Tagarchief: wetenschap

VRIJESCHOOL – Wetenschap

.

Aan de grens van de kennis begint het leven

De moderne natuurwetenschap wordt in toenemende mate door de methodes van de zogenaamde exacte natuurwetenschappen gevormd en dienovereenkomstig bepaald — met als voornaamste vertegenwoordigers de fysica en de chemie.
Rangschikken we de methodes die worden toegepast om de doelstellingen van het wetenschappelijk onderzoek te bereiken, dan tekenen zich drie door interne samenhangen verbonden groepen af, een trilogie van methodes.

Allereerst is er de mechanistisch-deterministische zienswijze: daarmee tracht men de natuur terug te brengen tot de causaliteit van natuurkundig-chemische wetten en haar als een mechanisme te zien.

In het systematisch-reproduceerbare experiment — de eigenlijke en laatste ‘instantie’ van de moderne natuurwetenschap — wordt geprobeerd de mechanistisch-deterministische voorstelling in het laboratorium als een proefmodel, als apparaat te laten ontstaan. Alleen wat in het experiment systematisch-reproduceerbaar kan worden voortgebracht, wordt binnen het bereik van de chemie en de fysica als wetenschappelijk bewezen beschouwd. Al het andere geldt als hypothesen, die overigens — en wel naar gelang de experimentele moeilijkheden toenemen — steeds meer bladzijden in de vaktijdschriften vullen.

De derde methode kan het beste worden omschreven als het differentieel-causale principe-, ze brengt tot uitdrukking, dat de mathematiek een instrument van toepassing moet zijn. Het blijkt, dat de natuurkundige wetten kunnen worden beschreven met differentiaalvergelijkingen, waarvan de integratie wordt nagestreefd om te komen tot registratie van afmetingen in ruimte en tijd.

Het is goed nota te nemen van het feit, dat de voornaamste methode, het systematisch-reproduceerbare experiment (de moderne natuurwetenschap is een ervaringswetenschap), een tweesnijdend zwaard is: het dient namelijk zowel tot middel als tot grens van de kennis. Wat men tijdens het experiment niet kan laten ontstaan, ligt buiten het bereik van de kennis van de chemie en fysica, dus van de moderne natuurwetenschap. Haar vertegenwoordigers staan onder de reële dwang van de maakbaarheid; door de uitsluitendheid, waarmee de moderne natuurwetenschap de voor de chemie en fysica succesrijke methodentrilogie op de hele wereld wil toepassen, is ze materialistisch geworden. Oorzaak voor het geloof aan deze eenzijdigheid zijn voor een groot deel de op de kennis van fysisch-chemische wetten berustende successen van de techniek. Daarmee werd een civilisatie geschapen, die zich in een dergelijke reële dwangpositie bevindt, nu de technocraten beweren dat alles maakbaar is.

Met uitsluitend fysisch-chemische processen kan geen leven worden voortgebracht, het laat zich er alleen door beïnvloeden en…vernietigen. Het is een experimenteel bewezen feit: we kunnen alles wat we weten op het gebied van de chemie en de natuurkunde bij elkaar optellen, zoveel als we maar willen, nooit ontstaat er ergens een levend wezen. Er bestaat geen differentiaal van het leven, die zich tot de afmeting van een levensvorm zou laten integreren. Het systematisch-reproduceerbare experiment als middel tot kennis in de moderne natuurwetenschap toont dus aan, dat de grens van het bereik van haar kennis daar loopt, waar het leven begint. Natuurlijk zijn er zeer vele hypothesen, die streven naar een uitsluitend fysisch-chemische verklaring van het leven. Maar let wel: het gaat daarbij uitsluitend om hypothesen en niet om experimenteel bewezen feiten. Een beoefenaar van de wetenschap, die de kennistheorie ernstig neemt, kan op de vraag ‘wat is leven?’ alleen maar een wetenschappelijk antwoord geven: de wetenschap weet niet, wat leven is.

De materialistische beoefenaars van de natuurwetenschap, die geloven aan de vergelijking ‘leven is chemie plus fysica’ zijn het slachtoffer van een kennistheoretische drogreden. Men kan namelijk alle fysisch-chemische meetinstrumenten, die er maar bestaan, aan alle levende wezens aanleggen, altijd wijzen ze een bij dat instrument passende meetwaarde aan. Daaruit mag echter niet de conclusie worden getrokken, dat fysisch-chemische processen voor het leven toereikend zijn. Deze metingen en het onvermogen om leven te doen ontstaan in het laboratorium bewijzen iets anders: fysisch-chemische processen zijn noodzakelijk, maar niet voldoende voor het bestaan van een levend wezen. Door de mogelijkheid gebruik te maken van het differentieel-causale principe zijn op het gebied van de chemie en de fysica vele dingen berekenbaar. Maar iets kunnen berekenen betekent nog absoluut niet, dat men dat iets dan ook kan begrijpen; dat moet in de eeuw van de computer in alle duidelijkheid worden gezegd. Een voorbeeld: met behulp van de gravitatiewet kunnen de banen van planeten, satellieten of ook projectielen zeer nauwkeurig worden berekend. Wat echter ondanks deze berekeningen niet kan worden begrepen, is het wezen van de gravitatie. Geen enkele fysicus kan zeggen, wat deze kracht nu eigenlijk is, die de appel op de aarde doet vallen. Men geeft dit ‘iets’ een naam: gravitatieveld of veld der zwaartekracht. Er zijn zelfs wetenschapsmensen, die zeggen dat de zwaartekracht ten enenmale iets mystieks is. —

Een juiste berekening kan, wat het leven betreft, zelfs vernietigend zijn; bijvoorbeeld de juist berekende kogelbaan van een projectiel, dat een stad treft. Aangezien op het gebied van het leven fysisch-chemische processen slechts deelaspecten zijn van een mechanistisch-deterministisch en differentieel-causaal niet registreerbare totaliteit, is bij de toepassing van exact-natuurwetenschappelijke methodes op het leven terughoudendheid op zijn plaats. Bijzondere voorzichtigheid is geboden bij extrapolaties, die, uitgaand van fysisch-chemische metingen, als basis voor medische overwegingen dienen. Levensfuncties, in het bijzonder die van de mensen, kunnen alleen door generaties-lange ervaringen ook wetenschappelijk worden verklaard.

De verleiding is natuurlijk groot, tijd te besparen door datgene wat in de toekomst zal gebeuren met de in de chemie en natuurkunde beproefde methodes te berekenen. Zulke extrapolaties zijn echter — zoals de begrensdheid van de kennis van de moderne natuurwetenschap aantoont — alleen toelaatbaar op het gebied van het niet-levende (en soms met succes). Een bijzonder problematisch gebied bij de toepassing van de mathematica om fysisch-chemische processen te beschrijven is de statistiek-, des te verwonderlijker, dat de geneeskunde vaak juist een royaal gebruik daarvan maakt.

In verschillende landen was en is sprake van een wetsontwerp, dat alleen die medicamenten toelaat, waarvan de werking met fysisch-chemische methodes meetbaar is. Nu zijn echter gezondheid en ziekte kwaliteiten van dat fenomeen, dat nu juist met de kwantiteiten van de chemie en de fysica niet te doorgronden is: het leven. Bij een dergelijke wetgeving zouden onvermijdelijk die geneesmiddelen, die ziekte met leven genezen, de natuurgeneesmiddelen, verboden worden. Ook de homeopathische geneesmiddelen zouden dan worden uitgesloten, aangezien de concentraties van de werkzame stoffen meestal fysisch-chemisch niet meetbaar zijn — hoewel de artsen melding kunnen maken van vele miljoenen genezingsgevallen.

Het bewijs wordt dan gevormd door een ervaring, opgedaan door vele generaties heen, een ervaring die een mechanistische – deterministisch niet vatbaar feit opbrengt. Dit is begrijpelijk, want de zich hierbij openbarende fenomenen liggen buiten het bereik van de fysische en chemische kennis. Ze daarom te ontkennen zou dogmatisch zijn en daarom onwetenschappelijk. Het gevaar bestaat, dat ten gevolge van de overschatting van synthetische farmaceutische producten een rijke schat van onvervangbare natuurgeneesmiddelen tegelijk met degenen, die daarvan weten, in het graf daalt. Een vooruitstrevende geneeskunde blijft niet koppig aan het een of ander vasthouden, maar zou juist op weloverwogen wijze natuurlijke en synthetische geneesmiddelen moeten toepassen.

Ook op het gebied van de profylaxis — dus bij maatregelen ter voorkoming van ziekte en tot behoud van de gezondheid — is een extrapolatie van statistische metingen problematisch. Zo is bijvoorbeeld bij de omstreden cariës profylaxis door fluoridering van het drinkwater wetenschappelijke terughoudendheid op zijn plaats. Buitengewoon bedenkelijk is daarbij het feit, dat het om een medicatie onder dwang gaat. Wie ervan overtuigd is, dat fluor zijn tanden beschermt, kan fluortabletten of chocolade met toevoeging van fluor eten (een tip voor de producenten van snoepgoed). Je zou daarbij aan Orwell kunnen denken en je kunnen afvragen, voor welke andere diensten de drinkwaterleiding van een stad gebruikt zou kunnen worden. Een regering, die op dergelijke wijze zorgt voor het welzijn van de bevolking, zou in de geest van Frederik de Grote — ‘Rust is de eerste plicht van de burger’ — uit de waterkraan psychofarmaca met librium- of valiumwerking kunnen laten geven. Dit zou, wat de dwangmaatregel betreft, ten opzichte van de drinkwaterfluoridering geen principieel, maar alleen een gradueel verschil zijn.

Met het systematisch-reproduceerbare experiment als voornaamste middel van kennis van de moderne natuurwetenschap wordt degenen, die geen andere kennisbronnen laten gelden, in de reële dwangpositie van het maakbare van een materialistische wereldbeschouwing gebracht. Met uitsluitend fysisch-chemische methodes zijn echter alleen machines, apparaten en chemische substanties maakbaar. Welke machines kunnen worden gebouwd? Alle machines, die niet in tegenspraak zijn met de wetten van de chemie en de natuurkunde. Met de wetten van het leven mag een machine zonder meer in tegenspraak zijn. Iedere machine, die wat betreft haar grootte (bijvoorbeeld atoomcentrales of supertankers) of haar aantal (bijvoorbeeld auto’s of televisietoestellen) mateloos is, is in tegenspraak met de wetten van het leven, omdat al het leven aan strenge maten is gebonden. De vraag, of een machine of een chemische substantie goed is of slecht, is niet steekhoudend, beslissend is de maat bij de toepassing.

