Categorie archief: menskunde en pedagogie

VRIJESCHOOL – Gezondheid en ziekte

.

onverklaarbaar?

Er komt een patiënt met symptomen die je niet kunt thuisbrengen of bij wie de testen geen afwijkingen laten zien, maar toch heb je het gevoel dat er iets mis is. Maar wat? Is het iets lichamelijks dat nader onderzoek vraagt of worden de symptomen alleen maar beleefd door de patiënt, zonder lichamelijke oorzaak? Wanneer ook nader onderzoek, bij een specialist bijvoorbeeld, niets aan het licht brengt, was tot voor kort de conclusie: ‘Er is niks aan de hand. U moet ermee leren leven’. Niet ziek dus, maar gezond. Inmiddels heeft deze situatie de naam SOLK gekregen, somatisch onverklaarbare lichamelijk klachten. En kan daardoor, nu er een naam voor is, als toestand serieus worden genomen. Er zijn zelfs speciale ’SOLK-poliklinieken’ opgericht.

Het bestaan van lichamelijke klachten die niet lichamelijk zijn werpt een interessante vraag op: wanneer is iets eigenlijk een ziekte? En wanneer ben je gezond? Er kan iets in het lichaam niet in orde zijn zonder dat je er iets van merkt. Dan zul je niet zeggen dat je ziek bent. Zelfs als het gaat om een zich ontwikkelende kwaadaardige tumor. Pas wanneer deze, al of niet toevallig, wordt ontdekt, verschijnt die dreigend in het bewustzijn en zul je jezelf als ziek definiëren. En anders doe je dat pas wanneer je er wel iets van merkt. Je bent dus pas ziek wanneer een ziekte als gevoel of kennis in je bewustzijn terecht komt. Zoals je alleen honger hebt wanneer je honger voelt. Dus of een klacht nu lichamelijk verklaard of onverklaard is, maakt in principe niets uit voor de last die je ervan hebt. Ziek ben je wanneer je jezelf beleeft als ziek. Er zijn mensen met lichamelijke handicaps die zichzelf absoluut niet als ziek ervaren en er zijn mensen bij wie geen lichamelijke afwijkingen kunnen worden gevonden die zich wel ziek voelen. Zijn de laatsten nu ‘eigenlijk niet ziek’? Wanneer je ziek definieert als ‘bewustzijn van ziekte’, zijn ze dat wel degelijk en verdienen ze terecht de aandacht van de medische wereld. Een inzicht dat nu schoorvoetend doordringt.
Maar is dat ziektegevoel wel een statisch gegeven? Of het idee dat je gezond bent? Iedereen kan bij zichzelf nagaan dat dat lang niet altijd het geval is. Gehandicapt voel je je alleen wanneer je iets wilt waarbij je handicap in de weg staat. En veel ziekten ‘gaan vanzelf over’. Oftewel die overwin je op eigen kracht. En dat gezondmakende gevecht geeft juist een ziektegevoel, bijvoorbeeld in de vorm van koorts. Dat laatste is dus eigenlijk juist een bewijs van gezondheid. Sinds 1948 heeft de WHO een definitie van gezondheid die als volgt luidt: ‘een toestand van compleet welbevinden op fysiek, mentaal en sociaal niveau, en niet alleen de afwezigheid van ziekte en gebrek’. Een statisch ideaalbeeld dat voor de wereldbevolking nagestreefd zou moeten worden. Maar onhaalbaar en vooral, gezien het bovenstaande, onrealistisch. Het werd tijd dat er een andere definitie kwam en dat is nu gebeurd. Machteld Huber, huisarts en onderzoekster bij het Louis Bolk Instituut, is onlangs gepromoveerd tot doctor in de geneeskunde op een nieuwe dynamische definitie van gezondheid als: ‘het vermogen zich aan te passen en een eigen regie te voeren, in het licht van de lichamelijke, emotionele en sociale uitdagingen van het leven’. En dat is een definitie die hoop geeft dat een toestand die als ziekte wordt beleefd niet onoverkomelijk hoeft te zijn.
.

Arie Bos, gepensioneerd antroposofisch huisarts in Stroom, winter 2015

.

menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1318-1231

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-2-1)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE – GA 293

GA= Gesamt Ausgabe, (volledige uitgave): de genummerde reeks boeken en voordrachten van Steiner.

Duitse tekst       Vertaling
.

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat. Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3].

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik bij alle voordrachten een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken. De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Blz. 17

Steiner spreekt hier over ‘de geestelijke wereld’, over de hiërarchieën. Hij noemt inde ongedrukte passage’ de wezens van de zgn. 3e hiërarchie: de engelen, de aartsengelen en de geesten van de persoonlijkheid; resp. in het Latijn: angeloi, archangeloi en archai.
In dit artikel over Michaël geeft de schrijver aan hoe je als lezer – en in dit geval als vrijeschoolleerkracht die net met de vrijeschoolachtergronden heeft kennis gemaakt – een bepaalde verhouding kunt vinden tot dit gebied van bovenzintuiglijke mededelingen.
In vele (niet-pedagogische) voordrachten schetst Rudolf Steiner vanuit verschillende gezichtspunten deze bovenzintuiglijke, hiërarchische wereld(en).

Voor mij was het nauwelijks mogelijk om me daarmee intensief te verbinden. Simpelweg door het vele schoolwerk en ik vond de bestudering van de pedagogische voordrachten belangrijker en voor mij noodzakelijker. In de loop van de tijd, nadat ik in 1970 met het vrijeschoolwerk was begonnen, kreeg ik wel een veel breder perspectief van de wereld te zien dan daarvoor, door o.a. artikelen te lezen en voordrachten te bezoeken.
Het gaat bij antroposofie toch vaak om ‘het verruimen van de gezichtspunten’, om de grenzen van het denken allereerst te zien als jouw begrenzing.

Waarom zouden de 4 rijken: het minerale, het planten-, het dieren- en het mensenrijk, als rijtje naast of onder elkaar opgeschreven, links en rechts of boven en onder niet nog verder kunnen gaan; aan de ene kant de wereld van het elementaire en aan de andere kant de engel als hoger mens, maar dan in het rijk van de hiërarchieën. De mens als ‘tiende hiërarchie’, met nog negen andere boven hem en een aantal rijken onder hem.
Ontegenzeggelijk is het zo dat de mens door zijn daden en zijn wandaden, door zijn verantwoordelijkheid of juist onverantwoordelijkheid invloed op de overige natuurrijken uitoefent. In een bepaald opzicht maakt hij het mogelijk of onmogelijk dat ze voortbestaan, gedijen. Zou het dan kunnen zijn dat dit ook geldt t.a.v. de hiërarchische wereld? Dat die wereld ons óók nodig heeft om te kunnen gedijen en zich te ontwikkelen? En als de natuurrijken ons veel schenken, zou de geestelijke wereld dat dan ook niet kunnen of doen?

Misschien ben je als (nieuwe) vrijeschoolleerkracht afgekomen op wat de vrijescholen over leerlingen zeggen: ‘worden wie je bent’, misschien vind je dat onderwijs méér is dan ‘een vat vullen’ met kennis; spreekt ‘hoofd, hart en handen’ je aan in je onderwijzersziel.
De vraag ‘wie ben jij’ vraagt uiteindelijk toch naar de diepste wezenskern van een mens en dat is voor de vrijeschoolpedagogie het Ik en dit is meer dan materie, erfelijkheid, resultaat van de omgeving of van het brein. Het behoort niet tot de stoffelijke wereld – daarin manifesteert het zich – maar is een geestelijke realiteit.

Als je dit onzin vindt, moet je volgens mij niet aan een vrijeschoolleraarschap beginnen. Dat is niet hetzelfde als ‘je moet dit dus geloven’. Het vraagt wel een oprecht openstaan voor deze wellicht totaal nieuwe wereld, deze totaal andere gezichtspunten die je tot nog toe volkomen onbekend waren.

Kortom: de wil om ervoor open te staan.

Zo verging het mij: aanhoren, in je opnemen, onderzoeken, kijken waar in de wereld er iets zichtbaar van wordt, enz. Niet klakkeloos aannemen, niet een automatisch nazeggen, omdat ‘Steiner het gezegd heeft’, maar zeker ook niet een bij voorbaat afwijzen; wel ervoor openstaan, met geduld ermee bezig zijn; er niet meer over zeggen, dan je verantwoorden kan; vertrouwen hebben, dat áls het een realiteit is, deze je eens wat te zeggen zal hebben.

Uiteindelijk betekent dit toch weer Steiner erop nalezen en overdenken.
In een van zijn vroegste beschouwingen over de pedagogie vind je bv. dit – dat het hier over gymnastiek gaat is niet zo wezenlijkover ‘resultaten van de geesteswetenschap‘:

.

Daß Turnen und Leibesübungen in dieser Richtung gepflegt werden können, dazu gehört dasjenige bei dem Erzieher, was ihm nur die Geisteswissenschaft und vor allem eine geistes-wissenschaftliche Gesinnung geben kann. Man braucht dazu nicht etwa gleich das Hineinschauen in die geistigen Welten, sondern nur den Sinn dafür, im Leben das anzuwenden, was sich aus der Geisteswissenschaft ergibt. Wenn insbesondere in solchen praktischen Gebieten, wie bei der Erziehung, die geisteswissenschaftlichen Erkenntnisse angewendet würden, dann würde bald auch das völlig unnütze Reden darüber aufhören, daß diese Erkenntnisse doch erst bewiesen werden müssen. Wer sie richtig anwendet, dem werden sie sich im Leben dadurch beweisen, daß sie dieses gesund und stark machen. Er wird gerade dadurch, daß sie sich in der Praxis bewähren, ­ersehen, daß sie wahr sind, und dadurch muß er sie besser­ bewiesen finden, als durch alle «logischen» und sogenannten «­wis­senschaftlichen Gründe». Die geistigen Wahrheiten erkennt man am besten an ihren Früchten, nicht durch einen angeblich noch so wissenschaftlichen Beweis, der doch kaum viel anderes sein kann, als ein logisches Geplänkel.

Een dergelijke gymnastiek, zulke lichamelijke oefeningen kunnen alleen maar beoefend worden, wanneer de opvoeder put uit datgene, wat slechts de geesteswetenschap en vooral een geesteswetenschappelijke gezindheid hem schenken kunnen. Daarvoor hoeft men nog niet dadelijk bovenzinnelijke waarnemingen te kunnen doen, maar men moet wel de innerlijke houding hebben om in het leven slechts dat toe te passen, wat uit de geesteswetenschap voortvloeit. Wanneer de geesteswetenschappelijke inzichten toegepast zouden worden vooral juist op zulke praktische gebieden als de opvoeding, dan zou spoedig het volkomen nutteloze gepraat ophouden over de noodzakelijkheid, dat deze inzichten eerst bewezen moeten worden. Wie ze op de juiste manier toepast, zal in zijn leven zelf deze bewijzen vinden en wel daardoor, dat ze dit leven gezond en sterk maken. Doordat de inzichten van de geesteswetenschap in de praktijk deugdelijk blijken, zal men beseffen, dat ze waar zijn en dit bewijs uit ervaring is overtuigender dan alle ‘logische’ en zogenaamd ‘wetenschappelijke argumenten’. De geestelijke waarheden kent men het beste aan de vruchten, die zij dragen, niet door bewijzen, want al zijn deze nog zo wetenschappelijk, ze kunnen toch nauwelijks veel meer zijn dan een steekspel op het terrein van de logica.
GA 34/341
Vertaald*/59
*Vertaling: De opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie’ 1980. Er is een nieuwere uitgave: ‘De opvoeding van het kind

Het noemen van de hiërarchieën is niet nieuw en zeker niet door Steiner ‘bedacht’. Al in de 1e eeuw na Christus stelde Dionysius de Areopagiet [4] een indeling op van de geestelijke wezens:

Drie-eenheid        Vader – Zoon (Logos) – Heilige Geest

1.Hiërarchie
Geesten van de liefde (Seraphim)
Geesten van de harmonie (Cherubim)
Geister van de wil (Thronen)

2.Hiërarchie
Geesten van de wijsheid (Kyriotetes)
Geesten van de beweging (Dynameis)
Geesten van de vorm (Exusiai)

3. Hiërarchie
Geesten van de persoonlijkheid (Archai)
Aartsengelen (Archangeloi)
Engelen (Angeloi)

Steiner gebruikt de naamgeving van Dionysius, maar beschrijft het wezen en de werking van de hiërarchische wezens op vele plaatsen in zijn voordrachten soms zeer gedetailleerd, vanuit zijn eigen bovenzintuiglijke waarnemingen.

GA 193 blz. 110

«So wie wir nach unten angegliedert sind an die drei Reiche, an das Tierreich, Pflanzenreich und Mineralreich, so sind wir nach oben angegliedert an die drei Reiche der Angeloi, Archangeloi und Archai. Und erst dann sagen wir nicht eine halbe, sondern eine volle Wahrheit, wenn wir nicht nur sagen, wir blicken nach unten auf das Tierreich, Pflanzenreich und Mineralreich, sondern wenn wir auch nach oben hinblicken können auf das Reich der Angeloi, der Archangeloi und der Archai. So wie unser physischer Leib ein gewisses Verhältnis hat zu dem Tierreich, Pflanzenreich und dem Mineralreich, so auch unser Geistig-Seelisches zu dem, was die drei Hierarchien über uns ausmacht. Aber gerade in unserer Zeit ist es so, dass, während wir auf der einen Seite das Verhältnis zu den drei Rei-Aber gerade in unserer Zeit ist es so, dass, während wir auf der einen Seite das Verhältnis zu den drei Reichen der Natur sehr ändern, wir auch das Verhältnis zu den drei Reichen der Hierarchien, die über dem Menschen stehen, ändern. Auf diese ernste Angelegenheit der Menschheits­entwickelung möchte ich Sie heute hinweisen ( ).

Zoals we naar beneden bij de drie rijken horen, bij het dierenrijk, plantenrijk en mineraalrijk, zo horen we naar boven bij de drie rijken van de engelen, aartsengelen en geesten van de persoonlijkheid (Archai). Pas dan zeggen we geen halve, maar een hele waarheid, wanneer we niet alleen maar zeggen dat we naar beneden kijken, naar het dieren-, planten- en mineraalrijk, maar wanneer we ook naar boven kunnen kijken naar het rijk van de Angeloi, Archangeloi  en Archai. Zoals ons fysieke lichaam een bepaalde verhouding heeft tot het dieren-, planten- en het mineraalrijk, zo heeft ons geest-zielenwezen tot de hiërarchieën boven ons zijn verhouding. Maar met name in onze tijd is het zo, dat terwijl onze houding tot de drie rijken van de natuur erg verandert, wij ook onze houding tot de drie rijken van de hiërarchieën die boven de mens staan, veranderen. Op dit ernstige feit in de ontwikkeling van de mensheid, zou ik u vandaag willen wijzen.

Wenn wir auf das zurückblicken, was sich in der Menschheits- entwickelung in den früheren Zeiträumen zugetragen hat, die gewisser- maßen mit der Mitte des 15. Jahrhunderts ihren Abschluss finden, so müssen wir sagen, wenn wir von den höheren [Stufen der] Hierarchien noch absehen: Die Wesen der Angeloi, der Archangeloi und der Archai haben sich immer mit dem Menschen beschäftigt … Aber die Beschäfti- gung der Wesen dieser drei Hierarchien mit dem Menschen hat in gewis- ser Beziehung einen Abschluss gefunden in unserem Zeitalter. Unter den mannigfaltigen Tätigkeiten, denen die Wesen dieser drei Hierarchien ob- gelegen haben, ist diese: mitzuarbeiten an dem Bilde, das dem physischen Erdenmenschen, der physischen Organisation des Erdenmenschen zu- grunde liegt.

Wanneer we terugkijken naar de gebeurtenissen die plaatsvonden in de eerdere ontwikkelingsfasen van de mensheid die in het midden van de 15e eeuw een einde nemen, dan moeten we, wanneer we de hogere hiërarchieën nog buiten beschouwing laten: de engelen, aartsengelen en de Archai hebben zich steeds aan de mens gewijd. (  ) Maar de toewijding van de wezens van deze drie hiërarchieën met de mens is in zekere zin in onze tijd tot een einde gekomen. Onder de vele activiteiten die deze wezens van deze drie hiërarchieën zich tot hun plicht rekenden is deze: meewerken aan het beeld dat aan de fysieke aardemens, aan de fysieke organisatie van de aardemens ten grondslag ligt.

Blz. 111

Wir treten durch die Geburt in unser physisches Dasein, wachsen heran in diesem physischen Dasein: das Bild der Menschheit prägt sich in uns aus. Dieses Bild war in uralten Zeiten der Menschheits- entwickelung ganz anders. Es hat manchen Wandel durchgemacht… Das Bild der Menschheit hat sich geändert, und an diesem Bilde zu arbeiten, oblag den Wesenheiten dieser drei höheren Hierarchien … Aber nun liegt das Eigentümliche vor, und eine wirkliche geistige Beob- achtung der Menschheitsentwickelung zeigt dies: Mit der eigentlichen Ausbildung dieses Menschheitsbildes sind die Wesenheiten dieser drei Hierarchien in unserem Zeitalter im Wesentlichen fertig. Dieses Mensch- heitsbild, insofern es der physischen Organisation des Menschen zugrun- de liegt, ist eigentlich abgeschlossen … Und wir leben in dem Zeitalter, in dem diese Wesenheiten der drei höheren Hierarchien sich sagen: Wir ha- ben gearbeitet an dem Menschheitsbilde, aber wir sind fertig geworden. Wir haben den Menschen hineingestellt in diese Erdenwelt als physischen Menschen, und wir sind nun fertig! … Wer im geistigen Schauen diese Tatsache überblickt, der empfindet na- mentlich erschütternd die Tatsache, dass das Interesse der Wesenheiten dieser drei höheren Hierarchien in diesem Zeitalter nicht nur abgenom- men hat, sondern geschwunden ist.»

Door de geboorte komen we in ons fysieke bestaan, hierin groeien we: het beeld van de mensheid drukt zich in ons uit. Dit beeld van de mens was in oeroude tijden van de mensheidsontwikkeling heel anders. Het is vaak veranderd. (  ). Het beeld van de mens is veranderd en aan dit beeld te werken was de plicht van deze drie hogere hiërarchieën. (  ) Maar nu doet zich het merkwaardige voor en een werkelijke geestelijke waarneming van de mensheidsontwikkeling laat dit zien: met de eigenlijke vorming van dit mensbeeld zijn de wezens van deze drie hiërarchieën in onze tijd a.h.w. klaar. Dit mensbeeld, in zoverre het ten grondslag ligt aan de fysieke organisatie van de mens, is eigenlijk afgesloten. (  ) En we leven in de tijd waarin deze wezens van de drie hogere hiërachieën zeggen: ‘We hebben aan het mensbeeld gewerkt, maar we zijn klaar. We hebben de mens op deze wereld zijn plaats kunnen geven als fysieke mens, en nu zijn we klaar ( ) Wie geestelijk schouwend dit overziet, ervaart het als een schok dat de interesse van deze drie hogere hiërarchieën in de vorming van het fysieke mensheidsbeeld in deze tijd niet alleen maar minder is geworden, maar weg is.
GA 193/110-111
Niet vertaald

Dat betekent dat er in onze tijd zich een basale verandering zou voltrekken! De menselijke lichamelijkheid is rijp geworden voor de aarde, de vorm van het lichaam bijna vervolmaakt, in het bijzonder de hersenorganisatie, zodat de daaraan werkende hiërarchische wezens hun interesse aan het werk of de mens waaraan ze tot dan toe werkten, verloren hebben – tenzij dat ‘wij zelf aan onze ziel en geest werken.’ Dat is de voorwaarde waarbij de interesse van de hogere wezens blijft. [5]

GA 193

 «Und was wir seelisch-geistig arbeiten, was wir durch geistes-wissenschaftliche Forschung aus der geistigen Welt heraus offenbaren, das wird in unserer Menschenseele etwas werden, was die Wesenheiten der drei höheren Hierarchien wieder interessieren wird. Sie werden in den Gedanken und Empfindungen sein, die wir aus der geistigen Welt heraus- holen. Dadurch werden wir wieder die Beziehungen zu den Wesen dieser Hierarchien anknüpfen … Der Mensch muss an seinem Seeleninhalt an- fangen zu arbeiten, damit er wieder den Weg zurückfindet zu den drei höheren Hierarchien.»

En onze activiteit wat geest en ziel betreft, wat wij door geesteswetenschappelijk onderzoek uit de geestelijke wereld zichtbaar kunnen maken, zal in onze ziel tot iets worden waarin de wezens van de drie hogere hiërarchieën weer geïnteresseerd zullen zijn. Zij zullen bij de gedachten en gevoelens zijn die wij uit de geestelijke wereld verkrijgen. Daardoor worden we weer verbonden met de wezens van deze hiërarchieën. (  ) De mens moet beginnen met aan zijn ziel te werken om de weg weer terug te vinden tot de drie hogere hiërarchieën.
GA 193/113
Niet vertaald [6]

Met dit als achtergrond kun je je nu afvragen waar je als mens staat in een wereld waarin de geestelijke wereld ‘werkt’ en hoe je met deze wereld verbonden bent. Kun je een antwoord vinden op de vraag wat de wezens die deel hebben aan de scheppende Logos van de mens willen, het wezen dat sinds de ‘zondeval’ van deze wezens werd afgezonderd en intussen tot vrijheid is gekomen. Het kan nooit meer gaan om een stilzwijgende en onbewuste ‘leiding’ van de mens door de geestelijke machten. 

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

[4] Dionysius de Areopagiet; tevens
[5] E.e.a uit Leber
[6] Het lezen van de hele voordracht geeft je nog meer inzicht in het thema dat hier maar summier is weergegeven.

.

Algemene menskunde: over de geestelijke wereld [1-2]

Algemene menskunde: voordracht 1alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

1306-1219

.

*

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 301 voordracht 4

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

GA 301: vertaling
inhoudsopgave;     voordracht:   [1]  [2]  [3]  [5]  [6]  [7]  [8]  [9]  [10]  [11]  [12]  [13]  [14]
[vragenbeantwoording bij 4e vdr.]

RUDOLF STEINER:

DE VERNIEUWING VAN DE PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE KUNST DOOR GEESTESWETENSCHAP

14 voordrachten gehouden te Bazel van 20 april tot en met 11 mei 1920, met vragenbeantwoording en inleidende woorden bij twee euritmieopvoeringen [1]

4e voordracht Basel, 23 april 1920 [2]

Inhoudsopgave:
De opvoeder als vormer van de toekomstige inhoud van de menselijke ziel:
abstracte voorstellingen bewerken tussen de mensen scheiding;
intellectuele vorming ‘gefilterde’ geest;
geesteswetenschap belangrijker door de manier van optreden, dan door de inhoud; innerlijke passiviteit van de moderne mens;
geheugenweten en actief verstand;
biogenetische grondwet (Haeckel);
oorsprong van het geslacht mens en de sindsdien gevolgde ontwikkelingsveranderingen;
omvorming van fysieke in zielenkrachten:
wat vroeger de natuur gaf, moet nu in innerlijke activieit bereikt worden;
de inhoud van de menselijke ziel is in de hand gelegd van hen die de jeugd vormen.

Der Erzieher als Bildner des zukünftigen menschlichen Seeleninhalts

blz. 60

Ich habe bisher versucht, Ihnen zu zeigen, wie man von der äußeren Seite her an den Menschen herankommen kann. Heute möchte ich mich unserer Aufgabe von der anderen Seite her nähern, von der Seite, die ich nennen möchte: die Seite des inneren Erlebens desjenigen, was ich an den drei vorhergehenden Tagen versucht habe zu erörtern. Es könnte scheinen, als ob die Anschauung vom Menschen, wie ich sie versucht habe darzulegen, zunächst nicht dazu führen würde, im Prak­tischen der pädagogischen Kunst eine Grundlage zu liefern. Allein, es wird sich hier gerade darum handeln, sich zuerst dem Wesen des Men­schen von den zwei verschiedenen Seiten her, von der äußeren, wie wir es bisher getan haben, und der inneren Seite zu nähern, und daraus dann erst wirkliche Anhaltspunkte und nicht bloß Gesichtspunkte für die pädagogische Kunst zu gewinnen.

de opvoeder als iemand die de ziel van de toekomstige mens vormt

Ik heb tot nog toe geprobeerd, u te laten zien, hoe je van buitenaf de mens kan benaderen. Vandaag zou ik onze opgave van de andere kant willen benaderen, van de kant die ik zou willen noemen: de kant van de innerlijke beleving van wat ik de drie voorafgaande dagen geprobeerd heb te verduidelijken. Het zou kunnen lijken alsof de beschouwing over de mens, zoals ik geprobeerd heb die te geven, er vooralsnog niet toe zou leiden voor de pedagogische kunst in de praktijk een basis te leggen. Maar het gaat er hier juist om eerst het wezen van de mens vanuit de twee verschillende kanten te benaderen, vanuit de uiterlijke, zoals we tot nog toe hebben gedaan en vanuit de innerlijke om dan daaruit pas echte aanknopingspunten en niet alleen maar gezichtspunten voor de pedagogische kunst te krijgen.

Da möchte ich Sie zunächst darauf hinweisen, daß nach und nach durch die Betrachtungsweise, die hier als Zukunft der Naturwissen­schaft gewissermaßen geltend gemacht worden ist, der Mensch von außen her durchsichtig wird. Man kommt gewissermaßen durch die Betrachtung des Menschen dahin, aus der Tätigkeit der Organe, aus dem ganzen Wesen heraus dasjenige zu entdecken, was dann innerlich im Menschen erlebt wird, erlebt wird zunächst als Vorstellen, erlebt wird als Fühlen, erlebt wird als Wollen. Bei allem, was gegenwärtige Weltanschauung ist, hat man es auf der einen Seite zu tun mit einem undurchdringlichen’ dunklen Menschenwesen, das man nicht durch­schaut, das wie undurchsichtig vor einem steht; und auf der anderen Seite hat man es zu tun mit mehr oder weniger abstrakten inneren Er­lebnissen von Denken, Fühlen und Wollen, deren konkrete Auslegung man durchaus nicht innerlich wahrnimmt, innerlich empfindet. Wir haben gesehen, daß der Mensch ein dreigliedriges Wesen ist. Sehen wir ihn jetzt nach den drei Aspekten Denken, Fühlen und Wollen innerlich

Dan zou ik er u allereerst op willen wijzen, dat geleidelijk door de manier van bekijken die hier voor de toekomst van de natuurwetenschap in zekere zin aangegeven is, de mens van buitenaf zichtbaarder wordt. Je komt in zekere zin door de beschouwing van de mens ertoe om uit de activiteit van de organen, uit de hele mens te ontdekken, wat die mens innerlijk beleeft, pas beleeft als voorstellen, beleeft als voelen, beleeft als willen. Bij alles wat tegenwoordig de wereldbeschouwing is, heb je aan de ene kant te maken met een ondoordringbaar, vaag mensenwezen waarin je geen inzicht krijgt, dat ondoorzichtig voor iemand staat; en aan de andere kant heb je te maken met min of meer abstracte belevingen van denken, voelen en willen waarvan je de concrete betekenis beslist innerlijk niet waarneemt, innerlijk beleeft. We hebben gezien dat de mens een drieledig wezen is. Als we innerlijk naar deze drie aspecten denken, voelen en willen kijken,

blz. 61

an – wir werden schon sehen, wie sich die beiden Betrachtungen, die äußere und die innere, zusammenschließen.
Dasjenige, was wir heute gewinnen als unseren Vorstellungsinhalt, das ist im Grunde genommen etwas sehr, sehr Abstraktes. Durch diesen Vorstellungsinhalt können wir uns als Lehrer, als Pädagogen, als Er­zieher auch dem werdenden Menschen nicht nähern. Es ist gewisser­maßen eine Scheidewand zwischen uns und dem anderen Menschen. Sie ist da im sozialen Leben und bringt uns unser soziales Unheil. Sie ist da auch in so speziellen Gebieten wie im Unterrichten, im Erziehen. Durch die naturwissenschaftlich materialistische Entwickelung, die un­ser ganzes Denken angenommen hat, und die auch in unsere Gesin­nung eingeflossen ist, ist alles dasjenige, was wir über Seele, über Geist zu sagen haben, nach und nach zur Phrase geworden; und aus der Phrase heraus kann man nicht handeln, aus der Phrase heraus kann man sich zu dem erwachsenen Menschen nicht verhalten. Man kann sich auch dem Kinde gegenüber aus der Phrase nicht verhalten. Man muß zur Realität vordringen. Diese Realität, die wird uns nicht zuteil, wenn wir nur jenes abstrakte intellektualistische Verstandesleben ha­ben, wie es durch die bisherige naturwissenschaftliche Richtung gepflegt worden 

– we zullen gauw genoeg zien hoe de beide benaderingen, de uiterlijke en de innerlijke, bij elkaar komen.
Wat we nu krijgen als onze voorstellingsinhoud is in wezen genomen iets zeer, zeer abstracts. Door deze voorstellingsinhoud kunnen wij als leraar, als pedagoog, als opvoeder ook de wordende mens niet nader komen. Er zit in zekere zin een muur tussen ons en de andere mens. Die is er in het sociale leven en brengt ons het sociale onheil. Die is er ook op dat speciale gebied van onderwijs en opvoeding.
Door de natuurwetenschappelijk materialistische ontwikkeling die deel is gaan uitmaken van heel ons denken en die ook in onze houding geslopen is, is alles wat wij over ziel, over geest te zeggen hebben, langzamerhand tot frase geworden; en vanuit de frase kun je niet handelen, uit de frase kun je je niet verhouden t.o.v. de volwassen mens. Ook t.o.v het kind kun je vanuit de frase geen verhouding vinden. Je moet doordringen tot de realteit. Deze realiteit valt ons niet ten deel, wanneer wij dat abstracte intellectualistische verstand hebben, zoals het door de natuurwetenschappelijke richting tot nog toe gewoonlijk geworden is.

