VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-3-1/1)

.

Enkele gedachten bij blz. 19 t/m 21 , in de vertaling van 1993

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

Op blz. 21 (vert) zegt Steiner:

Wir werden in unser Bewußtsein die Tatsache aufnehmen müssen, daß der Mensch sich entwickelt eine lange zeit zwischen dem Tod und einer neuen Geburt, daß er innerhalb dieser Entwickelung an einen Punkt gelangt ist, wo er für die geistige Welt gewissermaßen stirbt, wo er unter solchen Bedingungen in der geistigen Welt lebt, daß er dort nicht mehr weiterleben kann, ohne in eine andere Daseinsform überzugehen. Diese andere Daseinsform bekommt er dadurch, daß er sich umkleiden läßt mit dem physischen und Ätherleib. Dasjenige, was er bekommen soll durch die Umkleidung des physischen und Ätherleibes, könnte er nicht bekommen, wenn er sich in gerader Linie in der geistigen Welt nur weiterentwickeln würde. Indem wir daher das Kind von seiner Geburt an nur mit physischen Augen anblicken dürfen, wollen wir uns dabei bewußt sein: auch das ist eine Fortsetzung. 

We zullen ons bewust moeten zijn van het feit dat de mens zich gedurende lange tijd ontwikkelt tussen de dood en een nieuwe geboorte en dat hij in deze ontwikkeling op een punt belandt waarop hij voor de geestelijke wereld in zekere zin sterft; dat is wanneer hij onder zodanige omstandigheden in de geestelijke wereld leeft dat hij daar niet meer verder kan leven zonder in een andere bestaansvorm over te gaan. Deze andere bestaans­vorm krijgt hij doordat hij zich omhult met het fysieke lichaam en het etherlichaam. Wat hij in zich moet opnemen door mid­del van de omhulling van het fysieke lichaam en het etherli­chaam zou hij niet kunnen opnemen wanneer hij zich linea recta in de geestelijke wereld alleen maar verder zou ontwikke­len. Aangezien we het kind vanaf zijn geboorte slechts met fysieke ogen mogen aanschouwen, moeten we ons daarbij be­wust zijn: ook dat is een voortzetting.
GA 293/21

Vóór de mens op aarde fysiek geboren wordt, bestaat hij – als geestelijke realiteit – onstoffelijk.
Maar er komt een tijd dat deze ‘geestkern’ zich in de geestelijke wereld niet verder kan ontwikkelen: ‘hij is daar klaar’ en kan alleen op aarde verder.

blz. 23 (vert)

Wenn nun das Kind auf den physischen Plan herausgetreten ist, dann müssen wir uns bewußt sein, was eigentlich für das Kind geschehen ist im Übergang von einem geistigen zu einem physischen Plan. Sehen Sie, da müssen wir vor allen Dingen uns bewußt werden, daß sich das Menschenwesen wirklich aus zwei Gliedern zusammensetzt. Bevor das Menschenwesen die physische Erde betritt, wird eine Verbindung eingegangen zwischen dem Geist und der Seele; (  )

Wanneer het kind fysiek geboren wordt, dan moeten we ons ervan bewust zijn wat er eigenlijk met het kind gebeurd is bij de overgang van een geestelijk bestaan naar een fysiek bestaan. Welnu, daarbij moeten we in de eerste plaats bedenken dat het mensenwezen0 in werkelijkheid uit twee delen bestaat. Voordat de mens de fysieke aarde betreedt gaan geest en ziel een verbin­ding aan; ( )
GA 293/22

blz. 23 (vert)

Und wenn Sie betrachten würden das Menschenwesen, das sich anschickt, nachdem es durchgegangen ist durch das Dasein zwischen Tod und neuer Geburt, in die physische Welt hinunterzusteigen, dann würden Sie das eben charakterisierte Geistige zusammengebunden finden mit dem SeelischenDer Mensch steigt gewissermaßen als Geistseele oder Seelengeist aus einer höheren Sphäre in das irdische Dasein. Mit dem irdischen Dasein umkleidet er sich. 