Het gefascineerd zijn door de techniek laat vele mensen geloven dat degenen, die in staat zijn om vliegtuigen, camera’s en telefoons te bouwen, in principe ook bekwaam zijn om vogels, ogen en oren voort te brengen. Maar vliegtuigen beleven hun vlucht niet, camera’s en telefoons zien en horen niet. En nog iets heel wezenlijks: vogels, ogen en oren ontstaan zonder medewerking van de mens — geen enkele machine ontstaat zo maar vanzelf. Machines moeten door mensen worden gemaakt; zijn door de geest bestuurde handen produceren haar uit de mineralen van de aardkorst. Daarom is geen enkele machine (met inbegrip van de computer) zekerder dan de mensen, die haar bouwen en exploiteren.

De bedreiging van het leven door de moderne natuurwetenschap en de daaruit voortgekomen techniek is duidelijk geworden. De oorzaak ligt in de pretentie, het leven met de wetten van de levenloze materie te begrijpen en in de hand te krijgen. Een dergelijke beschouwingswijze is een materialistische. Ze vooronderstelt de prioriteit van de materie, de geest is slechts een product (een soort emanatie) van de stoffelijke vorm hersens. Maar zelfs bij de veronderstelling ‘In den beginne was de waterstof’ is de prioriteit van de materie onhoudbaar. Om ook maar één enkele waterstofatoom voort te brengen, zijn er fysische wetten nodig, waaraan het waterstofatoom gehoorzaamt. Wetten echter zijn altijd iets geestelijks; chemie en fysica — als ze ten einde worden gedacht — bewijzen de prioriteit van de geest. Een natuurwetenschap, die de natuur liefheeft en haar niet als middel tot het doel beschouwt, kan de gevaren van het materialisme aan; de moderne natuurwetenschap moet dat worden, wat ze eigenlijk is — een geesteswetenschap.
.

Max Thürkauf, Jonas 2, 28-09-1977

(Een uitvoerige beschrijving van deze gedachten is te vinden in: Max Thürkauf: Sackgasse Wissenschaftsglaubigkeit. Strom Verlag, Zürich 1975)

1626

Menskunde en pedagogie:

Antroposofie en wetenschap

Anderen over wetenschap

.

1626

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-2-3)

.

Enkele gedachten bij blz. 17/18, in de vertaling van 1993

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

ALGEMENE MENSKUNDE IN DEZE TIJD?

Bij de ‘Algemene menskunde’ gaat het om de mens: wie of wat is hij; hoe ontwikkelt hij zich; hoe kunnen opvoeding en onderwijs deze ontwikkeling ondersteunen?
Je kan dus niet om deze ‘Algemene menskunde’ (en de andere pedagogische voordrachten) heen, als je je vrijeschoolleraarsberoep zo goed mogelijk wil uitvoeren.

Maar hoe verhoudt deze ‘Algemene menskunde’ zich tot de ‘de’ wetenschap.zijn Steiners gezichtspunten gedateerd, loop je hopeloos achter als je je daar nu (na ca. 100 jaar) nog mee bezighoudt?
Of wordt deze door allerlei wetenschappelijke vondsten, gezichtspunten en als reactie daarop weer nieuwe opvattingen, steeds actueler?

In het artikel dat aan dit voorafgaat, citeerde ik delen uit Steiners ‘Theosofie’ [4].
Daarin wordt gesproken over ‘het ware wezen’ van de mens. Zelf ben ik nogal huiverig voor dit ‘ware’. We zien en konden in het verleden zien, waar dit ‘ware’ toe leiden kan: het fanatiek propageren van dit ‘ware’, waarbij als vanzelfsprekend al het daarvan afwijkende als het ‘onware’, wordt beschouwd. En dat leidt al snel tot het verketteren van dit ‘onware’, dat dan gelijk wordt gesteld aan ‘afvallig’. En heeft de Grote Vertegenwoordiger van dit ‘ware’ aangegeven dat de afvallige gelijk gesteld mag worden aan ‘minderwaardig’, ‘een ongelovige’ en wat al niet, dan ligt de weg open de laatsten te elimineren. Het ‘ware beeld van de mens’ is gelegitimeerde onmenselijkheid geworden.

Iets soortelijks – maar veel milder – vond plaats en vindt nog steeds plaats, wanneer ‘de’ wetenschap wordt gevraagd naar de ‘ware’ mens. Wie anders denkt dan deze wetenschap, loopt het gevaar niet voor vol te worden aangezien en krijgt meestal het etiket ‘pseudo’ opgeplakt.

Ik begon het vorige artikel met:
Na zo’n tachtig jaar antroposofische publicaties kun je wel stellen dat er geen bij zijn die vanuit een helderziend vermogen zijn geschreven. In vrijwel allemaal wordt er door de bril van de antroposofie gekeken naar de meest uiteenlopende onderwerpen en dat levert vaak verrassende gezichtspunten op. En meestal wordt een gezichtspunt van Steiner daardoor grijpbaar – d.w.z. beleefbaar, zichtbaar, navolgbaar en wat dies meer zij, voor ons ‘gewone’ verstand.

Bij alle publicisten tref je aan wat Steiner in genoemde Theosofie noemt: een gevoel en begrip voor waarheid – met gevoel en begrip wordt in ieder geval gezocht naar waarheid. ‘Dit gevoel komt in het duister tot activiteit. De ziel kan niet zien, maar via dit gevoel wordt zij gegrepen door de macht der waarheid, en dan zal de waarheid geleidelijk tot de ziel komen en voor haar het hogere waarnemingsorgaan openen.’
Vanuit het gevoel – dat is vaak – het invoelen, het aanvoelen, ergens voelen dat het zus of zo moet zijn, een voorvoelen, een tasten naar, komt men tot gezichtspunten – het begrip- en daarin voel je als lezer vaak al iets van ‘de macht der waarheid’, al hoeft het nog niet waar te zijn: dat is nu net de zoektocht.

Maar dat is niet voorbehouden aan mensen die geïnspireerd door Steiner op hun terrein op zoek gaan naar ‘het ware’.
Dat zoekt de mens al ‘sinds de oudste tijden’ en ook nu, in deze tijd.
Dat zoekt de wetenschap ook, wetenschap in de ruimste zin.
Maar we hebben al lange tijd te maken met wetenschap die steeds meer is gaan betekenen: natuurwetenschap en door velen, ook in het spraakgebruik, wordt wetenschap nu meestal synoniem gedacht met natuurwetenschap.

En daarmee is de oude controverse stof-geest, het dualisme dat al eeuwen bestaat, nog springlevend.

Voor Steiner geldt deze tegenstelling niet als onoverbrugbaar. Zijn geesteswetenschap, de antroposofie, is vooral een weg om dit dualisme op te heffen – letterlijk op een hoger niveau te brengen. Dat dit onmogelijk zou zijn, weerlegt hij op allerlei manieren.

Diese (heutige Wissenschaft) betrachtet die Sinneser­fahrung als die Grundlage allen Wissens, und was nicht auf die­ser Grundlage aufgebaut werden kann, hält sie nicht für wiß­bar. Sie zieht aus den Eindrücken der Sinne Schlüsse und Fol­gerungen. Was aber darüber hinausgeht, das lehnt sie ab und sagt davon, es liege jenseits der Grenzen des menschlichen Er­kennens. Für die Geisteswissenschaft gleicht eine solche An­sicht derjenigen eines Blinden, der nur dasjenige gelten lassen will, was man tasten kann, und was aus dem Getasteten durch Schlußfolgerung sich ergibt, und der die Aussagen der Sehen­den als jenseits des menschlichen Erkenntnisvermögens ab­lehnt. Denn die Geisteswissenschaft zeigt, daß der Mensch ent­wicklungsfähig ist, daß er sich neue Welten durch Entfaltung neuer Organe erobern kann. Wie Farben und Licht um den Blinden sind, und dieser sie nur nicht wahrnehmen kann, weil er keine Organe dazu hat, so erklärt die Geisteswissenschaft: es gibt viele Welten um den Menschen herum, und dieser kann sie wahrnehmen, wenn er nur die notwendigen Organe dazu ausbildet. Wie der Blinde in eine neue Welt blickt, sobald er operiert ist, so kann der Mensch durch Entfaltung höherer Or­gane noch ganz andere Welten erkennen als diejenigen sind, die ihm zunächst die gewöhnlichen Sinne wahrnehmen lassen. Ob nun ein leiblich Blinder operierbar ist oder nicht, das hängt von der Beschaffenheit der Organe ab; jene höheren Organe aber, durch welche der Mensch in übergeordnete Welten ein­dringen kann, sind im Keime bei jedem Menschen vorhanden. Jeder kann sie entwickeln, der Geduld, Ausdauer und Energie dazu hat, jene Methoden auf sich anzuwenden, welche in den Aufsätzen : «Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Wel­ten?» beschrieben worden sind [2] So spricht die Geisteswissen­schaft überhaupt nicht : der Mensch habe durch seine Organi­sation Grenzen der Erkenntnis; sondern sie sagt : es gibt für den Menschen diejenigen Welten, für die er Wahrnehmungsorgane hat. Sie spricht nur von den Mitteln, die jeweiligen Grenzen zu erweitern.

