der Wille, der sich lokalisiert im Sprechen, der Intellekt, der sich zurückgezogen hat in das Geistig-Seelische, zusammenwirken, erst dann versteht man, was man da zur leiblichen und seelischen Erziehung und zum Unterricht des Kin­des tun muß; erst dann betrachtet man die Pädagogik als Kunst und erkennt, wie man erst das Material, die Menschennatur, verstehen muß. Wie der Bildhauer Ton oder Erz hat und dieses bearbeiten muß, wie man die Farben und so weiter bearbeiten muß, so muß der päd­agogische Künstler verstehen, wie man den Willen hineinarbeitet in den Intellekt, wie man wirkt, um die richtige Ineinanderfügung, die rich­tige künstlerische plastische Gestaltung des Intellektes, der sich bis zum 7. Jahre geboren hat, durch den Willen vorzunehmen, der sich unter den Händen des Volksschullehrers entwickelt bis zur Geschlechtsreife hin.

die je op zich moet volgen en in het midden zien wij wat tussen etherlijf en Ik ligt, wat ook in het spreken tot uitdrukking komt, waarop in het bijzonder moet worden gelet in de eerste jaren van de basisschool, in de pedagogische kunst.
Wij zien hier wat eigenlijk de ziel van de mens is. Die leeft in het wordende kind zo, dat wanneer het kind op de basisschool komt en dan net door de krachten van de tandenwisseling beïnvloed wordt, het intellectuele nog helemaal niet naar buiten komt; maar het wilsmatige stroomt gedurende de basisschooltijd  van week tot week, van maand tot maand in het lichamelijke waarin het zich lokaliseert. Wanneer je dit weet, dan zul je in het leerplan van de basisschool datgene hebben wat in de juiste richting gaat, zodat het deze vorming van de wil in het intellect ondersteunt. Wanneer je op deze manier begrijpt wat wil is, wat intellect is en je kan waarnemen hoe bij veel kinderen van maand tot maand, van jaar tot jaar de wil die zich in het spreken lokaliseert, het intellect dat zich teruggetrokken heeft in geest en ziel, samenwerken; dan begrijp je pas wat je voor een lichamelijke en psychische opvoeding en voor het onderwijs van het kind moet doen; pas dan beschouw je de pedagogiek als kunst en dan weet je hoe je eerst het materiaal, de natuur van de mens, moet begrijpen. Zoals de beeldhouwer klei en ijzer heeft en deze moet bewerken, hoe je met kleur enz. moet werken, zo moet de pedagogische kunstenaar begrijpen hoe hij de wil werkzaam laat zijn in het intellect, hoe hij bezig moet zijn om het juiste samengaan, de juiste kunstzinnige plastische vorming van het intellect dat zo tegen het 7e jaar geboren wordt, dat door de wil moet worden bewerkstelligd die zich in de handen van de basisschoolleerkracht ontwikkelt tot aan de geslachtsrijpheid.

Voor een nadere uiteenzetting, uitleg e.d. van de door Steiner gehanteerde begrippen, o.a. vierledige mens; denken, voelen, willen; Körper/Leib = lichaam-lijf; enz.: zie Antroposofie een inspiratie

Rudolf Steiner over pedagogie

Rudolf Steiner: alle artikelen

[1] GA 301: Die Erneuerung der pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft

[2] 1e voordracht (Duits)

1267-1182

..

VRIJESCHOOL – Getuigschriften (8)

.

De getuigschriftspreuk – een wezenlijke ontmoeting met de leerling

Elk jaar staat de klassenleerkracht op de vrijeschool voor de opgave voor elk van zijn leerlingen een getuigschriftspreuk te maken of te zoeken hoe deze de leerling het komende schooljaar kan begeleiden.

De dramatiek van de kinderlijke ontwikkeling ligt voor de wordende jonge mens in de uitdaging zijn door de erfelijkheid gevormde lichaam en zijn door de omgeving gestemde ziel zo te veranderen dat deze geleidelijk in staat raken om de persoonlijkheid zelf tot uitdrukking te brengen.
De beeldinhoud van deze getuigschriftspreuk, die naast het tekstgedeelte ook wordt gegeven, kan de volgende stap die te zetten is, verduidelijken, bij deze verandering helpen en een weg wijzen naar de toekomst.
Het is altijd schipperen tussen ‘je weet wat de bedoeling is en toch heb je er geen goed gevoel bij’ en een te vage aanduiding die niet aankomt. Buiten de inhoud om werken klanken en ritme in het herhaaldelijk oefenende spreken voor de klas.