En wanneer u zou kijken naar het mensenwezen dat op het punt staat na zijn doorgang door het leven tussen dood en nieuwe geboorte in de fysieke wereld af te dalen, dan zou u zien dat die geestelijke wezensdelen verbonden zijn met de ziel. De mens daalt bij wijze van spreken als geestziel of zielegeest uit een hogere sfeer af in het aardse bestaan. Hij omhult zich met het aardse bestaan.
GA 293/23

In [1-2] , m.n. in [1-2-3] gaat het over de vraag hoe we de uitspraken van Steiner over het bovenzintuiglijke, die we niet door een eigen bovenzintuiglijk vermogen kunnen waarnemen, tot op de een of andere manier kunnen begrijpen. Het misschien ook ergens in de stoffelijke wereld kunnen zien.
Op de grens, de overgang van geestelijke wereld naar fysieke, bevindt zich het ongeboren kind. Dat als ‘Ik’, als individualiteit al bestond.
Dat werpt o.a. een bepaald licht op ‘abortus’.

Toen daarover indertijd* werd gediscussieerd, verscheen in Jonas onderstaand artikel.
Kan de embryologie ons verder helpen?
Embryoloog Dr. Jaap van der Wal:

Embryo: vrucht of mens?

De vraag van de redactie die tot het schrijven van dit artikel leidde, was of ik ‘als embryoloog’ een bijdrage kon leveren aan de discussie rond het abortusvraagstuk, zoals die gestalte krijgt in een reeks artikelen over dit onderwerp in Jonas. Dat is een ongebruikelijke vraag, omdat in de openbare discussie over dit onderwerp nog maar zelden expliciet om kennis van en inzicht in de vroegste ontwikkelingsstadia van de mens wordt gevraagd; veeleer ligt de gespreksstof in het medische, psychologische, ethische, politieke, sociologische vlak.

Het is niet de bedoeling van het onderhavige artikel om vanuit een geesteswetenschappelijke en/of fenomenologische benaderingswijze van het embryo met argumenten vóór of tegen abortus te komen. Dat is in andere artikelen al in voldoende mate gebeurd. Bovendien wil ik stellen, dat, omdat de discussie rond dit vraagstuk zo breed maatschappelijk wordt gevoerd en zo veel mensen direct of indirect bezighoudt, het op de politieke en/of maatschappelijke meningsvorming in deze geen groot effect heeft, wanneer men vanuit een voor velen (nog) niet verstaanbare denktrant, levensbeschouwing, argumenten aanvoert. Het lijkt mij haalbaarder om – in plaats van het stellen van ‘alternatieven’ alleen – na te gaan hoe mensbeeldaspecten, verweven met de visie op de menselijke embryonale ontwikkeling, al dan niet de meningsvorming over deze zaak (stilzwijgend) beïnvloeden en te bezien of, en zo ja waar, op vruchtbare wijze bewustwording daarvan (en daarmee keuzebepaling) kan worden gestimuleerd.
Het uitdragen en versterken van antroposofische inzichten is één weg, het bijdragen aan het bewust maken van het bij velen impliciet levende materialistische mensbeeld, een niet minder belangrijke. Niets is gevaarlijker voor deze tijd en onvruchtbaarder dan het stilzwijgende uitgaan van een mensbeeld, dat men niet als levensbeschouwelijk uitgangspunt (h)erkent en daarvan dus niet de beperkingen, begrenzingen weet. In dat kader dient het hier volgende artikel te worden bezien.

In het eerste deel van dit artikel wil ik ruwweg schilderen op welke wijze in het algemeen het menselijk embryo in de meningsvorming rond het abortusvraagstuk wordt betrokken. Ten eerste is er de wijze waarop (vaak door voorstanders en in medische kringen) het embryo wordt weggewerkt achter ‘ob-jectieve’ beschrijvingen als ‘zwangerschapsproduct’, ‘baarmoederinhoud’ en dergelijke, geen beeld of gevoel oproepende kwalificaties. Naast deze zakelijke terminologie staat vaak een invoelbaarder, herkenbaarder beschrijving van de problematiek van de vrouw in kwestie, haar nood, haar dilemma, haar vrijheid, haar angsten (en dit – laat men mij niet misverstaan – terecht). Deze benadering vindt ook haar weerslag in de vaak technisch-zakelijke behandeling van een individueel geval van abortus. Deze wijze van uitdrukken is echter ook bijna inherent aan de huidige gezondheidszorg. Wat gaat er niet aan kwaliteit, bijvoorbeeld aan menselijk gevoelen schuil achter begrippen als ‘de patiënt’, ‘het geval’, ‘de gewonde’. Angst, dood, chaos, verminking zijn verborgen in objectieve, abstracte termen. Woorden zijn dan niet meer dan dode slakken, die niet meer vertolken wat er in wezen aan menselijk gevoelen achter ligt.

