Categorie archief: vrijeschool pedagogie

Is de vrijeschool een antroposofische school? (3-1/1)

.

Over ‘geschiedenis in klas 5: ‘Atlantis’

Is de vrijeschool een antroposofische school?

Op zijn site LUXIELEN stelt de vrijeschoolleraar, met zeer lange ervaring, Luc Cielen, deze vraag.

Op mijn blog [rechts in de kolom BLOGROLL] staat een linkverwijzing naar een van zijn sites waarop hij vele gezichtspunten over o.a. de praktijk van het lesgeven heeft gepubliceerd.

Hier verwees ik naar hem toen het ging over ‘blokschrift aanleren of niet’, en stelde:
Het is zeer de moeite waard om zijn gedegen uiteenzettingen over de vrijeschoolmethodiek grondig te bestuderen!

Nu heeft Luc zich op zijn site in een reeks artikelen uitgesproken over de vraag of de vrijeschool, in Vlaanderen steinerschool genoemd, een antroposofische school is.

Ik vraag me met hem af: wat is ‘het antroposofische’ in de school, waar vind je het.

Bij het lezen van de pedagogische voordrachten viel het mij op dat Steiner er steeds maar weer op terugkwam dat de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school moet zijn:

Rudolf Steiner over antroposofisch onderwijs

Luc is van mening dat er wél sprake is van ‘antroposofische dogma’s’ en hij geeft er 3 voorbeelden van.

Is de steinerschool een antroposofische school (1) gaat het over geschiedenis, dier- en plantkunde.

In zijn artikel betreft het geschiedenisonderwijs in klas 5 en 6.

Luc:
De geschiedenislessen in vijfde en zesde klas zijn volledig gebaseerd op Steiners antroposofische visie over de ontwikkeling van de mensheid, en dan vooral na de ondergang van Atlantis, dat hij niet als een legende beschouwt, maar als een werkelijk gebeurd feit. Vijf na-Atlantische cultuurperiodes zijn er volgens hem tot op heden geweest. In de geschiedenislessen adviseert hij dan ook om met Atlantis te beginnen, gevolgd door de Oud-Indische cultuurperiode, de Oud-Perzische cultuurperiode, de Egyptisch-Babylonische cultuurperiode, en de Grieks-Romeinse cultuurperiode. De vijfde – onze huidige cultuurperiode – noemt hij de Anglo-Germaanse cultuurperiode, maar die komt vanaf de zevende klas aan bod.

Ik wil Luc eerst iets vragen over ‘Atlantis’. Hij merkt terecht op dat Steiner ‘zijn’ Atlantis als realiteit beschouwt en niet als legende. Steiner zou, volgens Luc, geadviseerd hebben met Atlantis te beginnen.

PIETER:
Begrijp ik het goed, dat het Steiners aanwijzing is, dat het geschiedenisonderwijs in klas 5 moet beginnen met Atlantis en wel het Atlantis van Steiner, dus het antroposofische Atlantis, dus Atlantis als antroposofie.
Atlantis als antroposofie aan de leerlingen van de 5e klas. Zie jij het zo?

LUC:
Het is goed om nu en dan de puntjes op de i te zetten. Ik ben Pieter ten zeerste dankbaar dat hij dit hier doet, want als ik schrijf dat Steiner geadviseerd heeft om met Atlantis te beginnen, dan lijkt het wel of Steiner dit letterlijk zo gezegd heeft, terwijl dat – voor zover ik kan nagaan – niet zo is. In geen enkele pedagogische voordracht van Steiner komt deze uitspraak voor. Waarom beweer ik dan dat Steiner dit geadviseerd heeft?

PIETER:
Het is goed om al meteen bij het begin te kunnen vaststellen, dat jij noch ik bij Steiner hebben kunnen vinden dat er in de 5e klas begonnen moet worden met Atlantis. Er bestaat dus geen pedagogische aanwijzing voor. Het behoort dus niet tot de pedagogie, de didactiek en de methodiek van de vrijeschool zoals Steiner die voor ogen had.
Als hij het niet geadviseerd heeft, kun je niet beweren dat hij het wél geadviseerd heeft.

LUC:
Waarom beweer ik dan dat Steiner dit geadviseerd heeft?
In de eerste plaats omdat ik dat zelf zo vernomen heb in de opleidingen die ik iets meer dan veertig jaar geleden gevolgd heb. Daarin werd onder andere een manuscriptuitgave van een leerkracht aan een Nederlandse Vrijeschool gebruikt waarin de geschiedenisperiode van de vijfde klas tot in detail was uitgewerkt. De auteur begint met Atlantis en behandelt achtereenvolgens de cultuurperioden in de volgorde die Steiner in zijn lezingen over de mensheidsontwikkeling heeft opgegeven. 

PIETER:
Dat manuscript is van wijlen Paul Veltman en je vindt het hier.
Onze eerste kennismaking ermee verschillen niet zo veel. Ik merkte al op:
Paul Veltman genoot aanzien binnen de vrijeschoolbeweging en dan ligt het mede voor de hand dat er – ook al omdat hij veel vrijeschoolonderwijservaring had – op zijn kennis en aanwijzingen wordt voortgeborduurd.

Daarna laat ik dit volgen:
‘Nu – zoveel jaren later – moet ik toch enige kanttekeningen plaatsen bij Veltmans werk ‘OUDE GESCHIEDENIS’ deel 1.

Even later zeg ik:
‘De inhoud van dit geschrift is een samenvoeging van dictaat voor de kinderen.
Vooral in het begin valt op dat Veltman veel aandacht besteedt aan ‘Atlantis’.
Hij beroept zich op Steiner en geeft vervolgens zijn antroposofische gezichtspunten over Atlantis aan de kinderen door.
Wie echter Steiner volgt in diens opmerkingen over ‘antroposofie in het onderwijs’ moet tot de conclusie komen dat Veltman daarmee geen rekening heeft gehouden, wellicht (mede) veroorzaakt door een interpretatie van een opmerking van Steiner.’

Die opmerking – het móet deze wel zijn, want een andere is niet te vinden – staat in GA 300A/85-86 die in 1975 in de GA verscheen.
Een leraar – die hier met X – aangeduid wordt – stelt een vraag voor de ‘geologieles’.
Op blz. 65 staan de dan aan de school werkende leraren en de 7e en 8e klas worden geleid door Treichler en Stockmeyer. Treichler heeft nog meer te doen, het is minder aannemelijk dat hij het is; Caroline von Heydebrand die de 5e klas heeft, is het niet; zij stelt die vraag dus zeker niet voor de 5e klas. Stockmeyer vermeldt de vraag wel in zijn ‘Rudolf Steiners Lehrplan für die Waldorfschule deel 1 blz. 203; maar daar staat hetzelfde als op blz 85 van de GA en hij vermeldt hem niet bij de 5e klas.
Naar alle waarschijnlijkheid was Stein de vraagsteller (volgens de Duitse Forschungsstelle)

De vraag luidt: hoe kun je voor de geologie een samenhang zien tussen deze en de Akasha-kroniek?

Als ík een inconsequentie zou moeten noemen, zou ik het hier doen. Want als Steiner geen antroposofie in het onderwijs wil, had hij hier kunnen of moeten zeggen: ‘Nee, dat hoeft niet, de Akasha-kroniek valt onder de antroposofie.’

Hij gaat er wél op in, maar puur van fysische kant. Het gaat over bergruggen en over waar in 1915 Wegener mee komt: het bewegen van de platen – nu algemeen aanvaard, ook van het feit dat er sprake is van daling en stijging. Of de Britse eilanden viermaal gestegen en weer gedaald zijn, vind ik in dit verband slechts bijzaak; feit is dat er sprake kan zijn van daling en stijging. Dit werd echter door de wetenschap pas vanaf de jaren 1960 steeds reëler geacht. Hij maakt dan een tekeningetje ga-300a-blz86

dat overigens niet exact is: de bodem heeft in het midden bijv. een grote rug. (De Mid-Atlantische rug).
Hier gaat het nog steeds over geologie en aardlagen. ‘We willen de dingen in samenhang brengen’, zegt Steiner, wat kan slaan op de stijgingen en dalingen met de aardlagen of deze met wat hij daarover te zeggen heeft vanuit de Akasha-kroniek. In ieder geval volgt dan de passage waaraan Veltman hoogstwaarschijnlijk refereert: ‘we moeten er niet voor terugschrikken bij de kinderen over het atlantische land te spreken. Ook in geschiedkundige samenhang kunnen we erbij aanknopen. Dan moet je alleen wel de gewone geologie ontkennen. Want de Atlantische catastrofe moet in het 7e tot 8e millennium gedateerd worden. De ijstijd, dat is de Atlantische catastrofe. De oudere, de middelste en nieuwe ijstijd zijn niet anders dan wat er in Europa gebeurt ten tijde van de ondergang van Atlantis. Dat gebeurt tegelijkertijd, dus in het 7e, 8e millennium.’

Wellicht is dit ‘in geschiedkundige samenhang’ vanuit deze context: de jaartallen van de genoemde ijstijd, een eigen leven gaan leiden en uitgelegd als ‘in de geschiedenis moet je Atlantis doen’. Van Steiner!

Ik kan voorlopig niet anders dan wat Luc ‘zo in de eerste plaats heeft vernomen’ tegen deze achtergrond zien.

En als hij ‘met Veltman meegaat’, dan begrijp ik nu beter wat hij bedoelt met ‘geen rechtstreeks advies’. Veltmans opmerkingen zijn, los van de boven beschreven context’ dan een aansporing Atlantis in de 5e klas te geven, zoals Veltman dat doet.

Tijdens het publiceren van Veltmans manuscript merkte ik op:

‘Het moge duidelijk zijn dat deze achtergrondliteratuur voor het grootste gedeelte bestaat uit antroposofie. Dat kan voor de leerkracht buitengewoon verdiepend zijn, maar niets van de inhoud ervan hoort thuis in het geschiedenisonderwijs van de 5e (en andere!) klas(sen).’

Ook geef ik nog expliciet aan welke tekst voor de leerkracht is en niet voor de kinderen en welke kaartjes je beter met de klas niet kunt tekenen.

Voor mijn eerste geschiedenisperiode (1975) heb ik het manuscript (verschenen 1974-1975) nog niet echt gebruikt. Mijn collega van de parallelklas – ook zijn eerste rondje – en ik kregen veel informatie van Daan van Bemmelen die zich met het geschiedenisonderwijs zeer had beziggehouden. Een voorbeeld van een gang door de oude geschiedenis staat hier.
Van Bemmelen rept met geen woord over Atlantis of ‘dat Steiner wilde dat er onbekommerd over werd gesproken’.
Voor mij is het niet onbelangrijk dat Van Bemmelen  niet over Atlantis spreekt. Hij kende Steiner, de laatste bracht hem zelfs een bezoek in zijn klas. Er werd gesproken over het leerplan; maar nergens iets over ‘dat er in de 5e klas met Atlantis dient te worden begonnen’; sterker nog: Atlantis komt niet eens ter sprake – in ieder geval: er is nu geen (schrifteijk) bewijs meer voor.

Als Stockmeyer de man was die het geschiedenisonderwijs in de 8e klas moest geven en dus op Atlantis werd gewezen, waarom noemt hij dat dan niet in ‘Rudolf Steiners Lehrplan’. Als dat toch zo wezenlijk was, had daarover iets moeten staan, al was het maar opnieuw de passage van blz.85-86. Maar: geen woord!
En zou Caroline von Heydebrand daar dan niet bij zijn geweest, in die lerarenvergadering? Is die opmerking niet in haar ziel gegrifd?
Wanneer zij later haar ‘Vom Lehrplan’ schrijft: bij de 5e klas geschiedenis: niets over Atlantis. Evenmin in Wim Veltmans ‘De Vrije Scholen – beginselen en methode’.
Maar in het blad ‘Erziehungskunst’ : vond ik wel dit:
‘Het zou onzin zijn om uitspraken van Steiner in de vorm van leuke verhalen of in de vorm van overgeleverde mythen aan zijn leerlingen te vertellen, omdat ze dat niet zijn en omdat er geen aanleiding bestaat om over zulke uitspraken (bedoeld wordt hier alles wat Steiner over Atlantis heeft gezegd) in de zin van een op zichzelf staand esoterisch weten te beschikken.
Afgezien daarvan zijn er geen leerplanaanwijzingen van Steiner die tot zoiets aanleiding zouden geven.’

Ik ben dus wat Atlantis betreft niet op het verkeerde been gezet door een interpretatie van iemand. Als Veltman voor mij een rol had gespeeld was ik misschien ook wel tot de conclusie gekomen van ‘het advies tussen de regels’.

Het ging bij mij dus anders.

Duidelijke aanwijzingen, zoals bijv. voor het rekenen en de temperamenten ontbreken voor het geschiedenisonderwijs, dus ook voor een eventueel Atlantis.

Interpreteren is toch vooral zoeken naar wat je zou kunnen doen of moeten; maar ook wat je zou kunnen laten of wat je juist níet moet doen.

Je kunt ook volledig anders interpreteren en volledig buiten de valkuil blijven van ‘antroposofie in het geschiedenisonderwijs’.

Een prachtig voorbeeld van hoe geschiedenis op de vrijeschool moet worden gegeven en met welke achtergronden is in mijn ogen Christoph Lindenbergs ‘Geschichte Lehren’. Het is voor de Duitse bond van vrijescholen simpelweg DE methode: dit is het geschiedenisonderwijs op de vrijeschool. Daarom is het een deel in de reeks ‘Menschenkunde und Erziehung’.
(Dat neemt niet weg dat er in Duitsland geen leerkrachten zijn die ondanks dat toch onverstandige dingen doen- maar daarop kom ik later terug).

Ik heb hier het hoofdstuk voor de 5e klas vertaald.

Tot dusver, tot en met Atlantis dus, kan ik niet de conclusie trekken dat Steiner inconsequent was en inhoudelijke antroposofie voor dit item gepropageerd heeft of ‘in het onderwijs gestopt’.

Ook ik besteedde al eens aandacht aan ‘Atlantis wel of niet‘.

Ik heb hierin o.a voorbeelden gegeven van hoe het in een klas kan gaan.

Ik zou Atlantis willen afronden.
Met Luc ben ik van mening dat het geen deel moet uitmaken van het geschiedenisonderwijs.

Een aantal critici, zo je wil criticasters, houdt rigide vast aan het feit dat Atlantis wél een belangrijk onderdeel is van het geschiedenisonderwijs.
Dat blinde, fanatieke vasthouden heeft een rede!

Het moet een bewijs vormen voor het bedrieglijke karakter van de vrijeschool: Atlantis is in hun ogen een ‘bedrieglijke verpakking’, een ‘Paard van Troje’ om Steiners ideeën over de ontwikkeling van de mensheid in het onderwijs te loodsen  om zodoende de kinderen te indoctrineren met de idee dat het blanke ras het heersende is en moet zijn.

De critici ‘bewijzen’ dat aan de hand van een paar periodeschriftjes waarin overijverige leerkrachten wat antroposofische wetenswaardigheden hebben laten opschrijven; de ‘echte’ bewijzen ontbreken: het is een en al speculeren om maar gelijk te krijgen.

Meer daarover is hier te vinden:

Geschiedenis of hoe een schriftjesgeleerde stokpaardje rijdt

Atlantis of hoe de Jonghe een kreupel stokpaardje als oude koe uit de sloot haalt
Een belegen berichtje als bewijs

De Jonghes Atlantis
Het belegen berichtje in een nieuw jasje

In een sukkeldrafje verder op een kreupel (Trojaans) paardje

Atlantis: generaliseren en erin leggen
vertaling van Andreas Lichte generaliseren und hineininterpretieren

Atlantis, ooooo die schriftjes toch
“bewijzen” voor racisme in geschiedenisschriftjes uit klas 5

Luc:

Ben je er ooit door andere -toen meer ervaren of  ‘antroposofische’ collega’s op gewezen dat er m.b.t. het geschiedenisonderwijs een ‘dubbele agenda’ bestaat met als doel – onder het mom van interessante geschiedenis – de evolutie-ideeën van Steiner aangeleerd dienen te worden om de kinderen te indoctrineren met de idee dat het blanke ras het heersende is en moet blijven, m.a.w. was jouw geschiedenis of dat van anderen ‘racistisch’?
Andreas Lichte:  er wordt ‘racisme op kinderniveau’ geïndoctrineerd.
Deed jij daaraan mee of anderen en is dat het uiteindelijke doel van het gschiedenisonderwijs – ook nu nog?

Luc reageerde in de reactieruimte – volgens afspraak komt zijn volledige antwoord hier te staan.

Op deze rechtstreekse vraag kan ik eenvoudig met een neen antwoorden. Vooral omdat ik me in mijn tijd als steinerschoolleraar al heel vlug afgekeerd heb van wat er sporadisch door antroposofen over geschiedenis en rassen gezegd werd; het leek me allemaal gefantaseer en vooral thuishorend in het algemeen westerse denken van de eerste helft van de twintigste eeuw dat gebaseerd was op racisme, paternalisme en kolonialisme, waarin ook Steiner zich kon vinden. Eén keer heb ik, trouw aan het gezag van mijn mentor, geschiedenis gegeven in de 5e klas zoals P.C.Veltman dat aangegeven had. Daarna nooit meer. Had ik als doel racisme en antroposofische evolutieleer te verkondigen? Verre van, geen haar op mijn hoofd dat daaraan dacht, omdat ik als beginnend leerkracht en weinig vertrouwd met antroposofie op dat vlak naïef was. Het heeft gelukkig niet lang geduurd om wakker te worden en mijn ontslag in te dienen zodra ik mijn belofte om de klas zes jaar te leiden vervuld had. Of andere leerkrachten wél een antroposofische agenda hadden, weet ik niet, omdat ik hen er nooit over aangesproken heb, er niet mee bezig was en men mij er ook niet over aansprak. Ik ben later mijn eigen weg gegaan en heb slechts die zaken uit de steinerpedagogie overgenomen die in mijn ogen pedagogisch en didactisch waardevol waren en volkomen losstonden van de antroposofie. Antroposofie is voor mij niet meer dan geesteswetenschappelijke fictie, antroposofische science fiction, maar wel boeiende vakantielectuur.

In de inleiding op mijn periodevoorbereiding van de vijfde klas, die ook door sommige steinerschoolleerkrachten gebruikt wordt, staat duidelijk wat ik onder geschiedenis versta en wat wél of niet als leerstof gegeven wordt. Zie http://www.cielen.eu/geschiedenis-5e-6e-klas-oude-culturen-overzicht-en-inhoud.pdf.

Worden de kinderen door die visie op geschiedenisonderricht geïndoctrineerd i.v.m. racisme of dominantie van het blanke ras? Door eenmalig hierover iets te zeggen – minder dan een halfuur op een hele schoolcarrière – kun je niet spreken van indoctrinatie, het is eerder een zaadje. Maar je weet hoe het met zaad gaat dat in een vruchtbare bodem valt. De dagelijkse ochtendspreuk die in elke steinerschool/vrijeschool/waldorfschool gezegd wordt, heeft veel meer weg van indoctrinatie. Dát vind ik zorgwekkend, net zoals de vele andere antroposofische elementen die gaandeweg in de pedagogie zijn binnengeslopen. De steinerpedagogie moet dringend uit haar antroposofisch keurslijf.

.

Dank voor je antwoord.

Die conclusie had ik ook al getrokken: je kunt niet spreken van indoctrinatie; ook ik was er niet mee bezig en zag geen collega’s die er wél mee bezig waren en nooit is er in bijeenkomsten over geschiedenis waar ik bij was over een soort ‘verborgen agenda’ gesproken. Daar komt nog bij dat de aanbrengers van deze onzinnige aantijgingen geen enkel voorbeeld kunnen geven van hoe dat dan concreet zou gaan of zou moeten, dat indoctrineren.
We zien er ook bij oud-leerlingen nooit iets van terug.

Conclusie:
Atlantis – áls er al iets van Steiner zou worden verteld – leidt niet tot indoctrinatie.

Je merkt hier nog meer op waarover ik graag met je verder praat, maar dit Atlantis hoort nog bij je opmerkingen over het geschiedenisonderwijs en daar ga ik eerst naar terug.
.

Meer commentaren op Luc Cielens artikelenreeks:
‘Is de steinerschool een antroposofische school’:
 .
[1-2] geschiedenis [2]
[1-3dierkunde
[1-4] plantkunde
[2de ochtendspreuk voor de lagere klassen
[3] de ochtendspreuk voor de hogere klassen
[4] meer spreuken
[5] nog meer spreuken
[6]
en nóg meer spreuken
[7] het schoollied
[8] atheïst of agnost: kun je dan vrijeschoolleerkracht zijn?|
[9] jaarfeesten
[10] euritmie en gymnastiek
[11] muziekonderwijs

.

vrijeschool en antroposofiealle artikelen

.

1244-1162

.

..

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-2)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE – GA 293

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken een context geven bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

OVER DE ZGN. ‘ONGEDRUKTE PASSAGE’

Al in zijn openingszin gebruikt Steiner de woorden ‘geestelijk’ en ‘geestelijke werelden’.
Maar wat is ‘geest’, ‘geestes’leven; ‘geestelijk’; ‘geestes’wereld; ‘geest’wereld en wat er nog zou kunnen volgen.
We komen toch meestal niet verder dan die woorden in de sfeer te plaatsen van ‘kerkelijk’ of ‘geloofs-‘; of we hebben de geesteswetenschappen, zoals de filosofie. In het beste geval komen we nog tot iets ‘mentaals’, maar tegelijkertijd wordt beweerd dat dit mentale slechts het gevolg is van hersenactiviteit: ‘wij zijn ons brein’; en de mens als geesteswezen – als een volstrekt uniek wezen – is niet meer dan ‘de naakte aap’.

Voor de toekomstige leerkrachten aan de 1e vrijeschool was dat niet het geval. De meeste hadden al veel mededelingen van Steiner gehoord; ze hadden Steiners boeken gelezen; ze waren volop ‘bezig met antroposofie’ en ‘geest’ had voor hen in ieder geval inhoud.

ZO ANDERS!

(< > naar deze passage wordt verwezen vanaf een andere pagina)

Hoe anders was dat voor mij!
Ik leerde de vrijeschool  kennen, door wat ik tijdens een hospiteerperiode in een vrijeschoolklas zag. (We spreken nu over ‘stage’). Als leerling – je sprak nog niet van ‘student’ – van de Gemeentelijke Kweekschool in Rotterdam, (de Pabo moest nog worden geboren) – kwam ik in de 5e klas van de Rotterdamse vrijeschool.

IN MIJN JEUGD

ging ik regelmatig naar de kerk en op zondag naar de zondagschool – mijn lagereschool was een openbare.
In de kerk hoorde ik over God en de duivel; de geesten voor Gods troon, over Gods geest die o.a. ‘over de wateren’ zweefde. Maar met het vorderen van ‘de jaren des onderscheids’, nam ook de twijfel aan alles toe en ik zei de kerk vaarwel; met woorden als ‘geest’ hield ik me niet meer bezig.

IN HET JAAR

vóór ik op de Haagse vrijeschool mijn eerste 1e klas kreeg, volgde ik vaak lezingen vanuit een antroposofische visie over veel uiteenlopende onderwerpen.
Ter voorbereiding las ik veel ‘Vrije Opvoedkunsten'[4] en het verbaasde me telkens weer dat de meeste artikelen, hoewel al jaren oud, toch heel actueel bleken te zijn. Sommige auteurs hielden ook voordrachten en toen ik die begon te bezoeken, kreeg ik een voor mij heel acceptabel wereldbeeld uitgelegd. Zelfs het begrip ‘geest’ kreeg een inhoud waar ik wél wat mee kon.
En met het motto van de onnavolgbare Leendert Mees: ‘don’t say no, just say ‘oh’, [5] kon alles wat ik niet begreep, rustig wachten.

AAN HET WERK

De maanden vóór ik in augustus 1970 met mijn allereerste 1e klas zou beginnen, probeerde ik me zo goed mogelijk inhoudelijk voor te bereiden. Dat betekende bijna vanzelf dat ik ook met de ‘Algemene menskunde’ begon. Immers, dat is toch de gang van zaken: je wil je verdiepen, dus studeer je en probeer je de inhoud van je studie-onderwerp je eigen te maken. Dat lukte nauwelijks: inhoudelijk vond ik het moeilijk; ‘dingen’ onthouden had bijna geen zin; ik voelde onbewust dat het om een heel andere manier van denken ging, maar ook van waarnemen en ik ervoer al snel dat je antroposofie ‘er niet even bij doet’. Ik ben, uiteraard met grotere of kleinere tussenpozen, wel mijn hele vrijeschooltijd met dit boek bezig geweest en het is me vaak opgevallen dat ik dan weer iets las, waar ik de vorige keren kennelijk overheen gelezen had, want de betreffende passage leek me volkomen nieuw.
Door de andere voordrachtenreeksen (GA 294, 295) leerde ik de temperamenten kennen. Eerst was het de zoveelste typologie die ik bestudeerde – dat had ik op de kweekschool al veel vaker gedaan – maar nu deed zich het feit voor, dat de bestudering van de temperamenten [6] eigenlijk geen zin had, zonder ook daadwerkelijk met kinderen samen te zijn. Een frappante ervaring: een theorie die weinig waard blijkt zonder de praktijk van het leven. 

Ik hospiteerde in de verschillende klassen en zag het praktische vrijeschoolleven: de schilder- en tekenuren; de muziek, het periode-onderwijs; de extra hulp aan kinderen met ontwikkelings- en leerproblemen; het niet-Nederlandse talenonderwijs – kortom: het echte vrijeschoolleven.
De andere kant van het verhaal is dus de theorie – wat zijn de achtergronden die tot deze praktijk leiden en hoe maak ik me die eigen.

DE EERSTE VERGADERING

In de week vóór het schooljaar weer zou beginnen, werd de eerste lerarenvergadering gehouden.
Er zou worden gesproken over de ‘ongedrukte passage’. Die was dus aanvankelijk niet in een boekuitgave (GA 293) te lezen.

Steiner laat aan duidelijkheid niets te wensen over: vóór het vrijeschoolwerk begint, wil hij zich ‘bezinnen op de verbinding met de geestelijke werelden‘.
Wij zijn als mens geen wezens die op deze aarde uitsluitend een lichamelijk leven leiden; wij zijn ook ziel en geest. En zoals ons fysieke lichaam leeft op en van deze aarde, zo behoort onze ziel tot de wereld van de ziel en onze geest tot de wereld van de geest, de geestelijke wereld.

En dan zit je in zo’n vergadering, als nieuwkomer met totaal geen vrijeschoolachtergrond of antroposofische kennis, levend in een wereld waarin velen – vaak minder bewust door het vertrouwen in ‘de’ wetenschap – er wel min of meer van overtuigd zijn dat we ‘hogere dieren’ zijn; dat de schepping is begonnen met de oerknal en: niks ziel en/of geest: ‘wij zijn ons brein’.

Dat is ook voor vele leerkrachten de wereld waarin ze leven, de studiewereld waaruit ze komen en die ze meenemen het leven in; waarmee ze op de een of andere manier vrijeschoolleerkracht (willen) worden.

Toen ik later op pas opgerichte scholen werkte, gingen we eenmaal per jaar een weekend ergens heen om ons te bezinnen op ons werk. Omdat de groepen niet zo groot waren, was het mogelijk dat iedereen eens vertelde waarom hij of zij op de vrijeschool werkte. Buitengewoon indrukwekkend vond ik de biografieën van iedere collega; de levensloop van hem of haar die uiteindelijk (ook) naar deze school had geleid. Bij iedereen was de impuls méér van onderwijs en opvoeding te maken, dan ieder op de een of andere manier wel ergens had geleerd. De sterke wil om ‘geen vat te vullen, maar een vuur te ontsteken’ was bij iedereen aanwezig. De sterke wil om kinderen recht te doen: d.w.z. ze in het onderwijs dát te geven, waarom ze onbewust vragen: wat ze vanuit hun natuurlijke ontwikkeling verlangen en nodig hebben.

DE AFSTAND TOT DE WERELD VAN DE GEEST

Maar voor velen – ook voor mij dus – was die afstand naar ‘de geestelijke werelden’ groot. Eigenlijk: onoverbrugbaar groot. Je hoorde erover, je las erover, je wees het niet af, want je voelde ook zeer duidelijk dat het onderwijs waarvoor je zo enthousiast was, er nooit zou zijn gekomen zonder Steiners visie op die geestelijke wereld: als realiteit. Velen deden hun best die relatie met ‘een’ of ‘de’ geestelijke wereld aan te halen – er zijn van Steiner meditaties voor – velen probeerden zich op deze weg te scholen. Ik ook, maar ik moet zeggen dat het mij niet is gelukt. Met vlagen, maar dan kwam de klad er weer in: veel te druk: voorbereiden voor de andere dag; organisatie van de school; (bestuurs)vergadering(en); ouders bezoeken en er was je partner, later je gezin, de verhuizingen, de verbouwingen; er bestond ook nog familie waarvoor je nauwelijks tijd had: een verjaardag door de week: kan eigenlijk niet, ik moet nog zoveel voorbereiden; en de achtergronden en, en…..

Vaak veel te veel en niet hygiënisch wat het levensritme betreft.

NIEUWKOMERS

En dan, als je in de lerarenvergadering zit, bijv. als nuchtere docent wiskunde, die afgekomen is op de vacature en wel iets weet van de vrijeschool als school met een prettig onderwijsklimaat, gaat het over de ‘ongedrukte passage.’

Want vóór Steiner met zijn voordrachtenwerk bij de oprichting van de vrijeschool in Stuttgart begon, wilde hij zicheerst bezinnen op hoe wij de verbinding met die geestelijke machten nu concreet leggen, in wier opdracht en mandaat ieder van ons in zekere zin zal moeten werken.’
Hij ziet zijn inleidende woorden als ‘een soort gebed tot de machten die de taak hebben imaginerend, inspirerend en intuïterend achter ons te staan, nu wij deze opdracht op ons nemen.’ [7]

Wat ik hier zo beschreef, met een wat persoonlijk karakter, kunnen veel meer vrijeschoolleerkrachten schrijven. We hebben ‘weet’ van een geestelijke wereld, maar er echt in doordringen lukt niet.
Misschien wel bij een enkeling. Maar wie zou van zichzelf durven beweren dat hij dat inzicht heeft. Nog nooit heb ik het van iemand vernomen, noch persoonlijk mondeling, maar ook niet in de vele publicaties over de vrijeschoolpedagogie.

OPDRACHT

We hebben dus enige ‘weet’ van de geestelijke wereld, van geestelijke machten. Maar zo concreet dat we, als we ons werk op de vrijeschool beginnen, er volledig van overtuigd zijn dat we dat gaan doen in de opdracht en met het mandaat van die geestelijke machten?

Later in de voordracht wordt Steiner voor mij concreter: dan gaat hij uitleggen wat er met ‘geest’ wordt bedoeld.

Maar wanneer hij in 1919 zijn 1e voordracht houdt, lijkt het net of al de toehoorders dat al weten en hij geeft ze meteen een handreiking hoe ze de verbinding met deze geestelijke machten kunnen realiseren of in ieder geval proberen te realiseren: in de ongedrukte passage.

DE ONGEDRUKTE PASSAGE

Steiner wilde niet dat de betreffende passage werd gestenografeerd. Ik heb nooit ergens gezien waarom niet, al kun je er wel je gedachten over hebben.

Vond hij de woorden te sacraal voor de drukletter? In de trant van Maria die de woorden van Gabriël in haar hart bewaarde en overdacht. Was dat de bedoeling? In de Duitse uitgave van GA 293 uit 1960 staat de passage niet, wel in die van 1992 en derhalve ook in de vertaling. Waarom werd er besloten Steiners wens niet (meer) te respecteren?

In de vertaling vinden we de volgende tekst:

een soort gebed:
Steiner wilde dus niet dat het betreffende gebed werd gestenografeerd. Het werd door twee cursisten, Caroline von Heydebrand en Herbert Hahn, achteraf als volgt opgetekend.

Notities van Caroline von Heydebrand:

‘Laat ons onze gedachten zodanig richten dat wij het bewustzijn kunnen hebben: achter ieder van ons staat zijn engel, wiens handen zacht op ons hoofd rusten; deze engel geeft jullie de kracht die je nodig hebt. — Boven jullie hoofden zweeft de reidans van de aartsengelen. Zij geven aan elkaar door wat de een de ander te geven heeft. Zij verbinden jullie zielen. Daardoor ontvangen jullie de moed die je nodig hebt. (Uit moed vormen de aartsengelen een schaal.) – Het licht van de wijsheid wordt ons geschonken door de verheven wezens van de archai, die niet een gesloten kring vormen, maar die uit verre oorsprongen verschijnen en in verre verten verdwijnen. Zij dringen slechts als een druppelvorm in deze ruimte door. (In de schaal van de moed valt van de heersende tijdgeest een druppel van het licht der tijd.)’

In de Duitse uitgave staat dit tekeningetje, behorend bij de versie van Von Heydebrand:

ga-293-blz-217

Notities van Herbert Hahn:

‘Wij mogen, omdat wij ons actief op de pedagogie van deze vijfde cultuurperiode richten en ons als leerkrachten daarvoor willen inzetten, voor ogen houden dat de wezens van de derde hiërarchie bereid zijn zich met ons werk te verbinden.

