VRIJESCHOOL Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-3-1-2)

.

Al in de 1e voordracht spreekt Steiner over de betekenis van de grenzen van het menselijk leven: de geboorte en de dood.
Voor Steiner zijn deze grenzen geen ‘absolute nulpnnten’ in de zin dat er niets vóór de geboorte zou zijn of niets na de dood.
Hij omschrijft ze vanuit verschillende gezichtspunten en een daarvan mondt uit in de uitspraak: geboren worden voor het leven is een sterven voor de geestelijke wereld; sterven voor de aardse wereld is een geboren worden in een geestelijke.

Verschillende auteurs hebben zich met dit thema beziggehouden.

.

Klaus Raschen, Weledaberichten nr.113, december 1977

.

GEBOORTE EN DOOD — POORTEN VAN HET LEVEN

.

Wie het kleine kind en de ouder wordende mens gadeslaat kan op belangrijke gedachten omtrent leven en dood komen. In dit verband vertoont de ontwikkeling van het kind in de tijd die op de geboorte volgt evenals de levensfase van de bejaarde welke aan de dood voorafgaat een bijzondere doorzichtigheid.

Een kind wordt geboren. Het heeft vooreerst slechts een heel geringe verhouding tot zijn omgeving. Na een paar dagen wordt allereerst de beweging van de mond naar de moederborst tot een enigszins zekere beweging als de moeder het kind in de armen neemt. Het schijnt, dat het ook begint te luisteren naar de stem van de moeder en dat er welbehagen ontstaat als de moeder het streelt. De ogen kunnen nog niet fixeren. De handjes kunnen nog niet doelgericht pakken. Pas na ongeveer zes weken lijkt het kind voor ’t eerst het gezicht van een ander te zien; niet veel later grijpt het zijn andere handje en kan het dat ook nadat het is losgelaten weer pakken. Intussen beginnen de pogingen om het hoofdje en vervolgens het bovenlichaam op te richten; er verloopt wel een half jaar eer het kind tenslotte kan zitten. Daarna begint een voortgaand onvermoeid oefenen. Het kind wil zich zelf in zijn voorlopig nog weke en kromme beentjes strekken en oprichten. Welke volwassene is in staat zo’n onafgebroken werkzaamheid te verrichten? Hoe straalt het gezicht van het kind als het voor ’t eerst los staat en nog een beetje onzeker zijn armpjes uitstrekt. De ziel van het kind juicht als het nog later zijn eerste stappen alleen zet. Over ’t algemeen duurt het een jaar eer dit is bereikt.

Maar daarna wordt er verder geoefend aan het strottenhoofd en aan de spraakorganen met alle mogelijke pogingen om klanken te vormen, totdat de eerste echte woorden worden gesproken. En dan geniet het kind door voortdurende herhaling van zijn kunnen.
In te luisteren naar en mee te doen met het spreken van ouders en broertjes en zusjes en in de communicatie met de omringende voorwerpen ontwikkelt zich langzamerhand het begin van denken. Het kind grijpt bijv. zolang naar de kaarsvlam tot het de gedachte ‘die is heet’ kan denken.

De ruimte wordt veroverd: in het verticale bij ’t zich oprichten, in het horizontale bij het leren lopen. De wereld van de mensen, de sociale sfeer, wordt door de ontwikkeling van de spraak veroverd. Hetzelfde geldt voor de uiterlijke omgeving door het denken. Het is een voortdurende verovering die wordt voortgezet tot ongeveer het 25e — 30e levensjaar. Hoe meer resultaat dit oplevert, des te groter is de levensvreugde.

Als men dit ziet, wordt men voor de vraag geplaatst: ‘Wie is het eigenlijk, die zich zowel van dit lichaam als van de menselijke omgeving en van de dingen meester maakt?’

