Categorie archief: vrijeschool pedagogie

VRIJESCHOOL – Spel (2-10)

.

Henk Sweers, Jonas 1 09-09-1977
.

De werkelijkheid van het kinderspel
.

Dikwijls hebben kinderen mij gezegd, dat ze Ot en Sien helemaal niet zo leuk vonden. Verhaaltjes in die trant kunnen voor volwas­senen misschien nog een soort nostalgische bekoring hebben van die lieve kindjes met hun leuke, lange, nu weer hippe kleertjes uit grootmoeders tijd, toen alles nog zo zoet en weldoenerig was, kinderen hebben dit soort historische belangstelling nog niet. Ot en Sien zijn leuke lieverds, net als zijzelf. Hun leven en doen lijkt erg veel op hun eigen le­ven en doen en wat is daar nou voor interes­sants aan? Het is een tragisch verschijnsel, dat volwassenen niet meer kind kunnen zijn, maar nog tragischer is het, dat zij hun vol­wassen ideeën op kinderen gaan toepassen. Jaar in jaar uit worden we overstroomd door lieve, brave, opbouwende, psychologisch ver­antwoorde kinderverhalen en kinderversjes, maar wat hebben de kinderen er zelf aan?

Het kind bootst de volwassene na. Daardoor kan het zich ontwikkelen, daardoor kan het zelf volwassen worden. Volwassen worden wil zeggen: de wereld van de levende geest verlaten, het schouwen van de Schepper ver­liezen en de wereld van het geschapene, van het voltooide product, van de materie gaan zien en hanteren. ‘Exact’, d.i. ‘uit de daad’: dood. Maar in die mate, waarin een mens zelf in de dode materie de scheppende, le­vende wereld van de geest heeft herontdekt, is hij pas werkelijk volwassen. Het kind moet de volwassene na-doen. Verkleinwoordjes zijn voor kinderen teleurstellingen. Grote dingen worden er onvolwassen door ge­maakt: huisjes en torentjes, treintjes en wa­gentjes, elfjes en engeltjes, jongetjes en meis­jes. . .Wat is daar in godsnaam voor liefs aan? Je wordt er wee van! Het woord sprookje geeft me steeds weer een naar gevoel. Men heeft de ‘mare’, de ‘sproke’ versoept. In ’t Frans en in ’t Engels is het gelukkig nog altijd een ‘conté’ en een ‘tale’ gebleven. We kun­nen de kinderen, — evenals alle wezens —, lief hebben, lief vinden, maar ze zijn het niet. Iets dat klein is, bijvoorbeeld een atoombom, is daarom nog niet lief! Maar ja, dat kan een kind zich niet bewust maken. Een kind kan alleen maar de krom pratende, liefjes doende volwassene napra­ten en nadoen. En wanneer wij nu goed na-denkjes doen, dan komt er misschien een mogelijkheidje, om te ontdekken, dat we niet in staat zijn een echt kinderspel te ma­ken, een goede kindersproke te verzinnen, of om te begrijpen, dat zo iets althans ver­schrikkelijk moeilijk is.

Klein Anna

Gelukkig snelt hier Vrouwe Traditie ons te hulp. Deze eeuwenoude Moeder de Gans leert onze kinderen nog echte sproken en echte spelen. Kinderen zijn er niet bang van. Ze kunnen er dan pas bang van worden, als wij met ons domme verstand en met ‘de strenge lijnen, die de plicht groefde in ons gezicht’ (Jan Greshoff) er niet de scheppen­de wereld in kunnen beleven, die hun eigen wereld is.

Meer des kinds dan Ot en Sien is Klein Anna:

1.Klein Anna zat op ene steen, ene steen,
ene steen
Klein Anna zat op ene steen, ene steen.
2.Daar zat zij zo te wenen…
3,Daar kwam haar lieve moeder aan…
4.’Zeg Anna, waarom ween jij zo?…
5.’Omdat ik morgen sterven moet’…
6.’Wie heeft jou dat nou wijs gemaakt?…
7.Daar komt de boze Frederik aan…
8.Die geeft haar zeven steken…
9.Nu wordt zij in een kistje gelegd…
10.Nu gaan wij haar begraven…
11.Toen is zij vrolijk opgestaan…
12.En toen werd zij een engeltje…

In Amsterdam volgt soms nog een 13e stroof:

13. Een engel met een b ervoor…

In Duitsland wordt hetzelfde lied ook onge­veer hetzelfde gespeeld: ‘Mariechen sasz auf einen Stein…’ In Oostenrijk werd het, o.a. te Ramsau, soms gespeeld door 12 meisjes en één jongen. Ook in Italië is dit spel in vrijwel dezelfde vorm bekend. Men speelt het als volgt: tijdens strofe 1 en 2 lopen de kinderen hand aan hand in een kring rond. (Naar links, dus met de zon mee). In ’t midden zit een meisje (Anna) neergehurkt met ’t hoofd in de handen. Bij strofe 3 staat de kring stil en treedt een tweede meisje (de moeder) in de kring. Zij zingt de 4e strofe. Solo, maar als zij niet of niet duidelijk genoeg zingt, zingt de hele kring het mee. Anna (het eerste meisje) antwoordt met strofe 5, waarop de moeder weer strofe 6 zingt. (Allebei zingen solo, al of niet door allen ondersteund). Terwijl koor strofe 7 zingt, treedt een derde, een jongen, (de boze Frederik of de Weerwolf) in de kring. Bij strofe 8 klopt de jongen zeven maal met zijn vuist op de maat van het lied Anna op haar rug. Tijdens strofe 9 tillen moeder en Frederik Anna op bij armen benen, jonassen haar en leggen haar weer neer. Onder het zingen van strofe 10 dragen Frederik en de moeder Anna buiten de kring en leggen haar neer. Nu wordt er een nieuwe kring gevormd rondom Anna. Frederik en de moeder nemen ook weer gewoon in de kring plaats. Terwijl men strofe 10 zingt, waaien allen met rokken of armen over Anna heen. Nauwelijks is strofe 11 aangeheven of Anna springt op en holt of danst binnen de kring rondom bij strofe 12 met op en neerwiekende armen de kring, die bij deze strofe weer in zonnerichting is gaan rondlopen, doorbreken en weg te ‘vliegen’. Hier eindigt het spel.
In Amsterdam blijft, als Anna is weggevlogen, de kring onder het zingen van strofe 13 nog rondlopen.
Een spel, dat zoveel gespeeld werd als dit heeft natuurlijk vele varianten. Soms is Klein Anna: Mooi Anna. In plaats van ‘ene steen’ komt ‘Majesteit’, ook wel ‘Maaienstijd’ tijd van het maaien!) voor. De ‘boze Frederik’ is in sommige streken (o.a. in Delft) de boze weerwolf’ enz.

Inwijding

Klein Anna of Mooi Anna of Mariechen is de mens, die op een inwijdingsplaats in een diepe slaap wordt gebracht, een soort doodsslaap. In die dood beleeft hij de geestelijke wereld en wordt na drie dagen door de hierofant, de inwijdende priester, weer tot leven gewekt. Zijn doodsslaap is zo diep geweest, dat hij zich veel van zijn doodsbeleveniss herinnert. Hij is ingewijd. Dit kon in alle mysteriën pas gebeuren na een lange voorbereiding. — Op oude mysterieplaatsen vindt u nog de overblijfsels van deze riten. Bijvoorbeeld bij de Exsternsteine in het Teutoburgerwoud bij Horn. Na de voorbereiding, de rituele dood en de opwekking of opstanding is Anna een engel, dat wil zeggen een wetende, een ingewijde. In dit spel speelt Frederik de rol van de dood, van het kwaad.

In andere versies is het de weerwolf, de man-wolf. Het is de dienaar van de Fenriswolf, het kwaad in de vorm van de onwaarachtig­heid en van het oude helderzien. Deze weer­wolf vindt men ook terug in andere spelen, zoals: ‘Herder, laat je schaapjes gaan’.

Frederik de Tweede

De mogelijkheid bestaat, dat dit spel is sa­mengesmolten met het overblijfsel van een zeer oud mysteriedrama uit de 13e of 14e eeuw. De tekst daarvan bezitten wij niet meer, maar dit is de historische inhoud: Frederik de Tweede van Hohenstaufen was het enige kind van Constanze-Maria, (doch­ter van de Noormannenkoning Rudolf II van Sicilië) en van Hendrik VI van
Hohen­staufen, (zoon van Frederik I, Barbarossa). Deze Hendrik VI eist vanwege het erfrecht van zijn vrouw Constanze, na de dood van haar vader Rogier II, Sicilië op. Hij trekt naar het Zuiden om daar een opstand die te­gen hem is ontbrand, zeer wreed neer te slaan. De kroonpretendent van Sicilië, de broer van zijn vrouw, laat hij op gruwelijke wijze ombrengen.

Daags vóór de geboorte van zijn zoon, op Kerstmis 1194, liet Hendrik zich in de dom van het pas door hem veroverde Palermo tot koning van Sicilië kronen. Zijn vrouw Con­stanze was vanwege haar aanstaande beval­ling in Jesi (Midden-Italië) in de burcht Majesi (nu Macerata) ten oosten van Assisi
ach­tergebleven. Dus in Majesi-steen. Steen is een woord voor burcht. Haar kind bracht haar ongeluk. Zij had hem Constantijn willen do­pen, maar hij werd in de St. Rufusdom te Assisi Frederik Rogier gedoopt. Nog geen 3 jaar oud werd hij door toedoen van zijn vader (in 1196) gekozen tot Rooms-Koning van het gehele Duitse rijk. Doch als op 28 september 1197 nog geen jaar later zijn vader sterft, breekt de hel los. Een deel der Duitse vorsten kiest zijn oom Philips van Zwaben tot Rooms-Koning, of­schoon de 4-jarige Frederik eigenlijk al geko­zen was. De oorlog tussen Staufen en Welfen ontbrandt. Maar zijn moeder Constanze, een kleine, mooie, heftige vrouw, is door de wreedheid van haar man de Duitsers gaan ha­ten. Zij jaagt alle Duitsers het eiland af, doet afstand van het Rooms-Koningschap van haar zoon Frederik en laat hem op Pinkster­zondag 1198 (4 jaar oud) tot koning van Sicilië kronen. Zij erkent de leenhoogheid van de paus (Innocentius III), geeft hem het voogdijschap over Frederik en het regent­schap over Sicilië. Dit alles overleeft zij niet lang. In de herfst van datzelfde jaar sterft zij. waarschijnlijk door moord.

Het is slechts een hypothese, dat een drama, hetwelk deze geschiedenis tot onderwerp had, tevens de oorsprong heeft gevormd van het in Duitsland en Italië welbekende ‘Klein Anna’. —Het kind Frederik, de latere, in de geheimwetenschappen zeer ingewijde keizer, was indirect de oorzaak van de dood van zijn moeder. Zijn moeder werd later in kerkelijke kringen voor ‘heilig’ gehouden, wat te begrij­pen’ is. Zij werd een ‘engel’. Als dit alles waar is, dan is Constanze-Maria geworden tot Klein Anse (in de Pfalz) of tot Klein-Anna (in Nederland) of tot Mariechen. Maar dit sluit een nog veel ouder substraat van een mystieke inwijdingsritus geenszins uit. Men vergelijke Kriemhild en Siegfried uit de Nibelungensage, die in Bourgondiè ontstond in de 13e eeuw, met Gudrun en Sigurd uit de Edda, die stamt uit de Germaanse mysteriën van vóór onze jaartelling. Het is en blijft een, vooral bij grotere kinde­ren, geliefd en indrukwekkend kinderspel. Niet een lied met gebaren, maar een echt mysterie-drama. Het is vol actie en zeer ge­heimzinnig. Een reëel beeld uit het leven der echte volwassenen.

KLEINE ANNA

Een meisje, dat Anna voorstelt, zit op een steen, en daar om heen lopen de andere kinderen, zingend, in een kring rond, bij elk nieuw couplet naar de andere kant. Waar het lied in ge­spreksvorm overgaat, is het Anna, die de kring antwoord geeft.

De tekst luidt:

Klein Anna zat op enen steen, enen steen, enen steen,
klein Anna zat op enen steen, enen steen!
(Of: Klein Anna zat op majesteit!)
Daar zat zij zo te wenen, enz.
Daar kwam haar lieve moeder aan, enz.
Zeg Anna, waarom ween je zo? enz.
Omdat ik morgen sterven moet! enz.
Daar komt die boze Frederik, enz.
Die hakt haar nu het hoofdje af! enz.
Nu wordt zij in een kist gelegd! enz.
Nu gaan wij haar begraven! enz.
Nu is zij weder opgestaan! enz.

Al wat er in het lied gebeurt, wordt in gebaren nagebootst, waarbij twee kinderen de rollen van de moeder en van Frederik spelen. Essentieel is het weder opstaan van de eerst als dood begraven (neergelegde) Anna! Verbasteringen waarin de laatste regel ontbreekt, hebben de betekenis van het spel verloren!

Verklaring

Anna is kennelijk de figuur van Persephone, de vrouwelijke levensgeest, die in het najaar sterven moet en zich dan naar de onderwereld begeeft (de zaden onder de grond). In het voor­jaar komt zij weer boven de grond uit!

Ook kan men Anna zien als de ziel, die nederdaalt ter helle bij de inwijding, na de mystieke dood. De boze Frederik speelt de rol van het Kwaad, van Fenrir of Satan,  Na haar loutering staat de ziel op!

Mellie Uyldert: Verborgen wijsheid van oude rijmen

Wie googelt  vindt nog meer verklaringen, waaronder die van Bert van Zandwijk

Spel: alle artikelen

.

608-558

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Spel (2-9)

.

Henk Sweers, Jonas 16, *16-04-1978
.

Kinderspel als opvoedingsmiddel

Dat zoveel mensen die kinderen moe­ten opvoeden, ouders en
kleuterleid­sters, onderwijzeressen, onderwijzers en pedagogen, nog steeds niet het echte kinderspel- en lied hebben ont­dekt, is een verwonderlijke zaak. Maar het is nog wel te begrijpen, wanneer men bedenkt, dat wij allemaal de erfe­nis dragen van de intellectverheerlijking der vorige eeuw [20e]. Dit verhindert ons om de imaginatieve beelden uit een buitenstoffelijke wereld, waarin het kind nog onbewust leeft, maar van waaruit het nog wel inspiraties ontvan­gen kan, te zien. Ons materialistische, schabloonachtige denken sluit voor ons, volwassenen, die wereld nog maar al te dikwijls af. Onbegrijpelijk echter is het, dat vele dicht(st)ers en letter­kundigen de schoonheid en de poëzie in het echte kinderlied niet kunnen ontdekken. En hoeveel van die dames en heren hebben zich niet geroepen gevoeld om zelf kinderversjes en -lied­jes te maken? Het blijven vrijwel al­tijd ‘liedjes-vóór-het-kind’. Echte
kin­derspelen, liederen-van-het-kind, worden het maar hoogst zelden. De volwassene ziet niet, wat het kind ziet. De volwassene kan alleen in vage
her­inneringsmomenten misschien nog iets beleven van wat het kind voelt. Het is, zoals wijlen Jop Pollmann, de grote propagandist voor het echte kinderlied, heeft gezegd, ‘veel gemakkelijker een goede opera te componeren dan een goed kinderliedje’. Deze neerlandicus-musicoloog wees herhaaldelijk op de natuurlijke, meest­al vijftonige, stemomvang van het kleine kind, op de binding aan de beweging van het spel, op het oertraditionele in het echte kinderspel en de enorme vormende waarde ervan voor het ritmische en melodische gevoel. Hij noemde het ook de allereerste grondslag voor een litterair gezonde smaak.

Dit alles mag conservatief lijken, maar welk kind is niet conservatief? Voor het kind is op aarde alles nieuw. Een nieuw licht schijnt over alle dingen, die voor ons meestal ouwe koek zijn geworden. Is dat nieuwe licht niet de ware creativiteit?

Treffend is het feit, dat de kinderspe­len in Vlaanderen en Noord-Duitsland vrijwel hetzelfde zijn als bij ons in Ne­derland, behoudens enkele varianten die er het eigen karakter aan geven. Hieruit blijkt hun oeroude afkomst. Ook bij de Boerenbevolking in Zuid-Afrika vindt men dezelfde spelen met slechts enkele idiomatische afwijkin­gen. Onze kinderspelen zijn dus zeker sinds de 17e eeuw weinig veranderd. Met iets grotere verschillen treft men ze aan in alle Germaanse taalgebieden en zelfs in die van de Romaanse en Slavi­sche talen. Dit wijst duidelijk op het zeer traditionele karakter van het kin­derspel, op iets boven-nationaals. dat er de bron van is en iets vóór-natio­naals, namelijk de oudheid, waaruit vele kinderspelen stammen.

Laten we eens proberen om met onze ‘volwassen’ ogen een kinderspelletje te bekijken en te zien wat wij, grote mensen, daarin kunnen ontdekken: Een kringspelletje, in deze versie opge­tekend te Delft:

Krui. kruiwagentje
krui maar voort.
Ik heb zo’n aardig wagentje,
dat mij toebehoort.
Waar zal ik het zoeken?
Hier in alle hoeken,
hier en daar
en ik weet niet waar.
‘K heb het al gevonden,
‘K ben het alweer kwijt:
Kom hier, mijn lieve Lammetje,
kom achter mij.

De kinderen staan in een kring. Eén loopt buiten om de kring heen, tegen de zon in. De kring loopt hand in hand met de zon mee, dus naar links. Bij ‘achter mij’ tikt het kind dat buitenom loopt, de drie kinderen aan waar hij of zij op dat moment langs loopt. Bij de derde blijft hij staan. Dit kind sluit achter de eerste aan en geeft hem een hand. (In Delft legt hij 2 handen in de handen van het eerste kind die ze op z’n rug houdt. De volgenden leggen dan hun handen op de heupen van de voorgaande.) Het lied en het spel beginnen opnieuw, nu met 2 kinderen buitenom. Zo gaat het verder ( tot tenslotte de hele eerste kring tegen de zon inloopt en nog maar één kind in het midden is. Dit kind treedt buiten de kring en gaat tegen de zon in lopen. De kring wordt gesloten en loopt nu weer de andere kant op, met de zon mee. Het spel begint opnieuw. Zo kan het eindeloos doorgaan…

In het liedje valt ons allereerst het levendige ritme op. De versregels zijn kort met afwisselend 4 en 3 heffingen. Deze korte regels zijn een kenmerk van de oudste volkspoëzie, van skaldenliederen en toverspreuken. Dan treft ons het gemak en de nonchalance waarmee gerijmd wordt. (In vele steden zingt men in plaats van ‘Ik ben het alweer kwijt’: ‘O wat ben ik blij’ waardoor het volle rijm op ‘mij’ wordt hersteld.)

De melodie is half pentatonisch (5-tonig, zonder grondtoon), – in maat 1 t/m 4, 9 t/m 14, 17 en 18, dat zijn 12 van de 24 maten – half diatonisch.
R. Steiner heeft erop gewezen, dat de toonaard die bij de kleuterleeftijd hoort, de pentatonische is. Deze toonaard vindt men dan ook in de zogenaamde kleuterdreunen (bijvoorbeeld  g,g,a,a,g,g,e enz.) en in sommige kinderspelen. Vele kinderspelen vertonen echter reeds een mengeling van de pentatoniek en onze majeur-toonaard. Zo ook dit spel.

Dit spel is waarschijnlijk een oeroud Vastenavond- of Carnavalsspel, dat reeds lang vergeten is, maar dat in de middeleeuwen nog door volwassenen in ongeveer dezelfde vorm werd ge­speeld. Het ‘kruiwagentje’ van de kin­deren is dan oorspronkelijk de ‘scheepswagen’, de ‘blauwe schuit’, die rond reed en waarin de kringgenoten, de ‘schuitevaarders’ een voor een wer­den opgenomen.

De scheepswagen is het beeld van ons aardse lichaam, het voertuig van ons IK. Het is bij het kind nog maar een ‘kruiwagentje’! Het lammetje is het beeld voor het IK zelf. Denkt u maar aan het beeld van het ‘Lam Gods’ uit het boek der Openbaringen en het woord van Christus: ‘Weid mijn lammeren’, (Luc. 21:15). De voort­durende wisseling in het spel zou dan kunnen wijzen op het afwisselen van een leven tussen dood en geboorte met een leven op aarde tussen geboor­te en dood.

Het kind moet hier op aarde zijn persona, zijn uiterlijk wezen opbouwen. Het zoekt zichzelf, zijn aardse zelf. Waar zal het kind dat zoeken? Hier, in alle hoeken, maar ook daar, het weet niet waar. En hoe dikwijls, wanneer hij het gevoel heeft Zichzelf in zich­zelf gevonden te hebben, is hij het al weer kwijt? Maar zijn ‘lammetje’, zijn hogere IK gaat leidend en besturend achter hem voort… Eigenlijk gebeurt in dit spel ongeveer het volgende: De eenling beweegt zich tegenover de gemeenschap, maar door deze eenling ontstaat een nieuwe ge­meenschap, samengesteld uit dezelfde individualiteiten: Een vernieuwing, een metamorfose van een groep. Het eenzame ik, dat in liefde de anderen in zich opneemt, groeit met de anderen tot een werkelijke gemeenschap
tezamen.

Wat de eeuwen en de cultuurveran­deringen niet vermochten uit te roei­en, dreigt nu door mechanisatie, door overbevolking en door televisie en radio te verdwijnen. Daarmee zou een sterk opvoedingsmiddel te gronde gaan. Het is te hopen, dat iedereen die met kinderen te maken heeft, er alles aan doet om te zorgen, dat het oude en steeds nieuwe, echte kinder­spel behouden blijft.

.

Spel: alle artikelen

.

606-556

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Spel (5)

.
A.S., nadere gegevens onbekend (Annet Schukking?)
.

SPEELGOED

Wanneer een kind geboren wordt, komt het – fysiek gezien – uit zijn donkere, stille holletje plotseling in de lichte, lawaaiige wereld; uit de geborgen beschutting van zijn moeder raakt het los als een eigen apart wezentje – een groot avontuur begint. Gelukkig staan er aan zijn wiegje veel feeën, die hem rijkelijk beschenken en een kostbaar geschenk voor zijn leven op aarde zijn de twaalf zintuigen, waardoor de wisselwerking van zijn innerlijk wezen met het aarderijk plaats zal vinden. Het kind komt op aarde vanuit een sterke levenswil – een gezond kind is enorm ver­langend om zich met de aardewereld te verbinden en die te leren kennen. Het stelt zich dan ook totaal open voor alles om zich heen en als het niet zo wijs was om heel veel te slapen, zou het helemaal omkomen in alle indrukken die het beleeft. Het heel kleine kind is eigenlijk een en al zintuig, maar het is niet zo dat hier sprake is van al geheel gevormde en gedifferentieerde zintuigen. De zintuigen zijn in aanleg aanwezig, maar hun verdere vorming krijgen zij door de indrukken die zij ontvangen en door oefening. Het oog ontwikkelt zich aan het licht, het oor aan de klank, de woordzin aan het gesproken woord, enzovoort. Het kind brengt zijn wil tot ontwikkeling mee, zijn feeën leiden hem met wijsheid en de aarde schenkt haar grote rijkdom. Wat gaat er nu gebeuren? Het kind speelt! Het speelt met zijn rammelaar, zijn wiegepopje, zijn voetjes en handjes en met alles wat het maar tegenkomt. Alles is immers nieuw – ook hijzelf is nieuw! Steeds valt er iets te ontdekken en mee te spelen! Spelen is bewegen en zo ontwikkelt zich de bewegingszin (het waarnemen van de eigen beweging), wat later, de evenwichtszin (de klim- en klauterperiode), spelen is na­tuurlijk kijken, maar ook tasten en proeven! Oneindige verscheidenheid biedt de aardewereld – steeds meer verfijnen en differen­tiëren de zintuigen zich. – Is een bepaald zintuig in zijn ontwikkeling gestoord, dan richten de vormkrachten zich sterker op de overige. Bekend is het scherpe ge­hoor, de fijne tastzin van de blinde bv. Je bent geneigd om alleen speelgoed te noemen wat als speelgoed bedoeld is. Maar voor een klein kind is alles speelgoed. Niets is zo frustrerend voor een kind als het woordje “afblijven. Je frustreert het niet voor een ogenblik, maar voor zijn hele leven. In plaats van een goede fee ben je dan een boze kobold, die zijn ver­meende bezittingen verdedigt. Maar hoe dan met al die dingen in onze ingewikkelde cultuur, waar de kleine handjes echt niet aan mogen komen, die te broos, te gevaarlijk of te riskant zijn? Nu, met de eerste categorie, de broze, is het gemakkelijk – alles voorlopig buiten handbe­reik en de verleiding om het te pakken is verdwenen. Wat het tweede betreft heb je de hulp van het kind zelf. Het kind, in zijn speeldrang, richt zich op de volwasse­ne, het onvolprezen voorbeeld voor zijn activiteiten. Nu speel je hem wat voor: je brandt je afschuwelijk aan het gastoestel; je krijgt een zware steen op je tenen – kom maar eens hier, dan mag je het ook proberen; wedden dat het voor de uitnodiging bedankt? Maar ook positief kun je zo met hem meespelen. Moet je telefoneren, geef het kind een kindertelefoontje; heb je een baby, geef het kind een grote babypop, compleet met luiers en flesje, en je voorkomt veel geharrewar. Het kind moet kunnen nabootsen, het is een levensbehoefte en een levensnoodzaak. Maar nu over het echte speelgoed. Als je bedenkt wat een kind daar allemaal aan wil ontwikkelen, hoe het zijn zintuigorganen zelfs fysiek hier aan vormt, dan kan het niet onverschillig zijn waar het mee speelt. Materialen, kleuren, vormen – het is allemaal belangrijk. Want niet alleen dat de dingen fysisch verscheiden zijn -fluweel voelt anders aan dan katoen of wol, hout anders dan metaal of steen, ijzer is anders dan koper- ze vertellen in hun verschijningsvorm ook iets van hun ware wezen en juist het kind, dat nog zo open staat, kan naar deze vertellingen luisteren. Het kind verbindt zich totaal met zijn waarnemingsobjecten, kruipt er helemaal in en neemt daardoor zo goed ‘waar’. Misschien herkent het er wel iets aan vanuit de wereld waar het zelf net vandaan komt, de verwantschap van de vormende krachten die werken in steen, plant en dier. En hoe weldadig is niet een stukje herkenning wanneer je in een heel onbekend gebied komt. In zijn eerste levensjaren, als het kind de aardewereld wil leren kennen, brengt het aan alles sympathie tegemoet. Het kan nog niet onderscheiden, alles is goed. Door het kind met goede en mooie dingen te omringen, wordt deze sympathie passend beantwoord. Geef je een kind lelijke, onnatuurlijke dingen, dan zal het ook die in sympathie ont­vangen, vooral van de moeder, en zijn leven lang zal het lelijke, het onnatuurlijke voor hem iets behouden van de glans uit deze eerste ontmoetingen – de smaak is bedor­ven. Of misschien is het kind zelfs in zijn diepste wezen teleurgesteld, valt de we­reld hem tegen en het wordt later een onverschillig, een cynisch mens. Het is niet altijd een kwestie van geld, ook het eenvoudige kan goed zijn, het weini­ge mooi. Kwaliteit is belangrijker dan hoeveelheid. Eigenlijk zou je zelf moeten proberen opnieuw en onbevangen naar de voorwerpen te kijken, ze weer te ontdekken. Voel er eens aan, lik er eens aan, telkens weer en misschien doen zich werkelijk verrassingen voor. Hst kind wil ook telkens iets anders. Na een poosje is het op een bepaald speelgoedje uitgekeken en wil iets nieuws. Hou daarom wat in reserve, geef hem nooit al zijn speelgoed tegelijk. En als je het kind iets nieuws geeft, neem dan onopvallend iets anders weg, leg het in de kast en na een tijdje zal het weer als nieuw voor hem zijn. Ook de overvloed aan verjaars- en Sint- Nikolaascadeaus kunnen beter gerantsoeneerd wordenKomt er dan eens een “leeg” moment, dan is er nog iets in de kast. Hoe komen we aan goed speelgoed?*

(Nu wordt in het artikel een aantal winkels genoemd. Die informatie is echter niet meer actueel)
.

spel: alle artikelen  *zie hier onder 5

.

