Categorie archief: vrijeschool pedagogie

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-2-4/2)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

In Algemene menskunde (1-2) ging het o.a. over Michaël als tijdgeest van de tijd waarvan Steiner zegt dat het ‘een bijzondere tijd’ is.

In onderstaand artikel wordt ingegaan op deze Michaëlische tijdgeest. Het is een vervolg op het jaar 1879

Wat ging aan 1879 vooraf?

De geestelijke klimaatverschuiving in de 19e eeuw
Het jaar 1879 is, vanuit een gewoon historisch standpunt bezien, beslist niet het begin van een nieuw tijdperk. Alleen in de buurt waren enkele tekenen van een naderend geestelijk reveil.
1879 viel eigenlijk middenin een tijdperk van stormachtige ontwikkeling. Technische vernieuwingen stuwden de mensheid naar een grootse toekomst, die zich in de 20e eeuw zou ontplooien. Deze toekomst werd in een even materialistisch, als optimistisch licht gezien.
Het uitbreken van de 1e wereldoorlog in 1914 betekende het abrupte einde van dit tijdperk. De techniek en het materialisme hebben deze schok vrij goed overleefd. Maar het hoog opgeschroefde optimisme, waarin onze (over-) grootouders de drempel naar deze eeuw hebben overschreden, is na 1918 nooit meer geworden wat het voor 1914 geweest was.
Want tien jaar na de 1e wereldoorlog kwam al de grote werkeloosheidscrisis, direct aansluitend Hitler en de 2e wereldoorlog, vervolgens de koude oorlog en de atoomdreiging. En net toen die laatste twee gevaren wat terugebden en het erop leek dat wij, in het westen en noorden van de wereld van een fijn stuk technische welvaart zouden kunnen genieten, kregen we in de jaren ’60 het Vietnamvraagstuk, de jeugdrevolte, het wereldmilieuprobleem, de noodkreten van de verarmde landen en de Club van Rome.
Het was ook altijd wat.

Zelfs de maanlanding van 1969, werkelijk een gigantische prestatie, kon toch het oude op technische vooruitging gebaseerde optimisme maar voor heel even weer oproepen. Nee, dat in 1914 een ‘eeuw’ van schone, uiterlijk gerichte illusies ten einde ging, staat nu wel vast.

Maar waar ligt dan het begin van dat tijdperk, dat in 1914 eindigde? In 1789 bij het begin van de Franse Revolutie? Of in de jaren 1813-’15 bij de ondergang van Napoleon? Of ergens anders? Het afbakenen van historische tijdperken is altijd een betrekkelijke zaak. Toch meen ik, dat we een antwoord kunnen vinden, dat zelfs een vrij grote actuele waarde heeft. Wij gaan daarvoor op verkenning in de 19e eeuw.

De drie-en-dertig jaar na Napoleon – dus de jaren 1815 tot 1848 – staan geboekstaafd als een tijd van rust in Europa. Deze rust werd opgelegd door de wettige vorstelijke regeringen en werd zeer streng bewaakt. En toch was het een zalige rust! Geen oorlogen, weinig revoluties, nog geen modern verkeer of moderne industrie – uitgezonderd in Engeland -, de tijd van de postkoets en de trekschuit, van de Biedermayermode en van de Romantiek in de kunst. Kortom, de goede oude tijd bij uitstek. Zeker, een streng conservatisme met censuur en politiespionage vormde de keerzijde. Maar wat was het landschap nog mooi, met zijn rustieke dorpjes, vriendelijke landwegen en ongerepte heiden en wouden. Milieuproblemen waren zelfs in beginsel onbekend. Ook in de steden was de architektuur nog onbedorven en de lucht gezond; ’s avonds na donker heerste in de straten een landelijke stilte. Zelfs de armoede, waarin grote delen van de bevolking leefden, leek nog opgenomen in een godgewild, vredig en zinvol geheel. – Dat is het algemene uiterlijke beeld.

Om dit beeld te verdiepen kijken wij iets grondiger naar het jaar 1830 en daaromtrent. Het staat bekend als een jaar van revoluties. Dat is misleidend. Zeker, Frankrijk kreeg een nieuwe, iets liberalere koning die met de jaren even conservatief en tyranniek werd als zijn voorgangers!) en België maakte zich onafhankelijk van Nederland. (Dat deze onafhankelijkheid nog geen echte vrijheid betekende, bewees het ontstaan van de Vlaamse Beweging in de daaropvolgende tientallen jaren). In Polen en Italië werden opstanden onderdrukt. Het was een jaar van revolutiepogingen, die heel weinig werkelijk nieuws gebracht hebben.
Omstreeks 1830 speelde zich in Neurenberg en omgeving de raadselachtige tragedie van Kaspas Hauser af.
In het hertogsstadje Weimar leefde en dichtte nog steeds de 80 jaar oude, in zijn roem vereenzaamde Goethe.
Wij noemden al de Romantiek. Die beleefde zijn (laatste) bloei in de literatuur, muziek en schilderkunst. Allemaal zaken, die zich vooral in Duitsland afspeelden.
Dat geldt ook voor de zogenaamde idealistische filosofie, die toen nog volop bloeide. In Berlijn leefde en doceerde Hegel, de omvattendste en beroemdste denker van deze school. Hij stond op het hoogtepunt van zijn roem en tevens in zijn laatste levensjaar.

Wat is het filosofische idealisme? Het is eigenlijk de wereldbeschouwing, die voortbouwt op de grote Griekse wijsgeer Plato (±400 v.Chr.) Het is het absolute tegendeel van het materialisme. De idealist in filosofische zin verklaart alles, het hele bestaan, uit de Idee. Ook de materie is in oorsprong idee of geest. Deze Platonische visie was omstreeks 1800 op een eigen, spontane wijze in Duitsland weer opgebloeid. Het is geen toevallige bijkomstigheid, dat de idealisten hun filosofie meestal op een geïnspireerd schone, beeldrijke wijze onder woorden weten te brengen. Dat geldt voor Plato, het geldt ook voor Goethes tijdgenoten. Filosofie en dichtkunst gingen hand in hand. De idealistische filosofen en de romantische dichters vormden een tijd lang één grote geestelijke familie.

Het is een merkwaardig en moeilijk verklaarbaar feit, dat dit alles binnen korte tijd, nog voor het midden van de 19e eeuw, vrijwel spoorloos verdwenen is. Meestal is het zo, dat wat de ene generatie denkt, – en hoe intens, hoe levendig en sprankelend is er toen niet gedacht! – voor de volgende generaties tot levenspraktijk wordt. Zo gaat het meestal. Hier gebeurde dat niet. Dat is zeker vreemd. Want zo ooit, dan lagen hier schitterende kansen.

Immers, het Duitse idealisme had niet alleen in theoretische hoogten gezweefd. Een generatie tevoren had Schiller, in zijn brieven over een kunstzinnige opvoeding, een nieuwe psychologie geschetst (dat woord werd overigens nog niet gebruikt), als uitgangspunt voor een nieuwe pedagogiek. Goethe had als begenadigd waarnemer een nieuw soort natuuronderzoek ingeleid, waarbij de combinatie van wetenschappelijke exactheid en kunstzinnig inlevingsvermogen een gesprek tussen mens en natuur mogelijk maakt. Verder hadden de Duitse denkers en dichters ook buiten de grenzen van hun taalgebied een inspirerende invloed, met name in Rusland.

Jongere denkers, vooral rechtsgeleerden, hadden machtige ideeën op staatkundig gebied. Een echte staat is een levend wezen: ieder gebied heeft een eigen functie binnen het geheel. Zij popelen van ongeduld om deze organische staatsidee in het nog steeds in ouderwetse vorstendommetjes versnipperde Duitsland te verwezenlijken.

Het is een apart drama: wat in het midden van de vorige eeuw in Midden-Europa en vooral in Duitsland niet gebeurd is. Want deze rijkdom aan kiemen is plotseling verdwenen, inderdaad zonder veel sporen na te laten. Alleen in de muziek bleef veel doorklinken. En in de literatuur werd het werk van Schiller en Goethe niet helemaal vergeten. Maar in plaats van een Goetheanistische natuurwetenschap kwamen het darwinisme en andere vormen van materialisme. In plaats van een onderwijsmethode op Schillerse leest, gebaseerd op een kunstzinnige opvoeding, kwam de pedagogiek van Herbart. Een knappe kop, wel een tijdgenoot, maar geen soortgenoot van de idealisten. Herbart verstevigde de onderwijsmethode, die primair van het intellect uitgaat: eerst kennen dan kunnen. In de filosofie zelf maakte het idealisme plaats voor zijn tegenhanger, het materialisme.

Wanneer en waardoor vond deze omslag plaats? Vaak wordt en niet zonder reden het jaar 1848 genoemd. Dat was een jaar van echte revoluties in Europa. Toen had het romantisch gestemde idealisme nog een laatste kans in Duitsland, maar ook deze kans ging verloren. – En merkwaardig: in Nederland, dat beslist nog niet aan een revolutie toe was, besliste Koning Willem II tot een liberale hervorming, waardoor professor Thorbecke zijn kans kreeg. Thorbecke was een leerling van het Duitse idealisme. Zijn staatkundige hervormingen hebben in Nederland meer dan een eeuw lang goed gefunctioneerd. Zijn levenswerk is een goed bewijs van de levensvatbaarheid van het idealistische denken.

Toch ligt de eigenlijke ommekeer niet in 1848 maar eerder, omstreeks het jaar 1840. In die tijd kwam namelijk de industrie van Engeland naar het vasteland. Er kwamen fabriekssteden, spoorlijnen, mijnstreken. (Ik schetste deze omschakeling al eerder). Deze veranderingen hebben beslist bijgedragen tot de geestelijke ommekeer. Toch waren zij niet de hoofdoorzaak.

Men moet inderdaad van een geestelijke klimaatomslag spreken. In het weer kennen wij zulke abrupte wisselingen heel goed. Na een tijd van mooi en stabiel weer draait de wind, er komen wolken, regen, koudere lucht, windstoten. De hele stemming verandert. Zo was het ook toen. Op alle terreinen van het leven werd de stemming nuchter en materialistisch.
Neem een veel gelezen en terecht beroemd boek als de Camera Obscura. Het geeft een schitterend beeld van de ondergegane Biedermayertijd. Maar het schildert de burgerlijke rust van voor 1840 al vanuit het nuchtere standpunt van na 1840. Hildebrands goedige spot wordt zelfs licht wrevelig, als hij het over de trekschuit en de diligence heeft.
Materialisme is geen vriendelijk woord. Toch moeten we het niet alleen maar als een duivelse zaak zien. Het materialisme is een bijna onvermijdelijk
begeidingsverschijnsel, dat optreedt, als de mens zich dieper gaat interesseren voor de aarde en deze grondiger gaat beheersen en exploiteren. Steiner heeft grondiger en precieser dan andere denkers over de culturele ontwikkeling, op de twee oorzaken van het materialisme gewezen.
De hier genoemde verhevigde belangstelling voor de materie was op zichzelf een positieve ontwikkeling. Deze belangstelling was al lang voor 1840 ontwaakt, omstreeks 1500 bij de overgang van de middeleeuwen naar de nieuwere tijd. Deze nieuwe op de materie gerichte ontdekkingsdrang trad op, toen het menselijke intellect, althans in Europa, abstract begon te worden. Abstract denken is een hele merkwaardige combinatie van vrijheid en gebondenheid. Men kan er zelfstandig logisch mee opereren, maar in zijn logische wetmatigheden heeft het een bijna mechanisch en dor karakter en het is als zodanig sterk aan de hersenen gebonden. De neiging om vanuit dit abstracte begripsvermogen alles te verklaren noemen we rationalisme of intellectualisme. Als dit intellectualisme samengaat met de verhevigde belangstelling voor de wereld, die we met onze lichamelijke zintuigen waarnemen, ontstaat materialisme.
Tegelijk met de natuurwetenschap zijn intellectualisme en materialisme vooral
in West-Europa tot ontwikkeling genomen. Dit gebeurde tussen 1600 en 1800. Hoe westelijker men komt in de wereld, des te sterker is het bewustzijn van de mensen op de materie gericht. Met name in Amerika is deze aardegerichtheid, sinds de kolonisatie, tot levenspraktijk geworden. Daarmee zijn grootse, maar eenzijdige dingen bereikt. Uit Engeland komt meer het natuurwetenschappelijke en filosofische materialisme. Maar daar ontwikkelde het zich op zo’n manier, dat de godsdienstige en andere tradities er niet door werden aangetast. Het kwam daar als een geleidelijke ontwikkeling, niet als een revolutie.
Dat geldt nog ten dele voor het leven van Charless Darwin (1809 – 1882). Als jong student, gezelligheidsmens, sportief, cultureel belangstellend, helemaal een burger van het land van Pickwick, ging hij mee als amateurbioloog met
de wereldverkenningsreis van een Brits marinezeilschip, de Beagle. Deze
vriendelijke student in de medicijnen, die geen bloed kon zien en toen maar theologie was gaan studeren, gaat voor jarenlang op zeereis, terwijl hij constant zeeziek is. Het hele avontuur zou nooit zijn doorgegaan, als hij bij de eerste kennismaking niet direct in de smaak was gevallen van de kapitein van het schip Fitzroy. Deze marineofficier was een ongemakkelijk mens, autoritair, opvliegend, principieel en vroom op het fanatieke af. Om die laatste reden had hij wel enige verwachting van de jonge theoloog. Als Darwin zijn waarnemingen in Zuid-Amerika er nu eens op richtte om bewijsmateriaal te verzamelen, voor de juistheid van het bijbelse scheppingsverhaal! De jonge Darwin, naïef als een Engelsman maar zijn kan, vond het een uitmuntend idee. Dit goedhartig vrome voornemen heeft, zoals wij weten, in de praktijk een heel andere strekking gekregen. Want bij zijn geologische en biologische speurtochten in Zuid-Amerika en op de eilanden van de Grote Oceaan vond Darwin veel gegevens, die hem deden twijfelen aan de voorstelling, dat God de wereld in zeven dagen tijds geschapen had. De idee van de evolutie doemde op: het komen en gaan van diersoorten en vormen van plantengroei, de constante verandering der natuurrijken.

Pas jaren na zijn terugkeer in Engeland, toen zijn robuuste gezondheid bijna helemaal was ingestort, verbond zich met zijn evolutievoorstelling de gedachte van de strijd om het bestaan en het natuurlijke selectieproces. Toen hij weer een keer half versufd door hoofdpijn in zijn rolstoel in zijn bibliotheek zat, rolde hij zich naar de boekenkast toe en hield opeens de brochure in zijn hand van Dominee Thomas Malthus uit de laatste jaren van de 18e eeuw over de bevolkingsgroei. Dit traktaatje, dat grote invloed heeft gehad op het economische liberale denken in de vorige eeuw, betoogt, dat armoede en hongersnood tot de door God gewilde natuurwetten behoren. De bevolking neemt toe, de produktie der voedingsmiddelen neemt ook toe maar minder snel. Er komen dus teveel mensen of te weinig voedsel. Een catastrofe in de vorm van een hongersnood, een oorlog of een natuurramp zorgt dan voor een correctie: het bevolkingspeil zakt en dezelfde ontwikkeling begint weer. Uit deze vernuftige maar niet aan de werkelijkheid ontleende beschouwing sprak ook al een moraal van het recht van de sterksten om te overleven, the survival of the fitterst, zoals Darwin het noemde.
Na lange jaren van studie en van oponthoud door ziekte en aarzeling werd in 1859 het boek ‘De Oorsprong der Soorten’ gepubliceerd. Het sloeg in als een bom, met name door de gedachte, die Darwin zorgvuldig niet had uitgesproken, maar die wel in de consequenties van zijn theorie lag: de mens stamt af van de apen.
De kerken liepen storm hiertegen en bezorgden het boek daardoor een overweldigende bekendheid en een versnelde werking over de hele wereld – Het materialisme had een bijna beslissend succes geboekt.

Met dit laatste negatief klinkende oordeel plaatsen wij ons niet op het dogmatisch afwijzende standpunt van vele conservatieve kerkelijke figuren van toen. De evolutiegedachte was een grootse vondst. Dat deze gedachte bij Darwin, de 19e eeuwse Engelsman, in een materialistische gedaante optrad, was op zichzelf geen ramp geweest… als in Midden-Europa het goetheanisme nog geleefd had. Als Darwins evolutietheorie Goethes metamorfosegedachte had kunnen ontmoeten, zou de natuurwetenschap van de late 19e eeuw een andere wending hebben kunnen nemen. De metamorfose was door Goethe aan het plantenrijk afgelezen – en liet zien hoe in de werkelijkheid een vorm zich steeds weer opnieuw en hoger ontwikkelt. Maar, zoals gezegd, een jongere generatie geleerden had deze en andere kiemen laten liggen. De ramp was, dat de geestelijke rijkdom van Midden-Europa had plaatsgemaakt voor een… dogmatisch materialisme, dat zich als een filosofie aankondigde en veel fanatieker was dan het materialisme van de West-Europese natuurwetenschappers.

Een volgend artikel, in Jonas 22, zal ik proberen duidelijk te maken, dat deze ommekeer inderdaad rondom 1840 ligt.

H.P. van Manen, Jonas 21, 15-06-1979
.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Jaarfeesten – Michaël: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeldMichaël

.

1360-1272

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-7-2/2)

.

Enkele gedachten bij blz. 23/24 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

In een vorige artikel dat beschouwd kan worden als een inleiding op wat hier volgt, werd erop gewezen dat ‘schematiseren’ eigenlijk niet kan; en dat het willen verklaren en definiëren steeds weer het gevaar in zich draagt de werkelijkheid tekort te doen.
En toch kunnen we, wanneer we niet het helderziende vermogen hebben zoals Steiner kennelijk had, niet zonder een zoektocht met ‘het gezonde verstand’. Daartoe is dit een poging.

Op blz. 24 is sprake van ‘het etherlichaam’. Wat valt daar o.a. over te zeggen:

HET ETHERLIJF

materie als basis
Hier bracht ik ter sprake dat de stof waaruit mijn lichaam is opgebouwd, ondergeschikt wordt gemaakt aan mijn organisme.

Ik kan niet zo maar een stukje ijzer opeten wanneer ik ijzertekort heb. Ik zal het op een dusdanige manier tot mij moeten nemen dat het past binnen mijn organisme.
De stof moet zich dus aanpassen. Het mag in mij niet zijn eigen leven leiden; het moet mijn leven leiden, ondersteunen.

De stof is dus enerzijds heel wezenlijk: zonder de stoffelijkheid kan ik niet bestaan; maar als ik besta, wordt deze ondergeschikt aan mijn bestaan: het moet zich voegen.
Dat hoeft niet meer, als ik niet meer besta.

Innerhalb der offenbaren Welt ist der physische Menschenleib dasjenige, worinnen der Mensch der mineralischen Welt gleich ist. Dagegen kann nicht als physischer Leib das gelten, was den Menschen vom Mineral unterscheidet.
Für eine unbefangene Betrachtung ist vor allem die Tatsache wichtig, daβ der Tod dasjenige von der menschlichen Wesenheit bloβlegt, was, wenn der Tod eingetreten ist, mit der mineralischen Welt gleicher Art ist. Man kann auf den Leichnam als auf das vom Menschen hinweisen, was nach dem Tode Vorgängen unterworfen ist, die sich im Reiche der mineralischen 13/53 Welt finden.
Man kann die Tatsache betonen, daβ in diesem Gliede der Menschenwesenheit, dem Leichnam, dieselben Stoffe und Kräfte wirksam sind wie im mineralischen Gebiet; aber nötig ist, nicht minder stark zu betonen, daβ mit dem Tode für diesen physischen Leib der Zerfall eintritt.
Berechtigt ist aber auch zu sagen: gewiβ, es sind im physischen Menschenleibe dieselben Stoffe und Kräfte wirksam wie im Mineral, aber ihre Wirksamkeit ist während des Lebens in einen höheren Dienst gestellt. Sie wirken erst der mineralischen Welt gleich, wenn der Tod eingetreten ist. Da treten sie auf, wie sie ihrer eigenen Wesenheit gemäβ auftreten müssen, nähmlich als Auflöser der physischen Leibesgestaltung. 

In de ‘openbare’ wereld is het fysieke menselijke lichaam datgene waarin de mens gelijk is aan de minerale wereld. Wat de mens van het mineraal onderscheidt, kan daarentegen niet als fysiek lichaam gelden. Voor een onbevangen beschouwing is met name het feit belangrijk dat de dood, wanneer die is ingetreden, datgene van het menselijk wezen blootlegt wat gelijk is aan de minerale wereld. We kunnen zeggen: het stoffelijk overschot is het deel van dc mens dat na de dood aan processen is onderworpen die zich in het rijk van de minerale wereld afspelen. We kunnen er de nadruk op leggen dat in dit deel van de mens, zijn stoffelijk overschot, dezelfde stoffen en krachten werkzaam zijn als in het minerale gebied; maar met niet minder nadruk moeten we vaststellen dat de dood voor dit fysieke lichaam tegelijk ook het verval inluidt. We kunnen het ook anders zeggen: in het fysieke mensenlichaam zijn dezelfde stoften en krachten werkzaam als in het mineraal; maar hun werkzaamheid is gedurende het leven in een hogere dienst gesteld. Ze werken pas als in de minerale wereld, wanneer de dood is ingetreden. Dan treden ze op zoals ze overeenkomstig hun eigen wezen moeten optreden, namelijk als oplossers van de fysieke lichaamsvorm.
GA 13/52
Vertaald/27-28

Als ik niet meer besta, ben ik dood. Dan word ik weer één met de minerale wereld. En naarmate ik na mijn begrafenis langer dood ben, word ik meer één met deze wereld, tot ik er helemaal in opgegaan ben, met uitzondering wellicht van de hardste delen; bij cremeren is er al heel snel alleen maar stof.

leven
Als ik niet dood ben, dus tijdens mijn leven, behoren deze stoffen eigenlijk niet tot de minerale wereld. Neem ik ze niet tot mij, dan ga ik dood. Om te leven heb ik ze nodig, maar dan moeten ze aangepast worden: de stof moet (uit)-gewisseld worden, in de stofwisseling vindt de aanpassing plaats.

Op een bepaalde manier passen deze stoffen dus in een verband dat boven de stoffen zelf uitgaat.
Dat woord ‘verband’, ‘verbinding’ komt weer tevoorschijn als het leven geweken is, m.a.w. de dood ingetreden. Dan gaat het lichaam, de stoffelijkheid die in een bepaald verband zich manifesteerde, tot ont-binding over: er is geen band meer.

Tot op heden buigt de wetenschap zich over dit fenomeen. En het ligt voor de hand dat een wetenschap waar de materie, uit te drukken in maat, gewicht en getal, zo’n grote rol speelt, aanneemt dat  ‘het leven’ veroorzaakt wordt door de stoffen.

Het is echter nog steeds niet gelukt uit anorganische stoffen leven te laten ontstaan.

Ik weet niet of dit ooit gaat lukken. Kan er leven uit dood ontstaan.

Overal zien we dat de dood volgt op het leven; nergens is nog waargenomen dat het leven volgt op de dood. (Daar is in de mensheidsgeschiedenis maar één keer sprake van: Pasen)

in de taal
Lichaam is het lijk, het dode omhulsel. Het woord ‘lic’ komt bijv. als dood, afgestorven weefsel nog voor in ‘likdoorn’.

In het Italiaans is ‘lichaam’  ‘fisico’, daarmee direct duidend op ‘tot de natuur behorend’, ‘lichamelijk’. ‘Corpo’ bestaat ook en is ‘lichaam’ en ‘lijk’. Ik heb nog niet iets kunnen vinden waaruit blijkt dat ‘fisico’ meer verwant zou zijn aan ‘lijf’.
In deze taal is ‘ontbinding’ ‘de-composizione, dat heel duidelijk maakt dat er een geheel, een compositie, was; ook het chemische ontbinden: dissociazione: uiteenvallen – het sociale- duidt op een samenhangend verband. Ook in het Frans: décomposition: ontbinding.

compositie, samenhang, verband
Als het erop aankomt, interesseert ons de samenhang het meest; het gaat ons om het verband.

Ook de meest verstokte materialist vraagt niet naar ‘maat, gewicht en getal’ wanneer een dierbaar persoon een ernstig ongeluk heeft gehad, maar vraagt hoopvol: ‘Leeft hij/zij/het nog?’
Dat is eigenlijk: is de compositie, het geheel nog intact.

Aan het leven, ook al weten we dan niet precies wat dat is, moeten we toch een kwaliteit toeschrijven die meer is dan de stoffelijkheid: een kwaliteit die deze stoffelijkheid in verband houdt. Dat zouden we een ‘hogere’, een ‘sterkere’ kracht kunnen noemen.

Dan is die ‘kracht’ toch een realiteit, ook al zien wij die niet.

levenskracht
Het is dan vrij voor de hand liggend om deze kracht ‘levenskracht’ te noemen.

Dat kan ons op de gedachte brengen dat ‘alles wat leeft’ over deze levenskracht beschikt:
Mensen, dieren en planten leven; alleen het minerale leeft niet.

de 4 rijken
Deze gedachte roept meteen andere wakker: zonder dat ik het eigenlijk direct wilde, heb ik hier over ‘de 4 rijken’ gesproken.

Alle 4 beschikken ze over het minerale: hebben een fysiek lichaam.

3 ervan beschikken over ‘leven’.

De vraag is dan gerechtvaardigd: als het minerale alleen over het fysieke beschikt, is er dan een rijk dat alleen over het fysieke en het leven beschikt.

Het verschil tussen mens en dier enerzijds en de plant anderzijds is zo groot, dat het niet moeilijk is de vraag te beantwoorden met: alleen fysiek en leven?
Dat is de plant.

het plantenrijk
Wie een tuin heeft en deze netjes heeft verzorgd alvorens met vakantie te gaan, gelooft na een week of  vier zijn ogen niet: wat is alles weer uitbundig gegroeid. En overal weer nieuw groen!

Aan deze plantenwereld valt onmiddellijk op: het groeit en het gaat maar voort met de planten: ja, de eigenschappen van dit plantenrijk zijn toch overduidelijk: groei, voortplanting, herstel, regeneratie.
En hoewel in mindere mate: het dieren- en mensenrijk vertonen dit ook.

‘boven’zintuiglijk
Deze levenskracht, dit levenskrachtencomplex, dit levenskrachtenveld is alleen waarneembaar in zijn uitingen, niet als kracht of complex of veld of wat voor woord we nog vinden. Het onttrekt zich aan de zintuiglijke waarneming.

Het is ‘buiten de zintuigen’ als realiteit wel aanwezig en valt daarmee onder het buiten- of  bovenzintuiglijke.

Het is logisch dat voor een wetenschap die alleen wil of kan of mag werken met maat, gewicht en getal, deze bovenzinnelijke werkelijkheid geen werkelijkheid kan zijn.

Maar al te gemakkelijk wordt daarmee tegelijkertijd beweerd dat deze werkelijkheid dus, of dan niet bestaat.

Nu is het niet zo gemakkelijk om ‘iets’ wat een bovenzintuiglijke werkelijkheid is, te beschrijven met woorden die ontleend zijn aan de zintuiglijke wereld.

lijf
Naast wat ik hierboven al opsomde: kracht, veld, complex introduceerde Steiner het begrip ‘Leib’.

De vertaling daarvan is ‘lijf’. In onze taal niet zo’n gebruikelijk woord meer. In antroposofische geschriften waar het om dit vormkrachtengebied gaat, wordt vaak het woord ‘lichaam’ gebruikt.

Körper
Ik doe dat bewust niet. Ik gebruik lichaam slechts voor het fysieke; Steiner gebruikt daar heel vaak het woord ‘Körper’ (dat weer verwant is aan het Latijnse corpus, wat het Engelse corpse, lijk, is).

Zowel het Duitse ‘Leib’ als het Nederlandse ‘lijf’ hangen samen met het woord ‘leven’.
Wij kennen dit nog in ‘lijfrente’, een rente voor het leven; lijftocht: middelen voor het levensonderhoud, geworden tot proviand; lijfsbehoud- het in leven blijven; het vege lijf redden; het Engelse woord ‘life’, leven, hangt er mee samen.
‘Lijf’ krijgt ook de betekenis van ‘het levende lichaam’ in ‘niets om het lijf hebben’ .

Steiner gebruikt in zijn uiteenzettingen over de 4-ledige mens het woord ‘Leib’ wanneer hij een krachtencomplex bedoelt. Vandaar dat er dan eens sprake is van ‘Lebensleib’, ‘Lebenskräfteleib’ ‘Formkräfteleib’.
Een Nederlandse vertaling is dan levenslichaam of levenskrachtenlichaam, vormkrachtenlichaam enz. Zoals gezegd: ik geeft de voorkeur aan ‘lijf’, ook al is dit in sommige opzichten een wat ouderwets woord.

Steiner is wel heel precies in zijn formuleringen: wanneer hij enkel en alleen het fysieke lichaam bedoelt, gebruikt hij ‘Körper’ – lichaam; of physischer Körper.
Wanneer hij het levende lichaam bedoelt, voegt hij het woord ‘Leib’ toe, in verschillende combinaties: “Körper-Leib; Leibeskörper; physischer Leib; leiblich-physisch.

Wanneer in antroposofische literatuur het woord lichaam wordt gebruikt in combinatie met leven, of ziel of  ik, betekent dit:  ‘het krachtencomplex van’.

Levenslichaam: het levenskrachtencomplex; zielenlichaam: het complex van de zielenkrachten; ik-lichaam: het krachtenveld van het Ik.

In wezen maakt het niet veel uit welk woord je hier gebruikt, wanneer maar duidelijk is wat je ermee bedoelt.

plant is kosmos
Wie ‘plant’ zegt, zegt ook ‘zon, licht, warmte, water’.

Wat de plant aan levenskracht vertoont, is niet los te zien van processen die zich ruim om de plant afspelen. Zij is een zichtbare reactie op wat er om haar heen aan invloeden is. Schijnt de zon, dan opent zich de bloem; schijnt deze niet, of is het vochtig, dan blijft die dicht. Planten op donkere plaatsen zoeken zich een weg omhoog naar het licht. Ze zijn een antwoord op wat in de ruimte om ons heen gebeurt.

etherlijf
Vanuit dit perspectief is een woord dat Steiner ook aan dit levenskrachtencomplex geeft, begrijpelijk: etherlijf.
Dat ruimtelijke aspect kennen wij bijv. in de uitdrukking: ‘hij is in de ether’ , wanneer er iemand op de radio is: in de ruimte.

Het Griekse aithèr betekent ‘fijne lucht, maar ook hemelgeest; tot het hogere en fijnere behorend, in tegenstelling tot het zware stoffelijke hier op aarde.

Vooral die laatste tegenstelling is belangrijk: hierin wordt weer uitgedrukt de tegenstelling leven-dood, die we al hadden gevonden.

Vandaar: levenslijf, etherlijf

Wie nadenkt over het verschil tussen het fysieke lichaam en het etherlijf komt als vanzelf op de tegenstelling ‘dood – leven’.

In deze woorden van Rudolf Steiner vond ik een stimulans om verdere tegenstellingen te zoeken:

Durch dieses Tatsachen-aufeinander-Beziehen bekommen wir reale Begriffe.
Door feiten met elkaar in verband te brengen, krijgen we reële begrippen.
GA293/119
Vertaald/116     Wir begreifen die Wirklichkeit nicht, wenn wir nicht die Widersprüche in der Welt schauen.’ 

Aus Widersprüchen besteht die Wirklichkeit.
Maar de werkelijkheid bestaat uit tegenstrijdigheden. We begrijpen de werkelijkheid niet wanneer we niet de tegenstrijdigheden in de wereld zien.
GA 293/129
vertaald/126

Real lernt man die Dinge aber nur kennen, wenn man sie in der Welt wirklich aufeinander be­ziehen kann.
Men leert de dingen slechts werkelijk kennen, wanneer men ze in de wereld daadwerkelijk op elkaar betrekken kan.
GA 301/42
Op deze blog/vertaald 

Rudolf Steiner wegwijzers 15; 20; 24; 87; 121; 124

TEGENSTELLINGEN FYSIEK – ETHERISCH

Het mineraal is helemaal overgeleverd aan de zwaarte;
de tegenstelling plant vertoont juist een anti-zwaartetendens. Omhoog, naar het licht, naar de hemel, i.p.v. omlaag, naar de zwaarte, naar de aarde.

Wanneer wij de levenskrachten verantwoordelijk houden voor deze omhoog gerichte beweging, zou je het etherlijf ook het ‘anti-zwaarte(krachten)lijf’ kunnen noemen.

Het mineraal beweegt niet, d.w.z. niet van binnenuit. Er is eigenlijk geen binnen. Wanneer het valt en het breekt, heb je er 2, die eigenlijk alleen maar buitenkant zijn.

De plant beweegt wel; weliswaar niet uit zichzelf, ze wordt a.h.w. bewogen door wat er om haar heen is: licht, lucht, warmte en niet te vergeten: het water.
Het water: dat is bij uitstek de drager van alle leven, voortdurend in beweging tussen aarde en wolken en de sfeer daarboven en weer terug: de sfeer die door Rudolf Steiner als ethersfeer wordt aangeduid.

Zo kun je in de bewegende sapstromen van de groene wereld een uiting zien van levensbrengende krachten door heel de plant heen – dit kunnen we ‘etherische’ krachten noemen. De sapstroom komt op gang wanneer de zon krachtiger wordt en het licht toeneemt en neemt in het najaar weer af om in de winter tot rust te komen.
Wanneer je een plant breekt, heb je er geen 2; dat kunnen er wel 2 worden, wanneer je het afgebroken deel in het water zet; immers groeikracht, regeneratie, voortplanting horen als kwaliteit bij de plant.

Rudolf Steiner:
Wenn Sie eine ab­geschnittene Rose und einen Kristall auf einen Tisch stellen, so können Sie sagen, beides seien Gegenstände. Diese Gleichstellung von Rose und Kristall unter dem Begriff Gegenstand ist aber nur unter einem äußer­lichen Aspekt berechtigt. Die abgeschnittene Rose ist keine Wirklich­keit und Sie können sie nicht so betrachten wie den Kristall, der in einer gewissen Weise ein Abgeschlossenes ist.
Wanneer u een afgesneden roos en een kristal op een tafel legt, kunt u zeggen dat deze beide, voorwerpen zijn. Het gelijkstellen van de roos en het kristal onder het begrip voorwerp is echter alleen gerechtvaardigd onder het gezichtspunt van de buitenkant. De afgesneden roos is geen werkelijkheid en die kunt u niet zo beschouwen als een kristal dat op een bepaalde manier afgesloten is.

GA 301/243
 Op deze blog vertaald/243

Als element noemde ik bij het mineraal: de aarde; mineralen hoef je geen water te geven.
Bij de plant gaat dit niet op: water is een levensvoorwaarde; in vergelijking tot de plant heeft het mineraal geen licht of warmte nodig; de plant beweegt juist door deze elementen.

Zo kun je het etherlijf ook het ‘bewegingslijf’ noemen.

Het mineraal vertoont zich in de ruimte. Als fysiek lichaam is het een ruimtelichaam.    

De plant heeft ook een fysiek lichaam waarmee ze zich in de ruimte vertoont. Maar als bewegingslijf vertoont ze zich ook in de tijd. Want het groeien, vanaf het ogenblik vanuit de aarde komen, tot het daarin weer verdwijnen, is een manifestatie in de tijd.

Dit is een buitengewoon verhelderende tegenstelling: ruimte/tijd.

Daarom kan het etherlijf ook ‘tijdlijf‘ genoemd worden.

Dat deze woorden niet in Van Dale staan, doet niet ter zake.

KARAKTERISEREN
Door te karakteriseren krijgen we een veel ruimere blik op het verschijnsel dat we willen begrijpen.

Rudolf Steiner:
‘Wir charakterisieren, wenn wir die Dinge unter möglichst viele Gesichtspunkte stellen.
En we karakteriseren wanneer we dingen van zoveel mogelijk gezichtspunten uit belichten.
GA 293/146
vertaald/142

Dat de wetenschap zoveel interessante feiten heeft vastgelegd, vind ik geweldig. Die feiten benadrukken wat je –al tegenstellend- kunt vinden:

Wat een groeikracht vertoont bv. deze plant.
Die groeit 20 cm. per dag! Als wij dat in onze eerste levensdagen zouden doen, waren we na een week al 1.40 m gegroeid!

Water
is het belangrijkste bestandsdeel van alle levende organismen (70-75%).
Het vertegenwoordigt ook het grootste gedeelte van de dagelijkse voeding. Als water onthouden wordt, dan ontstaat er al snel een staat van uitdroging en dat leidt onherroepelijk tot de dood!

De populier heeft tot 1500 liter per dag nodig.
Dat betekent dat er 150 emmers van 10 liter naar boven moeten worden gesjouwd, tot in het topje toe!

Er valt gemiddeld per jaar 73,2 cm regen volgens het KNMI. Nederland heeft een oppervlakte van 41547 km2 en dan valt er volgens het volgende rekensommetje 0,732m x 41547×1010m = 3,041×1010m3 dit staat gelijk aan 30,412 km3 per jaar. (dit is 30 met 12 nullen als je er liters van maakt)

Wij beleven onszelf met ons lichaam meer als stoffelijk wezen, terwijl we uit een veel groter percentage vloeistof bestaan.

Het etherlijf is in dit opzicht ook een ‘vloeistoflijf’.

Onze stofwisseling is voortdurend bezig om de vaste(re) substanties die we gegeten hebben zo te bewerken dat ze als vloeistof door de cellen kunnen worden opgenomen. We eten, we drinken, maar we laten het stofwisselingsproces zijn eigen leven!  leiden.
We vertrouwen en hopen erop dat het goed gaat. Maar zoals al eerder gezegd, we weten niet wat er zich precies in ons lichaam afspeelt. Wij hebben er bewust (met ons bewustzijn) minder ‘weet’ van dan dit levenskrachtige stofwisselingssysteem. Onbewust ‘weet’ dit er kennelijk (veel ) meer van.

Opnieuw vertoont zich hier een tegenstelling: bewustzijn-onbewustzijn.

In dit ‘weet-hebben-van’ lijkt het etherlijf meer te weten van ons lijf dan wij zelf. Mogen we misschien zeggen dat het ‘wijzer’ is?

Dit vormkrachtenlijf vormt ons voortdurend naar hoe we kennelijk gevormd moeten zijn. Als het ons anders vormt dan naar de gegeven vorm, beleven we dat als een afwijking, een deformatie. Zo lang dat niet het geval is, mogen we ons gezond noemen; in het andere geval zijn we ziekelijk of ziek.

Ons vormkrachtenlijf heeft ‘weet’ van de vorm; houdt deze in stand. Het is alsof deze het ‘model’ wat in stand gehouden moet worden op die heel specifieke manier, kent. Het is daarmee ook ‘modelvormende kracht’ – ‘modellijf’.

Laten we nu eens kijken naar bijv. de vorm van een dijbeen.

dijbeen2
De beenderen hebben hun buitengewone stevigheid vooral te danken aan de manier waarop ze gebouwd zijn. Het dijbeen dient bijvoorbeeld als steunpilaar, aangezien het ons hele lichaam draagt. Als we een ingenieur een pilaar zouden laten ontwerpen die dezelfde taak heeft als ons dijbeen, dan zou de ingenieur in de pilaar steun- en treklijnen tekenen, die net zo lopen als de bindweefselbundels (benige deeltjes) in de kop van het been. [4]

ingenieur
Het is interessant dat hier over een ‘ingenieur’ wordt gesproken. Die het net zo gemaakt zou hebben zoals het bot zich als bouwwerk vertoont. Dat betekent niet meer of minder dan dat aan de bouw van dit bot intelligentie wordt toegeschreven. De ingenieur komt tot zijn model door allerlei berekeningen en het volgen van bepaalde bouwkundige wetten!

Dan kan ik er niet omheen de vraag te stellen: wie of wat is dan de ‘ingenieur’ die dit bot in deze vorm ontwerpen heeft.

Voor Richard Dawkins die van geen ‘ontwerp’ wil weten, is hij in ieder geval blind.

Rudolf Steiner:
Wanneer wij het menselijk lichaam alleen al uiterlijk bekijken, moeten wij tot onszelf zeggen: Wat is het menselijk lichaam toch een wonder van volmaaktheid!  Meer
GA 59/252-253
Vertaald

Op veel meer plaatsen vind je in het werk van Steiner zijn gezichtspunten over het etherlijf. 
Hier volgen er een paar waarbij het gaat om de samenhang tussen fysiek lichaam en etherlijf en het verband etherlijf – plant. 

Fortpflanzung und Wachstum hat der Mensch mit den Pflanzen und Tieren gemein. Durch Fortpflanzung und Wachstum unterscheidet sich das Lebendige von dem Leblosen Mineral.
Lebendiges entsteht aus Lebendigem durch den Keim. Die Kräfte die einen Eichbaum gestalten, müssen wir auf dem Umwege durch den Keim in Mutter-und Vaterpflanze suchen. Die Form der Eiche erhält sich bei der Fortpflanzung von den Vorfahren zu den Nachkommen. Es gibt innere, dem Lebenden angeborene Bedingungen.

Die Form des Lebenden pflanzt sich durch Vererbung fort. Wie ein lebendes Wesen sich entwickelt, hängt davon ab, aus welchem Vater-oder Mutterwesen es entstanden ist, oder mit anderen Worten, welcher Art es angehört. Die Stoffe aus denen es sich zusammensetzt, wechseln fortwährend, die Art bleibt während des Lebens bestehen und vererbt sich auf die Nachkommen. Die Art ist damit dasjenige was die Zusammenfügung der Stoffe bestimmt.

Diese Artbildende Kraft soll Lebenskraft genannt werden.

Wie sich die mineralischen Kräfte in den Kristallen ausdrücken, so die bildende Lebenskräfte in den Arten oder Formen des pflanzlichen und tierischen Lebens.

Die Äusserungen der Lebenskraft nimmt der Mensch durch die gewöhnlichen Sinne nicht wahr. Er sieht die Farben der Pflanze, er riecht ihren Duft, die Lebenskraft bleibt dieser Beobachtung verborgen.

Voortplanting en groei heeft de mens met de planten en dieren gemeen. Door deze twee fenomenen onderscheidt dat wat leeft zich van het levenloze mineraal.
Leven ontstaat uit leven door de kiem. In opvolging van leven sluit zich nakomelingschap aan bij de voorvaderen. De krachten waardoor een mineraal ontstaat, zijn gericht op de grondstoffen zelf, die er de bestanddelen van vormen. Een bergkristal ontstaat door de krachten welke zich bevinden in het silicium (kiezel) en de zuurstof, waaruit het bestaat. De krachten waardoor een eik wordt gevormd, moeten wij langs een omweg zoeken via de kiem in de moeder- en vaderplant. En de vorm van de eik blijft bewaard bij deze reeks van voortplantingen. Er bestaan innerlijke voorwaarden welke alles wat leeft aangeboren zijn.

De vorm van alles wat leeft, plant zich voort door overerving. De wijze waarop een levend wezen zich ontwikkelt, is afhankelijk van de ouders uit wie het is voortgekomen, of, met andere woorden, van de soort waartoe het behoort. De samenstellende bestanddelen wisselen voortdurend; de soort blijft tijdens het leven bestaan en zet zich voort in de nakomelingschap. Door de soort wordt de samenvoeging der substanties bepaald.

Deze kracht, die de soort vormt, zal als levenskracht worden aangeduid.

Gelijk de in de mineralen werkende krachten tot uitdrukking komen in de kristalvormen, zo manifesteert zich de vormgevende levenskracht in de soorten of vormen van het plantaardig en dierlijk leven.
GA 9/34-35
Vertaald

Der Ätherleib ist nicht etwa bloβ ein Ergebnis der Stoffe und Kräfte des physischen Leibes, sondern eine selbständige, wirkliche Wesenheit, welche die genannte physischen Stoffe und Kräfte erst zum leben aufruft.

Im Organismus liegt etwas vor, was nicht unorganisch ist: das bildende Leben. Diesem liegt der Äther-oder Bilde-Kräfte-Leib zugrunde.

Ein bloβer physischer Körper hat seine Gestalt durch die dem Leblosen innewohnenden physischen Gestaltungskräfte; ein lebendiger Körper hat seine Form nicht durch diese Kräfte, denn in dem Augenblicke wo das Leben aus ihm gewichen ist, zerfällt er. Der Lebensleib ist eine Wesenheit, durch welche in jedem Augenblicke während des Lebens der physische Leib vor dem Zerfalle bewahrt wird.

So wie der Mensch durch seinen physischen Leib der mineralischen, so gehört er durch seinen Ätherleib der Lebenswelt an. Nach dem Tode löst sich der physische Leib in der Mineralwelt, der Ätherleib in der Lebenswelt auf.

Maar in het organisme bevindt zich nog iets, wat niet anorganisch is: het vormgevende leven. Dit vormt de grondslag van het ether- of vormkrachtenlichaam.

Het etherlichaam is voor hem niet slechts een resultaat, voortkomende uit de materialen en krachten van het fysieke lichaam, maar een zelfstandige realiteit, door welke de genoemde stoffen en krachten eerst tot leven komen.

