VRIJESCHOOL – Getuigschriften (6)

.

De pedagogische opdracht van de getuigschriftspreuken

Met een regelmaat waarvoor we dankbaar kunnen zijn, publiceren collega’s in ‘Erziehungskunst’ stimulerende en helpende bijdragen over het thema getuigschriftspreuken.

Wie zich als klassenleerkracht zijn eerste jaren van het leiden van een klas herinnert, weet hoe dankbaar je kunt zijn voor iedere stimulans, voor iedere hulp die je bij dit thema kreeg. Verzamelingen van geschikte spreuken, zelfgemaakte en van anderen, werden (en worden) graag gebruikt, tot het dan op een dag lukt de spreuken voor de kinderen van de eigen klas zelf te maken.

Met de bedoeling er nog een aan dit thema toe te voegen, werd dit artikel gemaakt, waarin een paar voorbeelden uit de praktijk worden genomen; wellicht kan het  deze of gene stimulans overbrengen.

Al de hier weergegeven spreuken zijn van de auteur en mogen naar genoegen verder gebruikt worden, eventueel met veranderingen, als dat in de individuele situatie voor een kind nodig is.

De aanzet om de kinderen van de onder- en middenklassen een zinnige spreuk, een getuigschriftspreuk te geven, samen met het jaarrapport, danken wij aan Rudolf Steiner.
Naast zijn dagelijkse lessen en de karakteristiek die in het jaarrapport staat, heeft de klassenleerkracht met deze jaarspreuk nog een bijkomende belangrijke mogelijkheid, zijn leerlingen extra waardevolle hulp te geven bij het zich op een goede manier ontwikkelen; bepaalde zwakheden óm te werken naar krachtige vermogens, waar te nemen wat ontbreekt en daaraan te werken.
De spreuken kunnen op de manier waarop ze geformuleerd worden, door ritme, inhoud en vorm, op een zeer subtiele, niet beklemmende manier het kind helpen en in zijn ontwikkeling positief ondersteunen.
Het kind moet echt blij zijn met zijn eigen spreuk of dat in de loop van het jaar wel worden; er zijn ook kinderen die uitgesproken trots zijn op hun spreuk.
De inhoud van de spreuk wordt met alle geboden voorzichtigheid, maar met de diepe bedoeling te willen helpen, geformuleerd, respectievelijk uitgezocht en zoveel mogelijk in een beeld gekleed. O.a. staat de inhoud van de periodenstof als ook de vertelstof van het net afgesloten jaar ter beschikking. Speciale versmaten en ritmen kan de leerkracht kiezen, wanneer hij de spreuken in een gedichtvorm opschrijft; een sanguinisch kind zal een heel andere vorm moeten krijgen dan een flegmatische leerling.
In het bijzonder aan Heinz Müller hebben we de meest waardeolle stimulans en hulp bij dit thema te danken, die hij in het boek ‘Von der heilenden Kraft des Wortes und der Rhythmen’ voor de pedagogen ter beschikking heeft gesteld.

Voor er nu geprobeerd wordt aan de hand van een paar voorbeelden te verduidelijken wat de klassenleerkracht beoogt met de getuigschriftspreuken, moet er nog gewezen worden op de mogelijkheid dat de werking van een spreuk waarop men hoopt, nog op een verfijnde manier verdiept kan worden, wanneer deze ’s avonds voor het slapen gaan, voor of na het gebed, met diepe aandacht gesproken wordt. Dat kan de klassenleerkracht aan de ouders of het kind van harte aanraden, wanneer hem dat gepast acht.

In de onderbouw was eens een jongen die door zijn persoonlijk lot tot een echte drukke deugniet was geworden. Hij ging dikwijls ongeremd en ongecontroleerd tekeer en stoeide graag. In de klas langer dan vijf minuten rustig blijven, lukte hem nauwelijks. Hij beschikte over grote lichamelijke kracht en liet dat aan zijn klasgenoten graag blijken, meisjes en jongens. Daar hij door de huiselijke situatie veel met paarden te maken had, kreeg hij de volgende spreuk in de 3e klas:
(Zie spreuk: ‘Schau dort, das Pferd, welch’edles Tier!’)

Een ander kind, uit de 4e klas deed de dingen vaak zeer oppervlakkig, kon ook zelden luisteren en werkte ongeconcentreerd. De gevolgen waren o.a. slordigheidsfouten, snel vergeten van details, een niet netjes handschrift, bij het spreken over de woorden struikelen, enz. Het kind ontbrak het aan moedkracht en zelfvertrouwen en was zeer labiel.
Voor de spreuk werd een beeld uit de huizenbouwperiode gekozen die een grote indruk op de klas (3e ) gemaakt had.
(Zie spreuk: ‘Soll das Haus von Dauer sein,……….’)

Een andere jongen uit de 4e klas kreeg met zijn mond veel voor elkaar, maar hij kon zijn ideeën minder in de daad omzetten. Hij was beslist ook geen aanpakker; het ontbrak hem vaak aan moed op zijn minst toch een poging te wagen de handen uit de mouwen te steken. Hij zat te weinig in zijn wil, zoals vandaag de dag zoveel kinderen.
De huizenbouwperiode bood opnieuw een beeld dat later met carnaval nog een keer met veel enthousiasme opgepakt werd. Voor deze jongen werd de volgende spreuk bedacht:
(Zie spreuk: ‘Entfache das Feuer,…..’)

