Categorie archief: vrijeschool pedagogie

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (7)

.

‘zingende kinderen zijn socialer’

opspattend grind
aldus de kop van een artikel in het Eindhovens Dagblad van 24 juli 2014

„Zingende kinderen zijn socialer en ontwikkelen hun intelligentie gemak­kelijker en beter dan niet-zingende kinderen”, weet Jeroen Felix, die als rector cantus van de Schola Cantorum van de Sint-Jan in Den Bosch veel met kinderen werkt.
Hij is verbonden aan de Stichting Koorplein Noord-Brabant, evenals bestuurslid Tom Suters. 

Maar anno 2014 is het moeilijk kinderen voor zingen te interesseren. Kreeg de lich­ting van Felix (53) en Suters (55) op de lagere school wekelijks muziekles van de eigen leerkracht, nu hangt het muziekonderwijs op de basisscholen er maar een beetje bij. In de stroom van bezuinigingen waar de hele cul­tuursector last van heeft, is het muziekonderwijs bijna van de kaart geveegd.

‘nu hangt het muziekonderwijs op de basisscholen er maar een beetje bij’
.

Ho, ho – NIET op de vrijescholen. Dat had Jeroen Felix er toch wel even bij kunnen vermelden – tenslotte gaf hij een tijdje muziekles op de vrijeschool in Uden.

Dat het muziekonderwijs op de basisscholen er maar een beetje bij hangt, zou best kunnen.
(Zou de inspectie de scholen afrekenen op het niveau van het muziekonderwijs, dan zouden we op grond van bovenstaande conclusie wel mogen stellen, dat er dan louter zeer sterke vrijescholen zouden zijn en heel erg veel zwakke andere scholen…..)

<<Musiceren verbindt de linker- en de rechterhersenhelft en maakt de geest soepel. Zingen in het bijzonder doet ons goed, maakt completere mensen van ons, is uit onderzoek gebleken.>> „Zingende kinderen zijn socialer en ontwikkelen hun intelligentie gemak­kelijker en beter dan niet-zingende kinderen”, zegt Felix.

Rudolf Steiner:

Niet vergeten moet worden dat al het plastisch – beeldende werkt aan de individualiteit van de mens, maar al het muzikaal-dichterlijk daarentegen bevordert het sociale leven .
GA 294/46
Vertaald 

Steiner heeft veel aandacht besteed aan hoe het muziekonderwijs er uit zou moeten zien.
(Zie op deze blog bv. ‘Mens en muziek – muziek en kinderen)

Voor de klassen 1 t/m 3 schreef Elisabeth Lebret, Steiners aanwijzingen volgend, een inspirerende liedbundel ‘De wereld klinkt’, die op ‘Vrijeschoolliederen’ is te vinden.

De regering vertegenwoordigt het standpunt: ‘we leven in een kenniseconomie. Het onderwijs moet hieraan bijdragen. Dus meer kennis.’

Kennis is macht. Macht is: méér hebben, méér kunnen, méér mogen. De meerdere tegenover de mindere.

Steiner:

Door het muzikale krijgen de kinderen boven alles een meer innerlijk leven.
GA 301/93
Op deze blog vertaald/93
.

Shakespeare:

De mens die geen muziek kent in zichzelf, Of niet ontroerd wordt door een mooi akkoord. Is rijp voor list, vernielzucht en verraad. Zijn zieleroerselen zijn dof als nacht, Zijn handelingen duister als de hel. Vertrouw zo iemand nooit. – Hoor, die muziek.
(De koopman van Venetië – V-1 -vert. Gerrit Komrij)

Een greepje uit de praktijk:

De vrijeschool Freiburg zingt en speelt Vivaldi

1e klas St. Georgen zingt  en speelt  fluit 

De vrijeschool Den Haag Requiem


mens en muziek
blokfluit spelen
over het aanleren van het notenschrift

opspattend grind [10]   [24]   [26]  [66]

 

opspattend grind: alle artikelen

.

631-579

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over spel – alle artikelen

.



Onderstreept = link naar artikel

.

Inleiding

Pieter HA Witvliet over: fantasie, hersenen en bewustzijn; creativiteit en handen en bewustzijn.



GA 34

Blz. 325/326        vertaling 34/35


Over: speelgoed, fantasie en hersenen; de fantasiepop; de lelijke pop; beweegbaar speelgoed; beweegbaar prentenboek

GA 97
N.a.v. ‘herhaling mensheidsfasen’; over etherlijf bij 0 -7 jr; wat doen en wat niet; de fantasievolle pop.

 

GA 100
Scheppende fantasiekracht ontwikkelen, lappenpop versus ‘mooie pop’.<3>

GA 297                              genoemde pagina’s op deze blog vertaald

Blz. 58

Spel kan niet opgelegd worden: het moet vrij zijn  

Blz. 193

Vaardigheden in het spel opgedaan, komen tussen het 20e en 30e jaar weer tevoorschijn

Blz. 261/262

Vaardigheden in het spel opgedaan, komen tussen het 20e en 30e jaar weer tevoorschijn

Blz. 267-270

Temperamentsaanleg en begeleiden van spel; langzame en vlugge kinderen; speelgoed en kleur; blokkendoos en fantasievol speelgoed.

GA 297A

Blz. 20

Spel en nabootsing; kunstzinnige blik krijgen voor hoe een kind speelt; ieder kind speelt anders; vaardigheden in het spel opgedaan, komen tussen het 20e en 30e jaar weer tevoorschijn

Blz. 52

Spel en nabootsing; ieder kind speelt anders; vaardigheden in het spel opgedaan, komen tussen het 20e en 30e jaar weer tevoorschijn; hoe begeleid je spel; 

GA 298

Blz. 75

Vaardigheden in het spel opgedaan, komen tussen het 20e en 30e jaar weer tevoorschijn;

GA 300A

Blz. 146-147

Vaardigheden in het spel opgedaan, komen tussen het 20e en 30e jaar weer tevoorschijn; traag en snel spelen

GA 301

Blz. 204

Spel ontstaat uit nabootsing, geen nuttigheidstreven; Schiller en zijn opvattingen over spel;

Blz. 206:

Spelactiviteit van het kind te vergelijken met de droom; wat gebeurt er met het spel in het kind, waar blijft het;

Blz. 207:

Zoals de plant zich weer in de kiem terugtrekt, zo trekt de spelactiviteit van het kind zich terug in het lichaam en komt na het 20e jr. gemetamorfoseerd weer tevoorschijn;

Blz. 208

Na tandenwisseling verandert spel: nu gaat het meer om ‘samen’; tussen het 7e en 14e bereidt het spel de oordeelsvorming voor; 

GA 303

Blz. 146

Spel is tussen tweeëneenhalf en vijf jaar een activiteit van de vrije fantasie die vanuit het innerlijk naar buiten wil; spel en het latere karakter; blokkendoos, atomistisch-materialistisch, van deel naar geheel, is verstand, geen innerlijk, beweeglijke fantasie;

Blz. 147

De onaffe en de kant-en-klare pop; prentenboek met beweegbare platen.

Blz. 324

Het belang van het vrije spel; bloedarmoede door te weinig vrij spel;

Blz. 325

Bloedarmoede en herfsttijloos; intellectuele overbelasting: stofwisseling in het hoofd, ontregeling van gewone stofwisseling.

Blz. 326

Bloedarmoede en wilde wingerd.

GA 304

Blz. 41 e.v.;

Ieder kind speelt op zijn eigen manier; karakter van het spel komt rond het vier-vijfentwintigste jaar weer naar buiten;

GA 305

Blz. 139:

De ‘mooie’ pop laat weinig ruimte voor de fantasie; uit het kind wil innerlijke beweeglijkheid naar buiten komen, het spel moet dit ondersteunen. Steiner laat hier voorbeelden zien van werkstukken die kinderen – wellicht in de handenarbeidles (klas 6, 7?) hebben gemaakt.

Blz. 140:

Het belang van speelgoed dat kan bewegen.

Blz. 147:

Kind kan aan spel van alles beleven; dit moet je leren waarnemen; gezond spelen en gezonde stofwisseling hangen samen; dit werkt door tot in het (heel) latere leven; mens is goddelijk wezen: opvoeder moet aan deze schepping meewerken.

GA 306

Blz. 67:

Is spel vermaak of ernst; 

Blz. 76:

Tot tandenwisseling: nabootsing; spel is ernst; verschil spel – arbeid; 

Blz. 77:

Taak basisschool: spel veranderen in arbeid; uitgedacht spel door volwassenen; taak van de kleuterschool;

Blz. 78:

Geen bezigheden die niets met het leven te maken hebben (matjes vlechten e.d.); in nabootsen zit het morele, geestelijke en kunztzinnige; eenvoudige popjes;

Blz. 79:

Kant-en-klare pop remt fantasie.

Blz. 130:

Spel als voorbereiding op de liefde voor het werk; het sociale aspect hiervan.

GA 307

Blz. 146-149: De ‘mooie pop’;

Blz. 147: Fantasievolle pop; innerlijke orgaanvorming;

Blz. 148: Innerlijk plastische kracht; vorming van de hersenen;

Blz. 150: Kind niet met onwaarachtigheid benaderen; ook in spel is kind nabootser; het intellectuele gaat aan het kind voorbij;

Blz. 151: speelgoed moet esthetisch zijn;

Blz. 152: ‘Fröbelwerkjes: te intellectualistisch bedacht;

Blz. 153: Intellectualisme en materialisme; niet intellectualistische opvoeding maakt latere goede omgang met intellectualisme mogelijk; belang van beelden, imaginaties

In GA 308 geen opmerkingen gevonden

GA 309

Blz. 37: nabootsing; kind nog eenheid van lichaam, ztel en geest;

Blz. 38: de ‘mooie’ pop; lappenpop; goed speelgoed laat veel ruimte aan de fantasie;

GA 310

Blz. 60: de ‘mooie’ pop; de fantasie moet in gang gezet kunnen worden; knuffels;

GA 311

Blz. 29/30: de mooie’ pop; fantasie moet zich kunnen ontwikkelen;

 Steiner heeft het vaak over de ‘mooie pop’.
Op de website van Inge Schuurmans zie je prachtige voorbeelden.
Je kunt bij haar ook een cursus volgen om ze zelf te leren maken.
Meer.

Lees verder

630-578

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Nobel/ von Suttner

.

DE MAN EN DE VROUW ACHTER DE NOBEL­PRIJS VOOR DE VREDE
.

Ten overstaan van een illuster internationaal gezelschap wordt telkenjare op 10 december in Oslo een van de hoogste eerbewijzen ter wereld uitgereikt — de Nobelprijs voor de Vrede. Terzelfder tijd worden in Stockholm Nobelprijzen uitge­reikt voor grote prestaties op het gebied van natuurkunde, schei­kunde, medicijnen en literatuur. Achter de Vredesprijs doemt de gemelijke, excentrieke figuur op van Alfred Nobel, die zijn fortuin maakte met ontplofbare stoffen, en achter Nobel staat weer het verhaal van een onversaagde, welhaast vergeten vrouw — baro­nesse Bertha von Suttner, die twintig jaar lang de spijkerharde magnaat heeft opgepord en bepraat om aan haar anti-oorlogs­campagne deel te nemen en die hem op die manier tot zijn prach­tige daad geïnspireerd heeft.

De man

In 1861 zat een groep Parijse bankiers op een dag ongeduldig te luisteren naar een jongeman die zei dat hij een geweldig idee had. Het was een Zweed, een magere, ziekelijke, nerveuze knaap, die echter zeer zelfverzekerd optrad.
“Messieurs,” kondigde hij dramatisch aan, “ik heb een olie waarmee de wereld opgeblazen kan worden!”
De bankiers schrokken op, maar de jongeman ging rustig verder met de uiteenzetting over zijn nieuwe springstof. Even later legden zijn toehoorders hem het zwijgen op. De hele zaak leek onmogelijk en bovendien, wie wilde er nu de wereld opblazen?

Toen Napoleon III evenwel over de jonge Zweed hoorde, wendde hij zich tot een financier. En Alfred Nobel ging met een wissel van 100.000 franc naar Stockholm terug. Zo werd de grond­slag gelegd voor het kapitaal van Nobel.

Voor Alfred Nobel was er niets geheimzinnigs aan krachtige springstoffen. Zijn vader, Emmanuel Nobel, had er jarenlang in geliefhebberd en hij had een zeemijn uitgevonden die Rusland in de Krimoorlog had gebruikt. Alfred was op een na de jongste van vier broers en hij was de kleinste van allemaal. Zijn moeder had een voortdurende strijd gestreden om hem in leven te houden. Als jongmens reisde hij door Europa en Amerika, en in Parijs ont­moette hij een meisje waarop hij wanhopig verliefd werd. Zij stierf. Triest en verbitterd keerde Alfred op 21-jarige leeftijd terug naar de fabriek van zijn vader en daar ging hij vastberaden aan het werk — want werk, zo besloot hij, was alles wat het leven hem te bieden had.

Emmanuel Nobel was ervan overtuigd dat nitro-glycerine grote mogelijkheden bezat als springstof, hoewel het in die tijd hoofd­zakelijk als stimulans bij hartziekten werd gebruikt. Onder be­paalde omstandigheden kon het ontploffen, maar niemand wist precies welke die omstandigheden waren. Soms viel er een bus met het goedje met een plof op de grond en er gebeurde niets. Soms veroorzaakte een lichte schok al een vernietigende ont­ploffing. Alfred en zijn vader stelden zich ten doel de nitro-glyce­rine te bedwingen. Langzamerhand nam Alfred de leiding in deze onderzoekingen. Hij kwam tot de theorie dat er maar één manier was waarop de soepachtige vloeistof absoluut zeker tot ontplof­fing kon worden gebracht. Daartoe moest men de vloeistof in een stevige, afgesloten bus doen en door een sterke primaire explosie tot ontbranding brengen. Hij ontwikkelde het slaghoedje — een uitvinding die nog steeds de basis vormt van de hele nitro-gly­cerine- en dynamiet-industrie.

Nadat hij zich van de hulp van Louis Napoleon had verzekerd, gingen Alfred en zijn vader hoopvol aan het werk, maar de nitro­glycerine wilde zich nog steeds niet gedragen. In mei 1864 werden de jongste zoon, Emil, en vier arbeiders door een ontploffing ge­dood. De oude Emmanuel was er kapot van en kwam er nooit meer bovenop. De Nobels hadden geen vergunning om met spring­stoffen te werken en de overheid maakte een einde aan hun werk. Alfred ging er halsstarrig mee door. Hij verhuisde zijn fabriek naar een schuit die in een meer voor anker lag. Hij was tegelijk scheikundige, fabrikant, boekhouder en demonstrant. Hij gunde zich nauwelijks tijd om te eten en het lukte hem zijn spijsvertering voor zijn hele verdere leven te ruïneren. Hij zou de wereld laten zien, zei hij, dat zijn nitro-glycerine veilig was.

Binnen een jaar gebruikte de Zweedse regering zijn “soep” om rotsen op te blazen voor een station van de Stockholmse onder­grondse, en hij opende fabrieken in vier landen. Hij was al te optimistisch. Het schrikbewind van de nitro-glycerine zou nog beginnen. Op een morgen in 1865 vloog de fabriek van Nobel in Noorwegen de lucht in. Een paar weken later probeerde een spoorwegarbeider in Silezië bevroren nitro-glycerine met een bijl in stukken te hakken. Zijn benen werden 800 meter verder terug­gevonden. In april ontploften er 70 kisten nitro-glycerine aan boord van een schip in de haven van Panama. De kade en een goederenloods in de buurt werden zelfs vernield, en een ander schip werd ernstig beschadigd. Er werden zestig mensen gedood en de schade beliep 3,5 miljoen gulden. Een paar dagen later ver­loren 15 mensen het leven en werd een blok huizen in San Francisco vernield door een nitro-glycerine ontploffing.

