Categorie archief: vrijeschool pedagogie

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie (2-1)

.

HET ETHERLIJF VAN DE MENS

Het etherlijf van de mens – de ontwikkeling en de opvoedkundige vorming in de kinderleeftijd*

Wanneer je de ontwikkeling vanaf de geboorte en tijdens het verwerven van het vermogen tot lopen, spreken en denken tot aan de schoolrijpheid volgt, dan vertonen zich in het fysiek-etherische gebied in alle organen diepingrijpende veranderingen. De orgaanstructuren die in de embryonale tijd werden aangelegd veranderen, worden rijper, kunnen hun functies beter verrichten.
De kracht die aan deze diep ingrijpende veranderingen ten grondslag ligt, die alle veranderingen in groei, in het structureren van de organen en in de vormgeving veroorzaakt, laat zich begrijpelijk samenvatten als levenskracht.
In die totaliteit vormen ze een in de tijd zich ontplooiend, vol wijsheid zittend zinvol geheel, dat als levenslijf gekwalificeerd kan worden en dat als een ‘tweede realiteit’, als de vormgever (architect) van het lichaam daarin leeft.
Met een traditionele term kun je dit geheel ‘etherlijf’ noemen.
Dit systeem van krachten dat daarmee in de belangstelling komt te staan, is er een dat zich in de tijd voltrekt, daarbij zich omvormend, steeds het karakter van een geordend levensgeheel vol wijsheid in zich dragend.

Zonder interactie met nog een andere kwaliteit, nl. met die van het voelen, zou het een puur vegetatief zich ontplooiend leven blijven.

Juist de interactie van de levenskrachten- het etherlijf met het voelen en de daarbij plaatsvindende verandering – zal in detail gevolgd worden, omdat deze een fundamentele betekenis heeft voor zowel het mens-zijn alleen al, als ook voor de ontwikkeling van het kind zelf.

De voor indrukken openstaande ziel en het complex van levensvormkrachten – hun contact en interactie.

De karakterisering van de ziel als een vermogen om de buitenwereld tot binnenwereld te maken – en omgekeerd – blijkt een beschrijving te zijn die vruchtbaar is om te begrijpen wat er gebeurt wanneer we iets gewaarworden. Ook de begrippentrits: wakker – dromen – slapen, werpt een bepaald licht op het verschil tussen gewaarworden en waarnemen. Om bewust waar te nemen – het woord ‘bewust’ wijst daar al op, moet je een bepaalde wakkerheid, oplettendheid aan de dag leggen. Gewaarworden overkomt je meer; het speelt zich meer dromend, dromerig, onbewuster af, zelfs ‘slapend, slaperig’, onderbewuster.
Woorden die met het waarnemen in verband worden gebracht, kun je met deze karakterisering ook exacter een plaats geven: oplettendheid, interesse, toewijding – hier is zeker sprake van ‘wakkerheid, van betrokkenheid. Van een activiteit die door iemand aan de dag wordt gelegd. Er is ook sprake van een bepaalde wilsactiviteit. De richting is: van jou uit de wereld in.
Bij ‘gevoelig voor indrukken’, ‘beïnvloedbaar’ komt er iets uit de wereld bij je binnen; er is nauwelijks wilsactiviteit; het overkomt je – soms overmannen de indrukken je, zoals de slaap je kan overmannen.
Daar waar er sprake is van een activiteit van jou, spreek je niet meer van gewaarworden, maar van waarnemen. Er is steeds iets wat je je bewust wordt.
Tegelijkertijd roepen vele waarnemingen, maar ook gewaarwordingen een bepaald gevoel op; worden begeleid door gevoelens, stemmingen. Die zijn met de fysieke zintuigen niet waarneembaar – ze worden gevoeld, beleefd, ervaren. Voor ieder zijn ze voortdurend aanwezig – ook weer bewuster, dan wel onbewuster of zelfs onderbewust. Ze maken onze stemming uit, ons humeur, hoe we ons voelen. We hebben het naar ons zin, zijn blij, beleven plezier of we hebben er de pest in, zijn boos, voelen ons ongemakkelijk, opgelaten. De taal is rijk aan woorden om al deze stemmingsnuances te omschrijven.

Maar onze ziel is niet alleen het toneel van verinnerlijkte waarnemingen vanuit de buitenwereld. Ook van wat zich in ons meer vegetatieve leven afspeelt, vormt ze een toneel van gevoelens en stemmingen.
Als we bedorven eten hebben geconsumeerd, zal het lichaam reageren; we voelen ons misselijk, ziek; of door andere oorzaken: ‘niet lekker in ons vel’; we worden op zeker ogenblik gewaar dat we honger of dorst hebben; behoefte aan slaap, aan seks. Daaruit vormen zich woorden als ‘trek, zin, lust, begeerte’.
We hebben het voornamelijk over de stofwisseling; het gebied waar we met ons bewustzijn geen toegang toe hebben. Het speelt zich allemaal in ons af, maar we hebben er eigenlijk geen ‘weet’ van: het is het gebied waarvoor we ‘slapen’. In ons voelen – onze beleving- resoneert a.h.w. iets daarvan mee. Je behaaglijk voelen, tegenover maagpijn hebben.
Groei en voortplanting hebben we leren kennen behorend bij het etherlijf en de alinea hierboven is dus eigenlijk een beschrijving van de interactie tussen etherlijf en de meer vegetatieve kant van de ziel.
Er wordt weleens gesproken over de ‘lagere’ ziel; de ziel in engere zin; de ‘beperkte’ ziel. Dat tegenover ‘het hogere, ruimere, onbegrensde’ waarbij dan gedacht wordt aan het niet-fysiek gebonden zijn van de ziel wanneer deze zich doordringt met de ‘eeuwige’ wereld van de gedachten, de ideeën.

Dit ‘lagere’ is zeker niet bedoeld als moreel lager, of minderwaardig. Het wil hooguit duiden op dat ene aspect: het richt zich naar het stoffelijk-etherische; de andere kant is het geestelijke aspect van het bestaan: grofweg: naar het tijdelijke tegenover het ‘eeuwige, onstoffelijke’.

Keren we nog even terug naar de waarneming.
Waar ik ook naar kijk, wanneer ik dat niet met een zekere aandacht doe, blijft het slechts bij een vluchtige waarneming en zodra ik weer naar iets anders kijk, is het vorige object van waarneming geen realiteit meer voor mij. Het wordt dan moeilijk nog een voorstelling – d.i. het verinnerlijkte beeld van dat object, te maken. M.a.w. ik zie dat niet meer voor me (onstoffelijk) omdat ik het niet als stoffelijk ‘ding’ goed heb waargenomen, in me opgenomen (bijna letterlijk).

Eerder heb ik het voelen geplaatst tussen ‘voorstelling’ en ‘wil’, waarbij ‘voorstelling’ op iets terug te voeren is, dat er ooit was: verleden; en ‘wil’ die nog concreet moet worden, die een toekomstige realiteit inhoudt. Het voelen bevindt zich voortdurend in het nu, het heden.
Wanneer ik met aandacht waarneem, mij met het object verbind, is het mogelijk dat ik ‘morgen’ het object nog als voorstelling kan oproepen, het weer voor me zien. Ik herinner het me. Bijna letterlijk: alsof ik ernaar kijk en het me opnieuw tot eigen  inner–lijke aangelegenheid maak.

Belangrijk voor het pedagogisch-didactisch handelen?
Hebben deze menskundige gezichtspunten betekenis voor de pedagogie.

Voor de pedagogie kunnen deze gezichtspunten van (groot) belang zijn. Vooral in deze tijd – en ik denk voor wat op ons toekomt, van nog meer importantie.

We leven in een tijd waarin buitengewoon veel informatie op ons afkomt. Zoveel soms, dat ‘horen en zien’ je vergaan.
Die uitdrukking is interessant. Door de hoeveelheid kun je er niets meer mee. Je wordt eigenlijk overgeleverd aan die indrukken en je sluit je ervoor af.

Het heeft me altijd verbaasd dat mensen die in een winkel werken waar heel de dag muziek klinkt, daar niet ontzettend moe van worden – teveel aan je hoofd. Ik heb er verscheidene keren naar gevraagd en kreeg steevast het antwoord: ‘Ach mijnheer, daar sluit ik me voor af, dat hoor ik niet eens meer’.
Dat is toch merkwaardig: er klinkt iets om naar te luisteren, maar het gevolg is dat je je ervoor afsluit.

Onze zintuigen krijgen dagelijks – ook die van kinderen – een grote hoeveelheid indrukken te verwerken.**
Wat doet het voelen daarmee. Hoe intensief of oppervlakkig worden deze verwerkt.
Waar blijven ze, als je dat al kan vragen of wat doen ze.

Dat we vanuit ons etherlijf – groei en voortplanting – in ons beleven: honger, dorst enz – iets gewaarworden, toont de relatie, de interactie, etherlijf-gewaarwordingsziel.
Is er ook een interactie vanuit de gewaarwording of waarneming naar het etherlijf.

De psychosomatiek lijkt daarvoor het antwoord, al is daar het onderscheid etherlijf-fysiek lichaam niet zo expliciet uitgewerkt.

In de nacht van 5 op 6 maart 1883 voltrok zich bij het dorp Peasens-Moddergat in Friesland een ramp. In een hevige storm vergingen schepen en 83 man kwamen om. Er waren ook overlevenden.
Bij een ervan constateerde men dat hij in die spannende nacht totaal grijs was geworden.

Op 27-12-2012 berichtte het Eindhovens Dagblad:
=Aan hoofdhaar is nauwkeurig af te meten of iemand last heeft van stress. Het Erasmus MC in Rotterdam heeft een methhode ontwikkeld om het niveau van het stresshormoon cortisol in het haar te meten. Tot nu toe wordt het cortisolniveau gemeten in bloed of speeksel, maar dat is alleen een momentopname.=

De angst als heftig gevoel heeft kennelijk zo tot in het levenskrachtengebied doorgewerkt, dat daar, in een a.h.w. samengebald ogenblik, iets heeft plaatsgevonden, waar anders jaren voor nodig zijn: het verouderen, d.w.z. het afnemen van de levenskrachten, het zwakker worden van het etherlijf.

Het zenuwachtig-zijn, gespannen, voor bv. een examen, kan gepaard gaan met geen eetlust, slapeloosheid, nervositeit.
Er zijn nog talloze voorbeelden te vinden, waarbij de conclusie dat wat je beleeft, meemaakt, tot in het gebied van het ‘leven’slustige, een levensbedreigende invloed heeft.

Voor het pedagogisch handelen kan dus de vraag gesteld worden: is het belangrijk dat wij de kinderen ‘belevenissen’ geven en welke dan; of waarnemingen laten doen en welke dan. En hoe weten we dan of ze en in welke mate invloed hebben op het etherische; of naar de ‘hogere’ kant gekeken, welke gedachten en ideeën eigendom worden van de kinderen.

Ik denk dat we kunnen vaststellen dat nu ‘de buitenwereld’ een bombardement aan indrukken op de (jonge) mens loslaat met als gevolg een vluchtiger worden, dat is eigenlijk voor de intensiteit van het waarnemen een zwakker worden, door het ‘vergaan van horen en zien’, het voor de (jonge) mens belangrijk is dat hij een gelegenheid krijgt het ‘met aandacht waarnemen’ te oefenen.

In het vervolg op dit artikel heb ik een aantal voorbeelden uit de praktijk gegeven hoe het waarnemen kan worden geoefend.

*n.a.v. Stefan Lebers artikelen in Erziehungskunst,

**In Trouw stond in de bijlage ‘Tijd’ van 04-01-2014 een interview met Arie Boomsma, bekend van o.a. het presenteren van het tv-programma ‘Uit de kast’.
Hij zegt daarin: ‘Alle levens van twintigers en dertigers in de stad staan op shufflestand; vind je je studie niet leuk, dan ga je iets anders doen. Banen met lange contracten zijn er sowieso bijna niet meer. Op internet heb ik vaak drie webpagina’s open, op YouTube kies ik het kortste filmpje van een onderwerp, als ik muziek niet mooi vind, shuffle ik door. Alles spoelen we door, door, door – volgende. Waarom vraag ik dan van een relatie duurzaamheid?’

.

Pieter HA Witvliet

.

kind en etherlijf: alle artikelen

Algemene menskunde: etherijf    gewaarwordingsziel

Antroposofie een inspiratie: etherlijf

menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

432-403

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner als pedagoog (7)

.

Pieter HA Witvliet
.

METHODESCHOOL

Er zijn veel uitspraken van Steiner te vinden waaruit duidelijk blijkt dat antroposofie geen leerinhoud van het leerplan dient te zijn. Antroposofische inzichten over de mens kunnen de leerkracht ten dienste staan om zo met het kind om te gaan dat dit zich harmonieus ontwikkelen kan.

‘Wij willen hier in de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school inrichten. De vrijeschool moet geen wereldbeschouwelijke school zijn, waar we de kinderen zoveel mogelijk met antroposofische leerstellingen volproppen. Wij willen geen antroposofische dogma’s aanleren, antroposofie is geen leerinhoud, maar we streven naar praktische uitvoering van antroposofie. Wij willen datgene wat op antroposofisch gebied gewonnen kan worden, op een ander niveau brengen, als reële onderwijspraktijk.’GA 293

ANTROPOSOFISCHE GEZICHTSPUNTEN:

Naast het stoffelijke lichaam, [1] onderscheidt Steiner een complex van levenskrachten, [2] die niet door de stoffelijkheid worden voortgebracht, maar eerder: deze stoffelijkheid vormgeven, doordringen.
Het karakter van de stof wordt pas zichtbaar bij de dood, wanneer het leven is geweken: dan valt de stoffelijkheid in de verschillende, ons bekende, elementen uiteen.
In de mens zijn, op deze wijze geredeneerd, polen van “dood” en “leven” werkzaam.
Eenzelfde tegenstelling is waarneembaar in het zenuwmateriaal en het bloed. Het eerste is op sterven na dood; het andere bruist van leven – denk aan de enorme vernieuwingsmogelijkheden van het bloed.
Het lesgeven op een fantasieloze, droge, intellectuele manier, waarbij de stof snel begrepen moet worden, doet veel meer een beroep op het bloedeloze denken, dan bijvoorbeeld het brengen van de stof op een levendige, fantasievolle manier, waarbij de kinderen kunnen genieten en de tijd krijgen de stof eigen te maken.

Op zeker ogenblik kreeg ik half in een leerjaar een meisje in mijn klas, dat er heel bleek uitzag. De ouders vertelden me dat ze op haar school helemaal niet gelukkig was; zij vonden ook dat de leerdruk erg hoog was. Ze hadden haar medisch laten onderzoeken, maar voor haar bleekheid en het feit dat ze niet echt levenslustig was, vond men geen verklaring.

Voor mezelf probeerde ik voorzichtig te formuleren of dit meisje niet veel te veel in de doodspool was aangesproken, in plaats van in het gebied van de vorm(ende)-levenskrachten.
Ik trad haar met alles wat het rijke vrijeschoolonderwijs ter beschikking heeft, tegemoet: beweging, ritme, kleur, fantasie enz. Na een half jaar had ze weer kleur op de wangen (bloed) en kenden haar ouders haar weer terug als het levenslustige kind, dat ze ooit was. Opmerkelijk was dat de ouders vroegen of we haar ook medicijnen hadden gegeven!
Dat hoort uiteraard tot de bevoegdheid van de ouders, maar door hun vraag krijgt ‘gezondmakend onderwijs’ wel een extra betekenis!
.

.

[1] zie ook
[2] zie ook         eveneens

.

Rudolf Steiner als pedagoog: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: alle artikelen

.

431-402

.

VRIJESCHOOL – karakteriseren of definiëren: Engels klas 4

.

 Voor een uitgebreidere behandeling van de begrippen ‘karakteriseren’  en ‘definiëren’

NIET-NEDERLANDSE TALEN 

Een zeer vooruitstrevende gedachte van Steiner was de introductie van “vreemde” talen in het onderwijs vanaf klas 1 (kinderen van ca 7 jaar).

Ik heb “vreemde” tussen aanhalingstekens gezet, omdat ik wat moeite heb met het woord “vreemd”.
Betekent dit, dat onze taal níet vreemd/raar is en die andere wel?
Of zijn ze ons “vreemd”, nog onbekend. Dat laatste natuurlijk.

Maar om de indruk weg te nemen dat een andere taal ‘vreemd=raar’ zou zijn en ook om de kinderen niet in verwarring te brengen, zou ik liever spreken van ‘andere’ of -nog wel duidelijker – ‘niet-Nederlandse taal’.

In principe zou iedere taal in aanmerking kunnen komen.

In Nederland ging het vooreerst vooral om Engels, Duits en Frans. Nu staan ook  Russisch en Spaans en Chinees in de belangstelling.

Rudolf Steiner: “het is vanuit de cultuur gezien noodzakelijk dat wij deze talen (van jongsaf) geven”.[1]

Steiner was hier (ook) zijn tijd ver vooruit.

En ook inhoudelijk. Hij legt meteen de nadruk op het spreken.

Toen ik zelf niet-Nederlandse talen leerde, betekende dat hoofdzakelijk het leren van grammatica en idioom om vooral schriftelijk! de taal te leren beheersen.
Dat heeft tot gevolg gehad, dat ik schriftelijk het Frans aardig machtig was, maar in Frankrijk zelf met de mond vol tanden stond, als het om een gesprek ging.

Een leraar Duits op de kweekschool – de huidige pabo – opende, mij in ieder geval, de ogen voor waar het in een vreemde taal om gaat: het spreken. Dat lijkt wellicht nu logisch, maar destijds lag het niet voor de hand. “Vergelijk het met muziek”, zei de Duitse leraar, “jullie leren noten, maar niet musiceren. Grammatica en idioom zijn de noten; het spreken is de muziek.”

In het niet-Nederlandse talenonderwijs (op de vrijeschool in ieder geval) zal het dus voornamelijk moeten gaan om het spreken. Om je uit te drukken in een andere taal.

Ik heb jarenlang Engels gegeven in klas 1 t/m 7. Voor dit vak is binnen de vrijescholen een gedegen leerplan ontstaan.

In de 1e 3 klassen gaat het vooral om: zingen, reciteren, vingerspelletjes, gesprekjes, luisteren.

Vanaf klas 4 kan er worden begonnen met grammatica.

Wanneer je de kinderen de ’-ingvorm” van de werkwoorden  wil aanleren, kun je zo te werk gaan:

In klas 1,2 of 3 hebben we uitgebreid stil gestaan bij dit rijm. – Dit klinkt tegenstrijdig – want bij het “doen” van dit rijm stonden we natuurlijk helemaal niet stil:

I’m standing, I’m sitting,
I’m writing, I’m knitting.

I’m reading, I’m counting,
I’m swimming, I’m shouting.

I’m eating, I’m drinking,
I’m talking, I’m thinking.

I’m giving, I’m taking,
I’m sweeping, I’m baking.

I’m laughing, I’m looking,
I’m washing, I’m cooking.

I’m driving, I’m rowing,
I’m kneeling, I’m growing.

I show my right hand,
I show my left hand,

I show both my hands,
And now I will stand/sit still.

Als je dit in een lagere klas hebt gedaan en je komt er in klas 4 weer op terug, kennen de kinderen dit rijm vrijwel allemaal nog.

Nu kun je een kind voor de klas een aantal willekeurig gekozen zinnen laten uitbeelden:

“what is he/she doing”.

Individuele antwoorden worden gegeven he/she is …….ing.

Dit is karakteriseren: allemaal mogelijkheden om de ……ing-vorm tot middelpunt van de belangstelling te maken.

Langzaam maar zeker groeit bij de kinderen het besef dat deze vorm gebruikt wordt, wanneer je een poos met iets bezig bent; wanneer iets een tijdje duurt.

Wanneer het NU is. (Later is dan weer begrijpelijker wat het verschil is tussen “it is raining” en “it rains”.

Zo leidt ook hier het karakteriseren naar de definitie.

Wanneer je dit consequent dóórdenkt is het logisch dat je de definitie onthoudt en de voorbeelden niet meer.

Dat is helemaal overeenkomstig de aard van karakteriseren (leven) en definiëren (dood)

Het moet eindigen bij de definitie.

Die dient dan weer als uitgangspunt voor nieuwe situaties.

M.a.w.. je hebt op een levendige (lebendige) manier iets geleerd.

[1] GA 294 Opvoedkunst – methodisch-didactische aanwijzingen, blz.115

.

Niet-Nederlandse talen: alle artikelen

.

396-374

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner als pedagoog (6)

.

Laatst ontmoette ik een oud-leerling. Ze woont met haar man en twee volwassen zonen in Amerika. Op latere leeftijd volgde ze een studie aan een academie en slaagde daar cum laude als fotografe. Samen met haar vader, ook een begenadigd fotograaf, werkte ze in Nederland aan een fototentoonstelling.

We kwamen over van alles te spreken en het kon niet uitblijven: ook over haar jaren in de klas bij mij en haar ervaringen op de bovenbouw (het middelbaar onderwijs op de vrijeschool).

Plotseling zei ze: “Je hebt ooit met ons eens een fabel gedaan; iets met wind en zon. Daar heb ik in mijn leven vaak gebruik van gemaakt. Die wind, met al dat geweld, redt het haast nooit en die zon, die warmte, doet wonderen. Ik heb in bepaalde situaties in mijn leven bewust voor die zonkant gekozen, om een probleem op te lossen enzo. Met drang en geweld lukt dat veel minder. Weet je welke fabel ik bedoel? ”

Ik kende deze nog grotendeels uit mijn hoofd en toen ik ‘m opzegde, verscheen er een grote lach van herkenning op haar gezicht.

‘En ik mocht de zon zijn, toen we die fabel  een keer opvoerden’.
Ook dat wist ik nog heel goed.
Zij was niet zo’n drukke, beweeglijke leerling; eerder een kind dat beschouwend naar de dingen keek.
Zij stond daar op een tafeltje met een geel crêpepapieren jurkje aan en een gouden kroontje op het hoofd als een zon te stralen.

Hier heb ik al een ervaring weergegeven van hoe een aanwijzing van Steiner voor ‘het vertellen’ een vruchtbaar gevolg kan hebben – voor het sociale leven in de klas; voor hoe een kind zich gedraagt.

Aan het voorbeeld van deze oud-leerling wordt duidelijk dat het zo kan gaan als Steiner zegt: wat op jonge leeftijd als voedsel voor de ziel wordt gegeven, komt vaak veel later – hij noemt soms ‘na het vijfendertigste jaar’ – weer tevoorschijn, maar gemetamorfoseerd, veranderd in de vorm die past bij hoe je dan de dingen beleeft.

Dat geldt ook voor de beelden die in de vertelstof aan de kinderen worden gegeven.

WIND EN ZON

Wedstrijd hielden wind en zon:
wie met de meeste kracht ’t won,
om een wandelaar tussen ’t groen
van zijn kleren te ontdoen.
Wind begon uit alle macht,
gierde en loeide met grote kracht,
maar het hielp niet, want de man
trok zijn jasje dichter an.
Wind in wanhoop rust nu uit.
Doch de zon, die olijke guit,
laat zijn warme schijn nu stralen.
En de wandelaar kan niet dralen
om de mantel af te werpen.
Zo gelukte het de zon,
die de strijd met zachtheid won.

J. G. Herder

.

2e klas vertelstof: alle artikelen

Rudolf Steiner als pedagoog: alle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 2e klas

.

297-278

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie (4-2)

.
Antroposofische gezichtspunten vormen voor de vrijeschoolpedagogie de basis – het uitgangspunt, de inspiratiebron.
Steeds gaat het erom dat deze gezichtspunten ‘vertaald’ worden naar pedagogisch-didactisch handelen.
Zeer zeker is het niet de bedoeling dat antroposofie op zich, onderwerp is in de lessen: Rudolf Steiner over ‘antroposofisch onderwijs

ANTROPOSOFISCHE GEZICHTSPUNTEN:

Naast het stoffelijke lichaam, [1] onderscheidt Steiner een complex van levenskrachten, [1] die niet door de stoffelijkheid worden voortgebracht, maar eerder: deze stoffelijkheid vormgeven, doordringen. Het karakter van de stof wordt pas zichtbaar bij de dood, wanneer het leven is geweken: dan valt de stoffelijkheid in de verschillende, ons bekende, elementen uiteen.
In de mens zijn, op deze wijze geredeneerd, polen van “dood” en “leven”werkzaam.
Eenzelfde tegenstelling is waarneembaar in het zenuwmateriaal [1] en het bloed.[1] Het eerste is op sterven na dood; het andere bruist van leven – denk aan de enorme vernieuwingsmogelijkheden van het bloed.

Het lesgeven op een fantasieloze, droge intellectuele manier, waarbij de stof snel begrepen moet worden, doet veel meer een beroep op het bloedeloze denken, dan bijvoorbeeld het brengen van de stof op een levendige, fantasievolle manier, waarbij de kinderen kunnen genieten en de tijd krijgen de stof eigen te maken.
Karakteriseren i.p.v. definiëren

Antroposofie wordt pedagogie, didactiek en methodiek
Op zeker ogenblik kreeg ik half in een leerjaar een meisje in mijn klas, dat er heel bleek uitzag. De ouders vertelden me dat ze op haar school helemaal niet gelukkig was; zij vonden ook dat de leerdruk erg hoog was. Ze hadden haar medisch laten onderzoeken, maar voor haar bleekheid en het feit dat ze niet echt levenslustig was, vond men geen verklaring.

Voor mezelf probeerde ik voorzichtig te formuleren of dit meisje niet veel te veel in de doodspool was aangesproken, in plaats van in het gebied van de vorm-levenskrachten.
Ik trad haar met alles wat het rijke vrijeschoolonderwijs ter beschikking heeft, tegemoet: beweging, ritme, kleur, fantasie enz.

Na een half jaar had ze weer kleur op de wangen (bloed) en kenden haar ouders haar weer terug als het levenslustige kind, dat ze ooit was.

Dit is geen uitzonderlijk voorbeeld. Vele collega’s zullen soortgelijke ervaringen hebben. Recent, maar ook lang geleden. Zo staat er bijna dezelfde ervaring in een werkje van Max Stibbe [2] uit 1960. Dat toont aan dat de nieuwe wegen ook 50 jaar later nog geen platgetreden paden zijn.

[1] Wat hier op eenvoudige wijze is geformuleerd, is op mijn blog ‘antroposofie een inspiratie’  veel uitgebreider behandeld.
[2]Stibbe ‘Opvoeding langs nieuwe wegen‘, uitg. Servire 1960

 

 Rudolf Steiner over: gezondmakend onderwijs

Onderzoek: invloed van vrijeschoolonderwijs op gezondheid

kinderbespreking

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

234-220

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie (5)

.

HANDEN EN INTELLIGENTIE
.

DE MENSELIJKE HAND
De menselijke hand is, zoals deze vaker in leerboeken wordt beschreven, het hoogst gedifferentieerde bewegingsorgaan dat er bestaat.(1)

hand 1

De biomechanica noemt de hand het meest complexe lichaamsdeel.

hand 2

Er bestaan inderdaad geen organen waarmee de mens zoveel bewegingen kan uitvoeren als met zijn handen. Uiteraard doen ook vaak de armen aan dit bewegen mee. Het schoudergewricht is het meest flexibele en daarmee ook het meest complexe gewricht van het menselijk lichaam.

Een blik op de bouw van deze organen toont waarom er zo’n grote beweeglijkheid kan zijn:
Door de verbinding bovenarm – schoudergewricht, met schouderblad, dat ook hoogst beweeglijk is;
via de elleboog de beweeglijkheid van boven – en onderarm;
het polsgewricht en de vingers: alle mogelijke strek – buig – en draaibewegingen.
De bewegingen vanaf de bovenarm tot aan de vingers worden steeds gedifferentieerder.

Wat de menselijke hand van alle erop lijkende vormen in het dierenrijk onderscheidt, is de positie van de duim t.o.v. de andere vingers en zijn grote beweeglijkheid. Daardoor kan de mens de duim en de andere vingers naar elkaar toebewegen, kleinere of grotere voorwerpen op verschillende manieren pakken en door de beweeglijkheid van armen en handen op veelvuldige manier vasthouden.

Wanneer je een voorwerp als een potlood of een breinaald vasthoudt, druk je met de duim op het potlood; de andere vingers die je gebruikt, oefenen ook druk uit op het potlood en daarmee ook weer op de duim.

Het vasthouden, dus uitoefenen van druk, is in wezen, al is die hier heel klein, een krachtsinspanning en daarmee een activiteit van de wil.

Wie vaak aan kinderen het schrijven heeft proberen aan te leren, weet dat het vasthouden van pen of potlood voor hen een veel grotere krachtsinspanning kost. Bij hen is er veel meer wilskracht nodig.

Als je zelf een keer een auto vooruit hebt moeten duwen, kun je beleven dat je met je armen en handen een grote krachts=wilsinspanning moet leveren. Je verbinding met de wereld is eventjes optimaal. En je voelt ook heel duidelijk: hier sta ik en daar  is de wereld. En dat gaat heel vaak op; de ene keer bewuster beleefd dan de andere: je hebt een vorm van zelf-ervaring, wanneer je een voorwerp beetpakt.

Bij het aanraken van al hetgeen ons omringt, maken we een verbinding tussen onszelf en de wereld.

Dat wij in de stoffelijke wereld van alles bewerkstelligen, bouwen, veranderen, vernietigen, kunnen we niet zonder onze armen en handen, die daarmee instrumenten genoemd kunnen worden van ons ik. Voor de meest vrije beweeglijkheid van de armen en handen moet de mens de vertikale houding aannemen.

Gebaren gaan steeds gepaard met belevingen. Wanneer een mens de schouders ophaalt, geeft hij daarmee aan iets niet te weten of het niet te kunnen schelen; we gebruiken afwijzende, bevestigende, vragende gebaren en vele, vele meer. Vaak zijn het onwillekeurige uitdrukkingen. Maar wanneer we met de armen en handen uitdrukking geven aan wat ons bezielt, zijn het organen van de ziel.

Van een ander karakter zijn de vaardigheden die een mens in de loop van zijn leven leert. Ze spelen zich bv. af tussen het gericht kunnen pakken van een voorwerp en het meest virtuoze pianospel en tussen het gewone bewegen bij het lopen en het kunstzinnig bewegen in de dans.

Het leren van een hand“vaardigheid“ zoals schrijven en breien vereist bepaalde voorwaarden. Door de tastzin moet je ervaren of je het potlood of de breinaald goed vasthoudt. Je moet de hand – en vingerbewegingen die daarvoor nodig zijn goed voelen, door de bewegingszin, (kinesthetische zin, dieptesensibiliteit). Zou je in je hand en vingers geen waarneming hebben van de houding en beweging, dan zou je de (schrijf/brei)beweging niet bewust kunnen leiden/uitvoeren. Controle over de bewegingszin en de fijne organen in de spieren, (spierspoeltjes) en in de pezen tussen de spieren en de botten (peeslichaampjes van Golgi)) is de voorwaarde voor het leren van deze vaardigheid.
Dan ervaart het kind hoe het de letters moet schrijven of hoe het bij het breien de steken moet maken. Het heeft een voorstelling van de bewegingen, maar de uitvoering daarvan kost hem moeite, omdat de wil nog niet geschikt genoeg is. Om de loop van de bewegingen te controleren volgt het kind deze met de ogen van buitenaf. Door het oefenen volgen de bewegingen in de loop van de tijd steeds gemakkelijker de bewegingsvoorstellingen; de wil maakt een ontwikkelingsproces door.

En wanneer het kind de vaardigheid verworven heeft, is het bewegingspatroon, dat het te voren nog in de voorstelling had, tot een vaardigheid van arm en hand geworden; het kan de handeling verrichten.

Deze vaardigheid is een deel van het vermogen tot handelen geworden, d.w.z. tot een deel van de wil.

DE INTELLIGENTIE VAN DE HANDEN
Wanneer men volgt hoe bij het breien of haken een werkje ontstaat, ziet men hoe door tamelijk gecompliceerde fijnmotorische bewegingsprocessen van de rechterhand en een precies daarop afgestemde samenwerking met de linkerhand, aan de tot dan toe ontstane steken, nieuwe bijgevoegd worden. Leert een kind breien dan wordt de daarin liggende intelligentie tot een eigenschap van de wil. Het kind wordt in zijn wil intelligenter.

Howard Gardner rekent de praktische vaardigheid van de  lichaamsbeheersing van toneelspelers, dansers, pantomimespelers, sporters, maar ook zulke fijnmotorische vaardigheden als die van een pianist of typist tot het meest subtiele bereik van „lichamelijk-kinesthetische intelligentie“ (2)

HERSENEN EN VAARDIGHEID
Leert een kind in de handwerkles breien of haken, dan voltrekken zich heel bepaalde processen tussen de hersenen van een kind en zijn handen, maar ook tussen de bewegingen van zijn handen en zijn hersenen.

Hier wordt gekeken naar die processen tussen de voorhersenen en de handen. De bewegingsvoorstellingen vormt het kind in bepaalde gebieden van de voorhersenen, in het zgn premotorische en supplementair-motorische gebied.

Men heeft vastgesteld dat dit gebied sterker doorbloed wordt, wanneer men zich een bepaalde beweging voorstelt. Dat is de fysiologische uitdrukking van deze voorstellingsactiviteit. Wanneer het kind dan begint deze voorstelling „te doen,” dringt de voorstelling door bepaalde banen in de handen en de vingers.