Deze laatste beschouwt de zintuigelijke ervaring als de grondslag van alle kennis, en wat niet op dit fundament kan worden opgebouwd, kan volgens haar geen object voor het weten zijn. Zij maakt gevolgtrekkingen uit de indrukken, die de zin­tuigen opleveren. Wat daar echter bovenuit gaat, wijst zij af, verklarend, dat dit buiten de grenzen van het menselijkkenvermogen ligt. Voor de
geestesweten­schap lijkt een dergelijke opvatting op die van een blinde, die slechts wil laten gelden, wat tastbaar is en wat door conclusies uit tastervaringen valt af te lei­den, terwijl hij datgene, wat mensen met een normaal gezichtsvermogen over de wereld te vertellen hebben als ontoegankelijk voor het kennen afwijst. Want de geesteswetenschap toont aan, dat de mens
mogelijk­heden tot ontwikkeling in zich draagt; dat hij zich nieuwe werelden kan veroveren door ontplooiing van nieuwe organen. Zoals kleuren en licht de blinde om­geven en hij deze alleen niet kan waarnemen, omdat hij er geen orgaan voor heeft, zo is de mens volgens de geesteswetenschap door vele werelden omgeven, welke hij kan waarnemen, wanneer hij slechts de daar­toe noodzakelijke organen ontwikkelt. Zoals voor een blinde een nieuwe wereld opengaat, zodra hij geope­reerd is, zo kan de mens door ontplooiing van hogere organen nog geheel andere werelden leren kennen dan die, welke de gewone zintuigen hem aanvankelijk doen waarnemen. Of nu een lichamelijke blindheid door een operatie te verhelpen is of niet, hangt van de gesteldheid van de organen af; die hogere  organen echter, door middel waarvan de mens in hogere we­relden kan doordringen, zijn bij ieder mens in kiem aanwezig. Iedereen kan ze ontwikkelen, die het ge­duld, de volharding en de energie bezit om de me­thoden toe te passen, welke in het boek ‘Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden?’ zijn beschreven. De geesteswetenschap verklaart dus allerminst, dat de mens door de beperktheid van zijn organisme voor kengrenzen is gesteld, maar zij zegt: voor de mens be­staan die werelden, waarvoor hij waarnemingsorganen heeft. En zij spreekt over de middelen om de bestaan­de grenzen te overschrijden.
GA 34/313-314
vertaald  (de hier gebruikte vertaling komt uit de uitgave van 1980 (6e dr),
blz. 13-15

Der naturwissenschaftliche Charakter ergibt sich, wenn man mehr der Meinung ist, was wir tun, das sei abhängig von unserer körperlichen Konstitution und von den Einwirkungen auf unsere körperliche Konstitution. Es gibt ja heute noch immer Menschen, welche so denken, daß der Mensch handelt geradeso notwendig wie etwa ein Stein, wenn er zur Erde fällt. Das wäre die naturwissenschaftliche Färbung des Notwendigkeitsgedankens.

Het natuurwetenschappelijke karakter blijkt wanneer men van mening is dat wat wij doen afhankelijk is van onze lichamelijke constitutie en van wat hierop inwerkt. Er zijn tegenwoordig nog steeds mensen die zo denken dat de mens net zo uit noodzaak handelt als een steen die naar beneden valt. Dat is nu de gekleurde natuurwetenschappelijke visie van de noodzakelijkheidsgedachte.
GA 201/11
Niet vertaald

Wie in onze tijd wetenschappelijke artikelen bekijkt, berichten leest enz. komt ook nu deze gedachte ‘uit noodzaak handelen als een steen’ tegen, misschien niet zo letterlijk gezegd, maar Victor Lammes idee dat we geen vrije wil hebben en daarom alles doen wat ons brein wil, is m.i. de moderne variant daarop.
Ons handelen als een soort mechanisme, als iets machinaals. De ‘mens, een machine’, zoals de la Mettrie in de 18e eeuw al verkondigde. ‘Wij zijn ons brein’ is volgens mij niets anders dan Swaabs variant hierop.

Dat je met dezelfde wetenschappelijk verkregen gegevens tot andere interpretaties van deze gegevens kan komen, bewijst Arie Bos in een soort tegenhanger van ‘Wij zijn ons brein‘: ‘Mijn brein denkt niet, ik wel.’ 
Nu zou je daar nog tegenin kunnen brengen dat Bos, die werkte als antroposofisch huisarts, fundamenteel uitgegaan is van Steiner – wat nergens uit blijkt, overigens – en dat dus het ‘anders denken’ toch echt alleen iets is van Steiner.
Maar je hoeft maar naar artikelen te gaan zoeken of een krant open te slaan of je vindt Steiners gezichtspunten terug bij mensen die niets hebben onderzocht met antroposofie. Dat zijn ook mensen die iets voelen van ‘het andere’ en dat proberen te verwoorden in begrippen.

Neem Bert Keizer:
In zijn column in Trouw van 07-10-2016 schrijft hij over Swaabs ‘Het creatieve brein’. ‘Swaab loopt rond in het brein als een tuinier die pre­cies weet waar alle plantjes staan, maar voor de lezer is het niet altijd makkelijk om hem bij te houden bij de opsom­ming van al die anatomische structuren waar de verschillende geestelijke toe­standen mee samenhangen. Zolang hij zich houdt aan deze twee­deling (anatomie – geestestoestand) gaat alles goed, maar Swaab probeert ook een brug te slaan tussen anatomie en geestelijk leven en dan begint het gemieter. U begrijpt dat er in onze her­senen niets anders gebeurt dan dat neu­ronen in ingewikkelde netwerken via allerlei fijne vezeltjes elektrische pulsjes aan elkaar doorgeven of juist tegen­houden. Dit gebeurt aan de hand van prikkels uit de wereld buiten de sche­del: zien, horen, tasten, voelen, proe­ven, ruiken, dat zijn allemaal ervarin­gen waarvan het onbegrijpelijk is dat ze samenhangen met al die pulsjes. Want die ervaringen zijn sterk verschillend, terwijl die pulsjes allemaal hetzelfde spul zijn. Hoe kan zoiets? Swaab heeft er geen oog voor.’
Volgens Keizer beweert Swaab dat alle geestesactiviteit eigen­lijk neuronale activiteit is. Zou een scheikundige de gedachten willen onderzoeken, dan komt er scheikunde uit.
‘Er loopt een barst door al Swaabs bewe­ringen als hij in de buurt van het geest/lichaam-probleem komt. Hij pla­muurt deze barst al jaren weg onder de slordigheid waarmee hij ‘brein’ als ana­tomische substantie en ‘brein’ als gees­telijk domein door elkaar gebruikt. Is dat nou zo erg? Nou, d’r vallen geen dooien natuurlijk, maar ik ben nou een­maal filosofisch geschoold. Ja, en wat wou je daar dan mee zeggen? Dat ik kregelig word van denkfouten. Het idee dat je een gedachte met scheikunde zou kunnen ontleden is een mooi voor­beeld. Je kunt een gedachte wel ontle­den en dan aantonen dat er veel Freud in zit, naast een vleugje Jung. Maar je kunt in een gedachte nooit natrium aantreffen of methaan. Je kunt daaren­tegen wel nadenken over natrium en methaan, maar daar hoeven deze twee stoffen geen enkele rol bij te spelen’.

In de column van 17-03-2017 vraagt hij:
‘Maar tot nog toe is niemand erin geslaagd om uit te leggen hoe een ge­dachte uit een neuron kan voortkomen. Dat is trouwens wel een leuke vraag voor de neurologische onderzoeker: ‘Hebt u wel eens een gedachte uit een neuron zien komen?’
Geestelijke activiteit gaat altijd ge­paard met gebeurtenissen in de herse­nen. Dus naast (naast? onder? achter? boven?) ons denken en voelen gebeurt er van alles in de hersenen, maar die warreling van moleculen is iets heel an­ders dan geestelijk leven. Pijn, heim­wee, kennis van de Middeleeuwen, poëzie, wiskunde en de muziek van The Beatles, deze dingen kun je niet naar moleculen vertalen.

In ‘Letter en Geest’ van 02-04-2016 schrijft Annemarie van Stee onder de veelzeggende titel:
‘Zoek jezelf niet in je brein’
Wat komen we te weten over wie we zijn, als we in hersenen kijken? (   ) Ons gestaag groeiende inzicht in het brein le­vert heel weinig extra inzicht in onszelf op. (   ) Cognitieve neurowetenschappers onderzoe­ken de relatie tussen gedrag en hersenactivi­teit. Maar uiteindelijk zijn ze onderdeel van de neurowetenschappen en daarmee hersen­onderzoekers. Dat zie je aan hun experimen­ten: onderzoekers manipuleren wat hun proef­personen doen of ervaren en meten wat daarbij in het brein gebeurt. 
Neurowetenschappelijke onderzoeksarti­kelen zetten de lezer hier makkelijk op het ver­keerde been. Aan het einde van die artikelen opperen de auteurs vaak ideeën over waarom bepaalde gebieden in het brein activiteit ver­tonen. (   ) Zulke ideeën zijn geen resultaten uit het onderzoek. Ze redeneren in de omgekeerde richting: van de hersenactiviteit naar ideeën (  ). Het zijn interpretaties van de resul­taten die de onderzoekers overtuigend vinden, maar andere interpretaties zijn ook mogelijk. Want waarom zou het niet andersom zijn? (  ) [zie mijn opmerking onder Arie Bos]
Collega-neurowetenschappers weten wel dat het interpretaties zijn in plaats van resultaten, maar een argeloze lezer ziet dit vaak niet. Bovendien worden sommige interpretaties zo vaak herhaald dat ook neurowetenschappers zelf ze voor feiten verslijten. (   )
Ons perspectief op het brein is onderweg al behoorlijk veranderd. Zo richtte het onderzoek zich vijftien jaar geleden nog op regio’s in het brein, maar inmiddels denken neuroweten­schappers dat netwerken ten grondslag liggen aan ons doen en laten. Dat zijn nieuwe inzich­ten in ons brein. Maar die laten zich niet zo­maar doortrekken naar inzicht in onszelf.

Wat cognitieve neurowetenschap wel kan doen, is ons herinneren aan de biologische ba­sis van onze menselijke natuur. Het herinnert ons aan het simpele feit dat bij alles wat we zoeken, zoeken we naar inzicht in onszelf in onze unieke situatie. Experimenteel onder­zoek biedt doorgaans alleen inzicht in hoe mensen gemiddeld zijn. Verder gaat zelfbegrip over onszelf zoals we zijn geworden vanuit ons verleden, en over wie we later zouden willen worden. Dan helpt een hersenexperiment niet: dat is een momentopname van het brein in een afgebakend nu. Heel belangrijk is ook dat een beter begrip van wie wij (zouden willen) zijn perspectief biedt op hoe we het beste met ons­zelf en ons leven kunnen omgaan. Maar geen experiment kan je vertellen wat goed leven is. (   )Die weten­schap verschaft ons inzicht in ons brein. Maar je krijgt er geen zelfinzicht van. 