Kort na de ontploffing in San Francisco arriveerde Alfred Nobel voor zaken in New York en hij had dozen “soep” bij zich. Hij was er helemaal niet welkom. De mensen meden hem en de hotels weigerden hem een kamer. Toen hij aankondigde dat hij een openbare demonstratie zou geven in een steengroeve kwamen er ongeveer 20 mensen naar het vuurwerk kijken, en zelfs die hielden zich op een afstand. Hij goot een klein beetje van de verschrikke­lijke olie op een vlak stuk ijzer en hief toen een hamer op. De toeschouwers zochten dekking. Er klonk een hevige knal, maar Nobel was ongedeerd. Hij troonde hen dichterbij en legde op een droge, wetenschappelijke wijze uit dat alleen de olie die door de hamer was geraakt was ontploft. Je kon niet alle olie laten ont­ploffen zonder deze eerst in een afgesloten ruimte te brengen. Daarna stak hij het plasje olie met een lucifer aan. Het brandde, maar ontplofte niet. Twee uur lang liet Nobel zien wat hij met de geheimzinnige geweldenaar kon doen. Hij besloot de voorstelling met een paar echte ontploffingen, om aan te tonen wat er ge­beurde als de geweldenaar zijn gang kon gaan. De menigte ging overtuigd naar huis.

Ofschoon het kantoor van Nobel nu werd overstroomd met orders en hij een fortuin voor het grijpen had, ging hij dat jaar bijna failliet. Verschillende landen vaardigden wetten uit waarbij het gebruik van de “soep” van Nobel werd verboden, en de rederijen weigerden het te vervoeren. Er moest een veilige nitro­glycerine worden uitgevonden. Dus vond Alfred Nobel het uit, hoewel velen beweren dat het een toeval was.

In het noorden van Duitsland komt een lichte, vochtabsorberende grondsoort voor die kieselguhr heet. De arbeiders van Nobel kwamen zaagsel te kort en gebruikten de aarde bij het ver­pakken van de blikken nitro-glycerine. Het verhaal gaat dat een van de blikken lekte en dat Nobel merkte hoe de nitro-glycerine door het kieselguhr werd opgeslorpt of het vloeipapier was. Hij vermengde drie delen “soep” met één deel kieselguhr en zijn gebed werd verhoord. De massa was zo kneedbaar als stopverf en kon in cilinders verpakt veilig verscheept worden. Nobel noemde het dynamiet. Binnen tien jaar produceerden de 15 fabrieken van Nobel per jaar 3 miljoen kilo van de nieuwe springstof.

Op zijn veertigste jaar was Nobel een eenzaam, vermoeid en zwaarmoedig man, die buiten zijn werk weinig interessen had en buiten zijn medewerkers weinig kennissen. Hij had zelfs geen huis. Hij werd “de rijkste vagebond van Europa” genoemd.

Hij probeerde zichzelf te veranderen. Hij nam zijn intrek in een weelderig gemeubileerd huis in Parijs. Hij was een verstokte vrij­gezel en omringde zich met luxe; hoewel hij alleen het allereen­voudigste voedsel mocht eten, omdat zijn spijsverteringsorganen waren aangedaan door het inademen van nitro-glycerinedampen, had hij een uitstekende kok. Hij bezat raspaarden en een prachtig rijtuig waarmee hij eenzame rijtoeren maakte in de parken. Hij was een vaste bezoeker van een literaire salon en had een intense maar droefgeestig getinte belangstelling voor poëzie, toneel en filosofie. Hij ging weer de werken van de Engelse dichter Shelley lezen, de afgod van zijn jeugd, en hij dacht erover te gaan schrij­ven. Maar hij sprak zes talen, alle even vloeiend, en kon maar niet besluiten welke taal hij zou gebruiken. Zelfs in een gesprek ging hij van de ene taal op de andere over. Hij verviel ongemerkt in de taal die het beste bij het onderwerp paste.

Nobel las geweldig veel en niet alleen technische boeken. Hij hield van die schrijvers die zijn geloof in de voortdurende voor­uitgang van de mensheid versterkten. Vele van zijn brieven — hij schreef er vaak 50 per dag — bevatten diepgaande besprekingen van nieuwe romans, toneelstukken en gedichtenbundels. Hij begon aan twee romans, die hij nooit heeft voltooid, en tegen het einde van zijn leven schreef hij een toneelstuk waardoor hij
vol­komen in beslag werd genomen. Hij ging eens naar Londen voor een zakelijke bespreking, waar hij vijf minuten over zaken praatte en toen zijn toneelstuk te voorschijn haalde om het voor te lezen. Het stuk zou juist worden uitgegeven toen hij stierf. Zijn executeurs vonden het beter de uitgave op drie exemplaren na te ver­branden.

Nobel draaide Parijs de rug toe nadat de Franse regering, ver­ontrust omdat hij zijn rookzwak buskruit aan Italië had verkocht, zijn werk aan beperkende bepalingen onderwierp. Hij bracht de rest van zijn leven in strikte eenzaamheid door in San Remo, Italië. Toen zijn broer Ludwig stierf, die een fortuin had verdiend in de olie, dachten de Franse kranten dat het Alfred was. En hij had de bijzondere voldoening zijn eigen levensbeschrijvingen te lezen. Ze waren niet complimenteus.

In San Remo bracht hij het grootste deel van zijn tijd door met het werken aan synthetische rubber en kunstzijde. Zijn hart begon het op te geven en hij ging naar specialisten. Hij lachte toen zij hem nitro-glycerine voorschreven. Hij kocht een sfygmograaf en sloeg de curve gade die de onregelmatigheid van zijn pols aangaf. Hij wees zijn vrienden welke mate van afwijking voor hem dodelijk zou zijn. Hij stierf op 10 december 1896.

In het begin van het volgende jaar werden zijn testamentaire beschikkingen bekendgemaakt. En toen bleek dat Nobel, on­danks zijn twijfel — hij voorspelde eens dat zijn brisante springstoffen eerder een einde aan de oorlog zouden maken dan vredes­bijeenkomsten, omdat steeds dodelijker wapens de beangste naties ertoe zouden brengen hun legers te ontbinden — had besloten zijn ruim twintig miljoen gulden belopend vermogen te bestemmen voor een fonds waaruit vooraanstaande bevorderaars van de vrede een prijs zou worden toegekend. Later had hij daaraan prijzen voor wetenschap en letterkunde toegevoegd.

Aanvankelijk was hij niet van plan geweest een eeuwigdurende vredesprijs in te stellen. Hij opperde dat deze na 30 jaar opgeheven zou worden, want hij was van mening dat de wereld tot barbaars­heid zou vervallen als de internationale vrede niet binnen die tijd was verzekerd. Dat zei hij in 1893. Precies 30 jaar later leidde een Oostenrijkse huisschilder in München een putsch.

De vrouw

Het was Nobels eenzaamheid die tot het instellen van de vre­desprijs leidde. Zijn correspondentie werd in zes talen gevoerd en het was niet gemakkelijk een goede secretaresse te vinden die tevens een volmaakte talenkennis bezat. Het kwam zo ver dat hij het haatte een secretaresse aan te nemen, omdat hij er tegenop zag haar weer te ontslaan.

In 1876, toen hij in Parijs woonde, probeerde hij het opnieuw en het was Bertha Kinsky, een jonge, onbemiddelde Boheemse gravin, die op zijn advertentie solliciteerde. Zij was een dochter van een veldmaarschalk in het Oostenrijkse leger. Haar vader was voor haar geboorte gestorven en had een nooddruftig gezin achtergelaten. Opgroeiend in de midden-negentiende-eeuwse droomwereld van de verarmde Weense aristocratie, leerde Bertha zich volmaakt te bewegen; zij beheerste verscheidene talen en schreef zelfs romantische toneelstukjes. Zij studeerde stemvorming in Parijs, maar in 1873, toen het familiekapitaal opraakte, ging ze in betrekking bij baron Von Suttner als gouvernante voor de vier dochters. Daar leerde ze ook de aardige zoon van de baron, Arthur von Suttner, kennen. “Als hij binnenkwam,” schreef Bertha later, “werd de hele kamer licht en warm.”

Er bloeide een romance tussen hen op, maar Arthurs moeder maakte bezwaar omdat de gouvernante niet alleen geen geld had, maar ook zeven jaar ouder was dan haar zesentwintigjarige zoon. Op haar aandrang nam Bertha ontslag. De opgeluchte barones was zo vriendelijk haar opmerkzaam te maken op een advertentie: “Een welgestelde, ontwikkelde oudere heer, woonachtig te Parijs, zoekt een dame, eveneens van rijpere leeftijd, bekend met vreemde talen, als secretaresse en huishoudster.” Bertha schreef op de advertentie en kreeg een hartelijk antwoord van een zekere Alfred Nobel die, volgens de barones, de uitvinder was van het dynamiet. Er werd een afspraak gemaakt en Bertha ging naar Parijs.

Er stond beide partijen een verrassing te wachten. Toen Bertha aankwam, was het geen “oudere heer” die haar tegemoetkwam, maar een sombere man van 43 jaar met een donkere baard en vriendelijke, verlegen manieren. De “dame van rijpere leeftijd” die Nobel had verwacht, bleek een knappe, rijzige vrouw te zijn, jong voor haar 33 jaren, met fijnbesneden trekken en grote, spre­kende, donkere ogen. Hoffelijk en vormelijk bracht Nobel zijn adellijke secretaresse naar het hotel waar hij een suite voor haar gereserveerd had, en bood haar een lunch aan. Hij praatte uit­voerig over politiek, kunst, het leven en de toekomst van de mens­heid, en Bertha bleek goed te kunnen luisteren. De volgende morgen nam zij haar plaats in op het kantoor van Nobel.

Bertha’s kennismaking met de munitie-industrie maakte een diepe indruk op haar. Haar chef en zijn medewerkers hielden een vinger op de politieke pols van de hele wereld en wisten zo te manoeuvreren dat ze hun ontplofbare stoffen onpartijdig aan alle strijdende partijen konden verkopen. Toch was Nobel in zijn hart een negentiende-eeuwse mensenvriend die vast bleef geloven dat de mensheid zichzelf eenmaal verbeteren zou. Hij stuurde grote bedragen aan liefdadigheidsinstellingen — maar sprak er cynisch over en zei tegen Bertha, dat er alleen maar hoop voor de wereld was als de mensen met betere hersens geboren werden. Onder het dicteren door gaf hij altijd een hele reeks geestige, sarcastische commentaren ten beste.

Hoewel haar werk haar buitengewoon boeide, kon Bertha Arthur von Suttner niet vergeten. Elke dag kreeg zij een brief van hem; zijn zusters schreven dat hij eenzelvig was en bijna niets zei. Op een dag dat Nobel in Stockholm was om de oprichting van een nieuwe dynamietfabriek te regelen, kreeg Bertha een brief van Arthur, waarin stond: “Ik kan niet zonder je leven.” Zij schreef haar werkgever een brief om hem te bedanken en zich te veront­schuldigen, beleende haar enige sieraad en kocht een kaartje voor de eerstvolgende trein naar Wenen. Het jonge paar trouwde enige weken later in een klein kerkje en verdween toen naar Mingrelië, een miniatuurprinsdom in de Kaukasus, dat negen jaar tevoren bij Rusland was gevoegd. Hun wittebroodsweken daar duurden negen — voor het merendeel magere — jaren. Arthur werkte overdag als boekhouder in een behangselfabriek en Bertha gaf piano- en zanglessen aan de adellijke jongedames in de buurt.

Toen Rusland in 1877 de oorlog verklaarde aan Turkije, werd de Kaukasus één grote legerplaats. Bertha zag de jonge mensen te voet de oorlog inmarcheren en in hospitaaltreinen terugkeren. Zij hielp de diepbedroefde moeders troosten en wijdde zich aan het maken van verbandstof en aan kantinewerk. In haar Weense jeugd had de oorlog een ver avontuur geleken, vanwaar met medailles behangen helden terugkwamen om te walsen. Nu was zij omringd door de vuiligheid en de ellende zelf en ze werd woe­dend op de staatslieden en de generaals die zoveel mensen de dood instuurden, maar voelde zich tot machteloosheid gedoemd.

De oorlog gaf de veelzijdige Arthur echter wel een goede kans, die hij aangreep door een serie artikelen te schrijven voor een Weens dagblad. Toen de oorlog afgelopen was, ging hij op de ingeslagen weg voort met onderhoudende stukjes over de Kaukasus en zijn bewoners, en bijna voor hij het wist was hij een bekend free-lance journalist. Bertha, die een tikje jaloers was, schreef een kort verhaal dat zij met het oog op mannelijke vooroordelen, ondertekende met “B. Oulot”. Zij stuurde het naar de Weense Presse en kreeg per omgaande een bemoedigende brief plus een cheque.

Tijdens hun ballingschap in de Kaukasus hadden de Von Suttners zes romans en een menigte artikelen geschreven. Toen zij in 1885 in triomf naar Wenen terugkeerden, vergaven Arthurs ouders hun de vlucht van vroeger en boden hun zelfs een suite aan in het kasteel, waar de knappe gouvernante eens boven haar stand verliefd was geworden.

Intussen hadden Bertha en Alfred Nobel hun Parijse gesprekken per brief voortgezet. Hij was opgetogen over haar letterkundig succes. Hij was grijzer en melancholieker geworden, maar was nog steeds de volmaakte gastheer toen hij de Von Suttners in Parijs ontving, hun zijn particulier laboratorium liet zien en vertelde over zijn experimenten. Hij nam hen ook mee naar zijn literaire salon. Toen zij daar de conversatie hoorde over Bismarck en de mogelijkheden van een nieuwe oorlog, voelde Bertha zich ge­schokt door de luchthartige toon waarop men praatte over onheil en dood. Zij hoorde er echter ook voor het eerst over een vredes­beweging — de Internationale Vereniging voor Vrede en Ar­bitrage in Londen — en sloot zich daar onmiddellijk bij aan.

Nobel waardeerde het idealisme van de barones, maar amu­seerde zich over haar onstuimigheid. Toch vatte hij een levendige belangstelling op voor haar vredesbeweging; hij zond geld, hoewel hij vond dat de beweging meer dan aan geld behoefte had aan een praktisch programma. Hierdoor geprikkeld besloot de barones de vredesbeweging een boek te geven dat de mensen zou schokken. Zij stortte zich op het opsporen van feiten over de oorlog — niet de romantische oorlog van de salons en de paleizen, maar de barre werkelijkheid. Zij sprak met legerchirurgen en las hun rapporten, vond officieren in actieve dienst die bereid waren haar precies te vertellen, hoe een man ineenkromp als hij neergeschoten werd, hoe hij zich gedroeg als hij op sterven lag, hoe hij er drie dagen daarna uitzag en hoe hij riekte. Het resultaat was een indrukwekkende roman, De Wapens Neer, waarin ze al haar hartzeer en woede uitstortte.

Het boek voorzag in een grote behoefte en sloeg geweldig in. Het veroverde de wereld in twaalf talen en werd in Rusland zonder toestemming van de auteur nagedrukt. Baronesse von Suttner was beroemd. Tolstoi vergeleek haar boek met De Negerhut van Oom Tom en hoopte dat het voor de afschaffing van de oorlog zou doen, wat de roman van Harriet Beecher Stowe voor de  afschaffing van de slavernij had gedaan. Maar het eerbewijs dat ze het meest op prijs stelde, kwam van Nobel. Hij prees de “grootheid van haar ideeën”, en voorspelde dat deze “wapenen” verder zouden dragen dan de nieuwste kanonnen “en alle andere helse machines”.
De barones buitte deze gelegenheid uit door hem hem te vragen een vredescongres in Bern bij te wonen. Hij kwam incognito en, hoewel hij niet op de vergaderingen wilde komen, vroeg hij toch wel om de verslagen. “Breng me op de hoogte, overtuig me,” zei hij, “dan zal ik iets groots voor de beweging doen.”

Naarmate Nobels gezondheid achteruitging, werd hijzelf zachtaardiger. “Ik druk uw beide handen,” schreef hij aan de barones, “de handen van een goede, geliefde zuster.” Tegen het eind van 1896 schreef hij: “Ik ben zeer verheugd te zien dat de vredesbeweging veld wint.” Drie weken later stierf hij. De eerste Nobelprijs werd uitgereikt in 1901. Henri Dunant, die de vredesprijs van dat jaar deelde met Frédéric Passy, schreef aan de barones: “Deze prijs, geachte mevrouw, is uw werk, want gij zijt het werktuig geweest waardoor Alfred Nobel een toegewijd dienaar van de vredesbeweging is geworden en gij hebt hem op het denkbeeld gebracht, de voornaamste begunstiger ervan te worden.”