De Canadese neurochirurg Wilder Penfield heeft in de jaren ’40 van de vorige eeuw ontdekt, dat er een nauwe relatie bestaat tussen de bewegingsmusculatuur van het hele lichaam en van de hersenwinding die voor de centrale groeve ligt. De verschillende segmenten van deze winding (gyrus praecentralis) staan door de zenuwen met heel bepaalde spieren, resp. spiergroepen in verbinding. De hersengebieden die met   organen met bijzonder gedifferentieerde bewegingen in verbinding staan, zijn opvallend groot. Tot deze behoren de hand-en vingergebieden. Wanneer het kind nu met zijn handen en vingers aan het werk gaat, dringt de bewegingsvoorstelling vanuit het supplementair – motorisch gebied via het hand – en vingergebied van de voorcentrale hersenwinding door een zenuwstreng (tractus corticospinalis) in het daarbij behorende deel van het ruggenmerg en van hier door een verdere zenuwbaan in de spieren van de handen en de vingers.

Tegelijk gaat van de bewegingen een invloed uit op de hersenen. Er is al op gewezen dat de tast – en bovenal de bewegingszin bij de bewegingen een beslissende rol spelen, in het bijzonder de fijne, gedeeltelijk uiterst subtiele bewegingen van de handen en vingers. Dientengevolge zijn de tast – en bewegingszin hier ook bijzonder goed gevormd; men heeft in iedere spier van de hand waardoor men de vingers buigt, opvallend veel spierspoeltjes (de organen van de bewegingszin) gevonden.

Vanuit de tast – en bewegingsgewaarwording dringen werkingen via bepaalde zenuwbanen door tot in de hersenen en wel eerst in die winding die achter de centrale groeve ligt (postcentrale veld, gyrus postcentralis).

Ook  bevindt zich hier een geordende relatie tot de verschillende gebieden van de tast – en bewegingszin van het hele lichaam.

Men heeft in de laatste decennia gevonden dat de invloed van hand en vingers op de hersenen uiterst dynamisch is.

De eerste aanwijzing kreeg men door een experiment met een aap, die men daartoe bracht gedurende een aantal weken iedere dag een uur lang met 2 vingers van een hand actief te zijn. Na deze tijd waren de gebieden van de beide vingers in het postcentrale veld duidelijk groter dan in het begin van het experiment (3)

Men kent ook overeenkomstige feiten bij mensen. Zo vond men dat bij vioolspelers de gebieden van de beide handen een te onderscheiden vergroting hebben. Dat van de rechterhand en vingers is door hun grote en tegelijk uiterst precieze beweeglijkheid tegenover die van de linkerhand duidelijk groter. Alle complexere bewegingen van de vingers van maar 30 minuten leiden tot een toename van grootte van de geactiveerde gebieden in het daarbij horende handgebied.(7)
Er zijn kinderen met syndactylie: het verschijnsel dat naast elkaar gelegen vingers of tenen aan elkaar vastgegroeid zijn.
Het “handgebied” op het postcentrale veld is opmerkelijk kleiner dan bij andere kinderen. Het is mogelijk door een chirurgische ingreep de vergroeide delen te scheiden en anatomisch te herstellen, waardoor ze los van elkaar gebruikt kunnen worden. Binnen een paar weken is dit op de corresponderende hersenplaats waar te nemen. (8)

Kijkt men naar deze en andere onderzoeksresultaten dan moet men aannemen dat ook door breien, haken en andere handvaardigheden waarvoor de fijne motoriek nodig is, de gebieden van hand en vingers in de hersenen groter worden.

DE GEVOLGEN VAN EEN ZINVOLLE ACTIVITEIT MET DE VINGERS

 De mens kan de vaardigheid van zijn handen en vingers alleen dan vergroten, wanneer bij het oefenen de bewegingszin gevoeliger en actiever wordt. Dat leidt tot de vergroting van de corresponderende gebieden in het postcentrale veld.

De Amerikaanse neuroloog Frank Wilson beweert dat de ontwikkeling van de menselijke hand in de loop van de evolutie een beslissende factor is geweest voor de ontwikkeling van de hersenen en voor het geestelijk functioneren van de mens (Wilson 2000).

De bekende Finse neurofysioloog Matti Bergström wijst erop dat een zinvol gebruik van de vingers een grote betekenis heeft voor het begrijpen.

Wanneer kinderen niet aangespoord worden hun vingers en het creatieve scheppingsvermogen van hun handspieren te oefenen, dan verzuimt men hun begrip voor de onstoffelijke samenhang van de dingen te ontwikkelen. Men verhindert dan de ontplooiing van hun esthetische en scheppende kracht.

In dezelfde richting wijst ook de volgende opmerking:psychologen hebben de laatste jaren een nauwe relatie ontdekt tussen het gebruik van het lichaam en de ontwikkeling van cognitieve krachten en er de nadruk opgelegd. (2)

Volgens de Engelse psycholoog Fr.Bartlett is het denken op dezelfde principes  gebouwd als de uitdrukking van psychische vaardigheden, d.w.z. praktische intelligentie.

STEINERS OPMERKINGEN
Daarmee lijken de opmerkingen van Steiner uit de jaren ’20 over de betekenis van de hand – en vingervaardigheid hoogst actueel. In een van zijn pedagogische voordrachten staat “velen weten helemaal niet, wat men voor een gezond denken, voor een gezonde logica heeft, wanneer men kan breien“. [5]

In een andere voordracht, ook met het oog op het vak handenarbeid: “wanneer men weet dat ons intellect niet gevormd wordt door ons er direct  op richten; wanneer men weet dat iemand die onhandig zijn vingers beweegt een „onhandig“ intellect heeft, weinig flexibele ideeën en gedachten, terwijl degene die zijn vingers goed weet te bewegen, ook flexibele gedachten en ideeën heeft, in kan gaan op het wezen van de dingen, dan zou men niet onderschatten, wat het betekent de uiterlijk – fysieke mens zo te ontwikkelen dat daarmee het intellect tevoorschijn komt.“ [6]

Door de bewegingszin volgt men de bewegingen van hand en vingers; daardoor worden wij ons bewust van het door de wil geïmpulseerde bewegingsverloop.

We kunnen bij een activiteit als haken en breien spreken van  een vast patroon, een vaste volgorde, intelligent van opzet. Die door intelligentie bestemde volgorde van de aparte bewegingen wordt men in de bewegingszin bewust. Nu heeft de activiteit van de bewegingszin zoals dat geschetst is, een sterke invloed op het postcentrale veld van de hersenen. In deze activiteit leeft echter bij haken en breien de intelligentie. Zij is kennelijk een beslissende factor bij het groter worden van de overeenkomstige gebieden in het postcentrale veld. Daarmee leert men een betekenisvol feit kennen, dat namelijk de intelligentie van de handen en de vingers bij de vergroting van deze gebieden op de hersenen inwerkt. Men moet daarbij bedenken, dat met deze gebieden andere gebieden van de hersenen in verbinding staan – in het bijzonder met bepaalde gebieden van de slaaplappen, maar ook met de frontaalhersenen. Zij zijn het fysiek – fysiologisch substraat voor verschillende voorstellings – en denkprocessen. Zo zijn de frontaalhersenen o.a. het orgaan voor het begrijpen van complexe geestelijke samenhangen. Men kan dus aannemen, dat de intelligentie van de handen via de weg over het postcentrale veld in deze verdere regionen van het brein inwerkt en er  invloed op uitoefent.

BREIEN
Er ontstaat een wetmatig samenhangend breisel als men de bewegingen van zijn handen en vingers zo stuurt dat het volgende deel – de volgende steek aan de vorige gebreid wordt.
De intelligentie van het breien leeft in de uiterst fijnmotorische bewegingen, ieder nieuw deel wordt aan het geheel toegevoegd door het wetmatig aanbreien.
Wat betekent het wanneer deze intelligentie op de hersenen inwerkt en daar  invloed op het denken uitoefent. In het denken wordt het verlangen aangewakkerd iedere nieuwe stap in innerlijke samenhang met de voorgaande stappen te doen. Dat is een verlangen naar logica.

Handvaardigheid  heeft een belangrijke functie  in de geestelijke ontwikkeling van het kind.
Wanneer een kind haakt, breit en vele  andere praktische vaardigheden leert, worden zijn handen intelligent(er).
En van de intelligentie van de handen gaat een werking uit waardoor zich een gezond denken ontwikkelen kan.

Tegen deze achtergrond is het opmerkelijk dat op de vrijescholen zo veel aandacht wordt besteed aan handvaardigheid.
Dat begint al in de kleuterklas, met o.a. de vingerspelletjes.
Maar ook in de vakken euritmie, handwerken en handenarbeid.

Literatuur:
[1]   A. Debrunner: Orthopädie. Bern – Stuttgart – Wien 1983
[2]H. Gardner: Abschied vom IQ. Die Rahmen-Theorie der vielfachen Intelligenzen, Stuttgart 1994
[3] M. M. Merzenich u.a.: Variability in hand surface representations in areas 3b and 1 in adult owl and squirrel monkeys, Journal of Comparative Neurology 1987
[4]F.R. Wilson: Die Hand – Geniestreich der Evolution, Stuttgart 2000
[5] R. Steiner: Die Erneuerung der pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft, GA 301. Dornach31977
[6] R. Steiner: Die pädagogische Praxis vom Gesichtspunkt geisteswissenschaftlicher Menschener­kenntnis, GA 306. Domach 1989
[7]E.Altenmüller: Vom Spitzgriff zur Liszt-Sonate, in: M. Wehr/M.Weinmann (Hrsg.): Die Hand …
[8] M. Weinmann: Hand und Hirn, in: M. Wehr / M. Weinmann: Die Hand ..(zie onder M. Wehr …).

Verder:
M. Jeannerod: Reichen und Greifen, in: Enzyklopädie der Psychologie. Band »Psychomotorik«.hrsg. von H. Heuer. S. W. Keele. Göttingen – Bern – Toronto – Seattle 1994
R. Lurija: Das Gehirn in Aktion. Reinbek bei Hamburg 1996
P. Reilly: Alles im Griff, in: M. Wehr / M. Weinmann: Die Hand … (onder M. Wehr …)
J. Rohen: Funktionelle Anatomie des Menschen, Stuttgart – New York 1973
M. Wehr / M. Weinmann (Hrsg.): Die Hand. Werkzeug des Geistes. Heidelberg – Berlin 1999

Bovenstaand artikel is een niet letterlijke vertaling van “Die Intelligenz der Hände” van E.M.Kranich.


.

Enige voorbeelden van mogelijkheden om de handen te oefenen:

lichaamsoriëntatie

bikkelen  handschaduwbeelden   hinkelen   touwtjespringen

 

HANDENARBEID
alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

 

.
233-219

.

.

VRIJESCHOOL – Karakteriseren i.p.v. definiëren

.

Rudolf Steiner over ‘karakteriseren’

‘Hoe moet het begrip dan zijn dat de mens wordt bijgebracht? Het begrip moet leven, opdat de mens ermee leven kan. De mens moet leven, dus het begrip moet mee kunnen leven. Brengt u een kind van negen, tien jaar begrippen bij die bedoeld zijn om na twintig, dertig jaar nog precies hetzelfde te zijn, dan brengt u het kind dode begrippen bij, want dan kan het begrip zich niet met de mens ontwikkelen. U moet het kind begrippen bijbrengen die in de loop van het leven veranderingen kunnen ondergaan. De opvoeder moet ervoor zorgen een kind alleen zulke begrippen mee te geven die in het latere leven zichzelf omvormen en niet begrippen die een leven lang hetzelfde blijven. Doet u dat, dan prent u een kind levende begrippen in. En wanneer prent u het dode begrippen in? Wanneer u een kind voortdurend definities geeft, zoals: een leeuw is…..enz. en het deze definities dan uit het hoofd laat leren; dan prent u het dode begrippen in. U rekent er dan op dat het kind op zijn dertigste nog precies dezelfde begrippen heeft als die welke het eens van u geleerd heeft. Het vele definiëren is dus de dood van het levend onderwijs. Wat moeten we dan doen? We zouden moeten proberen in het onderwijs niet te definiëren, maar te karakteriseren. En we karakteriseren, wanneer we dingen van zoveel mogelijk gezichtspunten uit belichten. ‘ [1]

() ‘Dat betekent, bij de intellectuele ontwikkeling moeten wij de mens niet
iets wat afgebakend doods is, maar iets levendigs bijbrengen, iets wat leven in zich draagt, wat veranderen kan. Wij zullen dus zo weinig mogelijk moeten definiëren. Wij moeten, wanneer wij bij het kind begrippen aanleggen, karakteriseren en wel vanuit veel standpunten. We moeten op de vraag: ‘Wat is een leeuw?’ niet zeggen: ‘Een leeuw is dus…..’ enz., maar we moeten de leeuw vanuit verschillende gezichtspunten karakteriseren; we moeten levende, beweeglijke begrippen vormen, die zullen dan met het kind verder leven.’ [2]

Alfred Russel Wallace reisde halverwege de negentiende eeuw door de tropische wouden van Indonesië, levensgevaarlijk. Hij krijgt daar allerlei zweren, verrekt van de pijn, maar denkt ondertussen: “Hé, die zweer heeft een groene tint, die wordt dus veroorzaakt door een organisme dat we nog niet kennen”.

(Bron: ASNbankmagazine “Ideaal” april 2012: Redmond O’Hanlon)

In zijn “Filosofie van de vrijheid” (GA 4) zet Rudolf Steiner uiteen hoe met de waarneming niet tegelijkertijd het daarbij behorende begrip wordt gegeven.

Dat is wat Wallace ervaart: er is een zweer met een groene tint (waarneming). Maar waardoor wordt deze veroorzaakt?

WAARNEMING, BEGRIP, KENNIS
Uiteindelijk zou het Wallace kunnen lukken om door nader onderzoek – dat vooral eerst weer zal bestaan uit waarnemen! – de oorzaak van de groene zweer te ontdekken.

Bij een volgende besmetting ziet hij meteen aan de zweer met de groene kleur wat hij heeft: besmetting met ………

En hij hoeft de besmetting niet eens meer te hebben om te kunnen zeggen dat een besmetting met …….een zweer met een groene tint veroorzaakt.

Aan zijn waarneming van de groene zweer voegt hij de begrippen besmetting met ….. toe.

Dat gaat in veel gevallen zo: de werkelijkheid wordt beschreven door de waarneming met het daarbij behorende begrip.

Zo komt kennis tot stand.

Om de werkelijkheid te beschrijven is het noodzakelijk die waar te nemen. Aan die waarneming voeg ik de daarbij behorende begrippen toe. Dat doe ik denkend.

Met de waarneming zijn de begrippen niet tegelijkertijd gegeven. Die begrippen komen van mij /van ons en zijn de ideële tegenhanger van de tastbare werkelijkheid = wat ik waarnam.

De waarneming is niet iets wat “klaar” is, als het om de volle werkelijkheid gaat. Bij de waarneming hoort het begrip.

Waarneming en begrip vormen samen de werkelijkheid. Kennis is de synthese van deze twee.

Heb ik uit de waarneming tal van begrippen gewonnen, dan kan ik deze zodanig logisch bijeenvoegen, dat duidelijk wordt wat ik heb waargenomen.

Dit logisch bij elkaar brengen van wat ik uit de waarneming gewonnen heb, is definiëren.

In de definitie wordt alles vastgelegd.

Het waarnemen is verdwenen; het op elkaar afstemmen van begrippen (denken) komt tot een afsluiting.

In de definitie verstart het proces dat tot de definitie leidde. De definitie is het eindpunt.

KARAKTERISEREN
Karakteriseren daarentegen, betekent, een zaak van verschillende kanten bekijken, onderzoeken.

Bij een definitie is “het” er. Bij het karakteriseren nog niet, daar ontstaat “het”.
Bij een definitie is “de kous af”; het karakteriseren is “het breien.”

Klaar tegenover wordend; passiviteit tegenover activiteit; rust tegenover beweging; dood tegenover leven.

In genoemde “Filosofie van de vrijheid”, (maar ook elders) zegt Steiner over de voorstelling dat, wanneer je intensief iets waarneemt, je in staat bent, je het waargenomen object weer “voor de geest” te halen. Je bent in staat-los van het object-het weer voor je te zien. Je hebt het object-stoffelijk aanwezig in de wereld-nu onstoffelijk “in je innerlijk” –ver-inner-lijkt. Als “voor de geest gesteld”. Je hebt van wat je ooit concreet waarnam opnieuw – maar nu onstoffelijk – het beeld: de voorstelling gemaakt. Uit je “innerlijk” komt het opnieuw in je bewustzijn: je her-innert.

 Marsman in zijn gedicht “Denkend aan Holland”

Denkend aan Holland, zie ik brede rivieren traag door oneindig laagland gaan”

Voor Marsman is het begrip “Holland” verbonden met de voorstelling van brede rivieren en laagland.

Zo werd mij duidelijk wat Steiner bedoelt met “de voorstelling is een geïndividualiseerd begrip”.

KINDEREN
Die sfeer van passiviteit, rust en dood past niet bij de aard van kinderen. Dat geldt zeker voor de basisschoolleeftijd.

Wanneer je vindt dat opvoeding en onderwijs tegemoet moeten komen aan de “leeftijdsaard” van kinderen, ligt het voor de hand dat als een rode draad door opvoeding en onderwijs loopt, het streven naar activiteit en leven.

Het inzicht dat leven voorafgaat aan dood – een universele waarheid – wordt basis van pedagogisch handelen.

Voor het leren kennen van de wereld in al zijn aspecten, zal daarom ook die rode draad daar te vinden moeten zijn.

In Steiners pedagogische gezichtspunten waarbij het o.a. gaat om het wezen van het kind recht te doen, vinden we daarom als rode draad: het onderwijs moet levend(ig)  (lebendig) zijn.

Dan ligt het voor de hand dat de nadruk veel meer zal liggen op KARAKTERISEREN dan op DEFINIËREN.

In GA 294, 11e voordracht geeft Steiner zelf van het karakteriseren een voorbeeld voor het vak aardrijkskunde; bij herhaling wijst hij op het belang van (hier met woorden bedoeld) het “tekenen”, “schilderen” van o.a. het landschap.[3]

Dat is vertellen in geuren en kleuren. Je schetst a.h.w. de kinderen het landschap voor ogen. Ze zien het voor zich. Hun voorstelling ontstaat.  (Dit  zich voorstellen is in zekere zin al een begin van hun geïndividualiseerd begrijpen)

Omdat voorstelling en geïndividualiseerd begrip samenhangen, moet de voorstelling wel zoveel mogelijk met de waarneembare werkelijkheid overeenstemmen.

In genoemde voordracht adviseert Steiner dan ook met de kinderen naar buiten te gaan zodat ze met eigen ogen kunnen zien (waarneming). En ook dingen te doen: een eenvoudige ploeg maken en dan voren trekken in de (school)tuin. Heemkunde klas 3!)

Dat de ploeg in Steiners tijd niet ouderwets was, moge duidelijk zijn.

Wanneer nu op de vrijeschool een simpele, dus ouderwetse ploeg wordt gemaakt, zou de kritiek kunnen luiden, dat men niet met de tijd meegaat: we hebben geen simpele ploegen meer die door paarden worden getrokken. We hebben een moderne gemechaniseerde landbouw.

Daar ga je anders over denken wanneer je een opmerking van Steiner onderzoekt, die inhoudt dat het erom gaat – vanuit de mens denkend – het kind met zijn omringende wereld te verbinden.

Je ontdekt dan dat veel eenvoudige gereedschappen met de vorm van o.a. de hand(en) samenhangen. Duidelijk is dat bij de vuist. De gebalde hand. Tevens de naam van een hamer.

De schroevendraaier: onze nagel op een staafje ijzer. (Hoe vaak probeerden we al niet een schroefje met onze nagel vast/los te draaien.)

Wie erover nadenkt zal talloze voorbeelden vinden.

Ook het ploegblad: het is de hand in een bepaalde komvorm. Voor de kinderen heel simpel na te voelen, wanneer ze met hun hand voren trekken in het zand.

Eenvoudig is in te zien hoe deze handkom van ijzer wordt nagemaakt; groter natuurlijk en hoe er uiteindelijk, als de tractoren er zijn met sterke motor, meer ploegijzers tegelijk getrokken kunnen worden. Dat hangt af van de paardenkrachten!!! van de motor.

Dit hoort allemaal bij “karakteriseren”. Het uiteindelijke doel ‘dat de kinderen een “beeld” (voorstelling) krijgen van de realiteit.’

Bij het gebruik van dit woord “beeld” gaat het dus niet om “gelijkenissen” of symbolen  (die o.a. in sprookjes en mythen staan).

Bij karakteriseren gaat het om het beeldende vertellen: opdat de kinderen “iets” voor zich zien en mee-be-leven.

Het ligt voor de hand dat je als leerkracht dan in ieder vak naar mogelijkheden zoekt om te “karakteriseren”. Om vanuit een levendige aanpak te komen tot wat dan uiteindelijk gekend moet worden.

Levendig is bij kinderen vooral: doen, bewegen, fantasie.

voor een praktijkvoorbeeld: Engels in klas 4

[1]GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie, blz.141,142
[2] GA 297, blz 57
[3] GA 294
Opvoedkunst – methodisch-didactische aanwijzingen, 11e voordracht

Menskunde en pedagogiek

.

Pieter HA Witvliet

.

231-217

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Antroposofische indoctrinatie in het vrijeschoolonderwijs? (2-2)

.

In mijn vorige artikel moest ik tot de conclusie komen de opvatting van de heer Perra, dat er middels de vertelstof antroposofie aan de kinderen wordt doorgegeven – indoctrinerend nog wel – op grond van kennis én ervaring niet te kunnen onderschrijven. Dat hij dat op vrijescholen in Frankrijk heeft waargenomen, kan ik bevestigen noch ontkennen. De stelling dat ‘op vrijescholen kinderen met antroposofie worden geïndoctrineerd’ is op grond van dit voorbeeld voor het vertellen in het algemeen, niet aangetoond.

VOORBEELD 2

Dierkunde klas 4

De heer Perra geeft nog een voorbeeld : dierkunde in klas 4 :

In the fourth grade (CM1), Waldorf students study zoology and tackle the physiology of various animals, like the lion, the cow, and the eagle. At first glance, their class work appears to be an objective study of the behavior of these animals. At least that’s what an inspector will see in the students’ notebooks. But the teacher will also orally tell the students that the eagle must be understood in relation to the human head, the cow in relation to the human metabolic system and limbs, and the lion in relation to the human rhythmic system (the heart and lungs). Thus, the teacher conveys basic elements of Rudolf Steiner’s doctrine, namely that man is a tripartite being having within himself, in a latent state, the various animal kingdoms. [6]

Samengevat: dierkunde in klas 4: de verschijningsvorm van verschillende dieren, als leeuw, koe en adelaar. In het periodenschrift zal de inspecteur iets objectiefs vinden over het gedrag van deze dieren, maar mondeling zal de leerkracht de dieren in verband brengen met hoofd, romp en ledematen – dit is met Steiners drieledige mens die de verschillende dierenrijken latent in zich aanwezig vindt.

Een paar achtergronden bij het vak dierkunde
Wanneer wij een berg- of heuveltop beklimmen en we zijn op het hoogste punt aangekomen, blikken we over de wijde, voor ons zich uitstrekkende omgeving. Al kijkend zien we steeds meer details: daar een meertje, daar een paar koeien; een hutje, in de verte, beneden een dorpje, waarvan de kerktoren het eerst opvalt.

Met talloze andere voorbeelden kan iedereen, want iedereen heeft deze ervaringen, tot de makkelijk te trekken conclusie komen: eerst zien we het geheel, dan de delen.

Ook in het ‘verborgene’, in onze cellen b.v. gaat de vermenigvuldiging daarvan door deling van het geheel naar geledingen, wat zo prachtig is te volgen bij embryonale ontwikkelingen.

Dit ‘van het geheel naar de delen’ ligt in zekere zin van nature in de mens besloten.

Zo bekeken behoort dit ‘bij het leven’.

In Steiners pedagogische voordrachten komen we dit ‘bij het leven’* nog al eens tegen:
Wir gehen immer von dem Ganzen aus. Wie wir im Rechnen von der Summe aus­gehen, nicht von den Addenden, und die Summe zergliedern, so gehen wir auch hier von dem Ganzen ins Einzelne. Das hat den großen Vorteil für die Erziehung und den Unterricht, daß wir es erreichen, das Kind wirklich auch lebendig in die Welt hineinzustellen; denn die Welt ist ein Ganzes, und das Kind bleibt in fortwährender Verbindung mit dem lebendigen Ganzen.[1]

‘We gaan steeds uit van het geheel. Zoals we bij het rekenen uitgaan van de som (het totaal), niet van de optellers en het totaal verdelen, zo gaan we ook hier van het geheel naar het aparte. Dat heeft het grote voordeel voor de opvoeding en het onderwijs dat wij bereiken dat het kind werkelijk ook levend in de wereld komt te staan; want de wereld is een geheel en het kind blijft voortdurend in verbinding met dit levende geheel.*

We gaan steeds uit van het geheel.
Steiners opvatting: de wereld is een totaliteit (die Welt ist ein Ganzes) mag dan nu als vanzelfsprekend klinken, in 1919 was dat niet zo.

Er bestond geen milieuprobleem. Met name de laatste 20 jaar is de mensheid – als totaliteit –  door schade en schande tot het inzicht gekomen dat ‘alles met alles’ samenhangt: CO2-uitstoot-opwarming van de aarde; houtkap-meer erosie, meer overstromingen, aardverschuivingen; landbouwgif – bijensterfte; bijensterfte – 4 jaar na het uitsterven van de bijen, sterft volgens Einstein de mensheid, planten, met name het fruit, sterven uit doordat er geen bestuiving meer plaatsvindt. Enz.enz.

Een aspect van het vrijeschoolonderwijs: zo te werken dat het kind in een voortdurende levende relatie staat tot het levende geheel.

Tegen deze achtergrond is het niet verwonderlijk dat Steiner het vak dierkunde, met betrekking tot de mens’ behandelt.

Ja, dat is ‘mensbeeld’, zoals het ook ‘mensbeeld’ is, het vak dierkunde niet met betrekking tot de mens te geven en slechts het dier te beschrijven in zijn habitat.

Dit is o.a. wat mensen die vrijeschoolleerkracht worden en ouders die hun kind op een vrijeschool willen hebben, aanspreekt: het gaat erom dat de mens van de toekomst – het kind – met eerbied en enthousiasme de schoonheid –hier ‘de samenhang der dingen’, zijn een-zijn met de totaliteit van de wereld beleeft.

NIET NIEUW
De idee van de samenhang van mens en dier is niet nieuw; is niet van Steiner en is daarom ook geen antroposofie. Ook de drie- en vierledige mens zijn dat in de kern niet. Wel heeft Steiner, zoals zo vaak met oudere, bestaande ideeën, deze opnieuw, meer in overeenstemming met de denktrant van nu geformuleerd–en wanneer hij dat in de jaren, ruwweg 1880-1925 – doet, is dat veel minder in de denktrant van die tijd, dan in de denktrant van heden.

De filosofische gezichtspunten in b.v. ‘De filosofie van de vrijheid’ -1894! – zijn, ruim 100 jaar later – nog steeds actueel.

De samenhang van mens en dier wordt b.v. door Lorenz Oken uitgewerkt; ook door Goethe; Darwin, niet te vergeten.

Het ‘drieledige’ is geen exclusief antroposofisch begrip.

Hoofd, romp en ledematen zijn niet door Steiner bedacht.

Ook niet dat in het hoofd de voornaamste zintuigen zetelen; dat in het romp/borstgebied hart en longen ritmisch** pulseren en dat we een stofwisseling hebben, geconcentreerd in de stofwisselingsorganen.

DIERKUNDEPERIODE
Ik herinner me nog als de dag van gisteren de dierkundeperioden.

Een aspect van het vrijeschoolonderwijs: zo te werken dat het kind in een voortdurende levende relatie staat tot het levende geheel.

‘Wat zie je allemaal aan de mens’ kan een vraag zijn aan het begin van een dierkundeperiode.

Als alle losse benamingen zo gerubriceerd worden dat ze wat meer bij elkaar horen, kan plotseling het geheel weer in het oog springen: hoofd, romp en ledematen.

Bij het hoofd kwamen te staan; oren –gehoor; ogen – zien/(ge)zicht; neus –reuk; mond – smaak: zout, zuur (enz)

De andere dag b.v. begon ik dan een dier ‘te spelen’. Ik noemde het niet meteen bij naam; de kinderen die het zagen, mochten het niet meteen roepen. En zo schetste ik, met woorden en bewegingen de karakteristiek van het te behandelen dier. Voor kinderen én leerkracht buitengewoon animerend.

‘Had de mens zulke ogen als ik’, liet ik het dier zeggen, ‘dan zag meester, die nu recht voor zich uitkijkt, tegelijkertijd óók het plafond én zijn schoenen’.

Uit het karakteriseren van de inktvis, blijkt dat het dier ‘bijna helemaal zintuig is’.

Het is niet moeilijk voor wie open waarneemt tot de conclusie te komen dat in de dieren een specialisatie op de voorgrond treedt. Daar is niets ‘antroposofisch’ bij.

Vissen zwemmen sneller dan mensen; vliegen kunnen de mensen niet.

‘Met een vliegtuig’, roepen de kinderen; om tot ontdekking te komen dat dit eerst ‘bedacht’ moest worden.

‘Een mens heeft ideeën’, zei een leerling.

En om die tot uitvoering te brengen: handen.

Daarmee is de mens het meest mens: ‘met zijn handen’.

Die kunnen opbouwen, maar ook afbreken; slaan,  én strelen.

‘‘Een dier doet, wat het moet’, een bekende uitspraak van dokter Leen Mees [2]

Dieren zijn specialisten – niet vrij.

De mens is geen specialist – hij kan het op een bepaald gebied worden.

De dieren zijn in hoge mate afhankelijk; de mens is veel vrijer; heeft daarom een grote verantwoordelijkheid naar de dieren (en de medemens).

Het in samenhang zien van mens en dier op deze wijze, noemt de heer Perra ‘indoctrinatie’.

De mens leren zien in samenhang met de wereld zodat dit eerbied en verwondering teweegbrengt, is opvoeding en ontwikkeling.
Je afvragen wat je met je handen doet, vormt je moraliteit.

Net als bij de vertelstof: ik weet niet hoe dierkunde in de Franse vrijescholen gegeven wordt.

Dit kan ik ook niet opmaken uit de woorden van de heer Perra.

Van indoctrinatie bij de vakken vertelstof en dierkunde, gegeven op bovengeschetste manier – dat is in de trant waarin ze gegeven dienen te worden, is geen sprake.

Ook de heer Perra’s 2e voorbeeld moet ik als onzinnig kwalificeren.

Voortdurend doen mensen pogingen aan te tonen dat er in vrijescholen geprobeerd wordt antroposofie ‘binnen te loodsen’.

Door wie dan? Antroposofische leerkrachten? Wie of wat zijn dat dan? Wat is dan hier ‘antroposofie’? Met welk doel dan?

Op vragen aan critici kreeg ik of geen antwoord; of ze weerden mij van hun blog of ze kwamen elders met onzinnige kretologie.

Voor mij zijn de voorbeelden van de heer Perra die zo zwaarwegend worden aangekondigd als ‘indoctrinatie van vrijeschoolleerlingen met antroposofie’ als de zoveelste muis die naast de olifant op de brug triomfantelijk uitroept: ‘Wat stampen we weer, hè!”

* wie dit tot zich door laat dringen, bedenkt zich wel een paar keer, voor hij het woord ‘sektarisch’ in de mond neemt.

**zie voor een samenhang romp/hart/longen: de leeuw

[1]Steiner Erziehungskunst -Methodisch-Didaktisches
GA 294
[2]Mees  Dieren zijn wat mensen hebben

Perra’s 1e voorbeeld betreft het vertellen van sprookjes in klas 1 en is hier te vinden.

 

vrijeschool en antroposofie: alle artikelen

.
Meer commentaren op onzinnige kritiek:

Geschiedenis of hoe een schriftjesgeleerde stokpaardje rijdt

Atlantis of hoe de Jonghe een kreupel stokpaardje als oude koe uit de sloot haalt
Een belegen berichtje als bewijs

De Jonghes Atlantis
Het belegen berichtje in een nieuw jasje

In een sukkeldrafje verder op een kreupel (Trojaans) paardje

Atlantis: generaliseren en erin leggen
Vertaling van Andreas Lichte generaliseren und hineininterpretieren

Atlantis, ooooo die schriftjes toch
“bewijzen” voor racisme in geschiedenisschriftjes uit klas 5

 

215-203

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Antroposofische indoctrinatie in het vrijeschoolonderwijs? (2-1)

.

KRITIEK



Kritiek op de vrijescholen is er vanaf de oprichting van de eerste vrijeschool in Stuttgart in 1919 al geweest en is er heden ten dage nog.

In Frankrijk heeft een ex-vrijeschoolleerkracht, tevens oud-vrijeschoolleerling en jarenlang lid van de antroposofische vereniging een artikel ( hier een Engelse vertaling)  gepubliceerd met zijn kritiek – na zoveel jaar – en waarom hij het geheel de rug heeft toegekeerd.

De kern van zijn betoog is, dat de vrijeschool de leerling indoctrineert met antroposofie!.

