Categorie archief: menskunde en pedagogie

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – ritme (3-8)

.

KRACHT PUTTEN UIT RITME

Het slaap-waakritme is zo’n vanzelfsprekend ritme dat je er eigenlijk niet eens bij stilstaat. Pas als je lijdt aan een slaapstoornis of nachten hebt gewaakt bij een zieke, merk je hoe je lichamelijk welbehagen van dat ritme afhankelijk is.
Naast het slaap-waakritme zijn er nog heel wat andere ritmes die invloed uitoefenen op onze gezondheid.
Wat voor ritmes zijn dat en hoe kun je ze herkennen?

Wie ooit naar Amerika of nog verder, naar Australië of Nieuw-Zeeland is gevlogen, heeft kennis kunnen maken met een merkwaardig fenomeen. Ook al ben je zelf van plan je onmiddellijk aan te passen aan de andere taal, het klimaat en de omstandigheden, vaak ziet je lichaam dat de eerste dagen nog helemaal niet zitten. De uiterlijke klok is immers niet gelijkgesteld met je eigen bioritme. Je lijf meldt daardoor op de verkeerde tijden dat het slaap nodig heeft of hongerig is en het leven gaat nog min of meer als een droom aan je voorbij. Pas na ongeveer een week begint het nieuwe ritme te wennen en krijg je langzaam aan het gevoel dat je er echt bent. Je hebt de ritmestoornis, in dit geval de verstoring van het slaap- en waakritme, dan overwonnen.

Ritme
Wat is ritme precies? Van Dales Groot Woordenboek omschrijft het als ‘iedere geaccentueerde, periodieke (maar niet altijd gelijke) wisseling in een bewe­ging’.
Ritme is dus de wisseling in een beweging, geen regelmaat, want dan is alles altijd hetzelfde. Na een dag en een nacht volgt steeds weer een volgen­de dag, maar tegelijk wordt het steeds iets korter of langer licht. Als je erop gaat letten, zie je overal rit­mes: in onze tijdsindeling in dag en nacht, week, maand en jaar, in de wis­seling van de seizoenen, in het functio­neren van onze organen en zelfs in onze levensloop. Onze polsslag bijvoorbeeld heeft een ritme dat in een specifieke verhouding staat tot onze ademhaling, namelijk 4 op 1. Bij een hevige schrik stokt de ademhaling en ben je even letterlijk van slag. Ook de lever heeft een eigen ritme. Hij begint rond drie uur ’s middags met zijn opbouwactiviteiten en eindigt daarmee rond drie uur ’s nachts.

Opbouw en afbraak
Interessant is dat ons eigen fysiologische ritme niet los te zien is van grotere, kosmische ritmes. Wij halen in een etmaal 25.920 keer adem; de zon heeft er 25.920 jaar voor nodig om de hele kring van de dierenriem te bewandelen.
Een ander voorbeeld: de menstruatiecyclus bestrijkt ongeveer 28 dagen, het­zelfde aantal dagen dat de maan ervoor nodig heeft om alle fasen – van nieuwe tot volle maan en weer terug – te doorlopen. Naast deze wetmatigheden zijn er ook ritmes die zich veel innerlijker afspelen. De afwisseling tussen dag- en nacht­ritme en het verschil tussen waken en slapen betekenen een afwisseling tussen afbraak en opbouw. Overdag breek je je levenskrachten af doordat je voortdurend je zintuigen gebruikt en allerlei prikkels moet verwerken; ’s nachts moet je deze levenskrachten weer opbouwen. Opbouw en afbraak gelden echter net zo goed overdag. Een hele dag intensief vergaderen of winkelen, waarbij je met je hoofd voortdurend indrukken opneemt, tendeert naar afbraak. De opbouwkant overheerst bij een dag die je doorbrengt aan de open haard, met wat soezen in de warmte, met taart en een mooie roman. Ritmische processen verbinden deze beide polariteiten. Je spaart daardoor kracht.
Ritme is een golf waardoor je je een stukje kunt laten meenemen, in plaats van tegen de stroom in te zwemmen.

De kracht van ritmes
Voor wie kracht wil putten uit de ver­schillende ritmes zijn er heel wat aanknopingspunten te vinden. In het dagritme werkt het al heel ordenend als je op een vaste tijd opstaat, een patroon ontwikkelt in het afwerken van karwei­tjes en prioriteiten stelt. Als je tussen­door pauzes inlast, een wandelingetje maakt en op tijd eet, versterkt dat de opbouw, en daardoor krijg je weer energie.
Let je op de veranderingen in het licht, op de zonsondergang, op het invallen van de schemering, op de stand van de maan en het al dan niet aanwezig zijn van sterren, dan zul je na verloop van tijd merken dat het je slaap-waakritme versterkt. Een indeling per dagdeel naar ‘hoofd, hart en handen’ kan je behoeden voor eenzijdigheid.
In het begin gaat het daarbij vooral om de registratie van wat je doet of hebt gedaan. Was ik de afgelopen morgen vooral met mijn hoofd bezig, of heb ik vooral mijn handen of benen gebruikt?
Doe ik ter afwisseling dingen die meer het hart aanspreken, zoals het schrijven van een brief, het bewonderen van een roos of een sneeuwvlok? Neem ik wel tijd voor een goed gesprek?
Daarbij zal overi­gens de een liever ’s morgens denkwerk verrichten en de ander ’s avonds.
Een weekritme is eveneens een uitstekend middel tegen eenzijdigheden en stress: op bepaalde dagen wassen of strijken, op een vaste middag verga­deren of zwemmen, op zondag heel andere dingen doen en anders eten dan in de week. Het voordeel is dat je zodoende aan allerlei dingen toekomt waar je anders geen tijd voor denkt te hebben.

Het maandritme werd al even genoemd in verband met de menstruatiecyclus. Ook daar kun je naar toeleven. Bij speciale cursussen voor vrouwen die bij de menstruatie veel pijn ondervinden, is het opvallend dat hun wordt geleerd zich niet tegen de cyclus te verzetten.
Met het ritme meegaan, niet het uiterste van jezelf vragen in je dagelijkse inspanningen, maar de buik juist extra aandacht en warmte geven, zorgt ervoor dat bij veel vrouwen de narig­heid afneemt.

Het mooie van ritme is dat het niet alleen je gezondheid ondersteunt, het maakt de wereld ook veelkleuriger en beweeglijker dan je op het eerste gezicht denkt. Steeds gaat het erom wisseling in de beweging te brengen.
Verjaardagen, feestdagen en vakantie kunnen hierdoor met meer overgave worden gevierd en, wat ook belangrijk is, je hebt ineens een zee van tijd.

(Ineke van der Duijn Schouten, m.m.v. George Maissan, huisarts, Weledaberichten nr.175, winter 1997)

.

Ritmealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

454-422

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – Ritme (3-7)

.

HET WARE ELEMENT VAN HET MIDDEN

Neiging tot ziekte wordt overwonnen

Het woord ritme roept in de mens verschillende voorstellingen op. Bij de
mu­sicus zullen deze anders zijn dan bij de technicus, bij de huisvrouw anders dan bij de dokter. Een gesprek over dit onderwerp eindigt dan ook vaak met de vaststelling: „het leven is tegenwoordig* zó onritmisch”.
Ritme, harmonie en gezondheid zijn begrippen, die dicht bij elkaar liggen. Een ritmische gang, het juiste ritme van bezigheid en rust, van waken en sla­pen gelden als uitdrukking van de gezondheid.
Wanneer we ons hierin verder verdiepen, zullen we langzamerhand het ritme overal in ontdekken: in de loop van de sterren aan de hemel, in het verloop van de dag, in het natuurproces – in het hele menselijke leven. Hoe meer we van de kosmos en de natuur over­stappen naar het werkelijke mensenrijk, des te meer zullen we moeten vast­stellen, dat dit element gaat ontbreken.

Hierbij wordt een principiële opmerking noodzakelijk. Wij mensen van deze tijd moeten ons steeds sterker bewust worden van onze algemene en
persoon­lijke levenssituaties, alsook van onze gewoonten. Een leven dat slechts in­stinctief de gewone banen volgt, wordt steeds minder bevredigend.
We kun­nen daaruit de conclusie trekken, dat ook het element „ritme” opnieuw door ons wakende dagbewustzijn veroverd moet worden. En daarbij kan dan een zekere vreugde aan de ontdekkingen die we maken beleefd worden: de bit­tere ernst van de huidige situatie, van de zozeer onritmische toestanden van ons leven. Als we daarover nadenken, zullen we bijna dagelijks iets nieuws kunnen vinden. Aan planten, dieren, gebruiksvoorwerpen en vele andere din­gen zullen we ritmische vormen of processen onderkennen.
Wie denkt er b.v. aan, dat bij het gebruikelijk weven van stoffen een ritmische bezigheid vol­trokken wordt en dat het weefsel, wanneer het klaar is, een vermenging van schering en inslag is, die ook weer heel verschillend gehanteerd kan worden.
Misschien zijn we op zekere dag verrukt over de harmonische vorm van kla­verzuring, met zijn hartvormige drieklank, of over het blad van een
bosaardbei.
Wie zich interesseert voor menskunde, zal het ritme van de wervelkolom of van de borstkas bewonderen.
De natuurliefhebber kijkt naar de wolken­vormen, de meander van het natuurlijk verloop van een rivier, de jaarringen aan boomstammen, ieder die belangstelling heeft voor dergelijke vragen over het bestaan zal tenslotte tot zijn verbazing leren inzien, dat men daarbij een zeer veelomvattend levenselement ontmoet.