605=555

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Spel (2-3)

.

Etty Feringa, nadere gegevens onbekend
.

KINDERSPEL EEN SERIEUZE AANGELEGENHEID
.

De uitdrukking “het is maar kinderspel” klopt eigenlijk niet, want het kinderspel is uiterst serieus en van enorm belang voor het wel of niet slagen van een gezonde ontwikkeling.
Het is algemeen aanvaard, dat de ervaringen van de eerste drie jaren bij de mens in het onbewuste blijven en een voedingsbasis leggen voor de verdere ontwikkeling van de mens.
Als ouders en opvoeders hebben wij de verantwoordelijkheid deze voedingsbasis van het jonge kind zo vruchtbaar mogelijk te maken zodat het later als een sterk mens in de maatschappij kan staan.
Het kind heeft het spel nodig om zich te kunnen ontwikkelen. Het spel is even belangrijk als goede voeding.
Een kind dat niet speelt baart ons zorgen. Kinderen hebben overal en altijd gespeeld, zelfs zonder speelgoed. Zij vonden hun speel­goed dan in de natuur.

In onze peuterklas hebben wij speelgoed dat gemaakt is van natuurlijke materialen. Dit vinden we zo belangrijk, omdat dit het kind zuivere ervaringen biedt waarmee het zich verbinden kan. Hout voelt bijvoorbeeld heel anders aan dan plastic, hout ruikt ook, het heeft zijn eigen kleur en een speciaal gewicht. Maar bovenal prikkelt dit speelgoed veel meer de fantasie dan het kant en klaar afgewerkte, gemechaniseerde speelgoed in de grote winkels.

De fantasiekrachten zijn enorm belangrijk in het mensenleven. Daardoor kan men in zijn leven de problemen oplossen; kan men iets nieuws in de
maatsschappij zetten. Fantasie en spel zijn nauw met elkaar verbonden.
In de peuterleeftijd ziet men het eerste ontwaken van de fantasie. We proberen de fantasie te behoeden voor schadelijke invloeden. Het speelgoed wordt daarom met zorg gekozen. Zotte afbeeldingen van mensen of dieren die we in sommige prentenboeken of voor de tv zien, zouden we ver van het kind moeten houden, omdat dit de eerbied voor de dingen afbreekt. De pop die we het kind geven is heel eenvoudig en van zacht, natuurlijk materiaal gemaakt. Met deze eenvoudige lappenpop valt heel wat te beleven. De ene keer lacht het poppenkind, een andere keer huilt het of is het boos, omdat het naar bed moet. Doordat de pop geen uitgesproken gezichtje heeft (niet altijd dezelfde grijns zoals veel plastic poppen), kan het kind er zelf via zijn fantasie iets aan toevoegen. Bovendien is z’n lappenpop veel lekkerder om te knuffelen. De pop waarmee het kind speelt, is een gedeelte van hemzelf. De pop moeten we met evenveel respect behandelen als het kind zelf. Stel je voor dat er tegen een vader of moeder gezegd wordt: ‘Is dit jouw kind, wat een vies ding,’ en het dan stiekem wegmoffelen in de vuilnisbak.
Geen wonder dat het kind te keer gaat als z!n pop weg is. In het spel met de pop kan het kind een heleboel dingen kwijt. Zo zag ik geruime tijd een jongetje elke ochtend een pop uit het wiegje halen. De pop kreeg een flink pak voor zijn billen en werd heel diep onder de dekens gestopt met de woorden: ‘En nu gaan slapen, nu is het uit!’

De kinderen spelen vanuit de nabootsing en volgen het voorbeeld wat ze in hun omgeving zien.
Zo was er eens een meisje dat enkele dagen bij opa en oma had gelogeerd en terugkwam met een vreemde manier van lopen.

Bij nader onderzoek bleek haar been volkomen gezond; het was oma die een zere hiel had!
Het jonge kind staat volkomen open voor zijn omgeving, het is een en al zintuig.
Wij als ouders en opvoeders hebben de verantwoordelijkheid om een goed voorbeeld te zijn voor onze jonge kinderen en hun een omgeving te bieden waaraan voor het kind nog iets “interessants” te beleven valt.

.
spel: alle artikelen

opspattend grind: spel

Erica Ritzema.
.
604-554

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Spel (2-2)

.

P.C.Veltman, vrijeschool Leiden, nadere gegevens ontbreken
.

SPEL OP DE VRIJESCHOLEN
.

Het spel heeft voor de ontwikkeling van een kind een betekenis die nooit hoog genoeg geschat kan worden; Rudolf Steiner heeft zijn leerplan voor een groot deel op het spel afgestemd*. Hij wees er tevens op dat onjuiste voorstellingen over de ontwik­kelingsgang van een kind een grote belemmering voor die
ont­wikkeling zelf kunnen vormen.
Het kind is een menselijk wezen naar lichaam, ziel en geest, een wezen dat in iedere leef­tijdsfase mens is en recht heeft op zijn mens-zijn in die fase. Voor de beschouwing van het spel bij het kind maakt dat een enorm groot verschil. De bekende speltheorieën zijn interes­sant, maar óf te eenzijdig biologisch, psychologisch, socio­logisch of te weinig eerbiedig in het algemeen tegenover het wezen van het kind. Een eeuw geleden zei men in Wenen nog “der Mensch fängt erst beim Baron an”.
Nu denkt men niet meer, dat ieder van lagere standing geen mens zou zijn, stel u voor, maar ten aanzien van het kind is men nog lang niet over het vooroordeel heen, dat de mens pas begint bij de volwassene.

Zo mag het spel van de kleuter niet een voorbereiding voor hogere vormen van leren (of voor mens-zijn) genoemd worden. Dan doet men het kind geen recht. Prof. B. Lievegoed, zich baserend op Rudolf Steiners beschouwingen, verdedigt de zelf­standige waarde van elke ontwikkelingsfase op zichzelf. Alle leven kent beginfase, bloeifase, eindfase of: groei, volwassenheid en verval.

Alle leeftijdsfasen zijn gelijkwaardig en hebben in hun ont­wikkeling evenveel recht op erkenning en eerbied. De kleuter is ook een geestwezen en niet een biologisch of psychologisch voorstadium van mens-zijn. Dat kan de gezindheid en de behan­deling bepalen. De “volwassen of “bloeiende” kleuter is in dat stadium gelijkwaardig aan  een “volwassen” puber of “vol­wassen” ouder mens. Men kan wel zeggen, dat de bloeiende kleuter ontvankelijker en kwetsbaarder is dan bloeiers van een andere leeftijdsfase.

Overigens hebben vele pedagogen in de scheppende kracht, die zich in het kleuterspel manifesteert iets van centraal belang gezien. Het was hun namelijk gebleken, dat vele kinderen in het begin van het gangbare lager onderwijs iets verloren hadden: niet alleen de uitdrukkingsmogelijkheden waren verarmd of ver­dwenen, maar ook het plezier om iets uit te drukken was aan­getast of verloren gegaan. Er zou dus de grootste voorzichtig­heid geboden zijn met het idee, dat het spel of het spel­element vervangen zou kunnen worden door intellectuele bedenk­sels, die de cognitieve ontwikkeling zouden kunnen bevorderen. U kent ze wel, die puzzle-achtige abstracties in doosjes vol houtjes, lettertjes en cijfers. Dit alles heeft met spelen niets te maken. Ongetwijfeld heeft ieder spel zijn cognitief element, maar de ervaring, die het kind met spelen opdoet, is het tegendeel van slinkse leerfoefjes onder het mom van leuk spel.

Hoe kan men het kleine kind als levend geestwezen benaderen? Het antwoord van Rudolf Steiner lijkt eenvoudig: de mens moet zelf weer leren spelen!

Dat betekent echter een scholing van eigen zielenvermogens waardoor een liefdevol verdiepen in het kind plaats kan vinden. Door de volwassen mens als geestwezen kan het kind innerlijk benaderd en gekend worden. Ook kan door de leerkracht meebeleefd worden, wat het kind al spelend beleeft en ondergaat.
De leerkracht wordt door zijn meditatief werk een beetje “gelijk de kinderkens” en hij verbindt zich met de hoogste krachten in het mensenleven.

Rudolf Steiner zette het levensbelang van het spel voor de ontwikkeling van de kleuter op eenvoudige wijze uiteen: hij vergeleek volwassene en kleuter met betrekking tot het spelen. Bij de volwassene bestaat de z.g. “ernst des levens”, een tegenwoordig wat aangetast, maar niet geheel verouderd begrip. Ernst des levens betekende bij de volwassene het verrichten van een zekere arbeid, het doen van zinvol werk, dat de grond­slag voor zijn levensonderhoud vormt. Het mag een “bloei” in het leven van de volwassene heten, wanneer hij het door hem geleerde bij zijn arbeid goed kan toepassen, waaraan hij ook maatschappelijke erkenning kan ontlenen.
Bij de kleuter ligt dit anders, maar er is iets vergelijkbaars. Het hoogtepunt, de bloei van het kleuterleven is het spel, waaraan het kind zijn krachten wijdt en zijn levensvreugde ont­leent. Het spel van de kleuter is namelijk volle ernst voor het kind. Het kennen en kunnen van spelen is levensvervulling en zelfverwerkelijking op het niveau van de kleuterfase. Het verschil tussen het spel van het kind en de arbeid van de volwassene bestaat uiteraard hierin, dat de arbeid steeds in­gevoegd  moet worden in een uiterlijke doelmatigheid van het maatschappelijk leven.
Het kind echter wil uit zijn eigen natuur ontwikkelen, wat een spel aan activiteiten biedt. Het spel werkt van binnen naar buiten. De arbeid van buiten naar binnen.

De kleuterfase is een levensfase waarin de wil, het streefvermogen,  oppermachtig is. Een belangrijke ontdekking van Rudolf Steiners geesteswetenschap was de organische gebonden­heid van de trits zielenvermogens. Denken, voelen en willen werken geruime tijd in het lichamelijke en emanciperen zich geleidelijk: zij emanciperen zich van de levens- en groeikrachten en verschijnen als bewustzijnskrachten in de ziel. Waarvandaan komt de plotselinge fantasie-ontplooiing in het vierde levensjaar? Die fantasie is ten dele vrijgekomen wils­kracht, naar gevoelsmatig dromend-scheppend, ontvonkt door de steeds grotere rijkdom aan zintuiglijke indrukken. Het kleine kind schept en herschept de wereld naar zijn wil en fantasie. Als het ware soeverein, logisch-onlogisch, vormt het de wereld van voorwerpen, de materie, in zijn fantasie om. Zo kan een langwerpig blokje eerst een boot, vervolgens een wagen, een mannetje of een toren zijn in zijn voorstelling. Schiller noemde dit verschijnsel “speldrift” (Spieltrieb) even nodig als het leven zelf. Vanuit zijn geestelijk schouwen bevestigde Rudolf Steiner dit. Dan kan het duidelijk worden, dat het enthousiast spelende kind in die levensfase de voor­waarde schept voor latere gezondheid, werklust en bedachtzaam handelen. Niet in de eerste plaats voor cognitieve vermogens later. Dat zou eenzijdig, dun-op-de-draad en eigenlijk bele­digend moeten worden gevonden, zijnde een ontkenning van de totaliteit van het kinderwezen.
Met betrekking tot het spel op de kleuterschool gaf Rudolf Steiner het advies om arbeid van volwassenen te metamorfoseren tot een kinderspel. Het blijkt een belangrijke pedagogische activiteit te zijn arbeid van volwassenen in kinderspel om te zetten. De volwassene, zoals reeds gezegd, moet zelf ook weer leren spelen; en leren het leven met een zelf verworven, nieuwe onbevangenheid te bezien.
Aldus te weten, hoe een kind speelt en hoe men het op de beste wijze kan laten spelen.
Het kleine kind heeft de nabootsingskracht als een oer-menselijk vermogen met de geboorte meegekregen. Nabootsingsdrang is de oervorm van leren.

Wel mag er de kanttekening bij gemaakt worden, dat nabootsing gebaseerd is op vertrouwen, liefde en goede wil. Nabootsing bij het kleine kind is volledig anti-autoritair: men kan nabootsing niet bevelen.

Zinvolle arbeid van volwassenen wordt door de kleuter met groot plezier meegedaan. Kleine spelen, bestaande uit nabootsen van bepaalde bewegingen bij de arbeid van volwassenen, gebracht in een ritme, begeleid door zang, kunnen gedaan worden en geven vele mogelijkheden. Wassen, strijken, begieten, harken, koken, bakken. Ook gebeurt het wel, dat kleuters echt kunnen helpen, wanneer een verjaars- of kersttaart voor de klas moet worden gebakken. De leidster gaat bij die werk-spelen in de beweging vóór. Ook bij het schilderen, boetseren of tekenen. Maar bij het vrije spel speelt zij niet mee. Zij neemt alle veranderingen goed waar, die in de loop van de tijd optreden. Welke grote veranderingen kan zij zien? Het doe-spel van de allereerste tijd, waarbij het kind de dingen in zijn macht tracht te krijgen en het eindeloze genieten van de eindeloze herhaling. Het kind beleeft immers het doen op zichzelf al als zinvol. Het gaat met de stofdoek over meubelen waarop geen stof ligt. Het verzamelen van stof is dus niet het doel. De fantasie-ontplooiing wordt duidelijk. Niet meer spelen de kinderen naast elkaar. Het samenspelen begint: Zij spelen met elkaar.
De keuze van het speelgoed is bijzonder belangrijk. Het moet van goed materiaal zijn, liefst geen metaal (te koud) of plastic (te gladjes), het speelgoed moet smaakvol, maar niet af zijn. Geen metalen treintjes of auto’s waar elk onderdeel in miniatuur aanwezig is. Geen afschuwelijk ,mooi popje met knipperende oogjes, echt haar en wimpertjes, avondschoentjes en wat niet al. Het affe is geheel uitgevormd en doet daardoor ouwelijk aan. Het bederft de gezonde fantasie, het kindje kan er van zich uit niets meer “bij doen”. Dat is niet alleen jammer maar ook schadelijk.
.

*Dit ben ik niet met de schrijver eens. Steiner heeft over het belang van het spel, over spel en ernst, spel en arbeid, spel en vrijheid gesproken, maar niet in samenhang met de structuur van het leerplan.

voor lichaam, ziel en geest; denken, voelen, willen:
antroposofie, een inspiratie
Algemene menskunde: voordracht [1]  [2]

over ‘uitgevormd‘: karakteriseren i.p.v. definiëren

opspattend grind: spel

Erica Ritzema

spel: alle artikelen

.

603-553

.

VRIJESCHOOL – Spel (2-1)

.

Irmgard Berger, vertaling Caroline Bos-Everts, Jonas 12 20-04-1979
.

Spel en werk
.

Een volwassen mens kijkt naar een spelend kind en glimlacht. Hij herkent zichzelf in de houding en de woordjes van dat kind, dat helemaal in zijn spel verdiept is.

Het heeft een stoel ondersteboven ge­zet en met een kleur van inspanning doet het daarop de was. Op een was­bord dat er niet is, schrobt het lucht en pakt het zeep en een borstel van lucht. Het zucht van inspanning. Snel wendt de volwassene zich af. Hij ziet zichzelf weerspiegeld in het spel van het kind. Maar als we aan het kind vragen: ‘Wat doe je eigenlijk?’ dan zal het, net als wijzelf, antwoorden: Ik werk!’ [1]
Wat is nu spel, en wat is werk? Voor een volwassene is alles wat nodig is om aan bepaalde behoeften te vol­doen, werk. Wat hij doet, doet hij om­dat het nuttig en doelmatig is. Maar in het spel van een kind bestaan die voorstellingen niet. Al het spelen is voor het kind: vreugde om te doen. Zo is in de ogen van volwassenen het bezig zijn van een kind, spel. Het kind zelf echter neemt zijn spelen net zo ernstig en belangrijk op, als een volwas­sene zijn werk. Hij gaat helemaal op in zijn spel. Maar een kleuter kan alleen maar spelen als hij gestimuleerd wordt door mensen in zijn omgeving, die met vreugde werken. Zo nauw hangen spel en werk samen. Waarom?

In de eerste periode van zeven jaar be­leeft het kind het geestelijk-psychische van zijn omgeving, dus ook hoe de mensen bezig zijn met hun werk. Dit is een kracht die in het kind beweging losmaakt, dat wil zeggen die het kind nabootsend in zich opneemt en, spe­lend bezig, weer naar buiten kan bren­gen. Het kind leert daarbij de mensen in zijn omgeving kennen, het oefent zijn ledematen en gaat zich met zijn ik ermee verbinden. Dat betekent werk ten opzichte van zijn ontwikkeling: werken aan zichzelf, dat in tegenstel­ling met het werken van volwassenen, nog niet uiterlijk nuttig is. Menselijke werkzaamheid is voor het kind een sti­mulans om te spelen, het brengt hem in beweging, en de eigen beweging stimuleert weer zijn groei en zijn ont­wikkeling. De kleuter is niet vrij in het in-zich-opnemen van menselijke werk­zaamheid, maar wel is hij vrij in het naar-buiten-spelen ervan. Dit laatste kan op een heel ander tijdstip uit het eerste voortkomen, en de werkzaam­heid ervan kan door het ik van het kind individueel zeer verschillend tot uiting komen. Echt spel moet eigenlijk altijd voortkomen uit direct deelne­men aan het leven. In de kleuterklas kan er dan ook geen ‘speeluurtje’ zijn, maar alleen een speel-gewoonte. Het spel moet altijd uit plezier en vreugde voortkomen, dan is het ik van het kind er in betrokken. Het wordt an­ders tot een bezig-zijn, wat net zo ver­moeiend is als het werken-zonder-plezier voor een volwassene: het werkt verlammend op zijn zieleleven en schept geen relatie tussen het ik en de ledematen.

Voor volwassenen is er een werktijd; bij het kind gaat het er in de eerste
pe­riode van zeven jaar om, of zijn omge­ving hem bewegelijk genoeg kan
op­vangen. Een kind zal, als dat zo uit­komt, uit zijn spel worden weggeroe­pen, maar het zal er daarna weer met evenveel plezier in terugkruipen. Het kind leeft in het ogenblik. Daar­door kan het op deze leeftijd nog niet zelfstandig in drie fases (voorbereiding, uitvoering, afwerking) werk ten uit­voer brengen. Voortdurend maakt het sprongen omdat het kind naar zijn aard altijd met het doen te maken wil hebben.

Dit in-het-ogenblik-leven is goed waar te nemen in de verschillende speelfases van de kleuter. In het begin is al het spelen alleen maar zich bewegen. Een kind van drie jaar dat op een omge­keerde stoel de was doet, zal al gauw die stoel tot een bed of iets anders omtoveren. Zijn spel verandert voort­durend. Langzamerhand blijft hij meer bij één ding en daarbij zoekt hij ook in toenemende mate naar meer adequate meubels. Maar wat er altijd bij hoort: vol vreugde doet zijn hele lichaam eraan mee.

Werk van een volwassene kan bepaald worden door behoeften; kleuterspel kan überhaupt nooit worden bepaald zonder dat dat een ongezonde terug­slag op het kind zou hebben.

Alle leer- en gedragsspelletjes vereisen dat het kind zich rustig gedraagt, dat het oplet. Het zijn kunstmatig gescha­pen ‘spel’-situaties, die losstaan van het directe leven. De volwassene ver­langt daarbij dat het kind zich iets voorstelt, en doordat hij zelf in abstracte voorstellingen leeft en die wil overdragen, is zijn uitwerking op het kind navenant. Voor het kind is dit een opzettelijk onderdrukken van zijn bewegingsdrang, wat pas op zijn plaats is in de tweede periode van zeven jaar, na het afsluiten van bepaalde groei- en ontwikkelingsprocessen. Voorstellende activiteit zou pas lang­zamerhand op de lagere school mogen worden verlangd, zoals spelen via de liefde voor de leerkracht in werken overgaat. Door de liefde voor de leer­kracht wordt leerdwang tot vreugde, en meer en meer tot arbeidsvreugde. Die arbeidsvreugde wordt groter naar­mate er een beroep op wordt gedaan, zoals anderzijds nu de groei- en rij­pingsprocessen in de ontwikkeling van het kind tot een einde komen. In de schooltijd zoekt het kind het samen spelen met leeftijdgenootjes, de ge­meenschap. Het kind kan zijn indivi­dualiteit nu invoegen in een geheel en zijn bewegingsdrang intomen, waar­door hij wakkerder is voor zijn omge­ving.

Zo metamorfoseren zich spelen en leren in de verschillende ritmen die aan de ontwikkeling inherent zijn. Na het eenentwintigste jaar, nadat de opgroeiende mens zijn eerste ervarin­gen met eigen inzicht heeft opgedaan, kan het ik zich actief gaan instellen op wat sociaal nodig is. De bewegelijk­heid in het spel, die via plezier-in-het-leren tot liefde voor werk leidde, doet een positieve instelling ontstaan ten opzichte van situaties waarin de mens nodig kan zijn. Noodzakelijk werk kan worden aangepakt zonder dat daartoe in de eerste plaats beleefd wordt dat men afstand van iets moet doen. Uit bewust persoonlijk verantwoordelijk­heidsgevoel en met begrip zal zich de jonge mens in allerlei levenssituaties willen inleven. Hij zal daarbij nieuwe dingen leren en hij zal de wisselwer­king  tussen zijn werkzaamheid en zichzelf, en ook die tussen zijn werk­zaamheid en zijn omgeving ervaren. Deze ervaring zal het hem mogelijk kunnen maken om op ieder moment van het leven waarop dat nodig is, te beschikken over een positieve instelling. Maar de mens moet dit bewust willen. Dan kan liefde tot het werk – die bewust in het ik is ontstaan -rijpen tot de mooiste vrucht van echt kinderlijk spelen.

[1]ik speel niet ik werk 1

            ↑ ‘Ik speel niet: ik werk’ ↓

ik speel niet ik werk 2

.
Rudolf Steiner: over spel

Opspattend grind: over spel: nr. 16, 19, 29, 53, 59, 68

spel: alle artikelen

.

600-551

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Spel (1-1)

.

Marieke Anschütz, Jonas 09-01-1981
.

Het spel en de knikkers

Er is een verrukkelijk schilderij van Pieter Breughel de Oude waarop hij alle spelletjes die er in zijn tijd werden gespeeld, heeft uit­gebeeld. De kunsthistorici hebben ze zelfs geteld: het zouden er 84 zijn, van bellen blazen tot bruiloftje spelen toe. Er is slechts een enkel kind dat alleen speelt, verreweg de meeste spelen met elkaar. Ik dacht niet, dat het de schilder erom te doen was voor later tijden een verzameling aan te leggen van de toen bekende spelen. Het is meer of Breughel wil zeggen: kijk, zoals de kinderen spelen lijkt op wat er gebeurt in de samenleving van de volwassenen. Ze oefenen zich in het spel voor later. Maar wat wordt dan geoefend?

Het behoort, dacht ik, tot het wezen van het spel dat het geen doel in zichzelf kent. In principe kan het eindeloos duren en je kunt steeds weer opnieuw beginnen. Het eerste wat je zo globaal over de meer gerichte spe­len kunt zeggen, is dat de natuurlijke drang tot bewegen door allerlei onderlinge afspra­ken gekanaliseerd en gereguleerd wordt. Het tweede is, dat bij elk spel bepaalde hindernis­sen genomen moeten worden, voordat je ver­der kunt, en vaak lijkt het of de zin van het spel, van het spelen in het algemeen, ligt in —het overwinnen van die hindernissen, steeds weer, zodat je al oefenend behendiger wordt. Bij bokspringen moet je je aanloop goed be­rekenen en hoog genoeg springen, anders bots je tegen ‘de bok’ aan of blijf je steken op zijn rug! Het kind heeft een stuk zekerheid en zelfvertrouwen veroverd als het na een tijdje merkt dat het gaat, dat zijn afzet sterk ge­noeg is om over de hindernis heen te komen. Het overwinnen van jezelf is zowel naar bui­ten als naar binnen toe steeds in wording, het is nooit af, er komen steeds weer nieuwe hindernissen die genomen moeten worden, en dat ervaart een gezond kind ook als reëel. Weerstanden zijn er om overwonnen te wor­den. Zo is het leven, of misschien kun je nog beter zeggen: dat is leven!

Wanneer begint een kind te spelen? Je zou kunnen zeggen: vanaf de zesde week. Dan wordt het kind wakker voor zijn omgeving, het ontdekt zijn eigen handjes en het maakt het eerste sociale contact. De ernstige blik van de ogen wordt doorbroken door dat eer­ste schattige lachje dat meestal de moeder geldt. En nog voordat het eerste jaar voorbij is, hebben moeder en kind een spelletje ont­dekt dat in allerlei vormen het hele verdere kinderleven even verrukkelijk blijft: dat is het kiekeboespelletje, dat later ‘verstoppertje’ heet, en nog veel later ‘spoken’. Een spel van zichtbaar en onzichtbaar, van licht en duister.

