Categorie archief: vrijeschool pedagogie

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over dierkunde (GA 301)

.

GA=Gesamt Ausgabe, de genummerde boeken en voordrachten van Rudolf Steiner.

Na de tekst in groen, volgt steeds de vertaling; opmerkingen in blauw van mij.

RUDOLF STEINER OVER DIERKUNDE

GA 301  8e voordracht

blz. 127

Ein Verhältnis zur Welt müssen wir gerade dadurch gewinnen, daß in der richtigen Weise der naturgeschichtliche Unterrichtsstoff an das Kind herangebracht wird. Es hilft gar nichts, wenn wir dem Kinde die auf­einanderfolgenden Klassen der Tiere beschreiben oder die aufeinander­folgenden Klassen und Arten und so weiter der Pflanzen beschreiben und dann, gewissermaßen um nicht trocken zu werden, auch einmal mit den Kindern einen Spaziergang machen, um die Pflanzen im Freien den Kindern zu zeigen; das nützt eigentlich gar nicht viel. Ge­wiß, nach der instinktiven Veranlagung wird ja der eine Lehrer mehr, der andere weniger bewirken. Er wird recht viel durch eine gewisse ihm selbst eigene Hinneigung zur Natur auch in den Kindern anregen können. Aber dasjenige, was aus Geisteswissenschaft in den Menschen und in sein Gemüt übergehen kann, das ist doch noch etwas ganz ande­res, das bringt uns die Empfindung von einem lebendigen Zusammen­gehören des Menschen mit der ganzen übrigen Welt.
Man lacht heute darüber, daß eigentlich im ersten Drittel des 19.Jahrhunderts noch bei vielen Menschen ein Gefühl vorhanden war dafür, daß die ganze Tierwelt ein ausgebreiteter Mensch ist. Wir haben ver­schiedene Tierklassen. Die eine Tierklasse ist nach der einen Richtung einseitig gebildet, die andere Tierklasse nach der anderen Richtung. Wir können uns einen Überblick verschaffen über die verschiedenen Tierklassen, Tiergattungen, Tierarten und so weiter. Der Mensch ent­hält alles das an Kräften, an innerer Gestaltung, was über die Tiere verteilt ist. Davon ging die naturwissenschaftliche Betrachtung, sagen wir, noch eines Oken aus. Mit Feuer vertrat Oken so etwas. Man suchte draußen in der Natur niedere Tiere. Heute sagt die materialistische Naturwissenschaft, diese niederen Tiere, die seien in der Urzeit da­gewesen, sie hätten sich allmählich vervollkommnet, und daraus sei der heutige Mensch entstanden, ein vervollkommnetes physisches Wesen. Auf die Einzelheiten brauchen wir hier nicht einzugehen, da wir es hier nicht mit gewöhnlicher Wissenschaft, sondern mit Pädagogik zu tun haben. Aber kann man denn nicht sehen, wie dasjenige, was mensch­liches Haupt ist, außen die knöcherne Schale, innen die weichen Teile,   

Een verhouding tot de wereld moeten we juist daardoor krijgen dat op de juiste manier plant- en dierkundelesstof aan het kind bijgebracht wordt. Het helpt natuurlijk helemaal niets wanneer we het kind de op elkaar volgende klassen der dieren beschrijven of de op elkaar volgende klassen en soorten enz. van planten en dan, in zekere zin om niet te droog te worden, ook eens een keer met de kinderen een wandeling maken om hun de planten in de vrije natuur te tonen; dat heeft eigenlijk helemaal geen zin.
Zeker, naar zijn intuïtieve aanleg zal de ene leerkracht meer, de andere minder op de wal slepen. Hij zal zeker veel door zijn eigen houding t.o.v de natuur ook de kinderen enthousiasmeren.
Maar hetgeen wat uit de geesteswetenschap in de mens en in zijn gevoelshouding over kan gaan, dat is toch nog heel wat anders, dat brengt ons het gevoel van een levendig samenhoren van de mens met heel de andere wereld. Men lacht er heden ten dage om dat in het eerste derde deel van de 19e eeuw nog bij veel mensen het gevoel aanwezig was dat de hele dierenwereld een uitgebreide mens is. We hebben verschillende dierklassen. De ene is eenzijdiger gevormd naar de ene richting, een andere dierklasse naar de andere richting. Wij kunnen een overzicht maken van de verschillende dierklassen, diersoorten enz. De mens heeft al deze krachten die over de dieren zijn verdeeld. Daarvan ging de natuurwetenschappelijke opvatting, laten we zeggen die van Oken, uit. Met elan stond Oken voor zoiets. Men zocht buiten in de natuur de lagere diersoorten. Tegenwoordig zegt de materialistische natuurwetenschap, dat deze lagere dieren die er al sinds de oertijd zijn, langzaam naar een volmaaktere vorm geëvolueerd zijn en dat daaruit de mens van nu ontstaan is, een volmaakt fysiek wezen.
We hoeven hier niet op de details in te gaan, omdat we hier niet met gewone wetenschap, maar met pedagogie te maken hebben.
Maar kan men dan niet zien, hoe dat wat het menselijk hoofd is, ook de benige schaal, binnen de weke delen,

blz. 128

gerade gewissen niederen Tieren ähnlich sieht? Nehmen Sie Schnecken, nehmen Sie Muscheltiere, die sind ähnlich dem menschlichen Haupte. Und wenn Sie unsere mehr oder weniger entwickelten Vögel nehmen, so werden Sie sich sagen müssen: Da ist in Anpassung an die Luft, in Anpassung an die ganze übrige Lebensweise dasjenige ganz besonders ausgebildet, was beim Menschen zurücktritt als innere Lungenbildung und dergleichen. Wenn Sie sich das wegdenken, was beim Menschen in die Gliedmaßen fließt, wenn Sie sich denken die ganze Organisation mehr im Innern gehalten und angepaßt an die Lebensverhältnisse in der Luft, dann bekommen Sie die Organisation des Vogels. Vergleichen Sie die Organisation des Löwen oder der Katze mit der Organisation des Rindes, Sie werden überall sehen: bei der einen Tiergattung ist das eine Glied der Organisation mehr ausgebildet, bei der anderen Tiergattung ein anderes Glied der Organisation mehr ausgebildet. Jede Tiergattung ist auf eines hin besonders organisiert. Von der Schnecke können wir sagen: sie ist fast ganz Kopf, sie hat nichts anderes als Kopf. Nur ist sie ein einfacher, primitiver Kopf. Der menschliche Kopf ist komplizierter. Vom Vogel können wir sagen: er ist gewissermaßen ganz Lunge, entsprechend umgebildet, weil alles andere verkümmert ist.

precies op bepaalde lagere dieren lijkt? Neem de slakken eens, neem de mosselen, die lijken op het menselijke hoofd. En wanneer u onze meer of minder ontwikkelde vogels neemt, dan zou u moeten zeggen: daar is aangepast aan de lucht, aangepast aan de verdere leefwijze, precies datgene is heel bijzonder ontwikkeld, wat bij de mens terugtreedt als inwendige longvorming enz. Wanneer u datgene wegdenkt wat bij de mens in de ledematen stroomt, wanneer u zich voorstelt heel die bouw meer inwendig gehouden en aangepast aan de levensverhoudingen in de lucht, dan krijgt u de bouw van de vogels. Vergelijkt u de bouw van de leeuw of de kat met de bouw van een rund, overal zult u vinden: bij de ene diersoort is het ene deel van het organisme meer gevormd, bij de andere diersoort een ander deel meer gevormd. Iedere diersoort is wat één aspect betreft bijzonder gevormd.
Van de slak kun je zeggen: die is bijna helemaal kop; die heeft niets anders dan een kop. Maar het is maar een eenvoudige, primitieve kop. Het menselijke hoofd is veel gecompliceerder.
Over de vogel kunnen we zeggen: die is in zekere zin helemaal long, die voor dat doel is omgevormd, terwijl al het andere verkommerd is.

Vom Löwen können wir sagen: er ist gewissermaßen ganz Blut­zirkulation und Herz. Vom Rind können wir sagen: es ist ganz Magen. Und so können wir draußen in der Natur die verschiedenen Gattungen und Arten so charakterisieren, daß wir hinschauen auf die einzelnen Organe. Das, was ich jetzt sage, das kann durchaus auch in sehr ein­facher, primitiver Weise gesagt werden. Und dann, wenn man die Welt des Tierreiches überschaut und alles dasjenige, was da wie der große Fächer von Wesenheiten auseinandergebreitet ist, wenn man das dann vergleicht mit der menschlichen Organisation, wie im Menschen alles abgerundet ist, wie kein Organisationssystem sich vordrängt, eines an das andere angepaßt ist, da finden wir: Ja, bei den Tieren sind immer die Organsysteme an die Außenwelt angepaßt; beim Menschen sind nicht die Organsysteme an die Außenwelt angepaßt, sondern eins ans andere. Der Mensch ist eine abgeschlossene Totalität, eine abgeschlos­sene Ganzheit, was ich Jhnen hier nur skizzenhaft andeuten kann.
Denken Sie sich einmal, wir verwenden alles, was wir verwenden können, das naturgeschichtliche Kabinett der Schule, jeden Spazier­gang, den wir mit den Kindern machen, alles dasjenige, was das Kind erlebt hat, wir verwenden alles, um in lebendiger Darstellung zu schildern

Over de leeuw kunnen we zeggen: die is in zekere zin helemaal bloedcirculatie en hart. Over het rund kunnen we zeggen: die is helemaal maag. En zo kunnen we buiten in de natuur de verschillende soorten zo karakteriseren, dat we kijken naar de verschillende organen. Dat, wat ik nu zeg, kan ook zeker op een heel eenvoudige, simpele manier gezegd worden. En dan, wanneer je de wereld van het dierenrijk overziet en alles wat je daar als een grote waaier van wezens uitgebreid ziet, wanneer je dat dan vergelijkt met het menselijk organisme, hoe in de mens alles vervolmaakt is, hoe geen orgaansysteem de overhand heeft, het een aan het ander is aangepast, dan vinden we: Ja, bij de dieren zijn de orgaansystemen steeds aan de buitenwereld aangepast; bij de mens zijn ze dat niet, maar het ene aan het andere. De mens is een gesloten totaliteit, een gesloten eenheid, wat ik u hier maar als schets kan aangeven.
Denkt u zich eens in, we gebruiken alles wat we gebruiken kunnen, de planten- en diereninhoud uit de leermiddelenkast, iedere wandeling die we met de kinderen hebben gemaakt, alles wat de kinderen beleefd hebben, we benutten alles om zo levendig mogelijk te brengen

blz. 129

wie der ganze Mensch gewissermaßen ein Kompendium der Tier­welt ist, wie in ihm alles harmonisch gestaltet, abgerundet ist, wie die Tiere einseitige Ausbildungen darstellen und deshalb keines die volle Beseelung haben kann, und wie der Mensch die Anpassung des einen Organsystemes an das andere darstellt und gerade dadurch die Mög­lichkeit, ein vollbeseeltes Wesen zu sein, erhält.
Wir können uns, wenn wir selber ganz überzeugt und durchgeistigt sind von diesem Verhält­nis des Menschen zur Welt der Tiere, dann aufschwingen, dieses Ver­hältnis auch lebendig zu schildern, so daß die Darstellung eine ganz objektive ist, aber daß zu gleicher Zeit der Mensch sein Verhältnis zur Welt fühlt. Denken Sie doch nur, was es denn für einen Wert hat, wenn man heute dem Menschen im materialistischen Zeitalter sagt, er sei die Krone der Erdenschöpfung. Er versteht es ja nicht im einzelnen. Er be­trachtet sich. Er betrachtet das einzelne Tier. Er betrachtet nicht jedes ein­zelneTier so, daß er versucht zu erkennen, wie dies Organsystem bei die­ser, wie ein anderes bei der anderen Tierklasse einseitig ausgebildet ist. Er betrachtet auch nicht das Zusammenfassende im Menschen. Wenn wir dies tun, dann wird unser Erkennen unmittelbar ein Fühlen, ein Empfinden unserer Stellung zur Welt, dann hören wir auf, egoistisch nur in uns zu fühlen, dann geht unser Gefühl hinaus in die Wel.

hoe de hele mens in zekere zin een samenvatting van de dierenwereld is, hoe in hem alles vervolmaakt is, hoe de dieren eenzijdig gevormd zijn en daarom geen van hen de volle bezieling kan hebben en hoe de mens toont dat het ene orgaansysteem aan het andere is aangepast en juist daardoor de mogelijkheid krijgt een geheel bezield wezen te zijn.
We kunnen als we er zelf helemaal van overtuigd zijn – wanneer de volle geestelijke werkelijkheid ons eigendom geworden is – dan kunnen we deze verhouding van de mens tot de  dierenwereld ook bezield schilderen (met woorden), zodat wat we neerzetten een geheel  objectieve voorstelling van zaken is, maar dat tegelijkertijd de mens zijn verhouding tot de wereld aanvoelt. Bedenk eens wat het voor waarde zou hebben, wanneer je tegenwoordig de mensen in dit materialistische tijdperk zegt dat hij de kroon van de schepping is. Dat begrijpt hij in detail niet. Hij kijkt naar het dier op zich. Hij bekijkt niet ieder dier zo, dat hij probeert te leren kennen hoe het ene orgaansysteem bij dit, hoe een ander orgaansysteem bij een andere diersoort eenzijdig gevormd is. Hij bekijkt ook niet hoe het in de mens tot een synthese komt. Wanneer we dit doen, wordt ons kennen meteen een voelen, een invoelen van onze plaats in de wereld, dan stoppen we ermee egoïstisch alleen in ons zelf te voelen, dan gaat ons gevoel uit naar de wereld.

Man versuche nur einmal in diesem Sinne zu unterrichten, und man wird sehen, welchen Wert ein solches Unterrichten für das Gemüt des Kindes hat. Es verwandelt sich solches Erkennen durchaus in Empfin­dung. Der Mensch wird unter dem Einfluß eines solchen Erkennens nach und nach bescheiden. Der Unterrichtsstoff wird wirklich als Er­ziehungsmittel verwendet. Was nützt es denn, wenn wir immer wieder sagen, wir sollen nicht bloß trocken unterrichten, nicht bloß dem Kinde Wissensstoff beibringen, wenn wir keine Möglichkeit haben, den Wis­sensstoff so umzuwandeln, daß er unmittelbar Erziehungsmittel wird? Der Unterrichts­stoff muß eben zum Erziehungsmittel gemacht werden. Der naturgeschichtliche Unterricht wird es mit Bezug auf die Tierheit durch eine Behandlung im angedeuteten Sinne und indem wir ihn nicht an das Kind herankommen lassen, bevor es das 9. Jahr überschritten hat.

Probeer eens op deze manier les te geven en je zult zien wat voor waarde dit heeft voor het gevoelsleven van het kind. Dit soort kennis metamorfoseert zeer zeker in invoelen. De mens wordt onder invloed van dit kennen geleidelijk aan bescheiden. De lesstof wordt inderdaad als opvoedingstof gebruikt. Wat heeft het voor zin wanneer we iedere keer weer zeggen dat we niet alleen maar droog les moeten geven, niet alleen aan het kind stof om te weten moeten bijbrengen, wanneer we geen kans zien deze stof zo te veranderen dat het direct opvoedingsmiddel wordt?
Lesstof moet nu een maal tot opvoedingsmiddel gemaakt worden. Het onderwijs m.b.t. dieren wordt dit, door de behandeling op de aangegeven manier en wanneer we het niet aan het kind aanbieden voordat het het negende jaar gepasseerd is.
GA 301/127-129
Vertaald

blz. 131

Mit dem Tierreich etwas, was überall auf den Menschen hinweist. Der Mensch fühlt sich selber wie heraussynthetisiert aus den Einseitigkeiten des Tierreiches. Keine Tierspezies betrachten wir, ohne daß wir auf dasjenige im Menschen hinweisen, was diese Tierspezies besonders einseitig entwickelt hat. Das Tierreich wird uns ganz ein aus­einandergelegtes Menschenreich, ein fächerförmig ausgebreitetes Men­schenreich.

Met het dierenrijk hebben we iets dat overal naar de mens wijst. De mens voelt zich als een wezen dat uit de eenzijdigheden van het dierenrijk tot een synthese is gekomen. We bekijken geen diersoort, zonder dat we op datgene in de mens wijzen  wat deze diersoort eenzijdig ontwikkeld heeft. Het dierenrijk wordt voor ons helemaal een uiteengelegde mens, een waaiervormig uitgebreid mensenrijk.

blz. 132

(  )  aber heute, heute können wir aller­dings die gesamte Tierwelt wie fächerförmig ausgebreitet im Menschen schildern, den Menschen so als die Synthese der ganzen tierischen Welt hinstellen. Wir tragen alles, was dann in der Tierreihe mit den Kindern beobachtet wird, an den Menschen heran. Wir haben die Möglichkeit, dem Kinde, indem es die Augen nach außen richtet, gewissermaßen die Elemente seines Menschtums vor Augen zu stellen.
Das eine Mal bringen wir das Tierreich in engstes Verhältnis zum Menschen, das andere Mal bringen wir das Pflanzenreich in das engste Verhältnis zu dem, was außermenschlich, objektiv ist.
Mit anderen Worten: auf der einen Seite rufen wir das empfindende Verstehen des Tierreiches und des Menschen selbst durch die Betrachtung des Tierreiches hervor;( )

(  ) maar tegenwoordig, vandaag de dag, kunnen we zeer zeker heel de dierenwereld als een waaiervormige uitgebreide mens neerzetten, de mens op deze manier als een synthese van heel de dierenwereld. We brengen alles wat we met de kinderen aan dieren bekijken met de mens in verband. We hebben de mogelijkheid in zekere zin het kind elementen te tonen van wat hij als mens is wanneer hij de wereld buiten hem bekijkt.
De ene keer brengen we het dierenrijk in de intiemste verhouding tot de mens, de andere keer brengen we het plantenrijk in de intiemste verhouding tot de mens, tot wat buiten de mens objectief is.
GA 301/131-132
Vertaald

.

Rudolf Steiner over dierkundealle artikelen

Dierkundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld4e klas dierkunde

.

1386-1297

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over dierkunde (GA 300B)

.

GA=Gesamt Ausgabe, de genummerde boeken en voordrachten van Rudolf Steiner.

Na de tekst in groen, volgt steeds de vertaling; opmerkingen in blauw van mij.

RUDOLF STEINER OVER DIERKUNDE

GA 300B    blz. 14

Wenn man mit Naturbeschreibungen aus der Tier- und Pflanzenwelt nach dem vollendeten neunten Lebensjahre beginnt und dieselben so hält, daß aus den Formen und Lebensvorgängen der außermensch­lichen 300b/15 Welt die menschliche Form und die Lebenserscheinungen des Menschen verständlich werden, so kann man diejenigen Kräfte im Zögling wecken, die in diesem Lebensabschnitt nach ihrem Ent­bundenwerden aus den Tiefen des Menschenwesens streben. Dem Charakter, den das Ich-Gefühl in dieser Lebensepoche annimmt, ent­spricht es, das Tier- und Pflanzenreich so anzusehen, daß, was in ihnen an Eigenschaften und Verrichtungen auf viele Wesensarten verteilt ist, in dem Menschenwesen als dem Gipfel der Lebewelt wie in einer harmonischen Einheit sich offenbart.

Wanneer je met natuurbeschrijvingen uit de dier- en plantkunde na het ge-eindigde negende levensjaar begint en die zo vormgeeft dat uit de vormen en levensprocessen van de wereld buiten de mens, de menselijke vorm en hoe de mens leeft, begrijpelijk wordt,  dan kun je die krachten in de opvoedeling wekken die in deze leeftijdsfase uit de diepten van het mensenwezen een weg zoeken, nadat ze vrij gekomen zijn. Het past bij de aard van het Ik-gevoel op deze leeftijd om zo naar het dieren- en plantenrijk te kijken dat de vele eigenschappen en activiteiten verdeeld zijn over vele exemplaren, die in de mens als hoogste wezen in een harmonische eenheid tot uitdrukking komen.
GA 300B/14
Niet vertaald

GA 300C  blz. 98   vergadering 18-09-1923

Es wird gefragt wegen der Gruppierung der Tiere, ob man das in Parallele zu den Lebensaltern bringen kann.
Dr. Steiner: Man muß die andere Sache vorausschicken, die Gliede­rung mit dem Menschen. Das andere ist sekundär. Nachdem man die große Gliederung angegeben hat, Kopftiere, rhythmische Tiere, Stoffwechseltiere, kann man es versuchen. Man wird nicht eine pri­märe Systematik daraus bekommen.

Er wordt gevraagd naar een indeling van de dieren, of je die parallel kan laten lopen met de leeftijdsfasen.
Dr.Steiner: je moet het andere vooropstellen, de verdeling met de mens. Het andere komt op de tweede plaats. Nadat je de grote verdeling hebt aangegeven, hoofddieren, ritmische dieren, stofwisselingsdieren, kun je het proberen. Je zal er geen primaire systematiek door krijgen.
GA 300C/98
Niet vertaald

.

Rudolf Steiner over dierkundealle artikelen

Dierkundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas dierkunde

.

1385-1296

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over dierkunde (GA 297)

..

GA=Gesamt Ausgabe, de genummerde boeken en voordrachten van Rudolf Steiner.

Na de tekst in groen, volgt steeds de vertaling; opmerkingen in blauw van mij.

RUDOLF STEINER OVER DIERKUNDE

GA 297  2e voordracht  blz. 50-52

blz. 50

Nehmen wir an, wir wollen begreiflich machen dem Kinde nach dem neunten Jahr den Unterschied der niederen Tiere von den höheren Tieren und vom Menschen; da geht man vom Menschen aus. Man vergleiche die niederen Tiere mit dem, was am Menschen ist; vergleiche die höheren Tiere mit dem, was am Menschen ist. Wenn man den Menschen beschrieben hat seinen Formen nach, seinen Lebensverrichtungen nach, dann kann man das, was man am Menschen so gefunden hat, anwenden auf niedere und höhere Tie­re. Das versteht das Kind. Da soll man nicht aus Banausentum oder Banalität heraus immer die Sorge haben, man rede über den Hori­zont des Kindes hinaus. Heute redet man manchmal über den Horizont der Erwachsenen hinaus; aber nicht über den Horizont des Kindes würde man hinausreden, wenn man zum Beispiel dem Kinde, aber natürlich erstens mit innerer Begeisterung und zwei­tens mit einer wirklichen Auffassung der Sache, beibrächte: Sieh dir die niederen Tiere an! – Man versetze es in die Gelegenheit, sagen wir einen Tintenfisch kennenzulernen. Dann gehe man, immer die entsprechenden Begriffe verwendend, dazu über, zu zeigen: mit welchen Teilen des vollkommenen Menschen ist denn der Tinten­fisch am meisten verwandt? Da kann das Kind dann schon verste­hen, daß der Tintenfisch am meisten verwandt ist mit dem Kopf

-Laten we eens aannemen dat we het kind na het negende jaar het verschil tussen de lagere dieren met de hogere en met de mens willen bijbrengen; dan moeten we van de mens uitgaan. Je vergelijkt de lagere dieren met dat wat de mens heeft; je vergelijkt de hogere dieren met dat wat de mens heeft. Wanneer je de mens hebt beschreven wat zijn vorm betreft en zijn levensprocessen, [het Duits heeft hier ‘Lebensverrichtungen’. Het gaat bij de dierkunde om hoofd, romp en ledematen/stofwisseling en daarbij horen de functies denken, voelen, willen. Dus zou Steiner hier met Lebensverrichtung bedoelen ‘wat het denken verricht’  – de bezigheid van. Ik heb hier gekozen voor ‘proces’; misschien is ‘functie’ beter. Wanneer het om de mens gaat op deze manier, wordt de vorm – hier bv. het hoofd, samengenoemd met de functie: denken, als Lebensverrichtung
dan kun je dat wat je zo bij de mens gevonden hebt, gebruiken bij de lagere en hogere dieren. Dat begrijpt het kind. Je moet niet uit bekrompenheid of banaliteit steeds zorgen hebben dat je boven het niveau van het kind spreekt. Tegenwoordig spreekt men vaak boven het plafond van de volwassenen; maar niet boven dat van het kind spreek je, wanneer je het, ten eerste vanzelfsprekend vanuit een innerlijk enthousiasme en ten tweede met een werkelijk begrip van de zaak, bijv. zou bijbrengen: Kijk eens naar de lagere dieren! Je biedt de mogelijkheid, laten we zeggen, dat ze een inktvis leren kennen.
Daarna ga je, steeds de corresponderende begrippen gebruikend, ertoe over te laten zien: met welke delen van de totale mens is de inktvis nu het meest verwant? Het kind kan dan best begrijpen dat de inktvis het meest verwant is met het hoofd van de mens.

blz. 51

des Menschen. Es ist nämlich die Wirklichkeit so, daß die niederen Tiere zwar einfach gestaltet sind, aber daß die Gestaltung, die ein­fach sich bei den niederen Tieren findet, beim menschlichen Haup­te wiederkehrt. Das menschliche Haupt ist nur komplizierter aus­gestaltet als die niederen Tiere. Und das, was sich bei den höheren Tieren, zum Beispiel bei den Säugetieren findet, das ist nur zu vergleichen mit dem, was sich im Rumpfleben des Menschen vor­findet. Die höheren Tiere müssen wir nicht mit dem Kopfleben des Menschen vergleichen, sondern mit dem Rumpfleben. Und gehen wir beim Menschen über zum Gliedmaßenleben, dann müssen wir sagen: Sieh dir einmal das Gliedmaßenleben des Menschen an; das hat er, so wie es ausgestaltet ist, einzig und allein für sich. So wie der menschliche Arm und die Hände ausgestaltet sind als Anhäng­sel des Leibes, in denen sich das Geistig-Seelische frei bewegt, so ist ein Gliedmaßenpaar in der ganzen Tierwelt nicht vorhanden. Wenn man beim Affen von vier Händen spricht, so ist das nur eine un­eigentliche Ausdrucksweise, denn die dienen schon von der Natur aus zum Halten, zum Fortbewegen des Leibes. Aber beim Men­schen sehen wir in einer merkwürdigen Art differenziert Füße und Hände, Arme und Beine.

Het is namelijk werkelijk zo dat de lagere dieren weliswaar eenvoudig gevormd zijn, maar dat die eenvoudige vorm die je bij de lagere dieren vindt, in het menselijke hoofd terugkeert. Het menselijke hoofd is alleen gecompliceerder van vorm dan de lagere dieren. En wat je bij de hogere dieren bijv. bij de zoogdieren vindt, is slechts te vergelijken met wat je aantreft bij de menselijke romp.
De hogere dieren moeten we niet met de hoofdactiviteiten vergelijken, maar met die van de romp. En wanneer we bij de mens overgaan tot de ledematen, dan moeten we zeggen: Kijk eens naar de ledematen van de mens; die heeft, zoals die zijn gevormd, alleen hij. Zoals de menselijke arm en de handen gevormd zijn, zoals die aan het lijf zitten, zoals geest en ziel zich daarin vrij kunnen bewegen, zo’n ledematenpaar is in heel de dierenwereld niet aanwezig. Wanneer men bij de apen over vier handen spreekt, dan is dat alleen maar een oneigenlijke manier van uitdrukken, want zij dienen slechts van de natuur uit om het lichaam in stand te houden, tot het bewegen van het lichaam. Maar bij de mensen zien we op een merkwaardige manier voeten en handen, armen en benen gedifferentieerd.

Wodurch ist der Mensch eigentlich Mensch? Nicht wahr, nicht durch seinen Kopf; der ist nur eine vollkommenere Ausgestaltung desjenigen, was schon bei den niederen Tieren sich findet. Das, was beim niederen Tier sich findet, ist fortentwickelt am menschlichen Kopf. Aber worin der Mensch Mensch ist, worin er hervorragt über die Tierwelt, das ist sein Gliedmaßensystem. Das, was ich Ihnen jetzt hier gezeigt habe, das können Sie natürlich nicht in dieser Form an die Kinder heranbringen. Aber Sie übersetzen es so, daß das Kind nach und nach solche Dinge aus der Anschauung heraus empfinden lernt. Dann werden Sie durch Ihre Erziehung unendlich viel von dem hinwegschaffen, was aus ganz geheimnis­vollen Untergründen heraus unsere gegenwärtige moralische Kul­tur verdirbt. Unsere gegenwärtige moralische Kultur wird vielfach dadurch verdorben, daß der Mensch auf sein Haupt so unendlich stolz und hochmütig ist – aber er würde es nicht sein, wenn es

Waardoor is de mens eigenlijk mens; niet door zijn hoofd, niet waar; dat is alleen maar een volmaakte vorm van wat we bij de lagere dieren aantreffen. Wat je bij de lagere dieren vindt, heeft zich in het menselijke hoofd verder ontwikkeld. Maar waardoor de mens mens is, dat is zijn ledematenstelsel. Dat wat ik u hier nu verteld heb, kunt u natuurlijk niet op deze manier aan de kinderen vertellen. Maar u verandert het zodanig dat het kind langzamerhand zulke dingen uit de waarneming ervaren kan. Zodoende kunt u met uw opvoeding oneindig veel opruimen van wat uit een heel ondoorzichtige achtergrond onze huidige morele cultuur bederft. Deze morele cultuur wordt bedorven door het feit dat de mens wat zijn hoofd betreft, nogal trots en hoogmoedig is. Dat zou hij niet zijn, wanneer hij

blz. 52

weiter ausgebildet würde, was da zugrunde gelegt werden kann -, während er stolz und hochmütig sein könnte gerade auf sein Gliedmaßensystem, das zur Arbeit dient, das zum Hineinstel­len in die Welt der sozialen Ordnung dient.
Der naturwissenschaftliche Unterricht in bezug auf die Tierwelt kann in unbewußter Weise in die Menschennatur ein richtiges Ge­fühl des Menschen von sich selbst und von der sozialen Ordnung hineininfiltrieren. Das wird Ihnen zeigen, daß die pädagogischen Fragen allerdings viel tiefere Untergründe haben, als man heute ge­wöhnlich glaubt, daß sie zusammenhängen mit großen, umfassenden Kulturfragen. Das wirft doch ein Licht auf den naturwissen­schaftlichen Unterricht, wie er sich zu gestalten hat nach dem neun­ten Jahr. Alles läßt sich in Beziehung auf den Menschen behandeln, aber so, daß jetzt neben dem Menschen überall die Natur auftritt und der Mensch wie eine große Zusammenfassung der Natur erscheint. Das würde dem Kinde viel geben, wenn man bis gegen das zwölfte Jahr hin diese Gesichtspunkte festhalten würde.

wist wat er aan het hoofd ten grondslag ligt; op zijn ledematen zou hij wel trots mogen zijn want ze dienen het werk en de sociale orde in de wereld.
Natuurwetenschappelijk onderwijs kan met betrekking tot de dierenwereld in de mens onbewust een goed gevoel doen binnenkomen over zichzelf en over het sociale leven. Dat laat u zien dat de pedagogische vragen zeer zeker een diepere achtergrond hebben, dan men tegenwoordig wel gelooft; dat ze samenhangen met de grote, omvangrijke cultuurvragen. Dat werpt toch een licht op het natuurwetenschappelijk onderwijs en hoe dat vorm te geven na het negende jaar.Alles kun je behandelen met het oog op de mens, maar zodanig dat nu naast de mens overal natuur aanwezig is en dat de mens als een grote samenvatting van de natuur in verschijning treedt. Dat zou voor het kind veel kunnen betekenen, als je tot aan het 12e jaar deze gezichtspunten vast kan houden.
GA 297/50-52
Vertaald op deze blog/50-52

.

Rudolf Steiner over dierkundealle artikelen

Dierkundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld4e klas dierkunde

.

1383-1294

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 301 voordracht 13

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

GA 301: vertaling
inhoudsopgave;     voordracht:   [1]  [2]  [3]  [4]  [5]  [6]  [7]  [8]  [9]  [10]  [11]  [12]   [14]

RUDOLF STEINER:

DE VERNIEUWING VAN DE PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE KUNST DOOR GEESTESWETENSCHAP

14 voordrachten gehouden te Bazel van 20 april tot en met 11 mei 1920, met vragenbeantwoording en inleidende woorden bij twee euritmieopvoeringen [1]

13e voordracht Bazel, 10 mei 1920 [2]

Inhoudsopgave
Spel van kind:
Schiller over ‘speldrift’
spel en droom
verschil in mens wat betreft oordeel na het 20e jaar door kinderlijk spelen voor de tandenwisseling
na de tandenwisseling gezelschapspel
geesteswetenschap en psychologie|
i.p.v. definities karakteriseren
meetkunde
ontwikkeling ruimtelijk gevoel, perspectief, schaduwleer.

blz. 202

Das kindliche Spiel

Ich werde diese letzten Vorträge so gestalten, wie es sich ergibt durch diese oder jene Fragestellung, die an mieh entweder schriftlich oder mündlich ergangen ist; ich werde auch versuchen, noch einiges ergän­zend zu dem einen oder anderen hinzuzufügen, das ich schon vorge­bracht habe. Zunächst möchte ich bemerken, daß jene Befruchtung, die für die pädagogische Kunst von seiten der Geisteswissenschaft ausgehen könnte, unter vielem anderen darin bestehen soll, daß die Erziehungs­kunst durch Geisteswissenschaft wirklich in die Lage kommt, sach­gemäß den Blick auf die ganze Entwickelung des Menschen zu lenken.
Wir haben ja gesehen, wie so etwas wie Geschichtsbetrachtung eigent­lich erst gegen das 12. Jahr für den heranwachsenden Menschen frucht­bar gemacht werden kann. Denn in der Geschichtsbetrachtung liegt schon eine Art Vorbereitung für das Lebensalter, das erst mit der Ge­schlechtsreife, also mit dem 14. oder 15. Jahr beginnt.

het spel van het kind

Ik wil de laatste voordrachten zo geven zoals ze ontstaan door deze of die vraag die mij schriftelijk of mondeling is gesteld; ik zal ook proberen om nog wat aan te vullen bij wat ik al gezegd heb. Allereerst wil ik opmerken dat de inspiratie die voor de pedagogische kunst van de geestesewetenschap uit kan gaan, naast het vele andere, daaruit moet bestaan dat de opvoedkunst door de geesteswetenschap daadwerkelijk zo wordt dat ze adequaat de blik weet te richten op de hele ontwikkeling van de mens.
We hebben al gezien dat zoiets als naar geschiedenis kijken eigenlijk voor de opgroeiende mens pas tegen het 12e jaar zinvol gedaan kan worden. Want in de geschiedenisbeschouwing ligt al een soort voorbereiding voor de leeftijd die dan met de puberteit, dus met het 14e of 15e jaar, begint.