Als men redeneert: een louter fysiek lichaam, bijv. een kristal, heeft zijn gedaante gekregen door de fysieke vormkrachten, die zich in het levenloze bevinden. Eer levend lichaam daarentegen krijgt zijn vorm niet dooi deze krachten, want op het ogenblik dat het leven eruii geweken is en het alleen maar onderworpen is aan de natuurkrachten, gaat het over tot ontbinding. Tot het wezen van het etherlichaam behoort het om op ieder moment van het leven het fysieke lichaam tegen ontbinding te beschermen.

Zoals de mens door zijn fysieke lichaam behoort tot de wereld der dode grondstoffen, zo behoort hij door zijn etherlichaam tot de wereld van het levende. Na de dood vergaat het stoffelijk lichaam, lost als het ware op in de wereld der mineralen; het etherlichaam wordt op genomen in de wereld van het leven.
GA 9/36-38
Vertaald

Diesen Äther- oder Lebensleib hat der Mensch mit Pflanzen und Tieren gemeinsam. Er bewirkt, daß die Stoffe und Kräfte des physischen Leibes sich zu den Erscheinungen des Wachs­tums, der Fortpflanzung, der inneren Bewegung der Säfte usw. gestalten. Er ist also der Erbauer und Bildner des physischen Leibes, dessen Bewohner und Architekt.

Dit ether- of levenslichaam heeft de mens met planten en dieren gemeen. Het bewerkstelligt, dat de stoffen en krachten van het fysieke lichaam zo tot een orga­nisch geheel gevormd worden, dat de verschijnselen van groei, voortplanting, inwendige vloeistofbeweging enzovoort optreden. Het etherlichaam bouwt dus het fysieke lichaam op en geeft het zijn plastische vorm, het is zijn bewoner en tevens zijn architect.

Der Ätherleib ist eine Kraftgestalt; er besteht aus wirkenden Kräften, nicht aber aus Stoff;

Het etherlichaam is een gesloten complex van  krachten, het bestaat niet uit materie, maar uit krachtwerkingen

Sein Äther- oder Lebensleib ist lediglich der Träger der lebendigen Bildungskräfte, des Wachstums und der Fortpflanzung.

Zijn ether- of levenslichaam is enkel en alleen nog maar de drager van de vitale vormkrachten, van groei en voortplanting.
GA 34/315-317
vertaald

In alldem was das Wachsen, den Aufbau unseres Körpers betrifft, gleichen wir der Pflanze, wie jedes organische Wesen.
In alles wat de groei, de opbouw van ons lichaam betreft, lijken we op de plant, zoals ieder organisch wezen.
GA 52/34
Niet vertaald

Wanneer op blz. 24 sprake is van fysiek lichaam, etherlichaam en astraallichaam en hun verbonden-zijn met de drie rijken in de fysieke wereld, is het het etherlijf dat verbonden is met het plantenrijk.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2]
 GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

[4] Het menselijk lichaam
Uitg.Christoph Columbus Verlags AG, Clarus. 1977, blz. A14

Over het etherlijf            kind en etherlijf
.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1359-1271

.

VRIJESCHOOL – De ochtendspreuk op de vrijeschool (2)

.

Benediktus Hardorp, Erziehungskunst 53e jrg., nr.10-1989
.

de ochtendspreuk op de vrijeschool

BLIKRICHTING VOOR DE LEERLING OF INDOCTRINATIE?

Iedere morgen bij het begin van de ochtendlessen wordt er op de vrijescholen door de leerlingen en hun leraar gezamenlijk een ochtendspreuk gezegd. Er is er een voor de klassen 1 t/m 4, die past bij de belevingswereld van deze jonge leeftijd vóór het 10e levensjaar en een tweede* voor de klassen 5 t/m 12, waarover het hier zal gaan.
De eerste is bestemd voor de leeftijd van het schoolkind waarop het kind zich nog heel verbonden beleeft met zijn natuurlijke en sociale omgeving waarin voor hem een geestelijke achtergrond van de wereld nog heel vanzelfsprekend is. In dit opzicht vertoont het tiende levensjaar menskundig een bepaalde belangrijke cesuur in het leven waarin de verhouding van de jonge mens t.o.v. de wereld verandert. De wereld wordt duidelijker als feitelijk gegeven – als zintuigwereld – beleefd, in toenemende mate wordt het eigen zielenleven ervaren, de jonge mens bereidt zich voor om in het leven zijn individuele doelen te stellen en zijn eigen lot ter hand te nemen. Bij deze beginnende levensfase past de ochtendspreuk voor de klassen 5 t/m 12 waar we het nu over gaan hebben.
De laatste tijd zien bij gelegenheid tegenstanders die de vrijeschool als een instrument van wereldbeschouwelijke indoctrinatie beschouwen – in het bijzonder vertegenwoordigers van de twee toonaangevende kerken, maar ook door individuele pedagogiewetenschappers of juristen [1]; de laatste citeren dan meestal de eerste; je merkt aan veel van die betogen dat ze de tekst van de ochtendspreuk zelf niet kennen; zo nemen liever zonder eigen onderbouwing aan, wat ze als opvatting bij anderen gelezen of gehoord hebben.
Hoe juist of verkeerd de 
‘waarheid’ met betrekking tot de school die via opgeklopt citeren of simpelweg maar wat beweren, ook mag zijn: voor ons kan het aanleiding zijn er onszelf nieuw en misschien nog gedegener dan tot nog toe mee bezig te houden. Voor deze aanleiding moet je de tegenstanders eigenlijk dankbaar zijn.
Want de ouders van onze leerlingen zal het toch wel interesseren of zo’n antroposofische ‘indoctrinatie’ nu plaatsvindt of niet, of de kinderen nu tot vrijheid opgevoed worden, op weg geholpen worden hun individuele zelf te vinden of dat een of ander iemand ze hoe dan ook zou willen beïnvloeden met wat niet met de levensopvatting van de ouders of met hun eigen toekomstige levensweg volledig overeen zou komen.
Laten we daarom, wat in de al genoemde kritische uiteenzettingen in de regel niet gedaan wordt, naar de spreuk en de inhoud kijken en proberen ons een eigen oordeel te vormen. Wat wil deze spreuk? Is deze iets wat van buitenaf bij de ‘normale=neutrale) inhoud van het onderwijs komt – of ondersteunt deze dit nu net en gaat het hiermee juist, om wat inhoud en doel van het onderwijs zou moeten zijn?
In het laatste geval zou deze dus wat het ‘normale’ onderwijs wil en moet bereiken, versterken, ondersteunen, bewust maken. In het andere geval is er sprake van indoctrinatie.
Kijken we eens naar de spreuk voor de klassen 5-12:

Ik zie rond in de wereld;
Waarin de zon haar licht zendt,
Waarin de sterren fonkelen;
Waarin de stenen rusten,
De planten levend groeien,
De dieren voelend leven,
Waarin de mens bezield
De geest een woning geeft;
Ik schouw diep in de ziel,
Die binnen in mij leeft.
De godesgeest, hij weeft
In zon- en zielelicht,
In wereldruimten, buiten,
In zielediepten, binnen
Tot u, o godesgeest,
Wil ik mij vragend wenden,
Dat kracht en zegening
Voor leren en voor arbeid
Tot wasdom moge komen.

De spreuk richt de blik van de leerling, wanneer we de tekst volgen, in drie richtingen: naar de wereld, in de eigen ziel, op de eigen levensweg, op de zin en het doel daarvan.
Ook al is de tekst zelf niet nadrukkelijk in drie delen verdeeld, je kan toch – in ieder geval voor ons doel – over drie ‘strofen’ spreken waarvan de beide eerste ieder met het ‘ik zie’ beginnen, terwijl de laatste het heeft over ‘ik wil’, naar ‘ik vraag, dat ….(in het Duits) mij…tot wasdom komt (kome)’. Terwille van de duidelijkheid zal in wat nu volgt sprake zijn van drie strofen.

Het motief van de eerste strofe is het waarnemen van de wereld, ontmoeting met de wereld, kennen van de wereld: de zon, de sterren, de aardewereld (stenen) waar je zo naar kijkt; dat brengt de mens tot bewustzijn: ‘Je bent een burger van de kosmos; die geeft je zijn schoonheid, zijn rijkdom, zijn grootsheid: het licht is er, de fonkeling, de rust.’
Goed te onderscheiden kwaliteiten van ‘wat er daar in de wereld is’, worden in ons opgeroepen. De aardewereld hebben we niet alleen door de stenen en de afzettingslagen (het Duits heeftlagern) we leven bovenop hen ook samen met de plantenwereld, die voor zichzelf en voor ons – ‘levend groeien’.
We worden er iedere dag tegenwoordig op gewezen, dat wij verantwoording voor hun – onze – leefwereld moeten nemen, zodat er geen bossen uitsterven, het water niet vergiftigd wordt, geen algenpest, geen ozongat, is, geen houtkap van de regenwouden en wat het leven nog meer bedreigt of zelfs vernietigt.
We moeten na het kijken naar de plantenwereld de blik ook richten op de dieren: zoals zij ‘voelend leven’, hoe zij ons en ons leven ten dienste staan, hoe wij verantwoordelijk voor hen zijn en hun leven dienen te beschermen. Het nieuws dat ons dagelijks bereikt over zeehondensterfte, soortverdwijning, dieren in de bio-industrie, dierproeven enz. maken ons dát elke dag opnieuw bewust. Iedere dag moeten we eraan denken, dat de dieren – zoals wij – ‘voelend leven.’
En ten slotte moet het duidelijk voor ons zijn dat de mens een bijzonder wezen is in dit samen leven, omdat hij niet alleen leeft en voelt, maar daarbovenuit verantwoordelijkheid kan nemen, de ‘geest een woning’ kan geven. Aan de mens wordt nu een nieuw wereldprincipe duidelijk, de mens is een kennend wezen: hij verschilt van de andere levende en voelende wezens van deze wereld doordat in hem de andere wezens, het leven of het zijn in zijn voelen als kennis kan leven. Door een wetend wezen te zijn, is de mens op de hele wereld betrokken, is hij als gevoelswezen een microkosmos in de macrokosmos van het geestelijke en fysieke aspect van de wereld, hij is ‘het evenbeeld van God’. Wat geestwereld is, waarin de dingen niet naast elkaar staan en elkaar raken, maar waarin ‘het ene het andere doordríngt en doorlééft’, begint in hem ‘aanwezig’ te zijn en werkzaam te worden. De waardigheid van de mens, waarvan ook de Grondwet uitgaat, wordt daarin bijv. door onze rechtsorde gezien en gerespecteerd.

Nadat in de eerste strofe de wereld, wat zij als inhoud heeft, haar rijkdom, haar toestand ons als een ontmoeting met de zintuigwereld en de zintuigkennis bewust is geworden, wordt in de tweede strofe een nieuwe blikrichting gegeven, mogelijk en nodig: de waarneming van het eigen zielenrijk in ons innerlijk. Dit nieuwe ‘rijk’ staat als een tweede rijk tegenover het eerste; de aanwezigheid van een binnenleven, brengt het leven buiten ons pas tot bewustzijn; nu begint de mens de relaties tussen Ik en wereld beter te kennen en te doorgronden. Het zonlicht verlicht de uiterlijke wereld; daardoor wordt die voor ons zichtbaar en beleefbaar. Wat verheldert, licht brengt leeft echter – reëel in de ziel – ook in ons zelf. Hierbij gaat het niet om uiterlijk, ‘meetbaar’ licht, maar: wanneer wij over ons denken, over ons kennen spreken, moeten we uitdrukkingen uit de ervaring van de wereld van de zintuigen beeldend voor onze innerlijke zielenervaring plaatsen en voor deze nieuwe (binnen)wereld leren gebruiken. De menselijke ziel leren kennen, lijkt op een (innerlijke) ervaring van licht. Wanneer we iets begrijpen, zeggen we, ‘dat ons een licht opgaat’, dat voor ons iets ‘helder’ wordt, ‘een lampje gaat branden’. Dat licht in onze ziel dat ons opgaat, dat ‘alle mensen opgaat’, maakt het licht in ons; het maakt dat we de wereld gaan begrijpen; we ‘doorzien’, zien door de uiterlijke schijn heen.

Stap voor stap gaan we de dingen zien die eerst zo onbereikbaar voor ons waren: hun wetmatigheid leeft in ons denken, in de activiteit van onze ziel en wordt daardoor ook als kennis in ons bewust. De wijsheid van de wereld die je kan leren kennen en al kent, de kracht die in de wereld leeft en werkzaam is, kan in ons bewustzijn tot een eigen beleving in de ziel worden; de ochtendspreuk wijst daarop met de woorden: ‘de godesgeest, hij weeft in zon- en zielenlicht’. De pendelslag tussen Ik en wereld, het ritmische overgaan van ‘wereldruimten buiten’ naar ‘zielendiepten binnen’ wordt bewust.
In de taal van het Johannesevangelie zou je kunnen zeggen: het licht dat alle dingen geschapen heeft, dat alle mensnen – ook ons – verlicht, wordt ons stap voor stap bewust; daar worden we op gewezen; misschien eerst door een getuige – zoals Johannes ( de Doper) – die een levensgetuigenis (‘martyrium’) voor het licht aflegt en zo de weg naar het eigen kennen van God of geest, naar de waarheid wijst; hijzelf is door Jezus Christus ‘geworden’ – als de wereld.
Tegenover enkel de wereld van de zintuigen of het ervaren van de buitenwereld wordt zo in de eigen ervaring van de ziel een ruimer levensterrein van de mens ontsloten. Hij kan zowel van de zintuigwereld – als ook van de geesteswereld in zijn ziel wat ervaren en t.o.v. beide werelden met zijn oordeel in het denken – zelfstandig – worden.

Waar staan we met deze stap op onze weg van oriënteren in het leven?
Eerst zijn we begonnen de wereld te leren kennen, toen hebben we onszelf gevonden in het gevoelsbeleven: nu moeten we onze eigen levensweg opgaan en deze doelgericht met onze wereld- en zelfervaring bepalen. Wat willen we? Waarheen gaan we? Een antwoord daarop moet ieder voor zichzelf geven. Maar voor allen kan één ding duidelijk zijn: dat wij op deze weg hulp nodig hebben, omdat binnen en buiten niet zo maar met elkaar in harmonie zijn. Deze hulp verwachten we en vragen erom wanneer we de wereld rondom ons en in onszelf wat beter hebben leren kennen: aan de godesgeest die we in ‘zon- en zielenlicht’ als iets wat in onze ziel tot kennis wordt al ontmoet hebben. Met hem samen, mogen we hopen, zal het ook op onze levensweg goed komen.

Langs deze weg ontwikkelen we kracht – en deze kracht kan in het leven op weerstand stuiten; ze kan ook zegenrijk in het leven en voor het leven blijken te zijn. De ontwikkeling van de eigen zielenkracht en zegenrijke vervulling van ons leven door het antwoord van de wereld, van het levenslot, horen samen. Voor de kracht die we ontwikkelen zijn we zeer zeker zelf verantwoordelijk; op de zegen die op onze kracht kan volgen, moeten we wachten, die kunnen we vragen. Deze vraag zal des te zinvoller zijn, wanneer deze past bij de omstandigheden van het leven, de wetmatigheden van de wereld die ons in ons kennen fundamenteel toegankelijk zijn geworden. We moeten onze kracht in overeenstemming kunnen brengen met de wetmatigheid van de wereld, met hoe het in onze ziel gesteld is, met wat we als kennend wereldlicht in onze ziel kunnen vinden en die vandaaruit leren inzetten en ontwikkelen. We moeten in onszelf de kracht van de zelfopvoeding ontwikkelen, kracht om wat we als mens geworden zijn, óm te vormen – en daarmee kracht om de wereld te veranderen. Wie zichzelf in de hand heeft, kan in de wereld werkzaam zijn; natuurlijk mislukt er ook veel – maar andere dingen lukken misschien wel.
Maar de grondregel blijft: ik moet leren met mezelf overweg te kunnen, ik moet zelf een andere richting op kunnen gaan. Wanneer ik dit doe bij leren en werken, bij het verwerven van competenties en bij het inzetten van mijn verworven kracht voor de wereld, zal ik een individueler mens worden, meer vervuld van de zin van zijn leven en van het leven überhaupt en een daaruit werkende mens worden. Dan zullen voor mij ‘kracht en zegen’ samenkomen, dan zullen ‘leren en arbeid’ mij en de wereld vooruit helpen. Dan zal ik tenslotte het leven ‘kostbaar’ vinden, omdat het ‘moeite en arbeid is geweest’ [hier wordt verwezen naar psalm 90 vers 10, die in het Duits ‘Mühe und Arbeit heeft – waar het Nederlands ‘moeite en verdriet’ heeft].
Uit de individueel geworden mens, die een kennende en een wilsverhouding tot de wereld van de geest ontwikkeld heeft, ontstaat zoiets zegenrijks voor de wereld als geheel.
De spreuk brengt je tot het bewustzijn van deze weg van wereldervaring, van wereldkennis tot zelfkennis en van deze dan tot zelfopvoeding en daarmee tot wereldverandering leidt. Hij richt de blik van de mens in drie richtingen van het leven – zijn leven – en spoort hem aan de wereld bewust te gaan kennen en zichzelf. Deze leidt niet tot bepaalde geloofsinhoud [2] of zelfs dwingende verplichtingen voor het handelen; hij kent geen indoctrinatie. Hij spreekt levenswetmatigheden uit. Hij maakt bewust wat de mens om vrij in het leven te kunnen handelen, nodig heeft: kennis van de wereld en allereerst, wat is je plaats, een realistisch inschatten van je eigen mogelijkheden, de eigen vermogens ook, en tenslotte: wil en moed voor het besluit dat daaruit volgt om in de wereld te handelen – door zelfopvoeding te bereiken.
De ochtendspreuk schetst daarmee beknopt de weg en de zin van de weg die wij met onze leerlingen op school als een weg naar zichzelf en naar hun eigen leven willen gaan. Wie zo zichzelf vindt, vindt ook de weg naar de geest, naar God. Deze weg wordt als een individuele weg – ‘ik zie’ (niet wij zien), “ik wil’ – naar een persoonlijke God – tot u, o godesgeest’ geschetst.
Kan er op school iets zinvollers zijn dan zich deze samenhang in het leven iedere morgen bewust te maken, vandaaruit het onderwijs binnen te gaan – dat vanuit deze geest vorm te geven?

Wie – overigens – de gedachten en geschriften kent van de heilige Thomas van Aquino – zijn schets over de opbouw van de wereld [3] en haar wezens (ongeveer in het 11e hoofdstuk van boek IV van Summa (publicatie) tegen de heidenen) of zijn commentaar op de proloog van het Johannesevangelie [4]- kent, kan snel opmerken dat er niet alleen geen tegenstelling bestaat met de opvatting van deze ‘algemene kerkleraar ‘(tenminste van de katholieke christenen), maar dat er nauwelijks een meer pregnante uitdrukking van een levende thomistische geest in de taal van nu gegeven wordt – op het terrein van school en opvoeding – als juist de besproken ochtendspreuk van de vrijeschool. Die is geheel uit de spirituele stroom gevormd die ook in het levende thomisme van de middeleeuwen tot uitdrukking komt – hij volgt daar eerder direct op. [5]
Juist op dit punt zouden we ons niet moeten laten irriteren door onkundige critici.

[1] Als kerkvertegenwoordiger: J.Baldwin: Anthroposophie, Konstanz 1986, S.152
Als pedagogiewetenschapper: K.Prange: Erziehung zur Anthroposphie, 1985;
voor de juridische literatuur: G.Eiselt: Art.7 Abs. 5GG im System des Privatschulrechts, DÖV 1988,S.211 ff., insbes.S.216
[2] Deze blikrichting kent de catechismus van de protestantse kerk (in Baden) ook, in het eerste geloofsartikel dat luidt: ‘Wij leren God kennen door zijn openbaring in de natuur, in de geschiedenis van de mens en in ons innerlijk; heel in het bijzonder in de Heilige Schrift.’
[3] Vgl. .Josef Pieper: Kurze Auskunft über Thomas von Aquin. München 1963, S.44ff.
[4] Vgl. Thomas von Aquin: der Prolog des JohannespEvangeliums. Übersetzt und erläutert von W.-U.Klïnker, Stuttgart 1986, S.93ff.
[5] Elementen van deze samenhang vind je bij R.Steiner: Die Philosophie des Thomas von Auino (GA 74) en in het artikel van de schrijver: De kennisstijl van Thomas van Aquino en de methode van de antroposofische geesteswetenschap van Rudolf Steiner. DIE DREI, bijlage 1 van mei 1989, blz. 31 ff.

*Zie voor het ontstaan van deze spreuken: Rudolf Steiner over de ochtendspreuk.

Religieus onderwijs        vensteruur

.

1357-1269

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-2-4/1)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

 

In Algemene menskunde (1-2) ging het o.a. over Michaël als tijdgeest van de tijd waarvan Steiner zegt dat het ‘een bijzondere tijd’ is.

In onderstaand artikel wordt ingegaan op deze Michaëlische tijdgeest.

H.P van Manen, Jonas 19, *18-05-1979

.

De betekenis van het jaar 1879

.

Bij een avondwandeling kan het gebeuren, dat opeens een ster verschiet, een kort oplichtend, soms even roodachtig nawerkend spoor achter de vonk – juist in zijn onverwachtheid wekt het enthousiasme en een moment van bewustzijn. Je hebt het gevoel dat je tot iets wordt opgeroepen. En meteen kan de vraag opstijgen: hoeveel mensen hebben dit waargenomen? Als niemand of bijna niemand het teken heeft waargenomen, is het dan niet voor niets geweest? Ditzelfde gevoel van een lichtend signaal, indrukwekkend en tegelijk zo bescheiden, zo vluchtig, dat je je afvraagt of er wel enkele mensen zijn geweest, die het hebben kunnen waarnemen, overkomt mij bij het terugkijken op het jaar*, dat nu precies een eeuw achter ons ligt.

Het jaar 1879 geldt in de occulte stromingen van het christendom als een beslissend moment. Het markeert de in de Openbaring van Johannes beschreven overwinning van de aartsengel Michael op de draak. Deze strijd aan de hemel staat centraal in dit laatste boek van de Bijbel. Een machtig beeld wordt in de hemel zichtbaar:

Een vrouw, bekleed met de zon, de maan onder haar voeten en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren. Zij baart een zoon, die de volkeren zal weiden met een ijzeren staf. – Dan ontbrandt de strijd in de hemel. De vuurrode draak met de zeven hoofden, de tien hoornen en de zeven diademen, die het kind wilde roven en een derde van alle sterren ter aarde had doen vallen, deze draak met zijn gevolg wordt bestreden door Michael en zijn engelen. De draak, de slang van het oerbegin. die genoemd wordt Diabolos en Satanas – duivel en satan – wordt met zijn engelen uit de hemel verdreven en neergeworpen tot in de aarde.

Verder vinden wij nog een andere profetische overlevering over Michael en het jaar 1879. Met dat jaar begon een nieuwe periode in een cyclus van telkens zeven periodes van 354 jaar, die elk door een aparte aartsengel geregeerd worden. Dit vindt men beschreven in ‘Over de zeven intelligenties’, een werkje van Johannes Trithem van Sponheim, een abt die omstreeks het jaar 1500 leefde. Na 7 x 354 jaar keert eenzelfde aartsengel weer terug als regent en inspirator. De laatste, toen nog in de toekomst liggende periode die Trithem noemt is de regentschaps-periode van Michael, die in 1879 begint. (We komen in een volgende beschouwing uitvoerig terug op deze leer der aartsengelperiodes).

Behalve in het meer traditionele occultisme neemt deze Michaelopenbaring een zeer belangrijke plaats in, in het werk van Rudolf Steiner. Het is zelfs het belangrijkste thema in het uitermate rijke en geïnspireerde werk van zijn laatste levensjaar (1924/’25). Toch zijn er onder de antroposofische publicaties van Steiner zelf en van zijn leerlingen, maar weinig die aan Michael gewijd zijn. Een uitzondering is het boek ‘Aus Michaels Wirken’ van Nora Stein- von Baditz. Aan de hand van christelijke en voorchristelijke legendes en van een rijk illustratiemateriaal uit de kunstgeschiedenis, wordt een veelzijdig spoor gewezen van de geestelijke macht, die eigenlijk de geest van onze tijd is. Begeleidende beschouwingen van Ita Wegman en Herbert Hahn leggen de verbinding tussen enerzijds de godsdienstig-kunstzinnige overlevering en anderzijds Steiners mededelingen.

Waarom is er van antroposofische kant zo’n duidelijke terughouding geweest
met betrekking tot dit onderwerp? Het was niet de bedoeling van Steiner en van de antroposofie om een nieuwe mythologie of een nieuwe cultus te lanceren. De antroposofie is in de eerste plaats wetenschap van de geest en geen godsdienst. Zij gaat niet van een belijdenis of van geloofsprincipes uit. Het doel en het effect kunnen wel op een bepaalde manier religieus genoemd worden. Het woord religie wordt meestal gelezen als her-verbinding, van mens en godheid. ‘Antroposofie is een weg voor de kennis, die het geestelijke in de mens tot het geestelijke in de wereld wil brengen’, aldus Steiners klassiek geworden formulering. Inzichten en praktische resultaten van de antroposofie kunnen een enthousiasme wakker roepen, dat zeker met een religieus vuur vergelijkbaar is. Maar dan is het religieuze resultaat, geen uitgangspunt. De antroposofie spreekt dus het inzicht aan. Ieder appel aan het inzicht is in wezen een appel aan de vrijheid. Het allerbelangrijkste kenmerk wellicht, dat Steiner van het wezen van Michael geeft, is dat hij de grote schutspatroon van de menselijke vrijheid is. Die vrijheid doet men geweld aan, als men met een religieus gestemde verkondiging of met een cultus begint. Want een cultus spreekt wel direct het enthousiasme aan, maar niet de vrijheid, althans niet zo makkelijk.

De terughoudendheid ten aanzien van machtige bovennatuurlijke gegevens is dus niet alleen begrijpelijk maar ook gerechtvaardigd. Aan de andere kant wint met het verstrijken der jaren een ander gezichtspunt aan gewicht. Men laat een belangrijk stuk vrijheid onaangesproken als men bepaalde gegevens verzwijgt of te weinig belicht. Men mag honderd jaar na het begin van het nieuwe Michaelstijdperk en meer dan een halve eeuw na Steiners dood van zijn leerlingen verwachten, dat zij zaken als deze althans gedeeltelijk met het eigen inzicht geïntegreerd hebben. En vanuit het eigen inzicht kan altijd een beroep gedaan worden op het inzicht van tijdgenoten. Het gaat hier bovendien om iets dat al gedeeltelijk geschiedenis geworden is, geen profetie meer is. Aan de andere kant is het nabije toekomst, door allerlei vaak angstige berekeningen, plannen en profetieën. Kortom, het gaat om een actuele wereldaangelegenheid.

Laat zich aan de historische gebeurtenissen van en omstreeks 1879 iets aflezen van de Michaëlische signatuur van dat jaar?

Het eerste wat bij een vluchtige verkenning opvalt is, dat het als gewoon historisch jaartal niet opvalt. 1878 was wel vrij belangrijk geweest. Door bepaalde oorlogshandelingen en verschuivingen op de Balkan had een grote Europese oorlog gedreigd, voornamelijk tussen Engeland en Rusland. Deze oorlog werd voorkomen door de Duitse rijkskanselier Bismarck op het Congres van Berlijn.
1876 en 1881 zijn vette jaren in de geschiedenis van het imperialisme, de onderlinge race tussen de grote Europese machten om het bezit van koloniën, vooral in Afrika.
Nee, 1879 betekent in de gewone politieke geschiedenis allerminst een nieuw begin. En cultureel gezien valt het ook middenin een tijdperk, waarin verschillende parallel lopende ontwikkelingen gaande waren. Welke ontwikkelingen?

“De 19e eeuw was één grote Sint-Nikolaasavond’. Deze bekende uitspraak van Busken Huet slaat op de tweede helft van de vorige eeuw*. Met de vele surprises en cadeautjes, die bij zo’n avond horen, worden hier bedoeld de verrassende reeks van natuurwetenschappelijke en technische vondsten, zoals de spoortrein, de stoomboot, steeds weer nieuwe fabrieksprocédés, de kabeltelegrafie, de fotografie, de telefoon, de gasverlichting en – inderdaad, hoe aardig, precies in 1879! – de elektrische gloeilamp van Edison. De automotor, de draadloze telegrafie en, na 1900, moesten de radio en het vliegtuig nog volgen. Met deze adembenemende serie triomfen van wetenschap en techniek gingen hand in hand de uitbreiding van industrie en mijnbouw, de vergroting van de havens, het toenemen van handel en consumptie, de groei van de steden. Het was de tijd, dat de welgestelde, ontwikkelde burgerij de toon aangaf. De koloniale wereldheerschappij van de blanke man streefde naar een hoogtepunt dat omstreeks 1900 bereikt werd. Behalve de gloeilamp staat onder 1879 nog een ander leuk feit geregistreerd, (leuk wil hier zeggen: niet revolutionair maar wel illustratief). De grote populaire vertolker van de stemming van die tijd was Jules Verne. Hoe beschaafd en beheerst en toch spannend gaat deze grote pionier van de sciencefiction te werk. In 1879 verscheen zijn ‘Reis om de Wereld in Tachtig Dagen’. Niet zijn meest visionaire werk maar wel kenmerkend voor de enigszins materialistisch gerichte triomfstemming van toen.

Materialistisch inderdaad. Want met een Michaëlische wending naar de geest hebben zaken als de hier genoemde weinig te maken. Vooral als men de wetenschappelijke en sociale bewegingen van die tijd opsomt, de -ismen: darwinisme, imperialisme, marxisme – het zijn evenzovele vormen van materialisme.

Natuurlijk waren er naast deze hoofdstromingen nevenstromen van een andere allure. Achter de harde materialistisch-marxistische vorm leefde in de arbeidersbeweging een dringend noodzakelijk humaan protest. Andere even gerechtvaardigde protestbewegingen waren de vrouwenbeweging en iets later de jeugdbeweging.

Vooral in de kunst waren belangrijke vernieuwingsstromingen gaande. Het impressionisme was net in opkomst in de schilderkunst. Het paste niet bepaald in een materialistisch kader. Van het naturalisme, dat toen in de romanliteratuur zijn kop opstak, kan dat weer minder gezegd worden. Beide stromingen waren, vermengd met andere elementen, van invloed op de Beweging van Tachtig, de generatie van jonge dichters en prozaschrijvers, die in de jaren daarop nieuw leven in de Nederlandse literatuur brachten.

Om het rijtje vol te maken noemen we nog enkele gebeurtenissen van het jaar 1879 zelf.

Twee jaar tevoren in 1877 was de Zuid-Afrikaanse boerenrepubliek Transvaal zonder bloedvergieten en met slechts minimaal machtsvertoon door de Britten bij hun wereldrijk ingelijfd. Het protest van de boeren bleef bij ontevreden gemopper en het sturen van een delegatie naar Londen, die met beleefde en eerbiedige verzoeken niets bereikte. In 1879 zwol dit protest opeens aan, het kreeg een dimensie erbij, het kreeg bezieling. De opstand van 1880 – 1881, de 1e Boerenoorlog, waarbij onder Krugers leiding de onafhankelijkheid herwonnen werd, tot grote voldoening van het stamverwante Nederland, was het gevolg van deze plotselinge bezieling. Wij kunnen rustig stellen, dat de Suidafrikaner natie in 1879 geboren is. – Maar ook deze gebeurtenis brengt ons niet veel verder. Al het Michaëlische, zo zullen wij nog zien, draagt een kosmopolitisch stempel. Michael wil grenzen tussen volkeren en rassen overbruggen. Het nationalisme, ook een typisch 19e-eeuws verschijnsel, moet eigenlijk verdwijnen. Maar onze Suidafrikaanse stamverwanten hebben zich juist sterk in nationalistische richting ontwikkeld.

In november 1879 werden in Noord-Spanje door het dochtertje van een Spaanse amateur-paleontoloog de machtige geschilderde bisons in de grot van Altamira ontdekt. Het bleek de belangrijkste vondst te zijn op het gebied van de ijstijdkunst. Het is het oudste en meteen op zeer hoog niveau staande voorbeeld van menselijke schilderkunst. Een groot raadsel, deze grotschildering, van een verfijning die niets primitiefs heeft en van een natuurgetrouwe liefdevolle precisie die niets magisch of symbolisch meer heeft. En dan vervaardigd meer dan tienduizend jaar geleden, lang voor alle bekende hoge en primitieve beschavingen. Zo revolutionair was deze ontdekking, dat de wetenschap er lange tijd niet aan wilde en de zaak voor een vervalsing van de Spaanse ontdekker hield. Deze hoogstaande holenkunst paste namelijk helemaal niet in het materialistische beeld van de primitieve aapachtige oermens.

Op zichzelf is dat niet oninteressant. In de tijd, dat de schilderkunst, in het impressionisme, tot een besef komt, dat het hoogste doel niet (meer) de exacte weergave van de natuurlijke werkelijkheid is, wordt het schilderwerk ontdekt uit de voorhistorische tijd, toen de mens zich aan de precieze zintuigelijke waarneming begon te onderwerpen.

Tot slot nog een ander feit. In 1879 voltooide Richard Wagner (1813-1883) de compositie – nog niet de orkestratie – van zijn Parsifal. Wagners muziekdrama’s zijn een revolutie geweest, zeer uitdagend en zelfbewust en duidelijk gericht, niet alleen tegen de traditie maar ook tegen het materialisme. Zijn werk en de hele beweging er omheen had cultische trekken: romantisch, heidens, heroïsch en mythologisch. In 1876 was het Festspielhaus in Bayreuth, dat Koning Ludwig II van Beieren voor hem had laten bouwen, geopend met de première van het viervoudige goden- en heldendrama, de Ring des Nibelungen. Rondom de jeugdige held Siegfried voltrekt zich tenslotte de Götterdammerung, de ondergang van het Germaanse godengeslacht. (Ook de Nederlandse schrijver Marcellus Emants, eigenlijk een naturalistisch schrijver en psycholoog, bewerkte in die jaren dezelfde mythologische stof tot zijn epos ‘Godenschemering’, dat in 1883 verscheen. Enkele jaren later vond het bij de jonge Tachtigers veel waardering). Zo diende deze godenondergang als wijding van een nieuw begin. Want deze grootse opening van het Festspielhaus werd door zeer velen als het begin van een nieuw tijdperk gevoeld. Een aantal enthousiasten waren letterlijk als pelgrims te voet naar Bayreuth getogen. Onbeschrijfelijk en onnavoelbaar was de stemming toen de eerste maten in de nog donkere zaal weerklonken.

Drie jaar later, in 1879, kwam de Parsifal tot stand. Weer drie jaar later, in 1882, ging deze laatste schepping van Wagner in première. In het jaar daarop, 1883, stierf hij.

In het muziekdrama Parsifal wordt de heidense heldhaftigheid verchristelijkt, niet alleen in de tekst, maar ook muzikaal. Wagner had het middeleeuwse Parcivalepos van Wolfram van Eschenbach grondig in zich opgenomen (alvorens de stof ingrijpend om te werken). Wolframs werk toont in Parcivals weg naar het graalkoningschap de verchristelijking en de vergeestelijking van het ridderideaal. En wat is de aartsengel Michael, als beeld en als geestelijke realiteit, anders dan de verpersoonlijking van de ware ridderlijke strijdbaarheid.

Onze 20e eeuw is met zijn wereldoorlogen meer dan andere eeuwen een tijd van strijd. Strijd is onvermijdelijk. ‘De oorlog is de vader van alle dingen’, zei de Griekse filosoof Heraclitus (± 500 v. Chr.). Dat was geen militaristische uitspraak. Hij wilde daarmee zeggen, dat al het nieuwe uit strijd en leed geboren wordt. Het hoort tot de originele en als steeds zeer realistische vondsten van Steiner, dat hij, omstreeks het eind van de 1e wereldoorlog, in het kader van zijn sociale drieledigheidsactie opmerkte: ‘Strijd moet er zijn maar hoort thuis in het geestesleven, niet in het economische en niet in het rechtsleven; zodra de strijd van het geestelijke, dat wil zeggen het culturele gebied, naar een der beide andere terreinen verschuift, ontaardt hij in oorlogs- en ander geweld’, (door mij vrij samengevat). Strijd tussen ideeën, niet tussen personen, kan uitermate heilzaam zijn. Dat vereist aan de ene kant een compromisloos streven naar waarheid en aan de andere kant volledig respect voor de vrijheid van de ander. Van deze ridderlijke strijdbaarheid was de aartsengel met het zwaard en de weegschaal door de eeuwen heen het bovenaardse voorbeeld. In de legende is Parcival er het menselijke voorbeeld van.

Zo kan men een samenhang ontwaren tussen de Parsifal van Wagner en het hier gekarakteriseerde element van Michael. Kan men nu op grond van het merkwaardige reveil van Bayreuth, 1879 als het Michaelsjaar herkennen? Nee, daar is beslist meer voor nodig. Daarvoor moet men dieper in de biografieën van verschillende creatieve mensen duiken, niet eens in de eerste plaats in die van Wagner.

Verder kan men grondiger bij Steiner te rade gaan. Maar, de eerste noodzakelijke voorwaarde: ook het beeld van de tijd moet dieper getekend worden dan in deze eerste verkenning mogelijk was.

Tot nog toe zagen we dat het jaar 1879, afgezien van enkele tekenen van een kentering der geesten in de kunst, middenin een tijd van triomfantelijke materieel gerichte ontplooiing valt. Zo op het eerste oog staat het niet in het teken van een overwinning van de geest op het materialisme

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

JaarfeestenMichaël: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: Michaël

.

1356-1268

.

.

.

*

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-7-2/1)

.

Enkele gedachten bij blz. 23/24 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

In het vorige artikel dat beschouwd kan worden als een inleiding op wat hier volgt, werd erop gewezen dat ‘schematiseren’ eigenlijk niet kan; en dat het willen verklaren en definiëren steeds weer het gevaar in zich draagt de werkelijkheid tekort te doen.
En toch kunnen we, wanneer we niet het helderziende vermogen hebben zoals Steiner kennelijk had, niet zonder een zoektocht met ‘het gezonde verstand’. Daartoe is dit een poging.

Het fysieke lichaam

‘Waar in de wereld vinden we ijzer?’ vroeg ik mijn toehoorders vaak, wanneer ik een cursus of een lezing gaf over het vierledige mensbeeld.
Men dacht koortsachtig na, probeerde zich te herinneren wat men op school had geleerd. Wat waren de landen waar ijzererts vandaan kwam.

Of, om het even, welke ander materie: kalk, magnesium, fosfor, enz.

Maar wanneer ik aangaf dat ik de gevonden landen niet bedoelde, was er enige verwarring, totdat uiteindelijk iemand op het idee kwam het eigen lichaam te noemen.

De stoffelijkheid van de wereld is ook onze stoffelijkheid.
Ja, in ons eigen lichaam zijn deze stoffen ook voorhanden. Ik zeg met opzet ‘ook’, om aan te geven dat de stoffen die in of op de aarde gevonden worden en waaruit de aarde bestaat, ook in ons gevonden worden. De stoffelijkheid van de wereld is ook onze stoffelijkheid.

In ‘Wat is antroposofie’ citeert de schrijver, Willem Veltman, een Amerikaan die de hoeveelheid van de voornaamste stoffen in ons lichaam berekende en ze vervolgens uitdrukte in producten of gebruiksvoorwerpen:

Vet                             voldoende voor 7 stukken zeep

IJzer                           voldoende voor 1 spijker

Suiker                        één zoutvaatje vol

Kalk                           genoeg om een kippenhok mee te witten

Fosfor                        genoeg voor 2200 luciferkoppen

Magnesium               genoeg voor één dosis magnesia

Kalium                       genoeg om buskruit te maken voor één schot uit een
kinderkanon

zwavel                       genoeg om een hond te ontvlooien

De idee dat daar in de wereld stoffen aanwezig zijn die ook in mij zijn te vinden, geeft mij een bepaalde manier van me verbonden voelen met de wereld waarop ik leef. Ik ben op deze manier een stukje van de wereld.

Dat is o.a. de verbondenheid van het fysieke lichaam met de minerale wereld, zoals op blz. 24 staat.

Dat die stoffen in mij aanwezig zijn, daar heb ik niets voor hoeven doen. Ik kreeg ze bij de geboorte mee. En hoewel ik dat toen nog niet kon beseffen, waren die stoffen er al in de wereld om me heen. 

Maar die aanwezigheid blijkt geen constante te zijn. Ik kan bijv. aan een van de stoffen een  tekort hebben – het ijzer – en dan uit zich dat in bloedarmoede. Ik kan ook een kalkgebrek hebben.
Je kunt er ook teveel van hebben: suiker of vet bijv.

En als ik een tekort aan ijzer heb, heb ik er niets aan dat ik een brokje ijzer inslik. Mijn lichaam heeft er alleen wat aan als het in aangepaste vorm kan worden opgenomen.

Stof als basis
Dat betekent eigenlijk dat de stoffen niet naar hun eigen aard in mij aanwezig (kunnen) zijn, maar dat ze zich moeten voegen naar wat ik lichamelijk als organisme ben. Ze zijn dus in zekere zin ondergeschikt aan dit organisme; ze moeten daaraan dienstbaar zijn. Ze vormen er een basis voor.

Tijdens mijn leven voegen de stoffen zich naar mijn organisme. Dit dicteert wat ik nodig heb, in welke mate en wat ik niet nodig heb.

Mijn organisme heeft daar op de een of andere manier ‘weet’ van. Als het te weinig of teveel krijgt van wat het nodig heeft, reageert het en wij voelen dat in de gewaarwordingsziel als pijn(tje), misselijkheid, duizeligheid, ziekte, honger enz.

Al levend weten wij eigenlijk van ons eigen organisme niet of dit wel de juiste stoffen in de juiste hoeveelheden krijgt.

Dit vind ik wel vreemd: het is je eigen lichaam en toch weet je niet precies wat en hoe het daarin en daarmee gaat. Pas als een bepaalde grens overschreden wordt, word je het gewaar.

Dit ‘dienstbaar zijn aan’ gebeurt dus tijdens mijn leven. In mijn organisme zijn de stoffen er tijdens mijn leven in een bepaald verband; ze zijn dienstbaar aan dat verband. Buiten mijn organisme zijn ze niet dienstbaar, ‘leiden ze hun eigen leven’.
Tijdens mijn leven dienen ze mijn leven en na mijn leven gaan ze weer hun eigen leven leiden.
Immers, wanneer ik dood ben, is de band met mijn leven niet meer nodig: de binding is overbodig en ont-binding is het gevolg. De stoffen komen weer in hun oorspronkelijke gebied: de aarde.
Stof ben je en tot stof zul je weerkeren.

Aarde
Ook in de naamgeving speelt het woord ‘aarde’ mee. Daar waar we met de meest aardse delen te maken hebben, in de botten, spreken we van beenaarde. 2/3 van het menselijke skelet bestaat eruit. Het is samengesteld uit verschillende fosforzure kalkverbindingen.

Het woord ‘fysiek’ komt van het Griekse ‘phusikos’ dat ‘tot de natuur behorend’ betekent.

In het woord ‘lichaam’ zit etymologisch het deel ‘lic’ dat ‘lijk, vlees’ betekent en ‘ham’ dat ‘omhulsel’ betekent. lichaam ‘stoffelijk omhulsel’. Samengesteld uit → lijk  ‘(dood) lichaam’ en → haam ‘omhulling’, ‘het vlees zonder leven en ziel’

Rudolf Steiner  over dit fysieke lichaam:

Die äußeren Dinge sind wir allerdings nicht, aber wir gehören mit den äußeren Dingen zu ein und derselben Welt.

Wij vallen niet samen met de voorwerpen buiten ons, maar we maken mét de dingen buiten ons, deel uit van dezelfde wereld.
GA 4/104
Vertaald

( ) Die Welt der Erscheinung.

De fysieke wereld als de wereld van de verschijnselen; de dingen, de voorwerpen enz.
GA 4/112
Vertaald

In GA 9 omschrijft Steiner het fysieke lichaam met ‘physischer Leib’. Zoals we op blz. 23/24 van de vertaling van de ‘Algemene menskunde’ zien, is dat net anders dan ‘Leibeskörper’ of ‘Körperleib’ – maar met wat je over ‘Leib – lijf’ kan zeggen, is het meteen duidelijk dat deze karakterisering wijst naar het met leven doortrokken fysieke lichaam.

( ) was er vorfindet, was er als eine gegebene Tatsache hinnimmt.

( ) wat de mens aantreft op de wereld, wat hij als een gegeven neemt.
GA 9/25
Vertaald

Innerhalb der offenbaren Welt ist der physische Menschenleib dasjenige, worinnen der Mensch der mineralischen Welt gleich ist.