Winnen en verliezen

Ieder voorjaar wordt er verwoed geknikkerd op het schoolplein. Er is geen spel waarbij je zo goed leert verliezen, en leert om verstan­dig met je bezit om te gaan. Er zijn kinderen die al gauw afstand kunnen nemen van dat felle gebeuren van winnen en verliezen. Zij bewaren zuinig enkele mooie stuiters en met de rest wagen ze telkens een gokje. Ze knik­keren echt om het spel. Er zijn echter ook kinderen die ervan bezeten zijn. Het zijn al­tijd jongens en het zijn meestal niet de beste verliezers. Een jongen van acht had een enor­me zak knikkers verzameld. Ook zijn zak­centjes werden in knikkers omgezet. Hij knik­kerde bij het leven, het liet hem weken lang niet meer los. Maar o, wat zijn er een tranen gevloeid in dat voorjaar! De jongen knikker­de goed en hij won vaak, maar hij nam het op tegen iedereen, en daardoor verloor hij minstens evenveel, en dan was er bitter ver­driet. Het hielp niet als je wees op die grote zak vol knikkers. Iedere verloren stuiter was er één. Hij heeft toen in het groot gewonnen, maar ook in het groot leren verliezen. Want het volgende voorjaar speelde hij veel bedachtzamer, en kon beter afstand nemen van winst en verlies.

Binnen spelen

Vanaf het zesde jaar kan een kind er inner­lijk tegen om zo zoetjes aan te leren verlie­zen. Bij spelletjes worden ze voor vol aange­zien en mogen op eigen kracht meedoen. Het aloude ganzenbord ,het levensspel’ vol hinder­nissen is nog steeds zeer geliefd en wordt be­slist niet alleen gespeeld op oudejaarsavond. Er bestaan variaties op het ganzenbord onder andere een oud tramspel en een treinenspel, beide uitgaven van het Nederlands
Spoorweg­museum in Utrecht.

Dan zijn er kwartetspelen in allerlei vormen. Een goed kwartet om mee te beginnen is een spel gebaseerd op kleuren, zodat kinderen die niet of nauwelijks kunnen lezen, toch mee kunnen doen. ‘Mijn eerste kwartet’ is goed doordacht en verzorgd van tekening en kleur. Dat soort kwartetten moet je met een lantarentje zoeken, want de meeste dieren-, bloemen-, steden- of sport-kwartetspelen zijn volmaakt willekeurig samengesteld. Er is geen enkele lijn in te ontdekken, maar je kunt er wel mee spelen. Zowel met kwartet­spelen als met ganzenborden leer je op een elegante manier verliezen, want je bent niet de enige verliezer.

Haal niet teveel spelletjes tegelijk je huis in. Dat heeft geen zin, net zo min als met speel­goed. Liever eerst een enkele, zoals huisje­-boompje-beestje, een eenvoudige plaatjesdo­mino van karton of hout en zo’n eerste kwartetspel. Als je deze eerst vele malen met de kinderen hebt gespeeld, dan zijn alle va­riaties daarop later gemakkelijker herkenbaar. In vakanties of op hoogtijdagen wordt dan langzamerhand de voorraad aangevuld.

Samen doen

Telkens weer merk ik hoe belangrijk het is, dat je als ouders een nieuw spel inzet met de kinderen samen. Niet in de trant van: ‘Dat zal ik jullie wel even voordoen’, maar meer: ‘Mag ik meedoen? Want ik wil het ook leren kennen’. Als een oudere erbij is, worden de regels van het spel direct goed voor iedereen duidelijk, zodat daar nooit ruzie over behoeft te ontstaan. Later maken de kinderen er wel variaties op, maar altijd uitgaande van die vaste, vertrouwde regels. Als je het al niet wist, dan kun je het aan de spelletjes merken dat ieder kind behoefte heeft aan vaste regels en goede gewoonten, als een vaste grond onder zijn voeten. Het geeft een kind zelfver­trouwen en een rustige kern van waaruit de wereld wordt verkend.

Je doet echter meer ontdekkingen. De kinde­ren spelen alles mee, maar uiten ook langza­merhand hun voorkeur voor bepaalde spel­letjes. Soms kun je het zelfs omdraaien: be­paalde spelletjes zijn goed voor een bepaald kind. Dat heb ik ervaren met dat geliefde én verguisde spel Monopoly. Het omgaan met veel, bijna echt geld zoals in Monopoly aan de orde is, heeft een onschuldig voorstadium: het winkeltje spelen. Dat begon in ons gezin, toen onze oudste dochter op haar vijfde ver­jaardag een winkeltje kreeg, gemaakt van een grote houten kist, met schapjes en laden en een langwerpig houten blok als toonbank, al­les gezellig bruin en groen geschilderd. Er was een weegschaal, puntzakjes, allerlei bak­jes en roodgeruite zakjes met ‘levensmidde­len’ tot en met de winkelbel toe. Het verhan­delen zelf gaat eerst in natura, met eikels en kastanjes, maar al gauw wordt er geld ge­maakt, getekend en uitgeknipt. In een latere fase wordt al het speelgoed tentoongesteld en geprijsd. Daar zijn ze werkelijk uren mee bezig. Op den duur verzamelde ik een spe­ciaal zakje buitenlandse munten, waarmee nog veel ‘echter’ gespeeld kon worden. Het is nu een beetje over, want ze zijn nu al zo groot dat ze een kleine hoeveelheid zakgeld mogen beheren. Die intensieve speelperiode heeft echter goed gewerkt. Een van de kinderen bleek van meet af aan sterk geboeid te worden door dat gegoochel met kleine en grote bedragen aan geld. Uitge­rekend dat kind krijgt op zijn negende ver­jaardag Monopoly cadeau. Hij had het leren kennen bij vriendjes, het was een openlijke wens geworden. Het is geen gemakkelijk spel en aanvankelijk ontstond steeds weer ruzie, omdat de regels niet duidelijk waren. Totdat vader kort daarna de tijd nam om een hele zondagmiddag met dit kind Monopoly te spe­len. De jongen heeft het er nog over: ‘Pappa en ik hebben toen vier en een half uur gespeeld!’ Hij heeft zich helemaal kunnen uitleven in de enorme getallen en de vele papie­ren en gewichtige kaarten. Hij kent nu niet alleen grondig de regels, maar zijn lust in gro­te getallen is geheel bevredigd. Hij kan nu af­stand nemen, hij doorziet het spel tot op ze­kere hoogte, zelfs in de negatieve kanten, en hij ziet ook ineens de andere speler als mede­speler. In het begin had hij geen geduld met een zusje dat minder vlot rekende dan hij. Nu legt hij het rustig uit of wijst de ander een weg om er ook te komen.

Zaterdagavond

Er zijn gezinnen waar de zaterdagavond ge­wijd is aan bezigheden die je gezamenlijk met het hele gezin kunt doen. Met jongere kinde­ren zijn allerlei soorten spelletjes erg geschikt daarvoor. Er wordt ook wel op andere ma­nieren geprobeerd met elkaar iets te doen. Toch moet je oppassen, dacht ik, dat je zo’n avond niet teveel vastlegt. Als jijzelf vindt dat er iets moet gebeuren met elkaar, heb je de neiging te snel in een bepaalde vorm te schie­ten en die te herhalen. Je zou eigenlijk de durf moeten hebben niet teveel te organise­ren en het te beschouwen als een oefening in het ‘spelen’ met elkaar in de ruimste zin van het woord.

In welke vorm dat gebeurt is minder belang­rijk, want de grondgedachte is: samen iets la­ten ontstaan, met groot en klein. Als moeder kan je dan proberen de juiste stemming op te roepen waarin iets kan ontstaan. Je bent de hele week onderweg geweest, ieder dook onder in de eigen beslommeringen. En dan, aan het eind van die zeven dagen, op de drempel van een nieuwe week, nemen we even afstand van die wereld daarbuiten. We kijken rond in die kleine kring van het gezin, ons ‘uitgangspunt’, en we stellen de vraag: ‘Waar ben je? Hier ben ik’, zoals Niels Holgersson de wilde ganzen riep. Je vraagt naar de ander en je geeft jezelf. Dan kan een beweeglijke vorm ontstaan, en juist die be­weeglijkheid binnen de orde van een aantal regels lijkt mij wezenlijk voor het spel.
.

Rudolf Steiner: over spel

Opspattend grindover spel: nr. 16, 19, 29, 53, 59, 68

spel: alle artikelen

.
599-550

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – actueel: getuigschriften – alle artikelen

Op deze blog staan de volgende artikelen over getuigschriften

Getuigschriften

.

591-542

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 218 – voordracht 13

.

RUDOLF STEINER
.

OPVOEDKUNST DOOR MENSKUNDE 

.

Eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, (waarvoor excuses). Verbeteringen e.d. zijn meer dan welkom):
pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

.

Een voordracht gehouden in Londen op 19 november 1922.
GA 218

Inhoudsopgave:

Blz. 244:  opvoeding met echte kunst zijn, zoals een kunstenaar omgaat met zijn materiaal; waarnemen van geest en ziel in het kind; ontwikkelen van een exacte helderziendheid;
Blz. 245: door antroposofische scholing leren bechikken over zintuigen die geest en ziel kunnen waarnemen;
Blz. 246: geest bij kind nog diep verborgen;

Blz. 247; het kind is helemaal zintuig;
Blz. 248 e.v.:
 bij kind gaat alles veel dieper naar binnen; wat zie je aan het lopen van een kind (ook blz. 257 wat je pedagogisch moet doen); kind: nabootsingswezen van de hele omgeving;
Blz. 250 e.v: de betekenis van de tandenwisseling;
Blz. 251 e.v.: de vanzelfsprekende autoriteit;
Blz. 252;  moraliteit; 
en 256 leren schrijven en lezen vanuit een kunstzinnige aanpak;
Blz. 253; het belang van het imponderabele;
Blz. 254: voorbeeld: onsterfelijkheid van de ziel en het beeld van de vlinder; geen kant-en-klare begrippen
Blz. 255: jong eerbied hebben ervaren en het latere leven;
Blz. 258: een pop die ‘af’ is en een die de fantasie prikkelt; melancholie en vrolijke activiteit en kleur;
Blz. 259: leerplan aan kind aflezen; tussen tandenswisseling en puberteit: alles vanuit het kunstzinnige; voor de moraliteit: morele beelden;
Blz. 260: opvoeden voor het leven; euritmie als kunst;
Blz. 261: betekenis van de ped. euritmie: zichtbare klank
Blz. 262 e.v. verschil gymnastiek en euritmie
Blz. 263: opvoeding moet leiden tot vrije mensen
Blz. 264: deze manier van opvoeden vraagt heel veel van de leerkracht
.

Erziehungskunst durch Menschenerkenntnis (1)

blz. 242

Es könnte sonderbar erscheinen, daß von dem Gesichtspunkt einer ganz bestimmten ‘Weltanschauung – der anthroposophischen Geistes- wissenschaft – über praktische Erziehungsfragen gesprochen werden soll. Allein die Veranlassung, über Erziehung zu sprechen, stammt in diesem Falle aus der Erziehungspraxis selbst.
Sie haben eben gehört, daß diejenige Erziehungskunst, von der ich mir erlauben werde, heute abend zu Ihnen zu sprechen, praktisch ausgeübt wird in der Waldorfschule. Und diese Waldorfschule hat ja auch dazu geführt, dasjenige, was vorher mehr an Ideen, an Zielrichtungen aus der von mir vertretenen Weltanschauung über Erziehung gesagt werden konnte, in breiterem Umfange auszugestalten. Als vor einigen Jahren gerade die Erziehungsfragen, man möchte sagen, in aller Munde waren, da handelte es sich darum, daß der Stuttgarter Industrielle Emil Molt eine Schule begründen wollte, zunächst für die Kinder seines Industriellen Etablissements. Er wandte sich dazu an mich, um dieser Schule einen entsprechenden pädagogischen Inhalt und eine pädagogische Richtung zu geben.

Opvoedkunst door menskunde

Het mag verwonderlijk lijken dat vanuit het gezichtspunt van een heel bepaalde wereldbeschouwing – de antroposofische geesteswetenschap – over praktische opvoedingsvragen gesproken zal worden. Maar de aanleiding om over opvoeding te spreken, ligt in dit geval in de praktijk van de opvoeding zelf.
U hebt zojuist gehoord dat die opvoedkunst, waarover ik zo vrij ben vanavond tot u te spreken, in de praktijk gehanteerd wordt op de vrijeschool. En deze vrijeschool heeft er ook toe geleid dat wat voorheen meer aan ideeën, aan doelen over opvoeding gezegd kon worden vanuit de wereldbeschouwing die ik vertegenwoordig, in grotere omvang gestalte kon krijgen.
Toen enige jaren geleden de opvoedingsvraagstukken, je zou willen zeggen, op ieders lippen lagen, bleek dat de Stuttgarter industrieel Emil Molt een school wilde oprichten met name voor de kinderen van zijn industriële bedrijf. Hij richtte zich tot mij om deze school een adequate pedagogische inhoud en een pedagogische richting te geven.

Zunächst hatte man es mit einem Schülermaterial einer ganz bestimmten Klasse und auch mit einem Schülermaterial einer bestimmten Gesellschaft, die eine ‘Weltanschauung pflegt, zu tun: man hatte es zu tun mit den Proletarierkindern des industriellen ‘Waldorfunter nehmens, und man hatte es zu tun mit einer Anzahl von Kindern aus der Anthroposophischen Gesellschaft. Aber sehr bald erweiterte sich die Aufgabe dieser Schule. Während wir begonnen haben mit etwa hundertfünfzig Kindern in acht Schulklassen, haben wir heute elf Schulklassen mit über siebenhundert Kindern. Das hat dazu geführt, daß ich im August dieses Jahres eingeladen wurde, über die Prinzipien dieser Waldorfschule hier in England, in Oxford, einen Vortragszyklus zu halten, nachdem einige Freunde der anthroposophischen Weltanschauung bereits zu Weihnachten im Goetheanum in Dornach erschienen waren, um dort einen Vortragszyklus über diese Erziehungskunst

Aanvankelijk kregen we te maken met leerlingen van een heel bepaalde sociale klasse en ook met leerlingen uit bepaalde kringen die een wereldbeschouwing aanhangen; we kregen te maken met de arbeiderskinderen van de industriële Waldorfwerknemers en we kregen te maken met een aantal kinderen uit het antroposofische milieu. Maar al gauw werd de opgave van de school breder. Terwijl we begonnen met ongeveer 150 kinderen in 8 klassen, hebben we nu 11 klassen met meer dan 700 kinderen. Dat heeft er wel toe geleid dat ik in augustus van dit jaar uitgenodigd werd om over de uitgangspunten van deze vrijeschool hier in Engeland, in Oxford een reeks voordrachten te houden, nadat een paar vrienden van de antroposofische wereldbeschouwing al met Kerstmis naar het Goetheanum in Dornach gekomen waren om daar een voordrachtenserie over deze opvoedkunst te beluisteren.

blz. 243

anzuhören. Aus dem Oxforder Vortragsunternehmen ist dann die Erziehungs-Union hervorgegangen, die sich hier gegründet hat und welche die Absicht hat, die Erziehungsprinzipien, von denen ich heute abend zu sprechen habe, auch in England in einem weiteren Umfange zur Einführung zu bringen.
Ich mußte diese Veranlassungen erwähnen, damit Sie heute abend nicht die Vorstellung haben, daß es sich um theoretische Auseinandersetzungen handelt, sondern damit sie Einsicht darein haben, daß aus einer wirklich praktischen Erziehungskunst heraus gesprochen werden soll. Ich mußte das um so mehr tun, weil ich ja selbstverständlich heute abend nur in der Lage sein werde, einige wenige Andeutungen zu geben. Diese Anregungen, die ich geben werde, werden um so un vollstän&öger sein müssen, als es sich wirklich bei den Erziehungs prinzipien, von denen ich hier spreche, nicht um ein Programm handelt, sondern um eine Praxis. Und wenn es sich um eine Praxis handelt, kann man immer nur einiges, ich möchte sagen, beispielsweise aus dieser Praxis anführen. Wer von einem Programm ausgeht, hat es leichter: Er führt allgemeine Sätze an, allgemeine Maximen. Das geht gerade bei der besonderen Eigentümlichkeit jener Erziehungsprinzipien nicht, von denen die Waldorfschul-Erziehung ausgeht.

Uit het organiseren van voordrachten is dan de Opvoedings-Unie ontstaan die zich hier gevestigd heeft en die van plan is de opvoedprincipes waarover ik vanavond zal spreken, ook in Engeland op grotere schaal in te voeren.
Ik moet deze aanleiding wel noemen, opdat u vanavond niet denkt dat het om theoretische gezichtspunten gaat, maar opdat u inzicht krijgt dat vanuit een werkelijk praktische opvoedkunst zal worden gesproken. Ik moest dit des te meer doen, omdat ik natuurlijk vanavond slechts in staat ben iets aan te stippen.
De aanzetten die ik zal geven, zullen nog des te onvollediger zijn naarmate het bij de opvoedingsprincipes waarover ik hier spreek, juist niet om een programma gaat, maar om de praktijk. En wanneer het om de praktijk gaat, kun je steeds maar een paar dingen, ik zou willen zeggen bij wijze van voorbeeld uit die praktijk geven. Wie van een programma uitgaat, heeft het makkelijker. Hij brengt wat algemene zinnen naar voren, algemene uitgangspunten. Maar bij wat zo bijzonder eigen is aan de opvoedingsprincipes waarvan bij de vrijeschoolopvoeding uitgegaan wordt, gaat dat niet.

Ich sagte schon,daß es sich handelt um eine Begründung der Pädagogik und Erziehung aus einer geisteswissenschaftlichen Weltauffassung heraus, einer solchen Weltauffassung, welche zu einer wirklichen Menschenkenntnis und dadurch auch zu einer wirklichen Erkenntnis des Wesens des Kindes führen kann.
Wenn der Maler oder ein anderer Künstler seine Kunst ausüben will, muß er sich zweierlei aneignen. Er muß sich erstens – nehmen wir das Beispiel des Malers – eine gewisse Beobachtungsgabe aneignen für Form und Farbe. Er muß aus dem Farb- und Formwesen heraus schaffen können. Er kann nicht ausgehen von einer theoretischen Erkenntnis, er kann nur ausgehen von einem lebendigen Drinnenleben im Form- und Farbenwesen. Dann erst kommt das, was er sich als zweites anzueignen hat: die Technik selbst. Erziehungswesen wird hier von anthropesophischer Geisteswissenschaft nicht aufgefaßt als eine Wissenschaft, nicht als eine theoretische Erkenntnis, sondern als eine 

Ik zei al dat het gaat om het in het leven roepen van pedagogiek en opvoeding uit een geesteswetenschappelijke opvatting over de wereld, de opvatting die tot een echte menskunde en daardoor ook tot een werkelijk kennen van het wezen van het kind kan leiden.
Wanneer de schilder of een andere kunstenaar zijn kunst wil uitoefenen, moet hij zich twee dingen eigen maken. Ten eerste moet hij – laten we als voorbeeld een kunstschilder nemen –zich een bepaalde manier van waarnemen eigen maken voor vorm en kleur. Hij moet vanuit kleur en vorm kunnen scheppen. Hij kan niet uitgaan van een theoretische kennis, hij kan alleen maar uitgaan van vorm en kleur wanneer hij daar in volle beleving in thuis is. Dan pas komt erbij wat hij zich in de tweede plaats eigen moet maken: de techniek zelf. Opvoeding wordt hier door de antroposofische geesteswetenschap niet opgevat als een wetenschap, niet als een theoretische kennis, maar als

blz. 244

wirkliche Kunst, als eine Kunst, die es mit dem edelsten Material, das wir in der Welt haben, zu tun hat: mit dem Menschen selber, mit dem Kinde, das in so wunderbarer ‘Weise uns die tiefsten ‘Welträtsel offenbart, indem es von Jahr zu Jahr, ja man möchte sagen, von Woche zu ‘Woche uns schauen läßt, wie herauskommt aus der Physiognomie, aus der Geste, aus alledem, was sonst die Äußerungen des Lebens des Kindes sind, wie da herauskommt das Geistige, das Seelische, das tief innerlich verschlossen ist in dem Kinde als eine göttliche Mitgift aus geistigen ‘Welten. Die Anschauung, von der ich hier spreche, geht davon aus, daß ebenso wie es notwendig ist für den Maler, eine Beobachtungsgabe, die Tätigkeit wird durch seine Hände, seine Seele, seinen Geist, eine Beobachtungsgabe für Farbe und Form sIch anzueignen, so ist es notwendig für den Erziehungskünstler, daß er verfolgen kann die ganze ‘Wesenheit des Menschen, wie sie sich offenbart in dem Kinde. Das aber kann man nicht, wenn man nicht aufsteigt von der Beobachtung desjenigen, was das gewöhnliche Bewußtsein dem Menschen gibt an Menschenbeobachtung, wenn man nIcht aufsteigen kann zu einer wirklichen Beobachtung des seelischen und des geistigen Lebens.

een echte kunst, als een kunst die te maken krijgt met het meest edele materiaal dat we in de wereld hebben, met de mens zelf, met het kind dat op zo’n wonderbaarlijke manier ons de diepste wereldraadselen openbaart, wanneer het jaar na jaar, men zou willen zeggen, van week tot week ons laat zien, hoe door de fysiognomie, door de gebaren, door alles wat maar uitingen van leven in een kind zijn, hoe daar zichtbaar wordt het geestelijke, de ziel, die in het kind nog diep verborgen is als een goddelijke gave uit de geestelijke wereld.
De opvatting waarover ik hier spreek, gaat ervan uit dat het voor de schilder net zo noodzakelijk is een waarnemingsvermogen –  dat activiteit wordt door zijn handen, zijn ziel, zijn geest- een waarnemingsvermogen voor kleur en vorm te ontwikkelen, als het voor de opvoedkunstenaar noodzakelijk is dat hij heel het wezen mens kan volgen zoals zich dit in het kind openbaart. Dat kun je echter niet wanneer je niet verder komt dan het waarnemen van wat het gewone bewustzijn de mens aan waarneming van de mens mogelijk maakt, wanneer je je niet kunt opwerken tot een echte waarneming van het zielen- en geestesleven.

Und das will gerade anthroposophische Geisteswissenschaft. Was man heute Erkenntnis nennt, kann sich eigentlich nur beschäftigen mit dem, was körperlich ist, was zu den Sinnen spricht. Wie lernen wir als Menschen heute, wenn wir nicht aufsteigen zu einer wirklichen Geisteserkenntnis, das Seelische kennen? Eigentlich nur dadurch, daß wir in uns selbst die Äußerungen, die Tätigkeiten des Seelischen kennenlernen. ‘Wir lernen kennen, indem wir Selbstbeobachtung erstreben, unser Denken, wir lernen kennen unser Fühlen, unser ‘Wollen. Das sind Eigenschaften des Seelischen. Das Seelische selbst haben wir nur, ich möchte sagen, durch ein Urteil. Das Sinnliche sehen wir, das Sinnliche nehmen wir wahr. Das Seelische haben wir nur, indem wir von Eigenschaften unseres eigenen Inneren uns das Urteil bilden, daß uns selbst so etwas zugrunde liege wie ein Seelisches.
Anthroposophische Geisteswissenschaft, wie ich sie hier meine, geht nIcht aus von diesem gewöhnlichen Bewußtsein, sondern sie sucht in der Menschenseele schlummernde Kräfte auf ganz systematische ‘Weise zu entwickeln, so daß daraus entsteht – bitte erschrecken Sie nicht 

En dat wil nu juist de antroposofische geesteswetenschap. Wat tegenwoordig kennis genoemd wordt, kan eigenlijk alleen maar slaan op wat lichamelijk is, wat tot de zintuigen spreekt.
Hoe kunnen wij tegenwoordig als mens, wanneer we ons niet opwerken tot een echte kennis van de geest, de ziel leren kennen. Eigenlijk alleen wanneer we in ons zelf de uitingen van de werkingen van de ziel leren kennen. Wanneer we proberen ons zelf waar te nemen, leren we ons denken kennen; we leren ons gevoel, onze wil kennen. Dat zijn eigenschappen van de ziel. De ziel hebben we slechts, zou ik willen zeggen, door een oordeel. Het zintuiglijke zien we, het zintuiglijke nemen we waar. De ziel hebben we alleen maar, wanneer we van eigenschappen van ons eigen innerlijk ons een oordeel vormen, dat aan ons zelf zoiets ten grondslag ligt als een ziel.
Antroposofische geesteswetenschap zoals ik die hier bedoel, gaat niet uit van een gewoon bewustzijn, maar zoekt in de ziel van de mens sluimerende krachten om deze op een heel systematische manier te ontwikkelen, zodat hieruit ontstaat – schrikt u a.u.b. niet van deze uitdrukking

blz. 245

vor dem Ausdrucke – eine Art exakten Hellsehens, exakte Clairvoyance. Dadurch schaut man hindurch von den Eigenschaften des Seelischen auf das wirkliche Seelische. Und man lernt dieses Seelische durch ein geistiges Schauen gerade so erkennen, wie man erkennen lernt die sinnliche Farbe durch das Auge, die sinnlichen Töne durch die Ohren. Den Geist aber, der in der Welt waltet, kennt das gewöhnliche Bewußtsein eigentlich nur durch eine Schlußfolgerung. Wir können immer nur, wenn wir in dem gewöhnlichen Bewußtsein verharren,sagen: Wir sehen Naturerscheinungen, Seelenerscheinungen. Wir schlieβen daraus, daß all dem ein Geistiges zugrunde liegt. Unsere Gedanken beschäftigen sich damit, zu schließen, daß dem Körperlichen ein Seelisches, ein Geistiges zugrunde liegt. Anthroposophische Geisteswissenschaft entwickelt in der Seele schlummernde Kräfte, die Geistes-Sinnesorgane, wenn ich mich des paradoxen Ausdrucks bedienen darf, durch die man den Geist nicht nur erschließen kann, sondern in lebendigem Denken selbst erlebt.
Dann erst, wenn man die Seele schaut, den Geist in lebendigem Denken erleben kann, dann kann man wirkliche Menschenerkenntnis haben.

– een vorm van exacte helderziendheid. Je kijkt zo vanuit de eigenschappen van de ziel verder in het werkelijke zielsgebied. En je leert dit zielsgebied door een geestelijk waarnemen net zo kennen, als je de zintuiglijke kleur door het oog leert kennen, de zintuiglijke tonen door de oren. Het alledaagse bewustzijn kent de geest, die in de wereld werkzaam is, eigenlijk alleen maar door gevolgtrekking. Wij kunnen altijd alleen maar, wanneer we met het gewone bewustzijn leven, zeggen: we zien natuurverschijnselen, zielenverschijnselen. We maken de gevolgtrekking dat aan dit alles iets geestelijks ten grondslag ligt. Onze gedachten houden zich ermee bezig te concluderen dat aan het lichamelijke, ziel en geest ten grondslag liggen. Antroposofische geesteswetenschap ontwikkelt sluimerende krachten in de ziel, de zintuigen van de geest, als ik mij zo paradoxaal mag uitdrukken, waardoor je de geest niet slechts concluderen kan, maar in het levende denken zelf ervaart. Want pas wanneer je de ziel waarneemt, de geest in het levende denken ervaren kan, kun je over echte menskunde beschikken.

