VRIJESCHOOL – Getuigschriften (9)

.

Ludger Helming-Jacoby, Erziehungskunst jrg.53, 04-1989
.

getuigschriftspreuken – een verrijking voor de klassengemeenschap

Voor een klassenleerkracht die een eerste klas op zich genomen heeft, is het iets wonderbaarlijks om te zien hoe de kinderen vol overgave zich met alles verbinden wat ze in het onderwijs beleven en hoe door het gezamenlijk beleven ook de verbondenheid van de kinderen met elkaar groeit. Heel diep nemen de kinderen de sprookjes in zich op die iedere dag in hoofdonderwijs worden verteld – wanneer beeldend onderwijs voedsel voor de ziel is, ‘melk voor de ziel’, dan zijn de sprookjes dat op een bijzonder rijke manier. [1]

Toen ik vijf jaar geleden me voor het eerst bezighield met getuigschriftspreuken voor mijn toen eerste klas,  beschouwde ik ze als een welkome mogelijkheid deze sprookjesbeelden nog een jaar lang na te laten klinken. Maar welke van hen zouden bewaard moeten blijven, welke zouden voor de individuele kinderen bijzonder goed zijn?
Deze vraag beantwoordden de kinderen zelf: ieder kind mocht een sprookje kiezen dat op z’n verjaardat werd verteld; en in de vele lievelingssprookjes vond ik bijzonder treffende motieven voor de individuele kinderen.
Onder de in het openbaar verschenen getuigschriftspreuken waren er echter nauwelijks te vinden die sprookjes als inhoud hadden. Dus ging ik ze zelf schrijven. Daarbij waren de gezichtspunten van Heinz Müller [2] richtinggevend; ook werd ik zeer gestimuleerd door de verzamelingen getuigschriftspreuken [3],  door de mooie, beeldrijke spreuken van Gabriele Böttcher.
Het rijmen ging in het begin moeizaam, stap voor stap kreeg ik het er wat makkelijker mee. Ook ervoer ik wat Johannes Denger in zijn artikel over getuigschriften schrijft [4]: ‘Wanneer je je een tijd schijnbaar tevergeefs afgetobd hebt, valt je, naar wat je hebt gezocht, opeens, niet zelden ‘na de nacht’ als een geschenk ten deel.
Dat de meeste spreuken tamelijk lang werden, was eigenlijk niet de bedoeling, maar dat kwam door het vertellende, schilderende karakter. Later, toen de kinderen de spreuken voordroegen, was ik echt wel blij dat ik ze uitvoerig bij het spreken aan kon horen.
Om
de kinderen de getuigschriftspreuken niet alleen maar te overhandigen, maar ook te laten horen en anderzijds om op de laatste schooldag geen zesendertig spreuken te hoeven voorlezen, liet ik de klas in de laatste paar weken voor het einde van het schooljaar dagelijks een paar spreuken horen. Voor wie ze waren, kregen de kinderen pas op de laatste schooldag te horen, wanneer ieder kind zijn spreuk – in het getuigschrift en op een kaart – ontving. Zo werden de getuigschriftspreuken eerst als een totaliteit aan de hele klas, als was het een geschenk, gegeven en daarna over de verschillende kinderen verdeeld.
Deze manier van doen was helemaal in overeenstemming met de bedoeling die de spreuken van een schooljaar voor de kinderen uit een klas hebben: ieder kind leert zijn eigen spreuk, wanneer hij dat doet en eraan werkt, om deze steeds duidelijker uitdrukkingsvol, te spreken. Iedere keer echter, wanneer een kind zijn spreuk opzegt, geeft hij deze steeds weer opnieuw aan de andere kinderen. Zo verbinden de kinderen zich niet alleen met hun eigen spreuk, maar ook met alle andere; deze worden zogezegd een gemeenschappelijk bezit van de klas. Dit proces kan ondersteund worden door de kinderen een ‘getuigschrift-schrift te laten bijhouden waarin ze het hele jaar door werken, waarin ze geleidelijk alle spreuken opschrijven, op z’n allermooist en versierd met tekeningen. Ook ruilen ze onderling hun kaarten. Het kan ook een ervaring worden die verbindt, wanneer een paar kinderen de gelegenheid krijgen hun spreuk aan de klas te leren, wanneer ze deze een tijdje iedere dag voorspreken – eerst wat regels, dan strofen.