Da beginnt beim Menschen im Grund erst die Fähigkeit, aus dem Innern heraus zu urteilen. Urteilsvermögen, nicht bloß intellektualistisches Urteilsver­mögen, sondern umfassendes Urteilsvermögen nach allen Richtungen hin, kann sich erst nach der Geschlechtsreife entwickeln. Erst mit der Geschlechtsreife wird jenes übersinnliche Glied der menschlichen Wesen­heit, das Träger der Urteilskraft ist, aus der übrigen menschlichen Natur heraus geboren. Man nenne dieses Glied wie man will. In mei­nen Büchern habe ich es astralischer Leib genannt, aber auf den Namen kommt es nicht an. Ich sagte, nicht allein beim intellektualistischen Be­urteilen merkt man dies, sondern bei jeder Art von Urteil im weitesten Sinne. Sie werden vielleicht etwas erstaunt darüber sein, daß ich das, was ich jetzt bezeichnen will, auch unter die Sphäre des Urteils fasse. Allein würden wir hier eine ausführliche Psychologie treiben können, so würde man das, was ich sage, auch psychologisch nachweisen können. Wenn wir zum Beispiel den Versuch machen, das Kind vor der Geschlechtsreife

Dan krijgt de mens in feite pas het vermogen vanuit het innerlijk te oordelen. Oordeelsvermogen – niet alleen maar intellectualistisch oordeelsvermogen, maar een omvattend vermogen tot oordelen in alle opzichten – kan zich pas ontwikkelen na de geslachtsrijpheid. Pas hierna wordt het bovenzintuiglijk wezensdeel van de mens dat drager is van de kracht tot oordelen, vanuit de natuur van de mens geboren. Noem dit wezensdeel maar zoals je wilt. In mijn boeken heb ik het astraallijf genoemd, maar op de naam komt het niet aan. Ik zei, niet alleen bij het intellectualistisch beoordelen merk je dit, maar bij iedere vorm van oordelen, welke dan ook maar. U zal er misschien wat verbaasd van opkijken dat ik, wat ik nu karakteriseren wil, ook in de oordeelsfeer trek. Zouden we hier een omvangrijke psychologie kunnen bedrijven, dan zouden we, wat ik zeg, ook psychologisch kunnen aangeven. Wanneer we bijv. proberen vóór de puberteit

blz. 203

aus seinem eigenen Geschmacksurteil heraus rezitieren zu lassen, so verdirbt man Entwickelungskräfte der menschlichen Natur, die im Grunde erst später in Anspruch genommen werden sollen, und die eben verdorben werden, wenn sie vor der Geschlechtsreife in An­spruch genommen werden. Auch das Fällen eines selbständigen Ge­schmacksurteils ist erst nach der Geschlechtsreife möglich. Wenn ein Kind vor dem 14., 15. Jahr zum Deklamieren angehalten werden soll, so geschehe es in Anlehnung an denjenigen, der eben als selbstverständ­liche Autorität neben dem Kinde steht. Das heißt, das Kind soll Gefal­len finden an der Art und Weise, wie der andere rezitiert. Nicht soll das Kind angeleitet werden, selber aus seinem Geschmacksurteil heraus etwas so zu betonen, so etwas nicht zu betonen, den Rhythmus so oder so zu gestalten, sondern das Kind soll auf Autorität hin auch in bezug auf die Geschmacksführung sich leiten lassen. Gerade das Gebiet des intimen Kindeslebens soll man ja nicht vor der Geschlechtsreife aus dem Folgen der selbstverständlichen Autorität herauszuführen suchen. Ich sage immer »selbstverständliche Autorität«, weil ich durchaus nicht eine aufgezwungene oder gar eine blinde Autorität meine, sondern ich gehe ja von dem aus, was sich einer unbefangenen Beobachtung ergibt:

het kind vanuit zijn eigen oordeel, naar eigen smaak te laten reciteren, dan bederf je ontwikkelingskrachten van de menselijke natuur die in de grond van de zaak pas later aangesproken mogen worden en die dus bedorven worden, wanneer ze vóór de puberteit worden aangesproken. Ook het vellen van een zelfstandig smaakoordeel is pas na de puberteit mogelijk. Wanneer een kind voor het 14e, 15e jaar gevraagd moet worden om voor te dragen, dan zou dat met behulp van de vanzelfsprekende autoriteit die naast het kind staat, moeten gebeuren. Dat betekent dat een kind het fijn moet vinden hoe de ander reciteert. Het kind moet niet aangespoord worden om zelf vanuit een smaakoordeel zo de nadruk te leggen op dit, niet op dat, het ritme zus of zo te nemen, maar het kind moet op autoriteit zich, wat betreft zijn smaak, laten leiden door de autoriteit. Juist het gebied van het meer innerlijke leven van een kind zou je niet vóór de puberteit moeten proberen los te maken van het navolgen van de vanzelfsprekende autoriteit. Ik zeg steeds ‘vanzelfsprekende autoriteit’, omdat ik beslist niet bedoel een afgedwongen of zelfs een blinde autoriteit, maar ik ga uit van wat voor een onbevangen waarnemen blijkt als:

Das Kind will vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife neben sich die Autorität haben. Es verlangt das. Es hat Sehnsucht danach. Und dieser Sehnsucht, die aus der Individualität des Kindes kommt, soll man ent­gegenkommen.
Wenn Sie solche Dinge im umfassenden Sinne ins Auge fassen, dann werden Sie sehen, daß in der Darstellung, in welcher ich hier versucht habe, einiges skizzenhaft über pädagogische Kunst zu sagen, immer Rücksicht auf die Gesamtentwickelung des Menschen genommen wird. Darum wird gesagt, man soll zwischen dem 7. und 14. Jahr nichts an­deres in das kind hineinbringen, als was für das ganze Leben dann fruchtbar sein kann. Man muß eben sehen, wie ein Lebensalter auf das andere wirkt. Ich werde gleich ein sprechendes Beispiel dafür geben. Das Kind mag längst aus der Schule fort sein, ist vielleicht längst er­wachsen, da zeigt sich erst, was wir in der Schule aus ihm gemacht haben und was nicht. Aber es zeigt sich nicht nur in einer allgemeinen, abstrakten, es zeigt sich in einer ganz konkreten Weise.
Betrachten wir von diesem Gesichtspunkte aus einmal das kindliche Spiel, und zwar gerade jenes Spiel, das beim allerjüngsten Kind zwi­schen der Geburt und dem Zahnwechsel auftritt. Dieses Spiel beruht

Het kind wil vanaf de tandenwisseling tot aan de puberteit een autoriteit naast zich hebben. Dat wil het. Daar verlangt het naar. En aan dit verlangen dat uit de individualiteit van het kind komt, moet je tegemoetkomen.
Wanneer u zulke dingen op een omvattende manier bekijkt, zal u zien in de verhandeling waarin ik hier geprobeerd heb, een en ander als schets over pedagogische kunst te zeggen, dat er steeds rekening wordt gehouden met de totale ontwikkeling van de mens.
Daarom wordt gezegd dat je tussen het 7e en het 14e jaar niets anders aan het kind moet geven dat wat voor zijn verdere leven vruchtbaar kan zijn. Je moet wel zien, hoe de ene leeftijd op de andere inwerkt. Ik zal daar zo een sprekend voorbeeld van geven.
Het kind mag al lang van school zijn, is misschien al lang volwassen, wanneer voor het eerst blijkt wat wij op school van hem gemaakt hebben en wat niet. Maar dat vertoont zich niet alleen op een algemene, abstracte manier, het vertoont zich heel concreet.
Laten we op deze manier eens kijken naar het spel van het kind en met name het spel dat het allerjongste kind tussen geboorte en tandenwisseling laat zien. Dit spel berust

blz. 204

ja selbstverständlich nach der einen Seite hin auf dem Nachahmungs-trieb. Die Kinder machen das nach, was sie bei den Erwachsenen sehen; aber sie machen es anders; sie machen es vor allen Dingen so, daß sie weit entfernt sind von dem Zweck und der Nützlichkeit, die der Er­wachsene mit gewissen Handlungen verbinden muß. Das Spiel wird nur der formalen Seite nach eine Nachahmung der Erwachsenen-Tätig­keit darstellen, nicht der materiellen Seite nach. Die Nützlichkeit, das zweckmäßige Sichhineinstellen in das Leben bleibt fort. Das Kind emp­findet eine Befriedigung an der Tätigkeit, die der Betätigung der Er­wachsenen nahe verwandt ist. Nun kann man untersuchen: was ist denn da eigentlich tätig? Wenn man das, was in der Spielbetätigung zum Vorschein kommt, studieren will und dabei die wahre Wesenheit des Menschen so erkennen will, daß man praktisch an der Entwicke­lung des Menschen sich betätigen kann, so muß man fortwährend die einzelnen Tätigkeiten der menschlichen Seele ins Auge fassen, auch diejenigen, welche sich dann auf die leiblichen Organe übertragen, sich gewissermaßen auf sie ausgießen. So einfach ist das nicht. Das Studium der Spielbetätigung im ausgedehntesten Maße wäre jedoch für die päd­agogische Kunst schon ganz außerordentlich wichtig.

enerzijds vanzelfsprekend nog op de drang tot nabootsen. De kinderen doen na wat ze bij de volwassenen zien; maar ze doen het anders; ze doen het vooral zo dat doel en nuttigheid achterwege blijven die de volwassene met bepaalde handelingen moet verbinden. Het spel zal alleen voor de vorm een nabootsing van een volwassenenactiviteit laten zien, niet naar de materiële kant. De nuttigheid, het zich richten naar een doel in het leven, blijft achterwege. Het kind vindt genoegen in de bezigheid, die heel verwant is aan de activiteit van de volwassene. Nu kun je onderzoeken: wat is er dan eigenlijk actief? Wanneer je wil bestuderen wat er in de spelactiviteit tevoorschijn komt en daarbij het ware wezen van de mens zo wil leren kennen. dat je in de praktijk kunt werken aan de ontwikkeling van de mens, dan moet je voortdurend de aparte activiteiten van de menselijke ziel bekijken, ook die overgaan in de lichamelijke organen, daar in zekere zin in uitvloeien. Zo simpel is dat niet. De studie van de spelactiveit in de ruimste zin zou echter voor de pedagogische kunst buitengewoon belangrijk moeten zijn.

Nun hängt diese Spielbetätigung mit Mannigfaltigem zusammen. Da sollte man sich doch erinnern, daß einmal von einem tonangebenden Geistesmenschen das Wort geprägt worden ist: Der Mensch ist nur so lange ganz Mensch, als er spielt, und der Mensch spielt nur, so lange er ganz Mensch ist. Dieses Wort hat Schiller in einem Brief geprägt, als er Goethes »Wil­helm Meister« in gewissen Partien gelesen hatte. Das freie Spiel mit den Seelenkräften, wie es sich entfaltet in der künstlerischen Gestaltung des »Wilhelm Meister«, erschien Schiller als etwas, das er nur verglei­chen konnte mit einem Erwachsenwordensein des kindlichen Spiels. Und im Grunde schrieb Schiller seine Briefe: »Uber die ästhetische Er­ziehung des Menschen« ganz aus dieser Gesinnung heraus. Schiller schrieb ja aus der Gesinnung heraus, daß man als erwachsener Mensch mit der Betätigung, die man im gewöhnlichen Leben zu üben hat, eigentlich nie ganz Mensch ist. Entweder folgt man, meint Schiller, der sinnlichen Notdurft, demjenigen, was die Sinne fordern; dann steht man unter einem gewissen Zwang. Oder man folgt der logischen Not­wendigkeit, die man von der Vernunft vorgeschrieben erhält, dann folgt man der Vernunftnotwendigkeit und ist wieder kein freier Mensch. Frei, meint Schiller, ist man eigentlich nur im künstlerischen Schaffen

Nu hangt deze spelactiviteit met heel veel samen. Roep maar in herinnering dat eens door een toonaangevende grote geest gezegd is: ‘De mens is slechts volledig mens als hij speelt en de mens speelt slechts zolang hij volledig mens is.’ Deze woorden heeft Schiller [4] in een brief geformuleerd, toen hij van Goethes ‘Wilhelm Meister’ bepaalde gedeelten gelezen had. Het vrije spel met de zielenkrachten, zoals zich dat ontvouwt in de kunstzinnige vormgeving van ‘Wilhelm Meister’, was voor Schiller iets, wat hij alleen maar kon vergelijken met het volwassen geworden zijn van het spel van een kind. En uit de aard van de zaak schreef Schiller zijn brieven: Over de esthetische opvoeding van de mens’ helemaal vanuit deze sfeer. Schiller schreef vanuit de stemming dat je als volwassen mens met de activiteiten die je in het dagelijks leven moet ontplooien, eigenlijk nooit volledig mens bent. Of je volgt, volgens Schiller, de zinnelijke behoefte, wat de behoeften vragen; dan sta je onder een bepaalde dwang. Of je volgt de logische noodzaak die je verstand je voorschrijft, dan volg je de verstandsdwang en dan ben je ook geen vrij mens. Vrij, zegt Schiller, ben je eigenlijk alleen maar als je kunstzinnig scheppend bent

blz. 205

und im künstlerischen Sinnen. Das ist gewiß begreiflich bei einem Künstler wie Schiller, aber es ist einseitig, da es in bezug auf die Er­fassung der Freiheit der Seele viel menschliches Erleben gibt, das ebenso nur innerlich verläuft, wie dasjenige, was Schiller unter Freiheit ver­steht. Aber die Lebensform, in der Schiller den Künstler befindlich denkt, ist tatsächlich so, daß der Mensch Geistiges erlebt, wie wenn es natürlich und notwendig wäre, und wiederum Sinnliches so, wie wenn es schon Geistiges wäre. Das ist ja gewiß beim künstlerischen Genießen und auch beim künstlerischen Schaffen der Fall. Man schafft im sinn­lichen Material, aber man schafft nicht nach Nützlichkeit, nicht nach äußeren Zweckmäßigkeitsprinzipien. Man schafft so, wie es die Idee will – wenn man das Wort im weitesten Sinne gebraucht -, aber man schafft auch nicht in abstrakten Ideen nach logischen Notwendigkeiten, sondern beim künstlerischen Schaffen ist man so dabei, wie man bei Hunger und Durst dabei ist. Es ist eine ganz persönliche Notwendig­keit. Schiller fand, daß der Mensch sich so etwas erringen kann im Leben, daß aber das Kind auf naturgemäße Weise dieses Spiel hat, in welchem es gewissermaßen in der Welt der Erwachsenen lebt, aber nur so, daß es seine Individualität befriedigt, daß es sich auslebt im Ge­schaffenen, ohne daß das Geschaffene zu irgend etwas dient.

en in het kunstzinnig denken. Dat is wel begrijpelijk bij een kunstenaar als Schiller, maar het is eenzijdig, daar er m.b.t. de opvatting over vrijheid van de ziel veel menselijke belevingen zijn die net zo innerlijk verlopen als wat Schiller onder vrijheid verstaat. Maar de levensvorm, waarin Schiller de kunstenaar plaatst, is inderdaad zo, dat de mens iets geestelijks beleeft alsof het natuurlijk is en niet anders kan en het overpeinzen dan weer zo alsof het al iets geestelijks is. Dat is zeker het geval wanneer je van het kunstzinnige geniet en bij het kunstzinnig vormgeven. Je creëert iets met stoffelijk materiaal, maar niet om iets nuttigs te maken, niet met gezichtspunten van doelmatigheid. Je schept iets volgens een idee – wanneer je het woord in de ruimste zin gebruikt – maar ook niet met abstracte ideeën volgens logische noodzaak, maar bij het kunstzinnig scheppen ben je daar net zo bij alsof je honger en dorst hebt. Het is een persoonlijke behoefte. Schiller vond dat de mens zoiets in zijn leven kan bereiken, dat een kind echter van nature dit spel heeft, waarbij het dan in zekere zin in de wereld van de volwassene leeft, maar alleen zo, dat het zijn individualiteit tevreden stelt, dat het zich uitleeft in het creëren, zonder dat de creatie ergens voor dient.

Nun, das war eine Betrachtung, die angestellt worden ist im Beginne des 19. Jahrhunderts und am Ende sogar des 18. Jahrhunderts von Schiller, und die einen anregen kann, die Sache weiter zu verfolgen. In der Tat, die psychologische Bedeutung des Spieles, sie ist nicht so ganz einfach zu finden. Man muß ja sich sagen: Hat nun die besondere Art von Spieltätigkeit, die das Kind ausübt vor dem Zahnwechsel, eine Bedeutung für das ganze Menschenleben? Man kann, wie gesagt, sie so analysieren, wie das Schiller versucht hat unter der Anregung von Goethes gewissermaßen Erwachsenen-Kindlichkeit. Man kann aber diese Spieltätigkeit auch mit einer anderen Betätigung der menschlichen Wesenheit vergleichen. Man kann diese Spieltätigkeit des Kindes vor dem Zahnwechsel mit der Traumtätigkeit vergleichen. Da wird man sehr wohl gewisse bedeutsame Analogien finden. Nur just beziehen sich diese Analogien bloß auf den Verlauf, auf den Zusammenhang des­jenigen, was das Kind in der Spielbetätigung tut. So wie das Kind im Spiel die Dinge zusammenstellt – was es auch immer zusammenstelle -, so stellt man, wenn auch nicht mit äußeren Dingen, sondern nur mit Gedanken, mit Bildern, im Traume die Bilder zusammen, wenn auch

Welnu, dat was een beschouwing die gegeven werd in het begin van de 19e eeuw en op het eind van de 18e eeuw zelfs door Schiller en die je kan aansporen het onderwerp verder te volgen. Inderdaad, de psychologische betekenis van spel is niet zo makkelijk te vinden. Gezegd dient te worden: heeft die bijzondere manier van spelactiviteit die het kind uitvoert vóór de tandenwisseling nu een betekenis voor het hele mensenleven? Je kan – zoals gezegd – het zo analyseren als Schiller het geprobeerd heeft, gestimuleerd in zekere zin door de volwassen-kinderlijkheid van Goethe. Je kan echter de activiteit van het spelen ook met een andere activiteit van de mens vergelijken. Je kan de spelactiviteit van het kind vergelijken met de droom. Daarbij vind je zeker belangrijke overeenkomsten. Maar die hebben alleen betrekking op het verloop, op de samenhang van wat het kind doet als het speelt. Zoals het kind in zijn spel de dingen bij elkaar brengt – wat dan ook – zo stel je, al is dat dan ook niet met uiterlijke dingen, maar alleen met gedachten, met beelden, in je droom de beelden samen, maar ook

blz. 206

nicht in allen Träumen, aber in einer sehr wesentlichen Klasse von Träumen. Man bleibt im Träumen tatsächlich das ganze Leben hin­durch in einem gewissen Sinne Kind. Man kann aber, um die Sache nun zu einem wirklichen Real-Erkennen zu bringen, dabei nicht stehen­bleiben, das Spiel mit dem Traume zu vergleichen, sondern man muß sich fragen: Wann tritt denn im Leben des Menschen etwas ein, wo­durch diejenigen Kräfte, die in diesem ersten kindlichen Spiel bis vor dem Zahnwechsel entwickelt werden, für das ganze äußere Menschen­leben fruchtbar werden, wann hat man eigentlich die Früchte des kind­lichen Spiels? Da meint man gewöhnlich, man müsse in der unmittel­bar darauffolgenden Lebensepoche diese Früchte des kindlichen Spieles suchen, und das ist es eben, was Geisteswissenschaft erst zeigen soll, wie in einer Art von rhythmischen Wiederholungen das Leben abläuft. So wie man einen Pflanzenkeim hat, aus dem sich Blätter entwickeln in mannigfaltigen Gestalten, erst Kelchblätter, dann Blütenblätter und so weiter, und dann kommt erst wiederum der Keim, wie da dazwi­schen etwas liegt und die Wiederholung des Früheren nach einer Zwi­schenperiode auftritt, so ist es tatsächlich auch im Menschenleben.

weer niet in alle dromen, maar in een heel bepaald soort dromen. Je blijft wanneer je droomt inderdaad je hele leven in zekere zin kind. Je kan echter, om de zaak nu daadwerkelijk te leren kennen, niet blijven staan bij het vergelijken van het spel met de droom, maar je moet je afvragen: wanneer vindt er in het leven van de mens iets plaats waardoor de krachten die in dit eerste kinderlijke spel vóór de tandenwisseling ontwikkeld worden, voor het hele uiterlijke leven van de mens vruchtbaar worden, wanneer pluk je eigenlijk de vruchten van het kinderlijke spel? Gewoonlijk denkt men dat je die wel in de aansluitende leeftijdsfase moet zoeken en de geesteswetenschap moet nu aantonen hoe het leven verloopt in een soort ritmische herhalingen. Net zoals je een kiem van een plant hebt waaruit blaadjes komen in verschillende vormen, eerst kelkbladeren, dan bloembladeren enz en dan pas weer de kiem, zoals daartussen iets ligt en de herhaling van wat voorafging, er na een tussentijd weer is, zo is dat daadwerkelijk ook in een mensenleven.

Man ist durch die mannigfaltigste Betrachtungsweise dahin gebracht worden, das Menschenleben lediglich so aufzufassen, als wenn jedes folgende Zeitalter die Wirkung des vorangehenden wäre. Das ist nicht der Fall. Gibt man sich einer unbefangenen Beobachtung hin, so findet man, daß die eigentlichen Früchte derjenigen Lebensbetätigung, die im ersten Spiel auftritt, erst in den Zwanzigerjahren herauskommen. Was wir uns im Spiel von der Geburt bis zum Zahnwechsel erwerben, was da traumhaft vom Kinde dargelegt wird, das sind Kräfte der jetzt noch ungeborenen Geistigkeit des Menschen, der noch nicht in den Körper hinein absorbierten, oder resorbierten, wenn Sie besser wollen, Gei­stigkeit des Menschen. Das ist so: Ich habe Ihnen auseinandergesetzt, wie dieselben Kräfte, die an dem Menschen bis zum Zahnwechsel hin organisch arbeiten, dann selbständig sind, wenn sie die Zähne geboren haben, als Vorstellungs-, als Denktätigkeit; da wird gewissermaßen aus dem Leiblichen etwas herausgezogen. Das, was das Kind betätigt im Spiel, was auch noch nicht zusammenhängt mit dem Leben, dem keine Nützlichkeit innewohnt, das ist dagegen etwas, was noch nicht mit dem Leib zusammengewachsen ist; so daß das Kind eine seelische Betätigung hat, die im Leibe arbeitet bis zum Zahnwechsel und dann zum Vorscheine kommt als Kraft zur Bildung von Begriffen, die dann

Men is er door allerlei beschouwingswijzen toe gekomen het mensenwezen alleen maar zo te zien, als zou iedere volgende fase het gevolg zijn van de voorafgaande. Dat is niet het geval. Als je het onbevangen bekijkt, vind je, dat de eigenlijke vruchten van die activiteit die met het eerste spelen plaatsvindt, pas na je twintigste manifest worden. Wat we met het spel van de geboorte tot de tandenwisseling opdoen, wat op een dromerige manier door het kind gedaan wordt, zijn krachten van de geest die dan in de mens nog niet geboren is, van de geest die nog niet in het lichaam is opgenomen of weer opgenomen – als u dat liever hebt. Dat zit zo: ik heb u uitgelegd hoe dezelfde krachten die organisch aan de mens werken tot aan de tandenwisseling, zelfstandig zijn, wanneer er gewisseld wordt, als krachten om te kunnen voorstellen, als denkkracht; in zekere zin wordt er iets uit het lichamelijke gehaald. Dat wat het kind laat spelen, wat nog geen samenhang vertoont met het leven, waarin geen nuttigheidsprincipe zit, is daarentegen iets wat nog niet met het lichaam samengegroeid is; zodat het kind een activiteit van de ziel heeft die in het lichaam werkzaam is tot aan de tandenwisseling en dan tevoorschijn komt als kracht om begrippen te kunnen vormen, die dan

blz. 207

erinnert werden können. Auf der anderen Seite hat es eine geistig­seelische Betätigung, die gewissermaßen noch leicht ätherisch über das Kind hinschwebt, die sich im Spiel so betätigt, wie sich im ganzen Leben die Träume betätigen. Aber diese Tätigkeit wird beim Kinde eben nicht bloß im Traum, sie wird am Spiel, also doch an einer äußeren Realität, entwickelt. Was da an dieser äußeren Realität entwickelt wird, das tritt gewissermaßen zurück. Wie die keimbildende Kraft in der Pflanze im Blatt und im Blütenblatt zurücktritt und erst wiederum in der Frucht erscheint, so erscheint dasjenige, was da im Kinde angewendet und aufgewendet wird, erst wiederum etwa vom 21. oder 22. Jahre beim Menschen als der nun selbständig im Leben Erfahrungen sam­melnde Verstand. Und da möchte ich Sie bitten: Versuchen Sie diesen Zusammenhang wirklich aufzusuchen, gehen Sie wirklich gewissenhaft Kinder durch, versuchen Sie das Individuelle ihres Spieles zu begreifen, überhaupt das Individuelle der freien spielerischen Betätigung der Kinder zu begreifen bis zum Zahnwechsel hin, und machen Sie sich Bilder von den Individualitäten der Kinder, und setzen Sie zunächst hypothetisch voraus: 

herinnerd kunnen worden. Aan de andere kant is er een geest-zielenactiviteit die in zekere zin nog licht etherisch boven het kind zweeft die in het spel zo werkzaam is, zoals in het hele leven de dromen dat zijn. Maar deze activiteit wordt bij het kind dus niet alleen in de droom ontwikkeld, maar in het spel, in een uiterlijke activiteit dus. Wat aan deze uiterlijke werkelijkheid ontwikkeld wordt, trekt zich in zekere zin terug. Zoals de kiemvormende kracht in de plant zich terugtrekt in het blad en in het bloemblad en pas weer in de vrucht verschijnt, zo verschijnt wat in het kind, door het kind aan activiteit ontplooit wordt en wat het aan inspanning levert, pas weer vanaf het 21e of 22e jaar als het verstand dat nu zelfstandig in het leven ervaringen opdoet. En nu zou ik u willen vragen: probeert u deze samenhang daadwerkelijk op te zoeken, volg de kinderen serieus, probeer het eigene van hun spel te begrijpen, met name het individuele van de vrije spelactiviteit tot aan de tandenwisseling en neem dan als hypothese:

die individuelle Gestaltung, die im Spiel bis zum Zahnwechsel bemerkbar ist, die tritt in irgendeiner Weise im besonde­ren Charakter des selbständigen Urteilens des Menschen nach dem 20. Jahre wieder auf; das heißt, die Menschentypen nach dem 20. Jahre sind verschieden in bezug auf ihr selbständiges Urteilen, so wie die Kinder verschieden sind beim Spiel vor dem Zahnwechsel.
Denkt man so etwas aus der vollen Wirklichkeit heraus, dann be­kommt man tatsächlich ein, ich möchte sagen, unbegrenztes Ver­antwortlichkeitsgefühl gegenüber dem Erziehen und auch dem Unter­richten; denn man kommt dazu, sich zu sagen: Was du jetzt mit dem Kinde tust, das formt den Menschen noch über die Zwanzigerjahre hinaus. Man sieht aus dem, daß man das ganze Leben, nicht bloß das Kindesleben kennen muß, wenn man eine richtige Erziehungskunst aufbauen will.
Die weitere spielende Tätigkeit von dem Zahnwechsel bis zur Ge­schlechtsreife ist etwas anderes. Gewiß, die Dinge sind nicht streng voneinander geschieden, will man aber etwas Ordentliches erkennen gerade für das praktische Leben, so muß man die Dinge ordentlich scheiden. Wer beobachten kann, wird finden, daß die spielende Tätig­keit des Kindes bis zum 7. Jahre etwas von einem individuellen Cha­rakter hat. Das Kind ist gewissermaßen als Spielender eine Art Einsiedler.

het individuele karakter dat in het spel tot aan de tandenwisseling te zien is, komt op de een of andere manier in een bijzondere vorm weer terug bij het zelfstandig oordelen van de mens na z’n 20e jaar; dat betekent dat de mensen na hun 20e verschillend zijn m.b.t. hun zelfstandig oordelen, net zoals de kinderen van elkaar verschillen bij het spelen vóór de tandenwisseling.
Als dat vanuit de volle werkelijkheid tot je doordringt, dan krijg je echt een onbegrensd verantwoordelijkheidsgevoel voor het opvoeden en ook voor het onderwijs; want je zal de conclusie trekken: wat je nu met het kind doet, werkt nog vormend door tot in de jaren waarin hij 20 is. Hieraan zie je, dat je het hele leven moet kennen, niet alleen het leven van het kind, als je een echte opvoedkunst wil realiseren.
Het verdere spel vanaf de tandenwisseling tot aan de puberteit is iets heel anders. Natuurlijk zijn de dingen niet rigoreus van elkaar te scheiden, maar als je iets op een juiste manier voor het praktische leven wil leren kennen, moet je de dingen wel op de juiste manier uit elkaar houden. Wie kan waarnemen, zal vinden dat de spelactiviteit van het kind tot het 7e jaar een soort individueel karakter heeft. Het kind is in zekere zin spelend een soort kluizenaar.

blz. 208

Es spielt für sich. Gewiß, es will auch Hilfe haben, aber dann ist es ein furchtbarer Egoist, es will eben auch allein die Hilfe haben. Ein geselliges Leben für das Spiel tritt mit dem Zahnwechsel ein. Die Kinder wollen dann mehr untereinander spielen. Das tritt mit dem Zahnwechsel ein, wenigstens ist das der typische Fall, obwohl es gerade einzelne Ausnahmen gibt. Da hört das Kind auf, der Einsiedler im Spiel zu sein; es will mit andern Kindern seine Spiele machen und etwas im Spiel bedeuten. Dieses im Spiel etwas bedeuten wollen, das ist es, was insbesondere zwischen dem Zahnwedisel und der Ge­schlechtsreife auftritt. In militaristischen Ländern – ich weiß nicht, ob die Schweiz auch zu ihnen gehört, das will ich nicht entscheiden -, in militaristischen Ländern machen die Knaben insbesondere die Soldaten-spiele, die ja gesellige Spiele sind, bei denen die Knaben »etwas sein« wollen. Die meisten wollen mindestens General sein bei diesen Spielen; ein geselliges Element tritt ein in die kindlichen Spiele. Dabei bleibt der Charakter des Spiels gewahrt, indem das, was da im kindlichen Spiel geübt wird, sich nicht nach dem Zweckmäßigkeitsprinzip in das soziale Leben hineinstellt.

Het speelt op zichzelf. Zeker, het wil ook hulp hebben, maar dan is het een vreselijke egoïst: die wil de hulp voor hem alleen hebben. Gezelschapspel begint met de tandenwisseling. Dan willen de kinderen meer met elkaar spelen. Dat begint met de tandenwisseling, meestal is dat zo hoewel er ook wel uitzonderingen zijn. Dan be-eindigt het kind in het spel het kluizenaar zijn; dan wil het met andere kinderen spelen en in het spel iets betekenen. Dat laatste doet zich vooral voor tussen tandenwisseling en puberteit. In militaristische landen – ik weet niet of Zwitserland daar ook bij hoort, daar wil ik niets over zeggen – in militaristische landen spelen de kinderen vooral soldaatje, dat speel je met een groep, waarbij de jongens ‘iets willen zijn’. De meeste willen in zo’n spel op z’n minst generaal zijn; in het kinderlijke spel komt een element van ‘samen’. Daarbij blijft het karakter van het spel bewaard, als wat daar in het kinderlijke spel beoefend wordt, niet met een nuttigheidsdoel in het sociale leven een plaats krijgt.

Aber das Eigentümliche ist, daß man das, was als Geselliges auftritt, im Spiel vom Zahnwechsel bis zur Ge­schlechtsreife eigentlich wie das vorbereitende Element für das nächste Lebensalter findet. Es ist sehr eigentümlich, wie im nächsten Lebens­alter mit der Geschlechtsreife das selbständige Urteil auftritt, wo der Mensch sich der Autorität entreißt, sein eigenes Urteil bildet, als ein­zelner Mensch dem andern gegenübertritt. Vorbereitend tritt im kind­lichen Spiel, eben nicht ins äußere soziale Leben eingegliedert, sondern eben nur in der Spieltätigkeit, dieses gleiche Element gerade in der vor­hergehenden Lebensepoche auf. Das, was also in der vorhergehenden Lebensepoche auftritt im kindlichen, geselligen Spiel, ist das vorläufige Sichlosreißen von der Autorität. Wir müssen daher sagen: Das Spiel gibt dem Kinde bis zum 7. Jahre, bis zum Zahnwechsel, etwas, was ver­leiblicht erst im 21. oder 22. Jahre ins Menschenleben eintritt, womit erworben wird die selbständige Individualität des Verstandes- und Erfahrungsurteils und so weiter. Dasjenige aber, was vom 7. Jahre bis zur Geschlechtsreife im Spiele sich vorbereitet, das tritt früher in der Entwickelung im Lebenslaufe auf, das tritt dann von der Geschlechts-reife bis zum 21. Jahre auf. Das ist ein Übergreifen. Es ist sehr inter­essant, darauf aufmerksam zu werden, daß wir das, was wir für unse­ren Verstand, für unsere Lebenserfahrung, für unsere gesellige Zeit als

Het eigenaardige is nu, dat je, wat in het ‘samen’ gebeurt in het spel tussen de tandenwisseling en de puberteit, eigenlijk als een soort voorbereidend element voor de volgende leeftijdsfase aantreft. Heel opvallend, hoe in de volgende leeftijdsfase met de puberteit het zelfstandig oordeel ontstaat, waarbij de mens zich losmaakt van de autoriteit, zijn eigen oordeel vormt, als een individu tegenover de ander komt te staan. Voorbereidend zit er in het kinderspel, maar niet ingebed in het uiterlijke sociale leven, maar alleen maar in die speelactiviteit, ditzelfde element juist in die voorafgaande periode. Wat dus in die voorafgaande periode gebeurt in het samen spelen van de kinderen, is een eerste losmaken van de autoriteit. Vandaar dat we moeten zeggen: het spel geeft het kind tot zijn 7e jaar, tot zijn tandenwisseling, iets wat meer belichaamd zich pas voordoet in het 21e of 22e levensjaar, waarbij eigen wordt het zelfstandig indivduele in het verstandsoordeel en in het oordeel over ervaringen enz. Wat echter wordt voorbereid in het spel tussen het 7e jaar en de puberteit, komt eerder in de levensloop tot ontwikkeling, dat manifesteert zich dan vanaf de puberteit tot het 21e jaar. Dat overlapt elkaar. Het is zeer interessant op te gaan merken dat we, wat we aan vaardigheden hebben voor ons verstand, voor onze levenservaring, voor onze sociale tijd,

blz. 209

Fähigkeiten haben, den ersten Kinderjahren verdanken, wenn das Spiel ordentlich geleitet wird. Das hingegen, was in unseren Lümmel- oder Flegeljahren in die Erscheinung tritt, verdanken wir der Zeit von dem Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife. Da überschneiden sich also die Zusammenhänge in dem menschlichen Lebenslauf.
Solches Übergreifen von Zusammenhängen im menschlichen Lebens­lauf ist von fundamentaler Bedeutung, und das ist etwas, was der Psychologie entgangen ist. Denn das, was wir heute Psychologie nen­nen, gibt es auch erst seit dem 18.Jahrhundert. Vorher hatte man ganz andere Begriffskonfigurationen über den Menschen und die Menschen­seelen. Aber das entwickelte sich durchaus in dem Zeitalter, in dem schon der materialistische Geist und das materialistische Denken kamen, und daher konnte sich Psychologie trotz aller bedeutsamen Anfänge nicht so entwickeln, daß eine richtige Seelenwissenschaft entstanden wäre, die der Wirklichkeit gemäß mit dem ganzen Menschenleben rech­nete. Ich muß gestehen, ich habe mir sehr, sehr viel Mühe gegeben, auch das Allerbeste, was nur zu finden ist, in der Herbartschen Psychologie zu entdecken.  

te danken hebben aan onze eerste kinderjaren, toen het spelen goed begeleid werd. Wat daarentegen in onze vlegeljaren manifest wordt, hebben we te danken aan de tijd tussen de tandenwisseling en de puberteit. Daar overlappen de samenhangen in de menselijke levensloop elkaar.
Dat overlappen van samenhang in de menselijke levensloop is van een fundamentele betekenis en dat is de psychologie ontgaan. Want wat we nu psychologie noemen, bestaat pas sinds de 18e eeuw. Daarvoor had men heel andere begrippen over de mens en de menselijke ziel. Maar het kwam vooral tot ontwikkeling in een tijd waarin de materialistische geest en het materialistische denken al opkwamen en vandaar dat de psychologie, ondanks het heel belangrijke begin zich niet zo kon ontwikkelen dat er een echte wetenschap van de ziel ontstond die, rechtdoend aan de werkelijkheid, rekening houdt met het gehele mensenleven. Ik moet toegeven dat ik mij heel veel moeite getroost heb om het allerbeste te vinden wat maar in de psychologie van Herbart te ontdekken valt.