Het zou dwaasheid zijn te veronderstellen dat de cynische miljonair-uitvinder zijn fortuin alleen op deze manier belegd heeft doordat de barones zo aangedrongen had. Hij heeft het plan zorgvuldig overwogen en met vele deskundigen besproken, en hij heeft slechts een deel van zijn schenking voor dit speciale doel bestemd. Maar wel had de barones al vroeg in hem idealisme bespeurd waarmee hij, onder het mom van norsheid, niet goed raad wist, en met bekoorlijke vastberadenheid de weg geëffend voor datgene, wat haar het naast aan het hart lag. Het was dan ook passend dat de vrouw die op 10 december 1905 bij de beroemde plechtigheid naar voren kwam om de Nobelprijs voor de Vrede in ontvangst te nemen, baronesse Bertha von Suttner was.

.

alle biografieën

.

629-578

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over kinderbespreking – alle artikelen

.

Rudolf Steiner over kinderbespreking
.

[1] Het kind ‘een raadsel

[2] Het kind als ‘kunstwerk’; de schroom om een kind te ‘doorgronden’

[3Het kind waarnemen

.

Kinderbespreking: alle artikelen

.

618-567

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Spel (2-6/2)

.
Wouter Drewes, gymnastiekleraar vrijeschool Den Haag, 1974, nadere gegevens ontbreken
.

SPEL EN SPORT

In de eerste zeven levensjaren vormt het fantasievolle spel de dagelijkse bezigheid voor het kind. Het drukt hierin zijn innerlijk uit, en vindt zo de verhouding tot zichzelf en tot zijn omgeving. Ieder gezond kind speelt zolang de levenskrachten zich ontplooien en vrijkomen. Ook in de 1e en 2e klas zal kinderspel nog een doel in zichzelf hebben.
Als het ongeveer 9 jaar oud is verandert het beeld. Spelen wordt oefenen, onophoudelijk bezig zijn om iets onder de knie te krijgen:  springen, vangen en werpen, knikkeren, mikken, rennen, hinkelen enz. Door het onder de knie te krijgen maakt een kind deze “bewegingsspelen” tot een gewoonte en vormt in zich al doende vele eigenschappen: behendigheid, uit­houdingsvermogen,  schranderheid, moed, en door­zettingskracht. Het heeft weinig zin tegen een kind te zeggen: “Durf dat nu toch!, als de moge­lijkheid tot spelen niet geboden is om dat te ervaren.
De ouders van 5de-klassers merken dat op deze leeftijd de kinderen op sportclubs willen, om daar een “echt” spel te leren. Op die leeftijd begint het gevoel voor samen­spel te ontwaken, een spel in je eentje te winnen is lang niet zo leuk als met een heel team te spelen. Het groepsbewustzijn manifes­teert zich in de verschillende leeftijdsfasen niet even sterk. Tegen het 14e jaar speelt het de grootste rol, tussen 12 en 16 jaar is het van betekenis.

Het is belangrijk zich in de achtergronden van de mogelijke sporten te oriënteren.
De bewegingen, de gebaren en houdingen die ieder zich bij een bepaalde tak van sport eigen (tot gewoonte) maakt, hebben een sterke vormende waarde voor de persoonlijkheid.

De achtergrond van waaruit zo’n spel is ontstaan, heeft grote invloed op de spelgeest die tot uitdrukking komt in de ongeschreven sportiviteitsregels.
Als voorbeeld wil ik een naar balsporten in teamverband toelichten.

De betekenis van balspelen in onze tijd

Het fascinerende van een stuitende of door de lucht vliegende bal houdt velen tegenwoordig in de ban. Als een hemellichaam beschrijft hij zijn boog. Een bal die op de grond ligt, nodigt uit tot in de lucht werpen, schoppen of slaan. Met de ogen wordt de bal gevolgd in zijn baan. Ieder kent het gevoel van be­vrijding als de bal  omhoog vliegt, dat van opluchting als je hem weer te pakken hebt. Een stuk van de kosmische omgeving komt binnen je bereik als je je weet meester te maken van de bal. Het verlangen zich los te maken van het dagelijks aardse bestaan vormt de ondergrond voor vele balspelen. Onbewust dient het spel hem. Als vervangingsmiddel voor het zoeken van de mens, die zich boven zijn aardse beperkingen wil verheffen.
De meest gebruikelijke balspelen kunnen we naar hun aard in 3 groepen indelen:

In de eerste geldt het principe van balbezit, bv. voetbal, handbal, hockey, rugby, polo, korfbal enz.

De bal is een middel tot spel bij de tweede groep: tennis, volleybal, netbal, badminton. Men ontvangt de bal en geeft hem terug. (Niet gemakkelijk, maar zo dat een ander er flink wat voor moet doen om hem weer terug te spelen). Wordt de bal tot steen doordat hij niet meer in de lucht blijft, dan heeft de partij gefaald.

De derde groep heeft als karakteristiek het zich afhankelijk stellen van de baan van de bal: slagbal, kastie,  softbal, honkbal, cricket. Via een aantal honken moet de speler weer “thuis” zien te komen. De bal wordt tot ster die je lot bepaalt. Vliegt hij ver weg, dan kun je rustig een home-run maken. Is het een slap tikje geweest, dan kom je in gevaar en loop je kans op “een uitje”. De mens en de weg die hij moet gaan, staan in het middelpunt van deze spelen. Wie niet zo hard kan slaan, stelt zich afhan­kelijk van zijn partijgenoten om hem weer thuis te krijgen. Op het uitgangspunt moet je weer terug zien te komen zonder dat je uit gegaan bent.
In deze spelvorm worden de Ik-krachten gevormd en geoefend die voor de levensloop van ieder mens noodzakelijk zijn. De veldpartij vervult hierbij een tactische rol. Door gericht werpen, het snel doorzien, te roekeloze lopers, slimme schijnworpen, wordt getracht de slagpartij in het veld te krijgen. De werking van het verstand, de intelligentie wordt gepresenteerd door de veldpartij. Daarentegen moet iedere slagman zijn hele per­soonlijkheid inzetten om aan de bal de juiste impuls over te dragen.

Bezien we nu voetbal, hockey, handbal etc. dan is het niet de mens zelf die een doel moet bereiken, maar de bal. Alleen bij rugby krijg je 5 punten als een speler met de bal de grond over de achterlijn van de tegenstander weet te krijgen, voor een tussen de doelpalen door geschoten bal 3 punten.

Het driftleven van de mens wordt tot uitdrukking gebracht in deze soorten door het balbezitDe begeerte er mee te jongleren, hem van een tegen­stander weg te houden is overheersend. De balhonger van de Nederlandse keeper die zo af en toe de bal zelfs opvreet, laat Godfried Bomans ons zelfs zien tot in het humoristische.
Het uitleven van driften speelt dan ook een grote rol in deze soorten.

Een afspiegeling en een reactie op een maatschappij die sterk appelleert aan de primaire driften van de mens kan men hier in de speelwijze zien. Door de na­druk te leggen op samenspel, teamgeest, bewust gehan­teerde aanvals- en verdedigingssystemen tracht men ze te verheffen tot een sociaal gebeuren. Sport ver­broedert, wordt in iedere zichzelf respecterende ver­eniging in het vaandel gevoerd.
Veel clubs slagen er ook in, de nadruk op sportiviteit te leggen en het spel belangrijker te vinden dan de knikkers. Toch zal daar ook per tak van sport ver­schil in optreden, afhankelijk van de beweging die er de belangrijkste rol in speelt als uitdrukkingsgebaar. Op gevaar af dat ik als voetbalhater wordt aangekeken (hoewel ik graag een partijtje mee trap) wil ik dit duidelijk maken aan voetbal- en handbalspelen.

Voetbal en handspelen

Wie het gebaar van een schop wil ervaren, wordt zich het eerst bewust van het afstand scheppen door deze beweging. Hetzelfde vindt echter ook plaats bij een worp of slag met de hand.
De voet die deze handeling verricht is normaal bezig die aarde onder zich te krijgen en stelt de mens in staat zich hierboven te verheffen.

Schop je iets weg, dan druk je er mee uit het niet nodig te hebben, het waardeloos te vinden, te min om met je vingers aan te pakken. Ben je werkelijk woedend, door het dolle heen, dan geef je de vijand geen klap, maar je schopt hem eruit. Uit een krantenverslag: ‘Met een loeiende trap knalde hij de bal vernietigend tussen de latten door, verpletterd keek de keeper het leren monster na‘.
Als uitdrukkingsbeweging is de schop een vorm van agressie. Heel anders is dit bij samenspel tussen de eigen medespelers. De voet wordt tot hand die de bal aanreikt. De ander weet de bal al glijdende te “ontvangen”, vangt hem zacht op, houdt hem als een goochelaar op de voet. Het bewust­zijn van de handen wordt hierbij in de voeten geplaatst. (In de gymlessen heb ik natuurlijk wel voetbalspel­vormen, omdat bewusteloosheid in de voeten ook niet goed is.) De handen zijn daarentegen ervoor geschapen om zich in dienst te stellen van de mensheid. De mooiste ideeën kunnen alleen verwerkelijkt worden door de handen uit de mouwen te steken. De voeten dragen je door het leven, de handen verdragen scheppen, brengen het contact met de medemens. Als grondgebaar voor een spel is een werp- en vangbeweging met de handen een uitdrukking van het sociale, het zich in dienst stellen van de ander. De doelbeweging bij basketbal en korfbal is het reiken naar omhoog, de poging de hemel op aarde te krijgen. (U kent het juichend en omhelzend teruglopen bij een doelpunt.

Interessant is ook de geschiedenis van voetbal en hockey om zich een beeld te vormen van wat achter deze soorten leeft, de andere balspelen uit de eerste groep zijn nl. alleen zijtakken van het voetbalspel.

Geschiedenis van hockey en voetbal

Het hockey werd al zeer vroeg bij Indianenstammen gespeeld. De stokken waren vaak beenderen, of takken met een overeenkomstige vorm. De bal was het symbool van de zon of de aarde en moest gedeponeerd worden in een kring. Niet het ge­bruikelijke hockeygoal, maar een cirkel waar ­binnen de bal tot rust moest komen. Lukte dit, dan was de magische stok daar verantwoordelijk voor, want die had de krachten der goden het goede ogenblik weten aan te roepen. De tegenspelers trachtten in dit spel te tonen dat het lot op hun band was. Tijdsduur, speelruimte enz. waren onbepaald, maar de conse­quentie van de uitslag was dat de verliezer zich onderwierp aan de leefregels van de winnaar. Tot het begin van de 20e eeuw is dit met de ontdekkingsreizen overgewaaide spel weinig gespeeld in Europa. Daarna ontwikkelt het zich als zeer elitair spel evenals voetbal. De cirkel blijft gehandhaafd, maar het  verkleinde voetbalgoal komt er in, terwijl een doelpunt nu alleen vanuit de cirkel gezet kan worden. Een restantregel is nog dat een bal die alleen­ door een verdediger wordt aangeraakt en het goal  ingaat niet telt. Dit was nl. godenbedrog bij de Indianen.

Voetbal  kent een nog moeilijker historie. Omstreeks de 11e eeuw  stond Engeland bloot aan overvallen van de Deense Noormannen. De stammenhaat laaide hoog op. Bij het herstel van de landerijen na deze plunderingen werden veel Noormannenschedels gevonden..Kicking the Danes head’ werd een zeer geliefde bezigheid om alle smaad en leed postuum te kunnen vergelden. Toen de schedels op en kapot waren, werden snel andere ronde voorwerpen gevonden waar het spel mee bedreven kon worden. De mannen speelden dorp tegen dorp, terwijl de grootste triomf was de kop van de Noorman op het marktplein van de tegenstander te deponeren. Over velden en wegen werd de bal getrapt; alleen als hij in de bosjes kwam, mocht hij met de handen uitgeworpen. De regel dat met een inworp vanaf de zijlijn niemand buitenspel kan staan stamt nog uit deze tijd. De herbergen onderweg geven voldoende mogelijkheden de strijd op velerlei wijze te verlevendigen, zodat de populariteit van dit spel razendsnel steeg. (100 spelers in een partij was geen uitzondering). De koning verbood het spel, omdat het boog­schieten niet meer geoefend werd en de verdedigbaarheid van het land zodoende werd aangetast. Jacob II heft het verbod 400 jaar later op om aan populariteit te winnen; door het buskruit werd het boogschieten ook niet meer zo noodzakelijk.
Vanaf 1863 liggen de regels van het voetbal vast en zijn vrijwel hetzelfde als er nu gespeeld wordt. [Inmiddels, 2019, zijn er wél de nodige kleinere wijzigingen ingevoerd]

Een voorbeeld uit de tweede groep is volley.

Achtergrond van volleybal:
Dit spel heeft zijn oorsprong in Japan. Dat het spel zo snel populair is geworden, heeft het vermoedelijk te danken aan zijn verbondenheid met natuurfenomenen. De Japanners zagen in de bal de representatie van de rijzende zon, het net of de lijn stelde de horizon voor. De bedoeling van het spel is dat iedere speler er zich voor inzet dat de zon steeds boven de horizon blijft rijzen. De tegenstander stelt de machten voor die dit belemmeren willen. Als groep of team van 6 spelers moet ieder zich inspannen de neerdrukkende krachten te overwinnen. Slechts 3x heeft iedere partij daar de gelegenheid toe. Niet de individuele speler, maar het team kan tot prestaties komen. Spelen die tot sporten zijn geworden zijn niet meer uit onze cultuur te denken.

Misschien dat dit artikel voor u een aanleiding is zich te bezinnen op een mogelijke sportkeuzeBeweging is onlosmakelijk verbonden met het zich richten op de toekomst. De moderne mens zal zich bewust moeten verbinden met bewegings­vormen, waarvan hij voelt dat deze hem de juiste weg wijzen in zijn ontwikkeling. Misschien dat hij zodoende een klein beetje van het raadsel mens ontsluiert.

Literatuur:
Carl Diem: “Encyclopedie der Spiele”
Rudolf Kischnich: “Leibesübung und Bewusstseinsschulung “
Rudolf Kischnich:”Was die Kinder spielen”  vertaald

In GA 293, 13e voordracht, wil Steiner iets radicaal zeggen over  gymnastiek zoals dat toen (1919) gegeven werd:

‘Dat we langzamerhand ook van het turnen een zinloze bezigheid hebben gemaakt die puur het lichaam volgt, is een bijverschijn­sel van het materialistische tijdperk. En dat we er ook nog sport van hebben gemaakt – waarbij we niet alleen zinloze, betekenisloze, louter lichamelijke bewegingen zich laten uitle­ven, maar waar ook nog het aspect van de onzin, de ‘anti-zin’ bijkomt – dat stemt overeen met het streven om van de mens niet alleen een materialistisch denkend mens te maken, maar hem ook nog te degraderen tot een dierlijk voelend mens. Over­dreven sportbeoefening is de praktische uitwerking van het darwinisme. Theoretisch darwinisme wil zeggen dat men be­weert dat de mens van de dieren afstamt. Darwinisme in de praktijk is sport en wil zeggen dat men een ethiek hanteert die de mens wederom tot het dier verlaagt.’

Rinus Michels, o.a. bondscoach van het Nederlands voetbalelftal:
‘voetbal is oorlog’

Defensie, aanval, schieten, kogel (van een schot), strijd, belager.

Grafisch ontwerper Floor Wesseling: over het ontwerpen van een voetbalshirt: ‘het is een draagbare vlag’;  zijn ontwerpvisie is gebaseerd op de wapenkunde; ‘een speler in een shirt is als een ridder die een toernooi speelt. Het gaat om herkenning op het slagveld.’

(Er is ook een tentoonstelling: voetbal Halleluja over de overeenkomsten tussen voetbal en religie.

Nigel de Jong, (bijnaam ‘de terriër) o.a. speler in het Nederlands voetbalelftal tijdens de WK van 2014:
‘op een wk gelden de wetten van de jungle’
(Nrc. 7 juni 2014)

Levert Mark van Vugt in ”Evolutionaire psychologie bevestigt: voetbal is oorlog’ daarvoor nu het bewijs?

Steiner was er zich terdege van bewust, dat ‘wat uit de geest gesproken is’ van een ander waarheidsgehalte is, dan wat in het dagelijks leven beleefd wordt – de wereld van de ziel is die van ‘hier en nu’.