Vóór ik zal ingaan op de voorbeelden die de heer Perra van indoctrinatie geeft, eerst dit:

KRITIEK EN MENSBEELD
Velen van ons – de mensen – streven er dagelijks naar te weten te komen hoe het zit met de wereld waarin wij leven. Daarbij kunnen we ons op verschillende niveaus bewegen die ruim uiteenlopen, maar altijd zijn er vragen, duizenden vragen én antwoorden. Bij de antwoorden waar de zoektocht had moeten eindigen, begint deze vaak weer opnieuw, want  ‘is dit het antwoord wel; wie heeft het gegeven, waarop is het gebaseerd.’

WETENSCHAP
Het sleutelwoord is hier ‘wetenschap’; die geeft ons de antwoorden. Maar tegelijkertijd ook weer vragen, die mede door diezelfde wetenschap worden gesteld.
Neem als voorbeeld die tak van wetenschap die de afstamming van de mens onderzoekt. Zo’n 50 jaar volg ik de resultaten en wat blijkt: telkens en telkens heeft men DE voorouder gevonden; maar telkens en telkens moest men dit weer herroepen.
Telkens en telkens was hier dus eigenlijk sprake van ‘pseudo’ en werden wij als gewone burgers geïndoctrineerd met gezichtspunten die achteraf niet bleken te kloppen.

Ik gebruik hier met opzet de woorden ‘pseudo’ en ‘indoctrineren’, woorden die bestorven liggen op de lippen van de tegenstanders van geesteswetenschap, dus antroposofie en dientengevolge van de vrijeschoolpedagogie.

We spreken niet voor niets over ‘een tak van wetenschap’; een tak, dat is niet de hele boom.
Er is al veel gefilosofeerd over wat wetenschap is, of wat geen wetenschap is.

Voor mijn verdere betoog neem ik van mijn blog: ‘antroposofie, een inspiratie’ dit artikel over:

ANTROPOSOFIE: WETENSCHAP?

WETENSCHAP , PSEUDOWETENSCHAP
Met grote regelmaat en van verschillende kanten wordt gezegd dat de antroposofie die door Steiner ook geesteswetenschap werd genoemd, geen wetenschap is.

Of ze wordt als “pseudowetenschap” gekwalificeerd.

 WETENSCHAP
Het kan niet anders of mensen die zo iets beweren, weten wat wetenschap wél is, want anders zouden ze niet kunnen zeggen, wat géén wetenschap is.

Wat men onder wetenschap verstaat is toch over het algemeen de wetenschap van maat, gewicht en getal.

WARE WETENSCHAP IS NATUURWETENSCHAP
De meeste mensen die het over de wetenschap hebben, koesteren, vaak onbewust, de overtuiging: de(ze) wetenschap is de ware wetenschap.

a.h.w. een natuurkundige wetenschap.

Ze vergeten in dit uitspreken, dat ze eigenlijk geen natuurwetenschappelijke uitspraak doen, want de uitspraak: “de natuurwetenschap is de echte wetenschap” is geen natuurwetenschappelijke uitspraak, maar een geesteswetenschappelijke.

PROF.DR.LUIJPEN
Deze  zin heb ik opgetekend uit de mond van Prof .Dr. Luijpen.

Als existentieel filosoof was hij onophoudelijk op zoek naar de plaats
van de mens tussen God en wereld. Hij had zo zijn twijfels of de (natuur)wetenschap wel door kan dringen tot de existentie van de mens.

Ook voor mij is het een vraag of slechts de natuurwetenschap alleen, tot
het wezenlijke van het menszijn kan doordringen.

In  zijn “God! Goddank! Godverd….! (uitg.Emmaüs 1972) schetst Luijpen situaties van de mens, in diens leven en noemt deze
“situaties van de existentie’, de mens als “existerende subjectiviteit”.
Voor deze “existerende subjectiviteit” zijn die levenssituaties letterlijk
van levensbelang.

Voor Luijpen ontstaat de vraag: kan de natuurwetenschap iets zeggen
over deze levenssituaties.
Hij stelt zich een situatie voor:
“Wanneer een jongen zijn meisje “lief” noemt, noemt hij haar aldus als existerende subjectiviteit.”

“Maar hij kan haar ook tot een ingrediënt van de mechanica maken.
Dat is het geval wanneer hij haar op de weegschaal zet. De weegschaal
zegt: “negentig pond”. Dat zegt de weegschaal ook als er een zak zout van negentig pond op gezet wordt. De weegschaal kan niet zeggen: “lief”. Als ingrediënten van de mechanica zijn meisjes niet lief. Evenmin zijn mensen religieus als ingrediënten van de wetenschappen.”(blz 9)

Ik vul zelf aan:
Als deze jongen zijn hart laat spreken, zegt hij dat hij van het meisje
houdt.
Maar voor de ‘weegschaal’wetenschap kan het hart niet spreken. Die ziet dat het hart een pompbeweging maakt en noemt het derhalve een pomp.

Die ‘weegschaal’wetenschap ziet ook ‘denken, voelen, willen’ niet,
hoewel ons “existerend zijn” voor het grootste deel bestaat uit denken,
voelen en handelen.

LETTERLIJK: NA-GEDACHT
Luijpen had ook een aardige omschrijving van het woord “nadenken’ .
Hij bedoelde het ‘na’ hier letterlijk: nadat een ander het heeft gedacht.
We denken dat na en vaak spreken we dat na.

Iets dergelijks gebeurt ook met de mededelingen van Steiner. Dat hij ze
door bovenzintuiglijke waarneming heeft verkregen, is in wezen niet zo belangrijk. Belangrijker is dat wij ze kunnen na-denken en dat wij de
waarheid ervan kunnen ervaren, of niet.

Wat ik hier met bepaalde mededelingen van Steiner doe, is ze gebruiken
om te zien wat ze voor mijn existentie betekenen.

Ze inspireren mij om ermee naar mens en wereld te kijken.

Het resultaat van dit kijken is de inhoud van deze blog.

Ik onderstreep hier dat ik tot deze gedachten kwam door de visie van filosoof Willem Luijpen.

De ‘weegschaalwetenschap’ is zijn idee. Waar hij in zijn college’s dikwijls de nadruk op legde was het feit dat wij mensen, in het zoeken naar antwoorden, veel opnemen van wat anderen gedacht hebben – hij noemde dit het letterlijke NA-denken – ‘vele meningen en opvattingen hebben zich als aardlagen in ons afgezet’, zonder dat we dit vaak duidelijk beseffen. Slechts weinigen hebben originele gedachten.

Dat laatste is echter ook nog geen garantie voor DE antwoorden op de vragen waarmee de mensheid zich bezighoudt.

De gedachten, de ideeën van Darwin zijn zeker origineel te noemen. Ze hebben buitengewoon veel indruk gemaakt – bijna letterlijk – in de gedachten van velen staan zijn ideeën gegrift als naar een waarheid gegroeide conclusie: de mens stamt af van de aap. Door velen wordt dit nu ook zo aangenomen: de mens is een hoger dier. Dat denken wij na.

Iets dergelijks geldt voor de ‘oerknal’.

Bij de levensvragen gaat het natuurlijk ook om ‘wie of wat is de mens’. En ook op die vragen zijn vele antwoorden gegeven.

Ook Rudolf Steiner heeft zich met deze vraag langdurig beziggehouden. Zijn ideeën kunnen we leren kennen uit zijn boeken en zijn gestenografeerde voordrachten.

Op mijn hierboven genoemde blog  probeer ik, steeds binding te houden met het concrete leven van alledag, te kijken waar Steiners visie een antwoord geeft op de levensvragen die ik me stel.

Steiner is voor mij zeker niet de enige die, voor mij, wezenlijke antwoorden geeft; voor mij is hij wel een belangrijk denker.

Ik ben geen blinde volger van zijn ideeën; ik noem mij geen antroposoof – ook al niet, omdat de ander met wie ik over de levensvragen zou willen spreken, dan wellicht moet zeggen dat hij atheïst is, of gereformeerd. Ik wil niet tegenover de ander komen te staan. Ik zie meer heil in ‘hoe kunnen wij vanuit verschillende visies antwoorden vinden die ons mens-zijn betreffen.’

Toen ik voor het beroep van onderwijzer koos, heb ik mij ook afgevraagd: met welk onderwijs is het kind het best gediend.

En na bestudering van vele vormen van onderwijs, kwam ik bij de vrijeschoolpedagogie uit.

Eerst werkte ik nog in het reguliere onderwijs en leerde zo iets van het wezen van het kind kennen: o.a. zijn behoefte aan scheppend bezig zijn, zijn behoefte aan fantasie, aan beweging.

In de achtergronden van de vrijeschool vond ik wezenlijke opmerkingen over deze aspecten van het kind-zijn.

Uit het wezen kind zelf, zijn doen en laten, zijn gedragingen enz. enz. bleken de inzichten van Steiner vaak verrassend waar en actueel.

KIEZEN
Leven is vaak: keuzes maken en zoals  Erica Ridzema er  voor kiest om te stoppen met het werken met kinderen, omdat ze vindt dat wat ze moet – van overheidswege – niet strookt met het wezen van de kleuter – zo koos ik destijds voor de vrijeschoolpedagogie, omdat ik daarin een pedagogie ontmoette die het meest strookt met het wezen van een kind.

Wat nu nog steeds actueel is, zo’n 4o jaar geleden gold dat ook: door in het niet-reguliere onderwijs te werken, week en wijk je af van het gangbare. En daarmee wijk je ook af van de gangbare opvatting over onderwijs en opvoeding.

De gangbare opvatting is een ‘opvatting’. Van wie? Van ….allerlei ontstane meningen en gezichtspunten die al naar gelang de tijd waarin ze ontstonden op de een of andere manier de mensen aanspraken. Die hebben zich in de mensen als aardlagen afgezet; die denken ze na.

Momenteel gaat het in Nederland om de ‘kenniseconomie’ en in het onderwijs moet het dus om kennis gaan. De gangbare opvatting is, dat het onderwijs in dienst moet staan van de economie. Presteren!.
Om ‘kennis’ gaat het al heel lang, sinds Bacons  ‘kennis is macht’.

Allerlei opvattingen, soms onduidelijk van wie of van wanneer, vormen het mensbeeld van het gangbare; vooral van mensen die zeggen geen mensbeeld te hebben.

IEDER ZIJN MENSBEELD
Ook de critici van antroposofie en vrijeschool hebben een mensbeeld. Dat strookt duidelijk niet met het mensbeeld dat ze bekritiseren.

WAT WILLEN OUDERS
Ik heb in mijn vrijeschooljaren vele lezingen gehouden over de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie. Bij de toehoorders, veelal ouders, was er altijd het verlangen voor hun kind naar méér dan de opvatting dat dit wezen slechts ‘een naakte aap, een machine, een toevallige samenklontering van chromosomen; slechts een brein’, zou zijn. En ook een wezen dat méér is dan een dienaar van de economie.

Zij konden meer met de opvatting dat een kind, een mens een drie-vierledig wezen is en dat opvoeding en onderwijs een hulp kunnen/moeten zijn bij een harmonische ontwikkeling.

In de vrijeschoolvisie is leerstof ook een bijdrage aan deze ontwikkeling.

Een bekend voorbeeld is het leren schrijven en lezen. Het uiteindelijke resultaat moet natuurlijk zijn dat een kind heeft leren schrijven en lezen, de weg naar dat punt heeft ook tot doel dat de fantasiekrachten van het kind – dat zijn puur menselijke wezenskenmerken – gevoed worden: vandaar de letterbeelden; dat er geschreven wordt van ‘groot naar klein’, van beweging naar verstilling – geheel in overeenstemming met het wilsleven van het kind, enz. enz.

KRITIEK NU
Ook nu ik met pensioen ben, neem ik kritiek op de vrijeschoolpedagogie nog altijd serieus, tenminste, als het als serieuze kritiek is bedoeld.

Die ernstig gemeende kritiek kom ik niet tegen bij Ramon De Jonghe/Verachtert, van wie ik, na bestudering van zijn boek- en blogartikelen moet zeggen dat hij er vrijwel uitsluitend op uit is, Steiner, de antroposofie en de vrijescholen waar mogelijk in een bespottelijk, negatief daglicht te plaatsen. Leugenachtig ook vaak, waardoor ik me geroepen voelde op deze blog tegenover dit leugenachtige iets ‘waar’achtigs te plaatsen.

Zo hij dit nog niet was, mede door mijn activiteiten is hij nu in Nederland en België afdoende bekend en wordt hij, buiten de kring van medestanders, nauwelijks nog serieus genomen.
Positieve ontwikkelingen binnen de vrijeschoolbeweging blijken immuun voor zijn schrijfbezigheden.
Nogal bombastisch aangekondigde activiteiten bij het onthullen van een schandaal: ’we moeten zorgvuldig te werk gaan en mogen niet alles zo maar publiceren’ – of woorden van deze strekking – verzanden, na ruim 2 jaar – in stilte.
Op dit ogenblik doet hij onderzoek naar vermeende onregelmatigheden – belangenverstrengeling – die zouden hebben plaatsgevonden bij een onderzoek naar de kwaliteit van het onderwijs aan de Academie voor Euritmie, onder verantwoording van een overheidsinstelling. Maar misschien horen we hier nog wèl eens wat over.

De heer Perra neem ik, wanneer ik bovengenoemd Engelse artikel begin te lezen wél serieus. Wie zo lang binnen de antroposofie en de vrijescholen heeft verkeerd, moet wel zwaarwichtige redenen hebben, er afstand van te nemen.

Hoeveel innerlijke strijd, slapeloze nachten, heeft dit gekost?

Een man met een groot geweten, lijkt me, die geen verantwoording meer wil nemen voor wat hij ziet: leerlingen worden geïndoctrineerd.

Zo’n ernstige beslissing roept bij mij ook vragen op in de trant van: was mijn werk dan ook indoctrinatie?
En ik ben zeer benieuwd naar zijn voorbeelden. Hij geeft er 3, waarvan er 1 is waar ik niets mee kan, omdat dit bovenbouwstof betreft.

Maar de andere 2 zijn mij wel vertrouwd.

Allereerst deze:
‘Another example: In the early grades, Waldorf teachers tell the children a great number of legends or myths. At first glance, this is part of a traditional study of literature and mythology. But the teachers slip in Anthroposophical interpretations… They make subtle allusions to the contents of Anthroposophical books such as MYTHS AND LEGENDS AND THEIR OCCULT TRUTHS [7] or HIDDEN WISDOM IN GRIMM FAIRY TALES [8]. Most of these works were only recently translated into French (Waldorf teachers having access to them through German connections). National education inspectors therefore cannot detect the Anthroposophical doctrines slipped in by Waldorf teachers when they tell these legends and myths to the children.

‘In de lagere klassen vertellen de vrijeschoolleerkrachten aan de kinderen heel wat legenden of mythen. Op het eerste gezicht is dit een deel van een traditionele bestudering van literatuur en mythologie. Maar de leerkrachten laten er antroposofische interpretaties in terechtkomen. Zij maken subtiele toespelingen op boeken als ‘mythen en legenden en hun occulte waarheden of ‘verborgen wijsheid in de sprookjes van Grimm. De meeste van deze werken werden pas onlangs in het Frans vertaald. (Vrijeschoolleerkrachten kunnen er over beschikken via Duitse collega’s. Daarom kunnen onderwijsinspecteurs er niet de vinger achter krijgen dat er door vrijeschoolleerkrachten antroposofische dogma’s ingevlochten worden wanneer ze deze legenden en mythen aan de kinderen vertellen.’

Hier staan toch wonderlijke dingen ! Legenden of mythen; dat zou dan moeten zijn legenden (klas 2) én mythen (klas 4, als we deze nog tot de ‘vroege’ klassen rekenen (early grades.

Wat de heer Perra bedoelt met’traditionele bestudering van literatuur en mythologie’ is me een raadsel.

De legenden (met als tegenhanger de fabels) worden, niet meer en niet minder, verteld zoals ze ooit zijn opgetekend. Datzelfde geldt voor de verhalen uit de Edda in klas 4.

En daarbij zouden de leerkrachten dan ‘antroposofische uitleg’ geven ?
Vooralsnog kan ik me er geen concrete voorstelling bij mij maken.

Als dat zo gebeurt, gaan de leerkrachten te ver. De verhalen zijn er om simpelweg te vertellen – niks geen uitleg – vooral niet aan kinderen.

Dat je zelf verdieping zoekt en probeert de beelden te duiden, leidt vaak tot een grotere eerbied waarmee je de verhalen dan vertelt.
Zo is mijn eerbied voor b.v. de 7 scheppingsdagen zeer toegenomen door het lezen van Steiners ‘Het Bijbelse scheppingsverhaal‘; maar om de kinderen te vertellen dat ‘de dagen van de schepping eigenlijk grote tijdvakken zouden zijn’  en “God’ eigenlijk één van de Elohim’, nee, dat is absoluut de bedoeling niet van het vertellen van de verhalen uit het Oude Testament.

Welke verdieping of achtergrond dan ook: het is ten enen male niet bestemd voor de kinderen.

Antroposofie in het onderwijs werd bij herhaling door Steiner resoluut afgewezen!

En daaraan moeten de Franse vrijeschoolleerkrachten over wie de heer Perra het heeft, zich gewoon houden, als ze een vrijeschool gestalte willen geven.

Het voorbeeld dat hij hier geeft lijkt mij absoluut niet relevant voor ‘het’ vrijeschoolonderwijs!

Zijn 2e voorbeeld betreft de dierkunde in klas 4, dat hier is te vinden.

vrijeschool en antroposofie: alle artikelen
Meer commentaren op onzinnige kritiek:

Geschiedenis of hoe een schriftjesgeleerde stokpaardje rijdt

Atlantis of hoe de Jonghe een kreupel stokpaardje als oude koe uit de sloot haalt
Een belegen berichtje als bewijs

De Jonghes Atlantis
Het belegen berichtje in een nieuw jasje

In een sukkeldrafje verder op een kreupel (Trojaans) paardje

Atlantis: generaliseren en erin leggen
Vertaling van Andreas Lichte generaliseren und hineininterpretieren

Atlantis, ooooo die schriftjes toch
“bewijzen” voor racisme in geschiedenisschriftjes uit klas 5

214-202

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Getuigschriften (4)

 .

ZOVEEL HOOFDEN – ZOVEEL GETUIGSCHRIFTEN

Als het weer naar het eind van het schooljaar loopt, hoor je in de wandeling de leerkrachten elkaar vragen: “Lukt het een beetje?  Hoeveel nog?”
Zo’n dialoogje gaat dan over de getuigschriften, waar­van vaak al weken voor het begin van de zomervakantie de schetsen, de ruwe lijnen op papier worden gezet.
Zéér veel moeite getroosten de meesters en juffies zich om geen droge opsomming van de capaciteiten van hun leerlingen te geven. In de eerste plaats om niet te vervallen in het geven van een prestatiecijfer. In de tweede plaats omdat een dergelijke opsomming vaak in het hanteren van starre begrippen verzandt. Een beschrijving van het leven van een kind in de klas kan alleen maar werkelijk doeltreffend zijn als die in zinnen wordt gegeven. Zinnen vormen binnen het geheel van de taal iets “zinnigs” en kunnen het beeld van hoe een kind zich door het jaar heen in de klas heeft gemanifesteerd, tot leven brengen.
Zo worden dan alle periodes die dat jaar aan de klas zijn gegeven in relatie tot de betreffende leerling besproken. Hier en daar klinkt een licht standje door, of juist een complimentje voor be­toonde inzet, belangstelling, ijver of sociale instelling. De intellectuele prestaties worden ook uit de doeken gedaan, maar niet eenzijdig of uitsluitend.

Om van het getuigschrift werkelijk iets te maken dat het hele jaar door een vormende waarde voor onze leerlingen kan hebben, begint ieder getuigschrift met een “spreuk” in proza of poëzie. Hierin tracht de leerkracht iets te leggen waaraan het kind zich ontwikkelen kan. Voor de een zal het een beeld zijn waarmee hij zich identificeren kan en dat hem helpt over een bepaalde zwakheid heen te groeien. Voor een ander zal het een beeld zijn waarvan hij afstand neemt, en waarvan hij zegt: “Zo wil ik niet worden!” Het kan ook best zijn dat een bepaalde gave van een leerling in het beeld wordt verwerkt, zodat die nog eens onder de aandacht wordt gebracht. Dan klinkt er iets in door van: “Dat kan jij zo fijn, ga die goede zijde van je karakter het komende jaar eens extra gebruiken!”

Als het een spreuk in poëzie is trachten de leerkrachten extra goed te letten op het ritme en de gebruikte klanken. Ritmes kunnen door­werken tot in de adem en de bloedstroom en gezondmakend werken. Klanken drukken óók iets wezenlijks van de taal uit en ondersteunen door hun vaste, harde, zachte, milde, glijdende of stotende karakter het beeld dat de spreuk wil geven.
In het hanteren van de spreuk kunnen de leerkrachten van werkwijze verschillen.  Sommigen laten de spreuk wekelijks voor de klas opzeggen, anderen laten het verscheidene malen per jaar doen. Maar hóe ze dit ook hanteren, getracht wordt altijd de spreuk te laten werken door er een ritmisch proces van te maken. Een proces van blij ontvangen, mee naar huis nemen, uit het hoofd leren, laten rusten en weer oppakken tot…… de nieuwe spreuk komt, die weer nieuwe impulsen hoopt te geven aan de ontwikkeling van uw kinderen.

 H.C. Labij v.d. Poll, vrijeschool Bergen, nadere gegevens onbekend
.

Heinz Müller:  ‘Von der heilenden Kraft des Wortes und der Rhythmen’. Stuttgart, 1967;|
Martin Tittmann: Zarter Keim die Scholle bricht …., Stuttgart 1981.
Lore Schäfer: Zeugnissprüche und Klassenspiele, Stuttgart 1980
Helmut v. Kügelgen: Spiele und Zeugnissprüche.

Adaptief onderwijs voor Vrije Scholen’ . Jansen / G. Reijngoud
Uitgave: Begeleidingsdienst voor vrijescholen.
Maart 2002

getuigschriften: alle artikelen

Rudolf Steiner over getuigschriften

 

196-186

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over ‘antroposofisch onderwijs’

.

Rudolf Steiner heeft bij verschillende gelegenheden – niet alleen in zijn pedagogische voordrachten! – gewezen op het feit dat de vrijeschool géén wereldbeschouwelijke school hoort te zijn, maar een:


METHODESCHOOL
De vrijeschool is een methodeschool. De methode van lesgeven en de omgang met het kind stoelt op de menskundige inzichten die Rudolf Steiner in vele van zijn boeken en voordrachten verwoord heeft.

Steiners visie wordt antroposofie genoemd.

Het vrijeschoolonderwijs is geen antroposofisch onderwijs: Steiners visie wordt niet onderwezen of aangeleerd.

Voorbeeld: wanneer Steiner beschrijft dat het jonge(re) kind een bewegingsmens is en de beweging in verband brengt met de menselijke wil als deel van een drieledigheid, dan wordt op grond van dit gegeven bv. in de rekenles bij het aanleren van de tafels van vermenigvuldiging, veel gelopen, gesprongen, geklapt en gestampt. Dit bewegen is geïnspireerd door antroposofie. Klappen, stampen, springen en lopen is slechts beweging en heeft met antroposofie niets van doen.

meer voorbeelden:

‘antroposofisch’ onderwijs  [1]   [2]   [3]

Het gebruik van ‘antroposofisch onderwijs, antroposofische school, antroposofische leraar’ werkt begripsverwarring in de hand.

Het gebruik  ‘vrijeschool, vrijeschoolonderwijs, vrijeschoolleerkracht heeft dat bezwaar niet.

Rudolf Steiner:

1)
DIE BEFRUCHTENDE WIRKING DER ANTHROPOSOPHIE
Die vielen böswilligen Naturen, die heute da sind, um alles mögliche Unzutreffende über die anthroposophische Bewegung und was damit zusammenhängt, zu sagen, die werden daraus gleich wieder Kapital schlagen und sagen: Diese Anthroposophen wollen, daß ihre Weltanschauung überall vertreten ist. Nun, die Waldorfschule ist aus unserer Mitte heraus begründet worden, ohne daß damit in irgendeiner Weise eine Weltanschauungsschule gegründet worden ist. Gerade das Gegenteil einer Weltanschaungsschule sollte begründet werden. Das ist immer wieder und wieder betont worden. Und wer da glaubt, die Waldorfschule sei «eine anthroposophische Schule», der kennt sie eben ganz und gar nicht.
.

DE BEVRUCHTENDE WERKING VAN DE ANTROPOSOFIE
De vele kwaadwillende naturen die er tegenwoordig zijn om over de antroposofische beweging en wat ermee samenhangt, alles wat mogelijk is te zeggen wat er niet toe doet, die zullen er gelijk weer munt uit slaan en zeggen: Deze antroposofen willen, dat hun wereldbeschouwing overal vertegenwoordigd is.
Welnu, de vrijeschool is van ons uit gesticht zonder dat daarmee op een of andere manier een wereldbeschouwelijke school opgericht is. Juist het tegendeel van een wereldbeschouwelijke school moest gesticht worden. Daarop is steeds weer de nadruk gelegd. En wie zou willen geloven dat de vrijeschool ‘een antroposofische school’ is, die kent deze absoluut niet.
GA 76/90
Niet vertaald

   0-0-0

2)
DIE AUFGABE DER ANTHROPOSOPHIE
Da möchte ich zunächst einmal erwähnen, daß ja der Unterricht in der Waldorfschule auf unsere Erkenntnis von der Entwicklung des Menschen gebaut ist. Nicht wahr, die Waldorfschule ist ganz sicher keine Weltanschauungsschule, aber was an pädagogischer Geschicklichkeit, an pädagogischer Methodik, pädagogischer Handhabung der Dinge gerade aus anthroposophischer Seelenverfassung heraus erreicht werden kann, das soll eben in die Praxis umgesetzt der Waldorfschule zugute kommen.
.

DE OPDRACHT VAN DE ANTROPOSOFIE
Dan zou ik allereerst willen opmerken dat het onderwijs op de vrijeschool op onze kennis van de ontwikkeling van de mens stoelt. Niet waar, de vrijeschool is zeer zeker geen wereldbeschouwelijke school, maar wat aan pedagogische vaardigheid, aan pedagogische methode, pedagogische toepassing van zaken die uit een antroposofische zielenstemming  tot stand gebracht kunnen worden, dat moet in de praktijk worden omgezet en aan de vrijeschool ten goede komen.
GA 77a/86
Niet vertaald

0-0-0

3)
DIE AUFGABE DER ANTHROPOSOPHIE
Was vorhin gesagt und oftmals betont worden ist, muß festgehalten werden: Die Waldorfschule will als solche keine Weltanschauungsschule sein. Daß ihr anthroposophi-sche Seelenverfassung zugrunde liegt, das ist eben nur insofern [der Fall], als sie sich in die erzieherische Praxis umsetzt. So handelt es sich jetzt zunächst bei dem, was in der Waldorfschule vorliegt, um eine Entwicklung dessen, was auf rein pädagogischem Wege aus der anthroposophischen Bewegung heraus erreicht werden kann. Eine Weltanschauungsschule kann und will die Waldorfschule nach keiner Richtung hin sein.
.

DE OPDRACHT VAN DE ANTROPOSOFIE
Wat voordien gezegd werd en waarop dikwijls de nadruk werd gelegd, moet worden vastgehouden: de vrijeschool wil als zodanig geen wereldbeschouwelijke school zijn. Dat aan haar basis een antroposofisch gestemd zijn ligt, is maar in zoverre het geval, waar ze in opvoedkundige praktijk wordt omgezet. Daarom gaat het op de vrijeschool eerst om ontwikkeling van wat langs puur pedagogische weg uit de antroposofische beweging bereikt kan worden. Een wereldbeschouwelijke school kan en wil de vrijeschool in geen enkel opzicht zijn.
GA 77a/94
Niet vertaald

0-0-0

4)
DIE AUFGABE DER ANTHROPOSOPHIE
Was schließlich der eine oder andere Anthroposoph für eine Ansicht hat in bezug auf Weltanschauungsfragen, das spielt dabei keine Rolle, sondern es handelt sich darum, daß Anthroposophie in der Schule und alledem, was dazu gehört, nur in pädagogischer Praxis wirken will.
.

DE OPDRACHT VAN DE ANTROPOSOFIE
Wat uiteindelijk de een of andere antroposoof voor mening heeft met betrekking tot wereldbeschouwelijke vragen, dat speelt hierbij geen rol, maar het gaat erom dat antroposofie in de school en bij alles wat daarbij hoort, alleen in de pedagogische praktijk werkzaam wil zijn.
GA 77a/94
Niet vertaald

0-0-0

5)
DIE AUFGABE DER ANTHROPOSOPHIE
Das muß aber streng festgehalten werden, daß die Absichten der Waldorfschule nach keiner Richtung hin Weltanschauungsabsichten sind. Es soll nicht zu einer Anthroposophie dressiert werden, sondern Anthroposophie will nur pädagogische Praxis darin werden.
.

DE OPDRACHT VAN DE ANTROPOSOFIE
Hieraan moet streng worden vastgehouden: de bedoeling van de vrijeschool is in geen enkel opzicht een wereldbeschouwellijke school te zijn. Antroposofie moet niet tot een of andere dressuur worden, maar antroposofie wil slechts werkzaam zijn in de pedagogische praktijk.
GA 77a/95
Niet vertaald

0-0-0

6)
DIE AUFGABE DER ANTHROPOSOPHIE
Nun ist ja die Waldorfschule natürlich keine Institution für Eremiten oder Sekten, sondern sie ist eine Institution, die sich voll ins Leben hineinstellen will, die für das gegenwärtige, ganz praktische Leben aus den Kindern tüchtige Menschen machen will. Daher handelt es sich darum, den Unterricht so einzurichten, daß man auf der einen Seite den streng pädagogischen Anforderungen gerecht wurde, und auf der anderen Seite handelt es sich darum, daß die Waldorfschule eben nicht irgendeine Institution von Sonderlingen ist.
.

DE OPDRACHT VAN DE ANTROPOSOFIE
Nu is de vrijeschool natuurlijk geen instelling voor kluizenaars of sekten, maar het is een instelling die vol in het leven wil staan; die uit de kinderen flinke mensen wil maken die praktisch in het leven staan. Daarom gaat het erom het onderwijs zo te organiseren dat je enerzijds de strenge pedagogische eisen aankan en anderzijds gaat het erom dat de vrijeschool niet op de een of andere manier in instelling is voor zonderlingen.
GA 77a/95
Niet vertaald

0-0-0

7)
DIE AUFGABE DER ANTHROPOSOPHIE
Sie sehen, es handelt sich nicht darum, irgendwie aus parteimäßigen Anschauungen, durch Weltanschauung oder so etwas, zu wirken, sondern lediglich darum, Anthroposophie in pädagogische Praxis umzusetzen.
.

DE OPDRACHT VAN DE ANTROPOSOFIE
U ziet, het gaat er niet om, uit wat voor partij-achtige gezichtspunten, door wereldbeschouwing of zoiets, te werken, maar alleen daarom dat antroposofie omgewerkt wordt tot pedagogische praktijk.
GA 77a/96
Niet vertaald

0-0-0

8)
DIE AUFGABE DER ANTHROPOSOPHIE
Das Ideal wäre, daß die Kinder zunächst – weil ja Anthroposophie nur für Erwachsene ausgebildet ist, wir haben keine Kinderlehre, sind auch noch nicht in der Lage gewesen, eine solche haben zu wollen -, nicht wüßten, daß es eine Anthroposophie gibt, sondern daß sie objektiv gehalten würden, und durchaus so also in das Leben hineingestellt würden.
.

DE OPDRACHT VAN DE ANTROPOSOFIE
Het ideaal is dat de kinderen vooralsnog  – omdat antroposofie  alleen maar ontwikkeld is voor volwassenen – we hebben geen leer voor de kinderen en zijn ook nog niet in de omstandigheden gekomen er een te willen hebben – niet weten dat er zoiets als antroposofie bestaat, maar dat deze objectief blijft en dat zij beslist op die manier in het leven komen te staan.
GA 77a/96
Niet vertaald

0-0-0

9)
DIE AUFGABE DER ANTHROPOSOPHIE
Das muß durchaus festgehalten werden, daß es sich niemals darum handeln kann, daß die Waldorfschule in irgendeiner Weise eine Weltanschauungsschule oder so etwas ist. Das ist sie in gar keiner Richtung, sondern sie will die Kinder zu dem machen, wodurch sie tüchtige Menschen in der unmittelbaren Gegenwart sind, also in dem Leben, in das wir hineingestellt sind innerhalb von Staat und von allem, um was es sich handelt, daß sie da tüchtig drinnenstehen.
.

DE OPDRACHT VAN DE ANTROPOSOFIE
Men moet zich er beslist streng aan houden, dat het er nooit om kan gaan, dat de vrijeschool op de een of andere manier een wereldbeschouwelijke school is of zoiets. Dat is ze niet, in geen enkel opzicht; maar ze wil de kinderen zo vormen dat deze als krachtige mensen in hun tijd staan, dus in het leven waarin we geplaatst zijn, binnen een staat en bij alles waarom het gaat is dat zij daar krachtig in staan.
GA 77a/96
Niet vertaald

0-0-0

10)
DIE AUFGABE DER ANTHROPOSOPHIE
Es ist ja wohl selbstverständlich, daß die Waldorf schule nicht etwa Dreigliederungsideen in die Schule hineinträgt. Durch die Bestrebungen der Waldorfpädagogik kann das nicht geschehen. Parteimäßiges wird in die  Waldorfschule nicht hineingetragen von anthroposophischer Seite aus.
.