Die Herbartsche Psychologie ist scharfsinnig. Die Her­bartsche Psychologie bemüht sich tatsächlich, aus elementaren Bestand­teilen des Seelenlebens heraus auf eine gewisse Gestaltung der Seele hinzuarbeiten. Es ist außerordentlich viel Schönes in der Herbartschen Psychologie; allein man muß doch hinschauen darauf, was diese Her­bartsche Psychologie bei guten Herbartianern für eigentümliche An­sichten hervorgerufen hat.
Ich kannte einen ganz hervorragenden Herbartianer sehr nahe, den Astheten Robert Zimmermann, der auch eine Philosophische Pro­pädeutik mit einer Psychologie für Gymnasiasten geschrieben hat und Herbart für das 19. Jahrhundert einen Kantianer von 1828 genannt hat. Der setzte in seiner psychologischen Schilderung als Herbart-Schü-1er tatsächlich das Folgende auseinander: Wenn ich Hunger habe, so strebe ich nicht danach, das Nahrungsmittel zu erhalten, welches den Hunger befriedigt, sondern eigentlich nur danach, daß die Vorstellung des Hungers aufhört und von der Vorstellung der Sättigung abgelöst wird. Ich habe es nur zu tun mit einer Bewegung von Vorstellungen. Es ist eine Vorstellung da, welche gegen Hemmungen aufkommen muß, die sich gegen Hemmungen heraufarbeiten muß. Und das Essen sei eigentlich nur ein Mittel, um übergehen zu können von der Vorstellung des Hungers zu der Vorstellung der Sättigung.

De psychologie van Herbart is scherpzinnig. Die doet werkelijk moeite om uit elementaire delen van de ziel, toe te werken naar een bepaalde vorm van de ziel. Er zit buitengwoon veel moois in de psychologie van Herbart; alleen moet je toch kijken naar wat deze psychologie bij goede aanhangers van Herbart voor merkwaardige opvattingen opgeroepen heeft.
Ik kende een heel uitstekende aanhanger van Herbart van heel dichtbij, de estheticus Robert Zimmerman die ook een filosofische propedeuse met een psychologie voor gymnasiasten heeft geschreven en Herbart voor de 19e eeuw een aanhanger van Kant van 1828 heeft genoemd. Hij zette in zijn psychologische schets als leerling van Herbart inderdaad dit uiteen: wanneer ik honger heb, streef ik er niet naar eten te krijgen dat de honger stilt, maar eigenlijk alleen naar de voorstelling dat de honger verdwijnt en door de voorstelling van ik heb geen honger meer, afgewisseld wordt. Ik heb alleen maar te maken met een beweging van voorstellingen. Er is een voorstelling die zich tegen een stoornis moet richten, die boven de stoornis moet komen te staan. En het eten is eigenlijk alleen maar een middel om van de voorstelling honger over te gaan naar de voorstelling van voldaan zijn.

blz. 210

Wer nun die Wirklichkeit der menschlichen Natur nicht etwa im materialistischen Sinne, sondern gerade im spirituell-geistigen Sinne ins Auge fassen kann, der wird sehen, daß in dieser Art der Anschau­ung eben etwas einseitig Rationalistisches und Intellektualistisches steckt, und daß es notwendig ist, daß wir über dieses einseitig Intellek­tuelle hinauskommen und den ganzen Menschen gerade psychologisch erfassen. Dann werden wir von der Psychologie aus gar manches für die pädagogische Kunst fordern müssen, was sonst für diese pädago­gische Kunst nicht zum Vorschein kommen kann. Was wir in dem Menschen heranerziehen, heranunterrichten, dürfen wir nicht so be­trachten, daß es für das Kind gerade richtig sein soll, sondern das soll ein Lebendiges sein, das sich umbilden kann. Denn wir sehen ja, es gibt solche Zusammenhänge, wie ich sie dargestellt habe. Man muß rechnen damit, daß man das, was man in der Volksschule heranbildet bis zur Geschlechtsreife, in einer ganz anderen Form vom 15. bis zum 21., 22. Jahre im Menschen aufgehen sieht.
Der Volksschullehrer ist für den Gymnasiallehrer oder für den Universitätslehrer unendlich wichtig, ja, er ist wichtiger, weil der Uni­versitätslehrer gar nichts machen kann, wenn ihm der Volksschullehrer nicht richtig vorgebildete Kräfte hinaufschickt.

Wie nu de werkelijkheid van de menselijke natuur niet alleen maar zo’n beetje in materialistische zin, maar vooral in spiritueel-geestelijke zin opvatten kan, zal zien, dat op deze manier van bekijken wel iets eenzijdig rationalistisch en intellectualistisch zit en dat het noodzakelijk is dat wij uitstijgen boven dit eenzijdig intellectuele en heel de mens, met name psychologisch, begrijpen. Dan zullen we van de psychologie heel veel voor de pedagogische kunst moeten eisen, wat anders voor deze pedagogische kunst niet tevoorschijn kan komen. Wat we de mens aan opvoeding geven, hem leren, mogen we niet zo bekijken dat het voor het kind wel goed moet zijn, maar het moet iets levends zijn, dat veranderen kan. Want we zien nu eenmaal, dat er zulke samenhangen bestaan, zoals ik ze heb laten zien. Je moet er rekening mee houden dat je wat je in de basisschool aanlegt tot aan de puberteit, op een heel andere manier vanaf het 15e tot het 21-, 22e jaar op ziet komen.
De basisschoolleerkracht is voor de docent of voor wie colleges geeft op de universiteit ontzettend belangrijk, ja die is belangrijker, omdat de universitaire docent helemaal niets doen kan, wanneer de basisschoolleerkracht hem niet de op een juiste manier voorgevormde krachten stuurt.

Das ist tatsächlich von einer großen Bedeutung, daß man mit diesen zusammengehörigen Lebensabsehnitten wirklich rechnet. Man wird dann sehen, daß reale Anhaltspunkte nur aus der Geisteswissenschaft heraus zu gewinnen sind.
Nun aber bedenken Sie, was alles in der Schule getrieben wird, weil man in Abhängigkeit lebt von gewissen Vorurteilen. Sicherlich, es ist schon manches aus gewissen Instinkten heraus besser geworden; es muß aber radikal besser werden – man definiert zum Beispiel noch zu viel. Man sollte, so viel es geht, vermeiden, vor den Kindern irgendwelche Definitionen zu geben. Definitionen legen immer die Seele fest, und ein Definitionsbegriff bleibt das Leben hindurch und macht das Leben zu etwas Totem. Wir sollen aber so erziehen, daß das, was wir in die kindliche Seele hineintragen, lebendig bleibt. Nehmen wir an, jemand bekommt als Kind im 9. Jahre oder im 11. Jahre von dem oder jenem einen Begriff, also im 9. Jahre, sagen wir, von einem Löwen, im ii. oder 12. Jahre von der griechischen Kultur. Schön, das bekommt es. Aber diese Begriffe sollen nicht so bleiben. Es sollte das gar nicht mög­lich sein im Leben, daß einer sagt mit 30 Jahren: Ich habe diesen oder jenen Begriff vom Löwen, den habe ich in der Schule gelernt. Ich habe

Het is inderdaad heel belangrijk dat je met deze fasen in het leven daadwerkelijk rekening houdt. Dan zal je zien dat werkelijke aanknopingspunten alleen vanuit de geesteswetenschap ontwikkeld kunnen worden.
Denk eens aan wat er al zo in school gedaan wordt, wanneer je afhankelijk bent van bepaalde vooroordelen. Zeker, er is al veel verbeterd vanuit een soort instinct; maar het moet nog veel en veel beter worden – er worden bijv. nog te veel definities gegeven. Je zou, voor zover het gaat, moeten vermijden de kinderen wat voor soort definities ook, te geven. Definities pinnen altijd de ziel vast en een definitiebegrip duurt een leven lang en maakt het leven tot iets doods .Wij moeten echter zo opvoeden dat wat we aan de kinderziel geven, levend blijft. Laten we aannemen dat iemand als kind van 9 of 11 van dit of dat, dus als hij 9 jaar is – laten we zeggen – een begrip krijgt van een leeuw, in het 11e of 12e jaar van de Griekse cultuur. Mooi, dat krijgt het. Maar deze begrippen moeten niet zo blijven. Het zou helemaal niet mogelijk moeten zijn dat iemand zegt op z’n 30e: ik heb dit of dat begrip van een leeuw, dat heb ik op school geleerd.

blz. 211

diesen oder jenen Begriff vom Griechentum, das habe ich in der Schule gelernt. Das müßte eigentlich etwas werden, was überwunden wird. Geradeso wie das andere an uns wächst, so soll dasjenige, was uns der Lehrer gibt, auch wachsen, soll ein Lebendiges sein. Wir sollen solche Begriffe vom Löwen, solche Begriffe vom Griechentum bekommen, die durch sich selber im 30., 40. Jahre nicht mehr das sind, was sie gewesen sind in der Schule, sondern die so lebendig sind, daß sie sich mit dem Leben umgestalten. Dazu müssen wir charakterisieren und nicht defi­nieren. Wir müssen versuchen mit Bezug auf die Bildung der Begriffe, dasjenige nachzumachen, was wir beim Malen oder auch beim Photo­graphieren tun können; da können wir uns nur auf eine Seite hinstellen und einen Aspekt geben, oder auf die andere Seite hinstellen und einen anderen Aspekt geben und so weiter. Erst wenn wir von mehreren Seiten einen Baum photographiert haben, können wir eine Vorstellung davon gewinnen. Man ruft zu stark die Idee hervor: durch die Defi­nition habe man etwas. Man sollte versuchen, auch mit Gedanken, mit Begriffen so zu arbeiten wie mit dem photographischen Apparat, und soll auch kein anderes Gefühl hervorrufen als dieses, 

Ik heb dit of dat begrip van de Grieken, dat heb ik op school geleerd. Dat zou nu iets moeten worden, wat we overwinnen. Net zoals het andere aan ons groeit, moet hetgeen de leerkracht ons geeft, ook groeien, het moet iets levends zijn. We moeten zulke begrippen van de leeuw, van de Griekse cultuur krijgen die vanuit zich als je 30, 40 jaar bent, niet meer zo zijn als ze op school waren, maar die zo levend zijn dat ze met het leven mee veranderen. Daarvoor moet je karakteriseren en niet definiëren. We moeten proberen wat het vormen van begrippen betreft, net zo te doen als we bij het schilderen of ook bij het fotograferen kunnen doen; dan kunnen we maar op één standpunt staan en een aspect belichten of aan de andere kant gaan staan en een ander aspect belichten enz. Pas wanneer we een boom van verschillende kanten gefotografeerd hebben, kunnen we een voorstelling van hem krijgen. Je roept te sterk het idee wakker: door de definitie heb je iets. Je zou moeten proberen, ook met gedachten, met begrippen zo te werken als met je fototoestel en je moet ook geen ander gevoel oproepen dan

daß man von ver­schiedenen Seiten her ein Wesen oder ein Ding charakterisiert, nicht definiert. Definitionen sind eigentlich nur dazu da, daß man sie, wenn man will, an den Anfang stellt, damit man in diesem einen Punkt sich mit dem Lehrer verstehen kann. Dazu sind Definitionen im Grunde da. Es ist etwas radikal gesprochen, aber im wesentlichen doch so. Das Leben liebt keine Definitionen. Und im Geheimen sollte der Mensch immer empfinden, wie er durch das falsche Definieren Postulate zu Dogmen macht. Das ist sehr wichtig, daß der Lehrer das weiß. Statt daß wir sagen: Zwei Wesen, die zu gleicher Zeit nicht an ein und dem­selben Orte sein können, nennen wir undurchdringlich – wobei wir bewußt den Begriff der Undurchdringlichkeit aufstellen und dann für diesen Begriff die Sache suchen -, statt daß wir so vorgehen, sagen wir:
Körper sind undurchdringlich, weil sie nicht zu gleicher Zeit an ein und demselben Orte sein können. Wir dürfen nicht Postulate zu Dogmen machen, sondern wir haben nur ein Recht zu sagen: Wir nennen die­jenigen Körper undurchdringlich, die nicht zu gleicher Zeit an einem und demselben Orte sein können. Wir müssen uns der bildenden Kraft unserer Seele bewußt bleiben und müssen in dem Kinde auch nicht die Vorstellung erwecken, daß es, bevor es innerlich das Dreieck erkannt hat, das Wesentliche vom Dreieck in der äußeren Welt begreifen kann. 

dat je een wezen of een ding vanuit verschillende kanten karakteriseert, niet definieert. Definities zijn er eigenlijk alleen maar om ze, als je dat wil, voorop te stellen, zodat je op dit ene punt de leraar begrijpt. Daar zijn in de aard van de zaak de definities voor. Het is wat boud gesproken, maar in wezen is het toch zo. Het leven houdt niet van definities. Heimelijk zou de mens steeds moeten merken hoe hij door het verkeerd definiëren postulaten tot dogma’s verheft. Het is erg belangrijk dat de leekracht dat weet. In plaats dat wij zeggen: twee wezens die tegelijkertijd niet op een en dezelfde plaats kunnen zijn, noemen we ondoordringbaar – waarbij we bewust het begrip ondoordringbaarheid formuleren en dan bij dit begrip de dingen zoeken – in plaats van te zeggen: ‘Lichamen zijn ondoordringbaar, omdat ze niet tegelijkertijd op een en dezelfde plaats kunnen zijn.’ We mogen geen postulaten tot dogma’s verheffen, we hebben alleen maar het recht te zeggen: we noemen die lichamen ondoordringbaar die niet tegelijkertijd op een en dezelfde plaats kunnen zijn. We moeten ons wel bewust blijven van de vormende kracht van onze ziel en we moeten bij het kind ook niet de voorstelling wekken dat het, voor het innerlijk de driehoek heeft leren kennen, het wezenlijke van de driehoel in de buitenwereld kan begrijpen.

blz. 212

Daß man charakterisieren soll und nicht definieren, hängt zusam­men mit der Erkenntnis, daß dasjenige, was in einem Menschenzeitalter auftritt, vielleicht erst in einem sehr fernen Zeitalter in seinen Früchten erkannt wird, und daß man deshalb nicht tote, sondern lebendige Be­griffe, lebendige Empfindungen dem Kinde übermitteln soll. Und so soll man auch versuchen, Geometrie zum Beispiel so lebendig als mög­lich zu gestalten. Ich habe vor einigen Tagen über das Rechnen gespro-ehen – über das Rechnen mit Brüchen und mit ähnlichem will ich dann, bevor morgen der Kursus zu Ende geht, einige Bemerkungen machen -, aber über das Geometrische möchte ich heute noch einiges anfügen, das sich ganz gut anschließt erstens an eine Frage, die mir gestellt worden ist, und zweitens an dasjenige, was ich eben jetzt ausgesprochen habe.
Das Geometrische wird von demjenigen, der selbst gewisse Erfah­rungen mit der Geometrie gemacht hat, wirklich so empfunden wer­den können, daß es allmählich aus dem Ruhenden ins Lebendige her-eingeholt werden sollte. Eigentlich reden wir doch von etwas sehr allgemeinem, wenn wir sagen: Die Winkelsumme eines Dreiecks ist 180 Grad. Das ist bei jedem Dreieck der Fall, nicht wahr. Können wir uns aber jedes Dreieck vorstellen?

Dat je moet karakteriseren en niet definiëren hangt samen met het inzicht dat wat er in een mensenleven gebeurt, misschien pas op een veel latere leeftijd herkend wordt aan zijn vruchten en dat je daarom geen dode, maar levende begrippen, levende gevoelens aan het kind moet geven. En dus moet je ook proberen om bijv. meetkunde zo levend mogelijk te geven. Ik heb een paar dagen geleden over het rekenen gesproken – over het rekenen met breuken e.d. wil ik dan morgen voor het einde van de cursus nog een paar opmerkingen maken – maar over de meetkunde zou ik vandaag nog een paar dingen willen aanvullen dat ten eerste heel goed aansluit bij een vraag die me is gesteld en ten tweede bij hetgeen ik net uitgesproken heb.
Meetkunde zal door degene die er zelf bepaalde ervaringen mee heeft opgedaan, werkelijk zo kunnen worden ervaren, dat het stap voor stap vanuit de rust tot leven moet worden gebracht. Eigenlijk hebben we het toch over iets zeer algemeens, als we zeggen: de som van de hoeken van een driehoek is 180º. Dat is bij iedere driehoek het geval, niet waar. Kunnen wij ons echter iedere driehoek voorstellen?

Wir werden nicht immer aus der heutigen Bildung heraus anstreben, unseren Kindern einen beweglichen Begriff des Dreiecks beizubringen; es wäre aber gut, wenn wir unsern Kindern einen beweglichen Begriff des Dreiecks beibrächten, nicht einen toten Begriff, nicht bloß ein Dreieck, das ja dann immer ein spezielles, individuelles Dreieck ist, hinzeichnen lassen, sondern ihnen sagen: Hier habe ich eine Linie. Ich bringe das dann so weit, daß ich auf irgendeine Weise – ich kann Ihnen natürlich nicht alle Einzelheiten in diesem kur­zen Vortragskurse entwickeln – dem Kinde den Winkel von 180 Grad in drei Teile teile. Ich kann auf unendlich viele Weisen diesen Winkel in drei Teile teilen. Ich kann dann jedesmal, wenn ich diesen Winkel in drei Teile geteilt habe, zum Dreieck dadurch übergehen, daß ich dem Kinde zeige, wie der Winkel, der hier ist, hier auftritt; so werde ich, indem ich die Sache auf dieses übertrage, ein solches Dreieck bekom­men. Indem ich übergehe von den drei fächerförmig nebeneinander­liegenden Winkeln, kann ich unzählige Dreiecke, die sich da bewegen, vorstellen, und diese unzähligen Dreiecke haben selbstverständlich die Eigenschaft, daß ihre Winkelsumme 180 Grad ist, denn sie entstehen ja aus der Teilung der 180 Grade der Winkelsumme. So ist es gut, in dem Kinde die Vorstellung des Dreiecks hervorzurufen, das eigentlich

Wij zullen niet steeds vanuit onze huidige opleiding ernaar streven, onze kinderen een beweeglijk begrip van de driehoek bij te brengen; maar het zou goed zijn als we dat wél deden, geen dood begrip, niet alleen maar een driehoek, dat dan altijd een speciale, individuele driehoek is, laten tekenen, maar hun zeggen: ‘Hier heb ik een lijn.’ Ik ga dan zo ver, dat ik op de een of andere manier – ik kan natuurlijk in deze korte voordrachtscursus niet alle details met u nagaan – voor het kind de hoek van 180º in drie delen verdeel. Dat kan ik op eindeloos veel manieren doen. Ik kan dan iedere keer, als ik deze hoek in drie delen heb verdeeld, naar de driehoek gaan door het kind te laten zien, hoe de hoek die hier zit, ook hier zit; dan zal ik, als ik dat hier naartoe overbreng, zo’n driehoek krijgen. Wanneer ik van de drie waaiervormige naast elkaar liggende hoeken uitga, kan ik me ontelbaar vele driehoeken die zich daar bewegen, voorstellen en deze hebben vanzelfsprekend de eigenschap dat de som van hun drie hoeken 180º is, want ze ontstaan door de deling van de 180º van de hoeksommen. Zo is het goed in het kind de voorstelling van de driehoek op te roepen, wat eigenlijk

blz. 213

in innerer Beweglichkeit ist, so daß man gar nicht die Vorstellung be­kommt eines ruhenden Dreiecks, sondern die Vorstellung eines beweg­ten Dreiecks, das ebensogut ein spitzwinkliges wie ein stumpfwinkliges, wie ein rechtwinkliges sein kann, weil ich gar nicht die Vorstellung des ruhendenDreiecks fasse, sondern die Vorstellung des bewegten Dreiecks.
Denken Sie sich, wie durchsichtig die ganze Dreieckslehre würde, wenn ich von einem solchen innerlich bewegten Begriffe ausgehen würde, um das Dreieckmäßige zu entwickeln. Dies könnten wir dann auch sehr gut als Unterstützung benützen, wenn wir nun in dem Kinde eine ordentliche Raumempfindung, eine konkrete, eine wahre Raum-empfindung heranbilden wollen. Wenn wir in dieser Weise den Begriff der Bewegung für die Ebenenfigur gebraucht haben, dann bekommt die ganze geistige Konfiguration des Kindes eine solche Beweglichkeit, daß ich dann leicht übergehen kann zu jenem perspektivischen Elemente:

in een innerlijke beweging is, zodat je helemaal niet de voorstelling krijgt van een driehoek in rust, maar de voorstelling van een beweeglijke driehoek, die net zo goed een scherpe, of een stomphoekige, of een rechthoekige kan zijn, omdat ik niet de voorstelling van een rustende driehoek neem, maar van de bewegende. Bedenk eens hoe doorzichtig heel de leer van de driehoeken zou worden, wanneer ik uitga van een dergelijk innerlijk bewegend begrip om alles over de driehoek te ontwikkelen.

Dit zouden we dan ook heel goed kunnen gebruiken als ondersteuning, om in het kind een goed gevoel voor de ruimte, een concreet, een echt gevoel voor de ruimte te willen ontwikkelen. Wanneer we op deze manier het begrip van de beweging voor de vlakkenfiguur gebruikt hebben, krijgt de hele geestesgesteldheid van het kind zo’n beweeglijkheid, dat ik dan gemakkelijk kan overgaan tot dit element van perspectief:

ein Körper geht an dem anderen vorn vorbei oder rückwärts vorbei. Dieses Übergehen, vorwärts Vorbeigehen, rückwärts Vorbeigehen, das kann das erste Element sein zum Hervorrufen einer entsprechenden Raumempfindung. Weiter: Wenn man lebensgemäß dieses vorne und rückwärts Vorbeigehen namentlich eines Menschen, das Unsichtbar-werden hinter einem Körper und das Unsichtbarmachen vor einem Körper erörtert hat, dann kann man dazu übergehen – es bleibt näm­lich sonst doch abstrakt und tot, wenn es bloß ein perspektivisches Raumgefühl ist -, das Raumgefühl innerlich lebendig werden zu las­sen. Das bekommt man aber nur dadurch heraus, daß man zum Bei­spiel sagt: Sieh einmal, ich traf an einem bestimmten Orte morgens um 9 Uhr zwei Menschen; die saßen dort an dem Orte auf einer Bank. Nachmittags um 3 Uhr komme ich wieder hin, da sitzen wiederum die

een lichaam gaat aan het andere aan de voorkant of aan de achterkant voorbij. Hiertoe overgaan, vooruit voorbijgaan, terug voorbijgaan, kan het eerste element zijn om een adequate ruimtebeleving te ontwikkelen. Verder: wanneer je in overeenstemming met het leven dit passeren aan de voor-en achterkant, met name van een mens, hoe die onzichtbaar wordt achter een lichaam en het lichaam achter hem, duidelijk hebt gemaakt, kun je ertoe overgaan – het blijft anders toch nogal abstract en dood, als het alleen maar een ruimtegevoel in perspectief is – het ruimtegevoel innerlijk levend te laten worden. Dat wordt het alleen maar als je bijv. zegt: ‘Kijk eens, op een keer trof ik op een bepaalde plaats ’s morgens om 9 uur, twee mensen aan; die zaten daar op een bank. ’s Middags om 3 uur kom ik daar weer en daar zitten

blz. 214

zwei Menschen auf der Bank – es hat sich nichts geändert. Gewiß, so lange ich den Tatbestand um 9 Uhr und um 3 Uhr betrachte, bloß äußerlich, so lange hat sich nichts geändert. Aber gehe ich ein auf das Innere, komme ich ins Gespräch mit dem einen Menschen und mit dem anderen Menschen, so mache ich vielleicht die Entdeckung, daß, nach­dem ich weggegangen war, der eine sitzenblieb, der andere aber wegging. Der eine Mensch ist drei Stunden lang weggewesen und wiederum zu­rückgekommen, sitzt neben dem anderen dort, hat aber innerlich etwas durchgemacht, ist innerlich etwas ermüdet nach sechs Stunden. Den Tatbestand aber lerne ich nicht erkennen in seinem Zusammenhang nach dem Raum, wenn ich nur nach dem äußeren Tatbestand urteile, und nicht auf das Innere, Wesentliche eingehe.
Man kann selbst über das Räumliche, über die räumliche Beziehung zwischen den Wesen nicht urteilen, wenn man nicht auf das Innerliche eingeht. Nur wenn man auf dieses Innerliche eingeht, kann man vor den herbsten Illusionen in bezug auf Ursache und Wirkung bewahrt bleiben. Es passierte einmal folgendes: Ein Mann geht am Rande eines Flusses. An einer Stelle steht ein Stein.

die twee mensen op de bank – er is niets veranderd.’ Zeker is, zolang ik de feiten om 9 uur en om 3 uur bekijk, heel oppervlakkig, zolang is er niets veranderd. Maar als ik er dieper op inga, als ik in gesprek raak met die mensen, kom ik wellicht tot de ontdekking, dat de een, nadat ik ben weggegaan, is blijven zitten, maar dat de andere opgestaan is. Die is drie uur lang weggeweest en weer teruggekomen, naast de ander gaan zitten, maar heeft innerlijk iets meegemaakt, is innerlijk wat moe na zes uur. Deze feiten leer ik niet kennen in samenhang met de ruimte, wanneer ik naar de uiterlijke feiten oordeel en niet inga op het innerlijke, wezenlijke.
Je kan zelfs over het ruimtelijke, over de ruimtelijke samenhang tussen de wezens niet oordelen, wanner je niet op het innerlijk ingaat. Alleen wanneer je op dit innerlijke ingaat, kunnen je de wrange illusies m.b.t. oorzaak en gevolg bespaard blijven.
Er gebeurde eens het volgende: een man loopt naar de rand van een rivier. Op een bepaalde plek ligt een steen.

Der Mann stolpert über den Stein und verschwindet in den Wellen und wird nach einer gewissen Zeit herausgezogen. Nehmen wir an, es wird sonst nichts getan als der nüchterne Tatbestand aufgenommen: Der Mann so und so ist ertrun­ken. Vielleicht ist dies aber gar nicht wahr. Vielleicht ist der Mann nicht ertrunken, sondern er ist gestolpert, weil ihn auf der Stelle der Schlag getroffen hat, und er schon tot ins Wasser gefallen ist. Das Ins-Wasser-Fallen war eine Folge des Todes. Es ist dies eine wahre Ge­schichte, die untersucht worden ist. Sie zeigt, wie notwendig es ist, vom Äußeren auf das Innere einzugehen.
So ist es auch notwendig, wenn man im Räumlichen das Verhältnis der Wesen zueinander beurteilen will, auf das Innere der Wesen ein­zugehen. Und das richtig, lebendig erfaßt, bringt uns dazu, das Raum-gefühl in den Kindern dadurch zu entwickeln, daß wir tatsächlich das Bewegungsspiel selber zum Entwickeln des Raumgefühles verwenden, indem wir das Kind Figuren laufen lassen oder dergleichen, oder indem wir das Kind beobachten lassen, wie Menschen hintereinander oder voreinander vorbeilaufen und dergleichen.
Dann aber ist es von ganz besonderer Wichtigkeit, nun wirklich aus dem, was auf diese Art beobachtet wird, zum Festhalten des Beobach­teten überzugehen. Namentlich ist für die Entwickelung des Raumgefühles

De man struikelt erover en verdwijnt in het water en wordt er na een bepaalde tijd uitgehaald. Laten we eens aannemen dat er alleen naar de naakte feiten wordt gekeken: die of die man is verdronken. Misschien is dit helemaal wel niet waar. Misschien is de man niet verdronken, maar hij is gestruikeld, omdat hij op die plaats getroffen is door een hartaanval en was hij al dood vóór hij in het water viel. Het in het water vallen was een gevolg van zijn dood. Dit is waar gebeurd en onderzocht. Het laat zien hoe belangrijk het is van de buitenkant op het binnenaspect in te gaan.
Zo is het ook noodzakelijk, wanneer je in de ruimte de verhouding van de wezens t.o.v. elkaar wil beoordelen, op het innerlijk aspect van de wezens in te gaan. En dat op een juiste manier, levend opgevat, brengt ons ertoe, het ruimtegevoel in de kinderen te ontwikkelen door daadwerkelijk het bewegingsspel zelf te gebruiken om het ruimtegevoel te ontwikkelen, wanneer we het kind figuren laten lopen e.d. of als we het kind laten waarnemen hoe mensen elkaar van voren en van achteren passeren e.d.
Dan is het ook heel belangrijk, nu ook werkelijk wat op deze manier waargenomen is, over te gaan op het vasthouden van deze waarnemingen. Het is met name voor de ontwikkeling van het ruimtegevoel –

blz. 215

– das bezieht sich jetzt auf die Frage, die mir gestellt worden ist – von großer Bedeutung, wenn ich auf verschiedene gekrümmte Flächen durch Körper von verschiedener Krümmung Schatten werfen lasse und nun versuche, ein Verständnis für die besondere Konfigura­tion des Schattens hervorzurufen. Man kann geradezu behaupten: Wenn ein Kind imstande ist zu begreifen, warum eine Kugel unter gewissen Verhältnissen einen Ellipsenschatten wirft – das ist etwas, was vom Kind schon vom 9. Jahre ab erfaßt werden kann -, dann wirkt dieses Sichhineinversetzen in Flächenentstehungen im Raume auf die ganze innere Beweglichkeit des Empfindungs- und Vorstellungsvermögens des Kindes ungeheuer. Man sollte deshalb die Entwickelung des Raum­gefühls in der Schule als etwas Nötiges ansehen. Wenn man sich nun frägt: Was tut das Kind bis zum Zahnwechsel hin, bis zum 7., 8. Jahre selbst, indem es spielerisch zeichnet? Es entwickelt tatsächlich das, was als Erfahrung, Verstand in den Zwanzigerjahren dann reif wird. Das entwickelt sich aus dem Fluktuieren der Gestalt, so daß das kindliche Zeichnen spielt, aber indem es spielt, erzählt das kindliche Zeichnen; und wir werden das kindliche Zeichnen besonders gut verstehen, wenn wir es so auffassen, daß es eine Wiedergabe ist von dem, was uns das Kind erzählen will. Es will sich aussprechen.

dit heeft betrekking op de vraag die mij werd gesteld – erg belangrijk, wanneer ik op verschillende gekromde oppvervlakten door lichamen van verschillende kromming schaduwen laat werpen en probeer een begrip te krijgen voor de bijzondere vorm van de schaduwen. Je kan wel beweren: ‘Wanneer een kind in staat is te begrijpen waarom een bol onder bepaalde omstandigheden een ellipsschaduw werpt – dat is iets wat door een kind van 9 jaar al begrepen kan worden – dan werkt het je kunnen verplaatsen in het ontstaan van vlakken in de ruimte ongelooflijk op heel de innerlijke beweeglijkheid van het invoelen- en voorstellingsvermogen van het kind.’ Je moet daarom de ontwikkeling van het ruimtegevoel in de school als iets noodzakelijks zien. Wanneer je je afvraagt: ‘Wat doet het kind tot aan de tandenwisseling, tot z’n 7e, 8e jaar zelf, als het op een speelse manier tekent?’  Het ontwikkelt in feite wat dan als ervaring, verstand rijp wordt als hij in de twintig is. Dat ontwikkelt zich uit het fluctueren van de gestalte, zodat het kinderlijke tekenen speelt, maar als het speelt, vertelt het kinderlijke tekenen; en wij zullen dit tekenen bijzonder goed begrijpen, wanneer we het opvatten als een neerslag van wat het kind ons wil vertellen. Het wil zich uitspreken.

Schauen wir diese Zeichnungen des Kindes an. Das, was man ein richtiges Raumgefühl nennen könnte, haben die Kinder vor dem 7., 8. Jahre, selbst vor dem 9. Jahre gerade noch nicht. Dazu kommt es erst später, wenn sich allmählich die andere Kraft in die kindliche Ent­wickelung hineinfindet. Bis zum 7. Jahre arbeitet an der kindlichen Organisation das, was später Vorstellung wird; bis zur Geschlechts-reife arbeitet an der kindlichen Organisation der Wille, der dann, wie ich Ihnen gesagt habe, sich staut und in dem Knaben-Stimmes­wandel eben zeigt, wie er in den Körper geschossen ist. Dieser Wille ist dazu geeignet, das Raumgefühl in sich zu entwickeln. So daß man durch all das, was ich jetzt gesagt habe, durch dieses Entwickeln eines Raumgefühls an Bewegungsspielen, durch die Anschauung dessen, was geschieht, wenn Schattenfiguren entstehen, namentlich durch das, was in der Bewegung entsteht und festgehalten wird, indem durch dieses alles der Wille entwickelt wird, der Mensch zu einem viel besseren Verständnis der Dinge gelangt als durch das Verstandesmäßige, selbst wenn es der spielerische kindliche Verstand ist, der flächenhaft sich aus­drückt, der erzählend sein will.

Laten we eens naar deze kindertekeningen kijken. Wat je een goed ruimtegevoel zou kunnen noemen, hebben de kinderen voor het 7e, 8e, zelfs voor het 9e jaar nog niet. Dat komt pas later, wanneer langzamerhand de andere kracht in de kinderlijke ontwikkeling een plaats krijgt. Tot het 7e jaar werkt aan de kinderlijke organisatie, wat later voorstelling wordt; tot aan de puberteit werkt de wil aan die organisatie, die dan – zoals ik gisteren heb gezegd – zich stuwt in de stemwisseling bij de jongens, hoe hij in het lichaam geschoten is. Deze wil is in staat het ruimtegevoel in zich te ontwikkelen. Zodat je door alles wat ik nu gezegd heb, door dit ontwikkelen van een gevoel voor ruimte door bewegingsspel, door te kijken wat er gebeurt als er schaduwfiguren ontstaan, met name door wat er in de beweging ontstaat en vastgehouden wordt, wanneer door dit alles de wil ontwikkeld wordt, de mens een veel beter begrip voor de dingen krijgt dan door al het verstandelijke, zelfs wanneer het het speelse, kinderlijke verstand is, dat zich op het platte vlak uitdrukt, dat wil vertellen.

blz. 216

Nun möchte ich heute am Schluß der Stunde gerade in Anknüpfung an das Gesagte für diejenigen, die es sehen wollen, die kindlichen Zeich­nungen eines sechsjährigen Knaben, der allerdings einen Maler-Illustra­tor zum Vater hat, hier auflegen. Ich bitte, sie ein wenig zu betrachten, um aufmerksam darauf zu werden, wie außerordentlich beredt dieser sechsjährige Knabe in dem, was er hier schafft, ich möchte sagen, sich in der Tat eine ganz individuelle Sprache schafft, eine ganz in­dividuelle Schrift für das, was er erzählen will oder auch nacherzählen will. Manche von diesen Bildern, die man, wenn man will, richtig expressionistische Bilder nennen kann, sind einfache Nacherzählungen dessen, was dem Knaben vorgelesen worden ist, was er gehört hat und dergleichen; manches ist, wie Sie sehen werden, außerordentlich aus­drucksvoll, großartig ausdrucksvoll. So zum Beispiel weise ich Sie hin auf dasjenige, was Sie hier sehen werden als einen König und eine Kö­nigin. Das sind Dinge, die zeigen, wie erzählt wird in diesem Alter. Versteht man, wie in diesem Alter erzählt wird, was gerade hier so charakteristisch hervortritt, weil der Knabe schon mit Farbstiften zeich­net, und nimmt man das in allen Einzelheiten auf, so wird man finden, daß in der Tat diese Zeichnungen der Abdruck des kindlichen Wesens sind, wie ich es Ihnen bisher geschildert habe, und daß man diesen Um­Schwung, der mit dem Zahnwechsel auftritt, ins Auge fassen muß, wenn man verstehen will, wie man das Raumgefühl hervorzurufen hat.