In GA 311/139 zegt hij op een vraag:
(de vraag luidt: hoe moet je gymles geven en moet je op een Engelse school aan sport doen, bv. hockey, cricket enz. en hoe dan?)
‘Het is beslist niet de bedoeling van de vrijeschoolmethode, deze dingen te onderdrukken. Ze kunnen worden gedaan, simpelweg omdat ze in het leven van de Engelsen een grote rol spelen en het kind moet met het leven vertrouwd raken. Maar nu moet men niet de illusie koesteren, dat het een andere betekenis heeft dan alleen maar het kind niet wereldvreemd te maken. Te geloven dat sport voor de ontwikkeling een vreselijk grote waarde heeft, is een vergissing. Die heeft niet die grote waarde voor de ontwikkeling; die heeft alleen waarde, omdat die een geliefde manier van doen is en men moet van het kind geen wereldvreemde maken en het van al de gewoonten uitsluiten. Men houdt in Engeland van sport, dus moet het kind ook kennismaken met sport. Je moet niet op de een of andere manier benepen tégen iets zijn.’
Op deze blog vertaald/139

Spel: alle artikelen

.

611-561

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Spel (2-6/1)

.

W.Drewes, vrijeschool Den Haag, 02-1974


SPEL
.

Bij het kleine kind vinden we de eerste uitingen van menselijke scheppingsdrang in het spel. Ieder voorwerp, iedere situatie kan de aanleiding vormen voor de kleuter om zich volkomen aan zijn omgeving over te geven. De ene stoel verandert in een wagen, de andere in een huis, een hoek met blokken wordt een goedgevulde kruidenierswinkel. De dagelijkse betekenis die wij aan de dingen geven wordt met het grootste gemak er aan ontnomen. Een eigen wereldje wordt gevormd, waarin de kleuter volkomen opgaat. Ritmisch en met grote intensiteit worden poppenbedden, dorpen, treinen en huizen gemaakt en bevolkt. Het resultaat is niet belang­rijk, maar het maken, want met het grootste gemak wordt de prachtige toren met bijgebouwen weer afgebroken om weer iets nieuws te beginnen. Het ritmische in het spel komt tot uiting in het begeleidend neuriën, het opbouwen en afbreken in het onvermoeid herhalen. Fantasiewereld en werke­lijkheid wisselen elkaar af in het spel evenals vreugde en verdriet. Spelend bevindt het kind zich tussen twee uitersten, de drang tot doen of iets maken en de realiteit. Het fascinerende van kleuterspel is de ongebondenheid aan regels, de moge­lijkheid om alles uit niets te maken. Voorwaarde voor de stimulering van die creati­viteit is dat het kind in een omgeving leeft waar niet alles af en klaar is. De doek die tot pop geknoopt of als laken voor de beer gebruikt kan worden, is ook een prachtige omslagdoek voor een appelvrouwtje. De prachtige aangeklede poppen die ieder vanuit de speelgoedetalages met zoetige maskerglimlachjes aanstaren bieden daarentegen te wei­nig fantasiemogelijkheden, terwijl een “lappen­pop” juist de expressie van het gelaat aan de fantasie overlaat.

Tijdens de basisschoolperiode

Tijdens de basisschoolperiode beginnen de spel­vormen te veranderen. Er wordt een doel gesteld waar het kind zelf aan wil beantwoorden: touwtjespringen, balvangspelletjes tegen de muur, worden eindeloos gespeeld en de regels worden zo ingewikkeld dat een buitenstaander er niets meer van begrijpt. De kleuter speelde vaak heerlijk in zijn eentje in een groep andere kleuters. Geleidelijk aan begint de mogelijkheid zich nu te ontwikkelen samen te spelen waarbij beiden zich aan dezelfde spelregels houden. Het wed­strijdelement is nog niet zo belangrijk, het spelletje vormt de eigenlijke uitdaging. Bij de kleuter was alles knap of mooi gedaan in zijn beleving, ook de bal die maar niet gevangen kon worden is leuk en stuitert zo fijn. Het grotere kind wil juist leren vangen en speelt tot hij het kan. Teamspelen vallen tot ongeveer de 5e klas nog buiten de mogelijkheden, hoewel enthousi­aste sportieve vaders of moeders vaak constateren dat hun kind al net als een echte voetballer of hockeyer meedoet. Hier speelt echter de na­bootsing een grote rol en de blik van de ouder die alles naar zijn volwassen situatie beoordeelt.

Waarom in de 1e en 2e klas geen gymnastiek?
.
Het antwoord op deze vraag, die vaak door ouders gesteld wordt, houdt sterk verband met de op­vattingen over de aard van het spelen van een kind in deze leeftijdsfase. In de gymnastiekles ligt het accent sterk op het technisch leren beheersen van bewegingsvormen. Ook al gebeurt dit leren spelenderwijs, toch zal de gymnas­tiekleraar de keuze van zijn stof sterk laten bepalen door het bewegingselement in een spel. In de eerste en tweede klas wordt wel veel gespeeld, maar de fantasie, de beleving van het spel vormen hier het uitgangspunt. Bewegings­correctie wordt niet toegepast. Minstens twee uur per week moet de klassenjuffrouw, of iemand die dol op spelletjes is zo’n spelles geven. Zeker in deze tijd is dat nodig, want veel kinderen komen alleen op die manier nog in aanraking met de oude kringspelen zoals de zevensprong, zakdoekje leggen., de mosselman enz. Overigens werden deze kringspelen vroeger niet alleen door kinderen, maar ook door volwassenen gedaan, waarbij door het spelen in een kringvorm de boze geesten werden geweerd.

Knikkeren en tollen zijn eveneens van die oeroude spelen, waarvan ieder kind weet (of wist?) dat het weer “knikkertijd” is. Knikkeren wordt veel in de lente tegen de zaaitijd gespeeld. In de Kerkstraat* keken vorig jaar wel 10 kinderen elkaar verbaasd aan op zo’n zonnige morgen met ochtenddauw dat ze allemaal hun knikkerzak hadden meegebracht.
Tollen hield vroeger verband met de regen en werd vaak in de voorzomer en in de herfst gespeeld.
Buiten op het plein kan met de hele klas “Twee emmertjes water halen” of “Zitte me Japie zit” gespeeld worden, maar ook is het goed om groepjes te vormen die touwtje springen met “Karel Eén heeft één been” of die “Ra, ra, ra wie heeft die bal” spelen, een hinkelbaan van de aarde naar de hemel afleggen of die lekker in een hoekje knikkeren. In deze twee klassen spelen de kinderen óf nog heel sterk voor zichzelf en proberen daar­bij iets onder de knie te krijgen, óf ze gaan helemaal op in de groepsbeleving en zijn als vanzelfsprekend bezig met de hele klas “een ketting te rijgen”. Zodra de spelleidster het lied heeft ingezet sluit de een na de ander zich aan, want ze voelen dat daar iets gebeurt waar je bij moet zijn.
.

Spel: alle artikelen

.

610-560

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Spel (1-3-1)

.

Bert Voorhoeve, Jonas 8/9, 18-12-1981
.

Het ganzenbordspel als beeld van de werkelijkheid
.

Het is oudejaarsavond. De dobbelstenen rollen. Er wordt 12 gegooid. ‘Hoera, op een gans, dus ik mag nog eens 12 vooruit!’ Dan klinkt opeens teleurgesteld: ‘Ik ben dood, ik moet opnieuw beginnen’.
Een ander is opge­lucht omdat hij verlost is uit een situatie waarin hij gevangen zat en zelf dool ik door het doolhof op zoek naar de uitgang. Zo golft het spel heen en weer tussen blijdschap en teneergeslagen zijn, voorspoed en tegenslag, kwaadheid en berusting, opgewonden zijn en geen zin meer hebben. Ervaringen en gevoelens die we goed kennen van het afgelopen jaar. Het lot bepaalt de weg die we van het begin naar het eind, van 1 naar 63, afleggen. Hoé we die weg afleggen, hangt af van de manier waarop we reageren op datgene wat op onze weg komt. Met val­len en opstaan komen we tenslotte allemaal aan het eindpunt van het spel. En we beleven dat het einde een nieuw begin is.

Als je wat verder nadenkt over hetgeen je in het ganzenbordspel kunt ervaren, dan blijkt dat je in het spel allerlei elementen tegenkomt, die je in je eigen levensloop kunt ont­dekken en ook in het verloop van een dag, een week, een jaar, een levensfase. In het spel ga je een weg, samen met anderen, je bent af­hankelijk van elkaar. Je ontmoet weerstan­den die je moet overwinnen, hulp en tegen­slag. Het ene moment ga je langzaam vooruit, een ander moment ineens heel snel om dan weer teruggeworpen te worden. Je voelt dan verzet tegen je lot; waarom moet mij dat overkomen, terwijl een andere speler geen enkele belemmering op z’n weg vindt?
Tijdens het spel worden we begeleid door ganzen. Ganzen zijn thuis in de elementen water, aarde en lucht. De gans is burger van twee werelden: hemel en aarde. Het is een waakzame vogel; ganzen hoeden is niet een­voudig – de dieren hebben de neiging alle kanten op te vliegen. Je kunt het ganzen­bordspel ervaren als een beeld van de werke­lijkheid. Je kunt aan het spel ‘vragen stellen’; wat is de wijsheid die verborgen is in je beel­dentaal? En welke vragen stelt het
ganzen­bordspel aan mij, wat roepen de beelden in mij op? Wat hebben ze mij te zeggen over het jaar dat achter mij ligt? Wat heeft de brug mij te zeggen, durf ik het onbekende aan de andere oever tegemoet te treden? Wie tref ik in de herberg aan, wat zoek ik in de herberg, nieuwe kracht of ver­getelheid? Geeft de put mij water of staat hij droog en val ik erin? Verdwaal ik in het dool­hof of heb ik een goede gids? Zit ik in me­zelf, een levensfase of situatie gevangen of ben ik innerlijk vrij? Leef ik met de dood als mijn “reiskameraad’ of heb ik hem buitenge­sloten en doe ik net of hij niet bestaat? Is het einde van het spel het einde van de reis of het begin van een nieuwe reis met nieuwe ervaringen, nieuwe vragen, raadsels en opga­ven?

Je kunt het antwoord op deze vragen alleen vinden door op weg te gaan, de dobbelstenen van het lot te gooien en de brug over te gaan die je aan de andere oever brengt, waar je weg verder gaat.

De brug

De brug kan een wonder van techniek en bouwkunst zijn, zoals de Zeelandbrug of de Van Brienenoordbrug, het kan een ophaal­brug zijn of een wiebelende plank over een sloot, het kan een brug zijn over een rots­kloof of de ophaalbrug van een middeleeuw­se burcht. Hoe groots of hoe simpel een brug ook is, het is altijd een verbinding tussen twee oevers van een rivier, kanaal, gracht of de rotsen van een kloof. Door middel van de brug kun je andere mensen bereiken, kun je met elkaar in contact komen. Bruggen worden vaak gebouwd, uitgaande van beide zijden van een rivier; langzaam groeien beide helften naar elkaar toe. In het midden worden de brugdelen dan aanéén ge­voegd. In ‘het midden’ kun je elkaar ontmoe­ten, tegenstellingen kun je ‘overbruggen’ door er iets tussen te bouwen. In het contact met andere mensen kun je ervaren hoe be­langrijk, maar ook hoe moeilijk dit ‘bou­wen’ is. Je moet zelf beginnen, de ander iets tegemoet te brengen in de hoop dat de ander dit ook zal doen, zodat er een raakvlak ont­staat waar je elkaar kunt ontmoeten. Je moet ‘over de brug durven komen’ om sa­men met anderen verder te kunnen gaan.

De herberg

De drie koningszonen in het sprookje van Grimm ‘De gouden vogel’, komen gedurende hun reis in een dorp waar twee herbergen staan. De ene herberg is mooi en er wordt ge­danst en gezongen, de andere herberg ziet er armoedig en haveloos uit. De twee oudste broers negeren de waarschuwing van de vos; zij vieren feest in de vrolijke herberg en ver­geten helemaal dat ze op zoek zijn naar de gouden vogel, ze vergeten het doel van hun reis. De jongste broer luistert naar de vos en in de armoedige herberg vergeet hij het doel van z’n reis niet.

Als je overgeleverd bent aan de uiterlijke om­standigheden, de uiterlijke schijn, loop je in ‘de herberg’ de kans je daarin te verliezen. Alleen vanuit een wakker bewustzijn kun je jezelf blijven en het doel van je reis in het oog houden. Aan het beeld van de herberg beleef ik: alleen als je je innerlijk versterkt kun je in de gemeenschap van mensen werke­lijk sociaal zijn. Betrokken op anderen met behoud van je eigen identiteit, de eigen opga­ven die je te vervullen hebt. Een ander beeld van de herberg staat in het Nieuwe Testament (Lukas 2): ‘En zij baarde haar zoon, de eerstgeborene en legde hem in een kribbe omdat er in de herberg geen plaats voor hen was’. Je kunt de herberg ook zien als een beeld van je innerlijk. Is er plaats in ‘mijn herberg’ voor de geboorte van het Jezuskind? Of ben ik zo vol van mijn dage­lijkse indrukken, is het zo druk in mij ‘van kelder tot zolder’, ben ik zo ‘bezet’, dat er geen plaats meer is?

Als ik het afgelopen jaar beschouw dan valt het me op hoe sterk de uiterlijke indrukken vaak overheersen en hoe moeilijk het is je niet voortdurend te laten ‘bezetten’. Het is steeds weer een gevecht om innerlijke ruimte vrij te maken voor datgene (diegene) dat je er zélf in binnen wilt gaan.

De put

Heel intensief heb ik de put ervaren tijdens een werkkamp op het eiland Kythera in Griekenland. We groeven een waterput voor de plaatselijke bevolking. Om de beurt daal­den we aan een touw in de put af om die­per te graven. De stenen werden in manden omhoog gehesen. Ondanks alle inspanning vonden we geen water. Je hebt dan letterlijk het gevoel in de put te zitten. Je staat in een ruimte waarin je je nauwelijks kunt bewegen en boven je zie je een kleine cirkel licht, waar degene vandaan zal komen, die je komt aflossen, die je ‘uit de put komt helpen’. De put of de bron is de plaats waar je water kunt halen. Je kunt er water putten dat le­ven mogelijk maakt, maar je kunt ook bij een opgedroogde put komen, zodat je dorst moet lijden en je kunt ook in de put vallen. Het beeld van de put komt in diverse sprook­jes voor.

Op jezelf teruggeworpen worden, kan je ogen juist openen voor jezelf en voor de wereld. Maar je kunt je ook, uit een gevoel van machteloosheid, helemaal afsluiten. En dan is het een geluk als je iemand ontmoet, die je uit de put kan helpen. Het beeld van de put kan ons ook zeggen: zorg er voor dat de bron in jezelf niet opdroogt, zorg er voor dat je levend water uit die bron kunt schep­pen.

Het doolhof

In de speeltuin bij de Julianatoren in Apel­doorn heb ik als kind voor het eerst het dool­hof beleefd. Als je er in zat kwam je er moei­lijk weer uit. In de heggen zaten overal gaten waar kinderen doorheen gekropen waren, die de uitgang niet meer konden vinden. Maar als je bovenop de toren stond keek je op het doolhof neer. Je zag dan al die mensen dolen en je zag hoe ze moesten lopen, terwijl ze zelf de weg niet vonden. Je kunt ook het gevoel hebben in een dool­hof te zitten. Soms denk je: nu zit ik op de goede weg, maar die loopt dan toch weer dood en je moet terug om een andere weg te proberen. Je staat voor de vraag: hoe kom ik in de goede richting. Wat is de zin, het doel van mijn leven, wat is mijn opgave, is er een gids die me kan helpen bij het zoeken van de weg? Wat is de rode draad in mijn leven, wat is mijn levensmotief?

Het vinden van deze rode draad kan je hel­pen om uit het doolhof te komen. En door ‘op de toren’ te gaan staan en bijvoorbeeld op het eind van het jaar wat afstand te nemen, naar beneden te kijken op je doolhof, kun je verbanden en samenhangen ontdek­ken, die je niet zou zien als je steeds maar heen en weer blijft dolen.