Ook de jaren daarna begon ik aan het werken aan de getuigschriften vanuit twee gezichtspunten: aan de ene kant beschouwde ik ze als een essence van het onderwijs van het afgelopen jaar en overlegde ik bij mezelf welke beelden belangrijk waren en welke spreuken nog een jaar lang in de klas levend aanwezig zouden blijven. (Bij deze beelden zaten er natuurlijk ook die geen onderwijsthema waren geweest, die echter wel bij de sfeer van de betreffende leeftijd hoorden; zo waren er in de vijfde klas een paar spreuken over zeevaarders en bergbeklimmers).
Aan de andere kant probeerde ik mij van ieder kind een beeld te vormen: welke van zijn wezenskenmerken zouden wel wat sterker mogen worden, welke wat meer teruggehouden?
Het hielp heel veel als de vakleraren van de klas mij hun indrukken gaven. Ook de ouders vroeg ik iets over hun kinderen te vertellen. [5] Ettelijke van hen namen graag de gelegenheid te baat mee te doen met de totstandkoming van de spreuken; hun antwoorden – soms een paar regels, soms meerdere bladzijden – waren voor mij zeer waardevol. Stap voor stap koos ik voor ieder kind een passend beeld en maakte daarvan een spreuk. Het beeldende werd tijdens de schooljaren natuurlijk door een meer beschouwelijk element aangevuld.

De meeste thema’s kwamen uiteindelijk in twee of meer spreuken voor; daardoor zou het voor de kinderen duidelijk moeten worden, dat je een bepaalde inhoud op verschillende manieren van meer kanten kan bekijken. Van tijd tot tijd konden zulke verwante spreuken ook helpen om twee kinderen dichter bij elkaar te brengen, zoals Heinz Müller stimuleert. [6]

De kinderen krijgen door het getuigscfhrift in zekere zin een spiegel voorgehouden. Voor mij was het echter heel belangrijk om niet in de eerste plaats hun zwakte naar voren te halen, maar iets te tonen, wat – vaak nog in kiem aanwezig – als positieve mogelijkheid in hen aanwezig is [7] om hen zo voor hun ontwikkeling een weg te wijzen. De spreuk moet vooral met een aanmoedigende, krachtige ‘lichte’ regel worden afgesloten.

In de derde klas zocht ik bij de meeste spreuken alleen bij iedere tweede regel naar rijm; voor de al wat oudere kinderen leek me de steun die het rijm hun bij het spreken kan zijn, niet meer zo heel erg nodig. Het werk om de versregels ‘aan elkaar te smeden’, werd daardoor heel wat makkelijker.

De versmaat van een spreuk kan wat je het kind door de inhoud, door het beeld wil zeggen, aanzienlijk ondersteunen. [8] Deze kan aanwakkerend zijn, behoudend, kan het kind meer uit zichzelf brengen, maar ook tot zichzelf. Heel werkzaam is de afwisseling in versmaat binnen een spreuk: [9] Je laat de spreuk met een ritme beginnen dat bij het wezen van het kind hoort, dat makkelijk voor hem is, leidt hem dan over in een ander ritme dat hem bijbrengt: ‘Zo mag je qua wezen nog meer worden!’.

Op dezelfde manier waarop voor ieder kind de versmaat passend is, zo zouden ook voor een hele klas op de verschillende leeftijden verschillende versmaten heel passend kunnen zijn.
Zo was in de spreuken van mijn tweede klas de trochee overheersend (— )  die hoorde bij de rustig geschilderde vertelstroom van de sprookjes en het teer zich verbinden met de sprookjesbeelden.
Voor de vierde klas ‘ontdekte’ ik de amfybrachus ( ) als versmaat van een evenwichtig midden, het evenwicht tussen hoofd en hart; met zijn dansende, meenemende levendigheid scheen hij mij voor de kinderen van deze leeftijd buitengewoon weldadig.

De vijfde en zesde klas leren hexameterverzen kennen die harmonisch en krachtig lopen. Ze leven zich in deze Griekse versmaat in; en het ligt voor de hand dat de hexameter er ook in de getuigschriftspreuken van de volgende schooljaren bij zit.
In deze laatste jaren van de klassenleerkrachttijd is het wellicht niet meer zó nodig dat de spreuken rijmen; des te meer omdat een hexameter een spreuk sterk vormgeeft en daardoor bij het spreken een steun is.