DE OPDRACHT VAN DE ANTROPOSOFIE
Het is toch vanzelfsprekend dat de vrijeschool niet zoiets als de idee van de driegeleding in de school brengt. Dat kan door wat de vrijeschool nastreeft niet plaatsvinden. Partij-achtige zaken worden van antroposofische zijde niet in de vrijeschool gebracht.
GA 77a/96
Niet vertaald

0-0-0

11)
DIE AUFGABE DER ANTHROPOSOPHIE
Unsere Schule will, wie gesagt, nur pädagogische Praxis ins Leben setzen, nicht Weltanschauung
.

DE OPDRACHT VAN DE ANTROPOSOFIE
Onze school wil, zoals gezegd, alleen maar pedagogische praktijk in het leven brengen, geen wereldbeschouwing.
GA 77a/97
Niet vertaald

0-0-0

12)
DIE AUFGABE DER ANTHROPOSOPHIE
Es ist durchaus niemals mein Bestreben gewesen, dafür zu agieren, daß die Kinder in diesen freien Religionsunterricht hineinkommen. Sie kamen zahlreich, aber es ist wirklich nicht das Bestreben, dem äußeren Ruf der Schule dadurch zu schaden, daß es etwa auf solchen Umwegen zustande käme, daß [man sagte, daß] diese Schule eine Weltanschauungsschule sei.
.

DE OPDRACHT VAN DE ANTROPOSOFIE
Het is zeer zeker niet mijn bedoeling ervoor te pleiten dat de kinderen naar dit vrije godsdienstonderwijs gaan. Ze kwamen in grote getale, maar het is echt niet de bedoeling de openbare naam van de school te beschadigen met zoiets als dat er langs een omweg iets gedaan wordt waarvan men zegt dat deze school een wereldbeschouwelijke school is.
GA 77a/99
Niet vertaald

0-0-0

13)
GEISTESWISSENSCHAFT ALS ERKENNTNIS DER GRUNDIMPULSE SOZIALER GESTALTUNG
Es sollte dieses Sich-auf-anthroposophischen-BodenStellen so sein, daß – und aus den gegenwärtigen Zeitverhältnissen heraus mußte das sein – die Waldorfschule ja nicht etwa eine Weltanschauungsschule sein sollte, nicht eine Schule, in der man etwa Anthroposophie lehrt. Das war ja nicht die Absicht.
.

GEESTESWETENSCHAP ALS INZICHT IN DE BASALE IMPULS VAN DE SOCIALE ORGANISATIE
Dit zich baseren op antroposofie moet zo zijn – dat – en gezien de tegenwoordige tijdsomstandigheden moet dit zo – de vrijeschool niet zoiets als een wereldbeschouwelijke school is waarin je antroposofie leert. Dat was niet de bedoeling.
GA 199/9
Niet vertaald

0-0-0

14)
GEISTESWISSENSCHAFT ALS ERKENNTNIS DER GRUNDIMPULSE SOZIALER GESTALTUNG
Die Waldorfschule sollte nicht etwa eine Weltanschauungsschule sein, nicht eine Schule, in der man etwa Anthroposophie  lehrt. Das war ja nicht die Absicht. () Aber außer dem war es durchaus nicht die Absicht, eine Weltanschauungsschule zu begründen, sondern es war die Absicht, was sich an praktischen, pädagogisch-didaktischen Impulsen ergeben kann aus unserer geisteswissenschaftlichen Anschauung und aus unserem geisteswissenschaftlichen Wollen heraus, daß das einmal in Erziehung und im Unterricht der Jugend wirklich angewendet werde. Also in der Handhabung des Unterrichts, in der Handhabung des ganzen Schulwesens, nicht im Inhalte, sollte das Anthroposophische zum Ausdrucke kommen in der besonderen Artung der Pädagogik und Didaktik und der verschiedenen Unterrichtsmethoden.
.

GEESTESWETENSCHAP ALS INZICHT IN DE BASALE IMPULS VAN DE SOCIALE ORGANISATIE
De vrijeschool moet geen  wereldbeschouwelijke school zijn, niet een school waarin men zoiets als antroposofie aanleert. Dat was niet de bedoeling. ( ) Het was beslist niet de bedoeling een wereldbeschouwelijke school te stichten, maar het was de bedoeling om dat wat het resultaat kan zijn van onze antroposofische kijk en van ons geesteswetenschappelijk willen, als praktische, pedagogisch-didactische impulsen te gebruiken in de opvoeding van en het lesgeven aan de jeugd. Dus in het toepassen in het onderwijs; in de toepassing van het school-zijn, in de bijzondere vorm van pedagogie en didactiek en de bijzondere onderwijsmethoden moet de antroposofie tot uiting komen – niet in de inhoud.

GA 199/9-10
Niet vertaald

0-0-0

15)
GEISTESWISSENSCHAFT ALS ERKENNTNIS DER GRUNDIMPULSE SOZIALER GESTALTUNG
Aber außer dem war es durchaus nicht die Absicht, eine Weltanschauungsschule zu begründen, sondern es war die Absicht, was sich an praktischen, pädagogisch-didaktischen Impulsen ergeben kann aus unserer geisteswissenschaftlichen Anschauung und aus unserem geisteswissenschaftlichen Wollen heraus, daß das einmal in Erziehung und im Unterricht der Jugend wirklich angewendet werde. Also in der Handhabung des Unterrichts, in der Handhabung des ganzen Schulwesens, nicht im Inhalte, sollte das Anthroposophische zum Ausdrucke kommen in der besonderen Artung der Pädagogik und Didaktik und der verschiedenen Unterrichtsmethoden.

.
GEESTESWETENSCHAP ALS INZICHT IN DE BASALE IMPULS VAN DE SOCIALE ORGANISATIE
Maar buiten dat (antroposofisch godsdienstonderwijs) was het absoluut niet de bedoeling een wereldbeschouwelijke school op te richten, maar het was de bedoeling om wat zich aan praktische, pedagogisch-didactische impulsen kan komen uit onze geesteswetenschappelijke opvattingen en uit ons geesteswetenschappelijk willen, dat dit nu in de opvoeding en het onderwijs van de jeugd daadwerkelijk gebruikt kan worden. Dus in de uitvoering van heel het schoolwezen, niet in het inhoudelijke, moet de antroposofie tot uitdrukking komen in de bijzondere vorm van pedagogie en didaktiek en in de verschillende onderwijsmethoden.
GA 199/10
Niet vertaald

0-0-0

16)
GEISTESWISSENSCHAFT ALS ERKENNTNIS DER GRUNDIMPULSE SOZIALER GESTALTUNG
Und so könnte Und so könnte ich vieles im einzelnen anführen, aus dem Sie ersehen würden,
wie, ohne daß man auch nur im entferntesten abstrakt Anthroposophie lehrt, gerade die Methodik, die Art der Behandlungsweise von Anthroposophie befruchtet werden kann .(  )
.

En zo zou ik veel kunnen aangeven waaraan u zou kunnen hoe, zonder dat men ook maar in de verste verte abstracte antroposofie aanleert, juist de methodiek, de manier van werken door de antroposofie geïnspireerd kan worden. (  )
GA 199/11
Niet vertaald

0-0-0

17)
DIE BRÜCKE ZWISCHEN DER WELTENGEISTIGKEIT UND DEM PHYSISCHEN DES MENSCHEN
In der Waldorfschule bekommen die katholischen Schüler vom katholischen Pfarrer den Religionsunterricht, die evangeli­schen Schüler vom evangelischen. Nur diejenigen Schüler, die das nicht wollen, die lassen wir dann unterrichten von solchen, die einen freien Religionsunterricht geben. Aber wir haben keine Weltanschauungs­schule gemacht.
.

DE BRUG TUSSEN DE WERELDGEEST EN DE FYSIEKE MENS
Op de vrijeschool krijgen de katholieke leerlingen godsdienstles van de pastoor, de evangelische kinderen van de dominee. Alleen de leerlingen die dit niet willen, krijgen dan les van hen die een vrij godsdienstonderwijs geven. Maar wij hebben geen wereldbeschouwelijke school gemaakt.
GA 202/159
Niet vertaald

0-0-0

18)
DIE VERANTWORTUNG DES MENSCHEN FÜR DIE WELTENTWICKLUNG
Es bleibt zum Beispiel durchaus rich­tig, daß so etwas wie unsere Waldorfschule keine Weltanschauungsschule sein soll.

Het blijft bijv. absoluut juist, dat zoets als onze vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school moet zijn.
GA 203/45
Niet vertaald

0-0-0

19)
DIE VERANTWORTUNG DES MENSCHEN FÜR DIE WELTENTWICKLUNG
Deshalb ist es ungerecht, wenn der Glaube verbreitet wird, daß wir in der Waldorfschule oder in irgend etwas, was wir pädagogisch einrichten, dogmatische Anthroposophie treiben wollen. Wir wollen weder dogmatische Anthroposophie treiben, noch den einzelnen Wissenschaften irgendwie Anthroposophie auf­drücken.
.

DE VERANTWOORDELIJKHEID VAN DE MENS VOOR DE WERELDONTWIKKELING
Daarom is het onterecht als het geloof verbreid wordt, dat wij op de vrijeschool of in iets anders wat we pedagogisch inrichten, aan dogmatische antroposofie zouden willen doen. Wij willen noch aan dogmatische antroposofie doen, noch de verschillende wetenschappen antroposofie opdringen.
GA 203/102
Niet vertaald

0-0-0

19)
DIE VERANTWORTUNG DES MENSCHEN FÜR DIE WELTENTWICKLUNG
( ) dieser aus allen Ecken heraus pfeifende Angriff zunächst zurückgewiesen werden, wenn es sich darum handelt, daß auf irgendeinem Wissenschaftsgebiete oder auf dem Schulgebiete wir Anthroposophie als Lehrmeinung in die Welt hineintragen wollten.
.

DE VERANTWOORDELIJKHEID VAN DE MENS VOOR DE WERELDONTWIKKELING
Deze van alle kanten komende lage aanvallen moeten vooralsnog afgewezen worden wanneer het erom gaat dat op welk wetenschappelijk gebied dan ook of op het gebied van de school wij antroposofie als leer in de wereld zouden willen uitdragen.
GA 203/103
Niet vertaald

0-0-0

20)
DIE VERANTWORTUNG DES MENSCHEN FÜR DIE WELTENTWICKLUNG
(  ) aber wir selbst können uns von diesen Wahrheiten durchdringen lassen und werden dann die Möglichkeit finden, aus der Art und Weise, wie vorgegangen wird, den Leuten zu zeigen, daß wir ebenso weit davon entfernt sind, Dogmatik in die Schule einzuführen, wie davon, Leute, die sich zu einer bestimmten Dogmatik bekennen,(

DE VERANTWOORDELIJKHEID VAN DE MENS VOOR DE WERELDONTWIKKELING
( ) wij kunnen onszelf laten doordringen van deze waarheden en dan zullen we ook de mogelijkheid vinden om door de manier waarop we werken aan de mensen te laten zien dat het verre van ons staat dogma’s in de school te brengen en mensen in de school te halen die zich voor een bepaalde dogmatiek uitspreken.
GA 203/108-109
Niet vertaald

0-0-0

21)
DIE VERANTWORTUNG DES MENSCHEN FÜR DIE WELTENTWICKLUNG
Das ist auch bei unserer Stuttgarter Waldorfschule eingehalten wor­den, wo Sie sehen, daß wir gar kein Interesse daran hatten, etwa den Kindern Anthroposophie beizubringen. Wir wollen eine solche Unter­richtsmethode haben, die man eben nur durch Anthroposophie gewinnen kann. Und das ist etwas rein Sachliches. Aber für diejenigen Kinder, die es wollen oder deren Eltern wollen, daß sie in der katholischen Reli­gionslehre unterrichtet werden, kommt ein katholischer Pfarrer, und für diejenigen, die evangelischen Religionsunterricht bekommen sollen, kommt der evangelische Pfarrer in die Waldorfschule. Wir legen diesen Menschen kein Hindernis entgegen. Nur war es nötig in der heutigen Zeit, wo so viele Eltern, namentlich Eltern aus dem Proletariat, über­haupt nicht mehr daran denken, ihre Kinder in den katholischen oder evangelischen Religionsunterricht zu schicken, diese Leute zu fragen, ob sie vielleicht einen freien, aus anthroposophischer Erziehung heraus­geborenen Religionsunterricht haben wollen. Und da zeigte es sich aller­dings, daß diejenigen, die sonst religionslos erzogen würden, die über­haupt in gar keinen Bekenntnisunterricht heute mehr hineingehen wür­den, sehr zahlreich zum sogenannten anthroposophischen Religions­unterricht kommen, der aber nicht Anthroposophie lehrt, sondern der eben nur aus Anthroposophie herausgeboren ist. Daß nun diese Kinder eifriger bei ihrem Religionsunterricht sind als die beim katholischen oder evangelischen Pfarrer, dafür können wir ja nichts, sondern ver­mutlich der katholische oder der evangelische Pfarrer. Daß die Sache so weit getrieben worden ist, daß nach und nach eine Anzahl Kinder zum anderen Religionsunterricht herübergegangen ist, und daß es so weit gekommen ist, daß dann, ich glaube, der evangelische Religions­lehrer gesagt hat: Nächstens werde ich überhaupt niemanden hier haben in meiner Klasse, weil mir alle davonlaufen -, das ist auch ganz gewiß nicht unsere Schuld. War es uns etwa darum zu tun, irgendwelche Dogmatik an die Kinder heran­zubringen? Wir haben gar kein Interesse daran.

DE VERANTWOORDELIJKHEID VAN DE MENS VOOR DE WERELDONTWIKKELING
Daar houden we ons aan op de vrijeschool in Stuttgart en u kunt zien dat wij helemaal niet geïnteresseerd zijn om de kinderen zoiets als antroposofie bij te brengen. Wij willen zo’n onderwijsmethode hebben, die je alleen door antroposofie kan ontwikkelen. En dat is iets puur zakelijks. Maar voor de kinderen die dat willen of van wie de ouders willen dat ze katholiek godsdienstonderwijs krijgen, komt een katholieke pastoor en voor degenen die evangelisch godsdienstonderwijs moeten krijgen komt de evangelische zielzorger op de vrijeschool. Wij maken het die mensen niet moeilijk. Nu was het nodig om in deze tijd waarin zoveel ouders, bijv. onder de arbeiders, er helemaal niet over denken om hun kinderen naar het katholieke of evangelisch godsdienstonderwijs te laten gaan, om deze mensen te vragen of zij wellicht een vrij godsdienstonderwijs wilden hebben dat uit de antroposofische opvoeding is ontstaan. En toen bleek toch wel dat degenen die anders zonder religie opgevoed zouden worden, die vandaag de dag al helemaal naar geen enkel confessioneel onderwijs zouden zijn gegaan, in groten getale naar het zgn. antroposofisch godsdienstonderwijs komen, waarin echter geen antroposofie aangeleerd wordt, maar dat alleen uit de antroposofie ontstaan is. Dat deze kinderen bij hun godsdienstonderwijs meer ijver aan de dag leggen als de kinderen bij de katholieke of evangelische pastors, daar kunnen wij niets aan doen, vermoedelijk wel de katholieke of de evangelische pastor. Dat het dan zover gekomen is dat steeds weer een paar kinderen overgestapt zijn naar het andere godsdienstonderwijs en dat dan, ik geloof de evangelische godsdienstleraar heeft gezegd: straks heb ik helemaal niemand meer in mijn klas, omdat ze allemaal weglopen -, dat is ook echt niet onze schuld. Was het ons dan erom te doen een of andere dogmatiek aan de kinderen te geven? We zijn er niet in geïnteresseerd.
GA 203/109
Niet vertaald

0-0-0

22)
DIE VERANTWORTUNG DES MENSCHEN FÜR DIE WELTENTWICKLUNG
Ich wollte namentlich darauf hinweisen, wie man nicht sagen darf, wir trügen in jenen Schul­impuls, der allerdings herausgeboren ist aus der Geistesschau, oder wir trügen in unsere praktischen Maßnahmen irgend etwas hinein, was nur eine theoretische Weltanschauung wäre.

DE VERANTWOORDELIJKHEID VAN DE MENS VOOR DE WERELDONTWIKKELING
Ik wil er namelijk op wijzen dat men niet mag beweren dat wij in deze schoolimpuls die uit het schouwen van de geest geboren is of dat we in onze activiteit in de praktijk iets binnenhalen wat alleen maar een theoretische wereldbeschouwing zou zijn.
GA 203/116
Niet vertaald

0-0-0

23)
DAS SONNENMYSTERIUM UND DAS MYSTERIUM VON TOD UND AUFERSTEHUNG
Sie finden heute in Stuttgart die sogenannte Waldorfschule, in  nicht etwa Anthroposophie, so wie sie Sie gewöhnlich gelehrt wird, von Erwachsenen den Kindern beigebracht werden soll, denn sie ist keine Weltanschauungsschule. Es wird dort der Religionsunterricht katholisch von katholischen Priestern, evangelisch von evangelischen Pastoren gemäß ihren religiösen Anschauungen unterrichtet. Diejenigen, die keine besondere religiöse Erziehung verlangen, von denen so viele in Deutschland sind, die werden von uns in bezug auf das Religiöse mit einer besonders für sie bereiteten religiösen Ubersetzung des Anthroposophischen versorgt. Das aber, was erreicht werden soll durch die Waldorfschule, tritt dann ein, wenn das Anthroposophische ins Leben übergeht, in die wirklich praktische Erziehungskunst, in die Pädagogik und die Didaktik, in alles Erzieherische und Unterrichtliche überhaupt. Das, was der Lehrer tut, wie er erzieht, wie er unterrichtet, das ist es» was lebendig ist in seiner ganzen Persönlichkeit.

HET ZONNEMYSTERIE EN HET MYSTERIE VAN DOOD EN OPSTANDING
U vindt tegenwoordig Stuttgart de zgn. vrijeschool waarop niet zoiets als antroposofie zoals u het gewoonlijk onderwezen wordt, door de volwassenen aan de kinderen bijgebracht moet worden, want het is geen wereldbeschouwelijke school. Het katholieke godsdienstonderwijs wordt katholiek gegeven door de pastoor, het evangelische door de dominee overeenkomstig hun religieuze opvattingen. Degenen die geen bijzondere religieuze opvoeding verlangen waarvan er in Duitsland zo veel zijn, die krijgen een door ons wat het religieuze betreft een bijzondere omwerking van antroposofische inhouden. Maar wat echter bereikt moet worden door de vrijeschool, gebeurt pas dan, wanneer het antroposofische overgaat in wat leeft, in de werkelijk praktische opvoedkunst, in de pedagogie en de didactiek, dus in alles wat opvoedkundig en onderwijskundig is. Wat de leraar doet, hoe hij opvoedt, hoe hij lesgeeft, is wat leeft in zijn persoonlijkheid.
GA 211/161
Niet vertaald

0-0-0

DAS SCHICKSALSJAHR 1923 IN DER GESCHICHTE DER ANTHROPOSOPHISCHEN GESELLSCHAFT
Die Waldorfschule, die sorgfältig als eine Nicht-Weltanschauungsschule gehalten werden soll, hat allen Grund, keinen einzigen Lehrer in den Vorstand zu schicken.
.

HET LOTSJAAR 1923 IN DE GESCHIEDENIS VAN DE ANTROPOSOFISCHE VERENIGING
De vrijeschool die zorgvuldig een niet-wereldbeschouwelijke school moet blijven, heeft alle reden geen enkele leraar af te vaardigen in het bestuur.
GA 259/215
Niet vertaald

0-0-0

24)
DAS SCHICKSALSJAHR 1923 IN DER GESCHICHTE DER ANTHROPOSOPHISCHEN GESELLSCHAFT
Anthroposophie geht darauf aus, keine anthroposo­phische Weltanschauungsschule zu gründen, sondern eine allgemeine Menschheitsschule. Daß etwas anthroposophisch sein kann, ohne daß es «anthröposophisch» zu sein braucht, das sind Dinge, die bei dieser Gelegenheit herauskommen müssen an eklatanten Beispielen.
.

Antroposofie beroept zich erop niet een antroposofische wereldbeschouwelijke school te stichten, maar een algemene mensenschool. Dat iets antroposofisch kan zijn, zonder dat het ‘antroposofisch’ hoeft te zijn, dat zijn dingen die bij deze gelegenheid met de overduidelijkste voorbeelden naar voren moeten komen.
GA 259/323
Niet vertaald

0-0-0

25)
DAS SCHICKSALSJAHR 1923 IN DER GESCHICHTE DER ANTHROPOSOPHISCHEN GESELLSCHAFT
In weiten Kreisen über Mitteleuropa hinaus wird anerkannt, daß die Waldorfschule nicht die Weltanschauungsschule einer sektiererischen Bewegung ist, sondern daß sie eine allgemein-pädagogische Bedeutung hat. Die Waldorfschul-Pädagogik hat in vielen nichtanthroposophi­schen Kreisen Beachtung gefunden.
.

HET LOTSJAAR 1923 IN DE GESCHIEDENIS VAN DE ANTROPOSOFISCHE VERENIGING
In brede kring over geheel Midden-Europa erkent men dat de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school is van een sektarische beweging, maar dat ze een algemeen-pedagogische betekenis heeft. De vrijeschoolpedagogie werd in veel niet-antroposofische kringen gezien.
GA 259//392
Niet vertaald 

0-0-0

 26)
ZUR EINFÜHRUNG Über die Schulhandlungen
Als wir in Stuttgart die Waldorfschule begründet hatten, mußte in dem Sinne der Absicht, daß die Waldorfschule absolut nicht eine Weltanschauungsschule sein sollte, sondern daß sie eine Schule sein sollte, in welcher bloß didaktisch und pädagogisch, also in der Handhabung des Unterrichtes dasjenige vertreten werden sollte, was aus der Anthroposophie kommen kann, die Einrichtung getroffen werden, daß das eigentliche Religiöse, also in diesem Sinne das Weltanschauliche, übertragen wurde den Seelsorgern der betreffenden Konfessionen.

.
INLEIDEND:  Over de handeling
Toen wij in Stuttgart de vrijeschool opgericht hadden, was het de bedoeling dat de vrijeschool absoluut geen wereldbeschouwelijke school moest zijn, maar dat deze een school zou zijn waarin uitsluitend didactisch en pedagogisch, dus in het uitvoeren van het onderwijs, datgene aanwezig zou zijn, wat uit de antroposofie komen kan, en georganiseerd worden dat het eigenlijke godsdienstonderwijs, dus in die zin het wereldbeschouwelijke aan de zielzorgers van de betreffende godsdiensten overgedragen werd.
GA 269/17
Niet vertaald

0-0-0

27)
ALGEMEINE MENSCHENKUNDE
Uns liegt gar nichts daran, unsere Prinzipien, den Inhalt unserer Weltanschauung dem werdenden Menschen beizubrengen. Wir streben nicht danach, eine dogmatische Erziehung zu bewirken. Wir streben danach, daß dasjenige, was wir durch die Geisteswissenschaft haben gewinnen können, lebendige Erziehungstat werde. Wir streben an, in unserer Methodik, in unserer Didaktik das zu haben, was aus der lebendigen Geisteswissenschaft als seelische Menschenbehandlung hervorgehen kann. 

Also eine Weltanschauungsschule werden wir nicht begründen. Eine erziehungs-künstlerische Schule werden wir uns bemühen, mit der Waldorfschule zu schaffen.»
.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE
Het gaat er ons helemaal niet om de opgroeiende mens onze ‘dogma’s’, onze principes, de inhoud van ons wereldbeeld bij te brengen. We streven ernaar dat inzichten die verworven zijn door de geesteswetenschap tot levende opvoedingsdaad worden. We streven ernaar dat onze methode, onze didactiek behelst, wat uit de levende geesteswetenschap kan worden tot een omgaan met de ziel van de mens. 

GA 293/211
Vertaald/214

0-0-0

28)
ALGEMEINE MENSCHENKUNDE
Also eine Weltanschauungsschule werden wir nicht begründen. Eine erziehungs-künstlerische Schule werden wir uns bemühen, mit der Waldorfschule zu schaffen.
.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE
We zullen dus geen school stichten die een bepaald wereldbeeld leert. We zullen proberen met de vrijeschool een opvoed-kunstzinnige school te creëren.

GA 293/211
Vertaald/215

0-0-0

29)
ALGEMEINE MENSCHENKUNDE
Wir wollen hier in der Waldorfschule keine Weltanschauungsschule einrichten. Die Waldorfschule soll keine Weltanschauungsschule sein in der wir die Kinder möglichst mit anthroposphischen dogmen vollstopfen. Wir wollen keine anthroposophische Dogmatik lehren, Anthroposophie ist kein Lehrinhalt, aber wir streben hin auf praktische Handhabung der Anthroposophie. Wir wollen umsetzen dasjenige, was auf anthroposophischem Gebiete gewonnen werden kann, in wirklicheUnterrichtspraxis.
Auf den Lehrinhalt der Anthroposophie wird es viel weniger ankommen als auf die praktische Handhabung dessen, was in pädagogischer Richting im allgemeinen und im Speziell-Methodischen im besonderen aus der Anthroposophie werden kann, wie Anthroposophie in Handhabung des Unterrichts übergehen kann.
.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE
We willen hier in de vrijeschool geen wereldbeschouwelijk onderwijs geven. De vrijeschool moet geen school zijn waarin een bepaalde wereldbeschouwelijke overtuiging geleerd wordt, waarin we de kinderen met antroposofische dogma’s volproppen. We zullen in onze lessen geen antroposofische dogma’s onderwijzen. Antroposofie is geen lesinhoud – we streven ernaar de antroposofie in de praktijk te brengen. We zullen de inzichten die de antroposofie ons schenkt, omzetten in werkelijke lespraktijk.
Het zal niet zozeer aankomen op de theoretische achtergrond van de antroposofie, als wel op het praktische hanteren  van wat uit de antroposofie in de pedagogie in het algemeen en in de methodische aanpak in het bijzonder kan worden. Het gaat erom hoe de antroposofie in het onderwijs in praktijk gebracht kan worden.
GA 293/15
vertaald/15

o-o-o

30)
IDEE UND PRAXIS DER WALDORFSCHULE
Wir werden wahrhaftig keine einseitige Weltanschauungsschule errichten. Wer glaubt, daß wir eine «Anthroposophenschule» gründen wollen, oder wer das verbreitet, der glaubt oder verbreitet eine Verleum­dung. Das wollen wir ganz und gar nicht, und wir werden es zei­gen, daß wir es nicht wollen.
Das heißt, wir werden uns nicht darauf einlassen, irgendeine Weltanschau­ungsschule zu begründen, wir wollen nicht den Inhalt der Anthro­posophie in unsere Schule hineintragen, wir wollen etwas anderes.Anthroposophie ist Leben, ist nicht bloß eine Theorie. Und Anthroposophie kann übergehen in die Gestaltungsfähigkeit, in die Handhabung des Unterrichts – insofern Anthroposophie pädago­gisch werden kann, insofern durch Anthroposophie die Fertigkeit gewonnen werden kann, zum Beispiel besser das Rechnen zu lehren, als es bisher gelehrt wurde, besser das Schreiben, besser die Sprachen, besser die Geographie zu lehren, als sie bis jetzt gelehrt wurden. Also insofern eine Methode für diese Schule geschaffen werden soll durch Anthroposophie, insofern streben wir. Wir er­streben Methodik, Unterrichtspraxis. Das ist es, in was wir auslau­fen lassen möchten dasjenige, was aus einer wirklichen Erkenntnis des Geistigen wahrhaftig folgen wird. Wir werden eben so lesen lehren, wir werden so schreiben lehren und so weiter, wie es der Wesenheit des Menschen angemessen ist. Dadurch werden wir zunächst ganz absehen von dem, was man uns wahrscheinlich un­terstellen wird: daß wir durch eine Schule schon bei den Kindern Propaganda machen wollen für Anthroposophie. Das werden wir nicht wollen.Wir werden nur streben, zu unterrichten insofern, als durch das Durch­lebtsein mit anthroposophischen Impulsen gut unterrichtet und erzogen werden kann.
.

IDEE EN PRAKTIJK VAN DE VRIJESCHOOL
Wij zullen werkelijk geen eenzijdige wereldbeschouwelijke school oprichten. Wie gelooft dat wij een ‘antroposofenschool’ willen stichten of wie dat verspreidt, die gelooft en verspreidt een leugen. Dat willen wij helemaal niet en we zullen aantonen dat wij dat niet willen.
Dat betekent dat wij ons niet inzetten om een of andere wereldbeschouwelijke school te grondvesten, wij willen de inhoud van de antroposofie niet de school binnenbrengen, we willen iets anders.
Antroposofie is leven, is niet alleen maar een theorie. En antroposofie kan overgaan in een vaardigheid gestalte, vorm te geven aan het onderwijs in die mate waarin antroposofie pedagogie kan worden, in die mate waarin uit antroposofie vakbekwaamheid kan ontstaan om bv. het rekenen beter aan te leren dan dit tot nog toe aangeleerd werd, beter het schrijven, beter de talen, beter de aardrijkskunde aan te leren dan deze tot nog toe aangeleerd werden. Dus in zoverre als een methode door de antroposofie in het leven geroepen wordt, in die mate streven wij dit na.
Wij streven naar methodiek, naar onderwijspraktijk. Daarin willen wij graag laten uitmonden wat in waarheid volgen zal uit de kennis van de geest. Dus daarom leren wij zo het lezen en het schrijven aan enz., zoals dit in overeenstemming is met het wezen van de mens.
Daarom zien wij beslist af van wat men ons in de schoenen wil schuiven: dat wij door een school bij de kinderen al reclame willen maken voor antroposofie. Dat willen wij niet.
Wij streven er alleen naar in die mate les te geven zoals door het doortrokken zijn van antroposofische impulsen goed les geven en opvoeden mogelijk kan worden.

GA 297/40
Op deze blog vertaald/40

o-o-o

In de voordrachtenreeks GA 297 staat ook een opmerking van Emil Molt, de oprichter van de vrijeschool in Stuttgart:

Und ich möchte hier gleich bemerken, damit es gar keine Mißverständnisse gibt, daß unsere Schule keinesfalls eine Weltanschauungsschule sein soll und keinesfalls das gepflegt werden soll als solches, daß aber immerhin ausgesprochen werden muß, daß es der Geist der anthroposophi­schen Weltauffassung war, welcher mich zu diesem Schritt bewogen hat.

En ik zou hier meteen willen opmerken, zodat er helemaal geen misverstanden over bestaan, dat onze school in geen geval een wereldbeschouwelijke school zal zijn en dat in geen geval iets dergelijks gekoesterd zal worden; dat echter toch uitgesproken moet worden dat het de geest van de antroposofische wereldbeschouwing was die mij tot deze stappen aanzette.
GA 297/64
Vertaald

0-0-0

31)
IDEE UND PRAXIS DER WALDORFSCHULE
Es soll im strengsten Sinne zunächst das festgehal­ten werden, daß die Waldorfschule nicht eine Weltanschauungsschule  ist. Dasjenige, was aus der Weltanschauung genommen wird, die wir hier seit Jahrzehnten vertreten, das soll nicht dogma­tisch an die Kinder herangebracht werden. Das soll nur dazu ver­wendet werden – weil es verwendet werden kann -, die Unter­richtsmethodik, die ganze Behandlungsweise des Unterrichts zu verbessern, zu reformieren. ( )
Wir wollen nicht in der Verbreitung irgendeiner Weltanschauung dasjenige suchen, was mit der Waldorfschule geleistet werden soll, sondern wir wollen, daß eine neue Unterrichtsmethode, Unterrichtsbehandlung, eine neue Erziehungsmethode und Erziehungsbehandlung aus dem herausquelle, was wir hinstellen können.
.