In de zichtbare wereld is het fysieke mensenlichaam datgene waarin de mens aan de minerale wereld gelijk is.
GA 13/52
Vertaald

Das, was die Sinnesbeobachtung am Menschen kennenlernt, und was die materialistische Lebensauffassung als das Einzige im Wesen des Menschen gelten lassen will, ist für die geistige Erforschung nur ein Teil, ein Glied der Menschenna­tur, nämlich sein physischer Leib. Dieser physische Leib unter­liegt denselben Gesetzen des physischen Lebens, er setzt sich aus denselben Stoffen und Kräften zusammen wie die ganze übrige sogenannte leblose Welt. Die Geisteswissenschaft sagt daher : der Mensch habe diesen physischen Leib mit dem gan­zen Mineralreich gemeinsam. Und sie bezeichnet am Menschen nur als physischen Leib, was dieselben Stoffe nach denselben Gesetzen zur Mischung, Verbindung, Gestaltung und Auflö­sung bringt, die auch in der mineralischen Welt als Stoffe nach eben diesen Gesetzen wirken.

Datgene, wat de zintuigen waarnemen aan een mens en wat de materialistische wereldbeschouwing als de enige werkelijkheid van de mens wil laten gelden, is voor het geesteswetenschappelijk onderzoek slechts een deel van ’s mensen totaliteit, n.l. zijn fysieke lichaam. Dit lichaam is onderworpen aan dezelfde fysieke wetmatigheden, is uit dezelfde stoffen en krachten samengesteld als de gehele overige, zoge­naamd levenloze natuur. De geesteswetenschap zegt daarom, dat de mens dit fysieke lichaam met het ge­hele minerale rijk gemeen heeft. En zij noemt fysiek lichaam van de mens alleen datgene, wat dezelfde stoffen, die in de minerale wereld voorkomen, volgens dezelfde wetten, die ook daar van kracht zijn, mengt, verbindt, vorm geeft en ontbindt.
GA 34/312
Vertaald

Der physische Leib ist ein zusammengesetztes Ding, das aus drei Gliedern oder drei Bestandteilen besteht. Der unterste, gröbste Bestandteil ist in der Regel dasjenige was der Mensch mit seinen physischen Sinnen sieht, der sogenannte physische Leib. Dieser physische Leib hat in sich dieselben Kräfte und Gesetze wie das Physische um uns herum, wie die ganze physische Welt.

Het fysieke lichaam is een samengesteld ding dat uit drie delen of drie bestanddelen opgebouwd is. Het onderste, grofste bestanddeel is in de regel dat wat de mens met zijn fysieke zintuigen ziet, het zgn. fysieke lichaam. Dit draag in zich dezelfde krachten en wetten als het fysieke rondom ons heen, als de hele fysieke wereld.
GA 53/33
Niet vertaald

Alles, was unmittelbar raumfüllend ist, was wir mit den bloβen Sinnen oder mit den bewaffneten Sinnen, mit dem bloβen Auge oder mit dem Mikroskop sehen können, kurz alles dasjenige, was für den Naturforscher noch aus Atomen zusammengesetzt ist, das bezeichnet der Theosoph noch als physische Körperlichkeit. Das ist der unterste Bestandteil der physischen Wesenheit.

Alles wat direct de ruimte vult, wat wij met de gewone zintuigen of met de versterkte zintuigen, met het blote oog of met de microscoop kunnen zien, kortom alles wat voor de natuurkundige nog uit atomen bestaat; dat noemt de geesteswetenschap de lichamelijkheid. Dat is het onderste bestanddeel van het fysieke wezen.
GA 53/34 http://fvn-rs.net/PDF/GA/GA053.pdf#page=34
Niet vertaald

Der physische Leib hat der Mensch gemeinsam mit der ganzen mineralischen Welt. Alle die Stoffe und Kräfte, die zwischen den einzelnen mineralischen Stoffen ihr Spiel treiben, Eisen, Arsen, Kohle, usw spielen auch in den Stoffen des menschlichen Leibes, des physischen Leibes der Tiere und der Pflanzen.
Sie sehen nicht, was sich in diesem physischen Leibe abspielt an Lust und Leid, an Freude und Schmerz usw.

Het fysieke lichaam heeft de mens gemeenschappelijk met de hele minerale wereld. Alle stoffen en krachten die tussen de aparte minerale stoffen hun spel spelen, ijzer, arsenicum, koolstof, enz. spelen ook in de stoffen van het menselijk lichaam, wat zich afspeelt in het fysieke lichaam, van het dier en van de planten. Je ziet niet wat zich in dit fysieke lichaam afspeelt aan lust en smart, vreugde en verdriet, enz.
GA 100/24
Niet vertaald

Wenn Sie einen physischen Körper haben, gleichgültig ob Pflanze oder Tier, so müssen Sie ihn betrachten als etwas räumlich Abgeschlossenes, und Sie haben sozusagen kein Recht mehr, dasjenige zu dem betreffenden Leib oder Körper zu rechnen, was von ihm räumlich abgetrennt ist. Sie werden da, wo räumliche Trennung herrscht, sprechen müssen von verschiedenen Körpern. Nur dann, wenn auch ein räumlicher Zusammenhang besteht, können Sie sprechen von einem einzigen Körper.

Wanneer je een fysiek lichaam hebt, of dat nu van een plant is of van een dier, dat maakt niets uit, dan moet je dat beschouwen als iets wat in de ruimte een afgesloten iets is en dan heb je niet meer het recht om tot dat betreffende lichaam te rekenen wat ervan afgezonderd is. Waar ruimtelijke scheiding heerst, moeten we spreken van verschillende lichamen. Alleen wanneer er een ruimtelijke samenhang bestaat, kun je spreken van een apart lichaam.
GA 107/32
Niet vertaald

Op veel meer plaatsen vind je Steiner over het fysieke lichaam. Enerzijds zitten daar voor wat de kern betreft, vanzelfsprekend veel herhalingen bij, vaak wel weer net met andere woorden, maar ook weer totaal nieuwe gezichtspunten.

Telkens echter zal blijken dat er een relatie bestaat – door de stoffen waaruit het bestaat – met de stoffelijke wereld die ons omringt en waardoor we een deel van die stoffelijke wereld zijn.

Als we naar de uiterlijke verschijningsvorm kijken, is alles wat we op de wereld aantreffen: een ding, een voorwerp; alles heeft ‘ding-karakter, is dingachtig.

Om de dingen te leren kennen, moeten wij ons er ‘tegenover’ plaatsen: ik hier – het ding daar.

Die Gegenstände, von denen ihm durch die Tore seiner Sinne fortwährend Kunde zuflieβt, die er tastet, riecht, schmeckt, hört und sieht.

De dingen die hem door de poorten van de zintuigen kennis verschaffen, die hij aanraakt, ruikt, proeft, hoort en ziet.

Hoewel met ‘lichaam’ vertaald, kan hier door Steiner niet anders dan ‘lijf’, ‘stoffelijke lijfelijkheid’ – die stof die met leven doortrokken is – enz. genoemd worden. Ik heb lichaam en lijf hier afwisselend door elkaar gebruikt; nu het duidelijk is waarom het gaat, kan er m.i. geen verwarring ontstaan.

Mit Leib ist hier gemeint dasjenige wodurch sich dem Menschen die Dinge seiner Umwelt offenbaren.

Met ‘lijf’ wordt hier bedoeld datgene waardoor aan de mens de dingen van zijn omgeving zich kunnen vertonen.

Durch seinen Leib vermag sich der Mensch für den Augenblick mit den Dingen in Verbindung zu setzen.

Door zijn lijf is de mens in staat zich voor een ogenblik met de dingen te verbinden.

Durch seinen Leib ist er mit den Dingen verwandt die sich seinen Sinnen von auβen darbieten. Die Stoffe der Auβenwelt setzen diesen seinen Leib zusammen; die Kräfte der Auβenwelt wirken auch in ihm.

Door zijn lichaam is hij aan de dingen verwant die voor zijn zintuigen verschijnen. De stoffen van de buitenwereld vormen zijn lichaam; de krachten van de buitenwereld werken ook in hem.

Und wie er die Dinge der Auβenwelt mit seinen Sinnen betrachtet, so kann er auch sein eigenes leibliches Dasein beobachten.

En zoals hij de dingen van de buitenwereld met zijn zintuigen beschouwt, kan hij ook zijn eigen lijfelijk zijn beschouwen.

Alles, was an mir leibliche Vorgänge sind, kann auch mit den leiblichen Sinnen wahrgenommen werden.

Alles wat aan mij lichamelijke processen zijn, kan  ook met de lichamelijke zintuigen waargenomen worden

Durch seinen Leib gehört der Mensch der Welt an, die er auch mit seinem Leibe wahrnimmt.
Durch leibliche Sinne lernt man den Leib des Menschen kennen. Und die Betrachtungsart kann dabei keine andere sein als diejenige, durch welche man andere sinnlich wahrnehmbare Dinge kennenlernt.

Door zijn lijfelijke stoffelijkheid behoort de mens bij de wereld die hij ook met zijn lijf waarneemt.
Door de lichamelijke zintuigen leer je de lijfelijkheid van de mens kennen. En de manier waarop dat gebeurt kan daarbij geen andere zijn dan door die je de andere zintuiglijk waarneembare dingen leert kennen.
GA 9/25-26-27-28
Vertaald

Kinderen staan – tot ongeveer het negende levensjaar – nog niet zo tegenover de wereld. Hoewel ze vanaf het ogenblik dat ze beginnen te praten de wereld beginnen te benoemen en dus ‘dingkarakter’ voor hen krijgt, is er nog geen scheiding.

Dat drukte Paul van Ostaijen zo prachtig uit met:

Marc groet ’s morgens de dingen

Dag ventje met de fiets op de vaas met de bloem
ploem ploem
dag stoel naast de tafel
dag brood op de tafel
dag visserke-vis met de pijp
en
dag visserke-vis met de pet
pet en pijp
van het visserke-vis
goeiendag

Daa-ag vis
dag lieve vis
dag klein visselijn mijn

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2]
 GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1354-1266

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1(1-7-2)

.

Enkele gedachten bij blz. 23/24 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

De leerkrachten van de 1e vrijeschool in Stuttgart waren allen veel bekender met de antroposofie dan toen ik bijv. er rond 1970 voor het eerst van hoorde. En als dat min of meer voor jou geldt, wanneer je nu op een vrijeschool gaat werken, of er nog maar een korte tijd werkt, is het niet verwonderlijk dat o.a. blz. 23 en 24 van de vertaling met de vele antroposofische termen, veel vragen kunnen oproepen.

Bevor das Menschenwesen die physische Erde betritt, wird eine Verbindung eingegangen zwischen dem Geist und der Seele; dem Geist, insofern wir darunter verstehen dasjenige, was in der physischen Welt heute noch ganz 
verborgen ist und was wir anthroposophisch-geisteswissenschaftlich nennen: der Geistesmensch, der Lebensgeist, das Geistselbst. Mit diesen drei Wesensgliedern des Menschen ist es ja so, daß sie gewissermaßen in der übersinnlichen Sphäre vorhanden sind, zu der wir uns nun hindurcharbeiten müssen, und wir stehen zwischen dem Tod und einer neuen Geburt schon in einer gewissen Beziehung zu Geistesmensch, Lebensgeist und Geistselbst. Die Kraft, die von dieser Dreiheit ausgeht, die durchdringt das Seelische des Menschen: Bewußtseinsseele, Verstandes- oder Gemütsseele und Empfindungsseele. Und wenn Sie betrachten würden das Menschenwesen, das sich anschickt, nachdem es durchgegangen ist durch das Dasein zwischen Tod und neuer Geburt, in die physische Welt hinunterzusteigen, dann würden Sie das eben charakterisierte Geistige zusammengebunden finden mit dem Seelischen. Der Mensch steigt gewissermaßen als Geistseele oder Seelengeist aus einer höheren Sphäre in das irdische Dasein. Mit dem irdischen Dasein umkleidet er sich. Wir können ebenso dieses andere Wesensglied, das sich mit dem eben gekennzeichneten verbindet, charakterisieren, wir können sagen: Da unten auf der Erde wird der Geistseele entgegengebracht dasjenige, was entsteht durch die Vorgänge der physischen Vererbung. Nun wird an den Seelengeist oder die Geistseele der Körperleib oder der Leibeskörper so herangebracht, daß wiederum zwei Dreiheiten verbunden sind. Bei der Geistseele sind verbunden Geistesmensch, Lebensgeist und Geistselbst mit dem Seelischen, das besteht aus Bewußtseinsseele, Verstandes- oder Gemütsseeie und Empfindungsseele. Die sind miteinander verbunden und sollen sich verbinden beim Herabsteigen in die physische Welt mit Empfindungsleib oder Astralleib, Atherleib, physischen Leib. Aber diese sind ihrerseits wiederum verbunden zuerst im Leibe der Mutter, dann in der physischen Welt mit den drei Reichen der physischen Welt, dem mineralischen, dem Pflanzen- und dem Tierreich, so daß auch hier zwei Dreiheiten miteinander verbunden sind.

Ik heb ze in cursief weergegeven:

Wanneer het kind fysiek geboren wordt, dan moeten we ons ervan bewust zijn wat er eigenlijk met het kind gebeurd is bij de overgang van een geestelijk bestaan naar een fysiek bestaan. Welnu, daarbij moeten we in de eerste plaats bedenken dat het mensenwezen in werkelijkheid uit twee delen bestaat. Voordat de mens de fysieke aarde betreedt gaan geest en ziel een verbin­ding aan; onder geest wordt hier verstaan dat wat in de fysieke wereld tegenwoordig nog geheel verborgen is en wat we in de antroposofische geesteswetenschap noemen: de geestesmens, de levensgeest, het geesteszelf. Met deze drie wezensdelen van de mens is het zo, dat ze zich in zekere zin in de bovenzinnelijke sfeer bevinden, een sfeer waar wij nu weer naar toe moeten werken. Wij hebben tussen de dood en een nieuwe geboorte al een zekere verbinding met de geestesmens, de levensgeest en het geesteszelf. De kracht die uitgaat van deze drie samen door­straalt de ziel van de mens: de bewustzijnsziel, de verstands- of gemoedsziel en de gewaarwordingsziel.
En wanneer u zou kijken naar het mensenwezen dat op het punt staat na zijn doorgang door het leven tussen dood en nieuwe geboorte in de fysieke wereld af te dalen, dan zou u zien dat die geestelijke wezensdelen verbonden zijn met de ziel. De mens daalt bij wijze van spreken als geestziel of zielegeest uit een hogere sfeer af in het aardse bestaan. Hij omhult zich met het aardse bestaan. Ook het andere wezensdeel dat zich met de geestziel verbindt kunnen we karakteriseren: beneden op aarde wordt datgene wat ontstaat door de processen van de fysieke erfelijkheid de geestziel tegemoet gedragen. Nu worden de zie­lengeest of geestziel en het lichamelijk organisme of organisch lichaam samengevoegd, met dien verstande dat in het orga­nisch lichaam eveneens tweemaal drie wezensdelen met elkaar verbonden zijn. Bij de geestziel zijn geestesmens, levensgeest en geesteszelf verbonden met de ziel, bestaande uit bewustzijnsziel, verstands- of gemoedsziel en gewaarwordingsziel. Die vormen een eenheid en moeten zich bij het afdalen in de fysieke wereld verbinden met het gewaarwordingslichaam of astrale lichaam, het etherlichaam en het fysieke lichaam. Maar deze zijn op hun beurt weer verbonden – eerst in het lichaam van de moeder, dan in de fysieke wereld – met de drie rijken in de fysieke wereld, namelijk de mineralen, de planten en de dieren, zodat ook hier twee groepen van drie met elkaar een eenheid vormen.
GA 293/23-24
Vertaald/23-24

.

In een reeks artikelen zullen deze begrippen nader besproken worden:

fysiek lichaam
etherlijf       zie ook: het etherlijf in de ontwikkeling van een kind
astraallijf
gewaarwordingslichaam/gewaarwordingsziel
verstands- of gemoedsziel
bewustzijnsziel
geest(es)zelf
levensgeest
geest(es)mens

Ook via het zoekveld kom je na invoering van deze begrippen op plaatsen waar ze worden gebruikt.

Voor een overzicht is een schema soms handig. Maar een schema is altijd een abstractie – vervreemdt zich van de werkelijkheid, waarin – zeker als het om de mens of om het leven gaat – geen schema’s voorkomen.

hiërarchiëen

geest

geestzelf  levensgeest  geestmens

bewustzijnsziel  verstands-gemoedsziel  gewaarwordingsziel

fysiek lichaam  etherlijf  gewaarwordingslijf

mineralen  planten  dieren

natuur

Steiner zegt er bijv. over:

Man darf, wenn man mit seinem Erkennen in die Wirklich­keit hineingehen will, niemals schematisieren, niemals die Ideen nur nebeneinander setzen, sondern man muß sich klar sein, daß in der Wirklichkeit alles nur so betrachtet werden kann, daß irgendwo etwas als das Hervorstechende erscheint, daß aber die übrigen Elemente der Wirklichkeit darinnen leben, und daß überall, was sonst im Hinter­grunde sich hält, wiederum an einem anderen Orte der Wirklichkeit das Hervorstechendste ist und das andere sich im Hintergrunde hält.

Je mag, wanneer je kennend op de werkelijkheid in wil gaan, nooit schematiseren, nooit de ideeën naast elkaar plaatsen, maar je moet goed weten dat in de werkelijkheid alles alleen maar zo bekeken kan worden, dat ergens iets als het meest opvallende eruit springt, dat echter de andere delen van de werkelijkheid daarin zitten en dat alom, wat anders op de achtergrond blijft, op een andere plek van de werkelijkheid het meest opvallende is en dat het andere dan op de achtergrond blijft.
GA 201/58
Niet vertaald 

Rudolf Steiner: wegwijzer 91; 99; 112; 122; 145; 146; 147; 149; 154; 161

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2]
 GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1352-1264

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (42)

.

Aantal kinderen met autisme explodeert. Dit is waarschijnlijk de oorzaak

De psychiaters: speel met je kinderen, bouw een zandkasteel of maak een tekening, maar laat ze alsjeblieft niet de hele dag naar een scherm turen.

.

Peuters-kleuters: alle artikelen

Spel: alle artikelen

Opspattend grind  [16]   [19]   [29]

Opspattend grind: alle artikelen

.

1351-1263

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-7-1)

.

Enkele gedachten bij blz. 23/24 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

HET TWEELEDIG MENSBEELD
Nadat Rudolf Steiner nog iets heeft gezegd over de opvoeding vóór de geboorte, vervolgt hij de voordracht met:

Die Erziehung kann erst angehen, wenn das Kind wirklich eingegliedert-ist in die Weltenordnung des physischen Planes, und das ist dann, wenn das Kind beginnt die äußere Luft zu atmen.

De opvoeding kan pas ter hand worden genomen wanneer het kind werkelijk deelgenoot van de fysieke wereld is geworden en dat is wanner het kind begint te ademen.

Voor Steiner is geboorte een overgang van het ene bestaan naar het andere, zoals het sterven dit ook is. Wanneer het over de drieledige mens gaat, kan er een onderscheid worden gemaakt in – hier zie je concreet de karakterisering vanuit verchillende standpunten – lichamelijk: hoofd, romp en ledematen; – geredeneerd vanuit het standpunt ‘ziel’ in: denken, voelen, willen.
Zijn deze ‘delen’ bij het oudere kind en de volwassene min of meer zelfstandig functionerend, bij het pasgeboren kind is alles nog veel meer met elkaar verbonden, alsof er een gesloten bloemknop op een stengel zit. De knop staat hier voor geest en ziel samen, is nog dicht, moet nog wakker worden. 

Betrachten Sie das Kind, das hereingewachsen ist in die Welt, mit der genügenden Unbefangenheit, so werden Sie richtig wahrnehmen: Hier in dem Kind ist noch unverbunden Seelengeist oder Geistseele mit Leibeskörper oder Körperleib. Die Aufgabe der Erziehung, im geistigen Sinn erfaßt, bedeutet das In-Einklang-Versetzen des Seelengcistes mit dem Körperleib oder dem Leibeskörper. Die müssen miteinander in Harmonie kommen, müssen aufeinander gestimmt werden, denn die passen gewissermaßen, indem das Kind hereingeboren wird in die physische Welt, noch nicht zusammen. Die Aufgabe des Erziehers und auch des Unterrichters ist das Zusammenstimmen dieser zwei Glieder.

Kijkt u onbevangen genoeg naar een kind dat op de wereld is gekomen, dan zult u duidelijk waarnemen dat in het kind de zielegeest of geestziel en het organisch lichaam of lichamelijk organisme nog niet met elkaar verbonden zijn. De taak van de opvoeding in geestelijke zin is nu om de zielegeest en het licha­melijk organisme of organisch lichaam met elkaar in overeen­stemming te brengen. Die moeten met elkaar in harmonie ko­men, moeten op elkaar afgestemd worden, want die passen in zekere zin nog niet bij elkaar wanneer het kind geboren wordt. De taak van de opvoeder en ook van de leraar is om deze twee delen op elkaar af te stemmen.
24

GEEST/ZIEL, ZIEL/GEEST
Omdat er bij de het pas geboren kind nog geen goed onderscheid is te maken tussen wat nu geest en ziel is, gebruikt Steiner de woorden geestziel(ewezen) en zielegeest(wezen) (volgens de spelling zou dit zielen moeten zijn). 

Kijk je naar het lichaampje, dan zie je de totaal nog niet uitgegroeide ledematen waarmee het kindje nog helemaal niets kan dan ze, schijnbaar doelloos, bewegen; heel ongecoördineerd, onbeheerst, bijna onwillekeurig.
Vergelijk je dat met later, dan zie je dat het kind vrij letterlijk bezit heeft genomen van zijn ledematen; hij weet ze al in zijn dienst te stellen, ze te gebruiken voor wat hij wil; er komt steeds meer doelgerichtheid. Het kind kan steeds meer met zijn lichaam.
Kijk je naar hoe een kindje gaat staan, gaat klimmen enz. dan zie je een soort veroveringstocht, een vorm van in-bezit-nemen, een steeds verder dóórdringen, dat alleen maar mogelijk is door het doordringen van het eigen lichaam met…ja, met wat. Met zijn zelf! Met zichzelf! Met wat hij als wezen is, met zijn mentale processen en zijn gevoel, kortom met wat je al onder geest-zielen of zielen-geest kan verstaan.

ORGANISCH LICHAAM OF LICHAMELIJK ORGANISME
Dit is de vertaling van Leibeskörper en Körperleib. 

Maar uit de vertaling blijkt niet goed waarom het gaat. Dat is ook met de Duitse woorden zo, hoewel je hier twee begrippen hebt, die door Steiner op andere plaatsen gebruikt worden voor etherlijf en fysiek lichaam. 
Het woord ‘lijf’ is in onze taal niet zo gangbaar meer en wordt ook in vertalingen van Steiner waar hij het etherlijf bedoelt, meestal ook vertaald met ‘lichaam’.

FYSIEK LICHAAM en ETHERLIJF
Om uit te leggen wat Steiner bovenzintuiglijk waarnam, kwam hij voor de moeilijkheid te staan om woorden te kiezen voor iets waarvoor in de zintuiglijke wereld geen woorden zijn. Hij moest dus toch woorden kiezen uit de zichtbare wereld en koos die vaak zeer omschrijvend, m.i. ook een van de redenen om te karakteriseren. 

Wanneer hij het woord ‘Leib’ gebruikt, bedoelt hij altijd een complex van krachten, vermogens om.  Bij het etherlijf gaat het o.a. om levenskracht(en), vormkrachten; bij het astraallijf bijv. om het vermogen als ziel de buitenwereld tot binnenwereld te maken. 
Wanneer hij het fysieke lichaam bedoelt, spreekt hij niet over ‘Leib’ omdat dit fysieke lichaam er niet zou zijn zonder ‘leven’, zonder leven is het immers een lijk en daarbij past veel meer het woord ‘lichaam’ dat van oorsprong als ‘lic ham’ -lic=lijk wijst op een lichamelijk omhulsel. 
Door het gebruik van etherlichaam koppel je dus eigenlijk twee tegenstrijdige begrippen aan elkaar.
Maar als ik zie hoe precies Steiner alles wil beschrijven – geesteswetenschap dient dat net zo exact te doen als natuurwetenschap – kies ik dus voor etherlijf of levenslijf of levenskrachtenlijf, waarbij ‘lijf’ etymologisch van ‘leven’ komt.
We kennen het nog in ‘lijfrente’, een rente voor het leven, in ‘lijftocht’, voedsel om in leven te blijven, waar het om het levende lichaam gaat, zie je bijv. ‘lijfarts’, ‘lijfwacht’, om voor het leven van iemand te waken.

Net zoals geest-zielen en zielen-geest nog afwisselend gebruikt worden voor het pas geboren kind, zo ook fysiek lichaam en etherlijf in de woorden ‘Leibeskörper’ en ‘Körperleib’. In beide zit het woord ‘Leib’ – leven en dat is essentieel: de baby en het kleinere kind zijn doortrokken met een levenskracht die bijna alles in zijn jonge leven domineert: eten, slapen, groeien.

Dit door levenskracht doortrokken lichaampje waardoor het een ‘lijf(je) is, is vanuit de aardse kant bekeken, het resultaat van de voortplanting, de gezamenlijke bijdrage van vrouw en man, die daardoor moeder en vader worden.
Hier werken de krachten van de erfelijkheid.

Ik verwijs nu naar een artikel op mijn blog ‘Antroposofie, een inspiratie‘ over ‘de erfelijkheid van het Ik’.

‘Aangekomen’ op aarde pas ik nog niet meteen bij mijn fysieke lijf: ik moet er nog in dóórdringen.
Dat kan ik niet alleen, daar moet mij van alles voor worden aangereikt. Ik moet worden geholpen. Dat noemen we verzorgen en opvoeding.
Dan kan voor de komende tijd het doel van deze opvoeding zijn dat ‘Ik’ zo goed mogelijk in mijn lichaam ga passen. Dat er harmonie ontstaat.

Wat een mooie taak, wat een prachtige opdracht: HARMONIE brengen.

Maar er is nog meer:

MET EERBIED

Der Mensch ist ja, bevor er ein Erdenwesen wird, ein seelisch-geisti­ges Wesen, das in seelisch-geistigen Welten lebt. Ich habe darauf schon hingedeutet. Er steigt herunter, verbindet sich als seelisch-geistiges We­sen mit dem physisch-ätherischen Menschenkeim, der zustande kommt teils durch die Tätigkeit des Seelisch-Geistigen selbst, teils aber durch die Vererbungsströmung, die durch die Generationen durchgeht und die durch Vater und Mutter an den Menschen, der sich im physischen Leib verkörpern will, herankommt. Wenn man dieses Seelisch-Geistige vor sich hat, das da an den Menschen zunächst herankommt, wird man es mit scheuer Ehrfurcht betrachten. Man wird gewissermaßen dem Werden des Kindes mit einem religiösen Gefühl auch als Lehrer gegen­überstehen; ich möchte sagen, mit einem priesterlichen Gefühl, weil die Art, wie sich Seelisch-Geistiges im Kinde enthüllt, wirklich zu einer Offenbarung des Seelisch-Geistigen im Physisch-Ätherischen wird. Hat man die Stimmung, daß sich ein von Göttern Gesandter herunterbegibt auf Erden und sich im Leibe verkörpert, dann bekommt man die rich­tige Gesinnung, die man in der Schule zu entfalten hat. Aber man lernt auch nur dadurch, daß man anzuschauen fähig ist, wie sich das Kind allmählich entwickelt.

De mens is, voor hij aardeburger wordt, een zielen-geestwezen dat in de wereld van ziel en geest leeft. Daarop heb ik al gewezen. Het incarneert, verbindt zich als ziel-geestwezen met de fysiek-etherische mensenkiem, die tot stand komt door de werkzaamheid van ziel en geest, maar gedeeltelijk ook door de erfelijkheidsstroom die door de generaties heengaat en die door vader en moeder aan de mens die zich in het fysieke leven met een lichaam wil omkleden, gegeven wordt. Wanneer je dit, wat ziel en geest is, voor je hebt, wat daar allereerst in de mens verschijnt, dan zul je dit met diepe eerbied aanschouwen. In zekere zin zul je ook als leerkracht met een religieus gevoel tegenover het wezen van het kind staan; ik zou willen zeggen, met het gevoel van een priester, omdat de manier waarop ziel en geest zich in het kind openbaren, werkelijk tot een openbaring van geest en ziel in het fysiek-etherische wordt. Leeft in je gemoedsgesteldheid dat er iemand die door de goden naar de aarde is gezonden om daar in een lichaam te incarneren, dan krijg je de goede gezindheid die je in de school moet ontwikkelen. Maar ook nog leer je daardoor waar te nemen hoe het kind zich geleidelijk ontwikkelt.
GA 309/65
Op deze blog vertaald/65  

EEN BIJNA RELIGIEUS GEVOEL

Daß der Mensch, wenn er in das Erdenleben hineinkommt, nicht nur das annimmt, was ihm von Vater und Mutter entgegengebracht wird, sondern daß er als geistiges Wesen aus einer geistigen Welt heruntersteigt in diese irdische Welt, das kann bei einer lebensvollen Menschenerkennt­nis in der Erziehungskunst praktisch werden. Denn es gibt im Grunde genommen keine wunderbareren Eindrücke, als wenn man das ganz kleine Kind in seinem Werden beobachtet, an seiner Entfaltung teil­nimmt und den Eindruck bekommt, wie das zuerst innerlich Ver­schwommene, das aus der geistigen Welt zum irdischen Dasein herun­tergestiegen ist, sich allmählich formt und gestaltet. Und man gewinnt die Erkenntnis, daß man es darin mit einem Übersinnlich-Geistigen zu tun hat, das sich hier in der Sinneswelt verkörpert und entfaltet. Da fühlt man sich dann verantwortlich gegenüber der eigenen Erziehungskunst; und fühlt man dazu die nötige Gewissenhaftigkeit, dann wird die Erziehungskunst gewissermaßen die Ausübung eines religiösen Dien­stes. Man fühlt in der Praxis: Die Götter haben den Menschen heruntergeschickt in dieses irdische Dasein, haben ihn uns als Erzieher anver­traut. Was die Götter uns mit dem Kinde übergeben, das sind Rätsel, die den schönsten Gottesdienst ergeben.

Dat de mens , wanneer hij het aardeleven binnenkomt, niet alleen maar tot zich neemt wat hem door vader en moeder aangereikt wordt, maar dat hij als geestelijk wezen afdaalt naar dit aardse bestaan, kan bij een levensechte kennis in de opvoedkunst praktisch toegepast worden. Want er zijn in de grond van de zaak genomen geen indrukken die wonderbaarlijker zijn dan wanneer je het heel kleine kind in zijn wording bekijkt, aan zijn ontwikkeling deelneemt en de indruk krijgt hoe, wat eerst innerlijk nog ongedifferentieerd is, dat uit de geesteliljke wereld in het aardse bestaan afdaalt, zich langzamerhand vormt en ontwikkelt. En je komt tot het besef dat je in het kind met een bovenzintuiglijk geesteswezen te maken hebt, dat zich hier in de zichtbare wereld belichaamt en ontplooit. Dan voel je je verantwoordelijk wat betreft je eigen opvoedkunst; en voel je daarbij de nodige consciëntie, dan wordt de opvoedkunst in zekere zin de uitoefening van een religieuze handeling.
Je voelt in de praktijk: de goden hebben de mens naar de aarde gestuurd, hebben hem aan ons als opvoeder, toevertrouwd. Wat de goden ons met het kind geven, zijn raadsels, die uit de mooiste dienst aan god stammen.
GA 304a/121 
Niet vertaald

Het groter wordende kind geeft blijk van een grote behoefte aan beweging. Dat is niet toevallig. Het is doortrokken van een grote levenskracht, van groei: het verdubbelt in de eerste 7 jaar zijn lichaamsgewicht! En wie leven zegt, zegt beweging. Helpen bij de harmonisering, is dus o.a. gelegenheid geven tot allerlei bewegen. Dat is simpelweg tegemoet komen aan wat de natuur van het kind van en aan ons vraagt.

In deze voordracht noemt Steiner nog geen concrete voorbeelden van hoe het onderwijs er met het oog op de beweging uit zou moeten zien.

Vooruitlopend daarop vind je op deze blog veel artikelen die daarover gaan, o.a.:

zintuigen – alle artikelen

bewegen1e klas alle artikelen

en natuurlijk de artikelen voor de peuters en kleuters voor wie het bewegen – letterlijk – van levensbelang is:

peuters/kleuters: alle artikelen

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2]
 GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: deel 1-7 waarop bovenstaand artikel een uitbreidend vervolg is.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1350-1262

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 301 voordracht 12

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

GA 301: vertaling
inhoudsopgave;     voordracht:   [1]  [2]  [3]  [4]  [5]  [6]  [7]  [8]  [9]  [10]  [11]  [13]   [14]

RUDOLF STEINER:

DE VERNIEUWING VAN DE PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE KUNST DOOR GEESTESWETENSCHAP

14 voordrachten gehouden te Bazel van 20 april tot en met 11 mei 1920, met vragenbeantwoording en inleidende woorden bij twee euritmieopvoeringen [1]

12e voordracht Bazel, 7 mei 1920 [2]

Inhoudsopgave
Geschiedenis en aardrijkskunde:
Geschiedenis: uitgaan van wat uit vroegere tijden nog aanwezig is
verworvenheden van de Grieken in de moderne tijd
uitgaan van gehelen in plaats van details. Economie van het onderwijs
algemeen menselijke waarden, individueel bewustzijn, algemeen menselijk als karakteristiek van na-Griekse (christelijke) tijd
geen pragmatisch, maar symptomatologische geschiedenisopvatting
aardrijkskunde
over linkshandigheid.

blz.  184

Geschichts- und Geographieunterricht

Wenn man die Kinder in der angedeuteten Weise so weit gebracht hat in dem Lebensabschnitt gegen das 12. Jahr hin – einzelnes, wie zum Beispiel das Bruchrechnen, werden wir noch nachholen -, wird man sehen, daß sie dann reif sind, auf der einen Seite für die Aufnahme des eigentlichen Geschichtsunterrichtes und auf der anderen Seite des Geo­graphie-, des physikalischen und des chemischen Unterrichtes. Zu glei­cher Zeit reifen die Kinder in diesen Jahren zur Vorbereitung für eine wirkliche Lebenspraxis heran. Nach dieser Richtung möchte ich heute einige skizzenhafte Andeutungen machen.
Zum Auffassen des Geschichtlichen der Menschheit ist ja das Kind tatsächlich nicht früher reif als so gegen das 12. Jahr hin. In erzählen­der Form, in umrissenen biographischen Bildern, sogar in einer ge­wissen Art von moralischem Erzählen kann man aber das Geschicht­liche durchaus vorbereiten.

geschiedenis en aardrijkskunde

Wanneer je de kinderen op de aangeduide manier tot zo ver in de leeftijdsfase tegen het 12e jaar hebt begeleid – details, zoals bijv. de breuken, doen we later nog -, zal je zien, dat ze dan rijp zijn om aan de ene kant het eigenlijke geschiedenisonderwijs te kunnen begrijpen en aan de andere kant het aardrijkskundeonderwijs, natuur- en scheikunde. Tegelijkertijd worden de kinderen in deze jaren rijp voor de voorbereiding op het echte praktische leven. In deze richting wilde ik vandaag schetsmatig wat aanwijzingen geven.
Voor het echt begrijpen van de geschiedenis van de mensheid is het kind in feite niet eerder rijp dan zo tegen het 12e jaar. Op een vertellende manier, in concrete biografische beelden, zelfs op een enigszins moralistische verteltrant kun je het geschiedenisonderwijs echter zeker voorbereiden.

 Zum eigentlichen Geschichtlichen aber wird das Kind gerade durch die Art des botanischen, des zoologischen Unter­richtes reif, wie ich es charakterisiert habe. Im Geschichtlichen kann man außerordentlich viel erreichen, wenn man durch das Botanische gewissermaßen die Erde als Einheit dargestellt hat, die über ihre Ober­fläche hin und durch die verschiedenen Jahreszeiten die verschiedenen Pflanzen hervorbringt, und wenn man den Menschen aufgefaßt hat als eine Synthese, wie ich es dargestellt habe, der verschiedenen Tier-gruppen, die jeweilen dasjenige, was dann beim Menschen harmonisch vereint ist, als Einseitigkeiten darstellen. Durch das Sich-Bewegen in solchen Vorstellungen wird das Kind für den geschichtlichen Unterricht reif.
Wenn wir mit der Geschichte an das Kind herankommen, handelt es sich nun aber darum, diesen geschichtlichen Unterricht auch dazu zu verwenden, gewisse Kräfte aus der menschlichen Natur herauszuholen, ihnen entgegenzukommen, gewissermaßen das zu erfüllen, was die

Voor de eigenlijke geschiedenis echter wordt het kind rijp door de manier van plant- en dierkundeles zoals ik het gekarakteriseerd heb. Bij geschiedenis kan je buitengewoon veel bereiken, wanneer je door de plantkunde in zekere zin de aarde als een geheel hebt gepresenteerd die over haar oppervlak verspreid door de verschillende jaargetijden de verschillende planten voortbrengt en wanneer je de mens beschouwd hebt als een synthese van de verschillende diergroepen die telkens, wat bij de mens tot harmonie gekomen is, als eenzijdigheid vertegenwoordigen. Door zich in deze voorstellingen te bewegen wordt het kind rijp voor geschiedenisles.
Wanneer we het kind geschiedenis geven, dan gaat het er echter om deze geschiedenis ook te gebruiken om bepaalde krachten uit de menselijke natuur naar boven te halen, die tegemoet te komen door in zekere zin mogelijk te maken, wat

blz. 185

menschliche Natur in dieser Lebensepoche will. Da aber stoßen wir bei dem, was uns gewöhnlich selbst als Geschichte dargeboten wird, auf einen kräftigen Widerstand. Denn was uns heute als Geschichte dar­geboten wird, ist doch eigentlich im Grunde genommen die Erzählung von Ereignissen, oder aber es ist das Zusammenfassen von Ereignissen oder kulturhistorischen Erscheinungen unter einem gewissen kausalen Gesichtspunkt. Es ist dasjenige, was im Grunde genommen doch an der Äußerlichkeit des Geschehens hängenbleibt. Sie werden, wenn Sie un­befangen sind, nicht das Gefühl haben, daß Sie von dem, was eigent­lich dem Menschenwerden zugrunde liegt, durch diese Geschichte eine richtige Vorstellung bekommen können. Wir haben ja in der neueren Zeit viel davon gehört, daß die Geschichte davon absehen soll, Kriege zu erzählen oder sonstige Ereignisse mehr äußerlicher Art zu erzählen, daß sie darauf gehen soll, den Kausalzusammenhang der Kultur-erscheinungen darzustellen. Allein da ist denn doch noch stark die Frage, ob das unbedingt berechtigt ist, einen solchen Kausalzusammen­hang anzunehmen, daß man zum Beispiel das, was in der zweiten Hälfte des 19. Jahrhunderts geschieht, mehr oder weniger zurückführt auf das, was in der ersten Hälfte des 19. Jahrhunderts geschehen ist, und so weiter zurück.

de menselijke natuur in deze levensfase wil. Daarbij echter stoten we bij wat gewoonlijk zelf als geschiedenis aangeboden wordt, op heftige weerstand. Want wat ons vandaag als geschiedenis aangeboden wordt, is eigenlijk in de grond van de zaak het verhaal van gebeurtenissen of is het samenvatten van gebeurtenissen of cultuurhistorische verschijnselen onder een bepaald causaal gezichtspunt. Het is in de aard der zaak iets wat bij de uiterlijkheden van wat er gebeurt, blijft steken. U zal, als u onbevooroordeeld bent, niet het gevoel hebben dat u door deze geschiedenis een juiste voorstelling kan krijgen van wat eigenlijk ten grondslag ligt aan de wording van de mens. We hebben de laatste tijd veel gehoord dat geschiedenis ervan af moet zien, over oorlogen te vertellen of  te vertellen over andere gebeurtenissen met een meer uiterlijke karakter, dat ze zich moet richten op het geven van causale samenhangen van de cultuurverschijnselen. Maar dan is daar toch nog sterk de vraag aanwezig of het zonder meer te rechtvaardigen valt zo’n causale samenhang aan te nemen, bijv. dat men wat in de tweede helft van de 19e eeuw gebeurt, min of meer terugleidt naar wat in de eerste helft van de 19e eeuw gebeurd is, en dan zo verder terug.

Es könnte ja doch dasjenige, was dem Menschen-werden zugrunde liegt, sich in einer ganz anderen Weise in der Ge­schichte äußern. Und da handelt es sich wirklich beim Geschichtsunter­richt darum, daß wir uns sozusagen nicht gehen lassen, daß wir nicht in irgendeiner Klasse es unternehmen, Geschichtsunterricht etwa so zu erteilen, daß wir selbst nur ein eng begrenztes Pensum zunächst unmit­telbar beherrschen. Selbstverständlich legen wir die seminaristischen Vorbereitungen zugrunde, und das ist ganz richtig, und wir kennen die ganze Geschichte sozusagen, aber das meine ich jetzt nicht, sondern ich meine, wenn wir den Geschichtsunterricht beginnen für irgendeine Klasse, so beginnen wir gewöhnlich irgendwo irgendwomit, und wir überlassen es dann den späteren Zeiten, das Folgende selbst erst in der richtigen Weise aufzunehmen und dergleichen. Das ist dann die Ursache, daß wir den Geschichtsunterricht gewissermaßen bloß in der Zeitenfolge behandeln.
Diese Art, die rechnet eigentlich nicht mit den aus der Menschen-natur heraus uns entgegenkommenden Kräften. Wir müssen da auf anderes Rücksicht nehmen. Wir müssen uns zum Beispiel klar sein dar­über, daß das Wesentliche zunächst das ist, was wir Menschen, die wir 

Wat er aan de wording van de mens ten grondslag ligt, zou toch nog op een heel andere manier uit de geschiedenis kunnen blijken. Het gaat er werkelijk om dat we ons bij geschiedenisonderwijs niet laten gaan, dat we in een of andere klas geschiedenis niet zo gaan geven en dat we zelf rechtstreeks maar een klein deel beheersen. Natuurlijk nemen we de voorbereidingen van onze opleiding ter hand, dat is heel goed en we kennen zogezegd de hele geschiedenis, maar dat bedoel ik nu niet, ik bedoel wanneer we in een klas met geschiedenis beginnen, beginnen we gewoonlijk ergens met iets en we laten wat er nog gaat volgen maar voor later om dat eerst op een goede manier in ons op te nemen en dergelijke. Dat is de oorzaak ervan dat we het geschiedenisonderwijs in zekere zin alleen maar als tijdverloop behandelen.
Die manier houdt eigenlijk geen rekening met de krachten die uit de menselijke natuur op ons af komen. We moeten hier met iets anders rekening houden. We moeten duidelijk weten dat het wezenlijke is, wat wij mensen, in het heden staand,

blz. 186

in der unmittelbaren Gegenwart stehen, als »Geschichte« eigentlich noch erleben. Wenn wir so abstrakt einfach die Kinder zurückführen in die griechische Geschichte, selbst wenn die Kinder schon Gymnasia­sten sind, so ist das eben ein abstraktes Zurückversetzen in einen frü­heren Zeitraum. Man versteht nicht konkret, warum man aus der Gegenwart heraus irgendwie nötig hat, die griechische Zeit zu verstehen. Man begreift aber sofort, um was es sich handelt, wenn man davon ausgeht, daß wir ja in der Gegenwart noch unmittelbare, lebendige Kräfte aus der griechischen Zeit darinnen haben. Davon müssen wir zunächst den Kindern eine Vorstellung geben. Wir können es auf ver­schiedenen Gebieten tun. Wir können es auch schon früher vorbereitet haben, aber wir müssen beim Geschichtsunterricht von dem ausgehen, was wir von einer bestimmten geschichtlichen Epoche noch in der Ge­genwart darinnen haben.
Nun wird Ihnen ja ein unbefangener Überblick über unsere Kultur sehr leicht das Folgende ergeben. Wollte ich es im einzelnen ausführen, was ich skizzenhaft andeuten will, so wären dazu viele Stunden not­wendig; aber das kann ja jeder selbst machen. Ich will nur die Leit­linien hier andeuten. 

eigenlijk nog als ‘geschiedenis’ beleven. Wanneer we zo abstract de kinderen terugbrengen naar de Griekse geschiedenis, zelfs wanneer de kinderen al gymnasiasten zijn, is het toch een abstract teruggaan naar een vroegere tijdsfase. Men begrijpt niet concreet waarom men vanuit het heden op de een of andere manier iets nodig heeft om de Griekse tijd te begrijpen. Je begrijpt echter meteen waarom het gaat als je ervan uitgaat dat de Griekse tijd in de huidige tijd nog rechtstreeks, actief van invloed is. Daarvan moeten we de kinderen allereerst een voorstelling geven. We kunnen dat op verschillende manieren doen. We kunnen dat al eerder voorbereid hebben, maar we moeten in de geschiedenisles uitgaan van wat wij uit een bepaalde geschiedkundige episode nog hebben in de huidige tijd.
Nu zal voor u wel door een onbevangen blik op onze cultuur makkelijk het volgende blijken. Zou ik het in detail willen uitwerken, wat ik nu schetsmatig wil aanduiden, dan waren daar vele uren voor nodig; maar dat kan ieder voor zich wel doen. Ik wil alleen de grote lijnen aangeven.