Daarmee komen we op ons oor­spronkelijke thema terug met de vraag: hoe ontstaat ritme en wat is de bete­kenis daarvan?

Nadat we onze blikken vooral naar buiten hebben gewend, richten we onze aandacht nu naar binnen. We ontdekken ons denkende bewustzijn als „waar­nemingsorgaan” voor het rijk der ideeën. Hier kan de door Rudolf Steiner uit­gesproken idee van de drieledigheid van het menselijke organisme een licht werpen op het thema zoals dat tot nu toe is behandeld.

Deze idee laat aan de lichamelijke organisatie van de mens zien, hoe daarin drie krachtprincipes werken, die de grondslag leggen voor het inwerken van denken, voelen en willen als de functies van de menselijke ziel en geest. Om­dat dit thema in de Weleda Berichten reeds vaak werd behandeld, zij hier volstaan met het volgende schema:

ritme

We kunnen het ritme zien als een evenwicht scheppend principe in de mens en de natuur, maar daar bovenuit brengt het nog een „Steigerung” tot stand. De polariteiten beweging en rust, uitzetten en samentrekken of in het zielengebied sympathie en antipathie kunnen klaarblijkelijk alleen maar tot uitersten leiden.
Onze ziel voelt een soort van uitzichtloosheid, wanneer ze zich voor­stelt dat beweging of ook rust steeds maar zouden culmineren. Op het zielengebied zou dezelfde situatie ontstaan met betrekking tot sympathie en anti­pathie. Waar zouden ze tenslotte toe moeten leiden dan tot een uiteinde­lijke oplossing of tot vernietiging? Of wanneer we dit aflezen aan het mense­lijke organisme: het eenzijdig werken van het zenuwzintuigstelsel zou tot een volledige verharding van de vorm en verstarring en het eenzijdig werkende stofwisselings-ledematenstelsel tot oplossing van het menselijke organisme moeten leiden, ware het niet, dat tussen deze beiden het ritmische stelsel met het hart en de longen onophoudelijk genezend werkzaam is.

Het ware element van het midden
Het ritme blijkt dan ook niet alleen een evenwicht scheppende,
harmoniseren­de factor te zijn, maar een genezend proces, dat als een „openbaar geheim” (Goethe) de ontwikkeling van mens en wereld doortrekt. Het overwint zelfs de in de polariteiten als mogelijkheid liggende neigingen tot ziekte, die — zoals we zagen— alleen maar tot verstarring, oplossing of vernietiging kunnen leiden en die de mens in de wereld voortdurend bedreigen.

Ritme is het ware element van het midden, dat steeds bereid is te overwin­nen, te harmoniseren en om te vormen. De mens die naar inzicht streeft ziet daarin een centrale kracht, die hem zijn menselijke ontwikkeling mogelijk maakt, maar die ook als zichtbaar en tegelijk verborgen element in de hele natuur en de kosmos werkzaam is. De geboorte van een dergelijk idee in de menselijke ziel kan ervaren worden als een beleven van licht, juist in een tijd, waarin het jaarritme ons voert naar het kerstgebeuren.

(Dr. J.Kaufmann, Weledaberichten nr.88, *dec. 1970)

.

Ritmealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

450-419

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – ritme (3-6)

.

MENSENWERELD
RITMEN IN EN BUITEN DE MENS

Het meest opmerkelijke ritme in de natuur is wel het ritme van dag en nacht. Met het op­gaan van de zon ontwaakt ook de natuur; in het voorjaar horen we bijvoorbeeld het veelstemmige concert van de vogels. De mens en de meeste hogere dieren ontwaken, bloemen gaan open voor het zonlicht. ’s Avonds verstomt langzamerhand het lawaai van overdag. Veel bloemen gaan dicht. Mens en dier gaan slapen.

Uiteraard kan de mens zich tot op zekere hoogte tegen dit ritme verzetten. Bepaalde lichamelijke functies zoals bij­voorbeeld de vorming van menselijk zet­meel, glycogeen, in de lever bereiken hun hoogtepunt in de tweede helft van de nacht. De plasma-cortisolspiegel (hormoon van de bijnierschors) bereikt zijn hoogtepunt tussen 6.00 en 9.00 uur. Wanneer het slaap-ritme verandert, verschuiven ook deze ritmen.

Naast dit dagritme, dat met de loop van de zon samenhangt, kennen we nog het zeven-dagenritme van de week.
In de oud­heid werd dit ritme in verband gebracht met de krachten van de schepping. (De schep­ping in zeven dagen volgens het Oude Testament).
Ook nu nog kunnen we ervaren dat het herstel na een verwonding of een acute ziekte een ritme van zeven dagen doorloopt. Dat wil zeggen bij genezing, die niet wordt beïnvloed door een behandeling met medicamenten, treden bijvoorbeeld pijn en zwellingen in de omgeving van de verwonding in ritmische volgorde elke ze­ven dagen in steeds zwakkere vorm op, tot de genezing volledig is.
De regeneratiepro­cessen die uitdrukking zijn van een eigen krachtenveld, dat we levenslichaam kun­nen noemen, volgen het ritme van zeven dagen. Een ander ritme hangt samen met de omloop van de maan om de aarde.

Het duurt 28 dagen voor de maan alle stadia van nieuwe maan naar volle maan en weer nieuwe maan heeft doorlopen. Zulke maanritmen hebben duidelijk in de dierenwereld nog een directe betekenis; voor de mens is dit alleen nog het geval met betrekking tot de maanperiode in de cyclus van de vrouw en in de embryonale ontwikkeling die 280 dagen, dus tien maal 28 dagen, duurt.

Het qua grootte daaropvolgende ritme is het jaarverloop waar we onze leeftijd aan afmeten. Voor de lichamelijke en psychisch-geestelijke ontwikkeling van de mens is het ritme van zeven jaar van groot belang. In de eerste zeven jaar komt het fysieke lichaam tot een zekere rijpheid. Met het wisselen van de tanden, dat rond het zevende jaar behoort te beginnen, is het kind schoolrijp.
Met veertien jaar komt de geslachtsrijp­heid; dit is ook weer een belangrijke stap met betrekking tot de psychische ontwikkeling van de kinderjaren naar de puberteit en adolescentie. Het eigenlijke volwassen wor­den, de rijpheid om eigen verantwoordelijk­heid te kunnen dragen, volgt met eenen­twintig jaar. Daarmee houden de perioden van zeven jaar niet op, maar krijgen meer het karakter van een psychische rijping. Het grootste onderscheid tussen mens en dier ligt in het feit dat het dier met de geslachtsrijpheid het hoogtepunt in zijn aardse bestaan bereikt terwijl het hoogte­punt bij de mens, door zijn geestelijk latere rijpheid, pas bij het vijfendertigste jaar ligt. Daarmee zijn de grotere ritmen die mens en kosmos verbinden, beschreven. Nu zijn er echter bij de mens nog ritmen die korter zijn dan het dag-nacht ritme, bijvoorbeeld het ritme van de ademhaling. Ook dit ritme staat in verband met de kosmos: bij achttien ademhalingen per minuut ademt de mens binnen 24 uur 25920 maal in en uit. Dat aantal is gelijk aan het aantal jaren dat de zon nodig heeft om éénmaal door de hele dierenriem aan de sterrenhemel te gaan.

Het ritme van de ademhaling
Elke inademing heeft iets van geboren wor­den; elke uitademing iets van sterven in zich.
Onze eerste ademtocht begint met de inademing; de laatste eindigt met de uit­ademing. Vier maal sneller dan het ritme van de ademhaling gaat het ritme van de polsslag waarin – net zoals bij het ritme van de ademhaling – iets van het wezen van de mens als burger van beide werelden tot uit­drukking komt.

Een nog sneller ritme is het zogenaamde alfa-ritme van de hersenen. Het gaat hier om elektrische spontane schommelingen die ook gedurende de diepe slaap nog aanwezig zijn en rond de 10 per seconde liggen.

Bij de innerlijke zorg voor het ritme komt het aan op de momenten van bezinning die men in het verloop van een dag inbouwt; bijvoorbeeld een gebed of een spreuk voor het eten of een terugblik aan het eind van de dag. Een kunstzinnige activiteit, die in de dagelijks noodzakelijke bezigheden wordt opgenomen, kan een verloren ge­gaan ritme in de leefwijze weer herstellen. Vaak zijn slechts enkele momenten van ver­wondering daarvoor al voldoende. Aandacht voor het ritme is tegelijkertijd zorg voor de gezondheid. In de uiterlijke leefwijze moet er veel waarde worden gehecht aan lichaamsbeweging, maar ook aan regel­maat in de maaltijden, goed kauwen bij het eten en het juiste evenwicht tussen waken en slapen, rust en beweging.

Het wezenlijke van het ritme kunnen we slechts begrijpen, wanneer we de polari­teiten kennen waaraan het zijn bestaan te danken heeft.
Bij de plant zijn dat de aardse en de kosmische krachten, bij het dier bo­vendien de krachten van aantrekken en af­stoten bij vreugde en smart, krachten die zich in het zielengebied uiten. De mens be­schikt bovendien nog over de instrumenten van de bewuste geest, die bijvoorbeeld tot uitdrukking komen in de polariteit van waar­nemen en denken.

Een gezond ritme zal altijd een evenwicht tussen de polariteiten bewerkstelligen. Dat gaat echter – althans bij de mens- niet vanzelf omdat krachten van binnen en van buiten dit gezonde evenwicht voortdurend ver­storen.