IDEE EN PRAKTIJK VAN DE VRIJESCHOOL
In de meest strikte zin van het woord moet er allereerst aan worden vastgehouden dat de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school is.
Datgene wat wij uit de wereldbeschouwing halen die wij hier sinds tientallen jaren vertegenwoordigen, dat moet niet dogmatisch aan kinderen aangeboden worden. Dat moet alleen maar toegepast worden, – omdat het toegepast kan worden –  om de onderwijsmethodiek, om heel het onderwijskundig handelen te verbeteren, te vernieuwen. (  )
In wat met de vrijeschool gepoogd wordt,  willen wij niet zoeken het verspreiden van een of andere wereldbeschouwing , maar wij willen, dat wat wij kunnen neerzetten, uitmonden kan in  een nieuwe onderwijsmethode, een nieuwe onderwijsaanpak, een nieuwe opvoedingsmethode en een nieuwe  pedagogische aanpak.
GA 297/86-87
Vertaald

o-o-o

32)
IDEE UND PRAXIS DER WALDORFSCHULE
Schon beginnt man das, was der Nerv der Waldorfschule ist, zu verkennen und deshalb das, was mit der Waldorfschule gewollt wird, zu verleumden, wenn auch unbewußt. Man glaubt, weil diejenigen, die an ihrer Wiege stehen, von der Geisteswissenschaft ausgehen, diese Waldorfschule sei eine «Weltanschau­ungsschule», eine Schule, in der den Kindern Anthroposophie bei­gebracht wird. Man ahnt gar nicht, wie sehr man, indem man das voraussetzt – sei es nun anhängerisch oder gegnerisch -, noch in alten Vorstellungen drinnensteht. Wir haben es gar nicht nötig, Anthroposophie dadurch zur Geltung zu bringen, daß wir sie als Weltanschauung zur Geltung bringen, daß wir einzelne anthropo­sophische Begriffe entfalten und darauf sehen, daß die Kinder diese aufnehmen, wie sie früher religiöse Vorstellungen aufgenommen haben. Nein, das betrachten wir nicht als unsere Aufgabe.Wir suchen nicht, irgendeine neue Weltanschauung in dieser Form in die Schu­le hineinzutragen. Wir wollen etwas anderes. Wir sehen darauf hin, wie unsere anthroposophisch orientierte Geisteswissenschaft, weil sie herstammt von menschlichen Organisationskräften, übergeht in menschliche Geschicklichkeit, in menschliches Können, wie sie unmittelbar ausfließt in den menschlichen Willen. Wie wir pädago­gisch tätig sind, wie wir in der Schule handeln, wie wir uns den Unterrichtsstoff einteilen, wie wir den Lehrplan, die Lehrziele ge­stalten, also alles das, was methodische Handhabe des Unterrichts ist, was vom bloßem Wissen, von der bloßen Weltanschauung hinüberfließt in die Geschicklichkeit, in das Können des Erziehers, das ist dasjenige, was wir für unsere Aufgabe halten.
.

IDEE EN PRAKTIJK VAN DE VRIJESCHOOl
Nu al begint men dat, wat de kracht van de vrijeschool is, foutief te beoordelen en om die reden, zij het dan onbewust,  kwaad te spreken over dat wat wij met de vrijeschool willen. Men gelooft, omdat degenen die aan haar wieg staan, van de geesteswetenschap uitgaan, dat deze vrijeschool een ‘wereldbeschouwelijke’ school is, een school waarin de kinderen antroposofie bijgebracht wordt. Men heeft er geen flauw idee van, hoezeer men, wanneer men dit veronderstelt – of het nu aanhangers of tegenstanders zijn – nog met een oude voorstelling van zaken leeft. 
Wij hebben het helemaal niet nodig om de antroposofie tot zijn recht te laten komen, om deze als wereldbeschouwing te doen gelden, dat wij afzonderlijke antroposofische begrippen ten toon spreiden en erop toezien dat de kinderen deze aannemen, zoals ze voorheen godsdienstige voorstellingen aangenomen hebben. Neen, dat beschouwen wij niet als onze opdracht. Wij proberen niet een of andere nieuwe wereldbeschouwing in deze vorm de school binnen te brengen.
Wij willen iets anders.
Wij zien erop toe dat onze antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap, omdat deze stamt uit heel de  menselijke  wezenskracht, overgaat in menselijke vaardigheid, in dat waartoe een mens in staat is, hoe deze direct uitstroomt in de menselijke wil.
Hoe wij opvoedkundig actief zijn, wat wij in de school doen, hoe we de lesstof indelen, hoe we het leerplan, de leerdoelen vormgeven, alles dus wat de methodische basis is van het onderwijs, wat van het alleen maar weten, van alleen maar wereldbeschouwing, overgaat in de vaardigheid, in het kunnen van de opvoeder, dat is het wat wij als onze opdracht zien.
GA 297/104
Op deze blog vertaald/104

o-o-o

33)
IDEE UND PRAXIS DER WALDORFSCHULE
Manches andere, was auf eine ähnliche Art auf den Menschen wirken soll wie das, was immerzu durch den Genius der Sprache gewirkt hat, wird wirken, wenn allgemeine Menschheitsbildung schon durch die Tätigkeit der niedersten Schule – die nicht als Weltanschauungsschule, sondern durch rationell betriebenen Un­terricht wirken will – verbreitet wird.
.

IDEE EN PRAKTIJK VAN DE VRIJESCHOOL
Nog veel meer wat op eenzelfde manier op de mens moet werken, zoals datgene wat voortdurend door de taalgenius heeft gewerkt, zal werkzaam zijn, wanneer een algemene mensvorming al door het werken in de laagste klassen van de school – die niet als wereldbeschouwelijke school wil werken, maar door rationeel uitgevoerd onderwijs, gangbaar wordt.
GA 297/112
Op deze blog vertaald/112

o-o-o

34)
IDEE UND PRAXIS DER WALDORFSCHULE
Daher beurteilt derjeni­ge schlecht, was wir wollen, der uns nachsagt, wir wollten ein neues Bekenntnis, eine Weltanschauung in die Schule hineintragen.In unserer Freien Waldorfschule in Stuttgart, deren oberste Lei­tung mir ja unterstellt ist und die ich von Zeit zu Zeit wiederum zu inspizieren habe, da habe ich, da von mir der Lehrplan und die ganze Konstitution herrührt, von vorneherein gesagt: Das ist un­möglich, daß wir den Inhalt einer Weltanschauung in die Schule hineintragen.
.

IDEE EN PRAKTIJK VAN DE VRIJESCHOOL
Daarom beoordeelt diegene slecht wat wij willen, wanneer hij achter onze rug om vertelt dat wij een nieuw geloof, een wereldbeschouwing binnen de school willen brengen. In onze vrijeschool in Stuttgart waarvan ik de leiding heb gekregen en die ik van tijd tot tijd moet inspecteren, heb ik, omdat van mij  het leerplan en de structuur komt, van meet af aan gezegd: Het is onmogelijk dat wij de inhoud van een wereldbeschouwing de school binnenhalen.
GA 297/216
Op deze blog vertaald/216

o-o-o

35)
IDEE UND PRAXIS DER WALDORFSCHULE
Wir können, weil wir eben nicht eine Weltanschauung in die Schule hineintragen wollen, durchaus im wahren, echten Sinne tolerant sein in dieser Beziehung. Und diese Toleranz trägt in der Praxis wahrlich keine schlechten Früchte. Denn dasjenige, was wir suchen, ist nicht, eine Weltanschauung in die Schule hineinzutragen oder ein Bekenntnis, sondern eine praktische Pädagogik und Didaktik, die aus Geisteswissenschaft und nur aus Geisteswissen­schaft kommen kann. Ein ganz sachliches pädagogisches Interesse haben wir bei der Einrichtung unserer Schule und nicht, Propagan­da zu machen für irgendeine Weltanschauung. Und derjenige, der das letztere behauptet, wir hätten ein Interesse aus unserer Gei­steswissenschaft, für diese Propaganda zu machen, für eine Weltan­schauung Propaganda zu machen, der lügt. Nur derjenige beurteilt das, was wir wollen, richtig, der da weiß, wie wir nichts anderem dienen wollen als dem praktischen Leben durch dasjenige, was diesem Leben gegenüber nicht in weltfremden Fernen steht, son­dern gerade durch diese Erkenntnis, wie ich sie Ihnen eben ge­schildert habe, mit dem praktischen Leben zusammenhängt.
.

IDEE EN PRAKTIJK VAN DE VRIJESCHOOL
Wij kunnen, omdat wij juist niet een wereldbeschouwing in de school willen brengen, in dit opzicht juist in ware, echte zin tolerant zijn. En deze tolerantie draagt in de praktijk werkelijk geen slechte vruchten. Want datgene wat wij zoeken, is niet een wereldbeschouwing in de school te brengen of een geloof, maar een praktische pedagogie en didactiek die uit de geesteswetenschap en alleen uit de geesteswetenschap kan komen. Een geheel zakelijke interesse hebben wij bij het vormgeven van onze school en niet om propaganda te maken voor een of andere wereldbeschouwing. En diegene die dit laatste beweert, wij zouden er in geïnteresseerd zijn om vanuit onze geesteswetenschap voor deze reclame te maken, propaganda te voeren voor een wereldbeschouwing, die liegt.
Slechts diegene beoordeelt dat wat wij willen juist, die weet dat wij niets anders willen dienen dan het praktische leven, wat niet mijlen ver afstaat van dit praktische leven, maar nu net door de kennis die ik hier zojuist voor U geschetst heb, met het praktische leven samenhangt.
GA 297/217
Op deze blog vertaald/217

o-o-o

36)
IDEE UND PRAXIS DER WALDORFSCHULE
Die Waldorfschule in Stuttgart ist keine Weltanschauungsschule. Wir haben nicht ein Interesse daran, etwa Anthroposophie theore­tisch wie eine Religion an die Kinder heranzubringen. 0 nein, das ist nicht dasjenige, was wir als die Hauptsache betrachten. Wir lassen, weil das in der Gegenwart auch gar nicht anders sein kann, durchaus den Eltern und den Kindern selbst ihre Freiheit.Wir haben aber nicht ein Interesse, die Waldorfschule zu einer unmittelbaren Weltanschauungsschule zu machen, sondern wir wollen dasjenige, was die anthroposophische Erkenntnis gibt, eben in die pädagogische Kunst, in die Handha­bung dieser pädagogischen Kunst hineinfließen lassen. Wie man es macht mit dem Kinde, nicht was man an das Kind heranbringt, das ist es, um was es sich bei uns handelt.

.
IDEE EN PRAKTIJK VAN DE VRIJESCHOOL
De vrijeschool in Stuttgart is geen wereldbeschouwelijke school. We zijn er niet in geïnteresseerd, zoiets als antroposofie theoretisch als een godsdienst aan de kinderen aan te bieden. O nee, dit is niet hetgeen wij als hoofdzaak zien. Wij laten, omdat dit in de huidige tijd ook helemaal niet anders kan, absoluut de ouders en de kinderen zelf vrij. Wij zijn er echter niet in geïnteresseerd om de vrijeschool in directe zin tot een wereldbeschouwelijke school te maken, maar wij willen datgene wat de antroposofische kennis oplevert, nu juist in de pedagogische kunst, in het uitoefenen van deze pedagogische kunst laten instromen. Hoe men het met het kind aanpakt, niet wat men het kind aanbiedt, is waar het bij ons om gaat.
GA 297/257
Op deze blog vertaald/257 

o-o-o

37)
IDEE UND PRAXIS DER WALDORFSCHULE
Anknüpfend an die Gründung der Waldorf-Astoria-Schule, die, wie erneut zu wiederholen sich als notwendig erwies, keine Weltanschauungsschule ist, sondern in der eine geistige Erkenntnis der
menschlichen Wesenheit, eine Erkenntnis der geistigen Wachstumsbedingun­gen des werdenden Menschen methodisch angewandt werden soll.
.

IDEE EN PRAKTIJK VAN DE VRIJESCHOOL
Wat betreft de oprichting van de Waldorf-Astoriaschool (vrijeschool) die – het bleek opnieuw nodig te herhalen dat het geen wereldbeschouwelijke school is, maar waarin een geestelijk kennen van het wezen mens, een kennen van de geestelijke voorwaarden tot groei van de zich ontwikkelende mens als methode gehanteerd dienen te worden.
GA 297/279
Niet vertaald

0-0-0

38)
ERZIEHUNG ZUM LEBEN
In dieser Freien Wal­dorfschule werden diejenigen Impulse einer wirklichen Menschenerkenntnis pädagogisch-didaktisch ausgebaut, die aus anthro­posophisch orientierter Geisteswissenschaft fließen können. (  ) Wer die Waldorfschule  kennen lernen will, der muß vor allen Dingen anthroposo­phisch orientierte Geisteswissenschaft kennen lernen. Aber nicht so, wie man sie von außen kennen lernt, wo man den Leuten vormacht, daß es sich um irgendeine vertrackte, nebulose Mystik, um Sektiererei handelt; nein, von innen muß man diese anthroposo­phisch orientierte Geisteswissenschaft kennen lernen, wie sie aus dem vollen Menschentum dasjenige herausschöpft, was der Mensch als sinnliches und als übersinnliches Wesen innerhalb der Welt und innerhalb der Zeit in Wirklichkeit ist.
.

OPVOEDING VOOR HET LEVEN
In deze vrijeschool worden die impulsen van een werkelijke kennis omtrent de mens pedagogisch-didactisch uitgewerkt, die van de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap uit kunnen gaan.
Wie de vrijeschool wil leren kennen, die moet allereerst de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap leren kennen. Maar niet zodanig dat men deze van buitenaf leert kennen, wanneer men de mensen voorspiegelt dat het om een of andere ingewikkelde, vage mystiek, om sektarisme gaat; nee, van binnenuit moet men deze  antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap leren kennen, hoe deze uit het volle menszijn datgene te voorschijn haalt wat de mens als zintuiglijk en bovenzintuiglijk wezen in de wereld en in de tijd in werkelijkheid is.

GA 297A/22-23
Op deze blog vertaald/15

o-o-o

39)
ERZIEHUNG ZUM LEBEN
Da möchte ich zunächst einmal erwähnen, daß ja der Unterricht in der Waldorfschule auf unsere Erkenntnis von der Entwicklung des Menschen gebaut ist. Nicht wahr, die Wal­dorfschule ist ganz sicher keine Weltanschauungsschule, aber was an pädagogischer Geschicklichkeit, an pädagogischer Methodik, pädagogischer Handhabung der Dinge gerade aus anthroposophi­scher Seelenverfassung heraus erreicht werden kann, das soll eben in die Praxis umgesetzt der Waldorfschule zugute kommen.
.

OPVOEDING VOOR HET LEVEN
Nu zou ik allereerst nog een keer willen opmerken, dat het onderwijs in de vrijeschool op onze kennis van de ontwikkeling van de mens gebaseerd is. Niet waar, de vrijeschool is zeer zeker geen wereldbeschouwelijke school, maar wat aan pedagogische bekwaamheid, aan pedagogische methodiek, het pedagogisch toepassen van de dingen met name uit de antroposofische zielenstemming bereikt kan worden, dat moet nu juist in het praktische omgezet worden en de vrijeschool ten goede komen.
GA 297A/72
Op deze blog vertaald/72

o-o-o

40)
ERZIEHUNG ZUM LEBEN
Was vorhin gesagt und oftmals betont worden ist, muß festgehalten werden: Die Wal­dorfschule will als solche keine Weltanschauungsschule sein. Daß ihr anthroposophische Seelenverfassung zugrunde liegt, das ist eben nur insofern [der Fall], als sie sich in die erzieherische Praxis um­setzt. So handelt es sich jetzt zunächst bei dem, was in der Waldorf­schule vorliegt, um eine Entwicklung dessen, was auf rein päd­agogischem Wege aus der anthroposophischen Bewegung heraus erreicht werden kann. Eine Weltanschauungsschule kann und will die Waldorfschule nach keiner Richtung hin sein.

Was schließlich der eine oder andere An­throposoph für eine Ansicht hat in bezug auf Weltanschauungsfra­gen, das spielt dabei keine Rolle, sondern es handelt sich darum, daß Anthroposophie in der Schule und alledem, was dazu gehört, nur in pädagogischer Praxis wirken will.
.

OPVOEDING VOOR HET LEVEN
Wat al eerder is gezegd en dikwijls benadrukt, moeten we vasthouden: de vrijeschool  wil geen wereldbeschouwelijke school zijn. Dat aan haar een antroposofische zielenstemming ten grondslag ligt, is alleen het geval in zoverre deze omgezet wordt in de praktijk van de pedagogie. Derhalve het gaat  nu allereerst, bij wat in de vrijeschool plaatsvindt, om een ontwikkeling van datgene wat langs puur pedagogische weg uit de antroposofische beweging  gewonnen kan worden. Een wereldbeschouwelijke school kan en wil de vrijeschool in geen enkel opzicht zijn.
Wat uiteindelijk de een of andere antroposoof aan denkbeelden heeft over wereldbeschouwelijke vraagstukken, speelt daarbij geen rol; het gaat er  om dat antroposofie in de school en in alles wat daarbij hoort, alleen in de praktijk van het opvoeden werkzaam wil zijn.
GA 297A/78
Op deze blog vertaald/78

o-o-o

41)
ERZIEHUNG ZUM LEBEN
Das muß aber streng festgehalten werden, daß die Absichten der Waldorf­schule nach keiner Richtung hin Weltanschauungsabsichten sind. Es soll nicht zu einer Anthroposophie dressiert werden, sondern Anthroposophie will nur pädagogische Praxis darin werden.Nun ist ja die Waldorfschule natürlich keine Institution für Eremiten oder Sekten, sondern sie ist eine Institution, die sich voll ins Leben hineinstellen will, die für das gegenwärtige, ganz praktische Leben aus den Kindern tüchtige Menschen machen will.

Daher handelt es sich darum, den Unter­richt so einzurichten, daß man auf der einen Seite den streng päd­agogischen Anforderungen gerecht wurde, und auf der anderen Sei­te handelt es sich darum, daß die Waldorfschule eben nicht irgend­eine Institution von Sonderlingen ist.
Sie sehen, es handelt sich nicht darum, irgendwie aus partei­mäßigen Anschauungen, durch Weltanschauung oder so etwas, zu wirken, sondern lediglich darum, Anthroposophie in pädagogische Praxis umzusetzen.
.

OPVOEDING VOOR HET LEVEN
Er moet streng aan worden vastgehouden dat de opzet van de vrijeschool in geen enkel opzicht de bedoeling heeft wereldbeschouwelijk te zijn. Er moet geen dressuur tot antroposofie zijn, antroposofie moet er slechts voor de pedagogische praktijk zijn.
Natuurlijk is de vrijeschool geen instituut voor kluizenaars of sektarisme, maar een instituut dat zich in het volle leven plaatsen wil, dat voor het praktische leven van nu, van kinderen capabele mensen wil maken.
Daarom gaat het erom het onderwijs zo in te richten dat men enerzijds zich streng houdt aan de pedagogische eisen en aan de andere kant gaat het erom dat de vrijeschool niet een of ander instituut van zonderlingen is.
U ziet dat het er niet om gaat vanuit een of ander partijprogramma of een wereldbeschouwing te werken of zoiets, maar alleen om antroposofie om te werken tot pedagogie in de praktijk.
GA 297A/79
Op deze blog vertaald/79

o-o-o

42)
ERZIEHUNG ZUM LEBEN
Das Ideal wäre, daß die Kinder zunächst – weil ja Anthroposophie nur für Erwachsene ausgebildet ist, wir haben keine Kinderlehre, sind auch noch nicht in der Lage gewesen, eine solche haben zu wollen – nicht wüßten, daß es eine Anthro­posophie gibt, sondern daß sie objektiv gehalten würden, und durchaus so also in das Leben hineingestellt würden. Diese Dinge sind nicht im Ideal zu erreichen; auch wenn sich der Lehrer noch so viel bemüht, objektiv zu bleiben, so lebt doch das eine Kind im Kreise dieser Eltern, das andere im Kreise jener Eltern; es gibt auch anthroposophische Fanatiker, da bringen die Kinder, wie sie auch sonst allerlei hereinbringen, anthroposophische Ungezogenheiten, die es auch gibt, in die Schule hinein. Das muß durchaus fest­gehalten werden, daß es sich niemals darum handeln kann, daß die Waldorfschule in irgendeiner Weise eine Weltanschauungsschule oder so etwas ist. Das ist sie in gar keiner Richtung, sondern sie will die Kinder zu dem machen, wodurch sie tüchtige Menschen in der unmittelbaren Gegenwart sind, also in dem Leben, in das wir hin­eingestellt sind innerhalb von Staat und von allem, um was es sich handelt, daß sie da tüchtig drinnenstehen. Es ist ja wohl selbstver­ständlich, daß die Waldorfschule nicht etwa Dreigliederungsideen in die Schule hineinträgt. Durch die Bestrebungen der Waldorfpäd­agogik kann das nicht geschehen. Parteimäßiges wird in die Wal­dorfschule nicht hineingetragen von anthroposophischer Seite aus.
Unsere Schule will, wie gesagt, nur pädagogische Praxis ins Leben setzen, nicht Weltanschauung.


OPVOEDING VOOR HET LEVEN
Het ideale zou zijn wanneer de kinderen om te beginnen, omdat antroposofie gestalte gekregen heeft voor volwassenen – we hebben geen kinderleer, we zijn ook nog niet in staat geweest om zo iets te willen – geen weet zouden hebben van antroposofie, dat het voor hen zakelijk gehouden wordt en dat ze dus op deze wijze in het leven geplaatst worden.
Deze dingen zijn qua ideaal niet te bereiken, ook al doen de leerkrachten nog  zo veel moeite objectief te blijven, want het ene kind woont bij deze ouders, het andere bij die ouders; er zijn ook antroposofische fanatici; dan brengen de kinderen – zoals die van alles mee naar school nemen – antroposofische ongepastheden, die er ook zijn, mee naar school.
Hieraan  moet beslist vastgehouden worden, dat het er nooit om kan gaan dat de vrijeschool op een of andere manier een wereldbeschouwelijke school of iets dergelijks is. Dat is deze in geen enkel opzicht, maar ze wil de kinderen zo vormen dat die in het leven van nu capabele mensen zijn, dus in het leven waarin wij staan, in staatsverband en in alles waar het om gaat, dat ze daar capabel voor zijn. En het is natuurlijk vanzelfsprekend dat de vrijeschool niet de ideeën over de driegeleding de school binnenbrengt. Door wat de vrijeschool beoogt kan dat niet gebeuren. Van de kant van de antroposofie kan er in de vrijeschool niet zoiets als een partij binnengebracht worden.
Onze school wil, zoals gezegd, slechts pedagogische praktijk in het leven brengen, geen wereldbeschouwing.
GA 297A/79
Op deze blog vertaald/79

o-o-o

43)
ERZIEHUNG ZUM LEBEN
Es ist durchaus niemals mein Bestreben gewesen, dafür zu agieren, daß die Kinder in diesen freien Religionsunterricht hin­einkommen. Sie kamen zahlreich, aber es ist wirklich nicht das Bestreben, dem äußeren Ruf der Schule dadurch zu schaden, daß es etwa auf solchen Umwegen zustande käme, daß (man sagte, daß) diese Schule eine Weltanschauungsschule sei.
.

OPVOEDING VOOR HET LEVEN
Ik heb er zeker nooit naar gestreefd er voor te pleiten dat de kinderen naar dit vrijeschoolgodsdienstonderwijs zouden komen. Ze kwamen in groten getale, maar het is werkelijk niet het streven de naam van de school te schaden dat het zo’n beetje langs zulke omwegen tot stand zou komen, dat (dat werd beweerd) deze school een wereldbeschouwelijke school zou zijn.

GA 297A/82
Op deze blog vertaald/82

o-o-o

44)
RUDOLF STEINER IN DER WALDORFSCHULE
So, meine sehr verehrten Anwesenden, möchten wir aus einem neuen Geiste heraus diese Waldorfschule gestalten. Und Sie werden bemerkt haben auch, was diese Schule nicht werden soll. Jedenfalls soll sie nicht eine Weltanschauungsschule werden. Derjenige, der da sagen wird: die anthroposophisch orientierte Geisteswissenschaft gründe die Waldorf­schule und wolle nun ihre Weltanschauung hineintragen in diese Schule- ich sage das jetzt am Eröffnungstage -, der wird nicht die Wahrheit sprechen. Uns liegt gar nichts daran, unsere «Dogmen», unsere Prinzi­pien, den Inhalt unserer Weltanschauung dem werdenden Menschen beizubringen. Wir streben nicht danach, eine dogmatische Erziehung zu bewirken. Wir streben danach, daß dasjenige, was wir haben gewinnen können durch die Geisteswissenschaft, lebendige Erziehungstat werde. Wir streben an, in unserer Methodik, in unserer Didaktik dasjenige zu  haben, was aus der lebendigen Geisteswissenschaft als seelische Men­schenbehandlung hervorgehen kann. Aus der toten Wissenschaft kann nur Wissen kommen, aus der lebendigen Geisteswissenschaft wird Methodik, wird Didaktik, wird Handgriffliches im geistig-seelischen Sinne hervorgehen. Daß wir lehren, daß wir erziehen können, das streben wir an.

RUDOLF STEINER IN DE VRIJESCHOOL
Dus, zeer geachte aanwezigen, wij zouden vanuit een nieuw elan deze vrijeschool vorm willen geven. En u zult ook gemerkt hebben wat deze school niet moet worden. In ieder geval moet ze geen wereldbeschouwelijke school worden. Degene die daar zou zeggen: de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap heeft de vrijeschool opgericht en wil nu haar wereldbeschouwing deze school binnenbrengen – dat zeg ik nu op de openingsdag – die spreekt de waarheid niet.
[Het gaat er ons helemaal niet om de opgroeiende mens onze “dogma’s”, onze principes, de inhoud van ons wereldbeeld bij te brengen. We streven er niet naar een dogmatische opvoeding tot stand te brengen. We streven ernaar dat inzichten die verworven zijn door de geesteswetenschap tot levende opvoedingsdaad worden. We streven ernaar dat onze methode, onze didactiek dat behelst, wat uit de levende geesteswetenschap kan worden tot een omgaan met de ziel van de mens. Uit de dode wetenschap kan slechts kennis voortkomen, uit de levende geesteswetenschap zal een methodiek, een didactiek, iets tastbaars in geestelijke zin voortkomen. We streven ernaar te kunnen lesgeven, te kunnen opvoeden!] 
GA 298/32
Tussen [  ]  vertaald in GA 293 blz. 204

o-o-o

45)
RUDOLF STEINER IN DER WALDORFSCHULE
Also eine Weltanschauungsschule werden wir nicht begründen. Eine erziehungs-künstlerische Schule werden wir uns bemühen mit der Waldorfschule zu schaffen.

RUDOLF STEINER IN DE VRIJESCHOOL
We zullen dus geen school stichten die een bepaald wereldbeeld leert. We zullen proberen met de Waldorfschool een opvoedkunstzinnige school te creëren.’
GA 298/33
Vertaald/215

o-o-o

46)
RUDOLF STEINER IN DER WALDORFSCHULE
Fürchten Sie durchaus nicht, daß wir aus dieser Schule eine Weltan­schauungsschule machen wollen und etwa anthroposophische oder andere Dogmen den Kindern eintrichtern wollen. Das fällt uns nicht ein. Wer so etwas sagen würde, daß wir den Kindern gewisse Dinge, die gerade anthroposophische Überzeugungen sind, beibringen wollen, der würde nicht die Wahrheit sagen. Wir wollen vielmehr gerade aus dem, was uns Anthroposophie ist, eine pädagogische Kunst entwickeln. Das «Wie» im Unterricht, das ist es, was wir gewinnen wollen aus unserer geistigen Erkenntnis. Nicht wollen wir den Kindern dasjenige eintrich­tern, was wir meinen, sondern wir glauben eben, daß sich Geisteswissen­schaft von jeder anderen Wissenschaftsart dadurch unterscheidet, daß sie den ganzen Menschen ausfüllt, ihn auf allen Gebieten geschickt macht, vor allen Dingen in bezug auf die Behandlung von Menschen.

RUDOLF STEINER IN DE VRIJESCHOOL
Vreest u vooral niet dat we van deze school een levensbeschouwelijke school willen maken en de kinderen zoiets als antroposofische of andere dogma’s willen ingieten. Dat komt niet eens bij ons op. Wie iets dergelijks zeggen zou, dat wij de kinderen bepaalde dingen die antroposofische overtuiging zijn, zouden willen bijbrengen, die zou niet de waarheid vertellen. We willen veel meer juist vanuit wat voor ons antroposofie is, een pedagogische kunst ontwikkelen. Het ’hoe’ in het onderwijs is wat we verwerven willen uit onze geestelijke kennis. We willen de kinderen niet ingieten wat onze overtuiging is, maar we geloven juist dat geesteswetenschap zich onderscheidt van iedere andere vorm van wetenschap doordat ze de totale mens omvat, hem op ieder gebied vaardig maakt, vooral met betrekking tot het omgaan met mensen.
GA 298/81
Vertaald/22-23

o-o-o

47)
RUDOLF STEINER IN DER WALDORFSCHULE
Ein drittes Wort möchte ich an Euch, meine lieben Lehrer, richten. Ihr seid vereinigt mit dem Geist einer Geistesweltanschauung. Ihr versucht nach den besten Kräften, die in Euch wurzeln, im Sinne nicht einer Weltanschauungsschule, im Sinne der Durchdringung alles Erziehungs­wesens mit einer durchgeistigten Gesinnung, die Seelen der werdenden Menschen zu erkennen, an diesen Seelen der werdenden Menschen zu arbeiten.


RUDOLF STEINER IN DE VRIJESCHOOL
Enkele laatste woorden zou ik tot u beste leraren willen richten. U bent verenigd met de geest van een geestelijke wereldbeschouwing. U probeert met de beste krachten die in u geworteld zijn, niet in de zin van een wereldbeschouwelijke school, maar in de zin van het doordringen van het hele onderwijs met een doorgeestelijkte gezindheid, de zielen van de jonge mensen te leren kennen, en aan de zielen van deze jonge mensen te werken.
GA 298/91
Vertaald/66

 o-o-o

48)
RUDOLF STEINER IN DER WALDORFSCHULE
Immer wieder müssen wir sagen: Es ist uns gar nicht darum zu tun, etwa Anthroposophie in die Schule hineinzutragen. Darüber werden sich die Eltern nicht zu beklagen haben, daß wir Anthroposophie als Weltan­schauung in die Schule hineintragen wollen. Aber gerade so, wie wir es vermeiden, Weltanschauung, Anthroposophie in die Schule hineinzutragen, möchten wir es anstreben, diejenige pädagogische Geschicklich­keit, die nur kommen kann aus anthroposophischer Durchbildung, in der Handhabung des Unterrichts, in der Behandlung des Kindes geltend zu machen.


RUDOLF STEINER IN DE VRIJESCHOOL

Steeds opnieuw moeten we zeggen: Het is ons er helemaal niet om te doen iets van antroposofie in de school binnen te brengen. Dat wij antroposofie als wereldbeschouwing de school binnenbrengen daarover zullen de ouders zich niet te beklagen hebben. Maar net zo als wij vermijden wereldbeschouwing, antroposofie in de school te brengen, zo willen wij er wel naar streven die pedagogische bekwaamheid die slechts ontstaan kan door antroposofische ontwikkeling, tot uiting te laten komen  in het uitvoeren van het onderwijs, in de behandeling van het kind.
GA 298/128
Op deze blog vertaald

o-o-o

49)
RUDOLF STEINER IN DER WALDORFSCHULE
(  )  es muß geschaffen werden aus echter Menschenerkenntnis Lehrplan, Lehrziel; alles aus echter Menschenerkenntnis, wie sie sich nur auf dem Boden der Anthroposophie ergibt. Da bekommt man auch eine allgemein menschli­che Schule, keine Weltanschauungsschule, keine Sektenschule, sondern wirklich eine allgemein menschliche Schule.

RUDOLF STEINER IN DE VRIJESCHOOL
( ) het leerplan, het leerdoel moet tot stand gebracht worden vanuit echte menskunde; alles uit echte menskunde, zoals die slechts op basis van antroposofie kan ontstaan. Dan krijgt je ook een algemeen menselijke school, geen wereldbeschouwelijke school, geen sekteschool  maar een werkelijk algemeen menselijke school.
GA 298/183
Op deze blog vertaald/183

o-o-o

50)
KONFERENZEN  MIT DEN LEHRERN DER FREIEN WALDORFSCHULE
Wir wollen hier in der Waldorfschule keine Weltanschauungsschule einrichten. Die Waldorfschule soll keine Weltanschauungsschule sein, in der wir die Kinder möglichst mit anthroposophischen Dog­men vollstopfen. Wir wollen keine anthroposophische Dogmatik lehren, aber wir streben hin auf praktische Handhabung der Anthro­posophie. Wir wollen umsetzen dasjenige, was auf anthroposophi­schem Gebiet gewonnen werden kann, in wirkliche Unterrichts­praxis.

(Rudolf Steiner) IN VERGADERING MET DE LEERKRACHTEN VAN DE VRIJESCHOOL STUTTGART
Wij willen hier met de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school openen. De vrijeschool moet geen wereldbeschouwelijke school zijn waarin we de kinderen zoveel mogelijk volstoppen met antroposofische leerstellingen. Wij willen geen antroposofische leerstellingen aanleren, maar wij streven ernaar de antroposofie in de praktijk toe te passen. Wij willen dat wat op antroposofisch gebied gewonnen kan worden, omwerken tot werkelijke onderwijspraktijk.
GA 300a/63
Niet vertaald

o-o-o

51)
KONFERENZEN  MIT DEN LEHRERN DER FREIEN WALDORFSCHULE
Das könnte das Schönste sein, was man macht, ohne daß man zur Weltanschauungsschule wird, wenn man reine Menschenerkenntnis zugrunde legte, und jede Minute die Päd­agogik neu belebte.

(Rudolf Steiner) IN VERGADERING MET DE LEERKRACHTEN VAN DE VRIJESCHOOL STUTTGART.
Dat zou het mooiste kunnen zijn, wat men doet, zonder dat men een wereldbeschouwelijke school wordt, wanneer men pure menskunde als basis heeft en de pedagogie iedere minuut nieuw leven inblaast.
GA 300a/80
Niet vertaald

o-o-o

52)
KONFERENZEN  MIT DEN LEHRERN DER FREIEN WALDORFSCHULE
Nicht wahr, das Anthroposophische ist eine Weltanschauung, und die wollen wir als solche durchaus nicht in unsere Schule hineintragen. Wir müssen aber jenes religiöse Gefühl, welches von dieser Weltanschauung der Menschenseele vermittelt wird, für die Kinder, deren Eltern es ausdrücklich verlangen, entwickeln.