Nu zou ik nog graag aan het slot van dit uur vooral in aansluiting op wat is gezegd voor degenen die het willen zien, de tekeningen van een zesjarige jongen, die weliswaar een schilder-illustrator als vader heeft, hier ter inzage leggen. Ik verzoek u er eens naar te kijken om er opmerkzaam op te worden, hoe buitengewoon veelzeggend deze jongen is met wat hij hier maakt – ik zou willen zeggen – een heel individuele taal schept, een heel individueel schrift voor wat hij vertellen wil of ook wel wil navertellen. Veel van deze beelden die je – wanneer je dat wil – expressionistische beelden kan noemen, zijn eenvoudig navertellingen van wat aan hem is voorgelezen, wat hij gehoord heeft e.d.; veel is, zoals u zal zien, buitengewoon expressief, bijzonder uitdrukkingsvol. Zo wil ik u wijzen, bijv. op wat u hier zal zien als een koning en een koningin. Die dingen tonen aan hoe er op deze leeftijd wordt verteld. Begrijp je hoe er op deze leeftijd wordt vertelt, wat juist hier zo karakteristiek naar voren komt, omdat de jongen al met kleurpotloden tekent en bekijk je het in detail dan zal je zien dat inderdaad deze tekeningen een afdruk van het kinderwezen zijn, zoals ik het tot nog toe beschreven heb en dat je rekening moet houden met de omslag die met de tandenwisseling plaats heeft, als je wil begrijpen hoe je het ruimtegevoel moet oproepen.

[1] GA 301: Die Erneuerung der pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft

[2] 13e voordracht (Duits)

[3] Schiller

karakteriseren    meetkunde, waarin een voorbeeld van de driehoek als levend begrip

karakteriseren

Rudolf Steiner over pedagogie

Rudolf Steineralle artikelen

.

1376-1287

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-7-2/3)

.

Enkele gedachten bij blz. 23/24 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

In een vorige artikel dat beschouwd kan worden als een inleiding op wat hier volgt, werd erop gewezen dat ‘schematiseren’ eigenlijk niet kan; en dat het willen verklaren en definiëren steeds weer het gevaar in zich draagt de werkelijkheid tekort te doen.
En toch kunnen we, wanneer we niet het helderziende vermogen hebben zoals Steiner kennelijk had, niet zonder een zoektocht met ‘het gezonde verstand’. Daartoe is dit een poging.

Op blz. 24 is sprake van het ‘gewaarwordingslichaam’  en de ‘gewaarwordingsziel’. Wat valt daar o.a. over te zeggen:

HET GEWAARWORDINGSLIJF EN DE GEWAARWORDINGSZIEL

Gewaarwordingslijf
Nadat we het verschil tussen fysiek lichaam en etherlijf hebben vastgesteld en gekarakteriseerd met allerlei aspecten, is er nog een ‘lijf’ dat Steiner noemt, wanneer het over de drieheid gaat die op drieërlei manier verbonden is met de ons omringende wereld.

‘Weten’ dat je leeft, is m.i. afstandelijker dan ‘voelen’ dat je leeft. Meestal wordt gezegd: ‘dan voel je pas dat je leeft’, uitgesproken wanneer je je ‘lekker’ voelt, goed in je vel zit; iets beleefd hebt wat fijn was, kortom iets in de sfeer van de gevoelens die dicht bij genotservaringen liggen. Wanneer je die gevoelens nader bij je zelf onderzoekt, merk je dat ze veelal ‘primair’ zijn: ze hebben direct te maken met je welbevinden. Maar ook dat ze sterk verbonden zijn met elementaire levensbehoeften. De taal is ook hier weer een rijke ondersteuning om het gebied in ons te leren kennen, waar deze belevingen zich afspelen. Bij ‘levens’ ‘behoefte’ voel je dat je het om te kunnen leven, nodig hebt, er is een verlangen naar, of als dit sterker wordt: een begeerte, je hebt ‘zin in’, ‘trek in’, ‘lust om’ enz. Honger, dorst, ze moeten als gevoel bevredigd worden; om te (over)leven ontstaat er een drang, een dwang om aan voedsel te komen – om jezelf in stand te houden moet je wel. In die sfeer van overlevingskrachten liggen ook de primaire seksuele krachten – om de soort in stand te houden moet er voortplanting zijn.

Dan merk je dat hier nauwelijks vrijheid heerst. De natuur(wetten) overheersen nog.
Dit is, zoals net gezegd, niet het gebied van het weten, maar van het voelen, beleven. Dit laatste woord, met als hoofdwoord ‘leven’ wijst ons in de richting van het leven, ‘be’ geeft vaak een intensivering aan, dikwijls naar een ander niveau: grijpen/be-grijpen; staan/be-staan; leren/be-leren, enz.
Gevoelens van drift, drang, dwang, zin, lust, begeerte, trek, hartstocht hebben alle een direct verband met ‘leven’.

Drift, drang, dwang, zin, lust, begeerte, trek, hartstocht ‘zijn’ van het etherlijf, ‘zitten’ daarin en worden daar ‘opgemerkt’ door een ander soort ‘lijf’ – lijf in de zin van ‘een vermogen om te’ –ze worden daar ervaren, waargenomen, ze worden ons daar op een bepaald ogenblik bewust, ‘gewaar’.( ‘Zijn’ en ‘zitten’ kun je als woorden eigenlijk hier niet gebruiken: dat suggereert een statische aanwezigheid, terwijl het etherlijf een ‘stromend’, een bewegend iets in ons is.)

Van het deel van het etherlijf waarin dit’opmerken’ plaatsvindt, zegt hij, dat het ‘fijner’ is dan het andere deel, dat weer sterker met het fysieke lichaam verbonden is. Dus op die grens van ‘leven’ en ‘beleven’ worden wij ons deze ‘levensgevoelens’ gewaar.

Toen het ging om ‘lijf’ kon er gezegd worden: het is een krachtencomplex, een kracht(en)veld. Dit zou je dus, omdat je hier ‘gewaar wordt’  ‘gewaarwordingslijf’ kunnen noemen.
(Het moge duidelijk zijn dat je dit in vertalingen ook weer tegenkomt als ‘gewaarwordingslichaam’)

Wanneer je de mens beschrijft vanuit meer fysiek-etherisch gezichtspunt en wanneer je vandaar verder wil gaan naar minder direct lichamelijke sensaties, naar gevoelens die meer gevoelskwaliteit hebben, zoals sympathie, medelijden, liefde enz., moet je dit complex van gewaarwordingen nog gewaarwordingslijf noemen.

Gewaarwordingsziel
Op blz. 23 in de voordracht noemt Steiner de ziel en verdeelt deze in bewustzijnsziel, verstands- of gemoedsziel en gewaarwordingsziel.

‘Ziel’ beschrijft hij als ‘een vermogen om de buitenwereld tot je eigen wereld te maken en je eigen binnenwereld te manifesteren in de buitenwereld. Bij ‘tot je eigen wereld’ kun je denken aan, dat je bijv. over gebeurtenissen in de wereld nadenkt en er een eigen oordeel aan verbindt: dan is dat stukje wereld jouw wereld geworden: de ziel als een kennend vermogen. Je kunt ook plannen hebben, ideeën, die je ten uitvoer wil brengen. Dan zet je a.h.w. jouw binnenwereld in de buitenwereld: je concretiseert je plannen. Dat wilde je nu eenmaal. Hier zie je dat de andere kant van de ziel, het willend vermogen is.
Vanuit deze zielenoptiek zijn gewaarwordingen die je hebt, vanuit de buitenwereld komend o.a. licht- en geluidsindrukken. Om deze indrukken te kunnen hebben, moet je beschikken over de zintuigen die ze kunnen registreren en hier zie je voor het eerst de relatie tussen je iets bewust kunnen worden en de zintuigen.

In dem, was rot, grün, hell, dunkel, hart, weich, warm, kalt ist, erkennt man die Offenbarungen der körperlichen Welt. Diese Offenbarung heiβt Empfindung.

In wat rood, groen, helder, donker, hard, zacht, warm, koud is, leer je de stoffelijke wereld kennen zoals die zich aan ons voordoet. Bewustzijn daarvan heet gewaarwording.
GA 9/22
Eigen vertaling

Man stelle sich den Menschen vor, wie er von allen Seiten Eindrücke empfängt. (  ) Die Empfindungen antworten auf die Eindrücke. Dieser Tätigkeit soll Empfindungsseele heiβen.

Neem de mens hoe die van alle kanten indrukken ontvangt. Die word je je gewaar. Ze komen bij je binnen – worden van jou – dat is de activiteit van de gewaarwordingsziel.
GA 9/17
Eigen vertaling

Ein Teil des Ätherleibes sei feiner als der übrige und dieser feinere Teil des Ätherleibes bildet eine Einheit mit der Empfindungsseele, während der gröbere Teil eine Art Einheit mit dem physischen Leib bildet.

Een deel van het etherlijf is fijner dan de rest en dit fijnere deel vormt een eenheid met de gewaarwordingsziel – het grovere deel vormt een zekere eenheid met het fysieke lijf (het van leven doortrokken lichaam).
GA 9/17
Eigen vertaling

Maar wanneer het oog als zintuigorgaan niet goed of helemaal niet functioneert, is een kleurindruk op jou niet mogelijk. Je gewaarwordingsziel kan daarop niet reageren en daarom kun je zeggen dat je lichamelijkheid bepalend is voor hoe je gewaarwordingsziel functioneert. Dat begrensde krachtenveld noemt Steiner gewaarwordingslijf, maar omdat zich daarin de gevoelens afspelen die bij het gewaarworden horen, is dit tevens de gewaarwordingsziel. Ze vormen een eenheid.

Nur bei richtig lebendem, wohl gebautem Auge sind entsprechende Farbempfindungen möglich: dadurch wirkt die Leiblichkeit auf die Empfindungsseele. Diese ist also durch den Leib in ihrer Wirksamkeit bestimmt und begrenzt.

Slechts door middel van goed functionerende goed gebouwde ogen is het mogelijk de kleuren volledig waar te nemen. Zo uit zich de invloed van het lichamelijke op de gewaarwordingsziel. Het lichaam bepaalt en begrenst zodoende haar activiteit. Ze leeft binnen de door het fysieke lichaam getrokken grenzen.
GA 9/17
Vertaald/40

Enerzijds hebben we dus onze gewaarwordingen van wat zich in ons afspeelt in de levenssfeer; anderzijds opent onze ziel als gewaarwordingsziel zich middels de zintuigen voor de buitenwereld, zodat deze ‘bij ons binnenkomt’ en van ons wordt. Vele indrukken! worden we wel gewaar, maar dat is nog iets anders, dan ‘worden waargenomen’. In het taalgebruik gaan de betekenissen nog weleens in elkaar over; maar je kan hier een gevoel krijgen voor het feit dat ‘waarnemen’ een veel bewustere activiteit is, terwijl ‘gewaarworden’ je a.h.w. meer overkomt, onbewuster, verloopt. Het Duits heeft ‘empfinden’, waarbij het gaat om ‘ zintuigprikkeling’, om ‘(be)merken, ‘bespeuren’, ‘aanvoelen’.

We kennen allemaal het verschijnsel dat wanneer het buiten nat is, vele bloemen hun knoppen niet openen. Begint de zon te schijnen, gaan ze open. We kunnen dat zien als een beweging, maar niet een van binnenuit, want dan zou de plant de mogelijkheid hebben, ondanks dat de zon begint te schijnen, tóch de knop gesloten te houden.

Een wandelende tak lijkt bedrieglijk veel op een gewoon takje. Wanneer ze beide stil liggen, zie je geen verschil. Om te weten of het takje ‘wandelend’ is, moet je het aanraken. Bij aanraking beweegt de wandelende tak. Hij reageert met beweging of……houdt zich doodstil. Dat is al een groot verschil tussen plant en dier. Het laatste kan van binnenuit reageren. De knop moet opengaan; het dier hoeft niet per se weg te lopen; integendeel: het kan ook op je toekomen, je aanvallen zelfs.
Dieren leven sterk in hun gewaarwordingen. Dat is het allereerste wat wij met de dieren gemeen hebben: de gewaarwordingsziel.

Dat is de verbinding van de gewaarwordingsziel met het dierenrijk.

De drievoudige verbondenheid waarvan sprake is op blz. 24 is dus zo weer te geven:

Stoffelijke wereld, de wereld van de gesteenten;
ons fysieke lichaam
Plantenwereld, de wereld van het vegetatieve leven:
ons etherlijf
Dierenrijk, de wereld van de (lichamelijk gebonden) gevoelens, de gewaarwordeningen:
onze gewaarwordingsziel
.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2]
 GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1370-1281

.

 

VRIJESCHOOL – Is de vrijeschool een antroposofische school? (3-2)

over de ochtendspreuk van de lagere klassen

IS DE VRIJESCHOOL EEN ANTROPOSOFISCHE SCHOOL?

Deze vraag stelt Luc Cielen, leerkracht met een zeer lange praktijkervaring waarvan een deel bij de Federatie van steinerscholen in België; het grootste deel op scholen die hij zelf oprichtte en waar hij de vrijeschoolpedagogie op zijn manier en met zijn gezichtspunten in de praktijk bracht.

Op mijn blog [rechts in de kolom BLOGROLL] staat een linkverwijzing naar een van zijn sites waarop hij vele gezichtspunten over o.a. zijn praktijk van het lesgeven heeft gepubliceerd.

Hier verwees ik naar hem toen het ging over ‘blokschrift aanleren of niet’, en stelde:
Het is zeer de moeite waard om zijn gedegen uiteenzettingen over de vrijeschoolmethodiek grondig te bestuderen!

Nu heeft Luc zich op zijn site LUXIELEN in een reeks artikelen uitgesproken over de vraag of de vrijeschool, in Vlaanderen steinerschool genoemd, een antroposofische school is.

In zijn eerste artikel zegt hij:
‘Is de steinerschool een antroposofische school? In vele opzichten niet, maar de wetenschappelijke vakken zijn wel sterk getekend door de antroposofie. Er is werk aan de winkel om de steinerscholen hiervan te bevrijden. Ik probeer al vele jaren de steinerleerkrachten hiervan bewust te maken, maar dit dringt moeilijk door. Dat Steiner zelf meer dan eens gezegd heeft dat er geen antroposofie in de school mag komen, is een uitspraak van hem die blijkbaar niet gehoord wordt.’ 

Luc is in de reeks van inmiddels 11 artikelen tot de conclusie gekomen dat er ‘een te groot antroposofisch keurslijf’ is waaruit – volgens hem – de scholen zich moeten bevrijden.’

Ik vraag me met hem af: wat is ‘het antroposofische’ in de school, waar vind je het.

Bij het lezen van de pedagogische voordrachten viel het mij op dat Steiner er steeds maar weer op terugkwam dat de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school moet zijn:

Rudolf Steiner over antroposofisch onderwijs

Luc is van mening dat er wél sprake is van ‘antroposofische dogma’s’ en hij geeft veel voorbeelden van wat in zijn optiek antroposofie in het vrijeschoolonderwijs is.

Hij begint zijn 2e artikel als volgt: (cursief)

DE OCHTENDSPREUK IN DE STEINERSCHOOL

In de ochtendspreuk die dagelijks bij aanvang van de schooldag door de kinderen gezegd wordt onder leiding van de leerkracht, klinkt duidelijk de antroposofische leer door.

Niet cursief: mijn opmerkingen

Deze ‘antroposofische leer’ wordt later door Luc geduid; daar zal ik er op ingaan.

De ochtendspreuk gaat gepaard met enkele ceremoniële gegevens:

1. De kinderen staan meestal achter hun stoel of in een kring.
2. De leerkracht wacht tot het volledig stil is.
3. Leerkracht en kinderen nemen een gebedshouding aan. Deze houding varieert van school tot school:
ofwel met de handen gevouwen voor het lichaam, ter hoogte van de onderbuik;
ofwel met de armen gekruist voor de borst, de handen tegen de schouders;

Dit komt overeen met mijn eigen waarnemingen en zo deed ik het ook.
Ik ben nooit op het idee gekomen dit een ‘gebeds’houding te noemen; wel een eerbiedige houding, een bijzondere houding, een waardige houding.

ofwel maken handen en armen euritmische gebaren tijdens de spreuk.

Dat heb ik echter nooit waargenomen en ook zelf nooit toegepast.

4. De leerkracht zegt de spreuk meestal krachtig en luid. De kinderen zeggen zo goed en zo kwaad als ze kunnen de spreuk mee. Ik heb dikwijls vastgesteld dat de kinderen heel wat fouten maken en vele woorden vervormen tot klanken die onverstaanbare woorden opleveren.

Beste Luc, uit heel je artikel – en vrijwel uit alle andere artikelen – wordt duidelijk dat je bepaalde ‘dingen’ het liefst uit de vrijescholen zou zien verdwijnen. Waaronder de ochtendspreuk. Je opmerking onder 4 ademt voor mij toch een beetje ‘stemmingmakerij’.  Je wekt – bij mij – de indruk, dat het zeggen van de spreuk iets is, wat eigenlijk alleen de leerkracht wil: hij spreekt krachtig en luid! Maar een beetje leerkracht weet, als je dat doet, dat de kinderen dan veel minder meedoen – dat geldt ook voor zingen of het aanleren van de tafels. Van tijd tot tijd doen zich gelegenheden voor om op de inhoud van de spreuk in te gaan – bij de oudere kinderen is dat natuurlijk makkelijker dan bij de jongste. En wat eerst niet begrepen wordt, wordt soms (veel) later begrepen, soms pas op volwassen leeftijd. Het is als kiem meegegroeid en komt op een keer tot bloei. Steiner geeft dat bij verschillende gelegenheden aan en ik zou dat hier niet abstract aanvoeren, als het leven zelf daarvan geen bewijs leverde. En het kan nog anders gaan, uiteraard.
Wanneer in de 5e klas gesproken wordt over de geschriften die de Indiase cultuur ons heeft nagelaten en we reciteren in het Sankriet, met de vertaling:

Het levenwekkende, lieve goddelijke zonnelicht
willen wij opnemen
opdat het ons denken aanzet
vooruit te streven

dan verschilt dit niet veel met een deel van de ochtendspreuk uit de lagere klassen, die de kinderen (ruim) drieëneenhalf jaar hebben gesproken. Je kunt dus gemakkelijk ‘met terugwerkende kracht’ over die ochtendspreuk praten en over het waarom van het opzeggen aan het begin van de dag.
Zomaar mechanisch elke dag een spreuk oplepelen kan natuurlijk niet de bedoeling zijn (geweest). Niet anders dan dat je de alledaagse lesstof verzorgt, vraagt de niet-alledaagse spreuk aandacht en verzorging.

5. Na de spreuk begint in sommige scholen de muzikale opmaat, in sommige scholen gaat de muzikale opmaat vooraf aan de spreuk. In steinerscholen (vrijescholen=waldorfscholen) waar de principes van ‘klas in beweging’ gehanteerd worden, komt de spreuk pas na de bewegingsopdracht. Sommige leerkrachten beginnen na de spreuk met een kringgesprek. In vele klassen wordt onmiddellijk na de spreuk begonnen met de vraag: ‘Welke dag is het vandaag?’ gevolgd door de datum.

In de eerste klas (groep 3) zou het in de beginweken nodig kunnen zijn om de (beweeglijke) kinderen die van heinde en ver komen, door verschillende activiteiten (beweging, vingerspel, concentratie-oefening(en)) tot een groep te formeren waarmee je aan het werk kan. Als de rust en aandacht er zijn, kun je met de spreuk beginnen. Later, maar niet te lang daarna, vind ik het belangrijk dat de schooldag begint met de spreuk. Hoe de leerkrachten daarna verder gaan, kun je m.i. niet illustreren met de paar voorbeelden die je geeft: de toegepaste mogelijkheden zijn legio en verschillen per leeftijd.

Hierna geeft je de spreuken weer. Onderaan mijn artikel hier vind je verwijzingen naar artikelen waarin de spreuken in het Duits en het Nederlands staan, zodat ik dit deel uit je artikel oversla, behalve de zin:

Inhoudelijk is deze spreuk een soort antroposofische geloofsbelijdenis.

Na het weergeven van de spreuken, probeer je deze ‘geloofsbelijdenis’ te bewijzen:

Wat is er nu antroposofisch aan deze spreuk?

Kort gezegd komt het antroposofische mensbeeld hierop neer dat de mens in se een geestelijk wezen is dat op aarde incarneert in een fysiek lichaam, maar via zijn ziel in contact blijft met de geestelijke wereld waaruit hij afkomstig is.

Dit mensbeeld staat al in de tweede zin van de spreuk:

De geestesmacht der ziel
geeft hand’ en voeten kracht.

Interessant dat jij dit anders interpreteert dan ik. In je artikel over dierkunde noem jij ‘hoofd, romp en ledematen’ antroposofie. Ik zei dat antroposofie hier dan samenvalt met wat waar is, want we hebben nu eenmaal hoofd, romp en ledematen. Maar daarbij horen ook functies: denken, voelen, willen. Die zijn ook niet ‘bedacht’ en als antroposofie te boek gesteld. De Sanskrietspreuk die ik hierboven aanhaalde, heeft het over ‘ons denken dat aanzet vooruit te streven’. De ‘geestesmacht’ zie ik veel meer als het denken, dat, wil het tot daad worden, ‘hand en voet’ kracht moet geven. Laten we triviaal zeggen dat het brein de ledematen aan moet sturen.

De geestelijke wereld is een wereld die geleid wordt door een opperwezen, meestal God genoemd. Dit geestelijk opperwezen is aanwezig in de kosmos, dus ook in de zon, die zelf ook een geestelijke entiteit bezit. Deze God heeft ook de mens – in casu de mensenziel – geschapen. Deze opvatting vind je in de volgende zin:

In zonnelicht en glans
verere ik, o God,
de mensenkracht die gij
in ’t binnenst van mijn ziel
vol goedheid hebt geplant.

Het licht is een geestelijke (goddelijke) schepping, de kracht in ons is ook van geestelijke oorsprong. Daarvoor moet de mens de geestelijke wereld dankbaar zijn. Dit staat in de laatste zin van de spreuk:

Van u stamt licht en kracht,
tot u stromen liefde en dank.

Als je bedenkt dat deze spreuk gedurende drie jaar dagelijks gezegd wordt, en een schooljaar ongeveer 180 schooldagen telt, dan hebben kinderen in de steinerscholen (vrijescholen) tegen het einde van de derde klas (groep 5) plusminus 540 keer deze spreuk gezegd. Lijkt dit niet een beetje op indoctrinatie? Gelukkig zijn er zéér weinig kinderen die de tekst van de spreuk foutloos kunnen zeggen en zijn er nog minder kinderen die de spreuk begrijpen.

Om met het laatste te beginnen: waarom is het ‘gelukkig’ dat kinderen iets niet foutloos zeggen en waarom zou het gelukkig zijn dat de kinderen de spreuk niet begrijpen. Als je, zoals ik hierboven al beschreef, op gezette tijden, naar aanleiding van bijv. dit stukje geschiedenislesstof met de kinderen bespreekbaar maakt, wat ze o.a. in de spreuk(en) zeggen, zullen er geen kinderen zijn die de spreuk fout uitspreken of niet begrijpen.

In mijn kindertijd kwam mijn moeder, vóór ik ging slapen, altijd op de rand van het bed zitten en sprak deze woorden:

‘Ik ga slapen
Ik ben moe,
‘k Doe mijn beide oogjes toe.
Heere, houd ook deze nacht,
Over Pieter trouw de wacht.’

Dat deed ze wel tot tegen mijn 14e, geloof ik; in ieder geval had ik toen wel mijn eigen gedachten over ‘de Heere’ die zeker niet strookten met de intentie die mijn moeder daar vanuit haar geloof in kon leggen. Maar ik liet haar, omdat het tegelijkertijd zo vertrouwd voelde en nog later kon ik concluderen dat dit eigenlijk een soort omhulling voor me betekende die zekerheid gaf. Er groeide in mij ook het besef dat de natuur groots is, in zekere zin buiten ons om die grootsheid in zichzelf heeft. Er zijn veel opvattingen over de mens, maar als een soort grootste gemene deler zie je bij alle opvattingen die verder gaan dan de mens te zien als een klomp genen, bestuurd door een brein, het geheel in de vorm van een naakte aap, dat het ‘meer’ benoemd wordt met woorden die op een bepaalde manier op God, het goddelijke duiden.
Dat gaf mij als kind vertrouwen. Ik zou het absurd vinden om nu te gaan tellen hoe vaak mijn moeder die woorden voor mij heeft gezegd. Ik ben niet geïndoctrineerd: er was bij mijn moeder geen enkele opzet mij ‘ergens naar toe te dwingen’ – integendeel; ze wilde mij met iets groters omhullen, iets wat buiten ‘alledag’ omgaat.
En op een soortgelijke manier heb ik met de kinderen de spreuken gezegd: om ze een gevoel te geven dat er meer is tussen hemel en aarde dan het alledaagse wat ze ook iedere dag meemaken.
Het woord ‘belijdenis’ is voor mij in deze volledig misplaatst. De kinderen hoeven niet te antwoorden op vragen die in de richting gaan van: ‘dit geloof en verklaar ik’.  Als dat zo zou zijn, kon ik je – gelukkig nog als vraag gesteld – geopperde indoctrinatie begrijpen. Nee, voor mij is dit geen indoctrinatie. Wat voor boosaardig voordeel zou ik ervan hebben, kinderen, te indoctrineren? Kan ik überhaupt een mens te kort doen als ik hem zie als een goddelijk-geestelijk wezen, als die unieke mens die ik hier op aarde een poosje begeleiden mag?

Ik heb me als leerkracht in een steinerschool de vraag gesteld of het wel verantwoord was om deze spreuk dagelijks te zeggen. Toen ik mijn eigen school in Brasschaat oprichtte, heb ik dan ook vrij snel afstand genomen van deze spreuk en ben ik de schooldag begonnen met zang en instrumentale muziek zonder voorafgaande spreuk. Dit leverde in elk geval een veel mooier en meer ontspannen begin van de schooldag op.

Het ligt uiteraard geheel in je eigen vrijheid je welke vraag dan ook te stellen en van daaruit tot een afweging te komen. Het leverde voor jou iets moois op. Mijn afweging was een andere en leverde een waardig begin van de dag op, waarbij ik nooit enige spanning heb gevoeld.

In mijn latere bezoeken aan steinerscholen heb ik er steeds op gewezen dat een school geen kerk is en dat het dus ook niet past om een religieuze sfeer te scheppen waarin een tekst gezegd wordt die een bepaald mensbeeld belijdt en die de kinderen amper kunnen uitspreken of begrijpen. Het begrijpend leren moet in een school vooropstaan, niet het gedachteloos nazeggen van geloofsartikelen.

Natuurlijk is een school geen kerk, maar we weten toch allemaal wel dat een religieuze sfeer niet indentiek is aan kerk?
Over het ‘belijden’, het amper kunnen uitspreken en begrijpen, alsook het gedachteloze, zie boven.

Door de dagelijkse herhaling van het antroposofische mensbeeld is het toch moeilijk vol te houden dat de steinerschool géén antroposofische school is.

Het blijft natuurlijk lastig om precies te onderscheiden wat hier ‘antroposofie’ is en wat ‘(algemeen) menselijk’ in een visie die anders naar de mens kijkt dan door een materialistische, natuurwetenschappelijke bril. De spreuken zijn geen leerstof, veel meer vertolken ze voor mij een klimaat waarin met eerbied en respect voor de wordende mens en de hem omringende wereld geleerd wordt.

Dat staat ‘begrijpend leren’ niet in de weg. Integendeel, het tilt dit bij tijd en wijle op een niveau dat uitgaat boven het alledaags triviale.

Toch heb ik mijn kinderen naar de steinerschool gestuurd en heb er zelf vele jaren lesgegeven. Waarom? Omdat de steinerpedagogie nog steeds de enige pedagogie is waar het kunstzinnige – dat in ieder kind aanwezig is – voldoende, en meestal op een goede wijze aan bod komt. Nog beter zou het zijn als er een pedagogie bestond waarin het kunstzinnige element minstens even sterk aanwezig zou zijn, maar dan zonder de antroposofie.

Waarom zou dat beter moeten zijn? Wordt het ‘kunstzinnige’ kunstzinniger zonder antroposofie of moeten we constateren dat het kunstzinnig onderwijs – dat meer is dan  ‘kunstzinnige elementen’ – er zonder de menskundige visie van Steiner helemaal niet geweest zou zijn? Dat verlangen naar kunstzinnigheid zonder antroposofie ziet er voor mij uit als verlangen naar vis, zolang die maar niet zwemt.

In jouw artikel vind ik opnieuw geen echt bewijs van ‘antroposofie in het onderwijs’; dit antwoord van mij geen echt bewijs van het tegendeel. De waarheid zal ook hier wel ergens in het midden liggen. Het belangrijkste lijkt mij, wat je intenties als leerkracht zijn. Jij, noch ik, willen onze leerlingen indoctrineren; jij noch ik willen antroposofie doceren. Dat kan kennelijk op verschillende manieren gepraktiseerd worden.

.

Rudolf Steiner over: de ochtendspreuk

de ochtendspreuk [2]   [3]
.

Meer commentaren op Luc Cielens artikelenreeks: ‘is de vrijeschool een antroposofische school’:
.

[1-1geschiedenis [1]
[1-2geschiedenis [2]
[1-3] dierkunde
[1-4plantkunde
[3de ochtendspreuk voor de hogere klassen
[4] meer spreuken
[5] nog meer spreuken
[6] en nóg meer spreuken
[7] het schoollied
[8] atheïst of agnost: kun je dan vrijeschoolleerkracht zijn?
[9jaarfeesten
[10] euritmie en gymnastiek
[11] muziekonderwijs

vrijeschool en antroposofiealle artikelen

.

1367-1278

.

.

VRIJESCHOOL – De ochtendspreuk (3)

.

Reinhart Fiedler, Erziehungskunst jrg.54, 09-1990
.

DE OCHTENDSPREUK

Over het dagelijkse begin van de ochtend op de vrijeschool

Toen zoiets eigenlijk al niet meer gebruikelijk was, liet onze leraar Duits, als hij ’s morgens met lesgeven begon en ons begroet had, door de klassenvertegenwoordiger een liedboek uit de kast halen en las ons daaruit een of twee coupletten voor.
Wij, leerlingen, voelden ons er niet helemaal prettig onder, want aan de ene kant hadden wij niet veel op met vrome spreuken, aan de andere kant was het opmerkelijk met wat voor trouw deze leraar aan de oude waarden hing.
Spoedig daarna werd echter een gescandeerd, in koor gesproken ‘Heil Hitler’ verplicht.
Daar moest ik aan denken toen ik veertig jaar geleden voor de eerste keer de ochtendspreuk in de vrijeschool hoorde.

Daar stonden zestig eersteklassertjes en zij spraken met een kinderlijke openheid samen met hun leerkracht van wie de sonore stem het koor van de heldere stemmen liefdevol droeg:

‘Het liefdelicht der zon,
Verheldert mij de dag;
De geestesmacht der ziel,
Geeft kracht aan hand en voet;
In de lichtglans van de zon
Vereer ik diep, o God,
De mensenkracht, die Gij
In mijn ziel
Vol goedheid hebt geplant,
Opdat ik ijverig werken
En gretig leren kan.
Van U stamt licht en kracht,
Tot U strome liefde en dank.

Het raakte mij heel diep en in een paar tellen opende zich voor mij een heel nieuwe wereld. Wat was dat voor een school waarin aan het begin van het dagelijkse lesgeven het accent werd gelegd op zo iets groots omvattends, op zo’n tere, intieme manier.

Toen mocht ik – het was tijdens mijn studie in het verwoeste naoorlogse Hamburg – een tijdlang hospiteren op de Wandsbekerschool.
Later heb ik op de Rensburgerschool meer dan dertig jaar met de leerlingen de ochtendspreuk gezegd die Rudolf Steiner voor de midden- en bovenbouw heeft gegeven.*  [1]

Hoe niet-menselijk is het wel niet – dat kwam zo uit het verleden bij me op – om de les zonder enige overgang te beginnen: ‘Goede morgen! – Ga zitten! – Schriften!’
En aansluitend op de ochtendspreuk volgt meestal nog het ‘ritmische deel’ van het onderwijs, waarin aan een gedicht of aan een prozatekst reciterend gewerkt wordt. Teksten die, wat mijn vakken betreft, uit de leerstof voor Duits of een geschiedenisperiode werden genomen.
Ik heb me steeds weer afgevraagd hoe het voor Rudolf Steiner mogelijk was, een spreuk te formuleren die de wijdheid van de buitenwereld en ook de ziel van de mens omvat en die ondanks het op een gebed lijkende laatste deel ook door de halfvolwassenen, door de vaak zo respectloos lijkende negen- en tiendeklassers, innerlijk aanvaard en bereidwillig meegesproken kan worden.

Iedere klas die met het 9e schooljaar* in de bovenbouw komt, brengt uit de tijd dat die nog een klassenleraar had, een eigen manier van de spreuk zeggen met zich mee: enigszins vlug of vergelijkenderwijs langzaam gesproken, de cesuren op een andere plaats of de woorden met verschillend accent. Ik heb nooit op een of andere manier ingegrepen om bepaalde plaatsen of de totale ductus te ‘verbeteren’; aan de ochtendspreuk kom je niet! Met de spraakoefeningen en de strofen van gedichten heb je meer dan genoeg mogelijkheden te oefenen aan een fijnzinniger beleven van klanken en een adequaat en precies vormgeven van bepaalde regels; daardoor kan er langzamerhand een vanzelfsprekende verandering plaatsvinden van hoe de klas de ochtendspreuk zegt en dan kan er op den duur een vorm ontstaan die nog beter bij de inhoud past.

De spreuk voor de midden- en bovenbouw* (dus voor de 5e t/m 12e klas) luidt:

Ik zie rond in de wereld;
Waarin de zon haar licht zendt,
Waarin de sterren fonkelen;
Waarin de stenen rusten,
De planten levend groeien,
De dieren voelend leven,
Waarin de mens bezield
De geest een woning geeft;
Ik schouw diep in de ziel,
Die binnen in mij leeft.
De godesgeest, hij weeft
In zon- en zielenlicht,
In wereldruimten, buiten,
In zielendiepten, binnen
Tot u, o godesgeest,
Wil ik mij vragend wenden,
Dat kracht en zegening
Voor leren en voor arbeid
Tot wasdom moge komen.

Het eerste deel van de spreuk heeft als blikrichting de buitenwereld: ‘Ik zie rond in de wereld…’
Dag en nacht, sterren en stenen, planten en dieren en de mens worden genoemd. Daarmee wordt kort maar krachtig uitgesproken wat er gedurende de schooltijd in de vakken als leerstof behandeld wordt.
Het is een duidelijk omschreven doel van de vrijeschool om aan de kinderen die haar toevertrouwd worden niet op een eenzijdige manier les te geven, maar les te geven en op te voeden met begrip voor de mens, wat lichaam, ziel en geest van de wordende mens omvat; en dus hoeft het niet vreemd te zijn wanneer de mens hier als ‘bezield’ wezen wordt gekwalificeerd, voor wie de belangrijkste opgave in het leven is te leren beseffen wie hij is.

In het tweede deel wordt de blik op het innerlijk gericht: ‘Ik kijk diep in de ziel….’**. Maar met een eerste verwondering kun je je afvragen, waarom er niet net zo sprake is van de rijkdom van het menselijk innerlijk als er even te voren is bij de veelvuldige verschijnselen van de buitenwereld. Er staat alleen maar: ‘Ik kijk diep in de ziel die binnen in mij leeft’. Je kan hier heel duidelijk zien, met wat voor stelligheid de leraar die voor de leerlingen staat, hen innerlijk vrijlaat.

‘De waarde van de mens is onaantastbaar’***; deze zin geldt ook al voor het hele persoonlijke zielenleven van het kind en het hoort bij de belangrijkste basisregels van de pedagogie van Rudolf Steiner, dat alle opvoeding – ook die van het kind – uiteindelijk alleen maar zelfopvoeding kan zijn. In geen enkel opzicht – ook niet met de beste bedoelingen – mag er in de kern van de opgroeiende mens worden ingegrepen.
In de vier volgende regels wordt er gezegd dat er in het universum en in de mensenziel iets goddelijks – geestelijks leeft. Want de aarde is geen ‘zandkorrel’ in een lege wereldruimte en de mens op deze aarde is geen ‘naakte aap’ die zijn bestaan dankt aan toevallige veranderingen in de stoffen van zijn lichamelijke organisatie.