Dann kommt durch eine Geisteswissenschaft eine solche lebendige Menschenerkenntnis zustande, welche den Menschen durchdringen kann, so daß er in dem heranwachsenden Kinde in jedem Momente des Lebens schauen kann, wie das Geistige, wie das Seelische in dem Kinde wirkt. Er sieht das Kind nicht nur, wenn ich so sagen darf,durch die Sinne von außen an, sondern er sieht, wie sich in den sinnlichen 0ffenbarungen das Seelische äußert. Denn er geht aus von dem, was nicht nur seelische Offenbarung, sondern unmittelbar seelischeSuhstanz ist, die gesehen werden kann wie die Farbe von den Augen.
Er geht davon aus, wie der Geist in dem Kinde wirkt, weil er erkennt, weii ihm diese Erkenntnis eine Wissenschaft liefert, die in lebendigem Denken den Geist selber erfaßt.
So geht diese Erziehungskunst, von der ich hier spreche, von einer Iehendigen Menschenerkenntnis, von einer Erfassung des Werdenden im Kinde in jedem Augenblicke des Lebens aus. Erst wenn man in dieser Weise, ich möchte sagen, das edelste Material, das wir haben können für eine Kunst, das Material für eine Erziehungskunst – wenn

Dan komt door een geesteswetenschap zo’n levende mensenkennis tot stand, die de mens kan doordringen, dat deze in het opgroeiende kind op ieder ogenblik in het leven kan waarnemen, hoe geest en ziel in het kind werkzaam zijn. Hij ziet het kind niet alleen maar, als ik het zo mag zeggen, aan de buitenkant door de zintuigen, maar hij ziet hoe de ziel zich uit in wat hij zintuigelijk waarneemt. Want hij gaat uit van wat niet slechts zielsuitingen zijn, maar direct van wat zielensubstantie is die net zo waargenomen kan worden als de kleur door de ogen. Hij gaat ervan uit hoe de geest in het kind werkzaam is, omdat hij deze kennis verkrijgt door een wetenschap die in het levende denken de geest zelf begrijpt.
Op deze manier gaat deze opvoedkunst waarover ik hier spreek, uit van een levende mensenkennis, van een begrijpen van het wordende in het kind, op ieder ogenblik van het leven. Pas wanneer je zo, ik zou willen zeggen, het meest edele materiaal dat wij kunnen hebben voor een kunst, het materiaal voor een opvoedkunst –

blz.246

man in dieser ‘Weise den Menschen durchschaut, wenn man wirklich auch erzieherisch für den Menschen wirkt, dann sieht man ganz andere Dinge, als man mit dem gewöhnlichen Bewußtsein sehen kann. Und dann kann man aus einer solchen ‘Wissenschaft heraus Lehrern und Erziehern Anleitung geben, wie sie im unmittelbaren praktischen Verkehre mit dem Kinde auch ausbilden können dasjenige, was als Seele selbst erschaut werden kann, als Geist selbst erlebt werden kann.
Im Kinde – das zeigt eben eine lebendige Beobachtung – ist der Geist in nicht geringerem Maße vorhanden als in dem Erwachsenen; aber dieser Geist ist tief im Inneren des Kindes verscMossen, muß sich den Leib erst erobern. Und wir bekommen einen Eindruck davon, in welch wunderbarer ‘Weise der Geist, der als göttliche Mitgift dem Kinde gegeben ist, in dem kindlichen Organismus wirkt, wenn wIr diesen Geist selber sehen können, bevor er durch die Sprache zu uns redet, bevor er durch intellektualistisches Denken sich uns offenbaren kann. Da bekommt man einen Eindruck davon, wie durchaus nicht gesagt werden darf: die physische Natur des Menschen ist das eine, das Geistige ist das andere. Im Kinde schaut man die physische Natur so, daß unmittelbar, viel mehr als das beim Erwachsenen jemals der Fall sein kann, das Geistige innerlich an dem Physischen arbeitet, das Geistige ganz das Physische durchtränkt.

wanneer je op deze manier de mens doorgrondt, wanneer je werkelijk ook opvoedkundig voor de mens werkt, dan zie je heel andere dingen dan wanneer je met het alledaagse bewustzijn kan zien. En dan kun je vanuit zo’n wetenschap aan leerkrachten en opvoeders richtlijnen geven, hoe zij in het direct praktische omgaan met het kind ook datgene kunnen vormen wat als ziel zelf waargenomen kan worden, als geest zelf ervaren kan worden. In het kind – dat laat een levende waarneming nu eenmaal zien – is de geest niet minder aanwezig dan in een volwassene, maar deze geest zit diep in het kind verborgen; ze moet nog bezit nemen van het lichaam. En we krijgen er een indruk van op welke wonderbaarlijke manier de geest die als een goddelijke gave aan het kind is meegegeven, in het kinderlijke organisme werkt, wanneer we deze geest zelf kunnen zien, vóór deze d.m.v. taal tot ons spreekt, vóór deze door intellectualistisch denken zich aan ons kan openbaren. Dan krijg je de indruk dat er helemaal niet gezegd mag worden: de fysieke natuur van de mens is het ene, het geestelijke is het andere. In het kind zie je de fysieke natuur zo dat direct, veel meer dan bij de volwassene ooit het geval kan zijn, het geestelijke innerlijk aan het lichamelijke werkt; het geestelijke heel het lichamelijke doordrenkt.

Als Erwachsene haben wir Geist, indem wir den Geist brauchen, um über die ‘Welt zu denken. Das Kind hat Geist, indem es den Geist braucht, um selbst erst wie der geistige Bildhauer den eigenen Organismus zu gestalten. Und viel mehr als man glaubt, ist der physische Organismus des Menschen durch das ganze folgende Erdenleben hindurch ein Geschöpf desjenigen, was das im Kinde verschlossene Geistige gerade an diesem physischen Organismus verrichtet. Dafür gestatten Sie mir, Ihnen zunächst, damit ich nicht bloß in abstrakten Gedanken rede, sondern in konkreten, einiges beispielsmäßig zu sagen.
‘Wer nur äußerlich, mit physischer ‘Wissenschaft das Kind ansieht,das Kind so anschaut, wie uns der Seziertisch oder die gewöhnliche Physiologie seine Organisation gibt – nicht eine geistige Durchschauung -, der sieht nicht, wie alle einzelnen Gesten, die auf das Kind geschehen, sich im physischen Organismus auswirken, ausleben. Ich will 

Als volwassene hebben we de geest doordat we de geest nodig hebben om over de wereld na te denken; het kind heeft de geest omdat het de geest nodig heeft om zelf eerst als een geestelijke beeldhouwer het eigen organisme vorm te geven. En veel meer dan men gelooft is het fysieke organisme van de mens tijdens heel het volgende aardse bestaan een schepping van wat de in het kind verborgen geest juist aan dit fysieke organisme verricht. Sta mij toe dat ik eerst eens, opdat ik niet alleen maar abstracte gedachten formuleer, maar concreet, met een paar voorbeelden iets zeg.
Wie alleen maar naar de buitenkant, met de fysieke wetenschap naar het kind kijkt, zo naar het kind kijkt, op de snijtafel of zoals de gewone fysiologie dat doet – geen geestelijk doorgronden – die ziet niet hoe alle op zich staande gebaren richting het kind, hun uitwerking hebben in het fysieke organisme. Ik wil zeggen:

blz. 247

einmal sagen: das Kind wird angeschrien; es ist in irgendeiner Tätigkeit, es wird von dem Erwachsenen angeschrien. Es gibt einen ganz anderen Eindruck auf das Kind, wenn es vom Erwachsenen angeschrien wird, als wenn wir einen Erwachsenen anschreien. Wenn wir das Kind anschreien, so müßten wir bedenken, daß das Kind noch ganz anders organisiert ist als der Erwachsene. Der Erwachsene hat seine Sinnesorgane an der Oberfläche seines Organismus; er beherrscht dasjenige, was ihm die Sinnesorgane geben, mit seinem Intellekt. Er gestaltet aus dem Inneren heraus gegenüber den Sinneseindrücken den voll entwickelten Willen. Das Kind ist ganz hingegeben der äußeren Welt. Das Kind ist, wenn ich mich so ausdrücken darf – es ist nicht bildlich, es ist ganz real gemeint -, das Kind ist ganz Sinnesorgan. Ich möchte mich ganz deutlich aussprechen: Betrachten wir einen Säugling. Wenn wir ihn mit der äußeren Erkenntnis anschauen, so scheint es uns so, als ob er ebenso empfinden würde, ebenso die Welt betrachten würde wie ein Erwachsener, nur daß sein Intellekt, sein Wille noch nicht so ausgebildet ist wie bei einem Erwachsenen. Das ist nicht der Fall. Der Erwachsene fühlt sozusagen den Geschmack bloß auf Zunge und Gaumen. Was beim Erwachsenen schon an die Oberfläche des Organismus getreten ist, durchdringt beim Kinde den Organismus viel tiefer nach dem Inneren hin. Das Kind wird gewissermaßen ganz Geschmacksempfindung, wenn es die Nahrung zu sich nimmt, ebenso ganz Lichtempfindung, wenn Licht, wenn Farben in seine Augen dringen.

er wordt naar het kind geschreeuwd; het is met iets bezig en het wordt door de volwassene toegeschreeuwd. Wanneer we naar het kind schreeuwen moeten we bedenken, dat het kind nog heel anders in elkaar zit dan de volwassene. De volwassene heeft zijn zintuigorganen aan de buitenkant van zijn organisme; hij beheerst wat de zintuigen hem geven, met zijn intellect. Hij vormt uit zijn innerlijk tegenover de zintuigindrukken de vol ontwikkelde wil. Het kind geeft zich helemaal over aan de buitenwereld. Het kind is, als ik mij zo mag uitdrukken, het is geen beeld, het is echt zo bedoeld, het kind is helemaal zintuig. Ik wil het heel duidelijk maken. Laten we eens naar een baby kijken. Wanneer we deze met de uiterlijke kennis bekijken, dan lijkt het alsof deze net zo gewaarwordt, net zo de wereld bekijkt als een volwassene, behalve dan dat zijn intellect, zijn wil nog niet zo ontwikkeld is als bij een volwassene. Dat is niet het geval. De volwassene voelt de smaak alleen op de tong en het verhemelte. Wat bij de volwassenen al aan de oppervlakte van het organisme gekomen is, doordringt bij het kind het organisme veel dieper naar binnen toe. Het kind wordt in zekere zin helemaal smaakgewaarwording wanneer het voeding in zich opneemt, net zo, helemaal lichtgewaarwording wanneer licht, wanneer er kleur in zijn ogen doordringt.

Es ist nicht bloß bildlich gesprochen, es ist eine Wirklichkeit: wenn das Kind dem Lichte ausgesetzt wird, so vibriert das Licht nicht nur durch sein Nervensystem, es vibriert durch seine Atmung,durch sein Blutsystem, es vibriert so durch den ganzen Organismus, wie das Licht beim Erwachsenen im Auge allein tätig ist. Das Kind ist innerlich ganz Sinnesorgan. Und wie das Auge hingegeben ist an die Welt, ganz im Lichte lebt, so lebt das Kind ganz in seiner Umgebung. Es trägt den Geist in sich, um das, was in seiner physischen Umgebung lebt, mit seinem ganzen Organismus aufzunehmen. Wenn wir daher das Kind anschreien, so ist sein Organismus in einer ganz bestimmten Tätigkeit. Dadurch, daß wir es anschreien, vibriert in dem Kinde viel stärker etwas in sein Inneres, als das beim Erwachsenen, der Gegenkräfte 

Dit is niet alleen beeldend gesproken, het is realiteit: wanneer het kind blootgesteld wordt aan licht, dan vibreert het licht niet alleen door zijn zenuwsysteem, het vibreert ook door zijn adem, door zijn bloedsyteem, het vibreert door heel zijn organisme, zoals het licht bij de volwassene alleen in het oog werkzaam is.
Het kind is innerlijk helemaal zintuigorgaan. En zoals het oog uitgeleverd is aan de wereld, helemaal in het licht leeft, zo leeft het kind helemaal in zijn omgeving. Het heeft de geest in zich om wat in zijn fysieke omgeving leeft met heel zijn organisme op te nemen. Wanneer we dus tegen het kind schreeuwen, klinkt  er in zijn innerlijk iets veel sterkers mee dan bij de volwassene die innerlijke afweerkrachten heeft,

blz. 248

hat, die sich im Inneren regen, der Fall sein kann. Und das, was da bewirkt wird wie ein Stocken des seelisch-geistigen Lebens des Kindes, das überträgt sich beim Kinde unmittelbar auf die körperliche Organisation. Und kommt es öfter vor, daß wir ein Kind anschreien,auch etwa in Schrecken versetzen, dann wirken wir nicht bloß auf die Seele des Kindes, dann wirken wir auf die ganze physische Organisation des Kindes. Die Gesundheit des erwachsenen Menschen bis ins späteste Alter liegt in unserer Hand, je nachdem wir uns in der Umgebung des Kindes verhalten.
Das wichtigste Erziehungsmittel für ein Kind im ersten Lebensalter ist, wie man sich selber als Erwachsener in seiner Umgebung verhält. Ist das Kind ausgesetzt einem fortwährenden Leben und Treiben, das schnell verläuft, einem Hasten in seiner Umgebung, so wird einfach seine ganze physische Organisation die Neigung in sich aufnehmen, innerlich zu hasten. Und wer ein Menschenkenner ist, so daß er vom Geiste und von der Seele in der Beobachtung ausgehen kann, der sieht einem Kinde im elften, zwölften Lebensjahre an, ob es so behandelt worden ist, daß es in einer unruhigen, hastenden Umgebung war, oder in einer ihm angemessenen Umgebung, oder In einer zu langsamen Bewegung der Umgebung. ‘Wir sehen es am Schritt des Kindes.

het geval kan zijn. En wat een haperen van het geest-zielenleven van het kind veroorzaakt, gaat bij het kind meteen verder in de lichamelijke organisatie. En komt het vaker voor dat we tegen een kind schreeuwen, het ook laten schrikken, dan oefenen we niet alleen invloed uit op de ziel, dan werken we in op heel het fysieke organisme van het kind. De gezondheid van de volwassen mens tot ver op latere leeftijd hebben we in de hand, al naar gelang wij ons in de omgeving van het kind gedragen.|
Het belangrijkste opvoedingsmiddel voor een kind in zijn eerste levensjaren is, hoe men zich als volwassene zelf in zijn omgeving gedraagt. Is het kind overgeleverd aan steeds maar gedoe en drukte dat snel verloopt, aan gehaast in zijn omgeving, dan zal eenvoudigweg heel zijn organisme de neiging in zich opnemen, zich innerlijk te haasten. En wie mensenkennis heeft zodat hij uit kan gaan van de geest en de ziel bij het waarnemen, die ziet aan een kind op zijn elfde, twaalfde jaar of het in een onrustige, gehaaste omgeving leefde of dat er te weinig in zijn omgeving gebeurde.
We zien het aan het lopen van het kind.

Wenn das Kind in einer Umgebung war, die hastet, in der alles mit übermäßiger Schnelligkeit verläuft, in der die Eindrücke fortwährend wechseln, so tritt das Kind mit leisem Schritt auf. Es prägt sich die Art und ‘Weise, wie das Kind seine Umgebung aufnimmt, bis zum Schritt, bis zum Schreiten, in seiner physischen Organisation aus. Wenn das Kind in einer Umgebung ist, die ihm nicht genügende Anregung gibt, die es fortwährend zur Langeweile treibt, so sehen wir umgekehrt, wie das Kind mit einem viel zu schweren Tritt im späteren Leben durch die ‘Welt geht. Ich erwähne diese Beispiele, weil sie besonders frappant sind, und weil sie zeigen, wie die Menschenbeobachtung sich verfeinern kann. Man sieht aus diesem Beispiel, was wir dem Kinde mitgeben können, wenn wir es in der richtigen Weise im ersten Lebensalter beobachten können. Denn in diesem ersten Lebensalter des Menschen ist das Kind dasjenige, was ich nennen möchte ein nachahmendes Wesen für seine ganze Umgebung, ein nachahmendes 

Wanneer het kind in een omgeving met haast verbleef waarin alles met bovenmatige vaart verloopt, waarin de indrukken voortdurend wisselen, dan heeft het kind een lichte tred. De manier waarop het kind de omgeving in zich opneemt, komt tot in de tred, tot in het stappen in zijn fysieke organisme tot uiting. Wanneer het kind in een omgeving leeft, die hem niet voldoende aanspoort, waarin het zich voortdurend verveelt, dan zien we het omgekeerde, hoe het kind met een veel te zware tred in het latere leven door de wereld gaat.
Ik noem deze voorbeelden, omdat ze bijzonder frappant zijn en omdat ze tonen hoe het waarnemen van een mens verfijnd kan worden. Je ziet aan dit voorbeeld wat we het kind kunnen meegeven, wanneer we het op de juiste manier in de eerste levensjaren kunnen observeren. Want in deze eerste levensjaren van de mens is het kind, wat ik zou willen noemen een nabootsingswezen van heel de omgeving,

blz. 249

Wesen auch in bezug auf das, was es tun soll im Seelischen, auch im Moralischen. Ich möchte auch dafür ein Beispiel anführen.
Wer im Leben mit solchen Dingen viel zu tun gehabt hat, kann ja solche Dinge erfahren. Zu mir kam zum Beispiel einmal ein Vater, der sagte: Unser Junge war bisher immer ein braves Kind, hat alles das getan, was unser moralisches Wohlgefallen hervorgerufen hat; jetzt hat er Geld gestohlen! – Nun, wer die menschliche Wesenheit wirklich erkennt, der stellt in einem solchen Falle die folgende Frage: Ja, wo- her hat das Kind das Geld genommen? – Es wird einem gesagt: Aus dem Schranke. – Wer nimmt tagtäglich – so frägt man weiter – Geld aus dem Schrank? – Die Mutter! – Das Kind hat eben Tag für Tag gesehen, daß die Mutter Geld genommen hat aus dem Schrank. Das Kind ist ein nachahmendes Wesen, ist als seelischer Sinnesorganismus ganz der Umwelt hingegeben, tut, indem es sein eigenes Wesen in Bewegung bringt, dasselbe, was es in seiner Umgebung sieht. Das Kind richtet sich gar nicht nach Ermahnungen in dem ersten Lebensalter, es richtet sich nicht nach Geboten und Verboten – die haften nicht stark in seiner Seele -, das Kind richtet sich lediglich nach dem, was es in seiner Umgebung sieht. Nur sieht es viel, viel genauer als der Erwachsene, wenn es auch das Gesehene sich nicht zum Bewußtsein bringt

ook een nabootsingswezen van wat het op het gebied van het gevoel moet doen, ook voor de moraliteit. Daar wil ik ook een voorbeeld van geven. Wie in het leven veel met zulke dingen te maken heeft gehad, kan deze dingen te weten komen.
Er kwam bv. eens een vader bij mij die zei: “Onze jongen was tot nog toe steeds een braaf kind, deed alles wat bij ons een moreel welbehagen opriep; nu heeft hij geld gestolen!’- wel nu, wie het mensenwezen werkelijk kent, die stelt in zo’n geval de volgende vraag: Ja,  waaruit heeft het kind geld weggepakt? Er wordt tegen je gezegd: Uit de kast. – Wie haalt er dagelijks – zo vraag je verder – geld uit de kast?- Moeder! – het kind heeft iedere dag gezien dat moeder geld uit de kast heeft gehaald. Het kind is een nabootsend wezen, is als zintuigorganisme met zijn ziel helemaal gericht op zijn omgeving, doet, wanneer het met zijn eigen wezen actief wordt, hetzelfde als het in zijn omgeving ziet. Het kind stelt zich helemaal niet in op vermaningen in zijn eerste levensjaren, het stelt zich niet in op geboden en verboden – die blijven niet intens in zijn ziel hangen -, het kind richt zich enkel en alleen op wat het in zijn omgeving ziet. Maar, het ziet veel, veel preciezer dan de volwassene, ook al realiseert het zich niet bewust wat het in de omgeving ziet.

Und es prägt seinem Organismus das ein, was es in der Umgebung schaut. Der ganze Organismus wird ein Abbild dessen, was das Kind in der Umgebung schaut.
In unserer heutigen Erkenntnis überschätzen wir das, was wir die Vererbung nennen, gar sehr. Man redet, wenn man die Eigenschaften des Menschen im späteren Leben sieht, davon, daß er das meiste vererbt hätte auf dem Wege eben des rein physischen Übertragens durch die Generationen. Wer ein wirklicher Menschenkenner ist, sieht aber, wie sich die Muskeln des Kindes herausbilden nach den Eindrücken seiner Umgebung, je nachdem wir es sanft und milde, mit Liebe, oder in sonstiger Weise behandeln, wie sich Atmung und Blutzirkulation richten nach den Gefühlen, die das Kind erlebt. Erlebt das Kind es oft, daß irgendein Mensch seiner Umgebung in Liebe sich ihm naht, so daß er aus einem instinktiven Miterleben mit dem Kinde das Tempo einschlägt, das die innere Wesenheit des Kindes fordert, so bekommt 

Het hele organisme wordt een afdruk van wat het kind in zijn omgeving ziet. In onze huidige wetenschap hechten we zeker te veel waarde aan wat we erfelijkheid noemen. Men heeft het erover, wanneer men de eigenschappen van de mens in het latere leven ziet, dat hij het meeste geërfd heeft langs de weg van pure fysieke overdracht door de generaties heen. Wie een echte mensenkenner is, ziet echter, hoe de spieren van het kind gevormd worden door de indrukken uit zijn omgeving, al naar gelang we het zacht en mild, met liefde of op een andere manier behandelen, hoe adem en bloedsomloop zich instellen op de gevoelens die het kind beleeft. Ervaart het kind dikwijls dat een mens in zijn omgeving hem met liefde benadert, zo dat die uit een instinctief meeleven met het kind het tempo aanneemt, dat het innerlijk van het kind vraagt, dan krijgt het kind

blz. 250

das Kind in bezug auf die feinere Organisation einen gesunden Atmungsapparat. Fragen Sie, woher die Anlagen für einen brauchbaren physischen Organismus beim erwachsenen Menschen kommen, dann schauen Sie zur Beantwortung dieser Frage hin auf das, was auf das Kind, das ein einziges großes Sinnesorgan ist, aus der Umgebung heraus gewirkt hat, was aus den ‘Worten, was aus den Gesten, was aus dem ganzen Verhalten der Umgebung des Kindes in die Muskeln, in die Blutzirkulation, in die Atmung hineingegangen ist. Sie werden sehen, daß das Kind nicht nur ein Nachahmer ist in bezug auf das Sprechen- lernen, das ja ganz auf Nachahmung beruht – wobei es ja auch im Physischen seine Sprachorganisation erst ausgestaltet und stärkt -, sondein daß das Kind in seinem ganzen Organismus, und zwar in der feineren Gliederung dieses Organismus, gerade im Physischen ein Abdruck dessen ist, was wir in seiner Umgebung vollbringen.
Und so können wir sagen: ‘Wie der Mensch bis ins höchste Alter durchs Leben schreitet, indem er seinen physischen Organismus in starker oder schwacher ‘Weise ausgebildet hat, inwiefern sich der Mensch auf seinen physischen Organismus verlassen kann, das hat er zu danken – oder auch nicht zu danken – den Eindrücken, welche die Umgebung auf das ganz kleine Kind zu machen versteht.

wat zijn fijnere organisme betreft een gezond ademhalingsorgaan. Vraagt u zich af waar de aanleg voor een goed fysiek organisme bij de volwassen mens vandaan komt, kijkt u dan ter beantwoording van deze vraag naar wat op het kind, dat één groot zintuigorgaan als totaliteit is, vanuit de omgeving van het kind, op de spieren, op de bloedsomloop, op de ademhaling heeft ingewerkt. U zult zien, dat het kind niet alleen een nabootser is met het oog op het leren spreken dat helemaal op imitatie berust – waarbij het ook lichamelijk zijn spraakorganisme pas begint te vormen en te versterken – maar, dat het kind in heel zijn organisme en met name in de fijnere opbouw van dit organisme, juist in het fysieke een afdruk is van wat wij in zijn omgeving doen. En dus kunnen we zeggen: De manier waarop de mens tot op hoge leeftijd door het leven gaat doordat hij zijn fysieke organisme op sterkere of zwakkere manier gevormd heeft, in hoeverre de mens op zijn fysieke organisme kan vertrouwen, dat heeft hij te danken – of ook niet te danken – aan de indrukken die de omgeving op het heel kleine kind in staat is te maken. 

Das, was ich Ihnen jetzt gesagt habe in bezug auf den werdenden Menschen als ein nachahmendes Wesen, erstreckt sich auf das erste Lebensalter des Kindes, das sich einer wirklichen Menschenerkenntnis zeigt als das von der Geburt bis zum Zahnwechsel, bis ungefähr zum siebenten Jahre. In diesem siebenten Jahre ändert sich für das Kind mehr, als man gewöhnlich meint. ‘Was dann in der Entwickelung des Kindes eintritt und was man durchschauen muß als Grundlage für eine wahre Erziehungspraxis und Erziehungskunst, das will ich dann Im zweiten Teil des Vortrags erläutern, nachdem der erste Teil übersetzt sein wird.
Ungefähr um das siebente Jahr herum tritt mit dem Zahnwechsel nIcht nur dieses physische Symptom für eine Umwandlung der physischen Menschennatur auf, sondern es tritt im Kinde auch eine vollständige Umwandlung des seelischen ‘Wesens ein. ‘Wenn das Kind bis 

Wat ik u net heb gezegd m.b.t. de wordende mens als een nabootsend wezen beslaat de gehele beginleeftijd van het kind, die voor echte mensenkennis betekent de tijd van de geboorte tot de tandenwisseling, tot ongeveer het zevende jaar. In dit 7e jaar verandert er voor het kind meer dan men gewoonlijk denkt. Wat er dan in de ontwikkeling van het kind plaatsvindt en waarin je inzicht moet hebben als basis voor een echte opvoedingspraktijk en opvoedkunst, dat zal ik dan in het tweede deel van deze voordracht uiteenzetten, nadat het eerste deel is vertaald.
Ongeveer rond het zevende jaar manifesteert zich met de tandenwisseling niet alleen maar dit fysieke verschijnsel als een verandering van de fysieke mensennatuur, maar er vindt in het kind ook een volledige verandering plaats in de ziel.
Wanneer het kind tot aan de tandenwisseling,

blz. 251

zum Zahnwechsel hin im wesentlichen ein nachahmendes Wesen ist, und es in seiner Natur liegt, darauf angewiesen zu sein, seinen physischen Organismus unter den Kräften der Nachahmung auszubilden, so beginnt ungefähr um das siebente Jahr, mit dem Zahnwechsel, für das Kind die Notwendigkeit, an seine Umgebung nun nicht mehr physisch hingegeben zu sein, sondern seelisch hingegeben sein zu können. Wenn alles, was in der Umgebung des Kindes bis zum Zahnwechsel hin sich findet, ich möchte sagen, in die Tiefen des kindlichen Wesens eindringt, so dringt in das Kind für die zweite Lebensepoche, vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife, dasjenige ein, was gebaut ist auf die selbstverständliche Autorität derer, die erziehen oder unterrichten. Diese selbstverständliche Autorität drückt sich darin aus, daß das Kind nicht etwa irgendwie aus seiner Natur heraus lernen möchte dasjenige, was ihm entgegengebracht wird an Künsten der Erwachsenen, an Lesen und Schreiben und dergleichen. Es ist ein unermeßlich großer pädagogischer Irrtum, wenn man glaubt, daß das Kind überhaupt den geringsten Drang hat, diejenigen Dinge sich anzueignen, welche Verständigungsmittel, Offenbarungsmittel für das, was Sie wissen, also für den Erwachsenen, sind! Alles, was im Kinde wirklich entwickelnd wirkt, das ist das, was aus dem liebevollen Hingegebensein an die selbstverständliche Autorität hervorgeht.

in hoofdzaak een nabootsend wezen is en het in de natuur verankerd ligt dat hij erop is aangewezen zijn fysieke organisme door de krachten van de nabootsing te vormen, dan begint ongeveer rond het zevende jaar, met de tandenwisseling, voor het kind de noodzaak om niet meer fysiek overgeleverd te zijn aan zijn omgeving, maar dat het zich er met zijn ziel aan kan over geven.
Wanneer alles wat zich in de omgeving van het kind tot aan de tandenwisseling bevindt, ik zou willen zeggen, tot in de diepte van het kinderwezen doordringt, zo dringt in de tweede levensfase, van tandenwisseling tot puberteit datgene naar binnen wat gebouwd is op vanzelfsprekende autoriteit van hen die opvoeden of lesgeven. Deze vanzelfsprekende autoriteit drukt zich daarin uit dat het kind niet iets van nature zou willen leren dat hem aangereikt wordt aan kunst, aan lezen en schrijven en dergelijke. Het is een ongelooflijk grote pedagogische vergissing, wanneer je gelooft dat het kind de geringste behoefte zou hebben zich die dingen eigen te maken wat voor de volwassenen manieren zijn om zich begrijpelijk te maken, om uit te drukken wat ze weten. Alles wat in het kind werkelijk als ontwikkeling werkt, is wat uit een liefdevol zich overgeven aan de vanzelfsprekende autoriteit te voorschijn komt.