Sterker: wat ‘zelf’ is verdwijnt hiermee: er is geen zelf – dan ook geen Ik: alleen materie: ‘ik ben het niet die zo raar doet, het is m’n nucleus caudatus‘ (Annemarie van Stee)

Van Maanen: hersenloze betweterij:
‘Wie indruk wil maken op feestjes of in de media, moet tegenwoordig bij elke uitleg van wat mensen doen hun hersenen erbij halen. Puberjongens zijn niet agressief; ze hebben een overmaat aan testosteron in hun brein en daardoor zijn ze agressief. Moeders houden niet van hun kinde­ren, Nee, door de pijn tijdens de bevalling (of door het zogen, dat hoor je ook nog weleens), maken de hersenen oxytocine aan en dat zorgt voor moederbinding. We zijn niet zomaar in de war als we verliefd zijn; uit hersenscans blijkt dat de frontale kwab die betrokken is bij de informatieverwerking te weinig wordt geacti­veerd doordat andere centra te veel dopamine produceren – of zoiets.

Gedrag verklaren klinkt een stuk overtuigender als je de hersenen de schuld geeft.
Het maakt niet uit hoe onzinnig de psycholo­gische verklaring voor het gedrag is; als er maar een soort neuro-verband – met hormonen en MRI-scans en dopamine – bij vermeld staat, klinkt het meteen een stuk overtuigender.
Dat laatste blijkt ook echt zo te zijn: onder­zoekers hebben onlangs voor een experiment allerlei psychologische verklaringen voor verschillend menselijk gedrag voorgelegd aan proefpersonen, al dan niet voorzien van wat neuro-onzin. Zelfs de meest bizarre psycho­logische verklaring vonden mensen aanneme­lijker als er maar iets over de werking van onze hersenen bij stond, Het maakte niet eens veel uit wat. En hoe minder verstand ze van hersenen hadden, hoe beter ze de verklaring vonden. Echte hersenonderzoekers trapten er niet in.
Omdat zij weten dat zo’n verklaring niets aan ons inzicht toevoegt. Voor alles wat we doen en voelen, is immers een mechanisme en een kwabje in de hersenen aan te wijzen, dat kan niet anders. Die mechanismen en kwabjes verklaren echter niet wat we doen en voelen, ze laten alleen maar zien wat er van binnen gebeurt als we iets doen en voelen. Zoals spieren nodig zijn om onze wenkbrauwen te fronsen of onze neus op te halen, maar de uitleg van de spierbewegingen niets toevoegt aan de verklaring voor dat fronsen of ophalen. Als iemand ons vraagt waarom we de wenkbrauwen fronsen, verwacht hij geen tekening van alle gezichtsspieren die daarbij betrokken zijn. Ook boeiend, maar niet ter zake.
Dus als u de volgende keer op een feestje of in de media weer iemand hoort beweren dat criminaliteit komt door een lage (of juist hoge) gevoeligheid voor cortisol, of dat verslaving wordt verklaard door een tekort (of juist teveel) aan serotonine in de hersenen, kunt u het best even uw wenkbrauwen fronsen. Of uw neus ophalen, natuurlijk.’

Wetenschapjournalist van Maanen in het blad PLUS (het artikel is niet meer oproepbaar)

Zo zijn er meer artikelen met het gezichtspunt dat we een brein hebben waarin van alles gebeurt, maar waarin duidelijk onderkend wordt dat we niet weten waarom het gebeurt en hoe.

Steiner beschreef de hersenmaterie o.a. als een stoffelijk gebied dat beïnvloed, bewerkt wordt, door ‘iets’ onstoffelijks. Of je dat nu meteen ‘Ik, geest, denken’ moet noemen, is niet zo belangrijk:

Wir gehen hinaus auf den Weg, er ist jetzt weich; wir drücken unsere Fuβspuren ein. Jetzt kommt einer, der irdische Menschen nicht kennt, vom Mars herunter und der erklärt jetzt: Nun ja, diese Fuβspuren sind dadurch bewirkt, daβ da unten in der Erde Kräfte sind; die drücken an einer Stelle den Boden etwas stärker, an einer anderen Stelle etwas weniger, dann konfigurieren sich die Spuren, so daβ genau so etwas entsteht wie ein Fuβabdruck.
So etwa erklären aus vererbten Anlagen heraus und aus dem Gehirn heraus die Menschen das Seelenwesen. Gerade so wie die Fuβspuren von auβen eingedrückt sind, so sind in den Körper besonders in das Gehirn und in die Nervenorganisation eingedrückt diejenigen Dinge, die aus der Umgebung herein im nachahmenden Leben erlebt werden im Gehenlernen, Sprechenlernen, Denkenlernen. Das Gehirn ist ein deutlicher Abdruck dessen, was der Mensch seelisch ist; aber man muβ eben wissen, daβ es nicht der Erzeuger des Seelischen ist, sondern der Boden, auf dem sich das Seelische entwickelt. Gerade so wenig wie gehen kann ohne Boden unter den Füβen, ebensowenig kann ich als irdischer Mensch ohne Gehirn  denken, selbstverständlich. Aber das Gehirn ist nichts anderes als der Boden, in den das Denken und Sprechen hineinkonfiguriert dasjenige, was Sie gerade aus der Welt heraus, aus der Welt Ihrer Umgebung bekommen, nicht aus den vererbten Anlagen heraus. 

We gaan naar buiten, de weg op, die nu onverhard is; onze voetstappen worden er in afgedrukt. Nu komt er iemand die de aardse mens niet kent, van Mars en die zegt nu: ‘Maar ja, deze voetsporen zijn ontstaan doordat daar onder de aarde krachten aanwezig zijn; die drukken tegen de ene plek wat sterker dan tegen een andere en dan vervormt dat zodat er zo’n voetafdruk ontstaat. Zo ongeveer verklaren de mensen uit de erfelijke aanleg en uit het brein de ziel. Net zo als de voetsporen er van buitenaf ingedrukt zijn, zo zijn in het lichaam en in het bijzonder in het brein en de zenuworganisatie die dingen gedrukt die uit de omgeving nabootsend nageleefd worden in het leren lopen, leren spreken, leren denken. Het brein is een duidelijke afdruk van wat de mens psychisch is; maar je moet wel weten dat het de ziel niet produceert, maar de basis is waarop de psyche zich ontwikkelt. Net zo min als we kunnen gaan zonder grond onder de voeten, net zo min kan ik als aards mens zonder brein denken, vanzelfsprekend. Maar het brein is niet anders dan de grond waarin het denken en spreken vormen wat ze uit de wereld, uit de wereld van hun omgeving krijgen, niet door de erfelijke aanleg.

GA 306/45
Op deze blog vertaald/45

 

Zonder brein kunnen we niet denken. Maar het denken wordt niet door het brein geproduceerd. Keizer aan de neurowetenschapper: Hebt u wel eens een gedachte uit een neuron zien komen?’

Steiner gebruikt ook dit voorbeeld:

Der Ausdruck «Werkzeug» für die physisch vorhandenen Organe und Or­gansysteme im Menschen ist eigentlich nicht völlig richtig, sondern man muß folgendes festhalten: Nehmen Sie einmal an, hier wäre ein weicher Weg (es wird gezeichnet). Es würde ein Wagen über diesen weichen Weg fahren; dann würde der Wagen Spuren, Eindrücke in das Erdreich zurücklassen. Ich würde aus den Spuren genau angeben kön­nen, wie der Wagen gefahren ist. Nehmen Sie nun an, es würde jemand kommen und würde diese Spuren, die hier in die Erde eingedrückt sind, erklären wollen und würde sagen: Ja, die erkläre ich so, daß die Erde hier allerlei Kräfte entwickelt, die drücken das Erdreich ein. – Er würde eine vollständige Illusion aussprechen, denn es handelt sich gar nicht darum, daß da die Erde etwas tut, sondern der Erde geschieht etwas; der Wagen fährt darüber, und etwas, was gar nichts mit der Erde zu tun hat, das macht da seine Eindrücke.
So ist es zum Beispiel mit unserem Gehirnnervensystem. Dasjenige, was vorgeht, sind seelisch-geistige Vorgänge – der Wagen. Dasjenige, was zurückgelassen wird, sind Spuren. Die sind zu finden. Aber alles dasjenige, was da im Gehirn wahrgenommen wird, was anatomisch, physiologisch festgehalten werden kann, ist nichts, was mit dem Gehirnzusammenhängt, sondern das ist alles ausplastiziert von dem See­lisch-Geistigen. Es ist also gar kein Wunder, daß man alles im Gehirn findet, was im Seelisch-Geistigen vor sich geht; aber das hat nichts zu tun mit dem Gehirn. Man soll also nicht sagen, man habe es mit Werk­zeugen zu tun, sondern soll den ganzen Vorgang so auffassen, wie wenn ich gehen muß; mein Gehen hat schließlich nichts mit dem Boden zu tun, der ist nicht mein Werkzeug. Aber wenn er nicht da ist, kann ich nicht gehen. So ist es. Das Denken, der seelische Inhalt, hat gar nichts zu tun mit dem Gehirn; aber das Gehirn ist der Boden, wodurch dieser seelische Inhalt aufgehalten wird. Und dadurch, durch dieses Aufhal­ten kommt er zum Bewußtsein. Also es ist durchaus etwas ganz anderes vorliegend, als man ge­wöhnlich sich vorstellt.