Achter ieder lid van het toekomstige lerarencollege zien wij de engel staan. Hij legt beide handen op het hoofd van de hem toevertrouwde aardemens. En door deze houding en dit gebaar laat hij kracht overstromen. Het is een kracht die aan het te volbrengen werk de noodzakelijke imaginaties meegeeft. Creatief imaginerend, krachtig imaginaties wekkend, staat zo achter ieder de engel.

Gaat de blik naar boven, dan zweeft daar boven de hoofden van de toekomstige leraren een schare aartsengelen. Rondgaand en weer teruggaand in hun kring dragen zij dat wat uit de geestelijke ontmoeting van de enkeling met zijn engel wil voortspruiten, naar ieder van de anderen. En zij dragen het, door de kracht van alle anderen verrijkt, weer naar de enkeling terug. – In dit rondgaan, dat als een geestelijk beeldhouwen aandoet, vormt zich boven de hoofden van de in gemeenschappelijk streven verbonden personen – een schaal. En deze schaal heeft een heel bepaalde substantie: hij is gevormd uit moed. – Tegelijkertijd laten de rondzwevend verbindende aartsengelen in hun beweging, in hun scheppende werkzaamheid inspirerende krachten instromen. Zij ontsluiten de bron van de inspiraties die wij voor ons werk nodig hebben.

Wanneer de schouwende blik nog verder naar boven gaat, bereikt hij het domein van de archai. Zij treden niet als een gezamenlijkheid op. Maar uit hun sfeer, de sfeer van het licht, laten zij een druppel vallen in de schaal van de moed. Wij mogen het zo beleven dat deze lichtdruppel ons geschonken wordt door de goede geest van onze tijd, die achter de stichter en achter de stichting van deze nieuwe school staat. Het zijn scheppende intuïtiekrachten die in dit lichtgeschenk werken. Zij willen in hen die nu het jonge pedagogische werk beginnen, de noodzakelijke intuïties wekken.

Zo neemt, kracht, licht en moed schenkend, de derde hiërarchie aan deze stichting deel. Imaginerend, inspirerend en intuïterend wil zij zich verbinden met ons aardse handelen.’ [8]

IN NAAM VAN DE GOEDE GEEST

Vóór Steiner nader ingaat op wat met geest wordt bedoeld, spreekt hij zijn dank uit. Hij doet dat – de vertaling heeft: in naam van’, dat enigszins dwingend betekent: ‘op gezag van’.
Zou het ook ‘uit naam van’, ‘namens’ kunnen betekenen? Het betekent m.i. toch dat Steiner a.h.w. plaatsvervangend optreedt voor de goede geest, wiens taak het is de mensheid te leiden en te verlossen van nood en ellende; wiens taak het is de mensheid te brengen tot een hoger ontwikkelingsstadium in onderwijs en opvoeding uit diens naam dankt Steinerde goede geesten, die ons aller heer Molt de goede gedachte ingegeven hebben om in deze richting en op deze plaats voor de verdere ontwikkeling van de mensheid dat te doen, wat hij door de oprichting van de Waldorfschool heeft gedaan.

Als ‘nieuwkomer’, zal ik nog maar even zeggen, weet je nu in ieder geval dat het tóch om onderwijs en opvoeding gaat, dat dit op een hoger ontwikkelingsniveau gebracht moet worden en dat dit een onderdeel is van de taak van de goede geest, de mensheid te leiden en te verlossen van nood en ellende.

Dan kunnen er wel wat vragen rijzen: wie is die goede geest; wie zijn die andere goede geesten; zijn dat dezelfde als de geesten die genoemd worden in de ongedrukte passage, die ons willen helpen bij ons werk?

Steiner noemt ze hier niet.

Maar bij de vele gelegenheden waarop hij over de geestelijke wereld sprak, in het bijzonder over de hiërarchieën, beschreef hij de aartsengel Michaël als de leidende tijdgeest. Een tijdgeest van wie sterke impulsen uitgaan. Maar die niet zonder de mens gerealiseerd kunnen worden. Hij moet ze begrijpen én ernaar handelen. Ze moeten tot daad worden, alleen wéten is niet genoeg.

Op deze blog staan ook artikelen over de jaarfeesten, waaronder het Michaëlsfeest.

De vele aspecten die in deze artikelen over Michaël geschreven worden, bieden de gelegenheid een dieper inzicht te krijgen in wat met ‘Michaël’ wordt bedoeld.

In Michaël, aarde en mensheid is er sprake van ‘het komt niet meer aan op de natie, maar op de mensheid als geheel; op de enkeling.

In andere beschouwingen over Michaël wordt hij beschreven als een tijdgeest – een abstractere naam, een idee of ideeën, onstoffelijk, maar zichtbaar gemaakt in wat we dan zien in de kunst waarin Michaël wordt afgebeeld, symbolisch?

Maar bij alles wat rondom deze tijdgeest wordt gezegd, voel je a.h.w. dat ‘het in de lucht hangt’, dat het er is, dat het komen wil: de mens als mens, ongeacht afkomst, ras, sekse enz. Niet meer behorend tot een ras of een natie, maar grensoverstijgend tot ‘het geslacht mens’ (Rosenstock-Huessy). De drang naar vrijheid, naar zelfontplooiing. Wie probeert zijn tijd te begrijpen, ziet het overal om zich heen.
Wie Steiners ‘De weg tot inzicht in hogere werelden‘ ‘kent’ zal vaak zijn tegengekomen dat – het gaat hier om de ontwikkeling van de geestelijke wezens die de hiërarchieën vormen – de ontwikkeling geremd wordt door wezens die in die ontwikkeling niet meegaan, die ‘achterblijven’, die het oude willen conserveren.

Het heeft er veel van weg dat ook in onze tijd ‘de Michaëlische’ ontwikkeling van wegvallende grenzen, grotere verantwoordelijkheid voor het geheel, vrije ontplooiing voor het individu – altijd in de context van meer verantwoordelijkheid voor de gemeenschap – op vele gebieden ook wordt geremd. De grenzen weer dicht? Terug naar de gulden? Eigen volk eerst?

De sociale nood is hoog, in onze tijd nog altijd: honger, armoede, oorlog, vluchtelingen enz.

Ook in Steiners tijd: de 1e Wereldoorlog.

Steiner beweert een antwoord te hebben op de vraag hoe de sociale nood veranderen, verdwijnen kan. Dat is zijn conceptie van de Driegeleding van het sociale organisme‘. Dat is in zijn overtuiging ook het concretiseren van de Michaëlische tijdgeest – wat de geestelijke wereld wil – . Waarop de geestelijke wereld wacht. De spirituele daden van de mens als mogelijkheid voor de geestelijke wereld om zich te ontwikkelen.

De regeringen van Duitsland en Oostenrijk die wel naar Steiners ideeën wilden kijken, doen er uiteindelijk niets mee. De driegeleding zal niet worden gerealiseerd. ‘Geen feest in de hemel!’

Maar dan vraagt Emil Molt aan Rudolf Steiner een school op te richten – vrij van de staat. Dat betekent toch nog iets van de idee van de driegeleding realiseren. Dat is – ik zeg het nu een beetje oneerbiedig – goed nieuws voor de geestelijke wereld.
Zo begrijp ik tenminste Steiners opmerking:

Een feestelijke handeling van de wereldorde,
in een andere vertaling staat een ‘feestelijke gebeurtenis in de ordening der werelden’

Op haar blogMooiteneemt Merel Boon je mee op haar zoektocht naar het wezenlijke van de ‘ongedrukte passage’.

Ruud Gersons spreekt erover op zijn website:
Inleiding, uitleg en vertaling in het Nederlands, klik hier

**Beste Leo
<2>De kans is niet groot dat je dit leest. Toch wil ik het hier uitgesproken hebben: door jou kreeg ik dit mooie beroep: vrijeschoolleerkracht.<2>

Daarvoor ben ik je heel dankbaar!

=

De vraag naar de, of een geestelijke wereld, of naar God, wordt door velen gesteld en dus door velen beantwoord. Dat is vaak zeer verrijkend!
‘Professor, bestaat God?

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[
2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
[4] Vrije Opvoedkunst – archief
[5] Leen Mees
[
6] Over temperamenten
[7]  imaginerend, inspirerend en intuïterend: De termen imaginatie, inspiratie en intuïtie worden door Steiner gebruikt om de drie hogere kenvermogens aan te duiden. Wat deze vermogens inhouden zet hij o.a. uiteen in De wetenschap van de geheimen der ziel en in Zelfkennis en hoger inzicht, wv-d2, ga 12, 16 en 17 (eerdere vertaling van ga 12: De trappen van het hogere bewustzijn, Zeist 1982).
(Laatst genoemd boek tref ik op de website van Christofoor niet aan, wel De weg tot inzicht in hogere werelden)
[8GA 293/218
vertaald/238-239

.
Meer over blz. 17/18 [1-2-1]

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1223-1142
 

.

**

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (34)

.

opspattend grind

In Trouws ‘De Verdieping’ stond onder
‘DE OPVOEDVRAAG’:

Wat merkt een baby van ouderlijke onmin?

Woorden hebben waar de baby bij is, blijft daar iets van hangen?

Ze heeft een goede relatie met haar vriend, maar er is natuurlijk weleens ruzie, schrijft een moeder. “We hebben niet bepaald een groot appartement, dus als we woorden hebben, kan onze dochter dat horen of zit ze er zelfs bij. Ze is net 6 maanden en lijkt er geen last van te hebben, maar is dat ook zo?

Dat er aan het meisje niets te merken is, zegt niet alles. Waar het ene kind huilt, kan het andere juist verstarren of zich heel stil houden in zo’n situatie, zegt Eva Potharst. Ze werkt als kinder- en jeugdpsycholoog bij UvA Minds en ontwikkelde bij dat academisch behandelcentrum een mindfulnesstraining voor ouders met baby’s. Een kind van zes maanden kan niet praten, ze onthoudt zo’n ruzie dus niet in woorden, zegt Potharst.  (   )

Als ouders schreeuwen of met deuren gooien, allicht dat het kleintje dat opmerkt. Maar ook een ruzie die met de ‘silent treatment’ wordt uitgevochten, kan een baby volgens Potharst aanvoelen. “Kinderen ontwikkelen zich voor een belangrijk deel door de interactie met hun ouders. Ze zijn erg gericht op sociale stimulansen, op het gezicht en de stem van vader en moeder.” Er zijn allerlei onderzoekstechnieken om stress of emoties bij baby’s te meten. Minutieus observeren, de pupilgrootte meten of speeksel testen op het stresshormoon cortisol. Potharst: “Al heel jong kunnen baby’s verschillende gezichtsuitdrukkingen onderscheiden, stemmen herkennen. Ze kunnen dus ook angstig worden van stemverheffing, of van een boos gezicht. Ook stress van ouders voelen ze aan. Mensen denken vaak: hoe jonger kinderen zijn, hoe minder ze doorhebben. Dat is echt een fabeltje. <1>Sommige kinderen zijn al voor de geboorte getraumatiseerd, die komen schrikachtig ter wereld. Dus ook bij een baby’tje van drie weken zou ik elkaar niet de tent uit vechten.”

René Goedhart is relatie- en gezinstherapeut in Zwolle. Hij hoort ouders vaak zeggen, ‘O maar de kinderen waren er niet bij toen wij ruzie maakten’, of: ‘Ze lagen gelukkig te slapen’. Goedhart heeft gewerkt in de reguliere jeugdzorg, bij de reclassering en bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling. Nu behandelt hij, in een instelling voor geestelijke gezondheidszorg, kinderen met een verslaving en psychische problemen. In twintig jaar heeft hij gezien wat ruzies, echtscheidingen en huiselijk geweld kunnen doen: kinderen raken gestresst, hebben geen vertrouwen in anderen, kunnen zich niet concentreren of ontwikkelen gedragsproblemen. Ook als ouders dachten dat hun kinderen er niet zo’n last van hadden.”

Trouw, 26-10-2016

RUDOLF STEINER
Wat er in zijn stoffelijke omgeving voorvalt, bootst het kind na en door de activiteit van het na­bootsen worden zijn fysieke organen in de vormen gesmeed, die dan als model behouden blijven. Je moet echter het woord ‘stoffelijke omgeving’ in de ruimste zin opvatten. Hiertoe behoort bijvoorbeeld niet alleen, wat zuiver stoffelijk om het kind heen voorvalt, maar ook alles, wat zich in zijn omgeving afspeelt en wat waargenomen kan worden door zijn zintuigen, wat van de stoffelijke ruimte uit op zijn geest kan inwerken. Daartoe behoren ook alle morele of immorele, alle verstandige en dwaze handelingen, die het kind voor ogen krijgt.
GA 34/324 en verder:

Wanneer de nabootsing van gezonde voorbeelden in een  atmosfeer van warme genegenheid mo­gelijk is, dan is het kind in zijn ware element.

Het mensenwezen doet datgene wat zijn omgeving doet. Bekijkt u het kind maar eens vol aandacht en u zult zien: het kind is een nabootsend wezen, het doet datgene wat de volwas­senen doen. In het leven van het kind is het van groot belang dat de mensen die in de omgeving van het kind leven alleen datgene doen wat het kind kan nabootsen; zelfs alleen dat­gene denken en voelen wat het kind kan nabootsen.
GA 296/18
Opvoeden en onderwijzen/blz. 27

In de levensfase van geboorte tot tandenwisseling is de mens helemaal een nabootsend wezen. Je moet je voorstellen dat de mens in deze eerste levensfase op een buitengwone intieme manier in relatie staat tot zijn omgeving. In zekere zin gaat alles wat mensen uiterlijk doen, ja zelfs wat mensen voelen en denken op een bepaalde manier voor een kind zo in zijn werk dat het kind nabootsend vertrouwd raakt met die processen in zijn omgeving.
GA 304/160
Niet vertaald

Op nog veel meer plaatsen spreekt rudolf Steiner over het belangrijke verschijnsel van hoe het kleine kind op zijn omgeving reageert.

HET KLEINE KIND IS EEN EN AL ZINTUIG!

DOOR DE NABOOTSING VINDT HET KIND ZIJN WEG NAAR DE WERELD

NABOOTSING

Rudolf Steiner: alle artikelen

Opspattend grind: alle artikelen

1218-1138

.;

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – handschaduwbeelden

.

Handschaduwbeelden

Na de 1e klas is het meestal wel gebeurd met de vingerspelletjes. Het is echter wel goed om steeds iets met de vingers of handen te doen.
Die bewegingen leiden – mits geoefend – tot behendigheid – de handen leren en Rudolf Steiner wees al op het belang van het ‘handwerk’ voor de vorming van de intelligentie, wat het hersenonderzoek in deze tijd bevestigt.
O.a. de vingerspelletjes vallen eronder, maar ook de kringspelen, en hinkelen of touwtjespringen, wanneer het meer om de coördinatie gaat.
En naarmate de kinderen ouder worden, mag dat ook wel iets moeilijker worden.

Wanneer ik hier een leeftijd noem, is dat slechts een benadering. Je moet altijd zelf kijken, wanneer je klas het aankan.

Schaduwbeelden zijn wat minder beweeglijk: je moet stilstaan of zitten . Je moet wel goed waarnemen: het schaduwbeeld moet kloppen en je zal dus je handen of vingers moeten sturen.
Een derde klas zou dat wel moeten kunnen, maar iets eerder of later kan uiteraard ook.
En natuurlijk niet allemaal op 1 dag, maar iedere dag 1, bv. gedurende een bepaalde tijd.

Als je ze wil doen, moet je ze zelf goed beheersen!

Hier volgt een aantal schaduwbeelden:

Een konijntje
Er zijn massa’s verschillende manieren om een konijntje op het doek/op de muur te projecteren; twee van de eenvoudigste en tegelijkertijd twee van de beste zijn die, welke hieronder beschreven en afgebeeld staan.

Methode I
Houd de wijsvinger van de rechterhand gestrekt en pak de top hiervan vast tussen duim en wijsvinger van de linkerhand.
Zorg ervoor, dat de wijsvinger van de linkerhand gebogen is, zodanig, dat zij de omtrek kan vormen van de konijnensnuit. Je zult nu zien dat er een kleine opening is tussen de bal van de linkerduim en de top van de rechterwijsvinger. Deze opening vormt het oog.
Nu worden de handen rug aan rug geplaatst en de toppen van de pinken in elkaar gehaakt.
De ring- en middelvinger van de rechterhand worden naar voren gebracht en hierdoor ontstaan de voorpootjes, terwijl de linkerduim de achterpoten, als één, laat zien.
De ring- en middelvinger van de linkerhand worden naar achter gebogen en vormen de beide oren.
Het konijn is klaar en kan nu tot leven worden gebracht door de oren te bewegen, de voorpoten of het snuitje:

handschaduwbeeld-1

Methode II
Deze manier lijkt erg op de eerste; het verschil is dat de handen niet zo vast gesloten zijn. De rechterhand wordt met de rug naar boven gehouden en hierop wordt de linkerhand gelegd met de rug naar beneden.
De toppen van de linkerduim en -wijsvinger worden op elkaar geperst en vormen de snuit. De oren worden gevormd door de linkermiddel- en ringvinger naar je toe te strekken.
De pink wordt tegen de palm aangedrukt en is dus niet te zien.
Door de rechterwijs- en middelvinger te strekken ontstaan de voorpootjes, terwijl de rechterduim de achterpoten illustreert.
De ringvinger van de rechterhand wordt in de handpalm gedrukt, evenals de pink van de rechrerhand; tekening 2.
Ook nu weer kan het konijn door verschillende bewegingen, zoals in eerste methode beschreven, tot leven worden gebracht…

handschaduwbeeld-2

Wanneer het bovenstaande met succes is uitgevoerd, is het mogelijk uit de bestaande houding onmiddellijk twee konijnen te produceren:

De linkerhand verandert niet van houding en vormt het eerste konijntje, de rechterhand wordt van de linker af bewogen en neemt dezelfde vorm aan; tekening 3.
De oren kunnen, zoals ook in de andere methoden, bewogen worden, de pootjes moeten echter in dit geval ontbreken.

handschaduwbeeld-3

Een vos
Voor het uitbeelden van een vos is alleen de rechterhand nodig.
De vingers worden gestrekt en de handpalm wordt vlak gehouden. De duim naar boven gericht.
De wijsvinger wordt gebogen en de top wordt gezet op het midden van de middelvinger. Hierdoor ontstaat een opening, waardoor het oog wordt gevormd.
De ringvinger blijft in gestrekte houding tegen de middelvinger aangeperst, terwijl de pink zover mogelijk naar achter wordt gebogen. De ring- en middelvinger vormen nu de snuit, terwijl de pink de onderkaak illustreert.
Door de pink nu van achteren naar voren te bewegen, en omgekeerd, maakt de bek een happende beweging; tekening 4.

handschaduwbeeld-4

Zoals tekening 3 laat zien, is het mogelijk met de linkerhand een konijn te vormen.

Wanneer je dit doet, kunt je de vos (rechterhand) het konijntje (linkerhand) achterna laten zitten.

Een wolf
De rechterhand neemt de houding aan als noodzakelijk voor de vos (zie tekening 4).
De linkerhand wordt nu naar de rechter gebracht, de palmen van beide handen op elkaar. De toppen van de middelvingers, ringvingers en pinken van beide handen worden nu stevig op elkaar geperst en er moet hierbij voor worden gezorgd, dat zij alle volkomen gestrekt zijn.
De linkerwijsvinger wordt nu eveneens gestrekt en opgeheven en vormt zodoende één van de oren.
Het andere oor wordt al door de rechterduim voorgesteld.
De linkerduim wordt tussen beide handen verstopt en wordt dus niet gezien.
De wolf is nu gereed (tekening 5).

handschaduwbeeld-5

De pink van de rechterhand wordt heen en weer bewogen en vormt de onderkaak, zoals in tekening 4 en 5 is te zien.

Een olifant
De afbeelding van een olifant is een van de eenvoudigste, maar tegelijkertijd één van de mooiste voorstellingen die gemaakt kunnen worden. Je moet hierbij echter bedenken dat alle bewegingen van de olifant langzaam, afgemeten en waardig zijn.
De rechterhand is gestrekt, met de vingers stijf aaneen gesloten. De vingers worden nu als één, naar de handpalm gebogen, zo, dat de vingers met de rug van de hand een scherpe hoek vormen. De duim echter, blijft naar voren gestrekt en ligt in dezelfde lijn als de rug van de hand. De vingers van de rechterhand vormen de slurf en hierom is het noodzakelijk dat de vingers tegen elkaar gedrukt blijven, zodat zij als één op het doek/muur worden gezien.
De linkerhand neemt een gelijke houding aan als die van de rechter- en wordt op de rechterhand geplaatst, terwijl de linkervingertoppen op de knokkels van de rechterhand worden gedrukt.
De ruimte die is ontstaan tussen de rug van de rechterhand en de palm van de linker- illustreert het oog en door het langzaam samendrukken van de twee handen kan dit oog geopend of gesloten worden.
De linkerduim hangt naar beneden langs de achterkant van de rechterhand en vormt op deze manier de bek; tekening 6:

handschaduwbeeld-6

De bek kan bewogen worden door de linkerduim van voren naar achter te bewegen, de slurf door de vingers van de rechterhand langzaam naar en van de palm te bewegen.

Een stier
De handen worden gekruist en met de ruggen tegen elkaar geplaatst, de linkerhand onder, de rechter boven.
De linkerwijsvinger wordt in de palm gebogen en daar vastgehouden door de linkerduim.
De middel- en ringvinger van de linkerhand, evenals de pink, worden naar binnen gebogen totdat de toppen rusten op de vingerwortels. De ringvinger, middelvinger en pink van de rechterhand worden in de palm gevouwen. De duim van de rechterhand blijft naar boven gestrekt, de wijsvinger van dezelfde hand maakt een lichte buiging naar de rechterduim toe. Duim en wijsvinger van de rechterhand kunnen zodoende de horens vormen; tekening 7:

handschaduwbeeld-7


Een schaap
De rechterhand wordt horizontaal gehouden met de rug naar boven. De duim wordt tegen het eerste lid van de wijsvinger geperst en de andere vingers liggen alle naast elkaar in dezelfde lijn als de wijsvinger.
De linkerhand wordt nu boven de rechter gebracht, met de top van de linkerpink op de nagel van de rechterduim.
De linkerringvinger wordt, tussen de rechterduim en wijsvinger door, naar beneden gedrukt en geperst tegen de palm van de rechterhand. De linkermiddelvinger wordt nu geplaatst op het tweede lid van de rechterwijsvinger, op zo’n manier, dat er (doordat de middelvinger is gekromd) een ruimte ontstaat die als ‘oog’ moet dienen.
De pink en ringvinger van de rechterhand worden nu als één naar beneden gebogen en hierdoor wordt de onderkaak gevormd.
De wijsvinger van de linkerhand wordt nu naar voren uitgestrekt en de duim iets opgeheven om de oren te vormen.
Je kan het oog laten knippen door de linkermiddelvinger iets te bewegen. Door van de rechterhand de pink en ringvinger tegelijk heen en weer te bewegen ontstaat een kauwende indruk; tekening 8:

handschaduwbeeld-8
Een bok
De rechterhand wordt horizontaal gehouden met de rug naar boven. De vingers worden naar beneden gebogen, zodat tussen handrug en vingers een rechte hoek ontstaat.
De wijs- en middelvinger worden tegen elkaar geperst en onder die twee wordt de duim gedrukt. De ringvinger wordt losgemaakt van middel- en ringvinger en (nog steeds gestrekt) naar beneden gebracht. De pink wordt gebogen in de palm en kan als sik dienen. De ringvinger van de rechterhand stelt dan de onderkaak voor.
Nu wordt de linkerhand op de rechter gebracht, met de palm op de rug van de rechterhand.
De pink van de linkerhand wordt op de rechterwijsvinger geplaatst en de ringvinger van de linkerhand op de knokkel van de rechtermiddelvinger.
Wanneer dit is gebeurd, ontstaat een ruimte die het oog moet voorstellen. De linkermiddel- en wijsvinger worden nu gespreid, en gestrekt naar voren gestoken en vormen zodoende de horens. De linkerduim wordt nu naar achter gebogen en het oor wordt zichtbaar; tekening 9:

handschaduwbeeld-9

Wanneer je op deze manier het beeld van de bok hebt gekregen, kun je door met een ruk de ellebogen tegen elkaar te drukken en tegelijkertijd met de linkerpols een schokje uit te voeren, de bok een gevaarlijke stoot laten geven.

Een schildpad
De rechterhand wordt met de rug naar boven gehouden. De ringvinger en pink maken een rechte hoek met de andere vingers.
De top van de middelvinger wordt op de top van de wijsvinger geplaatst en deze beide vingers worden heel licht gebogen. De duim wordt horizontaal tegen de hand gehouden.
De linkerhand wordt boven de rechter gebracht en met de palm op de rug van de rechterhand geplaatst, zo, dat de vingertoppen van de linkerhand rusten op het tweede lid van de rechtervingers. De ringvinger en pink laat je nu verticaal hangen naast de duim van de rechterhand en deze vormen zo de achterpoten. De gebogen rechterpink en ringvinger stellen de voorpootjes voor.

Een aardige variatie hierop is de schildpad uit zijn schaal te laten kruipen.

handschaduwbeeld-10

Hiertoe trek je de vingers die de pootjes moeten voorstellen in en trek je de rechterhand onder de linker iets terug (in de richting van het lichaam).

Wanneer deze stand is aangenomen, beweeg je de rechterhand onder de linker, langzaam naar voren en strekt de pootjes uit. Nu zal het lijken of de schildpad onder zijn schaal uit kruipt.

Bij een projectiedoek moet dit beeld onderaan  worden vertoond, zodat de pootjes ‘lopen’ op de grens waar de muur ophoudt en het projectiescherm begint. Hierdoor heb je de beschikking over een oppervlaktelijn, waarover de schildpad zich voortbeweegt. Het spreekt vanzelf dat alle bewegingen van een schildpad zeer traag moeten worden uitgevoerd.

Een paard
De handen worden palm aan palm stevig op elkaar gedrukt. De wijsvinger van de linkerhand wordt gebogen over de rechterwijsvinger.
De linkermiddelvinger rust tegen het topje van de rechterwijsvinger, de linkerringvinger tegen de top van de rechtermiddelvinger evenals de linkerpink.
De rechterringvinger wordt achter de rechtermiddelvinger gebogen om de breedte, die de paardenkop grof zou maken, iets te verkleinen. De linkerduim wordt in de rechterduimholte geplaatst en beide duimen gestrekt om te dienen voor de oren.
Om eveneens een grove indruk te voorkomen moeten de handen ten opzichte van de lichtbron een kleine hoek vormen; tekening 11:

handschaduwbeeld-11
De volgende serie handschaduwbeelden zal waarschijnlijk geen moeilijkheden opleveren. We maken dus achtereenvolgens de figuren 12 de duif, 13 de kat, 14 de vleermuis, 15 de eend, 16 de zwaan.

Deze schaduwbeelden kunnen we allemaal laten leven.

De duif kan vliegen, wanneer we de handen naar het lichaam toebuigen en weer strekken.

handschaduwbeeld-12De kat kunnen we natuurlijker doen schijnen, wanneer we een bosje pijpestokers tussen de vingers geklemd houden, die aan de uiteinden uit elkaar gebogen worden.

De vleermuis kunnen we lustig laten fladderen door de handen op dezelfde manier als bij de duif maar met schokkende bewegingen van en naar het lichaam te bewegen.

Nog enkele schaduwbeelden zonder beschrijving:

handschaduwbeeld-13

Menskunde en pedagogie: handen en intelligentie

Menskunde en pedagogie: lichaamsoriëntatie

3e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas

1211-1131

.

.

VRIJESCHOOL – 1e klas – touwtjespringen

.

‘Als al je kinderen in de 1e klas tegen de kerst kunnen touwtjespringen, heb je het beter gedaan dan wanneer ze dat nog niet kunnen, maar wel alle letters kennen.’

Ik weet niet wie de uitspraak ooit deed, maar waar is deze wel, m.i.

Touwtjespringen is een bezigheid waarvan je gerust kunt zeggen dat ‘de hele mens’ meedoet.
Met deze ‘hele mens’ kom je dicht bij wat Rudolf Steiner van deze ‘hele mens’ zei: dat hij in het onderwijs moet worden aangesproken. En dat dit dicht in de buurt komt van ‘de boven- en ondermens’ harmoniseren, begrijp je meteen als je de worsteling ziet waarmee kleine kinderen het touwtjespringen onder de knie! proberen te krijgen.

Dus tussen het schooljaarbegin en de kerst zal het springtouw(tje) met stip in de top-10 van de leermiddelen staan.

Wat een coördinatie is er nodig tussen het draaien van het touw over het hoofd en het op tijd opspringen en dan blijven draaien en springen.

Voor veel kinderen is het moeilijk om – zonder touw – al eenvoudig ritmisch met twee gesloten voeten een keer of tien te huppen: 1-2; 1-2, met de nadruk op de 1.

Of met 1 arm het touw aan een kant naast je lijf rond te draaien en daarbij dan de hupjes te maken. Ook de zwaai over het hoofd is in het begin heel moeilijk.
Je kunt aan alle pogingen veel zien hoe het met het bewegingspatroon van het kind staat. Of het zich nog zeer stuntelig beweegt, zich bijna letterlijk in bochten wringt of dat er al een souplesse in het bewegen zichtbaar wordt.

Kortom dus: TOUWTJESPRINGEN!!!!!*

INDIVIDUEEL

Het begin:
Het kind houdt het springtouw met in elke hand een einde vast, stapt erover heen, zodat het touw vlak achter de voeten op de grond ligt. Dan zwaait het het touw over het hoofd naar voren, springt op en zwaait het onder de springende voeten door weer terug, over het hoofd heen en zo maar verder.
De lengte van het touw is ongeveer goed als je erop gaat staan en als je het strak trekt, moeten je handen net boven je heupen komen. Zowel met een te lang als met een te kort touw gaat het minder makkelijk.

Moeder hoeveel jaar ben ik?
Een, twee, drie, enz. Tot het mis gaat.

Hierbij kunnen de kinderen zelf ervaren hoe ver ze al kunnen komen! En tegelijkertijd wordt het tellen geoefend – en ook tellen moet je a.h.w. ritmisch kunnen.

Een, twee,
kopje thee.
Drie, vier,
glaasje/flesje bier.
Vijf, zes,
kurk op de fles.
Zeven, acht,
soldaat op wacht.
Negen, tien,
heb je (hier de naam van het kind) gezien?
Tien, elf
Dat ben je zelf!!

In, spin, de bocht gaat in
Uit, spuit, de bocht gaat uit!

moeilijker
Nu zijn er altijd wel kinderen die al kunnen touwtjespringen wanneer ze in de 1e klas komen. Die moeten natuurlijk uitgedaagd worden.
Je zou ernaar kunnen streven dat aan het eind van het schooljaar alle kinderen ook de moeilijkere vormen kunnen, maar die kan je ook bewaren voor de 2e klas.

Je zou vanaf hierboven verder kunnen gaan met:

Hetzelfde, maar nu met een tussensprongetje
Hetzelfde, op één been. Links en rechts afwisselen.
Kruis het touw, door je handen over elkaar te houden, en spring:

Met gekruiste armen
Leentje leerde Lotje (kruis) lopen.
Langs de lange Linde (kruis) laan.
Maar toen Lotje Leerde (kruis) lopen.
Is ze maar
Naar huis (kruis) gegaan.

De dubbele
Een kind springt alleen op de gewone manier. Op een gegeven moment draait het het touw bliksemsnel rond, zodat het touw twee keer onder de voeten draait, terwijl het maar één keer opspringt.

In de (dubbele) wei,
Lag één (dubbele) ei,
Van pa (dubbele) pier,
Tiere (dubbele) lier!
Eén, twéé… (dubbele)

Edelman (dubbele) Bedelman (dubbele)
Dokter (dubbele) Pastoor (dubbele)
Koning (dubbele) Keizer (dubbele)
Schuttermajoor (dubbele).

De naam of de titel waar de ‘dubbele’ mislukt, geeft aan, wat het kind is, en welke titel het dus mag dragen.

Uiteraard kunnen deze ook zonder ‘dubbele’. En de andere kunnen weer met een dubbele, bv. alleen op bepaalde plaatsen. Laat de kinderen zelf de variaties bedenken en uitvoeren.
SAMEN: IN-SPRINGEN – INLOPEN
Veel versjes kunnen ook gebruikt worden wanneer de kinderen in-springen: d.w.z. met een lang touw, gedraaid door 2 kinderen.

Om dit te oefenen kun je spelen:

Hogertje
Twee kinderen houden het springtouw bij de uiteinden losjes vast, terwijl het touw op de grond ligt.
De andere kinderen springen om beurten over het touw heen. Als ieder kind over het touw gesprongen is, strekken de twee kinderen die aan de uiteinden staan het touw een beetje, zodat het nu ongeveer 10 centimeter van de grond is. Weer springen alle kinderen beurtelings over het touw heen.
Weer gaat het touw iets hoger, en weer springen alle kinderen.
Wie het hoogste springt is de winnaar of winnares van dit spelletje.