Das Kind lernt die Dinge, wenn es sie lernt, nicht aus irgendeinem Grunde, der im Unterricht ist; das Kind lernt, weil es sieht, daß der Erwachsene sie kennt und handhabt, weil es von dem Erwachsenen, der seine selbstverständliche Erzieherautorität ist, hört: Das ist das, was man als Richtiges tun soll und so weiter. Das geht bis in die Moralgrundsätze hinein.
Ich konnte anführen, wie bis zum Zahnwechsel auch das Moralische vom Kinde durch Nachahmung aufgenommen werden muß. Vomsiebenten bis ungefähr vierzehnten Jahr, vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife muß alles durch die liebevolle Hingabe an die selbstverständliche Autorität aufgenommen werden. Nicht irgendwie intellektualistisch dürfen wir dem Kinde beikommen mit einem Gebote: das ist gut oder das ist böse, sondern das Kind muß in der Empfindung heranwachsen, das für gut zu finden, was ihm die selbst- verständliche Autorität als gut offenbart. Und es muß an demjenigen 

Het kind leert de dingen, wanneer het ze leert, niet om een of andere reden die in het onderwijs ligt; het kind leert, omdat het ziet dat de volwassene ze kent en ermee omgaat, omdat het ze van de volwassene die zijn vanzelfsprekende autoriteit is, hoort. Dat is goed om te doen, enz. Dat gaat tot in de morele principes.
Ik kon naar voren brengen, hoe tot aan de tandenwisseling ook het morele door het kind door de nabootsing opgenomen wordt. Van het zevende tot ongeveer het veertiende jaar, vanaf de tandenwisseling tot de geslachtsrijpheid moet alles door de liefdevolle overgave aan de vanzelfsprekende autoriteit opgenomen worden. Niet op de een of andere intellectualistische manier mogen we het kind benaderen met een gebod: dat is goed of dat is slecht, maar het kind moet met het gevoel opgroeien, dat goed te vinden, wat hem als goed door de vanzelfsprekende autoriteit wordt voorgeleefd. 

blz. 252

Mißfallen haben als an dem Bösen, was ihm die selbstverständliche Autorität als solches hinstellt. Keine anderen Gründe für das Gefallen oder Mißfallen am Guten oder Bösen dürfen sich für das Kind ergeben, als die sind, welche die neben ihm stehende Autorität ihm für das Gute oder Böse offenbart. Nicht weil ihm die Sache an sich nach dem Intellekt gut oder böse erscheint, sondern weil der Erzieher es so findet. Das ist das, worauf es beI einem wirklichen, wahren Erziehen an- kommen muß. Worauf es ankommt, das ist, daß alles Moralische, auch alles Religiöse bei dem Kind vom Zahnwechsel bis zur Geschlechts- reife durch den Menschen herankommen muß. Das menschliche Verhältnis des Lehrers, des Erziehers, das ist es, worauf alles ankommen muß. Was wir glauben dem Kinde beizubringen, indem wir an seIne Urteilskraft appellieren, das bringen wir ihm so bei, daß es eigentlich vieles im Kinde innerlich ertötet. Das Kind ist zwar jetzt nicht mehr ganz Sinnesorgan, aber es hat, obwohl es seine Sinnesorgane an die Oberfläche des Körpers bereits verlegte, seine ganze Seele drinnen. Und es bringt nichts heraus aus dem Intellektualistischen, durch welches die Sinne irgendwie organisch geregelt, gesetzmäßig gemacht werden, sondern es kann gerade dann sich an die selbstverständliche Autorität der Erzieherpersönlichkeit hingeben, wenn ihm alles im beseelten Bilde entgegentritt.

En het zou een afkeer moeten hebben voor het kwaad dat door de vanzelfsprekende autoriteit als zodanig wordt gekwalificeerd. Geen andere beweegredenen voor het wel of niet fijn vinden van goed of kwaad zouden er voor het kind moeten zijn dan die door de autoriteit die hem terzijde staat als goed of kwaad worden beschouwd. Hierop zou het bij een reële, echte opvoeding moeten aankomen. Het komt erop aan dat alles wat moraliteit is, ook alles wat religiositeit is bij het kind vanaf de tandenwisseling tot de geslachtsrijpheid hem door de mens wordt bijgebracht. Het menselijk gedrag van de leerkracht, van de opvoeder: daarop moet alles berusten. Wanneer wij denken het kind iets bij te brengen door aan zijn oordeelsvermogen te appelleren, dan brengen we het hem zo bij dat het eigenlijk innerlijk in het kind veel kapotmaakt. Weliswaar is het kind niet meer helemaal zintuig, maar het heeft, hoewel zijn zintuigorganen al meer aan de oppervlakte van zijn lijf zijn komen te liggen, heel zijn ziel daar nog in. Wat intellectualistisch is, levert het kind niets op; dat regelt op de een of andere organische, wetmatige manier wel de gedachten, maar het kind kan zich dan pas aan de vanzelfsprekende autoriteit van de persoon die het opvoedt, overgeven, wanneer alles in een doorleefd beeld tot hem komt.

Aber das fordert von uns, daß wir die Erziehung zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife durch und durch künstlerisch gestalten, überall vom Künstlerischen ausgehen. Bringen wir an das Kind die Buchstaben heran, durch die es lesen lernen soll, schreiben lernen soll, so sind diese Buchstabenformen heute, in unserer gegenwärtigen Zivilisation solche, zu denen das Kind gar kein Verhältnis, gar keine Beziehungen hat. ‘Wir wissen ja, daß diese Buchstabenformen ausgegangen sind in gewissen Zivilisationen von der bildne`rischen Nachahmung äußerer Vorgänge und Dinge selber; von der Bilderschrift ist die Welt ausgegangen. Indem wir die Schrift` an das Kind heranbringen, müssen wir auch wiederum von dem Bilde ausgehen. Wir befolgen daher in Stuttgart, in der ‘Waldorfschul-Erziehungskunst dies, daß wir überhaupt nicht mit den Buchstaben als solchen, sondern daß wir künstlerisch mit dem Mal- und Zeichenunterricht beginnen. 

Maar dat vraagt van ons dat wij de opvoeding tussen de tandenwisseling en de geslachtsrijpheid door en door kunstzinnig vormgeven, overal van het kunstzinnige uitgaan. Wanneer we het kind letters leren waarmee het moet leren lezen en schrijven, dan zijn deze lettervormen vandaag de dag, in onze huidige beschaving zo, dat het kind er geen relatie mee heeft, geen verbinding. We weten wel dat deze lettervormen in bepaalde culturen ontstaan zijn door de beeldende nabootsing van uiterlijke processen en dingen zelf; de wereld is uitgegaan van beeldschrift. Als wij het schrift aan het kind bijbrengen, moeten we ook weer uitgaan van het beeld.
We gaan daarom in Stuttgart, in de vrijeschoolopvoedkunst, zo te werk dat we helemaal niet met de letters als zodanig beginnen, maar met kunstzinnige schilder- en tekenlessen.

blz. 253

Das ist schwierig bei dem Kinde, das mit sechs oder sieben Jahren die Schule betritt; aber die Schwierigkeit wird überwunden werden. Und sie wird überwunden, wenn wir in der richtigen Weise mit unserer Autorität neben dem Kinde so stehen, daß das Kind tatsächlich in sichdas Gefühl bekommt: das, was der Erzieher aus der Farbe, aus der Form heraus bildet, das will ich auch nachmachen, denn ich will so werden wie er. – Auf diesem Umwege muß alles erlernt werden. Das kann aber nur erlernt werden, wenn nicht nur äußerlich, sondern auch innerlich tatsächlich ein Verhältnis zwischen dem Lehrer und dem Schüler ist, welches über alles, was an Unterricht und Erziehung gegeben wird, das Künstlerische ausgießt. Denn zwischen dem Erziehenden und dem Kinde wirken eben Imponderabilien. Da wirkt nicht nur das, was man sich an Geschicklichkeit in der Erziehung angeeignet hat und dergleichen, da wirkt vor allen Dingen Gesinnung, da wirkt gefüMsmäßige Empfindung, da wirkt die ganze Seelenverfassung des Lehrers. Sie aber kann eine entsprechende Richtung bekommen, wenn man an das Geistige der Welt als Lehrer auch heranzugehen vermag.
Ich will auch da wieder ein Beispiel gebrauchen, um das, was ich meine, zu charakterisieren, ein Beispiel, das ich besonders gern gebrauche

Dat is moeilijk voor een kind dat met zes of zeven jaar op school komt, maar die moeilijkheden worden wel overwonnen. En ze worden overwonnen wanneer wij op de juiste manier met onze persoonlijkheid zo naast het kind staan, dat het inderdaad het gevoel krijgt dat wat de opvoeder uit de kleur, uit de vorm schept, dat wil ik nadoen, want ik wil zo worden als hij. Via deze omweg moet alles geleerd worden. Dat kan echter alleen geleerd worden, wanneer niet slechts uiterlijk, maar ook innerlijk daadwerkelijk tussen leerkracht en kind een verbinding bestaat die in alles wat aan onderwijs en opvoeding gegeven wordt, kunstzinnigheid uitstraalt.
Want tussen de opvoeder en het kind werkt nu eenmaal het imponderabele. Daar werkt niet alleen maar wat je je aan vaardigheden voor de opvoeding eigen hebt gemaakt enzo; bovenal is daar werkzaam mentaliteit; daar is werkzaam gevoelsmatig inleven, daar werkt heel de zielenconstellatie van de leerkracht. Deze constellatie kan echter een adequate impuls krijgen wanneer de leerkracht in staat is om wat als geest in de wereld werkt, te benaderen. Ik wil een voorbeeld geven om dat wat ik bedoel te karakteriseren; een voorbeeld dat ik heel erg graag gebruik.

Nehmen wir an, wir wollen das Kind im Moralisch-Religiösen anregen. Es wird das ungefähr, in der richtigen Art, in das neunte, zehnte Lebensjahr fallen. Man kann bei der Erziehung, die ich meine, durchaus von der Entwickelung des Kindes ablesen, was man ihm in jedem Jahre, ja Monate, beizubringen hat. Ich will ihm, sagen wir, im neunten, zehnten Lebensjahre beibringen eine Vorstellung von der Unsterblichkeit der Menschenseele. Ich kann intellektualistisch darüber herumreden, das wird auf das Kind nicht nur ohne Eindruck bleiben, es wird sogar das Kind seelisch verkümmern; denn es mischt sich, wenn ich intellektualistisch über das Moralisch-Religiöse vor dem Kinde doziere, nichts Seelisches hinein! Das Seelische beruht auf Imponderabilien, die zwischen dem Lehrer und dem Kinde wirken müssen. Ich kann dem Kinde bildhaft, im Symbolum, im Bilde künstlerisch beibringen, was es erleben soll über die Unsterblichkeit der Seele. Ich kann ihm sagen: Sieh dir die Schmetterlingspuppe an, der Schmetterling durchbricht diese Puppe, fliegt aus ihr aus, bewegt sich dann im

Laten we aannemen dat we het kind op het gebied van het moreel-religieuze willen inspireren. Dat zou op een goede manier rond het negende, tiende jaar kunnen vallen. Je kunt bij het opvoeden zoals ik dat voorsta, zeer zeker aan de ontwikkeling van een kind aflezen wat je het ieder jaar, iedere maand moet bijbrengen. Ik wil het, laten we zeggen, op zijn negende, tiende jaar een voorstelling bijbrengen van de onsterfelijkheid van de mensenziel. Ik kan er intellectualistisch over redeneren; dat zal in het kind niet alleen geen indruk maken, het kind zou wat zijn ziel betreft, in de kou blijven staan, want als ik aan het kind intellectualistisch over het moreel-religieuze doceer, dan komt er niets bij wat met de ziel heeft te maken. Wat ziel is, berust op onweegbare zaken die tussen de leerkracht en het kind moeten werken. Ik kan het kind beeldend, in een symbool, in beeld op kunstzinnige manier bijbrengen wat het beleven zal over de onsterfelijkheid van de ziel. Ik kan tegen hem zeggen: Kijk eens naar de vlinderpop; de vlinder breekt uit deze pop, vliegt er uit weg, beweegt dan in de zonneschijn. 

blz. 254

Sonnenschein. – So ist es mit der Menschenseele: sie ist im menscMic`hen Organismus wie der Schmetterling in der Puppe; sie verläßt, wenn der Mensch durch die Pforte des Todes tritt, den Organismus und bewegt sich fortan in der geistigen ‘Welt.
Nun kann man in einer zweifachen Weise das dem Kinde bei bringen wollen. Man kann als Lehrer sich selbstverständlich sehr gescheit fühlen und sich sagen: Ich bin gescheit, das Kind ist dumm; das Kind kann nicht verstehen, was ich durch meine Gescheitheit mir zurechtlege über die Unsterblichkeit der Seele. Ich forme es ihm in ein Bild, ich bemühe mich, dieses Bild zu formen.
Ja, wenn ich das Bild für das Kind nur zurechtrücke und mich selber über das Bild ungeheuer erhaben fühle, so wird das auf das Kind einen Eindruck machen, der bald wieder vorübergeht, der durch aus auch innerlich etwas verdorrt in dem Kinde. Aber ich kann in eIner anderen ‘Weise mich zum Kinde stellen durch meine Gemütsempfindung, kann mir sagen: Ich glaube selbst an dieses Bild. Dieses Bild fabriziere ich nicht; die göttlich-geistigen Mächte stellen selber in die Natur hinein die Schmetterlingspuppe und den ausflatternden Schmetterling, um vor mich ein Bild hinzustellen, ein reales Bild, das durch die Natur selber hineingestellt ist in die ‘Welt für das, was ich begreifen soll als Unsterblichkeit der Seele.

Zo gaat het ook met de mensenziel: deze zit net zo in de mens als de vlinder in de pop; ze verlaat, wanneer de mens door de poort van de dood gaat, het lichaam en beweegt zich voortaan in de geestelijke wereld.
Nu kan je op tweeërlei manier dit aan een kind willen bijbrengen. Je kunt je als leerkracht vanzelfsprekend zeer knap vinden en zeggen: Ik ben knap, het kind is dom; het kind kan niet begrijpen wat ik doordat ik knap ben bedenk over de onsterfelijkheid van de ziel. Ik maak er voor hem een beeld van, ik probeer dit beeld te vormen. Wanneer ik nu het beeld voor het kind een beetje rechtbrei en er mezelf behoorlijk boven verheven voel, dan zal dit op het kind een indruk maken, die algauw weer verdwijnt, die zeker ook innerlijk bij het kind iets dof maakt. Maar ik kan mij ook op een andere manier tot het kind richten door mijn gemoedsstemming; kan tegen hem zeggen: ik geloof zelf in dit beeld. Dit beeld heb ik niet in elkaar gezet; de goddelijk-geestelijke krachten plaatsen zelf de vlindercocon en de wegvliegende vlinder in de natuur om voor mij een beeld te creëren, een waarachtig beeld dat door de natuur zelf in de wereld is gezet voor wat ik moet begrijpen als de onsterfelijkheid van de ziel.

Die Unsterblichkeit der Seele tritt mir auf einer einfacheren, primitiveren Stufe, in dem auskriechenden Schmetterling entgegen. Gott selber hat mir das zeigen wollen an dem auskriechenden Schmetterling. – Erst wenn ich in die- ser Weise meinen Bildern gegenüber selbst Gläubigkeit entwickeln kann, dann spielt sich dieses eigentümliche, unsichtbare Übersinnliche zwischen mir und dem Kinde ab. Und wenn ich meine eigene Auffassung mit solcher Seelenvertiefung ausbilde und vor das Kind hinstelle, dann bleibt dieses Bild etwas, was für das ganze Leben in dem Kinde wurzelt und sich weiter entwickelt. ‘Was wir erreichen, wenn wir alles umsetzen können in bildhaften Unterricht zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife, das ist, daß wir dem Kinde nicht etwa fertige Begriffe beibringen, an denen es festhalten soll, die möglichst genau sein sollen. Wenn wir dem Kinde fertige Begriffe beibringen, so ist es, wie wenn wir seine Hand einspannen wollten in eine Maschine, so daß 

De onsterfelijkheid van de ziel doet zich op een eenvoudiger, primitiever niveau in de naar buiten komende vlinder aan mij voor. God zelf heeft mij dit willen laten zien door de vlinder die naar buiten komt. –  Pas wanneer ik zelf op deze manier mijn beelden geloofwaardiger kan maken, vindt dit bijzondere, onzichtbaar bovenzintuigelijke tussen mij en het kind plaats. En wanneer ik mijn eigen opvatting met die verdieping van de ziel vorm en die aan het kind geef, blijft dit beeld iets dat voor het hele leven in het kind post vat en zich verder ontwikkelt. Wat we bereiken, wanneer we alles kunnen omvormen in beeldend onderwijs tussen de tandenwisseling en de geslachtsrijpheid is, dat we het kind geen kant-en-klare begrippen bijbrengen waaraan het zich moet vasthouden, die zo precies mogelijk moeten zijn. Wanneer we het kind hapklare begrippen bijbrengen, dan is het of we zijn hand in een apparaat willen vastzetten,

blz. 255

es sich nicht frei entwickeln kann. Worum es sich handelt, ist, daß wir dem Kinde innerlich bewegliche Begriffe beibringen, solche Begriffe, die wachsen wie unsere Glieder, so daß dasjenige, was wir vor dem Kinde entwickeln, in neuen Jahrzehnten, im achtzehnten, im zwanzigsten, im vierzigsten Jahre seines Lebens etwas ganz anderes geworden sein kann.Diese Dinge kann aber nur der beurteilen – und bei ihm geht es in eine selbstverständliche Erziehungskunst über -, der nicht nur in der Gegenwart das Kind anschaut und frägt, was es für Bedürfnisse, was es für Entwickelungskräfte hat, sondern der das ganze menschliche Leben überschauen kann. Da möchte ich Ihnen ein Beispiel geben. Nehmen wir an, wir bringen es beim Kinde dahin, daß wir zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife jene innere Hingabe an den Erzieher herausbekommen. Ich möchte durch ein Beispiel die Stärke, die da eintreten muß, veranschaulichen. Wer solche Dinge durchschaut, der weiß, welches Glück seines Lebens es bis in die spätesten Jahre ist, wenn er in der Kindheit etwa in der Lage war, von seiner Umgebung zu hören von einem sehr verehrten Verwandten, den er bisher noch nicht gesehen hat. Er darf ihn eines Tages besuchen. Er geht mit scheuer Ehrfurcht, nach alldem, was er gehört hat, nach dem ganzen Bilde, das ihm entworfen worden ist, den Gang zu diesem Verwandten.

zodat het zich niet vrij ontwikkelen kan. Waarom het gaat is, dat we het kind begrippen geven die innerlijk kunnen meebewegen, die begrippen die groeien als onze ledematen, zodat wat we voor het kind ontwikkelen in het negende, tiende jaar op zijn twintigste, vierentwintigste jaar in zijn leven iets heel anders geworden kan zijn. Deze dingen kan slechts hij beoordelen – en bij hem gaat het in een vanzelfsprekende opvoedkunst over – die niet alleen nu naar het kind kijkt en zich afvraagt wat het nodig heeft, wat het aan ontwikkelingsvermogen heeft, maar die heel het menselijk leven kan overzien.
Daar wil ik graag een voorbeeld van geven. Laten we aannemen dat we er met het kind toe komen dat wij tussen de tandenwisseling en de geslachtsrijpheid die bepaalde innerlijke toewijding aan de leerkracht hebben kunnen oproepen. Ik zou met een voorbeeld de kracht die daar werkt, willen verduidelijken. Wie zulke dingen doorziet, weet, wat een levensgeluk het is tot op hoge leeftijd toe, wanneer hij als kind in de gelegenheid  kwam vanuit zijn omgeving te vernemen van een zeer geëerd familielid, die hij tot dan toe niet had gezien. Hij mag hem op een dag bezoeken. Hij gaat met verlegen eerbied, na wat hij allemaal heeft gehoord en het beeld dat daaruit is ontstaan, naar dit familielid toe.

Mit scheuer Ehrfurcht sieht er, wie die Türe geöffnet wird. Es ist ein Ungeheures um ein solches Hinschauen zu etwas Verehrungswürdigem. Wenn man so hat verehren können, so zu einem Menschen hat hinschauen können, 50 ist das etwas, was sich tief einwurzelt in die menschliche Seele, und wovon man im spätesten Lebensalter noch die Früchte haben kann! So ist es aber mit allem, was an beweglichen, lebendigen Begriffen an das Kind herangebracht wird, nicht in es hineingepreßt wird. Wer das bei einem Kinde erreicht, daß das Kind in scheuer Ehrfurcht wirklich zu dem Erzieher hinaufschaut als der selbstverständlichen Autorität, der erzeugt etwas in dem Kinde für das späteste Lebensalter, das ich ausdrücken möchte in dem Folgenden: Wir wissen, es gibt Leute, welche, wenn sie ein gewisses Lebensalter erreicht haben, für die Umgebung, in der sie sich aufhalten, eine Wohltat sind, deren Worte gar nicht viele zu sein brauchen; sie wirken wie

Met verlegen eerbied ziet hij hoe de deur opengaat. Dat is een enorme belevenis om zo op te kijken tegen een eerbiedwaardig mens. Wanneer je op deze manier eerbied hebt kunnen voelen, zo tegen een mens te hebben opgezien, dan is dat iets wat zich diep in de menselijke ziel nestelt en waarvan men op het laatst van het leven nog de vruchten kan plukken.
Maar zo is het met alles wat aan beweeglijke, levendige begrippen aan het kind wordt gegeven, niet bij hem erin gestampt wordt. Wie dat bereiken kan bij een kind, dat dit in verlegen eerbied werkelijk tegen zijn opvoeder opkijkt als de vanzelfsprekende autoriteit, die ontwikkelt in het kind iets voor de allerlaatste leeftijdsfase; dat wil ik als volgt uitdrukken: wij weten dat er mensen zijn die wanneer ze een bepaalde leeftijd hebben bereikt, voor de omgeving waarin ze leven, een weldaad zijn, die niet eens zoveel woorden hoeft te gebruiken;

blz. 256

segnend, ihre Worte. Es ist etwas, das die Stimme durchdringt, es ist nicht der Inhalt der ‘Worte. Es ist ein Segen für die Menschen, in der Zeit der Kindheit in die Nähe solcher Menschen zu kommen. ‘Wenn wir zurückgehen bei solch einem Fünfzig-, Sechzigjährigen und schauen, was ihm im kindlichen Leben zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife gegeben worden ist, was er gelernt hat, so kommen wir darauf, daß er verehren gelernt hat, ein Verehren im Moralischen, das ihn in der richtigen ‘Weise aufschauen lehrte, religiös, zu den höheren Mächten der ‘Welt; ein Mensch, der in der richtigen ‘Weise, wenn ich so sagen darf, beten lernte. ‘Wer in der richtigen Weise beten gelernt hat, bei dem wandelt sich das, was er innerlich an dem Vere`hren lernte, im Alter in segnende Kräfte, in die Kräfte, durch die er eine Wohltat für seine Umgebung sein kann. Und ich möchte sagen, um es möglichst bildlich auszudrücken: Derjenige, der nie gelernt hat die Hände zu falten als Kind, um zu beten, der kann auch niemals in seinem Leben die Kraft entwickeln, die Hände zum Segnen auszubreiten.
Darum handelt es sich, daß wir uns nicht einige abstrakt angeeignete Ideen bilden und in das Kind hineinstopfen, sondern daß wir wissen, wie wir mit dem Kinde verfahren müssen, wenn wir In seIne Seele etwas hineinbilden wollen, das für das ganze Leben von fruchtbringender Bedeutung ist. 

ze werken als een zegen. Het zit hem in de stem, niet in de inhoud van de woorden. Het is een zegen voor de mens om in de kindertijd in de nabijheid van zo’n mens te komen. Wanneer we bij zo’n vijftig- zestigjarige teruggaan en we kijken wat aan hem in zijn kindertijd tussen de tandenwisseling en de geslachtsrijpheid gegeven is, wat hij geleerd heeft, dan komen wij erop dat hij heeft leren vereren; een achten van het morele, wat hem op de juiste manier leerde kijken, religieus, naar de hogere machten in de wereld; een mens die op de juiste manier, als ik het zo mag zeggen, leerde bidden. Bij wie op de juiste wijze heeft leren bidden, verandert wat hij innerlijk aan achting leerde, in de ouderdom, in kracht om te zegenen, in de krachten waardoor hij een zegen kan zijn voor zijn omgeving. En ik zou willen zeggen om het zo veel mogelijk beeldend tot uitdrukking te brengen: degene die als kind nooit de handen heeft gevouwen om te bidden, die kan ook nooit in zijn leven die kracht ontwikkelen om de handen zegenend uit te strekken. Het gaat erom dat wij ons niet een paar abstract verworven ideeën vormen en in het kind proppen, maar dat we weten hoe we met het kind moeten omgaan, wanneer wij in zijn ziel iets willen vormen dat voor heel het leven van vruchtbare betekenis is.