De uitdrukking ‘instrument’ voor de fysiek aanwezige organen en orgaansystemen in de mens is eigenlijk niet helemaal juist, maar je moet het volgende vast­houden: neemt u eens aan dat je hier een onverharde weg hebt [het wordt getekend]. Wanneer er een wagen over deze onver­harde weg zou rijden, dan zou de wagen sporen, indrukken achterlaten in de aarde. Ik zou aan de hand van de sporen pre­cies kunnen aangeven hoe de wagen gereden is. Neemt u nu eens aan dat er iemand komt die deze sporen die hier in de aarde ontstaan zijn, wil verklaren en zou zeggen: ja, die ver­klaar ik zo dat de aarde hier allerlei krachten ontwikkelt, die drukken het oppervlak van de aarde naar beneden. — Dat zou een complete illusie zijn, want het gaat er helemaal niet om dat de aarde daar iets doet, maar dat de aarde iets overkomt. De wagen rijdt er overheen en iets wat helemaal niets met de aarde te maken heeft laat daar zijn sporen na.
Zo is het bijvoorbeeld met ons hersen-zenuwstelsel. Wat zich daar afspeelt zijn psychisch-geestelijke gebeurtenissen — de wagen. Wat er achtergelaten wordt zijn de sporen ervan. Die kun je aantreffen. Maar alles wat er in de hersenen wordt waargenomen, wat anatomisch, fysiologisch kan worden vast­gehouden, is niets wat met de hersenen samenhangt, maar dat is er allemaal in geboetseerd door het psychisch-geestelijke. Het is dus helemaal geen wonder dat je alles in de hersenen terugvindt wat zich in het psychisch-geestelijke voordoet. Maar dat heeft niets met de hersenen te maken. Je moet dus niet zeggen dat je met instrumenten te maken hebt, maar je moet het hele proces zo opvatten als wanneer ik moet lopen. Mijn lopen heeft tenslotte niets met de vaste grond te maken, die is niet mijn instrument. Maar als die grond er niet is, kan ik niet lopen. Zo is het. Het denken, de psychische inhoud, heeft helemaal niets te maken met de hersenen. Maar de her­senen vormen de grond waardoor deze psychische inhoud wordt tegengehouden. En door dit tegenhouden komt die inhoud tot bewustzijn. Er gebeurt dus iets heel anders dan men zich gewoonlijk voorstelt.
GA 303/342-343
Vertaald/381-382

Nee, ‘Algemene menskunde’ is m.i. niet achterhaald. Dan zou de mens achterhaald zijn. 
Met gezond verstand en goede wil, vanuit het gevoel voor waarheid dat velen in zichzelf beleven. Dat gevoel kan o.a. door de bestudering van de ‘Algemene menskunde’ verrassend verdiept worden.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

[4] GA 9
Vertaald

 

Algemene menskunde: over onderzoeken en openstaan [[1-2-1]   [1-2-2]

Algemene menskunde: voordracht 1alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1267

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-2-2)

.

Enkele gedachten bij blz. 17/18, in de vertaling van 1993

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

WEINIG HELDERZIENDHEID, VEEL BESCHOUWINGEN
Na zo’n tachtig jaar antroposofische publicaties kun je wel stellen dat er geen bij zijn die vanuit een helderziend vermogen zijn geschreven. In vrijwel allemaal wordt er door de bril van de antroposofie gekeken naar de meest uiteenlopende onderwerpen en dat levert vaak verrassende gezichtspunten op. En meestal wordt een gezichtspunt van Steiner daardoor grijpbaar – d.w.z. beleefbaar, zichtbaar, navolgbaar en wat dies meer zij, voor ons ‘gewone’ verstand.

Zeker, er bestaat het gevaar van ‘het erin leggen’, van wat zich op het niveau ‘het zou zo kunnen zijn’ bevindt, als vaststaande waarheid verkondigen; er zijn valkuilen, voetangels en klemmen.
Maar, wie zich voortdurend bewust is van wat Steiner, ook in de algemene menskunde’ zegt: Maar we moeten ons bewust zijn van de achtergronden, de fundamenten van ons handelen,’  zal steeds een gezonde dosis (zelf)kritiek hanteren bij het formuleren van gedachten, gezichtspunten.

INZICHT IN DE HOGERE WERELD
Bij vele gelegenheden spreekt Steiner over de mogelijkheden die een mens heeft tot dezelfde bovenzinnelijke kennis te komen als die hij verwoordt als antroposofie.
Nog altijd staat dit dus op gespannen voet met de realiteit waarin velen van ons zich bevinden. Is het dan onmogelijk? Misschien! Misschien ook niet! Als je denkt aan Steiners uitspraak: ‘Spreek niet over de grenzen van het kennen, maar alleen over de grenzen van jouw kennis’, moet ik de onmogelijkheid puur als mijn onmogelijkheid blijven beschouwen. Als Steiner op andere plaatsen over het helderziend vermogen zegt, dat de mens, de mensheid in een (verre) toekomst deze vorm van denken ‘van nature’ weer zal hebben, is zijn methode om tot helderziendheid te komen een vooruitgrijpen op een (verre) toekomst; in dit leven misschien weggelegd voor een enkeling.

HOPELOOS?
Mocht je deze toestand als hopeloos ervaren: geen nood. Ook langs andere weg kun je met Steiners mededelingen omgaan.
Wie leerkracht heeft kunnen worden, beschikt in ieder geval over ‘gezond verstand’. Wie vrijeschoolleerkracht wil worden, beschikt in ieder geval over de goede wil om dat te worden. Beide, gezond verstand en van goede wil, zijn volgens Steiner de voorwaarden om ‘mee’ te denken, ‘in’ te denken of letterlijk ‘na’ te denken wat hij zelf denkt en zegt.

In 1904 schrijft Steiner het boek ‘Theosofie’ – een inleiding tot bovenzintuiglijke kennis van mens en wereld.

Hij weet zelf maar al te goed hoe moeilijk het is voor de ‘gewoon’ denkende mens om op een andere manier te gaan denken. Ook welke kritiek en (voor)oordelen daartegen zijn in te brengen.
Steeds wanneer hij dit onderwerp aanroert, zal hij vergelijkingen maken om de lezer inzicht te geven waar het eigenlijk om gaat.
In genoemde ‘Theosofie’ doet hij dat vrij uitvoerig.

In diesem Buche soll eine Schilderung einiger Teile der übersinnlichen Welt gegeben werden. Wer nur die sinnliche gelten lassen will, wird diese Schilderung für ein wesenloses Phantasiegebilde halten. Wer aber die Wege suchen will, die aus der Sinnenwelt hinausführen, der wird alsbald verstehen lernen, daß menschliches Leben nur Wert und Bedeutung durch den Einblick in eine andere Welt gewinnt. Der Mensch wird nicht – wie viele fürchten – durch solchen Einblick dem «wirklichen» Leben entfremdet. Denn er lernt durch ihn erst sicher und fest in diesem Leben stehen. Er lernt die Ursachen des Lebens erkennen, während er ohne denselben wie ein Blinder sich durch die Wirkungen hindurchtastet. Durch die Erkenntnis des Übersinnlichen gewinnt das sinnliche «Wirkliche» erst Bedeutung. Deshalb wird man durch diese Erkenntnis tauglicher und nicht untauglicher für das Leben. Ein wahrhaft «praktischer» Mensch kann nur werden, wer das Leben versteht.

In dit boek zal een beeld worden gegeven van enkele gebieden van de bovenzintuiglijke wereld. Wie alleen maar stilstaat bij de met de zintuigen waarneembare wereld, zal dit beeld voor een onrealistische fantasie houden. wie echter de weg wil zoeken waarop je verder komt, zal al gauw leren begrijpen dat het menselijk leven alleen maar aan waarde en betekenis kan winnen door de blilk te richten op een andere wereld. De mens wordt daardoor niet – waarvoor velen bang zijn – van zijn ‘werkelijke’ leven vervreemd, integendeel, daardoor leert hij om in dit leven stevig met beide benen op de grond te staan. Hij leert de oorzaken van het leven kennen, terwijl hij zonder deze kennis als een blinde rondtast door de gevolgen. Door het onderzoeken van het bovenzintuiglijke wint de zintuiglijke ‘werkelijkheid’ aan betekenis. Daarom word je door deze kennis bruikbaarder en niet minder bruikbaar voor het leven. Slechts degene die de zin van het leven begrijpt, kan een echt ‘praktisch’ mens zijn.
GA 9/11-12
Geen gebruik gemaakt van de vertaling

Zo gaat het nog steeds: als je wat studeert, moet je lezen. De inhoud tot je nemen, proberen te begrijpen, om deze vervolgens te kunnen reproduceren.
En als je na een studie dan  ‘met goede wil’ vrijeschoolleerkracht wordt, en vanuit die goede wil bijv. deze ‘Theosofie’ gaat lezen, word je al gauw geconfronteerd met een oude leesgewoonte:

Wie man Bücher in unserem Zeitalter zu lesen pflegt, kann dieses nicht gelesen werden In einer gewissen Beziehung wird von dem Leser jede Seite, ja mancher Satz erarbeitet werden müssen. Das ist mit Bewußtsein angestrebt worden. Denn nur so kann das Buch dem Leser werden, was es ihm werden soll. Wer es bloß durchliest, der wird es gar nicht gelesen haben. Seine Wahrheiten müssen erlebt werden. Geisteswissenschaft hat nur in diesem Sinne einen Wert.

Je kan dit boek niet lezen zoals je in onze tijd gewend bent boeken te lezen. In een bepaald opzicht zal de lezer menige bladzij, ja zelfs menige zin moeten verwerken. Dat is met opzet gedaan, want alleen op die manier kan het boek aan zijn bedoeling beantwoorden. Wie het alleen maar doorleest, kan geacht worden het in het geheel niet gelezen te hebben. De waarheden in dit boek moeten worden doorleefd. Alleen dan heeft geesteswetenschap waarde.
GA 9/12
Geen gebruik gemaakt van de vertaling

Wij zijn – in Steiners tijd was het niet anders – als bewust levend mens op zoek naar waarheden. 
In veel gevallen levert de wetenschap die. Maar deze wetenschap is nog altijd ‘natuur’wetenschap. Voor velen is deze wetenschap DE wetenschap. Niet voor Steiner. Zoals voor hem het fysieke lichaam slechts een deel van de mens is, zo is de natuurwetenschap maar een deel van een meer omvattende wetenschap dan die slechts het materiële, de stof beschrijft.
Wij hebben nog altijd de neiging om net zoals we dit in de natuurwetenschap doen, ook voor de niet-natuurwetenschap naar bewijzen te vragen. 

Maar op de vraag wat een mens is en omdat het in de ‘Algemene menskunde’ om kinderen gaat, wat een kind is, kan de natuurwetenschap niet een volledig antwoord geven.
Of dan ‘bewijzen’ nog zo belangrijk zijn, is de vraag. Belangrijker is, als het niet meer om het natuurwetenschappelijke gaat, in hoeverre je bereid bent en in staat bent ‘de ogen te openen’ of  ‘te laten openen’.