In de spreuken van de vijfde klas probeerde ik hier en daar woorden met gelijkklinkende beginklanken na elkaar te laten volgen; zo kon het wilsversterkende  stafrijm  dat een jaar eerder zo’n belangrijke rol in de lessen speelde, nog blijven werken. Dat bovendien juist de klanken met hun
verschillende kwaliteiten op de kinderen werken, had ik bij het maken van de spreuken wel in gedachten; maar er bleef naast het proberen de inhoud die me voor de geest stond, in een bepaalde versmaat en rijm te gieten, niet al teveel speelruimte dit ook nog mee te nemen. Naderhand stelde ik soms wel plezierig verrast vast, hoe goed de klanken bij de inhoud van de spreuk en ook voor het betreffende kind pasten, alsof de taal a.h.w. zelf aan het dichten was.

Zeer dankbaar was ik onze spraaklerares die de spreuken nakeek en met haar hulp konden sommige oneffenheden glad gestreken worden. Ik was helemaal blij toen ook anderen er nog naar keken, want ik had ervaren dat eigenlijk maar weinig afstand neemt van waaraan je zelf lang zit te schrijven – spreuken, maar ook andere getuigschrifttekstent. Zo behoedde mijn mijn vrouw een kind ervoor een jaar lang met de zin: ‘wie droomt en treuzelt komt niet vooruit’ te moeten leven. (4e klas)

Na de grote vakantie, ieder jaar opnieuw, deelde ik de kinderen zo in dat in ieder hoofdonderwijs drie kinderen hun getuigschriftspreuken opzeiden. [10] Deze groepjes waren volgens inhoudelijke gezichtspunten samengesteld: de spreuken die op een dag te horen waren, moesten verschillende vakgebieden beslaan, maar zo mogelijk wel een gemeenschappelijk motief hebben. Zo zaten b.v. spreuken over geschiedenis, aardrijkskunde en plantkunde bij elkaar en in alle drie ging het om een  ‘geduldig bezig zijn om een doel te bereiken’.
Ook de kinderen moeten de verwante spreuken opmerken, in hun verwantschap, maar ook in hun verschil; die werden op achtereenvolgende dagen gesproken.
Bij de indeling in groepen probeerde ik ook mee te nemen dat de kinderen in een wezenseigen groep zaten.

Dat er in het hoofdonderwijs maar drie kinderen aan de beurt kwamen en pas weer na veertien dagen, kan ertoe hebben bijgedragen, dat het reciteren van de spreuken het hele jaar door geen routine werd.
Ook in mijn drukke zesde klas klinken de spreuken in een sfeer van rustig geconcentreerd werken en dat intensief met elkaar.

Hier nog een aantal spreuken uit verschillende leerjaren.

2e klas

Junger König jagt das Wild
in des dunklen Waldes Tiefe,
ward verhext, zum Marmorbild,
bleich und stumm, als ob er schliefe,
bis der Bruder ihn dort fand
und die Hexe überwand.
Von dem dunkien Bann nun frei
konnt er lachen, singen wieder,
rot die Wangen, flink die Glieder,
oh, wie glücklich warn die zwei!
Sonnenlicht durchströmt den Wald,
und das KönigsschloB von Feme
leuchtet hell wie tausend Sterne
heim im SchloB sind sie nun bald!

0-0-0

»Erzähle Puck, du lieber Gesell,
es leuchten deine Augen so hell,
was hast auf Erden du gesehn?«
»Den Farbenbogen konnt’ ich schaun,
bei Menschen, die sich gut verstehn,
die sich wohl lieben und vertraun.
Auch im Zwergenreich solln nun
Farbenbogen glanzen fein,
strahlen soll der Liebe Schein,
dafür will ich alles tun,
will mit aller Kraft ich streben:
Menschen, Zwerge solln so leben,
daß es in und auf der Erde
immer licht und lichter werde!«
(Naar Jakob Streit, »Puck der Ziverg«)

0-0-0

Sieh im Blütenkleid die Linde,
wiegt sich sacht im Frühlingswinde.
Selig von den süften Düften
tanzen Falter in den Lüften,
auf und ab, mit zarten Schwingen.
Horch, ein feines Summen, Singen
von den Bienen, von den Hummeln,
die sich in den Blüten tummeln.
DaB der Baum kann blühn, gedeihn,
daB er wachse, kräftig werde,
müssen Wurzeln in der Erde
tief und fest gegründet sein;
Wurzelzwerge müssen regen
stetig sich, die Wurzeln pflegen,
daß die guten Erdensäfte
geben frische neue Kräfte.