De gevangenis

In ‘de gevangenis’ moeten we drie beurten overslaan. We hebben tijd om ons te bezin­nen. Hoe staat het met mijn vrijheid, waar ben ik een gevangene van, hoe komt het dat ik van de buitenwereld ben afgesloten? Zit ik gevangen in uiterlijke zekerheden, vooroor­delen, angsten, hartstochten, vroegere levens­fasen? Heb ik zelf mijn eenzame planeet geformeerd?
De Saint Exupéry geeft in zijn boekje ‘De kleine prins’ een beeld van mensen die gevan­gen zitten op hun eigen “planeet’. Zij zijn ge­vangen in ijdelheid, macht, intellectualisme, hebzucht, verslaving en automatisme. Deze planeetbewoners houden me een spiegel voor waar ik wakker aan kan worden. ‘Grote men­sen zijn toch wel heel, héél wonderlijk’, zegt de kleine prins, iedere keer als hij een pla­neet verlaat. Ik hoop de kleine prins vaak te ontmoeten, want door zijn ontwapenende vragen, word ik verlost uit mijn gevangen­schap. Ook het samen met anderen of een ander zoeken naar inzicht in je situatie kan je de sleutel in handen geven om de deur te openen die je weg had afgesloten.

De dood

De dood staat niet aan het einde van de weg van het ganzenbord. Het is alsof het spel wil zeggen: “Je moet de dood tijdens het leven ontmoeten, de dood is je reiskameraad, je moet leren leven mét de dood.’

Ontwikkeling houdt in dat alleen door het afsterven van het oude, nieuwe ontwikkeling mogelijk wordt. In je leven kun je tijden doormaken waarin je het gevoel hebt: alles wat ik tot nu toe gedaan heb heeft geen levenskracht meer, leidt naar een eindpunt. Het moet sterven, omgevormd worden. In die worsteling met het oude dat geen kracht meer heeft en het nieuwe dat je nog geen vorm kunt geven, kunnen ineens kiemen ontstaan die iets nieuws mogelijk maken Het beeld van de graankorrel komt tot leven: alleen door te sterven in de aarde kan de graankor­rel vrucht dragen. Het oude moet sterven om iets nieuws mogelijk te maken. Dat geldt voor ons leven, maar ook voor een dag, een week, een jaar. Ook het oude jaar moet sterven en de manier waarop je je los­maakt, terugblikt, afscheid neemt is mede van invloed op het nieuwe jaar dat geboren wil worden uit het oude.
Zoals Niels Holgerson ‘betoverd’ met de gan­zen de wereld in trok en na een lange reis weer mens wordt, zo geeft het ganzenbord­spel een beeld van een ontwikkelingsweg, die je alleen tot een goed einde kunt brengen als je de beproevingen, de weerstanden op je weg tegemoet durft te treden. Op het eind van zijn reis met de ganzen, op het moment dat zijn geliefde gans door z’n vader geslacht dreigt te worden, overwint Niels Holgerson zichzelf en durft hij zich te laten zien zo klein als hij is en juist daardoor wordt z’n be­tovering verbroken.

In het spel worden zes fasen van beproeving gevolgd door een zevende fase: einde en nieuw begin. En wat we op het eind ver­gaard hebben kunnen we weer gebrui­ken voor de volgende ronde van het spel. We doen in het ganzenbord­spel zeven sprongen, zeven stappen langs de spiraal naar binnen. Brug, herberg, put, doolhof, gevange­nis en dood zijn de zes stappen die voorafgaan aan de zevende. En na de zevende stap kun­nen we weer opnieuw be­ginnen, nieuwe ervaringen opdoen, nieuwe dingen leren, nieuwe inzich­ten verwerven op onze weg naar menswording.

.

Een soortgelijk artikel

Spel: alle artikelen

Meer symboliek in bijv. de sprookjes

.

609-559

.

VRIJESCHOOL – Spel (2-10)

.

Henk Sweers, Jonas 1 09-09-1977
.

De werkelijkheid van het kinderspel
.

Dikwijls hebben kinderen mij gezegd, dat ze Ot en Sien helemaal niet zo leuk vonden. Verhaaltjes in die trant kunnen voor volwas­senen misschien nog een soort nostalgische bekoring hebben van die lieve kindjes met hun leuke, lange, nu weer hippe kleertjes uit grootmoeders tijd, toen alles nog zo zoet en weldoenerig was, kinderen hebben dit soort historische belangstelling nog niet. Ot en Sien zijn leuke lieverds, net als zijzelf. Hun leven en doen lijkt erg veel op hun eigen le­ven en doen en wat is daar nou voor interes­sants aan? Het is een tragisch verschijnsel, dat volwassenen niet meer kind kunnen zijn, maar nog tragischer is het, dat zij hun vol­wassen ideeën op kinderen gaan toepassen. Jaar in jaar uit worden we overstroomd door lieve, brave, opbouwende, psychologisch ver­antwoorde kinderverhalen en kinderversjes, maar wat hebben de kinderen er zelf aan?

Het kind bootst de volwassene na. Daardoor kan het zich ontwikkelen, daardoor kan het zelf volwassen worden. Volwassen worden wil zeggen: de wereld van de levende geest verlaten, het schouwen van de Schepper ver­liezen en de wereld van het geschapene, van het voltooide product, van de materie gaan zien en hanteren. ‘Exact’, d.i. ‘uit de daad’: dood. Maar in die mate, waarin een mens zelf in de dode materie de scheppende, le­vende wereld van de geest heeft herontdekt, is hij pas werkelijk volwassen. Het kind moet de volwassene na-doen. Verkleinwoordjes zijn voor kinderen teleurstellingen. Grote dingen worden er onvolwassen door ge­maakt: huisjes en torentjes, treintjes en wa­gentjes, elfjes en engeltjes, jongetjes en meis­jes. . .Wat is daar in godsnaam voor liefs aan? Je wordt er wee van! Het woord sprookje geeft me steeds weer een naar gevoel. Men heeft de ‘mare’, de ‘sproke’ versoept. In ’t Frans en in ’t Engels is het gelukkig nog altijd een ‘conté’ en een ‘tale’ gebleven. We kun­nen de kinderen, — evenals alle wezens —, lief hebben, lief vinden, maar ze zijn het niet. Iets dat klein is, bijvoorbeeld een atoombom, is daarom nog niet lief! Maar ja, dat kan een kind zich niet bewust maken. Een kind kan alleen maar de krom pratende, liefjes doende volwassene napra­ten en nadoen. En wanneer wij nu goed na-denkjes doen, dan komt er misschien een mogelijkheidje, om te ontdekken, dat we niet in staat zijn een echt kinderspel te ma­ken, een goede kindersproke te verzinnen, of om te begrijpen, dat zo iets althans ver­schrikkelijk moeilijk is.

Klein Anna

Gelukkig snelt hier Vrouwe Traditie ons te hulp. Deze eeuwenoude Moeder de Gans leert onze kinderen nog echte sproken en echte spelen. Kinderen zijn er niet bang van. Ze kunnen er dan pas bang van worden, als wij met ons domme verstand en met ‘de strenge lijnen, die de plicht groefde in ons gezicht’ (Jan Greshoff) er niet de scheppen­de wereld in kunnen beleven, die hun eigen wereld is.

Meer des kinds dan Ot en Sien is Klein Anna:

1.Klein Anna zat op ene steen, ene steen,
ene steen
Klein Anna zat op ene steen, ene steen.
2.Daar zat zij zo te wenen…
3,Daar kwam haar lieve moeder aan…
4.’Zeg Anna, waarom ween jij zo?…
5.’Omdat ik morgen sterven moet’…
6.’Wie heeft jou dat nou wijs gemaakt?…
7.Daar komt de boze Frederik aan…
8.Die geeft haar zeven steken…
9.Nu wordt zij in een kistje gelegd…
10.Nu gaan wij haar begraven…
11.Toen is zij vrolijk opgestaan…
12.En toen werd zij een engeltje…

In Amsterdam volgt soms nog een 13e stroof:

13. Een engel met een b ervoor…

In Duitsland wordt hetzelfde lied ook onge­veer hetzelfde gespeeld: ‘Mariechen sasz auf einen Stein…’ In Oostenrijk werd het, o.a. te Ramsau, soms gespeeld door 12 meisjes en één jongen. Ook in Italië is dit spel in vrijwel dezelfde vorm bekend. Men speelt het als volgt: tijdens strofe 1 en 2 lopen de kinderen hand aan hand in een kring rond. (Naar links, dus met de zon mee). In ’t midden zit een meisje (Anna) neergehurkt met ’t hoofd in de handen. Bij strofe 3 staat de kring stil en treedt een tweede meisje (de moeder) in de kring. Zij zingt de 4e strofe. Solo, maar als zij niet of niet duidelijk genoeg zingt, zingt de hele kring het mee. Anna (het eerste meisje) antwoordt met strofe 5, waarop de moeder weer strofe 6 zingt. (Allebei zingen solo, al of niet door allen ondersteund). Terwijl koor strofe 7 zingt, treedt een derde, een jongen, (de boze Frederik of de Weerwolf) in de kring. Bij strofe 8 klopt de jongen zeven maal met zijn vuist op de maat van het lied Anna op haar rug. Tijdens strofe 9 tillen moeder en Frederik Anna op bij armen benen, jonassen haar en leggen haar weer neer. Onder het zingen van strofe 10 dragen Frederik en de moeder Anna buiten de kring en leggen haar neer. Nu wordt er een nieuwe kring gevormd rondom Anna. Frederik en de moeder nemen ook weer gewoon in de kring plaats. Terwijl men strofe 10 zingt, waaien allen met rokken of armen over Anna heen. Nauwelijks is strofe 11 aangeheven of Anna springt op en holt of danst binnen de kring rondom bij strofe 12 met op en neerwiekende armen de kring, die bij deze strofe weer in zonnerichting is gaan rondlopen, doorbreken en weg te ‘vliegen’. Hier eindigt het spel.
In Amsterdam blijft, als Anna is weggevlogen, de kring onder het zingen van strofe 13 nog rondlopen.
Een spel, dat zoveel gespeeld werd als dit heeft natuurlijk vele varianten. Soms is Klein Anna: Mooi Anna. In plaats van ‘ene steen’ komt ‘Majesteit’, ook wel ‘Maaienstijd’ tijd van het maaien!) voor. De ‘boze Frederik’ is in sommige streken (o.a. in Delft) de boze weerwolf’ enz.

Inwijding

Klein Anna of Mooi Anna of Mariechen is de mens, die op een inwijdingsplaats in een diepe slaap wordt gebracht, een soort doodsslaap. In die dood beleeft hij de geestelijke wereld en wordt na drie dagen door de hierofant, de inwijdende priester, weer tot leven gewekt. Zijn doodsslaap is zo diep geweest, dat hij zich veel van zijn doodsbeleveniss herinnert. Hij is ingewijd. Dit kon in alle mysteriën pas gebeuren na een lange voorbereiding. — Op oude mysterieplaatsen vindt u nog de overblijfsels van deze riten. Bijvoorbeeld bij de Exsternsteine in het Teutoburgerwoud bij Horn. Na de voorbereiding, de rituele dood en de opwekking of opstanding is Anna een engel, dat wil zeggen een wetende, een ingewijde. In dit spel speelt Frederik de rol van de dood, van het kwaad.

In andere versies is het de weerwolf, de man-wolf. Het is de dienaar van de Fenriswolf, het kwaad in de vorm van de onwaarachtig­heid en van het oude helderzien. Deze weer­wolf vindt men ook terug in andere spelen, zoals: ‘Herder, laat je schaapjes gaan’.

Frederik de Tweede

De mogelijkheid bestaat, dat dit spel is sa­mengesmolten met het overblijfsel van een zeer oud mysteriedrama uit de 13e of 14e eeuw. De tekst daarvan bezitten wij niet meer, maar dit is de historische inhoud: Frederik de Tweede van Hohenstaufen was het enige kind van Constanze-Maria, (doch­ter van de Noormannenkoning Rudolf II van Sicilië) en van Hendrik VI van
Hohen­staufen, (zoon van Frederik I, Barbarossa). Deze Hendrik VI eist vanwege het erfrecht van zijn vrouw Constanze, na de dood van haar vader Rogier II, Sicilië op. Hij trekt naar het Zuiden om daar een opstand die te­gen hem is ontbrand, zeer wreed neer te slaan. De kroonpretendent van Sicilië, de broer van zijn vrouw, laat hij op gruwelijke wijze ombrengen.

Daags vóór de geboorte van zijn zoon, op Kerstmis 1194, liet Hendrik zich in de dom van het pas door hem veroverde Palermo tot koning van Sicilië kronen. Zijn vrouw Con­stanze was vanwege haar aanstaande beval­ling in Jesi (Midden-Italië) in de burcht Majesi (nu Macerata) ten oosten van Assisi
ach­tergebleven. Dus in Majesi-steen. Steen is een woord voor burcht. Haar kind bracht haar ongeluk. Zij had hem Constantijn willen do­pen, maar hij werd in de St. Rufusdom te Assisi Frederik Rogier gedoopt. Nog geen 3 jaar oud werd hij door toedoen van zijn vader (in 1196) gekozen tot Rooms-Koning van het gehele Duitse rijk. Doch als op 28 september 1197 nog geen jaar later zijn vader sterft, breekt de hel los. Een deel der Duitse vorsten kiest zijn oom Philips van Zwaben tot Rooms-Koning, of­schoon de 4-jarige Frederik eigenlijk al geko­zen was. De oorlog tussen Staufen en Welfen ontbrandt. Maar zijn moeder Constanze, een kleine, mooie, heftige vrouw, is door de wreedheid van haar man de Duitsers gaan ha­ten. Zij jaagt alle Duitsers het eiland af, doet afstand van het Rooms-Koningschap van haar zoon Frederik en laat hem op Pinkster­zondag 1198 (4 jaar oud) tot koning van Sicilië kronen. Zij erkent de leenhoogheid van de paus (Innocentius III), geeft hem het voogdijschap over Frederik en het regent­schap over Sicilië. Dit alles overleeft zij niet lang. In de herfst van datzelfde jaar sterft zij. waarschijnlijk door moord.

Het is slechts een hypothese, dat een drama, hetwelk deze geschiedenis tot onderwerp had, tevens de oorsprong heeft gevormd van het in Duitsland en Italië welbekende ‘Klein Anna’. —Het kind Frederik, de latere, in de geheimwetenschappen zeer ingewijde keizer, was indirect de oorzaak van de dood van zijn moeder. Zijn moeder werd later in kerkelijke kringen voor ‘heilig’ gehouden, wat te begrij­pen’ is. Zij werd een ‘engel’. Als dit alles waar is, dan is Constanze-Maria geworden tot Klein Anse (in de Pfalz) of tot Klein-Anna (in Nederland) of tot Mariechen. Maar dit sluit een nog veel ouder substraat van een mystieke inwijdingsritus geenszins uit. Men vergelijke Kriemhild en Siegfried uit de Nibelungensage, die in Bourgondiè ontstond in de 13e eeuw, met Gudrun en Sigurd uit de Edda, die stamt uit de Germaanse mysteriën van vóór onze jaartelling. Het is en blijft een, vooral bij grotere kinde­ren, geliefd en indrukwekkend kinderspel. Niet een lied met gebaren, maar een echt mysterie-drama. Het is vol actie en zeer ge­heimzinnig. Een reëel beeld uit het leven der echte volwassenen.

KLEINE ANNA

Een meisje, dat Anna voorstelt, zit op een steen, en daar om heen lopen de andere kinderen, zingend, in een kring rond, bij elk nieuw couplet naar de andere kant. Waar het lied in ge­spreksvorm overgaat, is het Anna, die de kring antwoord geeft.

De tekst luidt:

Klein Anna zat op enen steen, enen steen, enen steen,
klein Anna zat op enen steen, enen steen!
(Of: Klein Anna zat op majesteit!)
Daar zat zij zo te wenen, enz.
Daar kwam haar lieve moeder aan, enz.
Zeg Anna, waarom ween je zo? enz.
Omdat ik morgen sterven moet! enz.
Daar komt die boze Frederik, enz.
Die hakt haar nu het hoofdje af! enz.
Nu wordt zij in een kist gelegd! enz.
Nu gaan wij haar begraven! enz.
Nu is zij weder opgestaan! enz.

Al wat er in het lied gebeurt, wordt in gebaren nagebootst, waarbij twee kinderen de rollen van de moeder en van Frederik spelen. Essentieel is het weder opstaan van de eerst als dood begraven (neergelegde) Anna! Verbasteringen waarin de laatste regel ontbreekt, hebben de betekenis van het spel verloren!

Verklaring

Anna is kennelijk de figuur van Persephone, de vrouwelijke levensgeest, die in het najaar sterven moet en zich dan naar de onderwereld begeeft (de zaden onder de grond). In het voor­jaar komt zij weer boven de grond uit!