GA 9:

blz. 17/18

Keinen Augenblick darf vielmehr daran gezweifelt werden, daß es in bezug auf diese Dinge möglich sei, jedem «die Augen zu öffnen», der den guten Willen dazu mitbringt. – Aus dieser Voraussetzung heraus haben daher alle diejenigen gesprochen und geschrieben, die in sich fühlten, daß ihnen selbst das «innere Sinneswerkzeug» erwachsen sei, durch das sie das den äußeren Sinnen verborgene wahre Wesen des Menschen zu erkennen vermochten. Seit den ältesten Zeiten wird daher immer wieder und wieder von solcher «verborgenen Weisheit» gesprochen. – Wer etwas von ihr ergriffen hat, fühlt den Besitz ebenso sicher, wie die, welche wohlgebildete Augen haben, den Besitz der Farbenvorstellungen fühlen. Für ihn bedarf daher diese «verborgene Weisheit» keines «Beweises». Und er weiß auch, daß sie für denjenigen keines Beweises bedürfen kann, dem sich gleich ihm der «höhere Sinn» erschlossen hat. En hij weet ook dat er geen bewijs nodig is voor degene bij wie, evenals bij hem, het hogere zintuig tot ontwikkeling is gekomen.

Geen ogenblik mag er aan getwijfeld worden dat het mogelijk is om ieder die van goede wil is, ‘de ogen te openen’.
Van deze overtuiging uit hebben al degenen gesproken en geschreven, die zich ervan bewust werden dat in hun binnenste een zintuig tot ontwikkeling was gekomen, waardoor zij konden waarnemen wat voor de uiterlijke zintuigen verborgen bleef: het ware wezen van de mens. Sedert de oudste tijden wordt daarom steeds opnieuw over een dergelijke verborgen wijsheid gesproken. Wie daarvan iets tot het zijne gemaakt heeft, voelt zich in het bezit daarvan even zeker, als iemand met goed ontwikkelde ogen dit doet met betrekking tot de wereld van de kleuren. Voor hem is het daarom niet nodig, om het bestaan van deze verborgen wijsheid te bewijzen.

Zu einem solchen kann er sprechen, wie ein Reisender über Amerika zu sprechen vermag zu denen, die zwar nicht selbst Amerika gesehen haben, die sich aber davon eine Vorstellung machen können, weil sie alles sehen würden, was er gesehen hat, wenn sich ihnen dazu die Gelegenheit böte.
Aber nicht nur zu Erforschern der geistigen Welt soll der Beobachter des Übersinnlichen sprechen. Er muß seine Worte an alle Menschen richten. Denn er hat über Dinge zu berichten, die alle Menschen angehen; ja, er weiß, daß niemand ohne eine Kenntnis dieser Dinge im wahren Sinne des Wortes «Mensch» sein kann. Und er spricht zu allen Menschen, weil ihm bekannt ist, daß es verschiedene Grade des Verständnisses für das gibt, was er zu sagen hat. Er weiß, daß auch solche, die noch weit entfernt von dem Augenblicke sind, in dem ihnen die eigene geistige Forschung erschlossen wird, ihm Verständnis entgegenbringen können. Denn das Gefühl und das Verständnis für die

Tot zo iemand kan hij spreken, zoals een reiziger over Amerika kan spreken tot degenen, die weliswaar zelf Amerika niet bezocht hebben, maar zich van dat land een voorstelling kunnen maken omdat ze alles wat hij gezien heeft, zouden opmerken zodra zij daartoe in de gelegenheid zouden zijn. Degene die het bovenzintuiglijke waarneemt, moet evenwel niet alleen spreken tot hen die proberen de geesteswereld te doorgronden. Hij moet zijn woorden richten tot alle mensen. Want hij heeft de taak om mededelingen te doen over dingen die alle mensen betreffen; ja, zelfs weet hij dat niemand in de ware betekenis van het woord mens kan zijn, die niet in bepaalde mate met deze zaken bekend is. En hij richt zijn woorden tot alle mensen omdat hij weet, dat er uiteenlopende maten van begrip zijn voor datgene wat hij te zeggen heeft. Hij weet ook dat zij, die nog ver verwijderd zijn van het ogenblik dat zij tot zelfstandig onderzoeken in staat zijn, begrip voor zijn woorden kunnen opbrengen. Want gevoel en begrip voor de

blz. 19

Wahrheit liegen in jedem Menschen. Und an dieses Verständnis, das in jeder gesunden Seele aufleuchten kann, wendet er sich zunächst. Er weiß auch, daß in diesem Verständnis eine Kraft ist, die allmählich zu den höheren Graden der Erkenntnis führen muß. Dieses Gefühl, das vielleicht anfangs gar nichts sieht von dem, wovon zu ihm gesprochen wird, es ist selbst der Zauberer, der das «Auge des Geistes» aufschließt. In der Dunkelheit regt sich dieses Gefühl. Die Seele sieht nicht; aber durch dieses Gefühl wird sie erfaßt von der Macht der Wahrheit; und dann wird die Wahrheit nach und nach herankommen an die Seele und ihr den «höheren Sinn» öffnen. Für den einen mag es kürzer, für den andern länger dauern; wer Geduld und Ausdauer hat, der erreicht dieses Ziel. – Denn wenn auch nicht jeder physisch Blindgeborene operiert werden kann: jedes geistige Auge kann geöffnet werden; und es ist nur eine Frage der Zeit, wann es geöffnet wird.

waarheid liggen in ieder mens besloten. En tot dit begrip, dat in elke gezonde ziel tot verdere ontwikkeling kan komen, wendt hij zich allereerst. Hij weet ook dat er in dit begrip een kracht schuilt, die geleidelijk de weg vrijmaakt naar de hogere graden van bewustzijn. En dit gevoel, dat misschien in het begin totaal niets waarneemt van hetgeen waarover gesproken wordt, dit gevoel zelf is de tovenaar die het geestesoog opent. Dit gevoel komt in het duister tot activiteit. De ziel kan niet zien, maar via dit gevoel wordt zij gegrepen door de macht der waarheid, en dan zal de waarheid geleidelijk tot de ziel komen en voor haar het hogere waarnemingsorgaan openen. Voor de een kan dat korter, voor de ander langer duren; wie geduld heeft en volhardt, bereikt dit doel niettemin.
Want al kan ook niet ieder die fysiek blind geboren is, door een operatie het gezichtsvermogen verkrijgen, wél kan ieders geestesoog geopend worden, en het is alleen maar een kwestie van tijd wanneer dat het geval zal zijn.

Gelehrsamkeit und wissenschaftliche Bildung sind keine Vorbedingungen zur Eröffnung dieses «höheren Sinnes». Dem naiven Menschen kann er sich ebenso erschließen wie dem wissenschaftlich Hochstehenden. Was in gegenwärtiger Zeit oft die «alleinige» Wissenschaft genannt wird, kann für dieses Ziel oft sogar eher hinderlich als fördernd sein. Denn diese Wissenschaft läßt naturgemäß nur dasjenige als «wirklich» gelten, was den gewöhnlichen Sinnen zugänglich ist. Und so groß auch ihre Verdienste um die Erkenntnis dieser Wirklichkeit sind: sie schafft, wenn sie, was für ihre Wissenschaft notwendig und segenbringend ist, für alles menschliche Wissen als maßgebend erklärt, zugleich eine Fülle von Vorurteilen, die den Zugang zu höheren Wirklichkeiten verschließen.

Geleerdheid en wetenschappelijke vorming zijn geen voorwaarden voor de opening van dit hogere zintuig;! bij de eenvoudige mens kan dit even goed plaats vinden als bij de wetenschappelijk hoog ontwikkelde. Wat in onze tegenwoordige tijd vaak als „enige” wetenschap betiteld wordt, kan hierbij zelfs eerder hinderlijk dan bevorderend werken. Want deze wetenschap laat volgens haar aard slechts datgene als „werkelijk” gelden, wat met de gewone zintuigen kan worden waargenomen. En hoe groot ook haar verdiensten voor het ontdekken van deze werkelijkheid zijn, zij doet, zodra zij datgene wat voor haar doel noodzakelijk en zegenrijk is voor alle menselijk weten tot norm verheft, tegelijkertijd een menigte vooroordelen ontstaan, die de toegang tot hogere realiteiten afsluiten.

blz.20

Gegen dasjenige, was hier gesagt ist, wird oft eingewendet: dein Menschen seien einmal «unübersteigliche Grenzen» seiner Erkenntnis gesetzt. Man könne diese Grenzen nicht überschreiten; deshalb müssen alle Erkenntnisse abgelehnt werden, welche solche «Grenzen» nicht beachten. Und man sieht wohl auch den als recht unbescheiden an, der etwas über Dinge behaupten will, von denen es vielen für ausgemacht gilt, daß sie jenseits der Grenzen menschlicher Erkenntnisfähigkeit liegen. Man läßt bei einem solchen Einwande völlig unberücksichtigt, daß der höheren Erkenntnis eben eine Entwickelung der menschlichen Erkenntniskräfte voranzugehen hat. Was vor einer solchen Entwickelung jenseits der Grenzen des Erkennens liegt, das liegt nach der Erweckung von Fähigkeiten, die in jedem Menschen schlummern, durchaus innerhalb des Erkenntnisgebietes.

Tegen datgene wat hiervoor gezegd werd, wordt vaak ingebracht dat de mens nu eenmaal voor niet te overschrijden grenzen van zijn weten is geplaatst. Men zou niet voorbij deze grenzen kunnen komen en daarom dient men zich afzijdig te houden van elke wetenschap die het bestaan van deze grenzen niet aanneemt. En men houdt degenen die iets over dingen willen beweren, waarvan het voor velen een uitgemaakte zaak is dat zij buiten de grenzen van het menselijke bevattingsvermogen liggen, voor zeer onbescheiden.
Bij het maken van zulke tegenwerpingen laat men echter volkomen buiten beschouwing, dat aan een hoger bewustzijn noodzakelijkerwijs een ontwikkeling van de menselijke bewustzijnskrachten moet voorafgaan. Wat vóór een zodanige ontwikkeling nog voorbij de grenzen van het weten ligt, dat bevindt zich na het ontwaken van de in iedere mens sluimerende vermogens volstrekt binnen zijn bewustzijnsgebied.