De godesgeest, hij weeft
In zon- en zielenlicht,
In wereldruimten, buiten,
In zielendiepten, binnen [2]

Dit inzicht is overeenkomstig het antroposofisch mens- en wereldbeeld; tegelijkertijd is het echter ook een heel algemeen geldige opvatting, wanneer het gevoel van de eigen identiteit niet eenzijdig materialistisch versmald wordt.

Vanaf het begin is het een duidelijk uitgesproken doel van de vrijeschool in het kind krachten van verering tot ontwikkeling te brengen en te verzorgen. Al het onderwijs moet door een religieus element gedragen worden, omdat in de wereld en in de verschijnselen van de wereld en in de mens zelf het goddelijke werkzaam is, zoals Wilhelm Meister al te horen krijgt van de leider van “Pedagogische Provincie, wanneer hij zijn zoon Felix daar afstaat om opgevoed te worden. En Schillers roep. Dat ‘er een God is, een heilige wil leeft’ [4] heeft niets aan geldigheid verloren, hoewel de waarheid ervan ondertussen steeds opnieuw betwijfeld wordt en op een eenzijdige natuurwetenschappelijke manier van denken nadrukkelijk geprobeerd wordt te weerleggen.

In de ochtendspreuk voor de lagere klassen staat:

In de lichtglans van de zon
Vereer ik diep, o God,
De mensenkracht, die Gij
In mijn ziel
Vol goedheid hebt geplant,

Wie zich enerzijds het nog kinderlijk-open levensgevoel van de kleine kinderen realiseert en zich aan de andere kant verplaatst in de veranderde ziel- en bewustzijnstoestand van de jongere zal de juistheid begrijpen van dat in de eerste spreuk het goddelijke meteen als ‘God’ en het heel persoonlijke met ‘gij’ aangesproken wordt, terwijl in de tweede spreuk de heilige naam wat verhullend ‘godesgeest’ genoemd wordt, wat echter niet minder persoonlijk bedoeld is, want er staat: ‘Tot u, o godesgeest [Duits: tot jou (Dir).

Rudolf Steiner heeft eens uitgesproken dat het atheïsme eigenlijk als een soort afwijking beschouwd moet worden, want de gezonde ziel heeft een heel natuurlijk verlangen naar de verering van het goddelijke dat door de wereld gaat. Als je je deze opvatting eigen kan maken, dan wil je als opvoeder natuurlijk niets liever dan de kinderen behoeden voor zo’n afwijking.

Misschien hoef je het zelf helemaal niet ervaren te hebben om je levendig te kunnen voorstellen, wat voor innerlijke kracht – weliswaar niet te wegen, maar zeer zeker werkend – in het onderwijs kan stromen, wanneer leerkracht en leerling met de laatste regel van de spreuk om ‘kracht en zegen’ vragen om op een juiste manier te kunnen leren en werken.
.

[1] Zie ook De ochtendspreuk (2)

[2] De geïnteresseerde lezer zij erop gewezen dat de regel ‘wil ik mij vragend wenden’ hier staat, zoals in de Wahrspruchworte GA 40. De schrijver is ervan overtuigd dat bij een zorgvuldige beschowing van de tekst en het handschrift deze regel niet anders kan zijn. (GA 300A heeft ‘will ich bittend mich wenden’ – voor het Nederlands is dit niet van belang)

[3] Goethe: Wilhelm Meisters Wanderjahre 2e boek, 1e hfdst.

[4] Schiller: Die Worte des Glaubens
*In het Duits en Nederlands zijn deze termen niet gelijk: middenbouw is in het Duits klas 5 t/m 8; onderbouw 1 t/m 4; (soms 1 t/m 8) bovenbouw 9 t/m 12; in Nederland is de onderbouw klaa 1 t/m 6; middenbouw klas 7 en 8 – de eerste 2 jaar van de middelbare school; bovenbouw klas 9 t/m 12 ofwel de rest van de middelbare school.

**Kijken in de ziel.  (  ) praten over zichzelf

***Artikel 1 van de Duitse grondwet luidt als volgt: “(1) Het artikel 1 van de Duitse grondwet luidt als volgt: “(1) De waarde van de mens is onaantastbaar. Haar te respecteren en te beschermen is verplichting van alle overheden. (2) Het Duitse volk komt daarom uit voor onschendbare en onvervreemdbare mensenrechten als fundament van elke menselijke gemeenschap, van de vrede en van de rechtvaardigheid in de wereld. (3) De navolgende grondrechten verplichten wetgeving, uitvoerende macht en rechtspraak als rechtstreeks geldend recht.”
.

Rudolf Steiner over de ochtendspreuk

‘Ritmisch deel’: bewegend deel

Spraakvorming: alle spraakoefeningen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

1363-1275

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-2-4/4)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

In Algemene menskunde (1-2) ging het o.a. over Michaël als tijdgeest van de tijd waarvan Steiner zegt dat het ‘een bijzondere tijd’ is.

In een paar artikelen wordt ingegaan op deze Michaëlische tijdgeest. 

 

Hans Peter van Manen, Jonas 4, 19-10-1979

 

De strijd der geesten voor en na 1879

In een aantal artikelen in het begin in de zomer werd de vraag opgeworpen naar de betekenis van 1879. In oude en nieuwe christelijke bronnen staat dit jaar in het teken van de aartsengel Michaël.
Een oppervlakkige historische verkenning levert ten aanzien van dit jaartal niets bijzonders op. Een wat grondiger peiling brengt iets meer aan het licht: omstreeks die tijd zien we in de kunst en in het geestesleven in het algemeen tekenen van een reveil, van een geïnspireerde wil tot iets nieuws. Verder zien we, dat dat jaar middenin een stroom van gebeurtenissen valt, een tijdperk, dat in 1914 eindigt en omstreeks 1840 begonnen was, de eigenlijke 19e eeuw met de gemeenschappelijke triomf van techniek, materialisme en burgerlijk optimisme. Voor 1840 heersten de romantiek en de idealistische filosofie in de Europese cultuur. Rondom 1840 slaat het klimaat om, een materialistische wind steekt op. Vooral het leven van Marx toont deze plotselinge breuk in de geestelijke ontwikkeling dramatisch aan. Men kan duidelijk zien dat het de oorspronkelijke impuls was, zowel van Marx en Engels, als van de theoloog Bauer, om het christendom, dat verstard was in stoffig geworden kerkelijke tradities en in burgerlijke tevredenheid, vanuit het Duitse idealisme te hernieuwen: in de theologie zelf (Bauer en in de sociaal-economische praktijk (Marx en Engels). Wij zagen echter ook, hoe al deze mensen in een innerlijke crisis kwamen. Een andere macht krijgt hun streven en denken te pakken en buigt het om in materialistische richting. De betrokkenen zelf en enkele zeer met hen verbonden tijdgenoten spreken, half in beeld, over demonen die van hen bezit nemen.

Het was, geesteswetenschappelijk gezien, inderdaad een strijd van goede machten tegen demonen, die toen in de geestelijke wereld, waarmee het innerlijk leven van de mens rechtstreeks maar onbewust verbonden is, gestreden werd. In een cursus in het jaar 1917*) heeft Rudolf Steiner de jaren 1841 tot 1879 beschreven als de tijd, dat de aartsengel Michaël en de zijnen streden tegen Ahriman, de geestelijke macht van wie het materialisme uitgaat, en zijn demonen. Bijna veertig jaar lang woedde achter de coulissen van de geschiedenis deze titanenstrijd. Het was niet de eerste en ook niet de laatste keer, dat goede en kwade machten met elkaar streden om de mens. Het was wel de strijd die in het 12e hoofdstuk van de Openbaring van Johannes beschreven wordt. Hij eindigde in 1879 met de overwinning van Michaël. De Draak, zo staat in dit visionaire laatste Bijbelboek, werd met de zijnen op de aarde geworpen, hun plaats werd niet meer in de hemel gevonden. Vanuit de antroposofie geformuleerd: Ahriman werd uit de geestelijke wereld verdreven naar de aarde, dat wil zeggen: naar de op aarde levende mensen. Hij kreeg daardoor de kans om zijn invloed op de mensenzielen te versterken tot het moment van een nieuwe beslissende confrontatie aanbreekt. Dat betekent, dat de mens in die volgende fase een beslissende rol zal moeten spelen. Vele tekenen des tijds wijzen erop, dat deze nieuwe confrontatie nu, eind 20e eeuw, voor de deur staat. (Ik hoop daar in een later artikel op terug te komen). ‘Want de Draak weet, dat hij weinig tijd heeft’, zegt de evangelist Johannes, de schrijver van het Openbaringsboek.

In de genoemde cursus gaat Steiner, in tegenstelling tot zijn werkwijze in veel andere cursussen, heel weinig in op de details van deze bovennatuurlijke gebeurtenissen. Hij illustreert deze strijd der geesten aan de hand van gebeurtenissen op het menselijke en wetenschappelijke vlak. Hij kiest daarbij overigens heel andere 19e-eeuwse personen dan Marx en Engels, over wier leven toen nog weinig bekend was.

Nu wordt deze betekenis van 1879 ook nog van een andere kant genoemd. In 1896 publiceerde C.G. Harrison zijn ‘Transcendental Universe’, ook een tot boek omgewerkte lezingencyclus. Harrison stond enerzijds in de meer orthodoxe stroming van de Engelse kerk en anderzijds midden in het Britse occultisme en de theosofische beweging. (Er zijn naast punten van verwantschap duidelijke verschillen in de wijze van geestelijke scholing en geestelijk onderzoek van Harrison en Steiner. Het zou te ver voeren om dat hier precies uit de doeken te doen.) Harrison nu noemt ook het jaar 1879 als het moment, dat Michaël als aanvoerder van de goede machten een beslissende overwinning behaalt op Mammon. Het is zonder meer duidelijk, dat Harrison onder deze laatste naam dezelfde macht bedoelt als Steiner onder de naam Ahriman en Goethe onder de naam Mefistofeles.

Voordat wij dieper ingaan op de aard en verschillen van deze en andere geestelijke machten, is het goed om, vanuit de geesteswetenschap, iets meer helderheid te verschaffen over de wisselwerking tussen de direct zichtbare gebeurtenissen in de maatschappij en de geschiedenis, en de onzichtbare of beter gezegd de indirect waarneembare geestelijke wereld. Ik gebruikte al even eerder het beeld van het toneel en de coulissen. Vondel zei het al:

‘De werelt is een speeltoneel / Elck speelt sijn rol en krijgt sijn deel.’

Het toneel – dat is het aardse plan, waarop onze geschiedenis zich afspeelt. De wereld achter de schermen – daarmee wordt aangeduid het samenstelsel van bovenaardse sferen, waar alles wordt voorbereid wat zich op het aardse toneel gaat afspelen. De wordingsgeschiedenis van de mensheid speelde zich voornamelijk in hogere werelden af, evengoed als een toneelstuk niet op het toneel ontstaat – afgezien van bepaalde moderne experimenten – maar meestal op een totaal andere plaats door de schrijver wordt ontworpen en geschreven. Heel wat personen en instanties moeten eraan te pas komen, voordat het stuk op de planken verschijnt: de uitgever, de drukker, dan de directie van een toneelgezelschap en, als uiterst belangrijke factor, de regisseur. Via deze personen komt het stuk steeds dichter bij de schouwburg. Dan worden de spelers gekozen en geïnstrueerd, zij leren hun rol, de souffleur krijgt zijn taak en de repetities beginnen, soms nog niet op het toneel zelf maar in een oefenruimte. Ook is het van belang te beseffen, dat in een veel eerder stadium een heel andere kunstenaar en zijn staf hebben meegewerkt: de architect, die de schouwburg en de toneelzaal gebouwd heeft. Tussen gebouw en toneelstuk ligt dan nog de taak van de costumier, de grimeur, de inspeciënt.

Men kan makkelijk de vergelijking tot in de details doortrekken naar de mensheidsgeschiedenis als één groot dramatisch werk in vele bedrijven. Het drama wordt gespeeld door onnoemelijk veel spelers. Maar er zijn op de achtergrond zeker evenveel dirigerende en assisterende machten, die tijdens de uitvoering zelf onzichtbaar blijven.

Eén belangrijke aanvulling is de volgende. In het grote mensheidsdrama heeft ieder bedrijf een eigen regisseur. Met andere woorden: iedere tijd heeft zijn eigen tijdgeest die de hem toevertrouwde episode voorbereidt en dirigeert. Naar aanleiding van dit punt kan een vraag met de zwaarte van een tegenwerping gesteld worden. Waar blijft in deze vergelijking de menselijke vrijheid? Alles wat zich op het toneel afspeelt lijkt wel spontaan te gebeuren, maar in werkelijkheid is alles zo precies mogelijk van tevoren geënsceneerd. Als dat in de geschiedenis ook zo is, dat eigenlijk alles van hoger hand geënsceneerd en gemanipuleerd wordt, dan is het mensheidsdrama een marionettenspel en alle vrijheid is schijn. Die zienswijze strookt merkwaardig goed met bepaalde moderne en ook met sommige oude oosterse opvattingen, maar is dat ook de visie van de antroposofische geesteswetenschap? Nee, allerminst. De inzet van het geschiedenisdrama is juist de vrijheid van de mens. Daarmee komen wij inderdaad aan het punt, waar de Vondelse vergelijking niet meer helemaal opgaat. Niet helemaal meer maar nog wel grotendeels. Want, denk aan de spanning bij de première. Alles is tot in de puntjes voorbereid. En toch wachten alle betrokkenen – schrijver, directie, regisseur en spelers in de grootste spanning of het zal lukken -nee, hoe het zal zijn!

Dat geldt voor de geschiedenis in nog sterkere mate. Lang niet altijd lukt datgene, wat in hogere werelden is voorbereid. Soms lukt het, soms mislukt het, soms lukt het gedeeltelijk. Op zulke punten lijkt de mensheidsontwikkeling meer op een concert dan op een toneelstuk. Wij kennen in bepaalde concerten voor solo-instrument en orkest de cadans. Dat is een passage die in hoofdlijnen door de componist is aangegeven. Maar de solist moet hem zelf, instuderend of improviserend, uitwerken. Natuurlijk wordt er op het toneel ook geïmproviseerd, maar veel meer in de marge en vooral bij kleine vergissingen. In het grote mensheidsdrama gaat het telkens en steeds vaker om het element van improvisatie, spontane creatie. Dat wil zeggen: in de rollen, die de mensen in de loop van het ontwikkelingsdrama toegewezen krijgen, komen steeds vaker min of meer open stukken voor, die de spelers zelf, net als de muzieksolist met de cadans, gestalte moeten geven. De hogere machten wachten altijd in een zekere spanning op het resultaat van deze creatieve momenten. Daaruit kan iets ontstaan wat totaal nieuw is, ook voor deze hogere machten zelf.

Zo is de mensheidsgeschiedenis een drama, waarbij de leiding steeds verandert en steeds meer terugtreedt, terwijl de vrijheid steeds belangrijker wordt. Het zwaartepunt van de beslissingen, dat tot nu toe achter de schermen lag, verlegt zich naar de openbaar zichtbare toneelruimte. Degene, die meer dan andere verborgen regisseurs de vrijheid van de mens als doel voor ogen heeft, is dezelfde die sinds 1879 achter de schermen aan het bewind is: de aartsengel Michaël.

Hier kan men natuurlijk de verwonderde vraag stellen, hoe dat mogelijk is. Michaël, de inspirator van de vrijheid en de overwinnaar van de geest van het materialisme, sinds eind vorige eeuw tijdgeest? Is onze 20e eeuw niet een tijd van verschrikkingen, die grotendeels het gevolg zijn van een nog steeds groeiend materialisme? Lijkt het er niet meer op, dat Ahriman tijdgeest geworden is?

Inderdaad, het lijkt erop. Hij heeft zich, sinds hij op de aarde is geworpen niet alleen in de theorieën maar ook in de harten en de wil van veel mensen kunnen nestelen. Voor 1879 was de gedachte, dat de mens van het dier afstamt nog een theorie.
Als in Multatuli’s ‘Woutertje Pieterse’ Juffrouw Laps door de hulponderwijzer Stoffel voor een zoogdier wordt uitgemaakt, is dat, ondanks alle opschudding die deze mededeling verwekt, alleen maar vermakelijk, juist omdat het op geen enkele manier met de praktijk te maken heeft. In de 20e eeuw is het darwinisme geen theorie meer. De gedachte ‘de mens is eigenlijk een dier’ is op veel verschillende manieren tot een levenshouding geworden.

Dit geldt niet alleen voor het darwinisme. Het marxisme was voor 1879 een maar weinig ter kennis genomen theorie van een gefrustreerde querulant en een kleine groep medestanders. Als beweging was het piepklein gebleven en in allerlei ruzies en veten vastgelopen. Omstreeks 1890, als de tweede Internationale ontstaat, is het de arbeidersbeweging geworden, een machtige stroming met een godsdienstige kracht ondanks zijn anti-godsdienstige programma. Het historisch materialisme werd het bezielende geloof van de beste en de actiefsten onder de arbeiders. Verder hoeven wij niet uit te weiden over de werking van de techniek op de wil en de zintuigen, vooral in de laatste tientallen jaren. Auto’s, bromfietsen, ijskasten, computers zijn allang met onze belangen, begeertes, instincten vergroeid. Nog dieper gaat de werking van de audiovisuele middelen. Film, radio en televisie maken niet alleen de wil maar ook de zintuigen materialistisch. In geen andere tijd heeft het materialisme, dat wil zeggen Ahriman, zich zo diep in de waarneming en de motoriek van zo grote aantallen mensen kunnen verschansen.

Toch is deze gigantische expansie van het materialisme het gevolg van een nederlaag, die Ahriman in 1879 geleden heeft. Dat is moeilijk te begrijpen, want het lijkt meer op een grote overwinning. Hoe kunnen we dat zien? Het is inderdaad met een oorlogstoestand te vergelijken. Een legermacht valt aan en wordt teruggeslagen. Het verslagen leger wijkt uit en kiest een bepaald gebied, waar het tot nog toe slechts verspreide invallen heeft gedaan, om zich in te graven voor een volgende beslissende slag. Zo kan men de apocalyptische situatie van onze tijd, de 20e eeuw, samenvatten: de aarde is bezet gebied, maar de bevrijding nadert. Deze oorlogsverklaring is even suggestief als de vergelijking met het toneel en op hetzelfde punt niet helemaal juist.

Toen in 1944-’45 de geallieerde bevrijdingslegers ons land binnentrokken, heeft ook het ondergrondse verzet moedige en heftige assistentie verleend.
Bij de strijd, die nu gaande is en de volgende 21 jaar zijn beslissende hoogtepunt zal beleven, zal het accent liggen op het ‘verzet’, dat wil dus zeggen op de wakkerheid en de moed van een kleine minderheid der bewoners van de belaagde aardeplaneet. De bovenaardse beschermer van de menselijke vrijheid, Michaël, kan daarbij helpend ingrijpen als een aanmoedigende en helderheid schenkende kracht. Deze hulp is zelfs onmisbaar, maar het blijft hulp, assistentie. De beslissende initiatieven moeten uit menselijk inzicht genomen worden. Als het anders was, zou de vrijheid van de mensheid geweld worden aangedaan.

Dat is het grote verschil met vroegere tijden en vroegere tijdgeestwerkingen – ook de vroegere werking van Michaël zelf. In de eerste plaats grijpt de ware tijdgeest niet meer direct inspirerend in op de onbewuste impulsen van de mensen, wat hij en andere goede machten vroeger wel deden. Michaël wacht af. In de tweede plaats grijpen de tegenstanders van de goede machten veel directer in dan vroeger. Niet alleen inspirerend – ‘Inblazingen zijn des duivels redenaarskunst’, zegt Mefistofeles in Goethes Faust, sprekend vanuit het souffleurshok! – maar tot bezetenheid toe. Hoe minder mensen in de geest en in geesten geloven, des te groter is de inwerkingsmogelijkheid van de mefistofelisch-ahrimanische machten.
En in de derde plaats is het, in tegenstelling tot vroeger, voor de vrijheid van het menselijke denken en de menselijke wil noodzakelijk, dat steeds meer mensen weten waarom het gaat en om wie het gaat. Niet om een nieuwe eredienst te
lanceren maar om de toekomst van de beschaving, van de mensheid en van de aarde te redden is het nodig, dat het bekend is, wie de ware tijdgeest is en wie zijn tegenstanders zijn.

Velen zullen de hier ontvouwde visie Ahriman als geest van het materialisme, schijnbaar in opmars maar in wezen op de terugtocht voor Michaël – met een zekere sympathie als een mogelijkheid mee kunnen denken. Maar welke door ons controleerbare feiten wijzen in die richting? Nu verwezen wij al (in een vorig artikel) naar bepaalde momenten in het leven van Marx en zijn tijdgenoten, waar de aanval der demonen door de gebeurtenissen en de woorden heen zichtbaar wordt. Wij volstaan tot slot van deze beschouwing met nog één voorbeeld uit het gebied van de wereldliteratuur.
Veel 19e-eeuwers zijn hier al de revue gepasseerd. Een, die men niet direct in deze reeks zou verwachten is de Deen Hans Christian Andersen (1805 – ’75) beroemd geworden om zijn sprookjes. Heel anders dan Richard Wagner heeft ook hij zich er niets van aangetrokken dat de tijd van de romantiek voorbij was. In de tijd van opkomende techniek en industrie wist hij met zijn scheppende fantasie de draad van de volkssprookjes op te nemen. Een der bekendste en schoonste en misschien wel de meest dramatische van Andersens scheppingen is de geschiedenis van de Sneeuwkoningin. In het voorspel onderneemt de duivel met de zijnen een uitermate vermetele aanval op de hemel. In zijn ‘school’ voor boze tovenarij vindt hij een spiegel uit die alle dingen tot hun karikatuur of tegendeel vervormt. Deze spiegel draagt hij met zijn helpers omhoog om hem voor Gods aangezicht te houden. De aanval mislukt, de spiegel valt op de aarde, breekt in miljoenen scherven. Veel splinters komen terecht in mensenogen en in mensenharten. Dat gebeurt ook bij het jongetje Kai. Zijn blik op de wereld wordt koud en cynisch. Vanaf dat moment voert zijn levensweg hem rechtstreeks naar het rijk van de Sneeuwkoningin. Alles wat zij aan Kai opdraagt moet in een kil spel van getallen en cijfers worden omgezet. Het is de kleine Gerda. die Kai redt uit de zielendodende macht van de Sneeuwkoningin.

De kunst in het algemeen en de dichtkunst in het bijzonder weerspiegelen vaak wat in de ons omgevende bovennatuurlijke werelden gebeurt. De dichterlijke intuïtie komt in contact met werkelijkheden, die boven of ook onder ons bewustzijn liggen. De innerlijke ontmoeting met zo’n geestelijke werkelijkheid wordt in de dichter tot een idee. Dit idee wordt in het creatieve proces herschapen tot een heel nieuwe verschijning, een kunstwerk. Er ontstaat iets dat origineel aandoet, het heeft ons iets te zeggen. In sommige gevallen blijkt dat later uit bepaalde geesteswetenschappelijke feiten wat de achtergrond van deze zeggingskracht is.

Zo ook hier. Andersen schreef zijn Sneeuwkoningin in de vorderende 19e eeuw, toen de mislukkende stormloop van Ahriman op de geestelijke wereld plaatsvond. Overduidelijk schildert het sprookje de onmiddellijke ernstige gevolgen van deze nederlaag voor de mensheid. Michaël komt als zodanig niet voor in de vertelling. Maar de gestalte van de kleine Gerda is wel een zuiver voorbeeld van michaëlische moed en doorzettingskracht.

Ook andere scheppende geesten hebben – soms heroïsch, vaak diep tragisch en meestal op diep ontroerende wijze – midden in de verborgen strijd van de vorige eeuw gestaan. In hun innerlijke nederlagen en zelfoverwinningen werd de wereldomvattende strijd van onze eeuw voorbereid.

Het zal van de tegenwoordigheid van geest van de mensen der komende tientallen jaren afhangen hoe deze strijd zal aflopen.

GA 177 ‘Der Sturz der Geister der Finsternis’ o.a. blz. 148 ff. 
Niet vertaald

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Jaarfeesten – Michaëlalle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeldMichaël

.

1362-1274

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-2-4/3)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

In Algemene menskunde (1-2) ging het o.a. over Michaël als tijdgeest van de tijd waarvan Steiner zegt dat het ‘een bijzondere tijd’ is.

In onderstaand artikel wordt ingegaan op deze Michaëlische tijdgeest. Het is deel 2 van het jaar 1879       (deel 1)

.

Hans Peter van Manen, Jonas 22, 29-06-1979
.

wat ging aan 1879 vooraf?

Wending naar het materialisme

In het vorige artikel in Jonas 19 werd het geestelijk klimaat geschilderd in de eerste helft van de vorige eeuw [20e], vooral in Midden-Europa: de laatste rustige tijd, toen in de kunst de romantiek en in de filosofie het idealisme hoogtij vierden. In het Westen – Engeland en later ook Amerika – ontstaan dingen, die de mens meer naar de materie dan naar de geest doen kijken: de moderne industrie en de evolutieleer van Darwin. Maar de echte omslag naar het materialisme – als een val uit het idealisme – vond omstreeks 1840 in Duitsland plaats.

Hoe plotseling het materialisme daar heeft toegeslagen, zien we aan het leven van Karl Marx (1818 – 1883). Deze was in het katholieke, Pruisisch bestuurde Rijnland opgegroeid als zoon van een half joods, goed burgerlijk gezin. Op school al gerespecteerd wegens zijn scherpe pen, was hij een oprecht protestants christelijke jongeling met dichterlijke ambities. Voor hij ging studeren, was hij zijn godsdienstige overtuiging en zijn dichterlijke streven al kwijtgeraakt. Over deze crisis rondom zijn 18e jaar is weinig bekend. Ik kom daar nog op terug. Als jong student kwam hij in 1836 naar Berlijn, nog steeds het bolwerk van de idealistische filosofie. Zijn eerste jaar stortte hij zich nogal onbeheerst op de frivole kanten van het studentenleven. Direct daarna, in zijn tweede jaar, stortte hij zich nog radicaler op de studie, alles tegelijk: filosofie, rechten, geschiedenis – tot aan de grens van de overspannenheid. Men kan bijna van een bezetenheid spreken. Zijn vader spreekt zelfs van een demon in zijn zoon.

Marx komt zeer onder de indruk van de denkmethode van Hegel, die enkele jaren tevoren gestorven was. Hij raakt echter ook bekend met de in rake populaire termen vervatte materialistische filosofie van Feuerbach. Hij ontmoet een vrijzinnig theoloog, die kritisch dacht en nog kritischer sprak, Bruno Bauer. Trouwens, onder de jonge Hegelianen bevinden zich nog meer uiterst kritische, ‘progressieve’ buitenbeentjes, bij wie Marx zich in die tijd thuisvoelt. Bij een aantal van deze politiek en wetenschappelijk kritische geesten, ontstaat het plan om een aantal professoraten in handen te krijgen. De conservatieve Pruisische autoriteiten gaven dit streven geen enkele kans. Iets minder ver, maar toch ook al stoutmoedig voor die tijd, was het plan om een atheïstisch tijdschrift op te richten. ‘Dr. Marx, Dr. Bauer en L. Feuerbach sluiten zich aaneen tot een theologisch-politiek tijdschrift, dan mogen alle engelen zich wel rondom de oude Vader God scharen en hij moge zichzelve genadig zijn, want deze drie zullen hem vast en zeker uit zijn hemel gooien… ’, aldus een vriend en tijdgenoot in een brief.

Marx heeft in zijn verdere leven deze hemelbestormende plannen in een ander kader geplaatst. In zijn Berlijnse studietijd had hij nog weinig belangstelling voor het arbeidersvraagstuk. Maar hij is voorgoed een politieke radicaal en fervente materialist geworden. Zelfs Feuerbach ging hem in het laatste opzicht niet ver genoeg. Het marxistische socialisme werd pas enkele jaren later in zijn leven geboren, maar de materialistische basis daarvan was al omstreeks 1840 in Berlijn gelegd. Een interessant voorbeeld van het klimaat waarin Marx zich in die Berlijnse tijd bewogen heeft, is de genoemde Bruno Bauer, privaatdocent in de theologie eerst in Berlijn, toen in Bonn en al gauw weer in Berlijn. (Zijn levensjaren zijn dezelfde als die van Darwin: 1809 – 1882)..

Het liep storm bij zijn colleges. ‘Ik herken mijzelf niet, als ik op het spreekgestoelte mijn lasterlijke beweringen uitspreek – zij zijn zo erg, dat de studenten, deze kinderkens, die toch niemand zou mogen plagen, de haren te berge rijzen – en eraan denk hoe vroom ik thuis aan een verdediging van de Heilige Schrift en de openbaring werk. Het is in ieder geval een zeer boze demon, die zich iedere keer van mij meester maakt, als ik het spreekgestoelte bestijg, en ik ben zo zwak, dat ik onvoorwaardelijk aan hem toegeef.’

Zo schreef Bauer aan een wederzijdse vriend van hem en Marx in december 1841 uit Bonn.

Een schokkende bekentenis. Bij Marx waren het anderen, zoals zijn vader die door zijn indruk van een zekere bezetenheid woorden als ‘demon’ in de mond namen, hier was het de persoon in kwestie zelf, die schijnbaar vergelijkenderwijs daarop kwam. Wat was er in die jaren gaande, dat mensen verschijnselen in de intellectuele sfeer, in termen van demonische bezetenheid deed beschrijven? Het is niet onbelangrijk te weten waarover Bauer het had in deze colleges, namelijk over het Johannesevangelie en in het bijzonder over de opwekking van Lazarus. Die geschiedenis beschouwde hij, sinds korte tijd, als bedrog en zwendel en die wilde hij zodanig aan de kaak stellen dat het christendom zich nooit van de klap zou herstellen. – Bauer is overigens net als Feuerbach en anderen, enkele jaren later in felle tegenstellingen tot Marx gekomen, die een van zijn bekendste polemieken op hem heeft losgelaten. Het leek er even op, dat Bauer, na kort als choquerend criticus in de mode te zijn geweest, tussen de wal en het schip, dat wil zeggen tussen de theologie en de politiek onzeker en eenzaam was geworden. Toch hebben zijn geschriften, ook de latere, nog grote invloed gehad in de vrijzinnige theologie. Hij was een van de belangrijkste grondleggers van de Bijbelkritiek.

Meer citaten in deze richting over Marx en zijn tijdgenoten vindt men in een boekje van Richard Wurmbrand, een uit Roemenië gevluchte protestantse geestelijke. Het is in New York uitgegeven onder de titel ‘Was Karl Marx  Satanist?’ (Was Karl Marx een duivelsaanbidder?) Een vraag die Wurmbrand onomwonden met ja beantwoordt. Nu is Wurmbrand een orthodox gelovig man, die geen twijfels meer kent, na de vervolging en de beproevingen die hij heeft doorgemaakt. Zijn visie is eenvoudig en rechtlijnig en dus zeer eenzijdig. Maar hij citeert belangwekkende gegevens, die hij op verschillende plaatsen in de overvloedig gepubliceerde werken van Marx heeft gevonden. Het komt erop neer, dat Marx volgens Wurmbrand, in de crisis op zijn 18e levensjaar een zwartmagische of satanische inspiratie moet hebben ondergaan. Deze komt dan in de daaropvolgende Berlijnse studiejaren tot een agressief atheïstische, antigodsdienstige fixatie. Wurmbrand rekent op snijdende wijze af met de visie, dat marxisme en christendom punten van verwantschap zouden hebben, zoals vaak geopperd wordt, immers beide zijn op het heil van de mensheid als geheel en op dat van de armen in het bijzonder gericht. Allemaal schijn, volgens Wurmbrand.
Marx’ leer en het marxisme zijn één grote attack tegen de kerk en de godsdienst en niets anders.

Parallel

Toc
h kan een zekere parallel in uitgangspunt en doelstelling tussen marxisme en christendom niet geheel ontkend worden. De zaak is gecompliceerd. De interpretaties van Marx’ werken en vooral van het werk van de jonge Marx, leveren aan de kenners veel twistpunten op. Mijn stellige persoonlijke indruk is, dat de oorspronkelijke impuls van Marx een christelijke is. Onder oorspronkelijke impuls versta ik de hoogste onbewuste scheppingsdrang, waarmee iemand in het leven treedt. Zo’n impuls breekt soms wel, soms niet, soms volledig en soms misvormd in iemands leven door. En bij Marx was die impuls duidelijk gericht op de verlossing van de mensheid. Hij was in zijn jeugd overtuigd christen. Maar zo’n torenhoog streven kan makkelijk gefrustreerd raken, als het zich niet op een bescheidener aspect van het grote omvattende ideaal richt. Mede via de zwakke plek in zijn karakter, gebrek aan humor – jazeker, de genadeloze sarcastische spotter die Marx kon zijn, miste gevoel voor humor! – kon een grimmig, fanatiek materialisme zich van hem meester maken en zijn streven naar een andere richting ombuigen.

Friedrich Engels

Maar het is alsof de goede geest van het christendom daar bij voorbaat rekening mee had gehouden en hulp voor hem in reserve had. Nadat hij als journalist Duitsland had moeten verlaten, bracht het lot hem tijdens zijn ballingschap in Brussel en Parijs, samen met zijn vroegere schoolkameraad Friedrich Engels (1820 – 1895). Deze was iets jonger dan Marx, ook iets zachter van aard. Ook hij schreef als gymnasiast religieuze gedichten, maar meer en inniger dan Marx. En net als Marx, raakt de jonge Engels in een geloofscrisis. Hij bidt om waarheid en om verlichting. Hij hoopt vurig, dat hij God terug zal vinden. Het is alsof een goede macht hem ertoe heeft voorbestemd, om voor zijn oudere, toekomstige vriend een weg te vinden – moet men het een Parcivalweg of een weg in de trant van Faust noemen? – een weg in ieder geval, die door de twijfel naar een innerlijke opstanding voert, om voor Marx en voor hemzelf de verbinding open te houden naar het ware christendom en naar de geestelijke wereld. Engels, de fabrikantenzoon, later zelf fabrikant in Engeland, ontwaakt inderdaad eerder dan Marx voor het sociale vraagstuk… maar tijdens zijn crisis heeft hij de verbinding met het christendom en het goddelijke niet hervonden. Hij is eveneens atheïst geworden. Toen deze twee elkaar in 1844 in Parijs opnieuw ontmoetten, bleken hun opvattingen heel nauw verwant te zijn. Vanaf dat moment waren zij onafscheidelijk. Uit hun samenwerking ontstond het marxisme. Wederom een beslissende triomf voor het materialisme.

De industriële omwenteling had de arbeidersellende tot gevolg gehad. De christelijke kerken, die vanuit hun geestelijk erfgoed, het onrecht hadden moeten signaleren en bestrijden, hebben het verslapen. Het Leger des Heils heeft in een waarachtig christelijke geest de allerergste uitwassen van de ellende aangepakt. Dat neemt niet weg, dat de kerken en vooral de kerkelijke autoriteiten hun taak veronachtzaamd hebben. Deze nalatigheid heeft vergaande gevolgen gehad. De kerk verloor haar greep op de arbeiders. De aanpak van het sociale onrecht werd aan revolutionaire, niet-christelijke stromingen overgelaten. Het marxisme werd onder deze veruit de belangrijkste.

Als men deze voorgeschiedenis van het marxisme in het leven van zijn beide stichters probeert te overzien, is het, alsof zich boven en ook in de hoofden van de hoofdpersonen en bijfiguren, een strijd der geesten voltrekt. Ook op andere terreinen van het Europese leven en denken, voltrekt zich omstreeks 1840 een abrupte klimaatswisseling. Het idealisme en het christendom worden vooral in Midden-Europa verjaagd door het materialisme. Wat was hier aan de hand? Welke strijd heeft zich toen in werkelijkheid afgespeeld?

Slotdeel

Meer over Marx op deze blog  Meer

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Jaarfeesten – Michaëlalle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeldMichaël

.