Deze zakelijke, objectieve benadering van het embryo is wijd verbreid. Ik ervaar dit onder andere wanneer ik tijdens colleges embryologie aan medische studenten menselijke embryo’s (op ‘sterk water’) toon en daarbij de leeftijden van deze embryo’s duidelijk relateer aan vaak rond abortus gehanteerde grenzen (ik kom daar later op terug). Dat valt vaak geheel verkeerd en men beschuldigt mij dan bijvoorbeeld van ‘emotionele indoctrinatie’. Eigenlijk doet zich daarbij het paradoxale voor, dat ik in werkelijkheid feitelijkheden laat zien, maar dat deze objectieve gegevens door het collegegehoor emotioneel worden beleefd, en dat deze gevoelens als niet-passend in de objectief zakelijke benadering, die kennelijk gewenst wordt, worden afgewezen.

De tweede wijze waarop het embryo in de discussie betrokken wordt, ligt juist heel sterk in de gevoelssfeer, het emotionele. Vaak zijn het tegenstanders die juist de emoties die embryo’s, beschrijvingen en afbeeldingen ervan, oproepen, bespelen en deze een zwaar gewicht geven in de afweging van voor en tegen. Men is daarbij allerminst exact in dit gevoel, vraagt zich niet af wat voor emoties hier spelen, waardoor ze dan worden opgeroepen. Maar in het emotionele vlak worden door deze mensen vaak begrippen, gevoelens aan elkaar gekoppeld, die bij nadere beschouwing niet aan elkaar gelijk gesteld zouden mogen worden. De slogan ‘abortus is moord’ bijvoorbeeld koppelt de emoties rond het begrip ‘moord’ direct aan het begrip ‘abortus’.

Maakt de eerste categorie mensen het embryo monddood door het gevoel in zakelijkheid te smoren, bij de tweede categorie wordt het embryo evenmin  verstaan, gehoord: het wordt overschreeuwd en de taal van het embryo wordt op oneigenlijke wijze, door onexacte gevoelens vertolkt.

Min of meer een middenweg kan men beluisteren bij gematigde tegenstanders. Vaak spreekt men hier in termen van ‘de problemen van de vrouw afwegen tegen de bescherming van het menselijke leven’. Aan dit begrip zijn dan godsdienstige en ethische normstellingen verbonden. Men stelt, dat embryonaal leven net als elk ander menselijk leven beschermd dient te worden. Maar wanneer spreekt men van ‘menselijk leven’? Paradoxaal genoeg zijn het juist deze ethici die op de natuurwetenschappers een beroep doen om aan te geven, wanneer een embryo ‘menselijk leven’ wordt, met andere woorden om grenzen vragen waarna ethische normen geldig zijn. De veel gehoorde 10-weken- of 3-maandengrens is hiervan een voorbeeld. Een wonderlijke mengeling van levensbeschouwlijke-ethische normen en natuurwetenschappelijke (zogenaamd niet-levensbeschouwlijke) criteria. Het is een schoolvoorbeeld van hoe zogenaamde waardevrije wetenschap verstrekkende invloed uitoefent op ethische waarden en normstelling.

Met excuus voor de misschien wat sterke simplificatie van categorieën van meningen, denk ik te kunnen stellen dat het embryo meestal in de discussie betrokken wordt, zoals dat voor- of tegenstander uitkomt: als anoniem, niet-menselijk, biologisch vormsel, als menselijk wezen, als leven, dat na een bepaalde grens menswaardig is. En allen baseren hun visie van het embryo mede op de kennis, die daarover de afgelopen eeuw door wetenschappelijk onderzoek is vergaard. Maar wat is dat voor kennis en waar komt die vandaan? (Andere bronnen van inzicht blijven, zoals gezegd, in het kader van dit artikel, buiten beschouwing).