Durch diese kommt man zwar zum Geist. Alles dasjenige, was wir heute in unserer intellektualistischen Bildung als Verstandes-inhalt haben, ist Geist, aber es ist filtrierter Geist. Es ist ein solcher Geist, der gewissermaßen gar nicht aus sich heraus kann, der nicht sich innerlich als wirklicher Inhalt erlebt, der daher – ich möchte sagen, wenn ich mich vergleichsweise ausdrücken darf – brutaler bleibt. Die­ser Geist beherrscht unser Leben, dieser Geist, der in nichts eigentlich eindringt, dieser Geist, der in der Kunst die materielle äußere Form ausprägt, statt sie herauszuholen aus dem Material selbst, dieser Geist, der in bezug auf die sozialen Gestaltungen der Menschengemeinschaft äußerlich soziale Zusammenhänge aufdrängen möchte, statt sie aus dem unmittelbaren, lebendigen Menschen selbst herauszuholen. Da be­kommt man eine ganz andere Stellung zum Geiste, wenn man sich an dasjenige hält, was Geisteswissenschaft geben kann. Denn sehen Sie, Geisteswissenschaft, sie ist viel wichtiger durch die Art, wie sie auftritt, als durch ihren Inhalt. Wenn Sie sich an das halten, was heutiges Wis­sen ist, so werden Sie finden, daß es gewissermaßen das wiedergibt, was schon da ist. Wir sind jä dadurch zum Naturalismus gekommen, der in der Kunst nur die Außenwelt abbildet, weil wir keine Erkenntnisse

Hierdoor kom je weliswaar tot de geest. Alles wat we tegenwoordig in onze intellectualistische vorming inhoudelijk als verstand hebben, is geest, maar is gefilterde geest. Het is zo’n geest die in zekere zin zich helemaal niet kan manifesteren, die zichzelf innerlijk niet als echte inhoud beleeft, die vandaar – wanneer ik een vergelijking mag gebruiken – gevoellozer blijft. Deze geest beheerst ons leven, deze geest die eigenlijk in niets doordringt, deze geest die in de kunst de stoffelijke uiterlijke vorm uitdrukt in plaats van dat ze die uit het materiaal zelf tevoorschijn haalt, deze geest die met betrekking tot de sociale instellingen van de mensengemeenschap uiterlijke sociale samenhangen zou willen opdringen in plaats van deze direct uit de levende mens zelf te halen. Dan krijg je een heel andere opstelling tot de geest, wanneer je je houdt aan wat de geesteswetenschap kan geven. Want, ziet u, geesteswetenschap is veel belangrijker door de manier waarop ze zich manifesteert dan door haar inhoud. Wanneer u zich houdt aan wat de huidige wetenschap is, zal u merken dat die iets opnieuw geeft, wat er al is. Daarom zijn we tot het naturalisme gekomen dat in de kunst alleen de buitenwereld afbeeldt, omdat wij geen kennis

blz. 62

haben, die über diese Außenwelt zu einem selbständigen Inhalt kommen. Wir bewegen uns nur in dem Abklatsch der Außenwelt. Wir werden nicht darauf aufmerksam, wie aus den Quellen des Menschen hemaufspmießen kann lebendigem Inhalt, denn diesem lebendige Inhalt kann dann nicht von etwas anderem kommen als vom Geiste selbst.
Nehmen Sie nun den ganzen Gegensatz zwischen dem, was Inhalt dem Geisteswissenschaft ist und was Inhalt dem gewöhnlichen Natur­wissenschaft ist. Diese Geisteswissenschaft wird von vielen Menschen der Gegenwart, wenn sie so hören, was sie zu sagen hat, zunächst ge­nommen wie etwas, ich möchte mich radikal ausdrücken, wie etwas Närrisches, ganz Phantastisches. Warum denn? Weil man nicht ge­wohnt ist, über die Welt so sprechen zu hören, wie Geisteswissenschaft spricht. Man ist gewohnt, über die Welt so sprechen zu hören, daß man vergleichen kann das Besprochene mit dem, was man draußen sieht, mit dem, was die Augen wahrnehmen, was sonst wahrgenommen wird. Geisteswissenschaft bringt Dinge, für die man nicht irgend etwas in dem Außenwelt zunächst finden kann, für die man nicht etwas finden kann dadurch, daß man bloß mit den Sinnen beobachtet, sondern für die man nur etwas dadurch erwirken kann, daß man aus dem eigenen Geiste schafft.

hebben die over deze buitenwwereld tot een zelfstandige inhoudt komt. We bewegen ons slechts in een waardeloos nadoen van de buitenwereld. We merken niet hoe vanuit de bron van de mens zelf een levendige inhoud op kan borrelen, want deze levendige inhoud kan dan niet van iets anders vandaan komen dan van de geest zelf.
Neem nu eens de totale tegenstelling tussen wat de inhoud van de geesteswetenschap is en die van de gewone natuurwetenschap. Deze geesteswetenschap wordt door veel mensen van nu, wanneer ze zoal horen wat deze heeft te zeggen, in het begin – ik wil me een beetje radicaal uitdrukken – als iets idioots, volledig fantasterij. Waarom dan wel? Omdat men er niet aan gewend is, zo over de wereld te horen spreken, zoals de geesteswetenschap spreekt. Men is eraan gewend zo over de wereld te horen spreken, dat men kan vergelijken wat besproken is, met wat men buiten ziet, met de ogen kan waarnemen, wat bij andere gelegenheden waargenomen kan worden. Geesteswetenschap brengt dingen die je niet direct ergens in de buitenwereld kan vinden, die je niet kan vinden door alleen maar met de zintuigen waar te nemen, maar waarbij je moeite moet doen om uit je eigen geest te scheppen.

Man schafft ja allerdings aus dem tieferen Inhalte dem Welt heraus, aber man muß eben produktiv aus dem Geiste heraus schaffen. Auf dieses kommt es an, auf dieses produktive aus dem Geiste heraus Schaffen. Man wartet nicht, wenn man Geisteswissenschaft, wenn ich so sagen darf, studiert, bis einem entgegenkommt von außen ein Baum, ein Tier, das man im Begriff abbildet; man muß den Begriff in seiner inneren Lebendigkeit erzeugen. Wir werden gleich nachher Beispiele sehen, wie man gerade aus dem Geisteswissenschaft heraus Begriffe inner­lich erzeugen muß, wie sie dadurch ein lebendigem Inhalt werden im Menschen. So daß man sagen kann: unser intellektualistischem Verstand ist allmählich leer geworden. Geisteswissenschaft gibt diesem intellek­tualistischen Verstand etwas, wodurch er aus sich selbst heraus seine Leerheit erfüllen kann.
Wenn Sie heute zum Beispiel so etwas nehmen wie meine »Geheim-wissenschaft«, und Sie diese »Geheimwissenschaft« lesen wie irgendein anderes Buch, das heute von dem Welt handelt, so werden Sie nicht zu­rechtkommen; denn man ist ja selbst bei künstlerischen Werken heute dazu gedrängt, daß man sagt: Ja, da wird etwas dargestellt, wo findet man so etwas in der Welt? Vom Drama, vom Roman selbst, also von

Men is zeer zeker wel scheppend bezig vanuit de diepere inhoud van de wereld, maar je moet dus productief vanuit de geest scheppend bezig zijn. Daar komt het op aan: op dit productieve scheppend bezig zijn vanuit de geest. Men wacht niet, wanneer men geesteswetenschap, als ik het zo zeggen mag, studeert tot iemand van buitenaf een boom, een dier tegenkomt dat men in een begrip verbeeldt; je moet het begrip in wat innerlijk levendig in je is, oproepen. We zullen meteen hierna voorbeelden zien, hoe je nu uit de geesteswetenschap begrippen innerlijk moet oproepen, hoe die daardoor een levende inhoud worden in de mens. Zodat je kan zeggen: ons intellectualisitsche verstand is langzmerhand leeg geraakt. Geesteswetenschap geeft dit intellectualistische verstand iets waardoor het uit zichzelf die leegte vullen kan.
Wanneer u vandaag bijv. zoiets neemt als mijn ‘Wetenschap van de geheimen der ziel’* en u leest dit als een of ander boek dat het vandaag de dag over de wereld heeft, dan heb je er niets aan; want tegenwoordig voelt men zich zelfs bij kunstzinnige werken ertoe gedwongen te zeggen: ja, wat daar beweerd wordt, waar vind je dat in de wereld? Van het drama, van de roman zelf, dus van de

*GA 13 Die Geheimwissenschaft im Umriss
vertaald

blz. 63

Phantasieprodukten verlangt man heute, daß sie sich ihrem Inhalte nach genau so oder etwa nahezu genau so in der Welt finden. Das können Sie bei dem, was der Inhalt der Geisteswissenschaft ist, zunächst gar nicht. Sie sind zu etwas anderem genötigt. Und deshalb findet sich so viel Gegnerschaft gegen die Geisteswissenschaft, weil man zu etwas ganz anderem genötigt ist, als dem gewöhnlichen wissenschaftlichen oder künstlerischen Produkte der Gegenwart gegenüber. Man ist genötigt, jeden Schmitt, dem gewissermaßen als von dem Verfasser eines solchen geisteswissenschaftlichen Buches getan, nachgezeichnet wird, in innerem Aktivität mitzumachen. Man hat nichts von dem Lektüre eines solchen Buches, wenn man nicht seinen Inhalt sofort nach der Anleitung dieses Buches aus sich selber heraus produziert. Gerade dadurch stellt sich Geisteswissenschaft heute in dem hembsten Weise gegen die Zeitbildung. Die Leute laufen heute am liebsten auch in solche Vorträge, in denen ihnen mit Lichtbildern oder auf eine ähnliche Weise vor die Sinne das­jenige gestellt wird, was sie eigentlich aufnehmen sollen. Oder die Leute laufen heute ins Kino, weil sie da etwas sehen können; sie geben nicht viel darauf, daß da auch ein paar Worte zur Erklärung stehen. Das heißt: man will passiver Mensch bleiben, will ein Mensch bleiben, dem nur schaut, der nur hinsieht.

fantasieproducten verlangt men tegenwoordig dat de inhoud ervan precies zo of ongeveer zo in de wereld te vinden is. Dat kun je bij het inhoudelijke van de geesteswetenschap aanvankelijk helemaal niet. Dan moet je anders te werk gaan. En daarom zijn er zoveel tegenstanders van de geesteswetenschap, omdat je gedwongen wordt heel anders te werk te gaan dan de huidige wetenschappen of anders moet staan ten opzichte van de huidige kunstzinnige producten. Je moet zogezegd iedere stap die door de schrijver van zo ’n geesteswetenschappelijk boek gezet is, ook zetten en die innerlijk mee voltrekken. Je hebt niets aan zo’n boek, wanneer je de inhoud niet meteen volgens de aanwijzingen vanuit jezelf laat komen. Juist daardoor stelt de geesteswetenschap zich tegenwoordig op de meest scherpe manier op tegenover de huidige ontwikkeling. De mensen lopen vandaag het liefst bij een voordracht binnen waar hun zintuigen met dia’s of iets dergelijks iets voorgeschoteld krijgen wat ze in feite moeten opnemen. Of de mensen lopen de bioscoop binnen, omdat ze daar iets kunnen zien; ze letten er niet zo op dat er ook nog een paar woorden ter verklaring staan. Dat betekent: men wil een passief mens blijven, wil een mens blijven die alleen maar kijkt, toekijkt.

Wenn man in dieser Weise die Ge­wohnheiten der heutigen Zeit auf sich wirken läßt, so hat man von einem geisteswissenschaftlichen Buch oder Vortrag gar nichts. Da ent­hält er eigentlich gar nichts, dem geisteswissenschaftliche Vortrag oder das geisteswissenschaftliche Buch. Alles hängt davon ab, daß man in­nerlich dasjenige erarbeitet, was, ich möchte sagen, nur fadengezeich­net wird in dem Buche oder in dem Vortrage.
Es handelt sich also darum, daß der passiv gewordene Verstand un­seres intellektualistischen Zeitalters aktiv wird. Geisteswissenschaft selber ist ein innerliches Tun, insofern man sich mit einem Vorstellungs­welt beschäftigt, und unterscheidet sich dadurch radikal von dem, was man heute gewöhnt ist. Sehen Sie, auf diese innerliche Selbstemziehung kommt ungeheuer viel an. Denn dadurch wird die abstrakte Geistig­keit, die gerade dem heutigen Verstandesbildung anhaftet, durchaus überwunden. Dadurch aber wird die ganze Geistes- und Seelenver-fassung des Menschen eine andere.
Es war mir, ich möchte sagen, ergreifend, als ich gerade heute mor­gen einen Brief bekam von einer Lehrkraft unserer Stuttgarter Wal­domfschule’ die wir ja aus den hier geltend gemachten pädagogischen 

Wanneer je zo de gewoonten van deze tijd op je laat inwerken, dan heb je niets aan een geesteswetenschappelijk boek of een voordracht. Dan zit er eigenlijk niets in, in zo’n geesteswetenschappelijke voordracht of zo’n geesteswetenschappelijk boek. Alles hangt ervan af of je innerlijk verwerkt, wat er – wat ik zou willen noemen – in een boek of voordracht slechts als lijnen wordt uitgezet.
Het gaat er dus om, dat het passief geworden verstand van ons intellectualistisch tijdperk actief wordt. Geesteswetenschap zelf is een innerlijke activiteit, voor zoverre je je bezighoudt met een wereld van voorstellingen en onderscheidt zich radicaal van wat men tegenwoordig gewend is. En ziet u, op deze innerlijke zelfopvoeding komt het buitengewoon aan. Want daardoor wordt het abstract geestelijke dat juist de huidige verstandsvorming aankleeft, echt overwonnen. Daardoor echter, wordt de totale geestelijke en zielenconfiguratie van de mens anders.
Het deed me wel wat, toen ik juist vandaag een brief kreeg van een leerkracht van onze vrijeschool in Stuttgart die wij pas uit de hier concreet gemaakte pedagogische

*GA 297  Idee und Praxis in der Waldorfschule
De 1e drie voordrachten waren bekend onder de naam ‘Die Waldorfschule und ihr Geist’.
Hiervan werd de voordracht van 31 aug. 1919 vertaald in ‘Vrijheid van onderwijs en sociale driegeleding’ uitg. Nearchus.

blz. 64

Prinzipien begründet haben. Es ist Ihnen vielleicht bekannt, daß ich wochenlang vorher die Lehrerschaft dieser Waldorfschule durch einen seminaristischen Kursus vorbereitet habe; die Lehrer lesen den Kursus immer wiederum nach. In diesem Brief schrieb diese Lehrkraft: »Wenn ich immer wieder und wiederum diese pädagogischen Vorträge lese, so ist es mir, wie wenn ich in einer fremden Gegend mich befindlich plötz­lich Heimatklänge hörte.« – Es ist ein Gefühl, das ich ganz gut ver­stehen kann. Der Mensch, der innerlichste Mensch heute fühlt sich fremd in unserer intellektualistischen Welt; und überwindet er sich wirklich so weit, daß er seinen aktiven, inneren Menschen in Tätigkeit bringt, wie er es tun muß bei jeder geisteswissenschaftlichen Darstel­lung, dann hat er etwas wie menschliches Urheimatgefühl’ wie etwas von den Klängen aus der geistigen Welt heraus, aus der ja der Mensch eigentlich stammt. Und darauf kommt es an, daß man sich angewöhnt, das Geistige immerfort gegenwärtig zu haben. Worauf kam es mir zum Beispiel den Lehrern der Waldorfschule gegenüber an? Darauf kam es mir an, daß diese Lehrer abtun gewissermaßen alles dasjenige, was Normpädagogik ist, was dann so verwertet wird im Unterrichte, daß man sich erinnert, man solle dieses so, jenes so machen, die richtige pädagogische Wissenschaft sagt dies und sagt jenes und so weiter.

principes opgericht hebben. Het is u misschien bekend dat ik wekenlang van te voren de lerarengroep van deze vrijeschool door een opleidingscursus* voorbereid heb; de leraren lezen de cursus steeds weer door. In deze brief schreef deze leerkracht: ‘Wanneer ik deze pedagogische voordrachten steeds weer lees, is het alsof ik mij in een vreemde streek bevindt en plotseling iets hoor van thuis.’
Dat is een gevoel dat ik heel goed kan begrijpen. De innerlijke mens, de diep innerlijke mens voelt zich tegenwoordig een vreemde in onze intellectualistische wereld; en komt hij werkelijk zo ver dat hij zijn actieve, innerlijke mens in beweging brengt zoals hij dat moet doen bij iedere geesteswetenschappelijke beschrijving, dan krijgt hij iets van een oermenselijk gevoel van thuiszijn, alsof iets vanuit die geestelijke wereld klinkt waaruit de mens in feite stamt. En daar komt het op aan, dat je het tot een gewoonte maakt het geestelijke steeds weer paraat te hebben. Waarop kwam het mij bijv. aan bij de leerkrachten van de vrijeschool. Het ging mij erom dat de leerkrachten wat dat betreft alles achter zich laten wat normpedagogie is, die in het onderwijs gerealiseerd moet worden door er dan aan te denken dat je dit zó moet doen en dat zus; dat de ware pedagogische wetenschap dit en dat zegt enz.

*Rudolf Steiner hield vóór de oprichting van de vrijeschool in de tijd van 21 aug. tot 5 sept. 1919 in Stuttgart dagelijks drie cursussen als voorbereidng voor de leerkrachten:
GA 293 Allgemeine Menschenkunde als Grundlage der Pädagogik
vertaald                     bespreking op deze blog
GA 294 Erziehungskunst-Methodisch-Didaktisches
vertaald
GA 295 Erziehungskunst-Seminarbesprechungen
vertaald

Gei­steswissenschaft ist gewissermaßen darauf hinauslaufend, daß man in jedem Momente eigentlich vergißt den geistigen Inhalt, den man durch die Geisteswissenschaft aufgenommen hat, und ihn jederzeit wiederum neu aufnehmen und in sich erzeugen muß. Man hat nicht wirklich die Geisteswissenschaft, wenn man sie als etwas hat, woran man sich er­innert.
Nehmen Sie es mir nicht übel, wenn ich hier etwas Persönliches vor­bringe. Ich bin niemals imstande, wenn ich 30-, 40-, 50mal über das­selbe Thema rede, irgendwie den gleichen Vortrag zu halten. Ich kann dies ebensowenig, wie ich – verzeihen Sie den grotesken Vergleich -das wieder essen könnte, was ich gestern gegessen habe. Da steht man im Lebendigen drinnen. Und so steht man mit dem, was geisteswissen­schaftlicher Inhalt ist, im Lebendigen drinnen. Man hat es immer fort und fort neu zu erarbeiten. So versuchte ich auch die Lehrer der Wal­dorfschule so vorzubereiten, daß sie gewissermaßen jeden Morgen mit jungfräulicher Seele ihre Schule betreten, um vor etwas völlig Neuem zu stehen, vor lauter neuen Rätseln. Das Vergessenkönnen, das nur die andere Seite des Verarbeitetwerdens ist, das ist es, was Geisteswissenschaft

Geesteswetenschap mondt a.h.w. daarin uit dat je op ieder ogenblik de geestelijke inhoud eigenlijk vergeet die je door de geesteswetenschap opgenomen hebt en die je iedere keer weer opnieuw op moet nemen en in jezelf op moet roepen. Geesteswetenschap heb je niet echt, als je die alleen maar hebt als iets wat je je herinnert.
Neem me niet kwalijk dat ik hier iets persoonlijks zeg. Ik kan nooit, wanneer ik 30, 40 of 50 keer over hetzelfde thema spreek, op de een of andere manier dezelfde voordracht houden. Ik kan dit net zo min – excuses voor het groteske vergelijk – als opnieuw opeten wat ik gisteren gegeten heb. Dat is in het leven staan. En zo sta je met de inhoud van de geesteswetenschap in het leven. Je moet het steeds weer nieuw verwerken. Op deze manier probeerde ik ook de leerkrachten van de vrijeschool zo voor te bereiden dat ze eigenlijk iedere morgen met een frisse ziel de school binnengaan om voor iets volledig nieuws te staan, voor louter nieuwe opgaven. Kunnen vergeten, dat alleen maar de andere kant van het verwerkingsproces is, dat leert de geesteswetenschap

blz. 65

dem Menschen anerzieht, was das Ergebnis der Selbst-erziehung durch Geisteswissenschaft ist. Sie werden sagen: Ich kenne ja auch ein paar Geisteswissenschafter oder Anthroposophen, die zäh­len mir doch an den Fingern her dasjenige, was sie gelernt haben. Ja, meine sehr verehrten Anwesenden, das ist ja noch die Unvollkommen­heit der Anthroposophen. Ich habe es nicht verhindern können, daß auch solche Anthroposophen gegenwärtig hier sind, die müssen sich das also eventuell anhören. Es ist eine Unvollkommenheit, wenn man das anthroposophische Wissen als ein Gedächtniswissen hat, wenn man es nicht hat als einen Urquell des inneren Seelenerlebens, das jederzeit neu erschaffen sein will in der Seele. Das ist aber die Stimmung, in der man gerade dem Menschen gegenüberstehen soll, wenn man ihn unterrichten oder erziehen soll. Also darum handelt es sich, daß Geisteswissenschaft durch die Art, wie man sie verarbeitet, unsere Seele in eine Lebendig­keit bringt, die so verläuft, wie im Physischen der Verdauungsprozeß jeden Tag neu verläuft, so daß alles bloß Gedächtnismäßige schwindet gegenüber dem, was Geisteswissenschaft dadurch gibt, daß sie vom aktiven Verstande, nicht vom passiven Verstande ausgeht.

aan de mens, het is het resultaat van de zelfopvoeding door geesteswetenschap. Je kunt zeggen: ik ken ook een paar geesteswetenschappers of antroposofen die vertellen op hun duimpje wat ze geleerd hebben. Ja, maar zeer geachte aanwezigen, daar schieten de antroposofen nog tekort. Ik heb het niet kunnen tegenhouden dat er tegenwoordig ook zulke antroposofen hier zijn; die moeten dit eventueel dan maar aanhoren. Het is een tekort wanneer je antroposofisch weten als een weten vanuit je geheugen hebt, wanneer je dat niet hebt als een oerbron in je innerlijk, die iedere keer weer nieuw gewekt wil worden in de ziel. Dat is echter de stemming waarmee je nu juist t.o.v. de mens moet staan die je moet onderwijzen, op moet voeden. Dus het gaat erom, dat geesteswetenschap door de manier waarop je deze geestelijk je eigen maakt, je ziel energie geeft zoals dat iedere dag opnieuw in het lichaam gebeurt in het stofwisselingsproces, zodat alles wat maar gedachten vanuit het geheugen zijn, verdwijnt voor wat geesteswetenschap ervoor in de plaatst geeft doordat ze uitgaat van het actieve verstand, niet vanuit het passieve.

Das ist, was ich nennen möchte eine Befruchtung der pädagogischen Kunst schon auf dem Vorstellungsgebiete dadurch, daß man gerade Geisteswissenschaft einfließen läßt in sein ganzes Denken, in sein Vor­stellen. Man kann nun auf der einen Seite sich dem Menschen innerlich von der Vorstellungs-, von der Verstandesseite aus nähern; man kann das aber auch von der Willensseite aus tun. Ich kann das ja hier nur schildern, aber die Ideen, die ich versuchen werde zu schildern, die sind geeignet, wenn man sie nur tief genug erfaßt, Feuer in denjenigen hineinzugießen, der Menschen zu erziehen oder zu unterrichten hat. Da möchte ich auf etwas hinweisen, was zusammenhängt mit der Frage, die mir gestellt worden ist.
Es ist gefragt worden, wie sich die Entwickelung des Kindes, so wie ich sie versucht habe wenigstens zunächst zu skizzieren, wie sich diese Entwickelung des Kindes bis zum 7. Jahre, dann bis zum 14., 15. Jahre verhält zu dem, was sich etwa für die Entwickelung ergibt aus dem biogenetischen Grundgesetz Ernst Haeckels heraus.
Sie wissen ja, dieses biogenetische Grundgesetz besagt für die äußere naturwissenschaftliche Betrachtung der Welt, daß sich, wenn wir beim Menschen bleiben, in der menschlichen Embryonalentwickelung die Stammesentwickelung wiederholt, daß gewissermaßen die Ontogenie

Dat is wat ik zou willen noemen, een bevruchting van de pedagogische kunst, alleen al op het gebied van het voorstellen, door geesteswetenschap op te nemen in heel je verstand, in het voorstellen. Dan kun je enerzijds de mens innerlijk van de voorstellingskant, van de verstandskant uit benaderen; je kan het ook doen vanuit de wilskant. Ik kan dat hier alleen maar schetsen, maar de ideeën die ik wil schetsen zijn geschikt, wanneer je ze maar goed genoeg begrijpt, iemand enthousiast te maken die mensen moet opvoeden of onderwijzen. Ik wil nu op iets wijzen, wat samenhangt met een vraag die me is gesteld.
De vraag was, hoe de ontwikkeling van een kind, zoals ik die min of meer wat geprobeerd heb te schetsen, de ontwikkeling van het kind tot het 7e jaar, daarna tot het 14e, 15e jaar te vergelijken is met de ontwikkeling zoals die uit Haeckels* biogenetische grondwet volgt.
U weet dat deze biogenetische grondwet beweert voor de uiterlijke natuurwetenschappelijke opvatting van de wereld, dat wanneer we bij de mens blijven, zich in de ontwikkeling van het embryo van de mens, de ontwikkeling van de stam herhaalt, dat in zekere zin de ontogenese

* Ernst Haeckel, 1834-1919,Duits voorvechter van het Darwinismus. Boven de «bio­genetische grondwet» staat: «Algemene morfologie van de organismen« (Berlin 1866).

blz. 66

eine Wiederholung der Phylogenie ist. Der Mensch ist in der Zeit von der Konzeption bis zu der Geburt nach und nach in einer solchen Ent­wickelung, daß er die verschiedenen Tierformen, von den einfacheren bis zu den komplizierteren, bis herauf zum Menschen eben durchmacht. Dieses für die naturwissenschaftliche Weltanschauung außerordentlich bedeutungsvolle Gesetz – ich kenne sehr gut seine Ausnahmen, seine Grenzen – aber gerade derjenige, der das kennt, muß es ein sehr be­deutungsvolles naturwissenschaftliches Gesetz nennen -, das hat man versucht, auch auf die geistig-seelische Entwickelung des einzelnen Menschen im Verhältnis zur ganzen Menschheit geltend zu machen. Man ist dadurch auf eine ganz falsche Fährte gekommen.
Wodurch würde man einen Parallelismus finden können zwischen der seelisch-geistigen Entwickelung des Menschen und zwischen diesem biogenetischen Grundgesetz? Doch nur dann, wenn man sagen könnte:
das kleine Kind, wenn es seinen irdischen Lebenslauf beginnt, macht gewissermaßen Urzustände des Menschengeschlechts durch. Wächst es heran, so macht es Zustände späterer Entwickelungsepochen der Menschheit durch und so weiter. Es wiederholt die kindliche Ent­wickelung die Entwickelung des ganzen Menschengeschlechtes.

een herhaling van de fylogenese is. De mens is in de tijd vanaf de conceptie tot aan de geboorte na elkaar in zo’n ontwikkeling dat hij de verschillende diervormen, van de meest eenvoudige tot de gecompliceerdere, tot aan de mens doormaakt. Deze voor de natuurwetenschappelijke wereldbeschouwing buitengewoon belangrijke wet – ik ken de de uitzonderingen en de grenzen ervan – en juist degene die dat weet moet het een zeer belangrijke natuurwetenschappelijke wet noemen – heeft men geprobeerd ook te laten gelden voor de ontwikkeling van geest en ziel van de individuele mens t.o.v. de hele mensheid.
Men is daardoor in verkeerd vaarwater terechtgekomen.
Waardoor zou je een parallel kunnen trekken tussen de ontwikkeling van de menselijke ziel en geest en tussen deze biogenetische wet? Toch alleen dan, wanneer je zou kunnen zeggen:
Het kleine kind, wanneer het zijn aardse levensloop begint, maakt dus oertoestanden van het mensengeslacht door. Wordt het groter, dan maakt het toestanden door van latere ontwikkelingsfasen van de mensheid enz. De ontwikkeling van het kind herhaalt de ontwikkeling van heel het geslacht mens.

So etwas kann man als ein Phantasiegebilde aufstellen, aber es entspricht dies keiner Wirklichkeit; und erst Geisteswissenschaft ist in der Lage, auf diesem Gebiete sich der Wirklichkeit zu nähern. Wenn man den mensch­lichen Embryo verfolgt von der ersten, zweiten, dritten Woche – so­weit man es heute schon kann, bis zu seinem Reifwerden -, so sieht man da die Andeutungen der aufeinanderfolgenden, immer vollkom­mener werdenden Formen, die Fischgestalt und so weiter. Wenn man dagegen im Kinde die ersten Entwickelungsjahre beobachtet, so sieht man nichts von einer Wiederholung von irgendwelchen Urzuständen der Menschheitsentwickelung, oder im weiteren Fortgang, von folgen­den Epochen der Menschheitsentwickelung. Da müßte man in die kindliche Entwickelung Kräfte und Vorgänge hineinträumen, wenn man so etwas finden wollte. Es war ein schöner Traum, als Leute, wie der Pädagoge Wolf oder andere geltend gemacht haben, Kinder ma­chen gewissermaßen die Zeiten der wilden Barbarenzeit durch, dann gibt es gewisse Knabenzeiten, wo man die persische Kulturzeit durch-macht und so weiter. Schöne poetische Bilder können dabei heraus­kommen, aber Unsinn bleibt es, denn es entspricht eine solche Schil­derung durchaus nicht einer wahren Wirklichkeit! Da muß man schon

Zoiets kun je als een fantasieproduct formuleren, maar het is niet in overeenstemming met de werkelijkheid; pas de geesteswetenschap is in staat op dit gebied de werkelijkheid te benaderen. Wanneer je het menselijk embryo volgt vanaf de eerste, tweede, derde week – voor zover men dit tegenwoordig [1920] al kan, tot het helemaal volgroeid is – dan zie je daar de aanduidingen van de op elkaar volgende, steeds volmaakter wordende vormen, vissengestalte enz. Wanneer je daarentegen bij het kind de eerste jaren van zijn ontwikkeling waarneemt, zie je niets van een herhaling van een of andere oertoestand van de mensheidsontwikkeling. Dan moet je wat met krachten en processen voor je uit zitten te dromen, wanneer je zoiets wilt vinden. Het was een mooie droom, toen mensen, zoals de pedagoog Wolf en anderen, opperden dat kinderen op een bepaalde manier de tijd van de wilde barbaren doormaken en dan bij de jongens een bepaalde tijd waarin ze de Perzische cultuur doormaken, enz. Mooie, dichterlijke beelden kunnen ontstaan, maar het blijft onzin, want tegenover zo’n schildering staat zeker geen echte werkelijkheid! Je moet in staat zijn

blz. 67

in der Lage sein, das menschliche Leben in seiner vollen Realität zu schauen, wenn man das Entsprechende im Geistig-Seelischen für das biogenetische Grundgesetz finden will. Und da zeigt sich der Geistes­wissenschaft, daß man nicht an den Anfang des Lebens sehen darf, sondern an das Ende des Lebens blicken muß. Wenn man über das 35., 40., 45. Jahr hinaus ist und nun wirklich sich über diese Jahre hin­aus bewahrt hat die Möglichkeit einiger Selbstbeobachtung, dann zeigen sich im Seelenleben des Menschen, im innersten Erleben des Menschen gewisse Rudimente. So wie sich in bezug auf äußerliche Körperlichkeit im Embryonalleben Rudimente der Stammesentwicke­lung zeigen, so zeigen sich merkwürdige innere Erlebnisse, die der Mensch hat nach dem 35., 40., 45. Jahre, wenn er zu wirklicher Selbst-beobachtung aufsteigt, zu der man vielleicht eben doch nur dadurch kommt, daß man jene Aktivität des Denkens, wie man sie sich aneignen muß, wenn man Geisteswissenschaft wirklich durchlebt, ausbildet. Da merkt man: im Alter treten innerliche Erlebnisse auf, die nicht ganz herauskommen, die wie Rudimente sich ausnehmen; die Leiblichkeit ist nicht mehr da, die uns die Möglichkeit bietet, das, was im Alter geistig-seelisch auftritt, wirklich herauszubringen; der Leib, die Leib­lichkeit versagt.

om het menselijk leven in zijn volle werkelijkheid te overzien, wil je de voor de biogenetische grondwet een daartegenover passende component voor geest en ziel vinden. En dan laat de geesteswetenschap zien dat je niet mag kijken naar het begin van het leven, maar dat je naar het einde moet kijken. Wanneer je boven de 35, 40, 45 jaar bent en je hebt de mogelijkheid gehouden van een bepaalde zelfwaarneming dan vind je in de ziel van de mens, in het diepste beleven van de mens, bepaalde rudimenten. Net zoals met betrekking tot de zichtbare lichamelijkheid in het embryo rudimenten zijn te zien van een evolutionaire ontwikkeling, zo vertonen zich opmerkelijke innerlijke belevingen die de mens heeft na het 35e, 40e, 45e jaar, wanneer het komt tot echte zelfwaarneming, waartoe je misschien toch alleen komt doordat je díe denkactiviteit aan de dag legt die je je eigen moet maken, wanneer je de geesteswetenschap werkelijk doorleeft. Dan merk je: wanneer je op leeftijd bent, krijg je innerlijke belevingen die niet helemaal helder worden, ze zijn er nog wel; je lichaam is niet meer in staat, geeft ons geen gelegenheid meer te realiseren wat we zo op die leeftijd voelen en denken; het lichaam, de lichamelijkheid laat ons in de steek. We worden, wanneer we ons niet door onze lichamelijkheid voor de gek laten houden, op leeftijd wat ziel en geest betreft, rijk.

