Categorie archief: vrijeschool pedagogie

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 301 voordracht 2

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

GA 301: vertaling
inhoudsopgave;     voordracht  [1]  [3]  [4]  [5]  [6]  [7]  [8]  [9]  [10]  [11]   [12]  [13]  [14]

RUDOLF STEINER:

DE VERNIEUWING VAN DE PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE KUNST DOOR GEESTESWETENSCHAP

14 voordrachten gehouden te Bazel van 20 april tot en met 11 mei 1920, met vragenbeantwoording en inleidende woorden bij twee euritmieopvoeringen [1]

2e voordracht Basel, 21 april 1920 [2]

Inhoudsopgave
Drieledigheid van het mensenwezen:
Geesteswetenschap geen ‘verzameling aantekeningen’, maar iets wat leven schept; mens als drieledig wezen: zenuw-zintuigsysteem, ritmisch en stofwisselingsysteem; motorische en sensitieve zenuwen;
het muzikale;
kracht van stemmingmakende verkeerde hypothesen;
drieledigheid in de ziel: denken, voelen, willen;
sympathie en antipathie;
drieledigheid vanuit een geestelijk gezichtspunt: wakker, slapen, dromen.

Dreigliederung des menschlichen Wesens

blz. 26

Es wird unter Umständen schwierig, aus dem heutigen Zeitbewußt­sein heraus die besondere Artung der Geisteswissenschaft zu charak­terisieren; denn es ist ja selbstverständlich, daß man eine Sache zu­nächst, wenn sie einem gegenübertritt, nach dem beurteilt, was man schon hat. Geisteswissenschaft, wie sie hier gemeint ist, ist von anderer Art als dasjenige, was man heute gewöhnt ist, Wissenschaft zu nennen; natürlich nicht dadurch von anderer Art, daß sie etwa durchaus überall über die Dinge andere Inhalte, andere Ideen konstatieren wollte, son­dern dadurch, daß sie in einer gewissen anderen Art zum ganzen Menschen spricht. Und gerade durch diese andere Artung kann Geistes­wissenschaft fruchtbar werden für die pädagogische Kunst. Soll ich mich ausdrücken darüber, wie diese andere Artung ist, so möchte ich heute zunächst vorläufig das Folgende sagen.
Wenn wir von irgendeinem Wissen heute vernehmen, so denken wir uns, wir erwerben irgendwelche Vorstellungen über dieses und jenes und tragen dann diese Vorstellungen, wenn wir ein mehr oder weniger gutes Gedächtnis haben, mit uns das ganze Leben hindurch herum. Wir erinnern uns an die Dinge, und wir wissen sie dadurch. Auf eine solche Verwendung im Leben ist eigentlich Geisteswissenschaft nicht berech­net. Gewiß, aus den Lebensgewohnheiten der Gegenwart wird ja auch Geisteswissenschaft vielfach so aufgenommen. Aber diejenigen, die sie so aufnehmen wie gewissermaßen eine Notizensammlung, die betrach­ten Geisteswissenschaft nicht im rechten Sinne. Sie betrachten etwas, was dem Leben viel näher steht als die gewöhnliche sinnliche und ma­terielle Erkenntnis, in einer Weise, die dem Leben ebenso fernsteht wie die sinnlich-materielle Betrachtungsweise. Sehen Sie, wenn ein Mensch sagen würde: Ich habe gestern gegessen und getrunken, das ist einmal geschehen, also brauche ich das nicht mehr mein ganzes Le­ben hindurch, so würden Sie das selbstverständlich für einen Unsinn

drieledigheid van het mensenwezen

Het wordt onder bepaalde omstandheden moeilijk vanuit het huidige tijdbewustzijn het bijzondere karakter van de geesteswetenschap te karakteriseren; want het is vanzelfsprekend dat men een zaak allereerst als men ermee te maken krijgt, beoordeelt naar wat men al weet. Geesteswetenschap zoals die hier wordt bedoeld, is van een ander gehalte dan wat men tegenwoordig gewend is wetenschap te noemen; natuurlijk niet van een ander gehalte omdat zij zeer zeker over alles wel andere inhouden, andere ideeën wil constateren, maar omdat ze op een bepaalde andere manier tot de hele mens spreekt. En juist door dit andere gehalte kan geesteswetenschap vruchtbaar worden voor de pedagogische kunst. Wanneer ik over dat andere gehalte wil spreken, zou ik nu eerst voorlopig het volgende willen zeggen.
Wanneer we tegenwoordig van een of andere wetenschap iets horen, dan denken we, dat we bepaalde voorstellingen over dit of dat opdoen en dat we dan deze voorstellingen wanneer we een goed of minder goed geheugen hebben, het hele leven met ons mee dragen. We herinneren ons de dingen en weten ze daardoor. Op zo’n toepassing in het leven is geesteswetenschap eigenlijk niet berekend. Zeker, door de gewoonten in het leven van tegenwoordig wordt ook de geesteswetenschap vaak zo opgenomen. Maar degene die ze zo opneemt alsof het een verzameling aantekeningen is, die heeft geen juiste opvatting over geesteswetenschap. Die vat iets wat veel dichter bij het leven staat op, als de gebruikelijke zintuiglijke en materiële kennis, op een manier die even ver van het leven afstaat als de zintuiglijk-stoffelijke opvatting. Ziet u, als een mens zou zeggen: gisteren heb ik gegeten en gedronken, dat is nu eenmaal gebeurd, dus dat heb ik m’n hele leven lang niet meer nodig, dan zou u dat vanzelfsprekend onzin vinden.

blz. 27

ansehen. Denn die Verbindung des menschlichen Organismus mit dem­jenigen, was dieser menschliche Organismus aus der außermensch­lichen Natur zu sich nehmen muß, um zu leben, muß immer erneuert werden, und man kann nicht anders, als in diesen Prozeß des Aufneh­mens, des neuen Verarbeitens immer wieder und wiederum einzutre­ten. So, in einer gewissen Beziehung, ist es mit Geisteswissenschaft. Geisteswissenschaft gibt dem Menschen innerlich etwas ihn Durch-lebendes, das er eigentlich genötigt ist immer wieder zu erneuern, damit es in ihm immer lebendig bleibt. Und daher ist Geisteswissen­schaft etwas, was eigentlich dem im Menschen Schöpferischen viel näher steht als das gewöhnliche Wissen, und was daher tatsächlich von vielen Seiten her Anregung geben kann, um dieses wertvollste Material, das der Mensch nur als Künstler richtig in die Hand nehmen kann, den heranwachsenden Menschen, zu bearbeiten.
Es wird nicht gleich in den ersten Stunden so aussehen, als ob Gei­steswissenschaft in dieser Richtung etwas unmittelbar Lebendiges wäre. Aber wenn Sie die Geduld haben, dasjenige, was zunächst aus den Lebensgewohnheiten der Gegenwart in einer mehr abstrakten Form vorgebracht werden muß, so zu betrachten, daß Sie bemerken, wie das allmählich wirkliches Leben wird, so daß wir nicht nur Kenntnisse daran haben, sondern etwas, was in

Want de verbinding van het menselijk organisme met wat dit uit de natuur buiten de mens tot zich moet nemen om in leven te blijven, moet steeds vernieuwd worden en je kan niet anders dan met dit proces van opname, van het opnieuwe verwerken, altijd weer mee te doen. Zo, in zekere zin, is het ook met geesteswetenschap. Geesteswetenschap geeft aan de mens iets wat hem doorlééft, dat moet hij eigenlijk steeds weer vernieuwen, wil het in hem steeds levend blijven. En vandaar dat geesteswetenschap iets is wat eigenlijk veel dichter bij het scheppende element in de mens staat dan het gewone weten en vandaar werkelijk van veel kanten kan aansporen om met dit waardevolle materiaal dat de mens alleen maar als kunstenaar op een goede manier ter hand kan nemen, met de opgroeiende mens, te werken.
Het ziet er in de eerste tijd niet naar uit dat geesteswetenschap in deze richting iets is wat dan ook meteen lééft. Maar wanneer u geduld heeft om datgene wat nu nog uit de gewoonten van het leven van nu op een meer abstracte manier naar voren gebracht moet worden, zo te bekijken, dat u merkt hoe dat langzamerhand werkelijk leven wordt, zodat we niet alleen maar kennis hebben

jedem Augenblick, in jeder Stunde eine Schule der Lebensliebe zugleich ist, dann werden Sie eben sehen, wenn Sie Geduld haben, wie Geisteswissenschaft durchaus eine andere Richtung hat, und wie diejenigen der Geisteswissenschaft selbst am meisten schaden, die irgend etwas einmal kennengelernt haben von dieser Geisteswissenschaft und es dann so behandeln wie irgendein an­deres Wissen, es als eine Notizensammlung der Welt betrachten.
Ich habe dies vorausschicken wollen, weil gerade die Dinge, die ich werde heute genötigt sein zu sagen, zunächst schon in diesem Lichte zu betrachten sind. Ich habe gestern darauf hingewiesen, wie man zu wirklicher Menschenkenntnis den Menschen zu betrachten hat von den verschiedensten Gesichtspunkten aus, wie aber diese verschiedenen Ge­sichtspunkte gerade dazu führen, einheitlich zu überschauen das Kör­perlich-Physische und das Seelisch-Geistige. Ich habe gestern gesagt, daß man in der Geisteswissenschaft redet von dem physischen Men­schen, dem ätherischen Menschen, dem astralischen Menschen und dem Ich-Wesen. Von diesen Gliedern der menschlichen Natur ist jedes wie­derum in einer gewissen Beziehung dreigliedrig. Der physische Leib ist

daarvan, maar iets wat op ieder ogenblik, op ieder uur tegelijkertijd de school is van de liefde voor het leven, dan zal u zeker zien, wanneer u geduld hebt, hoe geesteswetenschap beslist een andere richting opgaat en hoe degenen die geesteswetenschap zelf het meeste afbreuk doen, die ooit iets hebben leren kennen van deze geesteswetenschap en daar dan zo mee omgaan als een willekeurig ander weten en het beschouwen als een aantekeningverzameling over de wereld.
Dat wilde ik vooropstellen, omdat juist de dingen die ik vandaag moet zeggen, allereerst in dit licht gezien moeten worden. Ik heb er gisteren op gewezen, hoe je bij echte menskunde de mens moet beschouwen vanuit de meest verschillende gezichtspunten, hoe deze echter er juist toe leiden, als een eenheid te zien het lichamelijk-fysieke en wat ziel en geest is. Ik heb gisteren gezegd dat je in de geesteswetenschap spreekt over de fysieke mens, de etherische mens; de astrale mens en het Ik-wezen. Elk van deze vier delen van de menselijke natuur is vanuit een bepaald standpunt ook drieledig. Het fysieke lichaam is

blz. 28

dreigliedrig; alle anderen Glieder der menschlichen Wesenheit sind auch dreigliedrig, so daß die verschiedensten sich durchkreuzenden Gesichtspunkte in Betracht kommen. Ich werde heute von einer ganz anderen Seite her die menschliche Natur zu beleuchten versuchen, und Sie werden sehen, daß sich in den verschiedenen Beleuchtungen zuletzt eine lebendige Charakteristik der menschlichen Wesenheit ergeben wird.
Wir können nämlich in ganz anderer Beziehung, als dies gestern ge­schehen ist, den Menschen wiederum betrachten von drei Gesichts­punkten aus: von dem leiblichen Gesichtspunkt, von dem seelischen Gesichtspunkt und von dem geistigen Gesichtspunkt. Ich betone eben ausdrücklich, daß das, was ich heute sage, von einem ganz anderen Gesichtspunkte aus gesagt ist und sich erst später mit dem zusammen­finden wird, was gestern erwähnt worden ist. Den Menschen können wir betrachten, sagte ich, vom leiblichen Gesichtspunkte aus. Da er­scheint er uns sogleich als ein dreigliedriges Wesen. Wiederum vom seelischen Gesichtspunkte aus erscheint er uns als ein dreigliedriges Wesen, und vom geistigen Gesichtspunkte aus erscheint er uns ebenfalls als ein dreigliedriges Wesen.

drieledig; alle andere delen van het menselijk wezen zijn ook drieledig, zodat de meest verschillende gezichtspunten die door elkaar lopen, bekeken moeten worden. Ik zal vandaag proberen de menselijke natuur van een heel andere kant te belichten en u zal zien, dat er met die verschillende visies uiteindelijk een levendige karakteristiek van het mensenwezen ontstaat.
We kunnen namelijk in een heel ander verband, anders dan gisteren, de mens weer bekijken vanuit drie gezichtpunten: vanuit het gezichtspunt lichaam, ziel en geest. Ik wijs er met klem op dat wat ik nu zeg, vanuit een heel ander gezichtspunt wordt gezegd en dat dit pas later samenkomt met wat gisteren gezegd is. Ik zei: we kunnen de mens beschouwen vanuit een lichamelijk gezichtspunt. Dan verschijnt hij meteen als een drieledig wezen. Vanuit het standpunt van de ziel verschijnt hij ook als een drieledig wezen en eveneens vanuit het standpunt van de geest.

Betrachten wir den Menschen zunächst vom leiblichen Gesichts­punkte aus. Da geht ja die heutige physiologische naturwissenschaft­liche Betrachtung vielfach fehl und bringt es nicht zu einer wirklichen plastischen Ansicht von der Wesenheit des Menschen. Ich habe auf diese Dinge hingewiesen, ich darf sagen, aus einem dreißig Jahre lang andauernden Studium dieser Sache heraus in meinem vor zwei oder drei Jahren erschienenen Buche »Von Seelenrätseln». Im Anfange habe ich hingewiesen auf diese naturgemäß gegebene Dreigliederung des Menschen vom Gesichtspunkte des Leiblichen aus. Ich werde zunächst diese Dinge wie berichtend anführen, um allmählich im Laufe der Stunde die Einzelbeweise für diese Sache beizubringen.
Wenn wir den Menschen zunächst in leiblicher Beziehung betrach­ten, so handelt es sich darum, daß wir erst hinsehen auf dasjenige, was der Mensch dadurch ist, daß er ein Wesen ist, das durch die Sinne die Außenwelt wahrnimmt. Aber Sie wissen ja auch, daß diese Sinne, die gewissermaßen an der Peripherie des menschlichen Organismus lokalisiert sind, sich nach dem inneren Menschen hin in den Nerven fortsetzen. Wer Sinnes- und Nervenorganisation ohne weiteres zusam­menwirft mit der Organisation des übrigen Menschen, der betrachtet den Menschen durchaus nicht so, daß er ihm seiner Wesenheit nach

Nu vanuit een lichamelijk standpunt. Daar gaat het met de huidige fysiologische natuurwetenschappelijke opvatting meestal mis en deze komt niet met een werkelijk plastische opvatting van het wezen mens. Ik heb hierop gewezen, ik mag wel zeggen, vanuit een dertig jaar durende bestudering van deze dingen in mijn voor een jaar of twee drie geleden verschenen boek ‘Vom Seelenrätseln’*. Aan het begin heb ik gewezen op deze door de natuur gegeven drieledigheid van de mens waar het het lichaam betreft. Ik zal deze dingen eerst als mededeling doen om in de loop van het uur de details hiervoor aan te dragen.
Wanneer we de mens eerst lichamelijk beschouwen, gaat het erom eerst aandacht te schenken aan wat een mens is door een wezen te zijn dat door de zintuigen de buitenwereld waarneemt. Maar u weet ook dat deze zintuigen die in zekere zin aan de buitenkant van de mens gelegen zijn, zich naar binnen toe voortzetten door de zenuwen. Wie de zenuw-zintuigorganisatie zonder meer op een hoop gooit met de organisatie van de rest van de mens, kijkt beslist niet zo, dat hij hem wat zijn wezen betreft, kan doorgronden.

*«Von Seelenrätseln» (1917): GA 21, Gesamtausgabe Dornach 1976.
.

blz. 29

durchschaubar werden könnte. Es ist ein hoher Grad von Selbständig­keit, von Individualisierung in dem, was ich nennen möchte den Ner­ven-Sinnes-Menschen. Und gerade weil man heute eigentlich den gan­zen Menschen wie eine nebulose Einheit nur naturwissenschaftlich betrachtet, kommt man nicht darauf, diese fundamentale Selbständig­keit des Nerven-Sinnes-Menschen ins Auge zu fassen. Wir werden uns gleich noch besser verstehen, wenn ich die Sache weiter ausführe.
Ein zweites selbständiges Glied der menschlichen leiblichen Wesen­heit ist dann alles dasjenige, was in unsern Organismus eingegliedert ist als – ich nenne es den rhythmischen, den rhythmisierenden Organis­mus des Menschen; was Atmungssystem ist und rhythmisch ist, was Blutzirkulationssystem ist und rhythmisches System ist, was Lymph­gefäßsystem ist und rhythmisch ist. Alles das, was in rhythmischer Tätigkeit im Menschen ist, das ist ein zweites System der gesamten menschlichen Wesenheit und hat eine relative Selbständigkeit gegen­über dem Nerven-Sinnes-Menschen. Es ist, als wenn diese zwei Systeme einfach ineinander verbunden wären als selbständige und nur kommu­nizierten. Es ist keine solche Einheit im Menschen, wie sie aus unklaren Begriffen heraus die heutige Naturwissenschaft konstatiert.

Er is een hoge graad van zelfstandigheid, van individualisering in wat ik graag noem de zenuw-zintuigmens. En juist omdat men tegenwoordig eigenlijk de hele mens als een vage eenheid beschouwt, komt men er niet op deze fundamentele zelfstandigheid van de zenuw-zintuig mens onder ogen te zien. We zullen dit zo nog beter begrijpen, wanneer ik de zaak verder uiteenzet.
Een tweede zelfstandig deel van het menselijk lichamelijk wezen is alles wat in ons organisme een plaats vindt als – wat ik noem – het ritmische, het ritmische organisme van de mens; het ademsysteem is ritmisch; de bloedsomloop is ritmisch; het lymfevatensysteem is ritmisch. Alles wat in een ritmische activiteit in de mens zit, is een tweede systeem van de totale mens en heeft een relatieve zelfstandigheid t.o.v. de zenuw-zintuigmens. Het lijkt alsof deze twee systemen simpelweg met elkaar verbonden zijn als zelfstandigheden en slechts communiceren. Zo’n eenheid als de huidige natuurwetenschap met vage begrippen vaststelt, zit er in de mens niet.

Und das dritte ist wieder etwas, was relativ selbständig ist in bezug auf den ganzen Menschen; das ist dasjenige, was ich den Stoffwechsel-Organismus nennen möchte. Wenn Sie in bezug auf die Tätigkeit ein­fach den dreifachen Menschen betrachten, den Nerven-Sinnes-Men­schen, den Menschen, der in gewissen rhythmischen Tätigkeiten lebt, den Menschen, der im Stoffwechsel lebt, dann haben Sie alles, was in der menschlichen Natur, sofern sie ein tätiger Organismus ist, vor­handen ist. Und Sie haben zugleich auf drei selbständige Systeme im menschlichen Organismus hingewiesen.
Sehen Sie, über diese drei selbständigen Systeme macht sich die heutige Wissenschaft ganz falsche Begriffe, indem sie einfach sagt: See­lenleben, das ist verknüpft mit dem Nervenleben. Wir können ja über­all als eine Gewohnheit, die sich im Laufe der Zeit, man kann sagen, etwa seit dem Ende des 18. Jahrhunderts eingebürgert hat, sehen, daß das Seelenleben in einen gewissen Zusammenhang gebracht wird nur mit dem Nervenleben. Wir wollen, um einen gewissen Sinn zu ver­binden mit dem, was ich gerade als die Dreigliederung des mensch­lichen Leibes angedeutet habe, die Zugehörigkeit des menschlichen Seelenlebens einmal zu diesem dreigliedrigen Menschen untersuchen.

En het derde is weer iets, wat relatief zelfstandig is m.b.t. de hele mens; dat is wat ik het stofwisselingsorganisme zou willen noemen. Wanneer je, wat de activiteit betreft, eenvoudig naar deze drievoudige mens kijkt, de zenuw-zintuigmens, die in bepaalde ritmen leeft, de mens die in de stofwisseling leeft, heb je alles wat in de menselijke natuur, in zoverre deze een actief organisme is, voor handen. En je hebt tegelijkertijd op drie zelfstandige systemen in het menselijk organisme gewezen.
Kijk eens, over deze drie zelfstandige systemen vormt de huidige wetenschap totaal verkeerde begrippen, als ze simpelweg zegt: het leven van de ziel is gebonden aan het zenuwleven. We kunnen zeker als een gewoonte die in de loop van lange tijd, je kan zeggen ongeveer vanaf het einde van de 18e eeuw, ingeburgerd raakte, zien dat het zielenleven in een zekere samenhang gebracht wordt, alleen maar met het zenuwleven. Wij willen om een bepaalde zin te verbinden met wat ik juist als drieledigheid van het menselijk lichaam aanduidde, de samenhang van het zielenleven van de mens met deze drieledige mens onderzoeken.

blz. 30

Nun müssen wir sagen: Alles, was im menschlichen Stoffwechselleib konzentriert ist, was als Tätigkeit der Stoffwechselleib ist, das hängt zusammen unmittelbar mit dem menschlichen Wollen. Dasjenige, was Zirkulationssystem ist, hängt zusammen unmittelbar mit dem mensch­lichen Fühlen, und dasjenige, was Nerven-Sinnes-System ist, hängt zusammen mit dem menschlichen Vorstellen. Sehen Sie, hier macht sich die neuere Naturwissenschaft eben ganz falsche Begriffe. Sie sagt, das Seelenleben des Menschen hängt zusammen mit dem Nervenleben über­haupt, höchstens also mit dem Nerven-Sinnes-Leben. Denken, Fühlen und Wollen hängen zusammen unmittelbar mit dem Nervenleben, und erst durch die Nerven wird übertragen die Tätigkeit des Seelenlebens indirekt auf den Zirkulationsmenschen, auf den rhythmischen Men­schen und auf den Stoffwechselmenschen. Dadurch kommt eine ganze Verwirrung in die Auffassung vom Menschen hinein. Man entfernt sich von der menschlichen Natur, statt daß man sich ihr nähert. Mit dem Nerven-Sinnes-Leben hat nichts anderes als das Vorstellen in unmittel­barer Art zu tun. Dagegen ist ebenso unmittelbar, wie das Vorstellungs-leben verknüpft ist mit dem Nerven-Sinnes-Leben, das Gefühlsleben des Menschen unmittelbar verbunden mit dem rhythmischen System des Menschen.

Nu moeten we zeggen: alles wat in het menselijk stofwisselingsgebied geconcentreerd is, wat dit stofwisselingsgebied als activiteit heeft, hangt direct samen met de menselijke wil. Wat circulatiesysteem is, hangt direct samen met het menselijk gevoel en wat zenuw-zintuigsysteem is, hangt samen met het menselijke voorstellen. Kijk, hier vormt de nieuwere natuurwetenschap ook verkeerde begrippen. Ze zegt dat het zielenleven van de mens in hoge mate samenhangt met de zenuwen, hooguit met het zenuw-zintuigleven. Denken, voelen en willen hangen direct samen met de zenuwen en  door de zenuwen wordt de activiteit van het zielenleven indirect op het circulatiesyteem, op de ritmische mens en op de stofwisselingsmens overgebracht. Daardoor ontstaat een complete verwarring over hoe de mens gezien wordt. Men neemt afstand van de menselijke natuur, in plaats dat men die nader komt. Met het zenuw-zintuigleven heeft niets anders van onmiddellijke doen: het voorstellen. Vergelijkenderwijs is even direct, zoals het voorstellingsleven verbonden is met het zenuw-zintuigleven, het gevoelsleven van de mens verbonden met het ritmische systeem van de mens.

Gefühlsleben als seelisches Leben pulsiert zugleich in Atmung, Blutzirkulation, Lymphzirkulation und ist ebenso unmittel­bar mit diesem System verbunden, wie das Vorstellungssystem mit dem Nervensystem. Und das Willenssystem ist unmittelbar verbunden mit dem Stoffwechselsystem. Immer geschieht irgend etwas im mensch­lichen Stoffwechsel, wenn eine Willenstätigkeit oder eine Willenskom­bination vorliegt. Das Nervenleben hat nicht die Beziehung zum Wol­len, die man ihm gewöhnlich zuschreibt, sondern der Wille hat un­mittelbar eine Beziehung zum Stoffwechsel, und diese Beziehung zum Stoffwechsel nimmt der vorstellende Mensch erst wiederum wahr durch das Nervensystem. Das ist die wirkliche Beziehung. Das Nervensystem hat keine andere Aufgabe als vorzustellen. Ob vorgestellt wird irgend­ein äußerer Gegenstand, ob vorgestellt wird dasjenige, was durch den Willen im Zusammenhange mit dem Stoffwechsel geschieht, der Nerv hat immer die gleiche Aufgabe. Die heutige Wissenschaft unterscheidet sensitive Nerven, die da sein sollen, um von der Körperperipherie aus gewissermaßen die Eindrücke der Außenwelt zum Zentralorgan, wie man sagt, zu tragen; dann wiederum sollen motorische Nerven da sein, welche dasjenige, was vom Zentralsystem als Willensimpuls ausgehen

Gevoelsleven als zielenleven pulseert tegelijkertijd in ademhaling, bloedsomloop, lymfecirculatie en is net zo direct met dit systeem verbonden, als het voorstellingsleven met het zenuwsyteem. En het wilssysteem is direct verbonden met het stofwisselingssyteem. Steeds gebeurt er iets in de menselijke stofwisseling, wanneer er een wilsactiveit of een wilscombinatie speelt. Het zenuwleven heeft niet die relatie tot het willen, die men er gewoonlijk aan toeschrijft, maar de wil heeft een onmiddellijke relatie tot de stofwisseling en deze relatie neemt de zich voorstellende mens pas weer waar door het zenuwsysteem. Dat is de werkelijke relatie. Het zenuwsysteem heeft geen andere opdracht dan het voorstellen. Of er nu een of ander voorwerp van buiten, of voorgesteld wordt wat via de wil samenhangt met de stofwisseling, de zenuw heeft steeds dezelfde opgave. De wetenschap van tegenwoordig onderscheidt sensitieve zenuwen die zouden bestaan om vanuit de lichaamsperiferie bepaalde indrukken uit de buitenwereld naar het centrale orgaan – zoals men zegt – te transporteren; en dan zouden er motorische zenuwen zijn, die dan wat vanuit het centrale zenuwstelsel als wilsimpuls uit moet gaan

blz. 31

soll, nach der Peripherie des Körpers zu tragen haben. Man hat, ich werde davon noch genauer reden, sehr geistreiche – geistreich sind sie ja, die Dinge -, sehr geistreiche Theorien ersonnen, um nachzuwei­sen, wie man durch Durchschneiden und so weiter von Nerven be­weisen könne, daß ein solcher Unterschied besteht zwischen sensitiven und motorischen Nerven. Aber in Wirklichkeit existiert er nicht. Und viel bedeutungsyoller als alle im Laufe der Zeit geistreich ersonnenen Theorien über den Unterschied von motorischen und sensitiven Nerven ist die andere Tatsache, daß man allerdings den sogenannten moto­rischen Nerv zerschneiden kann, sein Ende zusammenstückeln kann mit dem Ende eines ebenfalls durchschnittenen sensitiven Nervs, und daß dies dann wiederum einen Nerv von einer Nervenart gibt. Das ist viel mehr sprechend als alles übrige, was sonst ersonnen worden ist, daß ein Unterschied in der wirklichen Funktion zwischen motori­schen und sensitiven Nerven nicht gefunden werden kann. Er kann auch in anatomisch-physiologischer Beziehung nicht gefunden werden. Die sogenannten motorischen Nerven sind nicht dasjenige, was den Willensimpuls vom Zentralorgan zu der Peripherie des Menschen trägt, sondern diese motorischen Nerven sind in Wirklichkeit auch sensitive Nerven.

naar de periferie van het lichaam moeten brengen. Men heeft, ik zal daar nog preciezer over spreken, zeer geestrijke – geestrijk zijn ze, die dingen -, zeer geestrijke theorieën bedacht om na te gaan hoe je door het doorsnijden van zenuwen kan bewijzen, dat er tussen sensitieve en motorische zenuwen zo’n onderscheid bestaat. Maar in werkelijkheid bestaat dat niet. En veel belangrijker dan alle in de loop van de tijd geestrijk bedachte theorieën over het verschil in motorische en sensitieve zenuwen, is het andere feit dat je dus de zogenaamde motorische zenuw door kan snijden, het eind ervan aan het eind van een eveneens doorgesneden sensitieve zenuw kan koppelen en dat dit dan weer een zenuw van een van de soorten oplevert. Dat is veel sprekender dan al het andere, wat maar bedacht is, dat een onderscheid in de werkelijke functie tussen motorische en sensitieve zenuwen niet kan worden gevonden. Ook in anatomisch-fysiologisch verband kan dit niet worden gevonden. De zogenaamde motorische zenuwen zijn niet datgene wat de wilsimpuls van het centraalorgaan naar de periferie van de mens brengt, maar deze motorische zenuwen zijn in werkelijkheid ook sensitieve zenuwen.

Sie sind dazu da, sagen wir, wenn ich zum Beispiel einen Finger bewege, daß eine unmittelbare Beziehung zwischen dem Willensentschluß und dem Stoffwechsel des Fingers zustande kommt, daß der unmittelbare Einfluß, der vom Willen ausgeübt wird, den Stoffwechsel des Fingers ergreift. Diese Stoffwechseländerung, dieser Stoffwechselvorgang wird durch den sogenannten motorischen Nerv wahrgenommen. Und wenn ich den Stoffwechselvorgang nicht wahr-nehme, dann erfolgt auch kein Willensentschluß, weil der Mensch darauf angewiesen ist, dasjenige, was in ihm vorgeht, ebenso wahr­zunehmen, wenn er dadurch etwas wissen soll, sich beteiligen soll daran, wie irgend etwas in der äußeren Welt wahrzunehmen ist, wenn er daran beteiligt sein soll.
Es ist geradezu, ich möchte sagen, diese Unterscheidung von sen­sitiven Nerven und motorischen Nerven der bequemste Knecht des Materialismus, allerdings ein Knecht, der nur hat heraufziehen können in der materialistischen Wissenschaft dadurch, daß man einen billigen Vergleich gefunden hat in dieser neueren Zeit, nämlich den des Tele-graphen. Man telegraphiert von einer Station zur anderen hin, und dann telegraphiert man wiederum zurück. Nach diesem Bilde des Telegraphierens

Ze zijn er om, laten we zeggen, als ik bijv. een vinger beweeg, dat er een directe verbinding tussen het wilsbesluit en de stofwisseling van de vinger tot stand komt, dat de directe invloed die door de wil uitgevoerd wordt, in de stofwisseling van de vinger dringt. Deze stofwisselingsverandering, dit stofwisselingsproces wordt door de zogenaamde motorische zenuw waargenomen. En wanneer ik het stofwisselingsproces niet waarneem, dan volgt er geen wilsbesluit, omdat de mens erop aangewezen is wat er in hem gebeurt, net zo waar te nemen, als wanneer hij iets weten moet, er deel van uit moet maken, hoe iets in de buitenwereld waar te nemen is, wanneer hij daar deel van uit moet maken.
Met name – zou ik willen zeggen – is dit onderscheid van sensitieve en motorische zenuwen de hulpvaardigste knecht van het materialisme, zeker een knecht die in de materialistische wetenschap opgeklommen is door een goedkope vergelijking te vinden in deze moderne tijd, die van de telegraaf. Men telegrafeert van het ene station naar het andere en dan telegrafeert men weer terug. Met dit beeld van telegraferen

blz. 32

stellt man sich ungefähr heute die Vorgänge vor von der Peripherie nach dem Zentralorgan und wiederum zurück durch sensitive und motorische Nerven. Das ganze Bild ist natürlich nur möglich in einem Zeitalter, in dem eben gerade die Telegraphie eine solche Rolle zu spielen hat wie im 19. Jahrhundert. Wäre die Telegraphie nicht da, so hätte man ja auch dieses Bild nicht gefunden, und man wäre vielleicht zu einer naturgemäßeren Anschauung der entsprechenden Vorgänge gekommen.
Sehen Sie, es sieht aus, als wenn man, ich möchte sagen, aus einem gewissen Radikalismus heraus, aus Kritikasterei dasjenige in Grund und Boden treten wollte, mit dem sich so viele Menschen soviel ernst­liche Mühe gegeben haben. Aber glauben Sie nicht, daß das leicht ist. Glauben Sie nicht, daß einem das leicht wird. Ich habe mich als ganz junger Mann zu beschäftigen angefangen mit der Nervenlehre, und es war für mich etwas Erschütterndes, zu bemerken, wie gerade diese Nervenlehre der schlechte Knecht des Materialismus ist, weil dasjenige, was ein unmittelbarer seelischer Einfluß des Willens auf den Stoff­wechsel ist, dadurch vermaterialisiert wird, daß man sich vorstellt, der materielle Nervenstrang trage den Willensimpuls vom Zetitralorgan zu der Peripherie des Menschen, das heißt zum Muskel, zum Be­wegungsorgan. Man zeichnet so die materiellen Prozesse in den Or­ganismus hinein.

stelt men zich min of meer tegenwoordig het proces voor van de periferie naar het centraalorgaan en weer terug door de sensitieve en motorische zenuwen. Dit hele beeld is natuurlijk slechts mogelijk in een tijd waarin nu juist de telegrafie een grote rol moest spelen, zoals in de 19e eeuw. Wanneer de telegrafie er niet was geweest, dan zou men dit beeld ook niet hebben gevonden en was man wellicht op een meer natuurgetrouwe opvatting van de onderhavige procesen gekomen.
Kijk, het lijkt erop dat men – zou ik zeggen – vanuit een zeker radicaliteit, vanuit criticasterij dat waarmee veel mensen ernstig bezig waren geweest, in de grond wilde boren. Maar geloof maar niet dat dit makkelijk is. Geloof maar niet dat dit iemand makkelijk afgaat. Ik ben als heel jong mens me al gaan bezighouden met de leer van de zenuwen en het was voor mij nogal schokkend te merken hoe met name deze leer de slechte bediende van het materialisme is, omdat hetgeen een directe gevoelsmatige invloed van de wil op de stofwisseling is, materialistisch gemaakt wordt door zich voor te stellen dat een stoffelijke zenuwbaan de wilsimpuls van het centraalorgaan naar de periferie van de mens transporteert, d.w.z. naar de spieren, naar het bewegingsorgaan. Op die manier stelt men zich de stoffelijke processen in het organisme voor.

In Wahrheit ist bei einem Willensakt zunächst durchaus ein un­mittelbarer Zusammenhang zwischen dem, was der seelische Willens­impuls ist, und irgendeinemProzeß desStoffwechsels.DerNerv ist eben nur dazu da, um die Wahrnehmung dieses Prozesses zu vermitteln. Ebenso ist der Nerv nur dazu da, um jene Wahrnehmung zu ver­mitteln, welche bestehen muß für den Menschen, wenn zwischen seinem Fühlen und irgendeinem solchen Vorgang, der sich ausdrückt in Zir­kulation, eine Beziehung entsteht. Das ist immer dann der Fall, wenn wir fühlen. Da liegt zunächst nicht zugrunde irgendein nervöser Pro­zeß, sondern es liegt zugrunde eine Modifikation unseres Zirkulations­wesens. Bei irgendeinem Gefühl liegt immer ein Vorgang im, jetzt nicht Stoffwechsel, sondern im rhythmischen Gange der Zirkulations­prozesse vor. Und das, was vorgeht, was im Blute, in der Lymph­bildung vorgeht, in dem Sauerstoffwechsel, was aber nicht ein wirk­licher Stoffwechsel ist – der Sauerstoffwechsel ist schon ein Stoffwechsel, insofern gehört er aber zu den Willensvermittlern -, aber insofern wir

In waarheid is er bij een wilsactivieit allereerst een directe samenhang tussen wat de wilsimpuls van de ziel is en een of ander stofwisselingsproces. De zenuw is er alleen maar voor om de waarneming van dit proces over te brengen. Net zo is de zenuw er om iedere waarneming over te brengen die er voor de mens moet zijn, wanneer er tussen zijn voelen en een dergelijk proces dat zich uitdrukt in de circulatie, een relatie ontstaat. Dat is steeds het geval wanneer we voelen. Daaraan ligt niet meteen een of ander zenuwproces ten grondslag, maar er aan ten grondslag ligt een modificatie van ons circulatiewezen. Bij een of ander gevoel is er altijd een proces in – nu niet de stofwisseling – maar in het ritmisch verloop van het circulatieproces. En wat er gebeurt, wat in het bloed, in de lymfevorming plaatsvindt, in de zuurstofuitwisseling, die geen echte stofwisseling is – zuurstofuitwisseling is wel stofwisseling, in zoverre die hoort bij het overbrengen van de wil -, maar in zover wij

blz. 33

es zu tun haben mit einem rhythmischen Prozesse der Atmung, gehört das zum Fühlen. Alles Fühlen ist direkt zugeordnet dem rhythmischen Prozesse. Und wiederum sind die Nerven nur dazu da, um dasjenige wahrzunehmen, was sich da unmittelbar abspielt zwischen dem see­lischen Fühlen und dem rhythmischen Prozesse im Organismus. Ner­ven sind also auch da wiederum nur Wahrnehmungsorgane. So daß wir, ich möchte sagen, in dieser geisteswissenschaftlichen Unter­suchung erst sehen, was es eigentlich bedeutet, wenn wir in Lehrbüchern der Physiologie oder auch der Psychologie immer wieder und wie­derum finden mußten: Ja, man muß aus der Theorie heraus hypothe­tisch annehmen, der Mensch habe sensitive und motorische Nerven; aber anatomisch unterscheiden sich die beiden höchstens ein wenig durch ihre Dicke, jedenfalls nicht durch irgend etwas anderes. Speku­lationen bei der Tabes und dergleichen, die man gemacht hat – auf die werde ich noch zurückkommen. Ich wollte heute nur eben andeuten zu­nächst, daß eine unbefangene Betrachtung des menschlichen Organis­mus diesen als einen dreigliedrigen uns zeigt: den Nerven-Sinnes-Or­ganismus, der zugeordnet ist dem vorstellenden Seelenleben, dann den Organismus, der in Rhythmen lebt, zugeordnet dem Gefühlsseelen­leben, den Organismus, der im Stoffwechsel lebt, im weitesten Sinne, zugeordnet unmittelbar dem Willensteil des Seelenlebens.

te maken hebben met een ritmisch proces van de adem, hoort die bij het voelen. Alle voelen hoort direct bij het ritmische proces. En ook hier zijn de zenuwen er alleen maar om waar te nemen wat zich daar direct afspeelt tussen het voelen van de ziel en het ritmische proces in het organisme. Zenuwen zijn ook daar weer slechts waarnemingsorganen. Zodat we, in dit geesteswetenschappelijk onderzoek pas zien, wat het uiteindelijk betekent, wanneer we in de studieboeken over fysiologie of ook over psychologie steeds opnieuw weer moeten aantreffen: Ja, men moet vanuit de theorie hypothetisch aannemen dat de mens sensitieve en motorische zenuwen heeft; echter, anatomisch verschillen die twee hoogstens wat de dikte betreft, in ieder geval niet door iets anders. Op speculaties die men gemaakt heeft bij de tabes e.d. kom ik nog terug. Ik wilde nu allereerst even aanduiden dat een onbevangen waarnemen van het menselijk organisme ons dit als drieledig verschijnt: het zenuw-zintuigorganisme, dat hoort bij de zich voorstellende ziel, dan het organisme dat in ritmen leeft, behorend tot het gevoelsleven van de ziel; het organisme dat in de stofwisseling leeft, in de ruimste zin van het woord, direct behorend bij het wilsdeel van het zielenleven.

Nun können wir ja zur Verdeutlichung einmal ins Auge fassen das Leben, sagen wir, im Musikalischen. Dieses Leben im Musikalischen, es ist der allerbeste Beweis – zunächst einer von vielen, wir werden noch verschiedene kennenlernen, aber vielleicht einer der besten Be­weise – für die besondere Zuordnung des Gefühlslebens zum rhyth­mischen Leben des Organismus. Dieses rhythmische Leben wird in seinem Zusammenhang mit dem Gefühlsleben wahrgenommen von dem Vorstellungsleben, das an den Nerven-Sinnes-Organismus ge­bunden ist. Wenn wir etwas Musikalisches hören, ja, wenn wir irgend­wie uns einem Tonbilde hingeben, dann ist das allerdings scheinbar zunächst aufgenommen durch den Sinn. Aber diejenigen Physiologen, die etwas feiner beobachten können, merken, wie innerlich beteiligt ist an dem Verfolgen eines Tonbildes das Atmen, und wie wirklich unser Atmen etwas zu tun hat mit dem, was wir als dasjenige in uns erleben, was uns das Tonbild erscheinen läßt als etwas, das ästhetisch zu be­urteilen ist, das in das Gebiet der Kunst zu versetzen ist.
Wir müssen uns nämlich klar sein, welch komplizierter Prozeß 

Nu kunnen we ter verduidelijking eens de blik richten op het leven, laten we zeggen, het muzikale. Dit leven in het muzikale is het allerbeste bewijs – eigenlijk een van de vele (we zullen er nog verschillende leren kennen), maar misschien wel een van de beste bewijzen – voor de bijzondere verbondenheid van het gevoelsleven met het ritmische leven van het organisme. Dit ritmisch leven wordt in zijn samenhang met het gevoelsleven waargenomen door het voorstellingsleven dat aan het zenuw-zintuigorganisme gebonden is. Wanneer we iets muzikaals horen, ons op de een of andere manier op een toongeheel richten, dan wordt dat in ieder geval schijnbaar allereerst opgenomen door de zintuigen. Maar de fysiologen die iets preciezer kunnen waarnemen, bemerken hoe de adem innerlijk meedoet aan het volgen van het toongeheel; hoe daadwerkelijk ons ademen iets te maken heeft met wat we in onszelf beleven van wat het toongeheel ons geeft als iets wat je esthetisch kan beoordelen, wat je bij de kunst kan plaatsen.
We moeten wel duidelijk hebben, wat voor gecompliceerd proces

blz. 34

eigentlich in uns fortwährend vorgeht. Nehmen Sie einmal diesen un­seren Organismus an. Dieser Nerven-Sinnes-Organismus, der zentra­lisiert ist im menschlichen Gehirn, er ist ja so zentralisiert, daß das Gehirn eigentlich nur zum geringsten Teil in einem gewissen festen Zustande ist; das ganze Gehirn schwimmt im Gehirnwasser. Ich ver­suche dasjenige, was da zugrunde liegt, durch folgendes klarzumachen:
Es würde unser Gehirn, wenn es nicht im Gehimwasser wirklich schwimmen würde, fortwährend auf die an der Schädelunterlage be­findlichen Blutgefäße drücken und diese fortwährend zerdrücken. Un­ser Gehirn erleidet nämlich dadurch, daß es im Gehirnwasser schwimmt, einen fortwährenden Auftrieb – was man nach dem Archimedischen Prinzip den Auftrieb nennt, wie Sie aus der Physik wissen -, so daß von dem reichlich 1300 bis 1500 Gramm wiegenden Hirn eigentlich auf die Unterlage des Schädels höchstens 20 Gramm drücken. So daß also dadurch, daß das Gehirn einen mächtigen Auftrieb erleidet, auf die Unterlage des Schädels sehr wenig gedrückt wird. Aber dieses Ge­hirnwasser, das ist nicht minder beteiligt an unserem ganzen mensch­lichen Erleben als etwa das Feste des Gehirnes. 

zich daar eigenlijk voortdurend in ons afspeelt. Laten we ons eens naar dit deel van ons organisme richten. Dit zenuw-zintuigorganisme, dat gecentraliseerd is in de menselijke hersenen; zo gecentraliseerd dat de hersenen eigenlijk maar voor het kleinste deel zich in een zekere vaste toestand bevinden; het hele brein zwemt in het hersenwater. Ik probeer om wat daaraan ten grondslag ligt door het volgende duidelijk te maken: onze hersenen zouden, wanneer ze niet daadwerkelijk in het hersenvocht zouden zwemmen, voortdurend op de bloedvaatjes van de schedelbasis drukken en deze voortdurend verdrukken. Onze hersenen ondergaan namelijk doordat ze in het hersenvocht zwemmen een voortdurende opwaartse druk – wat je naar Archimedes de opwaartse druk kan noemen, zoals u dat uit de natuurkunde kent – zodat er van de ruim 1300 tot 1500 gram wegende hersenen eigenlijk op de schedelbasis hooguit 20 gram drukken. Zodat er door de opwaartse druk waaraan de hersenen onderhevig zijn, op de schedelbasis zeer weinig druk wordt uitgeoefend. Maar dit hersenwater is niet minder betrokken bij heel ons menselijk beleven dan de vaste hersensubstantie.