Het touw moet steeds los vastgehouden worden, om valpartijen te voorkomen.

Slingertje slangertje
Weer staan twee kinderen aan de uiteinden van het touw en laten het touw langzaam van links naar rechts schommelen.
Een van de andere kinderen staat voor het touw en springt steeds omhoog, als het touw tegen zijn benen dreigt te komen.
Dit herhaalt zich, tot het sprongetje mislukt, waarop dit kind dan een van de ‘slingeraars’ gaat aflossen.

Twee kinderen houden het touw vast, dat op de grond ligt. Een kind staat midden achter het touw. De twee kinderen slaan het touw nu met een boog over het hoofd van het middelste kind heen, dat opspringt opdat het touw vrij kan doordraaien.

Bij iedere sprong wordt geteld, één, twéé, drie enz.

Als het mislukt, mag het kind het overdoen, maar nu moet het voor het touw gaan staan en draaien de kinderen aan de uiteinden het touw in tegenovergestelde richting.
Is het kind weer af, dan moet het een van de draaiers aflossen.

Twee draaiers houden een lang touw aan de beide uiteinden vast en laten het ronddraaien. De andere kinderen staan achter elkaar op een rij achter een van de draaiers.
Terwijl het touw ronddraait loopt één uit de rij onder het touw, zodra dit in de lucht is, en springt drie keer, terwijl allen hardop tellen. Bij drie’ springt het kind uit het touw, en wordt onmiddellijk opgevolgd door een ander. Dat gaat zo door, tot iedereen z’n beurt heeft gehad.

Op dezelfde manier springen, dus met inlopen. Maar nu opgelet! Het kind dat inspringt, telt één, en bij twéé moet de volgende samen met de eerste springen en op drie! springt het eerste kind uit de bocht.
Het tellen begint nu opnieuw, en bij ‘twee’ moet het volgende kind inlopen, terwijl bij ‘drie’ de laatst ingelopene alleen springt. Wéér wordt geteld één, en bij twéé is de volgende al weer in het touw.
Zo gaan we door, tot alle kinderen een keer hebben gesprongen.

Bij het inlopen met de hele klas, bestaat het gevaar dat de kinderen te lang moeten wachten in de rij. Dan kan de stemming wat minder worden. Je kunt dus met meerdere lange touwen ook meer groepjes maken.
Minimaal heb je hier bv. 4 kinderen nodig: 2 draaiers en 2 springers.

Het kind dat springt, terwijl twee anderen het springtouw ronddraaien, zingt:

In spin, Mieke kom in
(nu moet het vriendinnetje Mieke inlopen)
Uit spuit (Mieke springt mee)
Mieke gaat uit. (Mieke loopt uit)

Als er meer kinderen zijn, gaat dit gaat zo door, tot ze allemaal geroepen zijn.

Iets moeilijker is het volgende:
Neem aan, dat het kind dat springt Joost heet. Die zingt dan:

In spin, Marietje kom in (Marietje loopt in)
Uit spuit (Joost en Marietje springen samen)
Joost gaat uit. (Joost loopt uit)

Nu gaat Marietje weer verder en roept het volgende kind.

Spelen 3 kinderen, dan kan bv. dit:

Rood wit blauw
Drie kinderen krijgen ieder de naam van een kleur, dus Rood, Wit, Blauw.
Twee van de kinderen, Rood en Blauw, draaien het touw, terwijl Wit mag springen.
Nu wordt steeds gezongen: ‘Rood, Wit, Blauw’, terwijl ‘Wit’ springt.
Op een gegeven moment mislukt de sprong van Wit, juist op het moment, dat bijvoorbeeld ‘Rood’ gezongen wordt. Dan moet Wit draaien en mag Rood gaan springen. Dit gaat zo door, tot ook dit meisje weer af is, en de kleur waarop zij zich heeft vergist wijst dan de volgende springster weer aan.

SPRINGVERSJES

Koekoek, zeg mij toch,
hoeveel jaren leef ik nog?
Een, twee, drie, tot je af bent
(ook als liedje)

Kleine Jan zat op de brug
Met zijn handen op z’n rug
En een pijpje in zijn mond
Draait hij drie maal in het rond.

Asman moet de ketel schuren
Midden in de nacht om twaalf uren
Asman dit, asman dat,
Asman krijgt met de ketel voor z!n gat.

Oesje Kadoesje
Wat heb je in je zak
Flesje jenever
Pruimpje tabak.

Zo gezegd zo gedaan
En naar huis toe gegaan
Kopje koffie gezet
Met een stukje banket.

Ik heb mijn vrijer op zien gaan
Al in een luchtballon
En als het touwtje breekt
Dan komt hij nooit weerom.

Ik heb een jasje gekocht
Naar de lommerd gebrocht
Voor een stuiver of tien
Laat je briefje eens zien?

Rosalinda ging uit wandl’en
En ze nam haar zusje mee
En toen ging ze al op de bergen
En ze liet haar zusje alleen.

Hoog op de klompen
Buurman is zo dronken
Lieve Griet,
zeg het niet
Buurman is zo dronken niet.

Kies kom maar in
Ik kies: (Jopie) tot vriendin
En zie daar juffrouw
Nu verlaat ik jou
Dag juffrouw.

Rode kersen lust ik graag
Zwarte nog veel liever
Meisjes zoenen doe ik graag
Jongens nog veel liever
Drie maal in de rondte
Drie maal drie is negen
Ik kom een meisje tegen
Vroeg haar toen hoe laat het was
’t Was al hallef negen.    (je kunt hier verder tellen tot het bij de springer misgaat)

Een twee drie vier vijf
De bakker sloeg zijn wijf
Al met een houten hamertje
Boven op zijn kamertje, kamertje, kamertje,
Een twee drie vier vijf
De bakker sloeg zijn wijf

Moeder ’k heb zo’n lieve jongen
Mag hij even boven komen
Nee Griet, zanik niet
Boven komen mag hij niet.
De eerste zoen die ik hem gaf
Viel hij van de trappen af
Van de trappen naar de stoep
Midden in de paardenpoep.

Mama Sjelle
Die kon tellen
Miek van der Laan
Lust geen graan Lust
geen spek
Mieke van der Laan Is hallef gek.

Vis vis gebakken vis 
Die vannacht gevangen is
In het zoute water
Jongen hou je snater
Van je een twee drie.

Sinaasappelen mooie waar
Sinaasappelen bom.
Zeven en een halve centen maar
Sinaasappelen bom.
Wie koopt, wie koopt, wie koopt er van mij?

In de Maasstraat nummer vijf
Daar woont Japie met zijn wijf
Zeven stoelen zonder matten
En een tafel zonder latten
En een potje zonder oor
Zo gaat Japie de wereld door.

Er kwam een meisje van Scheveningen aan 
Hoezee.
Die had een mandje met vis belaan
Hoezee.
Ze riep gewis:
Wie koopt mijn vis
‘k Heb lekkere haring en schellevis
Hoezee, hoezee, hoezee.

Ik ben in geen zes, zeven weken
Bij Simon de Wit geweest
Ik moest er even wezen
Voor een half pondje zeer
Ik zag een doos met flikken
Ik nam er eentje uit
Simon de Wit die zag het
En joeg me de winkel uit.

Jan Toenee, Jan Toenee
Moest een boodschap doen
Jan Toenee, Jan Toenee
Moest een boodschap doen aan zee
Wat zag hij daar
Een aardig meisje
Wat zag hij daar
Een aardig meisje met krullend haar.

Help en hou je vast
Anders kom je in de kast
Rare kast bij vrouw Tup op de hei
Daar verkopen ze rijstebrij
Rijstebrij met krenten
Kost maar zéven centen
Zeven centen is me te duur
O wat smaken die krenten zuur.

’s Avonds na tienen
Waar blijft toch die meid
Die zit in de keuken
Ze naait en ze breit
Voor wie voor wie
Voor m’n zusje,

voor m’n zusje
Voor wie, voor wie
Voor m’n zusje Marie.

k Moest eens aardappelen schillen
Al voor de keukenmeid
Mijn vrijer kwam naar binnen
En raai eens wat die zeit.
Ik lust zo graag een borrel
Ik heb geen centen meer
De tappers zijn gesloten
Het kraantje lekt niet meer.
Kraantje lek, lek, lek.

Gekke Gerrie is mijn naam,
in alle dingen ben ik bekwaam
ln alle delen ben ik geboren,
ik heb mijn ouders vroeg verloren
Als ik sterf dan ben ik dood
Dan stoppen ze me onder de grond
Dan kom ik uit mijn kistje springen
Dan hoor ik alle engeltjes zingen,
Dan spring ik laag, dan spring ik hoog.

Er stond een meisje voor het raam
Wiedewiedewiet Jan Bom.
Haar vrijer die kwam naast haar staan
Wiedewiedewiet Jan Bom.
Kom eens hier lekker dier
’k Zal je zoenen met plezier
Gloria Victoria
Wiedewiedewiet van Bomsasa
Gloria Victoria
Wiedewiedewiet Jan Bom.

Er zijn verschillende versjes waarin je bewegingen zou kunnen doen, zoals hier het ronddraaien. Dat maakt het geheel weer moeilijker.

Zeg ken jij die rare meid
Die met alle jongens vrijt
’s Avonds om een uur of tien
Zit zij in een vliegmachien
En dan gaat zij naar ’t plantsoen
Geven elkaar een dikke zoen
Ik zal zeggen tegen moeder
Dat jij ied’re avond laat
Op het hoekje van de straat
Staat te wachten kwart voor achten
En die jongen is soldaat.

Helder in de kelder
Boter bij de vis
Kaatje doe eens open
Kijk eens wie er is
‘t Is een arm meisje
Om een stukje brood
Laat ze even boven
Anders gaat ze dood
Kaatje ging naar boven
Om een stukje brood
Toen ze weer benee kwam
Was het meisje dood.

Anna zat te wachten
Te wachten op haar man
’s Nachts om twalef uren
Kwam die smeerlap aan
Goeienavond Anna
Goeienavond Jan
Waar ben je gebleven
Dat gaat jou niks an
Anna ging naar boven
Nam een dikke stok
Ging weer naar beneden
Sloeg hem op z’n kop
Jan begon te schreeuwen
Te schreeuwen moord en brand
Toen de buren kwamen
Was er niets aan de hand.

(ook als liedje)

Er was eens een mannetje
Anja Kadee
Er was eens een mannetje
A em a.

Het mannetje koos een vrouwtje
Anja Kadee
Herhaal
A em a

Het mannetje ging uit wandelen
Anja Kadee
enz

Het vrouwtje ging hem achterna

Zeg man je moet de borden wassen enz.

Toen ging de man in ’t venster zitten enz.

Hij likte alle borden schoon enz.

Toen ging zijn vrouw de bezem halen 

De bezem sloeg hem op z’n kop

Toen ging de man de politie halen

Dat ding heeft mij geslagen

Dan moet je hem niet plagen

Kom laten we samen vrede sluiten

Er zijn er natuurlijk nog veel meer en je kunt de kinderen er zelf laten maken.

Kinderspelen en jaargetijden

*[9-1]Leren lezen en het belang van motorisch vaardig zijn
Philia de Vriesover: Leuke spelletjes voor in de vakantie….en ook aan de leer- en leesvoorwaarden van je kind werken, het kan!  n.a.v. het boek van Marijke van Vuure: dyslectie en touwtjespringen; het belang van eerst motorisch ‘klaar’ zijn om te gaan schrijven en lezen.

1e klas: bewegend deel

1e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas – alle beelden

1207-1127

.

.

VRIJESCHOOL – 2e klas – hinkelen

..

Zoals het bikkelen niet per se voorbehouden is aan de 1e klas, maar door de verschillende moeilijkheidsgraden ook in hogere klassen gespeeld kan worden, zo is ook het hinkelen in de 1e of de 3e mogelijk.

Hinkelen is een oud spel, bij de Romeinen ‘gespeeld’ door de soldaten om hun voeten te oefenen.

Het is een uitstekend middel om te ‘incarneren’, d.w.z. al je aandacht gaat naar je voeten – die moet je leren beheersen, daarin of daarmee moet je heer en meester worden -.: tot het je ‘onderdanen’ zijn.
Veel kinderen in de 1e klas zijn nog lang niet thuis in hun voeten. Loop klassikaal eens een getallenrij en je ziet dat het klappen in een ander ritme gaat dan de voeten die bij sommigen nog voor spek en bonen meedoen.

Hinkelen is bij uitstek het spel om met je hele lijf wakker te worden.

Op een echte vrijeschool zal het dan ook in het bewegend deel van tijd tot tijd intensief worden beoefend.

HINKELEN
Met krijt wordt op de grond een ‘hinkelbaan’ getekend, of, wanneer we aan het strand zijn, met een stok in het zand getrokken.
Een hinkelbaan bestaat uit een aantal vakken, waarvan de nummers, die in de vakken worden geschreven, elkaar opvolgen.
De meest eenvoudige vorm van een hinkelbaan is de onderstaande:

hinkelen-1

De baan moet ongeveer 1 m breed zijn; de vakken ongeveer 50 cm diep.

Een kind gooit een steentje in het eerste vak.
Dan gaat het kind ‘hinkelen’, d.w.z. het springt op één voet ook in het eerste vak. Steeds op één voet staand, schopt het kind het steentje met dezelfde voet, in vak nummer 2.
Dit gaat op dezelfde manier verder, steeds één vak tegelijk, tot de rust is bereikt. Hier mag de andere voet op de grond worden gezet om even te rusten.
Na het rusten gaat het kind weer op één voet staan, bukt, raapt het steentje op en hinkelt met het steentje in de hand terug naar het eerste vak.

Komt het kind met de andere voet op de grond, raakt het met de hinkelvoet een lijn, of wordt het steentje te ver doorgeschopt, dan is het af en komt een van de anderen aan de beurt.

Op dezelfde baan kan ook op onderstaande wijze gehinkeld worden:

Een kind gooit het steentje op vak 1, spring: op één voet in dit vak, pakt staande op de ene voet het steentje in de hand, en springt verder zonder rusten en zonder lijnen te raken naar de ‘rust’.
Op het andere been springen we weer terug. vak voor vak.
Nu gooit hetzelfde kind haar steentje op vak nummer 2, en springt in één keer naar nummer 2, terwijl ze vak 1 overslaat. Ze bukt weer, pakt het steentje, en springt dan achtereenvolgens via 3, 4, 5, naar de rust, en hinkelt op haar andere been terug.
Dan gooit ze de steen op vak drie. Ze springt via vak 1 naar vak 2, en moet vak 3, dus het vak waar het steentje nu ligt, overslaan. Ze springt dus ineens naar vak 4, pakt het steentje uit vak 3 (denk erom: steeds op één voet staan!) en hinkelt verder.
Op Rust aangekomen, hinkelt ze op het andere been terug.

Dit herhaalt zich, tot ze tenslotte alle vakken een keer heeft overgeslagen.

hinkelen-2

Het huis met zijn verschillende vertrekken en de zolder wordt op het speelterrein getekend.
Het kind gooit haar hinkelsteentje in de kelder (1). Dan springt ze ook op haar ene been in vak 1, en schopt dan met dezelfde voet het seentje naar vak 2; springt dan ook in vak 2, schopt het steentje zo naar 3 en op dezelfde manier komt het in 4 terecht. Van vak 4 niet naar 5, maar ineens naar het vak dat er tegenover ligt, dus vak 7. We zijn nu in de bovenste verdieping van het huis terecht gekomen, waar de kinderen in kleine kamertjes slapen. We moeten nu eerst voorzichtig gaan kijken, voor we naar de zolder, nummer 8, mogen.

De kinderkamertjes worden als volgt bezocht:

1. rechtervoet in vak 5, linker in vak 6.
2. rechtervoet in vak 7, linker in vak 4.
3. rechtervoet in vak 6, linker in vak 5.
4.rechtervoet in vak 4, linker in vak 7.
5. rechtervoet in vak 5, linker in vak 6.

Heeft het op deze manier alle kinderkamers bezocht – natuurlijk steeds op één been – dan mag het het steentje dat nog rustig in het zevende vak ligt, naar de zolder schoppen. Daar mag ze uitrusten en op dezelfde manier gaat ze weer naar beneden.

Het is nu de kunst, om boven op de zolder te komen, zonder de kinderen wakker te maken. Alle kinderen die meespelen, staan om het huis heen, en zijn zo stil als een muis. Zodra nu een fout gemaakt wordt, bijvoorbeeld als het steentje te ver wordt doorgeschopt, of wanneer een der krijtlijnen wordt geraakt, imiteren de omstanders huilende baby’s. De kinderen op de kamertjes 4, 5, 6 en 7 zijn wakker geworden, en het volgende hinkelaartje is aan de beurt.

hinkelen-3

Het is de bedoeling dat alle kinderen om beurten door bovenstaande figuur, die op de grond is getekend, hinkelen. In het midden mag worden uitgerust en van daar gaat de reis terug naar het beginpunt. Vanzelfsprekend mag ook hier de andere voet de grond niet raken en ook mag geen enkele lijn tijdens het springen door de voet worden aangeraakt.
Wanneer de heen- en terugreis zonder fouten is uitgevoerd, mag het kind dat de reis heeft volbracht, in een van de vakken zijn naamschrijven. In elk vak mag maar één naam worden geschreven. Wanneer tenslotte alle vakken van een naam zijn voorzien, is het spelletje uit. Het kind wiens naam het meest voorkomt in het figuur, is de kampioen.

Zie voor de betekenis van de spiraalvorm een uitleg

hinkelen-4

Op bovenstaande hinkelbaan wordt zonder steentje gesprongen, volgens deze voorschriften:

Eerste sprong:
Op één been op vak 1.

Tweede sprong:
Op één been op vak 2.

Derde sprong:
Eén been in vak 3 en één been in vak 4. Tijdens het springen omdraaien.

Vierde sprong:
Naar 5 op één been.

Vijfde sprong:
Tijdens de sprong omdraaien en nu met één been op 6 en één op 7.

Zesde sprong:
Naar vak 8 op één been.

Zevende sprong:
Naar 9 op twee benen.

Met dezelfde sprongen gaan we nu terug naar 1, om dan weer naar 9 te springen. Dan mogen we ook op vak 10 komen, op één been, en de tocht is volbracht.

We tekenen nu een ladder op de grond, volgens onderstaand voorbeeld:

hinkelen-5

Een steentje wordt in vak 1 gegooid en het kind dat aan de beurt is, springt het na. Dan schopt het het steentje met dezelfde voet, waarop het staat, naar vak 2, dan naar 3 enzovoort, tot het op vak 10 aangekomen, de ladder weer is afgedaald. Als het steentje buiten de ladder terecht komt, is de hinkelaar(ster) af.

Schopt het het steentje per ongeluk een vak te ver, dan mag het doorspringen, maar moet het met het steentjeschoppen overgeslagen vak eveneens met de sprong overslaan. Raakt het één van de lijnen, dan is het ook af.

hinkelen-6

Op deze hinkelbaan moet alles op één been. Op X 8 X mag gerust worden.

hinkelen-7

Moet het hinkelsteentje op 8 of 9 worden gegooid en komt het toevallig in HEMEL dan mag opnieuw gegooid worden.
Komt het in HEL, dan moet het kind een keer zijn beurt voorbij laten gaan.

Nog een hemel en hel:

Dit spel kan gespeeld worden met 1 tot 5 kinderen. Men tekent een hinkelbaan op de stenen of trekt hem met een stokje in de aarde. Het eerste kind staat in “start” en gooit een steentje in vak 1; dan springt het over vak 1 op de vakken 2 en 3, zet een voet in vak 4, springt in de vakken 5 en 6 enz. In elk vak mag hij maar met één been staan. Wanneer het kind in de vakken 8 en 9 staat draait het zich om, hinkelt terug, pakt vanuit de vakken 2 en 3 het steentje op en springt over vak 1 terug in start. Als vak 2 aan de beurt is, hinkelt het kind op één been door de vakken 1, 3 en 4; in de vakken 5 en 6 mag het weer beide benen neerzetten, nl. het rechterbeen in vak 6 en het linkerbeen in vak 5 enz. Wanneer een kind het steentje buiten het vak of op de lijn gooit of wanneer een kind op een lijn staat met hand of voet, is het af. De volgende is dan aan de beurt. Als de eerste weer aan de beurt is, gaat, hij verder met het vak waar hij gebleven was. Bij de vakken hemel en hel moet de speler het steentje oppakken vanuit de vakken 8 en 9 en wel nadat hij zich al heeft omgedraaid. Als een kind alle vakken gehinkeld heeft, mag het een vak uitzoeken en daar zijn naam in zetten; voortaan mag het in dat vak met beide -benen staan, en ook op de lijnen van dat vak. De anderen mogen echter helemaal niet meer op dat vak komen. Als een kind een eigen vak heeft, moet het voortaan bij het gooien de ogen sluiten.

Variaties:

Het kind hinkelt alles op één been. Het moet de vakken 2,3 5,6 en 8,9 dus achter elkaar hinkelen en niet meer tegelijk.

Steentje in vak 1 gooien: op één been in dat vak.

Steentje in vak 1 gooien. Op één been in dat vak springen, steentje pakken en terug. Steentje in vak 2 gooien, via vak 1 in vak 2 hinkelen, steentje pakken en terug enz.

Steentje in vak 1 gooien en hinkelend naar vak 2 schoppen, naar vak 3 enz. en terug.

Steentje op de voet leggen, op de andere voet alle vakken doorhinkelen en terug.

Steentje in de knieholte klemmen, op het andere been alle vakken doorhinkelen en terug.

Hinkelliedjes

Hinkelbaan hinkelbaan
Vrolijk in ’t rond
Wie niet kan hinkelen
Wie niet kan hinkelen
Wie niet kan hinkelen
Is niet gezond.

Hinkel de pinkel
Daar komen wij aan
Wij hebben geen kousjes of schoentjes meer aan
Zet je handen op je rug
Hinkel de pinkel
Kom nu maar terug.

0-0-0

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is hinkelen-9.jpg

Met een stok of een stuk krijt teken je op de grond een zogenaamde Bulgaarse hinkelbaan zoals je op de tekening kunt zien.
Je neemt een plat steentje, gooit dat in het eerste vak en springt er met één been in. Dan pakje het steentje op en hinkelt terug. Hetzelfde doe je met de andere acht vakken. In de vakken 4 en 5 en in 7 en 8 mag je op de terugweg op twee benen gaan staan. Als je een fout maakt, moet je weer van voren af aan beginnen.

Als je de hinkelbaan op deze manier hebt ‘overwonnen’ kun je er allerlei variaties bij bedenken. Zo kun je hinkelen terwijl je het steentje voor op je schoen legt. Je kunt het steentje ook op je hoofd leggen of op je opgetrokken knie. Ook kun je eens proberen met je ogen dicht te hinkelen. Er zijn talloze mogelijkheden.

.

meer   en  meer
1e klas:  bewegend deel    kringspelen  lichaamsoriëntatie

VRIJESCHOOL in beeld: 2e klas – alle beelden

1206-1126

.

VRIJESCHOOL – 1e klas – bikkelen

,
Het bikkelspel dat hier wordt beschreven is niet eenvoudig en kan dan ook zeker nog in hogere klassen worden gedaan.
Als leekracht moet je het zelf ook wel kunnen, maar vooral de regels kennen.

Bewegen is een ruim begrip. Een echte vrijeschool heeft aan het begin van de dag in de lagere klassen een ‘bewegend deel’.

‘Door beweging van de ledematen worden de hoofdkrachten gewekt’. Vandaar ‘lopend, klappend’ leren rekenen; het jongere kind is nog een wilswezen en dat drukt zich uit in de behoefte aan beweging.
Die bewegingen leiden – mits geoefend – tot behendigheid – de handen leren en Rudolf Steiner wees al op het belang van het ‘handwerk’ voor de vorming van de intelligentie, wat het hersenonderzoek in deze tijd bevestigt.
O.a. de vingerspelletjes vallen eronder, maar ook de kringspelen, en hinkelen.

Een weinig gespeeld spel is bikkelen, ten onrechte, want het vraagt heel veel coördinatie en is dus een uitstekend spelletje om kinderen bewuster te maken in/ van hun handen.

Bikkelen met kiezels of dobbelstenen
Spelletjes en trucs zijn een leuke bezigheid, ook tijdens vakantie. Ieder land kent hierbij zijn eigen traditie. Van­daag bikkelen.

Bikkelen is een heel oud spel. Het werd al gespeeld in het oude Griekenland en door de Romeinen, nog voordat het dobbelen was uitgevonden. Daarna is het over de hele we­reld verspreid en ook nu wordt het nog tot in alle windhoeken gespeeld. Veel heb je er niet voor nodig. Maar omdat het vooral een behendigheidsspel is, is de keuze van het materiaal wél belangrijk. De oude Grieken speelden bikkelen met dierenbotjes, maar kiezeltjes of dobbelstenen liggen nu meer voor de hand. Elke speler heeft er vijf nodig maar één setje is ook voldoende, omdat je om de beurt speelt.

Je kunt bikkelen met zoveel personen als je wilt. Degene die begint probeert eerst te ’enen’. Je gooit de vijf ‘bik­kels’ op de grond. Daarna zoek je er één uit. Dat is je bikkelboer. Deze gooi je nu in de lucht. Intussen pak je één voor één de andere bikkels van de grond en vangt direct daarna je bikkelboer op in de­zelfde hand. Lukt dit? Dan mag je door. Laat je een bik­kel vallen, vang je de bikkel­boer niet op of verschuif je een van de bikkels op de grond, dan is je beurt voorbij en mag de volgende.

Als het je is gelukt om te ’enen’ dan kun je gaan ‘tweeën’. Dat komt op hetzelf­de neer, alleen moet je nu, nadat je bikkelboer de lucht in is gegooid, twéé bikkels van de grond pakken. Als dat ook is gelukt, kun je (je snapt het al) ook gaan ‘drieën’ en ‘vieren’. Wie daarin het eerst is geslaagd, is de winnaar.

Er zijn nog allerlei varianten op het bikkelspel. Daarbij mag je bijvoorbeeld maar één hand gebruiken en de andere steeds plat op de grond hou­den. Of je moet je bikkels, in plaats van ze op te pakken, ( steeds met duim en wijsvin­ger in een kuiltje schuiven. Het is niet moeilijk om zelf ook nog wat nieuwe regels te verzinnen. Dat maakt het spel alleen maar spannender én leuker.
(bron onbekend)

En onderhield met bikkel en bonket
De kinderlijke wet
En rolde en greep op ’t springend elpenbeen
De beentjes van den steen
En had dit soete leven
Voor geld noch goed gegeven.
                                                                                        (Vondel)

Bikkelen is een van de gezelligste en spannendste behendigheidsspelen. Het kan alleen, en metz’n tweeën of drieën of meer worden gedaan.

Om beurten of tegelijk, om het even! Het blijft altijd attractief, spannend en prettig voor de spelers, en niet alleen voor de spelers zélf, maar ook voor de toekijkers!

Het loont de moeite dit – we kunnen wel zeggen: geheel vergeten – spel te leren en het in ere te herstellen.

Het bikkelen vraagt erom en … het verdient het!

Het bikkelspel wordt gespeeld met vier bikkels, en zelfs met vijf, en een grote marmeren stuiter of een balletje.

Bikkels zijn kleine beentjes uit de knie van een schaap of geit. Vroeger, toen het spel nog algemeen werd beoefend, hebben speelgoedfabrikanten namaakbikkels gefabriceerd, maar deze speelgoedbikkels hebben het moeten afleggen tegen de ‘echte’, die een mooier geluid gaven bij het neervallen, en ook vaak veel mooier van vorm waren, dan de loden of koperen bikkels die in de handel werden gebracht.

De bikkels werden in mooie helle kleuren beschilderd, en het spel werd gespeeld op een hardstenen (blauwe) stoep.

De bikkel heeft:
1. Een bolle bovenkant.
2. Een ingezonken onderkant.
3. Een platte zijkant.
4. Een platte zijkant.

Voor de verschillende kanten van de bikkel vinden we ook verschillende namen.
We onderscheiden: Pakkers, Leggers, Staanders, Ruggers.
Ook wel: Putters, Bolgers, Staanders en Ströns.

Een manier om te bikkelen is deze:
Neem vier (of vijf) bikkels in de linkerhand en het balletje of de knikker in de rechterhand (of andersom als je links bent) Gooi de bikkels in één worp op de stoep, maar zonder de stoep met de linkerhand aan te raken. Zorg ervoor, de bikkeltjes niet te ver uit elkaar te gooien, maar let er tegelijkertijd op, dat ze ook niet al te dicht bij elkaar komen te liggen. Dat is erg belangrijk, want bij het keren of zetten van de bikkels met de linkerhand mogen de andere bikkels niet door die hand worden aangeraakt, anders is men af.
De bikkels zijn dus nu op de stoep geworpen. Nu vallen ze natuurlijk in verschillende standen. Stel je voor, er liggen twee bikkeltjes met het kuiltje en drie met een boogje naar beneden. Nu moeten eerst alle bikkels met het kuiltje naar boven komen te liggen. Dit gebeurt steeds met één opworp en ondertussen keert de linkerhand de bikkels één voor één met kuiltje naar boven.

Gooi de knikker, of het balletje omhoog, laat hem stuiten en bij iedere opworp wordt één bikkel in de linkerhand genomen, tot ze tenslotte allemaal in die linkerhand zitten.
Alles wordt nu weer op de stoep geworpen, en nu moeten ze per worp alle vijf in één keer in de linkerhand opgenomen.
Dit herhaalt zich steeds, maar nu met de andere bikkelfiguren.
Vier bikkels worden in de hand genomen, en het balletje of de stuiter tussen duim en wijsvinger.
De bal wordt omhooggegooid, moet één keer stuiten, terwijl men de bikkels neerlegt en de bal weer vangt met dezelfde hand.

Nu wordt met vier figuren gespeeld:
1. Een voor een bij iedere stuit één bikkel opnemen en bij de vierde stuit alle bikkels weer laten vallen.
2. In één stuit twee opnemen en neerleggen.
3. In één stuit drie opnemen en drie neerleggen.
4. In één stuit vier opnemen en vier neerleggen.

Dan één voor één de bikkels in dezelfde stand keren.

Dus bij iedere stuit van het balletje worden de bikkels op dezelfde manier neergelegd, bijvoorbeeld op die éne kant, waar een gaatje is. Dan de tegenovergestelde kant, dan rechtop met de gladde kant naar boven, dan met de gladde kant naar onder.

Bij elke fout is de speler af en begint bij de volgende beurt daar, waar die gebleven is.

Bikkelliedje
Anne de pop
Ik raap er een op
Anne de peer
Ik leg er een neer
Moeder de vlo
Die bijt me zo
Die bijt me zeer
Gooi er maar een bikkeltje neer.

(later)
Gooi er maar twee bikkeltjes neer enz.

Bij gebrek aan bikkels kan een soortgelijk spel worden gespeeld met kleine kiezelsteentjes, die de grootte hebben van een bruine boon.

We gebruiken zes van die kiezeltjes.

Ook dit spel wordt in verschillende onderdelen gespeeld.

Om te beginnen neemt de speler de kiezeltjes in de hand, gooit de steentjes tegelijk op, en moet nu proberen, ze alle zes op de rug van de hand te vangen. Als alle steentjes op de bovenkant van de hand blijven liggen, kan het spel beginnen.

1. Alle steentjes worden in de hand genomen en op de grond of op de tafel neergegooid, en wel zo, dat ze een beetje uit elkaar rollen. Een van de kiezeltjes wordt nu in de hand genomen en omhooggegooid, en dezelfde hand neemt nu bliksemsnel een van de overgebleven steentjes van de tafel, en vangt het omhooggegooide steentje weer op.

Wéér gaat er één kiezelsteentje de lucht in, en weer wordt er een van de tafel opgeraapt, terwijl dezelfde hand het opgegooide steentje vangt. Dit gaat zo door, tot alle zes de kiezelsteentjes in de hand zijn. Dan worden de steentjes weer neergegooid en het spelletje herhaalt zich, met dien verstande, dat nu steeds twee steentjes moeten worden opgenomen, dan twee en drie, dan vier en een, en tenslotte alle vijf tegelijk. En dat alles tussen het opgooien en weer vangen van het ene steentje!

2. Alle steentjes, dus zes, zijn in de hand. Een ervan wordt omhoog gegooid en voordat het weer wordt opgevangen moet één kiezeltje in de andere hand worden gelegd.

Dat gaat zo door, tot alle steentjes in de andere hand zijn.

3. Alle steentjes zitten in de hand. Een ervan vliegt omhoog en wordt op de handrug opgevangen. Dan vliegen er twee, dan drie en tenslotte alle zes.

meer

1205-1125

.

.

VRIJESCHOOL – lagere klassen – aftelversjes

.

We beseffen soms niet hoe belangrijk ze zijn: aftelversjes.