Und so werden wir nicht das abstrakte Lesen und Schreiben unmittelbar an das Kind heranbringen, sondern init dem Schreiben beginnen, aber aus dem Künstlerischen heraus, in- dem wIr aus dem Bild heraus alles das entstehen lassen, was an abstrakten Buchstaben in der ‘Welt existiert. Indem wir zunächst das Kind so schreiben lehren, entsprechen wir dadurch seinen Bedürfnissen, nicht nur seine Beobachtung hinzuwenden, sondern seinen ganzen Menschen, nicht nur den Kopf. ‘Wir werden zunächst das Kind schreiben lehren; denn wenn das Kind das Schreiben auf diese ‘Weise aufnImmt, daß es aus dem Bilde heraus mit dem ganzen Menschen beteiligt ist, nicht bloß mit dem Kopf, geben wir ihm das Richtige. Hat es so schreiben gelernt, dann kann es das Lesen lernen.
‘Wer zu stark befangen ist im heutigen Schulwesen, der wird sagen: Ja, aber da lernt das Kind langsamer lesen und schreiben, als es dies bisher gelernt hat. – Aber es handelt sich darum, ob dasjenige Tempo, 

En dus willen wij niet meteen het abstracte lezen en schrijven aan het kind aanbieden, maar met schrijven beginnen, maar vanuit het kunstzinnige, wanneer we uit het beeld alles laten ontstaan wat aan abstracte letters in de wereld bestaat. Als we eerst het kind zo leren schrijven dan is dat in overeenstemming met wat hij vraagt: niet alleen maar het kijken gebruiken, maar heel de mens, niet alleen zijn hoofd. We leren het kind eerst schrijven; want wanneer het kind het schrijven op deze manier zich eigen maakt – dat het vanuit het beeld als totale mens erbij betrokken is, niet alleen met het hoofd, dan geven wij hem het juiste. Heeft het zo leren schrijven, dan kan het leren lezen. Wie teveel vast zit in hoe het huidige schoolsysteem zal zeggen: Ja, maar dan leert het kind langzamer lezen en schrijven, als tot nog toe. Maar het gaat erom of dit tempo

blz. 257

das heute eingehalten ist, richtig ist! Im Grunde genommen ist es überhaupt nur richtig, wenn das Kind erst nach dem achten Jahre zu dem Lesen herangezogen wird! So daß das alles aus dem Bildnerischen, Künstlerischen heraus entwickelt wird.
Derjenige, der ein Menschenkenner geworden ist durch wirkliche Seelen- und Geistesanschauung des Menschen, wird in feinster Weise den Menschen beobachten können, und dann wird aus der Beobachtung die erzieherische Kunst fließen. Nehmen wir an, wir haben ein Kind, das zu stark mit seinen Beinen auf die Erde auftritt; es rührt das davon her, daß ‘in unrichtiger Weise auf das Kind seelisch eingewirkt worden ist vor dem Zahnwechsel. Aber wir können noch manches gut machen, indem wir von innen heraus, durch die Bilder, die wir an- regen, Künstlerisches heranbringen und das, was der Mensch gestaltet hat bis zum Zahnwechsel, nach dem Zahnwechsel beleben lassen. Daher wird der, welcher ein wirklicher Menschenkenner ist, ein Kind, das einen stark auftretenden Schritt hat, vorzugsweise damit beschäftigen, daß er es künstlerisch heranzieht zum Malerischen, Zeichnerischen. Dagegen ein Kind, das einen zu leichten, tänzelnden Schritt hat: die ganze spätere Charakterbildung, ungeheuer tiefes Moralisches hängt davon ab, daß wir ein solches Kind mehr zum Musikalischen an- regen.

dat tegenwoordig aangehouden wordt, juist is! In de grond van de zaak is het alleen maar juist, wanneer het kind pas op zijn achtste bij het lezen betrokken wordt. Zo dat alles uit het beeldende, vanuit het kunstzinnige wordt ontwikkeld.
Degene die de mens heeft leren kennen door de reeële waarneming van de mensenziel- geest zal op de meest subtiele manier de mens kunnen waarnemen en dan zal uit die waarneming de kracht stromen voor de opvoedkunst. Laten we eens aannemen dat we een kind hebben, dat met te veel kracht in zijn benen op aarde gaat en staat; dat komt dat er op een verkeerde manier op de ziel van het kind is ingewerkt vóór de tandenwisseling. Maar we kunnen nog veel goed maken, wanneer we van binnenuit, door de beelden die we aandragen, het kunstzinnige dat we brengen en dat wat de mens zoal gedaan heeft tot de tandenwisseling, na de tandenwisseling stimuleren.
Vandaar dat degene die de mens werkelijk kent zich allereerst bezig zal houden met een kind dat een krachtige tred vertoont, op kunstzinnige manier in aanraking te brengen met schilderen, tekenen. Daarentegen een kind dat een te lichte, dansende pas heeft: heel de verdere karaktervorming, het bijzonder diep-morele, hangt daarvan af, dat wij zo’n kind meer stimuleren op het gebied van het muzikale.

Und so können wir in jedem einzelnen Fall sagen, wenn wir hineinschauen können in den Menschen, wie wir das heranbringen sollen, was wir ins Bild gießen.
Wir können sagen: Bis zum Zahnwechsel hin wird das Kind in seiner Eltern- und Familienumgebung seine nächste, naturgemäße Umgebung haben. Aber wir müssen nachkommen durch Kinderschulen, Spielschulen. Wir machen nur das Richtige durch das, was wir als Spielen, als kindliche Betätigung entwickeln sollen, wenn wir wissen, wie das in das Kind, in den physischen Organismus hineingeht. Man soll sich nur vorstellen, wie ein Kind, das zum Beispiel eine fertige Puppe bekommt, eine sogenannte recht «schöne» Puppe, die sogar ein schön gemaltes Antlitz hat, also möglichst «fertig» ist, wie ein solches Kind – diese Dinge lassen sich nicht durch die grobe Anatomie beobachten – ein schwerflüssiges Blut bekommt, wie seine physische Organisation gestört wird. Wir wissen gar nicht, wie schwer wir da 

We kunnen zeggen: tot aan de tandenwisseling zal het kind in de omgeving van zijn ouders en zijn familie zijn naaste, natuurlijke omgeving hebben. Maar wij moeten daarna komen met – (Steiner gebruikt hier: Kinderschulen, Spielschulen – niet Kindergarten:) kleuterscholen, maar bedoelt wellicht hetzelfde.) We doen alleen het juiste door wat wij als spel, als kinderactiviteit moeten ontwikkelen, wanneer we weten hoe dat in het kind, in het fysieke organisme inwerkt. Je moet je maar eens voorstellen hoe een kind dat bv. een kant-en-klare pop krijgt – een zgn.’mooie’ pop, die zelfs een mooi geschilderd gezichtje heeft, dus helemaal ‘af’ is, hoe zo’n kind – deze dingen kun je grofstoffelijk niet waarnemen- stroperig bloed krijgt, hoe zijn fysiek organisme verstoord wordt. Wij weten helemaal niet, hoe zwaar

blz. 258

sündigen, wie das auf das Kind wirkt! Stellen wir ihm aus ein paar Lappen selber die Puppe zusammen, indem wir sie neben dem Kinde machen, malen wir auf die Puppenlappen die Augen drauf, so daß das Kind dies in der Beweglichkeit, im Entstehen vor sich hat, dann nImmt das Kind das in die Beweglichkeit seines Organismus auf; es geht über in sein Blut, in sein Atmungssystem.
Haben wir zum Beispiel ein melancholisches Kind vor uns; wer ohne jede Seelenanschauung, äußerlich das Kind nur betrachtet, wird sagen: ein melancholisches Kind, innerlich schwarz – wir müssen recht lebhafte Farben in seine Umgebung bringen, müssen seine Spiele möglichst rot und gelb machen, müssen ihm Kleider anziehen, die möglichst hell sind, damit das Kind durch die hellen Farben aufwacht, aufgeweckt wird. – Nein, das wird es nicht! Denn, sehen Sie, das erzielt nur eInen innerlichen Schock in dem Kinde, muß geradezu alle Lebenskräfte in die entgegengesetzte Richtung treiben. Gerade blaue oder blauviolette Farben und Spielgegenstände müssen wir in die Nähe eines Kindes bringen, das ein melancholisches, in sich verschlossenes Kind ist; während wir das Kind, das innerlich tätig ist, anregen dadurch, daß wir Hellfarbiges in seine Umgebung bringen

we daar zondigen, hoe dat op het kind werkt! Maken we voor hem zelf een pop uit een paar lappen, als we die met het kind naast ons maken, en we schilderen de ogen op de poppenlapjes, zodat het kind dit in de activiteit, in het ontstaan voor zich ziet, dan neemt het kind dit in de beweeglijkheid van zijn organisme op; het gaat over in het bloed, in zijn ademsysteem.
Hebben we bv. een melancholisch kind voor ons; wie zonder de ziel waar te nemen, uiterlijk alleen maar naar dit kind kijkt, zou kunnen zeggen: een melancholisch kind, van binnen donker – wij moeten echte levendige kleuren in zijn omgeving brengen, moeten zijn speelgoed zo veel mogelijk rood en geel maken, moeten hem kleren aantrekken die zo veel mogelijk licht zijn, zodat het kind door deze felle kleuren actief wordt, opgemonterd wordt. – Nee, dat wordt het niet! Want, zie je, dat brengt alleen maar een innerlijke shock teweeg in het kind, dat zou juist alle levenskracht in de tegenovergestelde richting sturen. Juist blauw en of blauwpaarse kleuren en speelgoedjes moeten we in de omgeving brengen van een kind dat een melancholisch, een gesloten kind is, terwijl we een kind dat innerlijk actief is, juist stimuleren doordat we heldere kleuren in zijn omgeving brengen. 

Dadurch stellt es seInen eigenen Organismus mit der Umgebung in eine HarmonIe hinein, und es gesundet für das, was vielleicht in ihm zu flatterhaft ist, zu nervös ist, gerade an der Beweglichkeit und dem Hellen in der Umgebung.
So kann man bis ins einzelnste hinein, bis in die unmittelbare Hilfe der Praxis, das, was neben dem Kinde erzieherisch, unterrichtlich zu tun ist, aus wirklicher Menschenerkenntnis heraus gewinnen. Wenn man in dieser ‘Weise erzieht, wird man einsehen, daß es im Grunde genommen zwar den Einbildungen entsprechen kann, die wir uns machen darüber, was das Kind in diesem oder jenem Alter lernen soll, was wir in es hineinpfropfen sollen, wie wir es betätigen sollen. Derjenige aber, der weiß, daß das Kind dennoch aus seiner Umgeb,ung nur das nehmen kann, was in seinem Organismus veranlagt ist, der wird sich so sagen: Nehmen wir an, ein Kind ist dazu veranlagt, nicht fortdauernd in robuster Art sich in der Außenwelt zu betätigen, sondern etwas auch im Kleinen zu arbeiten, ich möchte sagen, ins Künstlerische 

Daardoor brengt het zijn eigen organisme met de omgeving in harmonie en het maakt dat wat wellicht te ongedurig, te nerveus in hem is, juist door de beweeglijkheid en het lichte in de omgeving, gezonder. Zo kun je tot in detail, tot in de directe hulp in de praktijk wat rondom het kind opvoedend, aanlerend te doen is, uit echte mensenkennis halen.
Wanneer je op deze manier opvoedt, zul je inzien dat het in de aard van de zaak wel in overeenstemming kan zijn met de voorstellingen die wij ons maken van wat het kind op een of andere leeftijd moet leren, waarmee we het moeten volstampen, hoe we het bezig moeten houden. Degene die echter weet dat het kind alleen uit zijn omgeving in zich kan opnemen wat in zijn organisme in aanleg aanwezig is, zal zeggen: Laten we aannemen dat een kind als aanleg heeft zich niet voortdurend op een krachtige manier met de buitenwereld bezig te houden, maar iets in het klein te doen, ik zou willen zeggen, bezig te zijn met iets kunstzinnigs.

blz. 259

hinüber zu arbeiten. Wenn man dieses Kind – weil man selber eigensinnig auf das aus ist – robust äußerlich arbeiten läßt, dann verkümmern gerade die Anlagen, welche in dem Kinde sind für irgendeine feinere Arbeit; und diejenigen Anlagen, die man ausbilden möchte, weil man sich selber einbildet, daß sie allgemein menschliche sind, weil man sie bei jedem Menschen ausbilden muß, verkümmern erst recht.
Das Kind kümmert sich nicht darum; es führt die Arbeit zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife aus, aber es bleibt nichts in ihm,es wächst nichts heran in dem Kinde von dem, was in dieser Weise in es hineingepfropft wird. Überall kommt es bei dem Erziehungsprinzip, um das es sich hier handelt, darauf an, daß der Erziehende einen feinen Sinn hat, was im Kinde vorhanden ist, und daß er aus dem, was er im Kinde körperlich, seelisch, geistig beobachtet, in jedem Augenblick das Richtige aus seinem Lehrinstinkte heraus zu tun weiß.
Auf diese Weise wird der Lehrer eigentlich die Pädagogik für das Kind mit seinem Heranwachsen beobachten können. In der Waldorfschul-Pädagogik ist der Lehrplan vom Kinde abgelesen. Alles, was nicht nur von Jahr zu Jahr, was von Monat zu Monat, von Woche zu Woche getrieben werden muß, ist vom Kinde abzulesen, damit dem Kinde das entgegengebracht werden kann, was es durch seine innere Natur fordert. 

Wanneer je dit kind – omdat je zelf uit eigen zin daarop uit bent – krachtig in de buitenwereld wil laten werken, dan verkommert die aanleg juist die in het kind aanwezig is voor een of ander fijner werk; en die aanleg die je zou willen vormen, omdat je jezelf voorhoudt dat die algemeen menselijk is omdat die bij ieder mens ontwikkeld moet worden, die verkommert pas echt.
Het kind maalt daar niet om; het doet het werk tussen de tandenwisseling en de geslachtsrijpheid, maar het beklijft niet, hij neemt het niet op wat er op deze manier ingepompt wordt. Overal komt het bij het opvoedingsprincipe waar het hier om gaat erop aan dat de opvoeder een subtiel zintuig heeft voor wat er in het kind aanwezig is en dat hij, uit wat hij bij het kind lichamelijk en op het gebied van ziel en geest waarneemt, op ieder ogenblik het juiste weet te doen vanuit zijn onderwijsinstinct. Op deze manier zal de leerkracht eigenlijk de pedagogie voor het kind dat opgroeit, kunnen waarnemen. In de vrijeschoolpedagogie is het leerplan aan het kind afgelezen. Alles wat niet alleen van jaar tot jaar, wat van maand tot maand, van week tot week gedaan moet worden, wordt aan het kind afgelezen, opdat het kind datgene gegeven kan worden wat zijn natuur vergt. 

Der Lehrberuf ist derjenige, der die größte Selbstlosigkeit fordert, der darum gar nicht duldet, daß man irgendwie ein vor gefaßtes Programm hat, der ganz und gar darauf aus sein muß, das Kind so zu behandeln, daß man durch das Verhältnis, das man zu dem Kinde hat, indem man neben ihm steht, im Grunde genommen nur die Gelegenheit herbeiführt, daß sich das Kind selbst entwickeln kann.
Das wird man vom siebenten bis vierzehnten Jahr, gerade im elementarschulpflichtigen Alter am besten können, wenn man vollständig darauf verzichtet, an den Intellekt zu appellieren, sondern wenn man alles in das Künstlerische leitet. So läßt sich das Physische, wie auch das Seelische, wie auch das, was schon das Geistige ausbilden soll, in diesem Alter ins Bild kleiden. Wir sollen namentlich das Moralische ins Bild kleiden, wenn das Kind im neunten, zehnten Lebensjahre ist. Wir sollen nicht moralische Gebote geben, nicht sagen: Das ist gut oder das ist böse -, sondern vor das Kind hinstellen, an das Kind heranbringen

Het beroep van leerkracht is er een dat de grootste onbaatzuchtigheid vereist; dat juist daarom helemaal niet verdraagt dat men een of ander voorgeprogrammeerd iets heeft; maar helemaal zo zijn moet dat je het kind zo behandelt dat je door je verbinding die je met het kind hebt wanneer je bij hem bent, in de grond van de zaak alleen maar de gelegenheid biedt dat het kind zich zelf kan ontwikkelen. Dat zal je vanaf het zevende tot het veertiende jaar, precies de basisschoolleeftijd, het beste kunnen, wanneer je volledig afziet van het appelleren aan het intellect, maar alles naar het kunstzinnige leidt. Zo is het mogelijk het fysieke, wat de ziel is en ook wat de geest moet vormen, op deze leeftijd in beelden te hullen. We moeten met name het morele in beelden weergeven, wanneer het kind negen, tien jaar oud is. Wij moeten geen morele geboden geven, niet zeggen: dat is goed of dat is slecht –

blz. 260

gute Menschen, wodurch es eine Sympathie für das Gute g`ewinnen kann. Oder vor es hinstellen böse Menschen, wodurch es gegenüber dem Bösen eine Antipathie gewinnen kann. Wir können durch das Bild in seinem Gemüte die moralische ‘Wesenheit erwecken.
Das sind allerdings nur Andeutungen. Ich habe sie geben wollen für das zweite Lebensalter des Menschen. ‘Wie sich dann das Ganze zu einer grundlegenden Erziehung, nicht einer Erziehung bloß für den Augenblick des Kindesalters, sondern für das ganze menschliche Leben ergibt, das will ich im dritten, ganz kurzen Teil meines Vortrages sagen, nachdem der zweite Teil übersetzt sein wird.
Inwiefern durch die hier geschilderte Erziehungskunst von dem kindlichen Lebensalter an auf das ganze Leben des Menschen, von der Geburt bis ium Tode, die richtige ‘Wirkung erzielt sein soll, das werden Sie am besten bemerken können, an dem einzelnen Fall der Erziehung, durch die sogenannte eurythmische Kunst. Das, was als eurythmIsche Kunst in diesen Tagen auch in öffentlichen Vorstellungen in London gezeigt worden ist, ist etwas, was nun auch eine pädagogisch- didaktische Seite hat.

maar als voorbeeld voor het kind plaatsen goede mensen waardoor het sympathie krijgt voor het goede. Of slechte mensen, waardoor het antipathie ontwikkelt tegen het kwaad. Door het beeld kunnen wij in zijn gevoel de morele realiteit wekken.
Dit wordt natuurlijk slechts aangestipt. Ik bedoelde het voor de tweede leeftijdsfase van de mens.
Hoe het geheel dan tot een fundamentele opvoeding wordt, niet een opvoeding voor alleen maar de tijd van de kinderleeftijd, maar voor een heel mensenleven, dat wil ik in het derde, heel korte deel van mijn voordracht zeggen, nadat het tweede deel vertaald is. In hoeverre door de hier geschetste opvoedkunst vanaf de kinderleeftijd voor het hele mensenleven, vanaf de geboorte tot de dood, de juiste werking bereikt moet worden, kunt u het beste waarnemen aan een enkel aspect van de opvoeding, door de zgn. euritmische kunst. Wat aan euritmische kunst deze dagen ook in openbare voorstellingen in Londen vertoond is, heeft ook een pedagogisch-didactische kant. 

Eurythmische Kunst besteht darinnen, daß man tatsächlich aus der Tiefe der Menschennatur Bewegungen des einzelnen Menschen oder von Menschengruppen so hervorruft, daß alles, was an solchen Bewegungen auftritt, in derselben ‘Weise gesetzmäßig aus dem menschlichen Organismus fließt wie die menschliche Lautsprache oder der Gesang. In dieser eurythmischen Kunst ist auch jede einzelne Geste, jede einzelne mimische Offenbarung nichts irgendwie ‘Willkürliches, sondern man hat in ihr eine wirkliche, sichtbare Sprache vorliegen, so daß eurythmisch, das heißt sichtbar ebenso gesungen werden kann durch gewIsse Bewegungen, wie gesprochen werden kann. ‘Was in der Lautsprache zurückgehalten wird an Bewegungsmöglichkeit des ganzen Menschen, und was nur übergeht in Metamorphose in den hörbaren Laut, das wird in der eurythmischen Kunst als eine sichtbare Sprache ausgestaltet.
Nun haben wir in der ‘Waldorfschule diese Eurythmie eingeführt von der untersten Volksschulklasse bis zu der höchsten. Und es zeigt 

Euritmische kunst bestaat eruit dat men daadwerkelijk uit de diepte van de mensennatuur bewegingen van de individuele mens of van een groep mensen zo naar bovenhaalt, dat alles wat zich met zulke bewegingen toont, op dezelfde manier wetmatig uit het menselijke organisme stroomt als de menselijke spraak of het zingen. In deze euritmische kunst is ook ieder apart gebaar, iedere aparte mimische uitdrukking niet iets willekeurigs, maar daarin vindt men een werkelijk zichtbare spraak. Zodat euritmisch, d.w.z. zichtbaar door bepaalde bewegingen zowel kan worden gezongen als kan worden gesproken. Wat bij de spraakklank teruggehouden wordt aan bewegingsmogelijkheden van heel de mens en wat slechts overgaat in een metamorfose van de hoorbare klank, dat wordt in de euritmische kunst als een zichtbare spraak getoond. Wij hebben de euritmie op de vrijeschool vanaf de laagste klassen tot de hoogste. En het blijkt

blz. 261

sich, daß tatsächlich das Kind sich hineinstellt in diese sichtbare Sprache, wo ebenso, wie ein Laut irgend etwas bedeutet als seelischer Ausdruck in der hörbaren Sprache, so jede Finger-, jede Handbewegung, jede Bewegung des ganzen Leibes eben ein wirklicher Sprachlaut ist, nur in Sichtbarkeit. Man sieht, daß das Kind im Alter des Zahnwechsels und noch darüber hinaus, bis zur Geschlechtsreife, sich ebenso selbstverständlich in diese Sprache hineinlebt, wie es sich als ganz kleines Kind in die Lautsprache hineingefunden hat. Es zeigt sich, daß sein ganzer Organismus, nach Leib, Seele und Geist – denn eurythmische Kunst ist zugleich geistig-seelisches Turnen, ist geistig-seelische Gymnastik – mit derselben Selbstverständlichkeit sich hineinfindet in diese curythmische Sprache, wie es sich in die Lautsprache hineingelebt hat; daß es empfindet, daß ihm damit etwas gegeben wird, was aus seinem ganzen Organismus unmittelbar folgt. Damit aber ist neben die Gymnastik, die ihr Wesen ableitet mehr von der Beobachtung des äußeren physischen Leibes, in der Eurythmie durch die Beobachtung des Geistig-Seelischen etwas hingestellt, wo der Mensch in jeder Bewegung sich erfühlt nicht nur als Leib, als durchseelter Leib, sondern als durchgeistigte Seele im von der Seele gestalteten Leib. 

dat het kind daadwerkelijk zich instelt op deze zichtbare spraak, net zoals een klank op de een of andere manier iets betekent als zielenuitdrukking in de hoorbare spraak, net zoals iedere vinger- iedere handbeweging, iedere beweging van het hele lichaam een echte spraakklank is, alleen zichtbaar. Je ziet dat het kind in de leeftijd van de tandenwisseling en nog later, tot aan de geslachtsrijpheid, zich net zo vanzelfsprekend in deze spraak inleeft, als het zich als heel klein kind in de spraakklanken ingeleefd heeft. Het blijkt dat heel zijn organisme, naar lichaam ziel en geest – want euritmische kunst is tegelijk gymnastiek van de ziel en de geest, is mentaal-psychische gymnastiek – met eenzelfde vanzelfsprekendheid leeft het zich in deze euritmische taal in, zoals hij dat deed met de spraakklanken; dat het beleeft, dat het daarmee iets krijgt wat direct tevoorschijn komt uit heel zijn organisme.
Daarmee is naast de gymnastiek die haar betekenis meer uit het waarnemen van het uiterlijke fysieke lichaam haalt, in de euritmie door het waarnemen van de geest-zielenaspecten iets gegeven waarbij de mens in iedere beweging zich niet alleen als lichaam beleeft, als bezield lichaam, maar als een ziel waarin de geest leeft, in een door de ziel gevormd lichaam.