De vroegste ontwikkelingsstadia van een menselijk embryo onttrekken zich aan onze directe zintuiglijke waarneming. Schematisch gesteld is het onzichtbare terrein van bevruchting tot het eerste leven voelen ‘ontsluierd’ door de wetenschap. Onderzoek heeft zichtbaar gemaakt wat zich daar afspeelt en men heeft naar verklaringen gezocht. Maar… dat alles is gebeurd met de instrumenten, de taal van de natuurwetenschap en die taal hanteert termen en begrippen binnen een materialistisch kader; het kader van het reductionisme, bijvoorbeeld: een embryo is ook maar een complexe samenhang van cellen, kernen, DNA, genetische code, eiwitten, etc. Embryologie betekent chemische embryologie, biologische embryologie. Menselijke embryologie werd
dierembryologie. Geheel passend in de idee van de afstammingsleer werd humane embryonale ontwikkeling ‘verklaard’ uit een herhaling van de evolutionaire ontwikkelingsgeschiedenis van de afstamming van de mens. Terwijl deze ‘grondwet’ door menige moderne bioloog niet meer zo strikt wordt gehanteerd, beheerst zij het denken van leken en menig wetenschapper over humane embryologie. En zo is het menselijke embryo, zoals de meesten dat kennen, een chemisch, biologisch, etc. (lees: niet-menselijk) embryo. Een déél van de waarheid dus.

Als deze natuurwetenschappelijke benadering haar uitspraken doet over het ‘menselijke’ van bijvoorbeeld een embryo van 4 weken, heeft zij daarvoor haar normen. En die criteria daarvoor zijn maar al te vaak ontleend aan de verschijningsvorm die de mens vertoont gedurende een groot deel van zijn leven, na zijn groei en vóór de involutie, de ouderdom. En als we déze norm hanteren is nergens de verleiding om over onvolledig, nog-niet-volwaardig menselijk leven te spreken groter dan juist bij het embryo: het leven dat nog niet zinvol is (L.F.C. Mees, De aangeklede engel). In mindere mate bespeurt men iets dergelijks als het gaat om ‘het kind’. Kinderen worden vaak impliciet beschouwd als nog-niet-complete mensen – ‘ach, wat kan een kind van twee jaar nu al ervaren hebben’ -. Pedagogiek is dan de kunst datgene bij een kind aan te brengen, wat het tot een ‘groot mens’ maakt. Schoorvoetend begint het inzicht te dagen dat het kind een verschijningsvorm van de mens is, met een geheel eigen ‘functioneren’ en karakter. Hoe moeilijk moet het binnen een dergelijke ‘mensvisie’ niet zijn om in dat vreemde, zwijgende, verbijsterende wezen dat embryo heet, een mens te zien?

Vanuit de geesteswetenschap bekende beschrijvingen geven een heel ander beeld van het menselijk embryo. Wat ik met de tweede helft van dit artikel beoog is de lezer(es) enigszins op de hoogte te brengen van een stroming in de gangbare, ‘officiële’ embryologie, die van een totaalbeschouwen, een holistische zienswijze uitgaat. Hierbij worden de bekende gegevens uit de chemische/biologische embryologie in een zodanig ander kader geplaatst, dat veel meer ruimte ontstaat een menselijk embryo, vanaf de conceptie te bezien als mens in ontwikkeling. Ik wil dit doen omdat ik deze stromingen beschouw als een trait-d’union tussen biologische en humane embryologie, tussen materialistische en geesteswetenschappelijke embryologie. Kennis nemen van deze richting is dan ook zeer zinvol als het om ‘het embryo in de abortuskwestie’ gaat.

Als voorbeeld neem ik de beschouwingswijze van prof. E. Blechschmidt, en ik doe dit aan de hand van een afbeelding (fig. 2) en de beschrijving van een voorval.

Figuur 2 is ontleend aan de reconstructie van een menselijk embryo van 4.2 mm, ongeveer 28 dagen oud. Deze reconstructies zijn vervaardigd door prof. Blechschmidt te Göttingen. Hij heeft hier volgens een bepaalde methode embryo’s vergroot en in kunststof afgebeeld om zo een beter inzicht te krijgen in de totale structuur van een embryo. Zo staan er in een zaal van het Anatomisch Instituut te Göttingen ongeveer 70 van deze enorme modellen (tot 100 cm hoog), aan de reconstructie waarvan hij meer dan 20 jaar heeft gewerkt en waarop hij zijn inzichten in de menselijke embryonale ontwikkeling baseert. Meer dan 300.000 microscopische coupes zijn in deze verzameling verwerkt, nauwkeurig bekeken en nagemaakt. Wie ooit in de buurt van Göttingen komt, moet beslist eens een bezoek aan deze ‘Göttinger Embryonensammlung’ brengen. Het is een indrukwekkende ervaring. Het is de eerste keer geweest dat zo nauwkeurig menselijke embryo’s zijn afgebeeld; in de gangbare embryologie zijn de meeste inzichten gebaseerd op proeven met dieren, met name kippen- en rattenembryo’s.