Laten we het meest fundamentele ritme van de mens bekijken: de ademhaling, waaraan weer alle andere ritmen gekoppeld zijn. De ademhaling stokt bij een shock, bij onver­wachte ervaringen (hoe vaak niet bij een enkele autorit door de stad?), wordt opper­vlakkiger bij slechte, benauwde lucht of bij gebrek aan beweging, wordt ingehouden bij opwinding en ontspant en wordt rustiger bij het beleven van een kunstwerk.

Zorg besteden aan het ritme
Aandacht voor het ritme is tegelijkertijd zorg besteden aan de gezondheid. Het gaat er immers om door het juiste ritme voortdurend een evenwicht te vinden tussen de ziek­makende polen. De ene ziekmakende pool hangt samen met het dagbewustzijn. Dit ontstaat op basis van afbraakprocessen. De ontbrekende mogelijkheid van de ganglioncellen van de hersenen om zich te herstellen en zich te vermeerderen is daar­van een uitdrukking. De andere ziekma­kende pool hangt samen met het slaap-bewustzijn en dit hangt op zijn beurt weer samen met de opbouw- en regeneratie­krachten van ons stofwisselingssysteem. In het dagbewustzijn beleeft elk mens zich­zelf als middelpunt. De krachten van de persoonlijkheid overwegen en snoeren de mens van zijn omgeving, van de kosmos af. In de slaap wordt het hogere wezen van de mens één met de omgeving maar het weet daar – uitzonderingen daargelaten – niets van. We zijn ons niet meer bewust van onze omgeving en van onszelf.
In de egocentrische tendens van de ‘dag­mens’ en in het ‘zich verliezen’ als ‘nacht­mens’ kunnen we twee ziekelijke tendensen zien, die door het ritme van waken en slapen in evenwicht gebracht moeten worden.
In elke inademing leeft een beetje de tendens van de dagmens, in elke uitademing die van de nachtmens. De astmaticus, de hypertonicus – met te hoge bloeddruk- en de preascleroticus (in de voorfase van arteriosclerose) leeft te sterk in het inademingspro­ces. Om het evenwicht te hervinden heeft hij alles nodig wat de uitademing stimuleert:

voldoende slaap, pauzes die het hectisch dagverloop onderbreken en gelegenheid voor kunstzinnige activiteiten, terwijl de pa­tiënt met een te lage bloeddruk daaren­tegen vaak juist de zelfbeleving nodig heeft zoals die bijvoorbeeld in de sport, of in een krachtmeting met de elementen wordt op­geroepen. Hiermee zijn de basisideeën ge­geven en deze kunnen voor ieder tot een zinvolle invulling van het eigen leven leiden.
.

Olaf Titze, arts; Weledaberichten nr.154, sept. 1991

.

Ritmealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

449-418

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – ritme (3-1-2)

.
Walter Bühler, arts, Weledaberichten nr.152, dec. 1990

.

HET ADEMHALINGSRITME ALS PSYCHOSOMATISCH LEVENSPROCES
.

Het leven van de aardse organismen wordt door uiterlijke en innerlijke ritmen van aller­lei soort gedragen en beheerst. Terwijl ech­ter de planten volledig aan de periodieke afwisseling van de tijden van de dag en de jaargetijden zijn onderworpen, ontwikkelen de hoger georganiseerde levende wezens innerlijke ritmes die aan hen een steeds gro­tere onafhankelijkheid van het milieu en zelfstandigheid verschaffen.
Bij de gewer­velde dieren en in het menselijk organisme heeft deze ontwikkeling met die van de wer­velkolom en de borstkas tot in de structuur van de botten tot een eigen ritmisch systeem geleid. Dit omvat met hart en longen de twee centrale organen die door middel van de hartslag en de ademhaling het organisme doortrekken en in stand houden.
In het hier­na volgende willen wij vooral aan de func­tie van de ademhaling aandacht besteden.

De ademhaling tussen levenswil en bewustzijnspool
Het ritme, dat het sterkst in ons leven ingrijpt, is de opeenvolging van waken en slapen. Dat bepaalt beslissend de wisselwerking van lichaam en ziel en is verwant met de ademhaling. Want bij het inslapen verande­ren niet alleen de gecompliceerde fysiolo­gische processen van de hersenschors, bijvoorbeeld in de zin van een soort “uit­schakeling”, maar ook maakt het psychisch-geestelijke wezen zich vergaand los van het lichaam; het wordt in zijn bovenzinnelijke voorgeboortelijke oorsprong gebed. Bij het ont­waken betrekt de ziel dan weer het lichaam, wij “komen” letterlijk weer “tot ons zelf”. Er vindt – vanuit de totaliteit gezien – een adem­haling plaats tussen lichaam en ziel. Daar­om kunnen wij, net zoals wij diep of oppervlakkig kunnen ademhalen, ook die­per of minder diep slapen. De diepte van de slaap kan men zelfs meten.
Maar ook bij de gewone aderademhaling, die de stofwisselingsprocessen aanvuurt en de uit­wisseling van zuurstof en kooldioxide bewerkstelligt, hebben wij met een proces te maken dat door zielsprocessen op gang wordt gebracht en dat diep ingrijpt in het lichaam.
Zuiver fysiek bekeken kan men de functies van borstkas en longen met een blaasbalg vergelijken. Daarin kan alleen door de opgewekte onderdruk de omrin­gende lucht worden opgezogen en door overdruk mechanisch worden uitgeperst. Maar de blaasbalg bij het haardvuur moet door een bezield wezen vanuit diens wil ge­richt worden bediend! Alle daarvoor nodige krachten zijn ook – op een primitief niveau – in het hoogst gecompliceerd gebouwde ademhalingsproces ingebouwd en actief. Zij werken evenwel in een instinct- en reflex­achtig levensproces, aan het lichaam ge­koppeld en dientengevolge onwillekeurig en onttrokken aan het bewustzijn. Daarbij kan men de ribben als gesublimeerde pijpbeenderen en de totale uiterlijke ademhalings­organisatie met de twee lagen van de in- en uitademingsspieren als een gemetamorfo­seerd ledematensysteem opvatten. Elk paar ribben, met gewrichten aan de daarbij be­horende wervel bevestigd, lijkt op twee naar voren reikende armen, die alleen nog maar omhoog (inademing) en omlaag (uitade­ming) kunnen gaan. Net als in de hartspier is hier een gedeelte van onze onbewust blij­vende levenswil actief, met behulp waarvan wij ons met elke ademhaling in het klein, a.h.w. voortdurend opnieuw en het organisme vernieuwend, belichamen.
Maar ook de bewustzijnspool met zijn zenuwzintuigprocessen heeft een wezenlijk aandeel in de ademhaling. In de neus met de toegangsopeningen voor de lucht zien wjj een bijzonder zintuig ingebouwd. De reuk maakt het mogelijk, de subtielste stof­felijke veranderingen van de lucht te re­gistreren. De reukzenuwen monden rechtstreeks uit in de hersenen. Diep daar­binnen echter bevindt zich in de gedaante van het zogenaamde ademhalingscentrum een ander zintuig, de levenszin. Die contro­leert voortdurend het koolzuur- en zuurstof­gehalte van het bloed, zodat van hieruit de ademhalingsdiepte gereguleerd en de ademhaling zelf op gang kan worden ge­houden. Hoe belangrijk dit zenuw-zintuig­proces is blijkt o.a. uit het feit, dat bij elke narcose er zorgvuldig op gelet moet wor­den, dat alleen de functies van de hersenschors, nooit echter de dieper gelegen, oorspronkelijke delen van de hersenen wor­den stilgelegd. Dit laaste zou ogenblikkelijk, tengevolge van een onmiddellijke adem­stilstand, de dood van de patiënt betekenen.

Een spiegel van het menselijk organisme
Het wezenlijke van het ademhalingsproces blijft evenwel zijn ritmische verloop. Dit ont­staat zoals elk ritme vanuit een polariteit en bemiddelt tussen tegengestelde processen. In het onderhavige geval zijn dat de behoef­te aan zuurstof van het organisme en de noodzaak om het stofwisselingsresidu kooldioxide uit te scheiden. Beide moeten met elkaar in evenwicht worden gebracht. Bij het opnemen van voedsel is er – psychisch ge­zien – altijd een zekere eetlust en sympathie voor de betrokken spijs nodig. Het opnemen van de zuurstof in de gedaante van frisse lucht kan men als een soort van gesubli­meerde voeding zien. Voorts is voor elke in­ademing – onbewust – sympathiekracht nodig die de levenswil impulseert. De uit­scheiding van de benauwende, met CO2 beladen lucht wordt daarentegen door aan het lichaam gebonden antipathiekrachten van het bezielde organisme droomachtig bewerkstelligd.

Daardoor echter blijkt het ademhalingsritme bij uitstek een psychosomatisch proces te zijn! Zijn door de levenswil (stofwisselingsdynamiek), gevoelens (de eigenlijke ritmi­sche wisselwerking) en zintuigprocessen (aandeel van het zenuwstelsel) bewerkstel­ligde dynamiek is een spiegelbeeld van de driegeleding, het oerbeeld dat de grondslag is van het totale menselijke organisme.