Wir werden, wenn wir uns nur durch unsere Leib­lichkeit nicht beirren lassen, im Alter seelisch-geistig reich. Allerdings wenige Menschen merken heute in unserer intellektualistischen Kultur etwas von dem, was da im Alter des Menschen wie rudimentär in der Seele auftritt. Und wissen Sie, warum man es nicht merkt? Man merkt es nicht wegen unserer heute auf Intellektualismus gebauten Erzie­hung! Die macht uns im hohen Grade abhängig vom Leiblichen. Da­bei merken wir nicht, wie, sobald als wir über das 35. Jahr hinauskom­men, in unserem Seelenleben Dinge auftreten, die eben einfach durch die heutige Körperlichkeit der Menschheit körperlich sich nicht aus-leben können, die aber innerlich erlebt werden können, wenn wir die­sen Zeitraum des Menschenlebens nicht eigentlich seelisch verschlafen.
Das ist es, was sich einem so furchtbar auf die Seele legt, daß der größte Teil der heutigen Menschheit jene Alterserlebnisse, die den Menschen in ungeheuere Tiefen hineinführen können, einfach dadurch, daß er älter wird, mit vollem inneren Wachsein älter wird, geradezu verschläft. Heute wird ja ungeheuer viel von der Menschheit verschla­fen! Eignet man sich den aktiven Verstand an, eignet man sich vor allen Dingen – wir werden gleich sehen, was eigentlich damit gemeint

Toch merken maar weinig mensen in onze intellectualistische cultuur van tegenwoordig iets van wat daar rudimentair in de ziel van de mens op leeftijd merkbaar is. En weet je waarom je dat niet merkt? Door de opvoeding die in onze tijd op het intellectualisme stoelt. Die maakt ons in hoge mate afhankelijk van ons lichaam. Daarbij merken we niet, zodra we boven de 35 komen, hoe in onze ziel dingen gebeuren die eenvoudigweg door de moderne lichamelijkheid van de mensheid zich fysiek niet kunnen verwerkelijken, die innerlijk wel beleefd kunnen worden, wanneer we deze tijd van ons leven wat de ziel betreft tenminste, niet verslapen. Wat zo zwaar op je ziel kan drukken is dat het grootste deel van de moderne mensheid die leeftijdsbelevingen die de mens in een ongekende diepte zouden kunnen voeren, alleen al door het feit dat hij ouder wordt, vol bewust ouder wordt, nu juist verslaapt. Tegenwoordig verslaapt de mensheid heel veel! Zou je het actieve verstand, zou je bovenal –we zullen zo zien wat daarmee eigenlijk bedoeld wordt –

ist – das aktive Gemütsieben und Willensieben an, dann merkt man diese Rudimente des Seelenlebens im Alter. Und eine wirklich von der Geisteswissenschaft befruchtete Erziehungskunst, die wird es dahin bringen, daß wir tatsächlich diese Alterserlebnisse haben können. Dann wird man auch in der sozialen Lebensordnung wissen: solche Alters-erlebnisse gibt es; dann wird man auch in einer anderen Weise dem Alter entgegenleben. Man wird gewissermaßen neugierig sein, was das Alter einem bieten kann. Ganz andere innere Lebenserfahrung wird im Menschen reif.
Aber woher kommt es denn, daß solche Alterserlebnisse, solche ru­dimentären Erlebnisse auftreten? Um das zu verstehen, muß man aus der Geisteswissenschaft heraus die wirkliche Entwickelung des Men­schengeschlechtes ins Auge fassen. Diese wirkliche Entwickelung des Menschengeschlechtes ist ganz verfinstert worden durch unsere mate­rialistische Anthropologie. Im Ausgangspunkte der Menschheitsent­wickelung glaubt man, wäre menschliche Wildheit. Das trifft nicht zu. Im Gegenteil, wenn wir zurückgehen ins 7., 8. vorchristliche Jahrtausend, so war über einem großen Teil der damals zivilisierten Menschheit ein Urwissen, allerdings instinktiver Art, ausgebreitet, aber ein Urwissen, vor dem wir heute in Demut uns beugen, wenn wir es erfassen können. Letzte Reste sind aufgezeichnet in den Veden der Inder. Aber das ist nicht das Ursprüngliche, das ist schon etwas Abgeleitetes.

het actieve gevoels- en wilsleven je eigen maken, dan zou je de rudimenten in je ziel opmerken wanneer je op leeftijd komt. En een opvoedkunst, geïnspireerd door geesteswetenschap zou ons zo ver kunnen brengen dat wij daadwerkelijk deze ouderdomsbelevingen zouden kunnen ervaren. Dan zou men ook in het sociale leven weten: dergelijke leeftijdsbelevingen zijn er; men zou ook op een andere manier zijn ouderdom tegemoet gaan. Je wordt nieuwsgierig naar wat de ouderdom iemand te bieden heeft. Heel andere innerlijke levenservaring wordt rijp in de mens.
Maar hoe komt het dan dat er dergelijke leeftijdsbelevingen, die rudimentaire belevingen plaatsvinden. Om dat te begrijpen moet je vanuit de geesteswetenschap de werkelijke ontwikkeling van het mensengeslacht in het oog vatten. Deze werkelijke ontwikkeling is door onze materialistische antropologie helemaal onzichtbaar geworden. Bij het begin van de mensheidsontwikkeling, zo denkt men, waren de mensen wilden. Maar dat klopt niet. In tegendeel, wanneer we teruggaan in de 7e, 8e eeuw voor Christus, beschikten de mensen van de toen beschaafde mensheid over een oerweten, weliswaar van instinctieve aard, maar een oerweten waarvoor we ons nu deemoedig zouden buigen, als we het konden bevatten. De laatste resten daarvan zijn opgetekend in de Veda’s van de Indiërs. Maar dat is niet het oorspronkelijke, dat is al iets wat daarvan afgeleid is.

Mit ungeheuer trockener Intellektualität geht heute unsere Gelehrsamkeit an dasjenige, was die ersten historischen Überbleibsel sind aus dem Ägyptertum, aus dem Babyloniertum, aus dem Indertum. Aber dasjenige, was unsere Gelehrsamkeit nur in aller Trockenheit zutage fördert, das ist wiederum nur der letzte Rest eines instinktiven Urwissens der Menschheit, durch das der Mensch sich eins fühlte mit dem ganzen Universum. Wer heute wirklich Naturwissenschaft be­herrscht, und dann sieht, was dieses Urwissen der Menschen, selbst in dem schwachen Abglanz, der historisch überliefert ist, war – Geistes­wissenschaft kann dasjenige zeigen, was nicht historisch überliefert ist; Sie können darüber in meiner »Geheimwissenschaft« nachlesen -, wer wirklich hineinzuschauen weiß in dieses Urwissen, der weiß, daß es anders ausgesehen hat in den älteren Zeiten der Menschheitsentwicke­lung, als die heutige materialistische Anthropologie glaubt, die sich einbildet, daß sich der Mensch von selbst vom Wilden zu dem herauf-entwickelt hat, von dem wir heute sagen: Wir haben’s so herrlich weit

Met een ongekend droge intellectualiteit benaderen tegenwoordig de geleerden wat de eerste historische overblijfselen zijn uit Egypte, uit Babylonië, uit India. Maar wat de geleerden droog aan het licht brengen, is eveneens slechts de laatste rest van een instinctief oerweten van de mensheid, waarmee de mens zich één voelde met het hele universum. Wie tegenwoordig echt de natuurwetenschap beheerst en dan ziet, wat dit oerweten van de mensen, zelfs in de zwakke afspiegeling die historisch overgeleverd is, behelsde – geesteswetenschap kan laten zien, wat niet historisch overgeleverd is – u kunt daarover lezen in mijn ‘Wetenschap van de geheimen der ziel’ – wie werkelijk dit oerweten kan doorgronden, weet dat het er anders uitzag in de oudere tijden van de mensheidsontwikkeling dan de huidige materialistische antropologie gelooft; die beeldt zich in dat de mensen zich vanzelf ontwikkelden van wilden tot diegenen van wie we nu zeggen: ‘wij hebben het zo geweldig ver gebracht.’

blz. 69

gebracht. Nein, es weist uns die wirkliche Betrachtung der Menschen­entwickelung dahin, daß es zunächst eine Periode vorgeschichtlicher Entwickelung gegeben hat. Wir kommen dabei bis ins 7., 8., 9. Jahr­tausend vor der Entstehung des Christentums zurück, wo die Menschen ein Urwissen gehabt haben, das sie sich aber nur aneignen konnten da­durch, daß sie bis in ein höheres Alter herauf leiblich-seelisch entwicke­lungsfähig geblieben sind. Und dann blicken wir auf die erste, im Sü­den von Asien nach einer großen Weltkatastrophe, welche die Erde betroffen hatte, entstandene Kultur. Nur dadurch kommen wir dieser Urkultur nahe, daß wir auf die Eigentümlichkeit der Menschheit in der damaligen Zeit blicken. Das Parallelgehen der leiblichen Entwickelung mit der Seelenentwickelung bis zum 7. Jahre, dann wiederum bis zur Geschlechtsreife, das hört mit den Zwanzigerjahren auf, dann sind wir fertige Menschen für die heutige Zeit. Da dürfen wir nicht mehr glauben, daß wir uns in einer ähnlichen Weise über die Abgründe der Entwickelung hinüberheben, wie wir uns hinüberheben über den Zahn-wechsel und über die Geschlechtsreife.

Nee, een werkelijke beschouwing van de ontwikkeling van de mens wijst erop dat er zeer zeker een periode is geweest van voorchristelijke ontwikkeling. Wij komen uit in de 7e, 8e, 9e eeuw vóór het ontstaan van het christendom, toen de mensen een oerweten hadden, dat ze echter alleen kregen doordat ze tot op hoge leeftijd lichamelijk, maar ook in hun ziel de mogelijkheid hielden zich te ontwikkelen. En dan kijken we naar de eerste cultuur in het zuiden van Azië die na een zondvloed die de aarde trof, is ontstaan. We begrijpen alleen maar iets van deze oercultuur, als we naar het karakteristieke van de mensheid in die tijd kijken.
Het samengaan van de lichamelijke ontwikkeling met de zielenontwikkeling tot het 7e jaar, dan tot de geslachtsrijpheid, dat houdt met de twintiger jaren op, dan zijn we tegenwoordig als mens ‘af’. Dan mogen we er niet meer in geloven dat wij ons op gelijksoortige manier over de markering in de ontwikkeling heenkomen, zoals we over de tandenwisseling en de geslachtsrijpheid heen komen.

Das war anders in Urzeiten der Menschheit. In der alt-indischen Zeit haben sich die Menschen bis in die Fünfzigerjahre hinein physisch-leiblich so entwickelt, wie wir uns nur bis in die zwanziger Jahre hin­ein entwickeln. Durch diesen Parallelismus der physisch-leiblichen Entwickelung und der geistig-seelischen Entwickelung war das instink­tive Urwissen vorhanden, das erlebt wurde von den Patriarchen der damaligen Zeit, von denen, die einfach alt geworden sind, und die noch solche körperliche Umwandlung, wie wir sie nur in der Ge­schlechtsreife erleben, bis über die Fünfzigerjahre hinaus mit dem seelisch-geistigen Entwickeln durchgemacht haben.
Dann kam die Zeit, die ich in meiner »Geheimwissenschaft« die urpersische genannt habe. Da kommen wir in das 4., 5., 6. Jahrtausend der vordiristlichen Zeitrechnung zurück, und da vollzieht sich die leib­liche Entwickelung noch bis über die Vierzigerjahre hinauf. Und dann kommt die ägyptisch-babylonische Entwickelung, die bis ins 3., 4. Jahr­tausend der vordiristlichen Zeitrechnung geht. Da bleibt der Mensch entwickelungsfähig bis in die Mitte des Lebens, bis übers 35. Jahr hin­aus. Dann kommt diejenige Entwickelung, von der wir eigentlich historisch allein etwas Erhebliches wissen, es kommt die Entwickelung der griechisch-lateinischen, der griechisch-römischen Zeit, jene Ent­wickelung, in der der Mensch immerhin noch bis zum Anfang der

Dat was anders in de oertijd van de mensheid. In de Oud-Indische tijd hebben de mensen tot in hun vijftigste zich fysiek-lijfelijk zo ontwikkeld, zoals wij tot in ons twintigste. Door het samengaan van de fysiek-lijfelijke ontwikkeling en die van ziel en geest was het instinctieve oerweten aanwezig; dat ervoeren de aartsvaders van die tijd; en zij die eenvoudigweg oud geworden waren en die nog zo’n fysieke metamorfose doormaakten als wij nu met de geslachtsrijpheid, tot boven de vijftig jaar. Dan kwam de tijd die ik in mijn ‘Wetenschap van de geheimen der ziel’ de Oer-Perzische heb genoemd. Dan zijn we in de 4e, 5e, 6e eeuw van de voorchristelijke tijd en daar gaat de lichamelijke ontwikkeling nog door tot in de veertiger jaren. En dan komt de Egyptisch-Babylonische ontwikkeling die tot in de 3e, 4e eeuw van de voorchristelijke tijdrekening loopt. Daar blijft de mens nog de mogelijkheid houden zich te kunnen ontwikkelen tot in het midden van het leven, tot boven zijn 35e.. Dan komt de ontwikkeling waarvan we eigenlijk alleen historisch iets belangrijks weten; de ontwikkeling van de Grieks-Latijnse, van de Grieks-Romeinse tijd; die ontwikkeling waarin de mens in elk geval nog tot het begin

blz. 70

Dreißiger in seiner Leiblichkeit voll entwickelbar bleibt. Der Grieche lebte anders, auch noch der alte Römer lebte anders als wir leben. Solche Wahrheiten der weltgeschichtlichen Entwickelung, man will sie heute nur nicht zugeben, weil man auf diese Dinge nicht die Aufmerk­samkeit hinwendet. Der Grieche lebte noch so, daß er das Geistig-Seelische zugleich als ein Leibliches spürte. Wenn er den Blick hinaus-wendete in die Welt, so wußte er: ich schaue die Dinge nicht bloß an; er wußte gleichzeitig um den physischen Vorgang seines Leibes. Das hing davon ab, daß er viel länger entwickelungsfähig blieb, als wir körperlich-physisch entwickelungsfähig sind.
Sehen Sie, all das, was die Menschen einer früheren menschlichen Entwickelungsepoche noch im Leibe erlebt haben, das erleben wir im Alter nur noch geistig-seelisch, wenn wir es nicht verschlafen. Das sind die Rudimente. Während für das Physische im biogenetischen Grund­gesetz der Anfang des Lebens als Wiederholung erscheint dessen, was in der Stammesentwickelung durchgemacht wurde, wachsen wir gerade heute hinein in das, was die Urmenschheit durchgemacht hat, indem wir die Rudimente im Alter betrachten. Dasjenige, was wir heute er­leben, wenn wir am Ende der Vierziger-, Anfang der Fünfzigerjahre sind, als seelische Rudimente, das kann uns noch eine Vorstellung geben von der ersten indischen Urkultur, die bis ins 7., 8. Jahrtausend der vorchristlichen Zeitrechnung zurückgeht.

van zijn dertigste wat zijn lichamelijkheid betreft, zich nog volledig kon ontwikkelen. De Griek leefde anders, ook de oude Romein leefde anders dan wij nu leven. Zulke waarheden in de ontwikkeling van de wereldgeschiedenis wil men tegenwoordig niet toegeven, omdat men er zijn aandacht niet op richt. De Griek leefde nog zo, dat hij geest en ziel tegelijk als iets lichamelijks voelde. Wanneer hij zijn blik richtte op de buitenwereld, dan wist hij: ik kijk niet alleen maar naar de dingen; hij kende tegelijkertijd wat er zich in zijn lichaam fysiek afspeelde. Dat hij veel langer capabel bleef zich lichamelijk, fysiek te ontwikkelen dan wij, hing daarvan af.
Zie je, alles wat de mensen in een vroegere menselijke ontwikkelingsfase nog in hun lijf ervoeren, dat beleven wij als we op leeftijd zijn alleen nog in onze ziel, onze geest, als we het niet verslapen. Dat zijn de resten. Terwijl wat het fysieke betreft in de biogenetische grondwet het begin van het leven als een herhaling verschijnt van wat in de evolutieontwikkeling doorgemaakt werd, komen wij terecht in wat de oermensheid doormaakte als we de resten daarvan beschouwen als we op leeftijd zijn.
Wat wij tegenwoordig ervaren als overblijfselen in onze ziel als we eind 40, begin 50 zijn, kan ons nog een voorstelling geven van de eerste Indische cultuur die tot in de 7e, 8e eeuw voor Christus teruggaat.

Das, was wir in den Vierzi­gerjahren innerlich seelisch erleben, gibt uns einen Abglanz dessen, was die urpersische Zeit war im 4., 5. Jahrtausend. Dasjenige, was wir er­leben in den letzten Dreißigerjahren ist ein Abglanz – nicht mehr geistig, nur leiblich – von dem, was die alten Ägypter, Babylonier ganz anders lebten und fühlten, weshalb sie auch ein ganz anderes soziales Leben führen konnten. Die Gelehrten beschreiben heute die Griechen so, daß sie ihnen im Grunde ganz fremd gegenüberstehen. Es ist ganz merkwürdig, was man eigentlich alles an Äußerlichkeit heute geleistet hat. Wir haben vor den Kriegsjahren gehört, wie da oder dort in der Welt »olympische Spiele« wiederum gefeiert werden sollen, olympische Spiele, in denen man die Äußerlichkeit nachahmt von etwas, das ganz darauf gebaut war, daß der Mensch über die Dreißi­ger hinaus noch eine leiblich-physische Entwickelung durchmacht, die er heute eben nicht durchmacht. Aus dem Leiblichen heraus floß dem Menschen ein Geistig-Seelisches bis ins hohe Alter hinauf in den frü­heren Zeiten.

Wat wij innerlijk, met onze ziel, beleven wanneer we boven de 40 zijn, geeft ons nog een glimp van wat de Oer-Perzische tijd in de 4e, 5e eeuw was. Wat we beleven als we eind dertig zijn is een glimp – niet meer geestelijk, alleen lichamelijk – van wat de oude Egyptenaren en Babyloniërs nog beleefden en voelden, waardoor ze ook een heel ander sociaal leven konden leiden.
De geleerden beschrijven tegenwoordig de Grieken zo, dat zij basaal heel vreemd tegenover hen staan.
Het is heel opmerkelijk wat men tegenwoordig tot stand heeft gebracht wat uiterlijke feiten aangaat. Vóór de oorlog hoorden we al hoe hier of daar in de wereld weer ‘Olympische Spelen’ gehouden zouden moeten worden, olympische spelen waarin men de uiterlijke vorm nadoet van iets dat er helemaal op gericht was dat de mens boven de dertig nog een fysiek-lijfelijke ontwikkeling doormaakt, wat hij nu niet meer doet.
Uit het levend-lichamelijke ontsproot nog iets van ziel en geest tot op hoge leeftijd in die vroegere tijden.

blz. 71

So daß wir sagen können:
1.    Kulturstufe: wirkliche Erlebnisse bis über das 48. Jahr
2.    Kulturstufe: wirkliche Erlebnisse bis über das 42. Jahr
3.    Kulturstufe: wirkliche Erlebnisse bis über das 35. Jahr
4.    Kulturstufe: wirkliche Erlebnisse vom 28. bis zum 35. Jahr.
Die 5. Kulturstufe ist unsere heutige, ist unsere Gegenwart; in der leben wir drinnen seit der Mitte des 15. Jahrhunderts. Da bleiben wir entwickelungsfähig höchstens bis zum 27. oder 28. Jahr.
Allein diese Anschauung erklärt uns, wie die gegenwärtige Mensch­heit beschaffen ist. Diese gegenwärtige Menschheit ist so beschaffen, daß sie sich anders entwickeln muß als eine frühere Menschheit. Der gegenwärtigen Menschheit erstehen im Geistig-Seelischen keine An­schauungen mehr, wenn sie sich passiv der leiblich-physischen Ent­wickelung hingibt. Wenn wir von den Dreißigerjahren an nicht ver­öden wollen, sind wir darauf angewiesen, uns Anschauungen aus an­deren Quellen heraus zu schaffen, als diejenigen sind, die wir bloß durch unsere leiblich-physische Entwickelung erhalten. Vorläufig geben sich die Menschen in bezug auf diese Dinge noch furchtbaren Illusionen hin.

Zodat we kunnen zeggen:

1e cultuurfase: werkelijke belevingen tot boven het 48e jaar
2e                  —                   —                                              42e
3e                  —                   —                                              35e
4e                  —                   —               vanaf het 28e tot 35e

Het 5e cultuurtijdperk is het onze, is onze huidge tijd waarin we sedert het midden van de 15e eeuw zijn aangekomen. We houden hier nog ontwikkelingsmogelijkheden tot ongeveer het 27e, 28e jaar. Alleen wat we hier waarnemen verklaart hoe het er met de huidige mensheid voor staat. Het is zo dat zij zich anders moet ontwikkelen.
De tegenwoordige mensheid haalt uit de geest-zielenwereld geen waarnemingen meer, wanneer men zich passief overgeeft aan de lijfelijk-fysieke ontwikkeling. Wanneer we vanaf ons dertigste niet willen verkommeren, zijn we erop aangewezen in ons zelf waarnemingen te ontwikkelen vanuit andere bronnen als die, die wij alleen maar krijgen door onze lijfelijk-fysieke ontwikkeling. Voorlopig hebben de mensen wat deze dingen betreft nog te veel vast van illusies.

Ich will Sie nur darauf aufmerksam machen, daß unsere religiösen Vorstellungen, auch diejenigen, wovon wir heute noch im Unterrichten leben, ererbte sind. Warum haben wir denn eigentlich diese Furcht vor irgendeiner Erneuerung der religiösen Vorstellungen? Weil man eben heute mit ungeheurer Scheu entgegenblickt dem Entgegennehmen aus geistigen Quellen. Man will bei dem Ererbten stehenbleiben, weil man gewissermaßen sich vor dem Nichts sieht. Das Gefühl ist berechtigt, denn mit 27, 28 Jahren stirbt heute beim Menschen das durch die Lei­besentwickelung geweckte innere Geistesleben ab. Wir würden also verödet sein, wenn nicht die ererbten religiösen Vorstellungen wenig­stens noch unbewußt und instinktiv in uns spielten. Und wenn wir nicht manche Vorstellungen aus alten Zeiten noch traditionell fort-pflanzten, würden wir alle nach dem 28. Jahre veröden. Wir sind eben heute darauf angewiesen, anzuerkennen dies Gesetz der Menschheits­entwickelung. Sie werden merken, die Sache ist im übertragenen Sinne gemeint. Je weiter die Menschheitsentwickelung fortschreitet, desto jünger wird die Menschheit. Mit anderen Worten: diese Menschheits-entwickelung erreicht passiv nur immer jüngere Jahre, dann hört sie auf in geistiger Hinsicht wirksam zu sein. Der Grieche erreichte noch

Ik wil u er nog op wijzen dat onze religieuze voorstellingen, waaruit we tegenwoordig nog leven bij het onderwijzen, overgeërfd zijn. Waarom zijn we eigenlijk bang voor een of andere vernieuwing van religieuze voorstellingen? Omdat men tegenwoordig een ongekende schroom heeft om uit geestelijke bronnen iets in zich op te nemen. Men wil bij wat is overgeleverd blijven staan, omdat men in zekere zin zich voor het Niets gesteld ziet. Dat gevoel klopt wel, want met 27, 28 jaar sterft tegenwoordig in de mens het door het lichaam opgeroepen innerlijke geestesleven af. We zouden ons verlaten voelen, wanneer niet de overgeërfde religieuze voorstellingen nog onbewust en instinctief mee zouden doen. En wanneer we niet vele voorstellingen uit oude tijden traditioneel zouden doorgeven, zouden wij ons allemaal na het 28e verlaten voelen. We zijn er dus tegenwoordig op aangewezen deze wet van de ontwikkeling der mensheid te accepteren.
Je zult merken dat dit alles in overdrachtelijke zin is bedoeld.
Hoe verder de mensheidsontwikkeling voortgaat, des te jonger wordt de mensheid. Met andere woorden: deze mensheidsontwikkeling bereikt passief slechts steeds jongere jaren, dan houdt ze in geestelijk opzicht op werkzaam te zijn.

blz. 72

die Dreißigerjahre in der Leibesentwickelung. Der heutige Mensch erreicht sie nur in seelisch-geistiger Entwickelung und innerlich in An­lagen, die er durch produktive Geistigkeit hervortreiben muß. Und je mehr die Menschen erkalten in bezug auf die traditionellen religiö­sen Vorstellungen und nichts anderes an ihre Stelle setzen wollen, desto mehr werden sie erleben dieses Erkalten. Die rein intellektualistische Bildung könnte nie und nimmer irgend etwas den Menschen geben für das spätere Alter. Sie ist im wesentlichen dasjenige, was mit dem Zahn-wechsel auftritt, was in jungen Kindesjahren auftritt, was wir nur durch eine Anspornung des Willens dann weiter bringen können. Aber dasjenige, um was es sich handelt, ist, daß der Mensch heute in einer Menschheit lebt, die eigentlich nur bis zum 27., 28. Jahre entwicke­lungsfähig bleibt durch ihre Leiblichkeit, und der die weiteren Ent­wickelungsimpulse für das höhere Alter durch geistige Quellen zu­geführt werden müssen.
Wenn man heute so das soziale Leben betrachtet, dann sagt man sich ja allerdings, die Betrachtung nach Ideen zeige uns dieses Jüngerwerden der Menschheit, zeige uns dieses immer Unvollkommenerwerden der Menschheit nach einer gewissen Seite hin.

De Griek bereikte met zijn lichamelijke ontwikkeling nog zijn dertiger jaren. De mens van nu bereikt deze alleen in zijn ontwikkeling van ziel en geest en innerlijk in een aanleg die hij door actieve geestkracht aan de oppervlakte moet zien te krijgen. En hoe meer de mensen onverschilliger worden met betrekking tot traditionele religieuze voorstellingen en er niets anders voor in de plaats willen stellen, des te meer zullen ze die onverschilligheid beleven. De puur intellectualistische vorming zal nooit en te nimmer de mens iets geven voor het latere leven.
Het is in wezen datgene wat met de tandenwisseling gebeurt, wat in de prille kinderjaren gebeurt, wat we dan alleen met het aansporen van de wil verder kunnen brengen.
Maar waarom het gaat is dat de mens van nu in een mensheid leeft die eigenlijk slechts tot het 27e, 28e jaar zich door zijn lichamelijkheid nog ontwikkelen kan en die verdere ontwikkelingsimpulsen voor wat betreft zijn ouderdom uit geestelijk bron moet verkrijgen.
Wanneer je tegenwoordig eens naar het sociale leven kijkt, dan moet je bij jezelf zeggen: het in ogenschouw nemen van ideeën laat ons dit jonger worden van de mensheid zien, laat ons vanuit een bepaalde kant zien het steeds minder volmaakt worden van de mensheid.

Aber ich glaube, derjenige, der nun wirklich so etwas erfassen kann, der sich mit vollem Verant­wortungsgefühl in die Menschheit hineinstellen kann mit einem solchen Wissen von der Entwickelung der Menschheit, in dem geht der Wille auf, der unsere pädagogische Kunst befruchten kann. Man sieht dann hin auf dasjenige, was man eigentlich zu leisten hat. Man hat aus geisti­gen Quellen etwas herauszuholen, was den Menschen Mensch sein läßt, auch wenn er über das 27. oder 28. Jahr hinauf sich entwickelt. Dieses Sichvertiefen mit Gefühl und Gemüt in die Entwickelungsimpulse der Menschheit, das ist der Sporn in uns, den wir zuerst brauchen. Man überschaut es heute nicht genügend. Wenn dem Menschen heute ein­geimpft wird, die Erde habe sich herausentwickelt aus einem Urnebel mit den anderen Planeten, werde einstmals wiederum in die Sonne zu­rückfallen, und man wisse nicht, wozu eigentlich diese Menschheit da ist; wenn man heute in seine Gesinnung die ganze Entwickelung auf­nimmt, von der die naturwissenschaftliche Weltanschauung spricht, da wird kein Wille daraus. Aus dieser Weltanschauung, die auf die wahre Wirklichkeit im Menschen hinblickt, wird Wille, denn man weiß jetzt, was man zu tun hat, man weiß, daß jetzt jene Erziehungsnotwendig­keiten beginnen, die vorher von der Natur selbst geleistet worden sind.

Maar ik geloof wel dat bij degene die dit daadwerkelijk kan oppakken, die met een groot verantwoordelijkheidsgevoel zijn plaats in de mensheid kan innemen met een dergelijk weten van de ontwikkeling der mensheid, dat in diegene de wil ontwaakt die onze pedagogische kunst kan bevruchten.
Dan kijk je naar datgene wat je eigenlijk te volbrengen hebt.
Je moet uit geestelijke bronnen iets halen wat de mens mens laat zijn, ook wanneer hij zich ontwikkelt na zijn 27e, 28e jaar. Dit zich verdiepen in de ontwikkelingsimpulsen van de mensheid met het gevoel, het gemoed, is de aansporing in ons die we nu net nodig hebben. Men overziet het nu niet genoeg.
Wanneer de mens tegenwoordig opgedrongen wordt dat de aarde met de andere planeten zich ontwikkeld heeft uit een oernevel, en ooit weer in de zon terug zal vallen en men weet niet waartoe de mensheid eigenlijk hier is; wanneer men tegenwoordig heel die sfeer in zich opneemt waarvan de natuurwetenschappelijke wereldbeschouwing spreekt, dan ontstaat daaruit geen wil. Uit die wereldbeschouwing die het oog richt op de echte werkelijkheid in de mens, daaruit komt wil voort, want je weet dan wat je moet doen, je weet dat de noodzaak om op te voeden nu aangebroken is, wat eerder van nature ging.

blz. 73

Man blickt zurück in die alten Zeiten und sagt: Ihr Griechen waret noch so glücklich, daß ihr aus eurer Leiblichkeit heraus über das 28. Jahr hinein Geistig-Seelisches in euch habt entwickeln können, ihr Ägypter, ihr Babylonier, daß ihr selbst noch bis in die Vierzigerjahre rein da­durch, daß Göttliches urkräftig in eure leiblichen Organe hineingewirkt hat, das wiederum habt herausholen können. Diese Möglichkeit, das jenige, was die Natur selbst, das heißt die göttlichen Kräfte in der Natur geleistet haben, herauszuholen, die besteht für die heutige Menschheit nicht mehr, wird immer weniger bestehen für die zukünf­tige Menschheit. Wir Menschen müssen die Entwickelung in die Hand nehmen. Wir müssen immer mehr und mehr uns hineinfinden in die Aufgabe, aus den Menschen erst Menschen zu machen.
Da beginnt Wissenschaft unmittelbar Wille zu werden. Denn da, da zeigt es sich, daß wir eigentlich in jene Zeit der Menschheitsentwicke­lung erst eingetreten sind, in der gerade für die Erziehungskunst die neuen Aufgaben erwachsen. Deshalb war alle Erziehungskunst bis in die neueste Zeit instinktiv. Mehr als irgend etwas anderes war alle Er­ziehungskunst instinktiv. Dann gab es gute abstrakte Grundsätze, die ich hinlänglich schon auseinandergesetzt habe.

Je kijkt terug in de oude tijden en zegt: ‘Jullie Grieken waren nog zo gelukkig dat jullie uit je lichamelijkheid je nog tot boven je 27e , 28e wat je ziel en geest betreft, hebben kunnen ontwikkelen; jullie Egyptenaren, jullie Babyloniërs, dat jullie zelfs nog tot boven de veertig eveneens uit jullie zelf hebben kunnen halen, louter door wat aan goddelijke oerkracht tot in jullie lichamelijk organisme doorwerkte.
Deze mogelijkheid om naar boven te halen wat de natuur zelf, dat betekent de goddelijke krachten in de natuur bewerkstelligd hebben, is er voor de huidige mensheid niet meer; die zal er steeds minder zijn voor de mensheid van de toekomst. Wij mensen moeten de ontwikkeling zelf ter hand nemen. Wij moeten steeds meer vertrouwd raken met de opgaven uit de mens een echt mens te vormen.
Dan begint wetenschap meteen wil te worden. Want hier blijkt dat wij eigenlijk die tijd in de mensheidsgeschiedenis zijn binnen gegaan waarin juist de opvoedkunst zich voor nieuwe opgaven gesteld ziet. Alle opvoedkunst was tot in de jongste tijd nog instinctief. Meer dan iets anders was alle opvoedkunst instinctief. Toen kwamen er goede abstracte uitgangspunten die ik onlangs nog besproken heb.