Sehen Sie, alles, was wir an umfassenderen uni­versellen Vorstellungen haben, wovon wir eigentlich vorstellungsgemäß als Menschen leben, das haben wir im Grunde genommen als Erbschaft des griechischen Zeitalters angetreten. Wir haben auch gewisse Kunst-empfindungen, mit denen unsere Seele heute noch arbeitet, rein als Erbschaft des griechischen Zeitalters angetreten. Nehmen Sie die ge­wöhnlichsten Begriffe, die uns gang und gäbe sind, wie zum Beispiel der Begriff der Ursache, der Begriff der Wirkung, der Begriff nament­lich des Menschen selber. Alles dasjenige, was unsere universellen Be­griffe sind – die Griechen haben sich zu diesen Begriffen hingearbeitet. Nehmen Sie den Begriff der Geschichte selbst, die Griechen haben zu­erst diesen Begriff der Geschichte aufgestellt. Also unser ganzes Vor­stellungsleben, wir können es überblicken, und wir werden finden, es ist eine Erbschaft des griechischen Zeitalters. So können wir in einer ganz elementaren Weise uns zunächst mit den Schülern unterhalten über unseren universellen Vorstellungsschatz und gar nicht dabei Rücksicht darauf nehmen, daß das in Griechenland entstanden ist. Wir können uns durchaus von der Gegenwart mit unseren Schülern unter­halten und zunächst dabei stehen bleiben; dann versuchen wir irgend­wie etwas Dramatisches, etwas Lyrisches mit den Kindern so durchzunehmen,

Kijk, alles wat wij aan meer omvattende universele voorstellingen hebben, waaruit wij eigenlijk volgens onze voorstellingen als mens leven, hebben we in de grond van de zaak beschouwd, als erfenis van de Griekse tijd overgenomen. Ook hebben we bepaalde kunstervaringen waarmee onze ziel nu nog werkt, puur als erfenis van de Griekse tijd overgenomen. Neem de gewoonste begrippen die voor ons gemeengoed zijn, zoals bijv. het begrip oorzaak, het begrip gevolg, met name het begrip mens zelf. Alles wat universele begrippen zijn – de Grieken hebben naar deze begrippen toegewerkt. Neem het begrip geschiedenis zelf, de Grieken hebben voor het eerst dit begrip omschreven. Dus heel ons voorstellingsleven, we kunnen het overzien en we zullen vinden dat het een erfenis is van de Griekse tijd. Wel kunnen we op een heel elementaire manier met de leerlingen spreken over onze universele begrippenschat en er dan helemaal geen rekening houden dat dat in Griekenland is ontstaan. We kunnen ook met onze leerlingen over de tegenwoordige tijd spreken en daar eerst bij stilstaan; dan proberen we op de een of andere manier iets van drama, iets van lyriek zo met de kinderen door te nemen

blz. 187

daß wir zum Beispiel beim Dramatischen aufmerksam ma­chen, wie ein Drama in Akte eingeteilt ist, wie ein Drama aufgebaut ist, wie es zu einer Verwicklung führt, wie bei ihm eine Lösung herbei­geführt wird. Wir können dabei in ganz elementarer Weise den Begriff der Katharsis entwickeln. Wir brauchen ja wahrhaftig dabei nicht komplizierte philosophische Vorstellungen in den Kindern zu ent­wickeln, aber wir können den Begriff der Katharsis entwickeln, indem wir dem Kinde zeigen, wie im Drama unsere Gefühle angespannt wer­den, wie wir wirklich in eine Art von Mitleid und Furcht versetzt werden, und wie wir dadurch lernen, ein gewisses Gleichmaß des Füh­lens gegenüber Furcht und Mitleid zu bekommen, wie ja das von den Griechen als das Wesentliche der dramatischen Kunst angesehen wor­den ist. Das taugt dann durchaus, wenn wir die Kinder schon für das 11., 12., 13. Lebensjahr ordentlich vorbereitet haben. Wir können dann irgend etwas von einem griechischen Kunstwerke, irgendeine Aphro­dite-Gestalt oder dergleichen vor die Kinder bringen, können ihnen erklären, wie das Schöne in dieser Darstellung sich offenbart und so weiter. Wir können sogar so weit gehen, daß wir den Unterschied er­klären zwischen dem Ruhenden der Kunst in der einzelnen Darstel­lung, zwischen dem Bewegten in der Kunst und so weiter. 

dat we bijv. bij de dramatiek erop wijzen, hoe een drama in akten is verdeeld, hoe een drama opgebouwd is, hoe die leidt naar een verwikkeling, hoe een oplossing gevonden wordt. Daarbij kunnen we op een heel elementaire manier het begrip catharsis ontwikkelen. We hoeven wis en waarachtig zeker geen gecompliceerde filosofische voorstellingen in de kinderen te ontwikkelen, maar we kunnen het begrip catharsis ontwikkelen door het kind te laten zien, hoe in het drama onze gevoelens aangesproken worden, hoe wij werkelijk in een soort medelijden en angst verplaatst worden en hoe we daardoor leren een zeker evenwicht te krijgen tussen ons gevoel en angst en medelijden, hoe dat door de Grieken als het meest wezenlijke van de dramatische kunst gezien werd. Het is het zeer zeker waard als we de kinderen daar al goed op voorbereid hebben als ze zo 11, 12, 13 jaar zijn. Dan kunnen we iets van een Grieks kunstwerk aan de kinderen laten zien, een of andere Afrodite-gestalte o.i.d., we kunnen hun dan uitleggen hoe de schoonheid in de gestalte zich vertoont, enz. We kunnen zelfs zo ver gaan, dat we het verschil uitleggen tussen wat in een individuele gestalte het rustende principe in de kunst is en het bewegende, enz.

Wir können dann gewisse Vorstellungen über das öffentliche Leben, sagen wir, anknüpfend an dasjenige, was jetzt noch im öffentlichen Leben ist, und was schon in der griechischen Zeit da war als politische Grundbegriffe, mit den Kindern besprechen. Und dann, wenn wir uns über so etwas unterhalten haben, dann versuchen wir, dasjenige, was der Grund-charakter der ganzen griechischen Geschichte ist, vor die Kinder wie einen großen Kreis zunächst hinzustellen, klarzumachen den Kindern, wie in Griechenland Menschen von einem gewissen Charakter gelebt haben, wie die Städte-Einrichtungen bei den Griechen waren. Dann aber haben wir hauptsächlich darauf hinzuweisen, wie dasjenige, wor­über wir uns zuerst unterhalten haben, was heute noch lebendig ist, bei den Griechen entstanden ist; wie, sagen wir, bei den Griechen ent­standen ist so etwas, wie eben die plastische Kunst, wie bei den Grie­chen entstanden ist die Einrichtung der Städte und so weiter. Also aus­gehen von dem, was heute noch lebt, müssen wir und übergehen dazu, den Kindern zu zeigen, wie dies in dem griechischen Zeitalter zuerst in der Menschheitsentwickelung Fuß gefaßt hat, so daß das Kind einen ganz bestimmten Begriff erhält von dem Beitrag, den das griechische

We kunnen dan bepaalde voorstellingen met de kinderen bespreken over het openbare leven – laten we zeggen – aanknopend bij wat er nu nog in het openbare leven aanwezig is, van wat er ten tijde van de Grieken al was aan politieke grondbegrippen. En dan, wanneer we daarover hebben gesproken, proberen we voor de kinderen eerst als een grote cirkel neer te zetten wat het grondkarakter van de hele Griekse geschiedenis is, de kinderen duidelijk te maken hoe er in Griekenland mensen geleefd hebben met een bepaald karakter; hoe de steden bij de Grieken waren georganiseerd. Dan hoeven we er echter hoofdzakelijk op te wijzen hoe hetgeen waarover we eerst hebben gesproken, wat nu nog leeft, bij de Grieken is ontstaan; zoals – laten we zeggen – bij de Grieken de beeldhouwkunst is ontstaan, de inrichting van de steden enz. Dus we moeten uitgaan van wat we er tegenwoordig nog van hebben en ertoe ovegaan de kinderen te laten zien hoe dit voor het eerst in de mensheidsgeschiedenis in de Griekse tijd is begonnen, zodat het kind een heel bepaald begrip krijgt van de bijdrage die de Griekse

blz. 188

Zeitalter als einen ewigen Beitrag für die Menschheitsentwickelung ge­leistet hat.
Das Kind muß durch eine solche Darstellung eine Idee davon be­kommen, daß das geschichtliche Leben nicht eine ewige Wiederholung ist, sondern daß etwas ganz Bestimmtes in einem bestimmten Zeitalter für die Menschheit geleistet wird, was dann bleibt; wie spätere Zeit­alter etwas anderes leisten, was dann wiederum bleibt. Dann bekommt das Kind auch eine gewisse feste Stellung in der Gegenwart. Es sagt sich: Unser Zeitalter hat auch etwas ganz Bestimmtes für die Ewigkeit zu leisten. Solch eine Geschichtsdarstellung, die wirkt dann wirklich auf das Gemüt, die wirkt dann begeisternd auch auf den Willen; und auf das Wie einer solchen Darstellung kommt eben außerordentlich viel an. Wir werden dabei Gelegenheit haben, an das Kind eine ganze Summe von Vorstellungen, eine ganze Summe von Eindrücken heran-zubringen, von denen wir ihm dann zeigen: die Griechen waren es, die das eingeführt haben in den Schatz des Menschenlebens. Und wir haben Gelegenheit, eine längere Zeit aus jetzt noch Lebendigem heraus mit den Kindern zu sprechen so, daß in all dem, was wir darstellen, nichts Christliches noch liegt.

tijd als een eeuwige bijdrage voor de ontwikkeling van de mensheid heeft geleverd.
Het kind moet er door een dergelijke schets een idee krijgen van krijgen dat het geschiedkundige leven niet een eeuwige herhaling is, maar dat iets heel speciaals in een bepaalde tijd voor de mensheid tot stand wordt gebracht, wat dan blijvend is; hoe andere tijdperken weer iets anders tot stand brengen, wat dan ook blijft. Dan krijgt het kind ook een bepaalde vaste positie in het heden. Het zegt: ook onze tijd moet iets heel bijzonders voor de eeuwigheid te presteren.
Een dergelijke voorstelling van geschiedenis werkt dan echt op het gevoel, werkt ook enthousiastmerend op de wil; en op het ‘hoe’ van zo’n voorstelling komt buitengewoon veel aan. Daarbij zullen we de gelegenheid hebben het kind heel wat voorstellingen, heel wat indrukken te geven, waarvan we hem dan laten zien: het waren de Grieken die dit ingebracht hebben als iets kostbaars in het mensenleven. En we hebben de gelegenheid wat langer met de kinderen te spreken over wat nu nog leeft, zodanig dat daar nog niets christelijks in voorkomt.

Denn indem wir über das Griechentum so sprechen, und so sprechen, daß das Griechentum als lebendig emp­funden wird, ergehen wir uns in einer Materie, in der noch nichts Christliches drinnen liegt. Aber gerade dadurch, daß wir längere Zeit in dem Kinde Vorstellungen lebendig erhalten, die dem Christentum gegenüber noch ganz neutral sind, dadurch erringen wir uns die Mög­lichkeit, den Einschlag des Ereignisses von Golgatha, den Einschlag der Entstehung des Christentums mit aller Schärfe dann vor die Kin­der hinzustellen. Und wir werden, wenn wir auf eine solche Art die griechische Geschichte geben, von einer Art Charakteristik des ganzen Griechentums dann übergehen zu den Einzelheiten. Wenn wir in dieser Weise die griechische Geschichte durchnehmen, werden wir gerade die richtige Vorbereitung für eine Empfindung des Christentums in den Kindern hervorrufen.
Nun wird ja mancher von Ihnen mit einem gewissen Recht zunächst das Folgende sagen: Ja, aber da regst du uns ja an, über die Einzel­heiten der Geschichte zunächst zu schweigen und in Bausch und Bogen, im Großen das ganze Griechentum zu charakterisieren, das ist doch nicht eine richtige Methode, denn da geht man nicht aus von den ein­zelnen konkreten Ereignissen, um dann zusammenzusetzen die griechische

Want wanneer we over het Griekendom zo spreken dat dit levendig wordt ervaren, begeven we ons in een materie waarin nog niets christelijks aanwezig is. Maar juist omdat we een langere tijd in het kind de voorstellingen levend houden die t.o.v. het christendom nog heel neutraal zijn, maken we het mogelijk de impuls van de gebeurtenis op Golgotha, de impuls van het ontstaan van het christendom in alle scherpte voor het kind neer te zetten. En we zullen, wanneer we op een dergelijke manier de Griekse geschiedenis geven vanuit een soort karakteristiek van het hele Griekendom, overgaan tot de details. Wanneer we op deze manier de Griekse geschiedenis doornemen, zullen we bij de kinderen juist een goede voorbereiding voor het invoelen van het christendom oproepen.
Nu zullen sommigen van u zeggen: ‘Ja, maar nu spoor je ons aan eerst het niet te hebben over de details van de geschiedenis, en in grote trekken het hele Griekendom in het groot te karakteriseren, dan is dat toch geen goede methode, want daarbij ga je niet uit van aparte concrete gebeurtenissen om dan de Griekse

blz. 189

Geschichte in ihrer Ganzheit aus den einzelnen Ereignissen und so weiter.
Ja, da berühren wir eine bedeutsame methodische Frage, die nicht aus Eigensinn und Vorurteil heraus beantwortet werden sollte, son­dern die beantwortet werden sollte aus einer vollen unbefangenen Er­fassung des Lebens. Ich frage Sie: Ist denn das Leben so, daß es immer das Ganze aus dem Einzelnen zusammensetzt? Bedenken Sie einmal, wenn Sie diese Anforderung an das gewöhnliche Wahrnehmungsleben stellen wollten, so müßten Sie den Menschen anleiten, einen mensch­lichen Kopf, ein menschliches Haupt aus den einzelnen Teilen des Ge­hirns und so weiter, zusammenzusetzen. Wir schauen ja im Leben Ganzheiten unmittelbar an. Wir gewinnen nur dadurch ein lebendiges Verhältnis zum Leben, daß wir Ganzheiten unmittelbar anschauen, und es handelt sich niemals darum, daß wir in willkürlicher Weise von dem Teile zu den Ganzheiten übergehen, sondern daß man dasjenige, was im Leben als eine Ganzheit auftritt, auch als eine Ganzheit charak­terisiert. Ja, für den Griechen selber, da war es so, daß er in irgend­einem Jahrzehnt lebte, und daß er die Eindrücke, die dieses Jahrzehnt geben konnte, als einzelner Mensch erlebte.

in totaliteit uit de aparte gebeurtenissen samen te stellen enz.
Ja, hier raken we een belangrijke methodische vraag die niet eigenzinnig en bevooroordeeld beantwoord moet worden, maar vanuit een volledig onbevangen opvatting over het leven. Ik vraag u: is het dan zo in het leven dat het geheel altijd vanuit de delen gevormd wordt? Denk eens wanneer u deze eis aan het gewone waarnemingsleven zou willen stellen, dan zou je de mens aansporen een menselijk hoofd uit de losse delen van de hersenen enz. samen te stellen. In het leven zien we direct het geheel. We krijgen alleen een levende verhouding tot het leven doordat we meteen totaliteiten waarnemen en het gaat er nooit om  op een willekeurige manier van de delen naar het geheel te gaan, maar om wat er in het leven zich als totaliteit voordoet, ook als totaliteit te karakteriseren. Ja, voor de Griek zelf was het zo, dat hij in een of ander decennium leefde en dat hij de indrukken die dit op hem maakte, meebeleefde.

Dasjenige aber, was heute noch lebendig ist vom Griechentum, das hat sich zusammengefaßt, das bildet ein Ganzes, und über das schauen wir hinweg, wenn wir nicht, ausgehend von diesem Lebendigen, den ganzen Kreis des Griechentums vor das Kind charakterisierend hinstellen.
Und noch eine mehr praktische Frage erledigt sich dadurch. Ich habe es immer wieder und wiederum erleben müssen, was es wirklich im einzelnen heißt: der Lehrer wird mit seinem Unterrichtsstoff im Jahre nicht fertig. Das ist eigentlich etwas, was in doppelter Hinsicht zu einem Unfug führt, denn erstens wird man eben nicht fertig, das ist der eine Unfug; zweitens aber wird oftmals, damit man fertig wird, in den letzten Wochen so überhudelt, daß das ganz vergebliche Arbeit ist, daß das überhaupt gar nichts heißt, was man in den letzten Wochen macht. Hat man aber zuerst einen großen Kreis umfaßt, hat man den Zeitraum, den man für die betreffende Klasse nehmen will – die Klassenabteilungen, den Lehrplan und die Lehrziele werden wir noch besprechen -, vor die Kinder hingestellt, dann schadet es gar nicht so viel, wenn man in der Betrachtung der Einzelheiten da oder dort über manches hinweggehen muß und dergleichen. Denn wie leicht ist es dem Menschen im Leben, wenn er einen Überblick über eine Sache

Maar wat tegenwoordig nog van het Griekendom leeft, is één geheel geworden, het vormt een totaliteit en daar kijken we overheen wanneer we niet uitgaand van dit levende, het hele domein van het Griekendom, karakteriserend voor het kind neerzetten.
En daardoor wordt nog een meer praktische vraag beantwoord. Ik heb het steeds weer meegemaakt, wat het concreet betekent: de leraar komt met de onderwijsstof in het jaar niet klaar. Dat is eigenlijk iets wat in dubbel opzicht tot iets onbehoorlijks leidt, ten eerste krijg je de lesstof niet af, dat deugt niet; ten tweede echter wordt er om het wél af te krijgen, de laatste weken zo afgeraffeld, dat dat werk voor niks is, dat het geen naam mag hebben, wat daar de laatste weken gebeurt. Heb je echter eerst het grote overzicht in de gaten, heb je de tijdsduur voor de betreffende klas bepaald – de klassen, het leerplan en de leerdoelen zullen we nog bespreken – en dat de kinderen meegedeeld, dan is het niet zo erg wanneer je bij het beschouwen van de details hier of daar eens iets moet weglaten en dergelijke. Want hoe gemakkelijk is het niet voor de mens, wanneer hij overzicht over een zaak

blz. 190

hat, sich besonders in unserer Zeit in den Konversationslexika das ein­zelne nachzusehen. Keinen Überblick bekommen zu haben, das ist unter Umständen ein bleibender Verlust für das Leben. Denn einen rechten Überblick bekommt man nur unter der Anleitung einer leben­digen Persönlichkeit. Einzelheiten aufnehmen kann man auch aus einem Buche.
Dies muß man doch als ein sehr Wichtiges in der pädagogischen Kunst berücksichtigen. Das ist sogar etwas, was bei den Lehrerprüfun­gen im ausgesprochensten Maße berücksichtigt werden sollte. Würde mit Bezug auf die Lehrerprüfungen dasjenige durchgeführt, was ich versuchte – es ist ja natürlich das im Anfange – für die Waldorfschule in Stuttgart geltend sein zu lassen, so würde man eben sagen: Bei der Lehrerprüfung sollte es eben darauf ankommen, sich von der Gesamt-verfassung des Lehrers in bezug auf ein Weltbild zu überzeugen und im übrigen die einzelnen Kenntnisse dem überlassen, was er für nötig findet für den einzelnen Unterricht von Stunde zu Stunde, von Tag zu Tag vorbereitend durchzunehmen. Daß man bei Lehrerprüfungen Ein­zelheiten verlangt, das ist überhaupt ein Unfug. Es kommt darauf an, den Gesamteindruck zu bekommen, ob irgend jemand als Lehrer ge­eignet ist oder nicht.

heeft, speciaal wanneer hij in deze tijd in de encyclopedie de details wil zien. Wanneer je geen overzicht hebt gekregen, is dat onder bepaalde omstandigheden een blijvend manco in het leven. Want een goed overzicht krijg je alleen onder leiding van een levendige persoonlijkheid. Details kun je ook uit een boek halen.
Dat moet je toch als een heel belangrijk punt in de pedagogische kunst beschouwen. Het is zelfs iets, wat bij de lerarenexamens zeer uitgesproken in acht zou moeten worden genomen. Zou wat betreft die lerarenexamens doorgevoerd zijn wat ik probeerde – het staat nog maar aan het begin – voor de vrijeschool in Stuttgart te laten gelden, dan zou men zeggen: ‘Bij het lerarenexamen komt het erop aan zich ervan te overtuigen wat de totale grondhouding van de leraar is m.b.t. een wereldbeeld en voor de rest de feitenkennis over te laten aan wat hij nodig vindt om voor iedere les, van uur tot uur, van dag tot dag, als voorbereiding door te werken.’  Dat men bij lerarenexamens feiten wil, is zeer zeker iets wat niet klopt. Het komt erop aan een totaalindruk te krijgen of iemand als leerkracht geschikt is of niet.

Natürlich darf man diese Dinge auch nicht pres­sen. Man darf selbstverständlich nicht glauben, daß man alle diese Dinge bis ins Extreme treiben darf. Aber im wesentlichen gilt das, was ich gesagt habe.
Nun wird man all das, was ich charakterisiert habe, als heute noch lebendig, gewissermaßen als einen Übergangsimpuls zum Griechentum betrachten können. Dann aber wird man übergehen können zu dem, was auch heute lebendig ist, was aber im Griechentum noch nicht lebendig war. Man wird vor allen Dingen nun sich lebendig unter­halten können mit dem Schüler über einen solchen Begriff wie all­gemeine Menschenwürde. Man wird sich unterhalten können über einen solchen Begriff wie individuelles Bewußtsein des Menschen, na­türlich alles in elementarer Weise. Den Begriff der allgemeinen Men­schenwürde, den hatten die Griechen nicht. Sie hatten den Begriff der Polis, den Begriff einer Gemeinschaft, der der Einzelne angehörte. Darnach waren die einzelnen eingeteilt: Herren, Sklaven. Den eigent­lichen Fundamentalbegriff des Menschen hatten sie nicht. Darüber unterhält man sich nun mit den Schülern. Man unterhält sich ferner mit den Schülern über den Begriff des allgemein Menschlichen, de

Natuurlijk moet je deze dingen niet dwingen. Je moet vanzelfsprekend ook niet geloven dat je al deze dingen tot in het extreme moet doen. Maar in wezen geldt, wat ik heb gezegd.
Alles wat ik nu gekarakteriseerd heb, moet je als iets wat tegenwoordig nog levend, in zekere zin als een overgansimpuls naar het Griekendom, kunnen beschouwen. Dan zou je over kunnen stappen naar iets wat tegenwoordig ook nog leeft, maar wat bij de Grieken nog niet leefde. Je zou vooral op een levendige manier met de leerlingen kunnen spreken over zo’n begrip als universele menswaardigheid. Je kunt over zo’n begrip als individueel bewustzijn van de mens spreken, natuurlijk allemaal op een elementaire manier. Het begrip van de universele menswaardigheid kenden de Grieken niet. Ze hadden het begrip van de polis, het begrip van de gemeenschap waartoe de enkeling behoorde. Daar waren de enkelingen bij ingedeeld: meesters, slaven. Het eigenlijke fundamentele mensbegrip hadden ze niet. Daarover praat je nu met de leerlingen. Verder ook met het algemeen menselijke, dat

blz. 191

weil wir wirklich in der heutigen Zeit nicht genug christlich sind, gar nicht so sehr in dem Menschen lebendig ist, aber, ich möchte sagen, durch die Naturgeschichte, die Geschichte sehr wohl in den Kindern lebendig werden kann. Dieser Begriff des allgemein Menschlichen kann etwa so erweckt werden: Man stellt vor die Kinder hin das Abendmahl des Leonardo – es ist ja eigentlich nur noch seinem Sinne nach da, es sind einige Farbflächen noch vorhanden in Mailand davon -, dasje­nige, was Leonardo mit diesem Bilde einmal gewollt hat, davon kann man sich heute, ich möchte sagen, nur hellsichtig noch einen Begriff machen, aber der Gedanke des Bildes, er ist noch da. Er ist lebendig zu machen, indem man das Bild vor die Kinder hinstellt. Hat man da diese zwölf Apostel mit dem Herrn in der Mitte, dann ist man in der Lage, tatsächlich an diesem Bilde klarzumachen, daß zwölf Menschen da sind, zwölf Menschen, die vom Künstler selbst schon in ihren Stel­lungen mit den verschiedensten Gesinnungen dargestellt worden sind, vom hingebungsvollen Johannes bis zum verräterischen Judas. Man kann gewissermaßen alle menschlichen Charaktere an diesen zwölf Bildern entwickeln.

omdat we tegenwoordig niet christelijk genoeg meer zijn, helemaal niet zo in de mens leeft, maar door de biologie, de geschiedenis wel levend kan worden in de kinderen. Het begrip voor het algemeen menselijke kan bijv. zo gewekt worden: je laat de kinderen Het Avondmaal van Leonardo zien – het is er eigenlijk alleen nog maar als idee, er zijn nog wat schildervlakken van in Milaan* – van wat Leonardo eens met dit beeld wilde, kun je je alleen tegenwoordig maar helderziend een begrip vormen, maar de idee van het beeld is er nog. Je kunt het levend maken als je de kinderen het beeld laat zien. Wanneer je de twaalf apostelen hebt, met de Heer in het midden, dan ben je in staat, aan dit beeld daadwerkelijk duidelijk te maken dat er twaalf mensen zijn, twaalf mensen die door de kunstenaar zelf al in hun houdingen en met de meest verschillende stemmingen afgebeeld zijn, van Johannes, vol overgave tot de verraderlijke Judas. Je kan in zekere zin alle menselijke karaktertrekken aan deze twaalf beelden ontwikkelen.

Man kann den Kindern zeigen, wie die Menschen-charaktere verschieden sind, und man weist dann darauf hin, wie in der Mitte der Herr sich verhält zu jedem einzelnen, und man wird den Kindern sagen können: Nehmt meinetwillen irgend jemanden, der aus einem fremden Himmelskörper herunterkommt – man braucht es nicht in der Weise zu sagen, aber man kann es so klarmachen -, nehmt irgend jemanden, der von einem fremden Himmelskörper herunterkommt und alle Bilder auf der Erde sieht – ein solches Wesen braucht nur die zwölf Menschen anzuschauen, und dann das verklärte Antlitz in der Mitte, und es weiß als ein ganz erdenfremdes Wesen: Das hat etwas zu tun mit dem, was der Erde Sinn gibt. Daß einmal eine Zeit da war in der Erdentwickelung, die Vorbereitung war, daß dann eine andere Zeit kam, auf die gewartet wurde, und die gegenüber der Vorbereitung eine Art Erfüllung gibt, daß mit der ganzen irdischen Menschheits­entwickelung dieses Ereignis von Golgatha zusammenhängt, daß die Erde keinen Sinn hätte in ihrer Entwickelung, wenn dieses Ereignis nicht eingetreten wäre, das ist etwas, was man klarmachen kann. Das ist also, was auch heute noch lebendig ist, was sehr leicht belebt werden kann, insofern es in unserer halb heidnischen Zeit wiederum erstorben ist. Kurz, darum handelt es sich, daß man jetzt gewissermaßen das zweite Zeitalter des Menschen klarmacht. Das ist das Zeitalter, das im

Je kan de kinderen laten zien, hoe verschillend mensen in hun karakter zijn en dan wijs je erop hoe de Heer in het midden t.o.v. ieder individu staat en je kan tegen de kinderen zeggen: ‘Neem wat mij betreft een of ander persoon die vanaf een vreemd hemellichaam naar beneden komt – je hoeft het niet zo te zeggen, maar zo kun je het duidelijk maken – neem iemand die van een andere planeet komt en alle beelden van de aarde ziet – zo’n wezen hoeft maar naar die twaalf mensen te kijken en dan naar het bezielde gezicht in het midden en als wezen dat niet thuis is op aarde, weet het: dat heeft te maken met wat zin aan de aarde geeft. Dat er eens een tijd was in de aardeontwikkeling als voorbereidingstijd, dat er dan een andere tijd kwam waarop werd gewacht en die t.o.v. de voorbereiding een soort vervulling gaf, die met de hele aardse mensheidsontwikkeling van deze gebeurtenis op Golgotha samenhangt, dat het voor de aarde in haar ontwikkeling geen zin zou hebben gehad als deze gebeurtenis niet zou hebben plaatsgevonden, dat is iets wat je duidelijk kunt maken. Dat leeft ook nu nog, dat kan heel makkelijk weer gaan leven, voor zoverre het in onze halve heidense tijd niet gestorven is. Kortom, het gaat erom dat je in zekere zin het tweede tijdperk van de mens duidelijk maakt. Dat is het tijdperk dat in

blz. 192

Gegensatz zu dem Schaffen von Begriffen, von künstlerischem Emp­finden zu alle dem, was eigentlich nur entstehen konnte, indem eine Aristokratie der Menschheit es ausbrütete, das im Gegensatze zu dem, was eben als Erbschaft geblieben ist, auftrat mit der Entstehung des Christentums: das allgemein Menschliche.
Nun kann man zeigen, indem man jetzt erst die römische Geschichte nachholt, wie die römische Geschichte nach irgend etwas hin tendiert, was eigentlich in sich selbst kaum eine Bedeutung hat; denn es wird dem unbefangenen Betrachter der römischen Geschichte klarwerden, wie groß eigentlich der Abstand dieses römischen Volkes von dem griechischen Volke ist. Das griechische Volk hat uns und den Römern
– denn die Römer waren die Schüler der Griechen in wirklich allem bedeutenden Menschlichen -, das Griechentum hat uns und den Rö­mern dasjenige gegeben, was geblieben ist. Die Römer für sich, sie waren ein phantasieloses Volk, ein Volk, welches eigentlich nur sich vorbereitet hat durch den Bürgerbegriff zum christlichen Menschen-begriff. Den Einschlag des Christentums in das Römertum kann man dem Kind in diesem Lebensalter durchaus schon beibringen und damit auch zeigen, wie die alte Welt Stück für Stück zugrunde geht und das Christentum Stück für Stück sich im Abendlande verbreitet.

tegenstelling tot het creëren van begrippen, van kunstzinnig gevoel voor alles wat eigenlijk alleen maar kon ontstaan wanneer een aristocratie van de mensheid het uitdacht, dat in tegenstelling tot wat als erfenis gebleven is, optrad met het ontstaan van het chrtistendom: het algemeen menslijke.
Nu kun je laten zien, wanneer je nu de Romeinse geschiedenis er nog bijhaalt, hoe deze naar iets neigt wat eigenlijk op zich nauwelijks betekenis heeft; want het zal de onbevangen onderzoeker van de Romeinse geschiedenis duidelijk worden, hoe groot eigenlijk de afstand van dit Romeinse volk tot het Griekse volk is. Het Griekse volk heeft ons en de Romeinen – want de Romeinen waren de leerlingen van de Grieken van werkelijk alles wat voor de mens van betekenis is – het Griekendom heeft ons en de Romeinen datgene gegeven wat gebleven is. De Romeinen op zich, het was een fantasieloos volk, een volk dat zich eigenlijk slechts voorbereid had door het begrip van burger tot het christelijke begrip van mens. De impuls van het christendom bij de Romeinen kan je een kind op deze leeftijd al wel bijbrengen en daarmee ook laten zien, hoe de oude wereld geleidelijk ten onder gaat en het christendom zich geleidelijk in het Avondland verbreidt.

Ich möchte sagen: Das erste Jahrtausend des Christentums gewinnt dadurch einen gewissen einheitlichen Charakter. Es ist die Verbreitung des allgemei­nen Menschenbegriffes. Und wenn man einen so lebendigen, einen so intensiven Begriff von dem Einschlag des Christentums in die Mensch­heitsentwickelung an die Kinder heranbringt, dann bekommt man auch die Möglichkeit, das ganze neue Zeitalter nun für die Menschen­kinder zu charakterisieren.
Nachdem das erste Jahrtausend christlicher europäischer Entwicke­lung vorüber ist, beginnt doch wiederum etwas ganzNeues. Dieses ganz Neue bereitet sich langsam vor. Dasjenige tritt klar in die Menschheits­entwickelung ein, was, ich möchte sagen, das Allerprosaischste ist für uns. Für unsere Nachkommen in Jahrtausenden wird die Sache anders liegen, aber wir müssen selbstverständlich heute »Geschichte« für unsere Zeit lehren. Wir blicken also zurück ins Griechentum, in dasjenige, was heidnisch sein darf, künstlerisches Leben, Vorstellungsleben und so weiter, wir blicken zurück in das erste Jahrtausend christlicher Ent­wickelung und finden das europäische Gefühlsleben gerade darin ent­wickelt; und wir finden dann in dem, was nach dem ersten Jahrtausend

Het eerste millennium van het christendom krijgt daardoor het karakter van een zekere eenheid. Het is de verbreiding van het algemene begrip mens. En wanneer je een zo levend, een zo intensief begrip van de impuls van het christendom in de ontwikkeling van de mensheid aan de kinderen leert, krijg je ook de mogelijkheid het geheel nieuwe tijdperk voor de kinderen te karakteriseren.
Nadat het eerste millennium van de christelijke Europese ontwikkeling voorbij is, begint totaal weer iets heel nieuws. Dit bereidt zich langzaam voor. Het verschijnt duidelijk in de mensheidsontwikkeling als het meest prozaïsche voor ons. Voor onze nakomelingen in duizenden jaren zullen de zaken anders liggen, maar wij moeten vanzelfsprekend vandaag ‘geschiedenis’ voor onze tijd leren. Wij kijken dus terug naar de Grieken, naar wat niet-christelijk mag zijn, kunstzinnig leven, voorstellingsleven enz., we blikken terug naar  het eerste millennium van christelijke ontwikkeling en vinden de ontwikkeling van het Europese gevoelsleven juist daar; en we vinden dan in wat na het eerste millennium

blz. 193

christlicher Entwickelung eintritt, das europäische Willensleben, vor allen Dingen zunächst dadurch herankommend, daß die wirtschaft­lichen Angelegenheiten für die Menschen Gegenstand eines ausgebilde­ten Nachdenkens werden, Gegenstand von Schwierigkeiten werden. Sie wurden früher in viel naiverer Weise besorgt, als sie nachher be­sorgt werden. Und mit dem zusammenhängend dann versucht man gerade zu schildern, wie die Erde ein einheitlicher Schauplatz wird für die Menschen, wie sie es wird durch die Entdeckungsfahrten, wie sie es wird durch die Buchdruckerkunst, und man versucht, diesen letzten Zeitraum als denjenigen zu erfassen, in dem wir eben noch drinnen-stehen. Da wird man nicht mehr in einer solchen Weise große Gesichts­punkte, wie für die griechische Zeit und für die christlich-römische Zeit mit einer Nachwirkung in das mitteleuropäische Leben herein darstel­len können; da wird man dann mehr oder weniger zerfallen lassen müssen dasjenige, was vom 11., 12., 13.Jahrhundert an und so weiter geschehen ist, in Einzelheiten. Aber gerade dadurch wird man von dem in dieser Zeit in die Geschichte eintretenden Völkerwillensleben die richtige Empfindung in dem Kinde erwecken.

van christelijke ontwikkeling optreedt, het Europese wilsleven, vooral eerst opkomend doordat de handelszaken voor de mensen onderwerp worden om uitgebreid over na te denken, onderwerp worden van problemen. Die werden vroeger op een veel naïvere manier afgehandeld dan later. En daarmee samenhangend probeer je dan te schetsen hoe de wereld een meer eenheid vertonend toneel wordt voor de mensen, hoe dat komt door de ontdekkingsreizen, door de boekdrukkunst en je probeert dit laatste tijdperk op te vatten als het tijdperk waar we nu nog in zitten. Dan zal je niet meer op zo’n manier grote gezichtspunten neer kunnen zetten zoals je kon doen voor de Griekse tijd, voor de christelijk-Romeinse tijd met de nawerking in het Midden-Europese leven; dan zal je daar min of meer, wat er vanaf de 11e, 12e, 13e eeuw enz. gebeurd is, dat in details moeten opsplitsen. Maar juist daardoor zal je voor wat er vanaf deze tijd in de geschiedenis als verschijnend wilsleven van de volkeren begint te leven, bij het kind het juiste gevoel wekken.

Was erreicht man dadurch, daß man dieses tut? Sehen Sie, dadurch treibt man nicht Kausalgeschichte und auch nicht pragmatische Ge­schichte, all die schönen Dinge, die zeitweilig so bewundert worden sind. Was heißt denn Kausalgeschichte? Ich sagte es schon, es setzt vor­aus, daß immer das Folgende als die Wirkung des Vorhergehenden entstanden ist. Aber wenn man eine Wasseroberfläche hat, und man sieht aufeinanderfolgende Wellen – wird man denn jede folgende Welle als die Wirkung der vorhergehenden ansehen dürfen? Wird man denn da nicht in den Tiefen des Wassers die Ursache suchen müssen, die gemeinsame Ursache für die Folgen der Wellen? In der Geschichte ist es nicht anders. Man übersieht das Wichtigste, wenn man nur nach dem Zusammenhange von Ursache und Wirkung sieht. Man übersieht dasjenige, was in den Tiefen der Menschheitswerdenskräfte waltet, welche die einzelnen Erscheinungen im Laufe der Zeit an die Ober­fläche bringen, so daß sie sich nicht bloß darstellen unter dem Gesichts­punkt von Ursache und Wirkung. Dasjenige, was in einem Jahrhun­dert geschieht, ist nicht bloß die Wirkung desjenigen, was im früheren Jahrhunderte geschehen ist, sondern es ist selbständig – nebenbei, daß es Wirkung ist -, es ist selbständig, ich möchte sagen, aus den Tiefen des Menschenwerdestromes an die Oberfläche getragen.

Wat bereik je ermee dit zo te doen? Kijk, daardoor geef je geen causaliteitsgeschiedenis en ook geen pragmatische geschiedenis, al dat moois, wat tijdelijk zo werd bewonderd. Wat is dan causaliteitsgeschiedenis? Ik zei al, het gaat ervan uit, dat steeds het volgende als de werking van het voorafgaande ontstaan is. Maar wanneer je een wateroppervlak hebt en je ziet de na elkaar aankomende golven, mag je dan iedere volgende golf als de werking van de voorafgaande beschouwen? Moet je de oorzaak dan niet in de diepte van het water zoeken, de gemeenschappelijke oorzaak voor de golven die volgen? In de geschiedenis is het niet anders. Je kijkt over het belangrijkste heen, wanneer je alleen kijkt naar de samenhang van oorzaak en gevolg. Je kijkt over datgene heen wat in de diepte van de krachten bij het worden van de mensheid gaande is, die de afzonderlijke verschijnselen in de loop van de tijd aan de oppervlakte brengen, zodat die zich niet alleen maar vertonen onder het gezichtspunt van oorzaak en gevolg. Wat in de ene eeuw gebeurt, is niet alleen maar het gevolg van wat in een eerdere eeuw gebeurt is, maar staat op zich, laat staan dat het een gevolg is – , het staat op zich en is op zich staand, uit de diepten van de stroom van de menswording aan de oppervlakte gebracht.

blz. 194

Davon kann man im kindlichen Lebensalter einen Eindruck hervor­rufen. Und man muß ihn in dieser Zeit hervorrufen. Denn wenn man Lhn nicht in diesem Alter hervorruft, dann bleibt der Mensch eigen­sinnig, bleibt bei seiner pragmatischen oder kausalen Geschichte. Er er­starrt dann in seiner Auffassung des geschichtlichen Werdens und ist später eigentlich wenig mehr geneigt, etwas aufzunehmen von dem, was eigentlich Zukunft hat, und was ich im Gegensatz zu aller übri­gen Geschichtsdarstellung nennen möchte die symptomatologische Ge­schichte. Wer symptomatologische Geschichtsbetrachtungen treibt, wird nicht glauben, man müsse an die geschichtlichen Ereignisse unmittelbar herangehen und sie schildern um ihrer selbst willen, sondern er wird sie als Symptome eines tieferen Werdens betrachten und sich sagen:
Wenn in einem bestimmten Zeitalter, sagen wir, der Gutenberg auf-tritt und die Buchdruckerkunst findet, so hängt das zusammen mit etwas, was in den Tiefen der Menschheit geschieht. Und die Auf­findung der Buchdruckerkunst ist nur ein Symptom dafür, daß die Menschheit in dieser Zeit reif geworden ist, von gewissen bloß kon­kreten Vorstellungen zu abstrakten überzugehen. 

Daarvan kun je in de kinderleeftijd een indruk oproepen. En die moet je in deze tijd oproepen. Want doe je dat op deze leeftijd niet, dan blijft de mens eigenzinnig, blijft bij zijn pragmatische of causale geschiedenis. Hij wordt dan star in zijn opvattingen over de geschiedkundige wording en is later eigenlijk weinig meer genegen iets op te nemen van iets wat eigenlijk toekomst heeft en wat ik in tegenstelling tot alle andere geschiedschrijving de symptomatologische geschiedenis noem. Wie geschiedenis symptomatologisch bekijkt, zal niet geloven dat je meteen de geschiedkundige gebeurtenissen moet nemen en die schetsten om ze te schetsen, maar die zal ze als symptomen van een dieper worden bekijken en zeggen: wanneer er in een bepaalde tijd – laten we zeggen – sprake is van Gutenberg die de boekdrukkunst ontdekt, dan hangt dat samen met iets wat in een diepere laag van de mensheid gebeurt. En de uitvinding van de boekdrukkunst is er maar een symptoom van, dat de mensheid in deze tijd rijp geworden is van bepaalde enkel concrete voorstellingen over te gaan tot abstracte.

 Indem man dasjenige Leben antritt im Laufe der Zeit, das zusammengehalten wird mehr durch den Druck, als durch die unmittelbar gründlichen Inhalte, wird das Leben wesentlich verabstrahiert oder ins Abstrakte getrieben.
Wie im Verlaufe des geschichtlichen Werdens das Leben verabstra­hiert, ins Abstrakte getrieben wird, davon machen wir uns in der Regel überhaupt keine Vorstellung. Denken Sie doch nur einmal, um ein kleines zu sagen, ich kann sagen: Mein Rock ist schäbig. Darüber hat heute jeder eine Vorstellung, wenn ich sage: Mein Rock ist schäbig. Aber er wird nicht sich klarwerden darüber, was das eigentlich heißt. Es heißt, daß das, was ich da meine, ursprünglich etwas mit den Scha­ben, mit den kleinen Insekten zu tun hat. Röcke hat man hängen-lassen in Schränken, hat sie nicht ordentlich gebürstet, und da sind diese kleinen Insekten, diese Schaben, gekommen und haben den Rock zerfressen. Man hat Löcher. Und aus dem Zerstören von Röcken durch Schaben ist das Wort »schäbig« entstanden. Das ist der Übergang vom Konkreten zum Abstrakten. Dieser Übergang vom Konkreten zum Abstrakten vollzieht sich in der Menschheit immerfort, und auf den sollten wir eigentlich aufmerksam sein. Sehen Sie, in meiner Gegend, wo ich aufgewachsen bin, in dieser österreichischen Gegend, da redeten die Bauern sehr konkret vom Nachtschlaf. Der Nachtschlaf war für sie

Wanneer men in de loop van de tijd het leven binnenstapt waarin er meer verband is door de drukpers dan door zonder omwegen iets zeer inhoudelijks, dan wordt het leven in belangrijke mate abstracter of tot abstracties geforceerd.
Hoe in de loop van de geschiedkundige wording het leven geabstraheerd is, tot abstracties geforceerd is, daarvan maken wij ons in de regel helemaal geen voorstelling. Bedenk eens, om een klein voorbeeld te geven: mijn jas is mottig. Als ik dat zeg, heeft iedereen daar wel een voorstelling van. Maar het wordt hem niet duidelijk, wat dat eigenlijk betekent. Het betekent dat wat ik daar zeg, oorspronkelijk met motten, met die kleine insecten te maken heeft. Jassen heeft men in kasten laten hangen, ze niet naar behoren geborsteld en toen zijn deze kleine insecten, de motten, gekomen en hebben de jas aangevreten. Er zitten gaatjes in. En door het beschadigen van jassen door motten is het woord ‘mottig’ ontstaan. Dat is de overgang van concreet naar abstract. Deze overgang voltrekt zich in de mensheid steeds weer en daar moeten we eigenlijk op letten. In de omgeving waarin ik ben opgegroeid, in deze Oostenrijkse omgeving, spraken de boeren zeer concreet over de “nachtslaap”. De nachtslaap was voor hen

blz. 195

nicht jenes Abstraktum, an das wir heute denken, wenn wir sagen: der Nachtschlaf; sondern der Bauer rieb sich die Augen aus und das, was da in den Augenecken am Morgen drinnen war, was er herausrieb, diese konkrete Absonderung, die nennt er den Nachtschlaf, und einen anderen Begriff von dem Nachtschlaf hat er nicht, er muß erst auf den abstrakten Begriff des Nachtschlafes gebracht werden. Allerdings, diese Dinge sterben aus. Wir Älteren erinnern uns, wenn wir gerade unsere Jugend nicht in der Stadt zugebracht haben, sondern auf dem Lande, wie alles konkret war. Aber es ist sozusagen mit dem 19. Jahrhundert mehr oder weniger ausgestorben. Ich könnte Ihnen eine ganze Anzahl solcher Beispiele vorbringen, und Sie wirden kaum glauben, daß in solch konkreter Weise auf dem Lande gedacht wird. Man kann sehr Merkwürdiges erleben. Es gibt einen österreichischen Dialektdichter, der sehr schöne Dinge gemacht hat, die die Stadtleute alle bewundert haben, aber eben nur die Stadtleute, denn die Landleute verstehen sie nicht, weil er alle Worte so gebraucht, wie sie die abstrakten Stadtleute gebrauchen. Das versteht der auf dem Lande aber gar nicht, weil der konkrete Dinge im Auge hat, so daß alles für ihn etwas ganz, ganz anderes bedeutet.

niet zo’n abstractie waaraan wij nu denken als we zeggen: de nachtslaap; maar de boer wreef in zijn ogen en wat er ’s morgens in zijn ooghoeken zat, wat hij eruit wreef, wat daar concreet uitgescheiden was, noemde hij nachtslaap en een ander begrip van nachtslaap had hij niet, tot het abstracte begrip nachtslaap moest hij eerst gebracht worden. Maar ja, deze dingen sterven uit. Wij ouderen weten het nog, als we dus niet onze jeugd in de stad hebben doorgebracht, maar op het platteland, waar alles concreter was. Maar dat is met de 19e eeuw min of meer uitgestorven. Ik zou u heel wat van dergelijke voorbeelden kunnen geven en u zou het nauwelijks geloven dat er op zo’n concrete manier op het platteland gedacht werd. Je kunt er veel opmerkelijks aan beleven. Er is een Oostenrijkse dialectdichter, die veel mooie dingen heeft gemaakt, die de mensen uit de stad alle bewonderden, maar alleen de mensen uit de stad, want de mensen van het land begrijpen ze niet, omdat hij alle woorden zo gebruikt als de abstracte stadsmens doet. Die van het boerenland begrijpt dat helemaal niet, omdat hij concrete dingen voor ogen heeft, zodat voor hem alles iets heel, heel anders betekent.