Besturing door de wil
Het horizontaal uitgespannen middenrif is de grootste ademhalingsspier die als een koe­pel de ritmisch actieve organen van de borstholte anatomisch scheidt van de stof­wisselingsorganen in de buikholte. Deson­danks werkt de onophoudelijke beweging van het middenrif als een lichte eindeloze massage op de buikorganen: die is voor hun gezonde functie van betekenis. Er is echter nog een andere tussenzone die op een unieke manier bij de ademhalingsorga­nisatie blijkt en nog veel belangrijker schijnt te zijn. Dat is het grensgebied tussen de door het vegetatieve zenuwstelsel geleide onbewuste fysiologische processen en de bewuste, willekeurig bestuurde psychische activiteiten. Wij kunnen immers, als we wak­ker zijn, te allen tijde bewust ingrijpen in onze ademhaling, iets wat bij de hartslag niet mo­gelijk is. Dat gebeurt bijvoorbeeld als wij merken dat iets vies ruikt en we onze adem inhouden of wanneer we door te hoesten een kruimel die in “het verkeerde keelgat” is geschoten willen kwijtraken. De hoest wordt veroorzaakt door de overmatige prikkeling van het slijmvlies van de luchtpijp, d.w.z. door een te sterk zintuigproces. Dit wordt via de totale afsluiting van de lucht­pijp en de stembanden van het strottenhoofd en de dientengevolge ontstane stuwing tot een explosieve uitademing, waarbij wind­krachten als van een orkaan zijn gemeten. Zo’n radicale ingreep, die een volledige on­derbreking van het ademhalingsritme bete­kent, heeft evenwel een zinrijke, en in zeker opzicht therapeutische functie die ook bij het ophoesten van slijm bij een bronchitis nut­tig is. Bij de kink- of krampachtige hoest ont­staat daarentegen een echt ziekteproces. Hier grijpen de in het lichaam verankerde zielekrachten evenals bij astma te diep in het lichaam in; zij klampen zich a.h.w. daarin vast.

Klankvorming en taal
Wij benaderen aan de bovengenoemde grens een “openbaar geheim”, dat het probleem van krenking en de mogelijkheid van een ontwikkeling omvat. Dat wordt ons bewust, als wij het spinnen van een zich prettig voelende kat, het blaffen van een nij­dige hond of het gefluit van een zangvogel horen. De eerst verborgen, immers geheel aan het lichaam gekluisterde zielenkrachten openbaren zich op deze veredelde trede van hun activiteit in de klanken van het be­zielde organisme en verschaffen ons – zintuigelijk waarneembaar – een toegang tot het diepste innerlijk. Doordat de mens niet al­leen – klinkers uitend – zielenstemmingen, maar uit zijn brein ontspruitende voorstel­lingen en gedachten in de uitademing hoor­baar maakt, wordt de klankvorming tot taal. Dit komt tot stand als de ademstroom aan het verhemelte, door de tong, tanden en lip­pen wordt gestuwd en gestuurd. Het resul­taat zijn de medeklinkers. Door bewust te kunnen ingrijpen in de ademhalingsorgani­satie ontstaat een nieuwe, hoogste vaar­digheid.

Dit is onontbeerlijk voor de geestelijke ver­binding met onze medemensen. Zonder de – hoewel steeds voorbijgaande – “storing” van het normale ademhalingsritme zou die niet hebben kunnen ontstaan. Uit de be­schreven ontritmisering wordt echter bij de klankvorming en het spreken in de subtiele ritmen, die de basis van toon en klank zijn, een hogere ritmiek geboren. Nooit echter zou de geest-ziel van de mens via de adem­wegen haar innerlijk leven kunnen openba­ren, als niet de daarmee verbonden fundamentele levensfuncties en organen reeds met de beschreven opbouwende
zie­lenkrachten doordrongen en er door ge­vormd waren. Zij werken ook in het dierlijk organisme en openbaren zich bij de ver­scheidene diersoorten op de meest uiteen­lopende manieren. De totaliteit ervan wordt in de antroposofische menskunde dienten­gevolge ook zielenlichaam (of astraallichaam) genoemd.

Kosmologische gezichtspunten
Ten slotte willen wij nog op een kosmologisch gezichtspunt m.b.t. het ademhalingsritme ingaan. Nieuwe onderzoekingen bevestigen, dat de gezonde mens gemid­deld 18 ademhalingen per minuut volbrengt. Vermenigvuldigd met 60 (minuten per uur) en 24 uren levert dit 25920 ademhalingen per dag op. Dat is hetzelfde getal, dat de zonnejaren in het majesteitelijk – langzame verloop van het lentepunt door alle 12 sterrenbeelden van de dierenriem in het zoge­naamde platonische wereldjaar samenvat.
Zo’n intellectuele rekensom plaatst ons voor de vraag of wij hier te maken hebben met alleen maar een analogie. De moderne astronomie immers, die
slechts de buiten­kant van de kosmos grondig onderzoekt, levert ons niet de geringste aanknopings­punten om een werkelijk verband van dit menselijke met het omvattende kosmische ritme te vinden.

Voor de mensheid uit de voorchristelijke tiid evenwel, die de mens als microkosmos een bezielde en van het goddelijke doortrok­ken macrokosmos zag, was deze samen­hang een reële, bovenzinlijke ervaring. Vooral in het oude India trachtte men door meditatie in de vorm van doelgerichte adem­halingsoefeningen de beschreven grens tus­sen het onbewuste en het bewuste te benaderen. Men was zich van de beteke­nis hiervan ten volle bewust, beleefde klank- en woordvorming nog als een uitdrukking van mantrische scheppende krachten en kon de onbewuste zielenkrachten beseffend ervaren. Ook hier was het zaak – a.h.w. in omgekeerde richting zoals bij het opbloei­en van de klanken – een nieuwe vaardig­heid, n.l. bovenzinlijke waarneming te ontwikkelen. Een bijzondere bemiddelaar was het fysiologische feit, dat bij elke adem­haling het ruggemergsvocht naar de herse­nen als de drager van het voorstellingsleven omhoog en omlaag stroomt. Het verander­de, als een morele scholing en bewuste besturing hierin werden betrokken.
Het al­leen maar fysieke inhaleren van de lucht werd op een hogere trede tot inspiratie, d.w.z. bovenzinlijke ervaringen waren de vrucht daarvan. Bij die bewustzijnsverwijding werden de lichaamvormende ziele­nkrachten niet alleen als zodanig beleefd, maar tegelijkertijd besefte men hun oorsprong vanuit de kosmos. Planeten en sterrenbeelden zag men als een uiting van het innerlijk van de sterrenhemel. De krachten die het ijzer in de ademhalingsorganisatie betrekken bracht men bijvoorbeeld met de “sfeer” van de planeet Mars in verband. In een oude mysteriespreuk is er dientenge­volge sprake van “het scheppend weerklin­ken van Mars”.
In de kring van de dierenriem beleefde men de uiting van de schepping bezielende, dus diervormende of astrale (uit de sterrenwereld stammende) krachten. De uit het wereldjaar ontspruiten­de maat van het normale ademhalingsritme was een inspiratieve ervaring en werd tot een niet te betwijfelen zekerheid. Om misverstanden te voorkomen moet evenwel uitdrukkelijk erop worden gewezen, dat de hiervoor genoemde oeroude adem­halingsoefeningen uit India absoluut niet meer geschikt zijn voor de huidige westerling. Diens bewustzijnskrachten hebben zich naar het hoofd als zetel van het ik-bewustzijn en van het logische en oordeelvormende denken verplaatst.
Een moderne scholing van de bewustzijnsverruiming door medita­tie zoals die in Rudolf Steiners “De weg tot inzicht in hogere werelden?” is beschreven, moet daarom beginnen in het wakende voorstellingsgebied. Pas in de tweede plaats komen via de innerlijke rust, de overgave en de verering, gevoelens aan de orde die de basis zijn van het ritmische systeem.

Het voor onze tijd geldende besef van de geestelijke wereld, zoals de antroposofie dat brengt, kan dan ook op het diepere wezen van het waak-slaap ritme en de rela­tie daarvan met de ademhaling wijzen, zo­als in het begin van deze beschouwing werd aangeduid.

Het menselijk leven – een werelddag
Uit dit verband blijkt de kosmische maat van het mensenleven op aarde. 25920 dagen of  “ademhalingen van waken en slapen” omspannen een tijdsruimte van rond 70 jaar. In het Platonische wereldjaar, waarin een wereldmaand 2160 jaren duurt – zolang be­weegt het lentepunt zich in een bepaald sterrenbeeld – duurt een werelddag 72 jaren. 25920 gedeeld door het kosmische getal 360 levert de tijdsruimte op waarin het lente­punt 1° verder gaat. Vanzelfsprekend sluit ook hier de kosmische maat van het men­selijke leven de door de individuele situatie van het lot veroorzaakte veranderingen niet uit. Maar toch zien wij, dat ons aardse leven kan worden gezien als één grote ademhaling.
Bij de belichaming van de menselijke geest, die als zodanig in het dierenrijk niet bestaat, spreken wij van een incarnatie, letterlijk: de vleeswording van de geest. Ons ik verschaft zich met moeite een toegang in het eerste derde deel van het leven: de organische basis die door de er­felijkheid wordt aangereikt. Met het begin van het ouderdomsproces, dat zichtbaar wordt door de menopauze van de vrouw of de eerste grijze haren maken wij ons allengs los van het lichaam. Dit proces, dat is ver­bonden met een rijping van het vrij worden­de ik-wezen, bereidt de uiteindelijke losmaking voor die zich in het sterven voltrekt.