Ja, der Baum braucht Erdensegen,
daß er himmelwärts kann streben!

0-0-0

3e klas

Aus tiefem Erdengrunde sprudelt
leis ein kleiner Quell,
und zwischen Moos und Wurzeln rieselt
Wasser silberhell.

Ein Bächlein wird’s und bald ein Bach,
der munter springt zu Tal,
bis jählings über Felsen er
sich stürzt als Wasserfall.

In tausend Tropfen sprüht und
funkelt farbig Sonnenlicht.
Da schäumt’s und rauscht’s ein
mutig Lied: »Ich fürcht’ die Tiefe nicht!«

Und weiter fließt und strömt
voll Kraft ein Fluß dem Meere zu,
nimmt Bache, Flüsse in sich auf,
bis er nach langem, langem Lauf
im Meere findet Ruh.

0-0-0

Lerche, Lerche, liebe Schwester,
in dem Federkleid so schlicht,
dich vor anderen zu zieren,
danach trachtest du ja nicht.

Lebst so einfach und bescheiden,
hier ein Körnchen, dort ein Kern,
da ein Schlückchen aus der Quelle –
alles nimmst du froh und gern.

Schwingst du hoch dich in die Lüfte,
um des Schöpfers Lob zu singen,
lausche ich und spüre leise
frohen Dank in mir auch klingen.

0-0-0

Im weichen Sand am Meeresgrunde
liegt die Muschel Stund’ um Stunde,
sacht gestreichelt von den Wogen
liegt sie still bei Tag und Nacht;
was sie wohl da drinnen macht?
Sie träumt vom Regenbogen!
Kann die Träume sogar malen,
innen an die Muschelschalen.
Außen ist sie trüb und grau,
unscheinbar und schlicht.
Doch öffnet sie die Schalen, schau!
Dann schimmert silbrig-licht
welch zauberhafter Farbentanz,
welch Regenbogenglanz!

0-0-0

Da kommen drei Reiter in Eile geritten,
sie reiten voll Hast, um zu Haus bald zu sein.
Sie sehn nicht den Armen gar flehentlich bitten,
nur Martin, der sieht ihn, bleibt stehen allein:
»Mir ist gleieh, was andre machen,
solln sie meinetwegen lachen,
ich weiß selber, was ich will!«
Martin teilt den Mantel still,
reitet dann der Herberg’ zu,
frohgemut, in Seelenruh.

0-0-0

4e klas

Während Sommerblumen blühen,
jede schön in eig’ner Weise,
wachsen in dem Kornfeld Halme,
unscheinbar und schlicht und leise

Freudig haben sie verzichtet,
bunt zu blühen hier auf Erden,
daß sie, alle Kraft bewahrend,
Menschennahrung können werden.

Golden wogen reife Felder,
wie von Sonnengold durchwirkt; 
schenkend neigt sich goldne Ähre,
die so reife Gabe birgt.

0-0-0

Sieh den Bergkristall, den reinen,
horche, wie er zu dir spricht:
»Sternenkräfte still bewahrend
wurd geformt ich klar und licht.«

Siehe, wie aus kleinen Knospen
Blütensterne sich gestalten,
lausche, was sie leis dir sagen:
Will mich hin zum Licht entfalten!«

Sieh das Reh im Sonnenlichte,
schau, was es dir sagen will:
Bald bewegt sich’s rasch und regsam,
bald steht’s wachsam lauschend still.

Nimm dich wahr als Menschenwesen,
hör es in dir selbst erklingen:
»Gutes will ich tun in Stille,
Seelenlicht soll mich durchdringen!«

0-0-0

Festen Schrittes ging der Junge,
ging im Morgensonnenschein,
ging zur Schmiede: «Lieber Meister,
kann ich Lehrling bei Euch sein?«
»Willst du’s Schmiedehandwerk lernen,
mußt die Glut du fleißig schüren,
mußt den schweren Schmiedehammer
rasch, geschickt und kraftvoll führen;
lieben mußt du deine Arbeit,
ist sie manchmal dir auch Last,
wachsam lernen, immer fragen,
was du nicht verstanden hast.
Neues Schritt für Schritt zu lernen
darfst du scheuen keine Müh.«
»Ja, ich will von ganzem Herzen!«
»Gut – beginn gleich morgen früh!