(Rudolf Steiner) IN VERGADERING MET DE LEERKRACHTEN VAN DE VRIJESCHOOL STUTTGART.
Niet waar, het antropososfische is een wereldbeschouwing en die willen wij als zodanig beslist niet in onze school brengen. We moeten echter dat religieuze gevoel dat uit deze wereldbeschouwing aan de menselijke ziel gegeven kan worden, ontwikkelen voor de kinderen van wie de ouders dat nadrukkelijk verlangen.
GA 300a/98  
Niet vertaald

o-o-o

53)
KONFERENZEN  MIT DEN LEHRERN DER FREIEN WALDORFSCHULE
Unmittelbar formell ist ja die Waldorfschule keine anthroposophische Institu­tion, sondern eine freie Schöpfung, die ja allerdings auf der Grund­lage der anthroposophischen Pädagogik aufgebaut ist, aber die sowohl durch die Art, wie sie dem Publikum, wie auch durch die Art, wie sie den gesetzlichen Institutionen gegenübersteht, eben keine anthroposophische Institution ist, sondern eine Schule für sich, die die anthroposophische Pädagogik aufgenommen hat.

(Rudolf Steiner) IN VERGADERING MET DE LEERKRACHTEN VAN DE VRIJESCHOOL STUTTGART.
Zo direct formeel is de vrijeschool geen antroposofisch instituut, maar een vrije creatie, die echter gebouwd is op de basis van de antroposofische pedagogie, maar die én door de manier waarop zij tegenover het publiek staat, alsmede de manier waarop zij tegenover de wettelijke instellingen staat, toch geen antroposofisch instituut is, maar een school op zich, die plaats biedt aan de antroposofische pedagogie.

GA 300c/112
Niet vertaald

o-o-o

54)
KONFERENZEN  MIT DEN LEHRERN DER FREIEN WALDORFSCHULE
Es ist eben damals großer Wert darauf gelegt bei der Gründung, die Schule als eine von der Anthroposophischen Gesellschaft unabhängige Institution zu schaffen. Damit stimmt logisch ganz gut überein, daß der Religions­unterricht von den Religionsgemeinschaften aus besorgt wird, der freie Religionsunterricht von der Anthroposophischen Gesellschaft aus, daß die Anthroposophische Gesellschaft mit dem freien Reli­gionsunterricht darinnensteht wie die anderen religiösen Gemein­schaften. Die Anthroposophische Gesellschaft gibt eigentlich den Religionsunterricht und den Kultus. Das können wir jederzeit sagen und mit vollem Recht sagen, wenn uns vorgehalten wird, die Wal­dorfschule sei eine anthroposophische Schule.

(Rudolf Steiner) IN VERGADERING MET DE LEERKRACHTEN VAN DE VRIJESCHOOL STUTTGART.
Toen, bij de oprichting, is er grote waarde aan gehecht, de school als een instituut te stichten, onafhankelijk van de antroposofische vereniging. Daarmee is in overeenstemming dat logischerwijze de godsdienstlessen door de godsdienstgenootschappen worden gegeven, het vrije godsdienstonderwijs door de antroposofische vereniging; dat de antropososfische vereniging daar net zo in staat als de andere religieuze gemeenschappen. Eigenlijk geeft de antroposofische vereniging het godsdienstonderwijs en voltrekt de cultus.

Dat kunnen we iedere keer zeggen en terecht, wanneer  men ons verwijt dat de vrijeschool een antroposofische school is.
GA 300c/119
Niet vertaald

o-o-o

55)
KONFERENZEN  MIT DEN LEHRERN DER FREIEN WALDORFSCHULE
( ) Wir müssen dagegenhalten, daß wir die Anthroposophie erweitert haben, um solche Dinge machen zu können, die allgemein menschlich sind, müßten zeigen, daß die Anthroposophie geeignet ist, etwas allgemein Menschliches zu bringen. Wir müssen das aber auch im einzelnen einhalten. Wir müssen nicht zu stark den Eindruck hervorrufen, daß wir Anthroposophie dozieren. Wir müssen die anthroposophische Wahrheit verwerten in der Schule, nicht daß wir theoretisch Anthroposophie dozieren.

(Rudolf Steiner) IN VERGADERING MET DE LEERKRACHTEN VAN DE VRIJESCHOOL STUTTGART.
( ) We moeten daartegen inbrengen dat wij de antroposofie verruimd hebben om die dingen te kunnen doen die algemeen menselijk zijn, zouden moeten aantonen dat de antroposofie in staat is iets algemeen menselijks te brengen. We moeten niet te veel de indruk vestigen dat wij antroposofie doceren. In de school moeten we staan voor de antroposofische waarheid, niet voor het doceren van theoretische antroposofie.
GA 300c/138
Niet vertaald

o-o-o

56)
DIE ERNEUERUNG DER PÄDAGOGISCH-DIDAKTISCHEN KUNST DURCH GEISTESWISSENSCHAFT
So waren wir genötigt, ganz in freier Weise denjenigen, die gewissermaßen anthroposophischen Religionsunterricht haben wollten, den wir niemand aufdrängten, denn die Waldorfschule ist keine Weltanschauungsschule, diesen anthropo­sophischen Religionsunterricht auch zu geben. Er wird gegeben, aber nicht weil wir für Anthroposophie als Weltanschauung agitieren. Es ist etwas ganz anderes, für Anthroposophie als Weltanschauung zu agitieren oder dasjenige, was anthroposophische Geisteswissenschaft geben kann, für die pädagogische Kunst fruchtbar zu machen. Wir agitieren nicht für dasjenige, was der Inhalt ist, wir agitieren für das Können, wenn wir das agitieren nennen wollen.

DE VERNIEUWING VAN DE PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE KUNST DOOR GEESTESWETENSCHAP.
Dus waren wij genoodzaakt, op een heel vrije manier, degenen die in zekere zin antroposofisch godsdienstonderwijs wilden hebben, dat wij aan niemand opdrongen, want de vrijeschool is geen wereldbeschouwelijke school, dit antroposofische godsdienstonderwijs ook te geven. Het wordt gegeven, maar niet omdat wij propaganda maken voor een antroposofische wereldbschouwing. Het is iets heel anders of je propaganda maakt voor antroposofie als wereldbeschouwing of dat je, met wat antroposofie geven kan, de pedagogische kunst vruchtbaar maakt. Wij maken geen propaganda voor de inhoud, wij maken propaganda voor het kunnen, als we dat al propaganda willen noemen.
GA 301/182
Op deze blog vertaald 

 o-o-o

57)
MENSCHENERKENNTNIS UND UNTERRICHTSGESTALTUNG
Nun kann natürlich in unsere Schule das eigentliche Geistesleben nur dadurch hineinkommen, daß sich unsere Lehrerschaft eben aus Anthroposophen zusammensetzt. Dadurch, nicht durch dasLehren der Anthroposophie – unsere Schule darf eben nicht Weltanschauungsschule sein -, aber durch die ganze Art und Weise, wie sich unsere Lehrer verhalten, durch dasjenige, was sie in ihrer Seele tragen, wird wie durch seelische Imponderabilien das Geistig-Seelische in unsere Schule hineingetragen.

MENSKUNDE EN OPVOEDING
Nu kan het eigenlijke geestesleven natuurlijk alleen daardoor onze school binnenkomen doordat het lerarencollege zich uit antroposofen vormt. Door de hele manier waarop de leraren zich gedragen, doordat wat ze in hun ziel dragen, wordt het geestes-ziele-element in onze school binnengebracht, door de onweegbare psychische factoren, de imponderabilia van de ziel. Daardoor, en niet door les te geven in antroposofie, want onze school mag geen wereldbeschouwelijke school zijn.

GA 302/57
Vertaald/58

o-o-0

58)
DIE GESUNDE ENTWICKLUNG DES LEIBLICH-PHYSISCHEN ALS GRUNDLAGE DER FREIEN ENTFALTUNG DES SEELISCH-GEISTIGEN
Sehen Sie, die Waldorfschule, und überhaupt jede Schule, die aus anthroposophischer Bewegung hervorgehen würde, legt natür­lich keinen Wert darauf, etwa Anthroposophie den Kindern beizubringen, in der Form wie sie heute da ist. Sie würde das sogar für das Allerverkehrteste betrachten, zu dem man sich wenden könnte. Denn Anthroposophie, wie sie heute vorliegt, hat man ja zunächst mit den Erwachsenen, manchmal schon mit recht grau gewordenen Menschen zu besprechen. Sie ist daher auch so eingerichtet in ihrer Literatur und in der Art und Weise, wie sie an den Menschen herantritt, daß sie die Form hat, wie man zu Erwachsenen spricht und wie man Erwachsene eben anredet. Ich würde es daher für das Allerverkehrteste ansehen müssen, wenn man dasjenige, was in meiner «Theosophie» steht oder in meinem Buche «Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten?», irgendwie dem Kinde vermitteln wollte. Das kann niemals der Fall sein, denn man würde das Kind, verzeihen Sie den etwas trivialen Ausdruck, dadurch, daß man etwas ganz Ungeeignetes für dieses Alter an es heranbringt, zum – man sagt im Deutschen – Aus-der-Haut-Fah­ren bringen. Das kann es dann nicht ausführen, aber es steckt in ihm diese Sehnsucht, aus der Haut zu fahren.
Nicht darauf kommt es also an, in die Schule als solche etwas hin-einzutragen, was heute anthroposophischer Inhalt ist, sondern darauf kommt es an, daß Anthroposophie ja nicht eine Theorie, nicht eine theoretische, in Ideen bloß sich ergehende Weltanschauung ist, son­dern Lebenssystem ist, den ganzen Menschen in Anspruch nimmt. (  ) auf diese pädagogisch-didaktische Kunst kommt es an.
Also eine methodische Schule soll gerade die Waldorfschule sein, und das Methodische soll herausgeholt werden aus der anthroposophischen Weltanschauung.
Also eine methodische Schule soll gerade die Waldorfschule sein, und das Methodische soll herausgeholt werden aus der anthroposophischen Weltanschauung. 


GEZONDMAKEND ONDERWIJS
Ziet u, de vrijeschool en überhaupt iedere school die uit de antroposofische beweging zou voortkomen, hecht er geen waarde aan de kinderen antroposofie bij te brengen in de vorm waarin die nu beschikbaar is. Dat zouden we als de grootste fout beschouwen waaraan we ons schuldig kunnen maken. Want antroposofie zoals die nu beschikbaar is, moet immers allereerst met de volwassenen, soms met de mensen van al wat oudere leeftijd worden besproken. Zij is daarom ook zó ingericht en ze benadert de mensen op zó’n manier dat ze de vorm heeft die gebruikt wordt als je tegen volwassenen praat en volwassenen aanspreekt. Ik zou het daarom als de grootste fout moeten beschouwen als we datgene wat in mijn boek Theosofie staat, of in mijn boek De weg tot inzicht in hogere werelden1 op een of andere manier aan het kind zouden willen overbrengen. Dat kan nooit het geval zijn, want door­dat we het kind iets aanleren wat totaal niet geschikt is voor deze leeftijd, zouden we het, vergeeft u mij de triviale uit­drukking, uit zijn vel laten springen. Dat kan het dan welis­waar niet, maar in hem zit wel dit verlangen uit zijn vel te springen. Het gaat er dus niet om in de school als zodanig antropo­sofische inhoud binnen te brengen, maar het gaat erom dat antroposofie niet een theorie, niet een theoretische, zich alleen in ideeën uitputtende wereldbeschouwing is, maar een levenssysteem dat de hele mens omvat.  (  )  Pedagogisch didactische kunst, daar gaat het om.
Dus juist de vrijeschool moet een methodische school zijn en dat methodische moet uit de antroposofische wereldbe­schouwing gehaald worden. 
GA 303/143-144
Vertaald/156-157

 o-o-o

59)
DIE GESUNDE ENTWICKLUNG DES LEIBLICH-PHYSISCHEN ALS GRUNDLAGE DER FREIEN ENTFALTUNG DES SEELISCH-GEISTIGEN
Also eine Weltanschauungsschule wollten wir ganz gewiß nicht schaffen, wie man leicht denken könnte, wenn man äußerlich hört: da haben die Anthroposophen eine Schule begründet; sondern es handelt sich darum, Anthroposophie in die pädagogische Praxis hineinzutragen.

GEZONDMAKEND ONDERWIJS
We wilden zeer zeker geen school op basis van een wereld­beschouwing oprichten. Dat zou men gemakkelijk kunnen denken als men hoort zeggen: de antroposofen hebben een school opgericht. — Nee, het gaat erom antroposofie pedago­gisch in praktijk te brengen.
GA 303/146
Vertaald/159

0-0-0

60)
ERZIEHUNGS-UND UNTERRICHTSMETHODEN AUF ANTHROPOSOFISCHER GRUNDLAGE
Wenn die Waldorfschule ihren Ausgangspunkt genommen hat von anthroposophischer Geisteswissenschaft, so ist sie deshalb keineswegs, und das bitte ich durchaus zu berücksichtigen, eine Weltanschauungsschule. Am wenigsten handelt es sich bei dieser Waldorfschule darum, die anthroposophische Dogmatik, wenn ich mich so ausdrücken darf, die anthroposophische Überzeugung als solche in die Schule hineinzu­tragen. Weder eine Weltanschauungsschule möchte die Waldorfschule sein noch irgendeine sektiererische Schule, denn das alles liegt eigentlich nicht, trotzdem man es zumeist glaubt, im Charakter der anthroposo­phischen Geisteswissenschaft.Dasjenige aber, was aus anthroposophischer Grundlage aus der Wal­dorfschule gemacht werden soll, das ist eine Methodenschule, eine Schule, welche die gewöhnlichen Anregungen für die Pädagogik, für die Methodik, für die Didaktik aus anthroposophisch orientierter Geistes­wissenschaft heraus holt.

OPVOEDINGS- EN ONDERWIJSMETHODEN OP ANTROPOSOFISCHE BASIS.
Ool al heeft de vrijeschool de uitgangspunten genomen uit de antroposofische geesteswetenschap, dan is daarmee de vrijeschool geenszins en ik verzoek u dat goed te beseffen, een wereldbeschouwelijke school. Allerminst gaat het er bij deze school om de antroposofische inhoud, de antroposofische overtuiging als zodanig de school binnen te brengen. Noch een wereldbeschouwelijke school, noch een soort sekteschool wil de vrijeschool zijn, want dit brengt het karakter van de antroposofische geesteswetenschap, hoewel men dit vaak gelooft, niet met zich mee.

Wat uit de antroposofie als basis komt, wat van de vrijeschool gemaakt moet worden, is een methodeschool, een school die de gebruikelijke stimulans voor de pedagogiek, voor de methodiek, voor de didactiek uit de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap haalt.
GA 304/94
Op deze blog vertaald/94

o-o-o

61)
ERZIEHUNGS-UND UNTERRICHTSMETHODEN AUF ANTHROPOSOFISCHER GRUNDLAGE
Wie gesagt, nicht Dogmen sollen hineingetragen werden in die

Schule ( )

OPVOEDINGS- EN ONDERWIJSMETHODEN OP ANTROPOSOFISCHE BASIS.
Zoals gezegd: leerstellingen moeten niet in de school binnengebracht worden. ( )

GA 304/95
Op deze blog vertaald 95

0-0-0

62)
ANTHROPOSOPHISCHE MENSCHENKUNDE UND PÄDAGOGIK
Die Waldorfschule ist, das möchte ich hier auch ausdrücklich betonen, keine Weltanschauungs schule. Wir wollen nicht junge Anthroposophen in der Waldorfschule erziehen, sondern wir wollen die Anthroposophie dazu benützen, daß die Waldorfschule im rechten Sinne des Wortes eine Methodenschule sein kann. Das ist sie. Nur die richtige Erziehungsme­thode wollen wir auf allen Gebieten gewinnen durch Anthroposophie. Es ist eine Verleumdung, wenn gesagt wird: in der Waldorfschule solle Anthroposophie gelehrt werden. 

(  ) Aber wir sind streng darauf bedacht, daß wir es nicht mit einer Weltanschauungs­schule, sondern mit einer Methodenschule zu tun haben. Einer Metho­denschule in weitestem Sinne, so daß das Richtige an das Kind in der richtigen Weise und im richtigen Zeitpunkte herangebracht wird. Also nur für die Kinder, die freiwillig dazukommen, ist der freie Religionsun­terricht da.

ANTROPOSOFISCHE MENSENKENNIS EN PEDAGOGIE
De vrijeschool is, dat zou ik hier ook nadrukkelijk willen onderstrepen, geen wereldbeschouwelijke school. Wij willen in de vrijeschool geen jonge antroposofen opvoeden, maar wij willen de antroposofie gebruiken opdat de vrijeschool in de juiste betekenis van het woord een methodenschool kan zijn. Dat is ze. Alleen de juiste opvoedmethode willen wij door  antroposofie bereiken. Het is laster wanneer er gezegd wordt: in de vrijeschool moet antroposofie aangeleerd worden.

(Nadat Steiner over het godsdienstonderwijs heeft gesproken, zegt hij dat ook de vrijeschool een vorm van godsdienstonderwijs heeft, maar alleen voor de kinderen voor wie de ouders het willen)

Maar we letten er streng op dat we niet met een wereldbeschouwelijke school van doen hebben, maar met een methodenschool. Een methodenschool in de ruimste zin van het woord, zodat het kind het juiste op de juiste manier en op het juiste tijdstip bijgebracht kan worden. Dus het godsdienstonderwijs is er alleen voor de kinderen die er vrijwillig heen gaan.
GA 304a/141
Vertaald, 1998 in uitgave van (toen) Vrij Ped.Centrum, nu Begeleidingsdienst v vrijescholen

0-0-0

63)
ANTHROPOSOPHISCHE MENSCHENKUNDE UND PÄDAGOGIK
Das liest man ab aus dem Wesen des Kindes, was man zu machen hat. Und so handelt es sich darum, aus der Menschenerkenntnis heraus die Methode zu finden. Unsere Waldorfschule ist eine Methodenschule.

ANTROPOSOFISCHE MENSENKENNIS EN PEDAGOGIE
Dat  (het leren schrijven vooraf moet gaan aan het leren lezen) lees je af aan het wezen van het kind. En het gaat erom vanuit de kennis omtrent de mens de methode te vinden. Onze vrijeschool is een methodeschool.

GA 304a/158
Op deze blog vertaald/158

0-0-0

64)
ANTHROPOSOPHISCHE MENSCHENKUNDE UND PÄDAGOGIK
(  ) daß ich wenigstens mit ein paar Strichen in der kurzen Zeit die Dinge andeuten konnte, die einer auf anthroposophischer Geisteswissenschaft begründeten Metho­dik pädagogischer Kunst zugrunde liegen. Denn nur Methodik will unsere Aufgabe sein, Methodik, nicht irgendein aus irgendeiner Phanta­sie heraus geborenes soziales Ideal oder dergleichen, sondern dasjenige, was die Menschennatur selber fordert, das wollen wir zum Gegenstand der Erziehung machen. Wir wollen uns nicht vorstellen als Menschen: so oder so muß der Mensch werden aus unserem eigenen Bedürfnis heraus, sondern wollen in richtiger Weise auf das werdende Kind hinschauen können und uns von dem Kinde, das die göttlichen Geistesmächte auf die Welt heruntergeschickt haben, sagen lassen können: so will ich werden. – So spricht der Gott in dem Kinde: so will ich werden. Diese Frage wollen wir durch unsere Erziehungsmethode für das Kind nach der besten Weise, wie es der Mensch kann, für das kindliche Alter durch pädagogische Kunst lösen. Diese Frage wollen wir mit unserer pädagogischen Kunst beantworten können.

ANTROPOSOFISCHE MENSENKENNIS EN PEDAGOGIE
(   ) dat ik tenminste met een paar korte penseelstreken die zaken kon aangeven die ten grondslag liggen aan een methode van pedagogische kunst die gebouwd is op antroposofische menskunde. Enkel en alleen methodiek wil onze opgave zijn; methodiek, niet een of ander aan een of andere fantasie ontsproten sociaal idee of iets dergelijks, maar alleen datgene wat de mensennatuur vraagt willen wij tot object van opvoeding maken. Wij willen het ons niet zo voorstellen als zou de mens moeten worden wat wij graag willen dat hij wordt, maar wij willen op de juiste manier naar het kind kijken en ons door het kind dat door de goddelijk-geestelijke machten naar de aarde is gezonden, laten inspireren: zo wil ik worden. Want zo spreekt God zich in het kind uit: zo wil ik worden.
Die vraag willen wij door onze opvoedmethode voor het kind op de beste manier waarop een mens dat kan in de kinderleeftijd door onze pedagogische kunst oplossen. Deze vraag willen wij met onze pedagogische kunst kunnen beantwoorden.
GA 304a/162
Op deze blog vertaald/162

0-0-0

65)
DIE GEISTIG-
SEELISCHEN GRUNDKRÄFTE DER ERZIEHUNGSKUNST
Es ist die Waldorf­schule keine Weltanschauungsschule, sondern eine Methodenschule.So waren wir genötigt, einen besonderen Religionsunterricht zu geben vom anthroposophischen Gesichtspunkte aus. Das ist nicht, um Anthroposophie in die Schule hineinzutragen. Selbst im anthroposophischen Religions­unterricht lehren wir den kleinen Kindern nicht Anthroposophie, son­dern wir versuchen in der Natur diejenigen Symbole und Gleichnisse zu finden, die nach dem Religiösen hinleiten.Wer meint, daß es uns mit der Waldorfschule um eine Anthroposophenschule zu tun ist, der versteht weder die Waldorfschul-Pädagogik, noch ver­steht er die Anthroposophie.

OPVOEDING EN ONDERWIJS
De Waldorfschool is niet een school met een bepaalde wereldbeschouwing, maar een school met een bepaalde methodiek. ( )

Zo zagen wij ons genoodzaakt een speciaal godsdienstonderwijs te gaan geven vanuit antroposofische gezichtspunten. Dat is niet om antroposofie in de school te brengen. Zelfs in het antroposofische godsdienstonderwijs geven wij de kinderen geen les in antroposofie, maar wij proberen in de natuur beelden en
symbolen te vinden, die naar het religieuze leiden. Wij proberen
het kind het evangelie bij te brengen zoals daar naar gekeken kan
worden vanuit een spirituele opvatting van religie, enzovoort.
Wie denkt dat het ons met de Waldorfschool om een school voor
antroposofen te doen is, die begrijpt niets van de Waldorfpedagogie, noch van de antroposofie.
GA 305/155
Vertaald/146

o-o-o

66)
DIE GEISTIG-SEELISCHEN GRUNDKRÄFTE DER ERZIEHUNGSKUNST
Sie werden das fühlen aus dem ganzen Auswirken des Milieus in der Waldorfschule, daß über allem Unterricht ein christlicher Charak­ter liegt, daß also tatsächlich religiöses Leben in der Waldorfschule waltet, trotzdem wir vom Anfange an es nicht darauf angelegt haben, aus der Waldorfschule irgend etwas zu machen, was mit Konfessio­nellem etwas zu tun hat. Ich muß es wiederholt und wiederholt sagen:

das Waldorfschul-Prinzip ist nicht ein Prinzip, das eine Welt­anschauungsschule machen will, sondern eine Methodenschule. Was erreicht werden soll durch eine Methode, die auf Menschenerkenntnis beruht, ist dasjenige, daß man aus Kindern physisch gesunde und kräf­tige, seelisch freie und geistig klare Menschen macht.

OPVOEDING EN ONDERWIJS
U zult aan het klimaat dat op de Waldorfschool heerst kunnen voelen hoe heel het onderwijs er een christelijk karakter draagt, hoe er een werkelijk religieus leven heerst in de school, hoewel wij van het begin af aan voor de Waldorfschool iedere relatie met het confessionele hebben willen vermijden. Ik kan het niet genoeg herhalen: het principe van de Waldorfschool is niet dat een school wordt opgezet met een bepaalde wereldbeschouwing, maar met een bepaalde onderwijsmethodiek. Wat wij willen bereiken met onze methode, die op de menskunde is gebaseerd, is dat kinderen opgroeien tot mensen die fysiek gezond en krachtig zijn, met een vrije ziel en een heldere geest.

GA 305/157
Vertaald/147-148

                                                                0-0-0

67)
DIE PÄDAGOGISCHE PRAXIS VOM GESICHTSPUNKTE GEISTESWISSENSCHAFTLICHER MENSCHENERKENNTNIS
Wir dürfen ja gar nicht in fanatischer, sektiererischer Weise Kin­der so erziehen, daß sie dann ins Leben nicht hineinpassen.

We mogen kinderen absoluut niet op ’n fanatieke, sektarische manier opvoeden, zodat ze vervolgens niet in het leven passen.  voor het leven niet deugen.
GA 306/135
Vertaald/14   Motivatie en kompromissen in de vrijeschool

0-0-0

68)
DIE PÄDAGOGISCHE PRAXIS VOM GESICHTSPUNKTE GEISTESWISSENSCHAFTLICHER MENSCHENERKENNTNIS
Dasjenige, was mit einer auf der Grundlage der anthroposophischen Forschung angestrebten Pädagogik und Di­daktik verfolgt wird, das ist nicht ein Lebensfremdmachen und ein Hinaufführen der Kinder in mystische Nebel, sondern das ist gerade ein Durchgeistigen und Durchseelen des Leibes, so daß dieser Leib für das Erdenleben, so lange er in demselben ist, tüchtig ist, und aus der Tüchtigkeit wiederum die innere Sicherheit schöpfen kann.

DE PEDAGOGISCHE PRAKTIJK VANUIT HET GEZICHTSPUNT VAN GEESTESWETENSCHAPPELIJKE MENSKUNDE
Wat nagestreefd wordt met de op basis van antroposofie ontwikkelder pedagogie en didactiek, dat is niet: de kinderen levensvreemd maken en ze laten zweven in mystieke nevels.
GA 306/151
Vertaald/32    Motivatie en kompromissen in de vrijeschool

0-0-0

69)
DIE PÄDAGOGISCHE PRAXIS VOM GESICHTSPUNKTE GEISTESWISSENSCHAFTLICHER MENSCHENERKENNTNIS
Nur eben sind wir ja wegen der heutigen Verhältnisse in die Notwendigkeit ver­setzt, den eigentlichen Religionsunterricht, weil wir keine Weltan­schauungsschule sind, sondern eine pädagogische Schule, und weil wir eigentlich nur den Wert darauf legen, daß bei uns nach naturge­mäßer Methodik gelehrt wird – wir haben Anthroposophie eben des­halb zugrunde gelegt, weil wir glauben, daß daraus eine wirklich richtige Pädagogik herausquillt, aber wir wollen nicht Anthroposo­phen dressieren in der Waldorfschule ; deshalb ist es so, daß wir den katholischen Religionsunterricht von katholischen Pfarrern, den evan­gelischen Religionsunterricht von evangelischen Pfarrern erteilen las­sen.

DE PEDAGOGISCHE PRAKTIJK VANUIT HET GEZICHTSPUNT VAN GEESTESWETENSCHAPPELIJKE MENSKUNDE.
We zijn nu eenmaal door de actuele verhoudingen genoodzaakt het eigenlijke godsdienstonderwijs – omdat wij geen wereldbeschouwelijke school zijn, maar een pedagogische school en omdat wij er eigenlijk alleen de nadruk op leggen dat bij ons volgens een natuurlijke methode onderwezen wordt — we hebben de antroposofie juist daarom als basis, omdat we geloven dat daaruit een echt goede pedagogie voort kan komen, wij willen geen antroposofische dresseur in de vrijeschool —  de katholieke godsdienstles door katholieke pastoors, het evangelische godsdienstonderwijs door evangelische pastors te laten geven.

GA 306/178
Op deze blog vertaald/178

0-0-0

70)
DIE PÄDAGOGISCHE PRAXIS VOM GESICHTSPUNKTE GEISTESWISSENSCHAFTLICHER MENSCHENERKENNTNIS
Wir wollen nicht eine Weltanschauungs- oder Konfessionsschule haben, auch nicht in anthroposophischem Sinne, aber schließlich wird natürlich gerade die anthroposophische Methodik recht fruchtbar in diesem freien Religionsunterricht, in dem nicht etwa Anthroposophie gelehrt wird, sondern in dem so gearbeitet wird, wie ich es jetzt me­thodisch charakterisiert habe.

DE PEDAGOGISCHE PRAKTIJK VANUIT HET GEZICHTSPUNT VAN GEESTESWETENSCHAPPELIJKE MENSKUNDE.
Wij willen geen wereldbeschouwelijke- of een confessionele school hebben, ook niet in antroposofische  zin, maar uiteindelijk wordt natuurlijk de antroposofische methodiek pas vruchtbaar in deze vrije godsdienstlessen, waarin niet zoiets als antroposofie aangeleerd wordt, maar waarin zo gewerkt wordt, zoals ik  zoëven de methode gekarakteriseerd heb.
GA 306/178
Op deze blog vertaald/178

0-0-0

71)
GEGENWÄRTIGES GEISTESLEBEN UND ERZIEHUNG
Heute ist aber die Menschheit durchaus auf dem Wege nach der Suche des Menschen, der reinen, ungetrübten, undifferenzierten Menschlichkeit. Daß dieses angestrebt werden mußte, das geht ja schon hervor aus der Art und Weise, wie die Waldorfschule eingerichtet wurde. Es war zunächst der Gedanke, den Proletarierkindern der Waldorf-Astoria-Fabrik einen Unterricht zu geben. Und weil derjenige, der die Waldorf-Astoria-Fabrik leitete, in der Anthroposophischen Gesellschaft war, so wendete er sich an mich, um diesen Unterricht einzurichten. Ich selber konnte diesen Unterricht nicht anders als aus den Wurzeln der Anthroposophie heraus einrichten. So entstand die WaIdorfschule zunächst als eine ganz allgemeine, sogar könnte man sagen, aus dem Proletariat herausgebildete Menschheitsschule. Und nur weil derjenige, der zuerst den Gedanken an diese Schule hatte, zu gleicher Zeit Anthroposoph war, wurde diese Schule anthroposophisch.
So dass hier die Tasache vorliegt, dass aus einer sozialen Wurzel heraus allerdings das pädagogische Gebilde herausgekommen ist, das in bezug auf den ganzen Unterrichtsgeist, auf seine ganze Unterrichtsmethode seine Wurzel in der Anthroposophie sucht; aber nicht so, daß wir im entferntesten eine anthroposophische Schule haben, sondern nur weil wir glauben, daß Anthroposophie sich in jedem Momente soweit selbst verleugnen kann, daß sie eben nicht eine Standesschule, eine Weltanschauungsschule oder sonst irgendeine Spezialschule, sondern eine allgemeine Menschheitsschule zu gestalten in der Lage ist.

OPVOEDING EN MODERNE CULTUUR.
Maar tegenwoordig is de mensheid beslist op weg om de mens, de zuivere, onvertroebelde, ongediffe­rentieerde menselijkheid te zoeken. Dat dit nagestreefd moest worden komt al naar voren uit heel de wijze waarop de vrijeschool werd ingericht. Het begon met het idee om de kinderen van de proletariërs in de Waldorf-Astoria-fabriek onderwijs te geven. En omdat degene die deze fabriek leid­de, lid was van de Antroposofische Vereniging, wendde hij zich tot mij om dit onderwijs in te richten. Ikzelf kon dit onderwijs niet anders dan vanuit de wortels van de antropo­sofie inrichten. Zo ontstond de vrijeschool eerst als een heel algemene, je zou zelfs kunnen zeggen, vanuit het proletari­aat ontwikkelde mensheidsschool. En alleen omdat degene die eerst het idee voor deze school had tegelijk antroposoof was, werd deze school antroposofisch. Het is dus een gege­ven feit dat dit pedagogisch geheel beslist uit een sociale wor­tel voortgekomen is en met betrekking tot de hele onderwijsgeest, tot zijn hele onderwijsmethode zijn wortels in de antroposofie zoekt. Maar het is niet zo dat we ook maar in de verste verte een antroposofische school hebben. Nee, het is alleen antroposofisch omdat we geloven dat antroposofie zich op elk moment in die mate zelf kan verloochenen dat ze in staat is tot de vorming niet van een school voor een be­paalde stand, wereldbeschouwing of welke speciale andere school dan ook, maar van een algemene mensheidsschool.

GA 307/14-15
Vertaald/20

0-0-0

72}
GEGENWÄRTIGES GEISTESLEBEN UND ERZIEHUNG
Dieses Allgemein-Menschliche im Unterrichts- und Erziehungswesen, das ich für die verschiedensten Unterrichtszweige charakterisieren mußte, das muß sich im Waldorfschul-Prinzip besonders dadurch ausleben, daß diese Waldorfschule nach keiner Richtung hin eine Schule der religiösen oder philosophischen Überzeugung oder eine Schule einer bestimmten Weltanschauung ist. Und nach dieser Richtung war es ja natürlich notwendig, gerade für ein Schulwesen, das sich aus der Anthroposophie heraus entwickelt hat, darauf hinzuarbeiten, daß nun ja diese Waldorfschule weit, weit davon entfernt sei etwa eine Anthroposophenschule zu werden oder eine anthroposophische Schule zu  sein. Das darf sie ganz gewiß nicht sein. Man möchte sagen: jeden Tag aufs neue strebt man wieder danach, nun ja nicht irgendwie durch den Übereifer eines Lehrers, oder durch die ehrliche Überzeugung, die ja selbstverständlich bei den Waldorfschullehrern für die Anthroposophie vorhanden ist, da sie Anthroposophen sind, irgendwie in eine anthroposophische Einseitigkeit zu verfallen. Der Mensch, nicht der Mensch einer bestimmten Weltanschauung, muß in didaktisch-pädagogischer Beziehung einzig und allein für das Waldorfschul-Prinzip in Frage kommen.