Aan het eind van het eerste schooljaar heb je een aanbod van sprookjesbeelden, waarbij het niet steeds makkelijk is, om deze kort samen te vatten.

Als voorbeeld hier het sprookje van het Ezeltje, dat wanneer hij op zijn instrument speelt, zijn ware wezen als prins vindt:

(p.w.: ik heb de Duitse tekst hier niet overgenomen+ ook geen vertaling gemaakt van de spreuk. Wie het beeld dat gebruikt is wil zien, volge de link naar het artikel. )

Ook gelijkenissen uit de natuur zijn geschikt. De volgende spreuk werd – aan het eind van de eerste, dus voor de tweede klas – aan een zeer tere blonde jongen gegeven, die door zijn sanguinisch temperament zich niet voldoende met de aarde kon verbinden. Voor zijn gevoelsleven leidde dit niet kunnen verbinden tot pijnlijke ervaringen met zijn klasgenoten.
(zie spreuk in artikel:  ‘Ein Blümlein fein……’)

In zekere zin homeopathisch (similia similibus curantur – het gelijke wordt door het gelijke genezen) begint de eerste strofe bij de bestaande situatie; in de jambische versmaat ( v -) voelde de jongen zich wel thuis. In de wat meer strijdvaardige anapest (vv -) die wij samen gestampt en geklapt hebben, vindt de confrontatie met de elementaire krachten van de aarde plaats, die tot de bange vraag leidt of dan zo’n kwetsbaarheid opgewassen is tegen deze beproeving.
De laatste vier regels houdt jambisch weer een verzoening in, zeker met de hint naar het wortelen.
Zulke gezichtspunten worden natuurlijk niet bij de kinderen tot bewustzijn gebracht; die werken door het doen.

Een zeer teruggehouden meisje met een sterk innerlijk leven kreeg deze spreuk om op aarde meer thuis te raken.
(Zie spreuk in artikel: ‘Ein Baum steht…..’)

Een jaar later – in de derde klas – kreeg het meisje een soortgelijke spreuk, die zich nu echter, daar rond het 9e/10e jaar het Ik-gevoel sterker wordt, meer in de zielenruimte afspeelt (vreugde-leed)
(Zie spreuk: ‘Wie die Weber….’)

In de periodestof van de derde klas zitten prachtige beelden. De trochee (- v) met de ledematen gedaan, werkt op de wil die tot een bruikbaar instrument te vormen is wat in het beeld van de smid opgeroepen wordt.
(Zie spreuk: ‘Halt das Eisen ……’)

Deze directe vorm van een uitdaging kan zeer sterk beleefd worden. Men moet echter niet vergeten, dat de spreuk door de leerling zelf gesproken wordt, dus eigenlijk aan de klas gericht wordt.

Wanneer een kind makkelijk de draad van zijn gedachtegang verliest, moet het maar spinnen…..
(Zie spreuk: ‘Sieh, wie die Spinnerin…..’)

Rudolf Steiner wijst erop dat het de wil sterker maakt, wanneer we de nieuwe regel met hetzelfde woord laten beginnen, waarmee de vorige regel eindigt.
(Zie spreuk: ‘Müller, lass’die …..’)

Vervolgens zullen we een zeer wakkere, intelligentie jongen door de derde, vierde en vijfde klas volgen.
(Zie spreuk: ‘Tobias der Töpfer …..’)

De jongen met de ietwat ‘dunne huid’ neemt zeer snel op, maar het is moeilijk voor hem om zijn handen krachtig en handig te gebruiken. Ook heeft hij moeite met de gebieden die alleen door herhaald oefenen toegankelijk worden. Zijn spreuk voor de vierde klas sluit op een humorvolle manier bij de menskundeperiode aan.
(Zie spreuk: ‘Der Kopf liegt auf—–‘)

Omdat het hem begrijpelijkerwijs door zijn leeftijd nog aan onderscheidingsvermogen ontbreekt, is hij door zijn wakker opnamevermogen uitgeleverd aan alle indrukken uit zijn omgeving.
In de vijfde klas – Griekenland wordt in de oude geschiedenis besproken – biedt Odysseus zich aan met de verlokkende sirenen. (Hier vrij naar Kafka: ‘Das Schweigen der Sirenen’)
(Zie spreuk: ‘Sieh, wie der list’ge…..’)