Wie leert, het menselijke leven als een gro­te ademtocht tussen lichaam en geest-ziel in een kosmisch verband te beseffen, vero­vert zich niet alleen een nieuw levensgevoel, maar staat tevens voor de vraag, of niet ook hier een gebeuren zichtbaar wordt, dat zich in een ritme zou kunnen herhalen. Met deze vraag, die van de voorstelling van de in- en excarnatie naar de mogelijkheid van de reïn­carnatie leidt, willen wij deze beschouwing beëindigen.

 

.

Ritmealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

448-417

.

 

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – ritme (3-4)

.

DE ADEMHALING VAN DE AARDE

Ten gevolge van de catastrofale gebeurte­nissen en toestanden van de laatste tijd* -Tschernobyl, ozongat, enz.- is er een besef ontwaakt ten opzichte van de hele aarde.
Met grote verbazing bestuderen tegenwoor­dig journalisten, hoe dit nieuwe bewustzijn bij de grote politieke leiders heel snel ontstond en zich verder ontwikkelt. Dit inzicht werkt door tot in de politieke doelstellingen. Men weet tegenwoordig dat men als totale mens­heid in één en dezelfde boot zit en dat het tegenover de verouderde ideologieën van “de vijand” veel zinrijker is één lijn te trek­ken om de ecologische toestand van de to­tale aardbol in leven bevorderende banen te leiden.

Dennis Meadows publiceerde in 1972 een studie in opdracht van de Club van Rome met de titel “De grenzen van de groei”. Die publicatie baarde enig opzien, maar slechts weinigen gingen er serieus op in. Tegenwoordig echter spreken allerlei re­geringsleiders alsof ze onder t gehoor van Meadows waren geweest. Hijzelf zegt hier­over: “Ik heb lang genoeg als een soort evangelist gepreekt en daarbij geleerd, dat ik de wereld niet kan veranderen. Boven­dien gedraagt de mensheid zich als een zelf­moordenaar en het heeft geen zin meer met iemand te discussiëren als hij al uit het raam is gesprongen.”

De etherische vormkrachten
Hoewel het dus eigenlijk al te laat is voor nieuwe argumenten, willen wij toch met na­druk wijzen op publicaties die reeds twee generaties vóór de huidige catastrofale toestanden zijn verschenen.

Zo is er het boek van Guenther Wachsmuth “Erde und Mensch”, dat in 1945 verscheen, maar in wezen uit de studie “Die ätherischen Bildekrafte” (1924) ontsproot. De 4e oplage van 1980 van “Erde und Mensch” is in de boekhandel nog verkrijgbaar!
Wachsmuth gaat in dit werk uit van de op­vatting van Rudolf Steiner, dat het niet alleen natuurkundig-chemische – d.w.z. materiële-processen zijn die de grondslag van de ver­schijnselen in de levende natuur zijn, maar dat er etherische vormkrachten zijn die deze verschijnselen uiteindelijk teweeg bren­gen.
Hij zegt hierover: “Aldus zullen ook on­derzoekingen naarmate zij meer op het biologische zijn gericht, steeds meer nieuwe krachtvelden ontdekken. Vooral gebieden, die niet zoals de radio-activiteit e.d. uit af­braak en verval bestaan maar die met op­bouw en vormgeving te maken hebben… Wij begrijpen de aarde als totaliteit niet als wij haar slechts als een levenloos, mecha­nisch bewogen, fysiek-stoffelijk lichaam zien, maar pas als wij ook haar levende vormkrachtenlichaam gaan ontdekken. Hiermee is een hoger organisme bedoeld waarin de tot dusver eenzijdig onderzoch­te, stoffelijk chemisch-natuurkundig interpre­teerbare processen zijn geïntegreerd. Vanuit dit hogere organisme ontvangen zij verschij­ning en geleding, dynamiek en ritmiek en in alle levensprocessen en metamorfosen de voor elk organisme specifieke impulsen en wetmatigheden van hun ontwikkeling.”

Ademhalingssfeer en dagritme
Het was Kepler, die de aarde als een ani­maal, levend wezen beschreef. Maar wat is het kenmerkende van een levend wezen? Heel simpel: het ademt. Hoe echter voltrekt zich de ademhaling van de gehele aarde? Wij kunnen dit aflezen aan een gedeelte van de atmosferische processen, de bewegin­gen van de lucht:

dag nacht ritme

Wezenlijk in dit gebeuren is, dat het totale proces kennelijk wordt veroorzaakt door de fasen van het zonneritme. Men zou ver­wachten, dat er een maximum rond 12 uur en een minimum rond 24 uur is. Maar prak­tisch constant blijken de keerpunten van 15 en 3 uur in alle fasen van het atmosferisch proces. Hieruit blijkt duidelijk, dat het orga­nisme van de aarde t.o.v. de buitenaardse invloeden een zekere mate van vrijheid heeft; een vrijheid waar richting aan wordt gegeven door de vormkrachten van de aar­de. Het zijn niet alleen de bewegingen van de lucht, die aan zo’n ritme zijn onderwor­pen. Er is ook een hele reeks factoren, die dit ritme eveneens volgen: bijvoorbeeld het elektrische veld van de aarde, de hoog­testraling, de radio-activiteit van de bodem, het aardmagnetisme, de hoeveelheid neerslag, vele processen van de plantenfy­siologie, te beginnen bij de glucoseproductie via de assimilatie, de ademhalingsfre­quentie, de nectaruitscheiding, de zetmeelvorming, de concentratie van groeistoffen tot en met de sapstroom.
Al deze verschijnse­len volgen het hierboven beschreven geo-fasische dagritme tussen 3 uur ‘s-nachts en 15 uur ‘s-middags. Voor het totale verschijn­sel, dat opkomt, zich uitbreidt en weer samentrekt, geldt de benaming “adem­halingssfeer”. Deze strekt zich van het bin­nenste van de aarde tot een hoogte van 23 km (stratosfeer) en ook nog tot ver boven de 46 km uit.

“Door al die lagen van de binnenste atmos­feer (mesosfeer) voltrekt zich dit ademha­lingsproces in aansluiting van de ver­schuiving der fasen in de van plaats ver­anderde “ademhalingssfeer van de totale aarde”, aldus Wachsmuth.

Deze grote dagelijkse gang van expansie en concentratie van de ademhalingssfeer der aarde heeft talloze parallellen in de men­selijke fysiologie.
Er bestaat bijvoorbeeld een dagelijks op en neer van het hart-ademhalingsritme, van de galvorming en -uitscheiding, de bloedsuiker, de opslag van glucose, de nierfuncties en vochtuitscheiding. Al deze functies zijn ingebed in het da­gelijkse grondritme dat tussen 3 en 15 uur werkt. Hier is een totaal nieuw gebied van onderzoek ontstaan dat de adembewegingen van de geo-fasische ritmiek en in ’t bij­zonder van het menselijk organisme be­studeert.

ritme jaar

 

Het ademhalingsritme in het jaarverloop
Het beschreven dagelijkse ademhalingsproces, dat het aardoppervlak van het oosten naar het westen omgeeft, vertoont nog een wijder proces, dat een jaarritme heeft en dat gedurende een half jaar in het noorden en een halfjaar in het zuiden zichtbaar wordt: het ritme van 12 maanden gedurende één jaar. Bij dit proces blijkt een heel ander rit­me, dat niet van het oosten naar het westen trekt, maar meer tussen noord en zuid pen­delt – een middenzone in het gebied van de evenaar tussen 231/2° noorder- en zuider­breedte.

Bij dit ritme in het jaarverloop is er veel an­ders. De periodiciteit van de dag bleek in hoge mate door eigen ritmen van de aarde tot stand gebracht. Daarentegen is het ademhalingsritme in het jaarverloop veel meer door de relatie van de aarde met de kosmos bepaald, leder kent de verschijnse­len in de natuur in het jaarverloop: het ont­kiemen en ontluiken rondom Pasen, processen die zich hoofdzakelijk op het aard­oppervlak afspelen. Vervolgens in het mid­den van de zomer het opstijgen van de ademhalingsatmosfeer tot in de ozonsfeer, stuifmeel komt duizenden meters hoog tot in de stratosfeer terecht. In de herfst is het vitale proces gelijk aan dat van omstreeks Pasen en in de winter is er een uiterste con­centratie van de vitale processen in het ge­bied van de wortelvorming onder het sneeuwdek en in de grond, waar echter be­gin december de sappen al gaan stijgen.

De aarde – een levend wezen
De aarde ademt. Haar atmosfeer is uit­eindelijk geen uitsluitend chemisch-natuurkundig aggregaat. Meteorologen thans zeggen hieromtrent: “Er bestaan publikaties of ook hele boeken, die de atmos­feer slechts als een warmtemachine, een stralingssysteem, een vloeistof, maar ook als een bewegend gasvormig omhulsel, een vast roterend lichaam of wel een colloïde zien. Die veelzijdigheid biedt allerlei mogelijk­heden. De atmosfeer heeft in zeker opzicht altijd de mogelijkheid uit te wijken voor een van buiten komende energetische invloed, hem te veranderen, te verdelen of ook te concentreren. Door dit vermogen lijkt de at­mosfeer in zeker opzicht op een organisme”.

“De aarde is een levend wezen”, zei Kepler.
Het is van belang om die gedachte, die Rudolf Steiner en diens leerling Guenther Wachsmuth hebben opgenomen en verder ontwikkeld, steeds voor ogen te houden.

ritme jaar 2

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

(Heinz Herbert Schöffler, arts, Weledaberichten nr.152, *dec.1990)

.

Ritmealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

447-416

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – ritme (3-3)

.

DE KOSMISCHE ADEMHALING

Het begrip kosmische ademhaling zal de meeste mensen in deze tijd waarschijnlijk niet bekend zijn, hoewel iedereen wel weet wat met “ademhaling” wordt bedoeld. Maar wel wordt tegenwoordig dikwijls over “stra­ling uit de wereldruimte” gesproken en wordt er daardoor op een kosmisch element geduid. Dientengevolge behoeft ook het be­grip “kosmische ademhaling” niet zo ver weg te liggen als het op het eerste gezicht lijkt.
Sinds het echtpaar Curie ontdekte, dat materie uitstraalt, zich oplost, door straling uiteenvalt, is er sedert het einde van de 19e eeuw een stralingswetenschap ontwikkeld, waarvan de draagwijdte nauwelijks is te overzien. Temidden van de talrijke “stra­lingsbronnen”, die van betekenis zijn voor onze beschouwing, noemen wij de zoge­naamde materie- en veldstraling.
Als oor­sprong hiervan worden de wereldruimte of de sterren gezien. Ook de aardatmosfeer, de aardkorst en de oceanen worden als bronnen genoemd. Eensgezind worden als uit de wereldruimte komend de kosmische ultrastraling, de zogenaamde zonnewind, het zichtbare licht, de infrarood- en de hoog-frequentiestraling genoemd, waartoe ook de röntgen- en ultraviolettestraling behoren. Daardoor is het begrip “kosmisch” ook in de huidige natuurwetenschap gangbaar ge­worden – zij het alleen natuurkundig. Aldus heeft de moderne natuurwetenschap zelf door de ontdekking en het onderzoek om­trent de verschillende soorten stralingen het begrip “kosmisch” overgenomen.

Materie- en veldstraling       
Bij de “materiestraling” gaat het om beweging van “materiedeeltjes”. De “veldstraling” wordt als elektromagnetisch, d.w.z. als energiestraling gedefinieerd, hierdoor kan reeds op de kwaliteiten “stof” en “kracht” worden gewezen, die hieronder ter sprake zuilen komen. Het hele spectrum van het licht (van het ultraviolette tot het infrarode ge­bied) – die kosmische stralingskwaliteit van de grootste betekenis voor mens, dier en plant – wordt ingedeeld bij de veldstraling”. In verband met deze stralingen spreekt men van de “stralingsgordels” van de aarde waar­van de concentratie en uitbreiding voortdurend varieert. Men spreekt dan over “ademen van de stralingsgordels” waar­door in het begripssysteem van de moderne natuurwetenschap ook het begrip “ademhaling” wordt betrokken.
Wij kunnen dus de benaming “kosmische ademhaling” aan de beschouwingen van de huidige natuurkundige zienswijze ten opzichte van de wereld ontlenen.
De volgende stap, die wij ondernemen, gaat verder dan de zuiver natuurkundige zienswijze.
Het begrip “ademhaling” omvat zonder twij­fel een ritmisch proces. In- en uitademing wisselen elkaar af als er sprake is van ade­men. Bij plant, mens en dier en – zoals wij zagen – zelfs als kosmische kwaliteit is het steeds de ritmische beweging tussen twee polen, die zich in dit proces manifesteert. In nog ruimere betekenis worden wij dit ge­waar in het verschijnsel waken en slapen, dood en geboorte, ontstaan en vergaan, op­bouw en afbraak.

Ritmische levensprocessen
Als wij de activiteit van de groene plant bestuderen, zien wij heel duidelijk een ademhalingsproces. De plant neemt met haar groene bladeren het koolzuur uit de lucht op en scheidt in plaats daarvan zuurstof uit. Deze, als assimilatie bekende, aan het dag – en nachtritme gekoppelde activiteit, wijst in wezen op een verband met kosmische krachten; zij is immers – als fotosynthese – met de krachten van het licht ver­bonden. Die leerden wij kennen als kosmische straling. In wezen is dit proces even gecompliceerd als belangrijk. Hier willen wij het slechts vanuit een bepaald ge­zichtspunt benaderen.
Ondanks omvangrijk en intensief onderzoek is de huidige bioloog in het geheel niet in staat de scheikundige kant van de fotosyn­these te doorgronden. Dit behoeft niet te ver­bazen: zolang dit inzicht slechts met de methodes van de gangbare scheikunde wordt gezocht, moet die poging noodzake­lijkerwijs falen, want in werkelijkheid gaat het om levensprocessen. Desondanks – de ont­dekking van dit ritmische proces, het wet­matige ingebed-zijn in het ritme van 24 uur, d.w.z. van een ritme, dat berust op de rela­tie van het aardse met het buitenaardse (de aarde en de zon) – kan onze gedachte in een bepaalde richting leiden. Immers: het licht is onzichtbaar, d.w.z. bovenzinlijk. Het ver­schijnt voor onze blik in samenspel met de aardse materie als kleur en getuigt op die manier van zijn wezen. Alles dus, wat als levende plantensubstantie wordt geschapen, heeft in werkelijkheid zijn oorsprong te danken aan een “kosmi­sche ademhaling”, die een relatie aangaat met de “aardse ademhaling”. En men komt tot de slotsom, dat de totale behoefte aan voedsel van de mensheid honderdduizend keer geringer is dan de jaarlijkse “stralings-oogst” van de aarde ten gevolge van die “straling vanuit de wereldruimte”. Anders gezegd: de kosmos schenkt aan de aarde een rijke overvloed van stralende krachten die hier een gedaanteverwisseling ondergaan en als substantie-vormende, voedsel-scheppende krachten zichtbaar worden.

Gevaar en uitweg
Maar dit proces is tegenwoordig aan een voortdurend toenemend gevaar
bloot­gesteld. Aan de ene kant is de plantenwe­reld ten gevolge van door de mens toegepaste maatregelen eenzijdig naar de aardse kant gericht. Dit gebeurt door de toe­passing van kunstmest, het toevoeren van levenloze substanties om het groeien te sti­muleren. Dat echter bevordert eenzijdig de werking van de aardse krachten en houdt geen rekening met de andere pool, de hier­boven beschreven “kosmische adem­haling”. Dat geldt vooral voor de stikstof, de basis voor de eiwitvorming van de plant. Bij de tegenwoordig gebruikelijke toepassing van kunstmest wordt deze substantie als levenloze materie meestal in overmaat aan de plant toegevoegd, zodat maar al te vaak het gevaar van schadelijke nitrietvorming optreedt. Daardoor wordt de plant losge­maakt uit haar kosmische ademhalingsverband, aan het aards-levenloze gebonden en verliest steeds meer aan voedingswaarde.
“De stikstof… die met de mest moet worden toegevoegd, die moet worden gevormd onder de invloed van de kosmos, moet levend zijn… Niemand beseft tegenwoordig, dat het juist al die minerale meststoffen zijn, die in hoge mate ertoe bijdragen dat deze degeneratie van de landbouwproducten steeds meer optreedt”. Aldus Rudolf Steiner reeds in 1924 in zijn “Landbouwcursus”.
Tegenwoordig is het zeker niet alleen de sindsdien zeer verhoogde toevoeging van kunstmest, maar ook de daarbij behorende aanvulling met pesticiden en niet minder, de toenemende luchtvervuiling die de ontplooiing van de kosmische ademhalingskrachten belemmeren. Zo bezien is de betekenis, zelfs de absoluut noodzakelijke “omme­zwaai” naar de biologisch-dynamische land­bouwmethode het allerlaatste redmiddel. Als men echter bedenkt, dat bijvoorbeeld in West-Duitsland op dit ogenblik* slechts 0,2% van het landbouwareaal “alternatief wordt bewerkt” – d.w.z. zonder kunstmest, maar ook zonder de kosmische ademhaling hierin te betrekken – dan wordt onze bezorgheid nog eens zo groot t.o.v. de te verwachten en reeds veelvuldig zichtbaar geworden ge­volgen.

Betekenis voor de mensheid
Op dit punt moeten wij aan onze beschouw­ing nog een extra dimensie, die van grote betekenis is, toevoegen. Als wij de samen­werking van kosmische en aardse krachten als een wezenlijke voorwaarde voor het was­dom van de planten zien, waarbij de “stra­ling van het wereldal” en de “kosmische ademhaling” ter sprake kwamen, dan stui­ten wij op het volgende probleem: welke plaats heeft daarin de mens?
Aan de ene kant heeft hij dagelijks door zijn voedsel uit het plantenrijk daarmee te maken – aan de andere kant echter is hij als levend organisme volledig in die stroming van het wereldal ingebed.

In het kader van deze beschouwing kunnen wij in dit verband slechts één wezenlijk aspect belichten. Wij wijzen erop dat het moderne onderzoek deze straling van stoffen en krachten die naar de aarde en haar levende wezens uit de kosmos toestroomt, vaststellen en gedeeltelijk ook toepassen kon zowel als “materiestraling” ais “veldstraling”. Omtrent de laatstgenoemde is in het kader van ultraviolette en infrarode straling, maar ook van “kosmische ultrastra­ling” en “hoge frequentiestraling” onder­zoek verricht.