Het kleinste kind, zodra het zitten kan, vindt het heerlijk om ze te doen. Hier bewijzen ze hun grote waarde al: een ander moet ze met je doen: een noodzakelijke sociale verhouding!; er wordt gesproken en bewogen, in herhaling en ritmisch: alle noodzakelijke ingrediënten voor de ontwikkeling.

Maar ook later, wanneer de kinderen een spel spelen waarbij iemand ‘hem’ moet zijn. Het lot beslist! Na verloop van tijd kennen de meeste kinderen er wel een paar.

Soms loop je op het plein, tijdens een pauzewacht. Wanneer er zich een situatie voordoet waarbij het even niet goed gaat tussen een aantal kinderen, kun je als leerkracht ineens met een spelletje aankomen om iedereen weer in de goede stemming te laten komen en dan moet je als leerkracht wel een paar aftelversjes uit het hoofd kennen.

Uiteraard ook voor spelletjes in je klas.

Hier volgen er een aantal – je voelt wel aan welke geschikt zijn voor jouw kinderen.

AFTELVERSJES
Onder de gebruikelijke aftelrijmpjes vinden wij er verscheidene, die overblijfsels of verbasteringen zijn van oude handels- en rechtsformules. Zoals nu nog op de markt de koop van een stuk vee gesloten wordt door een flinke handslag, zo werden in de tijd dat er nog geen notarissen waren, de verkopen alle op handslag afgemaakt, waarbij soms een kleine attentie toe gegegeven werd ’voor contante betaling’!

Een handdruk bevestigt de afspraak, letterlijk: want daarmee worden de persoonlijke uitstralingen met elkaar verbonden. ’Je hand er op geven’ kan bovendien nog betekenen: ’als ik mij aan deze afspraak of verplichting zou onttrekken, mag je mijn hand afslaan!’

Dit hand afslaan, waardoor het slachtoffer machteloos wordt, vinden wij bijvoorbeeld terug in die aftelversjes (o.a. olke bolke, Hou óp je hand!) waarbij de kinderen hun twee vuisten voor zich uit houden, die in het ritme van het versje worden aangeraakt met de vuist van de afteller – de laatste lettergreep slaat de vuist af en wie beide vuisten kwijt is, doet aan het aftellen niet meer mee. Wie het laatst over blijft, ’is hem’. Wie is die ’hem’? Het is altijd de machtige, hoog met kracht geladen persoon, die weliswaar erop uit moet om de anderen te vangen, te onderwerpen, maar dat is zijn ‘noblesse oblige’, zijn vorstelijke verplichting om zijn kracht en macht te bewijzen!

Ook bij de huwelijksinzegening werd bij de oude germancn de handslag gegeven, en daaraan werd een reidans verbonden, waarvan is overgebleven het versje: ‘Ik heb mijn geld op hopen gesteld’. [1]

1)
HOU OP JE HAND
Hou op je hand,
ik zal je verkopen een groot stuk land!
Land, zand,
huis, hof, vullis en stof,
kalf en koe,
en een klein, klein kiezeltje toe!

2)
HANDJE PLAK
Handje Plak,
ga naar de markt!
Koop een koe,
een stukje toe;
een stukje van de longen
voor de zieke jongen,
een stukje van de pens
voor het zieke mens,
een stukje van de lever
voor de zieke wever –
kiele kiele kiele!

3)
OLKE BOLKE
Olke bolke rubisolke
olke bolke knol!

(Op knol! wordt de vuist weggeslagen. Men herhaalt tot er nog maar één vuist overgebleven is.)

Soms aangevuyld met:
Iele tjille
Tieke tjille
Iele tjille,
Tjol.

4)
IK HEB MIJN GELD
Ik heb mijn gel
op hopen gesteld,
gestapeld op elkander;
ik hem mijn liefje een ring beloofd,
een ring met diamanten!
Ziehier schone jonkvrouw:
hier heb je mijn hand van trouw,
en daarbij zoen ik jou!

5)
IENE MIENE MUTTE
Iene miene mutte,
tien pond grutte,
tien pond kaas,
iene miene mutte is de baas!

Dit versje is afkomstig van het keltische tellen: eena, meena, mina, mo (op z’n engels uitgesproken), dat de schaapherders in sommige afgelegen streken van Engeland nog gebruiken bij het tellen van hun schapen.

De oudere kinderen zijn kennelijk niet tevreden met deze korte versie en hebben het versje op alle mogelijke manieren langer gemaakt:

‘maar dat gaat niet door,
wees jij hem dan maar hoor!’
enz.

Wil je ’t niet geloven
Klim naar boven
Klim in de mast
lene miene mutte,
Is hem vast.

6)
ONDER DE BRUG
Onder de brug, daar ligt een muis –
is meneer de Wit ook thuis?
Nee, meneer is uitgegaan,
raad eens wie hij tegen kwam?
Tien ijzeren mannen,
tien potten en pannen,
tien kinderen zonder ziel,
hun ziel was in de hemel —
een boterham met zemel,
een boterham met kaas –
jij bent de baas!

7)
AA ,EF, AF
Aa, Ef, Af,
Meel en staf, koffiedik,
af ben ik.

8)
IE, WIE
Ie, wie,
Waai, weg!

9)
EEN TWEE DRIE VIER VIJF ZES ZEVEN
Een twee drie vier vijf zes zeven
Antje met haar neusje kwam ik tegen
Op het ouwe bruggetje
Pijp in de zak
Doedel in de zak
’k Wou dat het maar kermis was.
Kermis wou niet duren
Toen ging ik naar de buren
De buren waren niet thuis
Toen ging ik naar ’t stadhuis
Stadhuis dat was gesloten
Toen ging ik naar de poorten
De poorten waren toe
Toen ging ik naar de koe
De koe die wou me schoppen
Toen ging ik naar de poppen
De poppen wou-en me slaan
Toen ging ik naar de maan
De maan die was zo glad
Toen viel ik op m’n gat!

10)
ONDER DE BRUG BIJ ANKE FRANKE
Onder de brug bij Anke Franke
Daar verkoopt men eikenhout
Maar dat hout dat wil niet branden
Mensen mensen wat een schande
Mensen mensen wat verdriet
Koop bij Anke Franke niet.

De afteller vraagt, terwijl hij z’n vuisten om elkaar heen draait:

11)
ROMMELDEBOM, HOEVEEL
‘Rommeldebom, hoeveel?’
Een van de kinderen zegt een getal, bijv. 67.
Wij zullen gaan tellen
Met onze gezellen
Van:
tien, twintig, dertig, veertig, vijftig, zestig,
één, twee drie vier vijf zes zeven.

12)
DE BOER BRACHT ZIJN KINDEREN NAAR BED
De boer bracht zijn kinderen naar bed.
Zoet slapen hoor, niet praten hoor.
Hoeveel jaar ben jij?

Het kind dat antwoord geeft op de laatste vraag, moet hem zijn, want de boer heeft imners gezegd: Niet praten)

13)
IK HEB IN DE KRANT GELEZEN
Ik heb in de krant gelezen
Dat jij hem maar moet wezen.
De krant dat is een leugenaar
Dus wees jij hem maar.

14)
IKKE PIKKE PORRETJE
Ikke pikke porretje
De meester heeft een snorretje
De meester heeft een sik
Af ben ik.

15)
IK EN JANTJE
Ik en Jantje zaten in een mandje
Jantje riep: lk ben hem niet.

16)
ONDER DE PIANO
Onder de piano lag een brief
Daar stond op geschreven
Wie het eerste woordje zegt
Moet hem eerlijk wezen.
Wat is jouw vader van zijn vak?

(Het aangewezen kind moet nu door gebaren duidelijk maken, wat zijn vader doet. Is het de ‘afteller’ duidelijk geworden, dan vraagt hij: ‘Timmerman?’ Nu mag het timmermanskind knikken en we tellen nu verder: tim-mer-man. Wie de laatste lettergreep treft, is hem.)

17)
ONEMENONE MENIENE
Onemenone meniene
Tjiepe tjiepe tjiep benzine
Alle eendjes zwemmen in het water
Pief paf, jij bent af.
Ie wie waai weg.

18)
WEG NOCH STEG
Weg noch steg
Waar naar toe?
Naar de koe.
Waar is de koe?
Op het land.
Waar is het land?
In Noord-Brabant.

19.
PEPERMUNTJE PEPERMUNTJE
Peperemuntje peperemuntje
Rol maar weg.
Waar naar toe?
(Het kind dat nu aangewezen wordt noemt een plaats, bijv. Amsterdam.)
Wat voor kleur heeft Amsterdam?
(Een kleur wordt genoemd, bijv. rood.)
Heb jij rood aan je lijf?
(Het kind dat aangewezen werd en geen rood in zijn kleren kan ontdekken ‘is hem’. Heeft het kind wél de gevraagde kleur, dan hoeft hij ‘hem niet te zijn’ en we beginnen weer opnieuw.)

20)
ONDER DE BRUG VAN AKEN
Onder de brug van Aken
Lag een hoopje kak
Juffrouw en haar hondje
Had er in getrapt
Agentje van politie
Had het toen gezien
Nu moet zij betalen
Zeven gulden tien.
1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, – 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 (af).

21)
MIJN VADER ZOU EENS
Mijn vader zou eens een raampje beslaan
Raad eens hoeveel spijkers erin zijn gegaan?
Zonder te liegen en te bedriegen
Hoeveel jaar zijt gij?
ANTWOORD: ACHT.
1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8.

22)
OP HET PUNTJE VAN DE TOREN
Op het puntje van de toren
Is een klein kindje geboren.
Hoe zal dat kindje heten?
Piet of Nel.
Piet dan zijt gij hem lekker niet
Nel dan zijt gij hem lekker wel.

23)
ARRA BINA KOETA RINA
Arra Bina Koeta Rina
Van je Trif Troef Traf
Rrrrrrrrrt Laat de windjes gaan
Arra Bina Koeta Rina
Van je Trif Troef Traf
Ha, die is af.

dit is ook een liedje
(
zoals je ziet wijkt de tekst af)

24)
ONDER DE BRUG VAN AKEN
Onder de brug van Aken
Zat een krokodil
Jantje wou hem pakken
Maar hij beet hem in zijn bil
Jantje pakt een latje
Sloeg hem op zijn gatje
aa-ie-au
Z’n hele gat zag blauw
aa-ie-ij
Jij bent vrij.

25)
IK HAD LAATST
Ik had laatst in de hel gekeken
Alle duvels zaten te eten
Lucifer zat in een hoek
Met een gaatje in zijn broek
Het was niet groot
Het was niet klein.
Het kon toch maar één gaatje zijn.
A, ef, af.

26)
OP DE AMSTELVEENSE WEG
Op de Amstelveense WEG
(aangewezen kind is af)
Stond een rijtje bomen
Al die bomen waaiden WEG
(weer één af)
Van de Amstelveense WEG (zie boven)
Iet wiet waait WEG.

27)
PATER NOSTER
Pater Noster
Sloeg de koster
Zo geweldig op zijn ziel
Dat hij van de trappen viel
Van de trappen op de stoep
Met zijn neus in de paardepoep.

28)
ONZE VADER LAG
Onze Vader lag in ’t water
Kwam Sint Job
Die viel er op.
Kwam Sint Steven
Die viel er neven
Toen kwam het varken met zijn snuit
Die haalde ze er allen weer uit.

29)
MIJNHEER DE APOTHEKER
Mijnheer de apotheker
lk weet het niet zeker
Geef me voor zes en half
’n Potje vlooienzalf
’t Is niet voor mij
Maar voor mijn kameraad
Die buiten aan de deur staat.

30)
O SCHELE APOTHEKER
O schele apotheker
lk weet het wel zeker
Een potje met zalf
Kost twee cent een half
Een potje met smeer
Kost twee centen meer.

31)
IKKE PIKKE PAM
Ikke pïkke pam
De boer die heeft een lam
De boer die heeft een sik
Af ben ik.

32)
ZAGEN ZAGEN
Zagen zagen wielewiele wagen
Jan kwam thuis om een boot’ram te vragen
Vader was niet thuis
Moeder was niet thuis
‘Piep’ zei de muis
ln het voorhuis.

Een liedje
Z
oals zo vaak: in het gebruik is een andere tekst ontstaanL wiedewiede; volgorde vader/moeder

33)
TIKKE TAKKE TOK
Tikke, takke, toK
Wie zat er op de klok?
Dat was een kleine dikke muis
Die vond de klok een aardig huis
Tikke, takke, tok!
Tikke, takke, tok
Twee slagen gaf de klok
En weg was nu de kleine muis
Die vond het in de klok niet pluis
Tikke, takke, tok.

34)
IMPOMPÉ POEDERNÉ
Impompé poederné poeder naska,
Impompé, impompé.
Impompé poederné poeder naska
Impompé
Academie sol fa re
Academie sol fa re
Rom-bom-af.

Een liedje en weer afwijkende tekst

35)
ONDER DE UILEBOMEN
Onder de uilebomen
Daar ligt een Engels schip.
De Fransen zijn gekomen
Zij zijn zo rijk als ik
Zij dragen hoeden met pluimen
Een jas met passement
Een ieder moet zich ruimen
Voor zo’n dikke vent.

36)
EEN ROTTE BOKKING
Eén rotte bokking
Kost maar één rotte cent
Allemaal willen we hebben
Dat jij ’t eerlijk bent.

37)
WIE HET LAATST
Wie het laatste tikje krijgt
Die moet eerlijk zijn
En wie dat niet wil zijn
Die scheidt maar doodeenvoudig uit.

38)
ROTTE PATATTEN
Rotte patatten
Met schele vis
Die eten de boeren
Als ’t kermis is.

39)
IK GING NAAR DE BAKKER
Ik ging naar de bakker
Ik kocht een brood
Ik kreeg er twee zuurtjes
Een wit en een rood
Welke kleur kiest gij
Wit of rood?
Hebt gij rood (wit) aan u?

40)
IENE MIENE MAKKEN
lene miene makken
Oliebollen bakken
Vrouw kookt brij
Af ben jij.

41)
IK EN MIJN NICHTJE
Ik en mijn nichtje
Zwart gezichtje
Heb je soms een hemd voor mij
Nee, zei mijn nichtje
Zwart gezichtje
’k Heb er zelf maar vijf
Twee in de was
Twee in de kas
Een aan mijn lijf
Samen vijf
Ga weg oud wijf
Ie wie waai weg.

42)
DIBBEL DABBELd
Dibbel dabbel dobbel danser
Ik ben de moeder van de Fransen
Dobbel dik
Zeven in de strik
Zeven op de dobbelsteen
Af ben ik.

43)
WEET JE OOK WAAR PUKKIE WOONT
Weet je ook waar Pukkie woont?
Pukkie woont in een straatje.
Pukkie heeft zijn hond verkocht
Voor een chocolaadje.
Chocolaadje is zo duur
Geef me dan een kooltje vuur
Kooltje vuur dat is zo warm
Geef me een klapje op mijn arm
Klap op mijn arm doet zo zeer
Geef me dan mijn hondje weer.

[1] Mellie Uyldert ‘verborgen wijsheid van oude rijmen

peuters en kleuters: alle artikelen

1e klas: alle artikelen

2e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: kleuters    1e klas    2e klas

1202-1122

.

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (30)

.

opspattend grindStaatssecretaris Dekker vindt dat er een einde moet komen aan het ‘doorkleuteren’. Voortaan mogen kinderen bij hoge uitzondering groep 2 overdoen.

Het woord ‘doorkleuteren’ zegt al iets over de manier waarop hij aankijkt tegen groep 1 en 2.

Ik herinner mij maar al te goed de gesprekken die ik voerde, samen met de leerkracht van groep 2, met ouders.

Wij vonden het in een aantal gevallen verstandig als een kind nog een jaartje langer in groep 2 bleef. Ouders waren daar vaak op tegen. “Laat haar nou maar meteen naar groep 3 gaan, dan kan ze daar wel een jaartje blijven zitten.”

Ook daaruit sprak een zeker minachting voor de kleutergroep, terwijl daar juist iets essentieels gebeurt. Als kinderen ‘een beet je leuk spelen in de bouwhoek’, is het kind bezig met ruimtelijk inzicht te ontwikkelen, hetgeen goed van pas komt bij het leren rekenen. Taalpuzzels, voorlezen en spelletjes bereiden het kind voor op het lezen. Samen in de poppenhoek spelen maakt jonge kinderen sociaal vaardiger. Tekenen, schilderen, knutselen helpen de fijne motoriek ontwikkelen en bevorderen de creativiteit. Zo kan ik nog wel even doorgaan. Wanneer er in groep 1 en 2 een stevige basis wordt gelegd, heb je daar tot en met groep 8 plezier van.

Dekker heeft wel gelijk als hij de vraag stelt of een kind nog een héél jaar langer in groep 2 moet blijven. Er zijn scholen die in januari ook kleuters laten instromen in groep 3. Dat lijkt me een betere oplossing, want vaak zijn kinderen dan wel toe aan het ‘echt’ leren lezen en rekenen.

De staatssecretaris pleit ook voor een betere aansluiting met groep 3. Ik dacht meteen: Maar meneer Dekker, we zijn in de jaren zeventig al begonnen groep 3 (toen nog ‘eerste klas’) om te vormen tot speelleerklassen. Waar zijn die gebleven? Het antwoord weet ik ook. Door de doorgeslagen toets- en testcultuur van het laatste decennium gaat het steeds meer om prestaties en steeds minder om vorming, terwijl goed onderwijs mijn inziens een evenwichtige balans is tussen enerzijds kennis vergaren en anderzijds je talenten (in de meest brede betekenis) ontwikkelen. De oude schoolmeester/schrijver Theo Thijssen zei het al honderd jaar geleden: “Ik was de koning en kon ze ieder op hun beurt een gelukkig ogenblik geven, alleen maar door ze te willen zien.”

Een pleidooi om vooral eerst goed te kijken naar kinderen voordat je ze lastig valt mei regeltjes, toetsjes en weetjes.*

*in de krant staat ‘wetjes’

Jacques Vriens, oud-basisschooldirecteur en kinderboekenschrijver, in Trouw 15-09-2016

.

Rudolf Steiner:
(  ) niet eenzijdig uitgaan van die ene eigenschap van de wordende mens, het intellect, maar uitgaan van de mens als geheel. (wegwijzer 89)

Ieder mens is anders, als kind al. (wegwijzer 81)

( ) Uit de kennis van de menselijke levensfasen wordt het juiste leerplan ontwikkeld. Het kind zelf geeft ons aan, als we het werkelijk kunnen waarnemen, wat het op een bepaalde leeftijd wil leren. (wegwijzer 53)

opspattend grind: 5;  16;  29

peuter en kleuters: alle artikelen

spel: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: peuter-kleuterklas

1199-1119

.

.

VRIJESCHOOL – 5e klas – uit het leerplan

.

De kopjes zijn door mij aangebracht.

LEERPLAN VAN DE VIJFDE KLAS

De 5e-klasser
Een grootse adem gaat door het leerplan van de vijfde klas.
De belangstelling voor de buitenwereld wordt mondiaal in de aardrijkskunde en geschiedenis. Maar ook wordt denkend een poging tot benadering van het innerlijk gedaan.
De eerste interesse. voor ontwikkeling, samenhang van binnen- en buitenwereld, begrip voor oorzaak en gevolg, en verschijnselen van het menselijke zieleleven, vragen van leven en dood en andere diepgaande problemen, gaat ontstaan.

Na de psychologische crisis van de vierde klas, samenhangend met het beleven van “Ik en Wereld”, in hun tegengesteldheid, wordt door de vijfdeklasser meestal een zeker evenwicht hervonden. Het kind wordt harmonischer, het voelt een nieuwe zekerheid komen door de begripsmatige benadering van de wereld, die langzaamaan binnen zijn bereik gaat komen. Deze zekerheid geeft innerlijke kracht, zodat het kind weer wat van zichzelf losraakt en het vermogen kan ontwikkelen om waar te nemen, oog te hebben voor “de ander” en “het andere”. Dit wordt dan beleefd als een positieve factor in de eigen ontwikkeling.

Nu, het leerplan biedt veel kansen om oog voor de wereld te hebben.

aardrijkskunde
Ruimtelijk in de aardrijkskunde, die van het economische moet uitgaan. Hoeveel mensen werken voor je om je thee, koffie, brood, boter en suiker op de ontbijttafel. te krijgen?
Landbouwers, veetelers, vervoerders, groot- en kleinhandelaren, het is een kringloop van belangen, die te denken geeft.

Of men wil of niet, men werkt voor elkaarI Het kind, dat zegt “we betalen er toch voor?”, wordt dadelijk gecorrigeerd; als het dan niet door de andere kinderen is, dan toch door het Griekse verhaal van Midas, die moest verhongeren omdat hij de gave had gekregen alles in goud te veranderen, wat hij aanraakte. Deze koning Midas kreeg dan ook ezelsoren!

De “ontbijttafel” leidt al naar Brazilië, Cuba, China, India.
Waar en onder welke omstandigheden groeien koffie, thee, suikerriet, pindanoten? Waarvandaan komt ons graan?

Enfin, machtig interessante dingen! De intelligentie van de vijfdeklasser ontwaakt voor uiterlijke dingen. Wat is geld waard? Wat menselijke arbeid? Wat producten of productiemiddelen? Het kind kan erover denken. Maar nog op
onegoïste wijze.

Nederlandse taal
In de taallessen is het belangrijk te oefenen in spreken en schrijven, hoe je uitdrukt, dat jijzelf iets denkt of zegt, of een ander! Ook is het heel belangrijk mee te leven in de uitdrukkingswijzen van “doen” en “ondergaan”. Het is een heel verschil om mee te leven met de slager of met de koe. Het oefenen van actieve en passieve vormen, van directe en indirecte rede is bijzonder vruchtbaar voor een steeds genuanceerder taalgebruik.

geschiedenis
Ook de geschiedenis begint in de vijfde klas. Evenals de aardrijkskunde is deze geschiedenis mondiaal.
Wereldgeschiedenis dus.
Tienduizend jaar terug gaan in de tijd is niet gering. De IJstijdcatastrofe leidde tot een nieuwe reeks cultuurperioden, waarin ook wij onze plaats hebben. Er worden beelden geschetst van deze culturen: India, Perzië, Egypte en Babylon, Israël, Griekenland en Rome.

Hoe waren die volken? Waar liggen hun landen? Wat heeft hun cultuur bijgedragen tot de ontwikkeling van de mensheid? Welke zijlijnen kunnen getrokken worden naar onze eigen tijd?
Het thema van de ontwikkelingsgedachte, reeds aangeslagen in de derde klas, bij de verhalen uit het Oude Testament, komt nu met zijn causale aspecten onder de aandacht. Geschiedenis heeft een ontwikkelingsrichting.

In de vijfde klas komt in hoofdzaak de mythologie van de Grieken aan de orde.

Maar ook de verhalen van de Hindoes staan ia de belangstelling. Beide mythologiën zijn filosofisch getint.

biologie
In de biologie wordt van dierkunde de overgang gezocht naar plantkunde. De plant heeft een dubbele wetmatigheid; die van een grond-idee, die in de materie gerealiseerd wordt en zich handhaaft, en die van een variabel karakter, dat geheel wordt bepaald door de krachten van de omgeving. De plant in zijn wetmatigheden, zijn metamorfosen en vormveranderingen, is voor het denkende bewustzijn een boeiend wezen, dat ook de mogelijkheid geeft de problemen van onsterfelijkheid, van idee en verschijning, van leven en dood te bespreken. De plant is een levende causaliteit. Het leerplan voor de vijfde klas is een bijzonder aantrekkelijk leerplan, zowel voor de kinderen als voor de leerkracht.

P.C. Veltman, vrijeschool Leiden, nadere gegevens ontbreken

.

5e klas: alle artikelen

.

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas – alle beelden

.

1171-1092

.

.

 

VRIJESCHOOL – Kleuterklas – leerplan en rooster

.

Onderstaand artikel komt uit de broschure ‘Het binnenste buiten’.

Het is een beschrijving van een schoolwerkplan. Het is niet DE beschrijving van wat er in vrijeschoolkleuterklassen gebeur(t)de, toen dit rapport werd geschreven. Maar veel van wat erin staat, vind je ook vandaag in de kleuterklas terug, gefundeerd op dezelfde achtergronden. Per school kan de werkwijze en invulling natuurlijk altijd verschillen.
.

6.2. Schoolwerkplan Rudolf Steiner Kleuterschool Voorschoten

6.2.1 Ritme
De dag
De gang van de ochtend bestaat uit de onderdelen:
Zingen
Tekenen
Vrij spelen
Opruimen
Eten
Vertellen
Buiten spelen

De ochtend begint in rust, in de kring met versjes, liedjes.
Bij het tekenen komt er meer leven in de brouwerij.
De activiteit van de kinderen komt tot een hoogtepunt wanneer ze uitwaaieren in het vrije spel.
Na anderhalf uur komen ze weer bij elkaar van waaruit het opruimen wordt ingezet. Leven en drukte ebben allengs tc weldadige rust af.
Nu kan er gegeten worden en verteld. Tenslotte volgt bij goed weer buitenspel, bij slecht weer komen er kringspelen aan bod. Door een afwisseling van rustige en drukke bezigheden ontstaat er een ritme. Wij spreken wel van een ademproces. De ervaring is, dat bij een goed ritmisch verloop van de ochtend de kinderen nooit doodmoe of’ ‘uit hun huisje’ raken. Integendeel, bij het luisteren naar het verhaal is de hele groep rustig en geconcentreerd.

De week
Naast de bovengenoemde activiteiten is er een ‘tweede’ activiteit van de ochtend, die wisselt volgens een weekritme:

Maandag:     tekenen
Dinsdag:       schilderen
Woensdag:  naar keuze tekenen of vrij spelen
Donderdag: boetseren
Vrijdag:        plakken of knutselen

De dagen van de week worden voor de kinderen op deze wijze meer en meer herkenbaar. Het terugkeren van wekelijks dezelfde soort dag geeft de kinderen rust en vertrouwen.

Het jaar
De loop van het jaar wordt gemarkeerd door de jaarfeesten: Sint-Maarten, Sinterklaas, Kerstmis, Driekoningen, Palmpasen, Pasen, Pinksteren, St.-Jan, die uitgebreid voorbereid en uitbundig gevierd worden. Wanneer men de voorbereidingen, bestaande uit het leren van liederen, het maken van versieringen etc. en het eigenlijke feest ziet, zou men kunnen zeggen dat wij op onze school in plaats van verschillende projecten, verschillende jaarfeesten hebben. Door het beleven van de feesten wordt het kinderleven meer betrokken bij het ritme van het jaar.

6.2.2 Activiteiten
Voor de volgorde van de activiteiten houden we de gang van de dag en van de week aan.

Zingen en spreken met bewegingen, begeleid door lierspel. Dansen. Luisteren naar muziek. Neuriën.
Al in de wieg kraait het kind des te levendiger als de bedrijvigheid in de buurt van zijn wieg gepaard gaat met geluid, met klank of spraak. Wanneer het op de grond kruipt, zingt het mee met zijn moeder, met een vogel binnen of buiten en ook met apparaten zoals bijvoorbeeld de stofzuiger.
Hoewel het geronk van motoren en ander mechanisch gezoem en geratel weinig recht doet de natuurlijke muzikaliteit, ontlokken deze geluiden aan kinderen soms toch een melodieus gezing-zang. Men kan zich de vreugde van kinderen voorstellen wanneer hun de kans gegeven wordt mee te doen met zang, muziek en taal die hen als het ware op het lijf geschreven is.
In de Vrije Kleuterschool zingen we bijvoorbeeld graag pentatonische liederen en spreken we mooiste klankrijkste van de gedichtjes die we maar geschikt achten.

Ontwikkelingsdoelen:
De muzikale vorming van het kind.
De taalontwikkeling.
Ontwikkeling van gevoel voor ritme.
Ontwikkeling van het ritmisch geheugen (niet van het abstract geheugen).
Ontwikkeling van de waarneming van klank in de taal.
Ontwikkeling van het vermogen tot luisteren.
Ontwikkeling van het vermogen mee te doen in groter sociaal verband dan thuis.

Werkwijze:
De ontwikkelingsstof bestaat uit: liederen (pentatonische liederen en volksliedjes), instrumentale melodieën, zangspelen, gedichten, kleuterrijmpjes en kringspelen.
Het zingen, spelen en dansen speelt zich af in de kring rond de leidster. De kinderen bootsen de leidster na, waar bij ze zelf ook variaties toevoegen.
‘Er wordt een liedje gezongen; een herfstliedje. Het vallen van de bladeren wordt met de handen weergegeven. Een meisje bootst de leidster na en laat mooi haar zwevende blaadjes vallen tot ze op een gegeven moment op een brede zonnestraal liggen, die het lokaal in schijnt. Hierop dansen de blaadjes verder en zakken niet meer.’

Belangrijk is de afwisseling van zingen en luisteren, van zacht en luid zingen van zittend in de kring en ronddansen. Belangrijk hierbij is de afwisseling van tempo.
Het liedrepertoire wisselt met de jaarfeesten.

Loop van de ontwikkeling:
Kinderen zijn schoolrijp als ze geheel zelfstandig een liedje kunnen zingen en zich ook een liedje kunnen herinneren. Bij de verjaardag mag het jarige kind altijd een liedje kiezen. Is het kind vijf jaar, dan moet meestal een ander kind een liedje influisteren. Wordt het zes jaar, dan weet het kind zelf een liedje. Het zesjarige kind zingt over het algemeen verstaanbaar, goed gearticuleerd en kan tempoverschillen hanteren.
Wij zingen in de kleuterklas afwisselend langzaam en snel, waarbij grote en kleine gebaren elkaar afwisselen.
Een schoolrijp kind kan dit allemaal volgen. Jongere kinderen haken af en doen weer mee met de grote langzame gebaren.
Hetzelfde geld voor de kringspelen. Moeilijke stappen en sprongen doen de kleintjes op hun eigen manier. De ouderen voeren ze met genot perfect uit.

Tekenen:
Al met anderhalf jaar krast het kind graag op papier. Dit tekenen of krassen zou men een eindprodukt kunnen noemen. De bewegingen die zich in het lichaam afspelen zetten zich voort in de ledematen en komen als ‘bewegingscurven’ op papier te staan.
Vele deskundigen beschrijven stadia die in de eerste kindertekeningen te herkennen zijn.*.

De vroege bewegingscurven zijn sterk leeftijdsgebonden en internationaal hetzelfde. Bij kinderen over de gehele aarde ontdekt men dus rond dezelfde leeftijd dezelfde tekens in het lijnenspel. Geleidelijk aan vinden we in de tekeningen ook elementen uit de waarneming. Toch blijft het tekenen vooral een naar buiten projecteren van hetgeen het kind innerlijk beleeft.

Ontwikkelingsdoelen:
Ontwikkeling van kleur en vormgevoel.
Beheersing van de fijne motoriek.
Individuele ontwikkeling doordat persoonlijke schepping wordt gewaardeerd en doordat het kind deze op den duur ook tussen ander werk herkend.
Verzorging van de tastzin, levenszin, eigen bewegingszin, evenwichtszin, reukzin, smaakzin, gezichtszin warmte-zin.

Werkwijze:
Er is volledige vrijheid. Er wordt nooit een opdracht gegeven.
Op vaste momenten tekenen alle kinderen aan grote tafels. De leidster zit erbij en kijkt en moedigt elk kind aan. Van elk werk zegt ze dat het erg mooi is. Ze tekent zelf niet mee om de kinderen niet te beïnvloeden en van hun eigen impulsen af te leiden.

Materialen:
Bijenwasblokjes in verschillende kleuren. Dit natuurprodukt is totaal niet giftig, ruikt lekker en verwarmt de handen. De kleuren kunnen over elkaar gebruikt worden daar ze doorzichtig zijn. Zwart en paars worden niet gebruikt.
Het papier is mooi en stevig.

Loop van de ontwikkeling:
Doordat het kind geen opdrachten krijgt volgen de tekeningen zijn eigen ontwikkeling. Zowel de pure ‘stroom van binnenuit’ als de ontmoeting met de wereld vinden we in het werk terug.

Dit alles heeft tot resultaat dat het kind als het ongeveer zes jaar is alle vormen tekenen kan die het nodig heeft om straks de lettersymbolen te leren. Te weten:

vormtekening-voor-het-schrijven-2

Deze tekens zijn verwerkt in de tekeningen.

Maar er is meer.

In de wereld van het tekenen onderscheiden wij zeven fasen:

1. Bewegingscurven;
2. de kleuter tekent de hemel: een blauwe hemel met een klein zonnetje;
3. dan verschijnt er een stukje aarde;
4. de zon wint aan kracht en licht;
5. tussen aarde en hemel ontstaat een tussenwereld: de kleuter tekent een huis met bloemen en bomen;
6. de tussenwereld wordt steeds rijker: vogels en vlinders vliegen door de lucht;
7. de tussenwereld wordt eenvoudiger, de rijkdom neemt af.
Dit luidt de nieuwe fase in. Het kind is leerrijp geworden. De laatste is een voorbereiding hierop: de krachten lijken ingehouden te worden, om in de volgende fase een nieuwe bloei te bewerkstelligen.