Heel anders,  door klinkende vocalen,  probeert deze spreuk een timide kind in de vierde klas aan te moedigen, zich te laten zien.
(Zie spreuk:´Gusseiserne Glocken…..´)

Soms kan het nodig zijn om in te gaan op een voorval in het levenslot van het kind dat hem een klap gegeven heeft. Van dit kind was de vader gestorven.
(Zie spreuk: ‘Was kreucht im Gras…..’)

Wie kent hem niet, de cholericus, die iedere moeilijkheid door strijd wil oplossen? De rustig voortschrijdende hexameter en het voorbeeld van Herakles moeten helpen.
(Zie spreuk: ‘Nicht allein die Giganten….’)

De Griekse sagen zijn een echte goudmijn. Wat voor beeld is meer geschikt om de kracht van de fantasie te bezweren?!
(Zie spreuk: ‘Das Haupt der Medusa….’)

Deze jongen heeft sterk ontwikkelde vormkrachten. Hij beweegt zich hoekig en wat hij maakt, is buitengewoon precies, maar star. Ook is hij zeer op zichzelf gericht.
(Zie spreuk: ‘Schneekristall!’)

Maar genoeg voorbeelden! En passant – ieder kind spreekt zijn spreuk een keer per week – verinnerlijken de kinderen in de loop van het jaar ook de spreuken van hun klasgenoten. Is er een kind ziek, dan neemt een ander kind het graag over om die spreuk te zeggen.

Door de jaren heen is er in de schoolbeweging een aanzienlijke schat aan openbaar gemaakte en ondershands doorgegeven spreuken ontstaan. Niet iedere leerkracht zal zich in staat achten, zelf actief bezig te gaan. Om de juiste spreuk uit die voorhanden zijn te kiezen, moet men zich toch, buiten dat wat in het getuigschrift wordt gezegd, met het wezen van het kind verbinden. Bijzonder werkzaam kan die verbinding dan zijn, wanneer uit het innerlijke beeld dat men van het kind heeft en het uiterlijke beeld van de lesstof, de getuigschriftspreuk als mijlpaal ontstaat.

Voor buitenstaanders die nooit ervaren hebben, hoe zeer de kinderen zich op hun nieuwe spreuk verheugen en met welke ernst ze er dan mee omgaan, kan de vraag blijven hangen, of de leerkracht het ‘recht’ heeft zulke ‘spreuken’ uit te delen. In de derde klas had ik een essentiële ervaring:
nadat alle kinderen hun getuigschriftspreuk gekregen hadden, vroeg een leerling mij: ‘Hebt u eigenlijk ook een getuigschriftspreuk?’ Godzijdank had ik er een! ‘Mogen we die ook eens horen?’ Toen werd het heel stil in de klas en ik sprak ‘mijn getuigschriftspreuk’, een korte meditatieve tekst. Die hebben de kinderen hoogstwaarschijnlijk niet begrepen; maar begrepen hebben ze wel dat de volwassene ook op weg is.

Iedere leerkracht gaat op eigen wijze met het opvoedingsmiddel ‘getuigschriftspreuk’ om. Zo zal ook ieder zijn eigen manier ontwikkelen om te dichten. Daartoe willen deze voorbeelden een stimulans zijn. Uitgebreide hulp vind je in de boeken van Heinz Müller [1], Martin Tittmann,[2]  Lore Schäfer [3] en Martin Georg Martens. [4].

Met een kleine raadgeving zou ik willen besluiten:
Dikwijls verging het me zo dat ik mij ’s avonds installeerde en met de beste wil probeerde, een getuigschriftspreuk te ‘maken’. Maar het ging niet. De volgende morgen – dikwijls bij het scheren – flitste het beeld door me heen, waarnaar ik de vorige avond tevergeefs had gezocht! (Deze methodische aanwijzing moet voor vrouwen en dragers van een baard natuurlijk worden veranderd…..)
In een getuigschriftspreuk uitgedrukt:
Zie de spreuk: ‘Im Lebenden und …..’) [5]

.