Ich will nur daran erinnern, daß zum Beispiel, wenn dieser österreichische Dialektdichter in seinem Gedichte von der Natur spricht, er für den Bauern ganz unverständlich ist, weil der Bauer die­sen Begriff der Natur, den der gebildete Mensch hat, überhaupt nicht hat, sondern unter Natur etwas sehr, sehr Konkretes versteht. So könnte man überall Beispiele anführen, welche zeigen würden, wie der Übergang vom Konkreten zum Abstrakten im ganzen Werdegang der Menschheit bedingt ist, und wie über die ganze Menschheit eine Welle von Abstraktionsneigung sich ergießt mit der Buchdruckerkunst. Die Menschen filtrieren gewissermaßen unter demEinfluß der Buchdrucker-kunst ihre Begriffe.
Dann wäre es nicht schlecht, wenn man den Kindern aus der neueren Geschichte heraus gewisse Begriffe beibringen würde, die eigentlich dem Leben gegenüber objektiv machen. Es würde zum Beispiel viel weniger deklamiert werden von Bekämpfung des Kapitalismus und so weiter, wenn nicht die Menschen, die heute diese Dinge reden, so redeten, als wenn sie über diese Dinge gar nichts gehört hätten und gar keine Vor­stellung davon hätten, daß es eigentlich gar nichts heißt, wenn man einfach wütend loszieht über den Kapitalismus; denn es hat gar nichts zu tun mit dem, was die Leute eigentlich wollen. Es beruht bloß darauf

Ik wil er alleen maar aan herinneren, dat bijv. wanneer deze dichter over de natuur spreekt, hij voor de boeren totaal niet te begrijpen is, omdat de boer dit begrip van de natuur die de geschoolde mens heeft, echt niet heeft, maar onder natuur iets heel, heel concreets verstaat. Zo zou je overal voorbeelden kunnen aangeven die zouden laten zien hoe de overgang van het concrete naar het abstracte in de gehele wording van de mensheid veroorzaakt is en hoe de hele mensheid door de boekdrukkunst overspoeld wordt met een golf van een hang naar abstractie. De mensen filteren in zekere zin onder invloed van de boekdrukkunst hun begrippen.
Dan zou het niet verkeerd zijn, wanneer je aan de kinderen over de nieuwere geschiedenis bepaalde begrippen leert die eigenlijk wat het leven betreft, objectief maken. Er zou bijv. veel minder pathetisch over de bestrijding van het kapitalisme gepraat worden enz., wanneer de mensen die tegenwoordig over deze dingen spreken, dat zo zouden doen, alsof zij van deze dingen helemaal niets hadden gehoord en er helemaal geen voorstelling van hadden, dat het eigenlijk helemaal niets betekent wanneer je woedend tegen het kapitalisme tekeergaat, want het heeft helemaal niets van doen met wat men eigenlijk wil. Het berust alleen maar

blz. 196

daß die Leute über die Bedeutung von Kapitalismus und so weiter bloß keine ordentliche Vorstellung bekommen haben. Daher werden auch meine Bücher, wie »Die Kernpunkte der sozialen Frage«, so un­verständlich gefunden, weil die aus dem Leben heraus geschrieben sind, nicht aus den phantastischen Einbildungen der heutigen Agitatoren.
Für eine lebensvolle Betrachtung des Geschichtlichen ist es so not­wendig, daß man wirklich die äußeren Ereignisse so faßt, daß sie Sym­ptome für ein verborgenes Inneres sind, auf das man aber ahnend immer niehr und mehr kommt, wenn man diese Symptome betrachtet. Betrachtet man die Geschichte einmal symptomatologisch, dann kommt man schon nach und nach darauf, daß zuerst ein Aufstieg, dann ein höchster Gipfel mit Bezug auf gewisse Ereignisse erreicht wird, dann wiederum ein Abstieg. Und hier ist das Ereignis von Golgatha. Wenn man die Geschichte so betrachtet, daß die äußeren Ereignisse Zeugen sind für innere Vorgänge, dann steigt man aus dem Geschichtlichen nach und nach in das Religiöse hinein, dann vertieft sich in der Tat die Geschichte von selbst in das Religiöse hinein. 

op het feit dat de mensen over de betekenis van het kapitalisme enz. helemaal geen juiste voorstelling hebben gekregen. Daarom worden ook mijn boeken ‘De kernpunten van het sociale vraagstuk’ [3] zo onbegrijpelijk gevonden, omdat die vanuit het leven geschreven zijn, niet vanuit de onwerkelijke hersenschimmen van de tegenwoordige opruiers.
Voor een levensecht beschouwen van de geschiedenis is het zo nodig, dat je werkelijk de uiterlijke gebeurtenissen zo opvat, dat ze symptomen zijn voor iets wat innerlijk verborgen aanwezig is, waarop je echter voorvoelend steeds meer komt, als je naar deze symptomen kijkt. Als je eenmaal de geschiedenis symptomatologisch beschouwt, kom je er langzamerhand achter dat er eerst een toenemende ontwikkeling is, dan wordt m.b.t. verschillende gebeurtenissen een hoogtepunt bereikt, dan loopt het weer af. En neem de gebeurtenis op Golgotha. Wanneer je de geschiedenis zo beschouwt, dat de uiterlijke gebeurtenissen getuigen zijn van innerlijke processen, kom je vanuit het historische langzamerhand tot het religeuze, dan vindt er inderdaad vanzelf een verdieping plaats van geschiedenis naar religie. 

Und dann bekommt man schon einen Weg, der gefühlsmäßig zum Verständnisse führt desjeni­gen, was man ja schon früher an das Kind heranbringen kann, sagen wir die Evangelien oder das Alte Testament. Aber man kann es nicht früher zum inneren Verständnis bringen. Das ist auch gar nicht nötig. Man bringt es in erzählender Form vor das Kind, und wenn das Kind dann den lebendigen Geschichtsbegriff erhält, dann bekommt auch wiederum der biblische Stoff ein neues Leben. Und das ist gut, daß die Dinge in Etappen ihr volles Leben erst erreichen. Aber vor allen Dingen wird der religiöse Trieb, das religiöse Empfinden vertieft durch Geschichtsbetrachtung in Symptomen.
Nun sagte ich, man habe die Kinder vorzubereiten durch die Natur­geschichte auf die Geschichte, wenn man so vorgeht, wie ich es in den vorangegangenen Betrachtungen charakterisiert habe. Man hat aber die Kinder auch vorbereitet auf das Leben der Erde, indem man so Bota­nik getrieben hat, wie ich es charakterisiert habe. Dann kann man in diesem Lebensalter auch zum Geographischen übergehen. Dieses Geo­graphische sollte sich aufbauen können auf allerlei in erzählender Form gehaltene Schilderungen von Gegenden, wobei auch ferne Gegenden, zum Beispiel amerikanische oder afrikanische Gegenden, geschildert werden können. Dadurch, wie auch durch die vorausgegangene Natur­geschichte, in der der Zusammenhang des Pflanzenreichs mit der ganzen

En dan vind je al een weg die gevoelsmatig tot het begrijpen leidt van wat je al eerder aan het kind kan leren – de evangeliën of het Oude Testament. Maar eerder kun je het kind niet tot een innerlijk begrip brengen. Dat is ook helemaal niet nodig. Je geeft het aan het kind in de vertelvorm en wanneer het kind dan het levende geschiedenisbegrip krijgt, dan krijgt ook de Bijbelse stof weer nieuw leven ingeblazen. En het is goed dat de dingen in fasen pas hun volle leven bereiken. Met name wordt de hang naar het religieuze, het religieuze gevoel verdiept door geschiedenisbeschouwing in symptomen.
Nu zei ik dat je de kinderen door de biologie moet voorbereiden op geschiedenis, als je zo te werk gaat als ik in de vorige beschouwingen gekarakteriseerd heb. Je hebt de kinderen ook voorbereid op het leven op aarde, als je zo plantkunde hebt gegeven als ik geschetst heb. Dan kun je op deze leeftijd ook aardrijkskunde gaan doen. Deze aardrijkskunde moet kunnen bouwen op allerlei schilderingen in vertelvorm van gebieden, waarbij bijv. ook veraf gelegen streken zoals bijoorbeeld Amerikaanse of Afrikaanse streken geschetst kunnen worden. Daardoor, zoals ook door de voorafgaande biologie waarin de samenhang van het plantenrijk

blz. 197

Erde dargestellt wurde, ist das Kind vorbereitet, um gegen das 12. Jahr hin Verständnis zu haben für das eigentlich Geographische. Bei dieser Geographie kommt es jetzt darauf an, zu zeigen, wie von der Erde aus, von dem Klimatischen, von alledem, was die Erde an gesetzmäßiger Gestaltung und Struktur an ihren verschiedenen Orten hervorbringt, wie von dem das abhängt, was man in der Geschichte gerade entwickelt. Nachdem man einen Begriff gegeben hat vom Zu­sammenhang von Meer und Land, von dem Klimatischen im alten Griechenland, kann man nun zurückleiten auf dasjenige, was man rein als Symptom für den inneren Werdegang der Menschheit in bezug auf den Charakter des Griechentums entwickelt hat. Ein inniger Zusam­menhang kann dann gefunden werden zwischen dem geographischen Bild, das man von der Erde gibt, und dem geschichtlichen Werden. Eigentlich sollten immer ineinandergreifen die Schilderungen der Erden-gegenden und die Schilderungen, die man vom geschichtlichen Werden gibt. In der Geographie sollte im Grunde genommen Amerika nicht behandelt werden, bevor man in der Geschichte die Entdeckung Ame­rikas behandelt hat. 

met de hele aarde geschetst werd, is het kind voorbereid om tegen het 12e jaar begrip te krijgen voor de eigenlijke aardrijkskunde. Bij deze aardrijkskunde komt het er nu op aan, te laten zien hoe van de aarde uit, van de klimaten, van alles wat de aarde aan wetmatige vorm en structuur op de verschillende plaatsen laat zien, hoe, wat je met geschiedenis ontwikkelt, daarvan afhankelijk is. Nadat je begrip ontwikkeld hebt voor de samenhang van zee en land, van het klimaat in het Oude Griekenland, kun je dat terugleiden naar hetgeen wat je puur als symptoom voor de innerlijke weg van de wordende mensheid m.b.t. het karakter van het Griekendom ontwikkeld hebt. Een diepe samenhang kan dan gevonden worden tussen het aardrijkskundige beeld dat je van de aarde geeft en de historische wording. Eigenlijk zouden steeds de schilderingen van de aardestreken en de schilderingen die je van de historische wording geeft, in elkaar moeten grijpen. Bij aardrijkskunde zou in de aard der zaak Amerika niet behandeld moeten worden, voor je in de geschiedenis de ontdekking van Amerika behandeld hebt.

Es ist notwendig, daß man in einer gewissen Weise berücksichtigt, daß der Horizont des Menschen im Laufe der Entwicke­lung sich ausgedehnt hat, und daß man nicht zu stark, ich möchte sagen, das Menschengemüt zu einem Absoluten hinbringen soll.
So ist es auch in der sogenannten mathematischen Geographie nicht gut, wenn man von vorneherein dogmatisch von einer Zeichnung des kopernikanischen oder keplerischen Weltsystems ausgeht, sondern es ist angebracht, die Art und Weise, wie die Menschen zu solchem ge­kommen sind, für die Kinder auch wenigstens andeutend zu entwickeln. Dadurch bekommen die Kinder nicht Begriffe, die ihnen mehr sind, als sie ihnen nach dem, was sie in der Menschheitsentwickelung sind, sein sollten. Natürlich würde ein Mensch in dem Zeitalter der ptolemäischen Weltanschauung den Kindern die starren Begriffe des ptolemäischen Systems beigebracht haben; jetzt bringt er ihnen die des kopernika­nischen Weltsystems bei. Es ist aber durchaus notwendig, daß man den Kindern wenigstens einen Begriff davon gibt, wie man sich auf irgend­eine Weise von den Orten der Sterne am Himmel versichert und aus der Zusammenfassung der Orte einen Schluß bildet, der eigentlich erst das Weltsystem ist, damit sie nicht etwa glauben, solch ein Weltsystem sei dadurch errungen, daß sich irgend jemand auf einen Stuhl gesetzt hat außerhalb dieser Welt und sich dieses Weltsystem angeschaut habe.

Het is noodzakelijk dat je er op een bepaalde manier rekening mee houdt, dat de horizon van de mens in de loop van de aardeontwikkeling zich verruimd heeft en dat je niet te sterk het gemoed van de mens tot iets absoluuts wil brengen.
Zo is het ook in de zogenaamde wiskundige aardrijksunde niet goed, wanneer je vooraf dogmatisch van een schets van het wereldsysteem van Copernicus of Kepler uitgaat, maar het is zinvol de manier waarop de mens op zoiets gekomen is, voor de kinderen op z’n minst aanstippend te ontwikkelen. Daardoor krijgen de kinderen geen begrippen die voor hen meer zijn, dan ze voor hen zouden moeten zijn, naar wat ze in de ontwikkeling van de mensheid zijn. Natuurlijk zou iemand in de tijd van de Ptolemeïsche wereldbeschouwing de kinderen de starre begrippen van het Ptolemeïsche systeem bijgebracht hebben; nu brengt hij het het Copernicaanse wereldsysteem bij. Het is echter beslist noodzakelijk dat men de kinderen er tenminste een begrip van geeft hoe men op de een of andere manier zeker is van de plaatsbepaling van de sterren aan de hemel en uit het overzicht een gevolgtrekking maakt die dan pas dat wereldsysteem vormt, zodat ze niet geloven dat zo’n wereldsysteem er zonder inspanning gekomen is of dat een of ander iemand buiten deze wereld op een stoel is gaan zitten en dit wereldsysteem bekeken heeft.

blz. 198

Wie soll sich denn eigentlich ein Kind, wenn man ihm auf die Tafel das kopernikanische System wie eine Tatsache zeichnet, vorstellen, wie man dazu gekommen ist in der Menschheit? Das Kind muß eine leben­dige Vorstellung haben davon, wie solche Dinge gebildet werden, sonst geht es durch sein ganzes Leben mit konfusen Begriffen, die es aber als etwas außerordentlich Sicheres ansieht. Dadurch wird der falsche Auto­ritätsglaube erzeugt – nicht aber dadurch, daß man auf das richtige Autoritätsgefühl beim Kinde vom 7. bis 14. oder 15. Jahre rechnet.
Und so ist es vor allen Dingen gut, wenn man sich durchdringt mit dem Bewußtsein davon, was es nicht bloß für die seelische Entwicke­lung des Kindes bedeutet, in dem richtigen Zeitmomente die richtigen Vorstellungen an das Kind heranzubringen, sondern was es für die ganze Wesenheit des Menschen bedeutet, auch für seine gesunde leib­liche Organisation. Versuchen Sie einmal den Blick darauf zu richten, was es bedeutet, zwischen dem 7. und 12. Lebensjahre das richtige Maß von durch das Gedächtnis zu bewahrenden Stoffes an das Kind heran-zubringen, oder das nicht zu tun. Versuchen Sie einmal sich darüber klarzuwerden, was es heißt, wenn Sie ein sogenanntes gutes Gedächt­nis bei einem Kind mißbrauchen.

Hoe zou een kind eigenlijk, wanneer je op het bord voor hem het Copernicaanse systeem als een feit tekent, zich voorstellen, hoe men daarop in de mensheid gekomen is. Het kind moet een levendige voorstelling hebben van hoe zulke dingen gevormd worden, anders loopt het zijn hele leven lang rond met verwarde begrippen die het echter als buitengewoon vaststaand ziet. Daardoor wordt het verkeerde geloof in een autoriteit opgeroepen – niet doordat men op het juiste autoriteitsgevoel bij het kind van 7 tot 14 of 15 jaar rekent.
En zo is het vooral goed wanneer je jezelf met het bewustzijn doordringt van wat het niet alleen maar voor de ontwikkeling van de ziel van het kind betekent om op het juiste ogenblik de goede voorstellingen aan het kind mee te geven, maar wat het voor het hele mensenwezen betekent, ook voor zijn gezonde lichamelijke organisatie. Probeert u de blik erop te richten wat het betekent tussen het 7e en het 12e levensjaar de juiste hoeveelheid stof aan te bieden die onthouden moet worden of dat niet te doen. Probeer het helder te krijgen, wat het betekent wanneer u een zogenaamd goed geheugen bij het kind verkeerd gebruikt.

Bei einem Kind mit einem guten Ge­dächtnis darf nicht damit gerechnet werden, daß dieses Kind mit dem Gedächtnis glänzt, sondern Sie müssen dafür sorgen, daß ein solches Kind öfters neue Eindrücke bekommt, durch die frühere Eindrücke ausgelöscht werden. Wenn Sie dem Gedächtnis zu stark zusetzen, bleibt das Kind untersetzt und wächst nicht so hoch, als es wachsen würde, wenn sein Gedächtnis in richtiger Weise behandelt würde. Menschen, denen man ansieht, sie haben zurückgehaltenen Wuchs, bei denen kann man sicher sein: das rührt von einem nicht richtigen Behandeln des Ge­dächtnisses her. Ebenso können Sie sicher sein, daß Menschen, welche in einer gewissen Weise unfähig sind, ihr Antlitz zu beherrschen, solche Menschen, die einen gewissen starren Eindruck machen, nicht genug künstlerische oder überhaupt ästhetische Anschauungseindrücke um das 9. Jahr herum bekommen haben.
Gerade im kindlichen Lebensalter ist die Wirkung des richtig see­lisch Behandelten auf das Leibliche von einer ungeheueren Bedeutung. Und so ist es von ungeheurer Bedeutung, daß man immer wiederum dafür zu sorgen versucht, daß das Kind deutlich volltönend und vor allen Dingen, wie ich es genannt habe, gerundet sprechen lernt, daß es Sätze voll, Silben voll, vollendet aussprechen lernt. Denn beim

Bij een kind met een goed geheugen mag je er niet mee rekenen dat dit kind met zijn geheugen schittert, maar je moet ervoor zorgen dat zo’n kind vaker nieuwe indrukken krijgt, waardoor eerdere indrukken weer verdwijnen. Wanneer je het geheugen te sterk aanspreekt, blijft het kind gedrongen en wordt niet zo lang, als het zou zijn geworden, wanneer zijn geheugen op de juiste manier behandeld was. Je kunt bij mensen naar wie je kijkt en die een teruggehouden groei vertonen, er zeker van zijn: dat komt door een niet juiste behandeling van het geheugen. Net zo zeker kun je ervan zijn, dat mensen die op een bepaalde manier niet in staat zijn hun gezicht te beheersen, zulke mensen die een starre indruk maken, niet genoeg kunstzinnige of vooral ook esthetische indrukken bij het waarnemen hebben gekregen rond het 9e jaar.
Juist op de kinderleeftijd is de werking van wat op de juiste manier voor de ziel goed behandeld is, op het lichamelijke van een ongekend belang, dat je er steeds weer voor probeert te zorgen dat het kind duidelijk met volle klanken en vooral – zoals ik het heb genoemd – afgerond leert spreken, dat het de zinnen volledig, de lettergrepen volledig leert uitspreken. Want  bij de

blz. 199

Menschen hängt das richtige Atmen von dem richtigen sachgemäßen Sprechen ab, und daher hängt mittelbar die richtige Ausbildung der menschlichen Brustorgane von dem richtigen Sprechen ab. Man sollte einmal eine Statistik der jetzt so wütenden Brustkrankheiten auch von diesem Gesichtspunkte aus aufnehmen. Man sollte sich fragen: Inwie­weit ist Schuld an der Brusttuberkulose, daß viel zu wenig Rücksicht genommen wird in der Schule auf ein sachgemäß silbenvolles Sprechen, daß vor allen Dingen nicht Rücksicht darauf genommen wird, daß während des Sprechens wirklich das Kind voll atmet? Es darf dabei nicht das Sprechen vom Atmen ausgehen, sondern es muß das Atmen vom Sprechen ausgehen. Es muß richtig gesprochen werden. Das Ge­fühl für das richtige Sprechen, für die Längen und Kürzen der Silben und Worte muß entwickelt werden; dann richtet sich das Atmen dar­nach. Zu glauben, man müsse das Atmen trainieren, um zum richtigen Sprechen zu kommen, ist ein Unfug. Das Atmen, das richtige Atmen muß eine Folge des richtig empfundenen Sprechens sein. Dann wirkt es in der richtigen Weise auf das Atmen zurück. In solcher Weise sollte man heute überhaupt gründlicher den Zusammenhang des Leiblichen mit dem Geistig-Seelischen ins Auge fassen.

mens hangt het op een goede manier ademhalen van het adequaat spreken af en indirect hangt de goede ontwikkeling van de menselijke borstorganen af van het juiste spreken. Je zou eens een statistiek moeten maken van de nu heersende borstziekten ook vanuit dit gezichtspunt. Je zou je moeten afvragen: in hoeverre is de borsttuberculose de schuld van dat er op school veel te weinig rekening is gehouden met het adequaat spreken van de lettergrepen doordat er vooral geen rekening wordt gehouden dat het kind tijdens het spreken voluit ademt? Het spreken moet daarbij niet van het ademen uitgaan, maar het ademen moet van het spreken uitgaan. Er moet goed worden gesproken. Het gevoel voor goed spreken, of de lettergreep of het woord lang of kort is, moet ontwikkeld worden; dan richt de adem zich daarnaar. Geloven dat je de adem moet trainen om tot goed spreken te komen is een onding. Het ademen, de juiste ademhaling moet het gevolg zijn van het juist waargenomen spreken. Dan werkt dat op een goede manier op het ademen terug. Op zo’n manier zou men tegenwoordig een grondiger samenhang tussen het lichaam en de geest en de ziel op het oog moeten hebben.

Da komme ich auf eine Frage, die mir gestellt worden ist, und die eine große Bedeutung hat: die Linkshändigkeit oder die Beidhändig­keit.
Sehen Sie, es ist richtig, daß man im allgemeinen dasjenige, was im Grunde genommen allgemeine Menschengewohnheit geworden ist, die Rechtshändigkeit, die man benützt beim Schreibenlernen und bei ande­ren Geschicklichkeiten des Lebens, daß man diese Gewohnheit erweitere dadurch, daß man auch die linke Hand in einer gewissen Weise ge­schickt macht, es ist in einer gewissen Weise berechtigt. Allein, wenn man über solche Dinge diskutiert, so ist die Diskussion nur fruchtbar, wenn man einen tieferen Einblick in die menschlichen Lebensverhält­nisse hat. Wenn wir einem Zeitalter entgegenleben, in dem im Men­schen die volle Menschheit erweckt wird, wenn wir einem Zeitalter entgegenleben, in dem zu dem abstrakten Sinn, der heute so ausgebildet ist, wiederum auch die Kultur des Gemütsvermögens, des Gefühlslebens und Aktivität des Willenslebens kommt, dann läßt sich über manche Frage ganz anders sprechen, als sich heute über diese Frage sprechen läßt. Wenn die Menschen weiterhin so erzogen werden, wie unsere Menschen erzogen werden, so daß man immer in Abstraktionen steckenbleibt,

Dan kom ik bij een vraag die mij gesteld is en die een grote betekenis heeft: linkshandigheid of het gebruik van beide handen.
Het is juist dat men in het algemeen wat op de keeper beschouwd een algemene gewoonte van de mens is geworden, de rechtshandigheid die gebruikt wordt bij het leren schrijven en bij andere vaardigheden in het leven, dat men deze gewoonte dan zou kunnen uitbreiden door ook de linkerhand op een bepaalde manier geschikt te maken, dat is op een bepaalde manier te rechtvaardigen. Alleen, wanneer je over deze dingen discussieert, is de discussie alleen vruchtbaar wanneer je een dieper inzicht hebt in de menselijke levensverhoudingen. Wanneer we naar een tijdperk toegaan waarin in de mens de volle mensheid (menselijkheid?) wordt gewekt, wanneer we naar een tijdperk toegaan waarin naast de zin voor het abstracte die tegenwoordig zo ontwikkeld wordt, ook weer de cultuur van de gevoelsvermogens, van het gevoelsleven en de activiteit van het wilsleven komt, is het mogelijk om over sommige vragen heel anders te spreken, dan dat dit vandaag de dag kan. Wanneer de mensen bovendien zo opgevoed zouden worden zoals onze mensen opgevoed worden, zodat men steeds in abstracties blijft

blz. 200

der Materialismus ist ja gerade dasjenige, was in Abstraktionen steckenbleibt, was nicht bis zum Begreifen des Materiellen aus dem Geistigen kommt, dann wird man sich nach einiger Zeit, wenn man beide Hände zum Schreiben in gleicher Weise ausbildet, überzeugen können, daß ein gewisser Grad von Schwachsinnigkeit die Menschen ergreift, die da die beiden Hände in gleicher Weise benützen lernen, denn es hängt schon ein wenig die Art, wie wir heute als Mensch sind, zusammen damit, daß wir die rechte Hand in ausgiebigerem Maße be­nützen als die linke Hand. Es hängt das vor allen Dingen damit zu­sammen, daß ja der ganze Mensch in bezug auf gewisse Organe doch nicht symmetrisch gebaut ist, und daß es einen tiefen Eingriff bedeutet in die ganze menschliche Organisation, wenn man zum Beispiel zum Schreiben beide Hände gebraucht.
Ich würde über diese Dinge gar nicht sprechen, wenn ich nicht gerade viel darüber nachgeforscht hätte, und wenn ich nicht zum Beispiel pro­biert hätte, was es heißt, die linke Hand zu benützen. Wenn man sich Menschenbeobachtung erworben hat, dann kann man auch durch das Probieren herausbekommen, was es bedeutet, die linke Hand zu be­nützen.

steken, juist het materialisme blijft in abstracties steken, wat niet tot het begrijpen van de materie vanuit de geest komt, dan zal men zich na enige tijd, wanneer men voor het schrijven allebei zijn handen ontwikkelt, ervan kunnen overtuigen dat een bepaalde graad van zwakzinnigheid over de mensen komt die allebei de handen op dezelfde manier leren gebruiken, want dat hangt een beetje van de aard af van hoe we nu als mens zijn, dat we de rechterhand veel meer gebruiken dan de linker. Het hangt er vooral mee samen dat de hele mens m.b.t. bepaalde organen toch niet symmetrisch gebouwd is en dat het een zware ingreep voor de hele menselijke organisatie betekent, wanneer men bijv. met het schrijven allebei de handen gebruikt.
Ik zou over deze dingen helemaal niet spreken, wanneer ik niet juist daarover veel onderzocht zou hebben en wanneer ik bijv. niet geprobeerd zou hebben, wat het betekent de linkerhand te gebruiken. Wanneer je de mens hebt leren waarnemen, kun je er ook door proberen achterkomen, wat het betekent de linkerhand te gebruiken.

Die linke Hand ist gut dann, wenn der Mensch einen gewissen Grad in der Unabhängigkeit des Geistig-Seelischen von dem Leiblichen erreicht hat; aber so in der Abhängigkeit, wie der heutige Mensch ist von dem Leiblichen, da entsteht eine ungeheure Revolution in dem Leiblichen selbst, wenn man die linke Hand in derselben Weise zum Beispiel zum Schreiben wie die rechte Hand verwendet. Es wird da­durch vor allen Dingen die rechte Körperseite, die rechte Kopfseite in einer solchen Weise belastet, wie es der heutige Mensch eben durchaus nicht gewöhnt ist. Die Erziehungsmethode, welche den Menschen zuerst so behandelt, daß sie diejenigen Erziehungsgrundlagen, die hier be­sprochen worden sind, auf ihn anwendet, die darf dann auch die Beid­händigkeit gebrauchen. Die heutige Kultur darf nicht abstrakt zum Gebrauch der beiden Hände einfach übergehen. Solche Dinge kann man ja natürlich nur aus Erfahrung sagen. Aber Statistiken würden das, was ich heute gesagt habe, ganz wesentlich beweisen.
Auch da muß man sagen: Es ist schon notwendig, in die geistige Welt hineinzuschauen, wenn man einen Begriff haben will von dem, wie namentlich in dem Kind stark wirkt das Geistig-Seelische zu gleicher Zeit mit dem Leiblich-Physischen. Aus dem Grunde muß ich mir so viel von der Eurythmie hauptsächlich in der Kindererziehung versprechen,

De linkerhand is wel goed, wanneer de mens een bepaald niveau bereikt heeft in het onafhankelijk- zijn van zijn geest en ziel van zijn lichaam; maar bij zo’n afhankelijkheid van het lichamelijke bij de tegenwoordige mens, veroorzaakt dat een behoorlijke rebellie in het lichaam zelf, wanneer je de linkerhand op dezelfde manier voor bijvoorbeeld het schrijven gebruikt als de rechter. Met name de rechterkant van het lichaam, de rechterkant van het hoofd wordt zodanig belast zoals de huidige mens dat beslist niet gewend is. De opvoedingsmethode die de mens zo behandelt dat zij die fundamenten van de opvoeding die hier zijn besproken op hem gaat toepassen die mag dan ook beide handen gebruiken. De huidige cultuur mag niet simpelweg abstract tot het gebruik van beide handen overgaan. Zulke dingen kan men natuurlijk slechts uit ervaring zeggen. Maar statistieken zouden wat ik nu zeg, heel duidelijk bewijzen.
Ook hier moet je zeggen: het is nodig in de geestelijke wereld waar te nemen wanneer je begrip wil krijgen van hoe met name in een kind sterk het mentaal-psychische werkt, tegelijkertijd met het fysiek-levende. Daarom verwacht ik in eerste instantie in de opvoeding van het kind zoveel van de euritmie

blz. 201

und zwar weil die Eurythmie eine beseelte Bewegung ist und dadurch die Aktivität des Willens gehoben wird gegenüber der bloßen Passi­vität des Willens, die doch im wesentlichen erzogen wird gerade durch das bloß physiologische Turnen.

en wel omdat de euritmie een bezielde beweging is en daardoor de activiteit van de wil beter wordt t.o.v. de passiviteit van de wil die in wezen toch juist opgeroepen wordt door alleen maar de lichamelijke gymnastiek.

[1] GA 301: Die Erneuerung der pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft
[2] 11e voordracht (Duits)
[3] GA 23, ‘Die Kernpunkte der sozialen Frage
Vertaald

*in 1920 was het nog niet gerestaureerd zoals nu

geschiedenis: alle artikelen

aardrijkskunde: alle artikelen

dierkunde: alle artikelen

plantkunde: alle artikelen

goed spreken: alle spraakoefeningen

Rudolf Steiner: alle artikelen

.

1349-1261

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-6)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE – GA 293

.

GA= Gesamt Ausgabe, (volledige uitgave): de genummerde reeks boeken en voordrachten van Steiner.

Duitse tekst
Vertaling 

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Blz. 22  vert. 22

VOORGEBOORTELIJKE OPVOEDING

Nadat Rudolf Steiner het streven van de kerk, de gelovigen voor te bereiden op een leven na de dood, een ‘verfijnd egoïsme‘ heeft genoemd, richt hij zijn aandacht hier veel meer op het ‘vóór de geboorte’ dan ‘na de dood’.
En omdat het over opvoeden gaat, zou de vraag gesteld kunnen worden: ‘Wat is opvoeding dan voor de tijd die vóór de geboorte ligt. 
Het hoeft geen verbazing te wekken, dat het niet mogelijk is om dan op te voeden.

Die Menschen denken über Erziehung nach und fragen über die vorgeburtliche Erziehung. Aber, meine lieben Freunde, vor der Geburt ist das Menschenwesen noch in der Hut über dem Physischen stehender Wesenheiten. Denen müssen wir die unmittelbare einzelne Beziehung überlassen zwischen der Welt und dem einzelnen Wesen. Daher hat die vorgeburtliche Erziehung noch keine Aufgabe für das Kind selbst. Die vorgeburtliche Erziehung kann nur eine unbewußte Folge desjenigen sein, was die Eltern, insbesondere die Mutter, leisten. Verhält sich die Mutter bis zu der Geburt so, daß sie in sich selbst zum Ausdruck bringt dasjenige, was im rechten Sinn moralisch und intellektuell das Richtige ist, so wird ganz von selbst das, was sie in fortgesetzter Selbsterziehung vollbringt übergehen auf das Kind. Je weniger man daran denkt, das Kind, schon bevor es das Licht der Welt erblickt, zu erziehen, und je mehr man daran denkt, selbst ein entsprechend rechtes Leben zu führen, desto besser wird es für das Kind sein. Die Erziehung kann erst angehen, wenn das Kind wirklich eingegliedert-ist in die Weltenordnung des physischen Planes, und das ist dann, wenn das Kind beginnt die äußere Luft zu atmen.

De mensen denken na over opvoeding en vragen naar de voorgeboortelijke opvoeding. Maar, beste vrienden, voor de geboorte bevindt zich het mensenwezen nog onder de hoede van wezens die boven de fysieke wereld staan. Aan hen moeten we de directe unieke verbinding overlaten tussen de kosmos en het individu. Daarom ligt er in de voorgeboortelijke opvoeding nog geen taak jegens het kind zelf. De voorgeboortelijke opvoeding kan slechts een onbewust gevolg zijn van wat de ouders – met name de moeder – doen. Leeft de moeder tot de geboorte zo, dat ze in zichzelf werkelijk het moreel en intellectueel juiste tot uitdrukking brengt, dan zal alles wat ze bij haar eigen innerlijke zelfopvoeding doet vanzelf op het kind overgaan. Hoe minder men erover piekert het kind nog voor het is geboren op te voeden en hoe meer men eraan denkt zelf op de juiste wijze te leven, des te beter zal het zijn voor het kind. De opvoeding kan pas ter hand worden genomen wanneer het kind werkelijk deelgenoot van de fysieke wereld is geworden en dat is wanneer het kind begint te ademen.
GA 293/22
Vertaald/22

Ook in GA 110, bij het beantwoorden van vragen, benadrukt Steiner de rol van de moeder:

Frage: Wie hoch ist der Wert der sogenannten vorgeburtlichen Erziehung zu veranschlagen?

Die Mutter hat in der Zeit der Schwangerschaft sehr viel zu beachten. In der heutigen Zeit, wo die Mutter von alledem nichts weiß, werden sehr wichtige Maßnahmen versäumt. Die ersten zehn (Mond-) Monate des Erdenlebens können die sein, wo dem Menschen entrissen wird etwas sehr Gutes. Heute fällt die Aufgabe, das zu verhüten, den Göttern zu; später, wenn die Menschen reifer geworden sind, wird sie den Menschen zufallen. Die Götter haben aus hoher Weisheit heraus die ersten zehn (Mond-)Monate der Menschenentwickelung
der menschlichen Einwirkung entzogen. Die Menschen sollen froh sein, daß sie in die vorgeburtliche Entwickelung nicht eingreifen können. Ist das Leben der Mutter so geordnet, daß es einem gewissen Ideal im Denken, Fühlen, Empfinden und Wollen entspricht, dann ist das wohl auch das beste für das Kind

Welke waarde moet aan de zogenoemde voorgeboortelijke opvoeding °
worden toegekend?

Een moeder moet in de tijd van de zwangerschap op veel dingen
letten. In de huidige tijd, waarin moeders niets van dat alles weten, worden zeer belangrijke maatregelen verzuimd. Die eerste tien [maan-]maanden van het leven op aarde kunnen een tijd zijn waarin de mens iets heel goeds wordt ontnomen. Op dit moment valt aan de goden de taak toe dat te verhinderen. Later, wanneer de mensen rijper zijn geworden, zal hij aan de mens toevallen. De goden hebben vanuit hun hoge wijsheid de eerste tien maanden van
de ontwikkeling van de mens aan de menselijke invloed onttrokken. De mensen moeten er blij om zijn dat ze in de voorgeboortelijke ontwikkeling niet kunnen ingrijpen. Als het leven van de moeder zo is ingericht dat het aan een zeker ideaal in denken, voelen, beleven en willen beantwoordt, dan is dat ook het beste voor het kind.
GA 110/180
Vertaald/174

In GA 303, een pedagogische voordrachtenreeks:

Das Charakteristische unseres materialistischen Zeitalters ist, daß die Menschen womöglich früh schon anfangen möchten, in künstlicher Form allerlei Erziehungsmäßiges an den Menschen heranzubringen. So möchten sie auch auf eine seelisch-geistige Weise schon vor dem sieben­ten Jahre das Gedächtnis pflegen. Sie möchten sogar noch weitergehen, und das zeigt, auf welchem falschen Wege gerade ein materialistisches Zeitalter in dieser Beziehung ist. Es gibt Mütter, ich kann Ihnen das aus Erfahrung sagen, die fragen einen nicht nur, wie soll man in einer Weise, die erst für ein späteres Lebensalter in Betracht kommt, das Kind vor dem Zahnwechsel erziehen, sondern die fragen einen, wie soll man das Kind vor der Geburt erziehen im embryonalen Zustande? Da möchten die Menschen allerlei Anweisungen haben. Man kann ihnen nur sagen: Schau auf dich selbst als Mutter, behandle dich ordentlich, dann wird das Kind, dessen Bildekräfte du doch noch dem Schöpfer überlassen mußt, schon in der richtigen Weise gedeihen. Das ist dasjenige, was allerdings auch radikal ausgesprochen ist, aber was durchaus berechtigt erscheint gegenüber gewissen sophistischen Fragen nach gewissen Erziehungsprinzipien, die erst in das spätere Alter hineingehören. 

Het kenmerkende van ons materialistische tijdperk is dat de mensen zo mogelijk al vroeg zouden willen beginnen in een kunstmatige vorm allerlei opvoedingsacties aan de mens op te dringen. Zo zouden ze ook op een geestelijk-psychische wijze al voor het zevende jaar het geheugen willen oefenen. Ze zouden zelfs graag nog verder willen gaan, en dat laat zien op wat voor verkeerde weg juist een materialistisch tijdperk in dit verband is. Er zijn moeders — ik kan u dat uit ervaring meede­len – die vragen je niet alleen hoe je op een manier die pas op latere leeftijd in aanmerking komt, het kind voor de tanden­wisseling moet opvoeden, maar die vragen je: hoe moet ik het kind vóór de geboorte, in embryonale toestand opvoeden? Daar zouden deze mensen allerlei aanwijzingen voor willen krijgen. Je kunt tegen hen alleen maar zeggen: kijk goed naar jezelf, hoe je als moeder bent, ga goed met jezelf om, dan zal je kind, wiens vormkrachten je toch aan de schepper moet overlaten, wel op de juiste wijze gedijen. Dit is allemaal wel wat radicaal uitgesproken, maar het is een absoluut terechte reactie jegens bepaalde spitsvondige vragen naar bepaalde opvoedingsprincipes die pas voor de latere leeftijd geschikt zijn. 
GA 303/193
Vertaald/218
.

Nu, vele jaren later, is er veel bekend geworden over de invloed van de omgeving op het ongeboren kind. Niemand kijkt meer op van ‘geen alcohol en niet roken’.
Zelfs de rokende omgeving heeft invloed – via de moeder! – op de fysieke ontwikkeling en gezondheid van het ongeboren kind. 

En duidelijk geworden is nu ook, dat het niet uitsluitend om fysieke stoffen: alcohol, nicotine, drugs enz. gaat, maar ook om bijv. muziek die doordringt tot het embryo.
Maar ook lang geleden: in het Lukasevangelie wordt beschreven dat Maria (zwanger) op weg 
gaat naar haar nicht Elizabeth in Judea. Zij ont­moeten elkaar in het huis van Zacharias: ‘En toen Elizabeth (zwanger van Johannes – de latere ‘Sint-Jan’ -) de groet van Maria hoorde, geschiedde het dat het kind opsprong in haar schoot’.

‘Is het leven van de moeder zo ingericht dat het aan een zeker ideaal in denken, voelen en willen beantwoordt, dan is dat wel het beste voor het kind.’

Wat voor ideaal in denken, voelen en willen zou dat moeten zijn? Wat is ‘op de juiste wijze leven’ met het oog op het kind dat nog geboren moet worden?

In dit artikel wordt daar op een bepaalde manier antwoord op gegeven.

De antroposofisch arts Wilhelm zur Linden besteedde er in zijn boek ‘Geburt und Kindheit‘ (vertaald in het Engels) een uitvoerig hoofdstuk aan.

Zie hier bij <1> de opmerking over stress die al vóór de geboorte ontstond.

Een onderzoek wees in diezelfde richting en bevestigt ook Steiners opmerking over opvoeding in de eerste jaren en het verband met latere ziekteverschijnselen.

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3]GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1345-1257

.

.

.

*

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-7)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE – GA 293

.

GA= Gesamt Ausgabe, (volledige uitgave): de genummerde reeks boeken en voordrachten van Steiner.

Duitse tekst
Vertaling 

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Blz. 23  vert. 23

MENSBEELDEN
.
We zouden slecht met elkaar kunnen communiceren, wanneer de begrippen die we gebruiken geen vast omlijnde betekenis zouden hebben. Op onze vraag: ‘Wat is de, of een…….?’, moet een raak getypeerd antwoord volgen: de omschrijving die we o.a. in het woordenboek vinden. Eenduidig, zodat er geen misverstanden kunnen ontstaan.
Dat gaat nog het beste met de voorwerpen die we in de ruimte als levenloze materie aantreffen: basalt is geen kalk en klei is geen laagveen.
Het wordt al moeilijker bij begrippen als ‘rood’ of ‘kou’ en het is geen wonder dat, om een zeker houvast te vinden, deze begrippen teruggebracht worden tot wat dan – min of meer – te vatten is in een formule waarin vaste waarden worden gebruikt.
Voor de levende natuur kun je dat ook proberen en op de vraag: ‘Wat is een paardenbloem?’, krijg je meestal het antwoord dat de bloeiende paardenbloem omvat. Maar is de bloeiende paardenbloem dé paardenbloem. Dat is hij toch ook wanneer die zijn pluizenbol vertoont, of zijn eerste blaadjes ontvouwt! Kortom: niet alleen de verschijning in de ruimte, maar ook die in de tijd is wezenlijk.

Voor alles wat leeft, is het veel moeilijker om te zeggen: ‘Het IS’. We hebben vooral ook te maken met: het WORDT!
Voor opvoeders een belangrijk feit: je leerlingen zien als wordende wezens.

En in het algemeen dus ook: de mens zien als een wordend wezen: van geboorte tot dood. Voor Steiner begint en eindigt die wording niet met geboorte en dood, zoals we al zagen: tussen geboorte en dood speelt die zich op aarde af, ‘daar buiten’ gaat de wording verder.

Wanneer je ‘antroposofie’ simpelweg omschrijft als ‘wijsheid omtrent de mens’, zal je, wanneer je Steiners werk ter harte neemt, veelvuldig allerlei ‘wijsheden omtrent de mens’ tegenkomen. Mensenkennis, gezichtspunten die een diepe(re) waarheidskern blijken te bevatten. Gezichtspunten die je eigen standpunten verdiepen, maar vooral ook nuanceren.

Op deze blog zijn een aantal van deze gezichtspunten verzameld onder ‘Rudolf Steiner – wegwijzers’

Neem deze wegwijzer (145) bijv.: 

En zo is het in het leven steeds – de dingen in het leven moeten overal vanuit de meest verschillende kanten bekeken worden.