Toen ik laatst* een tiende klas van een vrijeschool met dit beeld (fig. 2) confronteerde, werden het allerlei kwalificaties toegedacht, zoals ‘vis, dikkopje, worm’ en waren de aanduidingen ‘vinnen, kop, kieuwen, staart’ niet van de lucht. Dat is overigens niet specifiek voor deze groep leerlingen; ook medische studenten en, naar ik aanneem, ook menig lezer(es) reageren zo. Men ‘ziet’ dierlijke vormen. Wanneer ik dan echter de leerlingen, studenten meedeel dat het hier een menselijk embryo betreft, gebeurt er iets, dat ik wel verwacht, maar dat eigenlijk heel vreemd is. Er is geen verbazing, geen ongeloof, want het klopt toch? De verklaringen vliegen je om de oren en grofweg gezegd komen die neer op die heersende opvattingen dat de mens in zijn ontwikkeling dierlijke voorstadia doorloopt, de zogenaamde biogenetische grondwet van Haeckel. Deze wet komt in het kort erop neer dat in de ontwikkeling van een individuele vertegenwoordiger van een soort (ontogenie) – en de mens is gewoon een soort, nietwaar? – de ontwikkeling van de soort als geheel (fylogenie) nog eens wordt herhaald.

Wat hier optreedt, is een heel belangrijk verschijnsel. Hier worden waarneming en voorstelling door elkaar gehaald. Want hoe dierlijk dit er ook uit mag zien, het is een menselijk embryo. Bijvoorbeeld wat de kieuwen betreft: ook al zou de ontwikkeling hier worden beëindigd, dan is er nog geen sprake van een vis, maar wel van een uiterst mismaakt mens, dan wel menselijk stadium. Wij zien geen kieuwen, we zien hoogstens op kieuwen gelijkende plooien. Maar de mens is een wezen op weg. Een kind is ook een verschijningsvorm van de mens, is niet minder mens dan een volwassene of een puber of een oude vrouw. Het zijn stadia, verschijningsvormen van die individuele mens in ontwikkeling. Zoals we verbaasd zijn dat uit zo’n nietig pasgeboren mensje eens een groot mens zal groeien, zo zouden we verbijsterd moeten staan dat dit wezen, dat we nu beschouwen, menselijk is, een mens in wording. Maar nu, wat we zien, zien we niet meer, horen we niet meer, het wordt vertaald in onze voorstellingen, we plakken etiketten op wat we zien, geven het een naam, en be-grijpen.

Letterlijk! Door dat be-grijpen spreekt de vorm niet meer uit zichzelf, maar maken wij die verschijningsvorm monddood: het heeft ons niets (nieuws) meer te vertellen. Een vrucht.

Een aangrijpender voorbeeld. Het misschien wel monsterlijk aandoende gezicht (fig. 3) is dat van een menselijk embryo van ongeveer 45 dagen (16 mm).

Het zal grote moeite kosten hierin iets menselijks te herkennen. Dat ligt alweer anders voor de volgende twee afbeeldingen (fig. 4 en 5) van een menselijk gelaat van ± 50 dagen (21 mm), respectievelijk ± 60 dagen (43 mm). De neiging om ook hier van ‘dierlijkheid’ te spreken, is echter groot.

‘Het uitgesproken of stilzwijgende geloof in de juistheid van de biogenetische grondwet heeft in het onderzoek van het gedrag en zelfs op het gebied van wereldbeschouwing tot desastreuze veïgissingen geleid. Hier is het misverstand ontstaan, dat het specifieke karakter, ja zelfs de oorspronkelijkheid van het menselijk gedrag, uit het gedrag van zijn dierlijke voorouders, die hij alleen maar herhaalt, te verklaren is, dat wil zeggen, wetenschappelijk gezien daartoe te herleiden is. Dit misverstand behelst ook de onjuiste opvatting, dat de mens eenvoudigweg een hoger ontwikkeld dier is en dat hij als zodanig te manipuleren is.’