Dieses Gehirnwasser, das ist nämlich in einer stetigen Auf- und Abbewegung. Es bewegt sich das Gehirnwasser rhythmisch auf und ab vom Gehirn durch den Rückenmarkskanal, strahlt dann aus in die Bauchhöhlung, wird bei der Einatmung zurückgestoßen in die Gehirnhöhlung, wieder heraus-gestoßen, und bei der Ausatmung fließt es wieder herunter. In fort­währendem Auf- und Abbewegen ist dieses Gehirnwasser, das heißt, seine Fortsetzung in den übrigen Organismus hinein, so daß eine fort­währende vibrierende Bewegung stattfindet, die im Grunde genommen den ganzen Menschen erfüllt und die mit dem Atmen zusammenhängt.
Indem wir irgendeiner Folge von Tönen gegenüberstehen, stehen wir ihr als atmende Menschen gegenüber. Fortwährend wird das Was­ser aufwärts und abwärts getrieben. Und indem wir hören, schlägt innerlich der Rhythmus des auf- und absteigenden Wassers an das­jenige an, was da durch die Töne in uns im Gehörorgan als Sinnes-wahrnehmung figuriert, und ein fortwährendes Zusammenschlagen der innerlichen Vibrationsmusik unseres Atmens findet statt mit dem, was als Wahrnehmungsvorgang an unser Ohr schlägt. Darinnen besteht eigentlich das musikalische Erlebnis, in diesem Ausgleich zwischen der Gehörwahrnehmung und dem rhythmischen Atmungsprozeß. Und der schildert ganz falsch, der etwa das musikalische Wahrnehmen, das ja

Dit hersenwater is namelijk in een op-en-neerbeweging. Het hersenwater beweegt ritmisch op en neer vanuit de hersenen door het ruggenmergkanaal, straalt dan uit in de buikholte, wordt door het inademen weer teruggedrukt in de hersenholte, weer weggedrukt en bij de uitademing vloeit het weer naar beneden. In een voortdurende stijg- en daalbeweging is dit hersenwater; dat beteken:t het gaat vandaaruit de rest van het organisme in, zodat er een voortdurende vibrerende beweging plaatsvindt die uiteindelijk door de hele mens heengaat en die met de adem samenhangt.
Wanneer we te maken hebben met een bepaalde volgorde van tonen, hebben we daar als ademende mens mee te maken. Voortdurend wordt het water op- en neer geperst. En wanneer we horen, beroert innerlijk het ritime van het op-en-neergaande water dat wat door de tonen in ons gehoororgaan als zintuigwaarneming werkt en een constant samengaan van de innerlijke vibratiemuziek van onze adem vindt plaats met wat als waarnemingsproces in ons oor gebeurt. Daaruit bestaat eigenlijk de muzikale beleving, in deze uitwisseling tussen gehoorswaarneming en het ritmische ademproces. En degene die min of meer dit muzikale waarnemen

blz. 35

überall im wesentlichen durchzogen ist vom Fühlen, nur in Beziehung bringen möchte direkt mit den Nervenvorgängen. Die sind eigentlich beim musikalischen Wahrnehmen nur dazu da, daß wir dasjenige, was eigentlich vorgeht, tiefer mit unserem Ich verbinden, daß wir es so recht wahrnehmen, daß wir es ins Vorstellen umsetzen.
Ich habe nach allen Richtungen hin versucht, diesen Dingen nach­zugehen. Es war in der Zeit, in der die europäische Menschheit sich noch mehr für solche Fragen unmittelbar interessierte. Da war, wie Sie wissen, der lebhafte Streit vorhanden zwischen der Auffassung des Musikalisch-Schönen durch Richard Wagner und die Wagner-Schüler und durch den Wiener Hanslick. Da konnte man das Problem des mu­sikalischen Wahrnehmens nach allen Richtungen erörtert finden. Da wurde auch hingewiesen in diesem Zusammenhange auf diejenigen Versuche, die man machen kann, um hinter das musikalische Wahr­nehmen zu kommen. Und gerade beim musikalischen Wahrnehmen drängt es sich auf, die unmittelbare Beziehung zu suchen zwischen den Zirkulationsvorgängen und dem, was eigentliches menschliches Fühlen ist, während gleichzeitig eine unmittelbare Beziehung zwischen dem Nervensystem und dem Vorstellen vorhanden ist.

dat overal hoofdzakelijk doortrokken is met gevoel, slecht meteen aan de zenuwprocessen wil koppelen, zit er naast. Die zijn er bij het muzikale waarnemen eigenlijk alleen maar voor, dat wij dat wat er gebeurt, dieper met ons wezen kunnen verbinden, dat we het zo goed waarnemen dat we het in voorstellen kunnen omzetten.
In alle richtingen heb ik geprobeerd deze dingen na te gaan. Het was in de tijd waarin de Euroeose mensheid zich nog meer voor zulke vragen direct interesseerde. Daar vond, zoals u weet, een levendige strijd plaats tussen de opvatting van het muzikaal-esthetische door Richard Wagner* en zijn leerlingen en door de uit Wenen afkomstige Hanslik**. Toen kon je het probleem van het muzikale waarnemen van alle kanten uitgelegd krijgen. In deze samenhang werd er ook gewezen op de proeven die je kan doen om achter het muzikale waarnemen te komen. En met name bij het muzikale waarnemen dringt zich op de directe samenhang te zoeken tussen de circulatieprocessen en wat eigenlijk menselijk gevoel is, terwijl gelijktijdig er een directe samenhang bestaat tussen het zenuwsysteem en het voorstellen.

*Ricbard Wagner, 1813-1883, deutscher Komponist. «Tannbäuser«, «Lohengrin«, «Ring des Nibelungen« u.a.
**den Wiener Hanslick: Eduard Hanslick (1825-1904). «Vom Musikalisch-Schönen« (Leipzig 1854/91).
.

Aber diese unmittel­bare Beziehung ist nicht zu suchen zwischen dem Nervensystem und dem Fühlen und nicht zwischen dem Nervensystem und dem Wollen.
Ich bin überzeugt davon, daß die falsche Hypothese von den sensi­tiven und motorischen Nerven, die in die Wissenschaft als der Knecht des Materialismus eingezogen ist, weit mehr als man meint schon die Denkweise der Menschen ergriffen hat und in der nächsten oder in der zweitnächsten Generation Gesinnung wird. Ja, ich bin überzeugt, daß diese materialistische Nervenlehre schon Gesinnung geworden ist in der Menschheit und daß wir eigentlich heute das, was wir in der Phy­siologie oder in der Psychologie so als Theorie hersagen, schon in un­seren Gesinnungen haben, und daß diese Gesinnungen eigentlich die Menschen trennen. Wenn man das Gefühl hat – und die Leute haben heute schon das Gefühl -, daß eigentlich der andere Mensch uns nur gegenübersteht so, daß wir selber auf ihn einen Sinneseindruck machen, er auf uns, daß er da abgeschlossen von uns in sich hat sein Gefühls­leben, das erst durch die Nerven vermittelt werden soll, dann richten wir eine Scheidewand zwischen Mensch und Mensch auf. Es ist ja wirk­lich so, daß diese Scheidewände zu merkwürdigen Anschauungen ge­führt haben, wenn man heute hört, daß Leute sagen: Ja, wenn ich

Maar deze directe relatie is niet te vinden tussen het zenuwsysteem en het voelen en niet tussen het zenuwsysteem en het willen.
Ik ben ervan overtuigd dat de valse hypothese van de sensitieve en motorische zenuwen die in de wetenschap als knecht van het materialisme is gekomen, veel meer dan men denkt, al bezit heeft genomen van de manier van denken van de mens en in de volgende of daarop volgende generatie de opvatting wordt. Ja, ik ben ervan overtuigd dat deze materialistische leer over de zenuwen onder de mensen al dé opvatting geworden is en dat wij eigenlijk wat we in de fysiologie of in de psychologie zo als theorie aangeven, al onze opvatting is en dat deze opvattingen de mensen eigenlijk verdelen. Wanneer je het gevoel hebt – en de mensen hebben tegenwoordig dit gevoel – dat de andere mens zo tegenover ons staat, dat wijzelf op hem een indruk maken, hij op ons, dat hij afgesloten voor ons een gevoelsleven heeft dat eerst door de zenuwen moet gaan, richten wij tussen de mensen een barrière op. Het is echt zo dat deze barrières tot merkwaardige opvattingen geleid hebben, zoals wanneer je hoort dat de mensen zeggen: Ja, wanneer ik

blz. 36

einen anderen Menschen ansehe, so sehe ich, daß er die Nase mitten im Gesicht hat, daß er zwei Augen hat an derjenigen Stelle, wo ich weiß, ich habe auch zwei Augen. Er hat ein Gesicht so geformt wie ich; indem ich das alles sehe, ziehe ich den unbewußten Schluß: Da ist ein ebensolches Ich in dem Organismus drinnen wie in mir. – Es gibt heute schon Leute, die auch diese Theorie vertreten und das Verhältnis vom Menschen zum Menschen so äußerlich auffassen, daß sie meinen, aus der Gestalt des Menschen wäre erst ein unbewußter Schluß notwendig, um darauf zu kommen, daß der andere Mensch ein mit dem eigenen Ich gleiches Ich hat. Die Anschauung, welche nur das Nervenleben zu­sammenbringt mit dem Vorstellungsleben, dagegen das Zirkulations-und Atmungsleben zusammenbringt mit dem Gefühlsleben, das ganze Stoffwechselleben zusammenbringt mit dem Willensleben, die wird, wenn sie Gesinnung wird, wenn sie einmal wirkliches Erleben wird, die Menschen wiederum zusammenführen. Ich kann für dieses Zusam­menbringen heute zunächst nur ein Bild gebrauchen.
Sehen Sie, wir würden ja wirklich geistig-seelisch als Menschen sehr voneinander getrennt sein, wenn wir geistig-seelisch so einander gegen­überstünden, daß wir eigentlich alles Fühlen und Wollen durch unsere Nerven in unserem Innern entwickelten und der ganze Mensch in sei­ner Haut abgeschlossen gedacht werden müßte. Da wird das Seelische sehr isoliert.

naar een ander mens kijk, dan zie ik, dat zijn neus midden in zijn gezicht zit, dat hij twee ogen heeft op dezelfde plaats waar ik ze heb. De vorm van zijn gezicht is net zo als het mijne en als ik alles overzie, trek ik onbewust de conclusie: in dit organisme zit net zo’n Ik als in het mijne. – Er zijn tegenwoordig ook mensen die ook deze theorie vertegenwoordigen en de relatie van mens tot mens zo uiterlijk nemen dat ze denken dat vanuit de gestalte van de mens eerst een onbewuste gevolgtrekking nodig is om erop te komen dat de andere mens in vergelijk met het eigen Ik eenzelfde Ik heeft. De opvatting die alleen maar het zenuwleven samenneemt met het voorstellingsleven, het circulatie- en ademleven daarentegen samenneemt met het gevoelsleven, heel het stofwisselingsleven samenneemt met het wilsleven, zal, wanneer dat de opvatting wordt, wanneer die ooit een echte beleving wordt, de mensen weer samenbrengen. Ik kan voor dit samenbrengen nu alleen maar een beeld gebruiken.
Kijk, wij zouden werkelijk als geest-zielenmensen zeer van elkaar gescheiden zijn, wanneer we als geest-zielenwezen zo tegenover elkaar zouden staan, dat we eigenlijk al het voelen en het willen door onze zenuwen in ons innerlijk zouden ontwikkelen en de hele mens binnen zijn huid opgesloten gedacht zou moeten worden. Dan komt de ziel heel alleen te staan.

Und ich möchte sagen: So fühlen sich heute die Menschen, und ein getreues Abbild dieses Fühlens ist der antisozial und immer antisozialer werdende Zustand Europas.
Aber es gibt auch eine andere Möglichkeit. Wir sitzen hier alle in diesem Saale zusammen; wir atmen die gemeinsame Luft zunächst, da können wir nicht sagen, daß wir jeder um uns herum unseren Luft-kasten abschließen können. Wir atmen die gemeinsame Luft. Wer das gesamte Seelenleben an das Nervensystem heftet, der isoliert die Men­schen. Wer zum Beispiel an das Atmungsleben wiederum zurückgibt das Seelenleben, der macht auch das Seelenleben zu etwas Gemein­schaftlichem. So wie diese Luft uns gemeinschaftlich ist, so ist uns und wird uns das Seelenleben gemeinschaftlich, wenn wir es an den Rhyth­mus-Organismus zurückgeben. Und wenn sich auch in unserer sozialen Ordnung die einen Menschen heute noch ein bißchen was Besseres kau­fen können, die anderen was Schlechteres kaufen müssen, es kann doch nicht der reiche Mensch, damit er nicht dasselbe ißt wie der Arme, seine Nahrungsmittel vom Monde her, von einem ganz anderen Weltenkörper

En ik zeg: zo voelen de mensen zich vandaag en een getrouw beeld van dit gevoel is de antisociale en steeds antisocialer wordende toestand van Europa.
Maar er is ook een andere mogelijkheid. Wij zitten hier allemaal in deze zaal bij elkaar; we ademen zodoende de gemeenschappelijke lucht in en dan kunnen wij niet zeggen dat ieder van ons om zich heen zijn luchtkastje af kan sluiten. We ademen dezelfde lucht. Wie het hele zielenleven aan het zenuwsysteem plakt, isoleert de mensen. Wie bijv. aan het ademleven het zielenleven weer teruggeeft, maakt ook het zielenleven tot iets gemeenschappelijks. Zoals deze lucht voor ons gemeenschappelijk is, zo is ons en wordt ons zielenleven weer iets gemeenschappelijks wanneer we het teruggeven aan het ritme-organisme. En wanneer ook in onze sociale orde de ene mens tegenwoordig nog wel wat beters voor zichzelf kan kopen, de anderen het met iets minder moeten doen, dan kan toch de rijke mens opdat hij niet hetzelfde eet als de arme, zijn voedsel niet van de maan halen, vanuit een andere planeet betrekken.

blz. 37

beziehen. In bezug auf den Stoffwechsel haben wir ein gemein­sames Leben. So aber wird auch unser Willensieben zu einem gemein­schaftlichen, wenn wir so ursprüngliche, unmittelbare primäre Bezie­hungen vom Willensleben zum Stoffwechselleben hin einsehen. Sie werden sehen, wie es von einer unendlichen Tragweite ist, daß man diesen Zusammenhang des Gefühlslebens mit allem, was rhythmisch ist in der menschlichen Natur, und was rhythmisch den Menschen auch mit der Außenwelt zusammenschließt, einsieht, und daß man auf der anderen Seite das Willensleben in seinem Zusammenhange mit dem Stoffwechselleben kennenlernt. Auch darinnen zeigt sich wiederum, wie Geisteswissenschaft gerade geeignet ist, die Materie und ihre Vor-gange wirklich kennenzulernen. Der Materialismus ist ja einmal dazu verurteilt, gerade von der Materie nichts zu verstehen.
Damit habe ich Sie zunächst präliminarisch – wir werden auf alle diese Dinge genauer eingehen – bekannt gemacht mit der Dreigliede­rung des menschlichen Leibeslebens in ein Nerven-Sinnes-Leben, in ein Leben des Rhythmus-Organismus und in ein Leben des Stoffwechsel-Organismus. In bezug auf das Seelenleben haben wir ja eigentlich die Dreigliederung schon gelegentlich des Leibeslebens besprochen.

Wat de stofwisseling betreft hebben we een gemeenschappelijk leven. Zo wordt echter ook ons wilsleven iets gemeenschappelijks, wanneer we de oorspronkelijke, directe relatie tussen wilsleven en stofwisselingsleven inzien. U zal zien hoe dit van een enorme reikwijdte is wanneer je deze samenhang van het gevoelsleven met alles wat ritmisch is in de menselijke natuur en wat ritmisch de mens ook met de buitenwereld verbindt, inziet en dat je aan de andere kant het wilsleven in zijn samenhang met het stofwisselingsleven leert kennen. Ook daarin blijkt opnieuw hoe geesteswetenschap met name in staat is de materie en de processen daarvan werkelijk te leren kennen. Het materialisme is er nu eenmaal tot veroordeeld, juist van de materie niets te begrijpen.
Hiermee heb ik u allereerst inleidend – we zullen op al deze zaken nog preciezer ingaan – bekend gemaakt met de drieledigheid van het menselijk organisme in een zenuw-zintuigleven, in een leven van het ritme-organisme en in een leven van het stofwisselingsorganisme. Wat betreft het zielenleven hebben wij eigenlijk de drieledigheid al bij de levende lichamelijkheid besproken.

Wir können einfach die triviale Einteilung, die man gewöhnlich zugrunde legt, in Denken, Fühlen und Wollen, als die Gliederung des Seelen-lebens betrachten. Aber man kommt dem Seelenleben ja nur schlecht bei, wenn man diese Gliederung, die eine durchaus berechtigte ist, in den Vordergrund stellt. Sie wissen ja, daß vielfach in den Psychologien wiederkehrt die Gliederung des menschlichen Seelenlebens in Vor­stellen, Denken, Fühlen und Wollen. Aber daß eine wirkliche Anschau­ung des Seelenlebens dadurch ja eigentlich doch nicht gewonnen wird, das muß immer mehr und mehr für ein unbefangenes Betrachten der Menschennatur klar werden.
Nun gibt es eigentlich eine Erscheinung, oder sagen wir einen Er­scheinungskomplex, der viel charakteristischer ist für das Seelenleben als die Abstraktion Denken, Fühlen und Wollen. Die Abstraktion Denken, Fühlen, Wollen ist, wie gesagt, gut, aber um lebendig das Seelenleben kennenzulernen, tut man besser, wenn man nicht gleich ausgeht von Denken, Fühlen und Wollen, sondern wenn man etwas, was im Seelenleben eigentlich ganz durchgeht, zunächst ins Auge faßt als eine viel primärere Offenbarung des Seelenlebens, nämlich, daß die­ses Seelenleben immer lebt abwechselnd in Sympathien und Antipathien,

We kunnen eenvoudigweg de alledaagse indeling die men gewoonlijk gebruikt, in denken, voelen en willen als de indeling van het zielenleven beschouwen. Maar je begrijpt het zielenleven maar slecht, wanneer je deze indeling die zeer zeker gerechtvaardigd is, op de voorgrond plaatst. U weet dat de indeling van het menselijk zielenleven veelvuldig in de psychologieën terugkeert als denken, voelen en willen. Maar dat een werkelijke waarneming van het zielenleven daardoor eigenlijk toch niet bereikt wordt, dat moet voor een onbevangen waarnemen van de mensennatuur, steeds meer duidelijk worden.
Nu is er eigenlijk een verschijnsel of laten we zeggen een complex van verschijnselen dat veel karakteristieker voor het zielenleven is dan de abstractie denken, voelen en willen. De abstractie denken, voelen, willen is – zoals gezegd – goed, maar om het zielenleven levendig te leren kennen, doe je er beter aan om niet meteen uit te gaan van denken, voelen en willen, maar wanneer je eerst let op iets wat het zielenleven eigenlijk helemaal doortrékt als een veel meer primaire uiting van het zielenleven, namelijk dat dit zielenleven steeds leeft in de afwisseling van sympathie en

blz. 38

in Lieben und Hassen. Wir merken nur gewöhnlich nicht, wie das Seelenleben hin- und herpendelt zwischen Lieben und Hassen, zwi­schen Sympathien und Antipathien. Wir merken es aus dem Grunde nicht, weil wir ja gewisse Vorgänge des Seelenlebens gar nicht in der richtigen Weise taxieren.
Sehen Sie, der Mensch urteilt. Das Urteil ist entweder ein bejahendes oder ein verneinendes. Ich sage: Der Baum ist grün. Ich verbinde die zwei Vorstellungen Baum und grün, ich verbinde sie in positiver Weise. Ich sage: Du bist gestern nicht bei mir gewesen. Ich verbinde zwei Vor­stellungen respektive Vorstellungskomplexe in negativer Weise. Auch einem solchen Urteile liegt zuletzt für das Seelenleben etwas von Sym­pathie und Antipathie zugrunde. Das bejahende Urteil wird immer mit Sympathie erlebt, das verneinende Urteil wird immer mit Anti­pathie erlebt. Nicht als ob die Richtigkeit des Urteils auf der Sym­pathie und Antipathie beruhte, aber erlebt wird die Richtigkeit des Urteils durch Sympathie und Antipathie. Und wir können sagen: ein drittes zwischen beiden, zwischen Sympathie und Antipathie ist ja auch deutlich vorhanden. Das ist, wenn der Mensch die Entscheidung tref­fen soll zwischen Sympathie und Antipathie.

antipathie; in liefhebben en haten. We merken gewoonlijk niet hoe het zielenleven heen en weer pendelt tussen liefhebben en haten, tussen sympathieën en antipathieën. We merken het niet, omdat wij bepaalde processen van het zielenleven helemaal niet op de juiste wijze taxeren.
Kijk, een mens oordeelt. Het oordeel is of bevestigend of ontkennend. Ik zeg: ‘De boom is groen.’ Ik verbind de twee voorstellingen boom en groen, ik verbind die op een positieve manier. Ik zeg: ‘Jij bent gisteren niet bij mij geweest.’ Ik verbind twee voorstellingen, respectievelijk twee voorstellingscomplexen op een negatieve manier. Ook aan zo’n oordeel ligt uiteindelijk voor het zielenleven iets van sympathie en antipathie ten grondslag. Het bevestigende oordeel wordt altijd met sympathie beleefd, het ontkennende oordeel wordt met antipathie beleefd. Niet als zou de juistheid van het oordeel op sympathie en antipathie berusten, maar beleefd wordt de juistheid van het oordeel door sympahtie en antipathie. En we kunnen zeggen: een derde element tussen die twee, tussen sympathie en antipathie is ook duidelijk aanwezig. Dat is wanneer de mens een beslissing moet nemen tussen sympathie en antipathie.

Wir haben ja nicht bloß im Seelenleben Sympathie und Antipathie, wir haben deutlich ein skeptisches Hin- und Herpendeln zwischen beiden, das auch ein posi­tiver Zustand ist. So finden wir auch da nicht so geschieden wie beim Leibe, weil wir es mit einem Prozeß zu tun haben und nicht mit unter­scheidbaren Gliedern, aber doch auch das Seelenleben gegliedert in Sympathien und Antipathien und was zwischen beiden ist.
Deutlicher aber tritt uns die Gliederung wieder auf, wenn wir das Geistige im Menschen betrachten, das ja von der neueren Psychologie in ganz entschiedener Weise immer zusammengeworfen wird mit dem Seelischen. Aber wir werden sehen, daß man eine wirkliche plastische Einsicht in das Wesen des Menschen nur gewinnen kann, wenn man in die Lage kommt, diese drei Gesichtspunkte der menschlichen Wesen­heit auseinanderzuhalten: das Leibliche, das da besteht im Nerven-Sinnes-Prozesse, im Zirkulationsprozesse, im Stoffwechselprozesse; das Seelische, das da besteht in den Erlebnissen von Antipathie und Sym­pathie und dem Hin- und Herpendeln zwischen beiden; und das Gei­stige, das nun auch uns ganz entschieden dreigliedrig entgegentritt. Auch das Geistige des Menschen tritt uns dreigliedrig entgegen, und zwar in drei deutlich voneinander geschiedenen Zuständen. Beim geistigen

We hebben in het zielenleven niet alleen maar sympathie en antipathie, we hebben duidelijk een sceptisch heen en weer pendelen tussen beide, wat ook een positieve toestand is. Zo vinden we daar ook niet zo’n scheiding zoals bij het lichaam, omdat we met een proces te maken hebben en niet met te onderscheiden delen, toch ook wel het zielenleven gedeeld in sympathieën en antipathieën en wat daar tussen ligt.
Duidelijker echter vertoont zich de deling weer, wanneer we de geest van de mens bekijken die dus door de nieuwere psychologie op een heel besliste manier steeds weer op één hoop gegooid wordt met de ziel. Maar we zullen zien dat je een werkelijk plastisch inzicht in het wezen van de mens alleen maar krijgt wanneer je in staat bent, deze drie gezichtspunten van het mensenwezen uit elkaar te houden: het lichamelijke dat dan bestaat uit zenuw-zintuigprocessen, uit het circulatieproeces, uit het stofwisselingsproces; de ziel die dus bestaat uit de belevingen van antipathie en sympathie en het heen en weerpendelen tussen die twee; en de geest die we ook heel duidelijk als drieledig aan ons zien verschijnen. Ook de geest van de mens verschijnt drieledig aan ons en wel in drie duidelijk van elkaar gescheiden toestanden.

blz. 39

Erleben des Menschen haben wir deutlich zu unterscheiden zwi­schen dem wachen Erleben, das wir alle kennen als einen Zustand unse­res Geisteslebens, der uns vom Aufwachen bis zum Einschlafen eigen ist, und dann haben wir einen anderen Zustand unseres Geisteslebens vom Einschlafen bis zum Aufwachen, das Schlafesleben. Und wir haben das dritte zwischen beiden, das wir in dem Momente des Aufwachens kennenlernen, das Traumesleben. Wachen, Träumen, Schlafen, das sind die drei Glieder des Geisteslebens. Wachen, Träumen, Schlafen. Nur muß man nicht bloß die triviale Vorstellung verbinden mit Wachen, Träumen und Schlafen, um zu einer wirklichen Erkenntnis des Geistes­lebens vorzudringen, sondern man muß sich klar darüber sein, daß man sich Beobachtungssinn aneignen muß für die Art, wie sich der schlafende Geisteszustand zunächst auslebt. Da sehen wir ja, daß uns der Schlaf einmal entgegentritt dadurch, daß der Mensch bewegungslos wird, daß er unempfindlich wird für Sinneseindrücke und so weiter; aber wenn wir versuchen, zunächst einen anderen Gesichtspunkt geltend zu machen – wir könnten viele andere Gesichtspunkte geltend machen-, können wir uns ja auch dem, was für unser Leben Schlaf ist, in der folgenden Weise nähern.

Bij het geestelijk leven van de mens moeten we duidelijk onderscheid maken tussen het wakkere leven, dat we allemaal kennen als een toestand van ons geestesleven die ons van wakker worden tot inslapen eigen is en dan hebben we een andere toestand van ons geestesleven van het inslapen tot het wakker worden, het slaapleven. En we hebben het derde daartussenin, wat we op het ogenblik van wakker worden leren kennen; het droomleven. Wakker, dromen, slapen, dat zijn de drie delen van het geestesleven. Waken, slapen, dromen. Alleen moet je niet de alledaagse voorstelling verbinden met waken, dromen en slapen, wil je tot een werkelijke kennis van het geestesleven komen, echter, het moet duidelijk voor je zijn dat je een waarnemingszintuig moet ontwikkelen voor de manier waarop de slapende geestelijke toestand zich allereerst uit. We zien dat we met de slaap te maken hebben, wanneer de mens geen bewegingen meer maakt, dat hij niet meer open staat voor zintuigindrukken enz., maar als we proberen eerst een ander gezichtspunt te laten gelden – kunnen we wat voor ons leven de slaap is, op de volgende manier benaderen.

Man glaubt gewöhnlich, daß wir, wenn wir zurückschauen auf unser Leben, auf einen geschlossenen Strom blicken. Wir setzen ja eigentlich unsere Rückerinnerungen wie in einer geschlossenen Strömung zusam­men; das ist hingegen ein Irrtum. Sie erinnern sich an dasjenige, was Sie heute seit dem Aufwachen erlebt haben. Davor liegt die Zeit, wo Sie mit schlafendem Bewußtsein waren; da ist die Strömung der Er­innerung unterbrochen durch die ganze Schlafesdauer. Dann kommt wiederum das Tagesleben, dann kommt wiederum Schlafesdauer. Das­jenige also, was wir als einen einheitlichen Strom rückwärts so im Be­wußtsein haben, das ist eigentlich immer unterbrochen von den Schlaf-zuständen. Und sehen Sie, das hat eine gewisse Bedeutung. Schon für das Bewußtsein selber hat es eine gewisse Bedeutung. Man kann ge­radezu sagen: Wir sind manchmal darauf eingerichtet, geradezu darauf eingestellt, da, wo etwas fehlt, das Fehlende so sehr wahrzunehmen als das Ausfüllende; nur machen wir uns das nicht immer klar. Wenn ich Ihnen hier auf die Tafel eine weiße Fläche zeichnen würde, so, daß ich immer schwarze Kreischen ausspare, so würden Sie hinschauen auf die weiße Fläche, aber eigentlich die weiße Fläche weniger beachten als das, wo nichts ist, wo die schwarzen Pünktchen sind, die ich nur ausgespart

Men gelooft gewoonlijk dat wij, wanneer we terugkijken op ons leven, wij op een aaneengesloten stroom terugblikken. We nemen eigenlijk onze herinneringen als een aan elkaar verbonden stroom; dat is daarentegen een vergissing. U herinnert zich aan wat u vandaag, sinds het wakker worden, beleefd hebt. Daarvóór bevindt zich de tijd waarin u een slapend bewustzijn had; daar wordt de opeenvolging van de herinneringen onderbroken door de totale duur van de slaap. Dan komt het dagelijks leven weer, dan komt weer de tijd van de slaap. Wat we dus terugziend als één stroom in ons bewustzijn hebben, is eigenlijk steeds onderbroken door de toestand van het slapen. En dat heeft een bepaalde betekenis. Je kan wel zeggen: we zijn er dikwijls op ingesteld, juist erop ingesteld om waar iets ontbreekt, wat er ontbreekt net zo waar te nemen als wat er is; maar we weten dat niet altijd duidelijk. Wanneer ik hier op het bord een wit vlak teken, zodanig dat ik steeds zwarte cirkeltjes uitspaar. dan zou u naar het witte vlak kijken, maar eigenlijk minder op het witte vlak letten dan waar er niets is, waar de zwarte puntjes zijn die ik alleen uitgespaard heb,

blz. 40

habe, wo ich nichts hingezeichnet habe. Wir sehen, wenn wir zum Bei­spiel eine Selterswasserflasche haben, wir sehen auch da gewissermaßen das Wasser, das das Dichtere ist, nicht gegenüber den kleinen Blasen, Luftblasen, die drinnen sind, den Kohlensäureblasen. Wir sehen also dasjenige, was nicht da ist, in dem Wasser drinnen. Und so empfin­den wir, indem wir rückwärts empfinden, eigentlich nicht unsere Er­lebnisse; die überschauen wir ja gewiß, wie wir hier das Weiße über­schauen; aber unmittelbar wahrnehmen tun wir etwas anderes. Und was wir unmittelbar wahrnehmen, das erfordert, daß man sich dar-über recht genau unterrichtet. Darauf kommt man nur, wenn man nun wirklich versucht, wahrzunehmen, worauf eigentlich unser Ich-Gefühl beruht. Allmählich – und ich werde Ihnen die Erscheinungen, die dazu führen, in den folgenden Vorträgen sorgfältig aufzählen – kommt man dazu, zu bemerken, daß diese Wahrnehmung der ausgesparten Schlafzustände eigentlich unser Ich-Gefühl vermittelt, daß wir unser Ich-Gefühl zerstören, indem wir nicht ordentlich schlafen. Das ist schon eine Folge davon, daß eingestreut sein muß in unserer Rückerinnerung diese Unterbrechung durch den Schlaf, damit wir zu einem geordneten Ich-Gefühl kommen.

waar ik niets heb getekend. We zien, wanneer we bijv. een een flesje spuitwater hebben, ook hier het water, dat de dichtere substantie is, niet in relatie met de kleine belletjes, de luchtbellen die erin zitten, de koolzuurbubbels. Wij zien dus in het water, wat er niet is. En zo ervaren we, wanneer we teruggaan in de ervaringen, eigenlijk niet onze belevenissen; die overzien we wel, zoals we hier het witte overzien; maar direct waarnemen doen we iets anders. En wat we direct waarnemen, dat vereist dat je je daar goed rekenschap van geeft. Daar kom je alleen op, wanneer je nu werkelijk probeert, waar te nemen, waarop eigenlijk ons Ik-gevoel berust. Langzamerhand – en ik zal u de fenomenen die daartoe leiden, in de volgende voordrachten zorgvuldig  noemen – kom je ertoe te bemerken dat deze waarnemening van de uitgespaarde slaaptoestand eigenlijk ons Ik-gevoel tot stand brengt, dat we ons Ik-gevoel verstoren, wanneer we niet goed slapen. Dat is al een gevolg van het feit dat in onze herinnering de onderbreking door de slaap ingevoegd moet zijn.

Und studieren Sie – wie gesagt, einzelnes werde ich noch erwähnen -, studieren Sie im Zusammenhange jene Störungen, die durch ein ungeordnetes Schlafleben im Ich-Gefühle auftreten, dann werden Sie es, ich möchte sagen, mit Händen greifen können, daß das Ich-Gefühl beruht auf diesen Aussparungen im Bewußtsein, auf diesen Lücken, die da im Ich-Gefühl auftreten. Ich sage nicht, die Ich-Vorstellung, ich sage: im Ich-Gefühl.
Nun, im Menschen lebt nicht allein das, was wir den Inhalt des Wachbewußtseins nennen können, sondern auch das Schlafesleben hat einen unmittelbaren Anteil an dem, was im Menschen lebt, es hat sogar einen noch viel größeren Anteil. Wer wirklich die menschliche Subjek­tivität beobachten kann, der findet, wenn er so richtig den Wach-zustand sich zum Bewußtsein bringt, daß dieser Wachzustand eigent­lich nur im Vorstellen faktisch vorhanden ist. Wir können unmöglich denselben Grad des Wachzustandes in dem menschlichen Fühlen suchen. Das menschliche Fühlen ist unmittelbar durchaus nicht in derselben Weise in unserem Bewußtsein vorhanden wie das menschliche Vorstel­len. Das Fühlen hat vielmehr zu unserem Bewußtsein keine andere Be­ziehung als das Traumesleben. So sonderbar das klingt, so muß eben doch derjenige, der nun wirklich imstande ist, sich den Unterschied des

En bestudeer je – zoals gezegd – details zal ik nog geven – bestudeer je in samenhang met die stoornissen die door een onvoldoende slaapleven in het Ik-gevoel optreden, dan heb je binnen handbereik, dat het Ik-gevoel berust op deze uitsparingen in het bewustzijn, op die open plekken die in het Ik-gevoel optreden. Ik zeg niet de Ik-voorstelling, ik zeg: in het Ik-gevoel.
Welnu, in de mens leeft niet alleen wat we de inoud van zijn waakbewustzijn kunnen noemen, maar ook het slaapleven heeft een direct aandeel in wat er in de mens leeft; dat heeft zelfs nog een veel groter aandeel. Wie daadwerkelijk de menselijke subjectiviteit kan waarnemen, vindt wanneer hij de waaktoestand zich goed tot bewustzijn brengt, dat deze waaktoestand eigenlijk in feite alleen maar in het voorstellen aanwezig is. We kunnen onmogelijk dezelfde graad van waaktoestand in het menselijke voelen opzoeken. Het menselijke voelen is zeer zeker niet direct op dezelfde manier in ons bewustzijn aanwezig als het menselijke voorstellen. Het voelen heeft tot ons bewustzijn geen andere relatie dan die van het droomleven. Hoe wonderlijk dit ook klinkt, degene die werkelijk in staat is, zich duidelijk te maken wat het verschil is

blz. 41

Vorstellens und des Fühlens rein als Bewußtseinsphänomen klarzu­machen, er muß darauf kommen, daß dieselbe Art des Erlebens vor­liegt, wenn wir die Träume, die im Bewußtsein sind, wahrnehmen, wie beim Fühlen. Wir werden darüber noch genauer sprechen, heute wollen wir die Sache zunächst skizzieren.
Dann ist aber dieselbe Art des Erlebens, die im bewußtlosen Schlaf-zustande im traumlosen Schlafe da ist, eigentlich beim Wollen da. Sie brauchen sich nur einmal zu überlegen: Sie heben Ihre Hand, Sie heben den Arm, und Sie haben ein Willensergebnis. Sie nehmen das Willens-ergebnis wahr. Der Willensimpuls, der unmittelbare geistige Impuls, der hat zu tun mit dem Stoffwechsel. Den ganzen inneren Vorgang, der sich abspielt zwischen dem Willensimpuls und dem Stoffwechsel, durchschauen Sie genau genommen ebensowenig, wie Sie dasjenige be­wußt erleben, was vorgeht mit Ihnen, wenn Sie im bewußtlosen, im traumlosen Schlafe sind. Ganz gleichwertig sind die Bewußtseinserleb­nisse der eigentlichen Willensvorgänge und die traumlosen Schlaf-vorgänge. Gleichartig sind die Vorgänge des Gefühlslebens und die Traumvorgänge. Denn das wirklich wache Leben besteht eigentlich nur im Vorstellungsleben

tussen voorstellen en voelen puur als bewustzijnsfenomeen, moet er opkomen dat dezelfde manier van beleven aanwezig is, wanneer we de dromen die in het bewustzijn zijn, waarnemen, zoals bij het voelen. We zullen daarover nog preciezer spreken, vandaag willen we de dingen alleen maar schetsen.
Dan is echter dezelfde manier van beleven die in de bewusteloze slaaptoestand in de droomloze slaap zit, er eigenlijk bij het willen. Je hoeft het maar even bij jezelf na te gaan: je tilt je hand, je arm op en je hebt het resultaat van de wil. Je neemt het resultaat van de wil waar. De wilsimpuls, de directe geestelijke impuls heeft met de stofwisseling te maken. Het hele inwendige proces dat zich afspeelt tussen de wilsimpuls en de stofwisseling doorzie je precies genomen, net zo min als wat je bewust beleeft van wat er met je gebeurt wanneer je in een bewusteloze, in droomloze slaapt verkeert. Volkomen gelijkwaardig zijn de bewustzijnsbelevenissen van de eigenlijke wilsprocessen en de processen bij de droomloze slaap.  Gelijkwaardig zijn de processen van het gevoelsleven en die van het dromen. Want het werkelijk wakkere leven is eigenlijk alleen maar in het voorstellingsleven aanwezig.

So daß wir nicht bloß schlafen, wenn wir in dem Zustande sind zwischen Einschlafen und Aufwachen, sondern wir schlafen partiell auch wenn wir wach sind; denn wir wachen nur in bezug auf unser Vorstellungsleben, wir träumen in bezug auf unser Gefühlsleben, wir schlafen in bezug auf unser Willensleben.
Sagen Sie nicht, da müßte das Willensleben unbewußt bleiben. Nein, es bleibt eben nicht unbewußt. Wenn ich hier eine weiße Fläche hätte mit vier ausgesparten, schwarzen Kreisen, so würde ich da, wo nichts ist, wo ausgespart wurde, gerade so etwas wahrnehmen, wie ich in meinem Bewußtsein auch die ausgesparten Inhalte, die Willensinhalte, die eigentlich im wachen Tagesleben verschlafen werden, wahrnehme.
Und jetzt denken Sie, sieht man nun plastisch auf den Menschen hin, so sieht man eigentlich in ihm ein Zusammenspielen deutlich voneinan­der geschiedener Verhältnisse, drei Geisteszustände. In seinem Vor­stellen ist tätig der wache Geist; in seinem Fühlen ist tätig der träu­mende Geist; in seinem Wollen ist tätig der schlafende Geist. Wir müs­sen nicht nur Wachen und Schlafen voneinander unterscheiden lernen in ihren Wechselzuständen Tag und Nacht, sondern wir müssen Wa­chen und Schlafen auch voneinander unterscheiden lernen im wachen-den Menschen, wie sie ineinander spielen. Diese Sache hat eine sehr

Zodat we niet alleen slapen, wanneer we in de situatie verkeren tussen inslapen en wakker worden, maar we slapen gedeeltelijk ook wanneer we wakker zijn; want we zijn alleen wakker wat ons voorstellingsleven betreft, we dromen wat ons gevoelsleven betreft, we slapen wat ons wilsleven betreft.
Zeg nu niet dat het wilsleven dus onbewust moet blijven. Nee, dat blijft niet onbewust. Wanneer ik hier een wit vlak zou hebben met vier uitgespaarde zwarte cirkels, dan zou ik hier, waar niets is, waar uitgespaard is, net zo iets waarnemen, zoals ik in mijn bewustzijn ook de uitgespaarde inhoud, de wilsinhoud die eigenlijk in het wakkere dagleven verslapen wordt, waarneem.
Bedenk dus, wanneer je plastisch naar de mens kijkt, dat je eigenlijk in hem een samenspel ziet van duidelijk van elkaar gescheiden verhoudingen, drie geestestoestanden. In zijn voorstellen is de wakkere geest werkzaam; in zijn voelen is de dromende geest werkzaam; in zijn willen is de slapende geest werkzaam. We moeten wakkerzijn en slapen niet alleen leren onderscheiden bij de afwisseling van dag en nacht, maar we moeten wakkerzijn en slapen ook van elkaar leren onderscheiden in de wakkere mens, hoe die in elkaar grijpen. Deze zaak heeft een zeer

blz. 42

praktische Bedeutung gerade für die Pädagogik, eine sehr, sehr prak­tische Bedeutung. Wir müssen fragen: Wie lerne ich entsprechend eigentlich das Wechselspiel von Willen und Vorstellen kennen, und wie lerne ich damit am besten, wie ich das Kind vom sechsten, siebenten Jahre an, wo ich besonders zu beachten habe dieses Zusammenspiel von Vorstellen und Wollen, am besten zu behandeln habe. Die Antwort lautet: Indem ich das Zusammenspiel von Wollen und Vorstellen an dem anderen Phänomen beobachte, an dem es in handgreiflicher Weise, in augenscheinlicher Weise auftritt, an dem Wachen und Schlafen. Studiere ich das Wachen und Schlafen, so habe ich etwas, womit ich Wollen und Vorstellen vergleichen kann.
Dieses muß im Anfange dieses Kursus aus dem Grunde erwähnt werden, weil durch Geisteswissenschaft unsere Psychologie erst einen wirklichen realen Inhalt erhält. Nehmen Sie heute psychologische Lehr­bücher in die Hand, Sie finden Definitionen von Wollen, Definitionen von Denken – aber das bleiben mehr oder weniger Wortdefinitionen. Man muß diese Dinge real kennenlernen. Real lernt man die Dinge aber nur kennen, wenn man sie in der Welt wirklich aufeinander be­ziehen kann, wenn man zum Beispiel das Verhältnis von Wachen und Schlafen studieren kann, wie wir es tun werden, und wenn man damit zu gleicher Zeit ein Streiflicht wesentlicher Art auf das Verhältnis von Vorstellen und Wollen wirft. 

praktische betekenis, met name voor de pedagogiek een zeer praktische betekenis. We moeten ons de vraag stellen: hoe leer ik adequaat de afwisseling van willen en voorstellen kennen en hoe leer ik daarmee het best, hoe ik met het kind vanaf zijn zesde, zevende jaar, wanneer ik in het bijzonder op dit samenspel van voorstellen en willen moet letten, moet omgaan. Het antwoord is: wanneer ik het samenspel van willen en voorstellen aan het andere fenomeen waarneem, waarbij het meer voor de hand ligt, waarbij het duidelijk aanwezig is, aan het wakkerzijn en slapen. Als ik het wakkerzijn en slapen bestudeer, heb ik iets waarmee ik willen en voorstellen vergelijken kan.
Dit moet aan het begin van deze cursus gezegd worden , omdat door geesteswetenschap onze psychologie pas zijn werkelijk reële inhoud krijgt. Pak de huidige psychologieboeken, je vindt definities van willen, definities van denken – maar dat blijven min of meer woorddefinities.
Je moet deze dingen werkelijk leren kennen. Maar ze werkelijk leren kennen doe je alleen wanneer je ze in de wereld daadwerkelijk op elkaar betrekken kan, wanneer je bijv. de verhouding tussen wakkerzijn en slapen kan bestuderen, zoals wij het zullen doen en wanneer je daarmee tegelijkertijd op een wezenlijke manier licht werpt op de verhouding voorstellen-willen.