Wiederum: was der Mensch erlebt als eurythmische Kunst, wirkt einerseits in einer ungeheuer lebendigen Weise auf all das, was in ihm als Anlagen sind, und wirkt auf der anderen Seite ebenso in seiner Fruchtbarkeit, in seiner Wirksamkeit auf das ganze Leben. Sie können das Kind äußere Gymnastik noch so gut machen lassen,wenn diese Gymnastik nur nach Regeln des Körpers gemacht ist, so werden Sie durch das Treiben der Gymnastik das Kind nicht schützen, sagen wir, im späteren Alter vor allerlei Stoffwechselkrankheiten, Riicwnatismen selbst, also Krankheiten, die später zu Stoffwechselkrankhciten werden. Denn, was man aus der Gymnastik herausholt, das verdichtet eher den physischen Leib. Aber das, was Sie herausholen, indem Sie jede einzelne Bewegung aus dem Geist und der Seele herausholen, das macht Geist und Seele für das ganze Leben zum Beherrscher des Seelischen, des Physischen. Sie verhindern durch bloße äußerliche Gymnastik den sechzigjährigen Leib nicht daran, brüchig zu werden. Sie verhindern aber, wenn Sie das Kind in der Weise erziehen,  

Dus nogmaals: wat de mens beleeft als euritmische kunst, werkt enerzijds op een buitengewoon vitaliserende manier op alles wat er bij hem aan aanleg is en werkt anderzijds net zo vruchtdragend bij de werking ervan op het gehele leven.
Je kunt het kind de uiterlijke gymnastiek nog zo goed laten doen, wanneer deze gymnastiek zich baseert op de wetmatigheden van het lichaam, dan zal je door het doen van gymnastiek het kind niet beschermen, laten we zeggen, op latere leeftijd, tegen allerlei stofwisselingsziekten, reuma, dus ziekten die later stofwisselingsziekten worden. Want wat je met gymnastiek doet, verhardt het fysieke lichaam eerder. Maar wat je stimuleert wanneer je iedere individuele beweging uit geest en ziel haalt, dat maakt geest en ziel voor het hele leven tot de meester over ziel en lichaam. Door alleen uiterlijk gymnastiek te geven, voorkom je niet dat het zestigjarige lichaam broos wordt. Je verhindert echter, wanneer je het kind op zo’n manier opvoedt

blz. 262

daß Sie seine Bewegungen aus der Seele heraus als Gymnastik machen lassen, Sie verhindern es, daß der Körper brüchig wird in seinem sechzigsten Jahre, wenn er es auch sonst geworden wäre, wenn Sie also bildlichen Unterricht erteilen zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife, daß Sie dieses Bild, das sonst die Seele beschäftigt, übertreten lassen geistig-seelisch in den Körper. Also diese bildhafte Sprache ist nichts anderes als durchseelte, durchgeistigte Gymnastik. Das aber zeigt Ihnen, daß diese durchseelte und durchgeistigte Gymnastik darauf ausgeht, gleichmäßig nach Leib, Seele und Geist das Kind zu entwickeln, damit das, was man veranlagt im kindlichen Lebensalter, Früchte trägt durch das ganze Alter hindurch. Das können wir nur, wenn wir uns so fühlen wie der Gärtner, der eine Pflanze zu pflegen hat: er will nicht etwa eingreifen in die Säftebewegung, künstlich etwas einpfropfen, er führt äußerlich die Gelegenheit herbei, so daß die Pflanze sich entwickeln kann; er hat eine selbstverständliche innere Scheu, in dieses innere ‘Wachstum der Pflanze hin- einzugreifen. Diese ehrfürchtige Scheu müssen wir haben vor dem, was im Kinde sich ins Leben hinein entwickeln will. So werden wir nicht zum Beispiel in einseitiger ‘Weise immer darauf sehen, daß wir dem Kinde etwas beibringen.

dat je zijn bewegingen uit de ziel als gymnastiek laat maken, dat het lichaam broos wordt als het zestig jaar is, als het dit al geworden zou zijn; wanneer je dus beeldend onderwijs geeft tussen de tandenwisseling en de geslachtsrijpheid, dat je dit beeld, dat anders de ziel bezighoudt, in het lichaam over laat gaan als geest-zielenaspect. Dus deze beeldende spraak is niets anders dan bezielde, met geest doortrokken gymnastiek. Dat echter toont aan, dat deze met ziel en geest doortrokken gymnastiek uitmondt in het evenredig naar lichaam, ziel en geest ontwikkelen van het kind, opdat wat je aanlegt in de kinderleeftijd, vruchten draagt heel het verdere leven. Dat kunnen we alleen maar, wanneer we ons zo voelen als een tuinman die een plant moet verzorgen; hij wil bv. niet ingrijpen in de sapstroombeweging, kunstmatig er iets bijproppen; hij maak uiterlijk mogelijk dat de plant zich kan ontwikkelen; hij heeft een vanzelfsprekende schroom van binnen in de inwendige groei van de plant in te grijpen. Deze eerbiedige schroom moeten wij hebben voor wat het kind in zijn leven ontwikkelen wil. Dus moeten we niet bv. op een eenzijdige manier er steeds op letten dat we een kind iets bijbrengen.

Das Autoritätsprinzip, wie ich es angeführt habe, das muß im tiefsten Sinne seelisch in das Kind hinüberwalten. Und es muß so sein> daß das Kind die Möglichkeit hat, Dinge in sich aufzunehmen, die es noch nicht intellektuell durchschauen kann, sondern aufnimmt, weil es den Lehrer liebt. Dann nehmen wir dem Kinde nicht die Möglichkeit in späterer Zeit, ein Erleben zu haben, das es sonst nicht hat. Wenn ich alles schon als Kind begriffen habe, dann habe ich etwa folgendes Erlebnis nicht: Nehmen wir an, in meinem fünfunddreißigsten Jahre käme etwas, das sich mir so darbietet, daß ich diese oder jene Sache von einer geliebten Lehrerpersönlichkeit, von einer geliebten Autorität, auf Autorität hin, auf den liebenden Glauben hin dazumal angenommen habe -, jetzt bin ich reifer, jetzt dämmert mir ein ganz neues Verständnis dafür auf! Dieses Faktum, daß man im gereiften Alter zurückkommen kann auf etwas, das man früher aufgenommen hat, noch nicht vollkommen durchschaut hat, jetzt aber in der Reife belebt, das gibt eine innere Befriedigung, das gibt eine 

Het principe van de autoriteit zoals ik het aangegeven heb, moet in de diepste betekenis als zielenkwaliteit in het kind zijn werk doen. En het moet zo zijn dat het kind de mogelijkheid heeft, dingen in zich op te nemen die het nog niet intellectueel kan doorzien, maar aanvaardt omdat het van zijn leerkracht houdt. Dan nemen we het kind niet de mogelijkheid af op een later tijdstip iets te beleven, wat het anders niet heeft.
Wanneer ik alles al als kind heb begrepen, heb ik min of meer de volgende beleving niet:
Laten we aannemen dat er op mijn vijfendertigste jaar iets zou komen dat zich zo aandient dat ik deze of gene zaak van een geliefde leraarpersoonlijkheid, van een geliefde autoriteit, uit autoriteitsgevoel, vanuit een heel graag willen geloven toentertijd aangenomen heb, – nu ben ik volwassener, nu ontstaat er in mij daarvoor een heel nieuw begrip. Dit feit dat je op een volwassen leeftijd op iets terug kan komen, dat je vroeger aanvaard hebt, nog niet helemaal doorzien hebt, maar nu volwassen-zijnd beleeft, dat geeft een innerlijke bevrediging, dat geeft een

blz. 263

Erkraftung des Willens, die wir dem Menschen nicht nehmen dürfen, wenn wir vor seiner Freiheit die nötige Achtung haben und ihn als freies ‘Wesen erziehen wollen. Als freies Wesen den Menschen zu erziehen, das liegt dem hier gemeinten Erziehungsprinzip zugrunde. Deshalb sollen wir auch nicht in das Kind hineinpflanzen eine Entwickelung des Willens durch intellektuell moralische Urteile. Wir sollen uns klar sein, daß wenn wir in dem kindlichen Gemüt ungefähr zwischen dem siebenten und vierzehnten Jahr moralische Anschauungen entwickeln, indem das Gemüt Sympathie und Antipathie entwickelt, das Kind dann, wenn es geschlechtsreif geworden ist und dem Leben gegenübersteht, das intellektuell-moralische Gefühl und das, was es will, durchschaut, daß dasjenige, was den Willen durchzieht, was aus dem Willen heraus das früher entwickelte ästhetische Gefühl an dem Moralischen belebt, daß das, indem es aus der Freiheit am Leben sich entzündet, gerade dem Menschen Stärke, innere Sicherheit gibt.
Sehen Sie, wer in der hier gemeinten Weise die richtige Erziehungskunst anwenden will, der sieht nicht bloß auf das kindliche Alter, der sieht hin auf den Menschen, auch wenn er ins späteste Lebensalter eingetreten ist. Denn er will, daß das, was er in den Menschen hineinpflanzt, sich wirklich so verhält wie die Blume, die aus den inneren Naturverhältnissen heraus wächst und gedeiht. 

krachtigere wil die we de mens niet mogen afpakken, wanneer wij voor zijn vrijheid het nodige respect hebben en hem als een vrij wezen willen opvoeden. Als vrij wezen de mens op te voeden ligt aan het hier bedoelde opvoedingsprincipe ten grondslag. Daarom moeten we ook in het kind geen ontwikkeling van de wil door intellectueel morele oordelen inplanten.
Voor ons moet het helder zijn dat wanneer we in de kinderziel zo ongeveer tussen het zevende en het veertiende jaar morele gezichtspunten ontwikkelen, wanneer de ziel sympathie en antipathie ontwikkelt, dat het kind dan, wanneer het geslachtsrijp geworden is en tegenover het leven staat, het intellectueel-morele gevoel en dat wat het wil, doorziet; dat datgene wat de wil doortrekt, wat vanuit de wil het eerder ontwikkelde esthetische gevoel stimuleert; dat dit wanneer het uit vrijheid aan het leven ontvlamt, juist de mens sterkt, innerlijke zekerheid geeft.
Kijk eens, wie op de hier bedoelde manier de juiste opvoedkunst toepassen wil, die kijkt niet alleen naar de kinderleeftijd, die kijkt naar de mens, ook wanneer zijn laatste levensjaren zijn begonnen.
Want hij wil, dat het met datgene wat hij in de mens plant, werkelijk zo gaat als met de bloem die uit de inwendige natuurverhoudingen groeit en gedijt.

‘Wenn wir die Blume einsetzen, können wir nicht wollen, daß sie sich schnell entwickle; sondern wir warten ab, daß sie sich langsam entwickle von der Wurzel, zum Stengel, zum Blatt und zur Blüte und Frucht sich entfalte, und sich am Lichte der Sonne frei entwickelt. Das ist dasjenige, was wir uns vorhalten als Ziel für eine richtige Erziehungskunst. Wir wollen das pflegen im Kinde, was die Wurzel des Lebens ist, wollen es aber so pflegen, daß sich nach und nach, beweglich, das Leben aus demjenigen heraus umgestaltet, physisch, seelisch und geistig, was wir für das Kindheitsalter, für das Jugendalter pflegen. Dann können wir sicher sein, daß wir mit voller Achtung vor der menschlichen Freiheit den Menschen eben als freies ‘Wesen so in die Welt hineinstellen durch unsere Erziehung, daß wirklich dasjenige, was die ‘Wurzel der Erziehung Ist, frei sich entwickle – nicht durch unser ihn zum Sklaven machendes Hineinpfropfen -, sodaß er sich auch noch im späteren Leben, auch unter

Wanneer we de bloem planten, kunnen we niet echt willen dat zij zich snel ontwikkelt, maar we wachten dat zij zich langzaam ontwikkelt vanuit de wortel, zich ontplooit tot stengel, tot blad, tot bloem en vrucht draagt en zich door het zonlicht vrij ontwikkelt. Dat stellen we ons als doel voor een juiste opvoedkunst. We willen in het kind verzorgen wat de wortel van het leven is, willen het zo verzorgen dat langzaamaan, in beweging, het leven daaruit zich omvormt, lichamelijk, wat de ziel betreft en geestelijk, wat wij voor de kinderleeftijd, voor de puberleeftijd verzorgen. Dan kunnen we er zeker van zijn dat wij met volle eerbied voor de menselijke vrijheid de mens juist als vrij wezen zo een plaats in de wereld geven door onze opvoeding, dat werkelijk, wat de wortel van de opvoeding is, zich vrij ontwikkelen kan – niet door ons instampen wat hem tot slaaf maakt, zodat hij zich ook op latere leeftijd, ook onder de meest

blz. 264

den verschiedensten Gegebenheiten, wenn er ein freier Mensch s`ein will, dann entsprechend entwickeln kann.
Allerdings, diese Erziehungsprinzipien stellen die größte Anforderung an den Lehrer. Das tun sie; aber können wir überhaupt nur voraussetzen, daß das, was zunächst in dieser ‘Welt hier auf Erden das allervollkommenste ‘Wesen ist – der Mensch -, daß das in einfacher ‘Weise behandelt werden kann, ohne daß man mit voller Vertiefung in die Eigenheiten dieses ‘Wesens auch wirklich eindringt? Sollen wir denn nicht glauben, daß gerade dem Menschen gegenüber dasjenige, was wir an ihm tun, etwas wie Verehrung, manches eine Art religiöser Dienst sein muß? ‘Wir müssen das glauben, daß die Erziehungskunst von uI,,s die größte Selbstlosigkeit verlangt, daß wir uns völlig vergessen können und in die ‘Wesenheit des Kindes untertauchen müssen, um schon im Kinde das zu schauen, was dann im erwachsenen Menschen für die Welt gedeihen soll. Selbstlose Umsicht und wirklich der ‘Wille, sich in die menschliche Natur für eine wahre Menschenerkenntnis hinein zu vertiefen, das sind die Grundbedingungen einer wahren Erziehungskunst.

verschillende omstandigheden, wanneer hij een vrij mens wil zijn, zich dan dienovereenkomstig kan ontwikkelen.
Beslist, deze opvoedprincipes stellen aan de leraar de hoogste eisen. Zeker; maar kunnen we eigenlijk wel vooropstellen dat wat a priori op deze wereld hier op aarde het meest volkomen wezen is – de mens – dat die op een simpele wijze behandeld kan worden, zonder dat men uit volle verdieping in het karakteristieke van dit wezen ook daadwerkellijk binnendringt? Moeten we dan niet geloven dat juist tegenover de mens dat wat wij met hem doen, niet iets van verering moet hebben, van een soort religieuze dienst moet zijn? Wij moeten erin geloven dat de opvoedkunst van ons de grootste opofferingsgezindheid verlangt; dat wij ons helemaal kunnen wegcijferen en in het wezen van het kind moeten opgaan om al in het kind waar te nemen wat dan in de volwassen mens voor de wereld moet bloeien. Onzelfzuchtig te werk gaan en daadwerkelijk de wil hebben om zich in de menselijke natuur te verdiepen om echte mensenkennis te verwerven, zijn de voorwaarden voor een echte opvoedkunst.

Warum sollten wir es nicht als eine Notwendigkeit anerkennen, uns einer solchen Erziehungskunst hinzugeben, wenn wir uns doch sagen müssen, daß aus dem ganzen Menschenleben heraus, aus dem sie ja auch gewonnen ist, die Erziehung das Edelste ist! Die Erziehung ist das Edelste in allem Menschenleben auf Erden. Das ist doch der Fortschritt. Derjenige Fortschritt, den wir durch die Erziehung pflegen, der besteht darinnen, daß die uns aus den göttlichen ‘Welten geschenkten jungen Generationen so entwickelt werden durch das, was wir als ältere Generation uns entwickelt haben, daß diese jüngere Generation über uns hinaus eInen weiteren Schritt im Menschheitsfortschritt macht. Sollte es nicht als das Richtige jedem Einsichtsvollen erscheinen, daß, indem man so Menschheitsdienst leistet, indem man also das Beste und Schönste der älteren Generation der jüngeren Generation zum Opfer bringt, daß man so auch in der schönsten, in der menschheitswürdigsten Weise Erziehungskunst treibt?

Waarom zouden we niet als een noodzaak erkennen dat we ons moeten wijden aan zo’n opvoedkunst, wanneer we ook moeten zeggen dat vanuit het hele mensenleven waaruit deze ook stamt, de opvoeding het meest edele is. De opvoeding is het meest edele op aarde.
Dat is de vooruitgang. Deze vooruitgang waarvoor wij door opvoeding zorg dragen, bestaat erin dat de jongere generaties, ons uit de goddelijke wereld geschonken, zo ontwikkeld worden door wat wij als oudere generatie bij ons zelf ontwikkeld hebben, dat deze jongere generatie buiten ons om een verdere stap in de vooruitgang van de mensheid zet.
Zou het niet voor ieder met volledig inzicht het juiste moeten zijn dat wanneer men zo de mensheid een dienst bewijst wanneer men dus het beste en mooiste van de oudere generatie aan de jongere generatie schenkt, dat men dan ook op de mooiste, op de meest mensheidswaardige manier opvoedkunst  uitoefent?

[1] GA 218 Geistige Zusammenhänge in der Gestaltung des Menschen
13e voordracht: Erziehungskunst durch Menschenerkenntnis

.

Rudolf Steiner over pedagogie
.
Rudolf Steiner: alle artikelen 

.

581-534

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – in de peuterklas

.
Tineke van den Boer, Gilsa Hoogenboom, nadere gegevens onbekend
.

Wat wordt er gedaan in de peuterspeelzaal?
.

Als de peuters  !s ochtends helemaal uitgerust, open en ontvankelijk voor alles wat er komen gaat, bij ons komen, dan wordt er door de meesten direct al met hart en ziel gespeeld. Anderen blijven nog even naast hun moeder zitten en kijken naar alles wat er gebeurt. Als alle moeders naar huis zijn beginnen we met een activiteit zoals bv. schilderen, tekenen, plakken, boetseren of brooddeeg kneden. Daarna gaan de kinderen vrij spelen.

Wanneer we een peuter zien spelen dan valt het op hoe anders zijn spel is dan dat van elke andere leeftijd. Bij het oudere kind gaat het erom wat er met een stuk speelgoed gedaan kan worden; de peuter gaat helemaal op in het wezen ervan. Hij moet immers de wereld nog leren kennen!

Na ongeveer een uurtje gaan we in het kringetje zitten en wordt de kabouter wakker gemaakt met een muziekje. Soms slaapt hij zo diep dat we een (denkbeeldig) belletje tussen duim en wijsvinger nemen dat heel zachtjes “tingelingeling” zegt. Maar dat helpt niet! Dan maar een grotere, totdat de grote bim-bamklok komt. Het boeit vooral als de contrasten tussen groot en klein, hard en zacht, worden duidelijk gemaakt.

Nadat de kabouter ieder kind persoonlijk goedemorgen heeft gewenst, worden er wat seizoenliedjes gezongen zoals bv. ‘Twee vlindertjes kwamen gevlogen’, ‘Alle vogels zijn er weer’ en, voor het naderende pinksterfeest, van de fiere Pinksterblom.

Ook de bakerrijmpjes en klankversjes zoals ‘Ose wiese wose’ komen aan bod.

Vaak is het moeilijk om zo lang stil te zitten en gaan de beentjes trappelen. Dan zetten we met een armgebaar de staldeuren wijd open en mogen alle paardjes de wei ingaan. Eerst stapvoets, dan in galop, hollen hollen­ hollen en altijd weer stapvoets eindigend. Daarna wordt er weer gespeeld.

Belangrijk is dat de kinderen kunnen spelen wat ze van binnen het liefste willen. Zij leven zich niet uit, maar leven zich in! Er moeten hiervoor mogelijkheden geboden worden zoals de kistjes, lappen, blokken, huisjes enz., zodat ze moe maar voldaan naar huis toe gaan. Voor het eten doen we nog even een kringspelletje; dan eten we ons eigengebakken brood en delen het meegebrachte fruit en kan er buiten in de zandbak gespeeld worden, of madeliefjes geplukt (gepulkt, zei laatst een klein meisje). Helemaal aan het eind van de ochtend wordt er een tafel­spelletje gedaan of een verhaaltje verteld, waarbij de steeds terugkerende motieven in de z.g. herhaalverhaaltjes de kleintjes sterk aanspreken.

De hele ochtend is ingebed in een vast ritme. Dit geeft hun zekerheid. Zo weten ze, dat na het verhaaltje de mama’s hen komen halen, en dat is dan tevens het einde van de ochtend.

Een kringspelletje.

Willen wij een toren bouwen?
Moeten wij met stenen sjouwen.
Een en twee en op elkaar
Kijk, nu is de toren klaar.
Daar komt een dikke reus
Honke bonke aangestapt!
Heeft de toren omgetrapt.
Ach, hoe naar.
Het is heus waar,
t Torentje ligt in elkaar.

Bouwen wij het nu weer op…
Kijk, de vlag hangt al in top

.
Gilsa Hoogenboom, nadere gegevens onbekend

De dreumesgroep

Voor de jongere kinderen (+ 2 jaar) 1x per week met vader of moeder een ochtendje in de peuterspeelzaal.

In de afgelopen zonnige weken hebben we echte lenteknutsels gemaakt zoals vlinders, zwaantjes, lentefeetjes e.d. Die kun je thuis overal gezellig ophangen of neerzetten. Maar misschien is het ook een idee om thuis een speciaal hoekje daarvoor te maken. Bijvoor­beeld op een tafeltje of op een plank. Als je daar een doek op legt, glad of in plooien, die qua kleur bij het jaargetijde past, dan kan dat een gezellig hoekje worden waarop ‘moeders creatie’ waardig kan staan. Maar het is ook een plaats om de schatten die de kinderen vaak buiten vinden, neer te leggen, zoals mooie schelpen, een bosje madeliefjes, dennenappels enz. Op deze manier kun je de wisseling van de seizoenen meebeleven: In lente en zomer met beestjes, bloemen en lichte kleuren voel je je naar buiten gaan, en straks in herfst en winter met de geoogste vruchten en lantaarntjes e.d., ga je weer de donkere dagen in. Wanneer op de woensdagochtend rond de tafel de ouders iets aan het maken zijn, gaan de kinderen al heel goed spelen. De kistjes blijken heel multifunctioneel. Soms maken we er een rijtje van om steeds maar over te lopen en er vanaf te springen! Soms gaan ze erin zitten als­of dat hun boot is. Je kunt er zelfs een huisje mee bouwen.

De kinderen vinden het heerlijk om veel te.bewegen. De grote bewegingen horen nog bij hen zoals in de handen­spelletjes Zo gaat de molen‘ en ‘Draai het wieltje nog eens om. De fijnere vingerbewegingen komen pas als ze naar de kleuterleeftijd toegroeien, en groeien, dat doen ze! We zien ze soms in een paar maanden grote stappen in hun ontwikkeling maken. Het is fijn, dat we dit als juffies mogen meebeleven.

Slaapliedje:

Slaap mijn lieve kindekijn
bajoeschki bajoe
Goud dekt er de maneschijn
je in ’t wiegje toe
Sluit maar gauw je oogjes bont
bij mijn sprookje toe.
Al maar achter zingt mijn mond
Bajoeschki bajoe, bajoeschki bajoe

.

Peuters-kleuters: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: kleuters

.

569-522

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Kleuterklasimpressie (1-1)

.

Kleuterleidsters vrijeschool Voorschoten, *nadere gegevens onbekend
.

Voorjaarsliedje van de kleuterklas:

Sneeuwklokjes bengelen,
krokusjes bloeien,
het gras gaat weer groeien,
de lente gaat weer komen.

IJs is gesmolten,
visjes spartelen,
lammetjes dartelen,
vogeltjes fluiten,
lente wordt het buiten!
laat ons nu zingen
en dansen en springen,
lente wordt het buiten.

Dit lied wordt uit volle borst gezongen, want bij ons van binnen, en buiten in de tuin, is het volop lente, al geeft de kalender nog winter aan.

De dagen lengen en de zon krijgt meer kracht.
Op de sei­zoenentafel is moeder aarde gekomen en tussen de wortels van de bomen liggen kinderen stil te dromen. Bloemenkinderen komen schuchter te voorschijn, want koning winter met z!n witte ijshulpjes is ook nog vlakbij.

De seizoenentafel in de klas verandert regelmatig, maar het speelgoed blijft altijd hetzelfde. Wat mooi dat de kinderen (ook al zijn zij 4, 5 of 6 jaar) het iedere dag weer fijn vinden om daarmee te spelen. Elke dag weer gaat alles van zn plaats en wordt aan het eind van de speeltijd alles weer teruggezet. Poppen toegestopt, kisten en planken teruggezet en de doeken opgevouwen. Dan eten we met z’n allen en komen dan in de kring zitten voor het sprookje. Ook deze hebben ze al vele malen gehoord, maar ze vervelen nooit. Iedere keer weer zijn ze blij dat de geitjes ongeschonden uit de buik van de wolf springen of is het leuk dat het ijverige meisje (van vrouw Holle) met goud wordt overladen en het luie meisje met pek. Zekerheid krijgen de kinderen ervan. Het verhaal loopt altijd zo af. In de klas ligt altijd het­zelfde om mee te spelen, ook al speel je iedere dag wat anders daarmee.

Op elke dag van de week wordt wat anders gedaan (tekenen, schilderen enz.), maar dat is iedere week hetzelfde. De jaargetijden veranderen, maar zijn ieder jaar hetzelfde. Dat steeds weer terug komen en herhalen van de dingen
her­kennen de kinderen. Zij ontwikkelen zich hieraan verder. Zij worden er zeker door en durven het leven aan. Ze spelen het voorjaar tegemoet. We kunnen weer wat langer naar buiten en langzamerhand wordt het gehol met kruiwagens en karren, om warm te blijven, wat minder. Het zand kan weer gezeefd worden en zandtaartjes worden gebakken. We gaan weer een fijne tijd tegemoet.

.

Meer voor de peuter en kleuter: Hennie de Gans

Margo van Schie

Jaarfeesten: alle artikelen

Peuters en kleuters: alle artikelen

 Vrijeschool in beeld: peuter-kleuterklas jaarfeesten jaartafe

Vrijeschool in beeld

.

555-509

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Getuigschriften – alle artikelen

.

[1Rudolf Steiner over getuigschiften
Uitspraken over getuigschriften, rapporten, in zijn pedagogische voordrachten GA 293-311

[2Getuigschriften
Pieter Witvliet over: waarom? hoe? Rudolf Steiner; gezichtspunten van Heinz Müller: gebruik van verschillende ritmen – voorbeelden van Ruud Gersons

[3] Illustraties bij getuigschriften?
Ruud Gersons over illustreren. Is het nodig? Hoeveel tijd en kracht kost het? 

[4] Zoveel hoofden, zoveel getuigschriften
H.C.Labij v.d.Poll over: waarom getuigschriften; hoe; ritmen

[5] Over het omgaan met getuigschriftspreuken
Robert Zimmer over: waarom getuigschriften, hoe, beelden voor verschillende kinderen (de spreuken zelf in het Duits)

[6] De pedagogische opdracht van de getuigschriftspreuken
Hans Harress
over: waarom getuigschriften, hoe, beelden voor verschillende kinderen (de spreuken zelf in het Duits)

[7] Een bijdrage voor het maken van getuigschriftspreuken
Christian Gerblich over: waarom, hoe maak je ze; beelden voor verschillende kinderen (de spreuken zelf in het Duits)

[8] De getuigschriftspreuk: een wezenlijke ontmoeting met de leerling
Johannes Denger over: de spreuk als hulp op weg naar de toekomst; waar haal je de beelden vandaan; hoe kies je de ritmen; Duitse voorbeelden

[9] Getuigschriftspreuken – een verrijking voor de klassengemeenschap
Ludger Helming-Jacoby over: een manier om motieven te hebben voor een spreuk; ritme en klank; hoe kun je na de grote vakantie met de spreuk omgaan? 

[10] Het geheim van het getuigschrift
Manon Berendse over getuigschriften (op haar eigen blog)

[11] Vereniging van vrijescholen: thema – getuigschriften
Gezichtspunten, achtergronden, voorbeelden.

Op een website die tegeltjes met opschrift aanbiedt, wordt de suggestie gedaan om ‘vrijeschoolspreuken’ op zo’n tegeltje te laten zetten.
Bij de beschrijving van ‘de spreuken op de vrijeschool’ gaat het niet in de eerste plaats om de getuigschriftspreuken, maar het is m.i. wel een mooie beschrijving.

Tegeltjes.com

545-499

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over gezondmakend onderwijs (2)

.

De groene tekst is het Duits van Steiner – daarop volgt de vertaling in zwart.

De tekst in blauw is van mij.
In deel 1 eindigde ik met:

Wanneer we gezondheid dan opvatten als een evenwichtstoestand, dan is de vraag wat je als pedagoog voor dit evenwicht kunt doen en als we bv. het vierledige mensbeeld als uitgangspunt nemen, spitst die vraag zich toe: wat kun je voor het lichamelijk evenwicht doen, voor de levenskrachten, voor de ziel en voor het Ik. Uiteraard ook voor het drieledig mensbeeld. Hoe werk je aan gezond denken, gezond voelen en gezond willen, om het even op deze manier te zeggen.