Ook de röntgenstraling wordt tot dit gebied gerekend. Met betrekking tot de “mate­riestraling” hebben onderzoekingen aange­toond, dat het gewicht van de aarde dagelijks met ongeveer 1000 ton stijgt ten­ gevolge van meteorieten die op de aarde neerkomen. “Kosmische materie” komt in een grote hoeveelheid op de aarde terecht, a.h.w. als een bevruchting uit het wereld-al. Dit feit maakt het eenvoudiger een ont­dekking te begrijpen van nog veel grotere betekenis die aan het geesteswetenschap­pelijk onderzoek van Rudolf Steiner is te danken.

In 1923 heeft Rudolf Steiner aangetoond, dat “in werkelijkheid substantie en activiteit, d.w.z. kracht en stof één zijn. Maar zij wer­ken naar de wereld toe op verschillende wijze”.
En met het oog op het deel hebben van de mens aan die kosmische straling, die kosmische ademhaling, blijkt uit dit onder­zoek, dat inderdaad “voortdurend zo’n pro­ces plaats vindt”, waarbij “door de ademhaling en zelfs door de zintuigen uit de hele omgeving” de mens zo’n kosmische stroom van substanties en krachten op­neemt, die als “kosmische voeding” met de aardse voeding wetmatig samengaat.
“Wij leven niet alleen van wat wij eten, maar ook van de uiterst subtiele voedende substan­ties in de lucht, die wij inademen”, aldus Rudolf Steiner.
Beide stromingen staan in een verschillend ritme met elkaar in ver­binding.
Terwijl de dagelijkse substantiële voeding, die wij opnemen, een ritme van 24 uur volgt, d.w.z. relatief snel de wetten van opbouw en afbraak volgt, verloopt de
acti­viteit van de kosmische voedselstroom in de mens veel langzamer, maar met een grote­re continuïteit.

Deze regenereert de mens niet binnen 24 uur, maar pas na zeven jaren. Beide ritmes werken echter samen, doordringen elkaar en vernieuwen vanuit de kosmos en de aar­de onophoudelijk ons organisme. De gevolgen van deze ontdekking door de moderne geesteswetenschap zijn verstrek­kend. Zij maken niet alleen een nieuwe, aan de werkelijkheid afgelezen visie op de voeding mogelijk, maar ook een nieuwe voedingshygiëne, een voedingspraktijk die tot in de sociale omstandigheden genezend kan ingrijpen. En niet in de laatste plaats kan daardoor voor het belangrijke vraagstuk van de samenwerking van lichaam, ziel en geest een in onze tijd aanvaardbare oplossing worden gevonden.

Rudolf Steiner kon er in dit verband op wij­zen dat wij “als wij voeding via de ademha­ling opnemen, uit de wereldruimte tevens het psychische opnemen, niet alleen de substantie. Dit psychische leeft immers te­vens in de ademhaling, wij communiceren dus door die kosmische voeding – die kosmi­sche ademhaling – zowel met de levens- als met de zielenwereld, de etherische als met de astrale wereld, d.w.z. met de sterrenwereld.” Hier verschijnt tegelijkertijd een ge­weldig nieuw gebied van onderzoek dat stellig nog ver na de eeuwwisseling de mensheid zal moeten bezighouden. Pas daaruit kunnen de genezende krachten ont­spruiten, die aan de vernietiging van de aar­de en de mens – tot in zijn kosmische ademhalingsbronnen – paal en perk stellen en een ommekeer mogelijk maken. Op grond van dergelijke inzichten kan zon­der meer blijken, dat niet alleen een totaal nieuwe zienswijze met betrekking tot de kwaliteit van ons voedsel nodig is. Tevens ontstaan er volkomen nieuwe inzichten om­trent de betekenis en de toepassing van de huidverzorging, een werkelijke “cosmetica” (uit dat woord blijkt al, wat die term in wer­kelijkheid betekent). Maar ook de waarde en de werking van de zogenaamde ”uitwen­dige middelen”, van baden en compressen, behandelingen met zalven e.d. zullen in een nieuw licht verschijnen. Niet minder echter zullen de gevaren waaraan de huid blootstaat en die tegenwoordig bijzonder ac­tueel zijn, bijvoorbeeld door ongecontroleer­de bestraling met het zonlicht, een grote waakzaamheid vereisen. En – om een laatste positief aspect in dit opzicht te noemen – de totale samenwerking van het uiterlijke en in­nerlijke, van de huid met de organen maar ook van de mens als totaliteit met de om­vattende wisselwerkingen van de kosmos, de “kosmische ademhaling”, zal voor een nieuwe, heilzame opvatting vruchtbare ge­zichtspunten opleveren. Wij menen, dat ook een toekomstige kosmologie en menskunde niet zonder met deze gezichtspunten rekening te houden zal kunnen bestaan. Deze stoelen op het begrip van de “ademhalingsprocessen van het wereldal”. Het materiaal daarvoor is thans voorhanden.
.

(Gerhard Schmidt-Kennedy, arts; Weledaberichten nr.152, *dec. 1990)

.

Ritmealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

446-415

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – ritme (3-2)

.

RITMEN IN DE NATUUR EN IN DE MENS

Al het begrijpen vindt zijn oorsprong in de juist gestelde vraag. Het vragen ontspringt uit het zoeken naar het onbekende. Maar het onbekende is dikwijls ook het meest ge­wone, dat wij menen te kennen omdat wij daaraan gewend zijn geraakt. Een van de meest vanzelfsprekende feiten is het leven. Ons lichaam leeft, de dieren en planten om ons heen tonen ons eveneens dit weergaloze wonder.

Het is al sinds lange tijd de droom van de “makers”, de stof te isoleren die causaal voor het leven verantwoordelijk is. Wat zou het voor hen eenvoudig zijn als zij “levensstof­fen” vonden. De erfelijke substantie DNA is het niet, want die kan men in levenloze toestand in de reageerbuis bewaren. Evenmin de z.g. levensstoffen, de “vitaminen”; die kan men zelfs gekristalliseerd bewaren en toch blijven zij actief, als er maar leven aanwezig is, waarop zij hun invloed kunnen doen gelden. Leven is geen dode gemeen­schap van stoffen. Het leven is ook geen ruimtelijke structuur. Men heeft gepoogd, om zich regelmatig herhalende levensprocessen tot een soort van ingebouwde “innerlijke*, klok” te herleiden. Die is echter nooit gevonden. Men zou die dan immers – omdat zij overgeërfd kan worden – al in de DNA hebben kunnen aantonen. Daarvan is echter niets gebleken.

Toen een student in de biochemie in 1924 aan Rudolf Steiner vroeg: “Wat is leven?” antwoordde deze: “U moet de ritmen bestuderen, het ritme is de drager van het le­ven.”
Ritme is geen stoffelijke of ruimtelijke eigenaardigheid; het beweegt zich in de tijd. Het geheim van de tijd is het wezen van het ritme.

Ritme is niet hetzelfde als maat. Dit wordt ook door de machine geproduceerd. Rit­me is kenmerkend voor het leven. Maat is de herhaling van hetzelfde. Ritme is de her­haling van hetgeen op elkaar lijkt. De maat wordt bepaald door verstarde determinatie. Ritme omvat een gebied van vrijheid zonder ten onder te gaan in wanorde.

In deze eeuw* is in de biologie en in de medische wetenschap een veelzijdig onder­zoek met betrekking tot de ritmen op gang gekomen: de chronobiologie. Men heeft daarbij gepoogd om een verschil te vinden tussen oorspronkelijke ritmen en ritmen, die afhan­kelijk zijn van hun omgeving. Indien nodig geeft het experiment de doorslag. Wordt de trek der trekvogels volgens een jaarlijks ritme bepaald door het seizoen en wat is daar­bij de bepalende factor? Bij vele vogels is niet de afnemende warmte of het geringe aanbod van voedsel in de herfst maar het geringere licht, de afnemende lengte van de dag bepalend.
De spreeuwen, die wij op de pleinen van de grote steden aantreffen, zijn gewend geraakt aan de neonverlichting van de talloze reclameborden; zij vliegen niet meer weg maar overwinteren omdat het nachtelijke kunstlicht de vorming verhindert van het hormoon dat de vogeltrek veroorzaakt. Als men echter grasmussen met behulp van ononderbroken verlichting fokt, d.w.z. met uitschakeling van het dag- en jaar­ritme, dan ontstaat toch de drang om te trekken volgens het ritme van het jaar. Wat geldt er nu? Op de keper beschouwd kan men bij geen organisme alleen de innerlijke of uitsluitend de uiterlijke omstandigheden verantwoordelijk stellen; zij horen bij elkaar. Slechts als de vogel ervoor gepredisponeerd is kunnen de veranderingen in de omge­ving een invloed op hem krijgen. En slechts tengevolge van het ingebed zijn in de om­geving en de invloed die daarvan uitgaat kan het eigen ritme beginnen.

Hieruit blijkt iets van wezenlijke betekenis. Een organisme is niet alleen maar een onderdeel van zijn omgeving en ook niet een in zichzelf gesloten systeem. Zijn openba­re geheim is, in specifieke variatie beide te kunnen zijn: een eigen wereld, die open staat voor de omgeving. Kan het werkelijk allebei tegelijk zijn? Om precies te zijn: dit is pas het geval in een afwisselend na-elkaar en dat is zijn leven in ritmen. In afwisse­lende en toch op elkaar gelijkende herhalingen is het organisme nu eens meer zichzelf en dan weer stelt het zich open voor de omgeving en wordt een ecologisch orgaan er­van. Dat beide principes, elkaar aanvullend, kunnen samengaan is een zintuigelijk waar­neembaar en tegelijk ethisch werkzaam oerbeeld van ons eigen levenslang streven om geestelijk zowel zelfstandig als naar de wereld gericht open te zijn.