Und so ist es im Leben immer – die Dinge im Leben müssen überall von den verschiedensten Seiten betrachtet wer­den.
GA 306/85
Op deze blog vertaald/85     zie: 91;  99;  112;  122;  142;  143;  146;  147;  149;  154;  160

Dat van ‘verschillende kanten’ bekijken, geeft Steiner o.a. ook zo weer:

Wanneer een boom van verschillende kanten wordt gefotografeerd, is het nog steeds dezelfde boom, maar de foto’s zien er heel verschillend uit; zo kan ook ieder mens zijn eigen mening hebben – afhankelijk van het standpunt waarop hij zich plaatst.
GA  337b hier in bredere context     

of:

Een begrip, een idee, een gedachte is eigenlijk, zodra men de geestelijke feiten en geestelijke wezens onder ogen ziet, nooit iets anders dan een afbeelding, een foto, die men in de fysieke wereld, laten we zeggen, van een boom maakt. Als men een afbeelding van een boom van een kant neemt en een afbeelding van een andere kant, een afbeelding van een derde kant – deze beelden zien er alle verschillend uit. Ze zijn van een en dezelfde boom, maar ze zien er alle anders uit. En alleen doordat men deze afbeeldingen van de meest uiteenlopende kanten neemt, kan men, doordat men ze vergelijkt, nauwkeurig een voorstelling, een ervaring van de werkelijkheid verkrijgen.
GA 72/81hier in bredere context te lezen.

Steiner hecht grote waarde aan ‘karakteriseren’  i.p.v. ‘definiëren’, d.w.z. vóór je tot een vorm van definitie komt, moet je eerst uitvoerig zoveel mogelijk gezichtspunten onder ogen hebben gezien.

Tegen deze achtergrond is het volkomen begrijpelijk dat Steiner de mens – als de grootste ‘worder’ op aarde – van alle kanten ‘fotografeert’ en karakteriseert: als twee- drie-, vier-, zeven- negenledig, bijv. Of beschreven vanuit het fysieke standpunt, of vanuit de ziel of vanuit de geest.
Dit laatste gebeurt concreet in de Algemene menskunde:
voordrachten 1 t/m 5: vanuit de ziel
6 t/m 10: vanuit de geest
11 t/m/ 14 vanuit het lichaam,

waarbij we ons moeten realiseren dat de scheiding nergens absoluut is!

In dit opzicht maakt ‘antroposofie’ het er niet makkelijker op, in mijn optiek wel interessanter en je wordt er en passant wijzer van. 

.

Over het tweeledig mensbeeld
Over denken – voelen – willen: het drieledig mensbeeld, gaat het in deze voordrachtenreeks [GA 293] zeer uitgebreid en zeer verdeeld over de verschillende voordrachten.
Meer samengevat vind je het hier een aantal artikelen. (Een serie van vier).

Over het vierledig mensbeeld gaat het in deze reeks [GA 293] niet zozeer.

Wél staan op deze blog uiteenlopende opmerkingen van Steiner over:
de vier wezensdelen – ter verdieping vanaf [1-7-2/1]

En verder: die wezensdelen die tot een zevenledig/negenledig mensbeeld leiden:
geestzelf; levensgeest; geestmens: [1-7-2/8]   [1-7-2/8-1]  link 17281

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1343-1255

.

.

.

*

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-4)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE – GA 293

.

GA= Gesamt Ausgabe, (volledige uitgave): de genummerde reeks boeken en voordrachten van Steiner.

Duitse tekst
Vertaling 

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Blz. 19    vert. blz. 20

ELKE TIJD HEEFT ZIJN SPECIFIEKE OPDRACHTEN

Wanneer je voor het eerst kennismaakt met de ‘Algemene menskunde’ en je ook verder nog niet zo veel weet van de andere werkgebieden van de antroposofie, zoals het mij verging, besef je niet, wat achter dit ‘elke tijd’ – het Duits heeft ‘besondere Zeit’ – bijzondere tijd en ‘specifieke opdrachten’ schuilgaat. 
Dat is niets minder dan wat Steiner de ‘sociale driegeleding’ noemt.
(Er is nog meer aan opdrachten, maar ik beperk me hier tot de driegeleding).

Op blz. 18 in de vertaling zegt Steiner dat hij ‘in naam van de goede geest, wiens taak het is de mensheid te leiden en te verlossen van nood en ellende’ spreekt en we weten inmiddels dat dit de aartsengel Michaël is.

En de ‘nood en ellende’ is – vlak na 1918 – de grote sociale nood en ellende van die tijd, met o.a. ca. 20.000.000 doden, (gevolgd door de 2e Wereldoorlog met ca. 60.000.000 doden).

Het was Steiners idee dat, om uit deze sociale nood te komen en deze voor de toekomst te voorkomen, de drie idealen van de Franse Revolutie: ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’ op een andere manier in de samenleving een impuls konden zijn voor de drie gebieden waarin de samenleving zich vertoont: het geestesleven, het rechtsleven en het economisch leven.
Het geestesleven zou zich – in vrijheid – zonder inmenging van de staat – moeten kunnen ontwikkelen; gelijkheid moet er zijn voor alle mensen, gewaarborgd door de wet(ten): het rechtsleven waarvoor de staat garant moet staan en in het economisch leven moet broederschap de leidraad zijn.
Het onderwijs, behorend tot het geestesleven, zou zich dus vrij van staatsinvloed moeten kunnen ontwikkelen en manifesteren. Vandaar dat de 1e vrijeschool in de wereld, die in Stuttgart – de Waldorfschool – op zeker ogenblik ‘Freie Waldorfschule’ heet en de scholen die vanaf 1923 in Nederland worden gesticht noemen zich Vrije School.

De idee van de sociale driegeleding lag Steiner na aan het hart en het is dus niet verwonderlijk dat hij erover heeft geschreven en gesproken.

Zo zegt hij in GA 192 – ik haal dit aan i.v.m. ‘de bijzondere tijd’:

Die Entwicklung ist so, daβ stets eine bestimmte Epoche einer anderen Epoche folgte und vor allen Dingen für alle Hauptepochen der nachatlantischen Zeit ein eigenes konkretes Ideal vorhanden war, wie auch für unsere Zeit und für die nächste Zukunft. Was will die geistige Welt für eine kurze Zeitspanne verwirklichen.
Unsere Zeit fordert: Die Dreigliederung des sozialen organismus.

De ontwikkeling gaat zo, dat er steeds een bepaalde tijd op een andere tijd volgt en dat er met name in alle grote tijden na de Atlantische tijd een eigen concreet ideaal bestond, zoals dat ook voor onze tijd en voor de toekomst geldt.
Wat wil de geestelijke wereld voor een korte spanne tijds verwezenlijken.
Onze tijd eist: de sociale driegeleding.
GA 192/16
Niet vertaald  

Steiner spreekt hier over ‘Hauptepochen’ – letterlijk: ‘hoofdfasen’, op te vatten als grotere fasen in de mensheidsgeschiedenis, in de trant van hoe wij spreken over ‘een Egyptische, een Griekse tijd’ enz. Je kan ze ook ‘cultuurtijdperken’ noemen. Een bepaalde cultuur is dan een tijd de toonaangevende en brengt de mensheid nieuwe mogelijkheden die we heden ten dage – aan verandering onderhevig, natuurlijk – nog hebben: de Griekse democratie, het Romeinse recht, enz. Onze tijd noemt Steiner het vijfde na-Atlantische tijdperk.
Vanuit andere karakteriseringen van deze tijden zegt Steiner o.a. ook dat deze tijdperken a.h.w. geïnspireerd worden door de geestelijke wereld, of concreter voor degene die er inzicht in heeft: geestelijke wezens en volgens Steiner worden ze ook geleid door een wezen dat hij voor die perioden met name noemt. Dat is voor onze tijd de aartsengel Michaël, zoals we al tegenkwamen op blz. 18: ‘de goede geest, wiens taak het is de mensheid te leiden en te verlossen van nood en ellende, ( ) de goede geest wiens taak het is de mensheid te brengen tot een hoger ontwikkelingsstadium in onderwijs en opvoeding’.

Dan is het weer iets duidelijker dat het Steiner niet gaat om ‘ijdele hoogmoed‘ of zoals hij in andere voordrachten zegt, ‘om het in het onderwijs anders te willen doen om het anders-doen,’ of ‘om beter te willen zijn dan andere – toen reformscholen genoemd – onderwijsvernieuwingen, vanuit een soort persoonlijker overtuiging, zoals bijv. die van Peter Petersen, de stichter van de Jenaplanscholen of Célestin Freinet, de stichter van het Freinetonderwijs, aanvankelijk ‘de school met de drukpers’. 

Nicht aus dem Grunde wird sie sich unterscheiden sollen, weil wir in eitlem Hochmut glauben, daß wir gerade von uns aus gewissermaßen eine neue pädagogische Weltenordnung beginnen sollen, sondern weil wir aus anthroposophisch orientierter Geisteswissenschaft heraus uns klar darüber sind, daß die aufeinanderfolgenden Entwickelungsepochen der Menschheit dieser Menschheit immer andere Aufgaben stellen werden. Eine  andere Aufgabe hatte die Menschheit in der ersten, eine andere in der zweiten bis herein in unsere fünfte nachatlantische Entwickelungsepoche. Und es ist nun einmal so, daß dasjenige, was in einer Entwickelungsepoche der Menschheit getan werden soll, dieser Menschheit erst zum Bewußtsein kommt, einige Zeit nachdem diese Entwickelungsepoche begonnen hat.
Die Entwickelungsepoche, in der wir heute stehen, hat in der Mitte des 15. Jahrhunderts begonnen. Heute kommt gewissermaßen aus den geistigen Untergründen heraus erst die Erkenntnis, was gerade in bezug auf die Erziehungsaufgabe innerhalb dieser unserer Epoche getan werden soll.

De reden voor het onderscheid ligt er niet in, dat wij in ijdele hoogmoed menen dat er juist van ons uit zogezegd een nieuwe pedagogische we­reldorde geïnitieerd moet worden. De reden is dat wij op grond van de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap inzien, dat de opeenvolgende ontwikkelingsstadia van de mensheid steeds andere taken met zich mee zullen brengen. De mensheid had steeds een andere taak: in de eerste periode een andere dan in de tweede, enzovoort, tot en met onze vijfde na-Atlantische ontwikkelingsperiode. En het is nu eenmaal zo, dat hetgeen gedaan dient te worden in een ontwikkelingsperiode van de mensheid pas enige tijd na het begin van zo’n periode tot de mensheid begint door te dringen.

De ontwikkelingsperiode waarin wij ons nu bevinden is omstreeks het midden van de vijftiende eeuw begonnen. In onze tijd komt – als het ware vanuit geestelijke diepten – het inzicht, wat in deze periode waarin wij leven gedaan moet worden, met name wat de opvoeding betreft.
GA 293/19
Vertaald/20 

Der Geist der Zeit verwirklicht tatsächlich sich. Will sich verwirklichen.
Das Chaos entsteht wenn der Mensch anders denkt und handelt als der Geist der Zeit denkt und handelt.

De tijdgeest wordt in feite werkelijkheid. Wil realiteit worden.
Er ontstaat chaos wanneer de mens anders denkt en handelt dan de tijdgeest.
GA 192/18 
Niet vertaald  

Regelmatig zal Steiner in de pedagogische voordrachten de stichting van de vrijeschool in samenhang noemen met de ‘de eis van de tijdgeest’, bijv. hier:

Der Pädagogik und didaktik dieser Waldorfschule in Stuttgart wurde nun jenes spirituelle Leben zugrunde gelegt, von dem ich meine, daβ es aus dem Geiste unserer Zeit heraus zu einer fortführung des Erziehungswesens führen muβ, gerade so, wie es der Geist für unsere Zeit, wie es die Aufgaben und wie es die Stufe der Menschheitsentwicklung innerhalb unserer Zeitepoche fordern.

Pedagogisch en didactisch werd deze Waldorfschool in Stuttgart gebaseerd op die vorm van spiritueel leven, waarvan ik denk dat die vanuit de geest van onze tijd de hele opvoeding uiteindelijk verder zal brengen op een manier die volkomen aansluit bij de eisen die gesteld worden door de geest van onze tijd, door de taak die wij in dit tijdperk hebben en het ontwikkelingsstadium van de mensheid waarin wij ons bevinden.
GA 305/12 
Vertaald:/14

Welches Gebiet des Lebens ist es am meisten, das uns auffordert, mit dem Geiste zu tun? Es ist das Erziehungs-, es ist das Unterrichts­wesen. In der Erziehung müssen wir den ganzen Menschen ergreifen, und der ganze Mensch ist Körper, Seele und Geist. Wir müssen mit dem Geiste tun können, wenn wir erziehen, wenn wir unterrichten wollen.
Hat zu allen Zeiten der Menschheitsentwickelung diese Forderung über der Menschheit gestanden, so dürfen wir sagen: Jetzt gerade, weil wir auf dem Gebiete der äußerlichen Naturerkenntnis so weit gekom­men sind, jetzt gerade am allermeisten steht die Forderung vor uns, mit dem Geiste tun zu können. Darum ist die soziale Frage heute in erster Linie eine Erziehungsfrage. Denn wir wollen mit Recht heute fragen: Was soll geschehen, damit soziale Ordnungen, soziale Institutionen unter uns entstehen, die minder tragisch sind als die heutigen, die minder bedrohlich sind als die heutigen? – Wir können uns keine andere Antwort geben als die: Wir müssen zunächst Menschen in das praktische Leben, in die soziale Gemeinschaft hineinstellen, die aus dem Geiste heraus, aus dem Tun im Geiste erzogen sind. Eine solche Erkenntnis, die zu gleicher Zeit fortwährendes Tun im Leben ist, strebt diejenige Spiritualität im Leben an, welche zur Basis gemacht werden soll – nach der Meinung, die hier vertreten wird – für die Erziehung der verschiedenen Lebensalter des Menschen. 

Op welk gebied van het leven wordt het sterkst van ons verlangd dat we met de geest werken? Dat is op het terrein van onderwijs en opvoeding. In de opvoeding moeten we de mens als geheel weten aan te pakken. En de mens als geheel bestaat uit lichaam, ziel en geest. Als wij willen opvoeden, als wij onderwijs willen geven, moeten we concreet met de geest kunnen werken. In ieder tijdperk van de mensheidsontwikkeling is die eis aan de mensheid gesteld. Maar wij mogen wel zeggen dat juist nu, juist omdat wij zover zijn gekomen op het gebied van de uiterlijke natuurkunde, de eis om concreet met de geest te kunnen werken krachtiger dan ooit aan ons wordt gesteld. Om die reden is het sociale vraagstuk in onze tijd in de eerste plaats een vraagstuk van de opvoeding. Want het is met recht dat wij ons in deze tijd afvragen: hoe kunnen wij ervoor zorgen dat er in onze samenleving maatschappelijke systemen en maatschappelijke instituties ontstaan, die minder deprimerend zijn dan de huidige, die minder gevaarlijk zijn dan de huidige? Daarop is geen ander antwoord te geven dan: wij moeten in de eerste plaats in de praktijk van het leven, in de sociale gemeenschap, mensen neerzetten die vanuit de geest, vanuit een praktisch omgaan met de geest zijn opgevoed. Zo’n inzicht, dat tegelijkertijd een voortdurend praktisch handelen inhoudt, brengt ons in het leven tot de spiritualiteit die, naar de opvatting die hier wordt vertegenwoordigd, de basis moet gaan vormen van de opvoeding van de mens in zijn verschillende levensfasen.
GA 305/14-15 
Vertaald:/14-1`5

Naast deze in Oxford gehouden voordrachten over pedagogiek, hield Steiner aansluitend nog drie voordrachten over ‘het sociale vraagstuk’. (Niet opgenomen in de vertaling)

GA 296 heeft zelfs als titel: ‘Erziehungsfrage als soziale Frage’.
Vertaald: Opvoeden en onderwijzen als sociale opgave.

In de ‘Algemene menskunde’ gaat Steiner op blz. 18 en 19 niet verder in op de sociale driegeleding. 
Hij gaat eerst in op een ander aspect wat in het sociale leven een negatieve rol kan spelen: het egoïsme.
.

Een verdere uitwerking van wat boven werd beschreven, is te vinden in:
Algemene menskunde:   1-4-1/1         1-4-1/2        1-4-1/3

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Steiner schreef over de sociale driegeleding:
GA 23 Die Kernpunkte der sozialen Frage
Vertaald 
GA 24 Aufsätze uber die Dreigliederung des soziale des sozialen Organismus und zur Zeitlage 1915-1921
Hieruit vertaald: Vrije School en Driegeleding, verschenen in: Driegonaal 8e jaargang no.1

In de GA verschenen voordrachten over driegeleding GA 328 – 341
GA 332A
Vertaald

GA 334
Gedeeltelijk vertaald

Van andere auteurs in het Nederlands, o.a:
Leo de la Houssaye: Bronnen van de sociale kunst
Dieter Brüll: De sociale impuls van de antroposofie
Dieter Brüll: Vrije School en sociale driegeleding

De lijst is niet compleet.

Op deze blog: sociale driegeleding: alle artikelen

Website Sociale Driegeleding
.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1339-1251
.
.

*

    

VRIJESCHOOL – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-5)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE – GA 293

.

GA= Gesamt Ausgabe, (volledige uitgave): de genummerde reeks boeken en voordrachten van Steiner.

Duitse tekst
Vertaling

.

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Blz. 22  vert. 22

ABSTRACTE GEDACHTEN

Heel vaak zal je in het werk van Steiner opmerkingen vinden die je – ook wanneer je ze losmaakt van de context – kan gebruiken om (lang) over na te denken. Ik heb dat hier gedaan met uitspraken die voornamelijk met de pedagogie hebben te maken, maar waarbij er ook staan die ik reken – niet allereerst tot menskunde – maar tot mensenkennis. Steiner ziet in het menselijk gedrag veel wat voor hem aanleiding is daarover opmerkingen te maken die je een inzicht geven in de menselijke psyche.

‘Het concrete denken komt altijd op een eindpunt terecht, het abstracte denken draait maar door, eindeloos in een kringetje rond.’

Laatst vond ik nog een schriftje terug van heel vroeger. Aan de binnenkant van het kaft had ik mijn naam geschreven, daaronder de straat waar ik woonde, het dorp, het eiland, de provincie, het land, het werelddeel, de aarde, het heelal en toen allemaal puntjes.
Dat deed me herinneren aan vraaggesprekjes die ik hield – ik denk zo rond mijn 10e jaar – wanneer je ook iets van aardrijkskunde gaat weten.
‘Hoe heet je? -naam -. Waar ben je? – in bed-. Waar is je bed? – In mijn kamertje. – Waar is je kamertje? – In ons huis. – Waar is je huis?”  Enz. Dat liep concreet altijd vast bij de vraag: ‘Waar is het heelal?’ We bedachten dan een antwoord: ‘In een nog groter heelal. Waar is dat heelal? In een nog groter heelal. Dat kun je tien, twintig keer, eindeloos altijd blijven vragen, of wel ‘het abstracte denken draait maar door.’ 

Als lezer heb je, denk ik, wel een soortgelijke ervaring. (En wil je die hierbij plaatsen, stuur hem maar door).

Abstractie in het rekenen

Ik leerde tijdens mijn opleiding tot onderwijzer dat het goed was om veel aan kinderen te blijven vragen; steeds maar doorvragen wat een kind weet of al kan. Ook met rekenen.

Toen ik al op een vrijeschool werkte en voor het eerst in klas 4 een periode rekenen met breuken begon, deelden we een taart.
Langzaam tekende zich een reeks opgaven af. De hele taart gedeeld door 2: de helft; de helft door 2: een vierde; een vierde…enz. Toen we bij eenvierenzestigste waren, waren er nog altijd kinderen die het antwoord wisten en ik vroeg rustig verder.
1 of 2 ‘knappe koppen’ bleven over. Ik stelde opnieuw mijn vraag: ‘En als ik die dan deel, wat krijg ik dan?’
Opeens stak een kind zijn vinger op van wie ik wist dat hij nog helemaal niet zo rekenen kon dat hij het antwoord zou kunnen weten. Ik was dus zeer benieuwd naar wat hij zou zeggen en gaf hem de beurt. Zeer serieus antwoordde hij – het was werkelijk geen grap – : ‘KRUIMELS’.

Dat was de realistische rekenaar die voor zich zag wat er in het echt gebeurde.

Je kunt geen taart delen in 256 stukjes, dan heb je inderdaad kruimels.

Dit kind (en Rudolf Steiner) leerden mij goed na te denken over de vragen die je aan een klas stelt.

Rudolf Steiner:

Einmal hört in der Wirklichkeit die Fragestellung auf. Bleibt man im Abstrakten, so kann man immer weiter fragen: warum? Man kann das Rad des Fragens immerfort weiter drehen. Das konkrete Denken findet immer ein Ende, das abstrakte Denken läuft mit dem Gedanken immer endlos wie ein Rad herum.

Op een gegeven moment houdt in de werkelijkheid het vragen op. Blijf je abstract denken dan kun je altijd verder vragen: waarom? Het rad van vragenstellen kun je steeds maar ronddraaien. Het concrete denken komt altijd op een eindpunt terecht, het abstracte denken draait maar door, eindeloos in een kringetje rond.
GA 293/22
Vertaald/22

Wanneer je erop gaat letten, zal je – met name – ook in deze tijd, in media en in je naaste omgeving, vaak zo’n abstract(ere) vraagstelling ontdekken. Uiteraard kan die ook bij ons opkomen. Maar door Steiners psychologisch inzicht ter harte te nemen, kan je alerter zijn, d.w.z. realistischer – concreter in het leven staand.

MENSCHENKUNDE, MENSCHENERKENNTNIS, MENSCHENKENNTNIS

Het begrip ‘menskunde’ is de vertaling van ‘Menschenkunde’; Steiner gebruikt ook vaak ‘Menschenkenntnis’ en ‘Menschenerkenntnis’. ‘Kenntnis’ heeft met kennen te maken en kennen met kunde. Soms lijkt uit de context dat hij de woorden door elkaar gebruikt; dan echter blijkt ook dat Steiner ze voor een inhoud gebruikt die beide aspecten in zich dragen.
Het is dus goed om tijdens het lezen van voordrachten bij het woord ‘menskunde’ altijd nog even te denken aan ‘mensenkennis’.

Hier bijv.:

Was gelehrt und wie gelehrt wird, es soll durch­aus herausfließen aus Menschenerkenntnis

Wat en hoe onderwezen wordt, het moet absoluut voortvloeien uit menskunde.
GA 297/174
Op deze blog vertaald/174
Nur aus wirklicher Menschenerkenntnis heraus kann wahre Unterrichtskunst und wahre Erziehungskunst ent­stehen.

Alleen uit echte menskunde kan echte onderwijskunst en echte opvoedkunst ontstaan.
GA 297a/50
Op deze blog vertaald/50

Von einer wahren geisteswissen­schaftlichen Menschenerkenntnis soll die pädagogische und didak­tische Erziehungs- und Unterrichtspraxis der Waldorfschule befruch­tet sein.

Vanuit een echte geesteswetenschappelijke menskunde moet de pedagogische en didactische opvoedings- en onderwijspraktijk geïnspireerd zijn.
GA 300C/13
Niet vertaald

Hier noemt Steiner i.p.v. ‘Menschenerkenntnis’ ‘Seelenerkenntnis’. Dat heeft m.i. te maken met het feit dat hij ‘alles van zoveel mogelijk gezichtspunten wil karakteriseren.

Alle pädagogische Kunst muß auf eine Seelenerkenntnis gebaut sein.

Alle pedagogische kunst moet stoelen op kennis van de ziel.
GA 300C/13
Niet vertaald

Eine Pädagogik braucht eine richtige Menschenerkenntnis, die auch lebendig wird in dem ganzen Menschen, die in unser Empfinden, die aber auch in den Willen geht. Es ist nötig, dass wir eine solche Menschenerkenntnis ausbilden.

Een pedagogie heeft een echte menskunde nodig, die ook gaat leven in de héle mens, die tot in ons gevoel, maar ook tot in onze wil komt. Zó’n menskun­de moeten we ontwikkelen.
GA 302/113/114
Menskunde en opvoeding/113

Steiner geeft door zijn mensenkennis ons nog meer te overdenken als het om abstractie gaat:

Derjenige, der wirklich etwas im Leben er­reichen will, der stellt nicht abstrakte, ferne Ideale auf, an denen er entweder das Genick bricht oder sich die Stirne zerstößt, sondern der versucht immer im Einklang mit dem Leben zu sein.

Wie in het leven werkelijk iets bereiken wil, moet geen abstracte, verheven idealen koesteren waarover hij z’n benen breekt of waaraan hij z’n hoofd stoot, maar die probeert steeds het leven te nemen zoals het is.
GA 306/125
Op deze blog vertaald/125

Aber abstrakte Forderungen haben das Eigentümli­che, daß sie sich in ihrer Abstraktheit nicht verwirklichen. 

Abstracte eisen dragen het kenmerk dat zij in hun abstractheid geen realiteit worden.
GA 306/118
Op deze blog vertaald/118
.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1337-1249

.

.

.

*

VRIJESCHOOL – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-2-3)

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE – GA 293

.

GA= Gesamt Ausgabe, (volledige uitgave): de genummerde reeks boeken en voordrachten van Steiner.

Duitse tekst       Vertaling .

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat. Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3].

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik bij alle voordrachten een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken. De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.
.

ALGEMENE MENSKUNDE IN DEZE TIJD?
.

Bij de ‘Algemene menskunde’ gaat het om de mens: wie of wat is hij; hoe ontwikkelt hij zich; hoe kunnen opvoeding en onderwijs deze ontwikkeling ondersteunen?
Je kan dus niet om deze ‘Algemene menskunde’ (en de andere pedagogische voordrachten) heen, als je je vrijeschoolleraarsberoep zo goed mogelijk wil uitvoeren.

Maar hoe verhoudt deze ‘Algemene menskunde’ zich tot ‘de’ wetenschap. Zijn Steiners gezichtspunten gedateerd, loop je hopeloos achter als je je daar nu (na ca. 100 jaar) nog mee bezighoudt?
Of wordt deze door allerlei wetenschappelijke vondsten, gezichtspunten en als reactie daarop weer nieuwe opvattingen, steeds actueler?

In het artikel dat aan dit voorafgaat, citeerde ik delen uit Steiners ‘Theosofie’ [4].
Daarin wordt gesproken over ‘het ware wezen’ van de mens.
Zelf ben ik nogal huiverig voor dit ‘ware’. We zien en konden in het verleden zien, waar dit ‘ware’ toe leiden kan: het fanatiek propageren van dit ‘ware’, waarbij als vanzelfsprekend al het daarvan afwijkende als het ‘onware’, wordt beschouwd. En dat leidt al snel tot het verketteren van dit ‘onware’, dat dan gelijk wordt gesteld aan ‘afvallig’. En heeft de Grote Vertegenwoordiger van dit ‘ware’ aangegeven dat de afvallige gelijk gesteld mag worden aan ‘minderwaardig’, ‘een ongelovige’ en wat al niet, dan ligt de weg open de laatsten te elimineren. Het ‘ware beeld van de mens’ is gelegitimeerde onmenselijkheid geworden.

Iets soortgelijks – maar veel milder – vond plaats en vindt nog steeds plaats, wanneer ‘de’ wetenschap wordt gevraagd naar de ‘ware’ mens.
Wie anders denkt dan deze wetenschap, loopt het gevaar niet voor vol te worden aangezien en krijgt meestal het etiket ‘pseudo’ opgeplakt.

Ik begon het vorige artikel met:
Na zo’n tachtig jaar antroposofische publicaties kun je wel stellen dat er geen bij zijn die vanuit een helderziend vermogen zijn geschreven. In vrijwel allemaal wordt er door de bril van de antroposofie gekeken naar de meest uiteenlopende onderwerpen en dat levert vaak verrassende gezichtspunten op. En meestal wordt een gezichtspunt van Steiner daardoor grijpbaar – d.w.z. beleefbaar, zichtbaar, navolgbaar en wat dies meer zij, voor ons ‘gewone’ verstand.

Bij alle publicisten tref je aan wat Steiner in genoemde Theosofie noemt: een gevoel en begrip voor waarheid – met gevoel en begrip wordt in ieder geval gezocht naar waarheid.

In der Dunkelheit regt sich dieses Gefühl. Die Seele sieht nicht; aber durch dieses Gefühl wird sie erfaßt von der Macht der Wahrheit; und dann wird die Wahrheit nach und nach herankommen an die Seele und ihr den «höheren Sinn» öffnen. 

In de duisternis ontwaakt dit gevoel. De ziel ziet niet; maar door dit gevoel wordt ze gegrepen door de macht van de waarheid; en dan zal de waarheid gaandeweg
de ziel naderen en haar het ‘hogere zintuig’ ontsluiten.
GA 9/7
Vertaald/20

Vanuit het gevoel – dat is vaak – het invoelen, het aanvoelen, ergens voelen dat het zus of zo moet zijn, een voorvoelen, een tasten naar, komt men tot gezichtspunten – het begrip- en daarin voel je als lezer vaak al iets van ‘de macht der waarheid’, al hoeft het nog niet waar te zijn: dat is nu net de zoektocht.

Maar dat is niet voorbehouden aan mensen die geïnspireerd door Steiner op hun terrein op zoek gaan naar ‘het ware’.
Dat zoekt de mens al ‘sinds de oudste tijden’ en ook nu, in deze tijd.
Dat zoekt de wetenschap ook, wetenschap in de ruimste zin.
Maar we hebben al lange tijd te maken met wetenschap die steeds meer is gaan betekenen: natuurwetenschap en door velen, ook in het spraakgebruik, wordt wetenschap nu meestal synoniem gedacht met natuurwetenschap.

En daarmee is de oude controverse stof-geest, het dualisme dat al eeuwen bestaat, nog springlevend.

Voor Steiner geldt deze tegenstelling niet als onoverbrugbaar. Zijn geesteswetenschap, de antroposofie, is vooral een weg om dit dualisme op te heffen – letterlijk op een hoger niveau te brengen. Dat dit onmogelijk zou zijn, weerlegt hij op allerlei manieren.

Diese (heutige Wissenschaft) betrachtet die Sinneser­fahrung als die Grundlage allen Wissens, und was nicht auf die­ser Grundlage aufgebaut werden kann, hält sie nicht für wiß­bar. Sie zieht aus den Eindrücken der Sinne Schlüsse und Fol­gerungen. Was aber darüber hinausgeht, das lehnt sie ab und sagt davon, es liege jenseits der Grenzen des menschlichen Er­kennens. Für die Geisteswissenschaft gleicht eine solche An­sicht derjenigen eines Blinden, der nur dasjenige gelten lassen will, was man tasten kann, und was aus dem Getasteten durch Schlußfolgerung sich ergibt, und der die Aussagen der Sehen­den als jenseits des menschlichen Erkenntnisvermögens ab­lehnt. Denn die Geisteswissenschaft zeigt, daß der Mensch ent­wicklungsfähig ist, daß er sich neue Welten durch Entfaltung neuer Organe erobern kann. Wie Farben und Licht um den Blinden sind, und dieser sie nur nicht wahrnehmen kann, weil er keine Organe dazu hat, so erklärt die Geisteswissenschaft: es gibt viele Welten um den Menschen herum, und dieser kann sie wahrnehmen, wenn er nur die notwendigen Organe dazu ausbildet. Wie der Blinde in eine neue Welt blickt, sobald er operiert ist, so kann der Mensch durch Entfaltung höherer Or­gane noch ganz andere Welten erkennen als diejenigen sind, die ihm zunächst die gewöhnlichen Sinne wahrnehmen lassen. Ob nun ein leiblich Blinder operierbar ist oder nicht, das hängt von der Beschaffenheit der Organe ab; jene höheren Organe aber, durch welche der Mensch in übergeordnete Welten ein­dringen kann, sind im Keime bei jedem Menschen vorhanden. Jeder kann sie entwickeln, der Geduld, Ausdauer und Energie dazu hat, jene Methoden auf sich anzuwenden, welche in den Aufsätzen : «Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Wel­ten?» beschrieben worden sind [2] So spricht die Geisteswissen­schaft überhaupt nicht : der Mensch habe durch seine Organi­sation Grenzen der Erkenntnis; sondern sie sagt : es gibt für den Menschen diejenigen Welten, für die er Wahrnehmungsorgane hat. Sie spricht nur von den Mitteln, die jeweiligen Grenzen zu erweitern.

Deze huidige wetenschap) beschouwt de zintuigelijke ervaring als de grondslag van alle kennis, en wat niet op dit fundament kan worden opgebouwd, kan volgens haar geen object voor het weten zijn. Zij maakt gevolgtrekkingen uit de indrukken, die de zin­tuigen opleveren. Wat daar echter bovenuit gaat, wijst zij af, verklarend, dat dit buiten de grenzen van het menselijk kenvermogen ligt.
Voor de geestesweten­schap lijkt een dergelijke opvatting op die van een blinde, die slechts wil laten gelden, wat tastbaar is en wat door conclusies uit tastervaringen valt af te lei­den, terwijl hij datgene, wat mensen met een normaal gezichtsvermogen over de wereld te vertellen hebben als ontoegankelijk voor het kennen afwijst.
Want de geesteswetenschap toont aan, dat de mens mogelijk­heden tot ontwikkeling in zich draagt; dat hij zich nieuwe werelden kan veroveren door ontplooiing van nieuwe organen.
Zoals kleuren en licht de blinde om­geven en hij deze alleen niet kan waarnemen, omdat hij er geen orgaan voor heeft, zo is de mens volgens de geesteswetenschap door vele werelden omgeven, welke hij kan waarnemen, wanneer hij slechts de daar­toe noodzakelijke organen ontwikkelt.
Zoals voor een blinde een nieuwe wereld opengaat, zodra hij geope­reerd is, zo kan de mens door ontplooiing van hogere organen nog geheel andere werelden leren kennen dan die, welke de gewone zintuigen hem aanvankelijk doen waarnemen. Of nu een lichamelijke blindheid door een operatie te verhelpen is of niet, hangt van de gesteldheid van de organen af; die hogere organen echter, door middel waarvan de mens in hogere we­relden kan doordringen, zijn bij ieder mens in kiem aanwezig. Iedereen kan ze ontwikkelen, die het ge­duld, de volharding en de energie bezit om de me­thoden toe te passen, welke in het boek ‘De weg tot inzicht in hogere werelden’ [5] zijn beschreven.
De geesteswetenschap verklaart dus allerminst, dat de mens door de beperktheid van zijn organisme voor kengrenzen is gesteld, maar zij zegt: voor de mens be­staan die werelden, waarvoor hij waarnemingsorganen heeft. En zij spreekt over de middelen om de bestaan­de grenzen te overschrijden.

GA 34/313-314  
De opvoeding van het kind (de hier gebruikte vertaling komt uit de uitgave van 1980 (6e dr), blz. 13-15       

Der naturwissenschaftliche Charakter ergibt sich, wenn man mehr der Meinung ist, was wir tun, das sei abhängig von unserer körperlichen Konstitution und von den Einwirkungen auf unsere körperliche Konstitution. Es gibt ja heute noch immer Menschen, welche so denken, daß der Mensch handelt geradeso notwendig wie etwa ein Stein, wenn er zur Erde fällt. Das wäre die naturwissenschaftliche Färbung des Notwendigkeitsgedankens.

Het natuurwetenschappelijke karakter blijkt wanneer men van mening is dat wat wij doen afhankelijk is van onze lichamelijke constitutie en van wat hierop inwerkt. Er zijn tegenwoordig nog steeds mensen die zo denken dat de mens net zo uit noodzaak handelt als een steen die naar beneden valt. Dat is nu de gekleurde natuurwetenschappelijke visie van de noodzakelijkheidsgedachte.
GA 201/11  
Niet vertaald  

Wie in onze tijd wetenschappelijke artikelen bekijkt, berichten leest enz. komt ook nu deze gedachte ‘uit noodzaak handelen als een steen’ tegen, misschien niet zo letterlijk gezegd, maar Victor Lammes idee dat we geen vrije wil hebben en daarom alles doen wat ons brein wil, is m.i. de moderne variant daarop.
Ons handelen als een soort mechanisme, als iets machinaals. De ‘mens, een machine’, zoals de la Mettrie in de 18e eeuw al verkondigde. ‘Wij zijn ons brein’ is volgens mij niets anders dan Swaabs variant hierop.

Dat je met dezelfde wetenschappelijk verkregen gegevens tot andere interpretaties van deze gegevens kan komen, bewijst Arie Bos in een soort tegenhanger van ‘Wij zijn ons brein‘:
Mijn brein denkt niet, ik wel.’ 

Nu zou je daar nog tegenin kunnen brengen dat Bos, die werkte als antroposofisch huisarts, fundamenteel uitgegaan is van Steiner. Maar dat is niet zo. Bos bestudeerde vele wetenschappelijke publicaties en komt tot een andere conclusie. 
Maar je hoeft maar naar artikelen te gaan zoeken of een krant open te slaan of je vindt Steiners gezichtspunten terug bij mensen die niets hebben onderzocht met antroposofie. Dat zijn ook mensen die iets voelen van ‘het andere’ en dat proberen te verwoorden in begrippen.

Neem Bert Keizer:

In zijn column in Trouw van 07-10-2016 schrijft hij over Swaabs ‘Het creatieve brein’.

‘Swaab loopt rond in het brein als een tuinier die pre­cies weet waar alle plantjes staan, maar voor de lezer is het niet altijd makkelijk om hem bij te houden bij de opsom­ming van al die anatomische structuren waar de verschillende geestelijke toe­standen mee samenhangen. Zolang hij zich houdt aan deze twee­deling (anatomie – geestestoestand) gaat alles goed, maar Swaab probeert ook een brug te slaan tussen anatomie en geestelijk leven en dan begint het gemieter. U begrijpt dat er in onze her­senen niets anders gebeurt dan dat neu­ronen in ingewikkelde netwerken via allerlei fijne vezeltjes elektrische pulsjes aan elkaar doorgeven of juist tegen­houden. Dit gebeurt aan de hand van prikkels uit de wereld buiten de sche­del: zien, horen, tasten, voelen, proe­ven, ruiken, dat zijn allemaal ervarin­gen waarvan het onbegrijpelijk is dat ze samenhangen met al die pulsjes. Want die ervaringen zijn sterk verschillend, terwijl die pulsjes allemaal hetzelfde spul zijn. Hoe kan zoiets? Swaab heeft er geen oog voor.’

Volgens Keizer beweert Swaab dat alle geestesactiviteit eigen­lijk neuronale activiteit is. Zou een scheikundige de gedachten willen onderzoeken, dan komt er scheikunde uit.
‘Er loopt een barst door al Swaabs bewe­ringen als hij in de buurt van het geest/lichaam-probleem komt. Hij pla­muurt deze barst al jaren weg onder de slordigheid waarmee hij ‘brein’ als ana­tomische substantie en ‘brein’ als gees­telijk domein door elkaar gebruikt. Is dat nou zo erg? Nou, d’r vallen geen dooien natuurlijk, maar ik ben nou een­maal filosofisch geschoold. Ja, en wat wou je daar dan mee zeggen? Dat ik kregelig word van denkfouten. Het idee dat je een gedachte met scheikunde zou kunnen ontleden is een mooi voor­beeld. Je kunt een gedachte wel ontle­den en dan aantonen dat er veel Freud in zit, naast een vleugje Jung. Maar je kunt in een gedachte nooit natrium aantreffen of methaan. Je kunt daaren­tegen wel nadenken over natrium en methaan, maar daar hoeven deze twee stoffen geen enkele rol bij te spelen’.

In de column van 17-03-2017 vraagt hij:
‘Maar tot nog toe is niemand erin geslaagd om uit te leggen hoe een ge­dachte uit een neuron kan voortkomen. Dat is trouwens wel een leuke vraag voor de neurologische onderzoeker: ‘Hebt u wel eens een gedachte uit een neuron zien komen?’
Geestelijke activiteit gaat altijd ge­paard met gebeurtenissen in de herse­nen. Dus naast (naast? onder? achter? boven?) ons denken en voelen gebeurt er van alles in de hersenen, maar die warreling van moleculen is iets heel an­ders dan geestelijk leven. Pijn, heim­wee, kennis van de Middeleeuwen, poëzie, wiskunde en de muziek van The Beatles, deze dingen kun je niet naar moleculen vertalen.

In ‘Letter en Geest’ van 02-04-2016 schrijft Annemarie van Stee onder de veelzeggende titel:

Zoek jezelf niet in je brein’
Wat komen we te weten over wie we zijn, als we in hersenen kijken? (   ) Ons gestaag groeiende inzicht in het brein le­vert heel weinig extra inzicht in onszelf op. (   ) Cognitieve neurowetenschappers onderzoe­ken de relatie tussen gedrag en hersenactivi­teit. Maar uiteindelijk zijn ze onderdeel van de neurowetenschappen en daarmee hersen­onderzoekers. Dat zie je aan hun experimen­ten: onderzoekers manipuleren wat hun proef­personen doen of ervaren en meten wat daarbij in het brein gebeurt. 
Neurowetenschappelijke onderzoeksarti­kelen zetten de lezer hier makkelijk op het ver­keerde been. Aan het einde van die artikelen opperen de auteurs vaak ideeën over waarom bepaalde gebieden in het brein activiteit ver­tonen. (   ) Zulke ideeën zijn geen resultaten uit het onderzoek. Ze redeneren in de omgekeerde richting: van de hersenactiviteit naar ideeën (  ). Het zijn interpretaties van de resul­taten die de onderzoekers overtuigend vinden, maar andere interpretaties zijn ook mogelijk. Want waarom zou het niet andersom zijn? (  ) [zie mijn opmerking onder Arie Bos]
Collega-neurowetenschappers weten wel dat het interpretaties zijn in plaats van resultaten, maar een argeloze lezer ziet dit vaak niet. Bovendien worden sommige interpretaties zo vaak herhaald dat ook neurowetenschappers zelf ze voor feiten verslijten. (   )
Ons perspectief op het brein is onderweg al behoorlijk veranderd. Zo richtte het onderzoek zich vijftien jaar geleden nog op regio’s in het brein, maar inmiddels denken neuroweten­schappers dat netwerken ten grondslag liggen aan ons doen en laten. Dat zijn nieuwe inzich­ten in ons brein. Maar die laten zich niet zo­maar doortrekken naar inzicht in onszelf.

Wat cognitieve neurowetenschap wel kan doen, is ons herinneren aan de biologische ba­sis van onze menselijke natuur. Het herinnert ons aan het simpele feit dat bij alles wat we zoeken, zoeken we naar inzicht in onszelf in onze unieke situatie. Experimenteel onder­zoek biedt doorgaans alleen inzicht in hoe mensen gemiddeld zijn. Verder gaat zelfbegrip over onszelf zoals we zijn geworden vanuit ons verleden, en over wie we later zouden willen worden. Dan helpt een hersenexperiment niet: dat is een momentopname van het brein in een afgebakend nu. Heel belangrijk is ook dat een beter begrip van wie wij (zouden willen) zijn perspectief biedt op hoe we het beste met ons­zelf en ons leven kunnen omgaan. Maar geen experiment kan je vertellen wat goed leven is. (   ) Die weten­schap verschaft ons inzicht in ons brein. Maar je krijgt er geen zelfinzicht van. 

Sterker: wat ‘zelf’ is verdwijnt hiermee: er is geen zelf – dan ook geen Ik: alleen materie: ‘ik ben het niet die zo raar doet, het is m’n nucleus caudatus‘ (Annemarie van Stee)

Van Maanen: hersenloze betweterij:

Wie indruk wil maken op feestjes of in de media, moet tegenwoordig bij elke uitleg van wat mensen doen hun hersenen erbij halen. Puberjongens zijn niet agressief; ze hebben een overmaat aan testosteron in hun brein en daardoor zijn ze agressief. Moeders houden niet van hun kinde­ren, Nee, door de pijn tijdens de bevalling (of door het zogen, dat hoor je ook nog weleens), maken de hersenen oxytocine aan en dat zorgt voor moederbinding. We zijn niet zomaar in de war als we verliefd zijn; uit hersenscans blijkt dat de frontale kwab die betrokken is bij de informatieverwerking te weinig wordt geacti­veerd doordat andere centra te veel dopamine produceren – of zoiets.

Gedrag verklaren klinkt een stuk overtuigender als je de hersenen de schuld geeft.
Het maakt niet uit hoe onzinnig de psycholo­gische verklaring voor het gedrag is; als er maar een soort neuro-verband – met hormonen en MRI-scans en dopamine – bij vermeld staat, klinkt het meteen een stuk overtuigender.

Dat laatste blijkt ook echt zo te zijn: onder­zoekers hebben onlangs voor een experiment allerlei psychologische verklaringen voor verschillend menselijk gedrag voorgelegd aan proefpersonen, al dan niet voorzien van wat neuro-onzin. Zelfs de meest bizarre psycho­logische verklaring vonden mensen aanneme­lijker als er maar iets over de werking van onze hersenen bij stond, Het maakte niet eens veel uit wat. En hoe minder verstand ze van hersenen hadden, hoe beter ze de verklaring vonden. Echte hersenonderzoekers trapten er niet in.
Omdat zij weten dat zo’n verklaring niets aan ons inzicht toevoegt. Voor alles wat we doen en voelen, is immers een mechanisme en een kwabje in de hersenen aan te wijzen, dat kan niet anders. Die mechanismen en kwabjes verklaren echter niet wat we doen en voelen, ze laten alleen maar zien wat er van binnen gebeurt als we iets doen en voelen. Zoals spieren nodig zijn om onze wenkbrauwen te fronsen of onze neus op te halen, maar de uitleg van de spierbewegingen niets toevoegt aan de verklaring voor dat fronsen of ophalen. Als iemand ons vraagt waarom we de wenkbrauwen fronsen, verwacht hij geen tekening van alle gezichtsspieren die daarbij betrokken zijn. Ook boeiend, maar niet ter zake.
Dus als u de volgende keer op een feestje of in de media weer iemand hoort beweren dat criminaliteit komt door een lage (of juist hoge) gevoeligheid voor cortisol, of dat verslaving wordt verklaard door een tekort (of juist teveel) aan serotonine in de hersenen, kunt u het best even uw wenkbrauwen fronsen. Of uw neus ophalen, natuurlijk.’