Eines darf dabei allerdings nicht außer acht gelassen werden. Man könnte sagen: wozu nützt es, über Dinge zu Menschen zu sprechen, für welche ihre Erkenntniskräfte nicht erweckt sind, die ihnen also selbst doch verschlossen sind? So ist aber die Sache doch falsch beurteilt. Man braucht gewisse Fähigkeiten, um die Dinge, um die es sich handelt, aufzufinden: werden sie aber, nachdem sie aufgefunden sind, mitgeteilt, dann kann jeder Mensch sie verstehen, der unbefangene Logik und gesundes Wahrheitsgefühl anwenden will. 

Een ding mag daarbij vooral niet over het hoofd worden gezien. Men zou kunnen aanvoeren: welk nut heeft het om tot de mensen over onderwerpen te spreken waarvoor hun bewustzijnskrachten nog niet ontwikkeld zijn, die zelf dus nog voor hen verborgen zijn? Maar op deze wijze beziet men deze zaak toch verkeerd. Men heeft weliswaar zekere vermogens nodig om de hier bedoelde dingen te ontdekken: worden deze echter nadat ze ontdekt zijn, medegedeeld, dan kan iedereen met een onbevangen gevoel voor logica en een gezond begrip voor waarheid, ze begrijpen.

Dan maar eens met een onbevangen gevoel voor logica en een gezond begrip voor waarheid, kijken wat Steiner verder gaat bespreken.

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1245

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Antroposofische indoctrinatie in het vrijeschoolonderwijs? (2-1)

.

KRITIEK



Kritiek op de vrijescholen is er vanaf de oprichting van de eerste vrijeschool in Stuttgart in 1919 al geweest en is er heden ten dage nog.

In Frankrijk heeft een ex-vrijeschoolleerkracht, tevens oud-vrijeschoolleerling en jarenlang lid van de antroposofische vereniging een artikel ( hier een Engelse vertaling)  gepubliceerd met zijn kritiek – na zoveel jaar – en waarom hij het geheel de rug heeft toegekeerd.

De kern van zijn betoog is, dat de vrijeschool de leerling indoctrineert met antroposofie!.

Vóór ik zal ingaan op de voorbeelden die de heer Perra van indoctrinatie geeft, eerst dit:

KRITIEK EN MENSBEELD
Velen van ons – de mensen – streven er dagelijks naar te weten te komen hoe het zit met de wereld waarin wij leven. Daarbij kunnen we ons op verschillende niveaus bewegen die ruim uiteenlopen, maar altijd zijn er vragen, duizenden vragen én antwoorden. Bij de antwoorden waar de zoektocht had moeten eindigen, begint deze vaak weer opnieuw, want  ‘is dit het antwoord wel; wie heeft het gegeven, waarop is het gebaseerd.’

WETENSCHAP
Het sleutelwoord is hier ‘wetenschap’; die geeft ons de antwoorden. Maar tegelijkertijd ook weer vragen, die mede door diezelfde wetenschap worden gesteld.
Neem als voorbeeld die tak van wetenschap die de afstamming van de mens onderzoekt. Zo’n 50 jaar volg ik de resultaten en wat blijkt: telkens en telkens heeft men DE voorouder gevonden; maar telkens en telkens moest men dit weer herroepen.
Telkens en telkens was hier dus eigenlijk sprake van ‘pseudo’ en werden wij als gewone burgers geïndoctrineerd met gezichtspunten die achteraf niet bleken te kloppen.

Ik gebruik hier met opzet de woorden ‘pseudo’ en ‘indoctrineren’, woorden die bestorven liggen op de lippen van de tegenstanders van geesteswetenschap, dus antroposofie en dientengevolge van de vrijeschoolpedagogie.

We spreken niet voor niets over ‘een tak van wetenschap’; een tak, dat is niet de hele boom.
Er is al veel gefilosofeerd over wat wetenschap is, of wat geen wetenschap is.

Voor mijn verdere betoog neem ik van mijn blog: ‘antroposofie, een inspiratie’ dit artikel over:

ANTROPOSOFIE: WETENSCHAP?

WETENSCHAP , PSEUDOWETENSCHAP
Met grote regelmaat en van verschillende kanten wordt gezegd dat de antroposofie die door Steiner ook geesteswetenschap werd genoemd, geen wetenschap is.

Of ze wordt als “pseudowetenschap” gekwalificeerd.

 WETENSCHAP
Het kan niet anders of mensen die zo iets beweren, weten wat wetenschap wél is, want anders zouden ze niet kunnen zeggen, wat géén wetenschap is.

Wat men onder wetenschap verstaat is toch over het algemeen de wetenschap van maat, gewicht en getal.

WARE WETENSCHAP IS NATUURWETENSCHAP
De meeste mensen die het over de wetenschap hebben, koesteren, vaak onbewust, de overtuiging: de(ze) wetenschap is de ware wetenschap.

a.h.w. een natuurkundige wetenschap.

Ze vergeten in dit uitspreken, dat ze eigenlijk geen natuurwetenschappelijke uitspraak doen, want de uitspraak: “de natuurwetenschap is de echte wetenschap” is geen natuurwetenschappelijke uitspraak, maar een geesteswetenschappelijke.

PROF.DR.LUIJPEN
Deze  zin heb ik opgetekend uit de mond van Prof .Dr. Luijpen.

Als existentieel filosoof was hij onophoudelijk op zoek naar de plaats
van de mens tussen God en wereld. Hij had zo zijn twijfels of de (natuur)wetenschap wel door kan dringen tot de existentie van de mens.

Ook voor mij is het een vraag of slechts de natuurwetenschap alleen, tot
het wezenlijke van het menszijn kan doordringen.

In  zijn “God! Goddank! Godverd….! (uitg.Emmaüs 1972) schetst Luijpen situaties van de mens, in diens leven en noemt deze
“situaties van de existentie’, de mens als “existerende subjectiviteit”.
Voor deze “existerende subjectiviteit” zijn die levenssituaties letterlijk
van levensbelang.

Voor Luijpen ontstaat de vraag: kan de natuurwetenschap iets zeggen
over deze levenssituaties.
Hij stelt zich een situatie voor:
“Wanneer een jongen zijn meisje “lief” noemt, noemt hij haar aldus als existerende subjectiviteit.”

“Maar hij kan haar ook tot een ingrediënt van de mechanica maken.
Dat is het geval wanneer hij haar op de weegschaal zet. De weegschaal
zegt: “negentig pond”. Dat zegt de weegschaal ook als er een zak zout van negentig pond op gezet wordt. De weegschaal kan niet zeggen: “lief”. Als ingrediënten van de mechanica zijn meisjes niet lief. Evenmin zijn mensen religieus als ingrediënten van de wetenschappen.”(blz 9)

Ik vul zelf aan:
Als deze jongen zijn hart laat spreken, zegt hij dat hij van het meisje
houdt.
Maar voor de ‘weegschaal’wetenschap kan het hart niet spreken. Die ziet dat het hart een pompbeweging maakt en noemt het derhalve een pomp.

Die ‘weegschaal’wetenschap ziet ook ‘denken, voelen, willen’ niet,
hoewel ons “existerend zijn” voor het grootste deel bestaat uit denken,
voelen en handelen.

LETTERLIJK: NA-GEDACHT
Luijpen had ook een aardige omschrijving van het woord “nadenken’ .
Hij bedoelde het ‘na’ hier letterlijk: nadat een ander het heeft gedacht.
We denken dat na en vaak spreken we dat na.

Iets dergelijks gebeurt ook met de mededelingen van Steiner. Dat hij ze
door bovenzintuiglijke waarneming heeft verkregen, is in wezen niet zo belangrijk. Belangrijker is dat wij ze kunnen na-denken en dat wij de
waarheid ervan kunnen ervaren, of niet.

Wat ik hier met bepaalde mededelingen van Steiner doe, is ze gebruiken
om te zien wat ze voor mijn existentie betekenen.

Ze inspireren mij om ermee naar mens en wereld te kijken.

Het resultaat van dit kijken is de inhoud van deze blog.

Ik onderstreep hier dat ik tot deze gedachten kwam door de visie van filosoof Willem Luijpen.

De ‘weegschaalwetenschap’ is zijn idee. Waar hij in zijn college’s dikwijls de nadruk op legde was het feit dat wij mensen, in het zoeken naar antwoorden, veel opnemen van wat anderen gedacht hebben – hij noemde dit het letterlijke NA-denken – ‘vele meningen en opvattingen hebben zich als aardlagen in ons afgezet’, zonder dat we dit vaak duidelijk beseffen. Slechts weinigen hebben originele gedachten.

Dat laatste is echter ook nog geen garantie voor DE antwoorden op de vragen waarmee de mensheid zich bezighoudt.

De gedachten, de ideeën van Darwin zijn zeker origineel te noemen. Ze hebben buitengewoon veel indruk gemaakt – bijna letterlijk – in de gedachten van velen staan zijn ideeën gegrift als naar een waarheid gegroeide conclusie: de mens stamt af van de aap. Door velen wordt dit nu ook zo aangenomen: de mens is een hoger dier. Dat denken wij na.

Iets dergelijks geldt voor de ‘oerknal’.

Bij de levensvragen gaat het natuurlijk ook om ‘wie of wat is de mens’. En ook op die vragen zijn vele antwoorden gegeven.

Ook Rudolf Steiner heeft zich met deze vraag langdurig beziggehouden. Zijn ideeën kunnen we leren kennen uit zijn boeken en zijn gestenografeerde voordrachten.

Op mijn hierboven genoemde blog  probeer ik, steeds binding te houden met het concrete leven van alledag, te kijken waar Steiners visie een antwoord geeft op de levensvragen die ik me stel.

Steiner is voor mij zeker niet de enige die, voor mij, wezenlijke antwoorden geeft; voor mij is hij wel een belangrijk denker.

Ik ben geen blinde volger van zijn ideeën; ik noem mij geen antroposoof – ook al niet, omdat de ander met wie ik over de levensvragen zou willen spreken, dan wellicht moet zeggen dat hij atheïst is, of gereformeerd. Ik wil niet tegenover de ander komen te staan. Ik zie meer heil in ‘hoe kunnen wij vanuit verschillende visies antwoorden vinden die ons mens-zijn betreffen.’