Vrije spelen:
De baby, de peuter, is een ontroerend actief wezen dat enthousiast wordt wanneer de volwassene zich op liefdevolle wijze met hem bezig houdt. Hetgeen het kind ons tegemoet brengt, uit zich onder meer in de blik, de lach, de beweging.
Dit alles wordt al gauw tot een heerlijk spel, bijvoorbeeld met de eigen handjes bij de baby, in de wieg, waarbij het kind zich verbonden weet met degenen die het verzorgen en vertroetelen. Is het kind tenslotte kleuter geworden dan is zijn speelwereld een gelijkwaardige eigen wereld geworden waarin de elementen van de wereld der volwassenen waartoe het behoort, op verrassende wijze een plaats krijgen.

Ontwikkelingsdoelen:
Zelfvertrouwen.
Beheersing van motoriek.
Oriëntatie in de ruimte.
Ontwikkeling van een schat van verschillende gebaren en bewegingen.
Eerbied voor allen in de klas door behoedzaam met eikaars spel te leren omgaan.
Zelfrespect, dat op deze wijze tegelijk met respect voor de ander wordt ontwikkeld.
Beleving van de gelijkwaardigheid van mensen: nl. zichzelf en andere kleuters en leidster.
Beleving van vrijheid.
Verzorging van alle zintuigen.

Werkwijze:
Het spel voltrekt zich in een niet opdringerige doch uitnodigende ruimte. De kleuren zijn naar aanwijzing van Rudolf Steiner zacht rose en licht blauw. In het midden van het lokaal bevindt zich een grote open ruimte. Aan de kanten staan lange tafels met banken. In de hoeken bevindt zich het speelmateriaal. Al het meubilair is van hout, de vloeren zijn van okerkleurig linoleum. Het gehele lokaal is vrij speelterrein voor alle kinderen. Alles wat aanwezig is mag gebruikt worden. Wellicht ten overvloede: spel is niet gebonden aan boeken en opdrachten. Het aantal kinderen dat met elkaar speelt is vrij. Alle kleuters zijn bezig.

Hoewel het op zichzelf staande wereldjes lijken, hebben de kinderen steeds onderling contact. Ze kijken bij elkaar, vragen iets, overleggen iets. Zo werd in de voorbereidingstijd tot het St.-Nicolaasfeest spontaan een boot gebouwd, die wel veel plaats innam in het lokaal, waarin alle kinderen konden meevaren met St.- Nicolaas en vele zwarte Pieten. Vaak is reeds na twintig minuten het spel van alle kinderen tesamen een organisch geheel.
Beweging, nabootsing en fantasie zijn de drie belangrijkste kenmerken van het ‘organisme’, de spelende klas. De leidster waakt over de veiligheid.

Materiaal:
Het materiaal dat bijeen is gebracht bestaat in hoofdzaak uit natuurlijke producten: hout, katoen, zijde, wol. Hierbij wordt gelet op rustige kleuren. Direct uit de natuur opgeraapt zijn: stokken, eikels, kastanjes, dennenappels, schors etc.

Loop van de ontwikkeling:
We onderscheiden drie spelstadia:

— Het doe-spel van de eerste twee jaren waarbij het kind probeert de dingen in zijn macht te krijgen en geniet van eindeloze herhaling. Het bootst de volwassene na. (Zo leert het ook zich op te richten en te lopen.)
Het kind beleeft het doen op zich zelf als zingeving.
Het gaat bijvoorbeeld net als zijn moeder met een stofdoek over alles heen maar probeert geen stofte verzamelen.

— Het fantasiespel tussen het derde en vijfde jaar kenmerkt de bloeiperiode van de kleuter. In die tijd heerst het kind als spelend soeverein over de wereld. Een stronk in het bos is een auto, een dennenaald het autosleuteltje.

Een drie-jarig kind bijvoorbeeld verbindt een keukenlepel met een andere door een klosje garen bijna af te winden en heeft zo een mooie kaars gemaakt, versierd met een dennetakje. Nu bedenken we wie dit kerststukje krijgt.
Kinderen hebben ook rollen die ze graag spelen, bijvoorbeeld Maria of postbode.

— Tussen het vijfde en zevende jaar wil het kind al spelend iets bepaalds bereiken. Het overlegt van te voren hoe het aan te leggen. Het kan nu ook echt met andere kinderen spelen en met hen overleggen. Hoe maken we de boot? Waar gaan we heen? Wie nemen we mee? Pas na het zevende jaar ontstaat langzamerhand een warme belangstelling voor bestaande aan regels gebonden sociale spelen.

Opruimen:
Net zoals de meeste vogels ’s avonds naar hun nest terugvliegen, zo keren alle speelmakkers van het kind naar hun eigen plekje terug. Het kind dekt de pop weer toe, doet de blokken in een mand en maakt het poppenhuis weer netjes. Geen wonder dat tijdens het proces van opruimen de kinderen innerlijk en uiterlijk rustig worden.

Ontwikkelingsdoelen:
Ontwikkeling van het vermogen tot ordenen, tot rubriceren, combineren, sorteren (bijvoorbeeld de pop krijgt twee dezelfde sokken aan).
Ontwikkeling van gevoel voor schoonheid. Ordenen wordt versieren.
Ontwikkeling van eerbied en liefde voor de omgeving.
Sociale ontwikkeling. Opruimen is een groepsproces, bovendien wordt alles zo neergezet dat ieder kind er weer toegang toe heeft.
Verzorging van de tastzin, levenszin, eigen bewegingszin, evenwichtszin, gezichtszin.

Werkwijze:
Voor het opruimen begint, worden alle kinderen bij elkaar geroepen, om eerst gezamenlijk een lied te zingen. Daarna verspreiden allen zich over de zaal, de kinderen vanaf 5½ jaar hebben een opdracht gekregen, de kleintjes ruimen mee op vanuit de nabootsing. De leidster gaat rond en helpt nu eens hier, dan daar.

‘Na het kringetje op de grond, waar werkliedjes werden gezongen, wordt er opgeruimd. Een van de kinderen heeft een prachtig kabouterbos gemaakt van dennenappels in een spiraal neergelegd. Tijdens het vrije spel heeft hij daar intensief mee gespeeld. De andere kleuters hebben aan de rand van het bos eerbiedig staan kijken. Niemand haalde het in zijn hoofd om het domein te betreden. Nu er opgeruimd wordt rent een van de jongetjes op het bos af en maait met zijn handen door de dennenappels: “Zo, opruimen!” roept hij demonstratief. De bouwer van het bos staat er spijtig bij te kijken. Dan komt hij aarzelend een stapje naar voren en veegt ook met zijn handen door het bos. Terwijl hij dat langzaam doet kijkt hij de ander wat onzeker aan. “Tja, als hij dat doet zal het wel goed zijn”.

Tijdens het spelen zelf wordt er niet opgeruimd. De stroom van fantasie wordt niet onderbroken.

Loop van de ontwikkeling:
Het moeiteloos kunnen afmaken van een opdracht bij het opruimen duidt op schoolrijpheid. Het zelf kunnen zien wat er gebeuren moet, duidt daar ook op. Naarmate de kinderen ouder worden, wordt het resultaat na het opruimen mooier en mooier.

Gezamenlijk nuttigen van de maaltijd:
Helaas wordt in vele gezinnen de maaltijd te snel genuttigd, met te weinig aandacht voor hetgeen er op tafel komt. Dikwijls speelt ondertussen de radio of staat de televisie aan.
Een tweede vrij algemeen verbreide slechte gewoonte is het uiten van kritiek op het gebodene. Gezondheidsmaniakken bijvoorbeeld spuien graag aan tafel hun kennis over het aantal schadelijke bewerkingen dat het voedsel heeft ondergaan.
Voor anderen is het eten domweg te zout, te zoet, te laat op tafel etc. Over de oorzaak ervan kan men denken hoe men wil, wij gaven alleen een paar suggesties, een feit is dat vele kinderen niet blij zijn als ze moeten eten. Zij lusten veel dingen niet en, kauwen slordig. De kleuterschool tracht dit euvel te verhelpen door de gezamenlijke maaltijd een feestelijk karakter te geven.
Door een kind rustig te laten eten en daarbij ook op goede (o.a. stevige) voeding te letten, geeft men het gelegenheid degelijk te leren kauwen.
In de kleuterklas kan op deze wijze mede de basis worden gelegd voor een goede gezondheid.

Ontwikkelingsdoelen:
=Verbetering van de articulatie door goed kauwen.
=Sociale ontwikkeling (bijvoorbeeld tafelmanieren, eerbied, rust).
-Verzorging van alle zintuigen.

Werkwijze:
Bij toerbeurt dekken de kinderen, ook de kleintjes, de tafels met versierde plankjes. Dan gaan allen zitten en wachten tot de leidster bij ieder van hen is langs gekomen om het brood te snijden. Zodra dat klaar is geven allen elkaar een hand en zeggen gezamenlijk een spreuk, een dankgedichtje voor zon en aarde. Er wordt zwijgend gegeten. Wie het brood op heeft mag babbelen. Er wordt eerst gegeten dan gezamenlijk wat gedronken.

Loop van de ontwikkeling:
Alle kinderen die ‘slecht aten’ zijn op deze wijze tot goede eters geworden.
Kinderen gaan beter slapen als ze goed leren eten.
Merkwaardig genoeg ging het euvel van slecht eten ook gepaard met algemene ontevredenheid. Ook deze verdwijnt.

De kleuterschool probeert ‘tevreden’ kinderen af te leveren.

Vertellen:
Hoe minder men het kleine kind verbiedt en hoe meer men zelf het voorbeeld geeft, des te langer behoudt het kind zijn glans en onschuld.
Toch komt het moment, meestal na het derde jaar, dat het kind als het ware overrompeld wordt door een impuls uit hemzelf of uit de omgeving en iets lelijks doet. Vertelt men het dan ’s avonds een verhaaltje waarin een kind net zoiets doet als hij maar dan veel erger, zonder een toespeling te maken op het gedrag van het kind zelf, dan wordt het aangesproken in zijn geweten en zegt meestal dat het zoiets lelijks nooit zou doen.
Met vier jaar heeft het kind al veel begrip voor goed en kwaad en hoort het met vreugde de sprookjes van Grimm die wij vertellen. Deze zijn ‘echt’ en vol humor. Hoe sterk de spanning ook stijgt, het kind kan er zeker van zijn dat het goede tenslotte triomfeert. Zoals bij volwassenen kan een vuur ontstoken worden door het horen van de waarheid, zo kan bij het kind als het ware al een kaarsje worden aangestoken. Het innerlijke licht van de sprookjes brengt vreugde in het kinderleven.

Ontwikkelingsdoelen:
=Ontwikkeling van een arsenaal van bewegingen en motoriek.
=Ontwikkeling van de woordenschat.
=Verruiming van de uitdrukkingsmogelijkheden in de taal.
=De basis voor het beleven van structuren in de zinnen ,van conjuncties in hun gebruik, kortom van de intuïtief logische en gedifferentieerde taal, die later na het negende jaar als grammatica het kind tot bewustzijn zal worden gebracht.
=Beleven van de gesproken taal in zijn dynamiek, frasering, melodie, tempo, correctheid en beheersing. De basis voor een goede ontwikkeling op latere leeftijd.
=Sociale ontwikkeling door leren luisteren naar een ander.
=Verzorging van de eigenbewegingszin, de spraakzin, de gedachte-zin, de ik-zin.

Werkwijze:
De kleuterleidster vertelt in een kring en begeleidt het verhaal met gebaren. Iedere dag wordt 20 à 25 minuten verteld. Een sprookje op dezelfde wijze gebracht wordt zo vele malen beleefd en beluisterd.

Loop van de ontwikkeling:
De kleuterleidster merkt heel goed hoe verschillend de kinderen het sprookje in zich opnemen naarmate ze ouder worden.
De jongeren ondergaan meer, de ouderen denken meer.

Rollenspel:
Er zijn weinig kinderen die niet graag in de huid van een ander kruipen, een rol spelen. Het kan al vroeg beginnen. Twee jaar oud kan het kind bijvoorbeeld al voor moeder spelen terwijl het de moeder kind laat zijn en schoenen laat passen.
In de bloei van de kleutertijd beschikken kinderen over een uitgebreid repertoire van rollen.
Heel mooi en heel boeiend zijn de rollen ontleend aan de sprookjes of verhalen die de jaarfeesten begeleiden.

Ontwikkelingsdoelen:
Individuele en sociale ontwikkeling in de ruimste zin van het woord. Spraak, beweging, zelfvertrouwen.

Werkwijze:
Tijdens het vrije spel ontstaan rollen vanzelf.
Wanneer een sprookje door het vele vertellen gekend wordt, voeren de kinderen het met de leidster op. Soms spreekt zij, soms spreken de kinderen. De decors bestaan uit beklede rekken, de kinderen hebben gekleurde rokken, mantels, kronen.

Materiaal:
=Wollen, zijden en katoenen doeken in effen kleuren.
=Kronen.
=Rekken.
=Tafels, stoelen, plankenkasten.

Loop van de ontwikkeling:
Een zekere kracht en zelfstandigheid in het optreden tijdens het toneelspel i.p.v. een meer dromerig op’ juffie’ georiënteerd zijn, duidt op schoolrijpheid.

Buitenspel:
Ieder weet hoe graag een kind door plassen loopt; hoe gauw het kans ziet zich met modder vuil te maken. Geboeid kijkt het aan het strand hoe de wind over het water scheert. Wordt ergens fikkie gestookt dan kan men rekenen op zijn instemming!
Het is een geluk als een kind ergens op een plekje grond buiten kan komen en de natuur kan beleven. Er is een groot verschil tussen binnen- en buitenspel, binnen vormt het kind in zijn spel de wereld, buiten ondergaat het de elementen. In het zand spelend, zit het weldra onder het zand…

‘Een jongetje van vier zit heerlijk in een plas regenwater te spetteren. Een oudere dame loopt naar hem toe en vraagt vriendelijk of het jongetje niet uit die plas wil gaan. Het jongetje kijkt verwonderd op: “Nee hoor! Zoek jij maar een andere plas”.

Ontwikkelingsdoelen:
=Goede motoriek.
=Gezondheid.
=Verzorging van de tastzin, levenszin, eigen bewegingszin, gezichtszin.
=De kleuterschool heeft een tuin met bloemen, gras en een zandbak.

Werkwijze:
Bij goed weer gaat de klas naar buiten om er vrij te spelen, ’s Zomers zorgen de leidsters dat de kinderen via een waterslang ook emmertjes water kunnen vullen.
Vanaf vijf jaar mogen de kinderen ook ’s middags op school blijven. Ze helpen dan dikwijls de leidsters in de tuin met harken, wieden etc.

Materiaal:
Karren, houten schepjes, emmertjes, kruiwagens, harkjes.

Loop van de ontwikkeling:
Hoe ouder het kind wordt des te meer lichaamsbeheersing het kind krijgt. Het kind kan steeds beter huppelen, springen, hinkelen en rennen.

Schilderen:
Rudolf Steiner wijst op de verwantschap van de ziel met de wereld van kleuren. Wanneer een peuter of een kleuter een kleur mag kiezen, doet hij dat inderdaad met hart en ziel. Het laat hem niet koud of hij de oranje of de groene limonade krijgt. Het gaat hem wonderlijk genoeg daarbij méér om een kleur dan om de smaak.
Aan ons volwassenen is deze verwantschap vaak niet meer af te lezen, allerminst wanneer wij rijdend in de trein gewoon de krant in kijken tijdens de schoonste zonsopgang. Een enkele keer komt het voor dat ook wij getroffen worden bijvoorbeeld door de kleuren van de regenboog. Uitgaande van de regenboogkleuren in de kleuterschool en de lagere klassen, later in de hogere klassen vanuit een steeds genuanceerder palet, tracht de Vrije School de relatie tot de kleurenwereld levend te houden.

Werkwijze:
De kinderen schilderen met elkaar zittend aan grote tafels. Daarop is voor elk kind een nat aquarelpapier uitgespreid. De waterverf, rood, geel en blauw staat gereed. Er wordt gewerkt met brede kwast.

‘Een jongetje kijkt verwonderd op van het werk van zijn buurmeisje en: “Wat een mooi groen!” Het buurmeisje: “Ik had geel en daar kwam een beetje blauw overheen en ineens was er groen.” Alle twee kijken ze aandachtig hoe de groene vlek zich nog steeds aan ’t uitbreiden is.’

In lege jampotten met water gevuld worden de kwasten uitgespoeld. Ook dient het water om de verf op het penseel iets te verdunnen. De leidster schildert mee om de kinderen vanuit de nabootsing de gelegenheid te geven de techniek van het aquarelleren meester te worden. Opdrachten geeft zij echter niet.

Materialen:
Aquarelverf, penselen, water, goede kwaliteit papier.

Loop van de ontwikkeling:
Tijdens het schilderen herkennen we de schoolrijpheid doordat het kind heldere duidelijke voorstellingen schildert. De oudere kleuters beheersen de techniek en het materiaal.

Plakken, knutselen, boetseren, borduren
Gezellig samen met ouderen dingen maken is een vervulling in het kinderleven. Kinderen houden daarbij niet van voorschriften, wel van bijval en soms wat hulp. De kleine vingertjes doen dadelijk mee als je het kind het initiatief laat. Hoewel het werk ontstaat onder invloed van de nabootsing is het een stukje identiteit van de kleuter. Elk werkje is anders en vraagt om onze erkenning en bewondering wanneer het kind er echt aan gewerkt heeft. Eisen kunnen we in de kleuterschool niet stellen. Als leidster zijn we blij en dankbaar als het kind onder onze leiding zin heeft om wat te maken.

Werkwijze:
De kleuters werken samen aan lange tafels met de leidster die nü echt meedoet. Hoogtepunten zijn het maken van versieringen en attributen voor de jaarfeesten: engeltjes, een kerststal, paasmandjes.

Ontwikkelingsdoelen:
=Ontwikkeling van kleur- en vormgevoel.
=Vaardigheid met materialen.
=Hantering van de schaar.
=Verzorging van de tastzin, levenszin, eigen bewegingszin, evenwichtszin, warmtezin, gezichtszin.

Materialen plakken, knutselen:
Stevig papier, transparant papier, zijdevloeipapier, wollen draadjes, lijm etc.

Loop van de ontwikkeling:
Het tot een voorstelling komen en beheersing van het materiaal duiden op schoolrijpheid.

Materiaal boetseren:
’s Winters bijenwas, ’s zomers rivierklei.

Loop van de ontwikkeling:
Op schoolrijpheid duidt het bewust hanteren van het materiaal, dat wil zeggen het zelf de baas blijven en het afmaken van het begonnen werk.

Materiaal borduren:
Wol, jute, stompe naald.

Loop van de ontwikkeling:
Borduren doen wij alleen ’s middags met de oudste kleuters. De jongste kunnen dit nog niet. Eigenlijk komen alle kinderen in het jaar voor zij ons verlaten zo ver, dat zij naald en draad goed hanteren en hun borduurwerk net zo mooi wordt als hun tekeningen!
.

Hoofdstuk Vl, waarvan 6.2, uit ‘Het binnenste buiten’ – eindrapportage project traditionele vernieuwingsscholen – Driebergen 1985, VP
.

* Zie bijv. Kindertekeningen, de beeldende taal van het kleine kind, Michaela Strauss; Vrij Geestesleven.

.
peuters/kleuters: alle artikelen

ritme: alle artikelen

spel: alle artikelen

jaarfeesten: alle artikelen

schoolrijpheid    [2]

zintuigen: alle artikelen

sprookjes: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: kleuterklas

1168-1089

.

VRIJESCHOOL – 1e klas – eerste schooldag (1-2)

.

Wanneer de scholen na de zomdervakantie weer beginnen, wordt bij de gezamenlijke schooljaaropening, aan iedere klas, min of meer in beeldvorm, verteld wat er het komend schooljaar gebeuren gaat.
Voor de 1e klas gebeurt dat op een bepaalde manier nog eens, wanneer de echte eerste lesdag begint.
Rudolf Steiner heeft daaraan een bijzondere aandacht besteed.

Hieronder een voorbeeld van hoe een leerkracht dit ooit deed. Het is een artikel van heel lang geleden, maar zou zo vandaag de dag geschreven kunnen zijn.
Vaak zie je in dit soort verhalen dat er gekozen wordt voor de geestelijke wereld: de engelen worden te hulp geroepen. Dat kan op zich heel mooi en beeldend zijn, maar draagt ook het gevaar in zich dat het geheel ‘te zoet, te heilig’ wordt en daarmee vaak te onecht.
Een ander probleem dat nauwelijks gezien wordt is, dat je zelf overtuigd moet zijn van de realiteit van deze wereld, wil je erover kunnen vertellen. Anders wordt het een (vrijeschool?)maniertje en met het maniertje komt dan steeds meer de realiteit van deze geestelijke wereld in de ‘één-pot-nat’- verhalendoos – hetzelfde geldt voor het gebruiken van de elementairwereld.

In dit verhaaltje wordt er ‘uitgelachen’. Het is voor een kind heel naar dat het uitgelachen wordt. Dat zou je te allen tijde moeten vermijden. Ik zou hier – nadat ‘de knaap’ dat deed, de andere kinderen juist een gebaar van ‘helpen’ hebben laten maken. En een afwijzing van het uitlachen!

.

Martin Rothe, Rudolf Steiner-Schule, Essen
Erziehungskunst jrg.1/2-3, dec/jan 1927/28

.

HET EERSTE UUR OP SCHOOL
.

Het lot heeft gesproken: leerkracht en kind hebben elkaar gevonden, richten zich op elkaar. Een gevoel van innerlijke dankbaarheid kan de ziel van de leraar vervullen; een beeld  hem voor de geest komen: kleurige bloemenkelken, door de dauw of de meiregen nog glinsterend, die voor de zon open willen gaan of al open gegaan zijn; om licht en liefde vragend, zo staat hij voor deze rijkdom. Wat een geluk voor een leerkracht die zelf een leraar heeft gevonden, die zelf het beeld van de enthousiaste, bevleugelde leerkracht in zich draagt. Hij zal een weg vinden om de jonge kinderzielen die zo gretig lerend alles in zich willen opnemen in dit eerste zo belangrijke schooluur een mooi, naar de toekomst wijzend beeld te geven.

Daarvan zal hier een voorbeeld worden gegeven; iedere leerkracht kan het op zijn of haar manier doen. Dat ik zo tot de kleintjes kon spreken, me over het algemeen met dergelijke gevoelens tot hen kon richten, dank ik aan de gang van het lot dat mij bij Dr.Steiner bracht, de gids en ondersteuner in een tijd die hevig uitkijkt naar harmoniserende impulsen.
Dr.Steiner wees ons op het belang van het eerste schooluur, waarin het kind sterk in zijn bewustzijn op moet nemen, waarom het op school is. Zin om te leren en gepaste eerbied, respect voor de ‘groten’ en wat die kunnen, moeten blijvende kiemen in hem leggen. Vrolijk ijverig zijn en gerechtvaardigde eerbied zijn de helpers voor het kind en de leerkracht tijdens heel de schooltijd.

En zo stond ik dan voor mijn kleine leerlingen op de eerste schooldag en ik liet ze nu van hun kant de vragen beantwoorden die wij ooit aan onze leraar hadden gesteld: ‘Wij willen leren om moeder of vader later te kunnen helpen, om zelf brieven te kunnen lezen en schrijven, om bij het boodschappen doen precies te kunnen betalen enz.’……

Toen gaf ik hun dit alles nog mee in een beeldende vertelling, die altijd dieper gaat en verder werkt dat wat zich zo richt op het verstand. Het ging min of meer zo:

Er waren eens drie engeltjes die daarboven in de hemel speelden, tussen de zon en de maan en de sterren; ze dansten en zongen, maakten Godvaders troon mooi met bonte sterrenbloemen, telden ’s morgens en ‘s avonds de schapen op de hemelweide en waren altijd vrolijk en tevreden. Het waren drie echte, kleine engeltjes; de een droeg iets van rose, het andere had iets blauws aan en de derde iets geels en hun haar was net zonnegoud. Nu zagen ze steeds hoe de zon ’s morgens vroeg de hemelpoort opendeed en haar stralenkinderen naar beneden stuurde, naar de aarde.
‘Ach, als wij toch ook eens mee naar beneden zouden kunnen vliegen, naar de aarde!’
Dat dachten ze iedere keer. ‘Hierboven is het wel heel mooi, maar we zouden toch maar al te graag weten wat de aardekinderen daar beneden zoal doen. Of die ook mooi kunnen dansen en zingen en mooie verhalen kennen, zoals de maan ze aan ons vertelt, wanneer we zijn schapen helpen hoeden.’
En ze vroegen en smeekten een zonnestraal net zo lang, tot deze het hun heimelijk beloofde – Sint-Petrus mocht er niets van merken!

Op een morgen dus, toen de zon de gouden hemelpoort weer open had gedaan, nam de zonnestraal hen bij de hand en – zzzzt – ging het naar beneden naar de aarde. Wat ging dat snel! Plotseling stonden ze beneden, op een hoge berg. O, wat was dat mooi! Hier waren bergen, hoge bergen! En diepe dalen en weiden met kleurige bloemen, vogels in de lucht en in het bos herten en reeën, bonte stenen in het water en zoveel andere dingen waarvan ze vrolijk werden. Ze klapten van louter plezier in hun handen, pakten elkaar vast en sprongen over de weiden van de berg naar beneden, rechtdoor als het beekje dat vanboven kwam -. Verder trokken ze, steeds verder, tot ze bij een dorp kwamen, dat aan de beek lag.
Buiten het dorp waren kinderen aan het spelen – wat die voor grote ogen opzetten toen ze drie engeltjes aan zagen komen, kan je je nauwelijks voorstellen! In een oogwenk waren die drie omringd en werden met vragen bestormd: waar ze vandaan kwamen? – ‘Van daarboven, waar de zon troont!’ Hoe ze de weg hadden gevonden? ‘Een zonnestraal heeft ons meegenomen.‘ Wat ze komen doen? ‘We zouden graag met jullie willen spelen en leren!’ Ja, maar laat ons dan eerst maar eens zien wat jullie kunnen’, vroegen de kinderen. ‘Graag, graag!’ Maar, wat was dat – toen ze nu wilden dansen en zingen, zoals ze dat boven in de hemel hadden gedaan – o, hemeltje lief – ze waren alles kwijt, alles vergeten!

Ze konden helemaal niets meer! Beschaamd stonden ze daar en keken nu zelf verbaasd hoe de kinderen begonnen te lopen en met hun armen te bewegen; alleen of met elkaar in een kring; ze zeiden mooie gedichten op en zongen liedjes. ‘O, dat zouden wij ook wel graag willen leren, alsjeblieft, alsjeblieft!’, riepen de engeltjes. ‘Dan moet je met ons mee naar school’, zeiden de kinderen heel trots. ‘Daar leren we dat en nog veel meer: schilderen, tekenen en zingen en schrijven en rekenen en handwerken!’ ‘Neem ons mee naar jullie school’, smeekten de engeltjes. ‘Ach wat’, riep een grote knaap, die altijd een beetje brutaal was, ‘er is morgen pas weer school, nu willen we gaan knikkeren en als je mee wil doen, neem dan alle drie een dozijn knikkers uit het zakje!’ ‘Wat is dat, een dozijn!’, vroeg een van de engeltjes schuchter. De jongen lachte hard:
‘Kijk nou, die weten niet eens wat een dozijn is! Jullie komen echt uit de hemel gevallen! Dat zijn er twaalf, natuurlijk!’
De engeltjes wilden er graag twaalf tellen: een, twee, drie vier, vijf, zes, zeven, vijf, negen …..nu konden ze niet eens meer tellen, alles vergeten. Toen werden ze hard uitgelachen! ‘Dan kun je toch helemaal niet naar de winkel gaan om voor je moeder iets te kopen’, riep een jongen. ‘En dan kun je ook geen winkeltje spelen’, voegde een meisje eraan toe. De engeltjes schaamden zich nog meer dan daarnet.
Na een poosje begon er een ander spelletje: verhaaltjes opschrijven – iedereen schrijft een letter in het zand, achter elkaar en daar moet een echt woord van komen.

Ja, hieraan konden de engeltjes al helemaal niet meedoen. ‘Dan kun je ook geen brieven schrijven en geen boeken lezen’, zei de grote jongen. De engeltjes kregen er bijna tranen van in de ogen en ze vroegen of de kinderen hen toch echt mee wilden nemen naar school. Tenslotte gaven ze elkaar allemaal een hand, de drie in het midden, en ze gingen naar de leraar. Die keek eerst heel verbaasd en bedenkelijk en zei dat hij het wel wilde proberen.
Maar ik geloof, dat hij stilletjes heel blij was, want hij wist allang van te voren dat die drie zijn liefste en ijverigste en vrolijkste leerlingen zouden worden……

.

.

Rudolf Steiner over de 1e klas

1e klas – 1e schooldag (1)   1e schooldag (3)

1e klasalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas

.

1152-1073

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het schrijven van opstellen

.

Kinderen een verhaal laten schrijven, is op veel scholen ‘in’.
Je kunt daarbij het opstel zien als een navertellen van een onderwerp dat in de klas aan de orde is geweest of het is een volkomen vrij door het kind gefantaseerd verhaal.

Nu is fantasie hebben een bij uitstek menselijk vermogen en het ligt voor de hand aan te nemen dat dit dus ook op school geoefend moet worden.

Steiner is er wel heel uitgesproken over:

Die Erzählung über Geschehenes, Erlebtes, soll man ja viel mehr als den sogenannten freien Aufsatz in der Volksschule pflegen. Der freie Aufsatz gehört eigentlich noch nicht in die Volksschulzeit. Aber die erzählende Dar­stellung des Geschehenen, des Gehörten, das gehört schon in die Volks­schule, denn das muß das Kind aufnehmen, weil es sonst nicht in der richtigen Weise sozial an der Menschenkultur teilnehmen kann.
.

Men moet op de lagere school toch veel meer verhalen laten schrijven over gebeurtenissen of belevenissen dan de zogenaamde vrije opstellen. Het vrije opstel hoort eigenlijk niet thuis op de basisschool – wél het verhalend weergeven van gebeurtenissen of van iets wat het kind gehoord heeft. Want dat moet het kind kunnen, omdat het anders niet volwaardig en sociaal deel kan uitmaken van het culturele leven van de mens.
GA 294/143
vertaald 118
(1)

===

Voor Steiner moet het opstel te maken hebben met de realiteit: wat heb je gezien, gehoord – m.a.w. het opstel is er om schriftelijk na te vertellen; maar ook met de echte wereld moet het een verbinding hebben. Zeker in die tijd was het schrijven van zakenbrieven heel belangrijk. 

.
(   ) aber auch dann nur über so etwas, was im Leben wirklich vorkommt: Briefe schreiben, Geschäftsmitteilungen machen und dergleichen. Also das, was im Leben wirklich vorkommt.
.

Maar ook dan alleen over iets wat in de praktijk ook voorkomt: brieven schrijven, zakelijke mededelingen doen en dat soort dingen. Zaken dus, die werkelijk in het leven voorkomen.
GA 294/143
vertaald 118
(1)
.

Nadat Steiner ingegaan is op bepaalde experimenten die destijds aan een universiteit werden gedaan, concludeert hij dat het voor de mensen heel moeilijk is om – als ze ergens getuige voor moeten zijn – precies weer te geven, te omschrijven, wat er is gebeurd.
.

Nun aber, die Menschen machen das nur halb, was da getan wird; sie bilden diejenige Hälfte aus, die man eigentlich, wenn man sich wirk­lich des gesunden Menschenverstandes bedient, weglassen könnte, denn die andere Hälfte ist die wichtigere. Man sollte dafür sorgen, daß unsere Kultur sich so entwickelt, daß man sich auf die Zeugen mehr verlassen kann und die Leute mehr die Wahrheit reden. Um das aber zu erreichen, muß man schon im Kindesalter anfangen. Und deshalb ist es wichtig, daß man Gesehenes und Erlebtes nacherzählen läßt, mehr als daß man freie Aufsätze pflegen läßt. Da werden die Kinder die Gewohnheit eingeimpft bekommen, im Leben und auch eventuell vor Gericht nichts zu erfinden, sondern den äußeren sinnlichen Tatsachen gegenüber die Wahrheit zu erzählen. Das Willensmäßige müßte auch auf diesem Felde mehr berücksichtigt werden als das Intellektuelle. als daß man freie Aufsätze pflegen läßt. Da werden die Kinder die Gewohnheit eingeimpft bekommen, im Leben und auch eventuell vor Gericht nichts zu erfinden, sondern den äußeren sinnlichen Tatsachen gegenüber die Wahrheit zu erzählen. Das Willensmäßige müßte auch auf diesem Felde mehr berücksichtigt werden als das Intellektuelle. Indem dazumal in jenem Auditorium jener Vorgang vorher besprochen worden ist und nachher das Ergebnis der Aussagen der Zuschauer fest­gelegt worden ist, war man darauf bedacht, zu erfahren, inwieweit die Menschen lügen. Das ist etwas, was in einer intellektualistisch gesinn­ten Zeit, wie es die unsrige ist, begreiflich ist. Aber wir müssen die intellektualistisch gesinnte Zeit zum Willensmäßigen zurückbringen. Daher müssen wir solche Einzelheiten in der Pädagogik beobachten, daß wir die Kinder, wenn sie einmal schreiben können, und namentlich nach dem 12.Jahre, wirklich Gesehenes erzählen lassen, daß wir nicht so sehr den freien Aufsatz pflegen, der eigentlich noch nicht in die Volksschule gehört.