Een geestelijk zeer goed ontwikkeld kind had met de schoolzaken geen enkel probleem. Het leerde makkelijk en snel en was ook iedere keer bereid wat hij wist, terug te houden en de klas voor te laten gaan. Zo nu en dan was er de hang naar een diepe melancholie. Dat had te maken met zijn persoonlijk lot en met de naaste volwassenen om hem heen. Op grond van zijn grote wakkerheid en rijpheid kon het de volwassenen al behoorlijk goed inschatten. Het begreep vaak meer dan zijn omgeving vermoedde, veel moest daarentegen toch een groot raadsel voor hem zijn. Dat had geen vooruithelpende werking op de tere en meevoelende ziel van het kind. Het was heel blij toen het de volgende spreuk kreeg:
(Zie spreuk: ‘So rätselhaft ist mir die Welt…..’)

Kinderen beleven tegenwoordig een wereld waarin de mensen boven alles willen graaien, bezitten en verdienen – en waarin zich menige tijdgenoot overgegeven heeft aan egoïsme  Daarachter gaat vaak een grote levensonzekerheid schuil. De kinderen beleven dat mee, weliswaar in de jeugdjaren nog onbewust, maar ze doen veel (onbewust) na. Dan kun je als leerkracht beleven dat er in de laagste klassen al kinderen zijn  die eveneens zo veel mogelijk alles zouden willen hebben en veel zouden willen weten – maar toch minder uit weethonger of interesse voor iets als wel veel meer uit een begerende zielenhouding. Thuis hebben ze vaak grote hoeveelheden knuffels, poppen of auto’s enz. Het gevaar is groot dat zij later (eenzijdige) egoïsten worden en dan moeilijkheden krijgen goed met de medemens om te gaan.
Een kind waarbij  er tekenen waren dat dit bloot lag voor deze gevaren, sprak een jaar lang de volgende spreuk:
(Zie spreuk: ‘Was du dir hast erworden….’)

In iedere klas hebben wel een paar kinderen het moeilijk zich waar te maken. Hun ontbreekt het aan moed, ze zijn te bescheiden en terughoudend. Zij weten veel, zeggen dat ook graag, maar ze aarzelen voor de klas vrij en onbelemmerd te spreken. Zou je hen een te krachtige en duidelijke spreuk geven met teveel ‘moed’ erin, dan zouden ze de bedoeling snel doorzien. Daar de ontbrekende moedskracht dus niet aanwezig is, zou er door teleurstelling een tegenovergestelde werking kunnen plaatsvinden: het kind zou nog terughoudender worden en deze niet passende spreuk met veel tegenzin spreken. Voor een meisje met deze aanleg werd de volgende spreuk gemaakt:
(Zie spreuk: ‘Im Schosse der Erde ruht sicher der Same, …..’)

Voor een jongen die eveneens zeer terughoudend was, maar na schooltijd fanatiek in de hoogste bomen klom, kon een krachtig, duidelijk beeld gekozen worden ( in dit geval met het oog op zijn hang in bomen te klimmen):
(Zie spreuk: ‘Will der Baum den Sturm besteh’n,….’)

Hoe bereik je de zielendiepte van uitgesproken flegmatische kinderen die zeer goedmoedig zijn, maar stil en meestal niet alleen boven alles van hun eten houden, maar ook al de opvallende gevolgen van goed eten in de vorm van overgewicht vertonen? Ze dromen uitgesproken graag weg en nemen slechts zelden wakker aan het onderwijsleven deel. Wakker worden ze wél tot op zekere hoogte wanneer over voedsel wordt gesproken.
Voor zo’n kind werd in de 4e klas een spreuk bedacht die in een beeld aan de leerling een spiegel wilde voorhouden, maar ook liet zien dat de weg voor de mens een andere moet zijn. Je hoeft bij deze zielenhouding van het kind geen bedenkingen te hebben, dat het beeld eventueel te direct zou zijn, wat later ook bleek:
(Zie spreuk: ‘Das Rind liegt da und ruht sich aus….’)

Wanneer aan het begin van het nieuwe schooljaar de leerling de leerkracht bedankt voor zijn spreuk en hem verzekert dat de spreuk van dit jaar van alle spreuken die het tot dan kreeg de mooiste is (dat kan ieder jaar gebeuren) dan kan de leerkracht er zeker van zijn dat hij de juiste spreuk gevonden dan wel gemaakt heeft.

Tot slot zij nog toegevoegd dat de spreuken waarnaar de kinderen met grote aandacht luisteren, ook een positieve uitwerking op allen hebben. Al gauw kunnen pakweg alle kinderen de spreuken van de klas uit het hoofd, zoal iedere klassenleerkracht weet. Ze spreken deze ook graag klassikaal voor een klasgenoot die op zijn spreukdag ziek is of afwezig.

Hier volgen nog een paar andere voorbeelden. De lezer zal zeker de bedoeling van de klassenleerkracht snel ontdekken, wat hij in het kind aanmoedigen wil of opwekken.
(Zie de spreuken die volgen)

Hans Harress in ‘Erziehungskunst’, 52e jrg. nr. 6, 1988

.

Heinz Müller:  ‘Von der heilenden Kraft des Wortes und der Rhythmen’. Stuttgart, 1967;|
Martin Tittmann: Zarter Keim die Scholle bricht …., Stuttgart 1981.
Lore Schäfer: Zeugnissprüche und Klassenspiele, Stuttgart 1980
Helmut v. Kügelgen: Spiele und Zeugnissprüche.

Adaptief onderwijs voor Vrije Scholen’ . Jansen / G. Reijngoud
Uitgave: Begeleidingsdienst voor vrijescholen.
Maart 2002

getuigschriften: alle artikelen

Rudolf Steiner over getuigschriften

.

1197

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertisements

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s