Johannes Denger,  ‘Erziehungskunst, 50e jrg.nr.5, 1986
.

Heinz Müller:  Von der heilenden Kraft des Wortes und der Rhythmen’. Stuttgart, 1967;|
Martin Tittmann: Zarter Keim die Scholle bricht …., Stuttgart 1981.
Lore Schäfer: Zeugnissprüche und Klassenspiele, Stuttgart 1980
Helmut v. Kügelgen: Spiele und Zeugnissprüche.
[4] Martin Georg Martens, ‘Rhythmen der Sprache – Ihr Leben im Jahreslauf. Studienmaterial der Freien Hochschule für Geisteswissenschaft Goetheanum.

[5] Alle getuigschriftspreuken in dit artikel kunnen met de notitie ‘van Johannes Denger’ worden gebruikt.

Adaptief onderwijs voor Vrije Scholen’ . Jansen / G. Reijngoud
Uitgave: Begeleidingsdienst voor vrijescholen.
Maart 2002

.

Getuigschriften: alle artikelen

Rudolf Steiner over getuigschriften
.

1265-1180

.

.

..

VRIJESCHOOL en antroposofie – alle artikelen

.

Rudolf Steiner over: antroposofie en vrijeschool; wereldbeschouwelijke school; antroposofische leer.

[1-1]  ‘antroposofisch’ onderwijs
De vrijescholen bestaan in 2019  100 jaar; in Nederland in 2023. In die 100 jaar zijn er veel (voor)oordelen (hardnekkig) blijven bestaan; over het ‘vrije’ bijv.; ook over de rol van de antroposofie; enige antroposofische gezichtspunten t.a.v. bloed en zenuw en in verband hiermee een paar voorbeelden uit de onderwijspraktijk.

[1-2] ‘antroposofisch’ onderwijs
Voorbeeld van het waarnemen van een kind en een pedagogische behandeling.

[1-3] ‘antroposofisch’ onderwijs
Voorbeeld van omwerken van antroposofische gezichtspunten naar pedagogiek.
Een kind met te veel fantasie en hoe het geholpen werd. Karakteriseren i.p.v. definiëren, vooral bij het waarnemen van kinderen. Een lijst met aandachtspunten voor de kinderbespreking.

[1-4] ‘antroposofisch’ onderwijs
In 1919 hoogst ongebruikelijk in het onderwijs, op de vrijeschool vanaf die tijd vanzelfsprekend: handenarbeid en handwerken voor jongens én meisjes; ze zitten ook samen in een klas; invloed van motorische activiteit op het brein en leren schrijven

Is ‘antroposofisch’ onderwijs indoctrinatie?

[2-1]
De Fransman Perra, lang lid van de Antroposofische Vereniging in Frankrijk en jarenlang vrijeschoolleerkracht beschuldigt de vrijescholen in Frankrijk dat ze kinderen indoctrineren d.m.v. het vertellen van sprookjes.
In zijn artikel toont hij dit niet aan.

[2-2]
De Fransman Perra, lang lid van de Antroposofische Vereniging in Frankrijk en jarenlang vrijeschoolleerkracht beschuldigt de vrijescholen in Frankrijk dat ze kinderen indoctrineren d.m.v. het dierkundeonderwijs in klas 4. Het gevaar van een standpunt is dat je maar één aspect ziet. Ik zie dat vanuit mijn standpunt weer heel anders.

Is de vrijeschool een antroposofische school?
De Vlaamse pedagoog Luc Cielen, ex-vrijeschoolleraar, oprichter van scholen met veel steinermethodiek,  stelt deze vraag en beantwoordt die in – stand eind febr. 2018 – elf artikelen.
Hij toont dit vanuit een bepaald (zijn) standpunt aan. Er is echter ook een ander standpunt mogelijk en dan is daar geen sprake van.
.

[3-1/1]
Een discussie over ‘Atlantis‘. Is het ‘Atlantis van Steiner’ lesstof in klas 5

[3-1/2]
Vervolg van [3-1/1] over antroposofie in het geschiedensionderwijs van de 5e klas.