Ook kan men Anna zien als de ziel, die nederdaalt ter helle bij de inwijding, na de mystieke dood. De boze Frederik speelt de rol van het Kwaad, van Fenrir of Satan,  Na haar loutering staat de ziel op!

Mellie Uyldert: Verborgen wijsheid van oude rijmen

Wie googelt  vindt nog meer verklaringen, waaronder die van Bert van Zandwijk

Spel: alle artikelen

.

608-558

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Spel (2-9)

.

Henk Sweers, Jonas 16, *16-04-1978
.

Kinderspel als opvoedingsmiddel

Dat zoveel mensen die kinderen moe­ten opvoeden, ouders en
kleuterleid­sters, onderwijzeressen, onderwijzers en pedagogen, nog steeds niet het echte kinderspel- en lied hebben ont­dekt, is een verwonderlijke zaak. Maar het is nog wel te begrijpen, wanneer men bedenkt, dat wij allemaal de erfe­nis dragen van de intellectverheerlijking der vorige eeuw [20e]. Dit verhindert ons om de imaginatieve beelden uit een buitenstoffelijke wereld, waarin het kind nog onbewust leeft, maar van waaruit het nog wel inspiraties ontvan­gen kan, te zien. Ons materialistische, schabloonachtige denken sluit voor ons, volwassenen, die wereld nog maar al te dikwijls af. Onbegrijpelijk echter is het, dat vele dicht(st)ers en letter­kundigen de schoonheid en de poëzie in het echte kinderlied niet kunnen ontdekken. En hoeveel van die dames en heren hebben zich niet geroepen gevoeld om zelf kinderversjes en -lied­jes te maken? Het blijven vrijwel al­tijd ‘liedjes-vóór-het-kind’. Echte
kin­derspelen, liederen-van-het-kind, worden het maar hoogst zelden. De volwassene ziet niet, wat het kind ziet. De volwassene kan alleen in vage
her­inneringsmomenten misschien nog iets beleven van wat het kind voelt. Het is, zoals wijlen Jop Pollmann, de grote propagandist voor het echte kinderlied, heeft gezegd, ‘veel gemakkelijker een goede opera te componeren dan een goed kinderliedje’. Deze neerlandicus-musicoloog wees herhaaldelijk op de natuurlijke, meest­al vijftonige, stemomvang van het kleine kind, op de binding aan de beweging van het spel, op het oertraditionele in het echte kinderspel en de enorme vormende waarde ervan voor het ritmische en melodische gevoel. Hij noemde het ook de allereerste grondslag voor een litterair gezonde smaak.

Dit alles mag conservatief lijken, maar welk kind is niet conservatief? Voor het kind is op aarde alles nieuw. Een nieuw licht schijnt over alle dingen, die voor ons meestal ouwe koek zijn geworden. Is dat nieuwe licht niet de ware creativiteit?

Treffend is het feit, dat de kinderspe­len in Vlaanderen en Noord-Duitsland vrijwel hetzelfde zijn als bij ons in Ne­derland, behoudens enkele varianten die er het eigen karakter aan geven. Hieruit blijkt hun oeroude afkomst. Ook bij de Boerenbevolking in Zuid-Afrika vindt men dezelfde spelen met slechts enkele idiomatische afwijkin­gen. Onze kinderspelen zijn dus zeker sinds de 17e eeuw weinig veranderd. Met iets grotere verschillen treft men ze aan in alle Germaanse taalgebieden en zelfs in die van de Romaanse en Slavi­sche talen. Dit wijst duidelijk op het zeer traditionele karakter van het kin­derspel, op iets boven-nationaals. dat er de bron van is en iets vóór-natio­naals, namelijk de oudheid, waaruit vele kinderspelen stammen.

Laten we eens proberen om met onze ‘volwassen’ ogen een kinderspelletje te bekijken en te zien wat wij, grote mensen, daarin kunnen ontdekken: Een kringspelletje, in deze versie opge­tekend te Delft:

Krui. kruiwagentje
krui maar voort.
Ik heb zo’n aardig wagentje,
dat mij toebehoort.
Waar zal ik het zoeken?
Hier in alle hoeken,
hier en daar
en ik weet niet waar.
‘K heb het al gevonden,
‘K ben het alweer kwijt:
Kom hier, mijn lieve Lammetje,
kom achter mij.

De kinderen staan in een kring. Eén loopt buiten om de kring heen, tegen de zon in. De kring loopt hand in hand met de zon mee, dus naar links. Bij ‘achter mij’ tikt het kind dat buitenom loopt, de drie kinderen aan waar hij of zij op dat moment langs loopt. Bij de derde blijft hij staan. Dit kind sluit achter de eerste aan en geeft hem een hand. (In Delft legt hij 2 handen in de handen van het eerste kind die ze op z’n rug houdt. De volgenden leggen dan hun handen op de heupen van de voorgaande.) Het lied en het spel beginnen opnieuw, nu met 2 kinderen buitenom. Zo gaat het verder ( tot tenslotte de hele eerste kring tegen de zon inloopt en nog maar één kind in het midden is. Dit kind treedt buiten de kring en gaat tegen de zon in lopen. De kring wordt gesloten en loopt nu weer de andere kant op, met de zon mee. Het spel begint opnieuw. Zo kan het eindeloos doorgaan…

In het liedje valt ons allereerst het levendige ritme op. De versregels zijn kort met afwisselend 4 en 3 heffingen. Deze korte regels zijn een kenmerk van de oudste volkspoëzie, van skaldenliederen en toverspreuken. Dan treft ons het gemak en de nonchalance waarmee gerijmd wordt. (In vele steden zingt men in plaats van ‘Ik ben het alweer kwijt’: ‘O wat ben ik blij’ waardoor het volle rijm op ‘mij’ wordt hersteld.)

De melodie is half pentatonisch (5-tonig, zonder grondtoon), – in maat 1 t/m 4, 9 t/m 14, 17 en 18, dat zijn 12 van de 24 maten – half diatonisch.
R. Steiner heeft erop gewezen, dat de toonaard die bij de kleuterleeftijd hoort, de pentatonische is. Deze toonaard vindt men dan ook in de zogenaamde kleuterdreunen (bijvoorbeeld  g,g,a,a,g,g,e enz.) en in sommige kinderspelen. Vele kinderspelen vertonen echter reeds een mengeling van de pentatoniek en onze majeur-toonaard. Zo ook dit spel.

Dit spel is waarschijnlijk een oeroud Vastenavond- of Carnavalsspel, dat reeds lang vergeten is, maar dat in de middeleeuwen nog door volwassenen in ongeveer dezelfde vorm werd ge­speeld. Het ‘kruiwagentje’ van de kin­deren is dan oorspronkelijk de ‘scheepswagen’, de ‘blauwe schuit’, die rond reed en waarin de kringgenoten, de ‘schuitevaarders’ een voor een wer­den opgenomen.

De scheepswagen is het beeld van ons aardse lichaam, het voertuig van ons IK. Het is bij het kind nog maar een ‘kruiwagentje’! Het lammetje is het beeld voor het IK zelf. Denkt u maar aan het beeld van het ‘Lam Gods’ uit het boek der Openbaringen en het woord van Christus: ‘Weid mijn lammeren’, (Luc. 21:15). De voort­durende wisseling in het spel zou dan kunnen wijzen op het afwisselen van een leven tussen dood en geboorte met een leven op aarde tussen geboor­te en dood.

Het kind moet hier op aarde zijn persona, zijn uiterlijk wezen opbouwen. Het zoekt zichzelf, zijn aardse zelf. Waar zal het kind dat zoeken? Hier, in alle hoeken, maar ook daar, het weet niet waar. En hoe dikwijls, wanneer hij het gevoel heeft Zichzelf in zich­zelf gevonden te hebben, is hij het al weer kwijt? Maar zijn ‘lammetje’, zijn hogere IK gaat leidend en besturend achter hem voort… Eigenlijk gebeurt in dit spel ongeveer het volgende: De eenling beweegt zich tegenover de gemeenschap, maar door deze eenling ontstaat een nieuwe ge­meenschap, samengesteld uit dezelfde individualiteiten: Een vernieuwing, een metamorfose van een groep. Het eenzame ik, dat in liefde de anderen in zich opneemt, groeit met de anderen tot een werkelijke gemeenschap
tezamen.

Wat de eeuwen en de cultuurveran­deringen niet vermochten uit te roei­en, dreigt nu door mechanisatie, door overbevolking en door televisie en radio te verdwijnen. Daarmee zou een sterk opvoedingsmiddel te gronde gaan. Het is te hopen, dat iedereen die met kinderen te maken heeft, er alles aan doet om te zorgen, dat het oude en steeds nieuwe, echte kinder­spel behouden blijft.

.

Spel: alle artikelen

.

606-556

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Spel (5)

.
A.S., nadere gegevens onbekend (Annet Schukking?)
.

SPEELGOED

Wanneer een kind geboren wordt, komt het – fysiek gezien – uit zijn donkere, stille holletje plotseling in de lichte, lawaaiige wereld; uit de geborgen beschutting van zijn moeder raakt het los als een eigen apart wezentje – een groot avontuur begint. Gelukkig staan er aan zijn wiegje veel feeën, die hem rijkelijk beschenken en een kostbaar geschenk voor zijn leven op aarde zijn de twaalf zintuigen, waardoor de wisselwerking van zijn innerlijk wezen met het aarderijk plaats zal vinden. Het kind komt op aarde vanuit een sterke levenswil – een gezond kind is enorm ver­langend om zich met de aardewereld te verbinden en die te leren kennen. Het stelt zich dan ook totaal open voor alles om zich heen en als het niet zo wijs was om heel veel te slapen, zou het helemaal omkomen in alle indrukken die het beleeft. Het heel kleine kind is eigenlijk een en al zintuig, maar het is niet zo dat hier sprake is van al geheel gevormde en gedifferentieerde zintuigen. De zintuigen zijn in aanleg aanwezig, maar hun verdere vorming krijgen zij door de indrukken die zij ontvangen en door oefening. Het oog ontwikkelt zich aan het licht, het oor aan de klank, de woordzin aan het gesproken woord, enzovoort. Het kind brengt zijn wil tot ontwikkeling mee, zijn feeën leiden hem met wijsheid en de aarde schenkt haar grote rijkdom. Wat gaat er nu gebeuren? Het kind speelt! Het speelt met zijn rammelaar, zijn wiegepopje, zijn voetjes en handjes en met alles wat het maar tegenkomt. Alles is immers nieuw – ook hijzelf is nieuw! Steeds valt er iets te ontdekken en mee te spelen! Spelen is bewegen en zo ontwikkelt zich de bewegingszin (het waarnemen van de eigen beweging), wat later, de evenwichtszin (de klim- en klauterperiode), spelen is na­tuurlijk kijken, maar ook tasten en proeven! Oneindige verscheidenheid biedt de aardewereld – steeds meer verfijnen en differen­tiëren de zintuigen zich. – Is een bepaald zintuig in zijn ontwikkeling gestoord, dan richten de vormkrachten zich sterker op de overige. Bekend is het scherpe ge­hoor, de fijne tastzin van de blinde bv. Je bent geneigd om alleen speelgoed te noemen wat als speelgoed bedoeld is. Maar voor een klein kind is alles speelgoed. Niets is zo frustrerend voor een kind als het woordje “afblijven. Je frustreert het niet voor een ogenblik, maar voor zijn hele leven. In plaats van een goede fee ben je dan een boze kobold, die zijn ver­meende bezittingen verdedigt. Maar hoe dan met al die dingen in onze ingewikkelde cultuur, waar de kleine handjes echt niet aan mogen komen, die te broos, te gevaarlijk of te riskant zijn? Nu, met de eerste categorie, de broze, is het gemakkelijk – alles voorlopig buiten handbe­reik en de verleiding om het te pakken is verdwenen. Wat het tweede betreft heb je de hulp van het kind zelf. Het kind, in zijn speeldrang, richt zich op de volwasse­ne, het onvolprezen voorbeeld voor zijn activiteiten. Nu speel je hem wat voor: je brandt je afschuwelijk aan het gastoestel; je krijgt een zware steen op je tenen – kom maar eens hier, dan mag je het ook proberen; wedden dat het voor de uitnodiging bedankt? Maar ook positief kun je zo met hem meespelen. Moet je telefoneren, geef het kind een kindertelefoontje; heb je een baby, geef het kind een grote babypop, compleet met luiers en flesje, en je voorkomt veel geharrewar. Het kind moet kunnen nabootsen, het is een levensbehoefte en een levensnoodzaak. Maar nu over het echte speelgoed. Als je bedenkt wat een kind daar allemaal aan wil ontwikkelen, hoe het zijn zintuigorganen zelfs fysiek hier aan vormt, dan kan het niet onverschillig zijn waar het mee speelt. Materialen, kleuren, vormen – het is allemaal belangrijk. Want niet alleen dat de dingen fysisch verscheiden zijn -fluweel voelt anders aan dan katoen of wol, hout anders dan metaal of steen, ijzer is anders dan koper- ze vertellen in hun verschijningsvorm ook iets van hun ware wezen en juist het kind, dat nog zo open staat, kan naar deze vertellingen luisteren. Het kind verbindt zich totaal met zijn waarnemingsobjecten, kruipt er helemaal in en neemt daardoor zo goed ‘waar’. Misschien herkent het er wel iets aan vanuit de wereld waar het zelf net vandaan komt, de verwantschap van de vormende krachten die werken in steen, plant en dier. En hoe weldadig is niet een stukje herkenning wanneer je in een heel onbekend gebied komt. In zijn eerste levensjaren, als het kind de aardewereld wil leren kennen, brengt het aan alles sympathie tegemoet. Het kan nog niet onderscheiden, alles is goed. Door het kind met goede en mooie dingen te omringen, wordt deze sympathie passend beantwoord. Geef je een kind lelijke, onnatuurlijke dingen, dan zal het ook die in sympathie ont­vangen, vooral van de moeder, en zijn leven lang zal het lelijke, het onnatuurlijke voor hem iets behouden van de glans uit deze eerste ontmoetingen – de smaak is bedor­ven. Of misschien is het kind zelfs in zijn diepste wezen teleurgesteld, valt de we­reld hem tegen en het wordt later een onverschillig, een cynisch mens. Het is niet altijd een kwestie van geld, ook het eenvoudige kan goed zijn, het weini­ge mooi. Kwaliteit is belangrijker dan hoeveelheid. Eigenlijk zou je zelf moeten proberen opnieuw en onbevangen naar de voorwerpen te kijken, ze weer te ontdekken. Voel er eens aan, lik er eens aan, telkens weer en misschien doen zich werkelijk verrassingen voor. Hst kind wil ook telkens iets anders. Na een poosje is het op een bepaald speelgoedje uitgekeken en wil iets nieuws. Hou daarom wat in reserve, geef hem nooit al zijn speelgoed tegelijk. En als je het kind iets nieuws geeft, neem dan onopvallend iets anders weg, leg het in de kast en na een tijdje zal het weer als nieuw voor hem zijn. Ook de overvloed aan verjaars- en Sint- Nikolaascadeaus kunnen beter gerantsoeneerd wordenKomt er dan eens een “leeg” moment, dan is er nog iets in de kast. Hoe komen we aan goed speelgoed?*

(Nu wordt in het artikel een aantal winkels genoemd. Die informatie is echter niet meer actueel)
.

spel: alle artikelen  *zie hier onder 5

.

605=555

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Spel (2-3)

.

Etty Feringa, nadere gegevens onbekend
.

KINDERSPEL EEN SERIEUZE AANGELEGENHEID
.

De uitdrukking “het is maar kinderspel” klopt eigenlijk niet, want het kinderspel is uiterst serieus en van enorm belang voor het wel of niet slagen van een gezonde ontwikkeling.
Het is algemeen aanvaard, dat de ervaringen van de eerste drie jaren bij de mens in het onbewuste blijven en een voedingsbasis leggen voor de verdere ontwikkeling van de mens.
Als ouders en opvoeders hebben wij de verantwoordelijkheid deze voedingsbasis van het jonge kind zo vruchtbaar mogelijk te maken zodat het later als een sterk mens in de maatschappij kan staan.
Het kind heeft het spel nodig om zich te kunnen ontwikkelen. Het spel is even belangrijk als goede voeding.
Een kind dat niet speelt baart ons zorgen. Kinderen hebben overal en altijd gespeeld, zelfs zonder speelgoed. Zij vonden hun speel­goed dan in de natuur.