Wetenschapjournalist van Maanen in het blad PLUS (het artikel is niet meer oproepbaar)

Zo zijn er meer artikelen met het gezichtspunt dat we een brein hebben waarin van alles gebeurt, maar waarin duidelijk onderkend wordt dat we niet weten waarom het gebeurt en hoe.

Steiner beschreef de hersenmaterie o.a. als een stoffelijk gebied dat beïnvloed, bewerkt wordt, door ‘iets’ onstoffelijks. Of je dat nu meteen ‘Ik, geest, denken’ moet noemen, is niet zo belangrijk:

Wir gehen hinaus auf den Weg, er ist jetzt weich; wir drücken unsere Fuβspuren ein. Jetzt kommt einer, der irdische Menschen nicht kennt, vom Mars herunter und der erklärt jetzt: Nun ja, diese Fuβspuren sind dadurch bewirkt, daβ da unten in der Erde Kräfte sind; die drücken an einer Stelle den Boden etwas stärker, an einer anderen Stelle etwas weniger, dann konfigurieren sich die Spuren, so daβ genau so etwas entsteht wie ein Fuβabdruck.
So etwa erklären aus vererbten Anlagen heraus und aus dem Gehirn heraus die Menschen das Seelenwesen. Gerade so wie die Fuβspuren von auβen eingedrückt sind, so sind in den Körper besonders in das Gehirn und in die Nervenorganisation eingedrückt diejenigen Dinge, die aus der Umgebung herein im nachahmenden Leben erlebt werden im Gehenlernen, Sprechenlernen, Denkenlernen. Das Gehirn ist ein deutlicher Abdruck dessen, was der Mensch seelisch ist; aber man muβ eben wissen, daβ es nicht der Erzeuger des Seelischen ist, sondern der Boden, auf dem sich das Seelische entwickelt. Gerade so wenig wie gehen kann ohne Boden unter den Füβen, ebensowenig kann ich als irdischer Mensch ohne Gehirn  denken, selbstverständlich. Aber das Gehirn ist nichts anderes als der Boden, in den das Denken und Sprechen hineinkonfiguriert dasjenige, was Sie gerade aus der Welt heraus, aus der Welt Ihrer Umgebung bekommen, nicht aus den vererbten Anlagen heraus. 

We gaan naar buiten, de weg op, die onverhard is; onze voetstappen worden er in afgedrukt. Nu komt er iemand van Mars die de aardse mens niet kent, en die zegt nu: ‘Deze voetsporen zijn ontstaan doordat daar onder de aarde krachten aanwezig zijn; die drukken tegen de ene plek wat sterker dan tegen een andere en dan vervormt dat zodat er zo’n voetafdruk ontstaat.’
Zo ongeveer verklaren de mensen uit de erfelijke aanleg en uit het brein de ziel. Net zo als de voetsporen er van buitenaf ingedrukt zijn, zo zijn in het lichaam en in het bijzonder in het brein en de zenuworganisatie die dingen gedrukt die uit de omgeving nabootsend nageleefd worden in het leren lopen, leren spreken, leren denken. Het brein is een duidelijke afdruk van wat de mens psychisch is; maar je moet wel weten dat het de ziel niet produceert, maar de basis is waarop de psyche zich ontwikkelt. Net zo min als we kunnen gaan zonder grond onder de voeten, net zo min kan ik als aards mens zonder brein denken, vanzelfsprekend. Maar het brein is niet anders dan de grond waarin het denken en spreken vormen wat ze uit de wereld, uit de wereld van hun omgeving krijgen, niet door de erfelijke aanleg.

GA 306/45  
Op deze blog vertaald/45  

Zonder brein kunnen we niet denken. Maar het denken wordt niet door het brein geproduceerd. Keizer aan de neurowetenschapper: Hebt u wel eens een gedachte uit een neuron zien komen?’

Steiner gebruikt ook dit voorbeeld:

Der Ausdruck «Werkzeug» für die physisch vorhandenen Organe und Or­gansysteme im Menschen ist eigentlich nicht völlig richtig, sondern man muß folgendes festhalten: Nehmen Sie einmal an, hier wäre ein weicher Weg (es wird gezeichnet). Es würde ein Wagen über diesen weichen Weg fahren; dann würde der Wagen Spuren, Eindrücke in das Erdreich zurücklassen. Ich würde aus den Spuren genau angeben kön­nen, wie der Wagen gefahren ist. Nehmen Sie nun an, es würde jemand kommen und würde diese Spuren, die hier in die Erde eingedrückt sind, erklären wollen und würde sagen: Ja, die erkläre ich so, daß die Erde hier allerlei Kräfte entwickelt, die drücken das Erdreich ein. – Er würde eine vollständige Illusion aussprechen, denn es handelt sich gar nicht darum, daß da die Erde etwas tut, sondern der Erde geschieht etwas; der Wagen fährt darüber, und etwas, was gar nichts mit der Erde zu tun hat, das macht da seine Eindrücke.
So ist es zum Beispiel mit unserem Gehirnnervensystem. Dasjenige, was vorgeht, sind seelisch-geistige Vorgänge – der Wagen. Dasjenige, was zurückgelassen wird, sind Spuren. Die sind zu finden. Aber alles dasjenige, was da im Gehirn wahrgenommen wird, was anatomisch, physiologisch festgehalten werden kann, ist nichts, was mit dem Gehirnzusammenhängt, sondern das ist alles ausplastiziert von dem See­lisch-Geistigen. Es ist also gar kein Wunder, daß man alles im Gehirn findet, was im Seelisch-Geistigen vor sich geht; aber das hat nichts zu tun mit dem Gehirn. Man soll also nicht sagen, man habe es mit Werk­zeugen zu tun, sondern soll den ganzen Vorgang so auffassen, wie wenn ich gehen muß; mein Gehen hat schließlich nichts mit dem Boden zu tun, der ist nicht mein Werkzeug. Aber wenn er nicht da ist, kann ich nicht gehen. So ist es. Das Denken, der seelische Inhalt, hat gar nichts zu tun mit dem Gehirn; aber das Gehirn ist der Boden, wodurch dieser seelische Inhalt aufgehalten wird. Und dadurch, durch dieses Aufhal­ten kommt er zum Bewußtsein. Also es ist durchaus etwas ganz anderes vorliegend, als man ge­wöhnlich sich vorstellt.

De uitdrukking ‘instrument’ voor de fysiek aanwezige organen en orgaansystemen in de mens is eigenlijk niet helemaal juist, maar je moet het volgende vast­houden: neemt u eens aan dat je hier een onverharde weg hebt [het wordt getekend]. Wanneer er een wagen over deze onver­harde weg zou rijden, dan zou de wagen sporen, indrukken achterlaten in de aarde. Ik zou aan de hand van de sporen pre­cies kunnen aangeven hoe de wagen gereden is. Neemt u nu eens aan dat er iemand komt die deze sporen die hier in de aarde ontstaan zijn, wil verklaren en zou zeggen: ja, die ver­klaar ik zo dat de aarde hier allerlei krachten ontwikkelt, die drukken het oppervlak van de aarde naar beneden. — Dat zou een complete illusie zijn, want het gaat er helemaal niet om dat de aarde daar iets doet, maar dat de aarde iets overkomt. De wagen rijdt er overheen en iets wat helemaal niets met de aarde te maken heeft laat daar zijn sporen na.
Zo is het bijvoorbeeld met ons hersen-zenuwstelsel. Wat zich daar afspeelt zijn psychisch-geestelijke gebeurtenissen — de wagen. Wat er achtergelaten wordt zijn de sporen ervan. Die kun je aantreffen. Maar alles wat er in de hersenen wordt waargenomen, wat anatomisch, fysiologisch kan worden vast­gehouden, is niets wat met de hersenen samenhangt, maar dat is er allemaal in geboetseerd door het psychisch-geestelijke. Het is dus helemaal geen wonder dat je alles in de hersenen terugvindt wat zich in het psychisch-geestelijke voordoet. Maar dat heeft niets met de hersenen te maken. Je moet dus niet zeggen dat je met instrumenten te maken hebt, maar je moet het hele proces zo opvatten als wanneer ik moet lopen. Mijn lopen heeft tenslotte niets met de vaste grond te maken, die is niet mijn instrument. Maar als die grond er niet is, kan ik niet lopen. Zo is het. Het denken, de psychische inhoud, heeft helemaal niets te maken met de hersenen. Maar de her­senen vormen de grond waardoor deze psychische inhoud wordt tegengehouden. En door dit tegenhouden komt die inhoud tot bewustzijn. Er gebeurt dus iets heel anders dan men zich gewoonlijk voorstelt.
GA 303/342-343    
Gezondmakend onderwijs/381-382

Nee, ‘Algemene menskunde’ is m.i. niet achterhaald. Dan zou de mens achterhaald zijn. 
Met gezond verstand en goede wil, vanuit het gevoel voor waarheid dat velen in zichzelf beleven.
Dat gevoel kan o.a. door de bestudering van de ‘Algemene menskunde’ verrassend verdiept worden.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
[4] GA 9
Vertaald
[5] GA 10
Vertaald

Algemene menskunde: over onderzoeken en openstaan [[1-2-1]   [1-2-2]

Algemene menskunde: voordracht 1alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

1335-1247

.

.

*

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 301 voordracht 11

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com

GA 301: vertaling
inhoudsopgave;     voordracht:   [1]  [2]  [3]  [4]  [5]  [6]  [7]  [8]  [9]  [10]  [12]  [13]   [14]

RUDOLF STEINER:

DE VERNIEUWING VAN DE PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE KUNST DOOR GEESTESWETENSCHAP

14 voordrachten gehouden te Bazel van 20 april tot en met 11 mei 1920, met vragenbeantwoording en inleidende woorden bij twee euritmieopvoeringen [1]

11e voordracht Bazel, 6 mei 1920 [2]

Inhoudsopgave
Het ritmische element in de opvoeding:
Gevolgen van een te vroege oordeelsvorming
in onze tijd gevoel voor ritme verlorengegaan
wakker en dromen: element tekenen en muziek
inhoud van muziek het melodieuze
kinderziel beantwoordend droom- en muzikaal element
thematiek in de muziek als weg tot spreken
spreken en ritme
orthografie
luisteren
duidelijk spreken
natuurwetenschappelijk en geschiedenisonderwijs godsdienstonderwijs
vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school.

blz. 168

                       Das rhythmische Element in der Erziehung

Wenn wir uns noch einmal die drei wichtigen Abschnitte des Volks­schullebens vor Augen führen, so sind es diese: vom Eintritt in die Volksschule vom 6., 7. Lebensjahr bis zum 9.; vom 9. bis ungefähr 12. Jahre; und dann vom 12. bis ungefähr zu der Geschlechtsreife. Nun liegt die Sache so, daß dasjenige, was man menschliches Urteilsvermö­gen nennen könnte, selbständige Urteilsfähigkeit, eigentlich erst mit der vollen Geschlechtsreife im Menschen auftritt. Eine Art von Vor­bereitung findet allerdings in der menschlichen Natur auf diese Urteils-fähigkeit hin eben vom 12. Lebensjahre ab ungefähr statt. Deshalb ist dies vom 12. Lebensjahre ab eine Art von drittem Abschnitt der Volks-schulzeit, weil ja gewissermaßen schon hereinleuchtet dasjenige, was dann die Hauptsache in der menschlichen Wesenheit nach erlangter Geschlechtsreife ist, die selbständige Urteilsfähigkeit.

                             Het ritmische element in de opvoeding

Wanneer we nog een keer de drie belangrijke fasen van de basisschool onder het oog brengen, zijn het deze: het begin van de basisschool vanaf het 6e, 7e levensjaar tot het 9e; van het 9e tot ongeveer 12 jaar; en dan van 12 tot ongeveer de geslachtsrijpheid. Nu is het zo dat wat men het menselijk oordeelsvermogen zou kunnen noemen, eigenlijk pas met de volle geslachtsrijpheid in de mens verschijnt. Een soort voorbereiding op dit kunnen oordelen, vindt in de menselijke natuur echter ongeveer vanaf het 12 levensjaar plaats. Vandaar dat deze fase vanaf het 12e jaar een soort derde fase is van de basisschooltijd, omdat in zekere zin zich al aankondigt wat dan het belangrijkste in het mensenwezen is nadat de geslachtsrijpheid is bereikt: het zelfstandig kunnen oordelen.

Nun kann man ja, wie ich schon einmal bemerkte, dasjenige, was Geisteswissenschaft vertreten muß über gewisse Glieder der mensch­lichen Wesenheit, anfechtbar finden. Man kann sagen: Wozu unter­scheiden zwischen physischem Leib, Ätherleib, astralischem Leib und so weiter. Gewiß, wenn man bloß ein theoretisches Interesse an diesen Dingen hat, so wird dieses Interesse höchstens einmal einem Sen­sationsbedürfnis dienen können; aber man wird doch nicht sehr weit gehen können mit einem solchen Interesse. Anders ist es, wenn die Lebenspraxis ein solches Interesse herausfordert. Und das ist ganz ge­wiß der Fall in bezug auf die pädagogische Kunst. Denn jedesmal, wenn ein solcher Lebensabschnitt im menschlichen Gesamtleben auf­tritt, wird eigentlich aus der menschlichen Natur heraus richtig etwas geboren. Jch mußte ja darauf aufmerksam machen, wie dieselben Kräfte, die mit dem 7. Jahre, also mit der Volksschulzeit auftreten als Erinnerungskräfte, Gedankenkräfte und so weiter, gearbeitet haben am menschlichen Organismus bis zum 7. Jahre, so daß der stärkste

Nu kun je, zoals ik al eens opmerkte, het standpunt dat de geesteswetenschap inneemt waar het gaat om bepaalde delen van het mensenwezen, aanvechten. Je kan zeggen: waarom zou je een onderscheid maken tussen fysiek lichaam, etherlijf, astraallijf enz. Zeker, wanneer je alleen theoretisch in die dingen geïnteresseerd bent, zal deze interesse hoogstens een keer als een bepaalde behoefte aan sensatie kunnen dienen; maar met zo’n interesse kom je niet erg ver. Anders is het, wanneer de praktijk van het leven zo’n interesse vraagt. En dat is zeer zeker het geval m.b.t. de pedagogische kunst. Want iedere keer als zo’n levensfase in het totale leven van de mens verschijnt, wordt er eigenlijk uit de menselijke natuur iets geboren. Ik moest er op wijzen hoe dezelfde krachten die met het 7e jaar, dus in de basisschoolleeftijd zich voordoen als herinneringskrachten, gedachtekrachten enz. aan het menselijk organisme hebben gewerkt tot het 7e jaar, zodat de krachtigste uitdrukking

blz. 169

Ausdruck dieses Arbeitens das Erscheinen der zweiten Zähne ist. Ge­wissermaßen im Organismus arbeiten die Kräfte, um die es sich später handelt in der Volksschulzeit, als Vorstellungskräfte; im Organismus wirken sie in der menschlichen Natur verborgen; dann werden sie be­freit, werden selbständig, und diese Kräfte, die da selbständig werden, die nennen wir die Kräfte des Ätherleibes. Wiederum mit der Ge­schlechtsreife werden andere Kräfte selbständig, die uns in die Außen­welt in der mannigfaltigsten Weise einführen. Aber in dem System dieser Kräfte ist zugleich enthalten das menschliche selbständige Ur­teilsvermögen. So daß wir sagen können: der eigentliche Träger des menschlichen Urteilsvermögens, dasjenige im Menschen, was die Kräfte enthäh, die ein Urteil hervorbringen, das wird im Menschen im Grunde genommen erst mit der Geschlechtsreife geboren und bereitet sich lang­sam zur Geburt vor vom 12. Jahre ab.
Wenn man dies weiß und richtig würdigen kann, dann ist man sich auch bewußt, welche Verantwortung man übernimmt, wenn man den Menschen zu früh an selbständiges Urteil gewöhnt. 

van deze activiteit het verschijnen van de vaste tanden is. In het organisme werken in zekere zin deze krachten waarom het later in de basisschool gaat, als voorstellingskrachten; in het organisme zijn ze in het verborgene actief; dan komen ze vrij, worden zelfstandig en deze zelfstandig geworden krachten noemen we de krachten van het etherlijf. En met de geslachtsrijpheid worden weer andere krachten zelfstandig die ons op velerlei manieren onze intrede in de buitenwereld laten doen. Maar in dit krachtensysteem zit tegelijkertijd het vermogen van de mens om zelfstandig te oordelen. Zodat we kunnen zeggen: de eigenlijke drager van het menselijke oordeelsvermogen, wat in de mens de kracht in zich heeft een oordeel te vellen, wordt basaal gesproken pas met de geslachtsrijpheid geboren en bereidt zich daar langzaam op voor vanaf het 12e jaar.
Wanneer je dit weet en naar waarde weet te schatten, ben je je ook bewust, welke verantwoording je op je neemt, wanneer je een mens te vroeg zelfstandig laat oordelen. In dit opzicht heersen er, vooral tegenwoordig, de meest funeste vooroordelen: men zou het liefst de mens zo vroeg mogelijk willen laten wennen aan zelfstandig oordelen.

Wir haben gesagt: der Mensch ist so zu halten bis zur Geschlechts-reife, daß er unter dem Einfluß der Autorität steht, daß er anerkennt irgend etwas deshalb, weil es die selbstverständlich neben ihm wir­kende Autorität eben gebietet, eben so will. Wenn wir das Kind ge­wöhnen, in der richtigen Weise zu uns als Lehrer, als Erzieher zu ste­hen und hinzunehmen die Wahrheit, weil wir sie als Autorität ver­treten, gerade dann bereiten wir das Kind in der richtigen Weise vor, später im Leben ein freies, ein selbständiges Urteil haben zu können. Wollen wir nicht als selbstverständliche Autorität neben dem Kinde stehen, wollen wir gewissermaßen verschwinden, und fordern alles der kindlichen Natur ab, dann bearbeiten wir dieses Kind so, daß wir seine Urteilsfähigkeit zu früh herausfordern, ehe das, was wir also astra­lischen Leib nennen, mit der Geschlechtsreife erst selbständig frei er­scheint; wir bearbeiten das, was wir so astralischen Leib nennen, indem es noch in der physischen Natur des Kindes drinnen wirkt. Dadurch prägen wir dem Kinde, wenn ich mich jetzt so ausdrücken darf, in sein Fleisch ein dasjenige, was wir ihm nur einprägen sollten in seine Seele. Dadurch aber bereiten wir in dem Kinde etwas vor, was sein

We hebben gezegd: we moeten ons zo op de mens richten tot aan zijn puberteit dat hij de invloed van de autoriteit ondergaat, dat hij iets accepteert, omdat de vanzelfsprekend naast hem werkende autoriteit dat nu eenmaal verlangt, wil hebben. Wanneer wij het kind vertrouwd maken met op een juiste wijze t.o.v. ons als leraar, als opvoeder te staan en de waarheid te accepteren omdat wij die als autoriteit vertegenwoordigen, juist dan bereiden wij het kind op de juiste manier voor, later in het leven een vrij, een zelfstandig oordeel te kunnen hebben. Willen wij niet als vanzelfsprekende autoriteit naast het kind staan, willen we in zekere zin verdwijnen en verlangen we alles van de kinderlijke natuur, dan beïnvloeden we dit kind zo, dat wij zijn oordeelskracht te vroeg opeisen, vóór wat wij astraallijf noemen, met de geslachtsrijpheid pas zelfstandig vrij wordt; we beïnvloeden dan wat we astraallijf noemen als het nog in de fysieke natuur van het kind actief is. Daardoor laten we bij het kind iets – als ik me zo mag uitdrukken – in zijn vlees achter, terwijl we dat achter zouden moeten laten in zijn ziel. Daardoor echter leggen we in het kind iets wat hij voor zijn

blz. 170

ganzes Leben als ein Schädling in ihm leben wird. Denn es ist etwas ganz anderes, ob wir zum freien Urteil, nachdem wir gut vorbereitet sind, im 14., 15. Jahre heranreifen, wo der astralische Leib, der der Träger des Urteils sein kann, frei geworden ist, oder ob wir früher herangezogen werden zum sogenannten selbständigen Urteil. Im letz­ten Fall wird nicht unser Astralisches, das heißt unser Seelisches, herangezogen zum selbständigen Urteil, sondern da wird unser Leib herangezogen. Unser Leib aber wird herangezogen mit allen seinen naturgemäßen Eigenschaften, mit seinem Temperamente, mit seiner Blutbeschaffenheit, mit alledem, was in ihm Sympathie und Antipathie hervorruft, mit alledem, was ihm keine Objektivität gibt. Mit anderen Worten, wenn das Kind zwischen dem 7. und 14. Jahre schon selb­ständig urteilen soll, so urteilt es aus demjenigen Teil der Menschen­natur heraus, der später niemals wiederum abgestreift werden kann, wenn wir nicht dafür sorgen, daß er selber in naturgemäßer Weise in der Volksschulzeit versorgt wird, nämlich durch Autorität. Lassen wir zu früh urteilen, so urteilt der Leib das ganze Leben hindurch. Dann bleiben wir ein schwankender Mensch in unserem Urteil, der abhängig ist von seinem Temperament, von allem möglichen in seinem Leibe. 

hele leven als een schadelijk element met zich meedraagt. Want het is iets heel anders of wij op ons 14e of 15e jaar een vrij oordeel kunnen ontwikkkelen na een goede voorbereiding waarbij het astraallijf dat de drager van het oordeel kan zijn, vrij is geworden, of dat we eerder tot het zogenaamde zelfstandige oordelen zijn gebracht. In het laatste geval wordt niet ons astraallijf, d.w.z. onze ziel tot zelfstandig oordelen gebracht, maar ons lichaam. Maar ons lichaam echter ontwikkelt zich met alle eigenschappen die het van nature heeft, met zijn temperament, met de eigenschappen van het bloed, met alles wat in hem sympathie en antipathie oproept, met alles wat niet ín staat voor objectiviteit. Met andere woorden, wanneer het kind tussen het 7e en het 14e jaar al zelfstandig moet oordelen, dan oordeelt het uit dat deel van de mens waar hij zich later nooit meer van kan bevrijden, wanneer wij er niet voor zorgen dat hij zelf op een natuurlijke manier in de basisschoolleeftijd geholpen wordt, namelijk door autoriteit. Laten we te vroeg oordelen, dan oordeelt het lichaam, het hele verdere leven. Dan blijven we een aarzelend mens in ons oordeel, dat afhankelijk is van zijn temperament en wat al niet in zijn lichaam.

Werden wir so vorbereitet, wie es der Natur unseres Leibes entspricht, wie der Leib es fordert durch seine eigene Natur, werden wir zur rech­ten Zeit in Anlehnung an die Autorität erzogen, dann wird in der richtigen Weise frei dasjenige, was urteilen soll in uns, dann werden wir später auch im Leben ein objektives Urteil gewinnen können. So ist die beste Vorbereitung zur selbständigen, freien menschlichen Per­sönlichkeit die, wenn wir das Kind nicht zu früh zu dieser freien Persönlichkeit bringen, sondern im rechten Lebensalter.
Das ist eines von den Dingen, die viel verderben können, wenn sie nicht in der rechten Weise gerade in der pädagogischen Kunst an­gewendet werden. In unserer Zeit ist es nun eigentlich recht schwierig, auf dieses alles intensiv genug aufmerksam zu machen. Sie werden finden, wenn Sie über diesen Gegenstand, wie ich selbst hier spreche, zur heutigen Außenwelt sprechen, zu denjenigen, die ganz und gar unvorbereitet sind und auch keinen guten Willen mitbringen, daß Sie heute sehr, sehr werden vor tauben Ohren predigen. Wir leben eben einmal viel mehr, als wir es denken, im Zeitalter des Materialismus. Und dieses Zeitalter des Materialismus, es sollte eigentlich genau ge­kannt sein gerade von den Pädagogen. Der Pädagoge sollte sich genau

Worden we zo voorbereid dat het in overeenstemming is met de aard van ons lichaam, zoals het lichaam het vraagt vanuit zijn eigen natuur, worden we op de juiste tijd opgevoed met naast ons een autoriteit, dan komt op de juiste manier vrij wat er in ons moet oordelen, dan zullen we later ook in het leven een objectief oordeel kunnen krijgen. Dus is de beste voorbereiding voor een zelfstandige, vrije menselijke persoonlijkheid er een waarin het kind niet te vroeg deze vrije persoonlijkheid wordt, maar op de juiste leeftijd.
Dat is een van de dingen die veel verpesten kan, als die niet op de juiste manier, juist in de pedagogische kunst, toegepast wordt. In onze tijd is het eigenlijk heel moeilijk op dit alles krachtig genoeg te hameren. U zal zien dat wanneer u over dit onderwerp, zoals ik hier spreek, tegen de buitenwereld spreekt, tot degenen die helemaal niet voorbereid zijn en geen goede wil meebrengen, dat u heel erg tegen dovemansoren zal spreken. We leven nu eenmaal veel meer dan we denken in het tijdperk van het materialisme, dat moet eigenlijk onder pedagogen nu juist heel duidelijk zijn. De pedagoog moet zich precies

blz. 171

bewußt sein, wie viel Materialismus in unserer ganzen Zeitkultur, namentlich aber in unserer Zeitgesinnung, schäumt.
Ich möchte von einer ganz anderen Seite her einmal das, was ich eben ausgesprochen habe, charakterisieren. Es ist etwas Eigentümliches in der neueren europäischen Zivilisation, daß etwa um das Jahr 1850, ohne daß es eigentlich sehr deutlich bemerkt worden ist, verloren­gegangen ist in großem Ausmaße das unmittelbare, elementare Gefühl für Rhythmus. Deshalb haben wir jetzt, wo die Menschen schon wie­derum ein paar Generationen über den Zeitpunkt hinaus sind, in dem dieses Gefühl für Rhythmus verlorengegangen ist, gar kein Bewußt­sein davon, was das gerade in der Kindererziehung eigentlich bedeutet, daß unserm Zeitalter so sehr das Gefühl für Rhythmus mangelt. Da muß man, um das einzusehen, folgendes ins Auge fassen:
Der Mensch wechselt in seinem Leben täglich zwischen Schlafen und Wachen. Den sogenannten Wachzustand glaubt der Mensch gut zu kennen, denn er ist dann seiner selbst bewußt. Er erlangt durch seine Sinnesempfindungen ein Bewußtsein der Außenwelt. Kurz, den Wach-zustand glaubt der Mensch zu kennen. Den Zustand vom Einschlafen bis zum Aufwachen, den kennt ja der Mensch nicht. 

bewust zijn hoeveel materialisme in ons hele cultuurtijdperk rondwaart, met name in wat de overtuiging is van onze tijd.
Ik zou nu vanuit een heel andere kant eens willen karakteriseren wat ik net uitgesproken heb. Er is iets merkwaardigs in de nieuwe Europese beschaving dat ongeveer rond het jaar 1850, zonder dat het eigenlijk echt werd opgemerkt, het directe, elementaire gevoel voor ritme op grote schaal verloren is gegaan. Daarom hebben we nu, nu de mensen al weer een paar generaties verder zijn dan dit tijdstip waarop dit gevoel verloren is gegaan, helemaal geen besef van wat het in de opvoeding van het kind eigenlijk betekent, dat onze tijd zo’n groot gebrek aan gevoel voor ritme heeft. Je moet om dit in te zien, het volgende in de gaten hebben:
De mens wisselt in zijn leven dagelijks tussen slapen en wakker-zijn. De mens denkt de zogenaamde waaktoestand goed te kennen, want dan is hij zichzelf bewust. Hij krijgt door de waarnemingen van zijn zintuigen bewustzijn van de buitenwereld. Kortom, de mens denkt de periode van wakker-zijn te kennen. De toestand van inslapen tot wakker worden kent de mens niet.

Er hat ja in un­serem heutigen normalen Leben kein Bewußtsein seiner selbst. Er hat auch nicht viel unmittelbar bewußte Wahrnehmungen der Außenwelt. Das ist also ein Zustand, der sich in das Leben hineinstellt wie ein unbewußter Zustand. Wir werden nur leicht eine Vorstellung gewin­nen können von dem Zusammenwirken des Lebens in diesen zwei Zu­ständen, wenn wir auf zwei polarische Gegensätze hinweisen, die eben auch eine große Bedeutung für die ganze Erziehungskunst im mensch­lichen Leben haben. Es handelt sich um das Zeichnerische und das Musikalische, zwei Gegensätze, die wir schon erwähnt haben, und die wir heute von einem besonderen Gesichtspunkte aus noch einmal be­trachten wollen.
Fassen wir das Zeichnerische ins Auge, zu dem ich jetzt auch das Malerische, das Plastische rechne. Erinnern wir uns dabei an alles, was wir in bezug auf das Zeichnerische schon vom Beginn der Volksschul­zeit an für das Kind als notwendig erachtet haben. Was zeigt uns das Zeichnerische? Es zeigt uns, daß der Mensch diejenige Form, die er in der Außenwelt wiederfindet, aus seiner eigenen Natur heraus formt. Ich habe darauf aufmerksam gemacht, daß das Sich-Halten an das Modell nicht dasjenige ist, worauf es ankommt, sondern daß wir finden

Hij heeft in ons huidige normale leven geen bewustzijn van zichzelf. Hij heeft ook niet veel direct bewuste waarnemingen van de buitenwereld. Dat is dus een toestand die een onbewuste toestand blijkt te zijn. Nu zullen we makkelijk een voorstelling kunnen ontwikkelen over dit samengaan van deze twee toestanden in het leven, wanneer we op twee grote polaire tegenstellingen wijzen die ook voor de hele opvoedkunst een grote betekenis hebben voor het menselijk leven. Het gaat om alles wat tekenen is en het muzikale, twee tegenstellingen die we al aangestipt hebben en die we vandaag van een bijzonder standpunt uit nog eens willen bekijken.
Kijken we naar alles wat tekenen is, waartoe ik nu ook het schilderen reken en het plastische. Laten we proberen ons alles te herinneren wat we, wat het tekenachtige betreft al vanaf het begin van de basisschool beschouwd hebben als iets noodzakelijks voor het kind. Wat zien we aan alles wat met het tekenen te maken heeft? Het laat ons zien dat de mens een vorm die hij terugvindt in de wereld, vanuit zijn eigen wezen vormt. Ik heb erop gewezen dat het er niet op aankomt je te houden aan een voorbeeld, maar dat we

blz. 172

müssen aus unserer eigenen Natur heraus ein Gefühl, ein Empfinden für Form. Aber wir werden doch zuletzt gewahr werden, daß wir mit alledem, was wir im Zeichnen, im Malen, was wir überhaupt in all dem, was bildend im Raume ist, was von uns als Gestaltung im Raume bewirkt wird, in einem Elemente drinnen stehen, das uns im Wach­zustande in der Außenwelt umgibt. Wir zeichnen Linien, wir malen Farben, wir bilden Formen nach. Linien stellen sich uns dar, obwohl sie als solche nicht in der Natur vorhanden sind; aber sie stellen sich uns durch die Natur dar, Farben, Formen ebenfalls.
Fassen wir das andere Element ins Auge, das Musikalische, das ja auch die Sprache durchdringt, durchtönt. Da müssen wir sagen: im eigentlich Musikalischen haben wir nur einen Ausdruck der mensch­lichen Seele. Alles dasjenige, was zuletzt im Musikalischen zum Vor-scheine kommt, es hat ja nur im allerelementarsten ein solches Analo­gon in der äußeren Natur, wie das Plastische, wie das Bildnerische, wie das Zeichnerische. Es würde auch nicht möglich sein, in derselben Weise mit dem Musikalischen nur nachahmen zu wollen naturalistisch das Äußere, wie es möglich ist in einer Zeit, wo das Kunstgefühl für das Plastische oder Zeichnerische schwach ist, bloß das Äußere nachzu­ahmen.

vanuit onze eigen natuur een gevoel voor, een inleven in een vorm vinden. Maar uiteindelijk zullen we merken, dat we met alles wat we met tekenen, schilderen, en vooral met alles wat maar beeldend in de ruimte staat, wat door ons als vorm in de ruimte gebracht wordt, ons in een element bevinden, dat in een wakkere toestand zich om ons heen in de wereld bevindt. We tekenen lijnen, we schilderen kleuren, we maken vormen na. Er verschijnen lijnen, hoewel die als zodanig in de natuur niet voorkomen; ze ontstaan door de natuur, kleuren, vormen eveneens.
Nemen we het andere element, het muzikale, dat gaat ook tot in de spraak, klinkt daar in door. We moeten zeggen: in wat in feite muziek is, hebben we slechts een uitdrukking van de menselijke ziel. Alles wat tenslotte in het muzikale tevoorschijn komt, heeft slechts op het allerelementairste niveau zo’n analoog iets in de natuur als het plastische, het beeldende, en het tekenachtige. Het zou ook niet mogelijk zijn op dezelfde manier met iets muzikaals naturalistisch het uiterlijke na te bootsen, zoals dat in onze tijd waarin het kunstgevoel voor het beeldende en het grafische zwak is, mogelijk is alleen door het uiterlijke na te maken.

Und dennoch, hat denn die Musik keinen Inhalt? Die Musik hat ihren Inhalt. Der Inhalt des Musikalischen, er ist ja im wesent­lichen das melodiöse Element der Musik. In Wahrheit ist das melodiöse Element der Inhalt der Musik. Melodien müssen einem einfallen. Wenn gegenwärtig von vielen Seiten her weniger Wert auf das melodiöse Element gelegt wird, so ist das eben auch nichts anderes als ein Charak­teristikon des materialistischen Zeitalters. Es fällt den Leuten eben nicht genug ein. Das eigentlich melodiöse Element ist der Inhalt des Musikalischen. Woher stammt das melodiöse Element? Das melodiöse Element ist gut zu vergleichen dem plastischen Element. Nicht wahr, das plastische Element ist räumlich angeordnet, das melodiöse Element ist zeitlich angeordnet. Aber wer ein reges Gefühl für diese zeitliche Orientierung hat, der wird darauf kommen, daß im melodiösen Ele­ment eine Art zeitlicher Plastik enthalten ist. Das melodiöse Element entspricht in einer gewissen Weise dem, was Plastik der Außenwelt ist.
Nun gehen wir an etwas anderes. Sie alle kennen jenes flüchtige Ele­ment unseres Seelenlebens, das in dem Traum zutage tritt. Träume sollte man insbesondere bei der kindlichen Welt ins Auge fassen. Man sollte in einer gewissen Weise als Lehrer auch mit der Art des Träumens

Maar, heeft muziek dan geen inhoud? Muziek heeft haar inhoud. De inhoud van het muzikale is in wezen het melodieuze element van de muziek. In waarheid is het melodieuze element de inhoud van de muziek. Melodieën moeten je invallen. Wanneer men tegenwoordig weinig waarde aan het melodieuze element hecht, dan is dat toch niets anders dan een karaktertrek van het materialisme.
Maar de mensen komen er te weinig op. Het eigenlijke melodieuze element is de inhoud van het muzikale. Waar komt dit melodieuze element vandaan? Het melodieuze element kun je goed vergelijken met het plastische. [ een plastiek, een (gebeeldhouwd beeld). Niet waar, het plastische is in de ruimte geordend, het melodieuze element in de tijd. Maar wie een fijn gevoel heeft voor die oriëntering in de tijd, komt erop, dat in het melodieuze element een soort tijdsplastiek zit. Het melodieuze element komt op een bepaalde manier overeen met wat plastiek in de buitenwereld is.
Nu gaan we naar wat anders. U kent allemaal dat vluchtige element van ons zielenleven dat we in de droom hebben. Dromen moet je vooral in de wereld van het kind in het oog vatten. Je moet op een bepaalde manier als leerkracht ook met de soort dromen bekend zijn,

b;z. 173

seiner Schüler bekannt sein. Davon werden wir noch sprechen; aber jetzt will ich nur im allgemeinen darauf hinweisen, daß ja jeder Mensch kennt dieses flüchtige Element des Traumes. Wenn man sich sachgemäß mit diesem Element des Traumes befaßt, dann gelangt man allmählich zu anderen Ansichten als die populären, die laienhaften, über den Traum sind. Die laienhaften Ansichten über den Traum nehmen den Inhalt des Traumes; denn das interessiert den Laien besonders, was der Inhalt des Traumes ist. Sobald man sich sachgemäß mit dieser wunder­baren, mysteriösen Traumwelt beschäftigt, wird die Sache anders. Da erzählt einem ein Mensch folgenden Traum. Ja, ich stieg einen Berg-hang hinauf; gerade bevor ich zum Gipfel kommen sollte, da war ein Hindernis, das konnte ich nicht überwinden. Ich konnte den Gipfel nicht erreichen. Ich versuchte das Hindernis zu überwinden, da stellten sich mir böse, feindliche Tiere, dämonisch aussehende Gestalten ent­gegen. – So etwas beschreibt einem ein Mensch. Ein anderer Mensch be­schreibt einem Folgendes. Er sagt: Ich ging einen Weg, da kam ich an eine Höhle; in die Höhle ging ich hinein. Da wurde es plötzlich finster, ich konnte nicht weiter. 

van je leerlingen. Daarover zullen we nog spreken; maar nu wil ik er in het algemeen op wijzen, dat ieder mens dit vluchtige element van de droom wel kent. Wanneer je ter zake je met dit element van de droom bezighoudt, krijg je langzamerhand ook andere opvattingen dan de populaire, amateuristische over de droom. De amateuristische opvattingen gaan over de inhoud van de droom; want dat interesseert de leek in het bijzonder, deze inhoud. Zodra je je adequaat bezighoudt met deze wonderbaarlijke, mysterieuze droomwereld, wordt de zaak anders. Iemand vertelt je een droom. Ik besteeg een berg; net voor ik de top zou bereiken, was er een hindernis die ik niet kon overwinnen. Ik kon de top niet bereiken. Ik probeerde de hindernis te nemen, toen boze, vijandelijke dieren, duivels uitziende dieren mij tegemoetkwamen. – Dit beschrijft een mens. Een ander beschrijft het volgende: Hij zegt: ik liep over een weg, toen ik bij een grot kwam. Ik ging de grot binnen. Toen werd het plotseling donker, ik kon niet verder. Toen kwam ik allerlei hindernissen tegen. Ik kwam niet verder, ik bereikte mijn doel niet. –

Und eine dritte, eine vierte Art kann noch erzählt werden. Die Bilder sind ganz verschieden. Der eine träumt von einem Anstieg an einen Berg, der andere von Hineingehen in eine Höhle, der dritte wieder von etwas anderem, denn es kommt auf die Bilder gar nicht an. Die Bilder sind etwas rein in den Traum Hineingewobenes. Das, worauf es ankommt, das ist, daß der Mensch eine Spannung erlebt, in die er allmählich hin-eingeht, und die er zunächst nicht lösen kann, die sich erst im Auf­wachen etwa löst. Dieses einer Spannung entgegengehen, dieses Auf­treten der Spannung, dieses Beklommenwerden, das ist es, was in den verschiedensten Bildern zum Ausdrucke kommen kann.
Also darauf kommt es an, daß der Mensch im Traume auf- und ab­steigende Spannungen, Lösungen, Erwartungen, Enttäuschungen erlebt, kurz, daß er innere Seelenzustände erlebt, die sich in den mannigfaltig­sten Bildern aussprechen können. Die Bilder sind gleichartig anschwel­lend und absteigend. Der Seelenzustand ist das Wesentliche, denn das hängt zusammen mit der ganzen Verfassung der Seele. Ob einer diese oder jene Bilder erlebt hat in der Nacht, das ist gleichgültig. Ob einer zuerst eine Spannung und dann eine Lösung, oder zuerst eine Erwar­tung und dann eine Enttäuschung erlebt hat, das ist nicht gleichgültig,

Dit kan nog op een derde of vierde manier verteld worden. De beelden zijn heel verschillend. De een droomt over een beklimming een berg op, de ander over het binnengaan van een grot, de derde weer over iets anders, want op de beelden komt het volstrekt niet aan. De beelden zijn weer in de droom meegeweven. Waarop het aankomt is, dat de mens een spanning ervaart waarin hij langzamerhand terechtkomt en waarvan hij zich niet bevrijden kan, dat gebeurt pas bij het wakker worden. Dit tegemoet gaan van een spanning, het verschijnen van de spanning, dit benauwd krijgen kan in de meest verschillende beelden tot uitdrukking komen.
Dus daar gaat het om, dat de mens in de droom toenemende en afnemende spanning, ontspanning, verwachtingen en teleurstellingen beleeft, kortom, dat hij innerlijke gevoelstoestanden beleeft die zich in de meest uiteenlopende beelden uitdrukken. De beelden worden op eenzelfde manier sterker en zwakker. De toestand van de ziel is het wezenlijke, want die hangt samen met de totale zielengesteldheid. Of iemand nu ’s nachts deze of die beelden beleeft, dat is om het even. Of iemand eerst in spanning zit die zich dan oplost of eerst een verwachting heeft en daarna teleurgesteld is, dat is niet om het even,

blz. 174

denn davon hängt zuweilen sein ganzes Befinden am nächsten Tage ab. Oder es zeigt solch ein Traum, in welcher allgemeinen Seelen­stimmung ein Mensch infolge von Schicksalserlebnissen ist und so weiter. Ich möchte sagen, die auf- und absteigende Kurve, die ist es, auf die es ankommt. Was da erscheint, was zum Bilde wird gerade an der Grenze des Aufwachens, das ist nur ein Gewand, das der Traum um sich webt. Aber wenn wir jetzt hineinschauen in dieses Traum-leben, wenn wir die Frage aufwerfen: Was erlebt denn der Mensch bis zum Aufwachen hin? – dann sagen wir uns: Ja, bis zum Aufwachen hin erlebt er dieses Anschwellen von Gefühlen, Absteigen von Gefüh­len, dann im Momente des Aufwachens kleidet sich ihm das in die entsprechenden Bilder hinein. Natürlich, man kann das, ich möchte sagen, an jedem charakteristischen Traum wahrnehmen. Ich will Ihnen einen charakteristischen Traum erzählen:
Ein Student steht an der Tür des Hörsaales. Er träumt, wie ein an­derer Student auf ihn zukommt, ihn so stark beschimpft, daß, wie es unter Studenten selbstverständlich ist, eine Duellforderung daraus wird – träumt, wie die Sekundanten gewählt werden, wie sie in den Wald hinausgehen, wie alles vorbereitet wird.

want daarvan hangt soms af hoe hij zich de volgende dag voelt. Of er is een droom waarin een mens een meer algemene zielenstemming heeft als gevolg van lotsbelevenissen enz. Ik zou willen zeggen dat het gaat om de oplopende en aflopende lijn. Wat zich voordoet, wat beeld word,t juist wanneer je wakker begint te worden, is alleen maar het kleed waarmee de droom zich omhult. Maar als we in die droomwereld kijken, als we de vraag stellen: wat beleeft een mens dan tot hij wakker wordt, moeten we zeggen: tot het ogenblik van wakker worden beleeft hij dit sterker worden van de gevoelens en het weer zwakker worden, en op het ogenblik van wakker worden, wordt daarvan een beeld gemaakt dat er bij past. Natuurlijk kun je dat aan iedere karakteristieke droom waarnemen. Ik wil u een karakteristieke droom vertellen:
Een student staat bij de deur van de collegezaal. Hij droomt dat er een andere student op hem afkomt, die heftig tegen hem begint te schelden, zo, dat is onder studenten gebruikelijk, dat  er een uitdaging voor een duel op volgt – hij droomt dat de secondanten worden gekozen, hoe ze naar het bos gaan, hoe alles wordt voorbereid.