[3-1/3]
Over dierkunde.
Is het drieledig mensbeeld iets exclusief ‘antroposofisch’? Cielen vindt van wel en dus: wanneer je dit gebruikt in het dierkunde-onderwijs, is dit (te) ‘antroposofisch’.
Maar ‘hoofd, romp, ledematen’ is geen antroposofisch bedenksel. Het ‘via de mens naar de dieren’ is een briljante vondst om kinderen op een respectvolle manier met hun leefwereld te verbinden.

[3-1/4]
Over plantkunde:
De vergelijking ontwikkeling kind – planten op de ‘plantenladder’ is eveneens een briljante vondst om kinderen met hun leefwereld te verbinden.

[3-2]
Over de morgenspreuk in de lagere klassen:
Is de spreuk van een ‘geloofsbelijdenis’, of juist iets ‘algemeen menselijks’. Om kinderen innerlijk vertrouwen te geven. Dat staat ver van ‘indoctrinatie’.

[3-3]
Over de morgenspreuk in de hogere klassen:
Er wordt iets beweerd wat niet waar is: niet alleen de mens heeft een ziel, ook het dier; een dubieuze opvatting over het woord ‘rusten’; een vergissing te denken dat de ‘de geest’ boven alles staat; verwarring over ‘de ziel een woning geven’; verschillende opvatting over ‘geloof’; een zwak argument bij ‘indoctrinatie’

[3-4]
Over meer spreuken:
Een willekeurige (niet van Steiner) spreuk als pars pro toto. Verkeerde vergelijking met dierkunde; wonderlijke gevolgtrekkingen die op indoctrinatie zouden moeten wijzen; 

[3-5]
Over nog meer spreuken:
Luc meent dat ‘de’ vrijeschool de antroposofie aan de leerkracht opdringt. Maar geen enkele leerkracht wordt (van staatswege) gedwongen op een vrijeschool te gaan werken: je kiest zelf. Dan kies je ook voor de achtergronden. Een kromme redenering leidt tot de conclusie dat ‘er dwang is, en dat dit
 in tegenspraak is met de beleden vrijheid’

[3-6]
Over nóg meer spreuken:
Dat ook vaklessen met een spreuk zouden moeten beginnen en eindigen is onjuist. Dat kan, maar hoeft niet; een lied een gedicht volstaat; dat leerkrachten bij bepaalde gelegenheden ‘onder ons’ een spreuk zeggen, als werkmotto b.v. speelt zich af buiten het zicht van de leerlingen; of een getuigschriftspreuk dwang is? Luc erkent de waarde van een ‘tafelspreuk’, zo erken ik de waarde van andere spreuken: moreel kunnen ze mens en wereld verrijken; daardoor kunnen ze niet indoctrinerend genoemd worden.

[3-7]
Over ‘het’ schoollied:
Dat sommige scholen een schoollied hebben, is niet direct als ‘iets van de vrijeschool’ te noemen. Steiner heeft zich er nooit over uitgelaten. Het hebben van een schoollied is dus een individuele schoolaangelegenheid. Dat geldt ook voor de gekozen inhoud. Dat moet niet uitmonden in het zingen van antroposofische inhouden.

[3-8]
Kan een atheïst of agnost vrijeschoolleerkracht zijn:
Luc beweert van wel; ik van niet: hoe zou je met een mensbeeld waarin ‘de geest’ een centrale rol speelt, kunnen werken, als je de geest ontkent.
Kan een vrijeschool zonder Steiner?
Luc beweert van wel; ik beweer dat je dan hetzelfde zegt als dat de hand los van het lichaam zinvol kan bewegen.

[3-9]
Jaarfeesten
Op de vrijescholen worden jaarfeesten gevierd. Luc vindt dat de christelijke elementen eruit moeten: terug naar de natuurfeesten. Hij ziet de zin van het michaëlsfeest aan het begin van de herfst niet, maar zinnige gezichtspunten daarover zijn ook op deze blog te vinden: Michaël – alle artikelen
Ik:
Michaël neemt een prominente rol in in allerlei kunstuitingen. Waarom zou je die de kinderen moeten onthouden. En waarom zouden ze ‘moed’ en ‘strijdvaardigheid’ niet als beeld mogen beleven?