In onze peuterklas hebben wij speelgoed dat gemaakt is van natuurlijke materialen. Dit vinden we zo belangrijk, omdat dit het kind zuivere ervaringen biedt waarmee het zich verbinden kan. Hout voelt bijvoorbeeld heel anders aan dan plastic, hout ruikt ook, het heeft zijn eigen kleur en een speciaal gewicht. Maar bovenal prikkelt dit speelgoed veel meer de fantasie dan het kant en klaar afgewerkte, gemechaniseerde speelgoed in de grote winkels.

De fantasiekrachten zijn enorm belangrijk in het mensenleven. Daardoor kan men in zijn leven de problemen oplossen; kan men iets nieuws in de
maatsschappij zetten. Fantasie en spel zijn nauw met elkaar verbonden.
In de peuterleeftijd ziet men het eerste ontwaken van de fantasie. We proberen de fantasie te behoeden voor schadelijke invloeden. Het speelgoed wordt daarom met zorg gekozen. Zotte afbeeldingen van mensen of dieren die we in sommige prentenboeken of voor de tv zien, zouden we ver van het kind moeten houden, omdat dit de eerbied voor de dingen afbreekt. De pop die we het kind geven is heel eenvoudig en van zacht, natuurlijk materiaal gemaakt. Met deze eenvoudige lappenpop valt heel wat te beleven. De ene keer lacht het poppenkind, een andere keer huilt het of is het boos, omdat het naar bed moet. Doordat de pop geen uitgesproken gezichtje heeft (niet altijd dezelfde grijns zoals veel plastic poppen), kan het kind er zelf via zijn fantasie iets aan toevoegen. Bovendien is z’n lappenpop veel lekkerder om te knuffelen. De pop waarmee het kind speelt, is een gedeelte van hemzelf. De pop moeten we met evenveel respect behandelen als het kind zelf. Stel je voor dat er tegen een vader of moeder gezegd wordt: ‘Is dit jouw kind, wat een vies ding,’ en het dan stiekem wegmoffelen in de vuilnisbak.
Geen wonder dat het kind te keer gaat als z!n pop weg is. In het spel met de pop kan het kind een heleboel dingen kwijt. Zo zag ik geruime tijd een jongetje elke ochtend een pop uit het wiegje halen. De pop kreeg een flink pak voor zijn billen en werd heel diep onder de dekens gestopt met de woorden: ‘En nu gaan slapen, nu is het uit!’

De kinderen spelen vanuit de nabootsing en volgen het voorbeeld wat ze in hun omgeving zien.
Zo was er eens een meisje dat enkele dagen bij opa en oma had gelogeerd en terugkwam met een vreemde manier van lopen.

Bij nader onderzoek bleek haar been volkomen gezond; het was oma die een zere hiel had!
Het jonge kind staat volkomen open voor zijn omgeving, het is een en al zintuig.
Wij als ouders en opvoeders hebben de verantwoordelijkheid om een goed voorbeeld te zijn voor onze jonge kinderen en hun een omgeving te bieden waaraan voor het kind nog iets “interessants” te beleven valt.

.
spel: alle artikelen

opspattend grind: spel

Erica Ritzema.
.
604-554

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Spel (2-2)

.

P.C.Veltman, vrijeschool Leiden, nadere gegevens ontbreken
.

SPEL OP DE VRIJESCHOLEN
.

Het spel heeft voor de ontwikkeling van een kind een betekenis die nooit hoog genoeg geschat kan worden; Rudolf Steiner heeft zijn leerplan voor een groot deel op het spel afgestemd*. Hij wees er tevens op dat onjuiste voorstellingen over de ontwik­kelingsgang van een kind een grote belemmering voor die
ont­wikkeling zelf kunnen vormen.
Het kind is een menselijk wezen naar lichaam, ziel en geest, een wezen dat in iedere leef­tijdsfase mens is en recht heeft op zijn mens-zijn in die fase. Voor de beschouwing van het spel bij het kind maakt dat een enorm groot verschil. De bekende speltheorieën zijn interes­sant, maar óf te eenzijdig biologisch, psychologisch, socio­logisch of te weinig eerbiedig in het algemeen tegenover het wezen van het kind. Een eeuw geleden zei men in Wenen nog “der Mensch fängt erst beim Baron an”.
Nu denkt men niet meer, dat ieder van lagere standing geen mens zou zijn, stel u voor, maar ten aanzien van het kind is men nog lang niet over het vooroordeel heen, dat de mens pas begint bij de volwassene.

Zo mag het spel van de kleuter niet een voorbereiding voor hogere vormen van leren (of voor mens-zijn) genoemd worden. Dan doet men het kind geen recht. Prof. B. Lievegoed, zich baserend op Rudolf Steiners beschouwingen, verdedigt de zelf­standige waarde van elke ontwikkelingsfase op zichzelf. Alle leven kent beginfase, bloeifase, eindfase of: groei, volwassenheid en verval.

Alle leeftijdsfasen zijn gelijkwaardig en hebben in hun ont­wikkeling evenveel recht op erkenning en eerbied. De kleuter is ook een geestwezen en niet een biologisch of psychologisch voorstadium van mens-zijn. Dat kan de gezindheid en de behan­deling bepalen. De “volwassen of “bloeiende” kleuter is in dat stadium gelijkwaardig aan  een “volwassen” puber of “vol­wassen” ouder mens. Men kan wel zeggen, dat de bloeiende kleuter ontvankelijker en kwetsbaarder is dan bloeiers van een andere leeftijdsfase.

Overigens hebben vele pedagogen in de scheppende kracht, die zich in het kleuterspel manifesteert iets van centraal belang gezien. Het was hun namelijk gebleken, dat vele kinderen in het begin van het gangbare lager onderwijs iets verloren hadden: niet alleen de uitdrukkingsmogelijkheden waren verarmd of ver­dwenen, maar ook het plezier om iets uit te drukken was aan­getast of verloren gegaan. Er zou dus de grootste voorzichtig­heid geboden zijn met het idee, dat het spel of het spel­element vervangen zou kunnen worden door intellectuele bedenk­sels, die de cognitieve ontwikkeling zouden kunnen bevorderen. U kent ze wel, die puzzle-achtige abstracties in doosjes vol houtjes, lettertjes en cijfers. Dit alles heeft met spelen niets te maken. Ongetwijfeld heeft ieder spel zijn cognitief element, maar de ervaring, die het kind met spelen opdoet, is het tegendeel van slinkse leerfoefjes onder het mom van leuk spel.

Hoe kan men het kleine kind als levend geestwezen benaderen? Het antwoord van Rudolf Steiner lijkt eenvoudig: de mens moet zelf weer leren spelen!

Dat betekent echter een scholing van eigen zielenvermogens waardoor een liefdevol verdiepen in het kind plaats kan vinden. Door de volwassen mens als geestwezen kan het kind innerlijk benaderd en gekend worden. Ook kan door de leerkracht meebeleefd worden, wat het kind al spelend beleeft en ondergaat.
De leerkracht wordt door zijn meditatief werk een beetje “gelijk de kinderkens” en hij verbindt zich met de hoogste krachten in het mensenleven.

Rudolf Steiner zette het levensbelang van het spel voor de ontwikkeling van de kleuter op eenvoudige wijze uiteen: hij vergeleek volwassene en kleuter met betrekking tot het spelen. Bij de volwassene bestaat de z.g. “ernst des levens”, een tegenwoordig wat aangetast, maar niet geheel verouderd begrip. Ernst des levens betekende bij de volwassene het verrichten van een zekere arbeid, het doen van zinvol werk, dat de grond­slag voor zijn levensonderhoud vormt. Het mag een “bloei” in het leven van de volwassene heten, wanneer hij het door hem geleerde bij zijn arbeid goed kan toepassen, waaraan hij ook maatschappelijke erkenning kan ontlenen.
Bij de kleuter ligt dit anders, maar er is iets vergelijkbaars. Het hoogtepunt, de bloei van het kleuterleven is het spel, waaraan het kind zijn krachten wijdt en zijn levensvreugde ont­leent. Het spel van de kleuter is namelijk volle ernst voor het kind. Het kennen en kunnen van spelen is levensvervulling en zelfverwerkelijking op het niveau van de kleuterfase. Het verschil tussen het spel van het kind en de arbeid van de volwassene bestaat uiteraard hierin, dat de arbeid steeds in­gevoegd  moet worden in een uiterlijke doelmatigheid van het maatschappelijk leven.
Het kind echter wil uit zijn eigen natuur ontwikkelen, wat een spel aan activiteiten biedt. Het spel werkt van binnen naar buiten. De arbeid van buiten naar binnen.

De kleuterfase is een levensfase waarin de wil, het streefvermogen,  oppermachtig is. Een belangrijke ontdekking van Rudolf Steiners geesteswetenschap was de organische gebonden­heid van de trits zielenvermogens. Denken, voelen en willen werken geruime tijd in het lichamelijke en emanciperen zich geleidelijk: zij emanciperen zich van de levens- en groeikrachten en verschijnen als bewustzijnskrachten in de ziel. Waarvandaan komt de plotselinge fantasie-ontplooiing in het vierde levensjaar? Die fantasie is ten dele vrijgekomen wils­kracht, naar gevoelsmatig dromend-scheppend, ontvonkt door de steeds grotere rijkdom aan zintuiglijke indrukken. Het kleine kind schept en herschept de wereld naar zijn wil en fantasie. Als het ware soeverein, logisch-onlogisch, vormt het de wereld van voorwerpen, de materie, in zijn fantasie om. Zo kan een langwerpig blokje eerst een boot, vervolgens een wagen, een mannetje of een toren zijn in zijn voorstelling. Schiller noemde dit verschijnsel “speldrift” (Spieltrieb) even nodig als het leven zelf. Vanuit zijn geestelijk schouwen bevestigde Rudolf Steiner dit. Dan kan het duidelijk worden, dat het enthousiast spelende kind in die levensfase de voor­waarde schept voor latere gezondheid, werklust en bedachtzaam handelen. Niet in de eerste plaats voor cognitieve vermogens later. Dat zou eenzijdig, dun-op-de-draad en eigenlijk bele­digend moeten worden gevonden, zijnde een ontkenning van de totaliteit van het kinderwezen.
Met betrekking tot het spel op de kleuterschool gaf Rudolf Steiner het advies om arbeid van volwassenen te metamorfoseren tot een kinderspel. Het blijkt een belangrijke pedagogische activiteit te zijn arbeid van volwassenen in kinderspel om te zetten. De volwassene, zoals reeds gezegd, moet zelf ook weer leren spelen; en leren het leven met een zelf verworven, nieuwe onbevangenheid te bezien.
Aldus te weten, hoe een kind speelt en hoe men het op de beste wijze kan laten spelen.
Het kleine kind heeft de nabootsingskracht als een oer-menselijk vermogen met de geboorte meegekregen. Nabootsingsdrang is de oervorm van leren.

Wel mag er de kanttekening bij gemaakt worden, dat nabootsing gebaseerd is op vertrouwen, liefde en goede wil. Nabootsing bij het kleine kind is volledig anti-autoritair: men kan nabootsing niet bevelen.

Zinvolle arbeid van volwassenen wordt door de kleuter met groot plezier meegedaan. Kleine spelen, bestaande uit nabootsen van bepaalde bewegingen bij de arbeid van volwassenen, gebracht in een ritme, begeleid door zang, kunnen gedaan worden en geven vele mogelijkheden. Wassen, strijken, begieten, harken, koken, bakken. Ook gebeurt het wel, dat kleuters echt kunnen helpen, wanneer een verjaars- of kersttaart voor de klas moet worden gebakken. De leidster gaat bij die werk-spelen in de beweging vóór. Ook bij het schilderen, boetseren of tekenen. Maar bij het vrije spel speelt zij niet mee. Zij neemt alle veranderingen goed waar, die in de loop van de tijd optreden. Welke grote veranderingen kan zij zien? Het doe-spel van de allereerste tijd, waarbij het kind de dingen in zijn macht tracht te krijgen en het eindeloze genieten van de eindeloze herhaling. Het kind beleeft immers het doen op zichzelf al als zinvol. Het gaat met de stofdoek over meubelen waarop geen stof ligt. Het verzamelen van stof is dus niet het doel. De fantasie-ontplooiing wordt duidelijk. Niet meer spelen de kinderen naast elkaar. Het samenspelen begint: Zij spelen met elkaar.
De keuze van het speelgoed is bijzonder belangrijk. Het moet van goed materiaal zijn, liefst geen metaal (te koud) of plastic (te gladjes), het speelgoed moet smaakvol, maar niet af zijn. Geen metalen treintjes of auto’s waar elk onderdeel in miniatuur aanwezig is. Geen afschuwelijk ,mooi popje met knipperende oogjes, echt haar en wimpertjes, avondschoentjes en wat niet al. Het affe is geheel uitgevormd en doet daardoor ouwelijk aan. Het bederft de gezonde fantasie, het kindje kan er van zich uit niets meer “bij doen”. Dat is niet alleen jammer maar ook schadelijk.
.

*Dit ben ik niet met de schrijver eens. Steiner heeft over het belang van het spel, over spel en ernst, spel en arbeid, spel en vrijheid gesproken, maar niet in samenhang met de structuur van het leerplan.

voor lichaam, ziel en geest; denken, voelen, willen:
antroposofie, een inspiratie
Algemene menskunde: voordracht [1]  [2]

over ‘uitgevormd‘: karakteriseren i.p.v. definiëren

opspattend grind: spel

Erica Ritzema

spel: alle artikelen

.

603-553

.

VRIJESCHOOL – Spel (2-1)

.

Irmgard Berger, vertaling Caroline Bos-Everts, Jonas 12 20-04-1979
.

Spel en werk
.

Een volwassen mens kijkt naar een spelend kind en glimlacht. Hij herkent zichzelf in de houding en de woordjes van dat kind, dat helemaal in zijn spel verdiept is.

Het heeft een stoel ondersteboven ge­zet en met een kleur van inspanning doet het daarop de was. Op een was­bord dat er niet is, schrobt het lucht en pakt het zeep en een borstel van lucht. Het zucht van inspanning. Snel wendt de volwassene zich af. Hij ziet zichzelf weerspiegeld in het spel van het kind. Maar als we aan het kind vragen: ‘Wat doe je eigenlijk?’ dan zal het, net als wijzelf, antwoorden: Ik werk!’ [1]
Wat is nu spel, en wat is werk? Voor een volwassene is alles wat nodig is om aan bepaalde behoeften te vol­doen, werk. Wat hij doet, doet hij om­dat het nuttig en doelmatig is. Maar in het spel van een kind bestaan die voorstellingen niet. Al het spelen is voor het kind: vreugde om te doen. Zo is in de ogen van volwassenen het bezig zijn van een kind, spel. Het kind zelf echter neemt zijn spelen net zo ernstig en belangrijk op, als een volwas­sene zijn werk. Hij gaat helemaal op in zijn spel. Maar een kleuter kan alleen maar spelen als hij gestimuleerd wordt door mensen in zijn omgeving, die met vreugde werken. Zo nauw hangen spel en werk samen. Waarom?

In de eerste periode van zeven jaar be­leeft het kind het geestelijk-psychische van zijn omgeving, dus ook hoe de mensen bezig zijn met hun werk. Dit is een kracht die in het kind beweging losmaakt, dat wil zeggen die het kind nabootsend in zich opneemt en, spe­lend bezig, weer naar buiten kan bren­gen. Het kind leert daarbij de mensen in zijn omgeving kennen, het oefent zijn ledematen en gaat zich met zijn ik ermee verbinden. Dat betekent werk ten opzichte van zijn ontwikkeling: werken aan zichzelf, dat in tegenstel­ling met het werken van volwassenen, nog niet uiterlijk nuttig is. Menselijke werkzaamheid is voor het kind een sti­mulans om te spelen, het brengt hem in beweging, en de eigen beweging stimuleert weer zijn groei en zijn ont­wikkeling. De kleuter is niet vrij in het in-zich-opnemen van menselijke werk­zaamheid, maar wel is hij vrij in het naar-buiten-spelen ervan. Dit laatste kan op een heel ander tijdstip uit het eerste voortkomen, en de werkzaam­heid ervan kan door het ik van het kind individueel zeer verschillend tot uiting komen. Echt spel moet eigenlijk altijd voortkomen uit direct deelne­men aan het leven. In de kleuterklas kan er dan ook geen ‘speeluurtje’ zijn, maar alleen een speel-gewoonte. Het spel moet altijd uit plezier en vreugde voortkomen, dan is het ik van het kind er in betrokken. Het wordt an­ders tot een bezig-zijn, wat net zo ver­moeiend is als het werken-zonder-plezier voor een volwassene: het werkt verlammend op zijn zieleleven en schept geen relatie tussen het ik en de ledematen.