Jetzt aber entsteht die Notwendigkeit, diese abstrakten Grundsätze von innen heraus zu be­leben, weil wir es in der Hand haben, entweder diese abstrakten Grundsätze durch Belebung zu einer wirklichen Kunst der Menschen-bildung zu machen, oder aber die Menschheit der Ödigkeit auszu­liefern in der Zukunft.
Indem ich jetzt am Beginne desjenigen stehe, was ich eigentlich päd­agogisch-künstlerisch erörtern will, sehen Sie, daß ich den Ausgangs­punkt nehmen möchte nicht von einer theoretischen Erörterung, son­dern von einem Gefühl. Ich möchte hier am Ausgangspunkt der Be­trachtungen die Worte aussprechen, daß man bei einer Pädagogik nicht auszugehen hat von Grundsätzen, sondern von einem Gefühl. Wir müssen in diesem Moment von dem Gefühl durchdrungen sein:
Der Menschheit Seeleninhalt ist in die Hand der Jugendbildner, der Erzieher gegeben. Sie ist es in gesunder Weise, wenn wir sozusagen die Zukunft der Menschheit in uns fühlen. Dies ist der richtige Ausgangs­punkt, nicht wenn wir das oder jenes wissen, sondern wenn wir das fühlen, wenn wir das empfinden, wenn wir die ganze Aufgabe der Er-ziehung, wie sie zusammenhängt mit derMenschheitsentwickelung, füh­len und empfinden. Diesen Ausgangspunkt wollte ich heute als nicht

Nu echter ontstaat de noodzaak deze abstracte uitgangspunten van binnenuit levend te maken omdat wij het in de hand hebben ofwel deze abstracte uitgangspunten door ze handen en voeten te geven te maken tot een werkelijke kunst om mensen te vormen of juist de mensheid in de toekomst uit te leveren aan de leegte.
Wanneer ik nu aan het begin ben van wat ik eigenlijk pedagogisch-didactisch wil uitspreken, zou ik niet vanuit een theoretische uiteenzetting willen uitgaan, maar van een gevoel. Ik zou bij het uitgangspunt van de beschouwingen de woorden willen uitspreken dat je bij een pedagogie niet moet uitgaan van basisregels, maar van een gevoel. Op dit ogenblik zouden wij doordrongen moeten zijn van dit gevoel: Wat de mensheid innerlijk bezit, heeft hij die de jeugd vormt, de opvoeder, in de hand. En dit is gezond, wanneer wij a.h.w. de toekomst van de mens in ons voelen. Dat is het juiste uitgangspunt; niet dat we dit of dat weten, maar wanneer we voelen, innerlijk ervaren hoe de hele opvoedingsopgave samenhangt met de ontwikkeling van de mensheid, dat te voelen en te ervaren. Die opgave wilde ik vandaag niet als

blz. 74

einen theoretischen, sondern als einen empfindungsgemäßen vor Sie hinstellen. Ich möchte sagen, das, was ich heute vor Sie hinstellen wollte, hat man dann richtig erfaßt, wenn man alle einzelnen Sätze, die ich gesprochen habe, alle einzelnen theoretischen Wendungen, die ich gebraucht habe, vergessen kann, und auf seiner Seele lasten fühlt dasjenige, was die Aufgabe des Erziehers ist. Wenn man, in dieses Ge­fühl zusammengefaßt, das mitnehmen kann, was angeregt werden sollte durch diese Betrachtungen, wenn sich alles Gesprochene in einem Gefühl ablagert, werden wir aus diesem Gefühl die Einzelheiten der pädagogischen Kunst in den folgenden Betrachtungen entwickeln können.

een theoretische voor u neerzetten, maar als een van het gevoel. Ik zou willen zeggen dat wat ik vandaag voor u wilde neerzetten, is dan pas goed begrepen, wanneer je alle zinnen die ik heb uitgesproken, alle theoretische zinswendingen die ik heb gebruikt, kan vergeten en op zijn ziel voelt drukken als de opdracht van de opvoeder. Wanneer je, in dit gevoel samengevat, mee kan nemen wat door deze beschouwingen aangewakkerd is, wanneer alles wat gesproken is, in het gevoel beklijft, zullen we uit dit gevoel de details voor de pedagogische kunst in de verdere uiteenzettingen kunnen ontwikkelen.

.

[1] GA 301: Die Erneuerung der pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft

[2] 4e voordracht (Duits)

Menskunde en pedagogie: Haeckel en de vrijeschoolpedagogie nr. 12

Rudolf Steiner over pedagogie

Rudolf Steiner: alle artikelen

.

1299-1212

.

.

VRIJESCHOOL – menskunde en pedagogie (18-2)

.

OVER HET GEHEUGEN

HET GEHEUGEN BLIJFT EEN MYSTERIE

Ons leven is niet verenigbaar met het ontbreken van een geheugen. Zonder dat vermogen moeten we ons elke dag leren wassen en aankleden en ook de naam en het adres zijn onbekend. De psychologie heeft allerlei indelingen van het geheugen gemaakt. Een aantal vormen wordt niet meer zo scherp van elkaar onderscheiden als vroeger omdat zij berusten op verschillende stadia van hetzelfde proces. Drie typen staan echter nog recht overeind

Het motorisch geheugen dient er voor om aangeleerde bewegingen te onthouden. Vergeten speelt daarbij nauwelijks een rol. We kunnen na lange tijd nog steeds fietsen of schaatsen. Dit geheugen heeft veel te maken met de kleine hersenen die kennelijk weinig onder vergeetprocessen te lijden hebben.

Een tweede type is het episodisch geheugen waarin gebeurtenissen vastliggen. Deze bestaan uit onderling verbonden elementen die bewaard blijven zonder dat het tafereel is herhaald. Het is niet nodig, drie keer een film te zien om te weten wat er ongeveer gebeurde. Ook is een nadrukkelijke poging tot inprenting niet noodzakelijk.
Dit geheugen lijkt moeiteloos te functioneren, maar het is allerminst volmaakt. Dat blijkt uit tegenstrijdige getuigenverklaringen bij ongevallen en uit ruzies over wat bij een bepaalde gelegenheid is voorgevallen. Mensen onthouden verschillende onderdelen van dezelfde gebeurtenis en vullen na verloop van tijd zonder dat te beseffen gaten in het geheugen met verzinsels op. Een merkwaardige variant hiervan is het „flitslicht geheugen”. Als een dramatische boodschap wordt vernomen herinneren we ons jaren later niet alleen dat bericht zelf, maar ook allerlei irrelevante details die op en om de plaats des onheils zichtbaar waren. Het episodisch geheugen legt dus veel dingen vast zonder dat er een bedoeling in die richting is, en de informatie kan zelfs volstrekt zinloos zijn,

Taal
Het omgekeerde daarvan is dat iets niet wordt onthouden hoewel we er al vaak mee te maken hebben gehad. Vrijwel niemand is in staat een gedetailleerde tekening van zijn voordeur te maken.
Een deur dient er in de eerste plaats voor om gebruikt te worden. Misschien is dat ook wel de reden waarom wij er grote moeite mee hebben op foto’s onze handen te herkennen.
Verder is het episodisch geheugen in die zin aan de taal gekoppeld dat weinig beklijft uit de tijd dat de taal nog niet zo intensief gebruikt werd. Toch is het soms mogelijk daar nog iets van terug te vinden. Herinneringen aan de kindertijd zitten vaak vast aan reuksensaties. Het opsnuiven van de typische „kinderlucht” in peuterspeelzalen kan allerlei vergeten taferelen weer oproepen. Een aantal passages in het boek „op zoek naar de verloren tijd” van Marcel Proust wijst in die richting.

Het derde type is het semantisch geheugen. Dit omvat het leren van betekenissen in een ruime zin van het woord zoals dat in het onderwijs gebeurt. Als de informatie als los zand aan elkaar hangt vindt inprenting alleen plaats na een aantal herhalingen en stampwerk. Ook daarna gaat echter veel teloor, en de vraag is hoe dat komt.

Vergeten
Vroeger werd het vergeten in zijn algemeenheid toegeschreven aan het uitwissen van sporen die in de hersenschors zaten. Strikt genomen heeft niemand echter zo’n spoor kunnen vinden. De aanwijzingen zijn erg indirect. Als het gebied van de hippocampus wordt beschadigd is iemand niet meer in staat iets nieuws aan zijn geheugen toe te voegen. Bij oude mensen gebeurt dat geleidelijk. Dat komt ten dele door verlies van interesse en het bedenken van „kapstokken”, maar ook fysiologisch is er iets aan de hand. De hippocampus raakt zijn zenuwcellen relatief snel kwijt en bovendien ontstaat een zeker tekort aan de overdrachtsstof acetylcholine. Zogenaamde leerpillen in de vorm van het hormoonfragment ACTH 4-9 of piracetam, alsmede het „waarheidsserum” scopolamine kunnen daar niets aan veranderen.

Een tweede interpretatie van het vergeten is dat de informatie nog wel bestaat maar niet terug wordt gevonden. Dat kan op een gebrekkige manier worden vergeleken met een bibliotheek waarin niets is gecatalogiseerd. Wat voorbeelden van verschijnselen die hierin passen. We komen in de keuken op het idee dat een tang gehaald moet worden om iets te repareren. Als dat gedachteloos gebeurt weten we in de schuur niet meer waarom we daar staan. Terug lopen is dan een feilloze remedie,

Inbedding in een bepaalde situatie speelt ook een rol bij het niet herkennen van mensen op een plaats waar we hen nooit gezien hebben (een winkeljuffrouw op straat tegenkomen). Wat in een bepaalde omgeving is ingeprent, kan in een andere situatie relatief moeilijk worden opgespoord, Studenten weten daarover mee te praten. Het komt vaak voor dat zij de stof op hun kamer menen te beheersen, maar dat van alles vergeten is als zij de kale tentamenzaal betreden. Wat je leert wordt als het ware gehecht aan allerlei objecten, en als die er niet zijn gaat het herinneren moeizamer.
Men heeft hierover in Amerika een experiment gedaan. Studenten die colleges volgden in een „aangeklede” zaal onthielden beter wat te berde was gebracht. Ook de emotionele toestand is hier in het geding. Wat in een bepaalde emotionele toestand is geleerd, wordt in diezelfde stemming het best gereproduceerd.

Spectaculair ten slotte, is de hypnose. Er zijn mensen die onder hypnose bijna woordelijk kunnen vertellen wat tijdens een operatie onder narcose is gezegd (visuele en tastgewaarwordingen ontbreken dan overigens). Blijkbaar is het zelfs onder narcose mogelijk, een zeker contact met de omgeving te onderhouden. Hypnose is ook met succes gebruikt om kentekens van auto’s na ongevallen op te sporen en deze techniek staat centraal bij de zogenaamde regressie- en reïncarnatietherapie.
Men gaat er dan van uit dat stoornissen veroorzaakt kunnen zijn door trauma’s in een ver en duister verleden, Het is in dit geval echter moeilijk een onderscheid te maken tussen echte herinneringen en verbeeldingskracht. Bovendien kan hier kryptomnesie in het geding zijn, wat inhoudt dat iemand zich in een trancetoestand dingen herinnert zonder te beseffen dat het om herinneringen gaat.
In de parapsychologie zijn gevallen bekend van media die zich enigszins uitdrukten in talen die zij nooit willens en wetens hadden geleerd. Een befaamd voorbeeld was een dame die in haar jeugd als dienstmeisje verliefd was op een dominee die de gewoonte had dergelijke teksten hardop te lezen. Kritiekloze onderzoekers interpreteren dit verborgen geheugen ak een verzameling inblazingen vanuit een hiernamaals of vroegere levens, enkel en alleen omdat de betrokkenen zelf niet weten hoe ze het een en ander hebben klaargespeeld.
De effectiviteit van hypnotherapie berust mogelijk hierop dat men een probleem beter aan kan als er een verklaring voor lijkt te zijn.

Verdringing
Geven hypnose en kryptomnesie aan dat het geheugen buitengewoon goed kan functioneren, de tegenvoeter is plotseling geheugenverlies. Ook dat komt regelmatig in het nieuws. Iemand kan er in zekere zin baat bij hebben, bepaalde gebeurtenissen te vergeten. Dat gold misschien voor Edward Kennedy die zich niets kon herinneren van een auto-ongeluk in 1969 waarbij een secretaresse om het leven kwam. Men noemt dat verdringing of gemotiveerd vergeten, uitdrukkingen die overigens eerder beschrijvingen dan verklaringen van het verschijnsel zijn. Bij verdringing worden zowel vervelende ervaringen uitgewist. Als de prettige gebeurtenissen weer op de een of andere manier boven water worden gebracht, duiken ook de andere herinneringen tot verdriet van de betrokkene weer op.
Er gebeuren echter ook dingen waarbij elk aanknopingspunt ontbreekt. In februari 1978 ging de 24-jarige Steven Kupacki skiën op het Michiganmeer. Hij raakte verdwaald en het eerstvolgende dat hij zich kon herinneren was dat hij op de grond lag in andere kleren en voorzien van andere spuilen. Het was mei 1979 en niemand weet wat zich in de tussentijd heeft afgespeeld. Iets dergelijks is onlangs gebeurd met de Friese bloemist J. Speelman. Het kan in zoverre nog gekker dat er mensen zijn die uit verschillende persoonlijkheden bestaan. In dat geval is er niet alleen een doorlopende wisseling van karakter of rol, maar heeft de ene persoon ook geen toegang tot de herinneringen van de andere.

Hoe het ook zij, het geheugen is even onmisbaar als mysterieus. Ondanks onderzoek dat al meer dan een eeuw duurt heeft geen enkele wetenschap een stevige greep gekregen op hetgeen zich hier allemaal afspeelt, Wat dat betreft is het onderscheid tussen „gewone” en paranormale verschijnselen merkwaardig. Misschien noemen we iets alleen maar gewoon omdat het vaak gebeurt en niet omdat we het begrijpen.

Piet Vroon, de Volkskrant 02-04-1983

Geheugen [18-1]

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1295-1209

.

.

VRIJESCHOOL – Zintuigen – evenwichtszin (9-4/2)

.

De evenwichtszin

Dit zintuig bepaalt op grond van een innerlijke waarneming onze positie ten opzichte van de ruimte. We nemen onszelf waar in een statische toestand, in rust. Rudolf Steiner zegt hierover: de evenwichtszin is innerlijke rust, het is zichzelf beleven als geest. In deze rust wordt heel sterk onze oprichtingskracht zichtbaar.

De evenwichtszin heeft drie aanknopingspunten in het lichaam: de evenwichtsorganen in het oor, de zonnevlecht en de knieën. De laatste twee punten zijn niet zo bekend, maar wel onmiddellijk herkenbaar als je denkt aan de waggelende gang van de dronkaard. Het lukt niet meer om met de knieën de zwaartekracht te overwinnen. Het ik is daar niet toe in staat. De zonnevlecht komt in beeld bij bij­voorbeeld hoogtevrees, of zeeziekte: een gevoel van misse­lijkheid overvalt je op het moment dat je je niet meer op een goede manier op de omgeving kunt oriënteren.

Van boven naar beneden
Het kleine kind overwint de zwaartekracht van boven naar beneden: het wiebelende hoofdje van de pasgeborene ‘staat’ na enkele weken. Zodra het kind het hoofd zelf over­eind kan houden, ontstaat een andere verhouding tot de omgeving! Daarna leert het kind om het bovenlijf zelf recht­op te houden, het kind gaat zitten. Nu kan het de handen vrijer bewegen, spelen. Weer een nieuwe verhouding tot de omgeving. De volgende stap is dat het kind kan gaat staan: vanuit de liggende afhankelijkheid heeft het kind zich opgericht en komt het op zijn eigen benen te staan.

Dankzij de evenwichtszin kunnen wij ons oprichten en op de omgeving oriënteren. Het is onze persoonlijkheid, onze individualiteit die met dit proces te maken heeft. De wezen­lijke beleving van het evenwicht is dat we rechtop kunnen blijven ook als er een verandering optreedt in een van de ruimterichtingen (boven/onder, voor/achter, links/rechts). We kunnen in de bergen wandelen, in de botsautootjes zitten of een probleem oplossen, wij beleven onszelf – weliswaar onbewust- steeds verticaal. Dat komt omdat alle veranderingen in het evenwicht als het ware meteen bij het ontstaan door het evenwichtsorgaan worden glad gestreken, vereffend. Maar verlies je per ongeluk je even­wicht, bijvoorbeeld doordat je struikelt, dan kan dat voor je lijf en voor je zelfgevoel een pijnlijke ervaring zijn. Het jonge kind moet zich dit evenwicht eerst veroveren en leert letterlijk met vallen en opstaan. Op die manier krijgt hij zijn eigen verhouding tot de omgeving.

Uniek zijn
Wanneer Rudolf Steiner spreekt over zichzelf beleven als geest, spreekt hij over het meest individuele van de mens. Daarmee is de evenwichtszin dus verwant. Hierdoor kun­nen we ons IK in de drie ruimterichtingen gewaarworden. Hierin drukt zich ons eigen unieke menszijn uit. (Hieruit volgt dat een mens evenveel evenwichtshoudingen aan kan nemen, als er individualiteiten zijn!) Wanneer de even­wichtszin zich niet goéd kan ontwikkelen ontstaat er in de ziel een drang tot vernietigen, tot zelfvernietiging.

Voor het jonge kind is het van levensbelang dat het tijd en ruimte krijgt om te groeien en te rijpen. Het forceren of te vroeg uitlokken van ontwikkelingen kan de bewegingszin overvragen. En een overvraagde bewegingszin leidt tot een verzwakking van het beeldende vermogen!

Voor het jonge kind is ook ritme van levensbelang. Dat ondersteunt al zijn leer- en levensprocessen. Levenszin, bewegingszin en evenwichtszin gaan hier samen: de afwis­seling tussen beweging en rust, tussen volhouden en uit­rusten en je daardoor lekker in je vel voelen. Dat kan door een herkenbaar dagritme, door terugkerende en herkenba­re handelingen. Voor de nabootsing is het heerlijk als het kind mee kan doen met de huishoudelijke karweitjes.

Daar zitten niet alleen alle basisbewegingen in, maar ze geven het kind ook een gevoel van voldoening!

Voor de evenwichtszin is het belangrijk om de onbevangen­heid van het kind niet te storen. Het is goed om bij het jonge kind je bewust te zijn van gevaarlijke situaties, maar probeer om het niet voortdurend te vermanen. Dat remt, maakt het kind onzeker. Volg je je kind vol vertrouwen, dan voelt het zich zeker en leert het omgaan met weerstanden.

Alle vier op een rij
Van de zintuigleer wordt weleens gezegd, dat ze het eerste hoofdstuk is van de antroposofische menskunde. Hierin neemt het vierledige mensbeeld een centrale plaats in.

De zintuigen zijn ook telkens in vieren verdeeld. Zo hangt de tastzin samen met het fysieke lichaam, de levenszin met het etherlichaam, de bewegingszin met het astrale lichaam en de evenwichtszin met ons IK. Maar je kunt er ook op een andere manier naar kijken.

In de tastzin leert het kind ervaren: de wereld is waar, in de levenszin: de wereld is goed. Dat is in het vorige artikel aan bod gekomen.

Hoe zit dat met de bewegingszin? Een van de kwaliteiten die in de ziel ontstaan door de bewegingszin is het vermo­gen tot verbeelden en door een ander, door kunst of de natuur bewogen te worden. Dan kunnen we ervaren: de wereld is mooi.
De evenwichtszin voegt niet zozeer een nieuw element toe. Wanneer je de evenwichtszin verbindt met ons IK, dan zou je kunnen zeggen dat er een nieuwe dimensie ontstaat.

Daar komen deze drie samen: de wereld is waar, goed en mooi: dat is de wereld waarin ik wil zijn.

Als dat er zo staat, realiseer ik me dat het voor ouders een klus is om het jonge kind in deze werkelijkheid te laten leven, want onze wereld is niet vanzelfsprekend waar, goed en mooi. Het vraagt een inspanning van ons om dat aan de kinderen zichtbaar te maken!
.

Suzanne van Kempen, Seizoener, lente 2006

.

Evenwichtszin

.

Zintuigen: alle artikelen

.

1285-1199

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-1-1)

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE – GA 293

GA= Gesamt Ausgabe, (volledige uitgave): de genummerde reeks boeken en voordrachten van Steiner.

Duitse tekst
Vertaling 

Blz. 17 vert. 17

Een taak, niet van het intellect en het gemoed, maar moreel en geestelijk

Wat dat kan betekenen, wordt hier uiteengezet.

In het leven ‘zien’ we er voorbeelden van. Waarom déze voorbeelden, wordt alleen duidelijk door het artikel te lezen waarnaar de link hierboven gaat.

Amnesty International
Amnesty beschrijft onterechte opsluitingen en martelingen. Wanneer je de analyses, de opsomming van aantallen leest, kun je je terecht boos voelen of verontwaardigd. Het daarbij laten valt m.i. onder ‘intellect en gemoed’; actief worden, brieven schrijven, ‘het er niet bij laten zitten’ omdat het onrechtvaardig is, is de kant van het morele, roept de vraag op wat recht is, wellicht wat recht dient te zijn.
Verantwoordelijkheid en besluiten tot een daad heeft met de wil te maken, die vanuit een bepaald perspectief de tegenhanger is van het (eenzijdig) denken: het intellect.

0-0-0

Deken van plastic bij Nova Zembla
Wetenschappers hebben het in beeld gebracht; geanalyseerd. Ze weten het (intellect) en zijn terecht bezorgd (gevoel). Maar de verantwoording (moraliteit) ligt bij de politiek. Die moet iets doen! De wil hebben en kunnen opbrengen om iets te doen!

0-0-0

Joris Luyendijk:
‘Ik sprak een structurer, zo heet een bankier die financië­le producten bouwde en verkocht die hij zo complex maakte dat de kopers ervan niet begrepen dat ze ze niet be­grepen. Hij verdiende per jaar zo’n miljoen euro. Hij was een voor rede
vatba­re en hoog intelligente man die miljonair werd door mensen te belazeren. Hij wist precies wat hij deed, en had er ook een door­timmerde rechtvaardiging voor: alles wat hij deed, viel binnen de wet. En als hij ’t niet had gedaan, had iemand anders het wel gedaan.

Ik vroeg een professio­neel belegger in koffie: denk je wel eens na over de gevolgen van jouw beslissingen voor al die koffieboertjes in Azië, Afrika en Zuid-Amerika? Hij raakte ervan in de war. “Ik ben gewoon een getallenman”, zei hij. “Ik doe de analyses, in mijn kantoor, met mijn collega’s.”

Deze mensen waren absoluut niet immoreel (dat zijn de wetsovertreders wel) maar, in hun eigen woorden: ‘amoreel’. Ik noem ze koele kikkers. Geen monsters, vaak huldigen ze privé een strenge moraal en zijn ze zelfs diepgelovig. Kun je, vroeg ik dan, tegelijkertijd God en de Mammon dienen? Ja, dat kan best: een keurige burger kan, als hij als soldaat optreedt, toch ook mensen doden?

Deze amoraliteit is de sleutel voor begrip van onze tijd. Als je amoreel bent kun je makkelijk ‘neutraal’ blijven en de andere kant op kijken wanneer collega’s – binnen de wet – dingen doen waarvan ze absoluut niet zouden willen dat anderen die met hen deden. Bovendien: als zij het niet doen, doet de concurrent het en gaan we uiteindelijk failliet.

Daarom zal een moreel appel aan beurs­genoteerde banken die zelf een amorele grond­slag hebben, niets uitrichten of opleveren. Be­halve veel vrome woorden, pr en een bankierseed.

“Iedereen is hebzuchtig. Als jij een T-shirt koopt voor drie pond, denk je dan aan de stakker in Bangladesh die twaalf uur per dag werkt voor een shitsalaris?”

In de eerste wereld leven we met z’n allen ten koste van de andere vijf miljard, wilde hij maar zeggen.

Hoe kun je mensen nu aanspreken op de immorele uitkomsten van hun wettelijk geoorloofde, amorele gedrag?’

Een paar opmerkingen uit de  ‘Bergredelezing’ die Joris Luyendijk dinsdag 2/2/16 hield in de Amersfoortse Bergkerk.

0-0-0

Rudolf Steiner:
Es muß für die Erdenentwicklung eine Zeit kommen zur Vorbereitung von zukünftigen planetarischen Zuständen der Erde, in der es unmöglich ist, daß der einzelne irgend etwas auf der Erde genießt auf Kosten des anderen. Geradeso wie sich das einzelne Blatt oder das einzelne Blütenblatt der Pflanze als ein Glied der ganzen Pflanze fühlt und Leid und Freude der ganzen Pflanze miterlebt – bildlich gesprochen -, so muß eine Zukunft über die Erde kommen, in der der einzelne kein Glück haben will auf Kosten des Ganzen, in der er sich als ein Glied der ganzen Menschheit fühlt.

Er moet voor de aarde-ontwikkeling een tijd komen als voorbereiding op toekomstige planetaire toestanden van de aarde, waarin het onmogelijk is dat de enkeling op aarde van iets geniet op kosten van de ander. Net zoals een enkel blad of een enkele bloem zich een deel voelt van de hele plant en vreugde en verdriet van de hele plant meebeleeft – figuurlijk gesproken – zo moet er op aarde een toestand gaan heersen waarin de enkeling niet gelukkig wil zijn op kosten van het geheel, waarin hij zich als deel van de hele mensheid beleeft.
GA 218/177
Niet vertaald 


0-0-0    

Variabele beloningen
Sluw bonusplan voor topman Renault-Nissan.

Hoge bonussen voor topmanagers die worden overgemaakt naar een bv in Nederland. Een bv die speciaal is opgericht voor bonussen en om belastingtechnische redenen is gevestigd in Nederland. Zie daar het plannetje dat de Britse investeringsbank Ardea Partners bedacht voor een klant. Die klant is Carlos Ghosn, al jaren topman van Renault-Nissan.
Of het plannetje ooit werkelijkheid wordt is twijfelachtig, want persbureau Reuters legde er beslag op en besteedde er uitgebreid aandacht aan. Dat zal de aandeelhouders van Renault niet zijn ontgaan. Bij de grootste aandeelhouder, de Franse staat, is al langer irritatie over de bezoldiging van Ghosn, die 15,6 miljoen euro opstreek over het jaar 2015. Na commentaar van de Franse staat verlaagde Renault de variabele beloning van Ghosn met 20 procent.
Renault is al jaren grootaandeelhouder van Nissan en werkt ook samen met een andere Japanse autobouwer: Mitsubishi. Ardea geeft Ghosn adviezen over de nadere uitwerking van die samenwerking. In het plannetje van Ardea zouden topmanagers flinke bonussen krijgen als die nauwere samenwerking tot forse kostenbesparingen zou leiden. Een derde deel van die bonussen zouden de bestuursvoorzitters en president-commissarissen van Renault, Nissan en Mitsubishi opstrijken. In de praktijk zou dat vooral Ghosn zijn, topman van Renault en president-commissaris bij Renault, Nissan en Mitsubishi.
Trouw 14-06-2017

0-0-0

Nasleep affaires kost betrapte banken 290 miljard euro
Een Brits bureau berekende hoeveel schadevergoedingen en boetes banken betaalden na hun manipulaties.
De twintig grootste westerse banken waren in 2012 tot en met 2016 samen 264 miljard pond (grofweg: 290 miljard euro) kwijt aan kosten die het gevolg waren van illegale of twijfelachtige activiteiten. Amerikaanse banken, Bank of America voorop, waren het meeste geld kwijt, gevolgd door Britse banken. Onder de twintig banken is één Nederlandse: ING. Die raakte 910 miljoen pond kwijt door diverse affaires.

Dit blijkt uit een studie van de CCP Research Foundation, een Britse instelling die al een paar jaar onderzoek doet naar de bedragen die banken kwijt zijn als ze worden betrapt op twijfelachtige of illegale praktijken. CCP Research turft niet alleen de boetes die banken daarvoor hebben gekregen (van overheden of andere toezichthouders), maar rekent ook de bedragen mee die banken moeten betalen om gedupeerde klanten schadeloos te stellen. Andere uitgaven, zoals rekeningen voor juristen en advocaten en kosten voor de uitvoering van schadeloosstellingen, rekent CCP Research eveneens mee.

In het bedrag van 264 miljard pond zitten niet alleen de bedragen die de banken in die periode daadwerkelijk hebben moeten betalen, maar ook de sommen die ze vast apart hebben gezet om toekomstige uitgaven te dekken. Een exact bedrag in euro’s is moeilijk te geven omdat een deel van die uitgaven een paar jaar geleden is gedaan en het Britse pond toen veel meer waard was dan nu. Momenteel is een pond bijna 1,10 euro waard.

De hoogste rekeningen waren in de periode 2012-2016 voor Bank of America: 45,59 miljard pond. Daarna volgen JP Morgan (33,64) en Morgan Stanley (24,36).

Verrassend is die uitkomst niet. Die banken bundelden jaren geleden hypotheken, verkochten ze en prezen ze ter verkoop aan, terwijl ze wisten dat het ging om hypotheken die vaak waren afgesloten door arme huiseigenaren die rente en aflossing mogelijk niet konden betalen. Ook andere banken maakten zich voor en rond 2008 schuldig aan de verkoop van zulke hypotheekpakketten – En zijn daarvoor beboet. De ‘slechte-hypotheekaffaire’ mondde uit in de grote financiële crisis van 2008. Voor de betrokken grote banken leidde de afhandeling van deze affaire tussen 2012 en 2016 tot 66 miljard pond aan kosten.
Naast vijf Amerikaanse staan er vier Britse banken in de top tien van CCP Research. Het gaat om Royal Bank of Scotland (21,51 miljard), LLoyds (20,47), Barclays (17,05) en HSBC (11,39). Britse banken, Lloyds voorop, kregen tussen 2012 en 2016 een hoge rekening gepresenteerd voor verzekeringen die klanten afsloten (of moesten afsluiten) als ze een krediet bij de bank wilden krijgen. Die verzekeringen gaven weinig dekking.
Bovendien schoten de banken tekort bij de afhandeling van klachten.
Andere affaires waarvoor banken uiteindelijk moesten bloeden waren het gemanipuleer met het toonaangevende Europese rentetarief (Libor), gerommel met valuta en het ontduiken van het (Amerikaanse) verbod om zaken te doen met landen als Iran, Soedan en Cuba. Voor dat laatste kreeg ING in 2012 een forse boete voor zaken die voor 2007 werden gedaan. Volgens CCP Research was ING in de periode 2012-2106 910 miljoen pond kwijt aan de afhandeling van affaires. Daarmee belandde ING in de lijst van twintig banken op de gedeelde negentiende plaats. Rabobank was betrokken bij de Libor-zaak, maar komt in de lijst van twintig niet voor.
Trouw, 16-08-2017

0-0-0

In 2011 veroorzaakte ING maatschappelijke onrust doordat de raad van commissarissen – o.l.v. Jeroen van der Veer – voorstelde de toenmalige topman Hommen een bonus te geven van 1,25 miljoen euro.
Anno 2018 gebeurt weer iets dergelijks – opnieuw onder van der Veer: topman Hamers wordt een loonsverhoging in het vooruitzicht gesteld van ruim 50%. Door de publieke verontwaardiging wordt het voorstel ingetrokken. ‘Dat’, zegt hoogleraar bedrijfsethiek Wim Dubbink, ‘is geen overwinning van de moraliteit. Bij de bank, in de hele sector, is moraliteit ver te zoeken.’

Er is de politieke neiging om de bankensector en de beloning van topmensen met steeds meer regels te omgeven. Die wens om meer regels klonk de afgelopen dagen in Den Haag ook weer.

“Regels maken geen moraliteit. In Nederland wordt heel veel gediscussieerd over integriteit, en heel vaak eindigt dat in het opstellen van nieuwe regelgeving. Politiek Den Haag zou eigenlijk maar één regel moeten stellen waarin geëist wordt dat er in organisaties over moraliteit gesproken wordt. De banken kunnen wat dat betreft een voorbeeld nemen aan de gezondheidszorg: daar zijn allerlei manieren bedacht om openingen te vinden naar het gesprek over moraliteit. Van het voeren van moreel beraad tot het werken met technieken die mensen confronteren met de morele connotaties van hun werk. Die helpen je om de argumenten die je aanvoert voor je handelen te toetsen op hun moraliteit. Moraliteit kan niet zonder zelfreflectie, zonder gesprek. Die zelfreflectie heeft Dubbink bij ING niet gezien. De raad van commissarissen kijkt op een legalistische manier naar integriteit: blijven we binnen de regels? Dat is het effect van een politiek die alles telkens maar weer vanuit regels benadert. De politiek weet geen weg naar moraliteit te vinden buiten het stellen van regels om. Het paradoxale gevolg daarvan is dat de moraliteit steeds verder naar de rand wordt geduwd.”
Trouw, 14-03-2018

0-0-0

2017:
De rijkste 1 procent van de wereld bezit 22 procent van het mondiale inkomen.