[3-10]
euritmie en bothmergymnastiek
Door een verwijzing naar Wikipedia om daar te weten te komen wat bothmergymnastiek is, lijkt me geen basis om te kunnen constateren dat deze vorm van onderwijs ‘antroposofisch’ zou zijn.
Ook Lucs opmerkingen over de euritmie blijven ongenuanceerd aan de oppervlakte. Hij beweert iets over een klank, wat volkomen in tegenspraak is met wat er over die klank door Steiner is opgemerkt. Uit Lucs gebruikte ‘waarschijnlijk’ blijkt geen zeker weten: daarmee komt zijn bewijs op nog lossere schroeven te staan. Ook bij zijn opvatting over ‘tooneuritmie’ mist hij een paar essentiële zaken. Bij ‘intervallen’ zou het tekortschieten, waarvan echter door Luc niets aangetoond wordt.

[3-11]
muziek

In de lagere klassen van de vrijeschool worden naast bekende bestaande kinderliedjes ook pentatonische gezongen en liedjes in de stemming van de zgn. kerktoonladders. In niet-pedagogische voordrachten heeft Steiner over deze ‘stemmingsmuziek’ het e.e.a. gezegd. Voor sommigen is dat aanleiding geweest om daar in het leerplan muziek rekening mee te houden. Maar omdat Steiner iets over pentatoniek heeft gezegd, is het zingen van pentatonische liedjes nog geen ‘antroposofisch’ onderwijs.

.

1261-1176

.

VRIJESCHOOL – Getuigschriften (7)

.

een bijdrage voor het maken van getuigschriftspreuken

Van de redactie:
Het is een opdracht aan de klassenleerkracht van de vrijeschool die zijn klas door 8 schooljaren heen begeleidt, naast een karakteriserend getuigschrift – dat meer voor de ouders bedoeld is – ieder kind een getuigschriftspreuk mee te geven op de weg door het volgende schooljaar.*
Deze spreuk die het kind eenmaal per week voor de klas spreekt, moet voor alles een gezonde lichamelijke ontwikkeling mogelijk maken, alsmede die van ziel en geest. Hindernissen bij de ontplooiing van de in het kind aanwezige krachten worden niet door een morele oproep in zo’n spreuk aangepakt; veel eerder werkt de spreuk door het beeld, dat het beschrijft, door de klank en het ritme impulserend en vereffenend in de gevoels- en wilssfeer, zelfs tot in ademhaling en hartslag. 

Dankbaar neemt de klassenleerkracht naast de vertrouwde boeken [1] kennis van nieuwe publicaties van getuigschriftspreuken en is blij met de veelheid aan beelden, ritmen en rijmen, met iedere aparte spreuk.
Hij heeft wel een vermoeden van wat er in de loop van een jaar tot stand gekomen is, weet uit eigen ervaring de achtergrond, beoordeelt de spreuken als een verdichting van eigen individuele resultaten, waaruit ook iets algemeens spreekt. Kostbare edelstenen zijn het, hij ervaart de waarde, hun elan ook, maar helemaal duiden kan hij ze toch niet. Pas in samenhang met degene voor wie ze gemaakt zijn, krijgen ze hun glans, komen de facetten tot volle werking in de  individuele verhouding  tussen de leerling en de leerkracht die de spreuk voor deze heeft gemaakt.

Bijzonder stimulerend is het voor mij, ieder jaar het boekje van Heinz Müller te bestuderen waarin hij de meest uiteenlopende gezichtspunten geeft. De gezondmakende kracht van de ritmen, de verandering ten goede door de werking van de klinkers en de medeklinkers, tot de veranderingen die de spreuken in de loop van de jaren bij een kind kunnen ondergaan.

Hoewel Heinz Müllers verzameling schier onuitputtelijk is, legt hij er meer dan eens de nadruk op de getuigschriftspreuken zelf te maken; slechts aanwijzingen en aansporingen bevat zijn verzameling, hoe de getuigschriftspreuken door de individuele leerkracht zelf te maken zijn.
Het overnemen ziet hij als noodgeval. Die opmerking gaat terug tot Rudolf Steiner, door wie Heinz Müller met betrekking tot de spreuken rechtstreeks gestimuleerd werd.
Zodra Rudolf Steiner over de getuigschriften komt te spreken, geeft hij de voorkeur aan de zelfgevonden spreuk boven de gekopieerde, ook wanneer de eigen spreuk slechter of onbeholpener is. ‘Wanneer deze niet goed is, merkt u dat wel. U moet de spreuk wel het hele jaar aanhoren. In het ergste geval moet u een nieuwe maken’.