Voor volwassenen is er een werktijd; bij het kind gaat het er in de eerste
pe­riode van zeven jaar om, of zijn omge­ving hem bewegelijk genoeg kan
op­vangen. Een kind zal, als dat zo uit­komt, uit zijn spel worden weggeroe­pen, maar het zal er daarna weer met evenveel plezier in terugkruipen. Het kind leeft in het ogenblik. Daar­door kan het op deze leeftijd nog niet zelfstandig in drie fases (voorbereiding, uitvoering, afwerking) werk ten uit­voer brengen. Voortdurend maakt het sprongen omdat het kind naar zijn aard altijd met het doen te maken wil hebben.

Dit in-het-ogenblik-leven is goed waar te nemen in de verschillende speelfases van de kleuter. In het begin is al het spelen alleen maar zich bewegen. Een kind van drie jaar dat op een omge­keerde stoel de was doet, zal al gauw die stoel tot een bed of iets anders omtoveren. Zijn spel verandert voort­durend. Langzamerhand blijft hij meer bij één ding en daarbij zoekt hij ook in toenemende mate naar meer adequate meubels. Maar wat er altijd bij hoort: vol vreugde doet zijn hele lichaam eraan mee.

Werk van een volwassene kan bepaald worden door behoeften; kleuterspel kan überhaupt nooit worden bepaald zonder dat dat een ongezonde terug­slag op het kind zou hebben.

Alle leer- en gedragsspelletjes vereisen dat het kind zich rustig gedraagt, dat het oplet. Het zijn kunstmatig gescha­pen ‘spel’-situaties, die losstaan van het directe leven. De volwassene ver­langt daarbij dat het kind zich iets voorstelt, en doordat hij zelf in abstracte voorstellingen leeft en die wil overdragen, is zijn uitwerking op het kind navenant. Voor het kind is dit een opzettelijk onderdrukken van zijn bewegingsdrang, wat pas op zijn plaats is in de tweede periode van zeven jaar, na het afsluiten van bepaalde groei- en ontwikkelingsprocessen. Voorstellende activiteit zou pas lang­zamerhand op de lagere school mogen worden verlangd, zoals spelen via de liefde voor de leerkracht in werken overgaat. Door de liefde voor de leer­kracht wordt leerdwang tot vreugde, en meer en meer tot arbeidsvreugde. Die arbeidsvreugde wordt groter naar­mate er een beroep op wordt gedaan, zoals anderzijds nu de groei- en rij­pingsprocessen in de ontwikkeling van het kind tot een einde komen. In de schooltijd zoekt het kind het samen spelen met leeftijdgenootjes, de ge­meenschap. Het kind kan zijn indivi­dualiteit nu invoegen in een geheel en zijn bewegingsdrang intomen, waar­door hij wakkerder is voor zijn omge­ving.

Zo metamorfoseren zich spelen en leren in de verschillende ritmen die aan de ontwikkeling inherent zijn. Na het eenentwintigste jaar, nadat de opgroeiende mens zijn eerste ervarin­gen met eigen inzicht heeft opgedaan, kan het ik zich actief gaan instellen op wat sociaal nodig is. De bewegelijk­heid in het spel, die via plezier-in-het-leren tot liefde voor werk leidde, doet een positieve instelling ontstaan ten opzichte van situaties waarin de mens nodig kan zijn. Noodzakelijk werk kan worden aangepakt zonder dat daartoe in de eerste plaats beleefd wordt dat men afstand van iets moet doen. Uit bewust persoonlijk verantwoordelijk­heidsgevoel en met begrip zal zich de jonge mens in allerlei levenssituaties willen inleven. Hij zal daarbij nieuwe dingen leren en hij zal de wisselwer­king  tussen zijn werkzaamheid en zichzelf, en ook die tussen zijn werk­zaamheid en zijn omgeving ervaren. Deze ervaring zal het hem mogelijk kunnen maken om op ieder moment van het leven waarop dat nodig is, te beschikken over een positieve instelling. Maar de mens moet dit bewust willen. Dan kan liefde tot het werk – die bewust in het ik is ontstaan -rijpen tot de mooiste vrucht van echt kinderlijk spelen.

[1]ik speel niet ik werk 1

            ↑ ‘Ik speel niet: ik werk’ ↓

ik speel niet ik werk 2

.
Rudolf Steiner: over spel

Opspattend grind: over spel: nr. 16, 19, 29, 53, 59, 68

spel: alle artikelen

.

600-551

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Spel (1-1)

.

Marieke Anschütz, Jonas 09-01-1981
.

Het spel en de knikkers

Er is een verrukkelijk schilderij van Pieter Breughel de Oude waarop hij alle spelletjes die er in zijn tijd werden gespeeld, heeft uit­gebeeld. De kunsthistorici hebben ze zelfs geteld: het zouden er 84 zijn, van bellen blazen tot bruiloftje spelen toe. Er is slechts een enkel kind dat alleen speelt, verreweg de meeste spelen met elkaar. Ik dacht niet, dat het de schilder erom te doen was voor later tijden een verzameling aan te leggen van de toen bekende spelen. Het is meer of Breughel wil zeggen: kijk, zoals de kinderen spelen lijkt op wat er gebeurt in de samenleving van de volwassenen. Ze oefenen zich in het spel voor later. Maar wat wordt dan geoefend?

Het behoort, dacht ik, tot het wezen van het spel dat het geen doel in zichzelf kent. In principe kan het eindeloos duren en je kunt steeds weer opnieuw beginnen. Het eerste wat je zo globaal over de meer gerichte spe­len kunt zeggen, is dat de natuurlijke drang tot bewegen door allerlei onderlinge afspra­ken gekanaliseerd en gereguleerd wordt. Het tweede is, dat bij elk spel bepaalde hindernis­sen genomen moeten worden, voordat je ver­der kunt, en vaak lijkt het of de zin van het spel, van het spelen in het algemeen, ligt in —het overwinnen van die hindernissen, steeds weer, zodat je al oefenend behendiger wordt. Bij bokspringen moet je je aanloop goed be­rekenen en hoog genoeg springen, anders bots je tegen ‘de bok’ aan of blijf je steken op zijn rug! Het kind heeft een stuk zekerheid en zelfvertrouwen veroverd als het na een tijdje merkt dat het gaat, dat zijn afzet sterk ge­noeg is om over de hindernis heen te komen. Het overwinnen van jezelf is zowel naar bui­ten als naar binnen toe steeds in wording, het is nooit af, er komen steeds weer nieuwe hindernissen die genomen moeten worden, en dat ervaart een gezond kind ook als reëel. Weerstanden zijn er om overwonnen te wor­den. Zo is het leven, of misschien kun je nog beter zeggen: dat is leven!

Wanneer begint een kind te spelen? Je zou kunnen zeggen: vanaf de zesde week. Dan wordt het kind wakker voor zijn omgeving, het ontdekt zijn eigen handjes en het maakt het eerste sociale contact. De ernstige blik van de ogen wordt doorbroken door dat eer­ste schattige lachje dat meestal de moeder geldt. En nog voordat het eerste jaar voorbij is, hebben moeder en kind een spelletje ont­dekt dat in allerlei vormen het hele verdere kinderleven even verrukkelijk blijft: dat is het kiekeboespelletje, dat later ‘verstoppertje’ heet, en nog veel later ‘spoken’. Een spel van zichtbaar en onzichtbaar, van licht en duister.

Winnen en verliezen

Ieder voorjaar wordt er verwoed geknikkerd op het schoolplein. Er is geen spel waarbij je zo goed leert verliezen, en leert om verstan­dig met je bezit om te gaan. Er zijn kinderen die al gauw afstand kunnen nemen van dat felle gebeuren van winnen en verliezen. Zij bewaren zuinig enkele mooie stuiters en met de rest wagen ze telkens een gokje. Ze knik­keren echt om het spel. Er zijn echter ook kinderen die ervan bezeten zijn. Het zijn al­tijd jongens en het zijn meestal niet de beste verliezers. Een jongen van acht had een enor­me zak knikkers verzameld. Ook zijn zak­centjes werden in knikkers omgezet. Hij knik­kerde bij het leven, het liet hem weken lang niet meer los. Maar o, wat zijn er een tranen gevloeid in dat voorjaar! De jongen knikker­de goed en hij won vaak, maar hij nam het op tegen iedereen, en daardoor verloor hij minstens evenveel, en dan was er bitter ver­driet. Het hielp niet als je wees op die grote zak vol knikkers. Iedere verloren stuiter was er één. Hij heeft toen in het groot gewonnen, maar ook in het groot leren verliezen. Want het volgende voorjaar speelde hij veel bedachtzamer, en kon beter afstand nemen van winst en verlies.

Binnen spelen

Vanaf het zesde jaar kan een kind er inner­lijk tegen om zo zoetjes aan te leren verlie­zen. Bij spelletjes worden ze voor vol aange­zien en mogen op eigen kracht meedoen. Het aloude ganzenbord ,het levensspel’ vol hinder­nissen is nog steeds zeer geliefd en wordt be­slist niet alleen gespeeld op oudejaarsavond. Er bestaan variaties op het ganzenbord onder andere een oud tramspel en een treinenspel, beide uitgaven van het Nederlands
Spoorweg­museum in Utrecht.

Dan zijn er kwartetspelen in allerlei vormen. Een goed kwartet om mee te beginnen is een spel gebaseerd op kleuren, zodat kinderen die niet of nauwelijks kunnen lezen, toch mee kunnen doen. ‘Mijn eerste kwartet’ is goed doordacht en verzorgd van tekening en kleur. Dat soort kwartetten moet je met een lantarentje zoeken, want de meeste dieren-, bloemen-, steden- of sport-kwartetspelen zijn volmaakt willekeurig samengesteld. Er is geen enkele lijn in te ontdekken, maar je kunt er wel mee spelen. Zowel met kwartet­spelen als met ganzenborden leer je op een elegante manier verliezen, want je bent niet de enige verliezer.

Haal niet teveel spelletjes tegelijk je huis in. Dat heeft geen zin, net zo min als met speel­goed. Liever eerst een enkele, zoals huisje­-boompje-beestje, een eenvoudige plaatjesdo­mino van karton of hout en zo’n eerste kwartetspel. Als je deze eerst vele malen met de kinderen hebt gespeeld, dan zijn alle va­riaties daarop later gemakkelijker herkenbaar. In vakanties of op hoogtijdagen wordt dan langzamerhand de voorraad aangevuld.

Samen doen

Telkens weer merk ik hoe belangrijk het is, dat je als ouders een nieuw spel inzet met de kinderen samen. Niet in de trant van: ‘Dat zal ik jullie wel even voordoen’, maar meer: ‘Mag ik meedoen? Want ik wil het ook leren kennen’. Als een oudere erbij is, worden de regels van het spel direct goed voor iedereen duidelijk, zodat daar nooit ruzie over behoeft te ontstaan. Later maken de kinderen er wel variaties op, maar altijd uitgaande van die vaste, vertrouwde regels. Als je het al niet wist, dan kun je het aan de spelletjes merken dat ieder kind behoefte heeft aan vaste regels en goede gewoonten, als een vaste grond onder zijn voeten. Het geeft een kind zelfver­trouwen en een rustige kern van waaruit de wereld wordt verkend.

Je doet echter meer ontdekkingen. De kinde­ren spelen alles mee, maar uiten ook langza­merhand hun voorkeur voor bepaalde spel­letjes. Soms kun je het zelfs omdraaien: be­paalde spelletjes zijn goed voor een bepaald kind. Dat heb ik ervaren met dat geliefde én verguisde spel Monopoly. Het omgaan met veel, bijna echt geld zoals in Monopoly aan de orde is, heeft een onschuldig voorstadium: het winkeltje spelen. Dat begon in ons gezin, toen onze oudste dochter op haar vijfde ver­jaardag een winkeltje kreeg, gemaakt van een grote houten kist, met schapjes en laden en een langwerpig houten blok als toonbank, al­les gezellig bruin en groen geschilderd. Er was een weegschaal, puntzakjes, allerlei bak­jes en roodgeruite zakjes met ‘levensmidde­len’ tot en met de winkelbel toe. Het verhan­delen zelf gaat eerst in natura, met eikels en kastanjes, maar al gauw wordt er geld ge­maakt, getekend en uitgeknipt. In een latere fase wordt al het speelgoed tentoongesteld en geprijsd. Daar zijn ze werkelijk uren mee bezig. Op den duur verzamelde ik een spe­ciaal zakje buitenlandse munten, waarmee nog veel ‘echter’ gespeeld kon worden. Het is nu een beetje over, want ze zijn nu al zo groot dat ze een kleine hoeveelheid zakgeld mogen beheren. Die intensieve speelperiode heeft echter goed gewerkt. Een van de kinderen bleek van meet af aan sterk geboeid te worden door dat gegoochel met kleine en grote bedragen aan geld. Uitge­rekend dat kind krijgt op zijn negende ver­jaardag Monopoly cadeau. Hij had het leren kennen bij vriendjes, het was een openlijke wens geworden. Het is geen gemakkelijk spel en aanvankelijk ontstond steeds weer ruzie, omdat de regels niet duidelijk waren. Totdat vader kort daarna de tijd nam om een hele zondagmiddag met dit kind Monopoly te spe­len. De jongen heeft het er nog over: ‘Pappa en ik hebben toen vier en een half uur gespeeld!’ Hij heeft zich helemaal kunnen uitleven in de enorme getallen en de vele papie­ren en gewichtige kaarten. Hij kent nu niet alleen grondig de regels, maar zijn lust in gro­te getallen is geheel bevredigd. Hij kan nu af­stand nemen, hij doorziet het spel tot op ze­kere hoogte, zelfs in de negatieve kanten, en hij ziet ook ineens de andere speler als mede­speler. In het begin had hij geen geduld met een zusje dat minder vlot rekende dan hij. Nu legt hij het rustig uit of wijst de ander een weg om er ook te komen.

Zaterdagavond

Er zijn gezinnen waar de zaterdagavond ge­wijd is aan bezigheden die je gezamenlijk met het hele gezin kunt doen. Met jongere kinde­ren zijn allerlei soorten spelletjes erg geschikt daarvoor. Er wordt ook wel op andere ma­nieren geprobeerd met elkaar iets te doen. Toch moet je oppassen, dacht ik, dat je zo’n avond niet teveel vastlegt. Als jijzelf vindt dat er iets moet gebeuren met elkaar, heb je de neiging te snel in een bepaalde vorm te schie­ten en die te herhalen. Je zou eigenlijk de durf moeten hebben niet teveel te organise­ren en het te beschouwen als een oefening in het ‘spelen’ met elkaar in de ruimste zin van het woord.

In welke vorm dat gebeurt is minder belang­rijk, want de grondgedachte is: samen iets la­ten ontstaan, met groot en klein. Als moeder kan je dan proberen de juiste stemming op te roepen waarin iets kan ontstaan. Je bent de hele week onderweg geweest, ieder dook onder in de eigen beslommeringen. En dan, aan het eind van die zeven dagen, op de drempel van een nieuwe week, nemen we even afstand van die wereld daarbuiten. We kijken rond in die kleine kring van het gezin, ons ‘uitgangspunt’, en we stellen de vraag: ‘Waar ben je? Hier ben ik’, zoals Niels Holgersson de wilde ganzen riep. Je vraagt naar de ander en je geeft jezelf. Dan kan een beweeglijke vorm ontstaan, en juist die be­weeglijkheid binnen de orde van een aantal regels lijkt mij wezenlijk voor het spel.
.

Rudolf Steiner: over spel

Opspattend grindover spel: nr. 16, 19, 29, 53, 59, 68

spel: alle artikelen

.
599-550

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – actueel: getuigschriften – alle artikelen

Op deze blog staan de volgende artikelen over getuigschriften

Getuigschriften

.

591-542

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.