2019:
[62] In 1905 formuleerde Rudolf Steiner zijn ‘sociale hoofdwet’
In 2019 bezitten op een wereldbevolking van 7.670.000.000    26    mensen evenveel als 3.800.000.000 mensen die tot de armsten behoren.

0-0-0

De tien rijkste mensen bezitten samen zes keer meer vermogen dan de armste 3,1 miljard mensen.
                                     Michiel Servaes, directeur Oxfam Novib

De tien rijkste mannen werden in de pandemie dubbel zo rijk.

Ongelijkheid 

Elke 26 uur kwam er tijdens de pandemie gemiddeld één miljardair bij, zegt Oxfam. Een fikse pandemiebelasting voor de allerrijksten kan helpen om de ongelijkheid terug te dringen.

Het vermogen van de tien rijkste mannen ter wereld is verdubbeld in de eerste twee jaren van de pandemie, van ongeveer 700 miljard tot 1500 miljard dollar. Tegelijkertijd zijn meer dan 160 miljoen mensen extra in de armoede terecht gekomen, wat een trendbreuk is met voorgaande jaren.

“Het feit dat de tien rijkste mensen nu samen zes keer meer vermogen bezitten dan de armste 3,1 miljard mensen legt de extreme ongelijkheid in de wereld bloot”, zegt Michiel Servaes, algemeen directeur van ontwikkelingsorganisatie Oxfam Novib. De cijfers komen uit het rapport Inequality Kills van Oxfam dat vandaag* verschijnt.

Die tien rijkste mannen zijn Elon Musk (Tesla), Jeff Bezos (Amazon), Bernard Arnault (Franse zakenman), Bill Gates (mede-oprichter Microsoft), Larry Ellison (techbedrijf Oracle), Larry Page en Sergej Brin (oprichters Google), Mark Zuckerberg (Facebook), Steve Ballmer (voormalig topman Microsoft) en Warren Buffett (belegger). 

0-0-0

Quote 500: de rijken werden weer rijker – op de allerrijkste na dan

Zakenblad Quote publiceerde zijn jaarlijkse ‘rijkenlijst’ weer. Natuurlijk staat Charlene de Carvalho-Heineken bovenaan, al nam haar vermogen wat af. De meeste rijken werden afgelopen jaar 2024 rijker.

Rijken worden vaak nog rijker. Die wijsheid ging afgelopen jaar (weer) op voor de 500 meest vermogende Nederlanders. Hun vermogen groeide met bijna 5 procent, berekende zakenblad Quote, dat sinds 1997 jaarlijks een lijst opstelt van de 500 meest vermogende Nederlanders.

Quote schat het gezamenlijke vermogen van de top-500 – soms gaat het niet om individuen maar om meerdere personen – op 253 miljard euro. Het komt daarmee op een veel hoger bedrag uit dan het Centraal Planbureau dat in augustus met een rijken-studie kwam. Daarin werd het vermogen van de 1500 rijksten geschat op 135 miljard. Dat cijfer had betrekking op het jaar 2022, maar dat kan geen verklaring zijn voor het enorme verschil met de bevindingen van Quote.

Marktwaarde

Waar hem dat grote verschil wel in zit? Quote-redacteur Tim Jansen stelt dat het Planbureau keek naar mensen die in Nederland wonen en dat Quote kijkt naar het vermogen van mensen met een Nederlands paspoort. Charlene de Carvalho-Heineken, met 12,1 miljard de meest vermogende Nederlander, woont in het buitenland. Dat geldt ook voor Ralph Sonnenberg, de nummer 2 op de Quote-lijst.

Charlene de Carvalho is de dochter van wijlen biermagnaat Freddy Heineken en is grootaandeelhouder van het Heineken-concern. Sonnenberg is grootaandeelhouder van Hunter Douglas, de fabrikant van Luxaflex. Overigens zag De Carvalho haar vermogen met 4 procent dalen: dat kwam doordat haar aandelen Heineken vorig jaar minder waard werden. Quote raamt Sonnenbergs vermogen op 7 miljard euro.

Verder speelt volgens Jansen mee dat het CPB uitging van de boekwaarde van bezittingen, zoals bedrijven, terwijl Quote uitgaat van de marktwaarde. Die ligt doorgaans hoger dan de boekwaarde – soms kan dat veel schelen. Het CPB keek naar de rijkdom van personen, bij Quote kunnen meerdere personen op één plaats staan: omdat ze samen eigenaar zijn van een bedrijf of gezamenlijk erfgenaam zijn.

Buitenlandse bezittingen

Het CPB meldde destijds dat het lang niet altijd zicht had op alle bezittingen van de meest vermogenden, zeker niet op buitenlandse bezittingen. Als Quote weet heeft van dat soort bezittingen, maakt het een schatting van de waarde ervan.

Ook Jansen vindt het verschil in uitkomsten tussen de twee onderzoeken groot. “Rijken zijn rijker dan het CPB meldt.” Quote schat in gevallen van twijfel de waarde van bezittingen aan de conservatieve kant in, zegt hij. Rijken kunnen dus ook rijker zijn dan Quote vermoedt. NRC, dat dit jaar een onderzoek deed naar de financiële handel en wandel van Charlene de Carvalho, schatte haar vermogen op 16 miljard euro.

Quote turfde 52 miljardairs, een record. De meeste personen op de lijst zijn ondernemer. Ruim de helft bouwde zijn of haar bedrijf zelf op. Dat geldt voor Remon Vos, mede-eigenaar van het beursgenoteerde bedrijf CTP, dat vooral in Oost-Europa bedrijfsterreinen ontwikkelt, bouwt en beheert. Vos woont volgens Quote in Praag. Het CPB concludeerde ook dat het oprichten van een onderneming dé manier is om (puissant) rijk te worden.

Verstappen de jongste

Plek vier op de lijst is voor de zussen Gérita en Inge Wessels, dochters van de in 2017 overleden bouwer en rasondernemer Dik Wessels. Zij zijn grootaandeelhouder van het investeringsfonds Reggeborgh, dat onder meer eigenaar is van het bouwbedrijf VolkerWessels. Wijnand Pon, grootaandeelhouder van het familiebedrijf Pon, dat onder meer auto’s importeert en fietsen produceert, staat met een geraamd vermogen van 5,4 miljard op de vijfde plaats. In de top tien staan verder onder meer ondernemer Marcel Boekhoorn (2,8 miljard) en de drie kinderen van Karel van Eerd, voormalig topman van supermarktconcern Jumbo.

Nog een paar namen: Ali Niknam, oprichter van de onlinebank Bunq, zag zijn vermogen met bijna 50 procent toenemen naar 2,5 miljard euro. Dat kwam vooral doordat zijn belang in een Belgisch bedrijf sterk in waarde steeg. Niknam staat twaalfde, acht plaatsen hoger dan Raymond Cloosterman, de oprichter van Rituals. Autocoureur Max Verstappen (27) is de jongste op de Quote-lijst. Hij is ook een van de weinigen die in loondienst is. Zijn geschatte vermogen: 210 miljoen euro. De nummer 500, Theo van Workum die met zijn bedrijf Rent-All licht- en geluidsapparatuur verhuurt, is goed voor 130 miljoen. Nooit eerder had de rodelantaarndrager van de Quote-500 zo’n groot vermogen.

0-0-0

Economisch geweld
Dat vooral arme landen geen toegang hebben tot vaccins, draagt ondertussen bij aan de extreme ongelijkheid in de wereld. Vrouwen en andere achtergestelde groepen zijn tijdens de crisis extra hard geraakt. Oxfam spreekt hierbij van ‘economisch geweld’, waarbij de rijkste en machtigste mensen worden bevoordeeld ten koste van de meerderheid van de bevolking.

Er zijn ook positieve ontwikkelingen. Zo heeft de Chinese overheid meer oog gekregen voor de ongelijkheid in het land en spreekt president Xi Jingping inmiddels over het belang van ‘gedeelde welvaart’. 
Trouw 17-01-2022

2023

INKOMENSONGELIJKHEID

Allerrijksten werden 1.500 miljard dollar rijker in 2023

NEW YORK. De allerrijksten ter wereld zijn met nog twee dagen te gaan dit jaar 1500 miljard dollar rijker geworden. Dat blijkt uit de vrijdag gepubliceerde Bloomberg Billionaires Index van de 500 rijkste mensen in 2023. In 2022 verloren ze gezamenlijk nog zo’n 1400 miljard dollar. Tech-miljardairs gingen er vooral flink op vooruit. Zij zagen hun vermogen met bijna 50 procent groeien, vooral dankzij de toenemende belangstelling voor kunstmatige intelligentie. Niemand deed het beter dan Elon Musk, die de titel van rijkste persoon ter wereld heroverde op de Franse luxemagnaat Bemard Amault van LVMH. Musk voegde dit jaar nog eens 95,4 miljard dollar toe aan zijn immense fortuin, vooral vanwege het succes van autoconcern Tesla en ruimtevaartbedrijf SpaceX. (ANP/Bloomberg)

0-0-0

Ook de hebzucht heeft een geschiedenis: ‘Hebzucht, een filosofische geschiedenis van de inhaligheid’, Jeroen Linssen. (Meer)

0-0-0

ERGERNIS OVER ‘GRAAIZUCHT’ EN EXCESSIEF HOGE BELONINGEN IN HET BEDRIJFSLEVEN

“De graaizucht bij bedrijven is nog nooit zo groot geweest als nu.” Een prikkelende tekst en helemaal als die uit de mond komt van een kopstuk in de financiële wereld. En een kopstuk is Nicolai Tangen. Hij is de baas van Norges Bank Investment Management, ’s werelds grootste staatsinvesteringsfonds, dat in 9338 bedrijven belangen heeft en ook belegt in (staats)leningen. Eind maart hadden al zijn bezittingen een waarde van 1128 miljard euro. Het fonds wordt gevuld met de opbrengsten uit de Noorse olie- en gasindustrie, de beleggingsopbrengsten komen ten goede aan de Noorse bevolking.

Zo begint een artikel in Trouw van 20-05-2022

Tangen beweert dat vooral in de Verenigde Staten de graaizucht bij bestuurders van beursgenoteerde bedrijven grote vormen heeft aangenomen. Hij vindt ook dat bestuurders en commissarissen in eerste instantie verantwoordelijk zijn voor de enorm hoge beloningen, maar ook de aandeelhouders van die bedrijven. zouden zich vaker tegen excessieve beloningen moeten keren.

De laatste maanden deed het Noorse staatsfonds het: protesteren tegen het beloningspakket van Patrick Gelsinger, topman van chipfabrikant Intel: in totaal 178 miljoen dollar. Het sprak zich uit tegen de 99 miljoen dollar die Apple-voorman Tim Cook in zijn tiende jaar als bestuursvoorzitter mocht opstrijken.

Er komt wel meer verzet van aandeelhouders, zo lezen we: bij Coca-Cola en Accenture (consultancy) vonden bijna de helft van de stemmende aandeelhouders de beloning van respectievelijk James Quincey (25 miljoen) en Julie Sweet (23,1 miljoen) te gortig. Ongebruikelijk veel.

En in Nederland? Aandeelhouders nemen hier al vaker stelling tegen beloningsvoorstellen of tegen de manier waarop die voorstellen worden uitgevoerd. De aandeelhouders van Philips keerden zich vorige week en masse tegen de bonus van 1,8 miljoen euro voor topman Frans van Houten. Maar de commissarissen van Philips legden dat naast zich neer. Van Houten krijgt zijn bonus toch.

De stemming over de meest bizarre beloning was overigens vorige week, bij de aandeelhoudersvergadering van het Amerikaanse concern Universal Music Group (UMG), dat een beursnotering heeft in Amsterdam. Topman Lucian Grainge kreeg niet alleen 270 miljoen bijgeschreven, hij ontving twee bonussen om wel heel bijzondere redenen. Hij kreeg 195 miljoen dollar omdat hij UMG naar de beurs had gebracht en nog eens zo’n 40 miljoen dollar omdat een Chinese aandeelhouder zijn belang in UMG had vergroot en een Amerikaanse belegger toetrad tot het rijtje grootaandeelhouders. Diezelfde aandeelhouders bepaalden deels ook de uitslag van de stemming over Grainge’s beloning: goedgekeurd.
Trouw, 20-05-2022

0-0-0

HERVERDELING

De rijkste mensen dragen niet de zwaarste lasten

In Nederland is minder herverdeling van hoge naar lage inkomens dan tot nu toe gedacht werd, schrijft het Centraal Planbureau.

e sterkste schouders dragen in Nederland niet de zwaarste lasten. Die opvallende conclusie trekt het Centraal Planbureau (CPB) deze vrijdag in een gedetailleerde studie naar alle Nederlandse huishoudens.

Middeninkomens en hoge inkomens betalen relatief ongeveer evenveel belasting: rond de 40 procent van hun inkomen. Nog opvallender zijn de uitersten. Voor de 0,01 procent hoogste inkomens is de belastingdruk ongeveer twee keer zo laag: 21 procent. De laagste inkomens betalen juist relatief méér belasting.

„Dat topinkomens een stuk minder belasting betalen, is een nieuwe uitkomst. Het heersende beeld – dat hoge inkomens meer belasting betalen -blijkt niet uit deze studie.”

Minder premies

Een belangrijke verklaring is dat het planbureau nu alle belastingen meerekent. De inkomstenbelasting is hoger voor wie meer geld verdient. Maar voor andere belastingen geldt een omgekeerd effect.

Zo kennen de sociale premies (voor onder meer werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsregelingen) een bovengrens. Wie een hoger salaris heeft, hoeft over dat deel van het loon geen premie te betalen. Dus hoe hoger je loon boven die grens uitkomt, hoe lager je relatieve premielast.

Ook de belasting op consumptie (btw en accijnzen) raakt lage inkomens harder. Zij geven een groter deel van hun inkomen uit, hoge inkomens houden meer over om te sparen.

Het CPB baseert zich op 2016: een van de laatste jaren waarvoor volledige en gedetailleerde data beschikbaar waren.

Bijstand en toeslagen

Per saldo ziet het CPB alsnog een herverdeling van rijk naar arm, al is die kleiner dan uit eerdere studies naar voren is gekomen.

Deze herverdeling loopt niet via de belasting, maar via de uitgaven van de overheid. Allereerst profiteren de laagste inkomens sterk van allerlei vormen van inkomensondersteuning: van bijstandsuitkeringen tot toeslagen.

Maar het planbureau heeft breder gekeken, ook naar publieke uitgaven die ‘in natura’ bij huishoudens terechtkomen, zoals onderwijs en zorg.

Veel van dit soort uitgaven komen ongeveer gelijkmatig terecht bij hoge en lage inkomens. Zo vloeit er ongeveer evenveel onderwijsbudget naar hoge als naar lage inkomens. Relatief gezien profiteren de lage inkomens hier het meest van: als percentage van hun inkomen gaat het om grote bedragen.

Een kleiner aantal uitgaven, zoals de jeugdzorg en langdurige zorg, komt ook in absolute zin vooral bij lage inkomensgroepen terecht.

Zónder herverdeling via de overheid zou de helft laagste inkomens ongeveer 19 procent van het nationale inkomen ontvangen, becijfert het CPB. De overheid krikt dat op naar 29 procent.

De 10 procent hoogste inkomens ontvangt door overheidsingrijpen een kwart van het nationale inkomen in plaats van een derde.
NRC 25-03-2022

0-0-0

In zijn boek ‘Solidarität’ heeft de schrijver Heinz Bude het over ‘ontspoorde ongelijkheid’. 
Hij zegt[1] 

Terug naar wat u eerder zei: u ziet het rechts-populisme als een teken dat mensen niet meer geloven in het idee van het sterke individu. Waarom ervaren ze dat als een leugen?

Er is een nieuwe vorm van weerzinwekkende rijkdom, overal ter wereld, met ongelijkheid niet alleen tussen de boven- en de onderkant van de samenleving, maar veel directer, naast je, op je eigen gang. Er zijn huishoudens waarin beide partners precies even hoogopgeleid zijn, maar de een verdient vier- en de ander tienduizend euro. Ben je een beetje slim en weet je de weg in de digitale wereld, dan kun je tweeduizend per dag verdienen. Wanneer je jammer genoeg leraar bent met een vast contract, zul je nooit meer dan vierduizend bruto verdienen. Per maand.

“Zulke ongelijkheid was er vroeger niet, of veel minder. Ze is ontspoord. De belofte was: we leven in een prestatiemaatschappij, maar in werkelijkheid rijmen prestatie en beloning niet. Minimale verschillen in prestatie hebben grote gevolgen voor het inkomen. Wat we hebben, zijn steeds meer winner takes all-markten. Dat is het resultaat van de laatste veertig jaar. De top krijgt zeer veel en steeds meer. En de rest zoekt het maar uit. Dat maakt de mensen woest. Ik kan dat begrijpen. Daar móéten we iets tegenover zetten.”
Wat dan?
“Een begrip van solidariteit voor nu, voor het tijdperk na het neoliberalisme. Anders ingevuld dan vroeger, existentieel en urgent. De politiek kan niet meer uitgaan van een ervaren collectief, zoals klasse. Klassiek links dacht aan een ‘wij’ van onderdrukten en uitgebuiten. Dat bestaat niet meer. Er zijn te veel winnaars en verliezers die zich niet meer laten verenigen.” »
“Solidariteit”, schrijft Bude, “gaat om mijn bereidheid me te openen voor de noden en het lijden van mijn medemensen, en mijn gevoel van verantwoordelijkheid en bekommernis om het geheel”.
De vraag van rechtvaardigheid is: Wat komt je toe? Solidariteit vraagt: Wat heb je nodig? Die laatste vraag hebben onze verzorgingsstaten veel te weinig gesteld.”
Alleen op het ‘ik’ kun je in de huidige tijd nog een urgent idee van een ‘wij’ funderen. Niet vanuit klasse of voorgegeven groep.”
“We leven momenteel in een tijd – en daarom is het echt het ogenblik van de solidariteit – waarin de erkenning van onze kwetsbaarheid zich kan verbinden met de erkenning dat de hele planeet kwetsbaar is. Dat de aarde op ons is aangewezen. Anders gaan we samen ten onder.” «
[1] In interview in Trouw Letter&Geest
19-10-2019

Salaris:

De Saudische topclub Al-Hilal biedt Kylian Mbappé een jaarsalaris van 700 miljoen euro. Wat gaat de Franse sterspeler doen?*

700 miljoen euro per jaar,
58,3 miljoen euro per maand,
13,3 miljoen euro per week,
1,9 miljoen euro per dag,
79.000 euro per uur,
1300 euro per minuut en
22 euro per seconde. 

Trouw, 26-07-2023
*hij ziet ervan af: spelen in de Champions League is fijner.

Inmiddels is het aantal mensen dat onder de armoedegrens leeft, weer toegenomen…

0-0-0

Voor sommige rijken lijkt het besef te groeien dat het anders moet:

De relatief weinig rijken t.o.v. de vele armeren vind je ook in Duitsland: de armere helft van de bevolking bezit slechts 1,2 procent van al het vermogen. In Oostenrijk bezit de rijkste 1 procent naar schatting 50 procent.

En dat laatste vindt de Oostenrijkse Marlene Engelhorn onbestaanbaar.
Zij erfde als erfgename uit de BASF-familie miljoenen. Daarover hoeft ze in Oostenrijk geen belasting te betalen. Dat vindt zij onjuist en daarom geeft ze 90% haar geld weg, 25 miljoen euro.
„Families kunnen geld doorgeven alsof het adellijke dynastieën zijn. Hoe past dat in een democratie?”
„Ik heb dit geld omdat het niet belast is”, aldus Engelhorn. ‘Ik heb dit geld omdat de regering haar opdracht verzaakt vermogen zo in de maatschappij te verdelen dat het niet uitsluitend en volstrekt onrechtvaardig bij mij landt.”

Marlene Engelhorn

Een burgerraad van vijftig willekeurig gekozen Oostenrijkers moet beslissen hoe het geld wordt besteed.

Engelhorn is niet tevreden met het belastingbeleid in Oostenrijk. Ze nam al eerder het initiatief ‘Taxmenow’, en staat daarin niet meer alleen: het is een collectief van zo’n zestig vermogenden in Duitstalige landen die pleiten voor herverdeling van geld.

Er is nu een ‘Goede Raad voor Herverdeling’ opgericht, die met hulp van experts maar zonder inspraak van Engelhorn gaat bepalen hoe het geld wordt besteed.

Marlene Engelhorn gaat diametraal in tegen de opvattingen van veel van haar voorouders, die decennialang succesvol onder het belasting betalen uit wisten te komen.

De oprichter van BASF, Friedrich Engelhorn, verkocht zijn aandelen nog bij leven en kocht met dat geld het farmaceutische bedrijf Boehringer in Mannheim, dat onder andere malariamedicijnen produceerde. Vier generaties later verkocht Curt Engelhorn de firma Boehringer voor 19 miljard Duitse mark aan de Zwitserse farmaceut Roche. De Duitse staat zag daarvan geen cent, want de familie en het bedrijf stonden ingeschreven op Bermuda. „De heer Waigel zal zich ergeren”, zei Curt Engelhorn destijds in Der Spiegel over de toenmalige minister van Financiën Theo Waigel (CSU). Andere familieleden werden veroordeeld voor belastingontduiking.

Naast de vele niet-morele (immorele) voorbeelden, nu een waarvan ik wel durf te zeggen dat het een moreel-geestelijke daad is.

Bron: 8-uur journaal 11-01-2024 en diverse dagbladen.

Laat mij toch meer belasting betalen

Het besef lijkt te groeien dat het ‘socialer’ moet:

Activistische miljonairs

Patriotic Millionaires is een van oorsprong Amerikaanse organisatie, opgericht in 2010, waarin vermogende mensen pleiten voor hogere belastingen voor de rijken. Inmiddels hebben zich miljonairs en miljardairs overal ter wereld aangesloten. Onder de activistische vermogenden is bijvoorbeeld ook de Oostenrijkse Basf-erfgename Marlene Engelhorn die in 2024 90 procent van haar miljoenenerfenis weggaf.  Zie artikel in Trouw

.

Algemene menskunde: over egoïsme

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1283-1197
*

.

,

,

,

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 – alle artikelen

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE – GA 293

voordracht 1

Vertaling 2018

Een kleine uitleg over de indeling in paragrafen:
Het eerste cijfer verwijst altijd naar de voordrachtenvolgorde in de uitgave. [1-
Het tweede cijfer is het onderwerp van de beschouwing, aangegeven met het bladzijnummer en een korte inhoudsomschrijving. [1-1]
Het derde cijfer [1-1-1] geeft een uitbreiding aan van de inhoud van [1-1]
Wanneer je de gang door de voordracht wil volgen, hoef je de uitbreidingen niet per se te lezen. De volgorde door de voordracht is dus de reeks [1-1] [1-2] [1-3] enz.
Als kleur: rood

[1-1] blz. 17
Over: intellectueel en gemoedelijk/moreel-geestelijk. Voorbeeld: dierkunde; intellect en verantwoordelijkheid;

[1-1-1]
Voorbeelden uit het dagelijks leven bij ‘intellectueel-gemoedelijk/moreel-geestelijk; hebzucht, egoïsme, inhaligheid

[1-1-2] Oorsprong en uitwerking van het materialisme
Christoph Lindenberg
over: de ontdekking van de dood in de historie van de nieuwe tijd; wetenschap en techniek; het experiment; materialisme; maat, gewicht, getal; gericht op geld; geïsoleerd van de natuur; uitwerking op omgeving.

[1-2blz. 17/18
Over: ‘verbinding met de geestelijke wereld’; de controverse: scholing – het vele schoolwerk; weinig tot geen mededelingen van derden over ‘de geestelijke wereld’; als je op een vrijeschool begint, heb je wél een opdracht vanuit die geestelijke wereld; de ongedrukte passage; de goede geest uit wiens naam Steiner een dankwoord uitspreekt: Michaël;

[1-2-1] blz. 17/18
Over: ‘verbinding met de geestelijke wereld‘; niet geloven of napraten, maar openstaan en onderzoeken
Stefan Leber over: ‘hiërarchieën‘; de 3e: wezens die geen interesse meer hebben voor de mens, tenzij deze zich openstelt voor ‘geest’.

[1-2-1/1] Blz. 17/18
Rudolf Steiner in GA 206 over: verbinding met de geestelijke wereld; hoe de kerk via dogma’s de kennis van het voorgeboortelijke elimineerde; waardoor alleen het geloof overbleef in een hiernamaals; waardoor een basis werd gelegd voor het natuurwetenschappelijk denken – uit GA 206

[1-2-2] blz. 17/18
Over: als ‘waarnemen in de geestelijke wereld, bewustzijn op hogere gebieden’ niet tot je mogelijkheden behoort, kun je dan wel verder. Volgens Steiner heel goed: een gezond verstand, een onbevangen gevoel voor logica en een gezond begrip voor waarheid en een goede wil geven voldoende basis om verder te komen.

[1-2-3] blz. 17/18
Over: hoe verhoudt zich ‘gezond verstand‘ en de inhoud van de ‘Algemene menskunde’ met de huidige opvattingen over de mens. ‘De’ wetenschap t.a.v. de mens lijkt nóg meer de wetenschap te worden van ‘wij zijn ons brein’. Maar er zijn krachtige tegengeluiden. Steiners gezichtspunten over brein, denken en wetenschap zijn uiterst actueel.

[1-2-3/2] Wetenschap en wereldbeeld
Klaas van Egmond over: (bij het verschijnen van het gelijknamige boek)

[1-2-4/1] blz. 17/18
Rudolf Steiner spreekt over ‘de goede geest’. Deze tijdgeest is de aartsengel Michaël.
Hans Peter van Manen over het jaar 1879, het jaar waarin een nieuw tijdperk zou zijn begonnen geïnspireerd door deze tijdgeest.

[1-2-4/2] blz. 17/18
Hans Peter van Manen vervolgt het artikel van hierboven. 1914 eindigde een tijd van optimisme; (filosofisch) idealisme; Goethe; Schiller; Van idealisme naar materialisme; Herbart; 1848 revoluties; 1840 betrekkelijke rust, maar industriële revolutie naar het vaste land; geen Goetheanisme

[1-2-4/3] blz.17/18
Hans Peter van Manen vervolgt zijn artikelenreeks van hierboven.
Marx, Bauer, Wurmband, Engels en het toenemende materialisme

[1-2-4/4] blz. 17/18
Hans Peter van Manen vervolgt zijn artikelenreeks van hierboven.
Strijd Michael – Ahriman. Gevolgen op aarde. Geschiedenis als zichtbaar resultaat van bovenzintuiglijke gebeurtenissen. Menselijke vrijheid. Andersen: Sneeuwkoningin

[1-3] blz. 19/20/21
Over: waarom vrijeschool; ‘onze tijd’; ‘de’ maatschappij; Ik en egoïsme; spiegeling oud-jong: dood-geboorte; hiernamaals en hiervoormaals;

[1-3-1] blz. 19/20/21
Rudolf Steiner in GA 209 over: geen belangstelling voor ongeborenheid: de mens kan zichzelf niet kennen; egoïsme door alleen naar onsterfelijkheid te kijken.

[1-3-1-1] blz 22/23
De zich incarnerende mens ‘op weg’ naar zijn fysiek/etherisch lichaam:
Dr. Jaap van der Wal over de ongeboren mens, gezien vanuit de embryologie:
embryo: vrucht of mens?

[1-3-1-2] Geboorte en dood – poorten van het leven
Klaus Raschen over: tegenstelling geboorte – dood; baby-bejaarde; leven – dood; lichamelijke groei – lichamelijke aftakeling; ontwikkeling; lopen, spreken, denken; angst voor de dood; te overwinnen? 

[1-3-1-3] Gedachten over reïncarnatie
Siegfried Gussmann over: vanwaar en waarheen van de persoonlijkheid; de biografie van de mens; verleden en lot; kan de idee van reïncarnatie onze toestand van nu verhelderen?

[1-3-1-4] Poorten van het leven: geboorte en dood
Werner Hassauer over: tegenstellingen bij het geboren worden en bij het sterven; wat en hoe over de ziel; verhouding tot geest; ziel bij mens en dier; over het Ik; individualiteit; slaap; het Ik bewaart de herinneringen, vaardigheden enz. door de nacht heen; eeuwigheidskarakter van het Ik; opbouw- en afbraakkrachten; ritmen; tegenstelling leven – bewustzijn; geest – materie; beeldentaal van mythen, de Bijbel; Ik en vrijheid, doel voor de mens; 

[1-4blz. 19
Over: ‘bijzondere tijden hebben bijzondere opdrachten’; sociale ellende, daarom: sociale driegeleding als opdracht; ‘vrije’ in vrijeschool; het sociale probleem is een opvoedingsvraagstuk;

[1-4-1/1]
Rudolf Steiner over: geesteswetenschap en het sociale vraagstuk: Ingrijpende vooruitgang vraagt om een werkelijk inzicht
Geesteswetenschap kan dat werkelijke inzicht geven; en tot oplossingen komen, ook van het sociale vraagstuk; wat heb je aan geesteswetenschap voor het sociale leven als je honger hebt door een te laag loon; Robert Owen; uitbuiting, onderdrukking;

[1-4-1/2]
Rudolf Steiner over: geesteswetenschap en het sociale vraagstuk:
persoonlijk eigenbelang; uitbuiting; Robert Owen; egoïsme;

[1-4-1/3]
Rudolf Steiner over: geesteswetenschap en het sociale vraagstuk:
sociale hoofdwet; individu en collectief; mens van nature goed?; taak van de geesteswetenschap;

[1-4-2]
Christoph Lindenberg over: De bijzondere tijden hebben hun bijzondere opdracht; hij gaat via een aantal historisch plaatsgevonden revoluties naar de in zijn ogen noodzakelijke nieuwe: die in onszelf: de revolutie van anders waarnemen en anders denken;

sociale driegeleding: alle artikelen

[1-5] blz. 22
Over: abstracte gedachten; over de begrippen ‘Menschenkunde’ (menskunde); ‘Menschenkenntnis’ en ‘Menschenerkenntnis’: kennis over/van de mens (= ook weer menskunde) en tegelijk ‘mensenkennis’.

[1-6] blz. 22
Over: opvoeden vóór de geboorte: is niet mogelijk; taak van de moeder en houding en sfeer van de omgeving cruciaal.

[1-7] blz. 23
Over: materie is, leven wordt; het grote belang van karakteriseren; verschillende mensbeelden.

[1-7-1]
Over: het tweeledig mensbeeld; de begrippen Geistseele en Seelengeist, vertaald met geestziel en zielegeest, Körperleib en Leibeskörper, vertaald met organisch lichaam en lichamelijke organisatie; verschil ‘lijf-lichaam’; opvoeding is o.a. harmoniseren; Ik en erfelijkheid; met eerbied opvoeden; opvoeden met een soort religieus gevoel.

[1-7-1-1] Het masker van de speler
Hans Bom over: het persoonlijke is de wijze waarop we handelen; het individuele, meer verscholen, schijnt daardoorheen; subjectief, objectief; sociale leven; sympathie en antipathie; persona;

[1-7-2]
Op blz. 23/24 gebruikt Rudolf Steiner een aantal antroposofische begrippen. Die worden in de volgende artikelen besproken:

[1-7-2/1]
Over het fysieke lichaam en de samenhang met de natuur = de minerale wereld; Körper – Leib  =  lichaam – lijf;

[1-7-2/1-1]
Rudolf Steiner over het fysieke lichaam uit verschillende GA’s:
GA 34   GA 52GA 53   GA 54 GA 55GA 56GA 57GA 58  GA 59GA 88 GA 89

[1-7-2/2]
Over het etherlijf en de samenhang met de natuur = de vegetatieve wereld.
De tegenstellingen zoeken: dood versus leven; Körper=Leib; Körperleib – Leibeskörper; karakteriseren: etherlichaam=etherlijf=vormkrachtenlijf; vormkrachtencomplex; anti-zwaartelijf; tijdslijf; bewegingslijf.