1361-1273

.

.

.

*

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-2-4/2)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

In Algemene menskunde (1-2) ging het o.a. over Michaël als tijdgeest van de tijd waarvan Steiner zegt dat het ‘een bijzondere tijd’ is.

In onderstaand artikel wordt ingegaan op deze Michaëlische tijdgeest. Het is een vervolg op het jaar 1879

Wat ging aan 1879 vooraf?

De geestelijke klimaatverschuiving in de 19e eeuw
Het jaar 1879 is, vanuit een gewoon historisch standpunt bezien, beslist niet het begin van een nieuw tijdperk. Alleen in de buurt waren enkele tekenen van een naderend geestelijk reveil.
1879 viel eigenlijk middenin een tijdperk van stormachtige ontwikkeling. Technische vernieuwingen stuwden de mensheid naar een grootse toekomst, die zich in de 20e eeuw zou ontplooien. Deze toekomst werd in een even materialistisch, als optimistisch licht gezien.
Het uitbreken van de 1e wereldoorlog in 1914 betekende het abrupte einde van dit tijdperk. De techniek en het materialisme hebben deze schok vrij goed overleefd. Maar het hoog opgeschroefde optimisme, waarin onze (over-) grootouders de drempel naar deze eeuw hebben overschreden, is na 1918 nooit meer geworden wat het voor 1914 geweest was.
Want tien jaar na de 1e wereldoorlog kwam al de grote werkeloosheidscrisis, direct aansluitend Hitler en de 2e wereldoorlog, vervolgens de koude oorlog en de atoomdreiging. En net toen die laatste twee gevaren wat terugebden en het erop leek dat wij, in het westen en noorden van de wereld van een fijn stuk technische welvaart zouden kunnen genieten, kregen we in de jaren ’60 het Vietnamvraagstuk, de jeugdrevolte, het wereldmilieuprobleem, de noodkreten van de verarmde landen en de Club van Rome.
Het was ook altijd wat.

Zelfs de maanlanding van 1969, werkelijk een gigantische prestatie, kon toch het oude op technische vooruitging gebaseerde optimisme maar voor heel even weer oproepen. Nee, dat in 1914 een ‘eeuw’ van schone, uiterlijk gerichte illusies ten einde ging, staat nu wel vast.

Maar waar ligt dan het begin van dat tijdperk, dat in 1914 eindigde? In 1789 bij het begin van de Franse Revolutie? Of in de jaren 1813-’15 bij de ondergang van Napoleon? Of ergens anders? Het afbakenen van historische tijdperken is altijd een betrekkelijke zaak. Toch meen ik, dat we een antwoord kunnen vinden, dat zelfs een vrij grote actuele waarde heeft. Wij gaan daarvoor op verkenning in de 19e eeuw.

De drie-en-dertig jaar na Napoleon – dus de jaren 1815 tot 1848 – staan geboekstaafd als een tijd van rust in Europa. Deze rust werd opgelegd door de wettige vorstelijke regeringen en werd zeer streng bewaakt. En toch was het een zalige rust! Geen oorlogen, weinig revoluties, nog geen modern verkeer of moderne industrie – uitgezonderd in Engeland -, de tijd van de postkoets en de trekschuit, van de Biedermayermode en van de Romantiek in de kunst. Kortom, de goede oude tijd bij uitstek. Zeker, een streng conservatisme met censuur en politiespionage vormde de keerzijde. Maar wat was het landschap nog mooi, met zijn rustieke dorpjes, vriendelijke landwegen en ongerepte heiden en wouden. Milieuproblemen waren zelfs in beginsel onbekend. Ook in de steden was de architektuur nog onbedorven en de lucht gezond; ’s avonds na donker heerste in de straten een landelijke stilte. Zelfs de armoede, waarin grote delen van de bevolking leefden, leek nog opgenomen in een godgewild, vredig en zinvol geheel. – Dat is het algemene uiterlijke beeld.

Om dit beeld te verdiepen kijken wij iets grondiger naar het jaar 1830 en daaromtrent. Het staat bekend als een jaar van revoluties. Dat is misleidend. Zeker, Frankrijk kreeg een nieuwe, iets liberalere koning die met de jaren even conservatief en tyranniek werd als zijn voorgangers!) en België maakte zich onafhankelijk van Nederland. (Dat deze onafhankelijkheid nog geen echte vrijheid betekende, bewees het ontstaan van de Vlaamse Beweging in de daaropvolgende tientallen jaren). In Polen en Italië werden opstanden onderdrukt. Het was een jaar van revolutiepogingen, die heel weinig werkelijk nieuws gebracht hebben.
Omstreeks 1830 speelde zich in Neurenberg en omgeving de raadselachtige tragedie van Kaspas Hauser af.
In het hertogsstadje Weimar leefde en dichtte nog steeds de 80 jaar oude, in zijn roem vereenzaamde Goethe.
Wij noemden al de Romantiek. Die beleefde zijn (laatste) bloei in de literatuur, muziek en schilderkunst. Allemaal zaken, die zich vooral in Duitsland afspeelden.
Dat geldt ook voor de zogenaamde idealistische filosofie, die toen nog volop bloeide. In Berlijn leefde en doceerde Hegel, de omvattendste en beroemdste denker van deze school. Hij stond op het hoogtepunt van zijn roem en tevens in zijn laatste levensjaar.

Wat is het filosofische idealisme? Het is eigenlijk de wereldbeschouwing, die voortbouwt op de grote Griekse wijsgeer Plato (±400 v.Chr.) Het is het absolute tegendeel van het materialisme. De idealist in filosofische zin verklaart alles, het hele bestaan, uit de Idee. Ook de materie is in oorsprong idee of geest. Deze Platonische visie was omstreeks 1800 op een eigen, spontane wijze in Duitsland weer opgebloeid. Het is geen toevallige bijkomstigheid, dat de idealisten hun filosofie meestal op een geïnspireerd schone, beeldrijke wijze onder woorden weten te brengen. Dat geldt voor Plato, het geldt ook voor Goethes tijdgenoten. Filosofie en dichtkunst gingen hand in hand. De idealistische filosofen en de romantische dichters vormden een tijd lang één grote geestelijke familie.

Het is een merkwaardig en moeilijk verklaarbaar feit, dat dit alles binnen korte tijd, nog voor het midden van de 19e eeuw, vrijwel spoorloos verdwenen is. Meestal is het zo, dat wat de ene generatie denkt, – en hoe intens, hoe levendig en sprankelend is er toen niet gedacht! – voor de volgende generaties tot levenspraktijk wordt. Zo gaat het meestal. Hier gebeurde dat niet. Dat is zeker vreemd. Want zo ooit, dan lagen hier schitterende kansen.

Immers, het Duitse idealisme had niet alleen in theoretische hoogten gezweefd. Een generatie tevoren had Schiller, in zijn brieven over een kunstzinnige opvoeding, een nieuwe psychologie geschetst (dat woord werd overigens nog niet gebruikt), als uitgangspunt voor een nieuwe pedagogiek. Goethe had als begenadigd waarnemer een nieuw soort natuuronderzoek ingeleid, waarbij de combinatie van wetenschappelijke exactheid en kunstzinnig inlevingsvermogen een gesprek tussen mens en natuur mogelijk maakt. Verder hadden de Duitse denkers en dichters ook buiten de grenzen van hun taalgebied een inspirerende invloed, met name in Rusland.

Jongere denkers, vooral rechtsgeleerden, hadden machtige ideeën op staatkundig gebied. Een echte staat is een levend wezen: ieder gebied heeft een eigen functie binnen het geheel. Zij popelen van ongeduld om deze organische staatsidee in het nog steeds in ouderwetse vorstendommetjes versnipperde Duitsland te verwezenlijken.

Het is een apart drama: wat in het midden van de vorige eeuw in Midden-Europa en vooral in Duitsland niet gebeurd is. Want deze rijkdom aan kiemen is plotseling verdwenen, inderdaad zonder veel sporen na te laten. Alleen in de muziek bleef veel doorklinken. En in de literatuur werd het werk van Schiller en Goethe niet helemaal vergeten. Maar in plaats van een Goetheanistische natuurwetenschap kwamen het darwinisme en andere vormen van materialisme. In plaats van een onderwijsmethode op Schillerse leest, gebaseerd op een kunstzinnige opvoeding, kwam de pedagogiek van Herbart. Een knappe kop, wel een tijdgenoot, maar geen soortgenoot van de idealisten. Herbart verstevigde de onderwijsmethode, die primair van het intellect uitgaat: eerst kennen dan kunnen. In de filosofie zelf maakte het idealisme plaats voor zijn tegenhanger, het materialisme.

Wanneer en waardoor vond deze omslag plaats? Vaak wordt en niet zonder reden het jaar 1848 genoemd. Dat was een jaar van echte revoluties in Europa. Toen had het romantisch gestemde idealisme nog een laatste kans in Duitsland, maar ook deze kans ging verloren. – En merkwaardig: in Nederland, dat beslist nog niet aan een revolutie toe was, besliste Koning Willem II tot een liberale hervorming, waardoor professor Thorbecke zijn kans kreeg. Thorbecke was een leerling van het Duitse idealisme. Zijn staatkundige hervormingen hebben in Nederland meer dan een eeuw lang goed gefunctioneerd. Zijn levenswerk is een goed bewijs van de levensvatbaarheid van het idealistische denken.

Toch ligt de eigenlijke ommekeer niet in 1848 maar eerder, omstreeks het jaar 1840. In die tijd kwam namelijk de industrie van Engeland naar het vasteland. Er kwamen fabriekssteden, spoorlijnen, mijnstreken. (Ik schetste deze omschakeling al eerder). Deze veranderingen hebben beslist bijgedragen tot de geestelijke ommekeer. Toch waren zij niet de hoofdoorzaak.

Men moet inderdaad van een geestelijke klimaatomslag spreken. In het weer kennen wij zulke abrupte wisselingen heel goed. Na een tijd van mooi en stabiel weer draait de wind, er komen wolken, regen, koudere lucht, windstoten. De hele stemming verandert. Zo was het ook toen. Op alle terreinen van het leven werd de stemming nuchter en materialistisch.
Neem een veel gelezen en terecht beroemd boek als de Camera Obscura. Het geeft een schitterend beeld van de ondergegane Biedermayertijd. Maar het schildert de burgerlijke rust van voor 1840 al vanuit het nuchtere standpunt van na 1840. Hildebrands goedige spot wordt zelfs licht wrevelig, als hij het over de trekschuit en de diligence heeft.
Materialisme is geen vriendelijk woord. Toch moeten we het niet alleen maar als een duivelse zaak zien. Het materialisme is een bijna onvermijdelijk
begeidingsverschijnsel, dat optreedt, als de mens zich dieper gaat interesseren voor de aarde en deze grondiger gaat beheersen en exploiteren. Steiner heeft grondiger en precieser dan andere denkers over de culturele ontwikkeling, op de twee oorzaken van het materialisme gewezen.
De hier genoemde verhevigde belangstelling voor de materie was op zichzelf een positieve ontwikkeling. Deze belangstelling was al lang voor 1840 ontwaakt, omstreeks 1500 bij de overgang van de middeleeuwen naar de nieuwere tijd. Deze nieuwe op de materie gerichte ontdekkingsdrang trad op, toen het menselijke intellect, althans in Europa, abstract begon te worden. Abstract denken is een hele merkwaardige combinatie van vrijheid en gebondenheid. Men kan er zelfstandig logisch mee opereren, maar in zijn logische wetmatigheden heeft het een bijna mechanisch en dor karakter en het is als zodanig sterk aan de hersenen gebonden. De neiging om vanuit dit abstracte begripsvermogen alles te verklaren noemen we rationalisme of intellectualisme. Als dit intellectualisme samengaat met de verhevigde belangstelling voor de wereld, die we met onze lichamelijke zintuigen waarnemen, ontstaat materialisme.
Tegelijk met de natuurwetenschap zijn intellectualisme en materialisme vooral
in West-Europa tot ontwikkeling genomen. Dit gebeurde tussen 1600 en 1800. Hoe westelijker men komt in de wereld, des te sterker is het bewustzijn van de mensen op de materie gericht. Met name in Amerika is deze aardegerichtheid, sinds de kolonisatie, tot levenspraktijk geworden. Daarmee zijn grootse, maar eenzijdige dingen bereikt. Uit Engeland komt meer het natuurwetenschappelijke en filosofische materialisme. Maar daar ontwikkelde het zich op zo’n manier, dat de godsdienstige en andere tradities er niet door werden aangetast. Het kwam daar als een geleidelijke ontwikkeling, niet als een revolutie.
Dat geldt nog ten dele voor het leven van Charless Darwin (1809 – 1882). Als jong student, gezelligheidsmens, sportief, cultureel belangstellend, helemaal een burger van het land van Pickwick, ging hij mee als amateurbioloog met
de wereldverkenningsreis van een Brits marinezeilschip, de Beagle. Deze
vriendelijke student in de medicijnen, die geen bloed kon zien en toen maar theologie was gaan studeren, gaat voor jarenlang op zeereis, terwijl hij constant zeeziek is. Het hele avontuur zou nooit zijn doorgegaan, als hij bij de eerste kennismaking niet direct in de smaak was gevallen van de kapitein van het schip Fitzroy. Deze marineofficier was een ongemakkelijk mens, autoritair, opvliegend, principieel en vroom op het fanatieke af. Om die laatste reden had hij wel enige verwachting van de jonge theoloog. Als Darwin zijn waarnemingen in Zuid-Amerika er nu eens op richtte om bewijsmateriaal te verzamelen, voor de juistheid van het bijbelse scheppingsverhaal! De jonge Darwin, naïef als een Engelsman maar zijn kan, vond het een uitmuntend idee. Dit goedhartig vrome voornemen heeft, zoals wij weten, in de praktijk een heel andere strekking gekregen. Want bij zijn geologische en biologische speurtochten in Zuid-Amerika en op de eilanden van de Grote Oceaan vond Darwin veel gegevens, die hem deden twijfelen aan de voorstelling, dat God de wereld in zeven dagen tijds geschapen had. De idee van de evolutie doemde op: het komen en gaan van diersoorten en vormen van plantengroei, de constante verandering der natuurrijken.

Pas jaren na zijn terugkeer in Engeland, toen zijn robuuste gezondheid bijna helemaal was ingestort, verbond zich met zijn evolutievoorstelling de gedachte van de strijd om het bestaan en het natuurlijke selectieproces. Toen hij weer een keer half versufd door hoofdpijn in zijn rolstoel in zijn bibliotheek zat, rolde hij zich naar de boekenkast toe en hield opeens de brochure in zijn hand van Dominee Thomas Malthus uit de laatste jaren van de 18e eeuw over de bevolkingsgroei. Dit traktaatje, dat grote invloed heeft gehad op het economische liberale denken in de vorige eeuw, betoogt, dat armoede en hongersnood tot de door God gewilde natuurwetten behoren. De bevolking neemt toe, de produktie der voedingsmiddelen neemt ook toe maar minder snel. Er komen dus teveel mensen of te weinig voedsel. Een catastrofe in de vorm van een hongersnood, een oorlog of een natuurramp zorgt dan voor een correctie: het bevolkingspeil zakt en dezelfde ontwikkeling begint weer. Uit deze vernuftige maar niet aan de werkelijkheid ontleende beschouwing sprak ook al een moraal van het recht van de sterksten om te overleven, the survival of the fitterst, zoals Darwin het noemde.
Na lange jaren van studie en van oponthoud door ziekte en aarzeling werd in 1859 het boek ‘De Oorsprong der Soorten’ gepubliceerd. Het sloeg in als een bom, met name door de gedachte, die Darwin zorgvuldig niet had uitgesproken, maar die wel in de consequenties van zijn theorie lag: de mens stamt af van de apen.
De kerken liepen storm hiertegen en bezorgden het boek daardoor een overweldigende bekendheid en een versnelde werking over de hele wereld – Het materialisme had een bijna beslissend succes geboekt.

Met dit laatste negatief klinkende oordeel plaatsen wij ons niet op het dogmatisch afwijzende standpunt van vele conservatieve kerkelijke figuren van toen. De evolutiegedachte was een grootse vondst. Dat deze gedachte bij Darwin, de 19e eeuwse Engelsman, in een materialistische gedaante optrad, was op zichzelf geen ramp geweest… als in Midden-Europa het goetheanisme nog geleefd had. Als Darwins evolutietheorie Goethes metamorfosegedachte had kunnen ontmoeten, zou de natuurwetenschap van de late 19e eeuw een andere wending hebben kunnen nemen. De metamorfose was door Goethe aan het plantenrijk afgelezen – en liet zien hoe in de werkelijkheid een vorm zich steeds weer opnieuw en hoger ontwikkelt. Maar, zoals gezegd, een jongere generatie geleerden had deze en andere kiemen laten liggen. De ramp was, dat de geestelijke rijkdom van Midden-Europa had plaatsgemaakt voor een… dogmatisch materialisme, dat zich als een filosofie aankondigde en veel fanatieker was dan het materialisme van de West-Europese natuurwetenschappers.

Een volgend artikel, in Jonas 22, zal ik proberen duidelijk te maken, dat deze ommekeer inderdaad rondom 1840 ligt.

H.P. van Manen, Jonas 21, 15-06-1979
.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Jaarfeesten – Michaël: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeldMichaël

.

1360-1272

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-7-2/2)

.

Enkele gedachten bij blz. 23/24 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

In een vorige artikel dat beschouwd kan worden als een inleiding op wat hier volgt, werd erop gewezen dat ‘schematiseren’ eigenlijk niet kan; en dat het willen verklaren en definiëren steeds weer het gevaar in zich draagt de werkelijkheid tekort te doen.
En toch kunnen we, wanneer we niet het helderziende vermogen hebben zoals Steiner kennelijk had, niet zonder een zoektocht met ‘het gezonde verstand’. Daartoe is dit een poging.

Op blz. 24 is sprake van ‘het etherlichaam’. Wat valt daar o.a. over te zeggen:

HET ETHERLIJF

materie als basis
Hier bracht ik ter sprake dat de stof waaruit mijn lichaam is opgebouwd, ondergeschikt wordt gemaakt aan mijn organisme.

Ik kan niet zo maar een stukje ijzer opeten wanneer ik ijzertekort heb. Ik zal het op een dusdanige manier tot mij moeten nemen dat het past binnen mijn organisme.
De stof moet zich dus aanpassen. Het mag in mij niet zijn eigen leven leiden; het moet mijn leven leiden, ondersteunen.

De stof is dus enerzijds heel wezenlijk: zonder de stoffelijkheid kan ik niet bestaan; maar als ik besta, wordt deze ondergeschikt aan mijn bestaan: het moet zich voegen.
Dat hoeft niet meer, als ik niet meer besta.

Innerhalb der offenbaren Welt ist der physische Menschenleib dasjenige, worinnen der Mensch der mineralischen Welt gleich ist. Dagegen kann nicht als physischer Leib das gelten, was den Menschen vom Mineral unterscheidet.
Für eine unbefangene Betrachtung ist vor allem die Tatsache wichtig, daβ der Tod dasjenige von der menschlichen Wesenheit bloβlegt, was, wenn der Tod eingetreten ist, mit der mineralischen Welt gleicher Art ist. Man kann auf den Leichnam als auf das vom Menschen hinweisen, was nach dem Tode Vorgängen unterworfen ist, die sich im Reiche der mineralischen 13/53 Welt finden.
Man kann die Tatsache betonen, daβ in diesem Gliede der Menschenwesenheit, dem Leichnam, dieselben Stoffe und Kräfte wirksam sind wie im mineralischen Gebiet; aber nötig ist, nicht minder stark zu betonen, daβ mit dem Tode für diesen physischen Leib der Zerfall eintritt.
Berechtigt ist aber auch zu sagen: gewiβ, es sind im physischen Menschenleibe dieselben Stoffe und Kräfte wirksam wie im Mineral, aber ihre Wirksamkeit ist während des Lebens in einen höheren Dienst gestellt. Sie wirken erst der mineralischen Welt gleich, wenn der Tod eingetreten ist. Da treten sie auf, wie sie ihrer eigenen Wesenheit gemäβ auftreten müssen, nähmlich als Auflöser der physischen Leibesgestaltung. 

In de ‘openbare’ wereld is het fysieke menselijke lichaam datgene waarin de mens gelijk is aan de minerale wereld. Wat de mens van het mineraal onderscheidt, kan daarentegen niet als fysiek lichaam gelden. Voor een onbevangen beschouwing is met name het feit belangrijk dat de dood, wanneer die is ingetreden, datgene van het menselijk wezen blootlegt wat gelijk is aan de minerale wereld. We kunnen zeggen: het stoffelijk overschot is het deel van dc mens dat na de dood aan processen is onderworpen die zich in het rijk van de minerale wereld afspelen. We kunnen er de nadruk op leggen dat in dit deel van de mens, zijn stoffelijk overschot, dezelfde stoffen en krachten werkzaam zijn als in het minerale gebied; maar met niet minder nadruk moeten we vaststellen dat de dood voor dit fysieke lichaam tegelijk ook het verval inluidt. We kunnen het ook anders zeggen: in het fysieke mensenlichaam zijn dezelfde stoften en krachten werkzaam als in het mineraal; maar hun werkzaamheid is gedurende het leven in een hogere dienst gesteld. Ze werken pas als in de minerale wereld, wanneer de dood is ingetreden. Dan treden ze op zoals ze overeenkomstig hun eigen wezen moeten optreden, namelijk als oplossers van de fysieke lichaamsvorm.
GA 13/52
Vertaald/27-28

Als ik niet meer besta, ben ik dood. Dan word ik weer één met de minerale wereld. En naarmate ik na mijn begrafenis langer dood ben, word ik meer één met deze wereld, tot ik er helemaal in opgegaan ben, met uitzondering wellicht van de hardste delen; bij cremeren is er al heel snel alleen maar stof.

leven
Als ik niet dood ben, dus tijdens mijn leven, behoren deze stoffen eigenlijk niet tot de minerale wereld. Neem ik ze niet tot mij, dan ga ik dood. Om te leven heb ik ze nodig, maar dan moeten ze aangepast worden: de stof moet (uit)-gewisseld worden, in de stofwisseling vindt de aanpassing plaats.

Op een bepaalde manier passen deze stoffen dus in een verband dat boven de stoffen zelf uitgaat.
Dat woord ‘verband’, ‘verbinding’ komt weer tevoorschijn als het leven geweken is, m.a.w. de dood ingetreden. Dan gaat het lichaam, de stoffelijkheid die in een bepaald verband zich manifesteerde, tot ont-binding over: er is geen band meer.

Tot op heden buigt de wetenschap zich over dit fenomeen. En het ligt voor de hand dat een wetenschap waar de materie, uit te drukken in maat, gewicht en getal, zo’n grote rol speelt, aanneemt dat  ‘het leven’ veroorzaakt wordt door de stoffen.

Het is echter nog steeds niet gelukt uit anorganische stoffen leven te laten ontstaan.

Ik weet niet of dit ooit gaat lukken. Kan er leven uit dood ontstaan.

Overal zien we dat de dood volgt op het leven; nergens is nog waargenomen dat het leven volgt op de dood. (Daar is in de mensheidsgeschiedenis maar één keer sprake van: Pasen)

in de taal
Lichaam is het lijk, het dode omhulsel. Het woord ‘lic’ komt bijv. als dood, afgestorven weefsel nog voor in ‘likdoorn’.

In het Italiaans is ‘lichaam’  ‘fisico’, daarmee direct duidend op ‘tot de natuur behorend’, ‘lichamelijk’. ‘Corpo’ bestaat ook en is ‘lichaam’ en ‘lijk’. Ik heb nog niet iets kunnen vinden waaruit blijkt dat ‘fisico’ meer verwant zou zijn aan ‘lijf’.
In deze taal is ‘ontbinding’ ‘de-composizione, dat heel duidelijk maakt dat er een geheel, een compositie, was; ook het chemische ontbinden: dissociazione: uiteenvallen – het sociale- duidt op een samenhangend verband. Ook in het Frans: décomposition: ontbinding.

compositie, samenhang, verband
Als het erop aankomt, interesseert ons de samenhang het meest; het gaat ons om het verband.

Ook de meest verstokte materialist vraagt niet naar ‘maat, gewicht en getal’ wanneer een dierbaar persoon een ernstig ongeluk heeft gehad, maar vraagt hoopvol: ‘Leeft hij/zij/het nog?’
Dat is eigenlijk: is de compositie, het geheel nog intact.

Aan het leven, ook al weten we dan niet precies wat dat is, moeten we toch een kwaliteit toeschrijven die meer is dan de stoffelijkheid: een kwaliteit die deze stoffelijkheid in verband houdt. Dat zouden we een ‘hogere’, een ‘sterkere’ kracht kunnen noemen.

Dan is die ‘kracht’ toch een realiteit, ook al zien wij die niet.

levenskracht
Het is dan vrij voor de hand liggend om deze kracht ‘levenskracht’ te noemen.

Dat kan ons op de gedachte brengen dat ‘alles wat leeft’ over deze levenskracht beschikt:
Mensen, dieren en planten leven; alleen het minerale leeft niet.

de 4 rijken
Deze gedachte roept meteen andere wakker: zonder dat ik het eigenlijk direct wilde, heb ik hier over ‘de 4 rijken’ gesproken.

Alle 4 beschikken ze over het minerale: hebben een fysiek lichaam.

3 ervan beschikken over ‘leven’.

De vraag is dan gerechtvaardigd: als het minerale alleen over het fysieke beschikt, is er dan een rijk dat alleen over het fysieke en het leven beschikt.

Het verschil tussen mens en dier enerzijds en de plant anderzijds is zo groot, dat het niet moeilijk is de vraag te beantwoorden met: alleen fysiek en leven?
Dat is de plant.

het plantenrijk
Wie een tuin heeft en deze netjes heeft verzorgd alvorens met vakantie te gaan, gelooft na een week of  vier zijn ogen niet: wat is alles weer uitbundig gegroeid. En overal weer nieuw groen!

Aan deze plantenwereld valt onmiddellijk op: het groeit en het gaat maar voort met de planten: ja, de eigenschappen van dit plantenrijk zijn toch overduidelijk: groei, voortplanting, herstel, regeneratie.
En hoewel in mindere mate: het dieren- en mensenrijk vertonen dit ook.

‘boven’zintuiglijk
Deze levenskracht, dit levenskrachtencomplex, dit levenskrachtenveld is alleen waarneembaar in zijn uitingen, niet als kracht of complex of veld of wat voor woord we nog vinden. Het onttrekt zich aan de zintuiglijke waarneming.

Het is ‘buiten de zintuigen’ als realiteit wel aanwezig en valt daarmee onder het buiten- of  bovenzintuiglijke.

Het is logisch dat voor een wetenschap die alleen wil of kan of mag werken met maat, gewicht en getal, deze bovenzinnelijke werkelijkheid geen werkelijkheid kan zijn.

Maar al te gemakkelijk wordt daarmee tegelijkertijd beweerd dat deze werkelijkheid dus, of dan niet bestaat.

Nu is het niet zo gemakkelijk om ‘iets’ wat een bovenzintuiglijke werkelijkheid is, te beschrijven met woorden die ontleend zijn aan de zintuiglijke wereld.

lijf
Naast wat ik hierboven al opsomde: kracht, veld, complex introduceerde Steiner het begrip ‘Leib’.

De vertaling daarvan is ‘lijf’. In onze taal niet zo’n gebruikelijk woord meer. In antroposofische geschriften waar het om dit vormkrachtengebied gaat, wordt vaak het woord ‘lichaam’ gebruikt.

Körper
Ik doe dat bewust niet. Ik gebruik lichaam slechts voor het fysieke; Steiner gebruikt daar heel vaak het woord ‘Körper’ (dat weer verwant is aan het Latijnse corpus, wat het Engelse corpse, lijk, is).

Zowel het Duitse ‘Leib’ als het Nederlandse ‘lijf’ hangen samen met het woord ‘leven’.
Wij kennen dit nog in ‘lijfrente’, een rente voor het leven; lijftocht: middelen voor het levensonderhoud, geworden tot proviand; lijfsbehoud- het in leven blijven; het vege lijf redden; het Engelse woord ‘life’, leven, hangt er mee samen.
‘Lijf’ krijgt ook de betekenis van ‘het levende lichaam’ in ‘niets om het lijf hebben’ .

Steiner gebruikt in zijn uiteenzettingen over de 4-ledige mens het woord ‘Leib’ wanneer hij een krachtencomplex bedoelt. Vandaar dat er dan eens sprake is van ‘Lebensleib’, ‘Lebenskräfteleib’ ‘Formkräfteleib’.
Een Nederlandse vertaling is dan levenslichaam of levenskrachtenlichaam, vormkrachtenlichaam enz. Zoals gezegd: ik geeft de voorkeur aan ‘lijf’, ook al is dit in sommige opzichten een wat ouderwets woord.

Steiner is wel heel precies in zijn formuleringen: wanneer hij enkel en alleen het fysieke lichaam bedoelt, gebruikt hij ‘Körper’ – lichaam; of physischer Körper.
Wanneer hij het levende lichaam bedoelt, voegt hij het woord ‘Leib’ toe, in verschillende combinaties: “Körper-Leib; Leibeskörper; physischer Leib; leiblich-physisch.

Wanneer in antroposofische literatuur het woord lichaam wordt gebruikt in combinatie met leven, of ziel of  ik, betekent dit:  ‘het krachtencomplex van’.

Levenslichaam: het levenskrachtencomplex; zielenlichaam: het complex van de zielenkrachten; ik-lichaam: het krachtenveld van het Ik.

In wezen maakt het niet veel uit welk woord je hier gebruikt, wanneer maar duidelijk is wat je ermee bedoelt.

plant is kosmos
Wie ‘plant’ zegt, zegt ook ‘zon, licht, warmte, water’.

Wat de plant aan levenskracht vertoont, is niet los te zien van processen die zich ruim om de plant afspelen. Zij is een zichtbare reactie op wat er om haar heen aan invloeden is. Schijnt de zon, dan opent zich de bloem; schijnt deze niet, of is het vochtig, dan blijft die dicht. Planten op donkere plaatsen zoeken zich een weg omhoog naar het licht. Ze zijn een antwoord op wat in de ruimte om ons heen gebeurt.

etherlijf
Vanuit dit perspectief is een woord dat Steiner ook aan dit levenskrachtencomplex geeft, begrijpelijk: etherlijf.
Dat ruimtelijke aspect kennen wij bijv. in de uitdrukking: ‘hij is in de ether’ , wanneer er iemand op de radio is: in de ruimte.

Het Griekse aithèr betekent ‘fijne lucht, maar ook hemelgeest; tot het hogere en fijnere behorend, in tegenstelling tot het zware stoffelijke hier op aarde.

Vooral die laatste tegenstelling is belangrijk: hierin wordt weer uitgedrukt de tegenstelling leven-dood, die we al hadden gevonden.

Vandaar: levenslijf, etherlijf

Wie nadenkt over het verschil tussen het fysieke lichaam en het etherlijf komt als vanzelf op de tegenstelling ‘dood – leven’.

In deze woorden van Rudolf Steiner vond ik een stimulans om verdere tegenstellingen te zoeken:

Durch dieses Tatsachen-aufeinander-Beziehen bekommen wir reale Begriffe.
Door feiten met elkaar in verband te brengen, krijgen we reële begrippen.
GA293/119
Vertaald/116     Wir begreifen die Wirklichkeit nicht, wenn wir nicht die Widersprüche in der Welt schauen.’ 

Aus Widersprüchen besteht die Wirklichkeit.
Maar de werkelijkheid bestaat uit tegenstrijdigheden. We begrijpen de werkelijkheid niet wanneer we niet de tegenstrijdigheden in de wereld zien.
GA 293/129
vertaald/126

Real lernt man die Dinge aber nur kennen, wenn man sie in der Welt wirklich aufeinander be­ziehen kann.
Men leert de dingen slechts werkelijk kennen, wanneer men ze in de wereld daadwerkelijk op elkaar betrekken kan.
GA 301/42
Op deze blog/vertaald 

Rudolf Steiner wegwijzers 15; 20; 24; 87; 121; 124

TEGENSTELLINGEN FYSIEK – ETHERISCH

Het mineraal is helemaal overgeleverd aan de zwaarte;
de tegenstelling plant vertoont juist een anti-zwaartetendens. Omhoog, naar het licht, naar de hemel, i.p.v. omlaag, naar de zwaarte, naar de aarde.

Wanneer wij de levenskrachten verantwoordelijk houden voor deze omhoog gerichte beweging, zou je het etherlijf ook het ‘anti-zwaarte(krachten)lijf’ kunnen noemen.

Het mineraal beweegt niet, d.w.z. niet van binnenuit. Er is eigenlijk geen binnen. Wanneer het valt en het breekt, heb je er 2, die eigenlijk alleen maar buitenkant zijn.

De plant beweegt wel; weliswaar niet uit zichzelf, ze wordt a.h.w. bewogen door wat er om haar heen is: licht, lucht, warmte en niet te vergeten: het water.
Het water: dat is bij uitstek de drager van alle leven, voortdurend in beweging tussen aarde en wolken en de sfeer daarboven en weer terug: de sfeer die door Rudolf Steiner als ethersfeer wordt aangeduid.

Zo kun je in de bewegende sapstromen van de groene wereld een uiting zien van levensbrengende krachten door heel de plant heen – dit kunnen we ‘etherische’ krachten noemen. De sapstroom komt op gang wanneer de zon krachtiger wordt en het licht toeneemt en neemt in het najaar weer af om in de winter tot rust te komen.
Wanneer je een plant breekt, heb je er geen 2; dat kunnen er wel 2 worden, wanneer je het afgebroken deel in het water zet; immers groeikracht, regeneratie, voortplanting horen als kwaliteit bij de plant.

Rudolf Steiner:
Wenn Sie eine ab­geschnittene Rose und einen Kristall auf einen Tisch stellen, so können Sie sagen, beides seien Gegenstände. Diese Gleichstellung von Rose und Kristall unter dem Begriff Gegenstand ist aber nur unter einem äußer­lichen Aspekt berechtigt. Die abgeschnittene Rose ist keine Wirklich­keit und Sie können sie nicht so betrachten wie den Kristall, der in einer gewissen Weise ein Abgeschlossenes ist.
Wanneer u een afgesneden roos en een kristal op een tafel legt, kunt u zeggen dat deze beide, voorwerpen zijn. Het gelijkstellen van de roos en het kristal onder het begrip voorwerp is echter alleen gerechtvaardigd onder het gezichtspunt van de buitenkant. De afgesneden roos is geen werkelijkheid en die kunt u niet zo beschouwen als een kristal dat op een bepaalde manier afgesloten is.

GA 301/243
 Op deze blog vertaald/243

Als element noemde ik bij het mineraal: de aarde; mineralen hoef je geen water te geven.
Bij de plant gaat dit niet op: water is een levensvoorwaarde; in vergelijking tot de plant heeft het mineraal geen licht of warmte nodig; de plant beweegt juist door deze elementen.

Zo kun je het etherlijf ook het ‘bewegingslijf’ noemen.

Het mineraal vertoont zich in de ruimte. Als fysiek lichaam is het een ruimtelichaam.    

De plant heeft ook een fysiek lichaam waarmee ze zich in de ruimte vertoont. Maar als bewegingslijf vertoont ze zich ook in de tijd. Want het groeien, vanaf het ogenblik vanuit de aarde komen, tot het daarin weer verdwijnen, is een manifestatie in de tijd.

Dit is een buitengewoon verhelderende tegenstelling: ruimte/tijd.

Daarom kan het etherlijf ook ‘tijdlijf‘ genoemd worden.

Dat deze woorden niet in Van Dale staan, doet niet ter zake.

KARAKTERISEREN
Door te karakteriseren krijgen we een veel ruimere blik op het verschijnsel dat we willen begrijpen.