OPVOEDING EN MODERNE CULTUUR.
Dit algemeen-menselijke in onderwijs en opvoeding dat ik voor de meest verschillende onderdelen van het onderwijs moest karakteriseren, moet in de beginselen van het vrijschoolonderwijs in het bijzonder daarin tot uiting komen dat deze vrijeschool in geen enkel opzicht een school met een godsdienstige of filosofische overtuiging of een school van een bepaalde wereldbeschouwing is. En in dit opzicht was het natuurlijk noodzakelijk voor een schooltype dat zich vanuit de antroposofie ontwikkeld heeft, er naar te streven dat nu juist deze vrijeschool in de verste verte niet een antroposofenschool wordt of een antroposofische school is. Dat mag ze zeer beslist niet zijn. Je zou willen zeggen: iedere dag opnieuw streeft men er weer naar juist niet op de een of andere manier, door een overijverige leraar of door de eerlijke overtuiging die immers vanzelfsprekend bij vrijeschoolleerkrachten voor de antroposofie aanwezig is indien ze antroposoof zijn, op de een of andere manier tot een antroposofische eenzijdigheid te vervallen. Enkel en alleen de mens, niet de mens met een bepaalde wereldbeschouwing,  moet in didactisch-pedagogisch 
opzicht voor het vrijeschoolprincipe in aanmerking komen.
GA 307/203
Vertaald/260

0-0-0

73)
GEGENWÄRTIGES GEISTESLEBEN UND ERZIEHUNG
Der freie Religionsunterricht, der ist auch nicht darauf abgestellt, theoretische Anthroposophie in die Waldorfschule hineinzutragen. Das würde ganz falsch sein. Die anthroposophische Überzeugung ist bis heute für Erwachsene ausgebildet, und man spricht ja über Anthroposophie zu Erwachsenen. Man kleidet daher alle Begriffe, alle Empfindungen in dasjenige, was für Erwachsene gut ist. Dasjenige, was in 307/205 unserer anthroposophischen Literatur für Erwachsene bestimmt ist, einfach zu nehmen und es nun in die Schule hineinzutragen, hieße gerade dem Pädagogisch-Didaktischen im Waldorfschul-Prinzip schnurstracks zuwiderhandeln .(  ) So darf man auch nicht unter dem freien Religionsunterricht der Waldorfschule, der sogar mit einem entsprechenden Kultus verbunden ist, sich etwas vorstellen wie eine in die Schule hineingetragene anthroposophische Weltanschauung.

OPVOEDING EN MODERNE CULTUUR
Dit vrije godsdienstonderwijs, dat is er ook niet op ge­richt theoretische antroposofie in de vrijeschool binnen te brengen. Dat zou helemaal verkeerd zijn. De antroposofi­sche overtuiging is tot de huidige dag voor volwassenen

ont­wikkeld, en je spreekt over antroposofie tot volwassenen, nietwaar. Je drukt daarom alle begrippen, alle gevoelens uit in dat wat voor volwassenen goed is. Wat in onze antropo­sofïsche literatuur voor volwassenen bestemd is, eenvoudig­weg te pakken en het in de school binnen te brengen, zou betekenen lijnrecht in strijd met juist het pedagogisch-didactische in het vrijeschoolprincipe te handelen. (  ) Zo mogen we ons ook niet bij het vrije godsdienstonder­wijs van de vrijeschool, dat zelfs met een passende kultus verbonden is, iets voorstellen als een in de school binnenge­brachte antroposofische wereldbeschouwing.
GA 307/203
Vertaald/260

0-0-0

74}
GEGENWÄRTIGES GEISTESLEBEN UND ERZIEHUNG
Anthroposophie, so wie diese für Erwachsene heute vorgetragen wird, wird ganz gewiß nicht in die Waldorfschule hineingetragen  ( )

OPVOEDING EN MODERNE CULTUUR
Antroposofie, zoals die tegenwoordig voor volwassenen wordt gebracht, wordt heel zeker niet in de vrijeschool ge­bracht.
GA 307/204
Vertaald/260

0-0-0

75)
GEGENWÄRTIGES GEISTESLEBEN UND ERZIEHUNG
Und auch bei der Einrichtung der Waldorfschule hat uns eigentlich das vorgeleuchtet, ich habe es ja erwähnt, nicht mit dem starren Dogmatismus, den man bei der Anthroposophie zu finden glaubt, nun irgend etwas in die Schule hineinzutragen, sondern soviel als möglich gerade nichts von dem in die Schule hineinzutragen, was man für Erwachsene als Anthroposophie gibt; lediglich die Anthroposophie so zu haben, daß sie in einem wird die Kraft, den Menschen ganz unbefangen zu erkennen, alles unbefangen in der Welt anzuschauen, um dann auch alles durch die Tat unbefangen angreifen zu können.

OPVOEDING EN MODERNE CULTUUR
En ook bij de inrichting van de vrijeschool was het ons duidelijk – ik heb het al gezegd – dat wij niet met een star dogmatisme waarvan men denkt dat bij de antroposofie te kunnen vinden, ook maar iets binnen de school te brengen, maar zoveel mogelijk juist niets van wat voor de volwassene antroposofie is,  de school binnen te brengen; maar alleen antroposofie zodanig te hebben dat ze in iemand een vermogen wordt de mens onbevangen te leren kennen; alles in de wereld onbevangen waar te nemen om daarna ook alles door het doen onbevangen aan te pakken.

GA 307/251
Vertaald/321

                                                                              o-o-o

76)
DIE METHODIK DES LEHRENS UND DIE LEBENSBEDINGUNGEN
DES ERZIEHENS
Eine Erziehung, wie diese auf Anthroposophie begründete – nicht Anthroposophie als Weltanschauung den Menschen aufdrängende, sondern auf Anthroposophie begründete, weil Anthroposophie echte Menschenerkenntnis nach Leib, Seele und Geist liefert- (
)


DE WORDENDE MENS
Een opvoeding die gebaseerd is op antroposofie  – niet antroposofie als wereldbeschouwing die de mens opgedronge wordt, maar opbasis van antroposofie, omdat antroposofie echte menskunde naar lichaam, ziel en geest aanreikt ( )
GA 308/85
Vertaald/127                      

0-0-0

77)
ANTHROPOSOPHISCHE PÄDAGOGIK UND IHRE VORAUSSETZUNGEN
 Man soll aber nun ja nicht glauben – dieser Irrtum kann leicht entstehen -, daß irgend bei denjenigen Persönlichkeiten, die sich zu Anthroposophie bekennen, der Drang besteht, anthroposophische Schulen zu begründen, Schulen, in denen Anthroposophie als Weltanschauung, wie es nun heute ein­mal ist, an die Stelle anderer, verstandesmäßiger, herzmäßiger Welt­anschauungen gesetzt werden soll. Das ist zunächst gar nicht die Ab­sicht, und es ist wichtig, daß man berücksichtige, daß das gar nicht die Absicht ist. Die Pädagogik, von der hier gesprochen wird, will in sich aufnehmen aus Anthroposophie lediglich die methodischen und didak­tischen Elemente im Erziehen und Unterrichten. Und nur weil die be­rechtigte Ansicht bestehen kann bei denjenigen, die in Anthroposophie wirklich eindringen, daß diese imstande ist, aus ihrer Menschenerkennt­nis heraus auch die entsprechenden wirklich praktischen Regeln zur Menschenbehandlung zu finden, deshalb darf auch angenommen wer­den, daß in die Handhabung, in die Methode, in das Wie des Lehrens und Erziehens durch die Anthroposophie dasjenige hineinkommt, was überhaupt notwendig ist.

Ich möchte nun wie als eine Anmerkung erwähnen, daß wir ja in Stuttgart, wo wir in der Lage sind, seit Jahren im Sinne der anthroposophischen Pädagogik in der Waldorfschule zu wirken, auch nach außen hin ganz klar erkennen ließen, daß es nicht darauf ankommt, Anthroposophie als solche in die Schule hineinzutragen. Wir haben einfach den Religionsunterricht als solchen übergeben für katholische Kinder dem katholischen Priester, für evangelische Kinder dern evan­gelischen Pfarrer, und nur für diejenigen Kinder, deren Eltern wün­schen, daß sie eine freie Religionslehre bekommen, für die werden freie Religionslehren aus der Anthroposophie heraus gegeben; so daß das Weltanschauungsmäßige in der Waldorfschule eigentlich nicht be­rührt wird.
Ferner ist das noch zu beachten, daß zunächst auch nicht gedacht werden soll, daß irgend die Begründung von Schulen im weitesten Umfange ein Ziel und Ideal sein muß desjenigen, was mit anthroposo­phischer Pädagogik erzielt wird. Gewiß, will man rein in anthroposo­phischer Methodik unterrichten, braucht man Musterschulen. Solche Musterschulen sind schon dringend notwendig. Aber da die anthro­posophische pädagogische Kunst zunächst ein Methodisch-Didaktisches sein soll, also das Wie des Unterrichts betont, so handelt es sich darum, daß sie überallhin, in jede Art von Schule, in jede Art des Unterrichts durch den einzelnen Lehrer gebracht werden kann. 

UITGANGSPUNTEN VAN HET VRIJESCHOOLONDERWIJS
Nu moet je echter niet geloven – die vergissing kan makkelijk gemaakt worden – dat bij deze of gene personen die achter de antroposofie staan, de behoefte gevoeld wordt, antroposofische scholen te stichten; scholen waarin de antroposofie als wereldbeschouwing zou moeten komen in plaats van andere wereldbeschouwingen, intellectuele, meer vanuit het hart, zoals dat tegenwoordig nu eenmaal gaat. Dat is, om te beginnen, helemaal de bedoeling niet en het is belangrijk dat je er rekening mee houdt, dat dat helemaal de bedoeling niet is. De pedagogie waarover hier gesproken wordt, neemt uit de antroposofie enkel en alleen de methodische en didactische elementen bij het opvoeden en onderwijzen. En slechts omdat de gerechtvaardigde opvatting kan bestaan bij hen die daadwerkelijk in de antroposofie doordringen dat deze in staat is uit haar menskunde ook de adequate, werkelijk praktische regels bij de omgang met de mens te vinden, daarom ook mag worden aangenomen  dat in die omgang, in de methode, in het hoe van het onderwijzen en opvoeden door de antroposofie daarbij komt, wat daadwerkelijk nodig is.
Ik zou nu  willen opmerken, dat wij in Stuttgart, waar we in staat zijn, sinds jaren in de zin van de antroposofische pedagogie op de vrijeschool te werken, ook naar de buitenwereld heel duidelijk lieten weten, dat het er niet op aankomt, antroposofie als zodanig in de school te introduceren. We hebben eenvoudig het godsdienstonderwijs als zodanig overgedragen aan de priester voor de katholieke kinderen en aan de evangelische dominee voor de evangelische kinderen en alleen voor die kinderen waarvan de ouders wilden dat ze een vrije godsdienstleer zouden krijgen, voor hen worden vrije godsdienstlessen gegeven vanuit de antroposofie; zodat wereldbeschouwing op de vrijeschool eigenlijk niet aan bod komt.
Verder moet je er nog rekening mee houden dat om te beginnen ook niet moet worden gedacht dat ergens de stichting van scholen in de ruimste zin van het woord een doel en ideaal moet zijn van wat met antroposofische pedagogie nagestreefd wordt. Zeker, wanneer je puur met antroposofische methodiek les wil geven, heb je modelscholen nodig. Dergelijke modelscholen zijn al dringend nodig. Maar omdat de antroposofische pedagogische kunst allereerst een methodisch-didactische moet zijn, dus het hoe van het onderwijs benadrukt, gaat het erom dat ze overal, in elke school, in elke vorm van onderwijs door de individuele leraar in praktijk gebracht kan worden.
GA 309/23-24
Op deze blog  vertaald/23-24

0-0-0

78)
DIE PÄDAGOGISCHE WERT DER MENSCHENERKENNTNIS UND DER KULTUURWERT DER PÄDAGOGIK
Es zeigt sich dadurch, daß der begeistertste Anthroposoph, wenn er zum Beispiel Geschichtslehrer wird, sofort in die Tendenz verfällt, nun in die Geschichtsauffassung Anthroposophie hineinzutragen und eigent­lich statt Geschichte Anthroposophie lehren will. Das ist auch wieder­um etwas, was man versuchen muß zu vermeiden.

MENSKUNDE, PEDAGOGIE EN CULTUUR
Het blijkt al uit het feit dat een enthousiaste antroposoof die bijvoorbeeld geschiedenisleraar wordt, meteen de neiging krijgt om voortaan in de geschiedenisles antroposofie in te brengen en eigenlijk in plaats van geschiedenis antroposofie wil doceren. Dat is wederom iets wat we moeten vermijden.
GA 310/111
Vertaald /117

0-0-0

79)
DIE PÄDAGOGISCHE WERT DER MENSCHENERKENNTNIS UND DER KULTUURWERT DER PÄDAGOGIK
(  ) alles, was in dieser Schule ist, ist nicht etwa daraufhin angelegt, sie zu einer Weltanschauungsschule zu machen.

MENSKUNDE, PEDAGOGIE EN CULTUUR
Wat er in de school plaatsvindt, is er immers niet op uit om deze tot een verzuilde school te maken.
GA 310/174
Vertaald /182

0-0-0

80)
DIE PÄDAGOGISCHE WERT DER MENSCHENERKENNTNIS UND DER KULTUURWERT DER PÄDAGOGIK
Wir wollen nur praktische Grundsätze für den Unterricht und die Erziehung haben. Wir wollen nicht Anthroposophie in die Schule hineintragen, weil wir keine Sekte sind, weil wir das ganz Allgemein-Menschliche wollen.

MENSKUNDE, PEDAGOGIE EN CULTUUR
We willen slechts praktische principes voor onderwijs en opvoeding. Het gaat ons er niet om, antroposofie de school in te brengen; we zijn geen sekte en we willen het algemeen-menselijke.
GA 310/174
Vertaald /182

0-0-0

81)
Und wenn es ein wenig gelungen ist, gerade mit diesen Vorträgen über pädagogische Kunst, zu zeigen, wie Anthro­posophie keine sektiererische Phantastik ist, sondern etwas, was ge­wissermaßen mit mathematischer Nüchternheit auftreten möchte -sobald man ins Geistige hineinkommt, wird eben die mathematische Nüchternheit begeistert, denn Begeisterung ist ein Wort, das mit Geist zusammenhängt, und man kann gar nicht anders, als begeistert zu  werden, auch wenn man ganz mathematisch nüchtern ist, wenn man vom Geiste zu reden und zu handeln hat; wenn also Anthroposophie heute noch von manchen wie eine Schwärmerei angesehen wird – man wird schon sehen, daß sie durchaus auf realen Grundlagen fußt: sie will im weitesten Sinne des Wortes Lebenspraxis sein.

Hopelijk is het een beetje gelukt om met deze voordrachten over pedagogische kunst te laten zien dat de antroposofie geen sektarische fantasterij is, maar iets wat in zekere zin met mathematische nuchterheid wil opereren. Zodra je het geestelijke betreedt, wordt de mathema­tische nuchterheid tot geestdrift. Geestdrift is immers een woord dat samenhangt met geest. En als je de geest moet bespreken en behandelen, kun je niet anders dan geestdriftig worden, ook al ben je mathematisch nuchter. Dus ook al wordt de antroposofie nu nog door sommigen versleten voor dweperij, toch zal men wel gaan inzien dat ze absoluut op een reële basis is gestoeld: ze wil in de ruimste zin van het woord praktisch leven zijn.
GA 310/179-180
Vertaald /187

0-0-0

82)
DIE KUNST DES ERZIEHENS AUS DEM ERFASSEN DER MENSCHENWESENHEIT
Denn was kann heute dem Menschen zur Menschenerkenntnis verhelfen? Anthro­posophie! Das ist gar nicht aus einem sektiererischen, fanatischen Untergrunde heraus gesagt. Wenn heute einer Menschenerkenntnis haben will, muß er eben Anthroposophie in sich aufnehmen. Wenn man aber aus Menschenerkenntnis – und das ist doch natürlich – un­terrichten soll, muß man sich diese Menschenerkenntnis erwerben. Was ist das Natürliche? Daß man sie sich durch Anthroposophie erwirbt. Fragt also heute jemand über die Grundlage einer neuen Päd­agogik, was muß man ihm sagen? Anthroposophie, die ist die Grund­lage einer neuen Pädagogik! Ja, aber nun bestreben sich sehr viele Menschen unter uns selber,  Anthroposophie möglichst zu verleugnen, und die Pädagogik ohne Anthroposophie propagieren zu wollen; sie möchten nichts merken lassen, daß Anthroposophie dahinter ist.

Want hoe komt tegenwoordig de mens aan menskunde? Door antroposofie! Dat is helemaal niet vanuit een sektarische, fanatieke achtergrond gezegd. Wanneer iemand in deze tijd menskunde wil hebben, moet hij antroposofie in zich opnemen. Wanneer je echter uit menskunde – en dat is toch een natuurlijke zaak – onderwijs wil geven, moet je je deze menskunde eigen maken. Wat is dan vanzelfsprekend? Dat je je die door antroposofie eigen maakt.Zou er nu iemand naar de grondslag van een nieuwe pedagogie vragen, wat zou je hem moeten zeggen? Antroposofie, dat is de basis voor een nieuwe pedagogie! Maar ja, ook veel mensen uit onze kringen, doen hun best de antroposofie zo veel mogelijk te ontkennen en propageren de pedagogie zonder antroposofie; zij willen er niets van laten merken, dat antroposofie de basis vormt.
GA 311/11-12
Op deze blog  vertaald/11-12 

0-0-0

83)
DIE KUNST DES ERZIEHENS AUS DEM ERFASSEN DER MENSCHENWESENHEIT
Da ich immer nur vom Praktischen aus spreche, so muß ich sagen, die Waldorfschul-Methode ist eine Erziehungsmethode, nicht irgend etwas, was eine Weltanschauung oder etwas Sektiererisches in die Schule hineintragen soll. So kann ich auch da nur von dem Leben in dem Waldorfschul-Prinzip selber sprechen.

DE KUNST VAN HET OPVOEDEN VANUIT HET BESEF: WAT IS DE MENS
Omdat ik steeds vanuit het praktische redeneer, moet ik zeggen dat de vrijeschoolmethode een opvoedingsmethode is, niet een of ander iets wat een wereldbeschouwing of iets sektarisch in de school wil brengen. Dus kan ik hier slechts van het leven in de vrijeschool zelf spreken.
GA311/140  
Op deze blog vertaald/140

0-0-0

84)
DIE KUNST DES ERZIEHENS AUS DEM ERFASSEN DER MENSCHENWESENHEIT
Wir können ohnehin schwer gerade Religionslehrer finden, und deshalb sehen wir es nicht einmal besonders gern, wenn zu viele Kinder herüberkommen, auch schon deshalb nicht, damit die Schule nicht in den Geruch kommt, eine anthroposophische Konfessionsschule zu sein. Das wollen wir durchaus nicht.

DE KUNST VAN HET OPVOEDEN VANUIT HET BESEF: WAT IS DE MENS
Bovendien kunnen we niet genoeg godsdienstleraren vinden en daarom vinden we het nog niet eens fijn als er teveel kinderen komen, ook al niet opdat de school niet het odium op zich laadt een antroposofisch-conventionele school te zijn. Dat willen we absoluut niet.
GA 311/142
Op deze blog vertaald/142

0-0-0

85)
 VOM EINHEITSSTAAT ZUM DREIGLIEDRIGEN SOZIALEN ORGANISMUS
Es ist versucht worden, auf geisteswissenschaftlicher Grundlage Päd­agogik als Erziehungskunst zu begründen. Diese Waldorfschule will nicht eine Weltanschauungsschule sein. Diejenigen Menschen sagen die Unwahrheit, welche sagen, sie will eine Schule sein, in die anstelle alter Weltanschauungen anthroposophisch orientierte Gei­steswissenschaft schon in das Kind hineingetragen wird. Darum handelt es sich gerade bei dieser Schule nicht, sondern darum handelt es sich, daß das, was als Geisteswissenschaft hier gemeint ist, eben den Willen des Menschen erfassen kann, sein Handeln durch­dringen kann und daß dasjenige, was in anderen Weltanschauungen nur Gedanke, Idee bleibt, bei der anthroposophisch orientierten geisteswissenschaftlichen Weltanschauung methodisch gefaßt wer­den kann. Daher handelt es sich bei der Waldorfschule in Stuttgart nicht darum, was man inhaltlich an die Kinder heranbringen will, sondern es handelt sich darum, daß unsere Geisteswissenschaft in ihr Methode wird, wird dasjenige, was die Grundlage abgibt zu der Verrichtung im Lehren, im Erziehen, zum Handeln, zum Wollen des Lehrers.
Dazu gehört aber allerdings, daß diese Pädagogik, diese Erzie­hungskunst gebaut werde auf wirkliche Menschenkenntnis.

VAN DE EENHEIDSSTAAT TOT HET DRIEGELEDE SOCIALE ORGANISME
Er is geprobeerd om op basis van geesteswetenschap pedagogie als opvoedkunst te grondvesten. Deze vrijeschool beoogt niet een  wereldbeschouwelijke school te zijn. Die mensen spreken onwaarheid die zeggen dat zij een school wil zijn waarin, i.p.v. oude wereldbeschouwingen, er bij de kinderen al antroposofisch gerichte geesteswetenschap ingestampt wordt. Daar gaat het bij deze school juist niet om, maar het gaat erom dat wat hier als geesteswetenschap bedoeld is, op de wil van de mens kan werken, zijn handelen kan doordringen en datgene wat in andere wereldbeschouwingen slechts gedachte, idee blijft, bij de antroposofisch georiënteerde wereldbeschouwing als methode gebruikt kan worden.
Daarom gaat het er bij de vrijeschool in Stuttgart niet om wat men er bij het kind inhoudelijk inpompen wil, maar het gaat erom dat onze geesteswetenschap in de school methode wordt, wordt tot dat wat de basis legt voor de onderwijswerkzaamheden, het opvoeden, het doen, de intentie van de leerkracht.
Maar daarbij hoort beslist, dat deze pedagogie, deze opvoedkunst stoelt op echte menskunde.
GA 334/114-115
Niet vertaald

o-o-o

86}
PRIESTERKURSE 1
Sehen Sie, als wir die Waldorfschule gegründet haben – es ist nicht ein Beispiel, aber es ist wenigstens eine Ähnlichkeit vorhanden -, gingen wir darauf aus, keine Weltanschauungsschule, keine Anthro­posophenschule zu gründen, sondern lediglich in Pädagogik und Didaktik das hineinzubringen, was hineingebracht werden kann durch Anthroposophie, ergab sich dann die Notwendigkeit, auch einen freien anthropo­sophischen Religionsunterricht zu erteilen. Aber ich halte in allen Einzelheiten, namentlich in meinem eigenen Verhalten zu der Sache, streng darauf, daß dieser anthroposophische Religionsunterricht nicht in die Konstitution dieser Schule hineinfällt, sondern daß er ebenso von außen hineinkommt wie der katholische, wie der evange­lische Religionsunterricht, so daß nicht die Schule als solche aus sich heraus diesen Religionsunterricht gibt, sondern daß sie eben einfach der anthroposophischen Gemeinschaft gestattet, denjenigen Kindern, bei denen es die Eltern wollen, diesen anthroposophischen Religions­unterricht zu geben, wie den evangelischen Kindern der evangelische und den katholischen Kindern der katholische Religionsunterricht gegeben wird.

PRIESTERCURSUS 1
Kijk, toen wij de vrijeschool opgericht  hebben ( ) gingen we ervanuit geen wereldbeschouwelijke school, een antroposofenschool op te richten, maar slechts datgene wat van de antroposofie in pedagogie en didactiek ingebracht kan worden, in te brengen; toen ontstond ook de noodzaak een vrij antroposofisch godsdienstonderwijs te geven. Maar ik houd mij er stipt aan tot in alle details, ook wat betreft mijn eigen verhouding tot de zaak, dat dit antroposofische godsdienstonderwijs niet binnen de schoolinstelling valt, maar dat dit net zo van buitenaf komt als het katholieke, het evangelische godsdienstonderwijs van buiten komt, zodat de school niet als zodanig van haar uitgaande dit godsdienstonderwijs geeft, maar slechts toestemming geeft aan de antroposofische gemeenschap, aan de kinderen wiens ouders dat verlangen, dit antroposofische onderwijs net zo te geven als aan de evangelische kinderen evangelisch godsdienstonderwijs,aan  de katholieke kinderen katholiek godsdienstonderwijs gegeven wordt.
GA 342/62-63
Niet vertaald  

o-o-o

87)
PRIESTERKURSE 1
Sehen Sie, als wir hier die Waldorfschule errichtet haben – ich möchte Ihnen gewissermaßen aus dem unmittelbar gegenwärtigen Leben heraus die Dinge zeigen -, als wir hier die Waldorfschule errichtet haben, da handelte es sich darum zunächst, daß das mehr aus dem Zeitbewußtsein heraus geschehen mußte und der Welt klar-zumachen, daß wir nicht das Bestreben haben, mit dieser Waldorf­schule eine Weltanschauungsschule zu begründen. Es ist die schlimmste Verleumdung der Waldorfschule, wenn in der Außenwelt immer wieder gesagt wird – und die Dinge pflanzen sich schon bis nach Amerika hinüber fort -, sie sei dazu da, um den Kindern Anthroposophie beizubringen. Dazu ist sie nicht da! Sie ist keine Weltanschauungsschule. In die Pädagogik und Didaktik kann dasje­nige einfließen, was man durch Anthroposophie gewinnen kann. Es soll nur in der pädagogischen Behandlung selber dasjenige liegen, was die Anthroposophie ergründen kann.

PRIESTERCURSUS 1
Ziet u, toen wij hier de vrijeschool gesticht hebben – ik zou U graag tot op zekere hoogte de dingen uit het huidige actuele leven willen laten zien – toen wij hier de vrijeschool opgericht hebben, ging het er allereerst om dat dit meer vanuit het tijdsbesef moest gebeuren en de wereld duidelijk te maken dat wij er niet naar streven met deze vrijeschool een wereldbeschouwelijke school te stichten. Het is de ergste kwaadsprekerij over de vrijeschool, wanneer in de omringende maatschappij steeds weer gezegd wordt – en deze zaken worden al tot in Amerika verspreid – die is er om de kinderen antroposofie bij te brengen. Daarom bestaat deze niet! Het is geen wereldbeschouwelijke school. In de pedagogie en didactiek kan datgene instromen wat uit de antroposofie gehaald kan worden. In het pedagogisch handelen zelf moet datgene aanwezig zijn waarvan antroposofie de basis kan zijn.
GA 342/93
Niet vertaald 

o-o-o

88)
PRIESTERKURSE 1
Wir haben Anthroposophie nicht als irgendeinen Gegenstand im Lehrplan der Schule, sondern geradeso wie der katholische und der evangelische wird der anthroposophische Religionsunterricht von außen herange­tragen. Wir haben versucht, eine Methodik dafür zu bekommen und so weiter.

PRIESTERCURSUS 1
Wij hebben antroposofie niet als een of ander vak in het leerplan van de school, maar net zo als het katholieke en het evangelische wordt het antroposofische godsdienstonderwijs van buitenaf gegeven. Wij hebben geprobeerd er een methode voor te ontwikkelen enz.
GA 342/94
Niet vertaald

0-0-0

89)
PRIESTERKURSE 2
Als wir in Stuttgart die Waldorfschule begründet hatten, mußte in dem Sinne der Absicht, daß die Waldorfschule absolut nicht eine Weltanschauungsschule sein sollte, sondern daß sie eine Schule sein sollte, in welcher bloß didaktisch und pädagogisch, also in der Handhabung des Unterrichtes dasjenige vertreten werden sollte, was aus der Anthroposophie kommen kann, die Einrichtung getroffen werden, daß das eigentliche Religiöse, also in diesem Sinne das Weltanschauliche, übertragen wurde den Seelsorgern der betref­fenden Konfessionen’

PRIESTERCURSUS 2
Toen wij in Stuttgart de vrijeschool hadden opgericht, overeenkomstig de bedoeling dat de vrijeschool absoluut geen wereldbeschouwelijke school zou zijn, maar een school waarin alleen datgene wat vanuit de antroposofie kan komen  didactisch en pedagogisch toegepast kan worden in het  onderwijs, moest het zo georganiseerd worden, dat de eigenlijke godsdienst, dus in deze zin het wereldbeschouwelijke, overgedragen werd aan de geestelijken van de betrokken godsdiensten.
GA 343/309
Niet vertaald

o-o-o

90)
PRIESTERKURSE 2
Wir waren gewissermaßen gezwungen, einen Re­ligionsunterricht im Sinne der anthroposophischen Weltanschauung einzurichten, und ich suchte das in der Weise zu tun, daß davon tatsächlich prinzipiell getrennt wurde die Leitung der Schule, die absolut neutral sich zu diesen Dingen verhalten sollte, die es nur als ihre Aufgabe betrachtet, pädagogisch-didaktisch zu wirken. Ich be­trachte es als eine durchaus prinzipiell wichtige Sache, daß die Lei­tung der Schule selbst und alles das, was in die Leitung der Schule einfließt, nichts zu tun hat mit diesem Religionsunterricht, so daß die Vertreter dieses Religionsunterrichtes geradeso in die Schule hineingestellt sind wie der römisch-katholische und die verschiede­nen evangelischen Religionslehrer. Altkatholiken gab es da nicht, sonst würde auch für die gesorgt worden sein.
Damit war also der anthroposophische Religionsunterricht, wie man ihn vielfach nannte – ich selber halte nicht viel von Namen -, inauguriert und wurde nun auch in der Weise begonnen, wie man ihn nach der anthroposophischen Überzeugung führen muß, näm­lich dadurch, daß er möglichst ins Leben hineingestellt wird, und daß gewissermaßen Bibelerkenntnis und namentlich Evangeliener­kenntnis als die Krönung des ganzen Religionsunterrichtes heraus­kommen.

PRIESTERCURSUS 2
We werden in zekere zin gedwongen een godsdienstonderwijs in te richten vanuit de antroposofische wereldbeschouwing en ik probeerde dat op die manier te doen dat de schoolleiding er principieel niets mee van doen had, want die moet absoluut neutraal zijn wat deze dingen betreft; die heeft slechts als opdracht pedagogisch-didactisch te werken. Ik beschouwde het als een zeer besliste principiële zaak dat de leiding van de school zelf en alles waarmee de leiding van de school te maken krijgt, niets van doen had met dit godsdienstonderwijs, zodat de vertegenwoordigers van dit godsdienstonderwijs net zo de school zouden binnenkomen als de katholieke of de evangelische godsdienstleraren. Oudkatholieken waren er niet, anders was er voor deze ook zorg gedragen. Daarmee was het antroposofische godsdienstonderwijs, zoals het vaak wordt genoemd – ik zelf houd niet van die naam – een feit en er werd ook op die manier mee begonnen zoals men dat vanuit een antroposofische overtuiging moet doen, namelijk door het in het leven te plaatsen en dat er in zekere zin Bijbelkennis en vooral ook kennis van het evangelie als bekroning van heel dat godsdienstonderwijs uit zou komen.
GA 343/310
Niet vertaald

0-0-0

91)
KONFERENZEN  MIT DEN LEHRERN DER FREIEN WALDORFSCHULE

Es würde ja wünschenswert sein, daß gerade in diesem Lebensalter -es sind etwa Achtzehnjährige – die Schüler ein abschließendes Ver­ständnis gewinnen würden für das Historisch-Künstlerische und schon aufnehmen würden das Spirituelle, ohne ihnen anthro­posophische Dogmatik beizubringen, in Literatur, Kunstgeschichte und Geschichte. 

(Rudolf Steiner) IN VERGADERING MET DE LEERKRACHTEN VAN DE VRIJESCHOOL STUTTGART.

Het zou wenselijk zijn dat juist op deze leeftijd – het gaat om ongeveer achttienjarigen – de leerlingen een afsluitend begrip ontwikkeld zouden hebben voor het historisch-kunstzinnige en al begrip zouden kunnen opbrengen voor het spirituele zonder hen antroposofische dogma’s bij te brengen, in literatuur, kunstgeschiedenis en geschiedenis.
GA 300C/34
Niet vertaald

92
KONFERENZEN  MIT DEN LEHRERN DER FREIEN WALDORFSCHULE

( ) ein Überblick [geben] über das ganze geschichtliche Leben, so daß man die orientalische Geschichte vorangehen läßt und über das Griechentum heraufkommt zur neueren christlichen Entwickelung. Man kann da durchaus dann Dinge hineingeben — nicht wahr, ohne daß man anthroposophische
Dogmatik lehrt —, man kann durchaus Dinge hineinbringen, die also ja wirklich innere Spiritualität haben. 