Maar nu de andere kant van het leven: Het herinneringsvermogen is niet meer zo sterk. Wat zo-even gebeurd is, is ’t volgende ogenblik vergeten. Het denken pakt de situatie niet meer helemaal. De spraak verbrokkelt, verliest aan klank, de stappen worden onzeker, de benen willen niet meer, het evenwichtsorgaan registreert de situatie niet meer precies en ook de ogen laten in toenemende mate verstek gaan. Iedereen kan deze waarnemingen uit het dagelijks leven op allerlei manieren aanvullen. Al deze observaties tonen overduidelijk het tegendeel van hetgeen zich in de prille levensjaren en in de jeugd afspeelt. In dat stadium is de veroverende beweging, gericht op het lichaam, op de omgeving. Nu trekt de mens zich uit de wereld terug. Steeds verder verwijdert hij zich uit het gebied van zijn activiteiten en steeds meer moet hij achterlaten van hetgeen hij zich eigen heeft gemaakt; ten slotte en uiteindelijk ook zijn lichaam.

Aan het begin van zijn leven neemt hij zijn lichaam in bezit — aan het einde moet hij dat lichaam vaarwel zeggen.

Wie is die ‘hij’, die het lichaam in bezit neemt en het dan ook weer moet loslaten? Op dit punt willen wij nog een derde observatie noemen. Er zijn mensen, die zich met grote energie van hun lichaam meester maken en andere, wie dit veel moeite kost. En er zijn oude mensen, die hun lichaam tot het laatste ogenblik ondanks soms ongelooflijke pijnen beheersen en van dat lichaam alles als prestatie vergen wat daarvan maar verlangd kan worden. Er zijn er ook die zich geheel passief overgeven aan hun lot en die slechts op de gedachte komen, dat anderen verplicht zijn hen te helpen, hun alle moeite, alle pijn en alle ziekte af te nemen.

Als men zich hierin voldoende verplaatst, beleeft men weer datgene in de mens wat hierboven ‘hij’ werd genoemd. Zolang wij van buiten af bij andere mensen hierop letten, spreken we van ‘hij’. Richten wij de blik op ons eigen innerlijk, dan zeggen we: ‘ik’. Het ‘ik’ in de mens kan sterk of zwak zijn. De kracht daarvan kan tot uitdrukking komen in de energie waarmee het over het lichaam heerst en de omringende wereld vormgevend doordringt. Een sterk ‘ik’ kan in de ouderdom dikwijls heldhaftig met ziekte en het verval van zijn lichaam strijden. Het niet zo sterke ‘ik’ laat de gegeven omstandigheden zoals ze nu eenmaal zijn. Een grondige waarneming leidt tot de slotsom: een ‘ik’ is a priori met een grote of geringere kracht toegerust waarmee het de gegevens van het lot aanpakt.

Hier belanden wij bij een van de belangrijkste levensvragen: waarvandaan komt een ‘ik’ als het met grote of geringere kracht toegerust — en de mate van kracht is immers heel persoonlijk — tot geboorte komt? Waarheen gaat dit ‘ik’, als het — hetzij sterk of zwak — bij de dood het lichaam weer moet afleggen?

Het ik mogen wij ook de geest van de mens noemen. Het is tegenover het lichaam zeer zelfstandig en leeft in een voortdurende wisselwerking daarmee. Omdat hij een eigen hoogst individuele signatuur heeft moet men tot de slotsom komen, dat de menselijke geest deze bij de geboorte reeds meebrengt. De menselijke geest leeft voor de geboorte in geestelijke rijken. Hij komt op aarde om zich te oefenen en sterker te worden. Daarvoor is een lichaam nodig dat hij tot zijn instrument maakt. In dat lichaam woont hij als in een huis, hij doordringt het in vergaande mate. Naarmate de leeftijd vordert, ook bij ziekten, ervaart hij evenwel dat dit huis bouwvallig begint te worden. Hij moet zich allengs daaruit terugtrekken. Dit proces kan hij gepaard doen gaan met een sterke verinnerlijking waarin hij de vruchten van zijn leven gewaar wordt.

Minder figuurlijk uitgedrukt spreekt men van ‘incarnatie’, d.w.z. lichamelijk worden, en van ‘excarnatie’, losmaking van de menselijke geest uit het lichaam. Het is een vastgrijpen en loslaten, een onderduiken en weer opstijgen.

Beide gebeurtenissen, de incarnatie zowel als de excarnatie voltrekken zich voor de mens over ’t algemeen in diepe onbewustheid en slechts af en toe is er iemand, die zijn bewustzijn tot in het sterven vermag voort te zetten. Soms straalt in de laatste ogenblikken van het leven een groot licht naar binnen dat de nabestaanden iets verkondigt van het rijk dat de geest van de mens nu betreedt.