Erster Schuß – den hört er noch, er wacht auf -, er hat den Stuhl umgestoßen, der an seinem Bette stand; das war der Schuß. Das war das einzige äußere Ereignis. Also die ganze Bilderwelt des Traumes ist in diesem Momente durch seinen Kopf geschossen. Dasjenige aber, was sich mit diesen Bildern umkleidet, das ist ein dauernder seelischer Zustand.
Nun vergleichen Sie einmal ernsthaftig dasjenige, was da zugrunde liegt dem Träumen, dieses Anschwellen, Abtönen der Gefühle, dieses Spannen, Lösen vielleicht oder das Hinneigen zu irgend etwas, was dann in eine Kalamität hineinführt und so weiter. Vergleichen Sie das ganz ernsthaft mit dem, was zugrunde liegt dem musikalischen Ele­mente, dann werden Sie in den Traumbildern nur etwas Unregelmäßi­ges haben; in dem Musikalischen haben Sie dasjenige, was ganz in der gleichen Art dieses Anschwellen, Abtönen und so weiter darstellt. Und wenn Sie diesen Forschungsweg verfolgen, dann werden Sie finden:
Plastik, Zeichnungen, das ahmt nach die Form, in die wir uns einleben vom Aufwachen bis zum Einschlafen im Tageszustand. Melodien als dasjenige, was mit dem Musikalischen zusammenhängt, die geben uns die Erlebnisse des scheinbar ganz unbewußten Zustandes, die kommen als Reminiszenzen in unser Tagesleben hinein. Die Menschen wissen so

Eerste schot – dat hoort hij nog, hij wordt wakker -, hij heeft een stoel omgegooid die bij zijn bed stond; dat was het schot. Dat was het enige wat er gebeurde. Dus de hele beeldenwereld van de droom is op dit ogenblik door z’n hoofd gegaan. Maar wat zich met deze beelden omkleedt, is een voordtdurende gevoelstoestand.
Nu moet u dit eens serieus vergelijken met wat er ten grondslag ligt aan het dromen, aan dit aanzwellen, zwakker worden van de gevoelens, de spanning en ontspanning wellicht of de neiging tot iets wat dan in een ramp uitmondt enz. Vergelijkt u dat serieus met wat er ten grondslag ligt aan het muzikale element, dan zal u in de droombeelden iets onregelmatigs tegenkomen; in de muziek heb je precies hetzelfde met het aanzwellen en afnemen. En als je dit verder onderzoekt, zal je vinden: plastiek, tekeningen bootsen de vormen na waarin we ons inleven vanaf het wakker worden tot we gaan slapen overdag. Melodieën als datgeen wat met het muzikale samenhangt die ons iets laten beleven van schijnbaar heel onbewuste toestanden die als rest ons dagleven binnenkomen. De mensen

blz. 175

wenig von dem eigentlichen Ursprung der musikalischen Themen, weil sie das, was in den musikalischen Themen sich auslebt, in der Zeit vom Einschlafen bis zum Aufwachen erleben. Das ist für den Menschen heute als ein noch unbewußtes Element da, das sich nur verrät dann, wenn es sich im Traum zu Bildern formt. Aber dieses unbewußte Element, das im Traum waltet, das im musikalischen Elemente gerade im Melodiösen waltet, dieses unbewußte Element müssen wir gerade in der Unterrichtskunst aufnehmen, damit wir über den Materialismus auch durch die Erziehungskunst hinauskommen.
Wenn Sie nun den Geist des hier Vorgetragenen erfassen, so werden Sie sehen, wie überall versucht worden ist, dieses unbewußte Element aufzunehmen; erstens indem ich das künstlerische Element als notwen­dig bezeichnet habe gleich im Beginne der Volksschulzeit; zweitens in­dem ich auf so etwas insistiert habe, wie den Dialekt zu nehmen und einfach daraus die Grammatik zu enthüllen, die Sprache des Kindes überhaupt als etwas Fertiges zu nehmen und daran die Grammatik zu enthüllen. Bedenken Sie nur, was Sie da tun. In welchem Lebens­zustande wird denn eigentlich die Sprache gebildet? Versuchen Sie zu­rückzudenken, bis wieweit Sie sich erinnern in Ihrem Lebenslauf – es wird nichts in die Zeit hinaufgehen, wo Sie noch gar nicht haben spre­chen können.

weten zo weinig van de eigenlijke oorsprong van de muzikale thema’s, omdat ze wat er in die muzikale thema’s naar buiten komt, beleven in de tijd van inslapen tot wakker worden. Dat is voor de mens van nu nog een onbewust element, waar je alleen iets van merkt als het in de droom tot beeld wordt. Maar dit onbewuste element dat in de droom aanwezig is, dat in het muzikale met name in de melodieën aanwezig is, dit onbewuste element moeten we er juist in de onderwijskunst bij betrekken opdat we ook door de opvoedkunst verder komen dan het materialisme.
Wanneer u nu de teneur van deze voordrachten begrijpt, zal u zien hoe overal geprobeerd wordt dit onbewuste element erbij te betrekken; ten eerste toen ik het kunstzinnige element een noodzaak heb genoemd voor de basisschool, al vanaf het begin; ten tweede toen ik er nogal op stond het dialect te nemen om eenvoudig daaraan de grammatica duidelijk te maken, de taal van het kind natuurlijk als iets te nemen wat af is en daaraan dan de grammatica te verduidelijken. Bedenk dus maar, wat u doet. Op welke leeftijd ga je eigenlijk spreken? Probeer eens terug te denken tot wanneer je je in je leven gaat herinneren – van de tijd waarin je nog niet kon spreken, weet je niets meer.

Das Sprechen erlernt der Mensch zu der Zeit, wo er noch ins Leben herein schläft. Wenn Sie von diesem Gesichtspunkte aus ver­gleichen die eigentümliche träumerische Seelenwelt des Kindes mit dem Träumen und mit dem Weben des Musikalischen, Melodiösen, so be­kommen Sie ein Ähnliches. Sprechenlernen geschieht aus dem Unbe­wußten heraus, ist etwas wie ein Aufwachen aus einer Nacht; Träumen auch. Und Melodien, sie sind da, wir wissen nicht woher. In Wirklich­keit sind sie aus dem Schlafelement des Menschen heraus. In Wirklich­keit erleben wir die zeitliche Plastik vom Einschlafen bis zum Auf­wachen. Nur ist der Mensch auf der gegenwärtigen Stufe seiner Ent­wickelung nicht dazu angetan, diese zeitliche Plastik zu erleben. Wie man sie erlebt, wie sie Tatsache wird, das finden Sie geschildert in meinem Buche »Wie erlangt man Erkenntnisse höherer Welten?« Das gehört nicht zu der Pädagogik selber. Daraus aber werden Sie ersehen, wie notwendig es ist, dieses unbewußte Element, das in dem Mitwirken des Schlafzustandes des Kindes wurzelt, voll zu berücksichtigen. Be­rücksichtigt wird es ja gewiß, wenn wir im musikalischen Unterrichte vorzugsweise das Thematische bevorzugen, so daß wir das Musikalische,

Spreken leert de mens in de tijd waarin hij het leven nog verslaapt. Wanneer je vanuit dit standpunt die eigenaardige dromerige zielenwereld van het kind vergelijkt met de dromen en met wat het muzikale doet, het melodieuze, dan krijg je hetzelfde. Leren spreken gebeurt vanuit het onbewuste, het heeft iets van een wakker worden uit een nacht; dromen ook. En melodieën zijn er en we weten niet waarvandaan. In werkelijkheid komen ze uit het slaapelement van de mens. In werkelijkheid beleven we de plastiek van de tijd tussen inslapen en wakker worden. Alleen is de mens in zijn huidige ontwikkelingsfase nog niet in staat deze tijdsplastiek te beleven. Hoe je die beleeft, hoe ze een feit wordt, vindt u geschetst in mijn boek ‘Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden?’*[3] Dat behoort zelf niet tot de pedagogie. Maar u kunt eraan zien hoe nodig het is met dit onbewuste element dat in het meewerken van de slaaptoestand van het kind zijn oorsprong heeft, volledig rekening te houden. We houden er zeker rekening mee, wanneer we in het muziekonderwijs vooral de thematiek naar voren halen, zodat we het

*«Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten?» (1904): Bibl.-Nr. 10, Ge­samtausgabe Dornach 1975, 22. Auflage (auch als Taschenbuch tb 600, Dornach 1976 erschienen).

blz. 176

insofern es beim Kinde vorhanden ist, schon genau so zu ana­lysieren versuchen, wie das Sprachliche im Satze; mit anderen Worten, wenn wir das Kind sehr früh darauf führen, Thematisches im Musika­lischen zu erkennen, tatsächlich zu empfinden das melodiöse Element wie den Satz; hier fängt es an, hier hört es auf, hier schließt es sich an, hier ist ein Punkt, hier beginnt ein Neues. In dieser Beziehung ein noch nicht bis zur Realität des Inhaltes gekommenes Musikalisches zum Ver­stehen zu bringen, das wirkt Wunder für die Entwickelung des Kindes. Denn dadurch wird das Kind zurückgewiesen auf etwas, was nun auch in der Natur des Menschen ist, aber was fast nie gesehen wird.
Sehen Sie, was eine Melodie ist, wissen alle Menschen; was ein Satz ist, wissen sie auch. Daß aber ein Satz, der aus Subjekt, Prädikat, Objekt besteht, in Wirklichkeit im Unbewußten eine Melodie ist, das wissen eben die wenigsten Menschen. Geradeso, wie man sich vergegen­wärtigen kann, daß dasjenige, was als Anschwellen und Abklingen der Gefühle als Gefühlskurve erlebt wird im Schlafe, sich heraufbegibt ins Bewußtsein, sich umkleidet mit dem Bilde, so erleben wir in den Tiefen unseres Wesens den Satz musikalisch.

het muzikale, voor zover dat bij het kind aanwezig is, net zo precies proberen te analyseren als de taal in de zin; m.a.w., wanneer we het kind er zeer vroeg toe brengen om de thema’s in de muziek te leren kennen, werkelijk te voelen, zoals in de zin het melodieuze element: hier begint het, hier eindigt het, hier sluit het aan, hier is een punt, hier begint een nieuwe. In dit verband het muzikale te leren begrijpen dat nog niet tot een werkelijke inhoud is gekomen, doet wonderen voor de ontwikkeling van het kind. Want daardoor wordt het kind teruggewezen op iets wat in de natuur van de mens zit, maar bijna nooit gezien wordt.
Wat een melodie is weten alle mensen; wat een zin is ook. Dat een zin die echter uit onderwerp, gezegde en voorwerp bestaat, in werkelijkheid in het onbewuste een melodie is, dat weten zeer weinig mensen. Net zoals je je kunt voorstellen, dat wat als sterker en zwakker worden van gevoelens als gevoelscurve wordt beleefd in de slaap, in het bewustzijn komt, zich in een beeld hult, zo beleven we in de diepte van ons wezen de zin muzikaal.

 Und indem wir uns an die Außenwelt anpassen, umkleiden wir das musikalisch empfundene mit dem, was plastisches Bild ist. »Das Kind schreibt die Aufgabe« – Sub­jekt – Prädikat – Objekt. Im Innersten des Menschen wird empfunden ein Dreiklang. Dasjenige, was innerlichst empfunden wird, ist ein Dreiklang. Dieser Dreiklang, der wird angewendet, indem man den ersten Ton gewissermaßen hinausprojiziert auf das Kind, den zweiten Ton hinprojiziert auf das Schreiben, den dritten Ton hinprojiziert auf die Aufgabe. Und so wie diese drei empfunden werden und sich dann umkleiden mit den Bildern, die aber jetzt der Realität entsprechen
– nicht wie beim Traum empfunden wird -, so lebt in unserem Ober-bewußtsein der Satz, in unserem untersten Unterbewußtsein ein Musi­kalisches, eine Melodie. Und sind wir uns dessen bewußt, daß wir eigentlich in dem Augenblicke, wo wir vom Sinnlichen ins Übersinn­liche kommen, abstreifen müssen den sinnlichen Inhalt und für den sinnlichen Inhalt dasjenige erleben, was uns gerade die Musik entzieht, das Thematische, das ja in seiner Gestaltung in Wirklichkeit im Schlafe erfahren wird; sind wir uns dessen bewußt, dann erst betrachten wir den Menschen wie eine Ganzheit. Dann werden wir erst gewahr, was es eigentlich bedeutet, wenn wir mit dem Kinde lebendig so Sprachlehre treiben, daß wir wenigstens noch eine Spur des melodiösen Elementes im

En als we ons aanpassen aan de buitenwereld, omkleden we wat we muzikaal beleefden met wat een plastisch beeld is. ‘Het kind schrijft de som’ – onderwerp – gezegde – voorwerp. Zeer innerlijk ervaart de mens een drieklank. Wat zeer diep beleefd wordt is een drieklank. Deze drieklank wordt gebruikt als je de eerste toon zogezegd op het kind richt, de tweede toon op het schrijven, de derde toon op de som. En zoals deze drie ervaren worden en zich dan in beelden hullen die echter overeenkomen met de werkelijkheid – niet zoals bij dromen wordt ervaren – zo leeft in ons bewustzijn de zin, diep in ons onderbewuste iets muzikaals, de melodie. En als we ons bewust zijn dat we eigenlijk op het ogenblik waarop wij van het zintuiglijke het bovenzintuiglijke bereiken, we de zintuiglijke inhoud moeten verwijderen en daarvoor in de plaats beleven wat de muziek nu juist van ons weghaalt, het thematische dat in zijn vorm in werkelijkheid in de slaap wordt beleefd; als we ons daarvan bewust zijn zie je de mens pas als een totaliteit. Dan pas worden we gewaar wat het eigenlijk betekent wanneer we met het kind de grammatica zo levendig oefenen, dat we op z’n minst nog een spoor van het melodieuze element in de zin

blz. 177

Satze zurücklassen, das heißt, daß wir nicht trocken prosaisch sprechen, sondern daß wir hier in dem Satze noch etwas Rezitatorisches haben, etwas Volltönendes haben, etwas von dem inneren melodiösen Ele­mente und auch von dem rhythmischen Elemente Nachklingendes haben.
Ungefähr um das Jahr 1850 ist das tiefere Gefühl der europäischen Menschheit für den Rhythmus verschwunden. Vorher hatte man noch in einer gewissen Beziehung das, wovon ich eben gesprochen habe. Wenn man gewisse Abhandlungen vornimmt, die dazumal erschienen sind über Musikalisches, über Gliederutig von musikalischen Themen bei Beethoven und anderen, wird man gewahr werden, wie dazumal gerade diejenigen, die musikalische Autoritäten genannt wurden, oft­mals in der unglaublichsten Weise zerschnitten und zerrissen haben das, was in den Dingen gelebt hat. Man wird sehen, wie das die Zeit des Tiefstandes war für das Erleben der Rhythmik.
Darauf mussen wir gerade als Pädagogen aufmerksam machen, weil von der Schule aus selbst der Satz wiederum zurückgeführt werden muß auf den Rhythmus. Wenn man dies ins Auge faßt, dann wird man auf die Fortdauer des künstlerischen Elementes im Unterrichte ein Augenmerk richten.

achterlaten, d.w.z  dat we niet droog prozaïsch spreken, maar dat we hier in de zin iets recitatiefs hebben, iets wat vol klinkt, iets hebben dat naklinkt van het innerlijk melodieuze element en ook van het ritmische element.
Ongeveer rond het jaar 1850 is het diepere gevoel van de Europese mensheid  voor het ritme verdwenen. Daarvoor had men er nog een ezkere relatie mee, waarover ik net heb gesproken.
Wanneer je verschillende artikelen bekijkt die toentertijd verschenen over muziek, indeling in muzikale thema’s bij Beethoven en anderen, zal je zien hoe juist toen degenen die op het gebied van muziek autoriteit genoemd werden, dikwijls op een ongelooflijke manier alles wat daarin aanzwezig was, uit elkaar gerafeld hebben. Je zal zien hoe dat de tijd was van het dieptepunt voor het beleven van de ritmiek,
Juist wij als pedagogen moeten dat zien, omdat door de school weer zin moet worden gegeven aan het ritme. Wanneer je dat onder ogen ziet, zal je aandacht schenken aan de continuïteit van het kunstzinnige element in het onderwijs.

Man wird das künstlerische Element nicht so bald wieder verschwinden lassen, auch wenn man genötigt ist, in das mehr Inhaltliche einzumünden.
Das hängt zusammen mit einer Frage, die mir gestern gestellt wor­den ist, und auf die ich in diesem Zusammenhange gut eingehen kann. Die Frage ist die: Warum gewisse Kinder, die es ungeheuer schwer haben, orthographisch zu schreiben, gar nicht zur Orthographie heran­gezogen werden können? Ja, wer die Orthographie Goethes oder ande­rer Größen studiert, der wird ganz merkwürdige Eindrücke bekom­men, denn da hapert es manchmal bei den Größen ganz merkwürdig in der Orthographie. Nun natürlich können wir uns in der Pädagogik nicht darauf einlassen, etwa zu sagen: Wir lassen den unorthographisch schreiben, denn wahrscheinlich ist er dann eine Größe, und da dürfen wir ihn nicht stören; wir müssen selbstverständlich die Sache so len­ken, daß wir auf das nicht Rücksicht nehmen. Und daher ist für uns nur die Frage zu beantworten: Was liegt denn eigentlich vor, wenn so recht unorthographisch geschrieben wird? Sie brauchen nur verglei­chend zu prüfen, und Sie werden sehen, daß das unorthographische Schreiben in der Regel darauf beruht – oder wenn es auf etwas anderem

Je zal het kunstzinnig element niet zo gauw meer loslaten, ook wanneer je genoodzaakt wordt, meer op de inhoud in te gaan.
Dat hangt samen met een vraag die me gisteren is gesteld en waarop ik in deze context goed kan ingaan. De vraag luidt:
Waarom bepaalde kinderen, die het buitengewoon moeilijk hebben, zonder fouten te schrijven, helemaal niet tot zonder fouten schrijven gebracht kunnen worden. Ja, wie de spelling van Goethe of andere grootheden bestudeert, die zal merkwaardige indrukken opdoen, want met de orthografie van de grootheden gaat het soms niet goed. Natuurlijk kunnen wij het in de pedagogiek niet maken, zoiets te zeggen als: die laten we maar spellingsfouten schrijven, want die is waarschijnlijk een grootheid en dan mogen we niet ingrijpen; we moeten vanzelfsprekend daar zo mee omgaan dat we daar niet naar kijken. En daarom hoeven we alleen de vraag maar te beantwoorden: hoe komt het eigenlijk wanneer er zoveel fouten worden geschreven? Je hoeft meer vergelijkend onderzoek te doen en je zal zien dat het schrijven van fouten in de regel berust op – of wanneer het op iets

blz. 178

beruht, so ist dieses andere damit sehr verwandt -, daß solche Kinder, die unorthographisch zu schreiben verurteilt sind, wenig Ohr in bezug auf richtiges musikalisches Hören, also Hören von richtig Ge­sprochenem haben. Derjenige schreibt unorthographisch, der nicht prä­zise hören gelernt hat, der nicht gelernt hat, genau ein Wort in seinem plastischen Umfange zu hören.
Das kann auf verschiedenen Tatsachen beruhen. Es kann zum Bei­spiel darauf beruhen, daß ein Kind aufwächst in einer Familie oder Umgebung, wo undeutlich gesprochen wird. Dann lernt das Kind nicht hören, dann wird es auch nicht orthographisch schreiben lernen, wenig­stens nicht leicht. Oder aber das Kind ist so veranlagt, daß es wenig Perzeption hat für das Gehörte. Das Kind hat nötig, aufmerksam dar­auf gemacht zu werden, daß es ordentlich zuhört. Aber manchmal ist
– es muß mir ein solch offenes Geständnis schon verziehen werden -der Lehrer selbst an der schlechten Orthographie des Kindes schuld. Der Lehrer sollte vor allem darauf sehen, sich selber einer ganz, vor allen Dingen deutlichen, aber auch plastischen Sprache zu bedienen. Er braucht ja nicht geradezu immerfort zu sagen, wie es manche Schau­spieler machen müssen, damit sie ordentlich Endsilben sprechen lernen, die meistens verschluckt werden: Freunderl, Mutterl. 

anders berust is dit andere daarmee toch zeer verwant -, dat kinderen die ertoe veroordeeld zijn fouten te schrijven, weinig oor hebben voor een goed muzikaal horen, dus voor wat op een goede manier gesproken wordt. Wie fouten schrijft, heeft niet precies leren luisteren, niet geleerd een woord precies in zijn plastische omvang te horen.
Dat kan verschillende oorzaken hebben. Het kan bijv. zijn dat een kind opgroeit in een familie of omgeving, waar onduidelijk wordt gesproken. Dan leert het kind niet luisteren, dan leert het ook niet foutloos schrijven, tenminste, niet zo makkelijk. Of wanneer het kind als aanleg weinig perceptievermogen heeft voor wat het moet horen. Het is nodig voor het kind dat het erop wordt gewezen goed te luisteren. Maar vaak is – excuses voor deze biecht – de leraar zelf de schuld aan de slechte orthografie van het kind. De leerkracht moet er vooral voor zorgen, dat hij zelf bij alles duidelijk spreekt, maar ook een plastische spraak. Hij hoeft natuurlijk niet meteen steeds te zeggen, zoals sommige toneelspelers het moeten doen opdat ze de eindlettergrepen leren spreken die meestal ingeslikt worden: [het Duits heeft: Freunderl, Mutterl]

Aber es ist not­wendig, daß der Lehrer sich gewöhnt, sich in jede Silbe wirklich sach­gemäß hineinzuleben, so daß von dem Lehrer selbst die Silben deutlich gesprochen werden, und das Kind öfter veranlaßt wird, genau in deut­licher, plastischer, die Silben vollendender Weise nachzusprechen. Wenn solches deutliches plastisches Sprechen geübt wird, dann wird man auch vieles erreichen, was in bezug auf das unorthographische Schreiben ge­wisser Kinder erreicht werden soll. Denn auch das hängt damit zusam­men: was aus dem Unbewußten, aus dem Traumelemente, aus dem Schlafelemente – und das Schlafelement ist ja einfach das unbewußte Element – herausgeholt werden soll, das soll man nicht wollen auf eine künstliche Weise dem Menschen einimpfen.
Und worauf beruht denn das Zuhören? Darauf geht man gewöhn­lich in der Psychologie nicht ein. Sehen Sie, wir schlafen abends ein, wachen des Morgens auf. Das wissen wir. Wir können es hinterher konstatieren, indem wir uns sagen: Da setzt in der nachherigen Erinne­rung unser Bewußtsein aus. Was mit uns vorgeht vom Einschlafen bis zum Aufwachen, das ist der äußeren Wissenschaft, derNicht-Geistes­wissenschaft, nicht bewußt. Aber die innere Seelenverfassung, die ist 

Maar nodig is wel, dat de leerkracht er een gewoonte van maakt zich bewust te zijn van iedere lettergreep, zodat die door de leerkracht duidelijk wordt uitgesproken en het kind vaker aangespoord wordt, precies op een duidelijke, gevormde manier de lettergrepen volledig uit te spreken. Wanneer een dergelijk gevormd spreken beoefend wordt, zal je ook veel bereiken van wat je met het orthografisch schrijven van kinderen moet bereiken. Want dat hangt ook hier mee samen: wat uit het onbewuste, uit het droomelement, uit het slaapelement – en het slaapelement is heel eenvoudig het onbewuste element – naar boven gehaald moet worden, moet je niet op een gekunstelde manier in de mens proppen
Waarop berust het luisteren? In de psychologie gaat men daar gewoonlijk niet op in. Kijk, ’s avond slapen we in, ’s morgens worden we wakker. Dat weten we. We kunnen het naderhand constateren als we zeggen: ons bewustzijn verdwijnt na de vorige herinnering. Van wat er met ons gebeurt van inslapen tot wakker worden, is de uiterlijke wetenschap, de niet-geesteswetenschap zich niet bewust. Maar hoe het innerlijk met de ziel is, is

blz. 179

keine andere, wenn Sie zuhören, als wenn Sie schlafen. Nur wechseln Sie da fortwährend zwischen Außer-sich-Sein und In-sich-Sein. Das ist außerordentlich bedeutsam, daß man sich dieser ondulierenden Tätig­keit des Seelenlebens bewußt werde: ich höre, da bin ich hingegeben an die Außenwelt; aber immer zwischen dem Hören habe ich Augenblicke, wo ich eigentlich in mir aufwache; und hätte ich sie nicht, so würde mir das Hören gar nichts helfen. Fortwährend findet im Zuhören, im Hin­schauen, Aufwachen, Einschlafen statt, auch wenn wir wachen. Es ist ein fortwährendes Ondulieren: Aufwachen, Einschlafen, Aufwachen, Einschlafen. Das heißt, schließlich beruht unser ganzer Umgang mit der Außenwelt auf dieser Fähigkeit, in das andere übergehen zu kön­nen, wenn ich es paradox ausdrücken darf: in das andere hineinschlafen zu können. Was ist es denn schließlich anders, einem Gespräche zu­hören, als in den Inhalt dieses Gespräches hineinzuschlafen? Und das Verstehen ist das aus diesem Gespräche Aufwachen. Nicht anders ist es. Das heißt aber, wir müssen versuchen, nicht aus dem Bewußtsein heraus dasjenige erreichen zu wollen, was eigentlich aus dem Unbe­wußten, aus dem Schlafen oder Träumen des Menschen herausgeholt werden soll.

wanneer we luisteren, niet anders als wanneer we slapen. Alleen wissel je voortdurend af tussen buiten jezelf zijn en in jezelf. Het is van buitengewone betekenis dat je je bewust wordt van deze afwisselende activiteit van de ziel: ik luister, dan richt ik me op de buitenwereld; maar steeds onder het luisteren is er een ogenblik waarop ik eigenlijk in me zelf wakker wordt; en als ik die niet zou hebben, zou luisteren helemaal niet helpen.Voortdurend vindt er in het luisteren, in het kijken, een wakker worden en een inslapen plaats, ook wanneer we wakker zijn. Er is een voortdurende afwisseling: wakker worden, inslapen, wakker worden, inslapen. Dat betekent, tenslotte berust heel onze omgang met de buitenwereld op het vermogen op dat andere over te kunnen gaan, wanner ik het paradoxaal uitdrukken mag: voor het andere in slaap te kunnen vallen. Wat is het uiteindelijk anders, naar een gesprek luisteren, dan voor de inhoud van dit gesprek in slaap vallen? En het begrijpen is wakker worden uit dit gesprek. Het is niets anders. Dat betekent echter dat we moeten proberen niet vanuit het bewustzijn te willen bereiken wat eigenlijk uit het onbewuste, uit de slaap of het dromen van de mens gehaald zou moeten worden.

Daher sollen wir auch nicht künstlich dem Menschen Orthographie beibringen, sondern Orthographie so beibringen, daß wir ihm das Wort richtig vorsprechen, ihn nachsprechen lassen und ihm so allmäh­lich zum Aufschreiben des richtig Gehörten verhelfen. Wir sollen ge­radezu voraussetzen: wird unorthographisch geschrieben, so wird un­richtig gehört. Und wir haben das Gehör zu unterstützen, nicht irgend etwas einzustellen, was mehr im vollen Bewußtsein ist als eben das Gehör.
Dies sollen wir auch berücksichtigen bei solchen Dingen, wie ich sie ja gestern erwähnt habe, beim musikalischen Unterricht. Wir dürfen nicht künstliche Methoden in die Schule hineinlassen, wo das Bewußt­sein malträtiert wird durch andere Mittel wie Atmungseinstellung und so weiter, während diese Atmungssachen kommen müssen von dem Zergliedern des Thematischen. Das Kind muß lernen, Melodienfolgen sachgemäß zu hören und muß sich anpassen können. Das muß ein un­bewußter Prozeß sein. Das muß mit Selbstverständlichkeit geschehen. Wie gesagt, die Steckenpferde können wir den Musiklehrern und -leh­rerinnen lassen für das spätere Alter, wenn weniger verdorben werden kann. Das Kind aber muß aus dem Unbewußten heraus in Anlehnung

Daarom moeten we de mens ook niet gekunsteld orthografie bijbrengen, maar dat zo doen, dat we hem het woord goed voorspreken, het hem na laten zeggen en hem langzamerhand helpen wat hij hoort, goed op te schrijven. We moeten wel vooropstellen: wanneer er fouten worden geschreven, luister je niet goed. En we moeten het luisteren ondersteunen, niet iets is er voor in de plaats te zetten  wat meer in het volle bewustzijn zit dan juist het gehoor.
Hiermee willen we ook rekening houden met zulke dingen zoals ik ze gisteren genoemd heb, bij het muziekonderwijs. We mogen geen gekunstelde methoden in de school halen, waarbij het bewustzijn geplaagd wordt door andere middelen zoals hoe je moet ademen enz, terwijl deze ademdingen moeten komen van het verdelen van het thematische. Het kind moet leren adequaat te luisteren naar het verloop van melodieën en daaraan moet het zich kunnen aanpassen. Dat moet een onbewust proces zijn. Dat moet vanzelfsprekend gaan.
Zoals gezegd, stokpaardjes kunnen we aan de muziekleraren overlaten voor een hogere leeftijd, wanneer er minder bedorven kan worden. Het kind echter, moet vanuit het onderbewuste

blz. 180

an die musikalische Analyse der Themata des melodiösen Elementes unterrichtet werden. Diese charakterisierten Methoden wirken gerade so schlimm, wie wenn ich beim Zeichnen anstatt ein Gefühl für eine Linie die Einstellung des Armes beibringen würde; ich würde dann sagen: ein Akanthusblatt, das wirst du dann zuwege bringen, wenn du dir angewöhnst, deinen Arm so und so zu stellen, ihn so und so zu führen. Das wäre das Analogon für die Methoden, die heute oftmals für das Musikalische figurieren. Durch allerlei Arten von Einstellungen und ähnliche Methoden wird nichts anderes getan, als daß man rein vom materialistischen Standpunkte aus den menschlichen Organismus eben als eine Maschine betrachtet, die man einzustellen hat, damit sie dies oder jenes richtig mache. Geht man vom geistigen Standpunkte aus, so geht man immer auf dem Umweg durch die Seele und läßt den Organismus sich angliedern an das richtig seelisch Empfundene.
Wir können sagen: Wenn wir das Kind im Zeichnerischen halten, dann geben wir ihm ein Verhältnis zur Umwelt. Wenn wir es im Musi­kalischen halten, geben wir ihm ein Verhältnis zu dem, was nicht unsere gewöhnliche Umwelt ist, was aber unsere Umwelt ist vom Ein­schlafen bis zum Aufwachen. 

geleerd worden door een muzikale analyse van de thema’s van het melodieuze element. Die gekarakteriseerde methoden werken juist zo verkeerd, zoals wanneer ik bij het tekenen in plaats van een gevoel voor een lijn de houding van de arm wil aanleren; ik zou dan zeggen: een acanthusblad krijg je wel getekend wanneer je er een gewoonte van maakt je arm zus of zo’n houding te geven, die zus of zo te bewegen. Dat zou hetzelfde zijn als in de methoden die tegenwoordig dikwijls gebruikt worden. Door allerlei soorten meningen en net zulke methoden wordt niets anders gedaan dat dat men puur vanuit materialistisch standpunt het menselijk organisme als een machine beschouwt, die je in moet stellen zodat die dit of dat maken kan. Ga je uit van een geestelijk standpunt, dan ga je steeds via een omweg door de ziel en laat je het organisme aansluiten bij wat de ziel op een goede manier beleeft.
We kunnen zeggen: wanneer we het kind laten tekenen, geven we hem een verhouding tot de hem omringende wereld. Wanneer we muzikaal bezig zijn met hem, geven we het een verhouding tot wat niet onze gewone omgeving is, wel onze omgeving van inslapen tot wakker worden.

Aus diesen beiden Polen setzt sich das zusammen, was in der richtigen Weise gerade durch so etwas wie zum Beispiel die Satzlehre, die Behandlung der Grammatik wirken muß, wo wir eigentlich immer ineinander verschlingen sollen das Gefühl für den Satzbau mit dem Verständnis der Satzgestaltung und so weiter.
Das sind Dinge, die wir durchaus wissen müssen, wenn wir richtig verstehen wollen, wie ungefähr um das 12. Jahr herum dasjenige lang­sam vorbereitet werden kann, was nun so recht das Intellektuelle des verständigen Elementes ist, nämlich das freie Urteil. Wir müssen das Kind vor diesem freien Urteil möglichst bewahren, bevor es in die Nähe des 12. Jahres gelangt. Wir versuchen ja das Urteil auf der Auto­rität aufzubauen, und die Autorität wirkt immer in einer gewissen Weise durch das Unbewußte auf das Kind. Dadurch sind wir aber schon drinnen in diesem unbewußten Wirken; damit haben wir schon in dem Verhältnis, das wir zum Kinde eingehen, selber ein Element, das dem Musikalisch-Traumhaften ähnlich ist.
Dann um das 12. Jahr herum beginnt die Zeit, wo wir von dem Botanischen, von dem Zoologischen übergehen können zu dem Mine­ralogischen, zu dem Physikalischen auf der einen Seite, wo wir über­gehen können zu dem Geschichtlichen, zu dem Geographischen auf der

Uit deze beide polen bestaat datgene wat op een goede manier moet werken door zoiets a;s zinsleer, de behandeling van grammatica, waarbij we eigenlijk steeds samen moeten laten gaan het gevoel voor de opbouw van de zin met het begrip voor de opbouw.
Dat zijn dingen die we beslist moeten weten, als we goed willen begrijpen hoe ongeveer rond het 12e jaar langzaam voorbereid kan worden, wat nu zo echt het intellectuele van het begripselement is, nameljk het vrije oordeel. We moeten het kind voor dit vrije oordeel zo mogelijk beschermen voor het in de buurt van het 12e jaar komt. We proberen het oordeel op autoriteit op te bouwen en de autoriteit is altijd  op een bepaalde manier werkzaam door het onbewuste van het kind. Daardoor bevinden we ons al in dit onbewust werken; daarmee hebben we al in de verhouding die we met het kind aangaan, zelf een element, dat verwant is aan het muzikaal-dromerige.
Rond het 12e jaar dan, begint de tijd waarin we van plant- en dierkunde over kunnen gaan naar de stoffelijke wereld, de natuurkunde aan de ene kant en aan de andere kant naar geschiedenis en aardrijkskunde.

blz. 181

anderen Seite. Nicht als ob diese Dinge erst mit dem 12. Jahre auf­treten sollen, aber sie sollen vorher so behandelt werden, daß man bei der Behandlung weniger auf das Urteil rechnet als auf Empfindung, auf unbewußtes Aneignen.Man sollte gewissermaßen in Betracht ziehen, daß man Geschichte vor diesem 12. Jahre an das Kind so heranbringt, daß diese Geschichte durchaus abgeschlossene plastische Bilder erstens gibt, zweitens aber auch Spannungen und Lösungen der Gefühle an­regt. So daß man vor der Zeit, die ich eben bezeichnet habe, vor dem Hinneigen zum 12. Jahre vorzugsweise darauf Rücksicht nimmt, wie das Gemüt des Kindes und das Anschauungsvermögen des Kindes be­rührt wird von dem, was man historisch geschichtlich vorbringt. Zu­sammenhängende Geschichte ist etwas, wofür das Kind erst gegen das 12. Jahr hin reif wird, ebenso zusammenhängende Geographie.
Nun werden Sie ja, indem Sie nun hinblicken auf das, was so an das Kind herangetragen werden soll, natürlich die Empfindung haben: wie gliedert sich in all das das religiöse Element hinein? Gerade indem man die Geschichte, indem man die Geographie herankommen sieht, indem man das Physikalische, das Mineralogische also herankommen sieht

Niet dat deze dingen pas met het 12e jaar aan de orde moeten komen, maar ze moeten daarvoor zo behandeld worden, dat je bij de aanpak minder rekening houdt met het oordeel dan met het gevoel, het onbewust eigen maken. Je moet er in zekere zin rekening mee houden dat je geschiedenis vóór het 12e jaar zo geeft, dat deze ten eerste vooral bestaat uit aparte beelden, ten tweede echter ook spanning en ontspanning teweeg brengt in het gevoel. Zodat je vóór de tijd die ik net aangeduid heb, vóór het gaan bereiken van het 12e jaar er hoofdzakelijk rekening mee houdt hoe het gevoel van het kind en het aanschouwelijkheidsgevoel van het kind geraakt wordt door wat we aan geschiedenis aanbieden. Samenhangende geschiedenis is iets waarvoor het kind pas zo tegen het 12e jaar rijp wordt, net zo met samenhangende aardrijkskunde.
Nu zal u wel, als u zo naar de dingen kijkt die het kind worden aangeboden, natuurlijk het gevoel hebben: hoe vindt het religieuze daar een plaats in? Met name als geschiedenis en aardrijkskunde in beeld komen, als je de natuurkunde, de mineralogie ziet

– das alles soll ja an das Kind gegen das 12. Jahr herankommen -, ent­steht die Frage, wie das religiöse Element sich hineingliedert, das auf­nehmen soll plastisch ein Bild der Welt überhaupt, und das Empfinden geben soll zu einem Übersinnlichen. Sehen Sie, in dieser Beziehung ist man heute in einer recht schwierigen Lage. Und da darf ich ja aufmerk­sam darauf machen, daß wir in der Waldorfschule rein durch die äuße­ren Verhältnisse gezwungen, gerade auf diesem Gebiete durchaus nicht bloß pädagogisch-didaktischen Gesichtspunkten folgen konnten. Wir können heute noch nicht dasjenige, was Geisteswissenschaft geben kann für Pädagogik und Didaktik, anders verwenden im Unterrichten denn in seiner Konsequenz für die Unterrichtskunst. Das ist nämlich das Wesentliche der Geisteswissenschaft, daß sie zu gleicher Zeit künst­lerische Impulse enthält, daß sie so in den Menschen übergeht, daß er etwas kann durch sie, nicht bloß etwas weiß, daß er geschickter – wenn ich mich im Extrem ausdrücken darf -, besser das Leben angreifen kann, daher im eminenten Sinne auch besser die pädagogische Kunst handhaben kann. Das ist das Eigentümliche der Geisteswissenschaft. Heute muß man noch absehen davon, etwas mehr von der Geistes­wissenschaft in die pädagogische Kunst hineinzutragen als dieses Kön­nen. Wir haben in der Waldorfschule keine Weltanschauungsschul


 – dat krijgt het kind allemaal tegen het 12e jaar – ontstaat de vraag, hoe het religieuze daarin een plaats vindt, dat scheppend een beeld van de wereld moet bevatten en het gevoel moet geven van wat niet van deze aarde is. Ziet u, wat dit betreft bevindt men zich in een echt lastig parket. Vandaar dat ik u attent wil maken op het feit dat wij door de uiterlijke omstandigheden gedwongen, juist op dit gebied beslist niet alleen maar pedagogisch-didactische gezichtspunten kunnen volgen. Wij kunnen wat nu de geesteswetenschap kan geven voor pedagogiek en didactiek nog niet anders gebruiken dan wat het als consequentie voor de onderwijskunst heeft. Dat is namelijk het wezenlijke van de geesteswetenschap dat ze ook kunstzinnige elementen bevat, dat zij zo door de mens opgenomen kan worden dat hij door haar iets kan, niet alleen maar iets weet, dat hij meer in staat wordt gesteld – als ik mij extreem mag uitdrukken – het leven beter aan te kunnen en daardoor ook op een bijzondere manier de pedagogische kunst kan uitoefenen. Dat is het karakteristieke van geesteswetenschap. Vandaag moet je nog afzien van wat geesteswetenschap nog meer aan de pedagogische kunst zou kunnen geven dan dit vermogen. Het was niet de bedoeling met de vrijeschool een wereldbeschouwelijke school op te richten,

blz. 182

gründen können, sondern von vornherein wurde zur Bedingung ge­macht von mir selber, daß evangelische Religion die evangelischen Re­ligionslehrer unterrichten. Sie wird ausgesondert; wir kümmern uns nicht darum. Da geht der evangelische Religionslehrer hin, unterrichtet in der evangelischen Religion, da unterrichtet in der katholischen Reli­gion der katholische Pfarrer oder wer dazu designiert wird, der Rab­biner die Juden und so weiter. Also es handelt sich für uns zunächst darum, daß uns die Öffentlichkeit heute nicht mehr gestattet, als Geisteswissenschaft in die pädagogische Kunst hineinzutragen. Die Waldorfschule ist keine Weltanschauungsschule. Es hat sich allerdings das Merkwürdige ergeben, daß aus dem allgemeinen Leben heraus heute eine Anzahl von Leuten sagte: Wir schicken aber unsere Kinder, weil wir eigentlich konfessionslos sind, weder zum evangelischen Reli­gionslehrer noch zum katholischen, noch zum jüdischen. Wenn ihr uns nicht einen solchen Lehrer gebt, der aus heute ganz allgemein mensch­lichen Untergründen heraus auch Religion lehrt, dann schicken wir unsere Kinder in keine Religionsstunde. 

maar vanaf het begin heb ik zelf de voorwaarde gesteld dat het godsdienstonderwijs door godsdienstleraren van de kerk gegeven zou worden. Dat staat los van ons; daar bemoeien we ons niet mee. De evangelische dominee komt, geeft les in evangelische godsdienst; de katholieke pastoor geeft katholiek godsdienstonderwijs of wie ervoor wordt aangewezen, de rabbijn voor de Joden enz. Voor ons gaat het er in de allereerste plaats om dat de overheid niet toestaat dat we meer geesteswetenschap in de pedagogische kunst verwerken. De vrijeschool is geen wereldbeschouwelijke school. Nu heeft zich het merkwaardige voorgedaan dat uit het openbare leven nu een aantal mensen zegt: maar wij sturen onze kinderen, omdat wij eigenlijk geen godsdienst aanhangen, noch naar het evangelische, noch naar het katholieke godsdienstonderwijs, ook niet naar het Joodse. Wanneer jullie ons niet een dergelijke leraar geven die uit hedendaagse geheel algemene menselijke achtergronden godsdienst geeft, dan sturen we onze kinderen naar geen enkele godsdienstles.

Und so waren wir genötigt, ganz in freier Weise denjenigen, die gewissermaßen anthroposophischen Religionsunterricht haben wollten, den wir niemand aufdrängten, denn die Waldorfschule ist keine Weltanschauungsschule, diesen anthropo­sophischen Religionsunterricht auch zu geben. Er wird gegeben, aber nicht weil wir für Anthroposophie als Weltanschauung agitieren. Es ist etwas ganz anderes, für Anthroposophie als Weltanschauung zu agitieren oder dasjenige, was anthroposophische Geisteswissenschaft geben kann, für die pädagogische Kunst fruchtbar zu machen. Wir agitieren nicht für dasjenige, was der Inhalt ist, wir agitieren für das Können, wenn wir das agitieren nennen wollen. Aber es hat sich ja mancherlei dabei gezeigt. So zum Beispiel, daß ziemlich scharen-weise die Kinder den anderen Religionslehrern davongelaufen sind und zu dem unsrigen gekommen sind. Wir konnten nichts dafür. Es war mir höchst unangenehm so, nicht wahr, vom Standpunkte des guten Verhältnisses zur Außenwelt sogar höchst fatal; aber es ist eben so. Und auf der anderen Seite, nicht wahr, sagt man von jener Seite aus: Na, die anderen Religionsunterrichte werden doch einmal aufhören! Es ist gar nicht unsere Ansicht, denn die Waldorfschule soll keine Weltanschauungsschule sein. Heute kann man noch nirgends auf der zivilisierten Welt schon den Unterricht zu etwas Einheitlichem machen. Das wird man erst können, wenn die Dreigliederung des

En dus waren wij genoodzaakt op een geheel vrije manier voor degenen die in zekere zin antroposofisch godsdienstonderwijs wilden hebben – die wij geen mens opdrongen, want de vrijeschool is geen wereldbeschouwelijke school – dit antroposofisch godsdienstonderwijs ook te geven. Het wordt gegeven, maar niet omdat wij reclame maken voor antroposofie als wereldbeschouwing. Het is heel iets anders reclame te maken voor antroposofie als wereldbeschouwing of voor wat antroposofische geesteswetenschap geven kan, dan deze vruchtbaar te maken voor de pedagogische kunst. We maken geen reclame voor de inhoud, we maken reclame voor wat er kan, als je dat reclame maken wil noemen. Daarbij kwam veel naar voren. Bijvoorbeeld dat nogal wat groepjes kinderen weggegaan zijn bij de andere godsdienstleraren en naar ons zijn gekomen. Daar konden wij niets aan doen. Ik vond het hoogst onaangenaam, niet waar, vanuit het standpunt van een goede verstandhouding zelfs hoogst fataal; maar het is nu eenmaal zo. En aan de andere kant, niet waar, zegt men van die kant: Nou ja, dat andere godsdienstonderwijs zal wel ophouden, want de vrijeschool wil geen wereldbeschouwelijke school zijn. Vandaag de dag kan men nog nergens in de beschaafde wereld het onderwijs tot één geheel maken. Dat zal pas gaan, wanneer de driegeleding

blz. 183

sozialen Organismus das Geistesleben auf sich selber stellt. Solange das nicht der Fall ist, solange wird man keinen einheitlichen Unterricht geben können. Also dasjenige, worum wir uns bemüht haben, das ist, Pädagogik und Didaktik durch Geisteswissenschaft zu befruchten. Den­noch werde ich aber, weil mir ein dahingehender Wunsch ausgespro­chen worden ist, nun auch in den nächsten Tagen dasjenige aufnehmen, was Geisteswissenschaft zu sagen hat für den Geschichtsunterricht, für den Geographieunterricht, für den Religionsunterricht und so weiter.

van het sociale organisme het geestesleven autonoom maakt. Zolang dat niet het geval is, zal men geen totaalonderwijs kunnen geven. Dus waarvoor wij ons ingezet hebben is het bevruchten van pedagogie en didactiek door geesteswetenschap. Toch zal ik, omdat mij een in die richting gaande wens uitgesproken werd, ook in de komende dagen meenemen, wat geesteswetenschap te zeggen heeft voor het geschiedenis-, aardrijkkunde- godsdienstonderwijs, enz.

.

[1] GA 301: Die Erneuerung der pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft

[2] 11e voordracht (Duits)

[3] vertaald

goed spreken: spraakoefeningen

Rudolf Steiner over wereldbeschouwelijke school

.

1333-1245

.

.

.