[1-7-2/2-1]
Jesse Mulder over: het etherlichaam; waarneming van buiten en van binnen; materie en vitaliteit

Meer over het etherlijf in de reeks: kind en etherlijf

[1-7-2/2-2]
Over levenskracht; opvattingen van Mellie Uyldert; levenskracht, levensgeest in de vele folkloristische overblijfselen (Zie onder aan het artikel de tags)

[1-7-2/2-4]
Rudolf Steiner over het etherlijf uit verschillende GA’s:
GA 34; GA 52; GA 53; GA 54; GA 55; GA 56; GA 57; GA 58; GA 59; GA 66;

[1-7-2/3]
Over het gewaarwordingslijf en de gewaarwordingsziel; samenhang met etherlijf; voorwaarde: zintuigen; gewaarworden en waarnemen; gemeenschappelijk met de dieren.

[1-7-2/4]
Over het astraallijf; over de naamgeving; uit GA 100: het astraallijf in de nacht – vermoeid en uitgerust.

[1-7-2/4-1]
Rudolf Steiner over het astraallijf uit verschillende GA’s:
GA 34; GA 52; GA 53; GA 54; GA 55;GA 56; GA 57; GA 58; GA 59

[1-7-2/4-2]
Pieter HA Witvliet over: woorden die Steiner noemt i.v.m. het astraallijf als de drager van bepaalde gevoelens. Deze woorden nader bekeken, tevens een poging ze te rubriceren naar de verschillende soorten gevoel die Steiner onderscheidt.

[1-7-2/5]
Een kleine verhandeling over lichaam-ziel-geest; gewaarwordingsziel in relatie tot gemoedsziel; gemoedsziel; invloed van verstandsziel op gewaarwordingsziel; verstands-gemoedsziel.

[1-7-2/6]
Nogmaals verstands-gemoedsziel; bewustzijnsziel; relatie van bewustzijnsziel met verstands-gemoedsziel; de relatie tot waarheid, tot ‘de idee’; de bewustzijnstoestanden slapen, dromen, waken; onvrijheid, gebondenheid in fysiek-vitale leven – vrijheid in bewustzijnsziel

[1-7-2/7]
Relatie van bewustzijnsziel en geestzelf; de rol van het Ik; intuïtie

[1-7-2/7-1]
Rudolf Steiner over het Ik uit verschillende GA’s:
GA 34; GA 52; GA 54; GA 55; GA 56; GA 57; GA 58; GA 59

[1-7-2/7-2]
De werking van Ik aan het eigen wezen: inleiding

[1-7-2/8]
Geestzelf vanuit het perspectief van de activiteit van Ik die de ziel omvormt; levensgeest is dan de invloed van het Ik op etherlijf; geest(es)mens de invloed van het Ik op het fysiek lichaam

[1-7-2/8-1]
Rudolf Steiner over het geestzelf uit verschillende GA’s :
GA 9; GA 34; GA 53; GA 54; GA 55; GA 56; GA 57; GA 58; GA 59

[1-7-2/8-2]
Rudolf Steiner over de levensgeest uit verschillende GA’s:
GA 9; GA 13; GA 34; GA 53; GA 54; GA 55; GA 56; GA 57; GA 58; GA 59;

[1-8] blz. 24/25
Taak van opvoeding in geestelijke zin: harmoniseren; invloed adem op zenuw-zintuig- en stofwisselingsleven; de onregelmatige ademhaling

[1-8-1]
Adem, Adam, ruach, geest, ziel; invloed gevoelens op ademhaling (grafische weergave); gevoelens en vertellen

[1-8-2/1]
Invloed van de adem op het hersenwater; anatomische schetsen; pulserende invloed van adem op hersenwater; betekenis voor de ziel; kleine kind ademt nog niet harmonisch; opvoeding: die harmonie bevorderen

[1-8-2/2] blz. 26/27
Kind moet nog leren slapen; slaap volwassene: ervaringen naar geestelijke wereld – kind nog niet; opvoeding: harmonie bevorderen

[1-9blz. 23, 24, 29
Harmoniseren door de leerstof als middel te gebruiken; allerphysischt, ganzüberphysisch, halb-überphysisch, überphysisch, geheel fysiek, volledig fysiek, halffysiek, bovenfysiek; bovenste en benedenste, onderste mens; conventionele leerstof (schrijven/lezen), kunstzinnige leerstof (muziek, tekenen); daartussenin: rekenen; verschil schrijven/lezen-rekenen

[1-10] blz. 27-29
Bewustzijn voor alles wat je doet; niet wat je doet, maar hoe je bent; het verschil tussen de ene leerkracht en de andere: het imponderabele – welke gedachten/gevoelens neem je mee de klas in; herkomst ‘spreuk’ ‘uit de geestelijke wereld is dit kind tot je afgedaald – of andere vertalingen; vlinder en onsterfelijke ziel; je ‘sores’ moet buiten de klas blijven; de vrijeschoolleerkracht moet vervuld zijn van de gedachte: de mens werd geboren; daardoor werd hem de mogelijkheid geschonken dat te doen wat hij niet kon doen in de geestelijke wereld.
.

[1-10-1] Blz. 29
Een vervolg op [1-10] met voordracht 4 uit GA 161. Tevens een uitgebreide beschouwing over het voorgeboortelijke, de conceptie, de incarnatie, het fenomeen spiegeling.
.

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Seineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen.
.

.

 1280-1194

.

.

.

 

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-1)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE – GA 293

GA= Gesamt Ausgabe, (volledige uitgave): de genummerde reeks boeken en voordrachten van Steiner.

Duitse tekst
Vertaling 

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik bij alle voordrachten een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Voordracht 1, Stuttgart 21 augustus 1919

Blz. 17   vert. 17

Meine lieben Freunde, wir kommen mit unserer Aufgabe nur zurecht,
wenn wir sie nicht bloß betrachten als eine intellektuell-gemütliche,
sondern als eine im höchsten Sinne moralisch-geistige; 

‘Beste vrienden, wij kunnen onze taak alleen naar behoren vervullen, wanneer wij haar niet slechts beschouwen als een aangelegenheid van het intellect en van het gemoed, maar als een taak die in de hoogste zin moreel en geestelijk is; (  )
GA 293/17
Vertaald/17

Een taak niet van het intellect en het gemoed, maar moreel en geestelijk

Het lijkt mij dat deze begrippen: – het Duits heeft: ‘intellectuell-gemütlich en ‘moralisch-geistig – intellectueel, intellect, gemoeds – moreel, geestelijk, door Steiner gebruikt, niet met een paar woorden zijn weer te geven.
Heel vaak zie je dat Steiner karakteriseert: hij benadert zijn onderwerpen als regel vanuit de meest verschillende gezichtspunten. → voordracht 9 [9-4]
In deze menskunde bijv.: wat is de mens fysiek, (voordrachten 12 t/m 14) wat of hoe als zielenwezen (voordrachten 1 t/m 5) en wat of hoe als geestelijk wezen (voordrachten 6 t/m 11).

Uiteraard kun je en moet je natuurlijk ‘intellect’ en ‘moraliteit’ omschrijven, verklaren, doorgronden. De vraag is dan meteen: doe je dat dan niet te intellectueel – kortom – een antwoord geven op wat het is, is niet eenvoudig.

En zie je het ‘ergens’ (terug) in de praktijk van het leven of – voor het onderwijs – in de praktijk van de klas?
Als ik nog terugdenk aan de tijd dat ik in mijn hospiteertijd – de stage van nu – op de onderwijzersopleiding (toen de Kweekschool genoemd) moest lesgeven, bijv. een dierkundeles, ging het ook om ‘pedagogische principes’. Een ervan was dat je moest aansluiten bij de interesse van de kinderen.

Intellectueel-gemoed?

En kinderen hebben vrijwel allemaal grote belangstelling voor dieren. Een ander principe was dat je uit moest gaan van het ‘bekende’. Dus voor een kind bij dierkunde: welk (huis)dier heb je. Een konijn, marmot, hond of kat. Goed. Daarover ging dan de dierkundeles. Dier in de klas, filmpje, plaatjes. Gezellig, gemoedelijk. De intellectuele kant: overdracht van kennis: feiten, details, een spreekbeurt. Een fijne les en de kinderen hadden weer iets (bij)geleerd over een dier.

Op zo’n les is het woord ‘gemütlich‘ van toepassing. DWDS – Digitales Wörterbuch der deutschen Sprache geeft een mooie omschrijving: aangenaam, gemoedelijk.

Een onderwijsvoorbeeld van ‘intellect en gemoed’ en ‘moreel-geestelijk’

Toen ik op de vrijeschool mijn eerste dierkundeperiode (niet een dierkundelesuur) ging geven, bleek dat de beide pedagogische principes die ik hierboven noemde, ook door Steiner werden gebruikt.
In talloze pedagogische voordrachten – bijv. in GA 301, de 3e – roemt hij steeds de voortreffelijke pedagogische principes die de grote pedagogische geesten hebben geformuleerd. Maar in zijn eigen ogen hebben ze nog te weinig te maken met de mens. Ze spreken te weinig tot het kind als willend en voelend wezen. Ze verbinden de mens, het kind, te weinig met de wereld. Het gaat erom dat de mens niet van de wereld vervreemdt, of liever omgekeerd: dat de mens de wereld begrijpt en dat hij deel is van die totaliteit.
Dat is iets anders dan het gevoelsmatig-intellectueel bezigzijn met een hamster, ook al is daar op zich niets mis mee.
Maar vanuit de holistische visie dat mens en wereld een eenheid vormen, is er wel een gemis, nl. dat de mens, het kind, zijn samenhang met de wereld begrijpt, leert begrijpen.
En dan gaat het niet meer om het knus behandelen van marmot, konijn, kat of hond, maar wat is de mens, wat is het dier en zo’n visie kan uitmonden in het besef dat het dier ‘doet wat het moet’; dat de mens het enige wezen is dat een bepaalde vrijheid heeft. Om ‘goed’ te doen of niet. Handen heeft om te scheppen of te vernielen. Hier groeit bij het inleven in het dierenrijk vanuit het verschijnsel dat de mens een drieledig wezen is – wat niet door Steiner is bedacht, maar wat waarnemend gewoon zo is – een besef hoe bijzonder de verhouding mens-dier is: de eenzijdigheid t.o. de veelzijdigheid; de gebondenheid aan t.o. de vrijheid tot.

Moreel-geestelijk?

Doordat we onszelf Ik kunnen noemen, zijn we Ik-wezens, d.w.z. geestelijke wezens en daarmee hebben wij iets wat de dieren niet hebben, bijv. besef van goed en kwaad, van eerlijkheid en oneerlijkheid, enz. Kortom: wij zijn in staat moreel te zijn.
Dat is ‘meer’ dan wat we bij het dier op dit gebied aantreffen.
Onder de mensen kunnen wij in dit opzicht ‘hoog’staanden aantreffen. Onder de dieren niet.

Het ‘hoger’ kunnen staan moet onlosmakelijk verbonden zijn met verantwoordelijk voor mens en wereld. Hieraan zal in vele gevallen een idee, iets ideëels, iets spiritueels, iets geestelijks ten grondslag liggen.

Aansluiten bij de belangstelling en het bekende gaat bij Steiner veel verder: wat het dierkundevoorbeeld betreft: je plaats als mens in het geheel en je verantwoordelijkheid voor je handelen – als kiem voor je (de) toekomst.

Zo gezien is de ‘opvoeding van de wil’ die Steiner zo belangrijk vindt, ook een verdieping van bestaande pedagogische principes: ze hebben daadwerkelijk met de mens te maken.

Intellect

Over wat intellect is, is in onze cultuur zeer veel gedacht en geschreven. Daaruit blijkt al dat wat het is, ook niet in een paar woorden is te vangen. Er zijn allerlei gezichtspunten.
O.a. dat het een analyserend vermogen heeft. We onderscheiden en zetten de feiten op een rij.
Als we die feiten aan leerlingen uitleggen, verklaren, ze ‘gewoon’ overbrengen, overdragen, is het onderwijs vrij intellectueel van opzet, dus wat betrekking heeft op het verstand. Als het onderwijs aan het intellect voorrang toekent boven andere vermogens, is het intellectualistisch.
Later zal in de voordrachten over de wil gesproken worden als ‘iets geestelijks’, en hoe de wil met de moraliteit samenhangt. 

Die tegenstelling intellectueel – gemoedelijk met moreel-geestelijk lijkt misschien in eerste instantie vreemd of zweverig, maar eenmaal herkend in de wereld om je heen, is het een sleutel tot begrip van wat er in de wereld zoal gebeurt.

Voorbeelden

.
[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden
.

1279-1194
**

.

.

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie (18-1)

.

OVER HET GEHEUGEN

Het geheugen van de mens is nog altijd een moeilijk te doorgronden fenomeen.
Onthouden, vergeten – soms net niet helemaal: ‘het (woord, de naam) ligt me op de lippen’; ‘ik kan er (even) niet (meer) opkomen’ en andere uitdrukkingen; het drie- vierjarige kind dat vrijwel altijd van oma of opa wint met ‘memory’; de dementerende die niet weet dat hij dezelfde vraag twee minuten geleden ook stelde: we weten nog altijd niet hoe dat precies komt, m.a.w. wat geheugen, zich herinneren enz. is, is nog altijd om over na te denken en te onderzoeken. 
Dat is gebeurd en gebeurt nog steeds, dus zijn er ook vele gezichtspunten.

Voor de pedagoog en opvoeder ook een belangrijk onderwerp. Als je wilt dat kinderen dingen voor een langere tijd leren, moeten ze die kunnen onthouden, moeten die ‘in het geheugen worden geprent’. Of als het vaardigheden betreft: die moeten ze ‘onder de knie’ krijgen.

Maar hoe doe je dat dan het best? Of, wat belemmert het, wat werkt tegen.

In dit artikel wat algemenere gezichtspunten, maar toch ook een paar duidelijke aanwijzingen: een teveel aan indrukken, te haastig indrukken opdoen, onrust: het werkt er niet aan mee dat de dingen beklijven.
Voor de pedagogie al waardevolle gezichtspunten.
Aan het eind van het artikel plaatste ik nog een paar opmerkingen.

.
IN ONZE TIJD IS HET GEHEUGEN DOOR GEMAKZUCHT, DOOR OVERLADING OF DOOR ANDERE FACTOREN ZWAKKER GEWORDEN

Sinds onheugelijke tijden heeft de mens met geheugenzwakte te kampen gehad. In de meest letterlijke zin is dit zo: de verhalen beginnen voor ons zodra ze door onze voorouders werden opgeschreven. En waarom zou hij een verhaal of een inventarisatielijst opschrijven, als hij het wel kon onthouden zonder dat? Het maakt niet zoveel verschil of we in ons geheugen griffen of in steen; steen is alleen duurzamer. En het is maar een kleine stap: in steen griffen of in onze agenda schrijven. Een monument of een haarlok is ook zo’n geheugen-opfrissertje. Maar het geheugen als een vermogen van de mens om iets in zich op te nemen, het vast te houden, en het getrouwelijk te voorschijn te halen, werd er nooit door verstevigd. De oude druïden hadden geen schrift, zij moesten hun wijsheid uit het hoofd leren, en daarvoor rekenden ze 20 jaar. Bij hen kwam het niet alleen tot een herinneringsinhoud, maar tot de ontwikkeling van een kracht aan die inhoud, die echter ook voor iedere andere inhoud kon worden gebruikt. De barden behielpen zich met een ezelsbrug. Ze kenden een heel systeem van ‘triaden’, drie bij elkaar behorende dingen, door associaties verbonden: er zijn 3 gelukkige helden, en 3 ongelukkige. Er zijn 3 machtige koninginnen, 3 fatale slagen, 3 onneembare kastelen, enz. En dat alles met name te onthouden, zodat men ’t ook paraat had als er een gezang gevraagd werd, verstevigde het geheugen als vermogen.

In onze tijd is het geheugen door gemakzucht, door overlading of door andere factoren zwakker geworde Toch hebben we het nodig. Hoe weten we anders dat we er gisteren ook waren? De ongebrokenheid van ons persoonsbesef door ons leven heen is afhankelijk van het geheugen. Ons opschrijfboekje is daarbij niet voldoende: dat kunnen we ervaren van diegenen die hun geheugen verloren hebben. Belangrijk is, dat dit ik-besef minder gebonden is aan de inhoud van ons geheugen, maar veel meer aan onze mogelijkheid, ermee te werken. De herinnerde voorstellingen hebben geen macht iets te bewerken, het zijn slechts schijnbeelden. Maar de kracht die we in dat gebied uitoefenen heeft ik-besef ten gevolge, niet het opschrijfboekje dat alleen de inhoud herbergt.

De herinneringsvoorstellingen zijn wel verschillend van de waarnemings-voorstellingen: ze hebben een eigen activiteit. Het kost ons moeite, ze op hun plaats te houden of ze te voorschijn te halen. Ze willen telkens wat anders, wriemelen zich los, dringen zich op of ontwijken; ze hebben een eigen leven. De herinneringsvoorstellingen houden zich ook niet aan tijd en plaats, ze zoeken verbindingen naar eigen willekeur. We moeten hun een enigszins natuurgetrouwe volgorde regelrecht opdringen. Ook de rust moeten we dwingen, daar hun eigenbewegingsdrang ons belet ze duidelijk te zien. Wat dat betreft lijken ze erg op onze dromen. Ook droombeelden doen wat ze willen, ze uiten een dynamiek die we ook achter de herinneringsbeelden vermoeden. Hun eigengereidheid overweldigt ons soms zo erg, dat ze het waarderen van een waarneming vervalsen, en onze zelfwaardering onbetrouwbaar maken. Maar we weten ook dat het niet de beelden zijn die zo dwingend optreden, maar datgene wat node door die beelden bedekt wordt. En we voelen dat dit ons behoud is: we zouden geen vrijheid meer kennen, als die voor ons verborgen wereld ons zou overspoelen. Het in stand houden van ons ononderbroken herinneringsveld garandeert ons ons ik-besef, dat de beschikking moet kunnen houden over zijn vermogens. Hier ontmoeten we alweer de noodzaak, onze eigen activiteit zodanig te versterken, dat ze het hoofd kan bieden aan wat ons dreigt te overheersen. En weer zijn het niet de herinneringsbeelden, waar het op aan komt. Zelf houden zij zich wel rustig. Maar het komt aan op de ongebrokenheid van het veld, en dat kunnen we alleen met onze activiteit in stand houden. Het opschrijfboekje heeft daarbij geen enkel nut, en ook niet het hanteren van denkmodellen of herinneringspatronen.

Wat ons bedreigt weten we heel goed. We kunnen ons slecht iets herinneren waar we ons niet mee hebben verbonden, waar we geen interesse voor hadden. De haast waarmee indruk op indruk volgt, de onmogelijkheid van bezinking en bezinning, de jacht op steeds sterkere sensatie, het zijn dingen die niet van buiten komen, maar die we ons zelf aandoen, ze maken het onmogelijk ons ermee te verbinden. Een samenhang die men in de gewone natuur nog kan ervaren, is totaal zoek als het de beelden van een nieuwspagina betreft, of het cinema-nieuws, of iedere onsamenhangende reeks informatie. Daar moet men extra actief tegenover zijn, want de samenhang en de keuze, het onderscheid tussen wezenlijk en onwezenlijk, moet men zelf maken, om het mogelijk te maken dat men een samenhangend herinneringsveld kan blijven opbouwen. De activiteit daartoe heeft men nodig. Dat men daarnaast zich iets beter zal kunnen herinneren is, bij wijze van spreken, meegenomen. De belangstelling die men de wereld tegemoet draagt, wekt al die activiteit waarmee men zich voedt. En waarom zou men zich tekort doen?

A.G.Degenaar, Jonas 14-10-1971


Om iets te onthouden is het ‘ezelsbruggetje’ vaak van onschatbare waarde. Ook in het onderwijs.
De waarneming speelt voor het herinneringsbeeld een grote rol. De uiterlijke waarneming wordt verinnerlijkt: ‘ik zie het nog precies zo voor me’. Dat betekent voor het onderwijs dat de kinderen goed leren waarnemen zoals bijv. in de natuur- en scheikundelessen, het vormtekenen enz. om daarvan de andere dag een beschrijving te geven, juist ook ‘uit het hoofd’.
Dat zeggen de Engelsen anders: ‘by heart’ en dat brengt ons op de gedachte dat ook ‘het hart’ betrokken is bij de herinnering. ‘Enkel met het hart kan men goed zien’, Antoine de Saint-Exupéry.
Dan gaat het om het enthousiasme, de interesse, de beleving, m.a.w. wat de kinderen moeten leren en onthouden moet eerst vanuit deze gezichtspunten worden gegeven: m.a.w.: vrijeschoolpedagogie.
Zie voor hart en geheugen o.a. GA 301 3e vdr.

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1277-1192

.

.

VRIJESCHOOL – Aandacht

.
Als je in de klas van de kinderen geen aandacht krijgt, zullen ze weinig leren.
Iedere dag worden duizenden leerlingen gesommeerd op te letten. 
Als leerkracht vind je het misschien vanzelfsprekend dat je die aandacht krijgt, maar het is m.i. veel meer een zaak van ‘aandacht verdienen’. ‘Boeien’ is toch het toverwoord. Hoe? – het is een open deur: door interessante stof, door het boeiend te brengen.
De vrijeschoolleerstof is in wezen een aaneenschakeling van stof die dicht bij het kind staat. Waarmee veel wordt gedaan wat geoefend moet worden: waarbij het zonder aandacht niet gaat: vormtekenen, euritmie, schilderen, de juiste ritmen lopen bij het leren rekenen en zoveel meer.

In onze taal spreken we ook over ‘aandacht schenken’. Aandacht als geschenk?

Door het hersenonderzoek kunnen steeds meer interessante gezichtspunten worden gegeven over wat er eigenlijk in ons brein gebeurt.
Soms is dat schokkend:

De orbitofrontale hersenen, achter het voorhoofd boven de ogen, zijn bij de geboorte  nog niet helemaal ontwikkeld. Die worden ontwikkeld doordat we onze hersens gebruiken, bijvoorbeeld door te reageren op de omgeving en opvoeders. Er is in Roemenië, ten tijde van Ceaucescu, een tragisch ‘real-life-experiment’ gedaan in de weeshuizen aldaar, dat aantoonde hoe belangrijk dit is. De kinderen lagen in ledikantjes met hoge schotten en kregen van de verzorgers alleen de fles maar verder geen enkele aandacht. Het resultaat van zo’n situatie zien we hier:

Wat je hier ziet is dat niet alleen de hersenen niet gegroeid zijn, maar dat ook de hersenkamers (ventrikels) vergroot zijn, evenals de groeven tussen de windingen. Aan de grootte van de schedel wordt tegelijkertijd duidelijk dat de groei van de hersenen de groei van de schedel bepaalt. De kinderen vertoonden allerlei stadia van retardatie.  Niet aangeboren dus, maar veroorzaakt door verwaarlozing. Omgekeerd levert veel stimulerend en liefdevol contact met opvoeders juist extra groei van zenuwcellen op.

(S.Gerhardt: Why love matters. How affection shapes a baby’s brain)  [1]

Zichtbaar geworden aandacht…….

x

AANDACHT
In de reguliere psychiatrie bestaan grofweg twee soorten van benadering. Ten eerste de biologische psychiatrie, die uitgaat van het idee dat wij geheel bepaald worden door onze hersenen. De enige manier waarop je invloed op de hersenen kunt hebben, zo denken de biologische psychiaters, is met medicatie. En, als tweede, de psychotherapie, die juist uitgaat van de gedachte dat je niet overgeleverd bent aan wat de hersenen voor je in petto hebben. Maar dat je, met behulp van gesprekken en oefeningen, daar zelf een verandering in kunt brengen. Veel psychiaters combineren beide vormen van aanpak.

Kun je dan invloed uitoefenen op je eigen hersenen? Er is een overweldigende hoeveelheid onderzoek die dat bevestigt. Bij Londense taxichauffeurs, die een examen moeten doen waardoor ze alle straten moeten kennen en in gedachten een traject door de stad moeten afleggen, werd een sterke verdikking gevonden van de hippocampus, een structuur in de hersenen die een grote rol speelt in het geheugen. Dieren die een beloning kregen wanneer ze op geluiden letten, bleken een grotere auditieve schors en bij beloningen voor aandacht voor visuele prikkels een grotere visuele schors te ontwikkelen. Violisten hebben een veel groter gebied dat de vingers van de linker hand representeert in hun motorische schors dan die van de echter hand. En ervaren mediteerders hebben een dikkere prefrontale schors, het gebied dat gebruikt wordt om aandacht vast te houden en om de impulsen van de rest van de hersenen in toom te houden. Wat je oefent wordt versterkt in de hersenen. Of het nu lichamelijke of cognitieve vaardigheden zijn. Zodat de hersenen je kunnen bijstaan om de vruchten van die oefening te kunnen plukken. Hersenen zijn een instrument. Alle vormen van psychiatrische problematiek, zwaar en licht, kun je zien als een disbalans tussen de gestoorde invloeden van de hersenen op je gedrag en innerlijke ervaringen en anderzijds de mate waarin je die invloeden in toom kunt houden. Om ze in toom te kunnen houden heb je een goed ontwikkelde prefrontale schors nodig. Die wordt pas ontwikkeld na de geboorte en het duurt ongeveer dertig jaar tot deze ontwikkeling voltooid is. In die tijd kan er dus van alles misgaan, maar, zoals aangetoond is bij mensen die mindfulness ofwel aandachtstraining praktiseren, kan dit gebied met oefening alsnog versterkt worden. De Amerikaanse psychiater Daniël Siegel beschrijft in zijn boek ‘Mindsight’ hoe hij een jongen met een bipolaire (manisch-depressieve) stoornis het heft weer in handen geeft met mindfulnessoefeningen, zodat hij zonder medicatie kan. Dat laatste is nogal bijzonder. Henk Schutte heeft een boek geschreven met de titel ‘Ik herstelde van een bipolaire stoornis’. Hij gebruikt de aandachts-trainingsoefeningen van Steiner: de terugblik op de dag en de Nebenübungen, die sinds het boek van Joop van Dam als ‘het zesvoudige pad’ bekend staan. Of zijn prefrontale schors dikker is geworden kan niet meer onderzocht worden. Wanneer je leest wat het hem heeft opgeleverd, kan dat haast niet anders.

Arie Bos, Stroom nr.4 herfst 2014
.

[1]  Arie Bos: ‘Mijn brein denkt niet, ik wel

Arie Bos: ‘Hoe de stof de geest kreeg

Arie Bos over mazelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen  waaronder over aandacht [nr 8]

.

1263-1178

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-2)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE – GA 293

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken een context geven bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

OVER DE ZGN. ‘ONGEDRUKTE PASSAGE’

Al in zijn openingszin gebruikt Steiner de woorden ‘geestelijk’ en ‘geestelijke werelden’.
Maar wat is ‘geest’, ‘geestes’leven; ‘geestelijk’; ‘geestes’wereld; ‘geest’wereld en wat er nog zou kunnen volgen.
We komen toch meestal niet verder dan die woorden in de sfeer te plaatsen van ‘kerkelijk’ of ‘geloofs-‘; of we hebben de geesteswetenschappen, zoals de filosofie. In het beste geval komen we nog tot iets ‘mentaals’, maar tegelijkertijd wordt beweerd dat dit mentale slechts het gevolg is van hersenactiviteit: ‘wij zijn ons brein’; en de mens als geesteswezen – als een volstrekt uniek wezen – is niet meer dan ‘de naakte aap’.

Voor de toekomstige leerkrachten aan de 1e vrijeschool was dat niet het geval. De meeste hadden al veel mededelingen van Steiner gehoord; ze hadden Steiners boeken gelezen; ze waren volop ‘bezig met antroposofie’ en ‘geest’ had voor hen in ieder geval inhoud.

ZO ANDERS!

(< > naar deze passage wordt verwezen vanaf een andere pagina)

Hoe anders was dat voor mij!
Ik leerde de vrijeschool  kennen, door wat ik tijdens een hospiteerperiode in een vrijeschoolklas zag. (We spreken nu over ‘stage’). Als leerling – je sprak nog niet van ‘student’ – van de Gemeentelijke Kweekschool in Rotterdam, (de Pabo moest nog worden geboren) – kwam ik in de 5e klas van de Rotterdamse vrijeschool.

IN MIJN JEUGD

ging ik regelmatig naar de kerk en op zondag naar de zondagschool – mijn lagereschool was een openbare.
In de kerk hoorde ik over God en de duivel; de geesten voor Gods troon, over Gods geest die o.a. ‘over de wateren’ zweefde. Maar met het vorderen van ‘de jaren des onderscheids’, nam ook de twijfel aan alles toe en ik zei de kerk vaarwel; met woorden als ‘geest’ hield ik me niet meer bezig.

IN HET JAAR

vóór ik op de Haagse vrijeschool mijn eerste 1e klas kreeg, volgde ik vaak lezingen vanuit een antroposofische visie over veel uiteenlopende onderwerpen.
Ter voorbereiding las ik veel ‘Vrije Opvoedkunsten'[4] en het verbaasde me telkens weer dat de meeste artikelen, hoewel al jaren oud, toch heel actueel bleken te zijn. Sommige auteurs hielden ook voordrachten en toen ik die begon te bezoeken, kreeg ik een voor mij heel acceptabel wereldbeeld uitgelegd. Zelfs het begrip ‘geest’ kreeg een inhoud waar ik wél wat mee kon.
En met het motto van de onnavolgbare Leendert Mees: ‘don’t say no, just say ‘oh’, [5] kon alles wat ik niet begreep, rustig wachten.

AAN HET WERK

De maanden vóór ik in augustus 1970 met mijn allereerste 1e klas zou beginnen, probeerde ik me zo goed mogelijk inhoudelijk voor te bereiden. Dat betekende bijna vanzelf dat ik ook met de ‘Algemene menskunde’ begon. Immers, dat is toch de gang van zaken: je wil je verdiepen, dus studeer je en probeer je de inhoud van je studie-onderwerp je eigen te maken. Dat lukte nauwelijks: inhoudelijk vond ik het moeilijk; ‘dingen’ onthouden had bijna geen zin; ik voelde onbewust dat het om een heel andere manier van denken ging, maar ook van waarnemen en ik ervoer al snel dat je antroposofie ‘er niet even bij doet’. Ik ben, uiteraard met grotere of kleinere tussenpozen, wel mijn hele vrijeschooltijd met dit boek bezig geweest en het is me vaak opgevallen dat ik dan weer iets las, waar ik de vorige keren kennelijk overheen gelezen had, want de betreffende passage leek me volkomen nieuw.
Door de andere voordrachtenreeksen (GA 294, 295) leerde ik de temperamenten kennen. Eerst was het de zoveelste typologie die ik bestudeerde – dat had ik op de kweekschool al veel vaker gedaan – maar nu deed zich het feit voor, dat de bestudering van de temperamenten [6] eigenlijk geen zin had, zonder ook daadwerkelijk met kinderen samen te zijn. Een frappante ervaring: een theorie die weinig waard blijkt zonder de praktijk van het leven. 

Ik hospiteerde in de verschillende klassen en zag het praktische vrijeschoolleven: de schilder- en tekenuren; de muziek, het periode-onderwijs; de extra hulp aan kinderen met ontwikkelings- en leerproblemen; het niet-Nederlandse talenonderwijs – kortom: het echte vrijeschoolleven.
De andere kant van het verhaal is dus de theorie – wat zijn de achtergronden die tot deze praktijk leiden en hoe maak ik me die eigen.

DE EERSTE VERGADERING

In de week vóór het schooljaar weer zou beginnen, werd de eerste lerarenvergadering gehouden.
Er zou worden gesproken over de ‘ongedrukte passage’. Die was dus aanvankelijk niet in een boekuitgave (GA 293) te lezen.

Steiner laat aan duidelijkheid niets te wensen over: vóór het vrijeschoolwerk begint, wil hij zich ‘bezinnen op de verbinding met de geestelijke werelden‘.
Wij zijn als mens geen wezens die op deze aarde uitsluitend een lichamelijk leven leiden; wij zijn ook ziel en geest. En zoals ons fysieke lichaam leeft op en van deze aarde, zo behoort onze ziel tot de wereld van de ziel en onze geest tot de wereld van de geest, de geestelijke wereld.

En dan zit je in zo’n vergadering, als nieuwkomer met totaal geen vrijeschoolachtergrond of antroposofische kennis, levend in een wereld waarin velen – vaak minder bewust door het vertrouwen in ‘de’ wetenschap – er wel min of meer van overtuigd zijn dat we ‘hogere dieren’ zijn; dat de schepping is begonnen met de oerknal en: niks ziel en/of geest: ‘wij zijn ons brein’.