Dat is mij meer dan eens gebeurd, gelukkig steeds voor het schooljaar ten einde was en de getuigschriften uitgedeeld.
Dan was er een spreuk klaar, weer een, de vijfentwintigste, ik was blij! Maar deze liet mij niet met rust, is hij echt goed? Het beeld past haarscherp (ietsje te scherp), dan was er een bepaalde geschiktere wending in het ritme, daarvan wil je niet graag afzien. En wanneer zo’n spreuk je dan 14 dagen niet met rust laat, kun je beter een nieuwe maken, die vind je dan ook.

De opdracht van Rudolf Steiner de spreuken zelf te maken, kun je in het begin beleven als zoveel waartoe hij je aanspoort, als een onredelijke eis, je bent tenslotte geen dichter. Je moet er wel de moed voor hebben, aan de andere kant hecht Rudolf Steiner geen waarde aan perfectie.
Wezenlijk is de kracht van het eigen streven, zoals in heel ons onderwijs, en de stemming van beeld en ritme, klanken ook, in verhouding tot wat de leerkracht nodig acht in die innerlijke ontmoeting met de leerling.
Dat is niet alleen een probleem, er is ook veel wat fijn, teer, licht is.

De getuigschriftspreuken, ook al het andere, spel en rijm, ontstaan uit de klassengemeenschap. Zonder de klas zouden de spreuken niet ontstaan. Hieruit bestaat voor mij het meest wezenlijke verschil tussen de klassenleerkracht en de dichter, die in zijn vormgeving vrij is. Met andere woorden, de dichter heeft het in zich heel de wereld te dragen, wij klassenleerkrachten, bezitten daarvan maar een heel klein deel, alleen onze klas, – ook een wereld.

Wanneer het tijd is om de getuigschriftspreuken voor te bereiden en ik mij heel intensief met ieder kind bezighoud, klinkt er vanuit de achtergrond iets door mij heen, ik kies een ritme, vind een regel, vang een beeld op. Een wezenlijk deel van de voorbereiding voor de spreuken is dat iedere klassenleerkracht de formulering van de getuigschriftspreuk goed voor elkaar krijgt.
Op deze voorbereide akker kiemt de getuigschriftspreuk makkelijk.
Het kost wat moeite, wat tijd. Maar zeker minder dan de tijd die het kost om uit verzamelingen een keus te maken die weloverwogen is. Dus het is ook economischer de spreuken zelf te maken.

Hoe vaak het mij nu al gelukt is, met een paar uitzonderingen, alle spreuken voor de kinderen van mijn klas zelf te maken, staat de opdracht toch ieder jaar als een berg voor me en ik twijfel en ben onzeker of deze ook dit jaar weer te bedwingen is. Natuurlijk begin je niet onvoorbereid aan een bergbeklimming. Ieder jaar pak ik eerst het boekje van Heinz Müller, breng me de gezichtspunten weer onder de aandacht die voor het maken van de spreuken nodig zijn. Nuttig is het om in de talrijke verzamelingen te bladeren, door de beelden en stemmingen te dwalen, hun ritmen op je in te laten werken. Impulsen met meer kracht gaan uit van Morgenstern, Rilke, Goethe.

Soms kwam het voor dat ik voor een kind geen spreuk kon maken en ik mijn toevlucht moest nemen tot een niet eigen spreuk. Van een meisje uit de vijfde klas kreeg ik een verwijtende blik toen ik haar een spreuk van Goethe gaf – en terecht, hij werkte in onze situatie te algemeen en zwak.
Aan de andere kant is voor mij het proces waarin de spreuk samen met het getuigschrift ontstaat, niet willekeurig herhaalbaar, wanneer er in het nieuwe schooljaar een kind bijkomt, ook wanneer men het na zes weken al tamelijk goed kent. Voor zulke kinderen die later kwamen heb ik in het eerste jaar een bestaande spreuk gezocht.
Het zoeken naar getuigschriftspreuken verloopt altijd weer anders. Een keer stond mij bij het ontwerpen een ritme, een beeld zo direct voor de geest, dat de spreuk zich meteen liet formuleren. Een andere keer ontstond er eerst een zin, een ritme, een beeld en de spreuk liet nog een poos op zich wachten. Het ene jaar ontstonden de spreuken uit intensieve natuurwaarnemingen voor ieder kind, aan het bureau; een ander jaar ontstonden de spreuken waarvan de beelden meer uit de periodenstof kwamen, wanneer ik aan het wandelen was.  Steeds meer ging ik ertoe over geschikte beelden uit de lesstof te halen en die op de kinderen te betrekken. Dikwijls ga ik uit van het ritme dat ik bij het eerste ontwerp voor het getuigschrift opgetekend heb, beelden en rijm ‘vallen er dan in’.