Toen ik voor het beroep van onderwijzer koos, heb ik mij ook afgevraagd: met welk onderwijs is het kind het best gediend.

En na bestudering van vele vormen van onderwijs, kwam ik bij de vrijeschoolpedagogie uit.

Eerst werkte ik nog in het reguliere onderwijs en leerde zo iets van het wezen van het kind kennen: o.a. zijn behoefte aan scheppend bezig zijn, zijn behoefte aan fantasie, aan beweging.

In de achtergronden van de vrijeschool vond ik wezenlijke opmerkingen over deze aspecten van het kind-zijn.

Uit het wezen kind zelf, zijn doen en laten, zijn gedragingen enz. enz. bleken de inzichten van Steiner vaak verrassend waar en actueel.

KIEZEN
Leven is vaak: keuzes maken en zoals  Erica Ridzema er  voor kiest om te stoppen met het werken met kinderen, omdat ze vindt dat wat ze moet – van overheidswege – niet strookt met het wezen van de kleuter – zo koos ik destijds voor de vrijeschoolpedagogie, omdat ik daarin een pedagogie ontmoette die het meest strookt met het wezen van een kind.

Wat nu nog steeds actueel is, zo’n 4o jaar geleden gold dat ook: door in het niet-reguliere onderwijs te werken, week en wijk je af van het gangbare. En daarmee wijk je ook af van de gangbare opvatting over onderwijs en opvoeding.

De gangbare opvatting is een ‘opvatting’. Van wie? Van ….allerlei ontstane meningen en gezichtspunten die al naar gelang de tijd waarin ze ontstonden op de een of andere manier de mensen aanspraken. Die hebben zich in de mensen als aardlagen afgezet; die denken ze na.

Momenteel gaat het in Nederland om de ‘kenniseconomie’ en in het onderwijs moet het dus om kennis gaan. De gangbare opvatting is, dat het onderwijs in dienst moet staan van de economie. Presteren!.
Om ‘kennis’ gaat het al heel lang, sinds Bacons  ‘kennis is macht’.

Allerlei opvattingen, soms onduidelijk van wie of van wanneer, vormen het mensbeeld van het gangbare; vooral van mensen die zeggen geen mensbeeld te hebben.

IEDER ZIJN MENSBEELD
Ook de critici van antroposofie en vrijeschool hebben een mensbeeld. Dat strookt duidelijk niet met het mensbeeld dat ze bekritiseren.

WAT WILLEN OUDERS
Ik heb in mijn vrijeschooljaren vele lezingen gehouden over de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie. Bij de toehoorders, veelal ouders, was er altijd het verlangen voor hun kind naar méér dan de opvatting dat dit wezen slechts ‘een naakte aap, een machine, een toevallige samenklontering van chromosomen; slechts een brein’, zou zijn. En ook een wezen dat méér is dan een dienaar van de economie.

Zij konden meer met de opvatting dat een kind, een mens een drie-vierledig wezen is en dat opvoeding en onderwijs een hulp kunnen/moeten zijn bij een harmonische ontwikkeling.

In de vrijeschoolvisie is leerstof ook een bijdrage aan deze ontwikkeling.

Een bekend voorbeeld is het leren schrijven en lezen. Het uiteindelijke resultaat moet natuurlijk zijn dat een kind heeft leren schrijven en lezen, de weg naar dat punt heeft ook tot doel dat de fantasiekrachten van het kind – dat zijn puur menselijke wezenskenmerken – gevoed worden: vandaar de letterbeelden; dat er geschreven wordt van ‘groot naar klein’, van beweging naar verstilling – geheel in overeenstemming met het wilsleven van het kind, enz. enz.

KRITIEK NU
Ook nu ik met pensioen ben, neem ik kritiek op de vrijeschoolpedagogie nog altijd serieus, tenminste, als het als serieuze kritiek is bedoeld.

Die ernstig gemeende kritiek kom ik niet tegen bij Ramon De Jonghe/Verachtert, van wie ik, na bestudering van zijn boek- en blogartikelen moet zeggen dat hij er vrijwel uitsluitend op uit is, Steiner, de antroposofie en de vrijescholen waar mogelijk in een bespottelijk, negatief daglicht te plaatsen. Leugenachtig ook vaak, waardoor ik me geroepen voelde op deze blog tegenover dit leugenachtige iets ‘waar’achtigs te plaatsen.

Zo hij dit nog niet was, mede door mijn activiteiten is hij nu in Nederland en België afdoende bekend en wordt hij, buiten de kring van medestanders, nauwelijks nog serieus genomen.
Positieve ontwikkelingen binnen de vrijeschoolbeweging blijken immuun voor zijn schrijfbezigheden.
Nogal bombastisch aangekondigde activiteiten bij het onthullen van een schandaal: ’we moeten zorgvuldig te werk gaan en mogen niet alles zo maar publiceren’ – of woorden van deze strekking – verzanden, na ruim 2 jaar – in stilte.
Op dit ogenblik doet hij onderzoek naar vermeende onregelmatigheden – belangenverstrengeling – die zouden hebben plaatsgevonden bij een onderzoek naar de kwaliteit van het onderwijs aan de Academie voor Euritmie, onder verantwoording van een overheidsinstelling. Maar misschien horen we hier nog wèl eens wat over.

De heer Perra neem ik, wanneer ik bovengenoemd Engelse artikel begin te lezen wél serieus. Wie zo lang binnen de antroposofie en de vrijescholen heeft verkeerd, moet wel zwaarwichtige redenen hebben, er afstand van te nemen.

Hoeveel innerlijke strijd, slapeloze nachten, heeft dit gekost?

Een man met een groot geweten, lijkt me, die geen verantwoording meer wil nemen voor wat hij ziet: leerlingen worden geïndoctrineerd.

Zo’n ernstige beslissing roept bij mij ook vragen op in de trant van: was mijn werk dan ook indoctrinatie?
En ik ben zeer benieuwd naar zijn voorbeelden. Hij geeft er 3, waarvan er 1 is waar ik niets mee kan, omdat dit bovenbouwstof betreft.

Maar de andere 2 zijn mij wel vertrouwd.

Allereerst deze:
‘Another example: In the early grades, Waldorf teachers tell the children a great number of legends or myths. At first glance, this is part of a traditional study of literature and mythology. But the teachers slip in Anthroposophical interpretations… They make subtle allusions to the contents of Anthroposophical books such as MYTHS AND LEGENDS AND THEIR OCCULT TRUTHS [7] or HIDDEN WISDOM IN GRIMM FAIRY TALES [8]. Most of these works were only recently translated into French (Waldorf teachers having access to them through German connections). National education inspectors therefore cannot detect the Anthroposophical doctrines slipped in by Waldorf teachers when they tell these legends and myths to the children.

‘In de lagere klassen vertellen de vrijeschoolleerkrachten aan de kinderen heel wat legenden of mythen. Op het eerste gezicht is dit een deel van een traditionele bestudering van literatuur en mythologie. Maar de leerkrachten laten er antroposofische interpretaties in terechtkomen. Zij maken subtiele toespelingen op boeken als ‘mythen en legenden en hun occulte waarheden of ‘verborgen wijsheid in de sprookjes van Grimm. De meeste van deze werken werden pas onlangs in het Frans vertaald. (Vrijeschoolleerkrachten kunnen er over beschikken via Duitse collega’s. Daarom kunnen onderwijsinspecteurs er niet de vinger achter krijgen dat er door vrijeschoolleerkrachten antroposofische dogma’s ingevlochten worden wanneer ze deze legenden en mythen aan de kinderen vertellen.’

Hier staan toch wonderlijke dingen ! Legenden of mythen; dat zou dan moeten zijn legenden (klas 2) én mythen (klas 4, als we deze nog tot de ‘vroege’ klassen rekenen (early grades.

Wat de heer Perra bedoelt met’traditionele bestudering van literatuur en mythologie’ is me een raadsel.

De legenden (met als tegenhanger de fabels) worden, niet meer en niet minder, verteld zoals ze ooit zijn opgetekend. Datzelfde geldt voor de verhalen uit de Edda in klas 4.

En daarbij zouden de leerkrachten dan ‘antroposofische uitleg’ geven ?
Vooralsnog kan ik me er geen concrete voorstelling bij mij maken.

Als dat zo gebeurt, gaan de leerkrachten te ver. De verhalen zijn er om simpelweg te vertellen – niks geen uitleg – vooral niet aan kinderen.

Dat je zelf verdieping zoekt en probeert de beelden te duiden, leidt vaak tot een grotere eerbied waarmee je de verhalen dan vertelt.
Zo is mijn eerbied voor b.v. de 7 scheppingsdagen zeer toegenomen door het lezen van Steiners ‘Het Bijbelse scheppingsverhaal‘; maar om de kinderen te vertellen dat ‘de dagen van de schepping eigenlijk grote tijdvakken zouden zijn’  en “God’ eigenlijk één van de Elohim’, nee, dat is absoluut de bedoeling niet van het vertellen van de verhalen uit het Oude Testament.

Welke verdieping of achtergrond dan ook: het is ten enen male niet bestemd voor de kinderen.

Antroposofie in het onderwijs werd bij herhaling door Steiner resoluut afgewezen!

En daaraan moeten de Franse vrijeschoolleerkrachten over wie de heer Perra het heeft, zich gewoon houden, als ze een vrijeschool gestalte willen geven.

Het voorbeeld dat hij hier geeft lijkt mij absoluut niet relevant voor ‘het’ vrijeschoolonderwijs!

Zijn 2e voorbeeld betreft de dierkunde in klas 4, dat hier is te vinden.

vrijeschool en antroposofie: alle artikelen
Meer commentaren op onzinnige kritiek:

Geschiedenis of hoe een schriftjesgeleerde stokpaardje rijdt

Atlantis of hoe de Jonghe een kreupel stokpaardje als oude koe uit de sloot haalt
Een belegen berichtje als bewijs

De Jonghes Atlantis
Het belegen berichtje in een nieuw jasje

In een sukkeldrafje verder op een kreupel (Trojaans) paardje

Atlantis: generaliseren en erin leggen
Vertaling van Andreas Lichte generaliseren und hineininterpretieren

Atlantis, ooooo die schriftjes toch
“bewijzen” voor racisme in geschiedenisschriftjes uit klas 5

214-202

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.