Wanneer Steiner over deze mensbeelden spreekt, wijst hij erop dat de indeling weliswaar helpt bij het leren onderscheiden van de verschillende aspecten van de mens, maar dat zo’n opdeling in de werkelijkheid nooit zo optreedt. Zoals een vinger je wel iets leert over het verschijnsel hand, is die niet heel de hand, slechts een deel, waarvan de zin, het functioneren, alleen begrepen kan worden binnen de totaliteit.

Onderscheiden – niet scheiden.
Voeg daarbij de aanwijzing van Steiner dat ‘karakteriseren’ meer aan kennis oplevert, dan meteen strikt willen definiëren. Van alle kanten bekijken dus, aspecten benoemen, beschrijven. Het liefst in tegenstellingen, waardoor het ene ten opzichte van het andere duidelijker wordt. We hebben te maken met polariteiten 

Vanuit verschillende gezichtshoeken belicht Steiner polariteiten:

Betrachten Sie das Kind, das hereingewachsen ist in die Welt, mit der genügenden Unbefangenheit, so werden Sie richtig wahrnehmen: Hier in dem Kind ist noch unverbunden Seelengeist oder Geistseele mit Leibeskörper oder Körperleib. Die Aufgabe der Erziehung, im geistigen Sinn erfaßt, bedeutet das In-Einklang-Versetzen des Seelengeistes mit dem Körperleib oder dem Leibeskörper. Die müssen miteinander in Harmonie kommen, müssen aufeinander gestimmt werden, denn die passen gewissermaßen, indem das Kind hereingeboren wird in die physische Welt, noch nicht zusammen. Die Aufgabe des Erziehers und auch des Unterrichters ist das Zusammenstimmen dieser zwei Glieder.

Kijkt u onbevangen genoeg naar een kind dat op de wereld is gekomen, dan zult u duidelijk waarnemen dat in het kind de zielegeest* of geestziel en het organisch lichaam of lichamelijk organisme nog niet met elkaar verbonden zijn. De taak van de opvoeding in geestelijke zin is nu om de zielegeest en het licha­melijk organisme of organisch lichaam met elkaar in overeen­stemming te brengen. Die moeten met elkaar in harmonie ko­men, moeten op elkaar afgestemd worden, want die passen in zekere zin nog niet bij elkaar wanneer het kind geboren wordt. De taak van de opvoeder en ook van de leraar is om deze twee delen op elkaar af te stemmen.[1]

Hoewel Steiner hier niet spreekt over ‘gezondmakend’, gebruikt hij wél het woord ‘harmonie’.

Nun, fassen wir diese Aufgabe etwas mehr im Konkreten. Unter all diesen Beziehungen, welche der Mensch zur Außenwelt hat, ist die allerwichtigste das Atmen. Aber das Atmen beginnen wir ja gerade, indem wir die physische Welt betreten. Das Atmen im Mutterleib ist noch sozusagen ein vorbereitendes Atmen, es bringt den Menschen noch nicht in vollkommenen Zusammenhang mit der Außenwelt. Dasjenige, was im rechten Sinn Atmen genannt werden soll, beginnt der Mensch erst, wenn er den Mutterleib verlassen hat. Dieses Atmen bedeutet sehr, sehr viel für die menschliche Wesenheit, denn in diesem Atmen liegt ja schon das ganze dreigliedrige System des physischen Menschen.
Wir rechnen zu den Gliedern des dreigliedrigen physischen Menschensystems zunächst den Stoffwechsel. Aber der Stoffwechsel hängt an dem einen Ende mit dem Atmen innig zusammen; der Atmungsprozeß hängt stoffwechselmäßig mit der Blutzirkulation zusammen. Die Blutzirkulation nimmt die auf anderem Wege eingeführten Stoffe der äußeren Welt auf in den menschlichen Körper, so daß gewissermaßen auf der einen Seite das Atmen mit dem ganzen Stoffwechselsystem zusammenhängt. Das Atmen hat also seine eigenen Funktionen, aber es hängt doch auf der einen Seite mit dem Stoffwechselsystem zusammen.
Auf der anderen Seite hängt dieses Atmen auch zusammen mit dem Nerven-Sinnesleben des Menschen. Indem wir ein- atmen, pressen wir fortwährend das Gehirnwasser in das Gehirn hinein; indem wir ausatmen, prellen wir es zurück in den Körper. Dadurch verpflanzen wir den Atmungsrhythmus auf das Gehirn. Und wie das Atmen zusammenhängt auf der einen Seite mit dem Stoffwechsel, so hängt es auf der anderen Seite zusammen mit dem Nerven-Sinnesleben. Wir können sagen: Das Atmen ist der wichtigste Vermittler des die physische Welt betretenden Menschen mit der physischen Außenwelt. Aber wir müssen uns auch bewußt sein, daß dieses Atmen durchaus noch nicht so verläuft, wie es zum Unterhalt des physischen Lebens beim Menschen voll verlaufen muß, namentlich nach der einen Seite nicht: es ist beim Menschen, der das physische Dasein betritt, noch nicht die richtige Harmonie, der rechte Zusammenhang hergestellt zwischen dem Atmungsprozeß und dem Nerven-Sinnesprozeß.

Welnu, laten we dit eens iets concreter bekijken. Van alle verbindingen die de mens heeft met de buitenwereld is de belangrijkste het ademen. En we beginnen nu juist te ademen op het moment dat we de fysieke wereld binnengaan. Het
ade­men in het lichaam van de moeder is nog een soort voorberei­dend ademen, dat de mens nog maar ten dele met de buitenwe­reld verbindt. Wat in de eigenlijke zin van het woord ademen genoemd kan worden, daarmee begint de mens pas wanneer hij het moederlichaam verlaten heeft. Dit ademen betekent heel, heel veel voor het menselijk wezen, want in het ademen ligt al de gehele drieledigheid van de fysieke mens besloten. We rekenen tot de drieledigheid van de fysieke mens ten eerste de stofwisseling. Nu hangt de stofwisseling aan de ene kant ten nauwste samen met het ademen; het ademproces hangt wat de stofwisselingskant betreft samen met de bloedsomloop. De bloedsomloop neemt de langs andere wegen binnengeko­men stoffen van de buitenwereld op in het lichaam, zodat in zekere zin aan de ene kant het ademproces met het gehele stofwisselingsstelsel samenhangt. Het ademen heeft dus wel zijn eigen functies, maar hangt aan de ene kant toch samen met het stofwisselingsstelsel. Aan de andere kant hangt het ademen samen met het zenuw-zintuigleven van de mens. Bij onze inademing stuwen we voortdurend het hersenvocht de hersenen in; bij onze uitade­ming stoten we het weer terug in het lichaam. Daardoor bren­gen we het ritme van de adem over op de hersenen. En zoals het ademen aan de ene kant verband houdt met de stofwisseling, zo houdt het aan de andere kant verband met het zenuw-zintuigle­ven. We kunnen wel zeggen dat het ademen de belangrijkste bemiddelaar is tussen de mens die de fysieke wereld betreedt en de fysieke buitenwereld. Maar we moeten wel bedenken, dat dit ademproces bepaald nog niet zo verloopt als het in zijn volledigheid moet verlopen ter instandhouding van het fysieke leven – vooral naar de ene kant toe niet: bij de mens die de fysieke wereld betreedt, bestaat er nog niet de juiste harmonie, de juiste samenhang tussen het ademproces en het zenuw-zin­tuigproces. [1]

De verhouding ademhaling-hartslag die bij de volwassene in ‘normale’ rust 1:4 bedraagt, is bij een kind nog anders. De pasgeborene ademt nog zeer onregelmatig; de hartslag gaat veel sneller (tot wel 130) dan de ca. 72 slagen per minuut bij de volwassene. In de loop van de ontwikkeling wordt deze verhouding ‘vanzelf’ bereikt. ‘Van nature’. 
Je zou dus kunnen zeggen: daarover hebben wij ons dan geen zorgen te maken – daarmee hoeven wij ons niet te bemoeien. 
Toch was het in Steiners visie belangrijk dat de leerkracht/opvoeder er zich wel mee bemoeit; alleen niet op het fysieke plan. (Dit laatste moet ik zo dadelijk wat nuanceren)**.

Wanneer we zeggen ‘van nature’ kunnen we dit vaak letterlijk nemen. We hebben ‘van nature’ slaap nodig, moeten eten, na veel lichamelijke activiteit rusten; zijn gedwongen te slapen. De natuur is streng, onverbiddelijk en je moet niet tegen haar ‘zondigen’. Je zou dit laatste kunnen opvatten als ‘tegen de natuur ingaan’.

In de reeks artikelen ‘menskunde en pedagogie’ wordt, zij het vanuit een andere invalshoek, ook ingegaan op ‘de natuur’. 

Het ‘tegen de natuur ingaan’, dat weet iedereen, is niet gezond – in de begrippenhantering van deze artikelen: verstoort het evenwicht. 
Met de natuur mee; in overeenstemming met de natuur, zou dan betekenen dat je bij de natuur te rade gaat – probeert af te lezen wat ‘van nature of volgens de natuur’ betekent. 

Een overduidelijk fenomeen van de natuur is dat ze zich manifesteert in ritmen. In de artikelenreeks ‘menskunde en pedagogie – ritme is daarover al veel gezegd.

Onderwijs dat gezondmakend wil werken, kan niet om ‘ritme’ heen.

In mijn basisschooltijd ging het zo:
Je komt vóór schooltijd op het schoolplein: naarmate je jonger bent, speel je: dat is rennen, bewegen. Dan de klas in: zitten tot de pauze: (intellectuele) uitleg; oefenend verwerken; na een klein uur een ander vak: hetzelfde – tenzij het bv. gymnastiek is. Pauze: beweging. Na de pauze tot de middagpauze: uitleg: verwerken; ’s middags ook. 

Met het gegeven: natuur = ritme en ritme = in/uit; spanning/ontspanning; beweging/rust; chaos/orde enz. ga je anders naar de indeling van je lessen kijken, ook naar de indeling over de hele dag; maar ook naar het ene uur t.o.v. het andere. 
Stel dat je na de morgenpauze weer met de kinderen aan het werk gaat: ze zijn net buiten geweest – een echte ‘uit’ activiteit, dan moet er iets volgen dat met ‘in’ te maken heeft, met rust, met concentratie: hoofdrekenen; een dictee bv. Daarop moet weer iets ontspannends volgen, bv. een tekening afmaken, waarbij ook wat gepraat mag worden. Volgt er na dit uur bv. een vakles Engels, zorg er dan voor dat je niet vlak vóór die les begint, flink hebt ‘uitgeademd’ want de taalles begint waarschijnlijk ook met flink wat bewegen. Volgt er bv. handwerken, dan is het juist goed, dat jouw les op het eind levendig is en in rust eindigt, zodat de handwerkcollega met die rust verder kan.

Nu kennen wij allemaal het verschijnsel dat wanneer we in een ruimte zijn met (veel) anderen en er staat geen raam open, dat we de omgeving dan als benauwd, bedompt gaan beleven en we voelen ons ook slaperiger worden, duffer. ‘Kan er een raam open?’. We weten het: gebrek aan zuurstof – toename van koolzuur in de lucht. Uiteindelijk (letterlijk) verstikkend.
Ingeademde lucht bevat ca 20% zuurstof en 0,04 % koolzuur; uitgeademde lucht: 16% zuurstof, maar 4% koolzuur: 100x meer.
Frisse lucht associëren de meesten met ‘gezond’.
Het bloed dat deze stoffen opneemt, meeneemt, moet dus ook niet té koolzuurrijk worden.
Mocht het bloed te zuur worden, dan gaan we sneller ademen: m.a.w. het is de ademhaling die nu ‘gezond maakt’.  

Wanneer we nu nog een andere polariteit bekijken – die van denken en willen – kunnen we het ‘zich voorstellen’, als denkactiviteit benoemen.
Het oproepen van een voorstelling is het weer voor je zien, wat je ooit – in het verleden – als realiteit voor je zag. Die realiteit echter, is weg, is verleden tijd. Zo’n voorstelling moet onthouden worden; je moet er weet van hebben. Voorstellen en voorstelling(s)beeld/herinneringsbeeld moeten we aan de ‘verleden’ kant plaatsen: bij dat wat in zekere zin ‘oud’ is.
Een fantasiebeeld moet nog worden gemaakt. Hoort in die zin aan de ‘toekomst’kant.
Steiner stelt de zenuw-zintuigactiviteit tegenover die van het bloed, waarbij het bloed veel meer vernieuwingskracht heeft, dan de hersenen die bij de zenuwzintuigen gerekend dienen te worden. De hersenen, het brein, in zekere zin veel meer ‘geworden’, al bijna klaar – tegenover het zich steeds weer vernieuwende bloed. Het ‘nieuwe’ hoort in die zin bij de wil. We hebben de wilsimpuls tot…., maar het resultaat is er nog niet. Dat ligt nog in de toekomst – is in zekere zin- nieuw.

Geven wij – volgens Steiner – kinderen veel vast omlijnde voorstellingen, veel weetjes, kennis, dan wordt in het kind die ‘oude’ kant aangesproken. De hersenkant. Bij beeldend onderwijs, bij fantasievol onderwijs, bij onderwijs waarin het doen, d.i. de beweging een grote rol speelt, de ‘nieuwe’ kant. De bloedskant. Het ene is meer het gewordene, het andere het wordende.
Uit ervaring weten we dat veel leren, studeren, onthouden, blokken enz. levenskracht kost: we worden er zelfs achter ons bureau ‘koud’ van (koude voeten), bleek. De kamergeleerde stellen we ons niet voor als een blozend, levenslustig iemand. 
Terwijl bewegen de wangen rood kleurt.
Steiner zet hier ‘de zenuwen’ tegenover ‘het bloed’. En zegt, dat wanneer het intellect (te)veel wordt belast, het bloed de neiging heeft rijker te worden aan koolzuur – te verzuren.
Dat zou betekenen dat veel abstract onderwijs voor de kwaliteit van het bloed dezelfde werking heeft, als lucht waar steeds minder zuurstof en steeds meer koolzuur in terecht komt.
De opdracht aan het onderwijs is dan ook om dat te voorkomen door fantasievol, levend onderwijs.

*deze terminologie vraagt wellicht om meer uitleg. Hier zijn daar verschillende artikelen aan gewijd. 

**’Voor op het fysieke plan’ is het uiteraard erg belangrijk dat er in de klas frisse lucht is; maar ook: dat de in te ademen lucht schoon is. Dat is lang niet altijd het geval. Er is meestal veel te veel stof aanwezig. Kijk eens achter de verwarming of op de lampen; in het krijtbakje, m.n. onder het bord; op de planten, enz. En in een klas waar (veel) bewogen wordt, beweegt ook dit stof en dat wordt ingeademd. Bij gezondmakend onderwijs hoort ook hygiëne!
.

[1] GA 293, blz. 24 ev
Vertaald

Rudolf Steiner over gezondmakend onderwijs [1]  [3]  [4]

Overritmezoals het hierboven ter sprake kwam

Hier wordt deze blz. 24 eveneens besproken

.

535-493

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (6)

opspattend grind

 

 

 

Aan Steiner wordt gevraagd:
Welche Stunden soll man wegcn der Abituriumsvorbereitungen von jetzt ab in der 12. Klasse weglassen?
Dr. Steiner: Mit schwerem Herzen Technologie und Handwerk
weg­lassen, ebenso Turnen und Gesang. Eurythmie läßt sich nicht weg­lassen.

Welke uren moeten we in verband met de examenvoorbereiding van nu af laten vallen?
Steiner: Met een bezwaard hart: technologie en handenarbeid weglaten, ook gymnastiek en koor. Euritmie moeten we niet achterwege laten. [1]

brochure ver. vrijescholen 1

brochure ver. vrijescholen 2

Vrijeschoolonderwijs vraagt kinderen zich open te stellen. Naar andere leerlingen, naar leerkrachten en naar zichzelf. Daarin is een belangrijke rol weggelegd voor het klassikaal gegeven vak euritmie. In deze bewegingsvorm komen klank, ritme en woord samen. Euritmie verbindt, stimuleert de sociale samenhang, maar zorgt er bovenal voor dat kinderen zich openstellen voor de eigenheid in relatie tot de ander en de omgeving. Op basis van deze ervaringen ondersteunt dit vak alle andere vakken en vormt daarmee een wezenlijk onderdeel van het vrijeschoolonderwijs.

Uit de brochure van de vereniging van vrijescholen:brochure ver. vrijescholen 3

Er zijn 12 bovenbouwen (v.o.) met klas 7 t/m 12

Op 3 ervan wordt geen euritmie gegeven;
Op 2 ervan alleen in klas 7 en 8
Op 2 ervan alleen in klas 7, 8 en 9
Op 3 ervan in klas 7 t/m 10
Op 2 ervan in klas 7 t/m 10; 11 en 12 als keuzevak

[1] GA 300C, blz.103

Op deze weg staat ook ergens het bord:*

 

verkeersbord uitholling overdwars

 

*uitholling overdwars

 

opspattend grind: alle artikelen

.

530-488

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over gezondmakend onderwijs (1)

.

RUDOLF STEINER OVER GEZONDMAKEND ONDERWIJS

In zijn pedagogische voordrachten heeft Steiner het herhaaldelijk over ‘gezondmakend onderwijs’.

Uit deze pedagogische voordrachten, GA 293-311 zijn hier de voornaamste opmerkingen weergegeven.

De groene tekst is het Duits van Steiner – de vertaling is of uit in vertaling uitgegeven werk of van mij en volgt daar steeds op – in zwart. De tekst in blauw is van mij.

Rudolf Steiner heeft in verschillende pedagogische voordrachten gesproken over ‘gezondmakend’ onderwijs. Omdat er in het Duits sprake is van o.a. ‘heilen’ zijn er vertalingen gebruikt als ‘helend’ opvoeden en ‘genezend’ opvoeden. Wat bedoelde Steiner met dit ‘helende, genezende, gezondmakende’.

GA 300B

blz. 257

Vorerst möchte ich Sie aber darauf aufmerksam machen, daß ja unsere ganze Waldorfschul-Pädagogik einen therapeutischen Charak­ter trägt. Die ganze Unterrichts- und Erziehungsmethode selbst ist ja daraufhin orientiert, gesundend auf das Kind zu wirken. Das heißt, wenn man die pädagogische Kunst so einrichtet, daß in jeder Zeit der kindlichen Menschheitsentwicklung das Richtige getan wird, dann ist in der Erziehungskunst, in der pädagogischen Behandlung der Kinder etwas Gesundendes.’

Ik zou u er allereerst op willen wijzen dat al onze vrijeschoolpedagogie een therapeutisch karakter draagt. Heel de onderwijs- en opvoedingsmethode zelf is er op gericht dat deze een gezondmakende (gesundend) invloed op het kind heeft. Dat betekent wanneer je de pedagogische kunst zo vormgeeft dat op ieder ogenblik in de ontwikkeling van de menswording van het kind het juiste wordt gedaan, dat dan in de opvoedkunst, in het pedagogisch omgaan met de kinderen iets gezondmakends zit.

Steiner zegt hier ‘al het onderwijs’. Dat houdt in dat dit voor alle kinderen geldt. Kinderen leven o.a. in beweging, ritme, fantasie enz. Deze aspecten in je onderwijs verwerken, geeft iets levends, iets stimulerends in de levenskrachten van de opgroeiende kinderen. Tegelijkertijd gaat het Steiner ook om het individuele kind – hoe gedijt dat. Daarover zegt hij:

Dazu ist es notwendig, daß man eine Möglichkeit sich aneignet, aufmerksam zu sein, wie die Kinder sich äußern, so daß die Äußerung dann für einen gewissermaßen die Offenbarung wird, was man mit dem Kinde zu tun hat, um es völlig harmonisch gesund zu bekommen.

Daarvoor is het noodzakelijk dat je mogelijkheden vindt, erop te letten hoe de kinderen zich uiten, zodat dit uiten dan een soort uitdrukking wordt voor wat je met het kind moet doen om het helemaal harmonisch gezond te maken.’
GA 300B/257
Niet vertaald

Hier gebruikt Steiner het woord ‘harmonisch’, later ook ‘evenwicht’ ;zonder deze begrippen mis je de essentie van het ‘helen’ en ‘genezen’. Zonder deze sleutelwoorden ligt een volledig verkeerd interpreteren van ‘helen’ en ‘genezen’ op de loer en komen sommigen tot de meest belachelijke conclusies, dat de vrijeschool de kinderen ‘ziek’ vindt – ze moeten immers worden ‘genezen’.

Normaal, ziek, gezond
Wanneer de term ‘normaal’ wordt gebruikt, gaat het om ‘evenwicht’. Bij gezond- of ziekzijn eveneens. Wat het precies is, is niet zo eenvoudig te omschrijven. Er is een bepaalde ‘bandbreedte’ – die ook nog eens sterk van de persoonlijkheid en de persoonlijke omstandigheden afhangt. Wanneer de ene mens zich ‘niet lekker’ voelt, spreekt de ander van  ‘voel me ziek’. Aan de andere kant kun je je heel lekker in je vel voelen zitten. Zo kun je ingetogen leven en zeer uitbundig. Wanneer je over deze aspecten langer nadenkt, zul je steeds vinden, dat ‘normaal’ iets is dat begrensd wordt naar 2 kanten – ga je die grens over, dan komt ‘abnormaal’ dichterbij – ook gezondheid heeft een grens; ga je die over, dan ben je ‘minder gezond’ – totdat je bij ‘echt ziek’ terechtkomt.
Ieder mens, waar verder ‘niets mis’ mee is, balanceert tussen de uitersten van het ‘normale’; tussen de uitersten van  het ‘gezonde’. En iedere dag opnieuw. Wij bevinden ons steeds in een ‘wankelbaar evenwicht’. In een ‘kwetsbare harmonie’, zou een andere uitdrukking kunnen zijn.

 

GA 304

blz. 75

Man betrachtet ja heute Gesundheit und Krankheit eigentlich als zwei Gegensätze. Der Mensch ist entweder gesund oder krank. Aber so ist überhaupt die Sache gar nicht, ihrer Realität, ihrer Wirklichkeit nach gedacht. So ist es gar nicht. Gesundheit und Krankheit stehen nicht etwa einander polar entgegen, sondern das Gegenteil der Krankheit ist etwas ganz anderes als die Gesundheit

Tegenwoordig beschouwt men gezondheid en ziekte eigenlijk als tegenovergesteld. De mens is óf gezond, óf hij is ziek. Maar dat is geen gedachte die overeenstemt met de realiteit. Zo is het helemaal niet. Gezondheid en ziekte staan niet polair tegenover elkaar; het tegendeel echter van ziekte is iets heel anders dan gezondheid.

blz. 76

Nehmen Sie die Sache selbst sprachlich. Wenn Sie das Verbum bilden von krank, so haben Sie kränken; kränken: Schmerz bereiten. Nehmen Sie ein Zeitwort, das das polarische Gegenteil bedeuten würde, so hätten Sie: Lust bereiten. Und zwischen diesen zwei Extremen, zwischen dem Kranksein und Lustvollsein, muß der Mensch das Gleichgewicht halten. Das ist die Gesundheit. Der Mensch hat nicht die polarischen Gegen­sätze Krankheit und Gesundheit, sondern Krankheit und einen ganz anderen polarischen Gegensatz, und die Gesundheit ist der Gleichge­wichtszustand, den wir uns fortwährend organisch bemühen müssen zu erhalten. Wir pendeln gewissermaßen hin und her zwischen Kranksein und innerlich Lustvollsein, organisch lustvoll sein. Das Gesundsein ist der Gleichgewichtszustand zwischen den beiden Polaritäten. Das ist die Realität.

Bekijk de zaak eens vanuit de taal. Wanneer je een werkwoord maakt van (Duits) ‘krank’, dan krijg je kränken; (‘pijn berokkenen. Dit zit in ons woord ‘krenken’.)  Neem een werkwoord dat daar polair aan is, dan krijg je lust bereiden (zoals in ‘het is mijn lust en mijn leven!) En tussen deze twee extremen, tussen dit ‘kranksein’ en het ‘lustvolle’ moet de mens het evenwicht bewaren. Dat is gezondheid. De mens heeft niet de tegenstelling ziekte en gezondheid, maar ziekte en een heel andere polariteit, en gezondheid is het evenwicht waarvoor wij steeds moeite moeten doen om dit organisch* te bewaren. In zekere zin pendelen we heen en weer tussen ziekzijn en innerlijk ‘organisch* lustvoll (goed in je vel.) Gezondheid is het evenwicht tussen beide polariteiten. Dat is de realiteit.

*Organisch heb ik hier gewoon overgenomen. Vanuit de grotere context blijkt dat dit letterlijk genomen moet worden – vanuit een orgaan.

Die Krankheit hat eine Polarität, die eigentlich darinnen liegt, daß das einzelne Organ gewissermaßen aufgesogen wird vom Gesamtorga­nismus und zu seiner besonderen Wollust, zu seiner besonderen inneren Befriedigung beiträgt. Ein, ich möchte sagen, Überlust-Erlebnis ist eigentlich der polarische Gegensatz der Krankheit,

De ziekte heeft een polariteit die er eigenlijk uit bestaat, dat het orgaan op zich in zekere zin door het totale organisme wordt opgezogen en tot een bijzonder lustgevoel, tot een bijzondere innerlijke tevredenheid bijdraagt. Een, ik zou willen zeggen – bovenmatige lustbeleving is de eigenlijke tegenstelling van ziekte.
GA 304/75 en 76
Niet vertaald

Ik vind dit een interessant gezichtspunt. Ik denk dat ik niet de enige ben die gezondheid beleeft als een ‘midden’ met aan de randen naar de ene kant dat het slechter tot slecht met je gaat – lichamelijk, maar ook in je stemmingen – en heel goed tot opperbest. Je mankeert niets, je voelt je gezond, je hebt overal zin in; of je bent een dag niet vooruit te branden; en zou ‘hemelhoog juichend tot dodelijk bedroefd’ niet ook die randen aangeven? Een bijkomstig interessant detail is nog dat ‘ziekte’ etymologisch teruggaat naar ‘zuigen’ (Middelnederlands sûken, Oudengels sûcan)

Gezondheidstoestand van het kind

‘Es ist für den Lehrer und Erzieher eben in hohem Grade wichtig, daß er den Gesundheitszustand des Kindes in einem gewissen Sinne voraussieht und prophylaktisch wirken kann.

Het is voor de leerkracht en opvoeder nu juist in hoge mate belangrijk dat hij de gezondheidstoestand van het kind in zekere zin in een vooruitziende blik heeft en profylactisch kan werken.
GA 300B/261
Niet vertaald

Wanneer we gezondheid dan opvatten als een evenwichtstoestand, dan is de vraag wat je als pedagoog voor dit evenwicht kunt doen en als we bv. het vierledige mensbeeld als uitgangspunt nemen, spitst die vraag zich toe: wat kun je voor het lichamelijk evenwicht doen, voor de levenskrachten, voor de ziel en voor het Ik.

.
Rudolf Steiner over gezondmakend onderwijs: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen
.

525-484

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.