Steeds duidelijker kwam ik tot de ontdekking dat de spreuken niet alleen met het individuele kind te maken hebben, maar voor de hele klas worden gegeven. De wederzijdse interesse voor de spreuken is buitengewoon groot. Dikwijls merken kinderen die in de klas niet veel met elkaar hebben, over en weer hun spreuken op. Aan het eind van het schooljaar kennen veel kinderen de spreuken van hun kameraden.
Aan de andere kant heb ik steeds weer, wat ik inhoudelijk vind en in de klas levend wil houden, tot spreuk gevormd, aan een kind gegeven, minder om aan zijn persoonlijke problemen te werken, meer als lichtend voorbeeld voor de klassengemeenschap. Af en toe was daar ook een spreuk bij die ik voor het periodenonderwijs bedacht had.

Tegen het einde van het schooljaar mogen de kinderen in plaats van hun eigen, de spreuk van hun klasgenoten opzeggen. Dan let ik erop dat op één dag de spreuk maar een keer klinkt.
Zelf zeg ik deze tijd, zo’n beetje vanaf Pinksteren, een nieuwe spreuk, zonder een naam te noemen. Vaak valt er een devote stilte. Dan worden de vermoedens voor wie deze spreuk wel zal zijn uitgesproken en het komt voor dat de juiste kinderen zich aangesproken voelen.

Tot in de middenklassen, zolang de getuigschriften aan de ouders gericht zijn, vormen de spreuken het meest wezenlijke deel waarmee de kinderen op de laatste schooldag naar huis gaan, de vrucht van het jaar.|
Die dichtgeplakte getuigschriftenvelop kan dat natuurlijk niet  zijn. Woord en inhoud van het getuigschrift zijn allang vergeten, spreuken  worden na vele jaren nog herinnerd.

Toen ik voor de eerste keer getuigschriften schreef, kreeg ik een dag van te voren de suggestie de getuigschriftspreuken op een apart blad of op een kaart te schrijven en op deze manier de kinderen hun eigen getuigschriftspreuk ter hand te stellen. Voor dit voorstel was ik zeer dankbaar, hoewel  ik toen een nacht door moest werken. Ik heb de bladen steeds in het handschrift geschreven dat ik gedurende dat jaar met de kinderen had geoefend.

In deze bijdrage voor het maken van getuigschriftspreuken zijn een paar ervaringen vastgehouden die ik bij het tot stand brengen van de spreuken heb opgedaan. Zeker zijn er nog andere invalshoeken en belevenissen. Voor mij kwam het eropaan te laten zien dat het op geen enkele manier verkeerd is de spreuken zelf te maken, dat ons, klassenleerkrachten, deze opdracht terecht is gegeven en dat wij daaraan ook kunnen voldoen. Daarvoor wilde ik een hart  onder de riem steken.

Christian Gerblich, Erziehungskunst 05-1990

.

*Naast ‘voor het volgend (school)jaar’ zegt Steiner ook, ‘voor de toekomst’. (P.W.)

.

Heinz Müller:  Von der heilenden Kraft des Wortes und der Rhythmen’. Stuttgart, 1967;|
Martin Tittmann: Zarter Keim die Scholle bricht …., Stuttgart 1981.
Lore Schäfer: Zeugnissprüche und Klassenspiele, Stuttgart 1980
Helmut v. Kügelgen: Spiele und Zeugnissprüche.

Adaptief onderwijs voor Vrije Scholen’ . Jansen / G. Reijngoud
Uitgave: Begeleidingsdienst voor vrijescholen.
Maart 2002

.

getuigschriften: alle artikelen

Rudolf Steiner over getuigschriften

.

1258-1174

.

.