Dann dringt man ein in die wirkliche Welt. Das möchte eben Geisteswissenschaft tun. Diese betrachtet das geistige Leben wirklich nicht bloß aus irgendeinem subjektiven Be­dürfnis heraus, weil das was Schönes ist für manche Leute, die sonst nicht viel zu tun haben, die eventuell, statt daß sie ihre anderen Kaffee­klatsch-Inhalte suchen, einmal auch den Kaffeeklatsch-Inhalt suchen: der Mensch besteht aus physischem Leib, Ätherleib, astralischem Leib und Ich. Es ist dies ja vielfach der Gesinnung der Menschen nach bloß ein Kaffeeklatsch. Aber es handelt sich darum, daß das nicht im Sek-tiererischen des Kaffeeklatsches steckenbleiben darf, sondern daß das­jenige, was durch Geisteswissenschaft in der Erkenntnis des Geistes geleistet wird, in Wahrheit dazu berufen ist, in das menschliche Leben wiederum so hineinzuleuchten, daß wir dieses menschliche Leben sei­ner praktischen Wirklichkeit nach behandeln lernen, während wir ver­lernt haben, es seiner praktischen Wirklichkeit nach zu behandeln. Und das Ergebnis dieses Verlernens ist ja das Chaos von Europa, sind doch die absurden Ereignisse der letzten fünf bis sechs Jahre. Es ist ein Zusammenhang

Dan dring je door in de werkelijke wereld. Dat wil geesteswetenschap. Die bekijkt het geestesleven echt niet alleen maar vanuit een of andere subjectieve behoefte, omdat dit voor sommige mensen die anders niet veel te doen hebben, iets leuks is, die eventueel, in plaats van dat ze hun andere koffieleutgesprekken zoeken, ook een keer de koffieleutinhoud zoeken: de mens bestaat uit fysiek lichaam, etherlijf, astraallijf en Ik. Dat is vaak de stemming van de mensen bij het koffiegeleuter. Maar het gaat erom dat dit niet in het sektarisch koffiegeleuter mag blijven steken, maar dat wat door geesteswetenschap voor de kennis van de geest gedaan wordt, er waarlijk toe geroepen wordt weer zo’n licht te brengen dat wij dit menselijk leven wat de praktische werkelijkheid betreft, leren verzorgen, omdat we dit verleerd zijn. Het resultaat daarvan is de chaos van Europa, het zijn de absurde gevolgen in de laatste vijf à zes jaar. Er is

blz. 43

zwischen dem Verlernen des eigentlichen realen Inhaltes der Welt und zwischen der Not unserer Zivilisation. Diejenigen, die glauben, man könne bei der alten Gesinnung verbleiben, die irren sich gar sehr. Insbesondere da, wo man am meisten an die Zukunft der Menschheit zu denken hat, weil man es mit dem zukünftigen Menschen zu tun hat, auf dem Gebiete der Pädagogik, da sollte zuerst gedacht werden an die Kräfte, die es uns möglich machen, daß wir der zu­künftigen Generation etwas anderes mitgeben, als was diese Genera­tion bekommen hat, die jetzt diese furchtbaren Zustände unserer Zivilisation herbeigeführt hat.
Da eröffnet sich schon der Blick, ich möchte sagen, von dem ein-geschlossenen, aber eigentlich für die Entwickelung der Menschheit heiligen Schulland hinaus in die ganze große Entwickelung der Menschheit.

een samenhang tussen dit verleren van de eigenlijke reële inhoud van de wereld en de ellende van onze beschaving. Degenen die geloven dat ze bij de oude toestand kunnen blijven stilstaan, vergissen zich heel erg. In het bijzonder waar we het meest aan de toekomst van de mensheid moeten denken, omdat het te maken heeft met de toekomstige mens; op het gebied van de pedagogiek moet allereerst gedacht worden aan die krachten die het ons mogelijk maken dat we de toekomstige generatie iets anders meegeven, dan wat deze generatie gekregen heeft, wat nu die vreselijke toestanden van onze beschaving gebracht heeft.
Dat opent al de blik – wil ik zeggen – van de besloten, maar eigenlijk voor de ontwikkeling van de mensheid heilige schoolgrond naar de heel grote ontwikkeling van de mensheid.
.

[1] GA 301: Die Erneuerung der pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft

[2] 2e voordracht (Duits)

.

Voor een nadere uiteenzetting, uitleg e.d. van de door Steiner gehanteerde begrippen, o.a. vierledige mens; denken, voelen, willen; Körper/Leib = lichaam-lijf; wakker-dromen-slapen enz.: zie Antroposofie een inspiratie
.

Rudolf Steiner over pedagogie

Rudolf Steiner: alle artikelen

.

1272-1187

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 301- voordracht 1

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

GA 301: vertaling
inhoudsopgave;     voordracht:    [2]  [3]  [4]  [5]  [6]  [7]  [8]  [9]  [10]  [11]   [12]  [13]  [14]

RUDOLF STEINER:

DE VERNIEUWING VAN DE PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE KUNST DOOR GEESTESWETENSCHAP

14 voordrachten gehouden te Bazel van 20 april tot en met 11 mei 1920, met vragenbeantwoording en inleidende woorden bij twee euritmieopvoeringen [1]

1e voordracht Basel, 20 april 1920 [2]

Inhoudsopgave:
Inleiding: geesteswetenschap en moderne pedagogie;
Herbart;
ondanks voortreffelijke pedagogische principes sociale chaos;
door geesteswetenschap kan de pedagogie kunst worden;
grenzen aan de antropologische zienswijze;
ziel en lichaam; denken, voelen en willen;
fasen in de kinderontwikkeling: melktanden, tandenwisseling, geslachtsrijpheid; metamorfose van krachten;
betekenis van autoriteit;
spraak en wilsvorming;
wil en voorstelling als levende krachten;
in plaats van abstracties levert geesteswetenschap waarneming van de menselijke wording.

Einleitung

blz. 9

Meine sehr verehrten Anwesenden!
Für die Veranstaltung habe ich den Herren Veranstaltern wirklich herzlich zu danken. Sie können sich ja denken, daß derjenige, der sein ganzes Sein einsetzt für die Verbreitung der sogenannten Geisteswissenschaft, auch mit einer ge­wissen Begeisterung an dieser Geisteswissenschaft hängen und den Glauben haben muß, daß diese Geisteswissenschaft innerhalb der uni­versellen Bildung und der ganzen Zivilisation unserer Zeit eine be­stimmte Rolle zu spielen hat. Daß dieser pädagogische Kursus zu­stande kommt, erscheint mir eine ganz besonders dankenswerte Tat­sache, denn gerade an dem Erziehungswesen wird sich vielleicht die Geisteswissenschaft am besten und am ehesten erforschen lassen. An dem Erziehungswesen wird sich auch zeigen können, wie wenig diese Geisteswissenschaft die Angelegenheit einiger Schwärmer und Träu­mer oder irgendeiner Sekte ist, sondern wie sie etwas sein will, womit der gesamten Menschheit eine Art von Anleitung an die Hand gege­ben wird.

inleiding

Zeer geachte aanwezigen!
Voor de organisatie moet ik de heren organisatoren werkelijk hartelijk bedanken. U kunt zich wel indenken, dat degene die zijn hele wezen inzet voor het bekend maken van de zogeheten geesteswetenschap er ook met een zeker enthousiasme aan gehecht moet zijn en erin moet geloven dat deze geesteswetenschap binnen de universele vorming en de hele beschaving van onze tijd een bepaalde rol heeft te vervullen. Dat deze pedagogische cursus tot stand komt, is voor mij een feit om bijzonder dankbaar voor te zijn, want juist bij de pedagogiek zal de geesteswetenschap het beste en het eerste onderzocht kunnen worden. Bij de pedagogiek zal zij ook kunnen laten zien, hoe weinig deze geesteswetenschap de aangelegenheid is van dwepers en dromers of op de een of andere manier een sekte is, maar dat ze iets wil zijn, waarmee de hele mensheid een soort leidraad ter hand gesteld wordt.

Daher, ich darf es wohl mit diesen kurzen Worten ausspre­chen, bin ich wirklich herzlich dankbar denen, welche diese Vorträge veranstaltet haben, und ich danke auch Ihnen, die Sie sie besuchen wollen und hoffe, daß wir uns im Laufe der nächsten Tage über wich­tige Angelegenheiten der Menschheit werden unterhalten können.
Im heutigen Vortrag werde ich mir erlauben, eine Art von Ein­leitung, einen Hinweis zu geben auf die Richtung, welche das Thema, das ich mir vorgesetzt habe, nehmen wird. Nun bitte ich Sie, aus der Formulierung meines Themas durchaus nicht etwa den Schluß ziehen zu wollen, daß ich, wie irgendein unvernünftiger Radikaler es vielleicht tun würde, durch diese Themaformulierung etwa habe andeuten wol­len, daß die Erziehungswissenschaft, so wie sie sich namentlich im Laufe des 19. Jahrhunderts und bis in unsere Tage herausgebildet hat, nichts tauge, und daß sie auf Geisteswissenschaft gewartet habe, um

Daarom, ik mag het wel met deze korte woorden uitspreken, ben ik daadwerkelijk de mensen dankbaar die deze voordrachten georganiseerd hebben en ik dank ook u, omdat u ze wil bijwonen en ik hoop dat we elkaar in de loop van de komende dagen over belangrijke zaken die de mensheid betreffen, kunnen spreken.
In de voordracht van vandaag neem ik de vrijheid een soort inleiding, een aanwijzing te geven in de richting van het thema dat ik gekozen heb. Nu verzoek ik u uit de omschrijving van mijn thema beslist niet de conclusie te willen trekken dat ik met dit thema zoiets heb willen aanduiden als dat de opvoedkundige wetenschap, zoals die zich in de loop van de 19e eeuw tot vandaag de dag zich ontwikkeld heeft, niet zou deugen en dat die op geesteswetenschap heeft zitten wachten om

blz. 10

gewissermaßen erst geschaffen zu werden. Dieser Glaube lag ganz ge­wiß der Formulierung des Themas nicht zugrunde. Im Gegenteil, es ist eigentlich eine ganz andere Empfindung als Ausgangspunkt da für dasjenige, auf das ich in diesen Vorträgen aufmerksam machen möchte. Ich glaube durchaus, daß die Erziehungswissenschaft, welche gerade im Laufe des 19. Jahrhunderts so hervorragende Persönlichkeiten zu ihren Vertretern gehabt hat, deren Wirksamkeit ja hereinragt in die pädagogische Betätigung der Gegenwart, daß diese Erziehungswissen­schaft gerade eine gewisse Vollkommenheit erlangen kann. Ich glaube, daß derjenige, der heute aus diesem oder jenem Grunde genötigt ist, sich in den verschiedensten Wissenschaften umzusehen und kennen­zulernen, wie man diese Wissenschaften theoretisch und praktisch ver­tritt, wie sie hineingehen in das Leben, und der dann auch sich mit der Erziehungswissenschaft beschäftigt, daß der eigentlich mit dieser Erzie­hungswissenschaft im Vergleich mit den andern Wissenschaften – so sonderbar das klingen mag, ich möchte es als meine eigene Erfahrung aussprechen – das Urtei. verbinden muß: sie enthält eigentlich, so wie sie heute gestaltet ist, die allersorgfältigsten Grundsätze, manche un­anfechtbaren Formulierungen desjenigen, was eigentlich der Erzie­hungstätigkeit als Prinzip zugrunde liegen müßte, so daß man,

in zekere zin nu pas in het leven te worden geroepen. Deze overtuiging lag zeer zeker niet aan de formulering van het thema ten grondslag. Integendeel, eigenlijk is een heel ander gevoel als uitgangspunt aanwezig, waarop ik in deze voordrachten wil duiden. Ik geloof zeer belsist, dat de opvoedingswetenschap die in de 19e eeuw zulke eminente persoonlijkheden als vertegenwoordigers heeft gehad, van wie de invloed nog tot in het pedagogisch werk van heden reikt, dat deze opvoedingswetenschap juist een zekere perfectie kan bereiken. Ik geloof dat degene die tegenwoordig om een of andere reden verplicht is de meest verschillende wetenschappen te bekijken en te leren kennen hoe men deze wetenschappen theoretisch en praktisch vertegenwoordigt, op de manier waarop ze er in het leven zijn en die zich dan ook met opvoedingswetenschap uiteenzet, dat die met deze wetenschap in vergelijking met de andere – hoe gek dat ook mag klinken, maar ik zou het als mijn eigen ervaring kunnen uitspreken – het oordeel moet verbinden: eigenlijk bevat ze, zoals ze tegenwoordig gestructureerd is, de meest zorgvuldige basisregels, veel niet aanvechtbare formuleringen van wat eigenlijk ten grondslag moet liggen aan dit opvoedkundig werken, zodat men,

wenn man auf das Wollen und auf das urteilsmäßige Durchdringen der Er­ziehungsnotwendigkeiten hinsieht, von dieser pädagogischen Wissen-schaft eigentlich nur den allerbesten Eindruck erhält. Gerade davon möchte ich ausgehen, daß ich durchaus nicht unterschätze, um nur einen zu nennen, die Wirksamkeit eines solchen Geistes, wie es zum Beispiel Herbart ist.
Ich habe selber die Herbartsche Strömung recht intim kennengelernt. Ich bin ja die erste Hälfte meines Lebens in Österreich gewesen, bin in Österreich fast bis zum 30. Lebensjahre herangewachsen; und in Öster­reich war eigentlich die Herbartsche Pädagogik für das gesamte staat­liche Unterrichtswesen, das dazumal Oetzler (?) und andere geordnet hatten, tonangebend geworden. An allen österreichischen Universitäten wirkten für die Pädagogik Herbartianer, so daß mir im Laufe meines Lebens gerade die Herbartsche Pädagogik, ich möchte sagen, in ihren einzelnsten Bestrebungen entgegentrat. Aber auch, wenn ich die Betrachtung ausdehne von der Herbartschen Pädagogik auf andere pädagogische Strömungen, die aus der jüngsten Vergangenheit in die Gegenwart hereinragen, so möchte ich auch sagen: Es ist eigentlich auf

wanneer je naar de impulsen kijkt en naar hoe er geoordeeld wordt bij het doordringen tot de noodzaken van de opvoeding, je van deze pedagogische wetenschap eigenlijk alleen maar de allerbeste indruk krijgt. Ik wil er juist van uitgaan dat ik beslist niet onderwaardeer, om maar een voorbeeld te noemen, wat er van zo’n geest als Herbart uitgaat. Ik heb de stroming die van Herbart* uitging tamelijk van dichtbij leren kennen. Ik ben de eerste helft van mijn leven in Oostenrijk geweest, ik ben bijna tot mijn 30e in Oostenrijk opgegroeid; en in Oostenrijk was eigenlijk voor het hele onderwijsbestel van de staat, dat toentertijd Oezler(?) en anderen ingericht hadden, de pedagogie van Herbart toonaangevend geworden. Aan alle universiteiten werkten voor de pedagogiek aanhangers van Herbart, zodat ik in de loop van mijn leven juist de pedagogiek van Herbart – ik zou willen zeggen – als meest gedetailleerde beweging, tegenkwam. Maar ook, wanneer ik de beschouwing van de pedagogiek van Herbart naar andere pedagogische stromingen nog wat verder voer, die uit het jongste verleden tot op heden doorwerken, zo zou ik ook willen zeggen: Eigenlijk

*Johann Friedrich Herbart, 1776-1841, Philosoph und Pädagoge. Leitete mittels Psychologie aus Anschauungen der Ethik das Ziel der Erziehung ab. «Allgemeine Pädagogik« (1806), «Umriß pädagogischer Vorlesungen« (1835).

blz. 11

den Gebieten des pädagogischen Denkens, Empfindens überall Erfreu­liches zu verzeichnen. Das ist eine Strömung, ich möchte sagen, der wir gegenüberstehen, wenn es sich darum handelt, das Pädagogische als ein wichtigstes Glied unserer ganzen Zivilisation ins Auge zu fassen.
Das andere aber, das ist dieses, daß eigentlich – es war ja immer bis zu einem gewissen Grade der Fall, aber so stark doch nicht, wie heute -das Ganze der pädagogischen Kunst, des pädagogischen Denkens einer weitgehenden Kritik unterworfen wird. Wir sehen, wie von Laien und von Fachleuten wiederum das Pädagogische in einer herben Weise zu­weilen bekrittelt wird, wie es auf der anderen Seite manchmal ge­schickt, manchmal auch nicht besonders geschickt verteidigt wird, so wie es nun einmal sich herausgebildet hat und wie es heute herrschend ist. Wenn wir sehen, was alles gesagt wird von Leuten, die etwa Land­erziehungsheime gründen, und die da von einer völligen Erneuerung des pädagogischen Wesens sprechen, wenn wir dann weiter verfolgen, wie weiteste Kreise an solchen Diskussionen Anteil nehmen, so müssen wir auch sagen:

is er op het gebied van pedagogisch denken, aanvoelen, overal iets verheugends op te tekenen. We staan tegenover een stroming waarbij het erom gaat wat pedagogie is, als een zeer belangrijk deel van onze gehele beschaving te beschouwen.
Het andere echter is dit, dat eigenlijk – dat was altijd wel een beetje het geval, maar niet zo sterk als nu – de hele pedagogische kunst, het denken over pedagogiek aan een vergaande kritiek onderworpen wordt. We zien hoe door leken en door vakmensen  de pedagogiek af en toe opnieuw op een frisse manier bekritiseerd wordt en hoe die enerzijds soms adequaat, anderzijds soms ook niet zo bijzonder handig verdedigd wordt, zoals dat nu eenmaal gaat en gangbaar is. Wanneer we zien wat er allemaal gezegd wordt door mensen die zoiets als instituten op het platte land stichten (Landerziehungskeime) en die daarom van een volledige vernieuwing van de pedagogie spreken, wanneer we dan verder volgen, hoe uit de breedste kringen mensen aan dergelijke discussies deelnemen, moeten we ook wel zeggen:

Indem die Menschen hinschauen auf dasjenige, was eigentlich erreicht wird durch das – ich sage es ganz unverhohlen – groß­artige unserer Erziehungswissenschaft, so können wir wieder manchmal nicht ganz Unrecht der Kritik geben, die sich da geltend macht.
Zwischen diesen beiden Gesichtspunkten steht man eigentlich mit­ten drinnen. Dazu kommt ein anderer, ein viel umfassenderer. Und ich glaube wirklich nicht das Gebiet eines einleitenden Vortrages zu einem pädagogischen Kursus zu überschreiten, wenn ich auf dieses Sonder­bare auch aufmerksam mache.
Wir sind in den letzten fünf bis sechs Jahren, wenn das auch in der Schweiz weniger bemerkbar geworden ist als in den anderen Gebieten Europas, wir sind durch eine schwere Zeit durchgegangen, jedenfalls
– das wird auch jeder Schweizer ohne weiteres zugeben müssen – durch eine solche Zeit, von der sich die Menschen vor zehn Jahren keine Vor­stellung gemacht haben. Man frage sich nur einmal, ob sich die Men­schen vor zehn Jahren hätten träumen lassen, daß über Europa das kommen werde, was nun gekommen ist. Wir dürfen nicht vergessen, was heute, ich möchte sagen, wie ein Niederschlag der furchtbaren Kriegsnot sich ergeben hat: ein Chaos in den sozialen Verhältnissen über einem großen Teil von Europa. Und derjenige täuscht sich, der glaubt, daß dieses Chaos etwa bereits an einem Wendepunkt wäre und daß es nächstens besser wird. Wir stehen in bezug auf diese chaotischen

als de mensen kijken naar wat er in feite bereikt wordt door – ik zeg het zonder er doekjes omheen te winden – het grootse van onze opvoedingswetenschap, dan kunnen we soms weer de kritiek die gegeven wordt, niet helemaal onterecht vinden.
We staan eigenlijk midden tussen deze beide gezichtspunten in. Daarbij komt nog wat anders en dat is veel omvattender. En ik geloof werkelijk niet buiten mijn boekje te gaan, wanneer ik in een inleidende voordracht bij een pedagogische cursus op dit wonderbaarlijke ook de aandacht vestig.
Wij hebben de laatste vijf of zes jaar, ook al merkte men dit in Zwitserland minder dan in andere gebieden van Europa, een zware tijd gehad, in ieder geval – dat zal iedere Zwitser zondermeer moeten toegeven – zo’n tijd waarvan de mensen tien jaar geleden zich geen voorstelling maakten. Vraag maar eens of de mensen tien jaar geleden hadden kunnen bevroeden dat er over Europa zou komen, wat nu plaatsgevonden heeft. We mogen niet vergeten wat nu het ernstige gevolg is van die vreselijke oorlogsnood: chaos in de sociale verhoudingen in een groot deel van Europa. En wie gelooft dat deze chaos nu al op een keerpunt is en dat het hierna beter wordt, vergist zich. We staan wat deze

bl. 12

Verhältnisse im Grunde genommen erst im Anfang. Und da muß man sich dann doch fragen: Liegt es denn wirklich nur an den äußeren Verhältnissen, daß wir in dieses Chaos sozialer europäischer öffent­licher Angelegenheiten hineingekommen sind? Muß man denn nicht bei unbefangener Betrachtung sich sagen: Es kann nicht an den Verhält­nissen liegen, denn die Verhältnisse werden durch die Menschen ge­macht; es muß an den Menschen liegen.
Sieht man genauer zu, so findet man audi sehr bald heraus, wie es an den Menschen liegt; wie es daran liegt, daß heute, in der Zeit, in der man am meisten schreit nach sozialer Gliederung unserer gesellschaft­lichen Verhältnisse, so wenig eigentlich wirklich soziale, sondern zu­meist antisoziale Empfindungen vorhanden sind. Und wirklich, kann man denn umhin, sich zu gestehen, daß dies alles herangezogen worden ist trotz aller Vorzüglichkeit der pädagogischen Grundsätze, trotz alles dessen, was in anerkennenswerter Weise geleistet worden ist und was vom besten Willen beseelt ist? Wir müssen sagen: Trotz allem haben wir nicht vermocht, die Menschheit der neueren Zeit dahin zu bringen, daß der eine dem andern wirklich verständnisvoll gegenüber­stehen kann.

chaotische verhoudigen betreft in wezen pas aan het begin. En dan moet je je toch afvragen: ligt dit dan werkelijk alleen maar aan de uiterlijke verhoudingen, dat wij in deze chaos van sociale Europese publiekelijke aangelegenheden terecht zijn gekomen? Moet je niet zeggen, wanneer je er onbevangen naar kijkt: het kan niet aan de verhoudingen liggen, want de verhoudingen worden door de mens gemaakt; het moet aan de mensen liggen.
Kijk je nauwkeuriger, dan vind je al gauw hoe het aan de mens ligt; hoe het komt dat tegenwoordig, in een tijd waarin het hardst om een sociale verdeling van onze maatschappelijke verhoudingen wordt geroepen, er zo weinig echte sociale, maar meestal antisociale sentimenten aanwezig zijn. En kun je er dan daadwerkelijk omheen toe te geven dat dit alles naderbij gekomen is, ondanks alle voortreffelijke pedagogische basisprincipes, ondanks alles wat op een gerespecteerde manier tot stand is gebracht en door beste wil bezield? We moeten zeggen: ondanks alles zijn we niet in staat gebleken de mensheid van de nieuwere tijd daar te brengen, dat de ene mens met werkelijk begrip de ander ontmoeten kan.

Wir haben eine Zeit heraufziehen sehen, in der wahr­haftig die Menschen nicht gegeizt haben mit dem Lob, daß wir es so herrlich weit gebracht haben. Aber wir haben auch das Sich-selbst-ad­absurdum-Führen dieser Zeit gründlich kennengelernt. Da müßte es denn wenigstens in die Herzen einziehen wie eine Sehnsucht, zu prü­fen, ob denn nicht doch gerade durch diese pädagogische Kunst dieses Geschlecht, das heute sich so in den Haaren liegt in Europa, heran­gezogen worden ist? Dies müßte doch sehr einer näheren Fragestellung unterworfen werden. Und sieht man etwas genauer zu, so findet man da: Es ist gar nicht anders möglich, als mit wirklicher Verehrung zu hängen an den großen Gestalten der Pädagogen des 19. Jahrhunderts, an Herbart, Ziller, Diesterweg, Pestalozzi und so weiter – Ihnen brauche ich ja die einzelnen Namen nicht zu nennen -, aber auf der anderen Seite muß man auch sagen: Ja, wir haben eine mustergültige Erziehungswissenschaft, aber es handelt sich beim Erziehen gerade mehr als sonstwo um noch etwas anderes als um eine vorzügliche Wissenschaft, es handelt sich gerade beim Erziehen darum, daß diese Wissenschaft übergehen kann in eine wirkliche Kunst; daß Pädagogik Kunst werden kann.
Wenn man die Sache einmal, nur um zu verdeutlichen, im Vergleich

We hebben een tijd op zien komen waarin de mensen echt niet zuinig waren met de loftuitingen dat we zo geweldig ver gekomen zijn. Maar we hebben ook leren kennen hoe deze tijd zichzelf ad absurdum heeft gevoerd. Dan moet het tenminste als een verlangen in de harten komen, te onderzoeken of dan toch deze generatie die in Europa elkaar in de haren is gevlogen, niet juist door deze pedagogische kunst opgevoed is. Dit zou toch aan een nader onderzoek onderworpen moeten worden. En kijk je nauwkeuriger, dan vind je: het is echt niet anders mogelijk dan met werkelijke verering de grote pedagogische persoonlijkheden van de 19e eeuw te volgen: Herbart, Ziller*, Diesterweg**, Pestalozzi*** enz. = ik hoef u niet alle namen een voor een te noemen -. maar aan de andere kant moet je toch zeggen: Ja,we hebben een voorbeeldige opvoedingswetenschap, maar het gaat bij de opvoeding juist meer dan ergens anders, om nog wat anders, dan om een voortreffelijke wetenschap, het gaat er bij het opvoeden juist om dat deze wetenschap een werkelijke kunst kan worden; dat pedagogie kunst kan worden.
Wanneer je de zaak eens, alleen maar ter verduidelijking, in vergelijking

  *Tuiskon Ziller, 1817-1882.
**Adolf Diesterweg, 1790-1866. Pädagoge und Schulpolitiker, der der staatlichen und kirchlichen Einflußnahme auf das Schulwesen entgegenwirkte.
***Johann Heinrich Pestalozzi, 1746-1827. Eigentlicher Begründer der Volksschule. Werke: u.a. «Abendstunde eines Einsiedlers«, «Lienhard und Gertrud«. Vgl. auch C. Englert-Faye, «Vom Menschen Johann Heinrich Pestalozzi« (Basel 1967).

blz. 13

mit der Kunst betrachten will, so kann man sagen: Es kann eine vor­zügliche Asthetik geben, vorzügliche Kenntnisse, wie man es in der Musik oder in der Plastik oder Malerei macht, und diese Wissenschaft vom Malen, diese Wissenschaft vom Bildhauern, diese Wissenschaft vom Komponieren, sie kann großartig sein; aber es ist doch etwas an­deres, diese Wissenschaft nun anwenden zu können. Ja, man kann sagen: Derjenige, der sie anwendet, der Bildhauer, der Maler, der Musiker, der hat sogar in der Regel eine rechte Antipathie gegen die Grundsätze, die ausgedacht worden sind. Bei ihm handelt es sich darum, daß diese Grundsätze überhaupt gar nicht ins Vorstellungs­leben übergehen, sondern daß diese Grundsätze in seinen Händen, in seinern ganzen Wesen leben, daß sie in ihm lebendige Gestalt werden können. In der Erziehungswissenschaft liegt die Sache nicht ganz so wie in irgendeiner anderen ästhetischen Wissenschaft. Inder Erziehungs­wissenschaft muß alles bewußter, muß alles viel mehr von Vorstellun­gen durchdrungen sein, als, sagen wir, in der Malerei oder Musik oder Plastik. Aber dennoch, was wir als richtig begreifen im Erziehen, das muß übergehen können in das ganze Wesen unserer Persönlichkeit, wenn wir pädagogische Künstler werden wollen. 

met de kunst wil bekijken, kun je zeggen: je kan een voortreffelijke schoonheidsleer hebben, voortreffelijke kennis over hoe men het in de muziek of bij het beeldhouwen of het schilderen doet en deze wetenschap van het schilderen, deze wetenschap van het beeldhouwen, deze wetenschap van het componeren kan groots zijn; maar iets anders is het toch deze wetenschap te kunnen toepassen. Ja, je kan zeggen: degene die ze toepast, de beeldhouwer, de schilder, de musiscus heeft zelfs in de regel heel wat tegenzin in al die grondregels die er bedacht zijn. Bij hem gaat het erom dat deze basisregels helemaal niet in zijn voorstellingen terechtkomen, maar in zijn handen, in zijn hele wezen leven, dat die in hem tot iets levends kunnen worden. Bij de opvoedingswetenschap ligt de zaak niet helemaal zo als in een of andere esthetische wetenschap. In de opvoedingswetenschap moet alles bewuster, moet alles veel meer van voorstellingen doordrongen zijn, dan – laten we zeggen – bij de schilderkunst of in de muziek of het beeldhouwen. Maar toch, wat we bij de opvoeding goed begrijpen, moet kunnen overgaan in onze hele persoonlijkheid, als we een pedagogisch kunstenaar willen worden.

Und gerade auf diesem Gebiete glaube ich, daß Geisteswissenschaft helfen kann. Und von dieser Hilfe, die durch Geisteswissenschaft der Pädagogik werden kann, möchte ich eben in diesem Kurse sprechen. Nicht, daß ich glaube, daß die Grundsätze der pädagogischen Wissen­schaft reformiert zu werden brauchen, sondern ich glaube, um diese richtigen Grundsätze – sei es in einem einzelnen Falle der Erziehung, sei es der großen Klasse gegenüber – in wirklicher praktischer Weise an-zuwenden, ist es notwendig, daß diese Grundsätze belebt und durch­zogen werden von dem, was eigentlich nur Geisteswissenschaft geben kann. Geisteswissenschaft ist etwas, was einziehen will in alle Gebiete gegenwärtigen wissenschaftlichen Erkennens. Geisteswissenschaft ist etwas, das eine Auffrischung geben soll für alles, was von unserer Zeit-kultur angestrebt wird; dieser Zeitkultur, die – wenn auch heute viele Menschen glauben, man sei bereits in einer Art Rückschritt zum Idealis­mus begriffen – ja doch hervorgegangen ist aus dem Materialismus, und die den Materialismus aus der letzten Hälfte des 19. Jahrhunderts noch voll in sich hat. Alle Zweige menschlicher Geistesbetätigung, ja man kann fast sagen alle Zweige menschlicher Kulturbetätigung, haben ihre heutige Gestalt durch diese materialistische Zeitgesinnung. Nicht

En juist op dit terrein geloof ik, dat geesteswetenschap kan helpen. En over deze hulp die door de geesteswetenschap aan de pedagogie ten goede kan komen, wil ik dus in deze cursus spreken.
Niet omdat ik geloof dat de basisprincipes van de pedagogische wetenschap vernieuwd moeten worden, maar omdat ik geloof  – om deze basisprincipes die goed zijn – zij het dat in een enkel opvoedingsgeval, zij het bij een grote klas – op een daadwerkelijke praktische manier toe te passen, het noodzakelijk is dat deze principes gevitaliseerd worden en doortrokken met wat eigenlijk alleen de geesteswetenschap kan aanreiken. Geesteswetenschap is iets dat op elk gebied van de tegenwoordige wetenschappelijk kennis deel wil uitmaken. Geesteswetenschap is iets dat verfrissend moet zijn voor alles wat door de cultuur van onze tijd nagestreefd wordt; deze tijdscultuur die – ook al geloven tegenwoordig veel mensen dat we al op een soort terugweg naar het idealisme gaan – toch uit het materialisme voortgekomen is en die het materialisme van de 19e eeuw nog helemaal met zich meedraagt. Alle geledingen waarbij het om de menselijke geest gaat, ja je kan bijna wel zeggen alle geledingen waarbij het om de menselijke cultuur gaat, hebben in hun huidige gedaante een materialistische tijdgeest.  Niet

blz. 14

in allem zeigt sich diese materialistische Zeitgesinnung in gleich schäd­licher Weise: am meisten Einfluß in schädigender Weise muß Ma­terialismus, wenn er da ist, im Erziehungswesen bringen.
Das ist, was ich heute einleitend nur andeuten will, was sich aber durch die ganze Haltung der Vorträge ergeben wird. Geisteswissen­schaft wird heute vielfach verkannt, und deshalb habe ich schon nötig, wenigstens mit einigen Worten auf das hinzuweisen, wodurch sich Mißverständliches richtigstellen kann. Denn bevor ich in die Lage komme, Ihnen zu beweisen, was Geisteswissenschaft gerade für die rechte Anwendung einer vorzüglichen pädagogischen Wissenschaft lei­sten kann durch die Verwandlung des pädagogischen Wissens in päd­agogisches Können, muß ich schon im einzelnen von Mißverständnissen gegenüber der Geisteswissenschaft sprechen. Und da möchte ich nicht in Abstraktionen sprechen, sondern möchte möglichst gleich konkret darauf eingehen.
Sie werden – wenigstens viele von Ihnen – gehört haben, daß Gei­steswissenschaft es nicht so leicht hat wie die äußere Anthropologie der Gegenwart, den Menschen zu betrachten, den Menschen, mit dem wir es ja vorzugsweise in der Erziehung zu tun haben. Diese äußere An­thropologie der Gegenwart, die vereinfacht sich gewissermaßen die Probleme, welche uns in bezug auf den Menschen obliegen.

in alles vertoont deze materialistische tijdsgeest zich op even schadelijke wijze: de meeste invloed op een schadelijke manier moet het materialisme, als het er eenmaal is, wel op de opvoeding hebben.
Dit wil ik vandaag slechts als een inleiding aanstippen, het zal door de hele ductus van de voordrachten blijken. Geesteswetenschap wordt tegenwoordig veelal miskend en daarom is het voor mij nodig om in ieder geval met een paar woorden op iets te wijzen wat misverstanden uit de wereld kan helpen. Want voor ik in de gelegenheid kom om u te bewijzen wat geesteswetenschap juist voor een goede toepassing van een voortreffelijke pedagogsiche wetenschap kan betekenen door het omwerken van pedagogisch weten naar pedagogisch kunnen, moet ik toch in detail over de misvattingen wat de geesteswetenschap betreft, spreken. En dit wil ik niet abstract doen, maar zoveel mogelijk wil ik er direct concreet op ingaan.
U zal wel – in ieder geval velen van u, vernomen hebben dat geesteswetenschap het niet zo gemakkelijk heeft als de alledaagse antropologie bij het waarnemen van de mens, de mens met wie we hoofdzakelijk in de opvoeding te maken krijgen. Deze uiterlijke antropologie van nu maakt de problemen waar wij ons wat de mens betreft mee bezig houden, wat simpeler.

Und man sieht dann, ich möchte sagen, so wie auf eine Art von Aberglauben herunter, wenn man hört, Geisteswissenschaft habe nötig, übersinnliche Glieder der menschlichen Wesenheit zu verzeichnen; in dem aufwach­senden Kinde schon zu sehen, wie sich nicht nur dieser Mensch im all­gemeinen entwickelt, sondern wie sich zunächst – approximativ sei es gesprochen – vier Glieder der menschlichen Wesenheit entwickeln.
Man hat es leicht, aus unserer fortgeschrittenen Naturerkenntnis und der aus ihr gezogenen Weltanschauung heraus heute darüber zu lachen, wenn man hört, Geisteswissenschaft sage, der Mensch bestehe aus physischem Leib, aus Ätherleib, aus astralischem Leib und noch aus einem besonderen Ich-Wesen. Ich kann auch dieses Lachen ganz gut verstehen. Ich kann verstehen, wie man aus dem Mißverstehen heraus sich über diese Dinge lustig macht. Aber man macht sich eigentlich lustig auf Kosten einer wirklich gedeihlichen Fortentwickelung der Menschheit und auf Kosten einer richtig auf den Menschen hinschauen-den Erziehungskunst. Wohl muß ich Ihnen recht geben: Wenn Sie hören, daß da oder dort in sektiererischer Weise sich Theosophen in

En dan kijk je naar een soort bijgeloof, wanneer je hoort dat geesteswetenschap het over iets bovenzintuiglijks moet hebben; al in het opgroeiende kind wil zien hoe niet alleen deze mens zich in het algemeen ontwikkelt, maar hoe – bij benadering genoemd – vier delen van het mensenwezen zich ontwikkelen.
Het is makkelijk om zich vanuit onze voortgeschreden natuurwetenschappelijke kennis en de daarop gebaseerde wereldbeschouwing zich daar vrolijk over te maken, wanneer men hoort dat de geesteswetenschap zegt dat de mens bestaat uit een fysiek lichaam, uit een etherlijf, een astraallijf en nog uit een bijzonder Ik-wezen. De lachlust kan ik wel begrijpen. Ik kan best begrijpen dat men zich vrolijk maakt over wat men niet begrijpt. Maar men lacht wel ten koste van een echt vruchtbare verdere ontwikkeling van de mensheid en ten koste van een opvoedkunst die op een goede manier naar de mens kijkt. Ik moet u wel gelijk geven, wanneer hier en daar op een sektarische manier theosofen bij elkaar komen

blz. 15

Zweigen zusammensetzen, und nun irgend jemand, der es im Buche gelesen oder in den Vorträgen gehört hat, den Leuten vorträgt: Der Mensch besteht aus physischem Leib, aus ätherischem, astralischem Leib und dem Ich – so ist dies wirklich eine höchst unfruchtbare Wissenschaft, und es ist etwas, worüber man vielleicht sogar ein Recht hat, sich in einer gewissen Weise lustig zu machen. Denn wenn es dabei bleibt, daß Leute diese Dinge wie eine Art religiöses Bekenntnis sek­tiererisch verbreiten, so kommt für die Kultur der Menschheit, für das wirkliche Leben eigentlich nichts Besonderes dabei heraus. Heraus kommt erst dann etwas aus diesen Dingen, wenn man sie nimmt, ich möchte sagen, als Richtkräfte, um das Leben reicher zu betrachten, als man es betrachten kann, wenn man bloß den abstrakten Begriff des Menschen oder des heranwachsenden Kindes zugrunde legt.
Es ist gewiß, wenn wir beim Allerabstraktesten stehenbleiben, ein außerordentlich guter Grundsatz der Pädagogen, zu sagen, man müsse den Menschen nach seiner Individualität entwickeln, man müsse stu­dieren, welche Kräfte nach und nach in der menschlichen Wesenheit beim sich entwickelnden Kinde herauskommen, und man müsse ge­wissermaßen dasjenige entwickeln durch die pädagogische Kunst, was da sich herausarbeiten will aus der menschlichen Wesenheit.

en dat er dan iemand die dat in een boek gelezen heeft of in een voordracht gehoord, aan de mensen vertelt: de mens bestaat uit fysiek lichaam, uit een etherische en een astraal lijf en uit een Ik – dan is dit werkelijk een hoogst onvruchtbare wetenschap en het is iets waarover men wellicht zelfs een beetje terecht op een bepaalde manier kan lachen. Want wanneer het blijft bij dat de mensen deze dingen als een soort religieuze belijdenis sektarisch verspreiden, levert dat voor de cultuur van de mensheid, voor het echte leven eigenlijk niets bijzonders op. Uit deze dingen komt pas echt iets, wanneer je ze als richtlijn neemt om het leven op een vollere manier te bekijken dan wanneer je dat kan doen, wanneer je je slechts baseert op het abstracte begrip mens of opgroeiend kind.
Zeker, wanneer je bij het allerabstractste blijft staan, een buitengewoon goede basisregel van de pedagogen die zegt, dat je de mens in overeenstemming met zijn individualiteit moet ontwikkelen, dan moet je bestuderen welke krachten zich bij het zich ontwikkelende kind geleidelijk manifesteren en dat je tot op zekere hoogte door de pedagogische kunst ontwikkelen moet wat uit het mensenwezen worden wil.

Es ist dieses ein vorzüglicher Grundsatz, aber er darf nicht Abstraktion blei­ben, er darf nicht so bleiben, daß man ihn nur ansieht als einen vor­züglichen Grundsatz, und daß man nur den guten Willen dazu hat, ihn auch anzuwenden. Nein, der Grundsatz hat nur dann eine Be­deutung, wenn er wirklich ins Leben übergehen kann, wenn wirklich das Leben die Möglichkeit gibt, den werdenden Menschen vom ersten Lebensjahre bis zum Erwachsensein so zu betrachten, daß man die Kräfte, die sich herausarbeiten, wirklich sieht.
Wenn man nur denjenigen Menschenbegriff nimmt, den die heutige Anthropologie gibt, den Sie heute aus der Wissenschaft gewinnen kön­nen: dann merken Sie eben nicht, was eigentlich im Menschen zutage treten, was sich aus dem Menschen herausarbeiten will. Es sind bloß Richtlinien, die angedeutet werden, wenn man sagt: Der Mensch be­steht aus physischem Leib, Ätherleib, astralischem Leib und Ich-Wesen. Denn dann sagt man: Du mußt die Art der Betrachtungsweise, an die man sich heute gewöhnt hat aus der materialistischen Naturwissen­schaft heraus, nur für den physischen Menschen anwenden; du mußt aber noch andere Gesichtspunkte für die Menschenbetrachtung geltend

Dat is een uitstekende basisregel, maar die mag geen abstractie blijven; die mag niet zo blijven dat men deze alleen ziet als een voortreffelijk grondprincipe en dat men alleen maar de goede wil heeft, deze toe te passen. Nee, de basisregel is alleen van betekenis, wanneer die werkelijk leven kan worden, wanneer deze daadwerkelijk de mogelijkheid verschaft de wordende mens vanaf zijn eerste levensjaar tot de volwassenheid zo te bekijken dat men de krachten die naar buiten komen, werkelijk waarneemt.
Wanneer je alleen al het begrip mens, zoals de huidige antropologie levert, die je tegenwoordig uit de wetenschap kan afleiden, dan heb je niet in de gaten wat er eigenlijk vanuit de mens zichtbaar wil worden, naar buiten komen wil. Het zijn maar richtlijnen die toegepast worden, wanneer men zegt: de mens bestaat uit fysiek lichaam, etherlijf, astraallijf en Ik-wezen. Want dan zeg je: je moet de manier van waarnemen waaraan men nu gewend is door de materialistische wetenschap, alleen toepassen op de fysieke mens; maar je moet nog andere gezichtspunten bij het waarnemen van de mens 

blz. 16

machen. Du mußt den Menschen als ein viel komplizierteres Wesen ansehen, und du mußt dir einen Blick gewinnen, wie aus der Menschen-natur sich auch etwas herausentwickelt, was nicht in den bloßen Naturgesetzen eingeschlossen ist, was wir durch höhere Glieder der menschlichen Natur allein umfassen können.
Was heißt es denn eigentlich, wenn wir sagen: Der Mensch besteht aus vier Gliedern? Sehen Sie, da deutet man auf etwas hin, was ja im Grunde genommen selbstverständlich jedem Pädagogen, der seine Psychologie kennengelernt hat, bekannt ist; was ihm aber so bekannt ist, daß noch nicht aus dieser Bekanntschaft fließt ein wirkliches tiefes Hineinschauen in die ganze menschliche Wesenheit. Bekannt ist ja, wie­viel von Psychologen, auch von pädagogischen Psychologen, darüber diskutiert worden ist, daß wir das Seelische des Menschen zu sehen haben – sagen wir, um ganz vorsichtig zu sprechen – in einer drei­gliedrigen Metamorphose als Denken, Fühlen und Wollen. Sie wis­sen, wieviel im Laufe des 19. Jahrhunderts und bis in unsere Tage herein darüber gestritten worden ist, ob der Wille das Ursprüngliche ist und sich das Denken gleichsam herausarbeitet aus der Willensnatur, oder ob das Denken zugrunde liegt oder das Vorstellen.

laten gelden. Je moet de mens als een veel gecompliceerder wezen beschouwen en je moet je een blik zien te verwerven voor hoe uit de natuur van de mens iets naar buiten komt wat niet valt onder alleen maar natuurwetten, wat we alleen maar kunnen begrijpen door hogere wezensdelen van de mensennatuur.
Wat betekent het dan toch wanneer we zeggen: de mens bestaat uit vier wezensdelen? Ziet u, dan doel je toch op iets wat uiteraard natuurlijk iedere pedagogoog die zijn psychologie goed geleerd heeft, weet; wat hij echter zó weet, dat uit deze kennis nog geen werkelijk diepe blik in heel het wezen mens tevoorschijn komt. Bekend is ook hoeveel er door psychologen, ook door pedagogische psychologen gediscussieerd is over hoe we naar de ziel van de mens moeten kijken – laten we heel voorzichtig zeggen – in een drieledige metamorfose als denken, voelen en willen. U weet hoeveel er in de loop van de 19e eeuw en tot in onze tijd erover geredetwist is of de wil het oorspronkelijke is en het denken a.h.w. uit de wilsnatuur tevoorschijn komt, of dat het denken ten grondslag ligt aan het voorstellen.