Dat is ook voor vele leerkrachten de wereld waarin ze leven, de studiewereld waaruit ze komen en die ze meenemen het leven in; waarmee ze op de een of andere manier vrijeschoolleerkracht (willen) worden.

Toen ik later op pas opgerichte scholen werkte, gingen we eenmaal per jaar een weekend ergens heen om ons te bezinnen op ons werk. Omdat de groepen niet zo groot waren, was het mogelijk dat iedereen eens vertelde waarom hij of zij op de vrijeschool werkte. Buitengewoon indrukwekkend vond ik de biografieën van iedere collega; de levensloop van hem of haar die uiteindelijk (ook) naar deze school had geleid. Bij iedereen was de impuls méér van onderwijs en opvoeding te maken, dan ieder op de een of andere manier wel ergens had geleerd. De sterke wil om ‘geen vat te vullen, maar een vuur te ontsteken’ was bij iedereen aanwezig. De sterke wil om kinderen recht te doen: d.w.z. ze in het onderwijs dát te geven, waarom ze onbewust vragen: wat ze vanuit hun natuurlijke ontwikkeling verlangen en nodig hebben.

DE AFSTAND TOT DE WERELD VAN DE GEEST

Maar voor velen – ook voor mij dus – was die afstand naar ‘de geestelijke werelden’ groot. Eigenlijk: onoverbrugbaar groot. Je hoorde erover, je las erover, je wees het niet af, want je voelde ook zeer duidelijk dat het onderwijs waarvoor je zo enthousiast was, er nooit zou zijn gekomen zonder Steiners visie op die geestelijke wereld: als realiteit. Velen deden hun best die relatie met ‘een’ of ‘de’ geestelijke wereld aan te halen – er zijn van Steiner meditaties voor – velen probeerden zich op deze weg te scholen. Ik ook, maar ik moet zeggen dat het mij niet is gelukt. Met vlagen, maar dan kwam de klad er weer in: veel te druk: voorbereiden voor de andere dag; organisatie van de school; (bestuurs)vergadering(en); ouders bezoeken en er was je partner, later je gezin, de verhuizingen, de verbouwingen; er bestond ook nog familie waarvoor je nauwelijks tijd had: een verjaardag door de week: kan eigenlijk niet, ik moet nog zoveel voorbereiden; en de achtergronden en, en…..

Vaak veel te veel en niet hygiënisch wat het levensritme betreft.

NIEUWKOMERS

En dan, als je in de lerarenvergadering zit, bijv. als nuchtere docent wiskunde, die afgekomen is op de vacature en wel iets weet van de vrijeschool als school met een prettig onderwijsklimaat, gaat het over de ‘ongedrukte passage.’

Want vóór Steiner met zijn voordrachtenwerk bij de oprichting van de vrijeschool in Stuttgart begon, wilde hij zicheerst bezinnen op hoe wij de verbinding met die geestelijke machten nu concreet leggen, in wier opdracht en mandaat ieder van ons in zekere zin zal moeten werken.’
Hij ziet zijn inleidende woorden als ‘een soort gebed tot de machten die de taak hebben imaginerend, inspirerend en intuïterend achter ons te staan, nu wij deze opdracht op ons nemen.’ [7]

Wat ik hier zo beschreef, met een wat persoonlijk karakter, kunnen veel meer vrijeschoolleerkrachten schrijven. We hebben ‘weet’ van een geestelijke wereld, maar er echt in doordringen lukt niet.
Misschien wel bij een enkeling. Maar wie zou van zichzelf durven beweren dat hij dat inzicht heeft. Nog nooit heb ik het van iemand vernomen, noch persoonlijk mondeling, maar ook niet in de vele publicaties over de vrijeschoolpedagogie.

OPDRACHT

We hebben dus enige ‘weet’ van de geestelijke wereld, van geestelijke machten. Maar zo concreet dat we, als we ons werk op de vrijeschool beginnen, er volledig van overtuigd zijn dat we dat gaan doen in de opdracht en met het mandaat van die geestelijke machten?

Later in de voordracht wordt Steiner voor mij concreter: dan gaat hij uitleggen wat er met ‘geest’ wordt bedoeld.

Maar wanneer hij in 1919 zijn 1e voordracht houdt, lijkt het net of al de toehoorders dat al weten en hij geeft ze meteen een handreiking hoe ze de verbinding met deze geestelijke machten kunnen realiseren of in ieder geval proberen te realiseren: in de ongedrukte passage.

DE ONGEDRUKTE PASSAGE

Steiner wilde niet dat de betreffende passage werd gestenografeerd. Ik heb nooit ergens gezien waarom niet, al kun je er wel je gedachten over hebben.

Vond hij de woorden te sacraal voor de drukletter? In de trant van Maria die de woorden van Gabriël in haar hart bewaarde en overdacht. Was dat de bedoeling? In de Duitse uitgave van GA 293 uit 1960 staat de passage niet, wel in die van 1992 en derhalve ook in de vertaling. Waarom werd er besloten Steiners wens niet (meer) te respecteren?

In de vertaling vinden we de volgende tekst:

een soort gebed:
Steiner wilde dus niet dat het betreffende gebed werd gestenografeerd. Het werd door twee cursisten, Caroline von Heydebrand en Herbert Hahn, achteraf als volgt opgetekend.

Notities van Caroline von Heydebrand:

‘Laat ons onze gedachten zodanig richten dat wij het bewustzijn kunnen hebben: achter ieder van ons staat zijn engel, wiens handen zacht op ons hoofd rusten; deze engel geeft jullie de kracht die je nodig hebt. — Boven jullie hoofden zweeft de reidans van de aartsengelen. Zij geven aan elkaar door wat de een de ander te geven heeft. Zij verbinden jullie zielen. Daardoor ontvangen jullie de moed die je nodig hebt. (Uit moed vormen de aartsengelen een schaal.) – Het licht van de wijsheid wordt ons geschonken door de verheven wezens van de archai, die niet een gesloten kring vormen, maar die uit verre oorsprongen verschijnen en in verre verten verdwijnen. Zij dringen slechts als een druppelvorm in deze ruimte door. (In de schaal van de moed valt van de heersende tijdgeest een druppel van het licht der tijd.)’

In de Duitse uitgave staat dit tekeningetje, behorend bij de versie van Von Heydebrand:

ga-293-blz-217

Notities van Herbert Hahn:

‘Wij mogen, omdat wij ons actief op de pedagogie van deze vijfde cultuurperiode richten en ons als leerkrachten daarvoor willen inzetten, voor ogen houden dat de wezens van de derde hiërarchie bereid zijn zich met ons werk te verbinden.

Achter ieder lid van het toekomstige lerarencollege zien wij de engel staan. Hij legt beide handen op het hoofd van de hem toevertrouwde aardemens. En door deze houding en dit gebaar laat hij kracht overstromen. Het is een kracht die aan het te volbrengen werk de noodzakelijke imaginaties meegeeft. Creatief imaginerend, krachtig imaginaties wekkend, staat zo achter ieder de engel.

Gaat de blik naar boven, dan zweeft daar boven de hoofden van de toekomstige leraren een schare aartsengelen. Rondgaand en weer teruggaand in hun kring dragen zij dat wat uit de geestelijke ontmoeting van de enkeling met zijn engel wil voortspruiten, naar ieder van de anderen. En zij dragen het, door de kracht van alle anderen verrijkt, weer naar de enkeling terug. – In dit rondgaan, dat als een geestelijk beeldhouwen aandoet, vormt zich boven de hoofden van de in gemeenschappelijk streven verbonden personen – een schaal. En deze schaal heeft een heel bepaalde substantie: hij is gevormd uit moed. – Tegelijkertijd laten de rondzwevend verbindende aartsengelen in hun beweging, in hun scheppende werkzaamheid inspirerende krachten instromen. Zij ontsluiten de bron van de inspiraties die wij voor ons werk nodig hebben.

Wanneer de schouwende blik nog verder naar boven gaat, bereikt hij het domein van de archai. Zij treden niet als een gezamenlijkheid op. Maar uit hun sfeer, de sfeer van het licht, laten zij een druppel vallen in de schaal van de moed. Wij mogen het zo beleven dat deze lichtdruppel ons geschonken wordt door de goede geest van onze tijd, die achter de stichter en achter de stichting van deze nieuwe school staat. Het zijn scheppende intuïtiekrachten die in dit lichtgeschenk werken. Zij willen in hen die nu het jonge pedagogische werk beginnen, de noodzakelijke intuïties wekken.

Zo neemt, kracht, licht en moed schenkend, de derde hiërarchie aan deze stichting deel. Imaginerend, inspirerend en intuïterend wil zij zich verbinden met ons aardse handelen.’ [8]

IN NAAM VAN DE GOEDE GEEST

Vóór Steiner nader ingaat op wat met geest wordt bedoeld, spreekt hij zijn dank uit. Hij doet dat – de vertaling heeft: in naam van’, dat enigszins dwingend betekent: ‘op gezag van’.
Zou het ook ‘uit naam van’, ‘namens’ kunnen betekenen? Het betekent m.i. toch dat Steiner a.h.w. plaatsvervangend optreedt voor de goede geest, wiens taak het is de mensheid te leiden en te verlossen van nood en ellende; wiens taak het is de mensheid te brengen tot een hoger ontwikkelingsstadium in onderwijs en opvoeding uit diens naam dankt Steinerde goede geesten, die ons aller heer Molt de goede gedachte ingegeven hebben om in deze richting en op deze plaats voor de verdere ontwikkeling van de mensheid dat te doen, wat hij door de oprichting van de Waldorfschool heeft gedaan.

Als ‘nieuwkomer’, zal ik nog maar even zeggen, weet je nu in ieder geval dat het tóch om onderwijs en opvoeding gaat, dat dit op een hoger ontwikkelingsniveau gebracht moet worden en dat dit een onderdeel is van de taak van de goede geest, de mensheid te leiden en te verlossen van nood en ellende.

Dan kunnen er wel wat vragen rijzen: wie is die goede geest; wie zijn die andere goede geesten; zijn dat dezelfde als de geesten die genoemd worden in de ongedrukte passage, die ons willen helpen bij ons werk?

Steiner noemt ze hier niet.

Maar bij de vele gelegenheden waarop hij over de geestelijke wereld sprak, in het bijzonder over de hiërarchieën, beschreef hij de aartsengel Michaël als de leidende tijdgeest. Een tijdgeest van wie sterke impulsen uitgaan. Maar die niet zonder de mens gerealiseerd kunnen worden. Hij moet ze begrijpen én ernaar handelen. Ze moeten tot daad worden, alleen wéten is niet genoeg.

Op deze blog staan ook artikelen over de jaarfeesten, waaronder het Michaëlsfeest.

De vele aspecten die in deze artikelen over Michaël geschreven worden, bieden de gelegenheid een dieper inzicht te krijgen in wat met ‘Michaël’ wordt bedoeld.

In Michaël, aarde en mensheid is er sprake van ‘het komt niet meer aan op de natie, maar op de mensheid als geheel; op de enkeling.

In andere beschouwingen over Michaël wordt hij beschreven als een tijdgeest – een abstractere naam, een idee of ideeën, onstoffelijk, maar zichtbaar gemaakt in wat we dan zien in de kunst waarin Michaël wordt afgebeeld, symbolisch?

Maar bij alles wat rondom deze tijdgeest wordt gezegd, voel je a.h.w. dat ‘het in de lucht hangt’, dat het er is, dat het komen wil: de mens als mens, ongeacht afkomst, ras, sekse enz. Niet meer behorend tot een ras of een natie, maar grensoverstijgend tot ‘het geslacht mens’ (Rosenstock-Huessy). De drang naar vrijheid, naar zelfontplooiing. Wie probeert zijn tijd te begrijpen, ziet het overal om zich heen.
Wie Steiners ‘De weg tot inzicht in hogere werelden‘ ‘kent’ zal vaak zijn tegengekomen dat – het gaat hier om de ontwikkeling van de geestelijke wezens die de hiërarchieën vormen – de ontwikkeling geremd wordt door wezens die in die ontwikkeling niet meegaan, die ‘achterblijven’, die het oude willen conserveren.

Het heeft er veel van weg dat ook in onze tijd ‘de Michaëlische’ ontwikkeling van wegvallende grenzen, grotere verantwoordelijkheid voor het geheel, vrije ontplooiing voor het individu – altijd in de context van meer verantwoordelijkheid voor de gemeenschap – op vele gebieden ook wordt geremd. De grenzen weer dicht? Terug naar de gulden? Eigen volk eerst?

De sociale nood is hoog, in onze tijd nog altijd: honger, armoede, oorlog, vluchtelingen enz.

Ook in Steiners tijd: de 1e Wereldoorlog.

Steiner beweert een antwoord te hebben op de vraag hoe de sociale nood veranderen, verdwijnen kan. Dat is zijn conceptie van de Driegeleding van het sociale organisme‘. Dat is in zijn overtuiging ook het concretiseren van de Michaëlische tijdgeest – wat de geestelijke wereld wil – . Waarop de geestelijke wereld wacht. De spirituele daden van de mens als mogelijkheid voor de geestelijke wereld om zich te ontwikkelen.

De regeringen van Duitsland en Oostenrijk die wel naar Steiners ideeën wilden kijken, doen er uiteindelijk niets mee. De driegeleding zal niet worden gerealiseerd. ‘Geen feest in de hemel!’

Maar dan vraagt Emil Molt aan Rudolf Steiner een school op te richten – vrij van de staat. Dat betekent toch nog iets van de idee van de driegeleding realiseren. Dat is – ik zeg het nu een beetje oneerbiedig – goed nieuws voor de geestelijke wereld.
Zo begrijp ik tenminste Steiners opmerking:

Een feestelijke handeling van de wereldorde,
in een andere vertaling staat een ‘feestelijke gebeurtenis in de ordening der werelden’

Op haar blogMooiteneemt Merel Boon je mee op haar zoektocht naar het wezenlijke van de ‘ongedrukte passage’.

Ruud Gersons spreekt erover op zijn website:
Inleiding, uitleg en vertaling in het Nederlands, klik hier

**Beste Leo
<2>De kans is niet groot dat je dit leest. Toch wil ik het hier uitgesproken hebben: door jou kreeg ik dit mooie beroep: vrijeschoolleerkracht.<2>

Daarvoor ben ik je heel dankbaar!

=

De vraag naar de, of een geestelijke wereld, of naar God, wordt door velen gesteld en dus door velen beantwoord. Dat is vaak zeer verrijkend!
‘Professor, bestaat God?

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[
2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
[4] Vrije Opvoedkunst – archief
[5] Leen Mees
[
6] Over temperamenten
[7]  imaginerend, inspirerend en intuïterend: De termen imaginatie, inspiratie en intuïtie worden door Steiner gebruikt om de drie hogere kenvermogens aan te duiden. Wat deze vermogens inhouden zet hij o.a. uiteen in De wetenschap van de geheimen der ziel en in Zelfkennis en hoger inzicht, wv-d2, ga 12, 16 en 17 (eerdere vertaling van ga 12: De trappen van het hogere bewustzijn, Zeist 1982).
(Laatst genoemd boek tref ik op de website van Christofoor niet aan, wel De weg tot inzicht in hogere werelden)
[8GA 293/218
vertaald/238-239

.
Meer over blz. 17/18 [1-2-1]

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1223-1142
 

.

**

VRIJESCHOOL – Bewegen

.

Vrijeschoolleerkracht Joep Eikenboom schrijft sinds enkele jaren op zijn blog

AUDREY MCALLEN’S ‘THE EXTRA LESSON’

zeer belangrijke artikelen over de ontwikkeling van kinderen waarbij de gezichtspunten van Audrey McAllen uitgangspunt zijn.

De artikelen van Joep vormen voor een belangrijk deel de menskundige en pedagogisch-didactische achtergronden van de onderwerpen die ik op deze blog heb weergegeven wat betreft BEWEGEN:

o.a.  lichaamsoriëntatie; hinkelen, bikkelen, touwtjespringen, vingerversjes,  pittenzakjes 

Het serieus werk maken van de gezichtspunten van Audrey McAllen betekent o.a. een dieper inzicht krijgen in de samenhang van beweging en ontwikkeling en de betekenis voor de wezensdelen van de mens: ether- astraallijf en Ik; en de betekenis ervan voor de ontwikkeling van met name de zgn. lichaamszintuigen.

Het resultaat van al deze gezichtspunten mondt uit in een lijst met activiteiten voor op school en thuis:

Vaardigheden voor op school en/of thuis

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

1215-1135

.

VRIJESCHOOL – lagere klassen – pittenzakjes en ballen

.
PITTENZAKJES EN BALLEN
Eén van de belangrijkste dingen die in de lagere klassen van een vrijeschool gebeuren, is de kinderen gelegenheid geven ‘in hun lichaam’ te komen.
Voor velen of sommigen wellicht een vreemde uitdrukking, maar wie de ontwikkeling van een kind vanaf de geboorte volgt, ziet dat het kind als groeiende persoonlijkheid steeds meer met zijn lichaam kan: dat wordt bedoeld.

De nog chaotische bewegingen die de baby met zijn ledematen maakt, worden naarmate het kind ouder wordt, steeds gerichter, ze worden steeds meer gestuurd.
Maar dat proces neemt een langere tijd in beslag wanneer je kijkt naar de steeds fijnere motoriek die vereist is om in het leven van alles te kunnen doen.

Juist in die eerste jaren van de basisschool staat het kind enorm open voor al de oefeningen die hem helpen te ‘incarneren’ – hem helpen heer en meester te worden over zijn eigen bewegingen.

Vele middelen staan ons daarbij ten dienste: lichaamsoriëntatie; hinkelen, bikkelen, touwtjespringen, vingerversjes, evenwichtsbalk, pittenzakjes en nog wel meer.

Vooral de pittenzakjes zijn bij de kinderen zeer gewild.

Wanneer je daarmee veel hebt geoefend en de kinderen behendiger zijn geworden in het opgooien en vangen, kun je ook met ballen werken.

Een gouden regel voor het opgooien is: je mag zo hoog gooien dat je het pittenzakje/de bal ook kunt vangen. (Zonder die beperking gaan sommige zakjes/ballen – vooral in de gymzaal – (veel) te hoog!

Hier volgen wat spelletjes met pittenzakjes, die later ook met ballen kunnen worden gedaan:

Wat de moeilijkheidsgraad betreft: de oefeningen zijn soms eenvoudig (voor klas 1) moeilijker (misschien bewaren voor klas 2). Moeilijk (pas in klas 3).
Uiteraard moet je dat zelf beoordelen: wat kunnen mijn kinderen en wat ga ik ze leren.

De bal die hiervoor het meest geschikt is, heeft een middellijn van 6 à 7 centimeter. De bal mag niet te hard, maar ook weer niet te zacht zijn en moet goed kunnen stuiten.
Tennisballen zijn iets kleiner, maar kunnen na verloop van tijd heel goed.

Je past de spelsuggesties natuurlijk aan aan wat het kind al kan: kan het nog niet met één hand vangen, dan eerst oefenen met twee handen:

Waar ‘bal’ staat, kun je eerst ‘pittenzakje’ lezen.

1. Gooi de bal met de rechterhand omhoog en vang hem met dezelfde hand.
2. Gooi de bal met de rechterhand omhoog en vang hem met de linker.
3. Gooi de bal met de linkerhand omhoog en vang hem met de linker weer op.
4. LINKS opgooien, RECHTS vangen, dan weer als 1, 2, 3 enz.

Deze handelingen herhalen, tot de bal hoogstens 30 cm omhoog gegooid wordt. We blijven op dezelfde plaats staan.

Kinderen die dat allemaal kunnen, mogen de bal hoger gooien. Ook het recht omhoog gooien is nog moeilijk en moet je oefenen.

Kunnen de kinderen hoger gooien, zodat ze even tijd hebben, vóór ze weer moeten vangen, dan kun je de bewegingen van 1, 2, 3 en 4 herhalen, met dit verschil, dat tussen opgooien en weer vangen éénmaal in de handen moet worden geklapt.

Dit wordt herhaald, tot alle handelingen als vanzelf gaan.

Dan oefenen we alles met twéé, en later zelfs met drie en vier handklapjes tussen opgooien en vangen!

Dezelfde oefeningen als onder 1, 2, 3 en 4. echter zonder handgeklap, maar nu slaan we de hand die de bal moet vangen plat op de knie, maar zo, dat het been niet gebogen mag worden. Alleen het bovenlichaam mag hier dus bewegen.

1. Bal rechts omhoog, klap op de rechterknie, vang op.
2. Bal rechts omhoog, klap met linkerhand op de linkerknie, links vangen.
3. Bal links omhoog, klap op linkerknie, links vangen.
4. Links omhoog, rechts klappen, rechts vangen.
5. Als 1.
6. Als 2, enzovoort.

Allerlei combinaties zijn mogelijk:

Nadat we de knie hebben ‘beklapt’, klappen we een keer in de handen, vóór we de bal vangen met de hand die hierboven is aangewezen. We krijgen dus dit:

1. Bal rechts omhoog, klap op rechterknie, klap in de handen, vangen met rechterhand, enz.

Wanneer alle oefeningen met de variaties voldoende beoefend zijn (dat wil zeggen, dat alles vlot achter elkaar gaat zonder erbij te denken), oefenen we alle worpen gehurkt.

Zelfs hoog opgooien en even gaan zitten en weer opstaan en vangen, behoort tot de mogelijkheden.

Naar elkaar gooien:
Hierbij is het belangrijk dat de kinderen ‘mooi’ naar elkaar gooien: dat is: niet hard en zo dat de ander het zakje kan vangen: dus het liefst met een boogje:

Twee rijen tegenover elkaar met in het begin een afstand van bijv. 1 meter. Zakje in de rechterhand: overgooien naar de hand van de overbuurman: dat is zijn linker. Overpakken naar de rechter en weer gooien.
Dat kan eerst met 1 zakje.
Wanneer dat lukt: ieder gooit zijn zakje naar de overkant; rechter hand gooit, linkerhand vangt. En omgekeerd.
Kruiselings gooien kan ook, maar dan kunnen de zakjes elkaar raken.
Dat is op zich ook een opdracht die nog best lastig is.
De afstand tussen elkaar kan groter worden: die mag alleen groter worden als er bij de afstand ook daadwerkelijk gevangen kan worden.

De kinderen staan in een lange rij.
Op een bepaalde afstand staat de opgooier ervoor.
Deze gaat, laten we zeggen, op 2m afstand van het eerste kind staan en gooit het zakje op.
Het eerste kind moet uit de rij komen en het zakje vangen.
Nu gooit deze het zakje omhoog en nummer 2 in de rij, rent om het zakje te vangen, enz. De kinderen die geweest zijn, kunnen een wachtrij vormen aan de overkant.
De afstand tussen de opgooier en het kind kan groter worden. De opgooier moet dan hoog en recht omhoog kunnen gooien.

Het zakje in de rechterhand en dat naar rechts achter je rechterbeen brengen en vandaar naar links en om het rechterbeen weer naar voren tussen het linker- en het rechterbeen, alwaar de linkerhand is aangekomen om het zakje over te pakken.
Deze hand gaat nu linksom achter het linkerbeen naar de rechterkant ervan en geeft het zakje tussen de benen door aan de rechterhand.
Op deze manier wordt een lemniscaat beschreven.
Van langzaam naar vlug, bijv.

Het zakje op het hoofd leggen en proberen zo ver mogelijk te ‘schrijden’ zonder dat het eraf valt. Je mag het niet met de handen aanraken: gevallen = opnieuw beginnen.
Van ‘schrijden’ naar lopen en van lopen naar rennen, zonder dat het van het hoofd valt.

Met het zakje op het hoofd proberen op je hurken en later zelfs op de grond te gaan zitten en weer te gaan staan.

Hinkelen met een zakje op je hoofd is ook moeilijk.

Zittend op je stoel en zakje een beetje naar voren gooien en proberen met je gesloten benen/voeten op te vangen.

Je zakje op je rechtervoet leggen, een beetje omhoog gooien en met je linker opvangen. Ook omgekeerd.

Staan, zakje in je rechterhand, arm opzij strekken, omhoog naar je hoofd bewegen en ‘ergens’ boven je hoofd naar je linker hand gooien die daar inmiddels ook ‘ergens’ is aangekomen. Eerst nog een beetje kijken, maar later niet meer en nog later: met ogen dicht.

Zakje voor op het hoofd. Hoofd naar voren buigen tot zakje valt: opvangen.

Zakje op het achterhoofd leggen. Hoofd nog verder achterover tot het zakje valt en dan opvangen achter je rug.

Het liefst speelden mijn klassen het tikkerspel met de zakjes dat van lieverlee in de klas(sen) de vorm aannam van:

Er is een tikker, die ook een zakje op het hoofd heeft. Hij bevindt zich aan de ene kant van de ruimte. De kinderen die ‘m’ niet zijn, staan aan de andere kant, eveneens het zakje op het hoofd. De tikker moet nu kinderen proberen te tikken. Lukt dat, dan zijn ze (even) af en moeten op de bank gaan zitten.
Als het zakje van je hoofd valt, ben je ook af. (Als je het stiekem aanraakt, ook)
Valt het zakje van het hoofd van de tikker, dan komt wie af was, weer terug in het veld.
Je kunt de tikker ook een bepaalde tijd laten tikken en dan tellen hoeveel kinderen hij getikt heeft. En dan kijken welke tikker het meest succes had.

Er is ongetwijfeld nog veel meer zinnigs en leuks te bedenken en inmiddels bedacht.
Ook de kinderen hebben vaak leuke vondsten!

Van het opruimen kun je ook nog iets maken: ik had een tenen mand met een doorsnede van ca 50,  60 cm. De kinderen gingen er met hun zakje in de hand in een ruime kring omheen staan om op 1,2, 3: hun zakje in de mand werpen.
Als het mis was, zakje weer pakken: maar let op, wanneer er veel kinderen naar voren rennen en bukken, kunnen ze lelijk met hun hoofdjes tegen elkaar komen, dus liet ik ze altijd in ‘zo min mogelijk stappen’ er naartoe lopen. (Die stappen worden dus groot en dan is er niet veel vaart).
In totaal 3 pogingen. Dan niet gelukt: zakje in de mand gooien vanaf de afstand waarop het wel lukt.

Hetvolgende kan alleen met ballen:

Oefeningen tegen een muur
1. Gooi de bal met beide handen tegen de muur en vang hem met beide handen op.
2. Gooi de bal met beide handen tegen de muur en vang hem met de rechterhand op.|
3. Gooi de bal met beide handen tegen de muur en vang hem met de linker op.
4. Gooi de bal met de rechterhand tegen de muur en vang hem weer op met de rechterhand.
5. Gooi de bal met de rechterhand tegen de muur en vang hem met de linkerhand op.
6. Gooi de bal met de linkerhand tegen de muur en vang hem weer met de linker op.
7. Gooi de bal met de linkerhand tegen de muur en vang hem met de rechter.

Herhaal dezelfde oefeningen tot alles vlot achter elkaar gaat, zonder dat de bal op de grond valt.

Een paar variaties:
1. Tussen het tegen de muur werpen en het weer opvangen van de bal, wordt één keer in de handen geklapt, om daarna hetzelfde te proberen met twee, drie en zelfs vier en vijf maal in de handen te klappen.
2. Na het gooien van de bal tegen de muur en het weer vangen, één keer met de vlakke handen op de knieën slaan. Denk erom: benen gestrekt houden!
3. Zelfde oefeningen gecombineerd, dus behalve dat we in de handen klappen, slaan we ook een keer op de knieën.
4. Zelfde oefeningen, maar dan gehurkt.
laten stuiten
Gooi de bal met de rechterhand tegen de muur, vang hem niet direct op, maar laat hem eerst op de grond komen. De bal springt dan weer omhoog, en eerst dan vang je hem met beide handen.

Kijk nu eens, hoeveel keer je dat achter elkaar kunt doen, zonder fouten te maken.

Probeer hetzelfde nu eens met je linkerhand op de rug.

Hoe vaak kun je dat?

Nu alles nóg een keer, maar dan links. Dus eerst links gooien, bal laten stuiten en met beide handen vangen, en daarna alles met de linkerhand. De rechterhand dus op je rug.

Zou je alles nu ook kunnen op één been?

Nu hetzelfde weer met handenklappen. Eén, twee, of meer keer klappen!

Nu klap je met je handen achter de rug!

Het wordt steeds moeilijker, maar ook spannender!

Til je rechterbeen op, en gooi de bal met je rechterhand onder je been door tegen de muur, zet je been weer neer, en vang de bal weer op, met beide handen.

Til je linkerbeen op, gooi met je linkerhand de bal onder dat been door tegen de muur, zet je been weer op de grond en vang de bal met allebei je handen.

Als je goed de bal onder je benen kunt doorgooien en weer vangen, probeer hem dan eerst te laten stuiten, voor je hem weer vangt.

Kom zo weinig mogelijk van de plaats!

Nu wéér hetzelfde proberen, en wéér met handenklappen, voor je de bal vangt.

Het wordt dus deze volgorde.

1. Rechterbeen optillen.
2. Rechterhand gooit de bal onder rechterbeen door tegen de muur.
3. Rechtervoet weer naast de linker.
4. Handen klappen.
5. Bal laten stuiten.
6. Bal met twee handen vangen.

Doe hetzelfde met je linkerhand, dus onder je linkerbeen door. Dan doen we alles weer rechts, dan weer links, en zo maar door!

Zou je het tien keer kunnen zonder fouten?

Ga met je rug naar de muur staan en gooi nu je bal over je hoofd met twee handen tegen de muur, draai je vlug om met je gezicht naar de muur en vang hem weer met beide handen. Gooi de bal met je rechterhand over je rechterschouder, draai om en vang!

Gooi de bal met je linkerhand over je linkerschouder, draai je om en vang!

Probeer nu hetzelfde, maar vang de bal nu met één hand inplaats van met beide handen.

Éérst links, dan rechts.

Ga eens op je linkerbeen staan en laat je rechter, van voor naar achter, heen en weer schommelen.

Pak nu je bal, gooi hem met je rechterhand tegen de muur en vang hem weer op met beide handen, terwijl je door blijft schommelen met je rechterbeen.

Maak de volgende oefeningen, maar blijf op je linkerbeen staan, terwijl je doorgaat met het voor- en achterwaarts schommelen met je rechterbeen.

1. Bal rechts gooien. Tegen de muur. Beide handen vangen.
2. Bal rechts gooien. Tegen de muur. Rechts vangen.
3. Bal rechts gooien. Tegen de muur. Links vangen.
4. Bal links gooien. Tegen de muur. Beide handen vangen.
5. Bal links gooien. Tegen de muur. Links vangen.
6. Bal links gooien. Tegen de muur. Rechts vangen.

Hetzelfde met handgeklap. Denk eraan, dat je been blijft doorschommelen.

Alles wordt nu herhaald, terwijl we op het rechterbeen staan en met de linkervoet van voor naar achter schommelen.

1. Hou de bal met je rechterhand vast en strek je arm recht langs je hoofd omhoog. Gooi de bal in horizontale richting tegen de muur, dus in rechte lijn, en vang hem weer met je rechterhand op.
2. Gooi de bal met de linkerhand in horizontale richting tegen de muur, terwijl je linkerarm gestrekt langs je hoofd is, en vang hem weer links op.
3. Nu hetzelfde met twee gestrekte armen, en met twee handen vangen.
4. Links werpen, rechts vangen.
5. Rechts werpen, links vangen.

Gooi de bal tegen de muur op de normale manier, dus nu hoef je je hand niet boven je hoofd te houden.

Je gooit de bal met je rechterhand, laat hem op de grond stuiten, maar nu ga je de bal niet opvangen, maar met je platte rechterhand terug tegen de muur slaan.

Je houdt je rechterhand met de palm naar boven als je slaat, net of je hand een koekepannetje is, of een slaghout.

Je slaat dus op die manier de bal weer tegen de muur en vangt hem met beide handen op.

De volgorde van deze worp is dus:

1. Rechts gooien.
2. Stuiten.
3. Met platte rechterhand terugslaan.
4. Zonder stuiten met beide handen opvangen. Hetzelfde doen we nu links.

Ga nu op ongeveer een halve meter afstand van de muur staan, gooi de bal rechts tegen de muur, vang de bal niet op, maar sla hem horizontaal met de vlakke hand tegen de muur terug.

Horizontaal wil zeggen, in rechte lijn. Je moet je rechterhand dus geopend een beetje voor je uit houden, op dezelfde hoogte waar de bal de muur raakt. Nu mag je de bal niet vangen, maar je moet hem weer terugslaan, tegen de muur.