0-0-0

Den treuen Begleiter zur Seite,
den Wanderstab fest in der Hand,
so wanderte furchtlos Tobias,
durch fremdes, zerklüftetes Land.

Zur Seite den treuen Begleiter
war stets er in sicherer Hut,
durchwanderte Wüsten, Gebirge
mit frischem und freudigem Mut.

Zur Frau nahm er Sarah, die liebe,
bracht glücklich sie heim aus der Fern,
bracht Heilung dem Vater, dem blinden,
geleitet vom Engel des Hern.

5e klas

»Eichkätzchen, du kletterst so kühn im Geäst
und bautest so kunstvoll dein Kugelnest;
wer hat dir das Klettem und Baun beigebracht?«
»Ich lernt’ es von selber, ich konnt’s über Nacht.«

»Du tüchtiger Biber, du fällst fleißig Stämme,
baust rastlos aus Reisig dir Burgen und Dämme;
wie hast du’s im Bauen zum Meister gebracht?«
»Ich konnt’ es von selber, ich lernt’s über Nacht.«

»Du Mensch, mit den Händen so vielseitig fähig,
wie hast du so vieles zu lernen geschafft?«
»Ich mühte mich eifrig, ich übte beständig;
so wurd’ ich geschickter, so wuchs Mut und Kraft.

0-0-0

»Kennst du dort den Berg, den fernen?«
»Ja, ich war schon nahe dran;
Wälder, grüne Wiesenhänge
steigen sanft zum Gipfel an.«

»Nein, du irrst dich, ich sah selber
nah den Berg vor ein paar Tagen;
Felsenwände, wild-zerklüftet,
sah ich steil zum Himmel ragen!«

Beide sahn nur eine Seite:
sanft geschwungen – schroff und wild.
Doch steigst zum Gipfel du hinauf,
dann wirst du gewinnen das ganze Bild!

0-0-0

»Ich war«, spricht die Vergangenheit.
»Ich hab’ dir teuren Schatz gebracht:
Erfahrung und Erinnerung;
bewahr ihn, nutz ihn mit Bedacht!«

»Ich bin«, spricht die Gegenwart, »immer aufs Neue,
ich schenk’ dir den kostbaren Augenblick;
erlebe ihn wach und mit offenem Herzen,
ergreif ihn mit Tatkraft, mit flinkem Geschick!«

»Ich werd’ dich beschenken«, ruft heil die Zukunft,
»erwart mich mit freudig entschlossenem Mut.
Was ich dir werd’ bringen? Es liegt an dir selber –
sei stets guten Willens, dann wird’s gewiß gut!«

0-0-0

Gerüstet, gewappnet, mit Schwert und mit Lanze,
so magst du manch mächtigen Gegner bezwingen;
doch wirst du mit Stärke, das Schwert in den Händen, 
zur Gralsburg, zur lichten, ganz sicher nicht dringen.

Die finstersten Forste magst suchend du queren,
das schroffste Gebirge, das dunkelste Tal;
dein Suchen allein wird zum Ziel dich nicht führen,
zur Gralsburg, zur lichten, zum heiligen Gral.

Dein mitfühlndes Herz nur kann weisen den Weg dir,
erhellen den Weg dir zur Lichtburg, zum Gral;
die Frage, aus Mitleid und Liebe erwachsen,
sie bringt dich zum richtigen Ziel, Parzival!

0-0-0

6e klas

Der Kiesel, so wunderbar glatt und gerundet,
entstand ja aus kantigem, spitzen Gestein;
den harten Fels so vollendet zu formen,
wer mag dafür kräftig und stark genug sein?

Das Wasser, das sanfte, das nachgiebig-weiche,
hat stetig fließend am Steine geschafft;
nicht heftige Hast, nein, geduldige Sanftmut
verleiht dem Wasser solch’ machtvolle Kraft!

0-0-0

Adler sieht man selten nur
nah am Boden sich bewegen;
hoch in Lüften ist ihr Reich,
wo in kühnem Flug sie schweben.

Kühe auf der Weide spähn nicht
scharfen Blickes in die Ferne,
grasen friedlich und beharrlich,
ruhen wiederkauend gerne.

Keinen Löwen wird man finden,
der sich grasend nahren kann;
Löwen sind beherzte Jager,
greifen furchtlos springend an.