.

Maar… wat daar gedaan wordt, wordt maar half gedaan. De mensen werken aan de helft die men eigenlijk zou kunnen weglaten als men zijn gezond verstand gebruikt, want de andere helft is de belangrijkste. Men moet er namelijk voor zorgen dat onze cultuur zich zo ontwikkelt, dat men getuigen meer kan vertrouwen en de mensen meer de waarheid spreken. Om dat te bereiken, moet men al in de kindertijd beginnen. En daarom is het belangrijk dat men gebeurtenissen en belevenissen laat navertellen – meer dan vrije opstellen te laten schrijven. Dan zullen de kinderen de gewoonte ingeprent krijgen om in het leven, en ook eventueel voor de rechtbank, niets te verzinnen, maar de waarheid te vertellen ten aanzien van de uiterlijke zintuiglijke feiten. Ook op dit gebied moet het wilsaspect meer aandacht krijgen dan het intellectuele. Bij dat experiment met de toeschouwers, waarbij het verloop van een gebeurtenis van te voren was afgesproken en de verklaringen van de toeschouwers achteraf zijn vastgelegd, was men erop uit te weten te komen in hoeverre mensen liegen. Dat is begrijpelijk in een zo intellectualistische tijd als de onze. Maar we moeten de intellectualistisch getinte tijd weer terugbrengen naar de wil. Daarom moeten we bepaalde details in de pedagogiek in acht nemen, bijvoorbeeld dat we kinderen, zodra ze kunnen schrijven en met name na het twaalfde jaar, laten vertellen over werkelijke gebeurtenissen en geen vrije opstellen laten schrijven. Die horen nog niet thuis op de basisschool.
GA 294/144-145
vertaald/120
(1)

===

Wat de niet-Nederlandse talen betreft, geeft Steiner het belang aan van het leren navertellen – dat hoeft niet schriftelijk, zoals in het Nederlands – van wat gezien of gehoord is.


.
Und von besonderer Wichtigkeit ist es auch, daß wir im fremd­sprachigen Unterricht uns allmählich mit den Schülern dazu bringen, daß sie Gesehenes, Gehörtes in einer kurzen Erzählung wiedergeben können.
.

Heel belangrijk is het ook dat we de leerlingen bij de vreemde talen geleidelijk zo ver krijgen dat ze kort kunnen weergeven wat ze gezien of gehoord hebben.

GA 294/144-145
vertaald/120
(1)

===

Hoewel Steiner hier weinig menskundige gezichtspunten geeft, durf ik zelf wel te stellen, dat het navertellen en wanneer het kind er technisch aan toe is, ook het schriftelijk navertellen, het kind een gelegenheid geeft nogmaals bij de dingen stil te staan die het leren moet, weten moet. Het is in zekere zin een recapitulatie van de feiten. Dit opnieuw onder ogen zien maakt een hernieuwde verbinding mogelijk, m.a.w. het komt met meer bewustzijn in het geheugen. De verbinding is een nieuwe vorm van her-inneren. Daarom moeten daar geen aspecten bijkomen die niets met de werkelijkheid te maken hebben, die kunnen uitlopen in fantasterij, of wanneer de puberteit begint, met overmatige en (te) heftige gevoelens. Van een soort ex-carneren in het vrije opstel, het in-carneren stimuleren door bij de (aardse) feiten te blijven.
In de 12e voordracht van GA 294 haalt Steiner a.h.w. hard uit naar bepaalde vormen van opstellen schrijven. En houdt hij vast aan het werkelijke leven, waarbij hij, voor die tijd heel realistisch, het kunnen schrijven van zakenbrieven als prioriteit stelt:

.
Das, was ich hier andeute, muß auch schon durchaus im Unterricht berücksichtigt werden, indem man das­jenige weniger ins Sentimentale zerrt, was vom Kinde gerade im 13., 14., 15. Lebensjahre gelernt wird, sondern indem man das, was vom Kinde gelernt wird, mehr in die Linie des praktischen Lebens hinein-führt. So sollte im Grunde genommen kein Kind das 15.Jahr erreichen, ohne daß ihm der Rechenunterricht in die Kenntnisse der Regeln wenigstens der einfachsten Buchführungsformen übergeführt worden ist. Und so sollten die Grundsätze der Grammatik und der Sprachlehre in diesen Jahren weniger in jene Aufsatzform eingeführt werden, die gewissermaßen das menschliche Innenleben überall wie durchspült von Gerstenschleimsaft darstellt – denn das sind meistens die Aufsätze, die man die Kinder pflegen läßt in diesem 13. bis 16. Jahre, so als besseren Aufguß von dem, was beim Dämmerschoppen und in den Kaffee­klatschgesellschaften als Geist herrscht -, es sollte vielmehr darauf gesehen werden, daß die Sprachlehre einläuft in den geschäftlichen Aufsatz, in den Geschäftsbrief. Und kein Kind sollte das 15. Jahr überschritten haben, ohne durchgegangen zu sein durch das Stadium, Musterbeispiele von praktischen Geschäftsbriefen geschrieben zu haben. Sagen Sie nicht, das kann das Kind ja auch später noch lernen. Gewiß, unter Überwindung von furchtbaren Hindernissen kann man es auch später lernen, aber eben nur unter dieser Überwindung von Hinder­nissen. Sie erweisen dem Kinde eine große Wohltat, wenn Sie es lehren, seine grammatischen Kenntnisse, seine Sprachkenntnisse in geschäft­liche Aufsätze, in Geschäftsbriefe einfließen zu lassen. In unserer Zeit sollte es eigentlich keinen Menschen geben, der nicht einen ordentlichen Geschäftsbrief einmal schreiben gelernt hat. Gewiß, er wird es viel­leicht im späteren Leben nicht anzuwenden brauchen, aber es sollte doch keinen Menschen geben, der nicht einmal dazu angehalten worden ist, einen ordentlichen Geschäftsbrief zu schreiben. Hat man das Kind vorzugsweise mit sentimentalem Idealismus übersättigt im 13. bis 15. Jahr, so wird ihm später der Idealismus zum Ekel, und es wird ein materialistischer Mensch. Führt man das Kind in diesen Jahren schon in die Praxis des Lebens ein, dann behält das Kind auch ein gesundes Verhältnis zu den idealistischen Bedürfnissen der Seele, die nur dann ausgelöscht werden können, wenn man ihnen in früher Jugend auf eine unsinnige Weise frönt.
.

Wat ik hiermee aangeef, moet men zeer zeker ook in het onderwijs in acht nemen. Men moet de leerstof met name in het dertiende, veertiende, vijftiende levensjaar niet zozeer in het sentimentele trekken, als wel de lijn trekken naar de praktijk. Eigenlijk moet ieder veertienjarig kind in de rekenles de regels geleerd hebben van in ieder geval de eenvoudigste vormen van boekhouding. En de basis van grammatica en taal moet in die jaren niet zozeer geleerd worden aan de hand van opstellen. Die opstellen vertonen een menselijke binnenwereld die als het ware doortrokken is van gersteslijm. Want zo zijn de opstellen die men kinderen van twaalf tot vijftien jaar laat schrijven meestal: een soort veredelde kletspraatjes tijdens borreluurtjes of bij theekransjes. Nee, men moet de taalles laten uitmonden in het zakelijk opstel, de zakelijke brief. En ieder kind zou in zijn vijftiende levensjaar ten minste een paar standaardvoorbeelden van zakelijke brieven geschreven moeten hebben. Zegt u niet dat een kind dat later ook nog wel kan leren. Natuurlijk, als men grote hindernissen weet te overwinnen, dan kan men dat later ook nog leren, maar… met grote moeite. U bewijst het kind een grote weldaad wanneer u het leert om zijn grammaticale kennis, zijn taalkennis toe te passen op zakelijke opstellen, zakelijke brieven. In onze tijd mag er eigenlijk niemand zijn die niet ooit geleerd heeft een ordentelijke zakelijke brief te schrijven. Het is misschien wel zo dat men het later niet nodig heeft, maar toch zou iedereen ooit een ordentelijke zakelijke brief geschreven moeten hebben. Heeft men een kind in het dertiende tot vijftiende jaar met sentimenteel idealisme overvoerd, dan krijgt het later een afkeer van idealisme en wordt een materialist. Brengt men een kind in deze jaren in aanraking met de praktijk van het leven, dan houdt het kind ook een gezonde relatie tot de idealistische behoeften van de ziel, die alleen dan tot zwijgen gebracht kunnen worden wanneer men zich in de kindertijd volledig daaraan overgeeft.
GA 294/167-168
vertaald/13-138
(1)
===

Ik heb pas in GA 311 nog iets gevonden over opstellen en fantasie. Wanneer hier staat ‘deze fantasie’ gaat het om ‘beeldend’ – bijv. in de mineralogie, het levendig beschrijven van een berg (en wat daar verder staat voor natuurkunde, mechanica e.d.):
.

Und je mehr Sie das Bildhafte vor den Kindern entfalten, je weniger Sie den Intellekt an­strengen, je mehr Sie lebendig schildern, desto mehr nehmen Sie bloß das rhythmische System in Anspruch, desto weniger ermüdet das Kind.
.

En hoe meer je het beeldende voor de kinderen ontwikkelt, hoe minder je het intellect aanspreekt, hoe meer je levendig schetst, des te meer spreek je alleen het ritmische systeem aan, des te minder vermoeid raakt het kind.
GA 311/117
Vertaald

===
.

Weiter wird es sich darum handeln, daß man diese Phantasie vor allen Dingen in dem walten läßt, was man den Aufsatz nennt, wenn das Kind einen Aufsatz schreiben soll, selber etwas ausarbeiten soll. Da handelt es sich darum, daß man nichts von dem Kinde aufsatzmäßig verarbeiten läßt, was man nicht zunächst wirklich genau durchgesprochen hat, so daß das Kind mit der Sache bekannt ist. Und man soll über die Sache von sich aus als Lehrer- und Erzieherautorität gesprochen haben. Dann soll das Kind unter dem Einfluß dessen, was man selbst gesprochen hat, seinen Aufsatz liefern. Davon soll man auch nicht abgehen in den letzten Jahren vor der Ge­schlechtsreife. Auch da soll man nicht das Kind blind darauflos schreiben lassen, sondern in ihm das Gefühl erwecken: es sollte nichts in dem Aufsatz stehen, was ihn nicht in der Stimmung erhält, die dadurch in ihm hervorgerufen worden ist, daß der Gegenstand des Aufsatzes mit dem Lehrer oder Erzieher besprochen worden ist. Auch da muß Lebendigkeit walten. Die Lebendigkeit des Lehrers muß auf die Lebendigkeit des Kindes übergehen.
.

Verder gaat het erom dat je deze fantasie bovenal aan het werk laat bij wat men een opstel noemt, wanneer het kind een opstel moet schrijven, zelf iets moet uitwerken. Het gaat erom dat je niets op het gebied van opstellen door het kind laat verwerken, wat je niet eerst precies besproken hebt, zodat het kind de zaakjes kent. Over het item moet je vanuit je opvoedings-lerarenautoriteit spreken. Dan moet  kind in het kader van wat je besproken hebt, het opstel schrijven. Daarvan moet je ook in de laatste jaren vóór de puberteit niet afwijken. Ook dan moet je het kind er niet zomaar op los laten schrijven, maar in hem het gevoel wekken: er moet niets in het opstel staan wat niet in de sfeer past die in hem opgeroepen is door de bespreking van het onderwerp met de leraar of opvoeder. Ook daar moet levendigheid heersen. De levendigheid van de leerkracht moet de levendigheid van het kind stimuleren.
GA 311/118
Vertaald

(1) uitg. 1989

Rudolf Steiner over…..:  alle artikelen

.
1138-1059

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over schrijven en lezen (8)

.

tekst in blauw van mij; in groen van Steiner; in zwart de vertaling daarvan. ‘Niet vertaald’ wil zeggen: er is geen officiële vertaling; deze vertaling is dan van mij. Verbetersuggesties welkom: pieterhawitvlietatgmailpuntcom

LETTERS AANLEREN MET BEELDEN: HOE LANG GAAT HET DUREN?

Om een kind schrijven en lezen te leren heb je niet zoveel tijd nodig.
Er bestond ooit in Amerika een methode om kinderen vanaf 18 maanden! te leren lezen.
Het kan ook zeer zeker vroeger dan de tijd waarin het kind zijn tanden gaat wisselen.
En het hoeft niet zo lang te duren – dat heeft het programma Sesamstraat wel bewezen.
Dit programma, deze aanpak, is ontstaan om kinderen zo snel mogelijk en vooral zo vroeg mogelijk, van alles te leren. Hoe eerder, des te beter.

In Amerika konden vroeger niet alle kinderen naar school. Er waren ook arme wijken. De ouders konden school niet betalen. Maar toen Sesame Street in 1969 kwam, gingen die kinderen daarnaar kijken. Dus die kinderen kregen een soort thuisles!

Sesamstraat komt in 1974 naar Nederland:
In de proefuitzending verkoopt Adèle Bloemendaal letters van piepschuim van een handkarretje. “Die scène is wel heel expliciet”, vindt Aart Staartjes, regisseur van en acteur in het huidige Sesamstraat. “Dat zouden we nu niet meer doen. Het is beter om per ongeluk een letter te ontdekken dan kinderen maar meteen het hele alfabet in de strot te duwen.”

In Nederland bestond de Amerikaanse noodzaak – er is/was daar geen peuter-kleuteronderwijs – niet. Maar daarvoor zijn andere ‘noodzaken’ in de plaats gekomen. En zullen er altijd noodzaken gevonden worden – afhankelijk van de politieke visie van beleidsmakers.

Anno 2016 is de noodzaak ‘kenniseconomie’. Mee kunnen doen op de arbeidsmarkt; sterk kunnen concurreren: kennis is macht.
Regelmatig worden ideeën gelanceerd om het jonge kind maar snel aan het leren te krijgen.

Dus wat vlug kan, moet ook vlug.

En als dat tempo de norm wordt – en dat is het geworden – is een langzamer tempo per definitie een ‘achterlopen’.

Wat het schrijven en lezen op de vrijeschool betreft: ja het tempo ligt lager dan de normen die in de voorbije decennia golden en zeer zeker nog zullen blijven gelden. (1)

Een snack werk je nu eenmaal sneller naar binnen dan een verzorgde maaltijd!

Voor de vrijeschoolpedagogie is echter HET KIND de norm: hoe het zich ontwikkelt en de tijd die het voor die ontwikkeling nodig heeft. (En krijgt…!!!)

In deel [5] en [6] wordt daarop uitvoerig ingegaan.

In GA 298 ‘Rudolf Steiner in de vrijeschool’ staan verschillende toespraken die hij voor (nieuwe) ouders hield, op ouderavonden bijv.:
opmerkingen over het later leren schrijven en lezen:

.

Wenn man daher die Buchstaben so einfach den Kindern lehrt, wie sie ja in langer Entwicklung erst geworden sind, dann zwingt man das Kind an etwas ihm Fremdes heran. Von dem, was das Kind gerne hinzeichnet, was es aus seinem ganzen Wesen heraus macht, muß man es vernünftig, verständig hinüberführen zu den Buchstabenformen. Dann erst kann man das Lesen daraus entwickeln.Wenn man dagegen in der richtigen Weise vorgegangen ist, dann hat das Kind erst mit acht Jahren lesen und schreiben gelernt, aber so, daß im Lernen Lebenskräfte in ihm entstanden sind. Und das wollen wir. Wir wollen, daß das Kind Lebenskraft aus der Schule heraus erlangt, die immer wieder und wiederum in dem Kinde das ganze Leben hindurch nachwirkt.
.

Wanneer je echter de letters zo simpelweg de kinderen aanleert als ze pas gedurende een lange ontwikkeling zijn geworden, dan dwing je het kind iets op wat voor hem vreemd is. Vanuit wat een kind graag tekent, wat uit zijn hele wezen komt, moet je het verstandig bij de letters laten komen. Dan pas kun je daar het lezen uit ontwikkelen. En wanneer je dan op de juiste manier gewerkt hebr, heeft het kind pas op z’n achtste leren lezen en schrijven, maar zo, dat er tijdens het leren levenskrachten aangeboord zijn. En dat willen we. We willen dat het kind door de school levenskracht krijgt, die in het hele leven voortdurend doorwerken.
GA 298/74-75
Niet vertaald
.

Op een ouderavond – 13 januari 1921 – wordt het volgende aan de orde gesteld:
.

Es wurde nun darüber geklagt, daß die Kinder in der zweiten Klasse noch nicht so gut lesen können wie in der Volksschule. (  )
.

Er wordt geklaagd dat de kinderen in de tweede klas nog niet zo goed kunnen lezen zoals in het reguliere onderwijs (  )
.

Dr.Steiner erwidert
Was das Lesen und Schreiben zur rechten Zeit anbetrifft, so möchte ich noch folgendes sagen: Es ist ja gewiß nach den Gewohnheiten, die man heute hat, etwas deprimierend, wenn man sieht, daß ein Kind schon in die zweite Klasse geht und noch nicht richtig abplappern kann dasjenige, was da in kleinen Gespenstern auf dem Papier steht. Aber dem steht manche Erfahrung gegenüber, die besseres lehrt. – Es ist ja nicht notwendig, daß man das Leben nur nach ganz kurzen Zeiträumen beurteilt. Ich habe Menschen kennengelernt, die haben etwa im acht­zehnten, neunzehnten Jahr außerordentlich gut ihr Lesen und Schreiben verwendet in geschickter Anwendung, weil sie zum Beispiel gezwungen waren, früh einen Beruf zu ergreifen; das bringt das Leben ja manchmal mit sich. Ich habe solche Menschen beobachtet, die sich geschickt früh in einen Beruf eingeordnet haben, und ich habe solche kennengelernt, die sich ungeschickt in einen Beruf eingeordnet haben. Nun forschen Sie nach bei denjenigen, die sich, durch das Leben gezwungen, irgendwie in einen Beruf hineinstellen müssen, ob die im achtzehnten, neunzehnten Jahr Geschickten nun diejenigen sind, die ganz früh, viel zu früh herplappern gelernt haben das, was in kleinen Gespenstern auf dem Papier steht, oder ob es diejenigen sind, die das etwas später gelernt haben. Es handelt sich doch darum, daß für das Leben in der richtigen Weise die Sachen gelernt werden. Und das ist dasjenige, was gerade bei unserer Methode sorgfältig eingehalten wird. Ich möchte, daß Sie darauf aufmerksam würden, daß man überhaupt manchmal die Dinge nicht im richtigen Lebenszusammenhang beobachtet. Ich habe Menschen ken­nengelernt, die einen sehr, sehr guten Stil hatten, die gute Briefe schrie­ben. Da konnte man dann nachforschen: Welchem Umstande verdanken
.

Dr. Steiner antwoordt:
Wat het lezen en schrijven op de juiste tijd betreft, zou ik nog het volgende willen zeggen: zeer zeker heeft het iets deprimerends wanneer je ziet dat met wat men tegenwoordig gewend is, een kind al in de tweede klas zit en nog niet goed kan oplepelen wat er in die kleine spookjes op papier staat. Maar daartegenover staan betere ervaringen die iets anders laten zien. Het is niet noodzakelijk om het leven te beoordelen over een korte spanne tijds. Ik heb mensen leren kennen die op hun achttiende, negentiende jaar het schrijven en lezen buitengewoon goed en adequaat konden gebruiken, terwijl ze bijv. gedwongen waren om vroeg een beroep te kiezen; dat brengt het leven nu eenmaal mee. Ik heb die mensen waargenomen die al vroeg op een bekwame manier in het beroepsleven stonden en ik heb er ook leren kennen die ongeschikt waren. Nu zou je eens moeten onderzoeken bij degenen die door het leven gedwongen op de een of andere manier een plaats moesten vinden in een beroep, die op hun achttiende, negentiende jaar dat kunnen of die heel vroeg, veel te vroeg geleerd hebben op te lepelen wat in kleine spookjes op papier staat, of dat het degenen zijn die dat wat later geleerd hebben. Het gaat er toch om dat de dingen voor het leven toch op een juiste manier worden geleerd. En dat is nu juist wat wij bij onze methode serieus nemen. Ik zou willen dat U in de gaten zou krijgen dat men de dingen niet in de juiste samenhang met het leven ziet. Ik heb mensen leren kennen die hadden een zeer goede stijl van brieven schrijven. Dan kon je napluizen: aan welke omstandigheden danken

blz. 84

sie das? Und ich muß Ihnen ganz offen gestehen, daß sich mir ergeben hat: es waren meistens solche Menschen, die im achten, neunten Jahr noch die gräßlichsten Fehler gemacht haben. Sie haben dann im zehnten, elften Jahr erst gelernt, diese Fehler abzulegen. Dadurch sind sie gerade zu einer ganz besonderen Tüchtigkeit gekommen. Diese Dinge sind eben kompliziert, und man muß schon darauf sehen, wie unsere Unterrichts-methode eben aus einer durchgreifenden Menschenkenntnis hervorgeht. Dann wird man sich daran gewöhnen, daß manches an die Kinder zu anderen Zeiten herantritt, als man es sonst gewöhnt ist. Nicht wahr, wenn es immer so gewesen wäre, daß man als strenge Regel aufgestellt hätte: Es ist schädlich, daß ein Kind vor dem achten Jahr schon lesen kann, dann würden heute die Leute sich nicht darüber wundern, daß es noch nicht lesen kann. Jetzt findet man es schlimm. Aber da liegt ja eben das, was Sie eben selbst gesagt haben: Die Waldorfschule soll eben zum Richtigen hinführen und nicht mit dem Falschen Kompromisse schließen.
.

zij dat? En ik moet het U eerlijk bekennen dat het mij gebleken is: het waren meestal mensen die als acht- negenjarige nog de afschuwelijkste fouten maakten. Pas op hun tiende, elfde jaar maakten zij die niet meer. Daardoor juist zijn ze tot een bepaalde handigheid gekomen. Dit soort dingen is wel gecompliceerd en je moet er wel op letten dat onze onderwijsmethode ook het gevolg is van een diepgaande menskunde.
Dan raak je er vertrouwd mee dat er voor de kinderen veel dingen op andere tijdstippen komen, dan men zo gewend is. Niet waar, wanneer het steeds zo was geweest dat men als een strikte regel gesteld had: het is nadelig dat een kind vóór zijn achtste jaar al kan lezen, dan zouden de mensen zich er niet over verbazen dat het nog niet lezen.  kan. Nu vindt men dit ernstig. Maar dat zit hem in wat U net zelf hebt gezegd: de vrijeschool moet tot iets leiden wat waar is en geen compromissen sluiten met wat niet waar is.
GA 298/84
Niet vertaald

===

Op 9 mei 1922:

Sie wissen ja, wir beginnen nicht so mit dem Lesen- und Schreibenlernen, wie das heute vielfach geschieht. Wir entwickeln, indem wir mit dem Schreibenlernen beginnen, die Buchstabenformen, die sonst dem Kinde fremd sind, aus dem heraus, zu dem das Kind mit in­nerem Behagen sich hinwendet aus einer Art künstlerischer Tätigkeit, künstlerischem Formensinn. Unsere Kinder kommen dadurch et­was später dazu, Schreiben und Lesen zu lernen, weil ja, wenn man die Natur des Kindes berücksichtigt, das Lesen nach dem Schreiben kommen muß.
Nun wenden sich die, die in die alten Anschauungen eingewöhnt sind, dagegen und sagen: da lernen die Kinder viel später Lesen und Schreiben als in anderen Schulen. – Warum lernt das Kind in der anderen Schule früher Lesen und Schreiben? Weil man nicht weiß, welches Lebensalter gut ist dazu, um Lesen und Schreiben zu können. Erst legen wir uns die Frage vor, ob es überhaupt berechtigt ist, zu verlangen, daß das Kind schon im achten Jahr mit einer gewissen Fertigkeit lesen können, schreiben können soll.
Wenn man diese Anschauungen weiter ausdehnt, dann entwickeln sich solche weitergehenden Ansichten, wie wir sie in einer merkwürdi­gen Weise erfahren können. Wer Goethe genau kennt, der kann auch wissen: Wenn man mit dem, was für einen zwölfjährigen Jungen heute schulmäßige Anforderungen sind, an Goethe herangeht und sich fragt, hat Goethe das wirklich so gekonnt? – wird man sehen, er hat es nicht einmal mit sechzehn Jahren gekonnt und ist doch der Goethe geworden.

blz. 129

U weet dat wij niet zo met lees- en schrijfles beginnen als dat tegenwoordig gebeurt. Wanneer we met het schrijfonderwijs beginnen, leren we de letters, die anders vreemd zijn voor het kind, vanuit iets wat het kind met een innerlijk plezier doet, vanuit een vorm van kunstzinnig bezigzijn, vanuit zijn kunstzinnig gevoel voor vormen. Onze kinderen komen daardoor wat later tot schrijven en lezen, omdat je, de natuur van het kind volgend, lezen na schrijven moet komen.
Degenen die vasthouden aan de oude gewoonten hebben er bezwaar tegen en zeggen: op de vrijeschool leren de kinderen veel later lezen en schrijven dan op andere scholen. – Waarom leert een kind op een andere school vroeger lezen en schrijven? Omdat men niet weet wat voor leeftijd geschikt is om te kunnen lezen en schrijven. Eerst stellen we ons de vraag of dat nu echt wel nodig is dat we willen dat een kind al op z’n achtste met een zekere vaardigheid moet kunnen lezen, kunnen schrijven.
Wanneer je deze gezichtspunten verder denkt, ontwikkelen ze zich verdergaand tot opvattingen die we op een bijzondere manier kunnen ervaren. Wie Goethe goed genoeg kent, kan weten: wanneer je Goethe zou benaderen met wat van een twaalfjarige jongen op school verlangd mag worden en zich zou afvragen, zou Goethe dit echt gekund hebben? – zou gezien hebben dat hij dat nog niet eens op z’n zestiende kon en hij is toch dè Goethe geworden.

blz. 130

Osterreich hatte einen bedeutenden Dichter, Robert Hamerling. Er hat natürlich in seiner Jugend sich nicht vorgenommen, ein Dichter zu werden, das machte sein Genie, aber er wollte Mittelschullehrer werden. Er hatte eine Lehramtsprüfung abgelegt. In seinem Zeugnis steht, daß er im Lateinischen und Griechischen ganz außerordentlich gute Kenntnisse aufgewiesen habe, daß er aber nicht fähig sei, die deutsche Sprache zu handhaben, sondern daß er nur für die unterste Klasse zum Unterricht tauge. Aber er wurde der bedeutendste neuere Dichter Österreichs. Er hat in der deutschen Sprache und nicht in der slowakischen Sprache geschrieben.
An dem Leben müssen eben die pädagogischen Impulse gemessen werden. Und das ist das Wesentliche unserer Pädagogik, daß wir das ganze Leben des Kindes im Auge haben und daß wir wissen: wenn wir dem Kinde etwas im siebenten, achten Lebensjahr beibringen, so muß es so beigebracht werden, daß es mit dem Kinde heranwächst, daß das Kind das noch im dreißigsten, vierzigsten Jahre hat, daß man das ganze Leben etwas hat davon. Sehen Sie, da ist es so, daß gerade diejenigen Kinder, die mit acht Jahren perfekt lesen und schreiben können, daß die mit Bezug auf gewisse innere seelische Gesundheitsimpulse verkümmern. Ja, rich­tig verkümmern. Es ist ein großes Glück, wenn man mit acht Jahren noch nicht so lesen und schreiben kann, wie es heute verlangt wird. Es ist ein großes Glück für die leibliche und seelische Gesundheit.
.

Oostenrijk had een belangrijk dichter, Robert Hamerling. Hij was natuurlijk in zijn jeugd niet van plan dichter te worden, dat kwam door zijn begaafdheid, maar hij wilde leraar op een middelbare school worden. Hij deed zijn onderwijzersexamen. In zijn rapport staat dat hij buitengewoon goede keniis heeft van Latijn en ‘Grieks, maar dat hij niet in staat is Duits te geven, en alleen geschikt is voor het onderwijs in de laagste klas. Maar hij werd wel de belangrijkste nieuwere dichter van Oostenrijk. En hij heeft in het Duits geschreven en niet in het Slowaaks.
De pedagogische impulsen moeten nu eenmaal afgemeten worden aan het leven. En het wezenlijke van onze pedagogiek is, dat wij oog hebben voor het hele leven van het kind en dat wij weten: wanneer we het kind op z’n zevende, achtste jaar iets bijbrengen, dan moet dat zo worden bijgebracht, dat het met het kind meegroeien kan, dat het kind op z’n dertigste, veertigste jaar daar nog iets van bijgebleven is, dat er het hele leven iets van bij blijft. Ziet u, het is zo dat juist die kinderen die met acht jaar perfect kunnen lezen en schrijven, met betrekking tot bepaalde psychische gezondheidsimpulsen tekort komen. Ja, echt verkommeren. Het is een grote weldaad wanneer je op je achtste nog niet zo kan lezen en schrijven als men tegenwoordig eist. Een grote weldaad voor je vitale en psychische gezondheid.
GA 298/129-130
Niet vertaald

====

Und daß diese Kinder – ich habe es überall angeführt -, daß Gottseidank unsere Kinder erst im achten oder neunten Jahr lesen lernen.
.

En dat deze kinderen – ik heb het overal naar voren gebracht – dat goddank onze kinderen pas op hun achtste of negende leren lezen.
GA 300B/65
Niet vertaald

====

Insbesondere ist dann der Moment von einer ganz besonderen erzieherischen Wichtigkeit, durch den man die Schriftformen herausspringen läßt aus dem, was man rein künstlerisch geleitet hat, und aus den Schriftformen erst die Formen, die dem Lesen zugrunde liegen. So daß also der Unterricht in der Waldorfschule ausgeht von einem rein Künstlerischen. Er entwickelt aus dem Künstlerischen zum Beispiel -neben anderem, ich will das alles nur illustrieren – das Schreiben, aus dem Schreiben heraus erst das Lesen. Dadurch entwickelt man das Kind ganz im Sinne derjenigen Kräfte, die nach und nach aus der kindlichen Natur wirklich heraus wollen. Dadurch trägt man in Wahr­heit gar nichts Fremdes in das Kind hinein, und es ergibt sich ganz von selbst, daß man bis gegen das 9. Jahr hin es erreichen kann, daß das Kind das Zeichnen zum Schreiben und auch zum Lesen gebracht hat. Das ist von einer ganz besonderen Wichtigkeit, weil in den Fällen, wo man das gegen die Kräfte der Menschennatur, nicht mit den Kräften der Menschennatur erzieherisch entwickelt, man dem Menschen für das ganze Leben schadet.
.

Met name is dan het ogenblik waarop je de schrijfvormen tevoorschijn laat komen uit wat je puur kunstzinnig geleid hebt, van een bijzonder pedagogisch belang en dan uit de schrijfvormen de vormen die de basis vormen voor het lezen. Zodat dus het onderwijs op de vrijeschool uitgaat van een puur kunstzinnig iets. Uit dit kunstzinnige bijv. wordt – naast andere dingen, ik wil het slechts illustreren – het schrijven en daaruit pas het lezen ontwikkeld. Daardoor ontwikkel je het kind geheel in overeenstemming met die krachten die beetje voor beetje uit de natuur van het kind zich daadwerkelijk willen manifesteren. Daardoor zadel je het kind niet op met iets wezensvreemd en het gaat helemaal vanzelf dat je tegen het 9e jaar kan bereiken dat het kind het tekenen tot schrijven en ook tot lezen heeft gebracht. Dat is heel belangrijk, omdat je in die situaties waarin je tegen de krachten van de mensennatuur werkt en niet met deze krachten, je de mensennatuur opvoedend ontwikkelt en de mens voor zijn hele leven tekort doet.
GA 301/80-81
niet vertaald

====

Es ist mir immer auch wiederum ein grosser Schmerz, dass man schon das sechste Lebensjahr der Kinder als das schulpflichtige Alter einführt. Sie sollen eigentlich erst im siebenten Lebensjahre in die Schule geführt werden. Ich war immer wirklich ganz besonders befriedigt – Sie mögen mir das meinet­willen als barbarisch auslegen -, wenn in anthroposophischen Familien die Kinder mit acht Jahren wirklich noch nichts vom Schreiben ver­standen haben und vom Lesen; denn dasjenige, was man nach den vor­handenen Kräften erst später bewältigen kann, ohne daß man sich die physische Organisation zerstört, das soll nicht in ein früheres Lebens­alter hineingepfropft werden.
.