Sie wissen, daß zum Beispiel in der Herbartschen Pädagogik ein gewisser Intellek­tualismus vorherrscht, daß der Wille gewissermaßen nur gilt als eine Art Resultierende aus den Vorstellungsbestrebungen und so weiter. Gerade wenn man unbefangen auf die ganze Art des Diskutierens über Denken, Fühlen und Wollen hinsieht, dann merkt man, daß diesen Diskussionen etwas fehlt. Das wirkliche Hineinblicken in die mensch­liche Wesenheit fehlt. Und gerade wirklich hineinblicken in die mensch­liche Wesenheit möchte Geisteswissenschaft. Sie möchte, daß man wie­derum die Fähigkeit gewinne, diese menschliche Wesenheit in ihrer Totalität zu durchschauen.
Wir reden ja, wenn wir nicht grobklotzige Materialisten sind, da­von, daß der Mensch nicht nur den äußeren physischen Leib hat, son­dern eine Seele, und dem Seelischen sprechen wir eben das Denken, Fühlen und Wollen zu. Aber kennen Sie denn nicht die Diskussionen, die heute gepflogen werden und immer wieder und wieder darauf hinauslaufen: man könne sich eigentlich keine Vorstellung machen, wie das Seelische mit dem Leiblichen zusammenhänge, wie das Seelische auf das Leibliche, das Leibliche auf das Seelische wirke? Im Grunde ge­nommen leiden an dieser Fragestellung alle Menschen, die es mit diesen

U weet dat bijv. in de pedagogiek van Herbart een zeker intellectualisme de overhand heeft, dat de wil in zekere zin slechts gezien wordt als een soort resultaat van voorstellingsactiviteit enz. Juist wanneer je onbevangen naar de manier van discussiëren over denken, voelen en willen kijkt, merk je dat er aan deze discussies iets ontbreekt. Wat er ontbreekt is de juiste blik op het wezen mens. En dat wil geesteswetenschap nu juist; een realistische blik in het wezen van de mens. Zij wil dat men weer de vaardigheid krijgt het wezen mens in zijn totaliteit te doorgronden.
Wij zeggen dus, omdat we geen grofstoffelijke materialisten zijn, dat de mens niet alleen maar zijn uiterlijke fysieke lichaam heeft, maar een ziel en aan de ziel schrijven we denken, voelen en willen toe. Maar kent u dan de discussies niet die vandaag de dag plaatsvinden en er steeds weer in uitmonden: je kan je er eigenlijk geen voorstelling van vormen hoe de ziel met het lichaam samenhangt; hoe de ziel op het lichaam, het lichaam op de ziel werkt? In de grond van de zaak lijden alle mensen die de dingen serieus nemen aan deze manier van vragen.

blz. 17

Dingen ernst nehmen. Aber sie kommen nicht darauf, daß vielleicht die ganze Fragestellung, so wie sie gewöhnlich gegeben wird, eine nicht ganz richtige ist. Sie kommen nicht darauf, daß vielleicht die ganze Betrachtungsweise einmal geändert werden müßte.
Gerade wenn wir das heranwachsende Kind ins Auge fassen, dann kommen wir dazu, einzusehen an der Entwickelung dieses heranwach­senden Kindes, wie Seelisches sich herausarbeitet in dem Leiblichen. Wer nur einen Sinn hat für äußere Gestaltung, wie sie sich so wunder­bar, so rätselhaft auf der einen Seite, und so zum Menschensinn spre­chend auf der anderen Seite, in dem Kinde ergibt, wenn wir es von Tag zu Tag in den ersten Lebenswochen, wenn wir es von Woche zu Woche, von Monat zu Monat, von Jahr zu Jahr in dem folgenden Leben be­trachten – wer diese Umgestaltung betrachtet und einen Sinn dafür hat, wie das Seelische sich herausarbeitet, der muß die Frage stellen: Wie hängt denn eigentlich zusammen dasjenige, was wir an Seelischem ent­wickeln, mit dem Körperlichen in seiner äußeren Offenbarung? Denn offenbar ist es ja, daß im Körperlichen das Seelische drinnen arbeitet; gerade im Kinde sieht man es. Aber die heutige Wissenschaft ist nicht stark genug, ich möchte sagen, sie hat zu stumpfe Waffen, um nun an diese Fragestellung:

Maar ze komen er niet op, dat wellicht de hele vraag, zoals die gewoonlijk gesteld wordt, niet helemaal juist is. Ze komen er niet op dat wellicht de hele manier van kijken eens veranderd zou moeten worden.
Met name als we naar het opgroeiende kind kijken, komen wij door naar dit opgroeiende kind te kijken tot het inzicht hoe alles van de ziel in het lichamelijke zichtbaar wordt. Wie alleen al een zintuig heeft voor wat zich uiterlijk vormt, wat je aan de ene kant zich zo wonderbaarlijk, zo raadselachtig in het kind ziet voltrekken, wat anderzijds zo tot het menselijk bewustzijn spreekt, wanneer je het in de eerste weken van zijn leven van dag tot dag volgt, wanneer we het waarnemen van week tot week, van maand tot maand, van jaar tot jaar in het leven dat volgt – wie die omvorming waarneemt en er een zintuig voor heeft hoe de ziel tevoorschijn komt, moet zich de vraag stellen: hoe hangt dan eigenlijk wat we aan zielenkrachten ontwikkelen samen met het lichamelijke dat we uiterlijk zien. Want duidelijk is dat in het lichaam de ziel vanbinnen werkzaam is; juist bij het kind zie je dat. Maar de huidige wetenschap is niet krachtig genoeg – ik wil zeggen – haar instrumenten zijn te bot – om deze vraag:

Wie arbeitet das Seelische in dem Physischen drin­nen? – in der richtigen Weise herantreten zu können. Gewisse Er­scheinungen, sie werden einfach heute von der Wissenschaft nicht sach­gemäß betrachtet. Und da sehen wir, indem wir die ersten Lebensjahre des Kindes durchlaufen, eine Erscheinung, die uns mit jedem Tag neue Rätsel aufgibt; wir müssen sie nur sehen.
Wir sehen diese Erscheinung, wie das Kind ungefähr am Ende des ersten Lebensjahres oder etwas später seine ersten Milchzähne be­kommt. Wir sehen, wie diese Milchzähne wiederum ausfallen und vom siebenten Jahre an durch die bleibenden Zähne ersetzt werden. Diese Erscheinung, gewiß, sie wird nach allen Noten beschrieben von der heutigen Wissenschaft, aber was diese Erscheinung eigentlich bedeutet, worauf sie deutet im ganzen Entwickeln des Menschen, das zu unter­suchen, dazu hat die heutige Wissenschaft eben nicht wirkliche Kraft. Und weiter, wir sehen, wie sich dann das heranwachsende Kind bis zur Geschlechtsreife hin entwickelt, wie dieses Eintreten in die Ge­schlechtsreife eine völlige Revolution im körperlichen und seelischen Leben des Menschen bewirkt. Wir wissen, indem wir an die Volks­schule denken: gerade in die Zeit vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife

hoe werkt de ziel binnen het fysieke? op de juiste wijze te kunnen benaderen. Bepaalde verschijnselen worden simpelweg door de wetenschap niet adequaat bekeken. En dan zien we, als we de eerste levensjaren van een kind volgen, een fenomeen dat ons iedere dag voor nieuwe raadsels stelt; je hoeft ze alleen maar te zien.
Wij zien het fenomeen hoe het kind ongeveer aan het einde van zijn eerste levensjaar of iets later zijn eerste melktandjes krijgt. We zien ook dat deze melktanden weer uitvallen en vanaf het zevende jaar door de vaste tanden worden vervangen. Dit verschijnsel, zeker, wordt door de wetenschap in alle toonaarden bezongen, maar wat dit fenomeen betekent, waarop het wijst in de totale ontwikkeling van de mens, om dat te onderzoeken heeft de huidige wetenschap de instrumenten niet. En verder zien we dan hoe het opgroeiende kind zich tot aan de puberteit ontwikkelt, hoe het geslachtsrijp worden een totale ommekeer in lichaam en ziel teweegbrengt. We weten, wanneer we aan de basisschool denken: juist in de tijd van tandenwisseling tot aan de puberteit

blz. 18

ist das wichtigste vom Volkserziehen in der Volksschule ein­geschlossen. Aber die Wissenschaft und alles Leben hat heute nicht die Macht, einzudringen in das, was da eigentlich geschieht in dem Gebiet, das wir nun nicht einseitig das Leibliche und Körperliche und einseitig das Seelische, sondern das Seelisch-Leibliche des Menschen nennen.
Es läuft einfach darauf hinaus, daß wir uns eine genauere, eine in­timere Beobachtungskunst der menschlichen Wesenheit aneignen. Be­obachten Sie nur einmal intimer. Der menschliche Organismus kommt ein Jahr oder nach einer etwas längeren Zeit nach seiner Geburt dazu, aus sich herauszugestalten, aus seinem Ganzen herauszugestalten, wahr­haftig nicht bloß aus dem Ober- und aus dem Unterkiefer, sondern aus seinem Ganzen herauszugestalten die ersten Zähne. Das ist etwas, was sich vollzieht in dieser rätselvollen Wesenheit des Menschen. Aber das ist etwas, was sich noch einmal wiederholt durchschnittlich gegen das siebente Jahr hin. Da sehen wir aber, wie der Organismus eine viel längere Zeit braucht, um dies härteste Gebilde, den Zahn, aus sich herauszudrücken, als er gebraucht hat, um in der frühsten Kindheit die Milchzähne herauszudrücken.
Sehen Sie, man muß nun, indem man so etwas körperlich betrachtet, dies nicht bloß mit den Mitteln der heutigen Naturwissenschaft tun.

vindt het belangrijkste van de volksopvoeding op de basisschool plaats. Maar de wetenschap en alles wat er leeft heeft tegenwoordig niet het vermogen door te dringen tot wat er eigenlijk gebeurt op het gebied dat we nu niet eenzijdig lichaam en eenzijdig ziel noemen, maar de psychische lichamelijkheid van de mens.
Het leidt er simpelweg toe dat we ons bekwamen tot een nauwkeurigere, een intensievere waarnemingskunst van het wezen mens. Neem gewoonweg intensiever waar. Het menselijke organisme komt er een jaar na de geboorte of wat langer toe uit zijn hele organisme, niet alleen maar uit de boven- of onderkaak, de eerste tanden zichtbaar te laten worden. Dat is iets wat zich voltrekt in dit raadselachtige wezen mens. Maar dit wordt nog eens herhaald, gemiddeld tegen het zevende jaar. Nu zien we dat het organisme veel meer tijd nodig heeft om dit hardste bouwwerkje, de tand, van zich uit naar buiten te drukken, dan het nodig had om in de prilste kindertijd de melktandjes naar buiten te werken.
Ziet u, je moet nu, wanneer je zoiets lichamelijks bekijkt, dit niet alleen maar doen met de middelen van de huidige wetenschap.

Man muß zugleich sehen, wie während dieser Zeit mit jeder Woche vom Bekommen der Milchzähne bis zum Bekommen der bleibenden Zähne das ganze Wesen des Menschen auch im Seelischen ein anderes wird. Wie in dieser Zeit aus der menschlichen Wesenheit heraus andere Kräfte auch seelisch wirken als etwas später zwischen dem Zahnwech­sel und der Geschlechtsreife. Man muß den Menschen ganz in seiner Totalität betrachten, und dann findet man, daß das ganze seelische Leben in einer anderen Weise sich vollzieht vor dem Zahnwechsel als nach dem Zahnwechsel. Und wenn man einen Sinn dafür hat, was eigentlich da herauskommt nach dem Zahnwechsel, so wird man sich sagen: Vernehmen wir das denkerische, das intellektuelle Wesen im Menschen, und versuchen wir dasjenige zu ergründen, was da bis zum Zahnwechsel hin und während des Zahnwechsels herauskommt an menschlichem, intellektuellem Wesen, an Vorstellungswesen! Wenn man unbefangen betrachtet, muß man eigentlich sagen: Da kommt viel heraus. Jean Paul, der auch viel über Pädagogik nachgedacht hat, hat nicht mit Unredit darauf aufmerksam gemacht, daß die ersten Lebens-jahre mehr Einfluß auf den Menschen haben als die drei akademischen

Je moet tegelijkertijd zien, hoe gedurende deze tijd met iedere week van het krijgen van melktanden tot het krijgen van de blijvende tanden het hele wezen van de mens ook psychisch, anders wordt. Hoe in deze tijd vanuit het wezen mens andere krachten ook psychisch werken dan iets later tussen de tandenwisseling en de geslachtsrijpheid. Je moet de mens geheel in zijn totaliteit bekijken en dan vind je dat heel het zielenleven zich op een andere manier voltrekt vóór de tandenwisseling dan erna. En wanneer je open staat voor wat er eigenlijk na de tandenwisseling gebeurt, zul je zeggen: wanneer we naar het denken kijken, naar het intellectuele aspect in de mens en proberen te doorgronden wat er tot de tandenwisseling en tijdens de tandenwisseling zich manifesteert: wat we daar tevoorschijn zien komen aan wezenlijks op het gebied van menselijke intellectualiteit, aan voorstellingen! Wanneer je onbevangen kijkt, moet je eigenlijk zeggen: er verschijnt heel veel. Jean Paul, die ook veel over pedagogiek nagedacht heeft, heeft er niet ten onrechte op gewezen, dat de eerste levensjaren van grotere invloed op de mens zijn dan de drie academische

blz. 19

Jahre. Dazumal gab es nur drei. Es ist schon so, daß, wenn wir auf die Konfiguration des Intellektuellen hinschauen, die wichtigsten Jahre für die Gestaltung der Intellektualität des Menschen, für die Gestal­tung der Urteilskraft, die ersten Lebensjahre bis zum Zahnwechsel sind. Man versuche nur einmal, sich einen wirklichen Beobachtungssinn anzuerziehen für dasjenige, was da seelisch anders wird. Man versuche auch zurückzudenken, bis wie weit das deutliche Gedächtnis reicht und versuche zu denken, wie wenig weit es hinter die Zahnwechselepoche zurückreicht, wie wenig also vor der Zahnwechselepoche der Mensch fähig ist, in sich anzusammeln festgestaltete Begriffe, die dann der Er­innerung einverleibt werden. Dann kann man geradezu sagen: je weniger der Organismus jene starken Kräfte, die er später nicht mehr braucht, um die harten Zähne zum zweiten Male aus sich herauszu­gestalten, anzuwenden braucht, desto mehr kommt er gerade in die Lage, dasjenige, was er intellektuell aufnimmt, zu festen Vorstellun­gen zu gestalten, die ihm in der Erinnerung bleiben.
Ich will Ihnen heute die Sache zunächst nur andeuten.

jaren. In die tijd waren er maar drie. Het is inderdaad zo, wanneer we naar het complex van het intellectuele kijken, dat de belangrijkste jaren voor de vorming van de menselijke intellectualiteit, voor de vorming van het oordeelsvermogen, de eerste levensjaren tot aan de tandenwisseling zijn. Probeer echt een daadwerkelijk zintuig te ontwikkelen om waar te kunnen nemen wat er psychisch anders wordt. Probeer er ook eens aan te denken tot hoe ver terug jouw duidelijke herinneringen gaan en probeer er eens aan te denken hoe ver dat vóór je tandenwisseling is, hoe slecht de mens dus in staat is vóór de periode van tandenwisseling vastomlijnde begrippen te bewaren die dan deel worden van de herinneringen. Dan kun je wel zeggen: hoe minder het organisme die sterke krachten die het later niet meer nodig heeft om de harde tanden voor een tweede keer naar buiten te brengen, hoeft te gebruiken, des te meer komt het in de toestand om wat het intellectueel opneemt, tot vaste voorstellingen te vormen, die dan als herinnering blijven.

Sie sehen aus dem eben Gesagten, daß zunächst dieses Kraften im Körper, das ge­wissermaßen wie in einer Kulmination in dem Hervorgehen der zwei­ten Zähne gipfelt, parallel geht mit dem Festsetzen derjenigen Kräfte in der Seele, welche die Vorstellungen, die sonst vergessen werden, um­formen in festgestaltete Begriffe, die dann bleiben, die ein Schatz in der menschlichen Seele werden. Ich möchte das, was ich heute sagen will, zunächst nur als eine Frage hinstellen; in den nächsten Tagen wird es sich uns erweisen. Müssen wir doch danach fragen: Hat denn nicht vielleicht das Vorstellen gerade mit diesen Kräften, die im Zahn-entstehen sich geltend machen, etwas zu tun? Ist es denn nicht gerade so, als wenn das Kind in den ersten sieben Jahren bis zum Zahnwech­sel gewisse Kräfte körperlich verwenden müßte, die Seele in den Kör­per hinein ergießen müßte, damit die Zähne herauskommen? – Ist es fertig damit, dann geschieht eine Metamorphose, dann wandelt das Kind diese Kräfte um, und sie werden eigentlich seelische Vorstellungs­kräfte. Sehen wir denn nicht, wie die Seele, die vorstellende Seele in dem Zahnbilden arbeitet? – Und wenn das Zahnbilden, das heißt die Verwendung gewisser seelischer Kräfte in der vorstellenden Seele er­schöpft ist, nachdem die Zähne herausgekommen sind, da machen sich diese selben Kräfte seelisch geltend.
Denken Sie nur einmal, wie wenig man geneigt ist, heute mit den

Ik wil nu de zaak alleen maar terloops noemen. Uit wat net werd gezegd ziet u dat aanvankelijk dit krachtenspel in het lichaam in zekere zin uitmondt als een culminatie in het tevoorschijn komen van de blijvende tanden en dat dit parallel loopt met het zelfstandig worden van die zielenkrachten die de voorstellingen die anders vergeten worden, omvormen tot vastomlijnde begrippen die daarna blijvend zijn, die een schat worden in de menselijke ziel. Ik zou wat ik nu wil zeggen, eerst als vraag op willen werpen; in de komende dagen zal het blijken. Maar we vragen toch: heeft het voorstellen wellicht te maken met deze krachten die in de tandenwisseling manifest zijn? Is het dan niet juist zo dat wanneer het kind in de eerste zeven jaar tot de tandenwisseling bepaalde lichamelijke krachten gebruiken moet, zijn zielenkracht in zijn lichaam moet uitstromen, zodat het tanden kan krijgen? – Is het daarmee klaar, dan vindt er een metamorfose plaats, dan werkt het kind deze krachten om en die worden dan de krachten om zich met de ziel te kunnen voorstellen. Zien we dan niet, hoe de ziel, de zich voorstellende ziel werkzaam is bij het vormen van de tanden? – En wanneer het vormen van de tanden, d.w.z. het gebruik van bepaalde zielenkrachten, afgerond is als de tanden naar buiten komen, manifesteren diezelfde krachten zich psychisch.
Maar bedenk wel hoe weinig geneigd men is, tegenwoordig met de

blz. 20

Mitteln der Naturwissenschaft auf solche Metamorphosen hinzuschauen! Wie sehr man sich heute den Kopf darüber zerbricht: Wie hängen Leib und Seele zusammen? Aber man muß doch erst hinschauen auf diejeni­gen Gebiete, wo das Seelische im Leibe tätig ist. Denkt man daran zu fragen: Ist es vielleicht das vorstellende Seelische, das ganz augen­scheinlich in dem Bau der Zähne sich zum Ausdruck bringt? Sehen wir nicht da das Seelische im Leibe drinnen wirksam, und erkennen wir nicht, wie es sich dann erspart diese Wirksamkeit und in anderer Weise, nämlich rein seelisch herauskommt? Da handelt es sich wirklich darum, zu gesünderen Vorstellungen – die man schon früher gehabt hat, bevor der Materialismus in der heutigen Gestalt sich verbreitete – wiederum zurückzukehren, nämlich tatsächlich zu sehen, wie das Geistig-Seelische im Physisch-Körperlichen wirkt.
Es ist nämlich etwas höchst Merkwürdiges richtig: Der Materialis­mus hat die Eigentümlichkeit, daß er allmählich die Fähigkeit verliert, Materie und ihre Erscheinungen zu verstehen. Es ist nicht so, daß der Materialismus etwa bloß den Zusammenhang mit dem Geist verliert; nein, sein tragisches Schicksal besteht darinnen, daß er zuletzt gerade dazu verurteilt ist, das Materielle nicht zu verstehen.

middelen van de natuurwetenschap naar zo’n metamorfose te kijken!
Hoe zeer breekt men vandaag het hoofd over : wat is de samenhang tussen lichaam en ziel? Maar eerst zul je toch moeten kijken naar de gebieden waar de ziel in het lijf actief is. Denk je eraan te vragen: is het wellicht de voorstellingskracht van de ziel die zich heel duidelijk in de vorming van de tanden laat zien? Zien we daar niet de activiteit van de ziel in het lichaam en zien we niet in, hoe zij dan deze activiteit laat gaan om op een andere manier, namelijk puur psychisch, manifest te worden? Nu gaat het er werkelijk om weer terug te gaan naar gezondere voorstellingen, die men eerder al had, vóór het materialisme in de huidige vorm zich verspreidde, om daadwerkelijk te zien, hoe geest en ziel werkzaam zijn in het levend-fysieke.
Iets hoogst merkwaardigs is namelijk juist: het materialisme heeft de eigenaardigheid dat het langzaam de mogelijkheid verliest de materie met haar verschijnselen te begrijpen. Het is niet zo dat het materialisme zoiets als de samenhang met de geest verliest; nee, haar tragisch lot is, dat ze er uiteindelijk juist toe veroordeeld is, de materie niet te begrijpen.

Wir haben den Materialismus heraufkommen sehen: Er hat keine Möglichkeit, hinein-zuschauen in das Leibliche mit denselben Kräften, mit denen Sie später sich erinnern, mit denen Sie später in Gedanken tätig sind, mit den­selben Kräften, die im Leiblichen in der Zahnbildung wirksam sind. Nicht, daß der Materialismus just das Geistige verkennt  er ver­kennt das Körperliche sogar noch stärker, indem er gar nicht sieht, wie das Geistig-Seelische an dem Körperlichen arbeitet.
Das will gerade Geisteswissenschaft bringen: Ein richtiges Verstehen dessen, was am Menschen arbeitet. Der Materialismus ist geradezu verurteilt, das Materielle nicht zu verstehen; denn das Materielle ist dasjenige, worin das Geistige fortwährend arbeitet, und die materia­listische Betrachtungsweise kann nicht verfolgen diese Arbeit im Geistig-Seelischen des Menschen. Man müßte doch glauben, der größte Schaden würde angerichtet, müßte der Mensch zu denken aufhören, müßte der Mensch zum Tier werden, wenn der Materialismus das Geistige voll-ständig verkennen würde! Es kann ja kein Mensch zugeben, daß, wenn man denkt, man nicht in irgendeiner Geistigkeit drinnen ist! Aber das ist gerade das Schicksal des Materialismus, daß man das Physisch-Leibliche nicht versteht.

We hebben het materialisme op zien komen: ze heeft geen mogelijkheid inzicht te krijgen in het lichamelijke, dat het dezelfde krachten zijn waarmee je je later kunt herinneren, waarmee je later denkend bezig bent, als de krachten die in het lichamelijke in de tandenvorming werkzaam zijn.
Niet dat het materialisme nu juist de geest verkeerd beoordeelt – ze beoordeelt het lichamelijke zelfs nog verkeerder, daar ze niet ziet hoe geest en ziel aan het lichaam werken,
Dat wil geesteswetenschap nu juist wél brengen: een juist begrip voor wat aan de mens bouwt. Het materialisme is er juist toe veroordeeld het stoffelijke niet te begrijpen, want het is de stof waarin de geest voortdurend werkzaam is en de materialistische manier van beschouwen kan de activiteit in geest en ziel van de mens niet volgen. Je moet toch aannemen dat het grootste onheil aangericht zou worden, als de mens op zou moeten houden met denken, als de mens een dier zou moeten worden, mocht het materialisme de geest volledig ontkennen! Geen mens kan toegeven dat wanneer je denkt, je niet op een of andere manier je in iets geestelijks bevindt. Maar dat is juist het noodlot van het materialisme dat het ’t fysiek-levende niet begrijpt.

blz. 21

Nun ist es nicht so, daß man etwa an diesem abstrakten Grundsatz Genüge haben kann: Dieselben Kräfte, die im Vorstellen sind, arbeiten an der Zahnentstehung. Sondern, wenn man das weiß, dann beobach­tet man das Kind in einer ganz anderen Weise, und vor allen Dingen, man beobachtet es nicht nur im Intellekt in einer anderen Weise, son­dern man steht mit dem Gefühl, mit der Empfindung, mit allen Wil­lensimpulsen in einer ganz anderen Weise zum Kinde. Sie werden in den folgenden Vorträgen sehen, wie diese Dinge, die wirklich vom Gei­stig-Seelischen aus eindringen, nicht etwa bloß abstrakte Grundsätze sind, sondern unmittelbar inderGegenwart angewandt werden können.
Und weiter: Wir sehen dann gerade während der Volksschulzeit, jener wichtigen Epoche in dem heranwachsenden Kinde, wo das Ge­dächtnis schon wirkt, wo wir mit dem Gedächtnis schon rechnen kön­nen, wie gerade beim Kinde es so unendlich wichtig wird, daß es an dem Lehrer, an dem Erzieher eine Autorität fühlt, eine selbstgewählte, freiwillig gewählte Autorität empfindet. Es ist ein vollständiges Ver­kennen der Menschennatur, wenn man nicht zugibt, daß die Sehnsucht, eine Autorität neben sich zu haben, zu den Grundkräften und Grund-empfindungen des kindlichen Lebens vom 6., 7. bis zum 14., 15. Le­bensjahre gehört.

Nu is het niet zo, dat je aan die abstracte basisregel wel zo ongeveer genoeg hebt: dezelfde krachten die bij het voorstellen een rol spelen, werken aan het ontstaan van de tanden. Echter, wanneer je dat weet, dan kijk je toch heel anders naar het kind en vooral, je neemt het niet alleen anders waar met je intellect, maar met je gevoel, gevoelsmatig, met al je wilsimpulsen sta je op een andere manier t.o.v. het kind. U zal in de komende voordrachten zien hoe deze zaken die echt uit de geest en de ziel vandaan komen, niet simpelweg abstracte basisregels zijn, maar direct toepasbaar. En verder: we zien dan met name tijdens de basisschooltijd, die belangrijke tijd in het leven van het opgroeiende kind, waar het geheugen al werkt, waar we al rekening kunnen houden met het geheugen; hoe het bij het kind zo oneindig belangrijk wordt, dat het in de leraar, in de opvoeder een autoriteit voelt, een zelf gekozen, een vrijwillig gekozen autoriteit ervaart. Het is een volledig miskennen van de mensennatuur wanneer je niet erkent, dat het verlangen een autoriteit naast zich te hebben, tot de elementaire en basisgevoelens behoort in het leven van een kind van 6, 7 jaar tot het 14e, 15e.

Wir werden hören, wie das zu dem tiefstbedeut­samen Lebenselemente des Menschen gehört, daß er in dieser Weise eine Autorität, freigewählt durch seine Empfindung, außer sich und neben sich haben kann.
Aber wer einmal geschärft hat seinen Blick dafür, daß ein gewisser Zusammenhang besteht zwischen dem Seelisch-Geistigen und dem Leiblichen bis zur Periode des Zahnwechsels, der merkt dann für die folgende Periode etwas außerordentlich Wichtiges. Sehen Sie, wir brau­chen eine gewisse Zeit, um als Menschen die ersten Milchzähne zu be­kommen. Das ist eine kurze Zeit. Dann brauchen wir eine längere Zeit, bis wir sie auswechseln können gegen die zweiten Zähne. Wir werden hören im Verlaufe dieser Vorträge, wie die zweiten Zähne in einer viel innigeren Verbindung mit der Individualität stehen als die ersten Zähne, die mehr auf Vererbung von den Vorfahren beruhen. Aber wahrhaftig, nicht bloß mit den Zähnen ist es so, daß wir uns gewisser­maßen aus unserer eigenen Natur heraus dasjenige noch einmal an­eignen, was wir erst durch Vererbung bekommen haben, sondern es ist für etwas anderes auch.so; es ist vor allen Dingen so mit der mensch­lichen Sprache. Und ich möchte hier gleich einleitungsweise auf etwas

We zullen horen hoe dat tot de meest betekenisvolle aspecten in een mensenleven behoort om op deze manier een autoriteit, vrijwillig gekozen met zijn gevoel, om zich heen en naast zich te hebben.
Wie eenmaal zijn blik verscherpt heeft voor het bestaan van een samenhang tussen geest-ziel en lichaam tot aan de tijd van de tandenwisseling, merkt dan voor de volgende periode iets buitengewoon belangrijks op. Kijk, we hebben een bepaalde tijd nodig om de eerste melktanden te krijgen. Dat is een korte tijd. Dan hebben we een langere tijd nodig om ze te kunnen wisselen voor de blijvende tanden. Tijdens deze voordrachten zullen we horen, hoe de blijvende tanden een veel intiemere verhouding met de indivdualiteit hebben dan de eerste tandjes die meer te maken hebben met de erfelijkheid van de voorouders. Maar echt, niet alleen met de tanden is het zo dat wij ons in zekere zin vanuit onze eigen natuur nog een keer iets eigen maken, wat we eerst door de erfelijkheid hebben gekregen; het is bij iets anders ook zo; met name bij het menselijke spreken. En ik wil hier meteen als een soort inleiding op iets

Blz. 22

hindeuten, was natürlich in den Vorträgen erst näher ausgeführt wer­den kann: Das Geheimnis der menschlichen Sprachentwickelung ver­birgt sich eigentlich in ihrem wesentlichsten vor der heutigen natur-wissenschaftlichen Denkweise, vor der gesamten heutigen Wissenschaft. Man weiß nicht, daß in der Tat gerade so, wie man die ersten Zähne erhält durch eine Art Vererbung von den Eltern, man die Sprache er­hält durch eine Art äußeren Einflusses der Umgebung, durch das Nach­ahmungsprinzip, das aber zum organischen Prinzip wird.
 Aber diese Sprache, die man da lernt, die das Kind bis zum 4., 5., 6. Jahre noch spricht, die verhält sich zum ganzen Menschen, wie sich die Milchzähne zum ganzen Menschen verhalten. Und was der Mensch, nachdem er die Geschlechtsreife erlangt hat, nachdem er 14, 15 Jahre alt geworden ist, eigentlich an der Sprache hat, was er da spricht, was da in ihm betätigt wird, indem er spricht: das ist gerade so ein zweites Mal angeeignet, neuerdings angeeignet, erarbeitet vom Menschen, wie das Zahnerhalteprinzip ein zweites Mal erarbeitet ist. Das zeigt sich äußerlich bei der Knabenentwickelung in dem Wandel der Stimme – bei der weiblichen Entwickelung geht es mehr ins inner­liche Leben zurück, aber es ist auch vorhanden.

wijzen, wat natuurlijk in de voordrachten pas verder uitgewerkt kan worden: het geheim van de menselijke spraakontwikkeling is voor de huidige natuurwetenschappelijke manier van denken, voor alle hedendaagse wetenschappen, wat het wezenlijke betreft, verborgen.
Men weet niet dat het net zoals je de eerste tanden krijgt door een soort overerving van de ouders, je het spreken verkrijgt door invloed van buiten, van de omgeving, door het principe van de nabootsing, dat echter een organisch principe is.
In de eerste levensjaren leer je spreken door je omgeving. Maar het spreken dat je leert, dat het kind tot z’n 4e, 5e, 6e jaar nog doet, verhoudt zich tot de hele mens, als de melktanden zich tot de hele mens verhouden. En wat de mens, nadat hij geslachtsrijp geworden is, als hij zo 14, 15 jaar oud geworden is, eigenlijk aan spreken heeft, wat hij spreekt, wat er actief is als hij spreekt: dat is net zo voor de tweede keer geleerd, nog een keer aangeleerd, door de mens bewerkt, zoals de tanden die blijven een tweede bewerking is. Dat blijkt uiterlijk bij de ontwikkeling van de jongen, bij de stemwisseling – bij de vrouwelijke ontwikkeling houdt zich dat wat terug in het innerlijke leven, maar het is ook aanwezig.

Weil diese Kräfte beim Knaben im Kehlkopf anders arbeitend sind, zeigt sich das auch äußer­lich. Das ist eine Offenbarung, wie nun auch gerade in diesen wichtigen Volksschuljahren im ganzen Menschen, nicht bloß im menschlichen Leibe und nicht bloß in der menschlichen Seele, sondern im mensch­lichen Seelen-Leib, in der Leibes-Seele, fortwährend von Jahr zu Jahr, von Monat zu Monat Dinge vorgehen, die zusammenhängen mit der innerlichen Aneignung desjenigen, was man als Sprache äußerlich schon in der ersten Kindheit aus der Umgebung her sich angeeignet hat. Wer das weiß, wie Seelisch-Geistiges arbeitet am Menschen bis zum
14.,    15. Jahre hin, wer das in unmittelbar instinktiver Intuition an dem Volksschüler beobachten kann, bei dem wird diese Beobachtung unmittelbares Leben. Man sagt sich: Da ist der eine Schüler – Kehl-laute bringt er in dieser Weise hervor, Lippenlaute in dieser Weise her­vor, Gaumenlaute in dieser Weise; der bringt Gaumenlaute leichter hervor, der Lippenlaute und so weiter. Das wird eine ganz intensive Wissenschaft, aber eine Wissenschaft, die in allen ihren Einzelheiten in dasjenige hineinweist, was als Seelisch-Leibliches, Leiblich-Seelisches am Kinde sich heranentwickelt

Omdat deze krachten bij de jongen in het strottenhoofd anders actief zijn, is dat ook uiterlijk waarneembaar. Het is een uiting van hoe ook juist in deze belangrijke basisschooljaren in de totale mens, niet alleen in de fysieke mens en niet alleen in de psychische mens, maar waar ziel en lichaam en lichaam en ziel interacteren, voortdurend van jaar tot jaar, van maand tot maand dingen plaatsvinden die samenhangen met de innerlijke verwerving van wat je als spreken uiterlijk al in de eerste kindertijd uit de omgeving je eigen hebt gemaakt. Wie weet hoe geest en ziel aan de mens werken tot het 14e, 15e jaar, wie dat in directe instinctieve intuïties aan de basisschoolleerling kan waarnemen, voor hem wordt deze waarneming meteen leven. Dan zeg je: daar is de ene leerling – keelklanken laat hij op deze manier horen, lipklanken op deze, gehemelteklanken op die enz. Dat wordt een heel intensieve wetenschap die met al haar details op datgene wijst wat zich als psychisch-lichamelijks, lichamelijk-psychisch ontwikkelt.

blz. 23

Und es werden einem einfach die Umgestaltungen der Sprache, auf die man gewöhnlich gar nicht achtet, zwischen dem 7. und 15. Jahre dasjenige, was seelisch gerade da in der Sprache so großartig wirkt, wenn man einen Beobachtungssinn dafür hat. Das entgeht einem, wenn man seinen Beobachtungssinn nur schärft an dem, was man heute ohne Geisteswissenschaft lernt. Denn wer hier beobachten kann, der findet nun das Folgende: In den ersten Lebensjahren bis zum Zahnwechsel sieht man, wie das Vorstellen sich gleichsam ausspart in dem Zahn-wechsel, so daß, wenn der Zahnwechsel sich vollzogen hat, die Vor­stellung dann sich gestalten kann! Während da das Vorstellen ge­wissermaßen sich aus dem Leiblichen zurückzieht und selbständig See­lisches wird, ist es später, zumeist schon vorher sich ankündend, aber namentlich vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife, der Wille, das, was wir Wille nennen, was sich zurückzieht aus der ganzen Organisa­tion des Kindes und sich lokalisiert in der Kehlkopf- und Sprachorgani­sation. Ganz genau so, wie sich nach innen drängt das Vorstellungs-leben, und selbständig seelisches Element wird, so lokalisiert sich in dem, was aus der Sprache und ihren Organen im 14., 15. Jahre wird -bei manchen Kindern etwas früher natürlich -, das Willenselement. Man kann sehen in dem, was als Organ-Umgestaltung des Knaben im Kehlkopf eintritt – wir werden noch davon zu reden haben, was dem bei Mädchen entspricht – dasjenige, wohin der Wille kulminiert.

Wanneer je er een opmerkingsgave voor hebt, worden eenvoudig de omvormingen van het spreken tussen het 7e en 15e jaar waarop gewoonlijk niet gelet wordt tot iets van de ziel die met name in het spreken zo geweldig werkzaam is. Aan iemand die zijn opmerkingsgave alleen scherpt aan wat men tegenwoordig zonder geesteswetenschap leert, ontgaat dat. Want wie hier waar kan nemen, vindt het volgende: in de eerste levensjaren tot de tandenwisseling zie je, hoe het voorstellen a.h.w. een plaats krijgt binnen de tandenwisseling, zodat, als de tandenwisseling zich voltrokken heeft, dan het voorstellen gevormd kan worden! Terwijl het voorstellen in zekere zin zich uit het lichamelijke terugtrekt en zelfstandig een zielenkwaliteit wordt, is het later, meestal zich van te voren aankondigend, maar wel van de tandenwisseling tot de geslachtsrijpheid, de wil, wat wij de wil noemen, die zich terugtrekt uit de hele organisatie van het kind en zich lokaliseert in het strottenhoofd en de spraakorganisatie. Precies zoals het voorstellingsleven zich een weg baant naar het innerlijk en een zelfstandig deel van de ziel wordt, zo lokaliseert de wil zich in wat er uit de spraak en de organen in het 14e, 15e jaar ontstaat – bij sommige kinderren natuurlijk wat vroeger. In wat als een omvorming van een orgaan bij de jongen in het strottenhoofd plaatsvindt – we zullen er nog over spreken hoe dat bij het meisje is, kun je zien waar de wil zijn culminatiepunt bereikt.

Mit anderen Worten, wenn man so geisteswissenschaftlich die Dinge betrachtet, so hören Vorstellung und Wille auf, solche Abstraktionen zu sein, wie sie gewöhnlich sind. Von diesen Abstraktionen aus kann man allerdings nicht die Brücke hinüberziehen zu ganz anders gearte­tem Leiblichem. Lernt man aber wirklich beobachten, und lernt man namentlich erkennen, wie ganz anders die Wesenheit eines Kindes ist, bei der man sieht, wie die Lippenlaute anders angeeignet sind als die Gaumenlaute, und anders als die Kehllaute und so weiter, dann lernt man auf diese Dinge hinschauen, dann lernt man erkennen, wie das Vorstellen in den ersten sieben Lebensjahren im Leibe arbeitet. Man lernt erkennen die äußere physische Offenbarung eines Geistig-See­lischen, und man lernt erkennen das Sich-Lokalisieren der Willens-natur in der Kehlkopfnatur, man lernt beobachten das Hineinschießen des Willens in die menschliche Sprache. Wille wird entwickelt, und Vorstellen wird nicht mehr Abstraktion, sondern wird etwas, was wir an den realen Vorgängen des Lebens beobachten. So wie wir beobachten

M.a.w., wanneer je geesteswetenschappelijk naar deze dingen kijkt, houden voorstelling en wil op, die abstracte begrippen te zijn, die ze gewoonlijk zijn. Vanuit deze abstracties kun je niet de verbinding leggen naar een lichamelijkheid van heel andere aard. Leer je echt waarnemen en leer je ook kennen hoe heel anders het wezen van een kind is, dat de lipklanken zich op een heel andere manier eigen maakt dan de gehemelteklanken en anders dan de keelklanken enz., den leer je naar die dingen te kijken, dan leer je kennen hoe het voorstellen in de eerste zeven jaren aan het lichaam werkt. Je leert kennen het uiterlijk fysieke zichtbaar worden van iets van geest en ziel en je leert kennen het lokaliseren van de wilsnatuur in de strottenhoofdnatuur en je leert waarnemen hoe de wil in het menselijk spreken stroomt. Wil wordt ontwikkeld en voorstellen wordt geen abstractie meer, maar wordt iets wat wij bij de reële processen van het leven waarnemen.

blz. 24

die Fallkraft, die Schwerkraft an dem vom Berge herabstürzenden Wasser, wie wir die Schnelligkeit des Wassers beobachten an der Schwerkraft und ihren Widerständen, so lernen wir erkennen, wie sich das Leibliche von Woche zu Woche entwickelt gerade aus dem Geistig-Seelischen heraus, wenn wir erst beobachten lernen dieses Seelisch-Geistige in seinem Arbeiten im Leiblichen darinnen.
Sehen Sie in dem, was ich sage, einfach eine Anleitung, das Werden des Menschen so zu beobachten; eine Anleitung dazu, wirklich hinein­schauen zu können in das, was im werdenden Menschen vor sich geht. Das ist die etwas unbequemere, komplizierte Art, wie Geisteswissen­schaft von der menschlichen Wesenheit spricht – gegenüber der heutigen Naturwissenschaft, die eben einfach nicht berücksichtigt, daß dieser Mensch ein wunderbares Wesen ist, das zusammenzieht aus der ganzen Welt die Gesetzmäßigkeit, das in sich selber wiederum eine Welt, eine kleine Welt gegenüber der großen Welt enthält. Wenn wir sagen: Der Mensch besteht aus dem physischen Leib, er besteht außerdem noch aus dem Ätherleib – so bedeutet das:

Op de manier waarop wij de kracht van het neerstorten, de zwaartekracht van het water dat van een berg naar beneden stort, waarnemen, hoe wij de snelheid van het water waarnemen aan de zwaartekracht en aan de weerstand, zo leren wij kennen hoe het lichamelijke zich van week tot week ontwikkelt vanuit geest en ziel, als we dan deze ziel en geest leren waarnemen in hun activiteit in het lichaam.
Ziet u in wat ik zeg, eenvoudig een aansporing het wezen van de mens zo waar te nemen; een aansporing daadwerkelijk te kunnen waarnemen wat er in de wordende mens gebeurt. Dat is die enigszins ongemakkelijke, gecompliceerde manier waarop de geesteswetenschap over de mens spreekt – t.o.v. de huidige natuurwetenschap die er even gemakkelijk geen notie van neemt, dat deze mens een wonderbaarlijk wezen is dat uit de hele wereld in zich samenbalt de wetmatigheid dat in hem ook een wereld, een wereld in het klein tegenover de grote wereld aanwezig is. Wanneer wij zeggen: de mens bestaat uit het fysieke lichaam, hij bestaat bovendien nog uit het etherlijf – dan betekent dit:

Du sollst beobachten lernen, wie du nicht bloß an dem Leichnam oder dergleichen äußerlich naturwissen­schaftlich anatomisch, physiologisch verfolgen sollst, wie sich die kör­perliche Entwickelung in den ersten kindlichen Jahren bis zum sieben­ten Jahre hin gestaltet, sondern du sollst beobachten lernen, wie es ein Seelisch-Geistiges ist, und dieses Seelisch-Geistige, ob man es nun Ätherleib nennt oder wie man es nennen will, im Leiblichen arbeitet. Denn dadurch lernt man erkennen, wie es erst am Leibesgestalten arbeitet im Zahnbilden, das aus dem ganzen Leibe heraus kommt, und dann arbeitet in dem Grunde der Vorstellungen, so daß sie bleibend werden können, diese Vorstellungen. Und so können wir sagen: Beim Zahnwechsel wird eigentlich der Ätherleib erst geboren; bis zum Zahn-wechsel wirkt er noch im physischen Leib drinnen; da gestaltet er das­jenige, was im Zahnwechsel kulminiert. Dann wird er frei und arbeitet in der Bildung von Vorstellungen, die erinnerungsmäßig bleiben kön­nen. Und später sprechen wir von dem selbständigen Ich, das vorzugs­weise im Willen konzentriert ist, das sich aber auch in dem Werden der Sprache, in dem richtig geschauten Werden der Sprache ankündigt. Wir reden davon, daß der Wille erkannt wird, wenn man ihn nun nicht einfach bloß seelisch vergleicht mit dem Vorstellen, sondern wenn man ihm ansieht, wie er tätig ist an der Sprachbildung als an etwas ganz Konkretem. Wir erkennen in dieser Willensbildung die Ich-Entwickelung,

je moet leren waarnemen hoe je niet alleen maar aan het lijk of iets dergelijks uiterlijke natuurwetenschap anatomisch, fysiologisch moet studeren, hoe zich de lichamelijke ontwikkeling in de eerste jaren van een kind tot het zevende jaar verloopt, maar je moet leren waarnemen hoe het iets van geest en ziel is en of je dat nu etherlijf noemt of hoe je het ook noemen wil, op het lichamelijke inwerkt. Want daardoor leer je kennen hoe dit eerst aan de vorming van het lichaam werkt in de vorming van de tanden wat uit het hele lijf komt en dan basaal werkt aan de voorstellingen zodat die blijvend kunnen worden. En dan kunnen we zeggen: bij de tandenwisseling wordt eigenlijk het etherlijf pas geboren; tot aan de tandenwisseling werkt dit nog in het fysieke lijf; daarin vormt het, wat uitmondt in de tandenwisseling. Dan wordt het vrij en werkt aan het vormen van voorstellingen die in de herinneringen blijvend kunnen worden. En later spreken we van een zelfstandig Ik, dat allereerst in de wil geconcentreerd is, dat zich echter ook in het ontstaan van de spraak, in de op de juiste manier bekeken wording van de spraak zichtbaar wordt. Wij zeggen dat de wil gekend wordt, wanneer je deze niet eerst als zielenaspect eenvoudigweg vergelijkt met het voorstellen, maar wanneer je deze beschouwt in hoe hij werkzaam is aan het vormen van het spreken, als aan iets heel concreets. Wij kennen in deze wilsvorming de ontwikkeling van het Ik

blz. 25

die man für sich verfolgen muß, und mitten drinnen sehen wir dasjenige, was zwischen Ätherleib und Ich liegt, was gerade in der Sprache zum Ausdrucke kommt, was besonders beachtet werden muß in den ersten Volksschuljahren in der pädagogischen Kunst.
Wir sehen da, was das eigentlich Seelische des Menschen ist. Es lebt im werdenden Kinde so, daß, wenn das Kind nun zur Volksschule kommt und gerade unter dem Einflusse der Kräfte des Zahnwechsels steht, das Intellektuelle noch gar nicht herauskommt; aber das Willens­artige schießt während der Volksschulzeit von Woche zu Woche, von Monat zu Monat in das Leibliche hinein, in dem es sich lokalisiert. Weiß man dies, so wird man im Volksschullehrplan dasjenige drinnen haben, was in der richtigen Richtung liegt, so daß es dieses Hineingestalten des Willens in den Intellekt fördert. Wenn man so versteht, was Wille, was Intellekt ist, und auch beobachten kann, wie bei man­chem Kinde von Monat zu Monat, von Jahr zu Jahr der Wille, der sich lokalisiert im Sprechen, der Intellekt, der sich zurückgezogen hat in das Geistig-Seelische, zusammenwirken, erst dann versteht man, was man da zur leiblichen und seelischen Erziehung und zum Unterricht des Kin­des tun muß; erst dann betrachtet man die Pädagogik als Kunst und erkennt, wie man erst das Material, die Menschennatur, verstehen muß. Wie der Bildhauer Ton oder Erz hat und dieses bearbeiten muß, wie man die Farben und so weiter bearbeiten muß, so muß der päd­agogische Künstler verstehen, wie man den Willen hineinarbeitet in den Intellekt, wie man wirkt, um die richtige Ineinanderfügung, die rich­tige künstlerische plastische Gestaltung des Intellektes, der sich bis zum 7. Jahre geboren hat, durch den Willen vorzunehmen, der sich unter den Händen des Volksschullehrers entwickelt bis zur Geschlechtsreife hin.

die je op zich moet volgen en in het midden zien wij wat tussen etherlijf en Ik ligt, wat ook in het spreken tot uitdrukking komt, waarop in het bijzonder moet worden gelet in de eerste jaren van de basisschool, in de pedagogische kunst.
Wij zien hier wat eigenlijk de ziel van de mens is. Die leeft in het wordende kind zo, dat wanneer het kind op de basisschool komt en dan net door de krachten van de tandenwisseling beïnvloed wordt, het intellectuele nog helemaal niet naar buiten komt; maar het wilsmatige stroomt gedurende de basisschooltijd  van week tot week, van maand tot maand in het lichamelijke waarin het zich lokaliseert. Wanneer je dit weet, dan zul je in het leerplan van de basisschool datgene hebben wat in de juiste richting gaat, zodat het deze vorming van de wil in het intellect ondersteunt. Wanneer je op deze manier begrijpt wat wil is, wat intellect is en je kan waarnemen hoe bij veel kinderen van maand tot maand, van jaar tot jaar de wil die zich in het spreken lokaliseert, het intellect dat zich teruggetrokken heeft in geest en ziel, samenwerken; dan begrijp je pas wat je voor een lichamelijke en psychische opvoeding en voor het onderwijs van het kind moet doen; pas dan beschouw je de pedagogiek als kunst en dan weet je hoe je eerst het materiaal, de natuur van de mens, moet begrijpen. Zoals de beeldhouwer klei en ijzer heeft en deze moet bewerken, hoe je met kleur enz. moet werken, zo moet de pedagogische kunstenaar begrijpen hoe hij de wil werkzaam laat zijn in het intellect, hoe hij bezig moet zijn om het juiste samengaan, de juiste kunstzinnige plastische vorming van het intellect dat zo tegen het 7e jaar geboren wordt, dat door de wil moet worden bewerkstelligd die zich in de handen van de basisschoolleerkracht ontwikkelt tot aan de geslachtsrijpheid.