Voor de meesten van ons is deze stap met angst verbonden. Die angst is begrijpelijk als wij ons voorstellen wat voor een panische schrik mensen bijvoorbeeld tijdens een aardbeving overvalt, omdat de aarde die hun een volledige zekerheid bood, nu wankelt. Op dat ogenblik worden wij ons er pas van bewust met welk een rotsvast vertrouwen ten opzichte van de onwankelbaarheid van de aarde wij hebben geleefd. Nu gaan wij dit houvast verliezen.

Toegepast op ons leven zegt dit beeld: in de fase waarin ons lichaam het gaat begeven en ziek wordt, merken wij hoe zeer wij rotsvast op ons lichaam vertrouwden; nu draagt het niet meer, angst overmeestert ons. Die angst is vanzelfsprekend.

Kan men die angst meester worden?

Voor wie heden ten dage leeft in een getechnificeerde wereld — die immers op een algemene gevarenzone lijkt — is het van belang om tijdig op deze vraag een antwoord te zoeken. Onbewust, dikwijls echter heel dicht aan de grens van bewustwording, zijn mensen aangetast door een toenemende onzekerheid die ontstaat uit opstijgende doodsangsten. De dood staat vlak voor de deur naar ons leven. Dit blijkt uit vele symptomen. De mensen reageren bijv. vanuit die angst met toenemende nervositeit; zij worden neurotisch, zeggen wij dan.

Wij moeten leren om tegenwichten te scheppen.

Als de menselijke geest zijn geestelijke vaderland bij de geboorte verlaat, begint er langzaam aan een vergeten. In de kindertijd is die vergetelheid dikwijls nog niet volledig. Zoals bij de dood soms een licht uit de toekomst naar binnen schijnt waarover de mensen spreken, zo straalt ook dikwijls over de kindertijd een hemels licht als iets wat voor het kind heel vanzelfsprekend is.

De mens moet, opdat hij zich in vrijheid kan ontwikkelen, vooreerst dit licht en zijn geestelijke, voorgeboortelijke verleden vergeten. Hij moet eerst de aardse wereld veroveren, maar hij mag niet in haar verzinken. Dat zou een binding worden die hem onvrij maakt. Daarom moet hij ook hier zijn vrijheid veroveren. De ware menselijkheid kan hij alleen ontwikkelen in het gebied van vrijheid dat hij vindt als hij niet opgaat in spiritualiteit die de aarde ontvlucht en hij zich niet laat kluisteren aan wat alleen maar aards en materieel is.

De vrije individualiteit die in zich zelf gegrondvest is, die het geestelijke en het aardse in evenwicht houdt, vindt de mogelijkheid om ook tegenover de doodsprocessen in het eigen lichaam onafhankelijk te zijn en de angst te weerstaan.

Hoe echter verwerven wij ons deze tweevoudige vrijheid?

De ene krijgen wij bij de geboorte mee. Wij allen vergeten tegenwoordig onze geestelijke oorsprong. Vatten wij dit op de juiste wijze op, dan zijn wij er dankbaar voor. De vrijheid ten opzichte van de aardse bindingen veroveren wij ons slechts als wij onvermoeid streven naar een dieper inzicht en daarvoor in de geest met de eeuwige waarheden van het bestaan in aanraking komen, of als wij putten uit de bron van alle waarheid. Die bron is dan tegelijkertijd een bron van het leven dat alle dood overwint. Zo mogen wij thans over Christus denken en spreken. Hij kan voor alle mensen tot een ervaring worden.

In de veroverde vrijheid gaan wij door de poort van de dood als menselijke geest, in zekerheid en zonder angst, vergezeld door Hem die de dood overwon. En uit Hem ontvangen wij een kracht waardoor wij in de toekomst zo door de poort van de geboorte gaan dat wij met de grootste energie ons lichaam veroveren, in de geestelijke verovering van ons lichaam en vervolgens ook van de samenleving en de materiële wereld ligt tevens de enige mogelijkheid om deze wereld weer menselijk te maken. Deze opdracht dragen wij allen in de grond van ons wezen door de poort van de geboorte.

.

Algemene menskunde: voordracht 1onder 1-3

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Seineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2629

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.