Rudolf Steiner:
‘Wir charakterisieren, wenn wir die Dinge unter möglichst viele Gesichtspunkte stellen.
En we karakteriseren wanneer we dingen van zoveel mogelijk gezichtspunten uit belichten.
GA 293/146
vertaald/142

Dat de wetenschap zoveel interessante feiten heeft vastgelegd, vind ik geweldig. Die feiten benadrukken wat je –al tegenstellend- kunt vinden:

Wat een groeikracht vertoont bv. deze plant.
Die groeit 20 cm. per dag! Als wij dat in onze eerste levensdagen zouden doen, waren we na een week al 1.40 m gegroeid!

Water
is het belangrijkste bestandsdeel van alle levende organismen (70-75%).
Het vertegenwoordigt ook het grootste gedeelte van de dagelijkse voeding. Als water onthouden wordt, dan ontstaat er al snel een staat van uitdroging en dat leidt onherroepelijk tot de dood!

De populier heeft tot 1500 liter per dag nodig.
Dat betekent dat er 150 emmers van 10 liter naar boven moeten worden gesjouwd, tot in het topje toe!

Er valt gemiddeld per jaar 73,2 cm regen volgens het KNMI. Nederland heeft een oppervlakte van 41547 km2 en dan valt er volgens het volgende rekensommetje 0,732m x 41547×1010m = 3,041×1010m3 dit staat gelijk aan 30,412 km3 per jaar. (dit is 30 met 12 nullen als je er liters van maakt)

Wij beleven onszelf met ons lichaam meer als stoffelijk wezen, terwijl we uit een veel groter percentage vloeistof bestaan.

Het etherlijf is in dit opzicht ook een ‘vloeistoflijf’.

Onze stofwisseling is voortdurend bezig om de vaste(re) substanties die we gegeten hebben zo te bewerken dat ze als vloeistof door de cellen kunnen worden opgenomen. We eten, we drinken, maar we laten het stofwisselingsproces zijn eigen leven!  leiden.
We vertrouwen en hopen erop dat het goed gaat. Maar zoals al eerder gezegd, we weten niet wat er zich precies in ons lichaam afspeelt. Wij hebben er bewust (met ons bewustzijn) minder ‘weet’ van dan dit levenskrachtige stofwisselingssysteem. Onbewust ‘weet’ dit er kennelijk (veel ) meer van.

Opnieuw vertoont zich hier een tegenstelling: bewustzijn-onbewustzijn.

In dit ‘weet-hebben-van’ lijkt het etherlijf meer te weten van ons lijf dan wij zelf. Mogen we misschien zeggen dat het ‘wijzer’ is?

Dit vormkrachtenlijf vormt ons voortdurend naar hoe we kennelijk gevormd moeten zijn. Als het ons anders vormt dan naar de gegeven vorm, beleven we dat als een afwijking, een deformatie. Zo lang dat niet het geval is, mogen we ons gezond noemen; in het andere geval zijn we ziekelijk of ziek.

Ons vormkrachtenlijf heeft ‘weet’ van de vorm; houdt deze in stand. Het is alsof deze het ‘model’ wat in stand gehouden moet worden op die heel specifieke manier, kent. Het is daarmee ook ‘modelvormende kracht’ – ‘modellijf’.

Laten we nu eens kijken naar bijv. de vorm van een dijbeen.

dijbeen2
De beenderen hebben hun buitengewone stevigheid vooral te danken aan de manier waarop ze gebouwd zijn. Het dijbeen dient bijvoorbeeld als steunpilaar, aangezien het ons hele lichaam draagt. Als we een ingenieur een pilaar zouden laten ontwerpen die dezelfde taak heeft als ons dijbeen, dan zou de ingenieur in de pilaar steun- en treklijnen tekenen, die net zo lopen als de bindweefselbundels (benige deeltjes) in de kop van het been. [4]

ingenieur
Het is interessant dat hier over een ‘ingenieur’ wordt gesproken. Die het net zo gemaakt zou hebben zoals het bot zich als bouwwerk vertoont. Dat betekent niet meer of minder dan dat aan de bouw van dit bot intelligentie wordt toegeschreven. De ingenieur komt tot zijn model door allerlei berekeningen en het volgen van bepaalde bouwkundige wetten!

Dan kan ik er niet omheen de vraag te stellen: wie of wat is dan de ‘ingenieur’ die dit bot in deze vorm ontwerpen heeft.

Voor Richard Dawkins die van geen ‘ontwerp’ wil weten, is hij in ieder geval blind.

Rudolf Steiner:
Wanneer wij het menselijk lichaam alleen al uiterlijk bekijken, moeten wij tot onszelf zeggen: Wat is het menselijk lichaam toch een wonder van volmaaktheid!  Meer
GA 59/252-253
Vertaald

Op veel meer plaatsen vind je in het werk van Steiner zijn gezichtspunten over het etherlijf. 
Hier volgen er een paar waarbij het gaat om de samenhang tussen fysiek lichaam en etherlijf en het verband etherlijf – plant. 

Fortpflanzung und Wachstum hat der Mensch mit den Pflanzen und Tieren gemein. Durch Fortpflanzung und Wachstum unterscheidet sich das Lebendige von dem Leblosen Mineral.
Lebendiges entsteht aus Lebendigem durch den Keim. Die Kräfte die einen Eichbaum gestalten, müssen wir auf dem Umwege durch den Keim in Mutter-und Vaterpflanze suchen. Die Form der Eiche erhält sich bei der Fortpflanzung von den Vorfahren zu den Nachkommen. Es gibt innere, dem Lebenden angeborene Bedingungen.

Die Form des Lebenden pflanzt sich durch Vererbung fort. Wie ein lebendes Wesen sich entwickelt, hängt davon ab, aus welchem Vater-oder Mutterwesen es entstanden ist, oder mit anderen Worten, welcher Art es angehört. Die Stoffe aus denen es sich zusammensetzt, wechseln fortwährend, die Art bleibt während des Lebens bestehen und vererbt sich auf die Nachkommen. Die Art ist damit dasjenige was die Zusammenfügung der Stoffe bestimmt.

Diese Artbildende Kraft soll Lebenskraft genannt werden.

Wie sich die mineralischen Kräfte in den Kristallen ausdrücken, so die bildende Lebenskräfte in den Arten oder Formen des pflanzlichen und tierischen Lebens.

Die Äusserungen der Lebenskraft nimmt der Mensch durch die gewöhnlichen Sinne nicht wahr. Er sieht die Farben der Pflanze, er riecht ihren Duft, die Lebenskraft bleibt dieser Beobachtung verborgen.

Voortplanting en groei heeft de mens met de planten en dieren gemeen. Door deze twee fenomenen onderscheidt dat wat leeft zich van het levenloze mineraal.
Leven ontstaat uit leven door de kiem. In opvolging van leven sluit zich nakomelingschap aan bij de voorvaderen. De krachten waardoor een mineraal ontstaat, zijn gericht op de grondstoffen zelf, die er de bestanddelen van vormen. Een bergkristal ontstaat door de krachten welke zich bevinden in het silicium (kiezel) en de zuurstof, waaruit het bestaat. De krachten waardoor een eik wordt gevormd, moeten wij langs een omweg zoeken via de kiem in de moeder- en vaderplant. En de vorm van de eik blijft bewaard bij deze reeks van voortplantingen. Er bestaan innerlijke voorwaarden welke alles wat leeft aangeboren zijn.

De vorm van alles wat leeft, plant zich voort door overerving. De wijze waarop een levend wezen zich ontwikkelt, is afhankelijk van de ouders uit wie het is voortgekomen, of, met andere woorden, van de soort waartoe het behoort. De samenstellende bestanddelen wisselen voortdurend; de soort blijft tijdens het leven bestaan en zet zich voort in de nakomelingschap. Door de soort wordt de samenvoeging der substanties bepaald.

Deze kracht, die de soort vormt, zal als levenskracht worden aangeduid.

Gelijk de in de mineralen werkende krachten tot uitdrukking komen in de kristalvormen, zo manifesteert zich de vormgevende levenskracht in de soorten of vormen van het plantaardig en dierlijk leven.
GA 9/34-35
Vertaald

Der Ätherleib ist nicht etwa bloβ ein Ergebnis der Stoffe und Kräfte des physischen Leibes, sondern eine selbständige, wirkliche Wesenheit, welche die genannte physischen Stoffe und Kräfte erst zum leben aufruft.

Im Organismus liegt etwas vor, was nicht unorganisch ist: das bildende Leben. Diesem liegt der Äther-oder Bilde-Kräfte-Leib zugrunde.

Ein bloβer physischer Körper hat seine Gestalt durch die dem Leblosen innewohnenden physischen Gestaltungskräfte; ein lebendiger Körper hat seine Form nicht durch diese Kräfte, denn in dem Augenblicke wo das Leben aus ihm gewichen ist, zerfällt er. Der Lebensleib ist eine Wesenheit, durch welche in jedem Augenblicke während des Lebens der physische Leib vor dem Zerfalle bewahrt wird.

So wie der Mensch durch seinen physischen Leib der mineralischen, so gehört er durch seinen Ätherleib der Lebenswelt an. Nach dem Tode löst sich der physische Leib in der Mineralwelt, der Ätherleib in der Lebenswelt auf.

Maar in het organisme bevindt zich nog iets, wat niet anorganisch is: het vormgevende leven. Dit vormt de grondslag van het ether- of vormkrachtenlichaam.

Het etherlichaam is voor hem niet slechts een resultaat, voortkomende uit de materialen en krachten van het fysieke lichaam, maar een zelfstandige realiteit, door welke de genoemde stoffen en krachten eerst tot leven komen.

Als men redeneert: een louter fysiek lichaam, bijv. een kristal, heeft zijn gedaante gekregen door de fysieke vormkrachten, die zich in het levenloze bevinden. Eer levend lichaam daarentegen krijgt zijn vorm niet dooi deze krachten, want op het ogenblik dat het leven eruii geweken is en het alleen maar onderworpen is aan de natuurkrachten, gaat het over tot ontbinding. Tot het wezen van het etherlichaam behoort het om op ieder moment van het leven het fysieke lichaam tegen ontbinding te beschermen.

Zoals de mens door zijn fysieke lichaam behoort tot de wereld der dode grondstoffen, zo behoort hij door zijn etherlichaam tot de wereld van het levende. Na de dood vergaat het stoffelijk lichaam, lost als het ware op in de wereld der mineralen; het etherlichaam wordt op genomen in de wereld van het leven.
GA 9/36-38
Vertaald

Diesen Äther- oder Lebensleib hat der Mensch mit Pflanzen und Tieren gemeinsam. Er bewirkt, daß die Stoffe und Kräfte des physischen Leibes sich zu den Erscheinungen des Wachs­tums, der Fortpflanzung, der inneren Bewegung der Säfte usw. gestalten. Er ist also der Erbauer und Bildner des physischen Leibes, dessen Bewohner und Architekt.

Dit ether- of levenslichaam heeft de mens met planten en dieren gemeen. Het bewerkstelligt, dat de stoffen en krachten van het fysieke lichaam zo tot een orga­nisch geheel gevormd worden, dat de verschijnselen van groei, voortplanting, inwendige vloeistofbeweging enzovoort optreden. Het etherlichaam bouwt dus het fysieke lichaam op en geeft het zijn plastische vorm, het is zijn bewoner en tevens zijn architect.

Der Ätherleib ist eine Kraftgestalt; er besteht aus wirkenden Kräften, nicht aber aus Stoff;

Het etherlichaam is een gesloten complex van  krachten, het bestaat niet uit materie, maar uit krachtwerkingen

Sein Äther- oder Lebensleib ist lediglich der Träger der lebendigen Bildungskräfte, des Wachstums und der Fortpflanzung.

Zijn ether- of levenslichaam is enkel en alleen nog maar de drager van de vitale vormkrachten, van groei en voortplanting.
GA 34/315-317
vertaald

In alldem was das Wachsen, den Aufbau unseres Körpers betrifft, gleichen wir der Pflanze, wie jedes organische Wesen.
In alles wat de groei, de opbouw van ons lichaam betreft, lijken we op de plant, zoals ieder organisch wezen.
GA 52/34
Niet vertaald

Wanneer op blz. 24 sprake is van fysiek lichaam, etherlichaam en astraallichaam en hun verbonden-zijn met de drie rijken in de fysieke wereld, is het het etherlijf dat verbonden is met het plantenrijk.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2]
 GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

[4] Het menselijk lichaam
Uitg.Christoph Columbus Verlags AG, Clarus. 1977, blz. A14

Over het etherlijf            kind en etherlijf
.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1359-1271

.

VRIJESCHOOL – De ochtendspreuk op de vrijeschool (2)

.

Benediktus Hardorp, Erziehungskunst 53e jrg., nr.10-1989
.

de ochtendspreuk op de vrijeschool

BLIKRICHTING VOOR DE LEERLING OF INDOCTRINATIE?

Iedere morgen bij het begin van de ochtendlessen wordt er op de vrijescholen door de leerlingen en hun leraar gezamenlijk een ochtendspreuk gezegd. Er is er een voor de klassen 1 t/m 4, die past bij de belevingswereld van deze jonge leeftijd vóór het 10e levensjaar en een tweede* voor de klassen 5 t/m 12, waarover het hier zal gaan.
De eerste is bestemd voor de leeftijd van het schoolkind waarop het kind zich nog heel verbonden beleeft met zijn natuurlijke en sociale omgeving waarin voor hem een geestelijke achtergrond van de wereld nog heel vanzelfsprekend is. In dit opzicht vertoont het tiende levensjaar menskundig een bepaalde belangrijke cesuur in het leven waarin de verhouding van de jonge mens t.o.v. de wereld verandert. De wereld wordt duidelijker als feitelijk gegeven – als zintuigwereld – beleefd, in toenemende mate wordt het eigen zielenleven ervaren, de jonge mens bereidt zich voor om in het leven zijn individuele doelen te stellen en zijn eigen lot ter hand te nemen. Bij deze beginnende levensfase past de ochtendspreuk voor de klassen 5 t/m 12 waar we het nu over gaan hebben.
De laatste tijd zien bij gelegenheid tegenstanders die de vrijeschool als een instrument van wereldbeschouwelijke indoctrinatie beschouwen – in het bijzonder vertegenwoordigers van de twee toonaangevende kerken, maar ook door individuele pedagogiewetenschappers of juristen [1]; de laatste citeren dan meestal de eerste; je merkt aan veel van die betogen dat ze de tekst van de ochtendspreuk zelf niet kennen; zo nemen liever zonder eigen onderbouwing aan, wat ze als opvatting bij anderen gelezen of gehoord hebben.
Hoe juist of verkeerd de 
‘waarheid’ met betrekking tot de school die via opgeklopt citeren of simpelweg maar wat beweren, ook mag zijn: voor ons kan het aanleiding zijn er onszelf nieuw en misschien nog gedegener dan tot nog toe mee bezig te houden. Voor deze aanleiding moet je de tegenstanders eigenlijk dankbaar zijn.
Want de ouders van onze leerlingen zal het toch wel interesseren of zo’n antroposofische ‘indoctrinatie’ nu plaatsvindt of niet, of de kinderen nu tot vrijheid opgevoed worden, op weg geholpen worden hun individuele zelf te vinden of dat een of ander iemand ze hoe dan ook zou willen beïnvloeden met wat niet met de levensopvatting van de ouders of met hun eigen toekomstige levensweg volledig overeen zou komen.
Laten we daarom, wat in de al genoemde kritische uiteenzettingen in de regel niet gedaan wordt, naar de spreuk en de inhoud kijken en proberen ons een eigen oordeel te vormen. Wat wil deze spreuk? Is deze iets wat van buitenaf bij de ‘normale=neutrale) inhoud van het onderwijs komt – of ondersteunt deze dit nu net en gaat het hiermee juist, om wat inhoud en doel van het onderwijs zou moeten zijn?
In het laatste geval zou deze dus wat het ‘normale’ onderwijs wil en moet bereiken, versterken, ondersteunen, bewust maken. In het andere geval is er sprake van indoctrinatie.
Kijken we eens naar de spreuk voor de klassen 5-12:

Ik zie rond in de wereld;
Waarin de zon haar licht zendt,
Waarin de sterren fonkelen;
Waarin de stenen rusten,
De planten levend groeien,
De dieren voelend leven,
Waarin de mens bezield
De geest een woning geeft;
Ik schouw diep in de ziel,
Die binnen in mij leeft.
De godesgeest, hij weeft
In zon- en zielelicht,
In wereldruimten, buiten,
In zielediepten, binnen
Tot u, o godesgeest,
Wil ik mij vragend wenden,
Dat kracht en zegening
Voor leren en voor arbeid
Tot wasdom moge komen.

De spreuk richt de blik van de leerling, wanneer we de tekst volgen, in drie richtingen: naar de wereld, in de eigen ziel, op de eigen levensweg, op de zin en het doel daarvan.
Ook al is de tekst zelf niet nadrukkelijk in drie delen verdeeld, je kan toch – in ieder geval voor ons doel – over drie ‘strofen’ spreken waarvan de beide eerste ieder met het ‘ik zie’ beginnen, terwijl de laatste het heeft over ‘ik wil’, naar ‘ik vraag, dat ….(in het Duits) mij…tot wasdom komt (kome)’. Terwille van de duidelijkheid zal in wat nu volgt sprake zijn van drie strofen.

Het motief van de eerste strofe is het waarnemen van de wereld, ontmoeting met de wereld, kennen van de wereld: de zon, de sterren, de aardewereld (stenen) waar je zo naar kijkt; dat brengt de mens tot bewustzijn: ‘Je bent een burger van de kosmos; die geeft je zijn schoonheid, zijn rijkdom, zijn grootsheid: het licht is er, de fonkeling, de rust.’
Goed te onderscheiden kwaliteiten van ‘wat er daar in de wereld is’, worden in ons opgeroepen. De aardewereld hebben we niet alleen door de stenen en de afzettingslagen (het Duits heeftlagern) we leven bovenop hen ook samen met de plantenwereld, die voor zichzelf en voor ons – ‘levend groeien’.
We worden er iedere dag tegenwoordig op gewezen, dat wij verantwoording voor hun – onze – leefwereld moeten nemen, zodat er geen bossen uitsterven, het water niet vergiftigd wordt, geen algenpest, geen ozongat, is, geen houtkap van de regenwouden en wat het leven nog meer bedreigt of zelfs vernietigt.
We moeten na het kijken naar de plantenwereld de blik ook richten op de dieren: zoals zij ‘voelend leven’, hoe zij ons en ons leven ten dienste staan, hoe wij verantwoordelijk voor hen zijn en hun leven dienen te beschermen. Het nieuws dat ons dagelijks bereikt over zeehondensterfte, soortverdwijning, dieren in de bio-industrie, dierproeven enz. maken ons dát elke dag opnieuw bewust. Iedere dag moeten we eraan denken, dat de dieren – zoals wij – ‘voelend leven.’
En ten slotte moet het duidelijk voor ons zijn dat de mens een bijzonder wezen is in dit samen leven, omdat hij niet alleen leeft en voelt, maar daarbovenuit verantwoordelijkheid kan nemen, de ‘geest een woning’ kan geven. Aan de mens wordt nu een nieuw wereldprincipe duidelijk, de mens is een kennend wezen: hij verschilt van de andere levende en voelende wezens van deze wereld doordat in hem de andere wezens, het leven of het zijn in zijn voelen als kennis kan leven. Door een wetend wezen te zijn, is de mens op de hele wereld betrokken, is hij als gevoelswezen een microkosmos in de macrokosmos van het geestelijke en fysieke aspect van de wereld, hij is ‘het evenbeeld van God’. Wat geestwereld is, waarin de dingen niet naast elkaar staan en elkaar raken, maar waarin ‘het ene het andere doordríngt en doorlééft’, begint in hem ‘aanwezig’ te zijn en werkzaam te worden. De waardigheid van de mens, waarvan ook de Grondwet uitgaat, wordt daarin bijv. door onze rechtsorde gezien en gerespecteerd.

Nadat in de eerste strofe de wereld, wat zij als inhoud heeft, haar rijkdom, haar toestand ons als een ontmoeting met de zintuigwereld en de zintuigkennis bewust is geworden, wordt in de tweede strofe een nieuwe blikrichting gegeven, mogelijk en nodig: de waarneming van het eigen zielenrijk in ons innerlijk. Dit nieuwe ‘rijk’ staat als een tweede rijk tegenover het eerste; de aanwezigheid van een binnenleven, brengt het leven buiten ons pas tot bewustzijn; nu begint de mens de relaties tussen Ik en wereld beter te kennen en te doorgronden. Het zonlicht verlicht de uiterlijke wereld; daardoor wordt die voor ons zichtbaar en beleefbaar. Wat verheldert, licht brengt leeft echter – reëel in de ziel – ook in ons zelf. Hierbij gaat het niet om uiterlijk, ‘meetbaar’ licht, maar: wanneer wij over ons denken, over ons kennen spreken, moeten we uitdrukkingen uit de ervaring van de wereld van de zintuigen beeldend voor onze innerlijke zielenervaring plaatsen en voor deze nieuwe (binnen)wereld leren gebruiken. De menselijke ziel leren kennen, lijkt op een (innerlijke) ervaring van licht. Wanneer we iets begrijpen, zeggen we, ‘dat ons een licht opgaat’, dat voor ons iets ‘helder’ wordt, ‘een lampje gaat branden’. Dat licht in onze ziel dat ons opgaat, dat ‘alle mensen opgaat’, maakt het licht in ons; het maakt dat we de wereld gaan begrijpen; we ‘doorzien’, zien door de uiterlijke schijn heen.

Stap voor stap gaan we de dingen zien die eerst zo onbereikbaar voor ons waren: hun wetmatigheid leeft in ons denken, in de activiteit van onze ziel en wordt daardoor ook als kennis in ons bewust. De wijsheid van de wereld die je kan leren kennen en al kent, de kracht die in de wereld leeft en werkzaam is, kan in ons bewustzijn tot een eigen beleving in de ziel worden; de ochtendspreuk wijst daarop met de woorden: ‘de godesgeest, hij weeft in zon- en zielenlicht’. De pendelslag tussen Ik en wereld, het ritmische overgaan van ‘wereldruimten buiten’ naar ‘zielendiepten binnen’ wordt bewust.
In de taal van het Johannesevangelie zou je kunnen zeggen: het licht dat alle dingen geschapen heeft, dat alle mensnen – ook ons – verlicht, wordt ons stap voor stap bewust; daar worden we op gewezen; misschien eerst door een getuige – zoals Johannes ( de Doper) – die een levensgetuigenis (‘martyrium’) voor het licht aflegt en zo de weg naar het eigen kennen van God of geest, naar de waarheid wijst; hijzelf is door Jezus Christus ‘geworden’ – als de wereld.
Tegenover enkel de wereld van de zintuigen of het ervaren van de buitenwereld wordt zo in de eigen ervaring van de ziel een ruimer levensterrein van de mens ontsloten. Hij kan zowel van de zintuigwereld – als ook van de geesteswereld in zijn ziel wat ervaren en t.o.v. beide werelden met zijn oordeel in het denken – zelfstandig – worden.

Waar staan we met deze stap op onze weg van oriënteren in het leven?
Eerst zijn we begonnen de wereld te leren kennen, toen hebben we onszelf gevonden in het gevoelsbeleven: nu moeten we onze eigen levensweg opgaan en deze doelgericht met onze wereld- en zelfervaring bepalen. Wat willen we? Waarheen gaan we? Een antwoord daarop moet ieder voor zichzelf geven. Maar voor allen kan één ding duidelijk zijn: dat wij op deze weg hulp nodig hebben, omdat binnen en buiten niet zo maar met elkaar in harmonie zijn. Deze hulp verwachten we en vragen erom wanneer we de wereld rondom ons en in onszelf wat beter hebben leren kennen: aan de godesgeest die we in ‘zon- en zielenlicht’ als iets wat in onze ziel tot kennis wordt al ontmoet hebben. Met hem samen, mogen we hopen, zal het ook op onze levensweg goed komen.

Langs deze weg ontwikkelen we kracht – en deze kracht kan in het leven op weerstand stuiten; ze kan ook zegenrijk in het leven en voor het leven blijken te zijn. De ontwikkeling van de eigen zielenkracht en zegenrijke vervulling van ons leven door het antwoord van de wereld, van het levenslot, horen samen. Voor de kracht die we ontwikkelen zijn we zeer zeker zelf verantwoordelijk; op de zegen die op onze kracht kan volgen, moeten we wachten, die kunnen we vragen. Deze vraag zal des te zinvoller zijn, wanneer deze past bij de omstandigheden van het leven, de wetmatigheden van de wereld die ons in ons kennen fundamenteel toegankelijk zijn geworden. We moeten onze kracht in overeenstemming kunnen brengen met de wetmatigheid van de wereld, met hoe het in onze ziel gesteld is, met wat we als kennend wereldlicht in onze ziel kunnen vinden en die vandaaruit leren inzetten en ontwikkelen. We moeten in onszelf de kracht van de zelfopvoeding ontwikkelen, kracht om wat we als mens geworden zijn, óm te vormen – en daarmee kracht om de wereld te veranderen. Wie zichzelf in de hand heeft, kan in de wereld werkzaam zijn; natuurlijk mislukt er ook veel – maar andere dingen lukken misschien wel.
Maar de grondregel blijft: ik moet leren met mezelf overweg te kunnen, ik moet zelf een andere richting op kunnen gaan. Wanneer ik dit doe bij leren en werken, bij het verwerven van competenties en bij het inzetten van mijn verworven kracht voor de wereld, zal ik een individueler mens worden, meer vervuld van de zin van zijn leven en van het leven überhaupt en een daaruit werkende mens worden. Dan zullen voor mij ‘kracht en zegen’ samenkomen, dan zullen ‘leren en arbeid’ mij en de wereld vooruit helpen. Dan zal ik tenslotte het leven ‘kostbaar’ vinden, omdat het ‘moeite en arbeid is geweest’ [hier wordt verwezen naar psalm 90 vers 10, die in het Duits ‘Mühe und Arbeit heeft – waar het Nederlands ‘moeite en verdriet’ heeft].
Uit de individueel geworden mens, die een kennende en een wilsverhouding tot de wereld van de geest ontwikkeld heeft, ontstaat zoiets zegenrijks voor de wereld als geheel.
De spreuk brengt je tot het bewustzijn van deze weg van wereldervaring, van wereldkennis tot zelfkennis en van deze dan tot zelfopvoeding en daarmee tot wereldverandering leidt. Hij richt de blik van de mens in drie richtingen van het leven – zijn leven – en spoort hem aan de wereld bewust te gaan kennen en zichzelf. Deze leidt niet tot bepaalde geloofsinhoud [2] of zelfs dwingende verplichtingen voor het handelen; hij kent geen indoctrinatie. Hij spreekt levenswetmatigheden uit. Hij maakt bewust wat de mens om vrij in het leven te kunnen handelen, nodig heeft: kennis van de wereld en allereerst, wat is je plaats, een realistisch inschatten van je eigen mogelijkheden, de eigen vermogens ook, en tenslotte: wil en moed voor het besluit dat daaruit volgt om in de wereld te handelen – door zelfopvoeding te bereiken.
De ochtendspreuk schetst daarmee beknopt de weg en de zin van de weg die wij met onze leerlingen op school als een weg naar zichzelf en naar hun eigen leven willen gaan. Wie zo zichzelf vindt, vindt ook de weg naar de geest, naar God. Deze weg wordt als een individuele weg – ‘ik zie’ (niet wij zien), “ik wil’ – naar een persoonlijke God – tot u, o godesgeest’ geschetst.
Kan er op school iets zinvollers zijn dan zich deze samenhang in het leven iedere morgen bewust te maken, vandaaruit het onderwijs binnen te gaan – dat vanuit deze geest vorm te geven?

Wie – overigens – de gedachten en geschriften kent van de heilige Thomas van Aquino – zijn schets over de opbouw van de wereld [3] en haar wezens (ongeveer in het 11e hoofdstuk van boek IV van Summa (publicatie) tegen de heidenen) of zijn commentaar op de proloog van het Johannesevangelie [4]- kent, kan snel opmerken dat er niet alleen geen tegenstelling bestaat met de opvatting van deze ‘algemene kerkleraar ‘(tenminste van de katholieke christenen), maar dat er nauwelijks een meer pregnante uitdrukking van een levende thomistische geest in de taal van nu gegeven wordt – op het terrein van school en opvoeding – als juist de besproken ochtendspreuk van de vrijeschool. Die is geheel uit de spirituele stroom gevormd die ook in het levende thomisme van de middeleeuwen tot uitdrukking komt – hij volgt daar eerder direct op. [5]
Juist op dit punt zouden we ons niet moeten laten irriteren door onkundige critici.

[1] Als kerkvertegenwoordiger: J.Baldwin: Anthroposophie, Konstanz 1986, S.152
Als pedagogiewetenschapper: K.Prange: Erziehung zur Anthroposphie, 1985;
voor de juridische literatuur: G.Eiselt: Art.7 Abs. 5GG im System des Privatschulrechts, DÖV 1988,S.211 ff., insbes.S.216
[2] Deze blikrichting kent de catechismus van de protestantse kerk (in Baden) ook, in het eerste geloofsartikel dat luidt: ‘Wij leren God kennen door zijn openbaring in de natuur, in de geschiedenis van de mens en in ons innerlijk; heel in het bijzonder in de Heilige Schrift.’
[3] Vgl. .Josef Pieper: Kurze Auskunft über Thomas von Aquin. München 1963, S.44ff.
[4] Vgl. Thomas von Aquin: der Prolog des JohannespEvangeliums. Übersetzt und erläutert von W.-U.Klïnker, Stuttgart 1986, S.93ff.
[5] Elementen van deze samenhang vind je bij R.Steiner: Die Philosophie des Thomas von Auino (GA 74) en in het artikel van de schrijver: De kennisstijl van Thomas van Aquino en de methode van de antroposofische geesteswetenschap van Rudolf Steiner. DIE DREI, bijlage 1 van mei 1989, blz. 31 ff.

*Zie voor het ontstaan van deze spreuken: Rudolf Steiner over de ochtendspreuk.

Religieus onderwijs        vensteruur

.

1357-1269

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-2-4/1)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

 

In Algemene menskunde (1-2) ging het o.a. over Michaël als tijdgeest van de tijd waarvan Steiner zegt dat het ‘een bijzondere tijd’ is.

In onderstaand artikel wordt ingegaan op deze Michaëlische tijdgeest.

H.P van Manen, Jonas 19, *18-05-1979

.

De betekenis van het jaar 1879

.

Bij een avondwandeling kan het gebeuren, dat opeens een ster verschiet, een kort oplichtend, soms even roodachtig nawerkend spoor achter de vonk – juist in zijn onverwachtheid wekt het enthousiasme en een moment van bewustzijn. Je hebt het gevoel dat je tot iets wordt opgeroepen. En meteen kan de vraag opstijgen: hoeveel mensen hebben dit waargenomen? Als niemand of bijna niemand het teken heeft waargenomen, is het dan niet voor niets geweest? Ditzelfde gevoel van een lichtend signaal, indrukwekkend en tegelijk zo bescheiden, zo vluchtig, dat je je afvraagt of er wel enkele mensen zijn geweest, die het hebben kunnen waarnemen, overkomt mij bij het terugkijken op het jaar*, dat nu precies een eeuw achter ons ligt.

Het jaar 1879 geldt in de occulte stromingen van het christendom als een beslissend moment. Het markeert de in de Openbaring van Johannes beschreven overwinning van de aartsengel Michael op de draak. Deze strijd aan de hemel staat centraal in dit laatste boek van de Bijbel. Een machtig beeld wordt in de hemel zichtbaar:

Een vrouw, bekleed met de zon, de maan onder haar voeten en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren. Zij baart een zoon, die de volkeren zal weiden met een ijzeren staf. – Dan ontbrandt de strijd in de hemel. De vuurrode draak met de zeven hoofden, de tien hoornen en de zeven diademen, die het kind wilde roven en een derde van alle sterren ter aarde had doen vallen, deze draak met zijn gevolg wordt bestreden door Michael en zijn engelen. De draak, de slang van het oerbegin. die genoemd wordt Diabolos en Satanas – duivel en satan – wordt met zijn engelen uit de hemel verdreven en neergeworpen tot in de aarde.

Verder vinden wij nog een andere profetische overlevering over Michael en het jaar 1879. Met dat jaar begon een nieuwe periode in een cyclus van telkens zeven periodes van 354 jaar, die elk door een aparte aartsengel geregeerd worden. Dit vindt men beschreven in ‘Over de zeven intelligenties’, een werkje van Johannes Trithem van Sponheim, een abt die omstreeks het jaar 1500 leefde. Na 7 x 354 jaar keert eenzelfde aartsengel weer terug als regent en inspirator. De laatste, toen nog in de toekomst liggende periode die Trithem noemt is de regentschaps-periode van Michael, die in 1879 begint. (We komen in een volgende beschouwing uitvoerig terug op deze leer der aartsengelperiodes).

Behalve in het meer traditionele occultisme neemt deze Michaelopenbaring een zeer belangrijke plaats in, in het werk van Rudolf Steiner. Het is zelfs het belangrijkste thema in het uitermate rijke en geïnspireerde werk van zijn laatste levensjaar (1924/’25). Toch zijn er onder de antroposofische publicaties van Steiner zelf en van zijn leerlingen, maar weinig die aan Michael gewijd zijn. Een uitzondering is het boek ‘Aus Michaels Wirken’ van Nora Stein- von Baditz. Aan de hand van christelijke en voorchristelijke legendes en van een rijk illustratiemateriaal uit de kunstgeschiedenis, wordt een veelzijdig spoor gewezen van de geestelijke macht, die eigenlijk de geest van onze tijd is. Begeleidende beschouwingen van Ita Wegman en Herbert Hahn leggen de verbinding tussen enerzijds de godsdienstig-kunstzinnige overlevering en anderzijds Steiners mededelingen.

Waarom is er van antroposofische kant zo’n duidelijke terughouding geweest
met betrekking tot dit onderwerp? Het was niet de bedoeling van Steiner en van de antroposofie om een nieuwe mythologie of een nieuwe cultus te lanceren. De antroposofie is in de eerste plaats wetenschap van de geest en geen godsdienst. Zij gaat niet van een belijdenis of van geloofsprincipes uit. Het doel en het effect kunnen wel op een bepaalde manier religieus genoemd worden. Het woord religie wordt meestal gelezen als her-verbinding, van mens en godheid. ‘Antroposofie is een weg voor de kennis, die het geestelijke in de mens tot het geestelijke in de wereld wil brengen’, aldus Steiners klassiek geworden formulering. Inzichten en praktische resultaten van de antroposofie kunnen een enthousiasme wakker roepen, dat zeker met een religieus vuur vergelijkbaar is. Maar dan is het religieuze resultaat, geen uitgangspunt. De antroposofie spreekt dus het inzicht aan. Ieder appel aan het inzicht is in wezen een appel aan de vrijheid. Het allerbelangrijkste kenmerk wellicht, dat Steiner van het wezen van Michael geeft, is dat hij de grote schutspatroon van de menselijke vrijheid is. Die vrijheid doet men geweld aan, als men met een religieus gestemde verkondiging of met een cultus begint. Want een cultus spreekt wel direct het enthousiasme aan, maar niet de vrijheid, althans niet zo makkelijk.

De terughoudendheid ten aanzien van machtige bovennatuurlijke gegevens is dus niet alleen begrijpelijk maar ook gerechtvaardigd. Aan de andere kant wint met het verstrijken der jaren een ander gezichtspunt aan gewicht. Men laat een belangrijk stuk vrijheid onaangesproken als men bepaalde gegevens verzwijgt of te weinig belicht. Men mag honderd jaar na het begin van het nieuwe Michaelstijdperk en meer dan een halve eeuw na Steiners dood van zijn leerlingen verwachten, dat zij zaken als deze althans gedeeltelijk met het eigen inzicht geïntegreerd hebben. En vanuit het eigen inzicht kan altijd een beroep gedaan worden op het inzicht van tijdgenoten. Het gaat hier bovendien om iets dat al gedeeltelijk geschiedenis geworden is, geen profetie meer is. Aan de andere kant is het nabije toekomst, door allerlei vaak angstige berekeningen, plannen en profetieën. Kortom, het gaat om een actuele wereldaangelegenheid.