Voor een nadere uiteenzetting, uitleg e.d. van de door Steiner gehanteerde begrippen, o.a. vierledige mens; denken, voelen, willen; Körper/Leib = lichaam-lijf; enz.: zie Antroposofie een inspiratie

Rudolf Steiner over pedagogie

Rudolf Steiner: alle artikelen

[1] GA 301: Die Erneuerung der pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft

[2] 1e voordracht (Duits)

1267-1182

..

VRIJESCHOOL – Getuigschriften (8)

.

De getuigschriftspreuk – een wezenlijke ontmoeting met de leerling

Elk jaar staat de klassenleerkracht op de vrijeschool voor de opgave voor elk van zijn leerlingen een getuigschriftspreuk te maken of te zoeken hoe deze de leerling het komende schooljaar kan begeleiden.

De dramatiek van de kinderlijke ontwikkeling ligt voor de wordende jonge mens in de uitdaging zijn door de erfelijkheid gevormde lichaam en zijn door de omgeving gestemde ziel zo te veranderen dat deze geleidelijk in staat raken om de persoonlijkheid zelf tot uitdrukking te brengen.
De beeldinhoud van deze getuigschriftspreuk, die naast het tekstgedeelte ook wordt gegeven, kan de volgende stap die te zetten is, verduidelijken, bij deze verandering helpen en een weg wijzen naar de toekomst.
Het is altijd schipperen tussen ‘je weet wat de bedoeling is en toch heb je er geen goed gevoel bij’ en een te vage aanduiding die niet aankomt. Buiten de inhoud om werken klanken en ritme in het herhaaldelijk oefenende spreken voor de klas.

Aan het eind van het eerste schooljaar heb je een aanbod van sprookjesbeelden, waarbij het niet steeds makkelijk is, om deze kort samen te vatten.

Als voorbeeld hier het sprookje van het Ezeltje, dat wanneer hij op zijn instrument speelt, zijn ware wezen als prins vindt:

(p.w.: ik heb de Duitse tekst hier niet overgenomen+ ook geen vertaling gemaakt van de spreuk. Wie het beeld dat gebruikt is wil zien, volge de link naar het artikel. )

Ook gelijkenissen uit de natuur zijn geschikt. De volgende spreuk werd – aan het eind van de eerste, dus voor de tweede klas – aan een zeer tere blonde jongen gegeven, die door zijn sanguinisch temperament zich niet voldoende met de aarde kon verbinden. Voor zijn gevoelsleven leidde dit niet kunnen verbinden tot pijnlijke ervaringen met zijn klasgenoten.
(zie spreuk in artikel:  ‘Ein Blümlein fein……’)

In zekere zin homeopathisch (similia similibus curantur – het gelijke wordt door het gelijke genezen) begint de eerste strofe bij de bestaande situatie; in de jambische versmaat ( v -) voelde de jongen zich wel thuis. In de wat meer strijdvaardige anapest (vv -) die wij samen gestampt en geklapt hebben, vindt de confrontatie met de elementaire krachten van de aarde plaats, die tot de bange vraag leidt of dan zo’n kwetsbaarheid opgewassen is tegen deze beproeving.
De laatste vier regels houdt jambisch weer een verzoening in, zeker met de hint naar het wortelen.
Zulke gezichtspunten worden natuurlijk niet bij de kinderen tot bewustzijn gebracht; die werken door het doen.

Een zeer teruggehouden meisje met een sterk innerlijk leven kreeg deze spreuk om op aarde meer thuis te raken.
(Zie spreuk in artikel: ‘Ein Baum steht…..’)

Een jaar later – in de derde klas – kreeg het meisje een soortgelijke spreuk, die zich nu echter, daar rond het 9e/10e jaar het Ik-gevoel sterker wordt, meer in de zielenruimte afspeelt (vreugde-leed)
(Zie spreuk: ‘Wie die Weber….’)

In de periodestof van de derde klas zitten prachtige beelden. De trochee (- v) met de ledematen gedaan, werkt op de wil die tot een bruikbaar instrument te vormen is wat in het beeld van de smid opgeroepen wordt.
(Zie spreuk: ‘Halt das Eisen ……’)

Deze directe vorm van een uitdaging kan zeer sterk beleefd worden. Men moet echter niet vergeten, dat de spreuk door de leerling zelf gesproken wordt, dus eigenlijk aan de klas gericht wordt.

Wanneer een kind makkelijk de draad van zijn gedachtegang verliest, moet het maar spinnen…..
(Zie spreuk: ‘Sieh, wie die Spinnerin…..’)

Rudolf Steiner wijst erop dat het de wil sterker maakt, wanneer we de nieuwe regel met hetzelfde woord laten beginnen, waarmee de vorige regel eindigt.
(Zie spreuk: ‘Müller, lass’die …..’)

Vervolgens zullen we een zeer wakkere, intelligentie jongen door de derde, vierde en vijfde klas volgen.
(Zie spreuk: ‘Tobias der Töpfer …..’)

De jongen met de ietwat ‘dunne huid’ neemt zeer snel op, maar het is moeilijk voor hem om zijn handen krachtig en handig te gebruiken. Ook heeft hij moeite met de gebieden die alleen door herhaald oefenen toegankelijk worden. Zijn spreuk voor de vierde klas sluit op een humorvolle manier bij de menskundeperiode aan.
(Zie spreuk: ‘Der Kopf liegt auf—–‘)

Omdat het hem begrijpelijkerwijs door zijn leeftijd nog aan onderscheidingsvermogen ontbreekt, is hij door zijn wakker opnamevermogen uitgeleverd aan alle indrukken uit zijn omgeving.
In de vijfde klas – Griekenland wordt in de oude geschiedenis besproken – biedt Odysseus zich aan met de verlokkende sirenen. (Hier vrij naar Kafka: ‘Das Schweigen der Sirenen’)
(Zie spreuk: ‘Sieh, wie der list’ge…..’)

Heel anders,  door klinkende vocalen,  probeert deze spreuk een timide kind in de vierde klas aan te moedigen, zich te laten zien.
(Zie spreuk:´Gusseiserne Glocken…..´)

Soms kan het nodig zijn om in te gaan op een voorval in het levenslot van het kind dat hem een klap gegeven heeft. Van dit kind was de vader gestorven.
(Zie spreuk: ‘Was kreucht im Gras…..’)

Wie kent hem niet, de cholericus, die iedere moeilijkheid door strijd wil oplossen? De rustig voortschrijdende hexameter en het voorbeeld van Herakles moeten helpen.
(Zie spreuk: ‘Nicht allein die Giganten….’)

De Griekse sagen zijn een echte goudmijn. Wat voor beeld is meer geschikt om de kracht van de fantasie te bezweren?!
(Zie spreuk: ‘Das Haupt der Medusa….’)

Deze jongen heeft sterk ontwikkelde vormkrachten. Hij beweegt zich hoekig en wat hij maakt, is buitengewoon precies, maar star. Ook is hij zeer op zichzelf gericht.
(Zie spreuk: ‘Schneekristall!’)

Maar genoeg voorbeelden! En passant – ieder kind spreekt zijn spreuk een keer per week – verinnerlijken de kinderen in de loop van het jaar ook de spreuken van hun klasgenoten. Is er een kind ziek, dan neemt een ander kind het graag over om die spreuk te zeggen.

Door de jaren heen is er in de schoolbeweging een aanzienlijke schat aan openbaar gemaakte en ondershands doorgegeven spreuken ontstaan. Niet iedere leerkracht zal zich in staat achten, zelf actief bezig te gaan. Om de juiste spreuk uit die voorhanden zijn te kiezen, moet men zich toch, buiten dat wat in het getuigschrift wordt gezegd, met het wezen van het kind verbinden. Bijzonder werkzaam kan die verbinding dan zijn, wanneer uit het innerlijke beeld dat men van het kind heeft en het uiterlijke beeld van de lesstof, de getuigschriftspreuk als mijlpaal ontstaat.

Voor buitenstaanders die nooit ervaren hebben, hoe zeer de kinderen zich op hun nieuwe spreuk verheugen en met welke ernst ze er dan mee omgaan, kan de vraag blijven hangen, of de leerkracht het ‘recht’ heeft zulke ‘spreuken’ uit te delen. In de derde klas had ik een essentiële ervaring:
nadat alle kinderen hun getuigschriftspreuk gekregen hadden, vroeg een leerling mij: ‘Hebt u eigenlijk ook een getuigschriftspreuk?’ Godzijdank had ik er een! ‘Mogen we die ook eens horen?’ Toen werd het heel stil in de klas en ik sprak ‘mijn getuigschriftspreuk’, een korte meditatieve tekst. Die hebben de kinderen hoogstwaarschijnlijk niet begrepen; maar begrepen hebben ze wel dat de volwassene ook op weg is.

Iedere leerkracht gaat op eigen wijze met het opvoedingsmiddel ‘getuigschriftspreuk’ om. Zo zal ook ieder zijn eigen manier ontwikkelen om te dichten. Daartoe willen deze voorbeelden een stimulans zijn. Uitgebreide hulp vind je in de boeken van Heinz Müller [1], Martin Tittmann,[2]  Lore Schäfer [3] en Martin Georg Martens. [4].

Met een kleine raadgeving zou ik willen besluiten:
Dikwijls verging het me zo dat ik mij ’s avonds installeerde en met de beste wil probeerde, een getuigschriftspreuk te ‘maken’. Maar het ging niet. De volgende morgen – dikwijls bij het scheren – flitste het beeld door me heen, waarnaar ik de vorige avond tevergeefs had gezocht! (Deze methodische aanwijzing moet voor vrouwen en dragers van een baard natuurlijk worden veranderd…..)
In een getuigschriftspreuk uitgedrukt:
Zie de spreuk: ‘Im Lebenden und …..’) [5]

.

Johannes Denger,  ‘Erziehungskunst, 50e jrg.nr.5, 1986
.

Heinz Müller:  Von der heilenden Kraft des Wortes und der Rhythmen’. Stuttgart, 1967;|
Martin Tittmann: Zarter Keim die Scholle bricht …., Stuttgart 1981.
Lore Schäfer: Zeugnissprüche und Klassenspiele, Stuttgart 1980
Helmut v. Kügelgen: Spiele und Zeugnissprüche.
[4] Martin Georg Martens, ‘Rhythmen der Sprache – Ihr Leben im Jahreslauf. Studienmaterial der Freien Hochschule für Geisteswissenschaft Goetheanum.

[5] Alle getuigschriftspreuken in dit artikel kunnen met de notitie ‘van Johannes Denger’ worden gebruikt.

Adaptief onderwijs voor Vrije Scholen’ . Jansen / G. Reijngoud
Uitgave: Begeleidingsdienst voor vrijescholen.
Maart 2002

.

Getuigschriften: alle artikelen

Rudolf Steiner over getuigschriften
.

1265-1180

.

.

..

VRIJESCHOOL en antroposofie – alle artikelen

.

Rudolf Steiner over: antroposofie en vrijeschool; wereldbeschouwelijke school; antroposofische leer.

[1-1]  ‘antroposofisch’ onderwijs
De vrijescholen bestaan in 2019  100 jaar; in Nederland in 2023. In die 100 jaar zijn er veel (voor)oordelen (hardnekkig) blijven bestaan; over het ‘vrije’ bijv.; ook over de rol van de antroposofie; enige antroposofische gezichtspunten t.a.v. bloed en zenuw en in verband hiermee een paar voorbeelden uit de onderwijspraktijk.

[1-2] ‘antroposofisch’ onderwijs
Voorbeeld van het waarnemen van een kind en een pedagogische behandeling.

[1-3] ‘antroposofisch’ onderwijs
Voorbeeld van omwerken van antroposofische gezichtspunten naar pedagogiek.
Een kind met te veel fantasie en hoe het geholpen werd. Karakteriseren i.p.v. definiëren, vooral bij het waarnemen van kinderen. Een lijst met aandachtspunten voor de kinderbespreking.

[1-4] ‘antroposofisch’ onderwijs
In 1919 hoogst ongebruikelijk in het onderwijs, op de vrijeschool vanaf die tijd vanzelfsprekend: handenarbeid en handwerken voor jongens én meisjes; ze zitten ook samen in een klas; invloed van motorische activiteit op het brein en leren schrijven

Is ‘antroposofisch’ onderwijs indoctrinatie?

[2-1]
De Fransman Perra, lang lid van de Antroposofische Vereniging in Frankrijk en jarenlang vrijeschoolleerkracht beschuldigt de vrijescholen in Frankrijk dat ze kinderen indoctrineren d.m.v. het vertellen van sprookjes.
In zijn artikel toont hij dit niet aan.

[2-2]
De Fransman Perra, lang lid van de Antroposofische Vereniging in Frankrijk en jarenlang vrijeschoolleerkracht beschuldigt de vrijescholen in Frankrijk dat ze kinderen indoctrineren d.m.v. het dierkundeonderwijs in klas 4. Het gevaar van een standpunt is dat je maar één aspect ziet. Ik zie dat vanuit mijn standpunt weer heel anders.

Is de vrijeschool een antroposofische school?
De Vlaamse pedagoog Luc Cielen, ex-vrijeschoolleraar, oprichter van scholen met veel steinermethodiek,  stelt deze vraag en beantwoordt die in – stand eind febr. 2018 – elf artikelen.
Hij toont dit vanuit een bepaald (zijn) standpunt aan. Er is echter ook een ander standpunt mogelijk en dan is daar geen sprake van.
.

[3-1/1]
Een discussie over ‘Atlantis‘. Is het ‘Atlantis van Steiner’ lesstof in klas 5

[3-1/2]
Vervolg van [3-1/1] over antroposofie in het geschiedensionderwijs van de 5e klas.

[3-1/3]
Over dierkunde.
Is het drieledig mensbeeld iets exclusief ‘antroposofisch’? Cielen vindt van wel en dus: wanneer je dit gebruikt in het dierkunde-onderwijs, is dit (te) ‘antroposofisch’.
Maar ‘hoofd, romp, ledematen’ is geen antroposofisch bedenksel. Het ‘via de mens naar de dieren’ is een briljante vondst om kinderen op een respectvolle manier met hun leefwereld te verbinden.

[3-1/4]
Over plantkunde:
De vergelijking ontwikkeling kind – planten op de ‘plantenladder’ is eveneens een briljante vondst om kinderen met hun leefwereld te verbinden.

[3-2]
Over de morgenspreuk in de lagere klassen:
Is de spreuk van een ‘geloofsbelijdenis’, of juist iets ‘algemeen menselijks’. Om kinderen innerlijk vertrouwen te geven. Dat staat ver van ‘indoctrinatie’.

[3-3]
Over de morgenspreuk in de hogere klassen:
Er wordt iets beweerd wat niet waar is: niet alleen de mens heeft een ziel, ook het dier; een dubieuze opvatting over het woord ‘rusten’; een vergissing te denken dat de ‘de geest’ boven alles staat; verwarring over ‘de ziel een woning geven’; verschillende opvatting over ‘geloof’; een zwak argument bij ‘indoctrinatie’

[3-4]
Over meer spreuken:
Een willekeurige (niet van Steiner) spreuk als pars pro toto. Verkeerde vergelijking met dierkunde; wonderlijke gevolgtrekkingen die op indoctrinatie zouden moeten wijzen; 

[3-5]
Over nog meer spreuken:
Luc meent dat ‘de’ vrijeschool de antroposofie aan de leerkracht opdringt. Maar geen enkele leerkracht wordt (van staatswege) gedwongen op een vrijeschool te gaan werken: je kiest zelf. Dan kies je ook voor de achtergronden. Een kromme redenering leidt tot de conclusie dat ‘er dwang is, en dat dit
 in tegenspraak is met de beleden vrijheid’

[3-6]
Over nóg meer spreuken:
Dat ook vaklessen met een spreuk zouden moeten beginnen en eindigen is onjuist. Dat kan, maar hoeft niet; een lied een gedicht volstaat; dat leerkrachten bij bepaalde gelegenheden ‘onder ons’ een spreuk zeggen, als werkmotto b.v. speelt zich af buiten het zicht van de leerlingen; of een getuigschriftspreuk dwang is? Luc erkent de waarde van een ‘tafelspreuk’, zo erken ik de waarde van andere spreuken: moreel kunnen ze mens en wereld verrijken; daardoor kunnen ze niet indoctrinerend genoemd worden.

[3-7]
Over ‘het’ schoollied:
Dat sommige scholen een schoollied hebben, is niet direct als ‘iets van de vrijeschool’ te noemen. Steiner heeft zich er nooit over uitgelaten. Het hebben van een schoollied is dus een individuele schoolaangelegenheid. Dat geldt ook voor de gekozen inhoud. Dat moet niet uitmonden in het zingen van antroposofische inhouden.

[3-8]
Kan een atheïst of agnost vrijeschoolleerkracht zijn:
Luc beweert van wel; ik van niet: hoe zou je met een mensbeeld waarin ‘de geest’ een centrale rol speelt, kunnen werken, als je de geest ontkent.
Kan een vrijeschool zonder Steiner?
Luc beweert van wel; ik beweer dat je dan hetzelfde zegt als dat de hand los van het lichaam zinvol kan bewegen.

[3-9]
Jaarfeesten
Op de vrijescholen worden jaarfeesten gevierd. Luc vindt dat de christelijke elementen eruit moeten: terug naar de natuurfeesten. Hij ziet de zin van het michaëlsfeest aan het begin van de herfst niet, maar zinnige gezichtspunten daarover zijn ook op deze blog te vinden: Michaël – alle artikelen
Ik:
Michaël neemt een prominente rol in in allerlei kunstuitingen. Waarom zou je die de kinderen moeten onthouden. En waarom zouden ze ‘moed’ en ‘strijdvaardigheid’ niet als beeld mogen beleven?

[3-10]
euritmie en bothmergymnastiek
Door een verwijzing naar Wikipedia om daar te weten te komen wat bothmergymnastiek is, lijkt me geen basis om te kunnen constateren dat deze vorm van onderwijs ‘antroposofisch’ zou zijn.
Ook Lucs opmerkingen over de euritmie blijven ongenuanceerd aan de oppervlakte. Hij beweert iets over een klank, wat volkomen in tegenspraak is met wat er over die klank door Steiner is opgemerkt. Uit Lucs gebruikte ‘waarschijnlijk’ blijkt geen zeker weten: daarmee komt zijn bewijs op nog lossere schroeven te staan. Ook bij zijn opvatting over ‘tooneuritmie’ mist hij een paar essentiële zaken. Bij ‘intervallen’ zou het tekortschieten, waarvan echter door Luc niets aangetoond wordt.

[3-11]
muziek

In de lagere klassen van de vrijeschool worden naast bekende bestaande kinderliedjes ook pentatonische gezongen en liedjes in de stemming van de zgn. kerktoonladders. In niet-pedagogische voordrachten heeft Steiner over deze ‘stemmingsmuziek’ het e.e.a. gezegd. Voor sommigen is dat aanleiding geweest om daar in het leerplan muziek rekening mee te houden. Maar omdat Steiner iets over pentatoniek heeft gezegd, is het zingen van pentatonische liedjes nog geen ‘antroposofisch’ onderwijs.

.

1261-1176

.

VRIJESCHOOL – Getuigschriften (7)

.

een bijdrage voor het maken van getuigschriftspreuken

Van de redactie:
Het is een opdracht aan de klassenleerkracht van de vrijeschool die zijn klas door 8 schooljaren heen begeleidt, naast een karakteriserend getuigschrift – dat meer voor de ouders bedoeld is – ieder kind een getuigschriftspreuk mee te geven op de weg door het volgende schooljaar.*
Deze spreuk die het kind eenmaal per week voor de klas spreekt, moet voor alles een gezonde lichamelijke ontwikkeling mogelijk maken, alsmede die van ziel en geest. Hindernissen bij de ontplooiing van de in het kind aanwezige krachten worden niet door een morele oproep in zo’n spreuk aangepakt; veel eerder werkt de spreuk door het beeld, dat het beschrijft, door de klank en het ritme impulserend en vereffenend in de gevoels- en wilssfeer, zelfs tot in ademhaling en hartslag. 

Dankbaar neemt de klassenleerkracht naast de vertrouwde boeken [1] kennis van nieuwe publicaties van getuigschriftspreuken en is blij met de veelheid aan beelden, ritmen en rijmen, met iedere aparte spreuk.
Hij heeft wel een vermoeden van wat er in de loop van een jaar tot stand gekomen is, weet uit eigen ervaring de achtergrond, beoordeelt de spreuken als een verdichting van eigen individuele resultaten, waaruit ook iets algemeens spreekt. Kostbare edelstenen zijn het, hij ervaart de waarde, hun elan ook, maar helemaal duiden kan hij ze toch niet. Pas in samenhang met degene voor wie ze gemaakt zijn, krijgen ze hun glans, komen de facetten tot volle werking in de  individuele verhouding  tussen de leerling en de leerkracht die de spreuk voor deze heeft gemaakt.

Bijzonder stimulerend is het voor mij, ieder jaar het boekje van Heinz Müller te bestuderen waarin hij de meest uiteenlopende gezichtspunten geeft. De gezondmakende kracht van de ritmen, de verandering ten goede door de werking van de klinkers en de medeklinkers, tot de veranderingen die de spreuken in de loop van de jaren bij een kind kunnen ondergaan.

Hoewel Heinz Müllers verzameling schier onuitputtelijk is, legt hij er meer dan eens de nadruk op de getuigschriftspreuken zelf te maken; slechts aanwijzingen en aansporingen bevat zijn verzameling, hoe de getuigschriftspreuken door de individuele leerkracht zelf te maken zijn.
Het overnemen ziet hij als noodgeval. Die opmerking gaat terug tot Rudolf Steiner, door wie Heinz Müller met betrekking tot de spreuken rechtstreeks gestimuleerd werd.
Zodra Rudolf Steiner over de getuigschriften komt te spreken, geeft hij de voorkeur aan de zelfgevonden spreuk boven de gekopieerde, ook wanneer de eigen spreuk slechter of onbeholpener is. ‘Wanneer deze niet goed is, merkt u dat wel. U moet de spreuk wel het hele jaar aanhoren. In het ergste geval moet u een nieuwe maken’.

Dat is mij meer dan eens gebeurd, gelukkig steeds voor het schooljaar ten einde was en de getuigschriften uitgedeeld.
Dan was er een spreuk klaar, weer een, de vijfentwintigste, ik was blij! Maar deze liet mij niet met rust, is hij echt goed? Het beeld past haarscherp (ietsje te scherp), dan was er een bepaalde geschiktere wending in het ritme, daarvan wil je niet graag afzien. En wanneer zo’n spreuk je dan 14 dagen niet met rust laat, kun je beter een nieuwe maken, die vind je dan ook.

De opdracht van Rudolf Steiner de spreuken zelf te maken, kun je in het begin beleven als zoveel waartoe hij je aanspoort, als een onredelijke eis, je bent tenslotte geen dichter. Je moet er wel de moed voor hebben, aan de andere kant hecht Rudolf Steiner geen waarde aan perfectie.
Wezenlijk is de kracht van het eigen streven, zoals in heel ons onderwijs, en de stemming van beeld en ritme, klanken ook, in verhouding tot wat de leerkracht nodig acht in die innerlijke ontmoeting met de leerling.
Dat is niet alleen een probleem, er is ook veel wat fijn, teer, licht is.

De getuigschriftspreuken, ook al het andere, spel en rijm, ontstaan uit de klassengemeenschap. Zonder de klas zouden de spreuken niet ontstaan. Hieruit bestaat voor mij het meest wezenlijke verschil tussen de klassenleerkracht en de dichter, die in zijn vormgeving vrij is. Met andere woorden, de dichter heeft het in zich heel de wereld te dragen, wij klassenleerkrachten, bezitten daarvan maar een heel klein deel, alleen onze klas, – ook een wereld.

Wanneer het tijd is om de getuigschriftspreuken voor te bereiden en ik mij heel intensief met ieder kind bezighoud, klinkt er vanuit de achtergrond iets door mij heen, ik kies een ritme, vind een regel, vang een beeld op. Een wezenlijk deel van de voorbereiding voor de spreuken is dat iedere klassenleerkracht de formulering van de getuigschriftspreuk goed voor elkaar krijgt.
Op deze voorbereide akker kiemt de getuigschriftspreuk makkelijk.
Het kost wat moeite, wat tijd. Maar zeker minder dan de tijd die het kost om uit verzamelingen een keus te maken die weloverwogen is. Dus het is ook economischer de spreuken zelf te maken.

Hoe vaak het mij nu al gelukt is, met een paar uitzonderingen, alle spreuken voor de kinderen van mijn klas zelf te maken, staat de opdracht toch ieder jaar als een berg voor me en ik twijfel en ben onzeker of deze ook dit jaar weer te bedwingen is. Natuurlijk begin je niet onvoorbereid aan een bergbeklimming. Ieder jaar pak ik eerst het boekje van Heinz Müller, breng me de gezichtspunten weer onder de aandacht die voor het maken van de spreuken nodig zijn. Nuttig is het om in de talrijke verzamelingen te bladeren, door de beelden en stemmingen te dwalen, hun ritmen op je in te laten werken. Impulsen met meer kracht gaan uit van Morgenstern, Rilke, Goethe.

Soms kwam het voor dat ik voor een kind geen spreuk kon maken en ik mijn toevlucht moest nemen tot een niet eigen spreuk. Van een meisje uit de vijfde klas kreeg ik een verwijtende blik toen ik haar een spreuk van Goethe gaf – en terecht, hij werkte in onze situatie te algemeen en zwak.
Aan de andere kant is voor mij het proces waarin de spreuk samen met het getuigschrift ontstaat, niet willekeurig herhaalbaar, wanneer er in het nieuwe schooljaar een kind bijkomt, ook wanneer men het na zes weken al tamelijk goed kent. Voor zulke kinderen die later kwamen heb ik in het eerste jaar een bestaande spreuk gezocht.
Het zoeken naar getuigschriftspreuken verloopt altijd weer anders. Een keer stond mij bij het ontwerpen een ritme, een beeld zo direct voor de geest, dat de spreuk zich meteen liet formuleren. Een andere keer ontstond er eerst een zin, een ritme, een beeld en de spreuk liet nog een poos op zich wachten. Het ene jaar ontstonden de spreuken uit intensieve natuurwaarnemingen voor ieder kind, aan het bureau; een ander jaar ontstonden de spreuken waarvan de beelden meer uit de periodenstof kwamen, wanneer ik aan het wandelen was.  Steeds meer ging ik ertoe over geschikte beelden uit de lesstof te halen en die op de kinderen te betrekken. Dikwijls ga ik uit van het ritme dat ik bij het eerste ontwerp voor het getuigschrift opgetekend heb, beelden en rijm ‘vallen er dan in’.

Steeds duidelijker kwam ik tot de ontdekking dat de spreuken niet alleen met het individuele kind te maken hebben, maar voor de hele klas worden gegeven. De wederzijdse interesse voor de spreuken is buitengewoon groot. Dikwijls merken kinderen die in de klas niet veel met elkaar hebben, over en weer hun spreuken op. Aan het eind van het schooljaar kennen veel kinderen de spreuken van hun kameraden.
Aan de andere kant heb ik steeds weer, wat ik inhoudelijk vind en in de klas levend wil houden, tot spreuk gevormd, aan een kind gegeven, minder om aan zijn persoonlijke problemen te werken, meer als lichtend voorbeeld voor de klassengemeenschap. Af en toe was daar ook een spreuk bij die ik voor het periodenonderwijs bedacht had.

Tegen het einde van het schooljaar mogen de kinderen in plaats van hun eigen, de spreuk van hun klasgenoten opzeggen. Dan let ik erop dat op één dag de spreuk maar een keer klinkt.
Zelf zeg ik deze tijd, zo’n beetje vanaf Pinksteren, een nieuwe spreuk, zonder een naam te noemen. Vaak valt er een devote stilte. Dan worden de vermoedens voor wie deze spreuk wel zal zijn uitgesproken en het komt voor dat de juiste kinderen zich aangesproken voelen.

Tot in de middenklassen, zolang de getuigschriften aan de ouders gericht zijn, vormen de spreuken het meest wezenlijke deel waarmee de kinderen op de laatste schooldag naar huis gaan, de vrucht van het jaar.|
Die dichtgeplakte getuigschriftenvelop kan dat natuurlijk niet  zijn. Woord en inhoud van het getuigschrift zijn allang vergeten, spreuken  worden na vele jaren nog herinnerd.

Toen ik voor de eerste keer getuigschriften schreef, kreeg ik een dag van te voren de suggestie de getuigschriftspreuken op een apart blad of op een kaart te schrijven en op deze manier de kinderen hun eigen getuigschriftspreuk ter hand te stellen. Voor dit voorstel was ik zeer dankbaar, hoewel  ik toen een nacht door moest werken. Ik heb de bladen steeds in het handschrift geschreven dat ik gedurende dat jaar met de kinderen had geoefend.

In deze bijdrage voor het maken van getuigschriftspreuken zijn een paar ervaringen vastgehouden die ik bij het tot stand brengen van de spreuken heb opgedaan. Zeker zijn er nog andere invalshoeken en belevenissen. Voor mij kwam het eropaan te laten zien dat het op geen enkele manier verkeerd is de spreuken zelf te maken, dat ons, klassenleerkrachten, deze opdracht terecht is gegeven en dat wij daaraan ook kunnen voldoen. Daarvoor wilde ik een hart  onder de riem steken.

Christian Gerblich, Erziehungskunst 05-1990

.

*Naast ‘voor het volgend (school)jaar’ zegt Steiner ook, ‘voor de toekomst’. (P.W.)

.

Heinz Müller:  Von der heilenden Kraft des Wortes und der Rhythmen’. Stuttgart, 1967;|
Martin Tittmann: Zarter Keim die Scholle bricht …., Stuttgart 1981.
Lore Schäfer: Zeugnissprüche und Klassenspiele, Stuttgart 1980
Helmut v. Kügelgen: Spiele und Zeugnissprüche.

Adaptief onderwijs voor Vrije Scholen’ . Jansen / G. Reijngoud
Uitgave: Begeleidingsdienst voor vrijescholen.
Maart 2002

.

getuigschriften: alle artikelen

Rudolf Steiner over getuigschriften

.

1258-1174

.

.

VRIJESCHOOL – Getuigschriften (6)

.

De pedagogische opdracht van de getuigschriftspreuken

Met een regelmaat waarvoor we dankbaar kunnen zijn, publiceren collega’s in ‘Erziehungskunst’ stimulerende en helpende bijdragen over het thema getuigschriftspreuken.

Wie zich als klassenleerkracht zijn eerste jaren van het leiden van een klas herinnert, weet hoe dankbaar je kunt zijn voor iedere stimulans, voor iedere hulp die je bij dit thema kreeg. Verzamelingen van geschikte spreuken, zelfgemaakte en van anderen, werden (en worden) graag gebruikt, tot het dan op een dag lukt de spreuken voor de kinderen van de eigen klas zelf te maken.

Met de bedoeling er nog een aan dit thema toe te voegen, werd dit artikel gemaakt, waarin een paar voorbeelden uit de praktijk worden genomen; wellicht kan het  deze of gene stimulans overbrengen.

Al de hier weergegeven spreuken zijn van de auteur en mogen naar genoegen verder gebruikt worden, eventueel met veranderingen, als dat in de individuele situatie voor een kind nodig is.

De aanzet om de kinderen van de onder- en middenklassen een zinnige spreuk, een getuigschriftspreuk te geven, samen met het jaarrapport, danken wij aan Rudolf Steiner.
Naast zijn dagelijkse lessen en de karakteristiek die in het jaarrapport staat, heeft de klassenleerkracht met deze jaarspreuk nog een bijkomende belangrijke mogelijkheid, zijn leerlingen extra waardevolle hulp te geven bij het zich op een goede manier ontwikkelen; bepaalde zwakheden óm te werken naar krachtige vermogens, waar te nemen wat ontbreekt en daaraan te werken.
De spreuken kunnen op de manier waarop ze geformuleerd worden, door ritme, inhoud en vorm, op een zeer subtiele, niet beklemmende manier het kind helpen en in zijn ontwikkeling positief ondersteunen.
Het kind moet echt blij zijn met zijn eigen spreuk of dat in de loop van het jaar wel worden; er zijn ook kinderen die uitgesproken trots zijn op hun spreuk.
De inhoud van de spreuk wordt met alle geboden voorzichtigheid, maar met de diepe bedoeling te willen helpen, geformuleerd, respectievelijk uitgezocht en zoveel mogelijk in een beeld gekleed. O.a. staat de inhoud van de periodenstof als ook de vertelstof van het net afgesloten jaar ter beschikking. Speciale versmaten en ritmen kan de leerkracht kiezen, wanneer hij de spreuken in een gedichtvorm opschrijft; een sanguinisch kind zal een heel andere vorm moeten krijgen dan een flegmatische leerling.
In het bijzonder aan Heinz Müller hebben we de meest waardeolle stimulans en hulp bij dit thema te danken, die hij in het boek ‘Von der heilenden Kraft des Wortes und der Rhythmen’ voor de pedagogen ter beschikking heeft gesteld.

Voor er nu geprobeerd wordt aan de hand van een paar voorbeelden te verduidelijken wat de klassenleerkracht beoogt met de getuigschriftspreuken, moet er nog gewezen worden op de mogelijkheid dat de werking van een spreuk waarop men hoopt, nog op een verfijnde manier verdiept kan worden, wanneer deze ’s avonds voor het slapen gaan, voor of na het gebed, met diepe aandacht gesproken wordt. Dat kan de klassenleerkracht aan de ouders of het kind van harte aanraden, wanneer hem dat gepast acht.

In de onderbouw was eens een jongen die door zijn persoonlijk lot tot een echte drukke deugniet was geworden. Hij ging dikwijls ongeremd en ongecontroleerd tekeer en stoeide graag. In de klas langer dan vijf minuten rustig blijven, lukte hem nauwelijks. Hij beschikte over grote lichamelijke kracht en liet dat aan zijn klasgenoten graag blijken, meisjes en jongens. Daar hij door de huiselijke situatie veel met paarden te maken had, kreeg hij de volgende spreuk in de 3e klas:
(Zie spreuk: ‘Schau dort, das Pferd, welch’edles Tier!’)

Een ander kind, uit de 4e klas deed de dingen vaak zeer oppervlakkig, kon ook zelden luisteren en werkte ongeconcentreerd. De gevolgen waren o.a. slordigheidsfouten, snel vergeten van details, een niet netjes handschrift, bij het spreken over de woorden struikelen, enz. Het kind ontbrak het aan moedkracht en zelfvertrouwen en was zeer labiel.
Voor de spreuk werd een beeld uit de huizenbouwperiode gekozen die een grote indruk op de klas (3e ) gemaakt had.
(Zie spreuk: ‘Soll das Haus von Dauer sein,……….’)

Een andere jongen uit de 4e klas kreeg met zijn mond veel voor elkaar, maar hij kon zijn ideeën minder in de daad omzetten. Hij was beslist ook geen aanpakker; het ontbrak hem vaak aan moed op zijn minst toch een poging te wagen de handen uit de mouwen te steken. Hij zat te weinig in zijn wil, zoals vandaag de dag zoveel kinderen.
De huizenbouwperiode bood opnieuw een beeld dat later met carnaval nog een keer met veel enthousiasme opgepakt werd. Voor deze jongen werd de volgende spreuk bedacht:
(Zie spreuk: ‘Entfache das Feuer,…..’)

Een geestelijk zeer goed ontwikkeld kind had met de schoolzaken geen enkel probleem. Het leerde makkelijk en snel en was ook iedere keer bereid wat hij wist, terug te houden en de klas voor te laten gaan. Zo nu en dan was er de hang naar een diepe melancholie. Dat had te maken met zijn persoonlijk lot en met de naaste volwassenen om hem heen. Op grond van zijn grote wakkerheid en rijpheid kon het de volwassenen al behoorlijk goed inschatten. Het begreep vaak meer dan zijn omgeving vermoedde, veel moest daarentegen toch een groot raadsel voor hem zijn. Dat had geen vooruithelpende werking op de tere en meevoelende ziel van het kind. Het was heel blij toen het de volgende spreuk kreeg:
(Zie spreuk: ‘So rätselhaft ist mir die Welt…..’)

Kinderen beleven tegenwoordig een wereld waarin de mensen boven alles willen graaien, bezitten en verdienen – en waarin zich menige tijdgenoot overgegeven heeft aan egoïsme  Daarachter gaat vaak een grote levensonzekerheid schuil. De kinderen beleven dat mee, weliswaar in de jeugdjaren nog onbewust, maar ze doen veel (onbewust) na. Dan kun je als leerkracht beleven dat er in de laagste klassen al kinderen zijn  die eveneens zo veel mogelijk alles zouden willen hebben en veel zouden willen weten – maar toch minder uit weethonger of interesse voor iets als wel veel meer uit een begerende zielenhouding. Thuis hebben ze vaak grote hoeveelheden knuffels, poppen of auto’s enz. Het gevaar is groot dat zij later (eenzijdige) egoïsten worden en dan moeilijkheden krijgen goed met de medemens om te gaan.
Een kind waarbij  er tekenen waren dat dit bloot lag voor deze gevaren, sprak een jaar lang de volgende spreuk:
(Zie spreuk: ‘Was du dir hast erworden….’)

In iedere klas hebben wel een paar kinderen het moeilijk zich waar te maken. Hun ontbreekt het aan moed, ze zijn te bescheiden en terughoudend. Zij weten veel, zeggen dat ook graag, maar ze aarzelen voor de klas vrij en onbelemmerd te spreken. Zou je hen een te krachtige en duidelijke spreuk geven met teveel ‘moed’ erin, dan zouden ze de bedoeling snel doorzien. Daar de ontbrekende moedskracht dus niet aanwezig is, zou er door teleurstelling een tegenovergestelde werking kunnen plaatsvinden: het kind zou nog terughoudender worden en deze niet passende spreuk met veel tegenzin spreken. Voor een meisje met deze aanleg werd de volgende spreuk gemaakt:
(Zie spreuk: ‘Im Schosse der Erde ruht sicher der Same, …..’)

Voor een jongen die eveneens zeer terughoudend was, maar na schooltijd fanatiek in de hoogste bomen klom, kon een krachtig, duidelijk beeld gekozen worden ( in dit geval met het oog op zijn hang in bomen te klimmen):
(Zie spreuk: ‘Will der Baum den Sturm besteh’n,….’)

Hoe bereik je de zielendiepte van uitgesproken flegmatische kinderen die zeer goedmoedig zijn, maar stil en meestal niet alleen boven alles van hun eten houden, maar ook al de opvallende gevolgen van goed eten in de vorm van overgewicht vertonen? Ze dromen uitgesproken graag weg en nemen slechts zelden wakker aan het onderwijsleven deel. Wakker worden ze wél tot op zekere hoogte wanneer over voedsel wordt gesproken.
Voor zo’n kind werd in de 4e klas een spreuk bedacht die in een beeld aan de leerling een spiegel wilde voorhouden, maar ook liet zien dat de weg voor de mens een andere moet zijn. Je hoeft bij deze zielenhouding van het kind geen bedenkingen te hebben, dat het beeld eventueel te direct zou zijn, wat later ook bleek:
(Zie spreuk: ‘Das Rind liegt da und ruht sich aus….’)