Het is voor mij dan steeds ook weer erg pijnlijk dat men de leerplicht voor kinderen al invoert vanaf het zesde levensjaar. Zij zouden eigenlijk pas op zevenjarige leeftijd naar school gestuurd moeten worden. Ik was er altijd heel tevreden over – voor mijn part kunt u het barbaars noemen — als in antroposofische gezinnen de kinde­ren met acht jaar echt nog niets van schrijven en lezen begre­pen. Want wat je met de aanwezige krachten pas later kunt beheersen zonder dat je de fysieke organisatie verwoest, dat moet niet op vroegere leeftijd erin gepropt worden.
GA 303/136-137
Vertaald/148

===

Steiner verwijst hier naar een lettervorm die hij kort hiervoor heeft behandeld – voorbeeld 11 –
.

Man wird ja natürlich dadurch das Kind nicht so früh beim Schrei­ben haben, wie man es sonst hat.
Wir haben in der Waldorfschule Elternabende eingerichtet, wo die Eltern der Kinder zusammenkom­men, ohne die Kinder, und da wird manches, was dann die Eltern als Folge der Waldorfschul-Erziehung bemerken, besprochen. Dann kom­men manche Eltern mit ihrem Kummer und finden, ihr achtjähriges Kind kann noch immer nicht ordentlich schreiben. Man muß dann den Eltern die Auskunft geben, daß das ein Glück ist für das Kind, denn es verwebt dadurch diese ganze Kunst des Schreibens eben mehr mit seinem Wesen, daß es in dem richtigen Lebensalter in das Schreiben hineinkommt und auf eine menschlichere Art, als dann, wenn etwas ganz Fremdes an das Kind herangebracht wird, was das Ergebnis einer menschlichen Zivilisation ist, und ganz gewiß gar keine innerliche Be­ziehung zu dem Kinde hat, wenn man nicht erst die innerliche Bezie­hung schafft. Wir müssen natürlich die Kinder immer weiter unter­richten; aber wir müssen das auf menschliche Art tun.
.

Het kind zal dan natuurlijk niet zo vroeg kunnen schrijven als anders het geval is. – We hebben op de vrijeschool ouder­avonden ingevoerd waarop de ouders van de kinderen bij elkaar komen zonder de kinderen erbij. Daar worden dan vele zaken besproken die de ouders als gevolg van de vrijeschoolopvoeding waarnemen. Dan komen sommige ouders met hun zorgen, omdat ze merken dat hun achtjarig kind nog steeds niet behoorlijk kan schrijven. Je moet de ouders dan uitleggen dat dit een geluk is voor het kind, want door de vrijeschoolmanier verweeft het de hele kunst van het schrij­ven meer met zijn wezen. Zo begint het kind te schrijven op een leeftijd die daar meer geschikt voor is. Het leert dan beter en op een meer menselijke manier schrijven dan als het kind iets geleerd wordt wat levensvreemd is, iets wat het resultaat is van de menselijke beschaving en absoluut geen innerlijke rela­tie tot het kind heeft. Die innerlijke relatie moeten wij eerst zelf scheppen. We moeten de kinderen natuurlijk steeds ver­der onderwijzen; maar we moeten dat op een menselijke manier doen.
GA 303/169
Vertaald/181

====

Dit komt ook naar voren in GA 305 voorbeeld 15

Und so werden Sie, wenn Sie nicht intellektualistisch, sondern spiri­tuell, imaginativ vorzugehen versuchen, alles aus dem Kinde heraus­holen können, was nach und nach dazu führt, daß das Kind schreiben lernt. Es lernt langsamer schreiben, als es heute oftmals schreiben lernt. Aber wenn dann die Eltern kommen und sagen: Mein Kind ist acht Jahre alt, neun Jahre alt, und kann noch nicht gut schreiben! – so müssen wir ihnen immer sagen: Alles dasjenige, was langsamer gelernt wird in einem gewissen Lebensalter, das lebt sich sicherer und gesunder in den Lebensorganismus hinein, als was hineingepfropft wird.
.

En zo zult u, wanneer u niet intellectualistisch, maar spiritueel, imaginatief tracht te handelen, alles vanuit het kind kunnen laten komen, wat er langzamerhand toe leidt dat het kind leert schrijven. Het duurt langer voordat het kan schrijven dan dat tegenwoordig het geval is. maar als dan de ouders komen klagen dat het kind op zijn achtste, negende jaar nog niet goed kan schrijven, dan moeten wij steeds tegen hen zeggen: Al hetgeen op een bepaalde leeftijd langzamer geleerd wordt, wordt op een zekerder en gezondere wijze in het levensorganisme ingevoerd dan hetgeen er ingestampt wordt.
GA 305/99
vertaald/104 (2)
Nu: opvoeding en kunst. Eerder: Geestelijke grondslagen voor de opvoedkunst
.

So sind wir in der Waldorfschule in der Lage, aus dem Künstlerischen heraus das Schreiben zu lehren. Dann läßt sich das Lesen nachher wie von selbst lernen. Es kommt etwas später als gewöhnlich, aber es läßt sich wie von selbst lernen.
.

Zo zijn wij op de vrijeschool in de gelegenheid het schrijven aan te leren vanuit het kunstzinnige. het lren lezen gaat daarna als vanzelf. Het komt later dan gewoonlijk, maar het gaat als vanzelf.
GA 305/101
vertaald/106 (2)
Nu: opvoeding en kunst. Eerder: Geestelijke grondslagen voor de opvoedkunst (1977)

===

In GA 306 gaat Steiner ook in op de manier van het aanleren van een letter – voorbeeld 16/17 – en de consequentie daarvan voor het tijdstip waarop een kind kan lezen.
.

Denn wenn man anfängt, in einer solch ganz naturgemäßen Weise die Kinder zu unterrichten, dann lernen sie etwas später lesen, als man es heute verlangt. Wenn dann die Kinder von einer solchen Schule übertreten in eine andere Schule, dann können sie noch nicht soviel wie die Kinder der anderen Schule. Ja, aber es kommt doch gar nicht darauf an, was man sich aus dem materialistischen Kulturzeitalter für eine Vorstellung darüber gebildet hat, was das Kind mit acht Jahren können soll. Sondern es kommt darauf an, daß es vielleicht gar nicht gut ist für das Kind, wenn es zu früh lesen lernt. Denn da sperrt man auch wiederum für das spätere Leben etwas zu, wenn das Kind zu früh lesen lernt. Lernt das Kind zu früh lesen, dann führt man es zu früh in die Abstraktheit hinein. Und Sie würden unzählige spätere Sklerotiker beglücken für ihr Leben, wenn Sie ihnen nicht zu früh das Lesen bei brächten als Kinder.
.

Want wanneer je dan begint op zo’n heel natuurlijke manier de kinderen les te geven, dan leren ze wat later lezen dan men tegenwoordigt eist. Wanneer de kinderen dan van een dergelijke school naar een andere gaan, kunnen zij nog niet zoveel als de kinderen van de andere school. Ja maar, het komt er toch helemaal niet op aan wat voor een voorstelling men zich gevormd heeft in dit materialistische cultuurtijdperk van wat een kind op z’n achtste moet kunnen. Maar het komt erop aan, dat het misschien helemaal niet goed is voor kind, wanneer het te vroeg leert lezen. Want je blokkeert weer iets voor later als je een kind te vroeg leert lezen. Leert een kind te vroeg lezen, dan breng je het te snel in de wereld van de abstractie. En je zou ontelbare latere sclerotici een groot plezier doen in hun leven, wanneer je hen niet te vroeg als kind leert lezen.
GA 306/82
Niet vertaald

===

In GA 306 gaat Steiner ook in op de verschillende leesmethoden. Uiteraard is er weer sprake van allereerst uit de fantasie en de beweging de letters aanleren [5] en dan vanuit het geheel naar de delen – analytisch lezend – te werk gaan. [7]
.

Und dann werden wir sehen, daß es noch reichlich genügt, wenn wir auf diese Weise etwa bis nach dem 9. Jahr das Kind dazu bringen, daß es lesen kann. Es schadet nämlich gar nichts, wenn das Kind nicht früher lesen kann, denn es hat auf naturgemäße Weise das Lesen gelernt, wenn es in der eben geschilderten Art gelernt hat und etwa ein paar Monate über neun Jahre alt ist. Bei verschiedenen Kin­dern kann es etwas früher oder später sein.
.

En dan zullen we zien dat het rijkelijk volstaat, als we langs deze weg het kind iets na zijn negende ertoe brengen dat het kan lezen. Het kan namelijk helemaal geen kwaad als het kind nog niet eerder kan lezen, want het heeft op een natuurlijke manier leren lezen, wanneer het dat op de zojuist geschetste manier heeft geleerd en 9 jaar en een paar maanden is. Bij enkele kinderen kan dit iets eerder of iets later zijn.
GA 306/89
Niet vertaald

===

Vielleicht müssen Sie durch das alles, was hier verlangt wird, aus dem malenden Zeichnen, dem zeichnenden Malen das Lesen zu entwickeln, länger brauchen, um das Lesen an das Kind heranzubringen. Aber in dem Lebensalter, wo es dann darankommt, ist es dann doch eben möglich, das Lesen wirklich richtig an das Kind heranzubringen, ohne daß es im Körper, im ganzen Menschen zu flüchtig sitzt – wie es auch sein kann – und ohne daß es zu tief im Menschen drinnen sitzt und ihm förmlich jeder Buchstabe einen Ritz macht in der menschlichen Wesenheit.
.

Misschien heb je door alles wat hier gevraagd wordt, om uit het schilderend tekenen, het tekenend schilderen het lezen te ontwikkelen, langer nodig om het kind te leren lezen. Maar op de leeftijd waarop het er dan op aankomt, is het toch mogelijk het kind echt goed te leren lezen, zonder dat het te vluchtig in het lijf, in de hele mens zit – zoals ook kan – en zonder dat het te diep zit in de mens waarbij letterlijk iedere letter een kras maakt in het mensenwezen.
GA 306/113
Niet vertaald

===

In GA 309 gaat Steiner uitgebreid in op het aanleren van letters – voorbeeld 24/25/26 – en daarna:
.

Da wird man etwas länger brauchen zum Schreiben- und Lesenlernen; allein es ist dabei auch die viel gesundere Entwicklung für das ganze Erdenleben von der Geburt bis zum Tode berücksichtigt.
.

Dan zul je voor schrijven en lezen wat meer tijd nodig hebben; alleen is daarbij ook met de veel gezondere ontwikkeling voor het hele aardenleven van de geboorte tot aan de dood rekening gehouden.
GA 309/57
Vertaald/57

===

Op soortgelijke manier gaat dat in GA 310:
.

Indem wir diese Art, den Unterricht fortzuführen, in der Waldorf­schule gepflegt haben, hat sich herausgestellt, daß unsere Kinder etwas später als sonst Lesen lernen, sogar etwas später erst zum Schreiben von Buchstaben kommen als die Kinder anderer Schulen. Da muß man aber wirklich wieder in die Menschennatur erkennend hineinschauen, wenn man das beurteilen will. Bei dem heute mangelnden Sinn für Menschenerkenntnis bemerken die Menschen eben durchaus nicht, wie nachteilig es für die Gesamtentwicklung des Menschen ist, wenn er zu früh so abgelegene Beschäftigungen lernt wie Lesen und Schreiben. Und niemand wird im späteren Leben einen Mangel in seiner Lese- und Schreibekunst zu haben brauchen, der etwas später als sonst mit dem Lesen und Schreiben fertig wird; dagegen wird jeder einen großen Mangel in dieser Beziehung haben, der zu früh Lesen und Schreiben lernt. Eine auf Menschenerkenntnis gebaute Pädagogik muß durchaus davon ausgehen, die Entwicklung, die Lebensbedingungen der Men­schennatur abzulesen und im Sinne dieses Ablesens der Lebensbedin­gungen so dem Kinde zu helfen, daß die eigene Natur des Kindes her­auskommt. Einzig und allein dann ist die Erziehungskunst wirklich gesund.
.

Toen we deze manier om het onderwijs een stap verder te brengen, in de vrije school hebben toegepast, is gebleken dat onze kinderen iets later dan anders leren lezen, ja zelfs pas iets later komen tot het schrijven van letters dan kinderen van andere scholen. Maar als je dit goed wilt beoordelen, dan moet je er wederom echt met inzicht in de menselijke natuur naar kijken. Met hun huidige gebrekkige zin voor men menskundig inzicht merken de mensen helemaal niet hoe nadelig het voor de totale ontwik­keling van de mens is als hij zulke bezigheden als lezen en schrijven, die ver van hem af staan, te vroeg leert. En niemand hoeft in zijn latere leven een gebrek in zijn lees- en schrijfkunst te hebben als hij enigszins later dan normaal heeft leren lezen en schrijven. Daarentegen zal iedereen die te vroeg leert lezen en schrijven, in dit opzicht een groot gebrek hebben. Een op mens­kundig inzicht gebouwde pedagogie moet er absoluut van uit­gaan, de ontwikkeling, de levensvoorwaarden af te lezen aan de menselijke natuur. Als de opvoeder goed kan ‘aflezen’, kan hij het kind zó helpen, dat de eigen aard van het kind te voorschijn komt. Alleen dan is de opvoedkunst echt gezond.
GA 310/69
vertaald /73

===

Ook in GA 311  – voorbeeld 28/29 en dan:
.

Da kommen dann die Leute und sagen: Ja, aber die Kinder lernen dann spät erst Lesen und Schreiben. Das sagt man ja nur, weil man heute nicht weiß, wie schädlich es ist, wenn die Kinder früh lesen und schreiben lernen. Es ist sehr schlimm, wenn man früh schreiben kann. Lesen und Schreiben, so wie wir es heute haben, ist eigentlich erst etwas für den Menschen im späteren Lebensjahre, so im 11., 12. Le­bensjahre. Und je mehr man damit begnadigt ist, kein Lesen und Schreiben vorher fertig zu können, desto besser ist es für die späteren Lebensjahre. Derjenige, der noch nicht ordentlich schreiben konnte mit dem 14., 15. Lebensjahre – ich kann da aus eigener Erfahrung sprechen, weil ich es nicht konnte mit 14, 15 Jahren-, der verlegt sich nicht so viel für die spätere spirituelle Entwickelung, als der­jenige, der früh, mit sieben, acht Jahren schon fertig lesen und schreiben konnte. Das sind Dinge, die gerade der Lehrer beobachten muß.
.

Maar dan komen er mensen die zeggen: ja, maar dan leren de kinderen pas laat lezen en schrijven. Dat wordt alleen gezegd omdat men tegenwoordig niet weet, hoe schadelijk het is, wanneer kinderen vroeg leren lezen en schrijven. Het is zeer slecht wanneer je vroeg kunt lezen en schrijven. Lezen en schrijven, zoals wij het nu hebben, is eigenlijk pas iets voor de mens op een latere leeftijd, zo rond het 11e, 12e jaar. En hoe meer je gezegend bent vóór die tijd het lezen en schrijven niet te beheersen, des te beter is het voor het latere leven. Wie nog niet goed kan schrijven met z’n 14e, 15e jaar – ik spreek uit eigen ervaring, omdat ik het op mijn 14e, 15e niet kon – die mist niet zo veel voor zijn latere spirituele ontwikkeling, als degene die vroeg, met zeven, acht jaar al goed kan lezen en schrijven. Dat zijn dingen die nu juist een leerkracht  moet kunnen waarnemen.
GA 311/34
Vertaald/34

===

(1) Dit ‘ligt lager’ is met het oog op ‘de’ vrijeschool – daarmee bedoel ik hier de school die de aanwijzingen van Steiner over het schrijven en lezen serieus probeert gestalte te geven – te algemeen: er zijn scholen die het anders zijn gaan doen.
(2) Uitgave 1977

[1]   onze huidige lettervormen zijn ontstaan in het verleden; de vormen staan niet meer in verband met hun oorsprong; voor kinderen zijn het (wezens-)vreemde tekens

[2] om aan kinderen de lettertekens aan te leren, daarbij uitgaand van een beeld, is het niet nodig om de historische beelden te gebruiken. Eigen fantasie is voldoende.

[3] om de beelden te kiezen die voor het kind een letter gaan worden, is het van het grootste belang het wezenlijke verschil tussen klinker en medeklinker in acht te nemen.

[4] hoofdletter of kleine letter
De hoofdletter uit het oorspronkelijke Latijnse schrift. Het eerste schrijven is meer een tekenen: het gaat om het beeld en de klank.

[5] de conventionele letter wordt aangeleerd vanuit een beeld, eerst schilderend/tekenend of tekenend/schilderend; Steiners voorbeelden daarvan uit alle pedagogische voordrachten.

[6] de menskundige achtergronden van de schrijf- en leesmethode. Kunstzinnig werken: schilderen/tekenen; maar ook: vanuit de wil; totale mens – deel mens:hoofd; abstractie en intellect(ualisme); allerfysieks-halffysiek-bovenfysiek

[7] over de manier van leren lezen: van het geheel naar de delen – maar niet fanatiek; over leesmethodes (uit zijn tijd): spelmethode, klankmethode, normaalwoordenmethode; deze in verband gezien met het verschil klinker-medeklinker (zie [3])

schrijven/lezen: alle artikelen

Rudolf Steiner over…..: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: letterbeelden

1131-1052

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over schrijven en lezen (7)

.

tekst in blauw van mij; in groen van Steiner; in zwart de vertaling daarvan. ‘Niet vertaald’ wil zeggen: er is geen officiële vertaling; deze vertaling is dan van mij. Verbetersuggesties welkom: pieterhawitvlietatgmailpuntcom

.

Steiner vond het aanleren van het schrijven en het schrift vele malen belangrijker dan het aanleren van het lezen.
Je ziet dat terug in de hoeveelheid opmerkingen over beide aspecten.
De letters via een kunstzinnige weg uit beelden ontwikkelen is onderwerp in vrijwel alle pedagogische voordrachten; opmerkingen over lezen vind je alleen in de pedagogische voordrachten die ik hieronder heb weergegeven.

LEZEN: ANALYTISCH OF SYNTHETISCH

Je kunt de conclusie trekken: het een naast het ander, waarbij in het begin de nadruk ligt op het analyseren – als veel algemener principe dat ook in andere vakken (rekenen m.n.) terug te vinden is: van het geheel naar de delen

Na een uitleg en een voorbeeld van hoe je een letterbeeld kunt aanleren, begint Steiner tegelijkertijd de kinderen iets anders ook aan te leren – aanleren van letters uit de beelden en het schrijven van woorden in zinnen en het analyseren daarvan, gaat gelijk op – al zul je, wanneer je in de 1e klas met schrijven begint, in het eerste begin alleen letterbeelden ontwikkelen. ‘Een tijd lang’, zoals hieronder staat:
.

Wenn wir also eine Zeitlang in dieser Weise einzelnes herausgehoben haben aus dem ganzen Menschen, dann müssen wir dazu übergehen, dem Kinde begreiflich zu machen, daß nun die großen Menschen, wenn sie diese eigentümlichen Formen vor sich haben, darin einen Sinn entdecken. Indem das weiter ausgebildet wird, was das Kind so an Einzelheiten gelernt hat, gehen wir dazu über – ganz gleichgültig, ob das Kind das einzelne versteht oder nicht versteht -, Sätze aufzuschreiben. In diesen Sätzen wird dann das Kind solche Formen bemerken, wie es sie hier als f am Fisch kennengelernt hat. Es wird dann andere Formen da­neben bemerken, die wir jetzt aus Mangel an Zeit nicht herausholen können. Wir werden dann daran gehen, an die Tafel zu zeichnen, wie der einzelne Buchstabe im Druck aussieht, und wir werden eines Tages einen langen Satz an die Tafel schreiben und dem Kinde sagen: Dies haben nun die Großen vor sich, indem sie das alles ausgebildet haben, was wir besprochen haben als das f beim Fisch und so weiter. – Dann werden wir das Kind nachschreiben lehren.  (   )
.

Hebben we dus een tijdlang op deze wijze enkele dingen vanuit de gehele mens benaderd, dan moeten we er toe overgaan het kind begrijpelijk te maken dat de grote mensen, als ze deze eigenaardige vormen voor zich hebben, een zin daarin ontdekken. Terwijl het kind nog meer van zulke afzonderlijke details leert, gaan we er ondertussen toe over om hele zinnen op te schrijven – ongeacht of het kind alle details begrijpt of niet. In deze zinnen zal het kind dan vormen opmerken die het heeft leren kennen, zoals de v van vogel. Het zal daarnaast andere vormen herkennen, die we nu uit tijdgebrek niet kunnen behandelen. Dan zullen we op het bord tekenen hoe de afzonderlijke letters er als drukletters uitzien en op een dag zullen we een lange zin op het bord schrijven en zeggen: Dit hebben de grote mensen nu, doordat ze alle vormen gemaakt hebben zoals wij bij de v van vogel. – Dan zullen we het kind leren overschrijven. (   )
.

Dann gehen wir den umgekehrten Weg: Den Satz, den wir hinge­schrieben haben, zergliedern wir, und die andern Buchstabenformen, die wir noch nicht aus ihren Elementen herausgeholt haben, zeigen wir durch Atomisieren der Worte, gehen von dem Ganzen zu dem Ein­zelnen. Zum Beispiel: hier steht KOPF. Jetzt lernt das Kind zuerst «KOPF» schreiben, malt es einfach nach. Und nun spalten wir das KOPF in K, O, P, F, holen die einzelnen Buchstaben aus dem Worte heraus; wir gehen also von dem Ganzen ins Einzelne.
.

Dan gaan we de omgekeerde weg. De zin die we opgeschreven hebben, delen we op, en de andere lettervormen die we nog niet uit hun betekenis hebben afgeleid, tonen we door de woorden in stukjes te hakken. We gaan van het geheel naar de delen. Een voorbeeld: hier staat KOP. Nu leert het kind eerst KOP schrijven, het tekent het gewoon na. En dan splitsen we het woord KOP in K   O   P.   We halen de afzonderlijke letters te voorschijn uit het woord. We gaan dus van het geheel naar de delen.
GA 294/13
vertaald/13-14

=

Gezien het feit dat Steiner voortdurend de nadruk legt op het uitspreken van de beginKLANK, wanneer hij een letterbeeld tot letter maakt, moeten de letters K O P ook als klank worden uitgesproken:  Ku     O (kort)   Pu

Er volgt nog een voorbeeld van iets opschrijven wat de kinderen nog niet kennen ( en kunnen), waarbij ook weer geanalyseerd wordt:

Die Reihenfolge ist der Buchstaben ist gleichgültig. Sie brauchen nicht alphabetisch vorzugehen. Sie könnenen das Schreiben und Lesen so zu entwickeln, wie es aus Ihrer eigenen, freien imaginativen Phantasie folgt.
.
Dann gehen Sie dazu über zu sagen: Sieh, wenn die Großen das, was das Bad ist, niederschreiben wollen, so schreiben sie das folgendermaßen nieder:
BAD. Dies also ist das Bild desjenigen, das du aussprichst, indem du «Bad» sagst, das Bad bezeichnest. – und dabei will ich eine Zwischenbemerkung machen: es kommt im Unterrichten sehr darauf an, daß man in rationeller Weise schlau ist, das heißt, daß man immer hinter den Kulissen auch etwas hat, was wieder zur Erziehung und zum Unterrichte beiträgt. Es ist gut, wenn Sie zu dem, was ich jetzt entwickeln werde, gerade das Wort Bad verwenden, damit das Kind dadurch, daß es jetzt in der Schule ist, sich an ein Bad, an das Waschen überhaupt erinnert, an die Reinlichkeit. So etwas immer im Hintergrunde zu haben, ohne daß man es ausgesprochen charakterisiert und in Ermahnungen kleidet, das ist gut. Seine Beispiele so wählen, daß das Kind gezwungen ist, an etwas zu denken, was zu gleicher Zeit zu einer moralisch-ästhetischen Haltung beitragen kann, das ist gut.Jetzt lasse ich wieder eine Anzahl von Schülern einfach dieses nachschreiben, damit die Kinder jedesmal, wenn sie so etwas bekommen, die Sache auch schon in das Händchen hineinbekommen, daß sie es nicht bloß mit dem Anschauen, sondern mit dem ganzen Menschen auffassen. Jetzt werde ich sagen: Sieh, du fängst an «Bad» zu sagen. Wir wollen jetzt einmal den Anfang uns klarmachen: B. – Das Kind muß geführt werden von dem Aussprechen des ganzen Wortes BAD zu dem Aushauchen des Anfangslautes,  wie 294/69 ich es für den Fisch gezeigt habe. Und nun muß dem Kinde klarge­macht werden: Wie dies BAD das Zeichen ist für das ganze Bad, so ist das B das Zeichen für den Anfang des Wortes BAD.
Wenn du sprichst Band, so fängst du geradeso an; wenn du sprichst Bund, was manche Frauen auf dem Kopf tragen, einen Kopfbund, so fängst du es ebenso an. Dann hast du vielleicht im Tiergarten schon einen Bären gesehen: da fängst du ebenso an zu hauchen; jedes dieser Worte fängt mit demselben Hauch an. – Auf diese Weise versuche ich beim Kinde überzugehen von dem Ganzen des Wortes zu dem Anfange des Wortes, es überzuführen zu dem bloßen Laut beziehungsweise zum Buchstaben; immer aus dem Worte heraus einen Anfangsbuchstaben zu entwickeln.
.

U hoeft niet de alfabetische volgorde aan te houden, ik doe het nu alleen opdat u een overzicht heeft.

Laten we eens kijken hoe ver we komen als we het schrijven en lezen ontwikkelen vanuit uw eigen vrije, imaginatieve fantasie. Ik zou bijvoorbeeld tegen een kind zeggen: Je weet wat een bad is… Nu wil ik iets tussendoor opmerken: het komt er bij het lesgeven zeer op aan, dat men op een rationele wijze slim is, dat wil zeggen, dat men altijd iets achter de hand heeft wat ook weer bijdraagt tot de opvoeding en het onderwijs. Het is goed wanneer u bij hetgeen ik nu zal behandelen juist het woord ‘bad’ gebruikt. Want daardoor denkt een kind op school aan een bad, aan het wassen in het algemeen, aan schoon zijn. Het is goed om zoiets altijd achter de hand te hebben, zonder het expliciet te benadrukken of in vermaningen te verpakken. Het is goed om de voorbeelden zo te kiezen dat het kind gedwongen is aan iets te denken dat tevens bijdraagt tot een morele, esthetische houding. Dan zegt u: Kijk, als de grote mensen willen opschrijven wat het bad is, dan schrijven ze BAD. Deze letters geven weer wat je zegt als je ‘bad’ zegt en het bad bedoelt. Nu laat ik dit weer door een paar leerlingen overschrijven, opdat de kinderen steeds als ze zoiets te horen krijgen het ook ‘in de vingers’ krijgen, zodat ze het niet alleen met hun voorstellingsvermogen, maar met de gehele mens in zich opnemen. Nu zeg ik: Nu begin je ‘bad’ uit te spreken. Laten we eens kijken wat het begin is: B. Het kind moet van het uitspreken van het hele woord ‘bad’ overgaan naar het uiten van de beginklank — net zoals ik bij de vogel heb laten zien. En nu moet men het kind duidelijk maken: zoals het woord ‘BAD’ het teken is voor het hele bad, zo is de B het teken voor het begin van het woord ‘BAD’.
Dan wijs ik het kind er op dat zo’n begin ook bij andere woorden voorkomt. Ik zeg: Als je ‘band’ zegt, begint dat woord precies hetzelfde. Net zo met het woord ‘boter’ – dat wat je op je brood smeert. Dan heb je misschien in de dierentuin wel eens een beer gezien. Dan is de eerste letter die je uitspreekt weer precies dezelfde. Al die woorden beginnen op dezelfde manier. Zo probeer ik het kind de overgang te laten maken van het hele woord naar het begin, de overgang naar één enkele klank, respectievelijk één enkele letter. We ontwikkelen altijd vanuit het gehele woord de beginletter.
GA 294/68-69
vertaald/58-59

=

Misschien zo langzamerhand ten overvloede…… Het kind moet van het uitspreken van het hele woord ‘bad’ overgaan naar het uiten van de beginkKLANK.

Immer wurde das Bild von dem Anfang des Wortes zur Lautbezeichnung.
Dann geht man dazu über, das Kind darauf aufmerksam zu machen, daß das, was es so für den Anfang eines Wortes angeschaut hat, auch in der Mitte der Worte vorkommt. Also gehe man dazu über, zu dem Kinde zu sagen: Sieh einmal, du kennst das, was draußen auf den Fel­dern oder Bergen wächst, was im Herbst eingeerntet wird und aus dem der Wein bereitet wird: die Rebe. Die Rebe schreiben die Großen so:
REBE. Jetzt überlege dir einmal, wenn du ganz langsam sprichst: Rebe, da ist in der Mitte dasselbe drinnen, was bei BÄR am Anfang war. -Man schreibt es immer zunächst groß auf, damit das Kind die Ahnlich­keit des Bildes hat. Dadurch bringt man ihm bei, wie das, was es für den Anfang eines Wortes gelernt hat, auch in der Mitte der Worte zu finden ist. Man atomisiert ihm weiter das Ganze.
.

Vervolgens wijst men de leerlingen er op, dat dat wat aan het begin van woorden staat ook midden in woorden voorkomt. Dan kan men zeggen: Je kent wel dat ding in de keuken, waar taarten of broden in gebakken worden: een oven. De grote mensen schrijven dat zo op: OVEN. Luister eens heel goed als je het langzaam uitspreekt: oven, dan vind je in het midden hetzelfde als wat bij de VOGEL aan het begin staat. Men schrijft alles eerst met hoofdletters, zodat het kind hetzelfde beeld voor zich heeft. Daardoor leert men het kind dat de beginklanken ook midden in de woorden te vinden zijn. Men deelt verder het geheel in delen op.
GA 294/70
vertaald/62

=

Es handelt sich darum, daß man auch zum Beispiel bei dem Erklären der Buchstaben nicht in erster Linie von einer synthetischen Betätigung, sondern von einer analytischen Betatigung ausgeht. Sagen wir zum Beispiel, ich lasse das Kind ein Wort sprechen, das Wort Fisch, und dann schreibe ich ihm einfach auf die Tafel hin – indem ich darauf zähle, daß ich mit ihm, so wie ich es geschildert habe, Zeichnen getrie­ben habe -, ich schreibe ihm, bevor es irgend etwas von einem Buch­staben weiß, das Wort Fisch hin. Ich versuche sogar, dieses ganze Wort­bild, ohne daß ich es in Buchstaben zunächst gliedere, einzuprägen. Ich versuche sogar, das Kind, nachdem es lange genug eben das Zeichnen getrieben hat, so wie ich es auseinandergesetzt habe, das Wort nach-bilden zu lassen, ohne daß es zunächst eine Ahnung hat davon, daß da ein F-I-SCH drinnen ist. Einfach dasjenige, was ich auf der Tafel habe, das soll das Kind nachahmen. Und bevor ich zu den Buchstaben über­gehe, versuche ich sogar öfter, das Kind fertige Worte nachmalen zu lassen. Und dann versuche ich die Analyse. Dann versuche ich, das Kind aufmerksam darauf zu machen, wie es das Wort beginnt: F, analysiere das F heraus, analysiere dann das I heraus und so weiter. Also es ist etwas, was einfach der menschlichen Natur entgegenkommt, daß man nicht von den Buchstaben ausgeht, sie synthetisch zusammen­setzt , zu Worten, sondern daß man vom ganzen Worte ausgeht und analysierend zu den Buchstaben geht.
.

Het gaat erom dat je ook bijv. bij de uitleg van letters niet in de eerste plaats van de synthese uitgaat, maar van de analyse.We laten het kind een woord uitspreken, bijv. ‘vis’ en ik schrijf dat gewoon op het bord – door erop te vertrouwen dat ik met hem getekend heb, zoals ik geschetst heb – ik schrijf – nog voor het iets van letters weet, voor hem het woord ‘vis’op. Ik probeer zelfs dit hele woordbeeld, nog vóór ik het woord al in letters zou verdelen, hem in te prenten. Ik probeer zelfs het kind, nadat het lang genoeg getekend heeft, zoals ik uiteengezet heb, dit woord te laten namaken, zonder dat het er in het begin een notie van heeft dat daar ‘V-I-S’; staat. Simpelweg wat ik op het bord heb staan, moet het kind nadoen. En dan ga ik analyseren. Dan probeer ik het kind er attent op te maken dat het woord met V begint, ik analyseer de V, de I, en de S. Dit is eenvoudigweg iets wat bij de natuur van de mens hoort: dat je niet van de letters uitgaat die je bij elkaar zet – synthese – als woord, maar dat je van het hele woord uitgaat en dan verdelend – analyse – naar de letters gaat.
GA 301/155
Niet vertaald

=

Da kann man auch, ich möchte sagen, parallel gehend den Rechenunterricht in den Dienst der Menschheitsentwicklung stellen und den Sprachunterricht, indem man von dem Ganzen zu den einzelnen Buchstaben übergeht. Und es ist tat­sächlich erhebend, in unserer Waldorfschule zu sehen, wie sich die Kin­der bemühen, wenn sie das ganze Wortbild haben, herauszukriegen:
Wie lautet’s so, wie klingt’s so, was ist in der Mitte? – und in dieser Weise zu den Buchstaben überzugehen. Wenn man da atomisiert, ana­lysiert, dann werden die Kinder ganz sicher zum Materialismus, zum Atomismus keine Neigung haben, so wie sie heute alle Menschen aus dem Grunde haben, weil sie in der Schule nur zum Synthetisieren ange­regt werden und daher ihr analytisches Bedürfnis, ihr Zerteilungsbedürfnis dann für die Weltanschauung im Leben entfalten wollen.
.