Laat zich aan de historische gebeurtenissen van en omstreeks 1879 iets aflezen van de Michaëlische signatuur van dat jaar?

Het eerste wat bij een vluchtige verkenning opvalt is, dat het als gewoon historisch jaartal niet opvalt. 1878 was wel vrij belangrijk geweest. Door bepaalde oorlogshandelingen en verschuivingen op de Balkan had een grote Europese oorlog gedreigd, voornamelijk tussen Engeland en Rusland. Deze oorlog werd voorkomen door de Duitse rijkskanselier Bismarck op het Congres van Berlijn.
1876 en 1881 zijn vette jaren in de geschiedenis van het imperialisme, de onderlinge race tussen de grote Europese machten om het bezit van koloniën, vooral in Afrika.
Nee, 1879 betekent in de gewone politieke geschiedenis allerminst een nieuw begin. En cultureel gezien valt het ook middenin een tijdperk, waarin verschillende parallel lopende ontwikkelingen gaande waren. Welke ontwikkelingen?

“De 19e eeuw was één grote Sint-Nikolaasavond’. Deze bekende uitspraak van Busken Huet slaat op de tweede helft van de vorige eeuw*. Met de vele surprises en cadeautjes, die bij zo’n avond horen, worden hier bedoeld de verrassende reeks van natuurwetenschappelijke en technische vondsten, zoals de spoortrein, de stoomboot, steeds weer nieuwe fabrieksprocédés, de kabeltelegrafie, de fotografie, de telefoon, de gasverlichting en – inderdaad, hoe aardig, precies in 1879! – de elektrische gloeilamp van Edison. De automotor, de draadloze telegrafie en, na 1900, moesten de radio en het vliegtuig nog volgen. Met deze adembenemende serie triomfen van wetenschap en techniek gingen hand in hand de uitbreiding van industrie en mijnbouw, de vergroting van de havens, het toenemen van handel en consumptie, de groei van de steden. Het was de tijd, dat de welgestelde, ontwikkelde burgerij de toon aangaf. De koloniale wereldheerschappij van de blanke man streefde naar een hoogtepunt dat omstreeks 1900 bereikt werd. Behalve de gloeilamp staat onder 1879 nog een ander leuk feit geregistreerd, (leuk wil hier zeggen: niet revolutionair maar wel illustratief). De grote populaire vertolker van de stemming van die tijd was Jules Verne. Hoe beschaafd en beheerst en toch spannend gaat deze grote pionier van de sciencefiction te werk. In 1879 verscheen zijn ‘Reis om de Wereld in Tachtig Dagen’. Niet zijn meest visionaire werk maar wel kenmerkend voor de enigszins materialistisch gerichte triomfstemming van toen.

Materialistisch inderdaad. Want met een Michaëlische wending naar de geest hebben zaken als de hier genoemde weinig te maken. Vooral als men de wetenschappelijke en sociale bewegingen van die tijd opsomt, de -ismen: darwinisme, imperialisme, marxisme – het zijn evenzovele vormen van materialisme.

Natuurlijk waren er naast deze hoofdstromingen nevenstromen van een andere allure. Achter de harde materialistisch-marxistische vorm leefde in de arbeidersbeweging een dringend noodzakelijk humaan protest. Andere even gerechtvaardigde protestbewegingen waren de vrouwenbeweging en iets later de jeugdbeweging.

Vooral in de kunst waren belangrijke vernieuwingsstromingen gaande. Het impressionisme was net in opkomst in de schilderkunst. Het paste niet bepaald in een materialistisch kader. Van het naturalisme, dat toen in de romanliteratuur zijn kop opstak, kan dat weer minder gezegd worden. Beide stromingen waren, vermengd met andere elementen, van invloed op de Beweging van Tachtig, de generatie van jonge dichters en prozaschrijvers, die in de jaren daarop nieuw leven in de Nederlandse literatuur brachten.

Om het rijtje vol te maken noemen we nog enkele gebeurtenissen van het jaar 1879 zelf.

Twee jaar tevoren in 1877 was de Zuid-Afrikaanse boerenrepubliek Transvaal zonder bloedvergieten en met slechts minimaal machtsvertoon door de Britten bij hun wereldrijk ingelijfd. Het protest van de boeren bleef bij ontevreden gemopper en het sturen van een delegatie naar Londen, die met beleefde en eerbiedige verzoeken niets bereikte. In 1879 zwol dit protest opeens aan, het kreeg een dimensie erbij, het kreeg bezieling. De opstand van 1880 – 1881, de 1e Boerenoorlog, waarbij onder Krugers leiding de onafhankelijkheid herwonnen werd, tot grote voldoening van het stamverwante Nederland, was het gevolg van deze plotselinge bezieling. Wij kunnen rustig stellen, dat de Suidafrikaner natie in 1879 geboren is. – Maar ook deze gebeurtenis brengt ons niet veel verder. Al het Michaëlische, zo zullen wij nog zien, draagt een kosmopolitisch stempel. Michael wil grenzen tussen volkeren en rassen overbruggen. Het nationalisme, ook een typisch 19e-eeuws verschijnsel, moet eigenlijk verdwijnen. Maar onze Suidafrikaanse stamverwanten hebben zich juist sterk in nationalistische richting ontwikkeld.

In november 1879 werden in Noord-Spanje door het dochtertje van een Spaanse amateur-paleontoloog de machtige geschilderde bisons in de grot van Altamira ontdekt. Het bleek de belangrijkste vondst te zijn op het gebied van de ijstijdkunst. Het is het oudste en meteen op zeer hoog niveau staande voorbeeld van menselijke schilderkunst. Een groot raadsel, deze grotschildering, van een verfijning die niets primitiefs heeft en van een natuurgetrouwe liefdevolle precisie die niets magisch of symbolisch meer heeft. En dan vervaardigd meer dan tienduizend jaar geleden, lang voor alle bekende hoge en primitieve beschavingen. Zo revolutionair was deze ontdekking, dat de wetenschap er lange tijd niet aan wilde en de zaak voor een vervalsing van de Spaanse ontdekker hield. Deze hoogstaande holenkunst paste namelijk helemaal niet in het materialistische beeld van de primitieve aapachtige oermens.

Op zichzelf is dat niet oninteressant. In de tijd, dat de schilderkunst, in het impressionisme, tot een besef komt, dat het hoogste doel niet (meer) de exacte weergave van de natuurlijke werkelijkheid is, wordt het schilderwerk ontdekt uit de voorhistorische tijd, toen de mens zich aan de precieze zintuigelijke waarneming begon te onderwerpen.

Tot slot nog een ander feit. In 1879 voltooide Richard Wagner (1813-1883) de compositie – nog niet de orkestratie – van zijn Parsifal. Wagners muziekdrama’s zijn een revolutie geweest, zeer uitdagend en zelfbewust en duidelijk gericht, niet alleen tegen de traditie maar ook tegen het materialisme. Zijn werk en de hele beweging er omheen had cultische trekken: romantisch, heidens, heroïsch en mythologisch. In 1876 was het Festspielhaus in Bayreuth, dat Koning Ludwig II van Beieren voor hem had laten bouwen, geopend met de première van het viervoudige goden- en heldendrama, de Ring des Nibelungen. Rondom de jeugdige held Siegfried voltrekt zich tenslotte de Götterdammerung, de ondergang van het Germaanse godengeslacht. (Ook de Nederlandse schrijver Marcellus Emants, eigenlijk een naturalistisch schrijver en psycholoog, bewerkte in die jaren dezelfde mythologische stof tot zijn epos ‘Godenschemering’, dat in 1883 verscheen. Enkele jaren later vond het bij de jonge Tachtigers veel waardering). Zo diende deze godenondergang als wijding van een nieuw begin. Want deze grootse opening van het Festspielhaus werd door zeer velen als het begin van een nieuw tijdperk gevoeld. Een aantal enthousiasten waren letterlijk als pelgrims te voet naar Bayreuth getogen. Onbeschrijfelijk en onnavoelbaar was de stemming toen de eerste maten in de nog donkere zaal weerklonken.

Drie jaar later, in 1879, kwam de Parsifal tot stand. Weer drie jaar later, in 1882, ging deze laatste schepping van Wagner in première. In het jaar daarop, 1883, stierf hij.

In het muziekdrama Parsifal wordt de heidense heldhaftigheid verchristelijkt, niet alleen in de tekst, maar ook muzikaal. Wagner had het middeleeuwse Parcivalepos van Wolfram van Eschenbach grondig in zich opgenomen (alvorens de stof ingrijpend om te werken). Wolframs werk toont in Parcivals weg naar het graalkoningschap de verchristelijking en de vergeestelijking van het ridderideaal. En wat is de aartsengel Michael, als beeld en als geestelijke realiteit, anders dan de verpersoonlijking van de ware ridderlijke strijdbaarheid.

Onze 20e eeuw is met zijn wereldoorlogen meer dan andere eeuwen een tijd van strijd. Strijd is onvermijdelijk. ‘De oorlog is de vader van alle dingen’, zei de Griekse filosoof Heraclitus (± 500 v. Chr.). Dat was geen militaristische uitspraak. Hij wilde daarmee zeggen, dat al het nieuwe uit strijd en leed geboren wordt. Het hoort tot de originele en als steeds zeer realistische vondsten van Steiner, dat hij, omstreeks het eind van de 1e wereldoorlog, in het kader van zijn sociale drieledigheidsactie opmerkte: ‘Strijd moet er zijn maar hoort thuis in het geestesleven, niet in het economische en niet in het rechtsleven; zodra de strijd van het geestelijke, dat wil zeggen het culturele gebied, naar een der beide andere terreinen verschuift, ontaardt hij in oorlogs- en ander geweld’, (door mij vrij samengevat). Strijd tussen ideeën, niet tussen personen, kan uitermate heilzaam zijn. Dat vereist aan de ene kant een compromisloos streven naar waarheid en aan de andere kant volledig respect voor de vrijheid van de ander. Van deze ridderlijke strijdbaarheid was de aartsengel met het zwaard en de weegschaal door de eeuwen heen het bovenaardse voorbeeld. In de legende is Parcival er het menselijke voorbeeld van.

Zo kan men een samenhang ontwaren tussen de Parsifal van Wagner en het hier gekarakteriseerde element van Michael. Kan men nu op grond van het merkwaardige reveil van Bayreuth, 1879 als het Michaelsjaar herkennen? Nee, daar is beslist meer voor nodig. Daarvoor moet men dieper in de biografieën van verschillende creatieve mensen duiken, niet eens in de eerste plaats in die van Wagner.

Verder kan men grondiger bij Steiner te rade gaan. Maar, de eerste noodzakelijke voorwaarde: ook het beeld van de tijd moet dieper getekend worden dan in deze eerste verkenning mogelijk was.

Tot nog toe zagen we dat het jaar 1879, afgezien van enkele tekenen van een kentering der geesten in de kunst, middenin een tijd van triomfantelijke materieel gerichte ontplooiing valt. Zo op het eerste oog staat het niet in het teken van een overwinning van de geest op het materialisme

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

JaarfeestenMichaël: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: Michaël

.

1356-1268

.

.

.

*

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-7-2/1)

.

Enkele gedachten bij blz. 23/24 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

In het vorige artikel dat beschouwd kan worden als een inleiding op wat hier volgt, werd erop gewezen dat ‘schematiseren’ eigenlijk niet kan; en dat het willen verklaren en definiëren steeds weer het gevaar in zich draagt de werkelijkheid tekort te doen.
En toch kunnen we, wanneer we niet het helderziende vermogen hebben zoals Steiner kennelijk had, niet zonder een zoektocht met ‘het gezonde verstand’. Daartoe is dit een poging.

Het fysieke lichaam

‘Waar in de wereld vinden we ijzer?’ vroeg ik mijn toehoorders vaak, wanneer ik een cursus of een lezing gaf over het vierledige mensbeeld.
Men dacht koortsachtig na, probeerde zich te herinneren wat men op school had geleerd. Wat waren de landen waar ijzererts vandaan kwam.

Of, om het even, welke ander materie: kalk, magnesium, fosfor, enz.

Maar wanneer ik aangaf dat ik de gevonden landen niet bedoelde, was er enige verwarring, totdat uiteindelijk iemand op het idee kwam het eigen lichaam te noemen.

De stoffelijkheid van de wereld is ook onze stoffelijkheid.
Ja, in ons eigen lichaam zijn deze stoffen ook voorhanden. Ik zeg met opzet ‘ook’, om aan te geven dat de stoffen die in of op de aarde gevonden worden en waaruit de aarde bestaat, ook in ons gevonden worden. De stoffelijkheid van de wereld is ook onze stoffelijkheid.

In ‘Wat is antroposofie’ citeert de schrijver, Willem Veltman, een Amerikaan die de hoeveelheid van de voornaamste stoffen in ons lichaam berekende en ze vervolgens uitdrukte in producten of gebruiksvoorwerpen:

Vet                             voldoende voor 7 stukken zeep

IJzer                           voldoende voor 1 spijker

Suiker                        één zoutvaatje vol

Kalk                           genoeg om een kippenhok mee te witten

Fosfor                        genoeg voor 2200 luciferkoppen

Magnesium               genoeg voor één dosis magnesia

Kalium                       genoeg om buskruit te maken voor één schot uit een
kinderkanon

zwavel                       genoeg om een hond te ontvlooien

De idee dat daar in de wereld stoffen aanwezig zijn die ook in mij zijn te vinden, geeft mij een bepaalde manier van me verbonden voelen met de wereld waarop ik leef. Ik ben op deze manier een stukje van de wereld.

Dat is o.a. de verbondenheid van het fysieke lichaam met de minerale wereld, zoals op blz. 24 staat.

Dat die stoffen in mij aanwezig zijn, daar heb ik niets voor hoeven doen. Ik kreeg ze bij de geboorte mee. En hoewel ik dat toen nog niet kon beseffen, waren die stoffen er al in de wereld om me heen. 

Maar die aanwezigheid blijkt geen constante te zijn. Ik kan bijv. aan een van de stoffen een  tekort hebben – het ijzer – en dan uit zich dat in bloedarmoede. Ik kan ook een kalkgebrek hebben.
Je kunt er ook teveel van hebben: suiker of vet bijv.

En als ik een tekort aan ijzer heb, heb ik er niets aan dat ik een brokje ijzer inslik. Mijn lichaam heeft er alleen wat aan als het in aangepaste vorm kan worden opgenomen.

Stof als basis
Dat betekent eigenlijk dat de stoffen niet naar hun eigen aard in mij aanwezig (kunnen) zijn, maar dat ze zich moeten voegen naar wat ik lichamelijk als organisme ben. Ze zijn dus in zekere zin ondergeschikt aan dit organisme; ze moeten daaraan dienstbaar zijn. Ze vormen er een basis voor.

Tijdens mijn leven voegen de stoffen zich naar mijn organisme. Dit dicteert wat ik nodig heb, in welke mate en wat ik niet nodig heb.

Mijn organisme heeft daar op de een of andere manier ‘weet’ van. Als het te weinig of teveel krijgt van wat het nodig heeft, reageert het en wij voelen dat in de gewaarwordingsziel als pijn(tje), misselijkheid, duizeligheid, ziekte, honger enz.

Al levend weten wij eigenlijk van ons eigen organisme niet of dit wel de juiste stoffen in de juiste hoeveelheden krijgt.

Dit vind ik wel vreemd: het is je eigen lichaam en toch weet je niet precies wat en hoe het daarin en daarmee gaat. Pas als een bepaalde grens overschreden wordt, word je het gewaar.

Dit ‘dienstbaar zijn aan’ gebeurt dus tijdens mijn leven. In mijn organisme zijn de stoffen er tijdens mijn leven in een bepaald verband; ze zijn dienstbaar aan dat verband. Buiten mijn organisme zijn ze niet dienstbaar, ‘leiden ze hun eigen leven’.
Tijdens mijn leven dienen ze mijn leven en na mijn leven gaan ze weer hun eigen leven leiden.
Immers, wanneer ik dood ben, is de band met mijn leven niet meer nodig: de binding is overbodig en ont-binding is het gevolg. De stoffen komen weer in hun oorspronkelijke gebied: de aarde.
Stof ben je en tot stof zul je weerkeren.

Aarde
Ook in de naamgeving speelt het woord ‘aarde’ mee. Daar waar we met de meest aardse delen te maken hebben, in de botten, spreken we van beenaarde. 2/3 van het menselijke skelet bestaat eruit. Het is samengesteld uit verschillende fosforzure kalkverbindingen.

Het woord ‘fysiek’ komt van het Griekse ‘phusikos’ dat ‘tot de natuur behorend’ betekent.

In het woord ‘lichaam’ zit etymologisch het deel ‘lic’ dat ‘lijk, vlees’ betekent en ‘ham’ dat ‘omhulsel’ betekent. lichaam ‘stoffelijk omhulsel’. Samengesteld uit → lijk  ‘(dood) lichaam’ en → haam ‘omhulling’, ‘het vlees zonder leven en ziel’

Rudolf Steiner  over dit fysieke lichaam:

Die äußeren Dinge sind wir allerdings nicht, aber wir gehören mit den äußeren Dingen zu ein und derselben Welt.

Wij vallen niet samen met de voorwerpen buiten ons, maar we maken mét de dingen buiten ons, deel uit van dezelfde wereld.
GA 4/104
Vertaald

( ) Die Welt der Erscheinung.

De fysieke wereld als de wereld van de verschijnselen; de dingen, de voorwerpen enz.
GA 4/112
Vertaald

In GA 9 omschrijft Steiner het fysieke lichaam met ‘physischer Leib’. Zoals we op blz. 23/24 van de vertaling van de ‘Algemene menskunde’ zien, is dat net anders dan ‘Leibeskörper’ of ‘Körperleib’ – maar met wat je over ‘Leib – lijf’ kan zeggen, is het meteen duidelijk dat deze karakterisering wijst naar het met leven doortrokken fysieke lichaam.

( ) was er vorfindet, was er als eine gegebene Tatsache hinnimmt.

( ) wat de mens aantreft op de wereld, wat hij als een gegeven neemt.
GA 9/25
Vertaald

Innerhalb der offenbaren Welt ist der physische Menschenleib dasjenige, worinnen der Mensch der mineralischen Welt gleich ist.

In de zichtbare wereld is het fysieke mensenlichaam datgene waarin de mens aan de minerale wereld gelijk is.
GA 13/52
Vertaald

Das, was die Sinnesbeobachtung am Menschen kennenlernt, und was die materialistische Lebensauffassung als das Einzige im Wesen des Menschen gelten lassen will, ist für die geistige Erforschung nur ein Teil, ein Glied der Menschenna­tur, nämlich sein physischer Leib. Dieser physische Leib unter­liegt denselben Gesetzen des physischen Lebens, er setzt sich aus denselben Stoffen und Kräften zusammen wie die ganze übrige sogenannte leblose Welt. Die Geisteswissenschaft sagt daher : der Mensch habe diesen physischen Leib mit dem gan­zen Mineralreich gemeinsam. Und sie bezeichnet am Menschen nur als physischen Leib, was dieselben Stoffe nach denselben Gesetzen zur Mischung, Verbindung, Gestaltung und Auflö­sung bringt, die auch in der mineralischen Welt als Stoffe nach eben diesen Gesetzen wirken.

Datgene, wat de zintuigen waarnemen aan een mens en wat de materialistische wereldbeschouwing als de enige werkelijkheid van de mens wil laten gelden, is voor het geesteswetenschappelijk onderzoek slechts een deel van ’s mensen totaliteit, n.l. zijn fysieke lichaam. Dit lichaam is onderworpen aan dezelfde fysieke wetmatigheden, is uit dezelfde stoffen en krachten samengesteld als de gehele overige, zoge­naamd levenloze natuur. De geesteswetenschap zegt daarom, dat de mens dit fysieke lichaam met het ge­hele minerale rijk gemeen heeft. En zij noemt fysiek lichaam van de mens alleen datgene, wat dezelfde stoffen, die in de minerale wereld voorkomen, volgens dezelfde wetten, die ook daar van kracht zijn, mengt, verbindt, vorm geeft en ontbindt.
GA 34/312
Vertaald

Der physische Leib ist ein zusammengesetztes Ding, das aus drei Gliedern oder drei Bestandteilen besteht. Der unterste, gröbste Bestandteil ist in der Regel dasjenige was der Mensch mit seinen physischen Sinnen sieht, der sogenannte physische Leib. Dieser physische Leib hat in sich dieselben Kräfte und Gesetze wie das Physische um uns herum, wie die ganze physische Welt.

Het fysieke lichaam is een samengesteld ding dat uit drie delen of drie bestanddelen opgebouwd is. Het onderste, grofste bestanddeel is in de regel dat wat de mens met zijn fysieke zintuigen ziet, het zgn. fysieke lichaam. Dit draag in zich dezelfde krachten en wetten als het fysieke rondom ons heen, als de hele fysieke wereld.
GA 53/33
Niet vertaald

Alles, was unmittelbar raumfüllend ist, was wir mit den bloβen Sinnen oder mit den bewaffneten Sinnen, mit dem bloβen Auge oder mit dem Mikroskop sehen können, kurz alles dasjenige, was für den Naturforscher noch aus Atomen zusammengesetzt ist, das bezeichnet der Theosoph noch als physische Körperlichkeit. Das ist der unterste Bestandteil der physischen Wesenheit.

Alles wat direct de ruimte vult, wat wij met de gewone zintuigen of met de versterkte zintuigen, met het blote oog of met de microscoop kunnen zien, kortom alles wat voor de natuurkundige nog uit atomen bestaat; dat noemt de geesteswetenschap de lichamelijkheid. Dat is het onderste bestanddeel van het fysieke wezen.
GA 53/34 http://fvn-rs.net/PDF/GA/GA053.pdf#page=34
Niet vertaald

Der physische Leib hat der Mensch gemeinsam mit der ganzen mineralischen Welt. Alle die Stoffe und Kräfte, die zwischen den einzelnen mineralischen Stoffen ihr Spiel treiben, Eisen, Arsen, Kohle, usw spielen auch in den Stoffen des menschlichen Leibes, des physischen Leibes der Tiere und der Pflanzen.
Sie sehen nicht, was sich in diesem physischen Leibe abspielt an Lust und Leid, an Freude und Schmerz usw.

Het fysieke lichaam heeft de mens gemeenschappelijk met de hele minerale wereld. Alle stoffen en krachten die tussen de aparte minerale stoffen hun spel spelen, ijzer, arsenicum, koolstof, enz. spelen ook in de stoffen van het menselijk lichaam, wat zich afspeelt in het fysieke lichaam, van het dier en van de planten. Je ziet niet wat zich in dit fysieke lichaam afspeelt aan lust en smart, vreugde en verdriet, enz.
GA 100/24
Niet vertaald

Wenn Sie einen physischen Körper haben, gleichgültig ob Pflanze oder Tier, so müssen Sie ihn betrachten als etwas räumlich Abgeschlossenes, und Sie haben sozusagen kein Recht mehr, dasjenige zu dem betreffenden Leib oder Körper zu rechnen, was von ihm räumlich abgetrennt ist. Sie werden da, wo räumliche Trennung herrscht, sprechen müssen von verschiedenen Körpern. Nur dann, wenn auch ein räumlicher Zusammenhang besteht, können Sie sprechen von einem einzigen Körper.

Wanneer je een fysiek lichaam hebt, of dat nu van een plant is of van een dier, dat maakt niets uit, dan moet je dat beschouwen als iets wat in de ruimte een afgesloten iets is en dan heb je niet meer het recht om tot dat betreffende lichaam te rekenen wat ervan afgezonderd is. Waar ruimtelijke scheiding heerst, moeten we spreken van verschillende lichamen. Alleen wanneer er een ruimtelijke samenhang bestaat, kun je spreken van een apart lichaam.
GA 107/32
Niet vertaald

Op veel meer plaatsen vind je Steiner over het fysieke lichaam. Enerzijds zitten daar voor wat de kern betreft, vanzelfsprekend veel herhalingen bij, vaak wel weer net met andere woorden, maar ook weer totaal nieuwe gezichtspunten.

Telkens echter zal blijken dat er een relatie bestaat – door de stoffen waaruit het bestaat – met de stoffelijke wereld die ons omringt en waardoor we een deel van die stoffelijke wereld zijn.

Als we naar de uiterlijke verschijningsvorm kijken, is alles wat we op de wereld aantreffen: een ding, een voorwerp; alles heeft ‘ding-karakter, is dingachtig.

Om de dingen te leren kennen, moeten wij ons er ‘tegenover’ plaatsen: ik hier – het ding daar.

Die Gegenstände, von denen ihm durch die Tore seiner Sinne fortwährend Kunde zuflieβt, die er tastet, riecht, schmeckt, hört und sieht.

De dingen die hem door de poorten van de zintuigen kennis verschaffen, die hij aanraakt, ruikt, proeft, hoort en ziet.

Hoewel met ‘lichaam’ vertaald, kan hier door Steiner niet anders dan ‘lijf’, ‘stoffelijke lijfelijkheid’ – die stof die met leven doortrokken is – enz. genoemd worden. Ik heb lichaam en lijf hier afwisselend door elkaar gebruikt; nu het duidelijk is waarom het gaat, kan er m.i. geen verwarring ontstaan.

Mit Leib ist hier gemeint dasjenige wodurch sich dem Menschen die Dinge seiner Umwelt offenbaren.

Met ‘lijf’ wordt hier bedoeld datgene waardoor aan de mens de dingen van zijn omgeving zich kunnen vertonen.

Durch seinen Leib vermag sich der Mensch für den Augenblick mit den Dingen in Verbindung zu setzen.

Door zijn lijf is de mens in staat zich voor een ogenblik met de dingen te verbinden.

Durch seinen Leib ist er mit den Dingen verwandt die sich seinen Sinnen von auβen darbieten. Die Stoffe der Auβenwelt setzen diesen seinen Leib zusammen; die Kräfte der Auβenwelt wirken auch in ihm.

Door zijn lichaam is hij aan de dingen verwant die voor zijn zintuigen verschijnen. De stoffen van de buitenwereld vormen zijn lichaam; de krachten van de buitenwereld werken ook in hem.

Und wie er die Dinge der Auβenwelt mit seinen Sinnen betrachtet, so kann er auch sein eigenes leibliches Dasein beobachten.

En zoals hij de dingen van de buitenwereld met zijn zintuigen beschouwt, kan hij ook zijn eigen lijfelijk zijn beschouwen.

Alles, was an mir leibliche Vorgänge sind, kann auch mit den leiblichen Sinnen wahrgenommen werden.

Alles wat aan mij lichamelijke processen zijn, kan  ook met de lichamelijke zintuigen waargenomen worden

Durch seinen Leib gehört der Mensch der Welt an, die er auch mit seinem Leibe wahrnimmt.
Durch leibliche Sinne lernt man den Leib des Menschen kennen. Und die Betrachtungsart kann dabei keine andere sein als diejenige, durch welche man andere sinnlich wahrnehmbare Dinge kennenlernt.

Door zijn lijfelijke stoffelijkheid behoort de mens bij de wereld die hij ook met zijn lijf waarneemt.
Door de lichamelijke zintuigen leer je de lijfelijkheid van de mens kennen. En de manier waarop dat gebeurt kan daarbij geen andere zijn dan door die je de andere zintuiglijk waarneembare dingen leert kennen.
GA 9/25-26-27-28
Vertaald

Kinderen staan – tot ongeveer het negende levensjaar – nog niet zo tegenover de wereld. Hoewel ze vanaf het ogenblik dat ze beginnen te praten de wereld beginnen te benoemen en dus ‘dingkarakter’ voor hen krijgt, is er nog geen scheiding.

Dat drukte Paul van Ostaijen zo prachtig uit met:

Marc groet ’s morgens de dingen

Dag ventje met de fiets op de vaas met de bloem
ploem ploem
dag stoel naast de tafel
dag brood op de tafel
dag visserke-vis met de pijp
en
dag visserke-vis met de pet
pet en pijp
van het visserke-vis
goeiendag

Daa-ag vis
dag lieve vis
dag klein visselijn mijn

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2]
 GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1354-1266

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1(1-7-2)

.

Enkele gedachten bij blz. 23/24 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

De leerkrachten van de 1e vrijeschool in Stuttgart waren allen veel bekender met de antroposofie dan toen ik bijv. er rond 1970 voor het eerst van hoorde. En als dat min of meer voor jou geldt, wanneer je nu op een vrijeschool gaat werken, of er nog maar een korte tijd werkt, is het niet verwonderlijk dat o.a. blz. 23 en 24 van de vertaling met de vele antroposofische termen, veel vragen kunnen oproepen.

Bevor das Menschenwesen die physische Erde betritt, wird eine Verbindung eingegangen zwischen dem Geist und der Seele; dem Geist, insofern wir darunter verstehen dasjenige, was in der physischen Welt heute noch ganz 
verborgen ist und was wir anthroposophisch-geisteswissenschaftlich nennen: der Geistesmensch, der Lebensgeist, das Geistselbst. Mit diesen drei Wesensgliedern des Menschen ist es ja so, daß sie gewissermaßen in der übersinnlichen Sphäre vorhanden sind, zu der wir uns nun hindurcharbeiten müssen, und wir stehen zwischen dem Tod und einer neuen Geburt schon in einer gewissen Beziehung zu Geistesmensch, Lebensgeist und Geistselbst. Die Kraft, die von dieser Dreiheit ausgeht, die durchdringt das Seelische des Menschen: Bewußtseinsseele, Verstandes- oder Gemütsseele und Empfindungsseele. Und wenn Sie betrachten würden das Menschenwesen, das sich anschickt, nachdem es durchgegangen ist durch das Dasein zwischen Tod und neuer Geburt, in die physische Welt hinunterzusteigen, dann würden Sie das eben charakterisierte Geistige zusammengebunden finden mit dem Seelischen. Der Mensch steigt gewissermaßen als Geistseele oder Seelengeist aus einer höheren Sphäre in das irdische Dasein. Mit dem irdischen Dasein umkleidet er sich. Wir können ebenso dieses andere Wesensglied, das sich mit dem eben gekennzeichneten verbindet, charakterisieren, wir können sagen: Da unten auf der Erde wird der Geistseele entgegengebracht dasjenige, was entsteht durch die Vorgänge der physischen Vererbung. Nun wird an den Seelengeist oder die Geistseele der Körperleib oder der Leibeskörper so herangebracht, daß wiederum zwei Dreiheiten verbunden sind. Bei der Geistseele sind verbunden Geistesmensch, Lebensgeist und Geistselbst mit dem Seelischen, das besteht aus Bewußtseinsseele, Verstandes- oder Gemütsseeie und Empfindungsseele. Die sind miteinander verbunden und sollen sich verbinden beim Herabsteigen in die physische Welt mit Empfindungsleib oder Astralleib, Atherleib, physischen Leib. Aber diese sind ihrerseits wiederum verbunden zuerst im Leibe der Mutter, dann in der physischen Welt mit den drei Reichen der physischen Welt, dem mineralischen, dem Pflanzen- und dem Tierreich, so daß auch hier zwei Dreiheiten miteinander verbunden sind.

Ik heb ze in cursief weergegeven:

Wanneer het kind fysiek geboren wordt, dan moeten we ons ervan bewust zijn wat er eigenlijk met het kind gebeurd is bij de overgang van een geestelijk bestaan naar een fysiek bestaan. Welnu, daarbij moeten we in de eerste plaats bedenken dat het mensenwezen in werkelijkheid uit twee delen bestaat. Voordat de mens de fysieke aarde betreedt gaan geest en ziel een verbin­ding aan; onder geest wordt hier verstaan dat wat in de fysieke wereld tegenwoordig nog geheel verborgen is en wat we in de antroposofische geesteswetenschap noemen: de geestesmens, de levensgeest, het geesteszelf. Met deze drie wezensdelen van de mens is het zo, dat ze zich in zekere zin in de bovenzinnelijke sfeer bevinden, een sfeer waar wij nu weer naar toe moeten werken. Wij hebben tussen de dood en een nieuwe geboorte al een zekere verbinding met de geestesmens, de levensgeest en het geesteszelf. De kracht die uitgaat van deze drie samen door­straalt de ziel van de mens: de bewustzijnsziel, de verstands- of gemoedsziel en de gewaarwordingsziel.
En wanneer u zou kijken naar het mensenwezen dat op het punt staat na zijn doorgang door het leven tussen dood en nieuwe geboorte in de fysieke wereld af te dalen, dan zou u zien dat die geestelijke wezensdelen verbonden zijn met de ziel. De mens daalt bij wijze van spreken als geestziel of zielegeest uit een hogere sfeer af in het aardse bestaan. Hij omhult zich met het aardse bestaan. Ook het andere wezensdeel dat zich met de geestziel verbindt kunnen we karakteriseren: beneden op aarde wordt datgene wat ontstaat door de processen van de fysieke erfelijkheid de geestziel tegemoet gedragen. Nu worden de zie­lengeest of geestziel en het lichamelijk organisme of organisch lichaam samengevoegd, met dien verstande dat in het orga­nisch lichaam eveneens tweemaal drie wezensdelen met elkaar verbonden zijn. Bij de geestziel zijn geestesmens, levensgeest en geesteszelf verbonden met de ziel, bestaande uit bewustzijnsziel, verstands- of gemoedsziel en gewaarwordingsziel. Die vormen een eenheid en moeten zich bij het afdalen in de fysieke wereld verbinden met het gewaarwordingslichaam of astrale lichaam, het etherlichaam en het fysieke lichaam. Maar deze zijn op hun beurt weer verbonden – eerst in het lichaam van de moeder, dan in de fysieke wereld – met de drie rijken in de fysieke wereld, namelijk de mineralen, de planten en de dieren, zodat ook hier twee groepen van drie met elkaar een eenheid vormen.
GA 293/23-24
Vertaald/23-24

.

In een reeks artikelen zullen deze begrippen nader besproken worden:

fysiek lichaam
etherlijf       zie ook: het etherlijf in de ontwikkeling van een kind
astraallijf
gewaarwordingslichaam/gewaarwordingsziel
verstands- of gemoedsziel
bewustzijnsziel
geest(es)zelf
levensgeest
geest(es)mens

Ook via het zoekveld kom je na invoering van deze begrippen op plaatsen waar ze worden gebruikt.

Voor een overzicht is een schema soms handig. Maar een schema is altijd een abstractie – vervreemdt zich van de werkelijkheid, waarin – zeker als het om de mens of om het leven gaat – geen schema’s voorkomen.

hiërarchiëen

geest

geestzelf  levensgeest  geestmens

bewustzijnsziel  verstands-gemoedsziel  gewaarwordingsziel

fysiek lichaam  etherlijf  gewaarwordingslijf

mineralen  planten  dieren

natuur

Steiner zegt er bijv. over:

Man darf, wenn man mit seinem Erkennen in die Wirklich­keit hineingehen will, niemals schematisieren, niemals die Ideen nur nebeneinander setzen, sondern man muß sich klar sein, daß in der Wirklichkeit alles nur so betrachtet werden kann, daß irgendwo etwas als das Hervorstechende erscheint, daß aber die übrigen Elemente der Wirklichkeit darinnen leben, und daß überall, was sonst im Hinter­grunde sich hält, wiederum an einem anderen Orte der Wirklichkeit das Hervorstechendste ist und das andere sich im Hintergrunde hält.

Je mag, wanneer je kennend op de werkelijkheid in wil gaan, nooit schematiseren, nooit de ideeën naast elkaar plaatsen, maar je moet goed weten dat in de werkelijkheid alles alleen maar zo bekeken kan worden, dat ergens iets als het meest opvallende eruit springt, dat echter de andere delen van de werkelijkheid daarin zitten en dat alom, wat anders op de achtergrond blijft, op een andere plek van de werkelijkheid het meest opvallende is en dat het andere dan op de achtergrond blijft.
GA 201/58
Niet vertaald 

Rudolf Steiner: wegwijzer 91; 99; 112; 122; 145; 146; 147; 149; 154; 161

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2]
 GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1352-1264

.