Wanneer aan het begin van het nieuwe schooljaar de leerling de leerkracht bedankt voor zijn spreuk en hem verzekert dat de spreuk van dit jaar van alle spreuken die het tot dan kreeg de mooiste is (dat kan ieder jaar gebeuren) dan kan de leerkracht er zeker van zijn dat hij de juiste spreuk gevonden dan wel gemaakt heeft.

Tot slot zij nog toegevoegd dat de spreuken waarnaar de kinderen met grote aandacht luisteren, ook een positieve uitwerking op allen hebben. Al gauw kunnen pakweg alle kinderen de spreuken van de klas uit het hoofd, zoal iedere klassenleerkracht weet. Ze spreken deze ook graag klassikaal voor een klasgenoot die op zijn spreukdag ziek is of afwezig.

Hier volgen nog een paar andere voorbeelden. De lezer zal zeker de bedoeling van de klassenleerkracht snel ontdekken, wat hij in het kind aanmoedigen wil of opwekken.
(Zie de spreuken die volgen)

Hans Harress in ‘Erziehungskunst’, 52e jrg. nr. 6, 1988

.

Heinz Müller:  Von der heilenden Kraft des Wortes und der Rhythmen’. Stuttgart, 1967;|
Martin Tittmann: Zarter Keim die Scholle bricht …., Stuttgart 1981.
Lore Schäfer: Zeugnissprüche und Klassenspiele, Stuttgart 1980
Helmut v. Kügelgen: Spiele und Zeugnissprüche.

Adaptief onderwijs voor Vrije Scholen’ . Jansen / G. Reijngoud
Uitgave: Begeleidingsdienst voor vrijescholen.
Maart 2002

getuigschriften: alle artikelen

Rudolf Steiner over getuigschriften

.

1257-1173

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Getuigschriften (5)

.

over het omgaan met getuigschriftspreuken

Van de redactie:
Robert Zimmer die 10 jaar geleden, kort voor zijn 77e verjaardag, stierf, kon terugkijken op een rijke arbeid als vrijeschoolleerkracht gedurende vele jaren. Van zijn werk als klassenleerkracht zijn enige spelen en vooral getuigschriftspreuken bewaard gebleven waarvan er vele al  sindsdien door het gebruik door collega’s verder werken. Alles wat bewaard is, is nu in een boekje verschenen. Het laat op een bijzondere manier de vruchtbaarheid van de vrijeschoolpedagogie zien. (‘Spreuken en spelen voor de kinderen van de vrijeschool’. Uit de nalatenschap van Robert Zimmer, uitgegeven door het college van leerkrachten van de Rudolf-Steinerschool Ruhrgebied, Bochum; 100 blz. paperback, 1983)
Dit nieuwe werkje voegt zich als een gelukkige aanvulling bij de waardevolle aanwijzingen en het mooiste materiaal in de spreukenboeken van Heinz Müller, Martin Tittmann en Lore Schäfer. Onderstaand stukje geeft inzicht in de creatieve vermogens van Robert Zimmer  


De spreuken en spelen zijn uit het directe werk in de klas ontstaan en krijgen hun betekenis in het pedagogische doen. Als door een raam kan men een blik werpen op het veelzijdige leven in een klas, op de omgang van een ervaren vrijeschoolleerkracht met de vele verschillende kinderen. Dit leven kon zich ontplooien tegen de goudkleurige achtergrond van een warme, opgewekte stemming die Robert Zimmer in de klas ten toon spreidde. In het bijzonder met het oog op de spreuken wordt iets van zijn werk weergegeven.

Robert Zimmer was sinds 1929 werkzaam, slechts onderbroken door de vier laatste oorlogsjaren sinds de sluiting van de vrijeschool Dresden in 1941.

Met vaste hand en een sterke menselijke betrokkenheid op ieder apart kind, leidde hij zijn klassen. Het was hem in het bijzonder gegeven om de kinderen voor al het grote, edele en schone enthousiast te maken. Zo ontstond in hen interesse voor alles wat het onderwijs bood. De kinderen leerden met open blik naar de wereld te kijken; ze oefenden ook de kleine plichten graag en gewetensvol uit te voeren. Onder zijn warme, liefdevolle leiding gedijden de kleine haantjes-de-voorste, die zich steeds opnieuw mochten bewijzen en hun kracht moedig op de proef mochten stellen, net zo als de stillen, de fantasievollen en ook de schuchtere, timide kinderen. Ook zij konden levensmoed en steeds meer vertrouwen putten in eigen kracht. Met een onnavolgbare
terughoudendheid en tederheid kon Robert Zimmer tot de kleintjes spreken.
Uit zijn liefdevolle wezen en uit diepe interesse voor alles, wat hij aan de kinderen wilde overbrengen, sprongen, als vonken, plezier in het doen en vreugde over, mee te doen in de reidans van de kinderschaar. Niet één wilde achterblijven in het beweeglijke, ritmische gebeuren, waarin zich het onderwijs ontplooide.

In alles wat werd verteld, klonk eerbiedige verwondering door voor de goddelijke wijsheid die zich in alle dingen en wezens openbaart. Deze stemming spreekt uit vele spreuken voor de kleinen: van alle wezens mag de mens leren, heel de schepping brengt hem gaven: het beekje, de bloemen en bijen, graankorreltjes, slak en worm.

Zo klinkt een spreuk aan het einde van het eerste schooljaar:
(Zie spreuk: ‘Blümlein so still und fein…..’)

Van al het mooie mag het kind houden, door alles zich liefdevol omhuld weten. In alle natuurwezens is God werkzaam en spreekt tot het kind in alles wat het omgeeft, maar ook uit zijn diepere wezen:
(Zie spreuk: ‘Was mir im Innern lebt….’)

Vertrouwen in de wereld en in de goddelijke leiding kan op deze wijze in de kinderziel groeien.
(Zie spreuk: ‘Wo ich bin und wo ich steh….’)

Zulke en soortgelijke woorden kunnen tot geschikte motieven worden die het kinderleven begeleiden.
Steeds weer vinden we in de spreuken de zonneschijn of het licht, dat van zon, maan en sterren neerwaarts stroomt, het licht dat uit Gods liefdewereld in mensenharten aangaat. Zo b.v. in de volgende spreuk:
(Zie spreuk: ‘Licht alle Welt erfüllt…..’)

In de getuigschriftspreuk ontvangt het kind een beeld dat hem op zijn weg een richting kan wijzen. Maar er zit nog meer in dan het beeld; tegelijkertijd zit er voor het kind een levende kracht tot verandering in die werkzaam wordt, wanneer deze een plaats krijgt in de alledaagse onderwijsactiviteit  wanneer het kind in de loop van het jaar met zijn spreuk leeft en door deze begeleid wordt.
De spreuk is aan het wezen van het kind afgelezen en laat op deze manier ook een beeld van een wezenskenmerk en een ontwikkelingstoestand van het betreffende kind ontstaan. Zo b.v. bij de spreuk voor een kleine dromer:
(Zie spreuk: ‘Ich träume noch so gern…..’)

En voor een timide klein meisje:
(Zie spreuk: ‘Junges Vöglein, breitest weit…’)

Een andere voor een vormloze jongen:
(Zie spreuk: ‘Schlecht ist es um den Reiter bestellt…)

Bij de natuurbeelden voegen zich van schooljaar tot schooljaar meer de grote figuren uit legende, sage en geschiedenis, waarin het kind een leidmotief vindt voor het zoeken van zijn weg. Zo stonden in de middenklassen de helden uit de Griekse cultuur zo levendig voor ogen dat zij zich opgenomen voelden in het zonovergoten Griekse landschap; ze beleefden het steile, moeizame klimmen in verzengende zonneschijn, tot boven vanaf de hoogte de tempel groet. Zo komen veel spreuken voor deze leeftijd direct uit wat samen beleefd werd, uit het gebied waarin de kinderen gloeiden van enthousiasme voor waarheid en schoonheid. En wanneer het individuele kind de spreuk mocht spreken die voor hem gedacht was, met het motief dat allen hadden doorleefd, werd deze gedragen door iets wat van te voren in de klas aanwezig was als een verzadigde belevenis. Dat mocht nu in de spreuken voor de enkeling voor allemaal verder klinken en zo op deze manier zich steeds dieper met de kinderen verbinden. Maar een paar spreuken uit de middenklassen worden hier weergegeven:
(Zie spreuk: ‘Verborgen liegt des Tempels Heiligtum,….”)

Bij de sluiting van de vrijeschool Dresden in de zomer van 1941 had de klas van Robert Zimmer net het 5e schooljaar afgesloten. Met de getuigschriften ontstond – vanuit een soort gevangenschap – ook de spreuk, die de kinderen op hun nu heel onzekere verdere weg werd meegegeven:
(Zie spreuk: ‘Lasset meine junge Seele….’)

Hiermee werd voor deze kinderen in de bijzondere, ernstige situatie van uitgestoten te zijn uit het geliefde samenleven op school, een beetje vooruitgelopen  op wat in een ongestoord verloop van de vrijeschooltijd op een andere, minder ingrijpende manier gebeurt aan het einde van de 8e klas, wanneer de klassenleerkracht de leerlingen naar de bovenbouw laat gaan. Die laatste getuigschriftspreuk heeft vaak een intiem karakter. In het onderwijs van de 9e klas komt deze niet meer voor, die is uitsluitend bedoeld voor de jonge mens zelf die deze in een vrij eigen initiatief opnemen en realiseren kan.

Tot slot hier een spreuk voor een leerling uit de 8e klas die vroeg in de 2e wereldoorlog  gesneuveld is:
(Zie spreuk: ‘Ihr göttlichen Kräfte…’)Zo kan uit de weinige voorbeelden duidelijk worden hoe in de getuigschriftspreuken iets wezenlijks tot uitdrukking komt van de manier waarop Robert Zimmer de kinderen begeleidde. Pas in deze samenhang laten ze hun kracht zien. Zou men deze als gedichten in de gewone zin van het woord nemen, losgemaakt van de pedagogische zin, dan werd men wellicht ontgoocheld. Want ze vloeiden niet zo maar uit de pen. Niet de perfecte versopbouw is het belangrijkste in deze spreuken, maar de kracht die tevoorschijn komt in de worsteling om de ontwikkeling van ieder kind die voor het kind tot aanmoedigende, bevrijdende, zich ontwikkelende kracht kan worden. Daarmee heeft men te maken in de omgang met deze spreuken.
.
Rose  Zimmer , ‘Erziehungskunst, 47e jrg. nr.5.1983
.

Heinz Müller:  Von der heilenden Kraft des Wortes und der Rhythmen’. Stuttgart, 1967;|
Martin Tittmann: Zarter Keim die Scholle bricht …., Stuttgart 1981.
Lore Schäfer: Zeugnissprüche und Klassenspiele, Stuttgart 1980
Helmut v. Kügelgen: Spiele und Zeugnissprüche.

Adaptief onderwijs voor Vrije Scholen’ . Jansen / G. Reijngoud
Uitgave: Begeleidingsdienst voor vrijescholen.
Maart 2002

getuigschriften: alle artikelen

Rudolf Steiner over getuigschriften

.

1256-1172

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 301 – inhoudsopgave

.

RUDOLF STEINER

DE VERNIEUWING VAN DE PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE KUNST DOOR GEESTESWETENSCHAP

14 voordrachten gehouden te Bazel van 20 april tot en met 11 mei 1920, met vragenbeantwoording en inleidende woorden bij twee euritmieopvoeringen [1]

Inhoudsopgave 1e voordracht 20 april 1920
Inleiding
:
geesteswetenschap en moderne pedagogie; Herbart; ondanks voortreffelijke pedagogische principes sociale chaos; door geesteswetenschap kan de pedagogie kunst worden; grenzen aan de antropologische zienswijze; ziel en lichaam; denken, voelen en willen; fasen in de kinderontwikkeling: melktanden, tandenwisseling, geslachtsrijpheid; metamorfose van krachten; betekenis van autoriteit; spraak en wilsvorming; wil en voorstelling als levende krachten; in plaats van abstracties levert geesteswetenschap waarneming van de menselijke wording.

vragenbeantwoording
Aanleg of geen aanleg voor talen; aanleg voor wis- en natuurkunde; Bernouilli; half cirkelvormige kanalen; orthografie; spelling foutloos schrijven.

Inhoudsopgave 2e voordracht 21 april 1920
Drieledigheid van het mensenwezen
:
Geesteswetenschap geen ‘verzameling aantekeningen’, maar iets wat leven schept; mens als drieledig wezen: zenuw-zintuigsysteem, ritmisch en stofwisselingsysteem; motorische en sensitieve zenuwen; het muzikale; kracht van stemmingmakende verkeerde hypothesen; drieledigheid in de ziel: denken, voelen, willen; sympathie en antipathie; drieledigheid vanuit een geestelijk gezichtspunt: wakker, slapen, dromen.

Inhoudsopgave 3e voordracht 22 april 1920
Menskunde als basis voor pedagogie
:
Natuurwetenschap en opvoeding; Pestalozzi, Diesterweg; instinctieve en bewuste pedagogie; levendig beeld van de mens; theorie van Avenarius als voorbereiding op bolsjewistische praktijk; geheugen en herinnering; Goethes kleurenleer; hart geen pomp, maar een evenwichtsorgaan voor de bloedsomloop; geest-zielenbetekenis voor fysieke organen; nabootsingsprincipe in eerste, autoriteitsprincipe in tweede levensfase van het kind; tandenvormende=voorstellende en bouwende kracht; doordringen van het weten met innerlijke warmte.

Inhoudsopgave 4e voordracht 23 april 1920
De opvoeder als vormer van de toekomstige inhoud van de menselijke ziel
:
abstracte voorstellingen bewerken tussen de mensen scheiding; intellectuele vorming ‘gefilterde’ geest; geesteswetenschap belangrijker door de manier van optreden, dan door de inhoud; innerlijke passiviteit van de moderne mens; geheugenweten en actief verstand; biogenetische grondwet (Haeckel); oorsprong van het geslacht mens en de sindsdien gevolgde ontwikkelingsveranderingen; omvorming van fysieke in zielenkrachten: wat vroeger de natuur gaf, moet nu in innerlijke activieit bereikt worden; de inhoud van de menselijke ziel is in de hand gelegd van hen die de jeugd vormen.

vragenbeantwoording
kindertekeningen niet vergelijken met tekeningen van primitieve volken
kinderverzen ook niet
ped. basisregels niet verkeerd, maar hoe concreet zijn ze.

Inhoudsopgave 5e voordracht 26 april 1920
Iets over het leerplan
:
vruchtbaarheid van geesteswetenschappelijke pedagogie wordt zichtbaar in de toepassing; leerplan; noodzaak van een compromis; samenhang van zielenkrachten; leren schrijven; ontstaan spraak; handvaardigheid; uitgaan van het kunstzinnige; eigen oordeel en aannemen van waarheden uit liefde en gerechtvaardigd autoriteitsgevoel; Mach; invloed op de kinderlijke fantasie; grote klassen en individualiseringsvraag; een leraar moet de kinderen door heel de basisschool heen begeleiden; indien mogelijk weinig binding met uiterlijke normen.

Inhoudsopgave 6e voordracht 28 april 1920
Euritmie, muziek- teken- en taalles
:
zwakke en achterrakende kinderen/betekenis van het beeldende voor de ziel/euritmie en muziek/euritmie: bewegingstendenzen van de spraakorganen op de hele mens overgedragen/versterking van de wilsinitiatieven/groeiende interesse voor de buitenwereld/het muzikale bewerkt verinnerlijking van het gemoed/kindertekeningen/taalles, grammatica/grotere logica in dialect/geesteswetenschappelijke pedagogie wil mensen vormen die initiatieven ontwikkelen.

vragenbeantwoording
psycho-analyse; puberteitsmoeilijkheden

Inhoudsopgave 7e voordracht 29 april 1920
Opvoeding als het probleem van de lerarenopleiding
:
werking van eenzijdig benadrukken onsterfelijkheidsgedachte/lichamelijk leven als voortzetting geestelijk leven/intellect wordt meegebracht, wil ontwikkeld/onderwijsvraag naar kwaliteit van opvoeder/humor en ernst/innerlijke voorbereiding van leraar. Meditatie/gedrag van kinderen/wilszwakke kinderen/bijzonder voorbeeld van wilszwakte: wat in de ene generatie gedachte is, wordt in de volgende organisch.

Inhoudsopgave 8e voordracht 3 mei 1920
Dier- en plantkunde van 9-12 jaar
:
Drie belangrijke tijdstippen in de basisschool: 9e, 12e, 14e jaar/zelfstandige oordelen pas na het 12e jaar/vreugde en verdriet, pret en leed in het oordeel/Nietzsche, Griekendom en 19e eeuw/onderscheid wereld en ik na 9e jaar; dan pas natuurwetenschappelijk onderwijs mogelijk/dierenwereld uitgebreide mens/planten: aarde als organisme/verhouding dierenwereld tot mens, plantenwereld tot buiten de mens.

Inhoudsopgave 9e voordracht 4 mei 1920
Dialect en schriftelijke taal
:
dialect: gevoel en wil; schriftelijke taal: voorstellen/dialectsprekende kinderen hebben een innerlijker verhouding met de taal/plastisch en muzikaal element in het spreken/spraak en logica/grammatica leren bewust worden van logische krachten/onderwerploze zinnen/leven en abstractie in onderwerp en zelfstandig naamwoord/onderbewuste intelligentie van de mens; verkeerde interpretatie door psycho-analyse/grammatica en innerlijk gevoel voor stijl/7e jaar: geboorte van etherlijf, drager van het herinneringsvermogen; 14e jaar: geboorte van het astraallijf: zelfstandig voelen en willen, eigen oordeel/gevaar van verkeerd rekenonderwijs/gevolgen van te vroeg oordelen. Gedachtenassociaties.

vragenbeantwoording:
Over het dialect t.o.v. de gevormde omgangstaal; de aard van het Duits als ‘abstracte’ taal; het plastische ‘kop’ als vorm t.o. het doen bij ‘tête, testa’ in het getuigen

Inhoudsopgave 10e voordracht 5 mei 1920
Synthese en analyse in de mens en in de opvoeding
:
synthetische en analytische activiteit van de ziel/analyse heeft vrijheid tot gevolg, synthese dwingt/bij het schrijven uitgaan van het hele woord/atomisme door te weinig analytische activiteit in kinderleeftijd/analyseren -wakker worden, synthetiseren -inslapen/optellen en vermenigvuldigen/muziekles: alleen natuurlijke, geen kunstmatige methoden/noodzaak van vergeestelijking van het spreken/bestrijden van frase/levendige grammatica.

Inhoudsopgave 11e voordracht 6 mei 1920
Het ritmische element in de opvoeding
:
Gevolgen van een te vroege oordeelsvorming/in onze tijd gevoel voor ritme verlorengegaan/wakker en dromen: element tekenen en muziek/inhoud van muziek het melodieuze/kinderziel beantwoordend droom- en muzikaal element/thematiek in de muziek als weg tot spreken/spreken en ritme/orthografie/luisteren/duidelijk spreken/natuurwetenschappelijk en geschiedenisonderwijs/godsdienstonderwijs/vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school.

Inhoudsopgave 12e voordracht 7 mei 1920
Geschiedenis en aardrijkskunde
:
Geschiedenis: uitgaan van wat uit vroegere tijden nog aanwezig is/verworvenheden van de Grieken in de moderne tijd/uitgaan van gehelen in plaats van details. Economie van het onderwijs/algemeen menselijke waarden, individueel bewustzijn, algemeen menselijk als karakteristiek van na-Griekse (christelijke) tijd/geen pragmatisch, maar symptomatologische geschiedenisopvatting/aardrijkskunde/over linkshandigheid.

Inhoudsopgave 13e voordracht  10 mei 1920
Spel van kind:

Schiller over ‘speldrift’/spel en droom/verschil in mens wat betreft oordeel na het 20e jaar door kinderlijk spelen voor de tandenwisseling/na de tandenwisseling gezelschapspel/geesteswetenschap en psychologie/i.p.v. definities karakteriseren/meetkunde/ontwikkeling ruimtelijk gevoel, perspectief, schaduwleer.

Inhoudsopgave 14e voordracht  11 mei 1920
Verdere gezichtspunten en vragenbeantwoording:

Geen nieuwe formele basisregels, maar verruiming van het blikveld/noodzaak van verandering in de opvoeding/geen overdreven aanschouwelijkheidsonderwijs/breuken/natuurkunde moet zich op het praktische richten/kind in belangrijke levensaspecten leiden/verstandskiezen/de juiste plaats in het leven/orthografie/Robinson, prototype van filisterij/Rousseau en de vraag van de oorspronkelijke goedheid van mens/het element van teloorgang in de natuurkrachten/Marxisme als ziekmakend element/genezende impulsen.

vragenbeantwoording bij de 1e voordracht
vragenbeantwoording bij de 4e voordracht
vragenbeantwoording bij de 6e voordracht
vragenbeantwoording bij de 9e voordracht
(zie hierboven voor beknopte inhoud)

Inleidende woorden bij de euritmieopvoering
Dornach op 15 mei 1920
Dornach op 16 mei 1920

.

Verwijzingen
Deze worden bij de vertaling per bladzijde weergegeven.
.

[1] GA 301: Die Erneuerung der pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft

Steiner: alle pedagogische voordrachten
.

Steiner: alle artikelen op deze blog
.

1255-1171

.

.

Is de vrijeschool een antroposofische school (3-1/2)

.

over geschiedenis

Is de vrijeschool een antroposofische school?

Deze vraag stelt Luc Cielen, leerkracht met een zeer lange praktijkervaring waarvan een deel bij de Federatie van steinerscholen in België; het grootste deel op scholen die hij zelf oprichtte en waar hij de vrijeschoolpedagogie op zijn manier en met zijn gezichtspunten in de praktijk bracht.

Op mijn blog [rechts in de kolom BLOGROLL] staat een linkverwijzing naar een van zijn sites waarop hij vele gezichtspunten over o.a. zijn praktijk van het lesgeven heeft gepubliceerd.

Hier verwees ik naar hem toen het ging over ‘blokschrift aanleren of niet’, en stelde:
Het is zeer de moeite waard om zijn gedegen uiteenzettingen over de vrijeschoolmethodiek grondig te bestuderen!

Nu heeft Luc zich op zijn site LUXIELEN in een reeks artikelen uitgesproken over de vraag of de vrijeschool, in Vlaanderen steinerschool genoemd, een antroposofische school is.

In zijn eerste artikel zegt hij:
‘Is de steinerschool een antroposofische school? In vele opzichten niet, maar de wetenschappelijke vakken zijn wel sterk getekend door de antroposofie. Er is werk aan de winkel om de steinerscholen hiervan te bevrijden. Ik probeer al vele jaren de steinerleerkrachten hiervan bewust te maken, maar dit dringt moeilijk door. Dat Steiner zelf meer dan eens gezegd heeft dat er geen antroposofie in de school mag komen, is een uitspraak van hem die blijkbaar niet gehoord wordt.’ 

Luc is in de reeks van inmiddels 10 artikelen tot de conclusie gekomen dat er ‘een te groot antroposofisch keurslijf’ is waaruit – volgens hem – de scholen zich moeten bevrijden.’

Ik vraag me met hem af: wat is ‘het antroposofische’ in de school, waar vind je het.

Bij het lezen van de pedagogische voordrachten viel het mij op dat Steiner er steeds maar weer op terugkwam dat de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school moet zijn:

Rudolf Steiner over antroposofisch onderwijs

Luc is van mening dat er wél sprake is van ‘antroposofische dogma’s’ en hij geeft veel voorbeelden van wat in zijn optiek antroposofie in het vrijeschoolonderwijs is.

Is de steinerschool een antroposofische school (1) gaat het over geschiedenis, dier- en plantkunde.

In zijn artikel betreft het geschiedenisonderwijs in klas 5 en 6

Luc:
De geschiedenislessen in vijfde en zesde klas zijn volledig gebaseerd op Steiners antroposofische visie over de ontwikkeling van de mensheid, en dan vooral na de ondergang van Atlantis, dat hij niet als een legende beschouwt, maar als een werkelijk gebeurd feit. Vijf na-Atlantische cultuurperiodes zijn er volgens hem tot op heden geweest. In de geschiedenislessen adviseert hij dan ook om met Atlantis te beginnen, gevolgd door de Oud-Indische cultuurperiode, de Oud-Perzische cultuurperiode, de Egyptisch-Babylonische cultuurperiode, en de Grieks-Romeinse cultuurperiode. De vijfde – onze huidige cultuurperiode – noemt hij de Anglo-Germaanse cultuurperiode, maar die komt vanaf de zevende klas aan bod.

Hier wisselden we enige gezichtspunten uit waaruit blijkt dat de opmerking = hij (Steiner) adviseert dan ook om met Atlantis te beginnen = niet klopt.

Het geschiedenisonderwijs in klas 5 begint dan ook niet met ‘Atlantis’.

Luc is heel zeker:
De geschiedenislessen in de vijfde en zesde klas zijn volledig gebaseerd op Steiners antroposofische visie over de ontwikkeling van de mensheid.

Deze zin is heel makkelijk te interpreteren als: Steiner heeft aan het geschiedenisonderwijs in klas vijf en zes zijn eigen visie op de geschiedenis ten grondslag gelegd.
Maar die visie vind je bij Steiner niet als directe aanwijzingen voor het onderwijs. Je vindt maar heel weinig en zeer algemeen, o.a.:

In de vijfde klas zal men zich dan alle inspanning getroosten om met de kinderen een begin te kunnen maken met werkelijk historische begrippen. En men moet er ook absoluut niet voor terugschrikken om het kind juist in deze tijd, in de vijfde klas, begrippen bij te brengen over de cultuur van de oosterse volkeren en van de Grieken. De tegenzin om terug te gaan naar oude tijden is enkel opgewekt door die mensen van onze tijd, die niet het talent hebben om adequate begrippen op te roepen wanneer men teruggaat naar die oude tijden. Een kind van tien, elf jaar kan heel goed gewezen worden op alles wat hem aan een begrip helpt voor de oosterse volkeren en voor de Grieken, vooral wanneer men voortdurend appelleert aan zijn gevoel.
GA 295/161
vertaald/149

De volgende opmerkingen liegen er toch niet om: gloedvol en enthousiast over de mens spreken, zonder er (antroposofische) wereldbeschouwing van te maken:

En daarom kun je innerlijk zo tevreden zijn wanneer je kan zien, zonder dat er een wereldbeschouwing in de school gebracht wordt, dat door onze leerkrachten bijv. in de vijfde klas antropologie behandeld wordt: niet op een droge manier, niet zo maar antropologisch-theoretische kennis, maar zo dat wat aan eerste antropologie aan het kind aangeboden wordt, vanuit de geest sprankelend en doorwarmd is. Wanneer je dat de kinderen op deze manier bijbrengt, beginnen ze op een andere manier bij de les te zijn; ze verankeren in zich zelf wat hun het hele leven bijblijft. 
GA 297/220
Vertaald op deze blog

In de zesde klas horen historische beschouwingen thuis over de Grieken en Romeinen en over de nawerkingen van de Griekse en Romeinse geschiedenis tot aan het begin van de vijftiende eeuw.
GA 295/161
vertaald/149-150

Dus: geen directe aanwijzingen van Steiner die de opmerkingen van Luc kunnen staven.
Dat ziet hij zelf ook: ‘Ik ben dus op zoek gegaan in de overgeleverde teksten van Steiner en vond in het boek van Karl Stockmeyer Rudolf Steiners Lehrplan für die Waldorfschulen voldoende elementen om mijn bewering te staven. Het hoeft niet altijd woordelijk in een voordracht van Steiner te staan om te weten wat hij bedoelt.

Dat moest ik ook constateren bij ‘Atlantis’.

Dan zal het dus weer moeten gaan om ‘indirecte aanwijzingen’.

Zijn die er dan?

Zoals je voor Atlantis de indirecte aanwijzingen zou kunnen halen uit Paul Veltmans manuscript voor de 5e klas, zo kun je bij andere schrijvers die met Steiners opvattingen onderzoek doen, uitkomen bij auteurs die ‘geschiedenis’ op zijn opvattingen baseren.
Luc doet dat met Bruno Skerath en neemt zijn gezichtspunten voor ‘de’ gezichtspunten wat betreft de geschiedenis in klas 5.
Je zou het net zo goed kunnen doen met Karl Heyer, die in zijn ‘Studienmaterialien zur Geschichte des Abenlandes’ het 1e deel de titel meegeeft:
‘Von der Atlantis bis Rom’. Daarin zet hij vrijwel alles wat Steiner over Atlantis heeft gezegd en volgt hij de indeling van de culturen na Atlantis, zoals Luc die ook aangeeft vanuit de visie van Skerath.
In Frans Schobbes ‘Vier wereldmaanden 1’ staat in de inleiding dat het schrijven van zijn boek ook bedoeld is om de geschiedenisperiode in klas 5 goed te kunnen voorbereiden. ‘Geschiedenis’ is in dit boek voor het grootste deel gebaseerd op mededelingen van Steiner.
Kortom: wanneer je als leerkracht zo’n periode moet gaan geven en je neemt genoemde werken als uitgangspunt, dan geef je geschiedenis met Steiner als leidraad, gebaseerd op meningen van anderen.

Maar dat staat niet gelijk aan: dat móet dus in het geschiedenisonderwijs van klas 5!

Ik zei eerder al: Interpreteren is toch vooral zoeken naar wat je zou kunnen doen of moeten; maar ook wat je zou kunnen laten of wat je juist níet moet doen.

Je kunt ook volledig anders interpreteren en volledig buiten de valkuil blijven van ‘antroposofie in het geschiedenisonderwijs’.

Wie in willekeurige geschiedenisboeken zoekt naar het begin van een geschiedenis, komt titels tegen met daarin woorden als ‘de bakermat van..’. ‘de wieg van… ‘, ‘de dageraad  van…’ enz.

Letterlijk ‘ergens’ wordt een begin gemaakt. En omdat je met je 5e klas ook ‘ergens’ moet beginnen, zoek je naar de oudste bronnen. Dat zijn zeker nog geen geschreven bronnen, dus ‘echte’ geschiedenis is het nog niet. Het is inderdaad nog ‘dageraad’: het is nog schemerig.

Luc zegt: ‘(  ) volledig gebaseerd op Steiners antroposofische visie over de ontwikkeling van de mensheid.

Wat de leerstof voor de 5e klas betreft, zie je vrijwel altijd deze indeling:
(Oud)-Indië; (oud)-Perzië (Tweestromenland); Egypte; Griekenland; gevolgd in klas 6 door Rome tot en met de middeleeuwen.

En ja, wanneer je bij Steiner kijkt naar zijn visie op de ontwikkeling van de mensheid zie je ook:
Oer-Indisch; oer-Perzisch; Egyptisch-Babylonisch; Grieks- Latijns-middeleeuws.

Maar wanneer je een wetenschappelijk leerboek geschiedenis inkijkt, zie je:
(voorafgegaan door prehistorie): vroegste samenlevingen van Irak; Mesopotamië; Egypte; Griekenland; Rome.
[Een geschiedenis van de Oude Wereld- Beliën/Meijer]

Of:
(voorafgegaan door prehistorie, met daarin opgenomen een scheppingsverhaal uit India!); Mesopotamië; Babyloniers en de Assyriërs; Perzen; Egypte; Griekenland; Rome; middeleeuwen.
[7000 jaar wereldgeschiedenis]

Er bestaan nog andere indelingen met onderlinge verschillen die ontstaan zijn door nét een ander accent op bv. – in de ogen van de samenstellers – belangrijke gebeurtenissen.

Als je Steiners indeling niet zou kennen en je zou voor je klas deze aanhouden: Indisch; Perzisch; Egyptisch-Babylonisch; Grieks- Latijns-middeleeuws, doe je daarmee niet iets buitennissigs of vreemds, laat staan ‘antroposofisch’.

Je zegt: ‘Maar de indeling in cultuurperiodes zoals hij dit doet stemt helemaal niet overeen met wat wetenschappelijk onderzocht is.’ 

Ik denk dat je hier ‘helemaal niet’ om moet keren: ‘niet helemaal’.

Het is m.i. ook niet relevant. We weten dat veel van Steiners opvattingen niet onderzocht kunnen worden met de maatstaven die gelden voor een ‘weegschaalwetenschap’

Dat Steiner van die fasen nog allerlei meer zegt, wat je niet vindt in de reguliere wetenschap, wil niet zeggen dat een vrijeschoolleerkracht – in zijn klas deze volgorde aanhoudend – óók dat ‘meer’ moet benadrukken. Al zou hij dat willen: wat moeten 11-jarigen met ‘ontwikkeling van ‘fysieke lichaam, etherlijf, gewaarwordingsziel, verstands-gemoedsziel’. Wat zouden ze ervan moeten begrijpen en hoe wil je ze dat begrijpelijk maken. Nog afgezien van het feit of leerkrachten zelf wel weten wat deze begrippen inhouden voor deze cultuurperioden.
En dan nog de jaartallen. Wat heeft een kind van 11 aan de wetenschap dat wat hij over Perzië heeft gehoord, plaatsvond van 5067-2907 v. Chr. en dat het een Tweelingencultuur was? NIETS!
Wij zijn gewend geraakt aan jaartallen v.Chr., maar eigenlijk zijn ze voor ons ook niet veel meer dan ‘lang geleden’ en we kunnen er – intellectueel – het ene mee vóór of na het andere rangschikken, maar dat is het wel zo’n beetje.

Niet voor niets laat Steiner – die heel goed weet dat ‘zo lang geleden’ voor kinderen een abstractie is – ze dat verleden zo concreet mogelijk beleven door die prachtige vondst van ‘de generatieketting‘. Maar, tot in India gaat dat niet.

‘(  ) volledig gebaseerd op Steiners antroposofische visie over de ontwikkeling van de mensheid.

‘Volledig’? Als ik dat moet opvatten als ‘volkomen’, als ‘allemaal’, dan gaat dat voor de volgorde niet op: die vind je simpelweg, soms nauwelijks afwijkend, terug in reguliere opsommingen.

Is ‘volledig’ de buitenkant en de binnenkant? M.a.w. naast de volgorde ook inhoudelijk?

Bij de (willekeurig) genoemde auteurs Skerath, Heyer, Schobbe vind je ‘antroposofische geschiedenis ‘ – die wilden ze ook schrijven – maar voor het onderwijs geldt dan weer, dat als je deze bronnen gaat gebruiken, je antroposofie in je geschiedenisonderwijs haalt.

Je kunt ook volledig buiten de valkuil blijven van ‘antroposofie in het geschiedenisonderwijs’ blijven door als achtergrond ‘Geschichte Lehren‘ te nemen.
Het boek is ‘to the point’: dit moet je hebben; dat niet; let op je stof, let op je tijd.

In boeken met ‘De dageraad…..’, ‘De wieg…..’. ‘Het ontstaan van….’ gaat het om ‘de eerste beschavingen’, vóór Egypte, dat in een geschiedenisencyclopedie bestaande uit opeenvolgende delen, vrijwel altijd het deel is dat komt na ‘De dageraad…’, gevolgd door Griekenland, gevolgd door Rome, gevolgd door de middeleeuwen.

Die ‘dageraad’ is voor India nog niet de Induscultuur, maar verder terug. Er zijn rotstekeningen gevonden van 40.000 jaar oud en nederzettingen die al in 9000 v. Chr. bestonden. En ‘ergens’ en ‘ooit’ zijn de verhalen ontstaan die veel later opgeschreven zijn in de heilige boeken.
Zo’n ‘gewone’ reeks als’ 7000 jaar wereldgeschiedenis’ begint met de prehistorie en neemt een Indiase mythe op:

Een scheppingsverhaal uit India

‘Toen de tijd sliep in de schoot van de eeuwigheid, was de ruimte vervuld van duisternis, waarin het leven onbewust klopte. De zeven heersers waren de scheppers van de vorm uit het niets. Hun stralen doordrongen de oneindigheid en beroerden de kiem die in de duisternis sluimerde. De kiem bewoog en werd warmte en licht. En uit de kiem ontsprongen de krachten in de ruimte. De scheppers verzamelden de vurige stof en balden ze samen tot kogels van vuur. Ze bliezen de kogels het leven in en zetten ze in beweging in de ruimte. En de koude maakten ze warm en de droogte maakten ze vochtig. En de gloed maakten ze koel. Zo werkten de zeven scheppers van de ene schemering tot de andere. Toen daalden ze af naar de stralende aarde, om er mensen te zijn.’

Stel eens dat Steiner deze mythe zou hebben genoemd om te vertellen in de 5e klas.
Als ik zou willen aantonen dat ‘het geschiedenis volledig gebaseerd is op…en ik zou jouw werkwijze volgen: ‘Ik ben dus op zoek gegaan in de overgeleverde teksten van Steiner .’ zou ik hier met een zeker gemak kunnen zeggen dat Steiner deze mythe wil, omdat daarin zijn visie op de ontwikkeling van mens en wereld, zoals beschreven in ‘De wetenschap van de geheimen der ziel’,  of zijn ‘Het Bijbels scheppingsverhaal‘ tot uitdrukking komt. Je weet meteen dat het in deze mythe gaat om ‘Gods geest die over de wateren zweefde, de donkere aardematerie bevruchtend waardoor er een scheiding ‘tussen de wateren’ ontstond: een herinnering aan het ooit in verschijning treden van ‘oude planetaire fasen’. En dat ‘ze=de 7 heersers/Rishi’s afdaalden naar de stralende aarde om er mensen te zijn’, zou ik makkelijk kunnen gebruiken om Steiners reïncarnatie-idee in de klas te introduceren.

Maar dat is koketteren met antroposofie en dat moet je niet willen, sterker nog: volkomen achterwege laten, want het wordt speculeren.

En ik zie Luc, dat jij je daarvan ook niet kunt losmaken:
Als Steiner het over tijdperken heeft, dan bedoelt hij wel degelijk de tijdperken zoals hij die ziet in zijn antroposofisch gedachtegoed. Steiner heeft het dus over de tijdperken van de wereldgeschiedenis en over de impulsen die daarvan uitgaan. Om dit te begrijpen moet je niet op zoek gaan in de pedagogische voordrachten, maar in de voordrachten die over de wereld- en mensheidsontwikkeling gaan.

Die laatste zin laat zien dat niet Steiner de antroposofie in het geschiedenisonderwijs haalt, maar dat jij dat zelf doet en dan móet je noodgedwongen tot de conclusie komen dat er ‘antroposofie in het geschiedenisonderwijs’ zit.
En als je naar bepaalde geschiedenisschriftjes kijkt, zie je inderdaad dat sommige leerkrachten uit de door jou bedoelde voordrachten putten en dat in hun lesstof stoppen.

Maar dan zijn we weer bij Steiner: géén antroposofie in het (geschiedenis)onderwijs.

Het is niet, zoals ik al eerder betoogde ‘DE’ vrijeschool, of ‘HET’ vrijeschoolonderwijs; het is ‘DIE’ leerkracht in ‘DIE’ school voor ‘DEZE’ klas.

Wie met ‘Geschichte lehren’ werkt, ervaart dat er helemaal geen antroposofie nodig is om de kinderen te boeien en ze te laten beleven wat er ‘vroeger’ was.

Je zegt:
‘Dat Steiner aanraadt om een cultuurgeschiedenis te geven vind ik bijzonder waardevol’

Dat ben ik roerend met je eens!

Ik heb je beschrijving, aanwijzingen, de opbouw voor een geschiedenisperiode  met veel interesse bekeken en veel ervan en in grote trekken is dit ook de lesstof die ik heb gebruikt, met als uitgangspunt ‘Geschichte lehren’.
Juist die vrijwel identieke inhoud laat zien dat er niet zo’n wezenlijk verschil bestaat tussen jouw periodestof en de mijne. Zeker niet zo wezenlijk dat jij van mijn periodestof kunt zeggen dat die ‘antroposofisch’ is, alleen op grond van een bepaalde indeling van de culturen waarover we iets aan de kinderen willen meegeven.

Ook voor de 6e klas vind je vergelijkbaar met de 5e geen aanwijzingen voor antroposofie uit de mededelingen van Steiner. Als het er al in zit, is het er door overijverige leerkrachten ingebracht, bij Lindenbergh zul je het niet vinden.

Ik ben het dus op grond van bovenstaande niet met je eens dat het geschiedenisonderwijs op de vrijeschool per definitie antroposofisch is.

Wel zie ik met jou dat het niet moeilijk is er antroposofie in mee te nemen; maar dat is tegelijkertijd een nietszeggende opmerking. Omdat Steiner over vrijwel alles mededelingen heeft gedaan, kun je die dus overal waar een gelegenheid zich voordoet, opzoeken en in je onderwijs een plaats geven.

Dat dat niet moet, heeft hij veelvuldig onderstreept.

Luc op 21-03-2017L

Op je jongste opmerkingen heb ik niet veel in te brengen. Ik pik er twee zaken uit:

  1. Talloze keren heb ik leerkrachten erover aangesproken dat ze in hun pedagogische opdracht moeten vertrekken van DIT kind in DEZE tijd op DEZE plaats. Zo had ik het dus ook moeten doen ten opzichte van de steinerscholen, zoals jij aangeeft: DIE leerkracht in DIE school voor DEZE klas. En eigenlijk kun je daar in DEZE tijd nog aan toevoegen.

Ik vind het echter niet wenselijk om in een publiek beschikbare tekst zó te schrijven dat leerkrachten, scholen en klassen herkenbaar of traceerbaar zijn. Bovendien is wat ik over geschiedenisonderwijs geschreven heb in de periodeschriften van die Vlaamse steinerscholen die ik de jongste jaren bezocht heb, terug te vinden. Een zekere – beperkte – generalisatie was dus wel zinvol.

  1. Ik spreek doorgaans niet over de Nederlandse vrijescholen omdat ik die te weinig ken en het kan dus best zijn dat leerkrachten in Nederland – zoals jij – de geschiedenisperiode op een meer wetenschappelijk gefundeerde manier én in overeenstemming met Steiners visie over de oude geschiedenis behandelen, zoals Lindenberg ook voorstelt. Ik kan dit alleen maar toejuichen.

Met vriendelijke groet

Luc

Op 27-03-2017

Beste Luc,
Ik lees in je opmerkingen dat je iets te veel in het algemeen hebt geschreven dat het geschiedenisonderwijs a priori of per definitie antroposofisch is. Dat is het niet. Je kunt het er wel van maken, maar dan ben je niet goed bezig.

Met wat jij en ik er nu over hebben geschreven, moet het voor leerkrachten niet moeilijk meer zijn, de geschiedenisperiode op een verantwoorde manier te geven.

Pieter
.
Geschiedenis: alle artikelen
.

Eerdere commentaren op onzinnige kritiek:

Geschiedenis of hoe een schriftjesgeleerde stokpaardje rijdt

Atlantis of hoe de Jonghe een kreupel stokpaardje als oude koe uit de sloot haalt
Een belegen berichtje als bewijs

De Jonghes Atlantis
Het belegen berichtje in een nieuw jasje

In een sukkeldrafje verder op een kreupel (Trojaans) paardje

Atlantis: generaliseren en erin leggen
vertaling van Andreas Lichte generaliseren und hineininterpretieren

Atlantis, ooooo die schriftjes toch
“bewijzen” voor racisme in geschiedenisschriftjes uit klas 5

.

Meer commentaren op Luc Cielens artikelenreeks:
Ís de steinerschool een antroposofische school’:

[1-1] geschiedenis [1]
[1-3dierkunde
[1-4plantkunde
[2de ochtendspreuk voor de lagere klassen
[3de ochtendspreuk voor de hogere klassen
[4] meer spreuken
[5] nog meer spreuken
[6] en nóg meer spreuken
[7] het schoollied
[8] atheïst of agnost: kun je dan vrijeschoolleerkracht zijn?
[9jaarfeesten
[10] euritmie en gymnastiek
[11] muziekonderwijs

vrijeschool en antroposofiealle artikelen

1252-1170

.

.

Is de vrijeschool een antroposofische school? (3-1/1)

.

Over ‘geschiedenis in klas 5: ‘Atlantis’

Is de vrijeschool een antroposofische school?