Hoe vaak kun je de bal zonder vallen achter elkaar terugslaan?

Je zult merken, dat je het verschrikkelijk vlug moet doen.

Wanneer je het rechts goed kunt, ga je hetzelfde links proberen.

Als je het met je linkerhand net zo goed kunt als met je rechter, kun je het met beide handen gaan oefenen.

De volgorde wordt dan zó:

1. Gooi bal, met je rechterhand.
2. Muur.
3. Rechts terugslaan.
4. Muur.
5. Links terugslaan.
6. Muur.
7. Rechts terug, enzovoort.

Hoeveel pannenkoeken lust jij wel?
Het kind gaat met de bal bij de muur staan en gooit hem steeds weer tegen de muur, terwijl het na het opvangen hardop telt: EEN!

Dit gaat zo door, tot de bal valt.

Dit ‘telspelletje’ kan met een onbeperkt aantal kinderen gespeeld worden.

De kinderen beginnen tegelijkertijd en gooien in hetzelfde tempo.

Wie de meeste pannenkoeken lust, ergo: wie een en ander het langst volhoudt, heeft gewonnen. Het pannenkoekenspelletje kan met alle mogelijke variaties gespeeld worden. Met stuiten, met handgeklap, op één been, met omdraaien,met één hand, enzovoort, enzovoort.

Juffrouw Katrijntje
De bal wordt tegen de muur gegooid en vóór dat die weer wordt opgevangen, maakt het kind de bewegingen, die volgens het liedje door juffrouw Katrijntje worden gemaakt.

Juffrouw Katrijntje (gooien en vangen)

Zat achter ’t gordijntje (door de vingers kijken)

Wat deed ze daar?

(gooien en vangen)

Ze kamde haar haar (gebaar van haar kammen)

Ze poetste haar tandjes

(vingers langs de tanden heen en weer)

Ze waste haar handjes (handen wassen)

Ze droogde ze af

(afdrogen door ze langs de jurk te strijken)

Ze stak z’in d’r zij (handen in de zij)

En knielde erbij.

(knielen)

Karel I
Tussen opgooien en vangen worden de gebaren :emaakt.

Karel Eén
(gooi, vang)
Brak zijn been
(gooi, vang)
EEN!
(gooi, been vooruit, vang)

Karel Twee
(gooi, vang)
Sprong over de zee
(gooi, vang)
EEN!
(gooi, spring, vang)
TWEE!
(gooi, spring, vang)

Karel Drie
(gooi, vang)
Had een stijve knie
(gooi, vang)
EEN!
(gooi, knie buigen, vang)
TWEE!
(gooi, knie buigen, vang)
DRIE!
(gooi, knie buigen, vang)

Karel vier
(gooi, vang)
Dronk vier glaasjes bier
(gooi, vang)
EEN!
(gooi, hand aan de mond, vang)
TWEE!
(gooi, hand aan de mond, vang)
DRIE!
(gooi, hand aan de mond, vang)
VIER!
(gooi, hand aan de mond, vang)

Karei Vijf
(gooi, vang)
Sloeg zijn wijf
(gooi, vang)
EEN!
(gooi, sla op de knie, vang)
TWEE!
(gooi, sla op de knie, vang)
DRIE!
(gooi, sla op de knie, vang)
Doorgaan tot en met VIJF.

Karei Zes
(gooi, vang)
Stampte de kurk op de fles
(gooi, vang)
EEN!
(gooi, stamp op de grond, vang)
TWEE!
(gooi, stamp op de grond, vang)
Enz. tot en met ZES

Karei Zeven
(gooi, vang)
Stond te beven (gooi, vang)
EEN!
(gooi, bibberen, vang)
TWEE!
(gooi, bibberen, vang)
Enz. tot en met ZEVEN.

Karei Acht
(gooi, vang)
Stond op wacht
(gooi, vang)
EEN!
(gooi, salueren, vang)
TWEE!
(gooi, salueren, vang)
enz.

Karei Negen
Moest voeten vegen
(gebaar van voeten vegen)
tot en met NEGEN.

Karel Tien
Liet z’n jurkje zien
(jurkje vastpakken tussen gooien en vangen,
tien maal)

KareL Elf
Fietst naar Delft
(nu elf keer tussen gooien en vangen een trapbeweging maken met de rechtervoet)

KareL Twaalf
Luidt de klok
Op het oude kippenhok
(twaalf keer tussen gooien en vangen een been heen en weer laten schommelen)

Karei Dertien
Lag aan de ketting
(dertien maal gebaar met hand aan de hals)

KareL Veertien
Kroop in de kist
Zonder dat KareL Vijftien het wist
(vijftien maal tussen gooien en vangen op de hurken)

KareL Vijftien
At andijvie (eetgebaar)

KareL Zestien
Klapte tot besluit
Het hele liedje uit.
(zestien keer tussen gooien en vangen klappen)

Kaatsebal ik heb je al
Tussen gooien en vangen maken we de gebaren.

Kaatsebal
Ik heb je al
Gevangen
In de ene hand
In de andere hand
Met handjesgeklap
Met voetjesgestap
Van rommeldebom
En keer om.

Klapperdeklap
Het kind gaat voor de muur staan, gooit de bal en telt:
‘EEN!’
Voordat de bal wordt gevangen klapt het één keer in de handen.
Weer gooien. Tellen: ‘Twee’. Voor het vangen twéé keer in de handen klappen.
Gooien, tellen: ‘Drie’, en drie keer in de harden klappen.
Dan ‘VIER’, ‘VIJF’, enzovoort.

Als het spel met meer kinderen wordt gespeeld, heeft het kind dat het verste komt, gewonnen.

Aanvang
1. Aanvang!
(bal tegen de muur en vangen)
2. Dubbele stand!
(bal laten stuiten, op de grond, dan tegen de muur, en vangen)
3. Rechterbeen!
(bal onder rechterbeen door gooien, laten stuiten, tegen de muur, vangen)
4. Linkerbeen!
(bal onder linkerbeen doorgooien, stuit op de grond, tegen de muur, vangen)
5. Van voor naar achter!
(bal tussen de gespreide benen op de grond laten stuiten, tegen de muur, opvangen)
6. Van achter naar voren!
(met de rug naar de muur wordt de bal tussen de benen doorgegooid, stuit op de grond, springt tegen de muur, het kind draait zich weer vlug om met het gezicht naar de muur en vangt de bal met beide handen)

Ook op dit spelletje zijn vele variaties door de kinderen bedacht. Voor een outsider klinkt een gezegde als: ‘aanvang met zoentje’, of ‘aanvang met de viedel’ wonderlijk in de oren, maar het kind dat door een ander gevraagd wordt: ‘zullen we aanvang met zoentje?’, weet onmiddellijk, dat het hierboven beschreven spelletje wordt bedoeld, terwijl als voorwaarde voor het goed uitvoeren van het spel tusen het gooien en vangen een zoentje op de rug van de rechterhand gegeven moet worden.
‘Aanvang met viedeldans’ betekent, dat gedurende het spelletje op de plaats gehuppeld moet worden.
‘Aanvang met hurken’ en ‘aanvang met klappen’ is duidelijk!

Tweeling
De bal wordt met twee handen tegen de muur gegooid, met twee handen teruggeslagen tegen de muur en met twee handen weer opgevangen. Het liedje (of liever gezegd: dreuntje) dat gezongen wordt is:

Tweeling
Die ik ving
Tweeling
Ging naar de zee
Tweeling
Ik mocht mee
Tweeling
Tante Griet
Tweeling
Jij mag niet
Tweeling
Uit is ’t lied.

Rarara wie heeft die bal?
De meespelende kinderen gaan naast elkaar op een rijtje staan, terwijl het kind dat moet raden, op een afstand van ongeveer 10 passen met de rug naar de anderen moet gaan staan. Dit kind is dan de ‘rader’.
De rader gooit de bal over zijn hoofd naar de kinderen die achter hem staan. De bal wordt gevangen door een van de kinderen, die onmiddellijk weer een rij vormen.
Allen staan met de handen op de rug. Eén van hen heeft dus de bal achter zijn rug verborgen. Nu wordt gezongen:

Ra-ra-ra wie heeft die bal,
Die mooie bal van goud?

De rader draait zich dan om en moet zeggen, welk kind de bal achter de rug heeft.
Raadt hij goed, dan mag hij in de rij gaan staan, en het kind met de bal wordt op zijn beurt nu rader.
Raadt hij mis, dan wordt de bal hem weer toegegooid, en begint het spel van voren af aan, met dezelfde rader.

Lummel
Lummel is een zeer geliefd spelletje en wordt door drie kinderen gespeeld.
Twee kinderen gaan op een afstand van ongeveer 10 meter (tien flinke passen) van elkaar staan, en de derde – de lummel – staat in het midden.
De beide kinderen gooien elkaar de bal toe, en nu mag de lummel proberen, de bal te vangen. Lukt hem dat, dan is hij lummel-af, en moet degene die de bal het laatst geworpen heeft, in het midden gaan staan, en is op zijn beurt de lummel.

Trefbal
De kinderen worden in twee partijen verdeeld. Het aantal meespelers is onbeperkt, maar het leukst is het spel als we met een groepje van meer dan acht zijn.
De beide partijen voorzien zich van een kenteken. Dit kan gemakkelijk gedaan worden, door om de rechterarm van de ene partij een zakdoek te binden.
Door loting wordt uitgemaakt, welke partij het eerst begint.
De spelregels van trefbal zijn zeer eenvoudig: Het is niet toegestaan om met de bal te lopen. Zodra de bal in het bezit van een der spelers is, moet hij proberen iemand van de tegenpartij te raken. Lukt hem dat, dan is de getroffene af en moet aan de kant gaan staan.
Mist de bal zijn doel, dan komt de bal in het bezit van de tegenpartij.
Alle spelers mogen proberen de bal met de handen te vangen.
Het spel is uit, wanneer alle spelers uit het veld zijn, op één na.
De partij waartoe deze behoort, is de winnaar.

Tunnelballetje
Alle meespelers gaan in een kring op de grond zitten, met opgetrokken knieën, dicht tegen elkaar. Er is nu een cirkelvormige tunnel gevormd, waardoor een bal kan worden gerold. Een van de kinderen staat in het midden van de kring en moet proberen, de bal te pakken, terwijl de anderen de bal door de tunnel rollen. De vanger mag van zijn plaats komen.
Als de bal is aangeraakt, wordt dit ook als gevangen beschouwd, en een ander wordt als vanger aangewezen.

Fopbal
Alle spelers, op één na, staan in een kring of op een rij naast elkaar, met tussenruimten van ongeveer één meter.
In het midden van de kring, of op een afstand van ongeveer 5 meter van de rij, staat de ‘fopper’.
De fopper gooit de bal naar een van de anderen, die hem moet opvangen. Voordat hij de bal vangt, moet hij echter een keer in de handen klappen. Daarna gooit hij de bal naar de fopper terug.
Vergeet hij te klappen, dan is hij af en moet wachten tot het spel uit is, voor hij weer mag meedoen. Ook als hij de bal laat vallen, is hij af.
De fopper mag nu een schijnbeweging maken, dus net doen alsof hij de bal wil gooien naar een bepaald kind, maar in werkelijkheid gooit hij de bal naar een ander.
Als nu het kind, dat oorspronkelijk dacht de bal in zijn bezit te krijgen, in de handen klapt, is hij af, evenals de ander, die de bal onverwacht toegeworpen krijgt en vergeet in de handen te klappen!
Tenslotte is er nog één speler over, en die mag dan in het volgende spel de fopper zijn.

Komt-ie wel of komt-ie niet?
.Alle kinderen gaan naast elkaar op een rijtje staan, met een pas tussenruimte.
Een van de kinderen, die de bal heeft, gaat op tien passen afstand voor de rij staan, in ’t midden.
De kinderen in de rij staan met de handen op de rug, en roepen:
‘Komt-ie wel of komt-ie niet?’
Het kind met de bal roept nu een naam van een van de kinderen en maakt een beweging alsof hij de bal naar het kind dat hij geroepen heeft, wil gooien.
In werkelijkheid gooit hij naar een ander kind.
.Als het kind dat is geroepen, de handen van de rug haalt, is het af.
Het is natuurlijk ook mogelijk, dat het kind dat is geroepen, de bal werkelijk krijgt toegeworpen.
.Als iemand de bal laat vallen, is hij ook af.
Wie ’t laatst overblijft is winnaar en mag op zijn beurt gooien.

Stand in de wand
.Alle kinderen staan om het kind dat de bal heeft heen. Dit kind gooit de bal recht omhoog, en roept: ‘stand in de wand voor Karel!’.
Nu maken alle kinderen dat ze uit de buurt komen, behalve Karel, die de bal moet opvangen. Zodra Karel de bal in zijn bezit heeft, roept hij:
‘Stand in de wand!’ en niemand mag meer van zijn plaats komen.
Karel mag nu proberen een van de stilstaande kinderen met de bal te raken.
Dit kind mag niet van zijn plaats komen, maar mag wel, door bijvoorbeeld te bukken, proberen de bal te ontwijken.
Wordt het kind toch geraakt dan is hij af.
Karel gooit de bal nu opnieuw omhoog en roept een andere naam.
Als hij de ander niet heeft geraakt, wordt het kind, waarop hij heeft gemikt, balwerper.

Hoog en laag
Alle kinderen staan met de rug tegen de muur.
Een van hen staat vóór de rij en werpt de bal naar het eerste kind van de rij.
Terwijl het gooit roept het:
Hoe vind jij … en noemt dan de naam van een van de andere kinderen.
Zonder te spreken kan het kind, dat de bal heeft gevangen, zijn of haar mening over het betreffende kind kenbaar maken, door de manier waarop de bal wordt gegooid.
HEEL LIEF: De bal zo hoog mogelijk recht omhoog en weer opvangen.
SOMS LIEF SOMS STOUT: Bal met een boogje teruggooien.
GAAT NOG AL: Bal over de grond terugrollen.
STOUT: Bal teruggooien met stuiten.
Dan krijgt het volgende kind uit de rij de bal toegeworpen.

Namenradertje
Het aantal meespelers is onbeperkt. Een van de kinderen heeft een bal en gaat daarmee op een paar meter afstand tegenover een van de anderen staan.
Terwijl het de bal gooit naar de ander, roept het de eerste en laatste letter van een naam. Denkt het kind bijv. aan: Johan, dan roept het onder het gooien: ‘J’ en ‘N’.
Het andere kind, dat de bal heeft gevangen, moet nu raden welke naam de ander in gedachten nam.
Weet hij het niet onmiddellijk, dan mag hij een aantal vragen stellen en trachten op die manier de naam aan de weet te komen.
Bijv.: Is het een jongen of een meisje?
Ken ik hem goed?
Woont ze in de straat?
Kan hij de naam niet raden, dan roept hij:
‘Niet thuis’ en gooit de bal terug.
Raadt hij fout, dan moet de bal ook worden teruggegooid!
Als hij goed raadt, werpt hij de bal terug en mag weglopen, tot het eerste kind (dus het kind dat de bal eerst heeft gegooid en weer heeft opgevangen, nadat het had bevestigd dat de juiste naam was geraden) roept: ‘Hela sta stil.’
Op dat moment moet het kind dat wegloopt onmiddellijk stil staan (met het gezicht naar het kind met de bal) en van zijn armen een hoepeltje maken, door de handen te vouwen en de armen enigszins te buigen.
Nu mag het kind met de bal per lettergreep van de geraden naam één pas in de richting van het armenhoepeltje maken. In dit geval dus: JO (één pas) HAN (nog één pas). Nu moet de bal door het hoepeltje worden gegooid. Lukt dat, dan moet de ander de rol ovememen.

Zintuigen: o.a. evenwichtszin; bewegingszin

Spel: alle artikelen

1214-1134

.

VRIJESCHOOL – Zintuigen – tastzin (2-3)

.

voelen tot het pijn doet

Is aanraken hetzelfde als aangeraakt worden? Dat kun je gemakkelijk
on­derzoeken. Raak de rug van je andere hand maar eens aan. In beide handen wordt dan de tastzin gemobiliseerd. Maar er is een wereld van verschil. De vingertoppen proberen als het ware de huid objectief te voelen ter­wijl de handrug ‘subjectief voelt dat hij aangeraakt wordt. Alsof je ‘je fy­sieke zelf’ op twee manieren beleeft: een objectief lichaam dat je hebt en een subjectief lijf dat je bent

Zo kun je je ‘lekker in je lijf voelen, maar ‘niet tevreden met je lichaam’ zijn. Het lichaam is als het ware een ding en het lijf is bezield. Van dit ver­schil kun je gebruik maken.
Wanneer ik iemand pijn moest doen in de praktijk, met prikken bijvoorbeeld, adviseerde ik altijd niet weg te kijken, want dan ben je je kwetsbare lijf, maar juist met aandacht op te letten. Zo kun je ob­jectief je lichaam als ding, dat je niet bent maar hebt, beschouwen en hoef je niet betrokken te raken bij het ge­voel van pijn. Het werkt echt!

Wat je ook kunt voelen is dat de vin­gertop met zijn waarneming niet doordringt in de hand, maar alleen het oppervlak verkent, en andersom voelt de handrug ook alleen het op­pervlak van de vingertop. Jazeker, je voelt ook de warmte van beiden, wanneer er tenminste een tempera­tuurverschil is. Dat doet de warmte- of temperatuurzin. En verder merk je dat je eigenlijk pas echt iets voelt wanneer je je vingertop een beetje beweegt of ermee drukt. Je wordt dus pas iets gewaar door de medewerking van de eigen-bewegingszin, of, bij druk, zelfs je evenwichtszin.

Grensbeleving
De tastzin is waarschijnlijk de oudste ‘zin’ in de evolutie. Een eencellige zal als hij ergens tegen op botst, snel een andere kant op gaan. Ook al heeft hij nog geen zintuig voor het tasten zoals wij. Poliepen schrikken van elke aanraking, of ze nu zelf iets aanraken of dat ze aangeraakt worden. Dan trekken ze zich schielijk terug. Ze nemen dat waar door de vrije uiteinden van de zenuwen in hun huid. Dat zal een worm niet gebeuren, die raakt voortdurend met zijn hele huid de grond en stenen aan. Het doet hem niets, maar als hij aangeraakt wordt, al is het maar vluchtig, krimpt en kronkelt hij in elkaar. Het is net zoiets als kiete­len. Je kunt ook alleen maar door een ander gekieteld worden. Dat heeft iets te maken met de genoemde twee­slachtigheid van tasten.

We denken bij tastzin vaak dat het om waarnemen van iets buiten ons gaat, maar eigenlijk is het een grensbeleving: hier houd ik op en begint iets anders. De tastlichaampjes, die het zintuig van de tast vormen, zitten vlak onder de opperhuid. Je voelt zowel je eigen grens als die van iets of iemand anders. Als je iemand streelt voel je die ander, maar dat gebeurt doordat je je eigen handpalm voelt. En de ander voelt naast jouw hand vooral zichzelf, terwijl zijn tastzin wordt geprikkeld. Door de tastzin voel je dus vooral je­zelf, en wel je grensgebied. Voor een pasgeboren baby is dit hèt zintuig dat hem duidelijk maakt waar zijn lichaam ophoudt en waar de lakentjes van de wieg beginnen. Een baby kan zichzelf betasten en wordt zich zo bewust van zijn lichaam. Dat levert de eerste erva­ring op van zijn in de wereld èn van het afgescheiden zijn ervan.

Pijngrens
Met actief tasten, dus met medewer­king van de bewegingszin, voelen we of iets hard, zacht, glad of ruw is, of soepel, week of stevig. Maar dat zijn ook eigenschappen die we, figuurlijk, aan iemands persoonlijkheid kun­nen toekennen. Alsof we die ook lij­felijk voelen. Alsof iemands karakter tegen de onze strijkt of schuurt. Dat kan zelfs pijn doen. Iemand kan je pijn doen zonder je lichamelijk te schaden. Dan hebben we het over ‘zielenpijn’. En het interessante is dat deze zielen­pijn op dezelfde plek in de hersenen wordt verwerkt als de lichamelijke. Het is natuurlijk interessant om te we­ten welk zintuig voor welke ervaring wordt ingeschakeld, zoals de neus voor de reuk, de tastlichaampjes voor het voelen en de vrije zenuwuiteinden voor de pijn, maar het gaat uiteinde­lijk om de ervaring. Niet het zintuig maar de ‘zin’. Tasten levert ons na­melijk meer informatie op dan alleen de aard van een oppervlak. Vooral blinden vertrouwen erop dat de tast hen laat weten wat voor vormen de wereld om hen heen aanneemt en, met de uitbreiding van de tastzin door de blindenstok, of deze obstakels iets voor hen betekenen. De blinde ‘ziet’ met de tastzin (en met het gehoor).

Het is interessant dat Rudolf Steiner twaalf ‘zinnen’ onderscheidt, waarbij geen plaats is voor de ‘pijnzin’. Mis­schien wel omdat elke zintuigervaring, mits sterk genoeg en waar dan ook in het lichaam, kan veranderen in pijn. Pijn kunnen we daarom beschouwen als de ervaring van het overschrijden van een grens: de pijngrens. En zo zien we dat zowel de tastzin als de ‘pijnzin’ een grenservaring betekenen.

(Met toestemming van de auteur):

Arie Bos in ‘Stroom’ lente 2015

Van de schrijver verschenen onlangs:

arie-bos

Uitgeverij Christofoor

 

Zintuigen: alle artikelen

1179-1099

.

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie (17-1)

.

DE WERKZAAMHEID VAN HET IJZER IN HET MENSELIJK ORGANISME

P. kwam bij ons toen hij 3 maanden oud was. Van begin af aan had hij geen gemakkelijke weg op aarde gekozen. Een gezin was er al lang niet meer en P.’s moeder leed aan een ernstige ziekte. Ze was zo ziek dat het kind na de bevalling niet bij haar kon blijven, omdat ze niet in staat was het te verzorgen.

Uit een bleek-grauw oud kindergezichtje keken diepliggende ogen. Het hoofd was naar verhouding groot, daarentegen hingen aan een tere romp dunne, fijne armen en benen waarvan je je niet kon voorstellen dat die ooit geschikt zouden worden voor de wereld. Zo ging P.’s ontwikkeling wat zich oprichten, zitten, staan, lopen enz. betrof erg, erg langzaam. Pas toen hij drie jaar oud was, durfde hij vrij te lopen en nu nog, met zijn vierde, is zijn loop onzeker, ja hij kan vrij beverig zijn. Ook doelbewuste bewegingen met de handen zijn niet krachtig, maar aarzelend en onhandig. Hij heeft nu de lichaamslengte van een
tweeeneenhalfjarig kind.
Mentaal is P. niet dof. Op het goede ogenblik heeft hij de wereld in oog en oor gevat en lang voor hij kon lopen, sprak hij met een hoge stem. Alleen de gebrekkige ontwikkeling van zijn ledematen hinderde hem om net zo te doen als zijn leeftijdgenootjes. P. was vaak verkouden, maar nog vaker klaagde zijn begeleidster erover dat hem niets lekker smaakte. Dezelfde zwakte die in de ledematen tevoorschijn komt, vertoont zich zelfs in hrt verteringsproces. Kort geleden nog maar leidde juist deze zwakte tot een ernstige crisis in zijn leven.

P. lijkt op het eerste gezicht zeer veel op kinderen die een waterhoofd hebben, maar bij hem ligt de belangrijkste stoornis in het stofwissel-ledematensysteem en de dominantie van het centrale zenuwsysteem is meer schijn. Welk proces is hier verstoord?

We hebben er eerder al eens op gewezen hoe zon en maan werkzaam zijn in de mens. De kosmische kracht die de mens geheel aards doet zijn is Mars en zijn aardesubstantie is het ijzer. Hij brengt de mens in de stevigheid, sterke vormkracht met zich meebrengend en laat zijn substantie in de mens stollen. Het ijzer heeft in het menselijk organisme heel bekende, beschreven opgaven, maar bij de bekende werkzaamheid komen er door het geesteswetenschappelijk onderzoek van Rudolf Steiner nog een paar en de oude verschijnen in een nieuw licht.
In het volgende worden een paar eigenschappen van het ijzer beschreven van de natuur buiten, om tot een begrip te komen van de werkzaamheid in het menselijk organisme.

IJzer is het meest voorkomende metaal op aarde. Je vindt het zowel in machtige ijzerertslagen, als ook in kleine sporen in vele gesteenten (met name silicaat- en vulkaansteen). Bijna geen bron, uit wat voor diepte uit de aarde die ook komt, is ijzervrij. Waar de aarde ook maar rood of bruin gekleurd is, komt dat door het ijzergehalte.
Het ijzer dat voor onze beschouwing het belangrijkste is, is het meteoorijzer dat als vallende sterren. vooral in augustus en september in de leonidenzwerm, het hele jaar door vanuit de kosmos op aarde komt. Het gewicht van dit meteoorijzer schommelt tussen 50.000 kg en 2 gr.
Neem je een hematiet of een marcasiet in je hand, dan ben je eerst verrast door het gewicht. Bij nadere beschouwing van de doormidden geslagen steen vallen twee dingen op: het oppervlak is afgerond, binnenin heeft het ijzer een stralenstructuur, maar zonder een gevormd middelpunt – cirkel en straal als elementen vallen hier samen. In het ronde verraadt deze vorm zijn kosmische oorsprong en brengt deze meteen over op de aardse straal die naar een middelpunt streeft. Chemisch verbindt ijzer zich met veel stoffen. Zijn vermogen koolstof op te nemen, bepaalt zijn hardheid en het smeden van wapens was dan ook een bijzondere kunst, omdat men niet alleen de hamer moest hanteren, maar men moest ook van houtskool of harsrijke stoffen als fosfor, kiezel of zwavel toevoegen. De relatie van ijzer en zuurstof is bekend; daarop berust voor het grootste deel de werkzaamheid van het ijzer in het menselijk organisme. IJzer kan het zuurstof binden en tegelijkertijd weer afgeven. Onze ademhaling kan alleen maar plaatsvinden wanneer dit proces in orde is. Zijn nauwe betrekking tot stikstof stelt het ijzer in staat uit giftige cyaanverbindingen het onschuldige Pruisisch blauw te vormen, een activiteit die we min of meer ook in het menselijk organisme aantreffen. Met zwavel verbindt het ijzer zich in de warmte tot de bovengenoemde marcasieten, vooral echter tot pyriet. Tot slot wordt hier de eigenschap van het ijzer genoemd die we in deze hoge mate alleen bij hem en zijn broeders kobalt en nikkel vinden: het ijzer voegt zich zo in de aardekracht dat het magnetisch wordt: magnetiet Fe3)4 is de van nature voorkomende magneetijzersteen. Maar al het ijzer wordt door een magneet aangetrokken en al naar gelang van het koolstofgehalte wordt het magnetisme erin tot iets blijvends, d.w.z. koolstofrijk ijzer laadt met magnetisme op. Op deze eigenschap van het ijzer en de mogelijkheid koolstof op te nemen, berust voor een groot deel de huidige techniek, waarvan de ontwikkeling zonder het ijzer helemaal niet denkbaar is.

Kijken we nu eens naar het ijzer in het menselijk organisme. Zoals het buiten diep in de aarde is opgenomen, is het in het menselijk organisme helemaal substantie geworden. Vind je van andere metalen hooguit sporen, veel meer echter hun processen, dan is het ijzer als substantie in alle cellen van het organisme, voornamelijk in de rode bloedlichaampjes aanwezig. Hier heeft de persoon direct de mogelijkheid zich met de zwaartekrachten, d.w.z. de ruimtekrachten uiteen te zetten. Wanneer de mens te weinig ijzer heeft, bijv. bij bleekzucht, dan wordt hij duizelig, moe, hij kan zich in de ruimte niet handhaven, de ziel heeft geen basis om de volle persoonlijkheid zich te laten ontplooien. Een mens met bloedarmoede is ook moedelozer, twijfelachter, neemt moeilijker belsuiten.
Het rode bloedlichaamoje is de bemiddelaar bij de adem: in de long neemt het hemaglobine, de ijzerhoudende kleurstof van het bloed, zuurstof op uit de lucht en brengt het als rood bloed in alle weefsels, geeft het daar af en neemt het koolzuur uit het weefsel weer mee naar de long waar het wordt geruild tegen nieuwe zuurstof. Dit proces is zeer gecompliceerd. Het berust op het vermogen van het ijzer zuurstof aan zich te binden en zo is het ijzer voor ons ook de bemiddelaar bij het leven. Bij het verwerken van het opgenomen voedsel helpt het ijzer ons de substanties zo af te breken dat deze helemaal naar hun eigenheid teruggebracht worden. Het orgaan dat deze kracht in het verteringskanaal brengt, is de galblaas. Wie ooit eens de uitscheiding van de gal op het röntgenapparaat heeft gezien, weet dat dit zich bliksemsnel voltrekt en je moet goed opletten, wanneer je dit eenmalige samentrekken en uitstoten niet wil missen. Opvallend genoeg bevat het galsap nauwelijks substantieel ijzer. In de lever, waar het wordt aangemaakt, wordt het ijzer met de mede-activiteit van de milt tegengehouden en in het bijzonder hier opgeslagen. Hier is het ijzer werkzaam als proces, maar heel krachtig, zoals we hebben leren kennen bij de andere metalen. Is deze activiteit verstoord, dan ontstaat gebrek aan eetlust, diarree en andere stoornissen. Kan bijv. het eiwit niet goed afgebroken worden, dan komt er vreemd eiwit in het bloed; de nieren moeten dit uitscheiden en dan hebben we eiwit in de urine. Het ijzer zelf wordt door de dikke darmklieren uitgescheiden en het bindt hier giftige afbraakstoffen uit de stofwisseling.

Maar niet allen onze levenskracht, de acitiviteit van de stofwisseling, maar ook ons bewustzijn is van het ijzer afhankelijk. Zo vinden we het in bepaalde gedeelten van de hersenen waarin, ook al is dat niet vol wakker, de evenwichtspositie van ons lichaam tot bewustzijn komt. Voor iedere vol bewuste activiteit is de werkzaamheid van het ijzer nodig. Tegenwoordigheid van geest, het invallen van een gedachte is het microkosmische spiegelbeeld voor het oplichten van de meteoren. Wanneer de mens in staat is zijn bewustzijn zo te versterken dat hij niet overmand wordt door de stofwisselingsprocessen, kan hij zijn opdrascht als aardeburger vervullen.
Zoals we het ijzer als drager van dit bewustzijn hebben leren kennen, zo kunnen we in de zwavel de representant zien van de stofwisseling. In het harmonsich doordringen van deze beide stoffen heeft de natuur zelf voor ons een kristal gevormd waarvan we aan de vorm en de kleur kunnen aflezen, hoe kosmisch ijzer en aards zwavel zich tot een ‘nieuw goud’ verenigen. Twaalf is het getal van de dierenriemtekens, waaruit de meteoren komen, vijf is het getal van de mens op aarde die met beide benen stevig staat, zijn armen opheft en zijn hoofd rechtop draagt. Twaalf keer deze vijfhoek bij elkaar gebracht doet het pentagondodecaëder ontstaan, dit pyrietkristal met zijn gouden kleur.

Uit wat er over het ijzer gezegd kon worden, is wel duidelijk dat men een kind met de beschreven problemen met ijzer kan helpen. Je moet het ijzer eerst voorzichtig in een plantaardige vorm geven, bijv. de ijzer bevattende brandnetel; later kun je het zuivere metaal toedienen. In de heileuritmie zul je door bewegingen die afgeleid zijn uit de consonanten, in overeenstemming met de leeftijd van het kind, vormend kunnen werken. De E als klinker zal helpen behendiger te worden in de ledematen; een begripsvolle omgeving zal hem moed schenken, helemaal op de aarde aan te komen.

Getuigschriftspreuk voor een langzaam zich ontwikkelend kind:

Erdenschwere will ich überwinden,
froh und frei dem Geiste mich verbinden,
Dann wird wahres Glück auf Erden,
Gleich den Andern, auch mir werden
(Rosa Erlacher)

.

Waltraut Starke, hoogstwaarschijnlijk in ‘Bingenheimerhefte’ rond Michaël 1953

.

Meer over ijzer: Jaarfeesten: Michaël

Meteoorijzer; pyriet, magnetiet enz.

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1162-1083

.