(   )   taalles als je vanuit het geheel overgaat naar de aparte letters. En het is echt verheffend om op onze vrijeschool te zien hoe de kinderen zich uitsloven wanneer ze het hele woordbeeld voor zich hebben om uit te vinden: hoe klinkt het zo, hoe zo, wat staat in het midden? – en op deze manier bij de letters te komen. Wanneer je hier uiteenrafelt, analyseert, zullen de kinderen vast en zeker geen neiging tot materialisme, tot atomisme krijgen, zoals de mens die tegenwoordig heeft, omdat op school de synthese aangemoedigd wordt en hij zijn behoefte aan analyse , de behoefte de dingen uiteen te rafelen dan ontplooien wil op het gebied van wereldbeschouwing.
GA 301/160
Niet vertaald

=

In GA 306 gaat Steiner in op leesmethodes die gangbaar waren in zijn tijd. Hij heeft het over
‘Buchstabiermethode, Lautiermethode en Normalmethode’.

Bij ‘buchstabieren’ – wat wij ‘spellen’ noemen, worden de namen van de letters uitgesproken. Een woord als ‘kop’ wordt ‘kaa-oo-pee’.

Bij de ‘Lautiermethode’ gaat het om de klank van de letter. ‘kop’ wordt dan:
Ku    – O (kort) –   Pu

Bij de ‘normaalwoordenmethode’ (in Nederland de methode Hoogeveen, met het leesplankje ‘aap-noot- mies’ enz) ‘Normalmethode’ (Normalwörtermethode) worden niet eerst de letters geleerd om daarmee lettergrepen en woorden te vormen, maar er wordt uitgegaan van een beeld van een voorwerp en het woord wordt verdeeld in lettergrepen en letters en weer samengevoegd tot woord. Later sprak men van ‘Ganzwortmethode’. Deze methode gaat uit van het woord als geheel, dat vervolgens geanalyseerd wordt. De spel- en klankmethode zijn in vergelijking hiermee meer synthetiserende methoden.
blz. 84

Am meisten schaden – und zwar gerade diesem Lebensalter ge­genüber so vom 7., 8., 9. Jahr – am meisten schaden die einseitigen Illusionen, diese fixen Ideen, die man sich macht: das oder jenes soll so oder so geschehen. Man ist zum Beispiel so ungeheuer stolz dar­auf, daß so im Laufe des 19. Jahrhunderts, aber schon im 18.Jahrhundert vorbereitet, die alte Buchstabiermethode übergegangen ist in die Lautiermethode und dann in die Normalwörtermethode beim Le­senlernen. Und weil sich die Leute heute schämen, das Alte irgendwie noch zu respektieren, so wird man ja heute kaum noch einen Menschen finden, der schwärmen würde für die alte Buchstabierme­thode. Er wäre ein dummer Kerl nach Ansicht der Gegenwart, das gibt es ja nicht – also darf er nicht mehr schwärmen für die alte Buch­stabiermethode. Die Lautiermethode, aber auch die Normalwörtermethode werden angewendet. Man ist sehr stolz auf die Lautierme­thode, wo dem Kinde der Lautcharakter beigebracht wird. Das Kind lernt nicht: das ist ein P oder das ist ein N oder das ist ein R, sondern es lernt alles auszusprechen, so wie es im Worte drinnen lautet. Nun ja,
.

Het meest schadelijk – en wel wat deze leeftijd van 7,8,9 jaar betreft, het meest schadelijk zijn de eenzijdige illusies, deze starre ideeën die men koestert: dit of dat moet zus of zo gebeuren. Men is er bijv. buitengewoon trots op dat zo in de loop van de 19e eeuw, echter al in de 18e eeuw voorbereid, de oude spelmethode (Buchstabiernethode) veranderd is in de klankmethode (Lautiermethode) en dan in de ‘Normalwörtermethode’ voor het leren lezen. En omdat de mensen zich nu schamen het oude nog te respecteren, zul je tegenwoordig nog nauwelijks iemand vinden die de oude spelmethode bejubelt. Naar de huidige opvatting een domkop, dus nee, de oude spelmethode mag niet meer bejubeld worden.
De klankmethode, maar ook de normaalwoordenmethode worden gebruikt. Men is erg trots op de klankmethode, waarmee het kind de klank wordt bijgebracht. Het kind leert niet: dit is een p(ee) of dat is een (e)n of dat is een (e)r, maar het leert alles uitspreken, zoals het in een woord klinkt. Wel,

blz.85

das ist ganz gut. Die Normalwörtermethode ist auch gut, wo man manchmal von ganzen Sätzen ausgeht, wo man dem Kinde den Satz bildet, dann erst analysierend zu dem Worte und dem einzelnen Laut geht. Aber schlimm ist es, wenn diese Dinge schrullenhaft werden. Die Gründe für alle drei Methoden, sogar für die alte Buchstabier­methode, die Gründe sind alle gut, sind alle geistreich – es läßt sich nicht leugnen, daß die Dinge alle geistreich sind. Aber woherkommt es, daß sie geistreich sind? Das kommt von dem Folgenden. Denken Sie, Sie haben einen Menschen nach der Photographie gekannt und immer en face gesehen. Da haben Sie halt so irgendeine Vorstellung von dem Menschen. Jetzt kriegen Sie einmal ein Bild in die Hand, und es sagt einer: Das ist das Bild von dem Menschen. – Das Bild ist nun ein Profilbild. Sie werden sagen: Aber nein, das ist doch ein ganz fal­sches Bild! der Mensch schaut ja ganz anders aus: hier das Bild en face, das ist das richtige Bild, das andere ist ganz falsch. – Es ist das Bild desselben Menschen in diesem Falle, aber es ist von der anderen Seite aufgenommen.
.

dat is heel goed. De normaalwoordenmethode is ook goed wanneer men van hele zinnen uitgaat, waarbij men voor het kind een zin vormt en dan pas analyserend naar de woorden gaat en naar de losse letters. Maar verkeerd is, dat het doorschiet. De basis voor alle drie de methoden, ook voor de oude spelmethode, is wel goed, zijn wel geestrijk – je kunt niet ontkennen dat het geestrijk is. Maar waardoor komt dat? Dat komt zo. Denk je eens in dat je een mens kent van een foto, dat je hem steeds en face hebt gezien. Dan heb je van die mens een bepaalde voorstelling. Nu krijg je een foto in handen en iemand zegt: ‘Dit is een foto van een mens.’ Het is een foto en profile. Je zou zeggen: ‘Nee toch, dat is toch een heel verkeerde afbeelding! De mens ziet er heel anders uit: hier, de foto en face, dat is het juiste beeld, het andere is helemaal verkeerd.’- In dit geval is het een foto van hetzelfde mens, alleen van een andere kant genomen.
.

Und so ist es im Leben immer – die Dinge im Leben müssen überall von den verschiedensten Seiten betrachtet wer­den. Man kann sich ja zwar in irgendeinen einseitigen Standpunkt verlieben, weil er sehr geistreich sein kann, man kann seine guten Gründe haben, man kann die Buchstabiermethode, die Lautierme­thode, die Normalwörtermethode verteidigen, und der Gegner wird einen nicht widerlegen können, weil man ja nur an seine eigenen Gründe selbstverständlich glaubt. Das ist gut möglich, daß die be­sten Gründe vorgebracht werden, aber: es sind Einseitigkeiten. In der Lebenspraxis müssen die Dinge eben immer von den verschie­densten Seiten angegriffen werden.
Wenn man schon einmal aus dem malenden Zeichnen, dem zeich­nenden Malen heraus die Formen gewonnen hat, und wenn man dann übergegangen ist dazu, daß man allerdings jetzt ganz gut tut, eine Art Lautier- oder Wörtermethode zu pflegen, damit man das Kind nicht so sehr sich an die Einzelheiten verlieren läßt, sondern es hinlenkt zum Ganzen, so ist doch wiederum dem materialistischen Zeit­alter eines abhanden gekommen, und das ist das Folgende: der Laut als solcher, das einzelne M, das einzelne P, das ist eben auch etwas.
.

En zo is het in het leven altijd: de dingen in het leven moeten overal vanuit de meest verschillende kanten bekeken worden. Weliswaar kun je verliefd worden op een of ander eenzijdig standpunt, omdat dit zeer geestrijk kan zijn, je kunt er gegronde redenen voor hebben; je kan de spelmethode, de klankmethode en de normaalwoordenmethode verdedigen en de opponent zal het niet kunnen weerleggen, omdat men vanzelfsprekend aan zijn eigen redenen hecht. Het is goed mogelijk dat de beste redenen aangevoerd worden, maar: het zijn eenzijdigheden. In de praktijk van het leven moeten de dingen nu eenmaal steeds vanuit de meest verschillende kanten benaderd worden.
Wanneer je al eens van het schilderende tekenen, het tekenend schilderen vormen ontwikkeld hebt en wanneer je er dan toe over bent gegaan – daar doe je zeker heel goed aan – een soort van klank- of woordenmethode toe te passen opdat het kind zich niet te veel in details hoeft te verliezen, maar op de totaliteit gewezen wordt, dan is er toch in de materialistische tijd weer wat verloren gegaan en wel: de klank als zodanig, de losse m, de losse p, die zijn er ook nog.

blz. 86

Und es kommt darauf an, daß, wenn der Laut im Wort drinnen ist, er schon den Weg nach der Außenwelt genommen hat, da ist er schon übergegangen in die materiell-physische Welt. Das, was wir in der Seele haben, sind nämlich die Laute als solche, und das hängt sehr stark ab von der Art und Weise, wie unsere Seele beschaffen ist. In­dem wir buchstabieren, sprechen wir, wenn wir das M ausdrücken wollen, eigentlich EM. Der Grieche tat das nicht, der Grieche sprach MY. Das heißt: er setzte den Hilfsvokal nach dem Konsonanten, wir setzen ihn vorher. Wir bekommen den Laut heute in Mitteleuropa, indem wir vom Vokalischen zum Konsonantischen den Weg nehmen. Denselben Laut bekam man in Griechenland, indem man den umge­kehrten Weg ging. Das weist hin auf die Seelenverfassung, die da zu­grunde liegt.
Das ist außerordentlich wichtig und bedeutsam. Denn derjenige, der nun nicht bloß auf das Äußerliche der Sprache schaut, wie nun die Sprache schon einmal geworden ist als Bedeutungssprache – unsere Sprachen sind ja fast alle Bedeutungssprachen, wir haben in den Wor­ten kaum mehr etwas anderes als Zeichen für das, was draußen ist
.

En het komt erop aan dat wanneer de klank in een woord zit, deze al onderweg is naar de buitenwereld, die is al overgegaan naar de stoffelijke wereld. Wat we in onze ziel hebben zijn namelijk de klanken als zodanig en dat hangt zeer sterk af van hoe onze ziel is. Wanneer we spellen, spreken we, wanneer we de m willen zeggen, eigenlijk em. De Griek deed dat niet, de Griek zei my. Dat betekent: hij plaatste een hulpklinker na de medeklinker, wij zetten hem ervoor. Tegenwoordig krijgen we in Midden-Europa de klank wanneer we vanuit de klinker naar de medeklinker gaan. Dezelfde klank kreeg je in Griekenland langs de omgekeerde weg. Dat wijst op de zielengesteldheid die daaraan ten grondslag ligt.
Dat is heel belangrijk en betekent veel. Degene die niet alleen naar het uiterlijk van de taal kijkt, zoals de taal nu eenmaal geworden is, begripstaal – onze talen zijn bijna allemaal begripstalen, we hebben in de woorden nauwelijks meer iets anders dan tekens voor wat buiten ons is –
.

derjenige, der von da zurückgeht auf das Seelische, das in den Wor­ten lebt, das überhaupt in der Sprache lebt, der kommt schon zurück zu dem sogenannten Laut. Denn alles Konsonantische hat einen ganz anderen Charakter als alles Vokalische. 
Sie wissen: In bezug auf die Entstehung der Sprache gibt esja die mannigfaltigsten Theorien. Es ist da wiederum so wie bei der Photographie. Unter anderem hat man ja zum Beispiel die «Wau-Wau» -Theorie. Sie besteht ja darin, daß man meint: dasjenige, was der Mensch sprachlich bildet, das ahmt er dem nach, was als Laut heraustönt aus Wesenheiten. Er ahmt nach dieses Wesenhafte. Er hört den Hund: Wau-Wau. Wenn er selbst glaubt, ein Ähnliches in seiner Seelenverfassung auszudrük­ken, so gebraucht er auch einen ähnlichen Laut. Es ist nichts dagegen einzuwenden. Es sind sehr viele Gründe für diese Wau-Wau-Theorie anzuführen, sehr geistreiche Gründe. Wenn man nur auf ihrem Bo­den stehenbleibt, sind sie nicht zu widerlegen. Aber das Leben besteht nicht in Begründung und Widerlegung, sondern das Leben besteht in lebendiger Bewegung, in Transformation, in lebendiger Metamorphose.
.

degene die van daaruit teruggaat op wat aan gevoel in de woorden leeft, wat zeer zeker in de taal leeft, komt weer terug op de zgn. klinker. Want al het consonantische heeft een heel ander karakter dan al het vocale.
U weet, m.b.t. het ontstaan van taal zijn er de meest uiteenlopende theorieën. Het is hier net als met de foto’s. Je hebt o.a. bijv. de ‘wau-wau’-theorie. (3) Die behelst dat men van mening is: wat de mens sprekend doet, is nabootsen van wat als klank uit een wezen komt. Hij bootst dit ‘wezen’lijke na. Hij hoort een hond: ‘Waf, waf’. Wanneer hij zelf denkt dat hij net zoiets vanuit zijn gemoedsstemming uitdrukt, dat hij dan ook een soortgelijke klank gebruikt. Daar is niets tegen in te brengen. Er zijn veel redenen voor deze waf-waftheorie aan te voeren, zeer geestrijke redenen. Wanneer je slechts bij deze redenen blijft, zijn ze niet te weerleggen. Maar het leven bestaat niet uit bewijs en het weerleggen daarvan, het leven bestaat uit een levendige beweging, uit transformatie, uit levendige metamorfose.

blz. 87

Was an einer Stelle richtig ist, ist von einer anderen Stelle aus falsch, und umgekehrt. Das Leben muß in seiner ganzen Beweglich­keit erfaßt werden. – Sie wissen: es gibt eine andere Theorie, die der Wau-Wau-Theorie gegenübersteht und sie bekämpft. Da leitet man das Entstehen der Sprache davon her, daß so, wie wenn eine Glocke angeschlagen wird, das Metall eine bestimmte innere Konstitution hat und dieser oder jener Laut dann herauskommt, so sich der Mensch den Dingen gegenüber verhält. Es ist mehr ein Sichhereinfühlen in die Dinge, nicht ein äußeres Nachahmen, bei dieser Bim-Bam-Theo­rie. Sie ist wiederum durchaus richtig für gewisse Dinge. Man kann sagen, diese Theorie hat viel für sich, die Wau-Wau-Theorie auch. Aber die wirkliche Sprache entsteht nämlich weder auf dem Bim­Bam-Weg noch auf dem Wau-Wau-Weg, sondern auf beide Arten und noch auf manche andere Art. Es sind Einseitigkeiten. Manches in unserer Sprache ist wirklich so gebildet, daß das Bim-Bam erfühlt ist, manches ist so, daß es Wau-Wau oder Muh-Muh nachgebildet ist.
.

Wat op de ene plaats juist is, is vanuit een ander standpunt fout en omgekeerd. Het leven moet in zijn volle beweeglijkheid begrepen worden. – U weet: er bestaat een andere theorie, tegengesteld aan de ‘woef-woeftheorie en deze bestrijdt. Het ontstaan van de taal wordt afgeleid van de omstandigheid dat wanneer er op een klok wordt geslagen, en het metaal van een bepaalde samenstelling is, dit of dat geluid klinkt en zo verhoudt de mens zich ook tot de dingen. Het is meer een voelend zich inleven in de dingen, niet een uiterlijk nabootsen, bij deze ‘bim-bam’theorie. Ook nu is deze zeker juist voor bepaalde dingen. Je kunt zeggen, op zich zit er veel in deze theorie, ook in de waf-waftheorie. Maar de echte taal ontstaat toch noch langs de bim-bamweg, noch langs de waf-wafweg, maar via beide vormen en nog vele andere. Het zijn eenzijdigheden. Veel in onze taal is inderdaad zo gevormd dat daarbij het bim-bam gevoeld is, dat waf-waf of boe-boe nagebootst is.
.

Es ist durchaus so: es sind beide Theorien richtig und manche andere auch noch. Es kommt aber darauf an, daß man das Leben er­faßt. Erfaßt man das Leben, dann wird man finden, daß die Wau­Wau-Theorie mehr paßt für die Vokale, die Bim-Bam-Theorie für die Konsonanten ; aber wieder nicht ganz, es sind wieder nur Einsei­tigkeiten. Doch zuletzt kommt man darauf, zu erkennen – wie ich es schon in der kleinen Schrift «Die geistige Führung des Menschen und der Menschheit»> angedeutet habe -, daß die Konsonanten in der Tat nachgebildet sind den äußeren Geschehnissen und den äußeren For­men der Dinge: sie bilden das F dem Fisch nach, das M dem Mund nach, oder das L dem Laufen nach usw. Die Konsonanten sind schon so entstanden, daß sie in einem gewissen Sinne zu der Bim-Bam­Theorie stimmen – aber nur feiner ausgestaltet müßte sie werden. Die Vokale aber sind Ausdrucksweisen, Offenbarungen für das Innere des Menschen. Da ahmt er nicht in der Form, die er dem Laut oder dem Buchstaben gibt, das Äußere nach, da ahmt er überhaupt zu­nächst nicht nach, sondern da drückt er seine Gefühle von Sympathie und Antipathie aus. Sein Gefühl von Freude oder Neugierde mit I; von Staunen oder Verwunderung: A, ich bin erstaunt ; E, ich will
.

Zo is het beslist: beide theorieën zijn juist en vele andere ook. Maar het komt erop aan, dat je het leven begrijpt. Begrijp je het leven, dan vindt je dat de waf-waftheorie meer aansluit bij de klinkers, de bim-bamtheorie meer bij de medeklinkers; maar weer niet helemaal, opnieuw zijn het eenzijdigheden. Maar uiteindelijk kom je tot het inzicht – zoals ik dat in een boekwerkje ‘De geestelijke leiding van mens en mensheid’ aangegeven heb* -, dat de medeklinkers werkelijk nagevormd zijn van gebeurtenissen en vormen van dingen in de buitenwereld: ze vormen de V naar de vorm van de vis, de M van de mond of de L van het lopen enz. De consonanten zijn dus zo ontstaan dat ze in zekere zin overeenstemmen met de bim-bamtheorie – die zou fijner afgestemd moeten worden. De vocalen zijn een manier van uitdrukken, van uiten van het innerlijk van de mens. Hier wordt de vorm voor een klank of een letter niet nagebootst van iets uit de buitenwereld; hierbij wordt helemaal niets nagebootst, maar gevoel wordt tot uitdrukking gebracht, sympathie en antipathie. Zijn gevoel van vreugde of nieuwsgierigheid met de I; van verbazing of verwondering: A, ik ben verbaasd; E, ik wil
GA 15
vertaald

blz. 88

etwas weg haben, was mich stört ; U, ich fürchte mich ; Ei, ich habe dich lieb. Alles dasjenige, was in den Vokalen liegt, das ist unmittel­bare Offenbarung der seelischen Sympathien und Antipathien. Es ent­steht zwar nicht durch Nachahmung, aber so: Der Mensch will sich äußern, will seine Sympathien und Antipathien äußern. Nun hört er an dem Hunde, wenn der Hund etwas Schreckhaftes erfassen will, Wau-Wau: da paßt er sich an, wenn sein Erlebnis ähnlich ist dem Wau-Wau des Hundes, und dergleichen. Es ist aber der Weg des Vokalisierens ein solcher von innen nach außen ; es ist der Weg des Konsonantierens von außen nach innen, von dem Nachbilden. Schon im Laute bildet man nach. Sie werden das nachweisen können, wenn Sie auf Einzelheiten eingehen.
Sie werden aber dann sehen, weil das nur für die Laute gilt, nicht für Worte – es hängt nicht an der Seele -, daß es schon ein Fortfüh­ren des Wortes ist zum ursprünglichen Seelenzustad, wenn man dann auch in der Analyse so weit kommt, daß man dem Kinde Buch­staben bei bringt. So daß man sagen kann: man muß nur richtig er­fassen dasjenige, was das Kind in einem bestimmten Lebensalter sel­ber fordert, man wird dann im Grunde genommen lauter Buchstaben durcheinander anwenden, so wie ein ordentlicher Photograph –
.

iets niet, wat me stoort; U, ik ben bang; Ei, ik heb je lief. Alles wat in de vocalen ligt, is een onmiddellijk zich uiten van de gevoelens van sympathie en antipathie. Dat ontstaat niet door nabootsing, maar aldus: de mens wil zich steeds uiten, wil zijn sympathieën en antipathieën uiten. Nu hoort hij bij de hond wanneer deze iets waarvan hij schrikt, wil grijpen: waf, waf: hij past zich erbij aan wanneer zijn beleving lijkt op het waf-waf van de hond en dergelijke. Het is de weg van het vocaliseren van iets van binnenuit naar buiten toe; het is de weg van consonant worden van buitenaf naar binnen toe. Je kan het zien, wanneer je op de details ingaat.
Maar dan zal je ook zien, omdat dit alleen voor de klanken geldt, niet voor de woorden – dat zit niet aan de ziel vast – dat het meer een verder leiden van het woord is tot de oorspronkelijke zielentoestand, ook al kom je dan met de analyse zo ver dat je het kind letters aanleert. Zodat je kunt zeggen: je moet wel goed weten wat het kind op een bepaalde leeftijd vanuit zichzelf vraagt en dan zul je in wezen alleen maar letters door elkaar gebruiken, zoals een bekwame fotograaf –
.

einem ja meistens gerade dadurch lästig werden kann – auch den Betreffenden sich drehen läßt und ihn von allen Seiten photographiert ; dann hat er ihn erst. So ist es auch notwendig, daß derjenige, der her­ankommen will an den Menschen, diesen Menschen eben von allen Seiten erfaßt. Mit der Normalwörtermethode erfaßt man nur das Körperlich-Leibliche. Mit der Lau tiermethode kommt man schon dem Seelischen nahe, und – horribile dictu -ja, es ist schrecklich zu sagen: mit der Buchstabiermethode kommt man ganz ins Seelische hinein. Das Letzte ist selbstverständlich heute noch Idiotismus, aber seeli­scher ist es zweifellos ; nur ist es nicht unmittelbar anzuwenden. Man muß es mit einer gewissen pädagogischen Geschicklichkeit und Pra­xis, mit künstlerischer Pädagogik an das Kind heranbringen, so daß das Kind nicht dressiert wird, den Buchstaben konventionell auszu­sprechen, sondern daß es das Entstehen des Buchstabens erlebt, was ja in seinen Bildekräften liegt, was es da wirklich hat. Darauf kommt es an.
.

die  meestal lastig wordt voor iemand doordat deze zich moet draaien zodat hij hem dan van alle kanten kan fotograferen, dan pas staat hij er op. En dat heeft iemand ook nodig die de mens wil begrijpen – hij moet de mens veelzijdig begrijpen.
Met de normaalwoordenmethode begrijp je slechts het lichamelijk-lijfelijke. Met de klankmethode kom je in de buurt van het gevoel, en horribile dictu – ja, het is vreselijk om te moeten zeggen, met de spelmethode kom je helemaal in het gevoel terecht. Dat laatste klinkt tegenwoordig nogal idioot, maar zonder twijfel zit daar meer ziel in; alleen, het is niet meteen toe te passen. Je moet het met een bepaalde pedagogische handigheid een kind aanbieden, zodat het kind niet gedrild wordt de letters conventioneel uit te spreken, maar het moet het ontstaan van de letter beleven, het zit in zijn vormkrachten, in wat zijn realiteit is. Daar komt het op aan.
GA 306/85-88
Niet vertaald

=

In GA 310 wordt dit nogmaals aan de orde gesteld:

Wie muß das Kind lesen und schreiben ler­nen? Es ist ja eigentlich eine viel größere Misere damit verbunden als man, da man ja das Lesen- und Schreibenlernen als eine Notwendig­keit ansieht, mit brutalem Menschensinn gewöhnlich meint. Man sieht es als eine Notwendigkeit ein, also muß das Kind unter allen Umstän­den dazu dressiert werden, lesen und schreiben zu lernen. Aber be­denken Sie, was das für das Kind heißt! Die Menschen haben nicht die Neigung, wenn sie einmal erwachsen sind, sich in die kindliche Seele hineinzuversetzen, was das Kind erlebt, wenn es lesen und schreiben lernt. Da haben wir in unserer heutigen Zivilisation Buchstaben, a, b, c und so weiter; sie stehen in gewissen Bildern vor uns. Ja, das Kind hat den Laut «ah». Wann gebraucht es ihn? Der Laut ist ihm Ausdruck einer inneren Seelenverfassung. Es gebraucht diesen Laut, wenn es in
.

Hoe moet het kind leren lezen en schrijven? Daarmee is eigenlijk veel grotere ellende verbonden dan men met het brute mensenverstand gewoonlijk denkt; men beschouwt immers het leren lezen en schrijven als een noodzaak; dus moet het kind onder alle omstandigheden worden gedresseerd om te leren lezen en schrijven. Maar stelt u zich eens voor wat dat voor een kind betekentl De mensen hebben niet meer de neiging, als ze eenmaal volwassen zijn, zich te verplaatsen in de kinderziel, in wat het kind beleeft wanneer hij leert lezen en schrijven. In onze huidige beschaving hebben we letters: a, b, c enzovoort. Zij staan in bepaalde beelden voor ons. Het kind heeft de klank a‘. Wan­neer gebruikt een kind deze? Voor hem is deze klank uitdrukking van een innerlijke zieletoestand. Hij gebruikt deze klank wanneer hij

blz. 56

Bewunderung, in Erstaunen oder in einer ahnlichen Seelenverfassung vor etwas steht. Den Laut versteht es; der hängt mit der menschlichen Natur zusammen. Oder es hat den Laut «eh». Wann gebraucht es die­sen? Wenn es andeuten will: Da ist etwas an mich herangetreten, was ich erlebt habe, was in meine Natur eingreift. Wenn mich jemand sticht, sage ich «eh!». Und so ist es auch mit den Konsonanten. Jeder Laut entspricht einer Lebensäußerung; die Konsonanten ahmen eine äußere Welt nach, die Vokale drücken das aus, was man in der Seele innerlich erlebt. vertritt die Anschauung, daß die Sprache zustande komme aus dem, was die Seele erlebt, wie es schon beim Tier in der primitivsten Form auftritt, daß irgendein inneres Seelenerlehnis her­auskommt: «muh-muh», was die Kuh erlebt; was der Hund erlebt: «wau-wau». Und so würde in Komplikation das, was im Menschen die artikulierte Sprache wird, aus diesem Drängen des Inneren, Emp­findungen zur Gestaltung zu bringen, hervorgehen.
.

in bewondering, of in verbazing, of in een soortgelijke zielestemming iets meemaakt. Het kind kan de klank begrijpen: die hangt samen met de menselijke natuur. Of neem de klank ‘e’ wanneer gebruikt het kind die? Als hij aan wil geven dat er iets op hem af is gekomen – dat heeft hij beleefd – wat in zijn wezen ingrijpt. Als iemand hem steekt, zegt hij ‘e!’.
En zo gaat het ook met de medeklinkers, de consonanten. Elke klank komt overeen met een levensuiting. De medeklinkers boot­sen een uiterlijke wereld na, de klinkers of vocalen drukken uit wat men van binnen beleeft. – De huidige taalkunde, de filologie, komt op dit gebied niet verder dan het zetten van heel elemen­taire stappen. De geleerdste taalkundigen hebben nagedacht over de vraag: hoe zou in de loop van de menselijke evolutie de taal tot stand kunnen zijn gekomen? Er zijn twee theorieën. De ene vertegen­woordigt de visie dat de taal tot stand is gekomen uit wat de ziel beleeft, zoals dat al in de meest primitieve vorm bij het dier optreedt; een innerlijke zielebelevenis komt te voorschijn – wat de koe beleeft: ‘boe-boe’; wat de hond beleeft: ‘woef-woef’. Zo zou op een meer gecompliceerde wijze dat wat in de mens de gearticuleerde taal wordt, ontstaan uit deze innerlijke drang om gevoelens te uiten.
.

Man nennt diese Anschauung etwas humoristisch die «Wauwau-Theorie». Die andere Anschauung geht davon aus, daß man im Sprachlaute nachahmt, was äußerlich sich vollzieht. Wenn die Glocke tönt, so kann man in der Sprache nachahmen, was in der Glocke drinnen vorgeht: «bimbam­bimbam». Da versucht man nachzuahmen, was äußerlich vorgeht. Das ist diejenige Theorie, die in der Sprache alles auf Anklingen, auf Imi­tation der äußeren Geschehnisse zurückführt, die «Bimbam-Theorie». So stehen sich diese zwei Theorien gegenüber. Ich meine es gar nicht humoristisch, denn in Wirklichkeit sind beide richtig: die Wauwau­Theorie ist für den Vokalismus richtig, die Bimbam-Theorie für den Konsonantismus. – Wir lernen, indem wir die Gesten in die Laute um­setzen, im Inneren äußere Vorgänge nachzuahmen durch die Konso­nanten, und innere Seelenerlebnisse auszugestalten in den Vokalen. Inneres und Äußeres fließt in der Sprache zusammen. Das ist der menschlichen Natur homogen, das versteht sie.
.

Men noemt deze visie enigszins humoristisch de ‘wauwau-theorie’ (naar het Duits wau-wau voor woef-woef;- vert.). De andere opvatting gaat ervan uit dat men in de spraak­klanken nabootst wat er zich uiterlijk voltrekt. Wanneer een klok luidt, kun je in de taal nabootsen wat er binnen in de klok gebeurt: ‘bimbam-bimbam’. Daar probeer je te imiteren wat er buiten je gebeurt. Dat is de theorie die alles in de taal herleidt tot wat er te horen is, op het imiteren van de uiterlijke gebeurtenissen, de ‘bimbam-theorie’.3 Zo staan deze twee theorieën tegenover el­kaar. Ik bedoel dit helemaal niet humoristisch, want in wezen zijn ze allebei juist: de wauwau-theorie is juist voor de klinkers, de bimbam-theorie voor de medeklinkers.
Door de gebaren in de klanken om te zetten leren wij innerlijk uiterlijke processen na te bootsen door middel van de medeklin­kers, de consonanten; en innerlijke zielebelevenissen leren we vorm te geven in de vocalen, de klinkers. Het innerlijk en het uiterlijk stromen in de taal samen. Dat is voor de menselijke natuur homogeen, dat begrijpt ze.
GA 310/55-56
vertaald/58-59

3)  Wauwau-theorie, bimbam-theorie: deze aanduidingen gaf de in Oxford werkzaam zijnde beroemde Duitse taalgeleerde Max Müller (1823-1900) voor de theorieën omtrent het ontstaan van de talen, die indertijd al in de Griekse oudheid, o.a. door Epikurius, werd vertegenwoordigd.
.

[1]   onze huidige lettervormen zijn ontstaan in het verleden; de vormen staan niet meer in verband met hun oorsprong; voor kinderen zijn het (wezens-)vreemde tekens

[2] om aan kinderen de lettertekens aan te leren, daarbij uitgaand van een beeld, is het niet nodig om de historische beelden te gebruiken. Eigen fantasie is voldoende.

[3] om de beelden te kiezen die voor het kind een letter gaan worden, is het van het grootste belang het wezenlijke verschil tussen klinker en medeklinker in acht te nemen.

[4] hoofdletter of kleine letter
De hoofdletter uit het oorspronkelijke Latijnse schrift. Het eerste schrijven is meer een tekenen: het gaat om het beeld en de klank.

[5] de conventionele letter wordt aangeleerd vanuit een beeld, eerst schilderend/tekenend of tekenend/schilderend; Steiners voorbeelden daarvan uit alle pedagogische voordrachten.

[6] de menskundige achtergronden van de schrijf- en leesmethode. Kunstzinnig werken: schilderen/tekenen; maar ook: vanuit de wil; totale mens – deel mens:hoofd; abstractie en intellect(ualisme); allerfysieks-halffysiek-bovenfysiek.
.
[8] Steiners methode, mits consciëntieus gevolgd, kost meer tijd dan reguliere methodes. Dat wordt heden ten dage nog steeds schromelijk verward met ‘achter lopen’.

Schrijven en lezen: alle artikelen

Rudolf Steiner over…..: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: letterbeelden klinkers en medeklinkers
.

1130-1051

.