Prof. E. Blechschmidt

De sleutelpositie die prof. Blechschmidt mijns inziens in het veld van de embryologie inneemt, ligt in het feit dat hij op aannemelijke wijze ook deze dierlijk aandoende vormen, zoals het getoonde gelaat, de kieuwen, de staart etc. etc. verklaart uit het totaal van groeiprocessen en groeibewegingen, die op dat moment de groei, vorm en ligging van bepaalde delen van het lichaam beïnvloeden. Hij beschouwt een embryo voortdurend in een totaal en staat daarmee lijnrecht tegenover de reductionistische benadering, die hij zelf niet afwijst, maar met zijn visie zegt aan te vullen. Nergens in de vele boeken die hij nu heeft geschreven, schiet zijn algemene verklaringsconcept, dat de vormen, de stadia voortdurend mechanisch-dynamisch uit de totale embryo-ontwikkeling van dat moment afleidt, mijns inziens tekort. Hij beschrijft daarmee, dat alle verschijningsvormen van een menselijk embryo menselijk zijn en het niet nodig is terug te grijpen naar een ‘grondwet’ zoals die van Haeckel. Onlangs nog is er een klein boekje van hem verschenen, waarin hij voor leken zijn theorieën uiteenzet (The Beginning of Human Life, Heidelberg Science Library, Springer Verlag, New York 1977) en nog menig ander controversieel standpunt inneemt, waarop ik hier nu helaas niet kan ingaan.

Een voorbeeld nog. Hoe verklaart Blechschmidt deze metamorfose van het gelaat? U kunt zelf zien (fig. 2) hoe het embryo sterk krom groeit (de verklaring daarvan laat ik achterwege) en hoe de ‘kop’ tegen de enorme bult, die het hart in dit stadium vormt, komt te liggen. Het toekomstige gelaat van de mens wordt daardoor van onderaf (kin) in zijn groei plat gedrukt door deze hartbult: het gelaat wordt een ‘dwarsgezicht’ (fig. 3). Wanneer nu later de groei van het hart bij de totale groei van het embryo achterblijft (hetgeen weer zijn eigen verklaring heeft) en de hersenen enorm gaan ontwikkelen, wordt het gelaat weer meer in de lengte gericht en komen zo de ogen bijvoorbeeld schijnbaar dichter bij elkaar, omdat de schedel wel, maar het aangezicht (relatief) nauwelijks meer groeit (fig. 5). Is het niet wonderlijk dat ook bij de volgroeide mens de gelaatsuitdrukking (mimiek) bepaald wordt door hart (gevoel, emotie) én hoofd (denken, willekeurig bewegen), maar dan in de beweeglijkheid van spierbewegingen en niet zoals, bij het embryo, in vormbewegingen?

De beschouwing van Blechschmidt en anderen maakt het mogelijk het beeld te vormen van een menselijk wezen dat functioneert in vormen. Een unieke fase in ons bestaan, waarin de groeibeweging, de veranderende vormen ons ‘functioneren’ zijn. Zo zouden we uit de wijze van groeien en ontstaan van organen de (toekomstige) functie kunnen aflezen: ‘das Seelische übt sich voraus’. Hierin ligt onder andere de aansluiting naar de fenomenologische Goetheanistische beschouwingswijze (gebaren, taal) en naar de geesteswetenschap (etherkrachten). Maar als voornaamste conclusie voor dit artikel kan men uit deze holistische benaderingswijze, belangrijke gronden halen voor de stelling: een mens wórdt niet in een bepaald stadium mens, hij is mens vanaf het eerste begin, functioneert, leeft in menselijke vormen.

Door de explosie van kennen en kunnen op medisch-biologisch gebied staat de mens voor de mogelijkheid menselijk leven af te wegen tegen… Of dat mag, of dat kan is hier niet aan de orde. Ik heb willen laten zien dat het van uitermate groot belang is te weten waartussen men een afweging maakt. Standpuntbepalen in dat moeilijke dilemma, dat bij elk individueel geval van abortus speelt, begint al vér voor de afweging ‘de vrouw of het kind’. Het abortusprobleem is niet alleen een medisch, ethisch, sociaal probleem, het is ook het vraagstuk van mensbeeldkeuze, levensbeschouwing. Of liever: het bewust worden daarvan.

Een embryo is een menselijk wezen
op weg.
Een stadium
een hoofdstuk
uit de unieke biografie
van een mens.

We zijn in verwachting:
Wie zal het worden?

Niet: wat zal het worden?
Wie slechts ziet de herhaling van de
ontwikkeling
van een soort,
Hem zijn de geheimen niet gegeven:
hij heeft reeds gelezen
wat nog geschreven moet worden

 

Jaap van der Wal, Jonas 1, *07-09-1979
(met toestemming van de auteur)

Dr. Jaap van der Wal    meer       via Google
.

Meer over embryologie onder ‘ontwikkelingsfasenaan het begin van het leven

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1445

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.