Op zijn site LUXIELEN stelt de vrijeschoolleraar, met zeer lange ervaring, Luc Cielen, deze vraag.

Op mijn blog [rechts in de kolom BLOGROLL] staat een linkverwijzing naar een van zijn sites waarop hij vele gezichtspunten over o.a. de praktijk van het lesgeven heeft gepubliceerd.

Hier verwees ik naar hem toen het ging over ‘blokschrift aanleren of niet’, en stelde:
Het is zeer de moeite waard om zijn gedegen uiteenzettingen over de vrijeschoolmethodiek grondig te bestuderen!

Nu heeft Luc zich op zijn site in een reeks artikelen uitgesproken over de vraag of de vrijeschool, in Vlaanderen steinerschool genoemd, een antroposofische school is.

Ik vraag me met hem af: wat is ‘het antroposofische’ in de school, waar vind je het.

Bij het lezen van de pedagogische voordrachten viel het mij op dat Steiner er steeds maar weer op terugkwam dat de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school moet zijn:

Rudolf Steiner over antroposofisch onderwijs

Luc is van mening dat er wél sprake is van ‘antroposofische dogma’s’ en hij geeft er 3 voorbeelden van.

Is de steinerschool een antroposofische school (1) gaat het over geschiedenis, dier- en plantkunde.

In zijn artikel betreft het geschiedenisonderwijs in klas 5 en 6.

Luc:
De geschiedenislessen in vijfde en zesde klas zijn volledig gebaseerd op Steiners antroposofische visie over de ontwikkeling van de mensheid, en dan vooral na de ondergang van Atlantis, dat hij niet als een legende beschouwt, maar als een werkelijk gebeurd feit. Vijf na-Atlantische cultuurperiodes zijn er volgens hem tot op heden geweest. In de geschiedenislessen adviseert hij dan ook om met Atlantis te beginnen, gevolgd door de Oud-Indische cultuurperiode, de Oud-Perzische cultuurperiode, de Egyptisch-Babylonische cultuurperiode, en de Grieks-Romeinse cultuurperiode. De vijfde – onze huidige cultuurperiode – noemt hij de Anglo-Germaanse cultuurperiode, maar die komt vanaf de zevende klas aan bod.

Ik wil Luc eerst iets vragen over ‘Atlantis’. Hij merkt terecht op dat Steiner ‘zijn’ Atlantis als realiteit beschouwt en niet als legende. Steiner zou, volgens Luc, geadviseerd hebben met Atlantis te beginnen.

PIETER:
Begrijp ik het goed, dat het Steiners aanwijzing is, dat het geschiedenisonderwijs in klas 5 moet beginnen met Atlantis en wel het Atlantis van Steiner, dus het antroposofische Atlantis, dus Atlantis als antroposofie.
Atlantis als antroposofie aan de leerlingen van de 5e klas. Zie jij het zo?

LUC:
Het is goed om nu en dan de puntjes op de i te zetten. Ik ben Pieter ten zeerste dankbaar dat hij dit hier doet, want als ik schrijf dat Steiner geadviseerd heeft om met Atlantis te beginnen, dan lijkt het wel of Steiner dit letterlijk zo gezegd heeft, terwijl dat – voor zover ik kan nagaan – niet zo is. In geen enkele pedagogische voordracht van Steiner komt deze uitspraak voor. Waarom beweer ik dan dat Steiner dit geadviseerd heeft?

PIETER:
Het is goed om al meteen bij het begin te kunnen vaststellen, dat jij noch ik bij Steiner hebben kunnen vinden dat er in de 5e klas begonnen moet worden met Atlantis. Er bestaat dus geen pedagogische aanwijzing voor. Het behoort dus niet tot de pedagogie, de didactiek en de methodiek van de vrijeschool zoals Steiner die voor ogen had.
Als hij het niet geadviseerd heeft, kun je niet beweren dat hij het wél geadviseerd heeft.

LUC:
Waarom beweer ik dan dat Steiner dit geadviseerd heeft?
In de eerste plaats omdat ik dat zelf zo vernomen heb in de opleidingen die ik iets meer dan veertig jaar geleden gevolgd heb. Daarin werd onder andere een manuscriptuitgave van een leerkracht aan een Nederlandse Vrijeschool gebruikt waarin de geschiedenisperiode van de vijfde klas tot in detail was uitgewerkt. De auteur begint met Atlantis en behandelt achtereenvolgens de cultuurperioden in de volgorde die Steiner in zijn lezingen over de mensheidsontwikkeling heeft opgegeven. 

PIETER:
Dat manuscript is van wijlen Paul Veltman en je vindt het hier.
Onze eerste kennismaking ermee verschillen niet zo veel. Ik merkte al op:
Paul Veltman genoot aanzien binnen de vrijeschoolbeweging en dan ligt het mede voor de hand dat er – ook al omdat hij veel vrijeschoolonderwijservaring had – op zijn kennis en aanwijzingen wordt voortgeborduurd.

Daarna laat ik dit volgen:
‘Nu – zoveel jaren later – moet ik toch enige kanttekeningen plaatsen bij Veltmans werk ‘OUDE GESCHIEDENIS’ deel 1.

Even later zeg ik:
‘De inhoud van dit geschrift is een samenvoeging van dictaat voor de kinderen.
Vooral in het begin valt op dat Veltman veel aandacht besteedt aan ‘Atlantis’.
Hij beroept zich op Steiner en geeft vervolgens zijn antroposofische gezichtspunten over Atlantis aan de kinderen door.
Wie echter Steiner volgt in diens opmerkingen over ‘antroposofie in het onderwijs’ moet tot de conclusie komen dat Veltman daarmee geen rekening heeft gehouden, wellicht (mede) veroorzaakt door een interpretatie van een opmerking van Steiner.’

Die opmerking – het móet deze wel zijn, want een andere is niet te vinden – staat in GA 300A/85-86 die in 1975 in de GA verscheen.
Een leraar – die hier met X – aangeduid wordt – stelt een vraag voor de ‘geologieles’.
Op blz. 65 staan de dan aan de school werkende leraren en de 7e en 8e klas worden geleid door Treichler en Stockmeyer. Treichler heeft nog meer te doen, het is minder aannemelijk dat hij het is; Caroline von Heydebrand die de 5e klas heeft, is het niet; zij stelt die vraag dus zeker niet voor de 5e klas. Stockmeyer vermeldt de vraag wel in zijn ‘Rudolf Steiners Lehrplan für die Waldorfschule deel 1 blz. 203; maar daar staat hetzelfde als op blz 85 van de GA en hij vermeldt hem niet bij de 5e klas.
Naar alle waarschijnlijkheid was Stein de vraagsteller (volgens de Duitse Forschungsstelle)

De vraag luidt: hoe kun je voor de geologie een samenhang zien tussen deze en de Akasha-kroniek?

Als ík een inconsequentie zou moeten noemen, zou ik het hier doen. Want als Steiner geen antroposofie in het onderwijs wil, had hij hier kunnen of moeten zeggen: ‘Nee, dat hoeft niet, de Akasha-kroniek valt onder de antroposofie.’

Hij gaat er wél op in, maar puur van fysische kant. Het gaat over bergruggen en over waar in 1915 Wegener mee komt: het bewegen van de platen – nu algemeen aanvaard, ook van het feit dat er sprake is van daling en stijging. Of de Britse eilanden viermaal gestegen en weer gedaald zijn, vind ik in dit verband slechts bijzaak; feit is dat er sprake kan zijn van daling en stijging. Dit werd echter door de wetenschap pas vanaf de jaren 1960 steeds reëler geacht. Hij maakt dan een tekeningetje ga-300a-blz86

dat overigens niet exact is: de bodem heeft in het midden bijv. een grote rug. (De Mid-Atlantische rug).
Hier gaat het nog steeds over geologie en aardlagen. ‘We willen de dingen in samenhang brengen’, zegt Steiner, wat kan slaan op de stijgingen en dalingen met de aardlagen of deze met wat hij daarover te zeggen heeft vanuit de Akasha-kroniek. In ieder geval volgt dan de passage waaraan Veltman hoogstwaarschijnlijk refereert: ‘we moeten er niet voor terugschrikken bij de kinderen over het atlantische land te spreken. Ook in geschiedkundige samenhang kunnen we erbij aanknopen. Dan moet je alleen wel de gewone geologie ontkennen. Want de Atlantische catastrofe moet in het 7e tot 8e millennium gedateerd worden. De ijstijd, dat is de Atlantische catastrofe. De oudere, de middelste en nieuwe ijstijd zijn niet anders dan wat er in Europa gebeurt ten tijde van de ondergang van Atlantis. Dat gebeurt tegelijkertijd, dus in het 7e, 8e millennium.’

Wellicht is dit ‘in geschiedkundige samenhang’ vanuit deze context: de jaartallen van de genoemde ijstijd, een eigen leven gaan leiden en uitgelegd als ‘in de geschiedenis moet je Atlantis doen’. Van Steiner!

Ik kan voorlopig niet anders dan wat Luc ‘zo in de eerste plaats heeft vernomen’ tegen deze achtergrond zien.

En als hij ‘met Veltman meegaat’, dan begrijp ik nu beter wat hij bedoelt met ‘geen rechtstreeks advies’. Veltmans opmerkingen zijn, los van de boven beschreven context’ dan een aansporing Atlantis in de 5e klas te geven, zoals Veltman dat doet.

Tijdens het publiceren van Veltmans manuscript merkte ik op:

‘Het moge duidelijk zijn dat deze achtergrondliteratuur voor het grootste gedeelte bestaat uit antroposofie. Dat kan voor de leerkracht buitengewoon verdiepend zijn, maar niets van de inhoud ervan hoort thuis in het geschiedenisonderwijs van de 5e (en andere!) klas(sen).’

Ook geef ik nog expliciet aan welke tekst voor de leerkracht is en niet voor de kinderen en welke kaartjes je beter met de klas niet kunt tekenen.

Voor mijn eerste geschiedenisperiode (1975) heb ik het manuscript (verschenen 1974-1975) nog niet echt gebruikt. Mijn collega van de parallelklas – ook zijn eerste rondje – en ik kregen veel informatie van Daan van Bemmelen die zich met het geschiedenisonderwijs zeer had beziggehouden. Een voorbeeld van een gang door de oude geschiedenis staat hier.
Van Bemmelen rept met geen woord over Atlantis of ‘dat Steiner wilde dat er onbekommerd over werd gesproken’.
Voor mij is het niet onbelangrijk dat Van Bemmelen  niet over Atlantis spreekt. Hij kende Steiner, de laatste bracht hem zelfs een bezoek in zijn klas. Er werd gesproken over het leerplan; maar nergens iets over ‘dat er in de 5e klas met Atlantis dient te worden begonnen’; sterker nog: Atlantis komt niet eens ter sprake – in ieder geval: er is nu geen (schrifteijk) bewijs meer voor.

Als Stockmeyer de man was die het geschiedenisonderwijs in de 8e klas moest geven en dus op Atlantis werd gewezen, waarom noemt hij dat dan niet in ‘Rudolf Steiners Lehrplan’. Als dat toch zo wezenlijk was, had daarover iets moeten staan, al was het maar opnieuw de passage van blz.85-86. Maar: geen woord!
En zou Caroline von Heydebrand daar dan niet bij zijn geweest, in die lerarenvergadering? Is die opmerking niet in haar ziel gegrifd?
Wanneer zij later haar ‘Vom Lehrplan’ schrijft: bij de 5e klas geschiedenis: niets over Atlantis. Evenmin in Wim Veltmans ‘De Vrije Scholen – beginselen en methode’.
Maar in het blad ‘Erziehungskunst’ : vond ik wel dit:
‘Het zou onzin zijn om uitspraken van Steiner in de vorm van leuke verhalen of in de vorm van overgeleverde mythen aan zijn leerlingen te vertellen, omdat ze dat niet zijn en omdat er geen aanleiding bestaat om over zulke uitspraken (bedoeld wordt hier alles wat Steiner over Atlantis heeft gezegd) in de zin van een op zichzelf staand esoterisch weten te beschikken.
Afgezien daarvan zijn er geen leerplanaanwijzingen van Steiner die tot zoiets aanleiding zouden geven.’

Ik ben dus wat Atlantis betreft niet op het verkeerde been gezet door een interpretatie van iemand. Als Veltman voor mij een rol had gespeeld was ik misschien ook wel tot de conclusie gekomen van ‘het advies tussen de regels’.

Het ging bij mij dus anders.

Duidelijke aanwijzingen, zoals bijv. voor het rekenen en de temperamenten ontbreken voor het geschiedenisonderwijs, dus ook voor een eventueel Atlantis.

Interpreteren is toch vooral zoeken naar wat je zou kunnen doen of moeten; maar ook wat je zou kunnen laten of wat je juist níet moet doen.

Je kunt ook volledig anders interpreteren en volledig buiten de valkuil blijven van ‘antroposofie in het geschiedenisonderwijs’.

Een prachtig voorbeeld van hoe geschiedenis op de vrijeschool moet worden gegeven en met welke achtergronden is in mijn ogen Christoph Lindenbergs ‘Geschichte Lehren’. Het is voor de Duitse bond van vrijescholen simpelweg DE methode: dit is het geschiedenisonderwijs op de vrijeschool. Daarom is het een deel in de reeks ‘Menschenkunde und Erziehung’.
(Dat neemt niet weg dat er in Duitsland geen leerkrachten zijn die ondanks dat toch onverstandige dingen doen- maar daarop kom ik later terug).

Ik heb hier het hoofdstuk voor de 5e klas vertaald.

Tot dusver, tot en met Atlantis dus, kan ik niet de conclusie trekken dat Steiner inconsequent was en inhoudelijke antroposofie voor dit item gepropageerd heeft of ‘in het onderwijs gestopt’.

Ook ik besteedde al eens aandacht aan ‘Atlantis wel of niet‘.

Ik heb hierin o.a voorbeelden gegeven van hoe het in een klas kan gaan.

Ik zou Atlantis willen afronden.
Met Luc ben ik van mening dat het geen deel moet uitmaken van het geschiedenisonderwijs.

Een aantal critici, zo je wil criticasters, houdt rigide vast aan het feit dat Atlantis wél een belangrijk onderdeel is van het geschiedenisonderwijs.
Dat blinde, fanatieke vasthouden heeft een rede!

Het moet een bewijs vormen voor het bedrieglijke karakter van de vrijeschool: Atlantis is in hun ogen een ‘bedrieglijke verpakking’, een ‘Paard van Troje’ om Steiners ideeën over de ontwikkeling van de mensheid in het onderwijs te loodsen  om zodoende de kinderen te indoctrineren met de idee dat het blanke ras het heersende is en moet zijn.

De critici ‘bewijzen’ dat aan de hand van een paar periodeschriftjes waarin overijverige leerkrachten wat antroposofische wetenswaardigheden hebben laten opschrijven; de ‘echte’ bewijzen ontbreken: het is een en al speculeren om maar gelijk te krijgen.

Meer daarover is hier te vinden:

Geschiedenis of hoe een schriftjesgeleerde stokpaardje rijdt

Atlantis of hoe de Jonghe een kreupel stokpaardje als oude koe uit de sloot haalt
Een belegen berichtje als bewijs

De Jonghes Atlantis
Het belegen berichtje in een nieuw jasje

In een sukkeldrafje verder op een kreupel (Trojaans) paardje

Atlantis: generaliseren en erin leggen
vertaling van Andreas Lichte generaliseren und hineininterpretieren

Atlantis, ooooo die schriftjes toch
“bewijzen” voor racisme in geschiedenisschriftjes uit klas 5

Luc:

Ben je er ooit door andere -toen meer ervaren of  ‘antroposofische’ collega’s op gewezen dat er m.b.t. het geschiedenisonderwijs een ‘dubbele agenda’ bestaat met als doel – onder het mom van interessante geschiedenis – de evolutie-ideeën van Steiner aangeleerd dienen te worden om de kinderen te indoctrineren met de idee dat het blanke ras het heersende is en moet blijven, m.a.w. was jouw geschiedenis of dat van anderen ‘racistisch’?
Andreas Lichte:  er wordt ‘racisme op kinderniveau’ geïndoctrineerd.
Deed jij daaraan mee of anderen en is dat het uiteindelijke doel van het gschiedenisonderwijs – ook nu nog?

Luc reageerde in de reactieruimte – volgens afspraak komt zijn volledige antwoord hier te staan.

Op deze rechtstreekse vraag kan ik eenvoudig met een neen antwoorden. Vooral omdat ik me in mijn tijd als steinerschoolleraar al heel vlug afgekeerd heb van wat er sporadisch door antroposofen over geschiedenis en rassen gezegd werd; het leek me allemaal gefantaseer en vooral thuishorend in het algemeen westerse denken van de eerste helft van de twintigste eeuw dat gebaseerd was op racisme, paternalisme en kolonialisme, waarin ook Steiner zich kon vinden. Eén keer heb ik, trouw aan het gezag van mijn mentor, geschiedenis gegeven in de 5e klas zoals P.C.Veltman dat aangegeven had. Daarna nooit meer. Had ik als doel racisme en antroposofische evolutieleer te verkondigen? Verre van, geen haar op mijn hoofd dat daaraan dacht, omdat ik als beginnend leerkracht en weinig vertrouwd met antroposofie op dat vlak naïef was. Het heeft gelukkig niet lang geduurd om wakker te worden en mijn ontslag in te dienen zodra ik mijn belofte om de klas zes jaar te leiden vervuld had. Of andere leerkrachten wél een antroposofische agenda hadden, weet ik niet, omdat ik hen er nooit over aangesproken heb, er niet mee bezig was en men mij er ook niet over aansprak. Ik ben later mijn eigen weg gegaan en heb slechts die zaken uit de steinerpedagogie overgenomen die in mijn ogen pedagogisch en didactisch waardevol waren en volkomen losstonden van de antroposofie. Antroposofie is voor mij niet meer dan geesteswetenschappelijke fictie, antroposofische science fiction, maar wel boeiende vakantielectuur.

In de inleiding op mijn periodevoorbereiding van de vijfde klas, die ook door sommige steinerschoolleerkrachten gebruikt wordt, staat duidelijk wat ik onder geschiedenis versta en wat wél of niet als leerstof gegeven wordt. Zie http://www.cielen.eu/geschiedenis-5e-6e-klas-oude-culturen-overzicht-en-inhoud.pdf.

Worden de kinderen door die visie op geschiedenisonderricht geïndoctrineerd i.v.m. racisme of dominantie van het blanke ras? Door eenmalig hierover iets te zeggen – minder dan een halfuur op een hele schoolcarrière – kun je niet spreken van indoctrinatie, het is eerder een zaadje. Maar je weet hoe het met zaad gaat dat in een vruchtbare bodem valt. De dagelijkse ochtendspreuk die in elke steinerschool/vrijeschool/waldorfschool gezegd wordt, heeft veel meer weg van indoctrinatie. Dát vind ik zorgwekkend, net zoals de vele andere antroposofische elementen die gaandeweg in de pedagogie zijn binnengeslopen. De steinerpedagogie moet dringend uit haar antroposofisch keurslijf.

.

Dank voor je antwoord.

Die conclusie had ik ook al getrokken: je kunt niet spreken van indoctrinatie; ook ik was er niet mee bezig en zag geen collega’s die er wél mee bezig waren en nooit is er in bijeenkomsten over geschiedenis waar ik bij was over een soort ‘verborgen agenda’ gesproken. Daar komt nog bij dat de aanbrengers van deze onzinnige aantijgingen geen enkel voorbeeld kunnen geven van hoe dat dan concreet zou gaan of zou moeten, dat indoctrineren.
We zien er ook bij oud-leerlingen nooit iets van terug.

Conclusie:
Atlantis – áls er al iets van Steiner zou worden verteld – leidt niet tot indoctrinatie.

Je merkt hier nog meer op waarover ik graag met je verder praat, maar dit Atlantis hoort nog bij je opmerkingen over het geschiedenisonderwijs en daar ga ik eerst naar terug.
.

Meer commentaren op Luc Cielens artikelenreeks:
‘Is de steinerschool een antroposofische school’:
 .
[1-2] geschiedenis [2]
[1-3dierkunde
[1-4] plantkunde
[2de ochtendspreuk voor de lagere klassen
[3] de ochtendspreuk voor de hogere klassen
[4] meer spreuken
[5] nog meer spreuken
[6]
en nóg meer spreuken
[7] het schoollied
[8] atheïst of agnost: kun je dan vrijeschoolleerkracht zijn?|
[9] jaarfeesten
[10] euritmie en gymnastiek
[11] muziekonderwijs

.

vrijeschool en antroposofiealle artikelen

.

1244-1162

.

..

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-2)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE – GA 293

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken een context geven bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

OVER DE ZGN. ‘ONGEDRUKTE PASSAGE’

Al in zijn openingszin gebruikt Steiner de woorden ‘geestelijk’ en ‘geestelijke werelden’.
Maar wat is ‘geest’, ‘geestes’leven; ‘geestelijk’; ‘geestes’wereld; ‘geest’wereld en wat er nog zou kunnen volgen.
We komen toch meestal niet verder dan die woorden in de sfeer te plaatsen van ‘kerkelijk’ of ‘geloofs-‘; of we hebben de geesteswetenschappen, zoals de filosofie. In het beste geval komen we nog tot iets ‘mentaals’, maar tegelijkertijd wordt beweerd dat dit mentale slechts het gevolg is van hersenactiviteit: ‘wij zijn ons brein’; en de mens als geesteswezen – als een volstrekt uniek wezen – is niet meer dan ‘de naakte aap’.

Voor de toekomstige leerkrachten aan de 1e vrijeschool was dat niet het geval. De meeste hadden al veel mededelingen van Steiner gehoord; ze hadden Steiners boeken gelezen; ze waren volop ‘bezig met antroposofie’ en ‘geest’ had voor hen in ieder geval inhoud.

ZO ANDERS!

(< > naar deze passage wordt verwezen vanaf een andere pagina)

Hoe anders was dat voor mij!
Ik leerde de vrijeschool  kennen, door wat ik tijdens een hospiteerperiode in een vrijeschoolklas zag. (We spreken nu over ‘stage’). Als leerling – je sprak nog niet van ‘student’ – van de Gemeentelijke Kweekschool in Rotterdam, (de Pabo moest nog worden geboren) – kwam ik in de 5e klas van de Rotterdamse vrijeschool.

IN MIJN JEUGD

ging ik regelmatig naar de kerk en op zondag naar de zondagschool – mijn lagereschool was een openbare.
In de kerk hoorde ik over God en de duivel; de geesten voor Gods troon, over Gods geest die o.a. ‘over de wateren’ zweefde. Maar met het vorderen van ‘de jaren des onderscheids’, nam ook de twijfel aan alles toe en ik zei de kerk vaarwel; met woorden als ‘geest’ hield ik me niet meer bezig.

IN HET JAAR

vóór ik op de Haagse vrijeschool mijn eerste 1e klas kreeg, volgde ik vaak lezingen vanuit een antroposofische visie over veel uiteenlopende onderwerpen.
Ter voorbereiding las ik veel ‘Vrije Opvoedkunsten'[4] en het verbaasde me telkens weer dat de meeste artikelen, hoewel al jaren oud, toch heel actueel bleken te zijn. Sommige auteurs hielden ook voordrachten en toen ik die begon te bezoeken, kreeg ik een voor mij heel acceptabel wereldbeeld uitgelegd. Zelfs het begrip ‘geest’ kreeg een inhoud waar ik wél wat mee kon.
En met het motto van de onnavolgbare Leendert Mees: ‘don’t say no, just say ‘oh’, [5] kon alles wat ik niet begreep, rustig wachten.

AAN HET WERK

De maanden vóór ik in augustus 1970 met mijn allereerste 1e klas zou beginnen, probeerde ik me zo goed mogelijk inhoudelijk voor te bereiden. Dat betekende bijna vanzelf dat ik ook met de ‘Algemene menskunde’ begon. Immers, dat is toch de gang van zaken: je wil je verdiepen, dus studeer je en probeer je de inhoud van je studie-onderwerp je eigen te maken. Dat lukte nauwelijks: inhoudelijk vond ik het moeilijk; ‘dingen’ onthouden had bijna geen zin; ik voelde onbewust dat het om een heel andere manier van denken ging, maar ook van waarnemen en ik ervoer al snel dat je antroposofie ‘er niet even bij doet’. Ik ben, uiteraard met grotere of kleinere tussenpozen, wel mijn hele vrijeschooltijd met dit boek bezig geweest en het is me vaak opgevallen dat ik dan weer iets las, waar ik de vorige keren kennelijk overheen gelezen had, want de betreffende passage leek me volkomen nieuw.
Door de andere voordrachtenreeksen (GA 294, 295) leerde ik de temperamenten kennen. Eerst was het de zoveelste typologie die ik bestudeerde – dat had ik op de kweekschool al veel vaker gedaan – maar nu deed zich het feit voor, dat de bestudering van de temperamenten [6] eigenlijk geen zin had, zonder ook daadwerkelijk met kinderen samen te zijn. Een frappante ervaring: een theorie die weinig waard blijkt zonder de praktijk van het leven. 

Ik hospiteerde in de verschillende klassen en zag het praktische vrijeschoolleven: de schilder- en tekenuren; de muziek, het periode-onderwijs; de extra hulp aan kinderen met ontwikkelings- en leerproblemen; het niet-Nederlandse talenonderwijs – kortom: het echte vrijeschoolleven.
De andere kant van het verhaal is dus de theorie – wat zijn de achtergronden die tot deze praktijk leiden en hoe maak ik me die eigen.

DE EERSTE VERGADERING

In de week vóór het schooljaar weer zou beginnen, werd de eerste lerarenvergadering gehouden.
Er zou worden gesproken over de ‘ongedrukte passage’. Die was dus aanvankelijk niet in een boekuitgave (GA 293) te lezen.

Steiner laat aan duidelijkheid niets te wensen over: vóór het vrijeschoolwerk begint, wil hij zich ‘bezinnen op de verbinding met de geestelijke werelden‘.
Wij zijn als mens geen wezens die op deze aarde uitsluitend een lichamelijk leven leiden; wij zijn ook ziel en geest. En zoals ons fysieke lichaam leeft op en van deze aarde, zo behoort onze ziel tot de wereld van de ziel en onze geest tot de wereld van de geest, de geestelijke wereld.

En dan zit je in zo’n vergadering, als nieuwkomer met totaal geen vrijeschoolachtergrond of antroposofische kennis, levend in een wereld waarin velen – vaak minder bewust door het vertrouwen in ‘de’ wetenschap – er wel min of meer van overtuigd zijn dat we ‘hogere dieren’ zijn; dat de schepping is begonnen met de oerknal en: niks ziel en/of geest: ‘wij zijn ons brein’.

Dat is ook voor vele leerkrachten de wereld waarin ze leven, de studiewereld waaruit ze komen en die ze meenemen het leven in; waarmee ze op de een of andere manier vrijeschoolleerkracht (willen) worden.

Toen ik later op pas opgerichte scholen werkte, gingen we eenmaal per jaar een weekend ergens heen om ons te bezinnen op ons werk. Omdat de groepen niet zo groot waren, was het mogelijk dat iedereen eens vertelde waarom hij of zij op de vrijeschool werkte. Buitengewoon indrukwekkend vond ik de biografieën van iedere collega; de levensloop van hem of haar die uiteindelijk (ook) naar deze school had geleid. Bij iedereen was de impuls méér van onderwijs en opvoeding te maken, dan ieder op de een of andere manier wel ergens had geleerd. De sterke wil om ‘geen vat te vullen, maar een vuur te ontsteken’ was bij iedereen aanwezig. De sterke wil om kinderen recht te doen: d.w.z. ze in het onderwijs dát te geven, waarom ze onbewust vragen: wat ze vanuit hun natuurlijke ontwikkeling verlangen en nodig hebben.

DE AFSTAND TOT DE WERELD VAN DE GEEST

Maar voor velen – ook voor mij dus – was die afstand naar ‘de geestelijke werelden’ groot. Eigenlijk: onoverbrugbaar groot. Je hoorde erover, je las erover, je wees het niet af, want je voelde ook zeer duidelijk dat het onderwijs waarvoor je zo enthousiast was, er nooit zou zijn gekomen zonder Steiners visie op die geestelijke wereld: als realiteit. Velen deden hun best die relatie met ‘een’ of ‘de’ geestelijke wereld aan te halen – er zijn van Steiner meditaties voor – velen probeerden zich op deze weg te scholen. Ik ook, maar ik moet zeggen dat het mij niet is gelukt. Met vlagen, maar dan kwam de klad er weer in: veel te druk: voorbereiden voor de andere dag; organisatie van de school; (bestuurs)vergadering(en); ouders bezoeken en er was je partner, later je gezin, de verhuizingen, de verbouwingen; er bestond ook nog familie waarvoor je nauwelijks tijd had: een verjaardag door de week: kan eigenlijk niet, ik moet nog zoveel voorbereiden; en de achtergronden en, en…..

Vaak veel te veel en niet hygiënisch wat het levensritme betreft.

NIEUWKOMERS

En dan, als je in de lerarenvergadering zit, bijv. als nuchtere docent wiskunde, die afgekomen is op de vacature en wel iets weet van de vrijeschool als school met een prettig onderwijsklimaat, gaat het over de ‘ongedrukte passage.’

Want vóór Steiner met zijn voordrachtenwerk bij de oprichting van de vrijeschool in Stuttgart begon, wilde hij zicheerst bezinnen op hoe wij de verbinding met die geestelijke machten nu concreet leggen, in wier opdracht en mandaat ieder van ons in zekere zin zal moeten werken.’
Hij ziet zijn inleidende woorden als ‘een soort gebed tot de machten die de taak hebben imaginerend, inspirerend en intuïterend achter ons te staan, nu wij deze opdracht op ons nemen.’ [7]

Wat ik hier zo beschreef, met een wat persoonlijk karakter, kunnen veel meer vrijeschoolleerkrachten schrijven. We hebben ‘weet’ van een geestelijke wereld, maar er echt in doordringen lukt niet.
Misschien wel bij een enkeling. Maar wie zou van zichzelf durven beweren dat hij dat inzicht heeft. Nog nooit heb ik het van iemand vernomen, noch persoonlijk mondeling, maar ook niet in de vele publicaties over de vrijeschoolpedagogie.

OPDRACHT

We hebben dus enige ‘weet’ van de geestelijke wereld, van geestelijke machten. Maar zo concreet dat we, als we ons werk op de vrijeschool beginnen, er volledig van overtuigd zijn dat we dat gaan doen in de opdracht en met het mandaat van die geestelijke machten?

Later in de voordracht wordt Steiner voor mij concreter: dan gaat hij uitleggen wat er met ‘geest’ wordt bedoeld.

Maar wanneer hij in 1919 zijn 1e voordracht houdt, lijkt het net of al de toehoorders dat al weten en hij geeft ze meteen een handreiking hoe ze de verbinding met deze geestelijke machten kunnen realiseren of in ieder geval proberen te realiseren: in de ongedrukte passage.

DE ONGEDRUKTE PASSAGE

Steiner wilde niet dat de betreffende passage werd gestenografeerd. Ik heb nooit ergens gezien waarom niet, al kun je er wel je gedachten over hebben.

Vond hij de woorden te sacraal voor de drukletter? In de trant van Maria die de woorden van Gabriël in haar hart bewaarde en overdacht. Was dat de bedoeling? In de Duitse uitgave van GA 293 uit 1960 staat de passage niet, wel in die van 1992 en derhalve ook in de vertaling. Waarom werd er besloten Steiners wens niet (meer) te respecteren?

In de vertaling vinden we de volgende tekst:

een soort gebed:
Steiner wilde dus niet dat het betreffende gebed werd gestenografeerd. Het werd door twee cursisten, Caroline von Heydebrand en Herbert Hahn, achteraf als volgt opgetekend.

Notities van Caroline von Heydebrand:

‘Laat ons onze gedachten zodanig richten dat wij het bewustzijn kunnen hebben: achter ieder van ons staat zijn engel, wiens handen zacht op ons hoofd rusten; deze engel geeft jullie de kracht die je nodig hebt. — Boven jullie hoofden zweeft de reidans van de aartsengelen. Zij geven aan elkaar door wat de een de ander te geven heeft. Zij verbinden jullie zielen. Daardoor ontvangen jullie de moed die je nodig hebt. (Uit moed vormen de aartsengelen een schaal.) – Het licht van de wijsheid wordt ons geschonken door de verheven wezens van de archai, die niet een gesloten kring vormen, maar die uit verre oorsprongen verschijnen en in verre verten verdwijnen. Zij dringen slechts als een druppelvorm in deze ruimte door. (In de schaal van de moed valt van de heersende tijdgeest een druppel van het licht der tijd.)’

In de Duitse uitgave staat dit tekeningetje, behorend bij de versie van Von Heydebrand:

ga-293-blz-217

Notities van Herbert Hahn:

‘Wij mogen, omdat wij ons actief op de pedagogie van deze vijfde cultuurperiode richten en ons als leerkrachten daarvoor willen inzetten, voor ogen houden dat de wezens van de derde hiërarchie bereid zijn zich met ons werk te verbinden.

Achter ieder lid van het toekomstige lerarencollege zien wij de engel staan. Hij legt beide handen op het hoofd van de hem toevertrouwde aardemens. En door deze houding en dit gebaar laat hij kracht overstromen. Het is een kracht die aan het te volbrengen werk de noodzakelijke imaginaties meegeeft. Creatief imaginerend, krachtig imaginaties wekkend, staat zo achter ieder de engel.

Gaat de blik naar boven, dan zweeft daar boven de hoofden van de toekomstige leraren een schare aartsengelen. Rondgaand en weer teruggaand in hun kring dragen zij dat wat uit de geestelijke ontmoeting van de enkeling met zijn engel wil voortspruiten, naar ieder van de anderen. En zij dragen het, door de kracht van alle anderen verrijkt, weer naar de enkeling terug. – In dit rondgaan, dat als een geestelijk beeldhouwen aandoet, vormt zich boven de hoofden van de in gemeenschappelijk streven verbonden personen – een schaal. En deze schaal heeft een heel bepaalde substantie: hij is gevormd uit moed. – Tegelijkertijd laten de rondzwevend verbindende aartsengelen in hun beweging, in hun scheppende werkzaamheid inspirerende krachten instromen. Zij ontsluiten de bron van de inspiraties die wij voor ons werk nodig hebben.

Wanneer de schouwende blik nog verder naar boven gaat, bereikt hij het domein van de archai. Zij treden niet als een gezamenlijkheid op. Maar uit hun sfeer, de sfeer van het licht, laten zij een druppel vallen in de schaal van de moed. Wij mogen het zo beleven dat deze lichtdruppel ons geschonken wordt door de goede geest van onze tijd, die achter de stichter en achter de stichting van deze nieuwe school staat. Het zijn scheppende intuïtiekrachten die in dit lichtgeschenk werken. Zij willen in hen die nu het jonge pedagogische werk beginnen, de noodzakelijke intuïties wekken.

Zo neemt, kracht, licht en moed schenkend, de derde hiërarchie aan deze stichting deel. Imaginerend, inspirerend en intuïterend wil zij zich verbinden met ons aardse handelen.’ [8]

IN NAAM VAN DE GOEDE GEEST

Vóór Steiner nader ingaat op wat met geest wordt bedoeld, spreekt hij zijn dank uit. Hij doet dat – de vertaling heeft: in naam van’, dat enigszins dwingend betekent: ‘op gezag van’.
Zou het ook ‘uit naam van’, ‘namens’ kunnen betekenen? Het betekent m.i. toch dat Steiner a.h.w. plaatsvervangend optreedt voor de goede geest, wiens taak het is de mensheid te leiden en te verlossen van nood en ellende; wiens taak het is de mensheid te brengen tot een hoger ontwikkelingsstadium in onderwijs en opvoeding uit diens naam dankt Steinerde goede geesten, die ons aller heer Molt de goede gedachte ingegeven hebben om in deze richting en op deze plaats voor de verdere ontwikkeling van de mensheid dat te doen, wat hij door de oprichting van de Waldorfschool heeft gedaan.

Als ‘nieuwkomer’, zal ik nog maar even zeggen, weet je nu in ieder geval dat het tóch om onderwijs en opvoeding gaat, dat dit op een hoger ontwikkelingsniveau gebracht moet worden en dat dit een onderdeel is van de taak van de goede geest, de mensheid te leiden en te verlossen van nood en ellende.

Dan kunnen er wel wat vragen rijzen: wie is die goede geest; wie zijn die andere goede geesten; zijn dat dezelfde als de geesten die genoemd worden in de ongedrukte passage, die ons willen helpen bij ons werk?

Steiner noemt ze hier niet.

Maar bij de vele gelegenheden waarop hij over de geestelijke wereld sprak, in het bijzonder over de hiërarchieën, beschreef hij de aartsengel Michaël als de leidende tijdgeest. Een tijdgeest van wie sterke impulsen uitgaan. Maar die niet zonder de mens gerealiseerd kunnen worden. Hij moet ze begrijpen én ernaar handelen. Ze moeten tot daad worden, alleen wéten is niet genoeg.

Op deze blog staan ook artikelen over de jaarfeesten, waaronder het Michaëlsfeest.

De vele aspecten die in deze artikelen over Michaël geschreven worden, bieden de gelegenheid een dieper inzicht te krijgen in wat met ‘Michaël’ wordt bedoeld.

In Michaël, aarde en mensheid is er sprake van ‘het komt niet meer aan op de natie, maar op de mensheid als geheel; op de enkeling.

In andere beschouwingen over Michaël wordt hij beschreven als een tijdgeest – een abstractere naam, een idee of ideeën, onstoffelijk, maar zichtbaar gemaakt in wat we dan zien in de kunst waarin Michaël wordt afgebeeld, symbolisch?

Maar bij alles wat rondom deze tijdgeest wordt gezegd, voel je a.h.w. dat ‘het in de lucht hangt’, dat het er is, dat het komen wil: de mens als mens, ongeacht afkomst, ras, sekse enz. Niet meer behorend tot een ras of een natie, maar grensoverstijgend tot ‘het geslacht mens’ (Rosenstock-Huessy). De drang naar vrijheid, naar zelfontplooiing. Wie probeert zijn tijd te begrijpen, ziet het overal om zich heen.
Wie Steiners ‘De weg tot inzicht in hogere werelden‘ ‘kent’ zal vaak zijn tegengekomen dat – het gaat hier om de ontwikkeling van de geestelijke wezens die de hiërarchieën vormen – de ontwikkeling geremd wordt door wezens die in die ontwikkeling niet meegaan, die ‘achterblijven’, die het oude willen conserveren.

Het heeft er veel van weg dat ook in onze tijd ‘de Michaëlische’ ontwikkeling van wegvallende grenzen, grotere verantwoordelijkheid voor het geheel, vrije ontplooiing voor het individu – altijd in de context van meer verantwoordelijkheid voor de gemeenschap – op vele gebieden ook wordt geremd. De grenzen weer dicht? Terug naar de gulden? Eigen volk eerst?

De sociale nood is hoog, in onze tijd nog altijd: honger, armoede, oorlog, vluchtelingen enz.

Ook in Steiners tijd: de 1e Wereldoorlog.

Steiner beweert een antwoord te hebben op de vraag hoe de sociale nood veranderen, verdwijnen kan. Dat is zijn conceptie van de Driegeleding van het sociale organisme‘. Dat is in zijn overtuiging ook het concretiseren van de Michaëlische tijdgeest – wat de geestelijke wereld wil – . Waarop de geestelijke wereld wacht. De spirituele daden van de mens als mogelijkheid voor de geestelijke wereld om zich te ontwikkelen.

De regeringen van Duitsland en Oostenrijk die wel naar Steiners ideeën wilden kijken, doen er uiteindelijk niets mee. De driegeleding zal niet worden gerealiseerd. ‘Geen feest in de hemel!’

Maar dan vraagt Emil Molt aan Rudolf Steiner een school op te richten – vrij van de staat. Dat betekent toch nog iets van de idee van de driegeleding realiseren. Dat is – ik zeg het nu een beetje oneerbiedig – goed nieuws voor de geestelijke wereld.
Zo begrijp ik tenminste Steiners opmerking:

Een feestelijke handeling van de wereldorde,
in een andere vertaling staat een ‘feestelijke gebeurtenis in de ordening der werelden’

Op haar blogMooiteneemt Merel Boon je mee op haar zoektocht naar het wezenlijke van de ‘ongedrukte passage’.

Ruud Gersons spreekt erover op zijn website:
Inleiding, uitleg en vertaling in het Nederlands, klik hier

**Beste Leo
<2>De kans is niet groot dat je dit leest. Toch wil ik het hier uitgesproken hebben: door jou kreeg ik dit mooie beroep: vrijeschoolleerkracht.<2>

Daarvoor ben ik je heel dankbaar!

=

De vraag naar de, of een geestelijke wereld, of naar God, wordt door velen gesteld en dus door velen beantwoord. Dat is vaak zeer verrijkend!
‘Professor, bestaat God?

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[
2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
[4] Vrije Opvoedkunst – archief
[5] Leen Mees
[
6] Over temperamenten
[7]  imaginerend, inspirerend en intuïterend: De termen imaginatie, inspiratie en intuïtie worden door Steiner gebruikt om de drie hogere kenvermogens aan te duiden. Wat deze vermogens inhouden zet hij o.a. uiteen in De wetenschap van de geheimen der ziel en in Zelfkennis en hoger inzicht, wv-d2, ga 12, 16 en 17 (eerdere vertaling van ga 12: De trappen van het hogere bewustzijn, Zeist 1982).
(Laatst genoemd boek tref ik op de website van Christofoor niet aan, wel De weg tot inzicht in hogere werelden)
[8GA 293/218
vertaald/238-239

.
Meer over blz. 17/18 [1-2-1]

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1223-1142
 

.

**

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (34)

.

opspattend grind

In Trouws ‘De Verdieping’ stond onder
‘DE OPVOEDVRAAG’:

Wat merkt een baby van ouderlijke onmin?

Woorden hebben waar de baby bij is, blijft daar iets van hangen?

Ze heeft een goede relatie met haar vriend, maar er is natuurlijk weleens ruzie, schrijft een moeder. “We hebben niet bepaald een groot appartement, dus als we woorden hebben, kan onze dochter dat horen of zit ze er zelfs bij. Ze is net 6 maanden en lijkt er geen last van te hebben, maar is dat ook zo?

Dat er aan het meisje niets te merken is, zegt niet alles. Waar het ene kind huilt, kan het andere juist verstarren of zich heel stil houden in zo’n situatie, zegt Eva Potharst. Ze werkt als kinder- en jeugdpsycholoog bij UvA Minds en ontwikkelde bij dat academisch behandelcentrum een mindfulnesstraining voor ouders met baby’s. Een kind van zes maanden kan niet praten, ze onthoudt zo’n ruzie dus niet in woorden, zegt Potharst.  (   )

Als ouders schreeuwen of met deuren gooien, allicht dat het kleintje dat opmerkt. Maar ook een ruzie die met de ‘silent treatment’ wordt uitgevochten, kan een baby volgens Potharst aanvoelen. “Kinderen ontwikkelen zich voor een belangrijk deel door de interactie met hun ouders. Ze zijn erg gericht op sociale stimulansen, op het gezicht en de stem van vader en moeder.” Er zijn allerlei onderzoekstechnieken om stress of emoties bij baby’s te meten. Minutieus observeren, de pupilgrootte meten of speeksel testen op het stresshormoon cortisol. Potharst: “Al heel jong kunnen baby’s verschillende gezichtsuitdrukkingen onderscheiden, stemmen herkennen. Ze kunnen dus ook angstig worden van stemverheffing, of van een boos gezicht. Ook stress van ouders voelen ze aan. Mensen denken vaak: hoe jonger kinderen zijn, hoe minder ze doorhebben. Dat is echt een fabeltje. <1>Sommige kinderen zijn al voor de geboorte getraumatiseerd, die komen schrikachtig ter wereld. Dus ook bij een baby’tje van drie weken zou ik elkaar niet de tent uit vechten.”

René Goedhart is relatie- en gezinstherapeut in Zwolle. Hij hoort ouders vaak zeggen, ‘O maar de kinderen waren er niet bij toen wij ruzie maakten’, of: ‘Ze lagen gelukkig te slapen’. Goedhart heeft gewerkt in de reguliere jeugdzorg, bij de reclassering en bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling. Nu behandelt hij, in een instelling voor geestelijke gezondheidszorg, kinderen met een verslaving en psychische problemen. In twintig jaar heeft hij gezien wat ruzies, echtscheidingen en huiselijk geweld kunnen doen: kinderen raken gestresst, hebben geen vertrouwen in anderen, kunnen zich niet concentreren of ontwikkelen gedragsproblemen. Ook als ouders dachten dat hun kinderen er niet zo’n last van hadden.”