Menschen können ihrem Mühen
mutvoll kühne Ziele geben;
festen Schritts, beherzt, beharrlich
will mein Ziel ich stets erstreben!

0-0-0

Savitri verließ den Palast ihres Vaters,
sie ging ohne Furcht ihrem Schicksal entgegen;
sie lebte im Wald mit dem Gatten in Armut,
man sah sie stets frohgemut-fleifiig sich regen.

Als Yama dem schlafenden Satyavat nahte,
die Seele zu führn in sein finsteres Reich,
da zeigte Savitri sich unerschrocken;
sie folgte dem Unerbittlichen gleich.

Die Liebe gab Kraft ihr, zur Seit’ ihm zu bleiben,
auf steinigen Wegen in finsterer Nacht.
So konnt’ sie selbst Yama am Ende doch rühren,
konnt’ Satyavat heim zu den Eltern führen –
so siegte der lichtvollen Liebe Macht!

0-0-0

Dieses lehrte Zarathustra
einst vor vielen tausend Jahren:
Wie sich aus der Welten Urgrund
Licht und Finsternis gebaren.

Und er lehrte, daß die Menschen
auf der Erde sich befinden,
Lichtes auf der Welt zu stärken,
Finsternis zu überwinden.

»Hütet das heilige Feuer«, sprach er,
«pfleget die Äcker mit fleißiger Hand,
pflügt sie und sät das Getreide und erntet,
wässert die Wüste, macht fruchtbar das Land!

Schafft ihr entschlossen und freudigen Mutes,
werdet der Finsternis Macht ihr bezwingen;
Sonnenkraft wird dann die Erde erfüllen,
wird eure Herzen auch lichtvoll durchdringen!«

0-0-0

[1] Rudolf Steiner GA 311, voordracht 1 en 2. Op deze blog vertaald.
[2] Heinz Müller, ‘Von der heilenden Kraft des Wortes und der Rhythmen’. Menschenkunde und Erziehung, Bd. 22
Op deze blog hier nader genoemd
[3] Gabriele Böttcher, Zeugnissprüche
Martin Tittmann, ‘Zarter Keim die Scholle bricht….’ Zeugnissprüche für die Klassen 1 – 8, Menschenkunde und Erziehung, Bd. 41
Lore Schäfer, ‘Sprüche und Aufzeichnungen einer Lehrerin. Herausgegeben vom Lehrerkollegium der Rudolf Steiner Schule Bochum-Langendreer.
[4] Johannes Denger, Erziehungskunst 5/1989 blzx. 287 (vertaald op deze blog)
[5] Rudolf Steiner vond dergelijke gesprekken met de ouders belangrijk; dit blijkt uit een toespraak voor ouders van de vrijeschool in Stuttgart wanneer hij over getuigschriften o.a. zegt: ‘….ik geloof dat wanneer de ouders het voor elkaar zouden krijgen een klein antwoord te schrijven n.a.v. wat de leerkracht in het getuigschrift heeft geschreven, dat heel erg zou helpen. Als het als verplichting opgevoerd wordt, heeft het geen zin; als de ouders het vanuit zich willen, dan is dat pedagogisch erg van belang. Zulke woorden zullen zeker met buitengewone aandacht op onze school worden gelezen.’
Steiner: GA 298,blz.193
[6] Heinz Müller, blz. 60ff
[7]Dit gezichtspunt geld tvoor de spreuken net zoals voor het hele getuigschrift. Zie
Rudolf Steiner: vergaderingen met de leerkrachten GA 300A, blz. 284 en GA 300C, blz. 167ff
[8] Om een beeld van de verschillende versmaten te krijgen, hielp mij vooral ‘Die Wiedergeburt aus dem Geiste der Eurythmie, van Hedwig Greiner-Vogel
[9]Heinz Müller, blz. 22
[10] Vaak zeggen de leerlingen hun spreuk op de dag waarop ze geboren zijn. Bij zo’n indeling – die zeker een diepe betekenis heeft. zie Heinz Müller, blz. 17 – zouden er in mijn klas op sommige dagen weinig, op andere dagen veel kinderen aan de beurt zijn geweest; op die dagen zou een samen spreken en luisteren en werken aan de spreuken veel moeilijker zijn geworden.

.

Getuigschriften: alle artikelen

.

1773

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.