(Rudolf Steiner) IN VERGADERING MET DE LEERKRACHTEN VAN DE VRIJESCHOOL STUTTGART

( ) een overzicht geven over hele historische leven, zodat je de Morgenlandse geschiedenis eerst neemt en dan via de Grieken naar de nieuwere christelijke geschiedenis. Daar kun je zeker wel dingen weergeven – zonder antroposofische dogma’s aan te leren – die toch een echte innerlijke spiritualiteit hebben.
GA 300C/151-152  
Niet vertaald

.
Rudolf Steiner: alle artikelen
.
vrijeschool en antroposofie: alle artikelen

186-176

.

VRIJESCHOOL – Getuigschriften (3) Illustraties

.

ILLUSTRATIES BIJ GETUIGSCHRIFTEN 

Van Ruud Gersons ontving ik volgend bericht:

Maken getuigschriftspreuken illustraties overbodig?

Zoals bekend worden de getuigschriften vaak schitterend geïllustreerd. Uren zijn  collega’s in de weer om de meest fantastische tekeningen of schilderingen te maken. Maar wat gebeurt daarmee? In het gunstigste geval staat zo’n beeld een aantal weken op de schoorsteen. Boven het bed van het kind hangen, gaat meestal niet, want het zit vast aan het getuigschrift. Op zich is er natuurlijk niets mis met die noeste vlijt. Maar je kunt de vraag stellen wat voor het kind werkzamer is: een getuigschriftenspreuk (waar je óók op moet zwoegen!) of een mooie illustratie.

Feit is, dat als je goed om je heen kijkt, je een aantal collega’s er bijna aan onderdoor ziet gaan. Eén uur per illustratie bij een klas van 30 kinderen, is al gauw één hele werkweek er bij. Ik weet dat er collega’s zijn die in de getuigschriftentijd “op de automatische piloot” les geven. Is hier niet sprake van een “heilig moeten”?

Natuurlijk moet iedereen dit voor zichzelf weten, maar één ding is zeker: in de tijd van Rudolf Steiner werden er wél getuigschriftspreuken gemaakt, maar zeker geen illustraties. Ik heb als kind zelf op de Vrije School les gehad van een juf die Rudolf Steiner persoonlijk had meegemaakt. Later heeft zij mij verzekerd dat het niet Steiners bedoeling was, dat getuigschriften “plaatjes” kregen. De getuigschriften zelf moesten altijd kort, zakelijk en “to the point” zijn.

Iets anders is het natuurlijk als je zelf geen affiniteit hebt met het maken van gedichten. Dan kan een illustratie een goed alternatief zijn. Maar allebei? Het probleem is, dat als enkele leraren illustraties maken, je bijna niet kunt achter blijven. Jouw getuigschrift zou dan erg kaal over komen. Ik zou er een lans voor willen breken binnen het lerarenteam dit eens aan de orde te stellen!

Beste Ruud,

Je stukje is me uit het hart gegrepen.
Niet alleen het gevoel dat je bijna niet kunt achterblijven – ook de kinderen en de ouders vinden een prachtig geïllustreerd getuigschrift mooier dan een zonder tekening/schildering. Vaak wordt daaraan de kwaliteit afgemeten; niet aan waarom het gaat: de spreuk.

Er valt zeker wat voor te zeggen om dat wat je aflevert zo mooi mogelijk te laten zijn; een extra kunstzinnig geschenkje; maar als dan nachten doorwerken en lesgeven op de automatische piloot het gevolg zijn?…….

Van jaren terug herinner ik mij nog getuigschriften uit Duitse scholen: geen illustraties. Hoe is dat nu? Hoe is dat in andere landen? (Als Nederlandse leerkrachten het daar tenminste niet geïntroduceerd hebben?)

.

Rudolf Steiner:  over getuigschriften

Getuigschriften: alle artikelen

.
176-166

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Getuigschriften (2)


.

GETUIGSCHRIFTEN

Toen ik in 1971 voor mijn (eerste) eerste klas de getuigschriften moest maken, wist ik nog niet zo duidelijk hoe dat gedaan moest worden.

Oudere collega’s vertelden me dat het ging om 2 dingen: een verslag voor de ouders en een beeld voor het kind, waarin het zichzelf zou kunnen herkennen.

Ik vond dat geen gemakkelijke opgave. Het deel voor de ouders was aanzienlijk makkelijker te realiseren dan dit beeld voor het kind.

De voorbeelden ‘een beeld voor het kind’ die ik onder ogen kreeg waren vrijwel allemaal geschreven stukjes proza; er was ook een enkel gedicht bij.
Niemand had het over ‘een spreuk die voor het kind een bepaalde levensrichting zou moeten bevatten.’
De voordrachten waarin Steiner iets zegt over het getuigschrift, had ik of nog niet gelezen of ze waren nog niet als GA verschenen, zoals bv. “die Konferenzen’ die pas in 1975 gedrukt werden.

Ik herinner me tevens dat er leerkrachten waren die buitengewoon mooi konden tekenen of schilderen en die het getuigschrift tot ware kunstwerkjes verhieven.
Ik kon dat helemaal niet zo en voelde me ver achterblijven bij wat ik dacht te moeten presteren.

In het najaar van 1971 sprak Oscar Klinkenberg in de pedagogische vergadering over een boekje van Heinz Müller:
Von der heilenden Kraft des Wortes und der Rhythmen’.

Ik ben hem daarvoor nog steeds dankbaar – een stille, wat teruggetrokken collega, die ernaar streefde alles zo verzorgd mogelijk voor zijn klas te doen; uit zijn wezen sprak een grote betrokkenheid voor Steiners pedagogie.

Hij was het dus die mij met de ‘methode Müller’ op het spoor zette, voortaan voor de kinderen, i.p.v. stukjes proza, “spreukachtige gedichtjes” te maken, op basis van het ritme waarmee je ook helpend werken kan aan het ritmische-, het gevoelsleven van het kind.

Nog weer later las ik dat Steiner ‘een spreuk’ voor het kind heel wezenlijk vond, maar tot nog toe ben ik bij hem nergens in dit verband een opmerking tegengekomen over ritme en temperament.

Uit bovengenoemd boek van Heinz Müller:

‘Wat zijn getuigschriftspreuken en hoe gebruik je ze in het onderwijs’

Toen de vrijeschool in Stuttgart in september 1919 opgericht was, deed zich al snel de vraag voor hoe vaak en op welke manier men rapporten zou geven. Eerst vond Rudolf Steiner het nodig dat ze 2x per jaar gemaakt zouden worden. Spoedig bleek dat noch de overheid, noch de ouders dat eisten. Zo bleef het bij de rapporten die aan het eind van het schooljaar werden gegeven.
(Hoewel ‘Zeugnis’ rapport en getuigschrift betekent, is het woord getuigschrift in de vrijescholen ingeburgerd geraakt. Wanneer dit wordt bedoeld, heb ik ‘Zeugnis’ met getuigschrift vertaald; in andere gevallen met rapport.)
‘Het getuigschrift(formulier) heeft een grote vrije ruimte waarop de klassenleerkracht over het kind schrijft. Rudolf Steiner hechtte er de grootst mogelijke waarde aan, dat hier een zo individueel mogelijk beeld van het kind zou worden weergegeven. Daarbij moest vermeden worden, dat men negatieve opmerkingen zou plaatsen. De leerkracht zou zich zo liefdevol als mogelijk in het karakter, in de vaardigheden, maar ook in de tekortkomingen en zwakten van zijn leerling moeten verdiepen en dat alles op de meest toegenegen manier weergeven.

Pas dan zou zo iets als een beoordeling van de prestaties moeten volgen. Uiteraard moet het beeld dat geschetst wordt getrouw en eerlijk zijn. Maar ook hier zou je iedere veroordelende beoordeling moeten vermijden. Daartegenover zouden wegen ter verbetering getoond moeten worden.
Terwijl je je in dit deel van het getuigschrift uitsluitend richt tot de ouders van de kinderen van de laagste klassen, zou je de leerlingen van de middenklassen moeten betrekken bij wat je hen te zeggen hebt. Stimuleren en liefdevol toespreken, maar geen opmerkingen die aanzetten tot eerzucht moeten ook bij de meest onbeholpen leerling zijn te vinden. Net zo kun je met humor aansluiting proberen te vinden bij de grootste lummel.

Tot slot moet de klassenleerkracht in een ‘getuigschriftspreuk’ samenvatten wat hij denkt dat voor zijn leerling een wegwijzer kan zijn in het komend schooljaar.

In een vergadering van GA 300A/285, 26 mei 1921 vat Rudolf Steiner zelf kort samen wat hij van een getuigschrift verwacht:

=We  zijn het erover eens dat we de getuigschriften maken zoals vorig jaar. Een zo getrouw mogelijk beeld. Onderaan weer voor ieder kind een spreuk op het getuigschrift die voor de individualiteit van het kind richtinggevend kan zijn.=

Rudolf Steiner legde er verschillende keren de nadruk op, dat het goed zou zijn wanneer de klassenleerkracht deze spreuken zelfstandig zou maken.

In het bijzonder in de grote stad komen de kinderen ’s morgens door de reclame die ze onderweg zien en in ’t bijzonder door het drukke verkeer in een toestand op school die je meteen zo snel mogelijk moet verbeteren, voor je überhaupt tot zinnig werken kan komen. Het is belangrijk dat het lawaai en de hectiek van de straat niet verder gaan in het lokaal. Het beste kom je daaraan tegemoet wanner je er voor zorgt dat de kinderen rustig in de rij staan en door hun klassenleerkracht met een handdruk begroet worden, wanneer ze het lokaal binnenkomen. Dan blijf je bij hen tot het sein klinkt dat de lessen beginnen. In deze tijd kunnen er kleine mededelingen worden opgeschreven in het schriftje ‘school-thuis’; af en toe moet er geld worden ingezameld of de spullen voor het schilderen worden klaargezet. (Eenmaal per week wordt er gewoonlijk met waterverf geschilderd).
Als begin van de lessen spreken leerkracht en kinderen samen de ochtendspreuk.
Dan volgt een klein muzikaal deel. In de laagste klassen spelen de kinderen eenstemmig blokfluit, later komen daar andere instrumenten bij. Ook zingen wordt a capella en met instrumentale begeleiding geoefend. Aansluitend een reeks spraakoefeningen die individueel en in koor worden geoefend, waarbij je erop let dat het heel precies gaat. Wanneer je weinig leerlingen hebt, kun je misschien de spreuken van alle kinderen laten spreken. In de erg grote klassen, zoals ik ze moest leiden, maakten we een indeling die interessante groepjes opleverde. Ieder kind sprak namelijk zijn spreuk op de dag waarop het werd geboren, waarbij op maandag de zondagskinderen de rij openden. De eerste weken na de grote vakantie sprak de leerkracht iedere spreuk zo goed mogelijk voor. Later was dat niet meer nodig. Vol bewondering merkte de klassenleerkracht dat in de bovengenoemde 
groepering zich vaak merkwaardige lotsovereenkomsten toonden. Zo was er eens in een klas in de woensdaggroep een samengaan van kinderen die hulp voor hun gezondheid nodig hadden, zo alsof ze de mercuriusdag hadden gekozen om hun aardeleven te beginnen.
Ook de vriendschap vóór schooltijd werd in de getuigschriftspreukengroep van dezelfde weekdag teruggevonden.
Je zou aan iedere leerkracht willen aanraden die samenhangen eens na te gaan.
Voor het grootste deel zijn de ervaringen die je daarmee opdoet van zo’n broze en intieme aard dat je ervoor schroomt ze in woorden samen te vatten.
Na al deze voorbereidingen zijn de kinderen zo ver dat ze de les kunnen volgen, zonder dat er nog storende invloeden van straat het werken hinderen. Bovendien wordt door dit vertrouwelijk kunstzinnig werken met de kinderen de mogelijkheid geschapen dat ze op een heel andere manier dat wat in het onderwijs geboden wordt, in zich opnemen dan wanneer je je eenvoudigweg intellectueel tot hen zou richten.
De grootste vreugde beleeft de klassenleerkracht wanneer hij op ouderbezoek merkt hoe de getuigschriftspreuk bij het kind een plaats is gaan innemen. Hoe vaak heeft hij niet kunnen waarnemen dat de kinderen onder elkaar over hun getuigschrift praten en er trots op zijn. Dan mag hij hopen dat het woord werkelijk zijn weg gevonden heeft naar gevoel en wil, zoals Rudolf Steiner het zegt: ‘Veel meer dan met ons denken hangt het woord samen met ons gevoel en nog veel sterker met wat in onze wil ligt, omdat nu eenmaal het voelen tot een veel onderbewuster deel van onze ziel hoort dan het denken, en het willen tot het nog diepere onderbewustzijn van onze ziel hoort dan het gevoel. Wanneer de mens een woord uitspreekt, zo verhoudt zich dit tot het denken als een soort teken; tot het voelen verhoudt het zich veel intiemer. Het is veel meer in samenhang met het voelen; en heel in het bijzonder hangt het samen met de wil.’
(Das Reich der Sprache – GA 162/129 

Hoe verantwoordelijk is het werken met getuigschriftspreuken, hoeveel kun je op het gebied van zielenhygiëne niet bereiken wanneer je  met volledige inzet ernaar streeft! ‘
(vertaling van blz. 15-19, uitg. 1967)

Ssteeds meer collega’s gingen ertoe over de gezichtspunten en ervaringen van Heinz Müller te gebruiken om voor hun leerlingen de getuigschriftspreuken te maken.

In de ‘Lerarenbrief’ van april 2013 verscheen een artikel van Ruud Gersons. Met toestemming volgt het hier:

Over de getuigschriftspreuken

De tijd van de getuigschriftspreuken nadert. Toen ik nog aan de Zeister Vrije School werkte, heb ik eens mijn gedachten over dit onderwerp opgeschreven. (Ik werk nu aan de Stichtse Vrije School voor VO, bovenbouw dus.) Het leek mij tijd worden, dat mijn beslommeringen beschikbaar komen voor col­lega’s die met dit onderwerp nog wat aarzelingen hebben. Vandaar dit artikel. Waarbij ik meteen aan­teken, dat onderstaande mijn eigen visie is op het thema van de getuigschriftspreuken en dus zeker niet als zaligmakend beschouwd mag worden. Ik geef mijn mening graag voor een betere.

Mijn inspiratiebron was het boekje Von der heilenden Kraft des Wortes und der Rhythmen -Die Zeugnissprüche in der Erziehungskunst RudolfSteiners, van Heinz Müller (Verl. Freies Geistesleben, Stuttgart 1995).
Maar waar hij de opwekkende en tot rust komende ritmen be­spreekt, ben ik het niet helemaal met hem eens en ben mijn eigen weg gegaan.

Zoals bekend, bestaat het getuigschrift uit twee delen: een deel voor de ouders en een deel voor het kind zelf. Over het deel dat bestemd is voor de ouders, zou ook een heleboel te zeggen zijn. Maar ik beperk mij tot het deel dat voor het kind bestemd is. Rudolf Steiner zag voor zich, dat het kind zichzelf zou kunnen herkennen in een beeld, of een gedicht, zodanig dat het har­moniserend en stimulerend zou kunnen werken. Vanaf het begin van de Waldorfschool kregen de leerlingen van de onderbouw een eigen beeld of gedicht, waaraan zij innerlijk zouden kunnen groeien. In de loop van de jaren heb ik zelf vele getuigschriftspreuken gemaakt en hoe ik daarbij te werk ben gegaan, wil ik hier uit de doeken doen.

Mijn uitgangspunten bij de getuigschriftenspreuken:

• De spreuk moet “homeopathisch” werken, d.w.z. aansluiten bij wat er is en dat geleide­lijk omvormen vanuit de eenzijdigheid in het tegenovergestelde, zodat een evenwichtig “midden” ontstaan kan.

  • Het eerste deel van de spreuk sluit met het ritme aan bij het temperament van het kind. Het tweede deel brengt een ommekeer teweeg en gaat over in het tegenovergestelde temperamentritme. (Dus bijv. van cholerisch naar flegmatisch en omgekeerd. Van melan­cholisch naar sanguinisch en omgekeerd).
  • Ik begin dus naar twee ritmen te zoeken voor een kind: het eigen temperamentritme én het tegenovergestelde. Grove indeling: van op­wekkend naar rustig, of juist andersom. Fijnere indeling: van het ene temperament overvoeren in het tegenovergestelde. Soms komen beide indelingen tegelijk voor en ver­sterken elkaar.
  • Heb ik eenmaal een geschikt ritme gevon­den, waarop goed gelopen kan worden, dan zoek ik daar zinvolle beelden bij, die aan­sluiten bij de ritmen, zodat ze deze verster­ken. Bijv. een melancholisch beeld bij een melancholisch beginritme. Dan een sangui­nisch beeld bij een opwekkend, sanguinisch ritme. Dat kind moet dus uit de melancholie “gewekt” worden.
  • Mijn getuigschriftspreuken hebben dus meestal twee coupletten. (Soms wijk ik hier­van af.)
  • Bij de overgang van het eerste naar het tweede couplet veranderen dus zowel het ritme als het beeld! Dit moet een “verster­kend effect” opleveren.

Diverse ritmen

Opwekkend, versnellend:

l)    v-      cholerisch    (kort lang)                           jambe

2)   v v – sanguinisch (kort kort lang)                  anapest

3)   – –    niet uitgesproken gekoppeld aan een temperament
(lang lang)                                                                    spondeus (gevolgd door bijv.
jambe

4)  – v v – niet uitgesproken gekoppeld aan een temperament
(lang kort kort lang)                                                 choriambus

Deze ritmen hebben gemeen dat ze eindigen op een ‘lange’, beklemtoonde lettergreep. Als je deze rit­men loopt, dan zul je merken dat je op een korte a.h.w. een aanloop neemt om te eindigen op die laat­ste, krachtige lange. Vandaar het opwekkende karakter van deze ritmen.

Tot rust komend, afremmend:

l) -v   flegmatisch (lang kort)                             trochee

2)  – v v niet uitgesproken gekoppeld aan een temperament
(lang kort kort)                                                        dactylus

3)  v – v melancholisch maar ook wel als “harmonisch” ritme aangeduid
door Steiner
(kort lang kort)                                                        amfibrachys

4) v – – v                   (kort lang lang kort)          naam mij onbekend

Deze ritmen hebben gemeen dat ze eindigen op een ‘korte’, onbeklemtoonde lettergreep. Als je deze ritmen loopt, dan zul je merken dat je op die laatste korte a.h.w. afremt. Vandaar het tot rust komende karakter van deze ritmen.

Voorbeelden van werkwijze voor de vier temperamenten

1.Een sanguinisch kind
De spreuk zal opwekkend beginnen en dan tot rust voeren.

Bijv. van de opwekkende anapest (v v -) over­gaan naar de melancholische (of door Steiner “harmonisch” genoemde) amfibrachys (v – v ).

Voor een heel drukke, motorisch propulsieve jongen (klas 2) die zijn onrust kwijt moet en tot innerlijke rust moet komen. Dus van bewe­ging naar rust.

Zie het water dat schuimt                 (v v -)
Zie het water dat spat
Naar omlaag kolkt de stroom
Spettert alles zo nat.

In de stroom staat een man        (v v -)
Draagt een kind op zijn rug
O hoe zwaar is zijn last
Kan niet voort, noch terug

Maar dicht bij de oever                (v – v / v – v)
Spreekt tot hem het kind:            (v – v / v -)
“O, Offerus gij                                   (v-v/ v-)
die trotseert weer en wind           (v v – / v v -)
Christophorus doop ik                  (v – v / v – v)
Zo is uw naam,                                  (- v / v -)
Ja drager van Christus,                (v – v / v – v)
Zo heet gij voortaan!”                   (v-v/ v -)

2. Een flegmatisch kind
De spreuk zal rustig, slepend beginnen, maar overgaan in een opwekkend ritme.

Begin bijv. met trochee (- v), eindig met anapest (v v -)

Een flegmatisch joch (klas 1) is een dromer. Hij moet wakker worden en aan de slag!

’t Nachtlijk duister gaat verdwijnen           (- v)
Zie de morgenzon reeds schijnen
Helder is de dageraad
Wekt mij op tot werk en daad

Wakker en blij                                                      (- v v -)
Doe ik mijn plicht
Want Godes licht
Voel ik in mij!

3. Een melancholisch kind
De spreuk start vanuit een harmonisch ritme als amfibrachys (v – v), waarna overgegaan wordt naar een opwekkend ritme, bijv. de cho­riambus (- v v -) en tenslotte weer iets tot rust komend met dactylus (-v v).

Voor een tenger, schuchter, melancholisch meisje, klas 2. Zij moet uit haar schulp treden en extroverter worden. Ze kan veel als ze ge­stimuleerd wordt.

(Thema: Legende Elisabeth von Thüringen)

Een winterse deken lag over de aarde                          (v – v)
De zieken en armen, waarheen zij ook staarden
Zij vonden geen liefde, geen zorg en geen eten
Zij voelden zich eenzaam en koud en vergeten

Daar kwam een vrouw: Elisabeth                                  (- v v -)
Sterk was haar wil, groot was haar trouw
Zieken en armen, zij gaf hen te eten;
Elisabeths goedheid werd nimmer vergeten!          (- v v)

4. Een cholerisch kind
De spreuk krijgt een krachtig begin, bijv. anapest (v v -) overvoerend in dactylus (- v v ) of amphybrachys (v – v) of trochee (- v)

Of beginnen met spondeus of choriambus, beiden opwekkend.

Voor een cholerisch meisje (klas 2) dat heel veel in haar mars heeft, maar erg bepalend is in de klas. Ze mag wat minder hoog van de toren blazen. De herhaalwoorden geven extra kracht weer in de spreuk.

Schip in de storm                 (- v v -)
Storm op de zee
Zee beukt en bruist
Schip neem mij mee!

Storm ga liggen                      (- v)
Storm verlies je
’t Schip zeilt ook wel bij een briesje.

Zoals Ruud hier uiteenzet, ben ik ook vele jaren te werk gegaan.
Hij maakt tot slot in zijn artikel nog een aantal opmerkingen; in cursief zet ik daarbij mijn opmerkingen.

Opmerkingen

1. Pas op met te veel trocheeën (- v) of jambes (v -) na elkaar.
Dan wordt lopen snel tot hinken en dat is gauw vermoeiend. Niet meer dan een paar re­gels met deze “hink”-ritmen.
Dit onderschrijf ik helemaal

2. De geboortedag van het kind in de week
In een aantal vrijescholen loopt de leerling de spreuk op de dag in de week dat hij/zij is ge­boren. Ben je op zaterdag geboren, dan komt jouw spreuk op de vrijdag. Op zondag geboren? Dan ben je ’s maandags aan de beurt.
Deze werkwijze wordt door Müller beschreven. Ik heb deze in mijn eigen klassen niet toegepast. Ik wilde graag het ritme, zoals Ruud dit hierboven zo gedegen beschrijft, met de kinderen oefenen en koos daarvoor een tijd van 4 weken – de tijdseigenschap van het etherlijf.
In de 1e week zei het kind de spreuk op; in de 2e week kwamen daar de bewegingen klappend bij en daarna ook het lopen. De klas sprak dan – het lopende kind niet – zoals hierboven ook aangegeven. Omdat er meer dan 1 kind een beurt krijgt, kun je hier wel kiezen voor ‘dinsdagkinderen enz., maar dat hoeft niet.

3.  Gang van zaken
Een goed moment om dit te doen is meteen na de ochtendspreuk. Dit gebeurt ook meestal zo.
Je kunt natuurlijk ook de klas mee laten re­citeren. Het betreffende kind loopt dan op het ritme. Je kunt ook het betreffende kind de spreuk laten reciteren, terwijl de hele klas er op loopt. Klappen in de handen kan uiteraard het lopen afwisselen.
Zo leren ze elkaars spreuken kennen en dus ook iets van de geheimen van elkaars tempera­menten, eenzijdigheden en de oplossingen daarvoor – zonder dat dit natuurlijk besproken wordt. Als Marietjes spreuk begint met een be­schrijving van iets tragisch’, zal de klas het er wel mee eens zijn, dat het bij haar past. Haar tweede couplet brengt de oplossing. Als Johns spreuk begint met “bulderend onweer” zal ook iedereen snappen dat dat bij John past. Zijn spreuk eindigt met de zon die weer doorbreekt tussen de wolken. Zo leren ze van elkaar.
Het betreffende kind laten lopen én opzeg­gen tegelijk, lijkt me niet juist, (zoals ook de euritmist niet beweegt en tegelijk spreekt) maar dat is gevoelsmatig.

Geheel mee eens.

4.  Hoe lang er mee werken?
Meestal wordt begonnen na de zomervakan­tie. Het is heel goed als het kind tijdens de va­kantie de spreuk thuis al uit z’n hoofd heeft ge­leerd. Dan kun je na de vakantie er snel mee aan de slag. Maar dan? Het hele schooljaar? Lijkt mij niet. Al was het alleen maar omdat het kind innerlijk groeit en niet te lang steeds maar bezig wil zijn met thema’s van het vorige schooljaar (zie punt 5). Tot de herfstvakantie is mooi; tot de kerstvakantie kan, maar dat moetje aftasten. Tot wanneer heb je het gevoel, dat het nog werkzaam is? Dat is, denk ik, de kernvraag.
Dit zijn m.i. allemaal gezichtspunten die kunnen gelden; met mijn methode van 4 weken, kwamen alle kinderen ongeveer 2x per jaar aan de beurt. Maar soms kon je na verloop van tijd zien dat het ritme inderdaad werkzaam was geworden; dan was de noodzaak om verder te oefenen ook niet meer aanwezig.

5.De keuze van de beelden
Het lijkt logisch in de vertelstof van het af­gelopen jaar te duiken, om tot een zinvol beeld voor een leerling te komen. Zoals uit de voor­beelden te zien is, gebruikte ik (aanvankelijk) zelf ook de vertelstofthema’s. Geleidelijk aan ben ik daar van afgestapt, want dit houdt ook een gevaar in. Stel je vindt een mooi beeld uit de legende van Franciscus van de tweede klas. Dan moet die leerling daar in de derde klas mee aan de slag. Maar dan is hij qua leeftijdsfase al over het legendenstadium heen. Je zadelt de leer­ling dan dus op met iets ouds. Daarom kun je ook hele neutrale onderwerpen nemen, die altijd te gebruiken zijn. Bijv: de natuur, de storm of de wind, de rivier, de waterval, de ondergaan­de- of opkomende zon – of maan; verder iets uit de planten- of dierenwereld, enz.
Ik heb het zelden een bezwaar gevonden om beelden uit de vertelstof te geven. Wat bv. uit het leven van Franciscus als beeld gegeven kan worden, verliest zijn kracht niet, wanneer het kind ouder wordt; dat is misschien wel zo wanneer je uit de sprookjes een beeld haalt met kabouters, bv.
Beelden uit de natuur hebben inderdaad een veel ‘eeuwiger’ karakter.

6.  De verspreiding van mijn eigen spreuken
Ik beschik over vele tientallen spreuken, die ik in de loop van de jaren voor kinderen heb ge­schreven. Daar rust geen patent op. Omdat het temperamentspreuken zijn, zijn die algemeen toepasbaar. Wil je van mijn spreuken gebruik maken, dan mail ik ze je toe.

Wil je contact hierover, wil je meer weten, of heb je vragen, mail mij dan.’

Ruud Gersons Stichtse Vrije School, Zeist
Vrije School Studiecoaching: vss(apenstaartje)hotmail (punt) nl

Hier verschillen Ruud en ik wel van mening.
Ik heb steeds het gevoel gehad dat een getuigschriftspreuk gemaakt wordt voor dat ene, bijzondere kind. Dus dat het een ‘eenmalige’ spreuk is.
(Dat wil niet zeggen dat je deze spreuk niet eens zou kunnen gebruiken om met een ander kind ( in een andere klas) een ritme te oefenen.) Maar een eenmaal gemaakte spreuk jaren achtereen ook aan andere kinderen geven als getuigschriftspreuk ontneemt mij het gevoel iets unieks aan dit unieke kind te geven.

Ik weet het: je stelt jezelf een hoge opdracht en het is makkelijker om in een stencil of boekje wat te zoeken waarvan je het gevoel hebt dat het bij dit kind past; ik had er ieder jaar wel behoefte aan, want het lukte niet voor ieder kind naar tevredenheid iets te vinden. Dat dwong mij er ook wel toe bestaande beelden te gebruiken; ik paste soms een enkel woord aan; maar het voelde voor mij niet goed – net of ik toch tekort schoot.

En hoe gaat dat in de praktijk: ‘heb jij nog een spreuk voor een sanguinicus, enz.?, want als je de spreuken beschouwt als temperamentspreuken, zoals Ruud hier zegt, is daar niets op tegen.

En als je  een spreuk neemt die iemand anders heeft gemaakt, moet zijn of haar naam daar dan bijstaan?

Rudolf Steiner noemt steeds ‘een spreuk’ voor de individualiteit van het kind.
(Ik ben niet tegengekomen dat hij ook spreekt over een ‘gedicht’, maar dat kan mij ontgaan zijn)

Het woord spreuk hangt samen met sprookje (beeld) met spraak en spreken; een spreekwoord is eigenlijk in dit opzicht ook een spreuk.
Opvallend is dat een spreekwoord kernachtig zegt waarom het gaat.

Zo heet een boekje van Herbert Hahn met getuigschriftspreuken en gedichten: ‘Schritt für Schritt wird Weg gewonnen’.

Hiermee wil ik niet zeggen dat langere spreuken (of zijn het dan gedichten geworden?) geen zeggingskracht zouden hebben; maar altijd ligt hier op de loer dat door het teveel aan woorden de zeggingskracht minder wordt.

M.i. zijn de ritmen voor de temperamenten ondergeschikt aan het eigenlijke beeld.

Tot slot Müller nog eens:
Rudolf Steiner legde verschillende keren er de nadruk op, dat het goed zou zijn wanneer de klassenleerkracht deze spreuken zelfstandig zou maken.
.

Pieter Witvliet met medewerking van Ruud Gersons
.

Zie ook Audrey McAllen

.

Getuigschriften: alle artikelen

Rudolf Steiner:  over getuigschriften

.

175-165

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner als didacticus (alle artikelen)

.

Rudolf Steiner als didacticus (1)
Hoe leg je het begrip “lang geleden” uit

Rudolf Steiner als didacticus (2)
De abstractie van een rekenopgave

[2-1] Onzinnige sommen
De onwerkelijkheid van sommige rekenopgaven; die zou een kind niet moeten maken,

Rudolf Steiner als didacticus (3)
Het ‘gevaar’ van reciteren: dreun en onbegrip

Rudolf Steiner: alle artikelen

120-115

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner als pedagoog (5)

.

SCHOONSCHRIJVEN

Op de lagere school – zo heette toen de basisschool – had ik een schriftje, de helft van een gewoon schrift, groen met wit etiket, waarop onder mijn naam het woord ‘schoonschrijven’ prijkte.

Op gezette tijden schreef ik een voorgedrukt woord netjes in een rijtje naar beneden een aantal keren na.

Toen ik later een vrijeschoolklas had, vond ik het heel belangrijk dat de kinderen mooi zouden schrijven.
Waarschijnlijk door de in mij opgeslagen ervaring uit de eigen kindertijd oefende ik met mijn klas het ‘schoonschrijven’ in een heus ‘schoonschrijfschrift’.

Bij het bestuderen van ‘Opvoedkunst’ [1] kwam ik hetvolgende tegen:

Wir werden, indem wir das Schreiben aus dem malenden Zeichnen herausholen, doch gar nicht nötig haben, bei dem Kinde extra zu pflegen das Häß­lichschreiben und das Schönschreiben. Wir werden uns bemühen, zwischen dem Häßlichschreiben und dem Schönschreiben keinen Un­terschied zu machen und allen Schreibunterricht so zu gestalten – und das werden wir trotz des äußeren Lehrplanes können -, daß das Kind immer schön schreibt, so schön, als es notwendig ist, daß es niemals den Unterschied macht zwischen Schönschreiben und Häßlichschreiben.

 ‘(  ) het schoonschrijven. Als we het schrijven afleiden uit het schilderend tekenen, dan is het voor ons toch helemaal niet nodig om dan ook nog te doen aan lelijkschrijven en schoonschrijven. We zullen ons best doen om geen verschil te maken tussen lelijkschrijven en schoonschrijven en het schrijfonderwijs zo vorm geven ( )  dat het kind altijd ‘schoon’ schrijft, zo mooi als nodig is en dat het nooit een onderscheid maakt tussen schoonschrijven en lelijkschrijven.’
GA 294/178
vertaald/148

Voor mij was dit gezichtspunt van Steiner net weer iets verdergaand dan mijn eigen opvatting die ik eigenlijk zonder nadenken uit mijn jeugd had meegenomen.

Deze realiteit beviel mij beter: als er geen lelijkschrijven moet zijn, dan hoeft er ook geen schoonschrijven te zijn.

Toch vond ik het nodig om het handschrift van de kinderen zo te oefenen dat het schrijven er mooi uitzag.
Daartoe deed zich zo maar een gelegenheid voor bij het instuderen van een toneelstuk. Ik gebruikte de tekst om een ‘toneelschrift’ te maken.

Eerst grote letters, wie het goed beheerste, mocht kleiner gaan schrijven.

Deze werkwijze verhoogde het mooi schrijven aanzienlijk!

 

schoonschrijven 1
schoonschrijven 2schoonschrijven 3

 

 

Toneelstuk: Hoe Thor zijn hamer terughaalde – uit de Edda

Rudolf Steiner als pedagoog

Rudolf Steiner: alle artikelen

115-112

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.