Trouw, 26-10-2016

RUDOLF STEINER
Wat er in zijn stoffelijke omgeving voorvalt, bootst het kind na en door de activiteit van het na­bootsen worden zijn fysieke organen in de vormen gesmeed, die dan als model behouden blijven. Je moet echter het woord ‘stoffelijke omgeving’ in de ruimste zin opvatten. Hiertoe behoort bijvoorbeeld niet alleen, wat zuiver stoffelijk om het kind heen voorvalt, maar ook alles, wat zich in zijn omgeving afspeelt en wat waargenomen kan worden door zijn zintuigen, wat van de stoffelijke ruimte uit op zijn geest kan inwerken. Daartoe behoren ook alle morele of immorele, alle verstandige en dwaze handelingen, die het kind voor ogen krijgt.
GA 34/324 en verder:

Wanneer de nabootsing van gezonde voorbeelden in een  atmosfeer van warme genegenheid mo­gelijk is, dan is het kind in zijn ware element.

Het mensenwezen doet datgene wat zijn omgeving doet. Bekijkt u het kind maar eens vol aandacht en u zult zien: het kind is een nabootsend wezen, het doet datgene wat de volwas­senen doen. In het leven van het kind is het van groot belang dat de mensen die in de omgeving van het kind leven alleen datgene doen wat het kind kan nabootsen; zelfs alleen dat­gene denken en voelen wat het kind kan nabootsen.
GA 296/18
Opvoeden en onderwijzen/blz. 27

In de levensfase van geboorte tot tandenwisseling is de mens helemaal een nabootsend wezen. Je moet je voorstellen dat de mens in deze eerste levensfase op een buitengwone intieme manier in relatie staat tot zijn omgeving. In zekere zin gaat alles wat mensen uiterlijk doen, ja zelfs wat mensen voelen en denken op een bepaalde manier voor een kind zo in zijn werk dat het kind nabootsend vertrouwd raakt met die processen in zijn omgeving.
GA 304/160
Niet vertaald

Op nog veel meer plaatsen spreekt rudolf Steiner over het belangrijke verschijnsel van hoe het kleine kind op zijn omgeving reageert.

HET KLEINE KIND IS EEN EN AL ZINTUIG!

DOOR DE NABOOTSING VINDT HET KIND ZIJN WEG NAAR DE WERELD

NABOOTSING

Rudolf Steiner: alle artikelen

Opspattend grind: alle artikelen

1218-1138

.;

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – handschaduwbeelden

.

Handschaduwbeelden

Na de 1e klas is het meestal wel gebeurd met de vingerspelletjes. Het is echter wel goed om steeds iets met de vingers of handen te doen.
Die bewegingen leiden – mits geoefend – tot behendigheid – de handen leren en Rudolf Steiner wees al op het belang van het ‘handwerk’ voor de vorming van de intelligentie, wat het hersenonderzoek in deze tijd bevestigt.
O.a. de vingerspelletjes vallen eronder, maar ook de kringspelen, en hinkelen of touwtjespringen, wanneer het meer om de coördinatie gaat.
En naarmate de kinderen ouder worden, mag dat ook wel iets moeilijker worden.

Wanneer ik hier een leeftijd noem, is dat slechts een benadering. Je moet altijd zelf kijken, wanneer je klas het aankan.

Schaduwbeelden zijn wat minder beweeglijk: je moet stilstaan of zitten . Je moet wel goed waarnemen: het schaduwbeeld moet kloppen en je zal dus je handen of vingers moeten sturen.
Een derde klas zou dat wel moeten kunnen, maar iets eerder of later kan uiteraard ook.
En natuurlijk niet allemaal op 1 dag, maar iedere dag 1, bv. gedurende een bepaalde tijd.

Als je ze wil doen, moet je ze zelf goed beheersen!

Hier volgt een aantal schaduwbeelden:

Een konijntje
Er zijn massa’s verschillende manieren om een konijntje op het doek/op de muur te projecteren; twee van de eenvoudigste en tegelijkertijd twee van de beste zijn die, welke hieronder beschreven en afgebeeld staan.

Methode I
Houd de wijsvinger van de rechterhand gestrekt en pak de top hiervan vast tussen duim en wijsvinger van de linkerhand.
Zorg ervoor, dat de wijsvinger van de linkerhand gebogen is, zodanig, dat zij de omtrek kan vormen van de konijnensnuit. Je zult nu zien dat er een kleine opening is tussen de bal van de linkerduim en de top van de rechterwijsvinger. Deze opening vormt het oog.
Nu worden de handen rug aan rug geplaatst en de toppen van de pinken in elkaar gehaakt.
De ring- en middelvinger van de rechterhand worden naar voren gebracht en hierdoor ontstaan de voorpootjes, terwijl de linkerduim de achterpoten, als één, laat zien.
De ring- en middelvinger van de linkerhand worden naar achter gebogen en vormen de beide oren.
Het konijn is klaar en kan nu tot leven worden gebracht door de oren te bewegen, de voorpoten of het snuitje:

handschaduwbeeld-1

Methode II
Deze manier lijkt erg op de eerste; het verschil is dat de handen niet zo vast gesloten zijn. De rechterhand wordt met de rug naar boven gehouden en hierop wordt de linkerhand gelegd met de rug naar beneden.
De toppen van de linkerduim en -wijsvinger worden op elkaar geperst en vormen de snuit. De oren worden gevormd door de linkermiddel- en ringvinger naar je toe te strekken.
De pink wordt tegen de palm aangedrukt en is dus niet te zien.
Door de rechterwijs- en middelvinger te strekken ontstaan de voorpootjes, terwijl de rechterduim de achterpoten illustreert.
De ringvinger van de rechterhand wordt in de handpalm gedrukt, evenals de pink van de rechrerhand; tekening 2.
Ook nu weer kan het konijn door verschillende bewegingen, zoals in eerste methode beschreven, tot leven worden gebracht…

handschaduwbeeld-2

Wanneer het bovenstaande met succes is uitgevoerd, is het mogelijk uit de bestaande houding onmiddellijk twee konijnen te produceren:

De linkerhand verandert niet van houding en vormt het eerste konijntje, de rechterhand wordt van de linker af bewogen en neemt dezelfde vorm aan; tekening 3.
De oren kunnen, zoals ook in de andere methoden, bewogen worden, de pootjes moeten echter in dit geval ontbreken.

handschaduwbeeld-3

Een vos
Voor het uitbeelden van een vos is alleen de rechterhand nodig.
De vingers worden gestrekt en de handpalm wordt vlak gehouden. De duim naar boven gericht.
De wijsvinger wordt gebogen en de top wordt gezet op het midden van de middelvinger. Hierdoor ontstaat een opening, waardoor het oog wordt gevormd.
De ringvinger blijft in gestrekte houding tegen de middelvinger aangeperst, terwijl de pink zover mogelijk naar achter wordt gebogen. De ring- en middelvinger vormen nu de snuit, terwijl de pink de onderkaak illustreert.
Door de pink nu van achteren naar voren te bewegen, en omgekeerd, maakt de bek een happende beweging; tekening 4.

handschaduwbeeld-4

Zoals tekening 3 laat zien, is het mogelijk met de linkerhand een konijn te vormen.

Wanneer je dit doet, kunt je de vos (rechterhand) het konijntje (linkerhand) achterna laten zitten.

Een wolf
De rechterhand neemt de houding aan als noodzakelijk voor de vos (zie tekening 4).
De linkerhand wordt nu naar de rechter gebracht, de palmen van beide handen op elkaar. De toppen van de middelvingers, ringvingers en pinken van beide handen worden nu stevig op elkaar geperst en er moet hierbij voor worden gezorgd, dat zij alle volkomen gestrekt zijn.
De linkerwijsvinger wordt nu eveneens gestrekt en opgeheven en vormt zodoende één van de oren.
Het andere oor wordt al door de rechterduim voorgesteld.
De linkerduim wordt tussen beide handen verstopt en wordt dus niet gezien.
De wolf is nu gereed (tekening 5).

handschaduwbeeld-5

De pink van de rechterhand wordt heen en weer bewogen en vormt de onderkaak, zoals in tekening 4 en 5 is te zien.

Een olifant
De afbeelding van een olifant is een van de eenvoudigste, maar tegelijkertijd één van de mooiste voorstellingen die gemaakt kunnen worden. Je moet hierbij echter bedenken dat alle bewegingen van de olifant langzaam, afgemeten en waardig zijn.
De rechterhand is gestrekt, met de vingers stijf aaneen gesloten. De vingers worden nu als één, naar de handpalm gebogen, zo, dat de vingers met de rug van de hand een scherpe hoek vormen. De duim echter, blijft naar voren gestrekt en ligt in dezelfde lijn als de rug van de hand. De vingers van de rechterhand vormen de slurf en hierom is het noodzakelijk dat de vingers tegen elkaar gedrukt blijven, zodat zij als één op het doek/muur worden gezien.
De linkerhand neemt een gelijke houding aan als die van de rechter- en wordt op de rechterhand geplaatst, terwijl de linkervingertoppen op de knokkels van de rechterhand worden gedrukt.
De ruimte die is ontstaan tussen de rug van de rechterhand en de palm van de linker- illustreert het oog en door het langzaam samendrukken van de twee handen kan dit oog geopend of gesloten worden.
De linkerduim hangt naar beneden langs de achterkant van de rechterhand en vormt op deze manier de bek; tekening 6:

handschaduwbeeld-6

De bek kan bewogen worden door de linkerduim van voren naar achter te bewegen, de slurf door de vingers van de rechterhand langzaam naar en van de palm te bewegen.

Een stier
De handen worden gekruist en met de ruggen tegen elkaar geplaatst, de linkerhand onder, de rechter boven.
De linkerwijsvinger wordt in de palm gebogen en daar vastgehouden door de linkerduim.
De middel- en ringvinger van de linkerhand, evenals de pink, worden naar binnen gebogen totdat de toppen rusten op de vingerwortels. De ringvinger, middelvinger en pink van de rechterhand worden in de palm gevouwen. De duim van de rechterhand blijft naar boven gestrekt, de wijsvinger van dezelfde hand maakt een lichte buiging naar de rechterduim toe. Duim en wijsvinger van de rechterhand kunnen zodoende de horens vormen; tekening 7:

handschaduwbeeld-7


Een schaap
De rechterhand wordt horizontaal gehouden met de rug naar boven. De duim wordt tegen het eerste lid van de wijsvinger geperst en de andere vingers liggen alle naast elkaar in dezelfde lijn als de wijsvinger.
De linkerhand wordt nu boven de rechter gebracht, met de top van de linkerpink op de nagel van de rechterduim.
De linkerringvinger wordt, tussen de rechterduim en wijsvinger door, naar beneden gedrukt en geperst tegen de palm van de rechterhand. De linkermiddelvinger wordt nu geplaatst op het tweede lid van de rechterwijsvinger, op zo’n manier, dat er (doordat de middelvinger is gekromd) een ruimte ontstaat die als ‘oog’ moet dienen.
De pink en ringvinger van de rechterhand worden nu als één naar beneden gebogen en hierdoor wordt de onderkaak gevormd.
De wijsvinger van de linkerhand wordt nu naar voren uitgestrekt en de duim iets opgeheven om de oren te vormen.
Je kan het oog laten knippen door de linkermiddelvinger iets te bewegen. Door van de rechterhand de pink en ringvinger tegelijk heen en weer te bewegen ontstaat een kauwende indruk; tekening 8:

handschaduwbeeld-8
Een bok
De rechterhand wordt horizontaal gehouden met de rug naar boven. De vingers worden naar beneden gebogen, zodat tussen handrug en vingers een rechte hoek ontstaat.
De wijs- en middelvinger worden tegen elkaar geperst en onder die twee wordt de duim gedrukt. De ringvinger wordt losgemaakt van middel- en ringvinger en (nog steeds gestrekt) naar beneden gebracht. De pink wordt gebogen in de palm en kan als sik dienen. De ringvinger van de rechterhand stelt dan de onderkaak voor.
Nu wordt de linkerhand op de rechter gebracht, met de palm op de rug van de rechterhand.
De pink van de linkerhand wordt op de rechterwijsvinger geplaatst en de ringvinger van de linkerhand op de knokkel van de rechtermiddelvinger.
Wanneer dit is gebeurd, ontstaat een ruimte die het oog moet voorstellen. De linkermiddel- en wijsvinger worden nu gespreid, en gestrekt naar voren gestoken en vormen zodoende de horens. De linkerduim wordt nu naar achter gebogen en het oor wordt zichtbaar; tekening 9:

handschaduwbeeld-9

Wanneer je op deze manier het beeld van de bok hebt gekregen, kun je door met een ruk de ellebogen tegen elkaar te drukken en tegelijkertijd met de linkerpols een schokje uit te voeren, de bok een gevaarlijke stoot laten geven.

Een schildpad
De rechterhand wordt met de rug naar boven gehouden. De ringvinger en pink maken een rechte hoek met de andere vingers.
De top van de middelvinger wordt op de top van de wijsvinger geplaatst en deze beide vingers worden heel licht gebogen. De duim wordt horizontaal tegen de hand gehouden.
De linkerhand wordt boven de rechter gebracht en met de palm op de rug van de rechterhand geplaatst, zo, dat de vingertoppen van de linkerhand rusten op het tweede lid van de rechtervingers. De ringvinger en pink laat je nu verticaal hangen naast de duim van de rechterhand en deze vormen zo de achterpoten. De gebogen rechterpink en ringvinger stellen de voorpootjes voor.

Een aardige variatie hierop is de schildpad uit zijn schaal te laten kruipen.

handschaduwbeeld-10

Hiertoe trek je de vingers die de pootjes moeten voorstellen in en trek je de rechterhand onder de linker iets terug (in de richting van het lichaam).

Wanneer deze stand is aangenomen, beweeg je de rechterhand onder de linker, langzaam naar voren en strekt de pootjes uit. Nu zal het lijken of de schildpad onder zijn schaal uit kruipt.

Bij een projectiedoek moet dit beeld onderaan  worden vertoond, zodat de pootjes ‘lopen’ op de grens waar de muur ophoudt en het projectiescherm begint. Hierdoor heb je de beschikking over een oppervlaktelijn, waarover de schildpad zich voortbeweegt. Het spreekt vanzelf dat alle bewegingen van een schildpad zeer traag moeten worden uitgevoerd.

Een paard
De handen worden palm aan palm stevig op elkaar gedrukt. De wijsvinger van de linkerhand wordt gebogen over de rechterwijsvinger.
De linkermiddelvinger rust tegen het topje van de rechterwijsvinger, de linkerringvinger tegen de top van de rechtermiddelvinger evenals de linkerpink.
De rechterringvinger wordt achter de rechtermiddelvinger gebogen om de breedte, die de paardenkop grof zou maken, iets te verkleinen. De linkerduim wordt in de rechterduimholte geplaatst en beide duimen gestrekt om te dienen voor de oren.
Om eveneens een grove indruk te voorkomen moeten de handen ten opzichte van de lichtbron een kleine hoek vormen; tekening 11:

handschaduwbeeld-11
De volgende serie handschaduwbeelden zal waarschijnlijk geen moeilijkheden opleveren. We maken dus achtereenvolgens de figuren 12 de duif, 13 de kat, 14 de vleermuis, 15 de eend, 16 de zwaan.

Deze schaduwbeelden kunnen we allemaal laten leven.

De duif kan vliegen, wanneer we de handen naar het lichaam toebuigen en weer strekken.

handschaduwbeeld-12De kat kunnen we natuurlijker doen schijnen, wanneer we een bosje pijpestokers tussen de vingers geklemd houden, die aan de uiteinden uit elkaar gebogen worden.

De vleermuis kunnen we lustig laten fladderen door de handen op dezelfde manier als bij de duif maar met schokkende bewegingen van en naar het lichaam te bewegen.

Nog enkele schaduwbeelden zonder beschrijving:

handschaduwbeeld-13

Menskunde en pedagogie: handen en intelligentie

Menskunde en pedagogie: lichaamsoriëntatie

3e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas

1211-1131

.

.

VRIJESCHOOL – 1e klas – touwtjespringen

.

‘Als al je kinderen in de 1e klas tegen de kerst kunnen touwtjespringen, heb je het beter gedaan dan wanneer ze dat nog niet kunnen, maar wel alle letters kennen.’

Ik weet niet wie de uitspraak ooit deed, maar waar is deze wel, m.i.

Touwtjespringen is een bezigheid waarvan je gerust kunt zeggen dat ‘de hele mens’ meedoet.
Met deze ‘hele mens’ kom je dicht bij wat Rudolf Steiner van deze ‘hele mens’ zei: dat hij in het onderwijs moet worden aangesproken. En dat dit dicht in de buurt komt van ‘de boven- en ondermens’ harmoniseren, begrijp je meteen als je de worsteling ziet waarmee kleine kinderen het touwtjespringen onder de knie! proberen te krijgen.

Dus tussen het schooljaarbegin en de kerst zal het springtouw(tje) met stip in de top-10 van de leermiddelen staan.

Wat een coördinatie is er nodig tussen het draaien van het touw over het hoofd en het op tijd opspringen en dan blijven draaien en springen.

Voor veel kinderen is het moeilijk om – zonder touw – al eenvoudig ritmisch met twee gesloten voeten een keer of tien te huppen: 1-2; 1-2, met de nadruk op de 1.

Of met 1 arm het touw aan een kant naast je lijf rond te draaien en daarbij dan de hupjes te maken. Ook de zwaai over het hoofd is in het begin heel moeilijk.
Je kunt aan alle pogingen veel zien hoe het met het bewegingspatroon van het kind staat. Of het zich nog zeer stuntelig beweegt, zich bijna letterlijk in bochten wringt of dat er al een souplesse in het bewegen zichtbaar wordt.

Kortom dus: TOUWTJESPRINGEN!!!!!*

INDIVIDUEEL

Het begin:
Het kind houdt het springtouw met in elke hand een einde vast, stapt erover heen, zodat het touw vlak achter de voeten op de grond ligt. Dan zwaait het het touw over het hoofd naar voren, springt op en zwaait het onder de springende voeten door weer terug, over het hoofd heen en zo maar verder.
De lengte van het touw is ongeveer goed als je erop gaat staan en als je het strak trekt, moeten je handen net boven je heupen komen. Zowel met een te lang als met een te kort touw gaat het minder makkelijk.

Moeder hoeveel jaar ben ik?
Een, twee, drie, enz. Tot het mis gaat.

Hierbij kunnen de kinderen zelf ervaren hoe ver ze al kunnen komen! En tegelijkertijd wordt het tellen geoefend – en ook tellen moet je a.h.w. ritmisch kunnen.

Een, twee,
kopje thee.
Drie, vier,
glaasje/flesje bier.
Vijf, zes,
kurk op de fles.
Zeven, acht,
soldaat op wacht.
Negen, tien,
heb je (hier de naam van het kind) gezien?
Tien, elf
Dat ben je zelf!!

In, spin, de bocht gaat in
Uit, spuit, de bocht gaat uit!

moeilijker
Nu zijn er altijd wel kinderen die al kunnen touwtjespringen wanneer ze in de 1e klas komen. Die moeten natuurlijk uitgedaagd worden.
Je zou ernaar kunnen streven dat aan het eind van het schooljaar alle kinderen ook de moeilijkere vormen kunnen, maar die kan je ook bewaren voor de 2e klas.

Je zou vanaf hierboven verder kunnen gaan met:

Hetzelfde, maar nu met een tussensprongetje
Hetzelfde, op één been. Links en rechts afwisselen.
Kruis het touw, door je handen over elkaar te houden, en spring:

Met gekruiste armen
Leentje leerde Lotje (kruis) lopen.
Langs de lange Linde (kruis) laan.
Maar toen Lotje Leerde (kruis) lopen.
Is ze maar
Naar huis (kruis) gegaan.

De dubbele
Een kind springt alleen op de gewone manier. Op een gegeven moment draait het het touw bliksemsnel rond, zodat het touw twee keer onder de voeten draait, terwijl het maar één keer opspringt.

In de (dubbele) wei,
Lag één (dubbele) ei,
Van pa (dubbele) pier,
Tiere (dubbele) lier!
Eén, twéé… (dubbele)

Edelman (dubbele) Bedelman (dubbele)
Dokter (dubbele) Pastoor (dubbele)
Koning (dubbele) Keizer (dubbele)
Schuttermajoor (dubbele).

De naam of de titel waar de ‘dubbele’ mislukt, geeft aan, wat het kind is, en welke titel het dus mag dragen.

Uiteraard kunnen deze ook zonder ‘dubbele’. En de andere kunnen weer met een dubbele, bv. alleen op bepaalde plaatsen. Laat de kinderen zelf de variaties bedenken en uitvoeren.
SAMEN: IN-SPRINGEN – INLOPEN
Veel versjes kunnen ook gebruikt worden wanneer de kinderen in-springen: d.w.z. met een lang touw, gedraaid door 2 kinderen.

Om dit te oefenen kun je spelen:

Hogertje
Twee kinderen houden het springtouw bij de uiteinden losjes vast, terwijl het touw op de grond ligt.
De andere kinderen springen om beurten over het touw heen. Als ieder kind over het touw gesprongen is, strekken de twee kinderen die aan de uiteinden staan het touw een beetje, zodat het nu ongeveer 10 centimeter van de grond is. Weer springen alle kinderen beurtelings over het touw heen.
Weer gaat het touw iets hoger, en weer springen alle kinderen.
Wie het hoogste springt is de winnaar of winnares van dit spelletje.

Het touw moet steeds los vastgehouden worden, om valpartijen te voorkomen.

Slingertje slangertje
Weer staan twee kinderen aan de uiteinden van het touw en laten het touw langzaam van links naar rechts schommelen.
Een van de andere kinderen staat voor het touw en springt steeds omhoog, als het touw tegen zijn benen dreigt te komen.
Dit herhaalt zich, tot het sprongetje mislukt, waarop dit kind dan een van de ‘slingeraars’ gaat aflossen.

Twee kinderen houden het touw vast, dat op de grond ligt. Een kind staat midden achter het touw. De twee kinderen slaan het touw nu met een boog over het hoofd van het middelste kind heen, dat opspringt opdat het touw vrij kan doordraaien.

Bij iedere sprong wordt geteld, één, twéé, drie enz.

Als het mislukt, mag het kind het overdoen, maar nu moet het voor het touw gaan staan en draaien de kinderen aan de uiteinden het touw in tegenovergestelde richting.
Is het kind weer af, dan moet het een van de draaiers aflossen.

Twee draaiers houden een lang touw aan de beide uiteinden vast en laten het ronddraaien. De andere kinderen staan achter elkaar op een rij achter een van de draaiers.
Terwijl het touw ronddraait loopt één uit de rij onder het touw, zodra dit in de lucht is, en springt drie keer, terwijl allen hardop tellen. Bij drie’ springt het kind uit het touw, en wordt onmiddellijk opgevolgd door een ander. Dat gaat zo door, tot iedereen z’n beurt heeft gehad.

Op dezelfde manier springen, dus met inlopen. Maar nu opgelet! Het kind dat inspringt, telt één, en bij twéé moet de volgende samen met de eerste springen en op drie! springt het eerste kind uit de bocht.
Het tellen begint nu opnieuw, en bij ‘twee’ moet het volgende kind inlopen, terwijl bij ‘drie’ de laatst ingelopene alleen springt. Wéér wordt geteld één, en bij twéé is de volgende al weer in het touw.
Zo gaan we door, tot alle kinderen een keer hebben gesprongen.

Bij het inlopen met de hele klas, bestaat het gevaar dat de kinderen te lang moeten wachten in de rij. Dan kan de stemming wat minder worden. Je kunt dus met meerdere lange touwen ook meer groepjes maken.
Minimaal heb je hier bv. 4 kinderen nodig: 2 draaiers en 2 springers.

Het kind dat springt, terwijl twee anderen het springtouw ronddraaien, zingt:

In spin, Mieke kom in
(nu moet het vriendinnetje Mieke inlopen)
Uit spuit (Mieke springt mee)
Mieke gaat uit. (Mieke loopt uit)

Als er meer kinderen zijn, gaat dit gaat zo door, tot ze allemaal geroepen zijn.

Iets moeilijker is het volgende:
Neem aan, dat het kind dat springt Joost heet. Die zingt dan:

In spin, Marietje kom in (Marietje loopt in)
Uit spuit (Joost en Marietje springen samen)
Joost gaat uit. (Joost loopt uit)

Nu gaat Marietje weer verder en roept het volgende kind.

Spelen 3 kinderen, dan kan bv. dit:

Rood wit blauw
Drie kinderen krijgen ieder de naam van een kleur, dus Rood, Wit, Blauw.
Twee van de kinderen, Rood en Blauw, draaien het touw, terwijl Wit mag springen.
Nu wordt steeds gezongen: ‘Rood, Wit, Blauw’, terwijl ‘Wit’ springt.
Op een gegeven moment mislukt de sprong van Wit, juist op het moment, dat bijvoorbeeld ‘Rood’ gezongen wordt. Dan moet Wit draaien en mag Rood gaan springen. Dit gaat zo door, tot ook dit meisje weer af is, en de kleur waarop zij zich heeft vergist wijst dan de volgende springster weer aan.

SPRINGVERSJES

Koekoek, zeg mij toch,
hoeveel jaren leef ik nog?
Een, twee, drie, tot je af bent
(ook als liedje)

Kleine Jan zat op de brug
Met zijn handen op z’n rug
En een pijpje in zijn mond
Draait hij drie maal in het rond.

Asman moet de ketel schuren
Midden in de nacht om twaalf uren
Asman dit, asman dat,
Asman krijgt met de ketel voor z!n gat.

Oesje Kadoesje
Wat heb je in je zak
Flesje jenever
Pruimpje tabak.

Zo gezegd zo gedaan
En naar huis toe gegaan
Kopje koffie gezet
Met een stukje banket.

Ik heb mijn vrijer op zien gaan
Al in een luchtballon
En als het touwtje breekt
Dan komt hij nooit weerom.

Ik heb een jasje gekocht
Naar de lommerd gebrocht
Voor een stuiver of tien
Laat je briefje eens zien?

Rosalinda ging uit wandl’en
En ze nam haar zusje mee
En toen ging ze al op de bergen
En ze liet haar zusje alleen.

Hoog op de klompen
Buurman is zo dronken
Lieve Griet,
zeg het niet
Buurman is zo dronken niet.

Kies kom maar in
Ik kies: (Jopie) tot vriendin
En zie daar juffrouw
Nu verlaat ik jou
Dag juffrouw.

Rode kersen lust ik graag
Zwarte nog veel liever
Meisjes zoenen doe ik graag
Jongens nog veel liever
Drie maal in de rondte
Drie maal drie is negen
Ik kom een meisje tegen
Vroeg haar toen hoe laat het was
’t Was al hallef negen.    (je kunt hier verder tellen tot het bij de springer misgaat)

Een twee drie vier vijf
De bakker sloeg zijn wijf
Al met een houten hamertje
Boven op zijn kamertje, kamertje, kamertje,
Een twee drie vier vijf
De bakker sloeg zijn wijf

Moeder ’k heb zo’n lieve jongen
Mag hij even boven komen
Nee Griet, zanik niet
Boven komen mag hij niet.
De eerste zoen die ik hem gaf
Viel hij van de trappen af
Van de trappen naar de stoep
Midden in de paardenpoep.

Mama Sjelle
Die kon tellen
Miek van der Laan
Lust geen graan Lust
geen spek
Mieke van der Laan Is hallef gek.

Vis vis gebakken vis 
Die vannacht gevangen is
In het zoute water
Jongen hou je snater
Van je een twee drie.

Sinaasappelen mooie waar
Sinaasappelen bom.
Zeven en een halve centen maar
Sinaasappelen bom.
Wie koopt, wie koopt, wie koopt er van mij?

In de Maasstraat nummer vijf
Daar woont Japie met zijn wijf
Zeven stoelen zonder matten
En een tafel zonder latten
En een potje zonder oor
Zo gaat Japie de wereld door.

Er kwam een meisje van Scheveningen aan 
Hoezee.
Die had een mandje met vis belaan
Hoezee.
Ze riep gewis:
Wie koopt mijn vis
‘k Heb lekkere haring en schellevis
Hoezee, hoezee, hoezee.

Ik ben in geen zes, zeven weken
Bij Simon de Wit geweest
Ik moest er even wezen
Voor een half pondje zeer
Ik zag een doos met flikken
Ik nam er eentje uit
Simon de Wit die zag het
En joeg me de winkel uit.

Jan Toenee, Jan Toenee
Moest een boodschap doen
Jan Toenee, Jan Toenee
Moest een boodschap doen aan zee
Wat zag hij daar
Een aardig meisje
Wat zag hij daar
Een aardig meisje met krullend haar.

Help en hou je vast
Anders kom je in de kast
Rare kast bij vrouw Tup op de hei
Daar verkopen ze rijstebrij
Rijstebrij met krenten
Kost maar zéven centen
Zeven centen is me te duur
O wat smaken die krenten zuur.

’s Avonds na tienen
Waar blijft toch die meid
Die zit in de keuken
Ze naait en ze breit
Voor wie voor wie
Voor m’n zusje,

voor m’n zusje
Voor wie, voor wie
Voor m’n zusje Marie.

k Moest eens aardappelen schillen
Al voor de keukenmeid
Mijn vrijer kwam naar binnen
En raai eens wat die zeit.
Ik lust zo graag een borrel
Ik heb geen centen meer
De tappers zijn gesloten
Het kraantje lekt niet meer.
Kraantje lek, lek, lek.

Gekke Gerrie is mijn naam,
in alle dingen ben ik bekwaam
ln alle delen ben ik geboren,
ik heb mijn ouders vroeg verloren
Als ik sterf dan ben ik dood
Dan stoppen ze me onder de grond
Dan kom ik uit mijn kistje springen
Dan hoor ik alle engeltjes zingen,
Dan spring ik laag, dan spring ik hoog.

Er stond een meisje voor het raam
Wiedewiedewiet Jan Bom.
Haar vrijer die kwam naast haar staan
Wiedewiedewiet Jan Bom.
Kom eens hier lekker dier
’k Zal je zoenen met plezier
Gloria Victoria
Wiedewiedewiet van Bomsasa
Gloria Victoria
Wiedewiedewiet Jan Bom.

Er zijn verschillende versjes waarin je bewegingen zou kunnen doen, zoals hier het ronddraaien. Dat maakt het geheel weer moeilijker.

Zeg ken jij die rare meid
Die met alle jongens vrijt
’s Avonds om een uur of tien
Zit zij in een vliegmachien
En dan gaat zij naar ’t plantsoen
Geven elkaar een dikke zoen
Ik zal zeggen tegen moeder
Dat jij ied’re avond laat
Op het hoekje van de straat
Staat te wachten kwart voor achten
En die jongen is soldaat.

Helder in de kelder
Boter bij de vis
Kaatje doe eens open
Kijk eens wie er is
‘t Is een arm meisje
Om een stukje brood
Laat ze even boven
Anders gaat ze dood
Kaatje ging naar boven
Om een stukje brood
Toen ze weer benee kwam
Was het meisje dood.

Anna zat te wachten
Te wachten op haar man
’s Nachts om twalef uren
Kwam die smeerlap aan
Goeienavond Anna
Goeienavond Jan
Waar ben je gebleven
Dat gaat jou niks an
Anna ging naar boven
Nam een dikke stok
Ging weer naar beneden
Sloeg hem op z’n kop
Jan begon te schreeuwen
Te schreeuwen moord en brand
Toen de buren kwamen
Was er niets aan de hand.

(ook als liedje)

Er was eens een mannetje
Anja Kadee
Er was eens een mannetje
A em a.

Het mannetje koos een vrouwtje
Anja Kadee
Herhaal
A em a

Het mannetje ging uit wandelen
Anja Kadee
enz

Het vrouwtje ging hem achterna

Zeg man je moet de borden wassen enz.

Toen ging de man in ’t venster zitten enz.

Hij likte alle borden schoon enz.

Toen ging zijn vrouw de bezem halen 

De bezem sloeg hem op z’n kop

Toen ging de man de politie halen

Dat ding heeft mij geslagen

Dan moet je hem niet plagen

Kom laten we samen vrede sluiten

Er zijn er natuurlijk nog veel meer en je kunt de kinderen er zelf laten maken.

Kinderspelen en jaargetijden

*[9-1]Leren lezen en het belang van motorisch vaardig zijn
Philia de Vriesover: Leuke spelletjes voor in de vakantie….en ook aan de leer- en leesvoorwaarden van je kind werken, het kan!  n.a.v. het boek van Marijke van Vuure: dyslectie en touwtjespringen; het belang van eerst motorisch ‘klaar’ zijn om te gaan schrijven en lezen.

1e klas: bewegend deel

1e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas – alle beelden

1207-1127

.

.

VRIJESCHOOL – 2e klas – hinkelen

..

Zoals het bikkelen niet per se voorbehouden is aan de 1e klas, maar door de verschillende moeilijkheidsgraden ook in hogere klassen gespeeld kan worden, zo is ook het hinkelen in de 1e of de 3e mogelijk.

Hinkelen is een oud spel, bij de Romeinen ‘gespeeld’ door de soldaten om hun voeten te oefenen.

Het is een uitstekend middel om te ‘incarneren’, d.w.z. al je aandacht gaat naar je voeten – die moet je leren beheersen, daarin of daarmee moet je heer en meester worden -.: tot het je ‘onderdanen’ zijn.
Veel kinderen in de 1e klas zijn nog lang niet thuis in hun voeten. Loop klassikaal eens een getallenrij en je ziet dat het klappen in een ander ritme gaat dan de voeten die bij sommigen nog voor spek en bonen meedoen.

Hinkelen is bij uitstek het spel om met je hele lijf wakker te worden.

Op een echte vrijeschool zal het dan ook in het bewegend deel van tijd tot tijd intensief worden beoefend.

HINKELEN
Met krijt wordt op de grond een ‘hinkelbaan’ getekend, of, wanneer we aan het strand zijn, met een stok in het zand getrokken.
Een hinkelbaan bestaat uit een aantal vakken, waarvan de nummers, die in de vakken worden geschreven, elkaar opvolgen.
De meest eenvoudige vorm van een hinkelbaan is de onderstaande:

hinkelen-1

De baan moet ongeveer 1 m breed zijn; de vakken ongeveer 50 cm diep.

Een kind gooit een steentje in het eerste vak.
Dan gaat het kind ‘hinkelen’, d.w.z. het springt op één voet ook in het eerste vak. Steeds op één voet staand, schopt het kind het steentje met dezelfde voet, in vak nummer 2.
Dit gaat op dezelfde manier verder, steeds één vak tegelijk, tot de rust is bereikt. Hier mag de andere voet op de grond worden gezet om even te rusten.
Na het rusten gaat het kind weer op één voet staan, bukt, raapt het steentje op en hinkelt met het steentje in de hand terug naar het eerste vak.

Komt het kind met de andere voet op de grond, raakt het met de hinkelvoet een lijn, of wordt het steentje te ver doorgeschopt, dan is het af en komt een van de anderen aan de beurt.

Op dezelfde baan kan ook op onderstaande wijze gehinkeld worden:

Een kind gooit het steentje op vak 1, spring: op één voet in dit vak, pakt staande op de ene voet het steentje in de hand, en springt verder zonder rusten en zonder lijnen te raken naar de ‘rust’.
Op het andere been springen we weer terug. vak voor vak.
Nu gooit hetzelfde kind haar steentje op vak nummer 2, en springt in één keer naar nummer 2, terwijl ze vak 1 overslaat. Ze bukt weer, pakt het steentje, en springt dan achtereenvolgens via 3, 4, 5, naar de rust, en hinkelt op haar andere been terug.
Dan gooit ze de steen op vak drie. Ze springt via vak 1 naar vak 2, en moet vak 3, dus het vak waar het steentje nu ligt, overslaan. Ze springt dus ineens naar vak 4, pakt het steentje uit vak 3 (denk erom: steeds op één voet staan!) en hinkelt verder.
Op Rust aangekomen, hinkelt ze op het andere been terug.

Dit herhaalt zich, tot ze tenslotte alle vakken een keer heeft overgeslagen.

hinkelen-2

Het huis met zijn verschillende vertrekken en de zolder wordt op het speelterrein getekend.
Het kind gooit haar hinkelsteentje in de kelder (1). Dan springt ze ook op haar ene been in vak 1, en schopt dan met dezelfde voet het seentje naar vak 2; springt dan ook in vak 2, schopt het steentje zo naar 3 en op dezelfde manier komt het in 4 terecht. Van vak 4 niet naar 5, maar ineens naar het vak dat er tegenover ligt, dus vak 7. We zijn nu in de bovenste verdieping van het huis terecht gekomen, waar de kinderen in kleine kamertjes slapen. We moeten nu eerst voorzichtig gaan kijken, voor we naar de zolder, nummer 8, mogen.

De kinderkamertjes worden als volgt bezocht:

1. rechtervoet in vak 5, linker in vak 6.
2. rechtervoet in vak 7, linker in vak 4.
3. rechtervoet in vak 6, linker in vak 5.
4.rechtervoet in vak 4, linker in vak 7.
5. rechtervoet in vak 5, linker in vak 6.

Heeft het op deze manier alle kinderkamers bezocht – natuurlijk steeds op één been – dan mag het het steentje dat nog rustig in het zevende vak ligt, naar de zolder schoppen. Daar mag ze uitrusten en op dezelfde manier gaat ze weer naar beneden.

Het is nu de kunst, om boven op de zolder te komen, zonder de kinderen wakker te maken. Alle kinderen die meespelen, staan om het huis heen, en zijn zo stil als een muis. Zodra nu een fout gemaakt wordt, bijvoorbeeld als het steentje te ver wordt doorgeschopt, of wanneer een der krijtlijnen wordt geraakt, imiteren de omstanders huilende baby’s. De kinderen op de kamertjes 4, 5, 6 en 7 zijn wakker geworden, en het volgende hinkelaartje is aan de beurt.

hinkelen-3

Het is de bedoeling dat alle kinderen om beurten door bovenstaande figuur, die op de grond is getekend, hinkelen. In het midden mag worden uitgerust en van daar gaat de reis terug naar het beginpunt. Vanzelfsprekend mag ook hier de andere voet de grond niet raken en ook mag geen enkele lijn tijdens het springen door de voet worden aangeraakt.
Wanneer de heen- en terugreis zonder fouten is uitgevoerd, mag het kind dat de reis heeft volbracht, in een van de vakken zijn naamschrijven. In elk vak mag maar één naam worden geschreven. Wanneer tenslotte alle vakken van een naam zijn voorzien, is het spelletje uit. Het kind wiens naam het meest voorkomt in het figuur, is de kampioen.

Zie voor de betekenis van de spiraalvorm een uitleg

hinkelen-4

Op bovenstaande hinkelbaan wordt zonder steentje gesprongen, volgens deze voorschriften:

Eerste sprong:
Op één been op vak 1.

Tweede sprong:
Op één been op vak 2.

Derde sprong:
Eén been in vak 3 en één been in vak 4. Tijdens het springen omdraaien.

Vierde sprong:
Naar 5 op één been.

Vijfde sprong:
Tijdens de sprong omdraaien en nu met één been op 6 en één op 7.

Zesde sprong:
Naar vak 8 op één been.

Zevende sprong:
Naar 9 op twee benen.

Met dezelfde sprongen gaan we nu terug naar 1, om dan weer naar 9 te springen. Dan mogen we ook op vak 10 komen, op één been, en de tocht is volbracht.

We tekenen nu een ladder op de grond, volgens onderstaand voorbeeld:

hinkelen-5

Een steentje wordt in vak 1 gegooid en het kind dat aan de beurt is, springt het na. Dan schopt het het steentje met dezelfde voet, waarop het staat, naar vak 2, dan naar 3 enzovoort, tot het op vak 10 aangekomen, de ladder weer is afgedaald. Als het steentje buiten de ladder terecht komt, is de hinkelaar(ster) af.

Schopt het het steentje per ongeluk een vak te ver, dan mag het doorspringen, maar moet het met het steentjeschoppen overgeslagen vak eveneens met de sprong overslaan. Raakt het één van de lijnen, dan is het ook af.

hinkelen-6

Op deze hinkelbaan moet alles op één been. Op X 8 X mag gerust worden.

hinkelen-7

Moet het hinkelsteentje op 8 of 9 worden gegooid en komt het toevallig in HEMEL dan mag opnieuw gegooid worden.
Komt het in HEL, dan moet het kind een keer zijn beurt voorbij laten gaan.

Nog een hemel en hel:

Dit spel kan gespeeld worden met 1 tot 5 kinderen. Men tekent een hinkelbaan op de stenen of trekt hem met een stokje in de aarde. Het eerste kind staat in “start” en gooit een steentje in vak 1; dan springt het over vak 1 op de vakken 2 en 3, zet een voet in vak 4, springt in de vakken 5 en 6 enz. In elk vak mag hij maar met één been staan. Wanneer het kind in de vakken 8 en 9 staat draait het zich om, hinkelt terug, pakt vanuit de vakken 2 en 3 het steentje op en springt over vak 1 terug in start. Als vak 2 aan de beurt is, hinkelt het kind op één been door de vakken 1, 3 en 4; in de vakken 5 en 6 mag het weer beide benen neerzetten, nl. het rechterbeen in vak 6 en het linkerbeen in vak 5 enz. Wanneer een kind het steentje buiten het vak of op de lijn gooit of wanneer een kind op een lijn staat met hand of voet, is het af. De volgende is dan aan de beurt. Als de eerste weer aan de beurt is, gaat, hij verder met het vak waar hij gebleven was. Bij de vakken hemel en hel moet de speler het steentje oppakken vanuit de vakken 8 en 9 en wel nadat hij zich al heeft omgedraaid. Als een kind alle vakken gehinkeld heeft, mag het een vak uitzoeken en daar zijn naam in zetten; voortaan mag het in dat vak met beide -benen staan, en ook op de lijnen van dat vak. De anderen mogen echter helemaal niet meer op dat vak komen. Als een kind een eigen vak heeft, moet het voortaan bij het gooien de ogen sluiten.

Variaties:

Het kind hinkelt alles op één been. Het moet de vakken 2,3 5,6 en 8,9 dus achter elkaar hinkelen en niet meer tegelijk.

Steentje in vak 1 gooien: op één been in dat vak.

Steentje in vak 1 gooien. Op één been in dat vak springen, steentje pakken en terug. Steentje in vak 2 gooien, via vak 1 in vak 2 hinkelen, steentje pakken en terug enz.

Steentje in vak 1 gooien en hinkelend naar vak 2 schoppen, naar vak 3 enz. en terug.

Steentje op de voet leggen, op de andere voet alle vakken doorhinkelen en terug.

Steentje in de knieholte klemmen, op het andere been alle vakken doorhinkelen en terug.

Hinkelliedjes

Hinkelbaan hinkelbaan
Vrolijk in ’t rond
Wie niet kan hinkelen
Wie niet kan hinkelen
Wie niet kan hinkelen
Is niet gezond.

Hinkel de pinkel
Daar komen wij aan
Wij hebben geen kousjes of schoentjes meer aan
Zet je handen op je rug
Hinkel de pinkel
Kom nu maar terug.

0-0-0

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is hinkelen-9.jpg

Met een stok of een stuk krijt teken je op de grond een zogenaamde Bulgaarse hinkelbaan zoals je op de tekening kunt zien.
Je neemt een plat steentje, gooit dat in het eerste vak en springt er met één been in. Dan pakje het steentje op en hinkelt terug. Hetzelfde doe je met de andere acht vakken. In de vakken 4 en 5 en in 7 en 8 mag je op de terugweg op twee benen gaan staan. Als je een fout maakt, moet je weer van voren af aan beginnen.

Als je de hinkelbaan op deze manier hebt ‘overwonnen’ kun je er allerlei variaties bij bedenken. Zo kun je hinkelen terwijl je het steentje voor op je schoen legt. Je kunt het steentje ook op je hoofd leggen of op je opgetrokken knie. Ook kun je eens proberen met je ogen dicht te hinkelen. Er zijn talloze mogelijkheden.

.

meer   en  meer
1e klas:  bewegend deel    kringspelen  lichaamsoriëntatie

VRIJESCHOOL in beeld: 2e klas – alle beelden

1206-1126

.