Ritmisch leven bij plant en dier
Wij kennen de ritmen van de dag in de natuur. De zonnebloem ontleent haar naam aan het feit, dat zij haar bloem overdag enigszins met de zon meedraait. Jonge bonen heffen hun blad en laten het zinken in het dag-nachtritme. Bij veel tropische verwanten daarvan vouwen ’s avonds de gevederde bladeren samen en gaan zij ’s ochtends weer open. Paardenbloemen en zonnedauw bloeien alleen in de voormiddag. De witte water­lelie sluit tegen 16 uur haar kelk. Pas in de avondschemering gaan de bloemen van de teunisbloem met een schok open. En de Mexicaanse cactus “Koningin der nacht”  bloeit alleen na zonsondergang.

koniingin van de nachtReeds Linnaeus plantte in de 18e eeuw een “zonneklok”; aan de openings- en sluitingstijden van de bloemen kon hij elk uur van de dag aflezen.

Ook bijna alle dieren hebben een dagelijks ritmisch verloop van hun leven als ze niet worden gestoord. De houtvester weet precies op welk tijdstip de reebok op zijn vaste plaats verschijnt.
Lang meende men, dat het in ’t wild levende dier zich zonder vaste regels in de vrije natuur ophoudt. De Zwitserse zoöloog Hediger heeft echter kunnen aantonen, hoe precies het dier zich houdt aan de herhaling van het verloop van de vori­ge dag als het ongestoord kan leven. Dan wordt er geen meter van het gebruikelijke wildpaadje afgeweken en zoveel mogelijk op dezelfde tijd dezelfde plek in het bos op­gezocht. En alleen als zo’n ritme ook in de dierentuin bestaat blijft het dier gezond.

Stellig is er daarbij ook een vrij groot scala van variaties tussen een streng gevolgd en een soepeler gedragspatroon. Opvallend is wel dat het de roofdieren zijn die meer onritmisch kunnen leven. Dagenlang zijn ze onderweg tot ze hun prooi hebben gevan­gen. Dan vreten ze zich vol, ze drinken, wassen zich en vervolgens slapen, rusten en luieren ze tot de honger ze weer in beweging zet. Dit geldt zowel voor de leeuw als voor de vos of de bunzing zolang de mens ze niet zijn ritme oplegt. Kennelijk blijft het roofdier bij deze onregelmatige leefwijze gezond omdat het in zijn eigen orgaanritmiek zo stabiel is dat het eenvoudigweg niet uit zijn innerlijke biologische evenwicht raakt. Daarin zijn juist de roofdieren de vertegenwoordigers van de ritmische organisatie. Knaagdieren en hoefdieren zijn veel meer aangewezen op de ritmische overeenstem­ming met de omgeving.

Weekritme en maanperiodiciteit
Hoogst interessant is het weekritme. Het is, wat zijn biologische betekenis betreft, nog weinig onderzocht. Bij de broedtijden van de vogels zijn er een paar opvallende feiten. De meeste jongen van de zangvogels komen na de 13e – 14e dag uit het ei. De hen zit zoals bekend is 21 dagen op haar nest. Ongeveer 28 dagen broeden de meeste van onze kleine dag- en nachtroofvogels, 35 dagen lang de havik, visarend, uil en knob­belzwaan en precies 42 dagen de steenarend!

In de laatste jaren heeft men talloze ritmen van zeven dagen in het menselijke orga­nisme ontdekt. De dikke wang na het trekken van een kies slinkt in een afebbend ritme van zeven dagen van week tot week. Bij een donor worden de ontbrekende rode bloed­lichaampjes om de zeven dagen in grotere hoeveelheden uit het rode beenmerg aan het bloed toegevoegd.

Het weekritme is soms ook te zien bij planten. Om tuinbonen snel te laten ontkiemen kan men ze in water leggen. Zij zwellen dan op tot het omhulsel barst en het eerste worteltje verschijnt. Er wordt alle zeven dagen bijzonder veel water opgenomen. Het merkwaardige echter is, dat de tijden van het sterkste opzwellen zijn afgestemd op de maanfasen: nieuwe maan, eerste kwartier, volle maan, laatste kwartier en weer nieu­we maan. Hier blijkt het weekritme een onderritme van het maanritme te zijn. Het duurt 29½ dag eer dezelfde maanfase terugkeert, d.w.z. iets meer dan 4 x 7 dagen.
In de astronomie heet dit een synodische maand.

Dergelijke biologische maanritmen heeft men bij meer dan honderd verschillende organismen ontdekt. Ruim 70% daarvan leven in de getijdenzone van de zeekusten, zijn dus door dit aan de omloop van de maan gekoppelde machtige gebeuren beïnvloed.
De oester produceert zijn zaad bijv. in de zomermaanden en wel alleen maar rondom de tijden van nieuwe en volle maan.
Soortgelijke voorbeelden van onze Noordzeekust zijn de eetbare mosselsoorten, verschillende strandslakken en zeewiersoorten, de strandkrab en de waddenvlieg om er slechts enkele te noemen die iedere vakantieganger op het strand aantreft. De paloloworm uit de koraalriffen van de Stille Zuidzee is het meest bekend geworden voorbeeld. Als hij om te paaien aan de oppervlakte van de zee in de tijd dat het dan lente is (oktober-november) steeds precies in het derde kwartier van de maan na middernacht verschijnt, wordt hij door de eilandbewoners in massa’s gevangen, als lekkernij gebakken en feestelijk opgegeten.

Maar ook op het land is er een maanperiodiciteit.
Zoals bekend, is in het voorjaar het ontkiemen en ontluiken van de planten sterk afhankelijk van het weer, vooral van warmte en kou. Door nauwkeurige metingen kon men bij enkele hogere bloeiende plan­ten (dicotyledonen) constateren, dat de snelheid van hun groei omstreeks nieuwe maan heel nauw samenhangt met de buitentemperatuur. Bij volle maan daarentegen groei­den de planten gelijkmatiger, d.w.z. iets minder afhankelijk van het weer; men vond dit bij anemonen, helmbloemen, wilde vlier e.a.

Ook in de biologie van de mens bestaat het maandritme. Verbluffend was in de jaren veertig de ontdekking dat de lichtgevoeligheid van het oog in het dag-nachtritme, in het synodische maandritme en in het jaarritme schommelt. Voor blauw zijn wij gevoeliger bij elke nieuwe maan gedurende het hele jaar, maar vooral rondom Sin-t Jan, voor rood bij volle maan, vooral in de midwintertijd. Dit is bij ieder mens het geval en totaal onaf­hankelijk ervan of wij de wisseling van de maanfasen al of niet hebben waargenomen. Een onbewuste gevoeligheid in bepaalde orgaanprocessen is kennelijk gekoppeld aan de astronomische ritmen.

Een ander voorbeeld is de reactiesnelheid. Automobilisten spreken van de “schrik-seconde”. Coureurs trainen op reactie-instrumenten zolang tot die schrikseconde zo kort mogelijk is geworden. Tussen bijv. het oplichten van een lampje en de vlugge druk op een knop blijft altijd nog een meetbare tijdspanne die niet willekeurig kan worden verkleind. Die minimale waarde schommelt in het maandritme en toont: daaruit kan de toestand van het reactievermogen worden afgelezen.

Er zou nog een reeks voorbeelden kunnen worden genoemd van de menselijke aan de maanfasen gekoppelde ritmiek: de schommelingen van de uitscheidingen van uri­nezuur, de frequentie van geboorten en sterfgevallen enz.
De vrouwelijke cyclus is even­eens een verwant ritme, die evenwel niet meer aan de maan als zodanig is gebonden, maar zich daarvan heeft losgemaakt.

Jaarritmen
Het jaarritme is een levenscyclus die alle tot dusver genoemde periodes omvat. Het duidelijkst blijkt dit aan de polen van de aarde, waar het identiek is geworden met het ritme van de lichte dag en de donkere nacht. Gedurende ongeveer een half jaar heerst voortdurend het licht. De schemering duurt een paar weken. Daarna is er een half jaar poolnacht. Alleen de maan verheft zich gedurende die tijd steeds weer boven de hori­zon en verlicht dan elke keer twee weken lang ononderbroken de geweldige ijsvlakten tot hij afnemend weer voor twee weken verdwijnt.

In de tropen overheerst de dag met zijn verbijsterende licht en hitte. De schemering duurt een paar minuten. De nachten zijn inktzwart. Steeds op dezelfde tijd gaat de zon op en onder. Het jaarverloop ontbreekt als ritme van het licht. Slechts de afwisseling van regen- en droge tijd brengt een geleding in de eentonigheid. De tropenhygiëne maakt het voor de Europeaan gemakkelijk om daar gedurende lange tijd te leven. Maar toch klaagt hij op den duur over het ontbreken van het jaarritme. De ene dag is even lang als de andere. De monotonie werkt op den duur verlammend. De tol daarvoor is een algemeen gevoel van onwel zijn als de mens niet zelf aan het jaarverloop een feestelijke vorm geeft. Daardoor merkt hij overduidelijk de waarde van het jaarritme.

In de gematigde breedten hebben wij van nature de beste hulp om het dag-, week-, maand- en jaarritme te beleven. Geen van alle heeft de overhand. Zij doordringen el­kaar en vullen elkaar aan. Hier kunnen wij de gezondste ordening van de tijd, zelfs een echt tijdorganisme beleven, dat wordt beheerst door de omvattende zonnebaan van het jaar.

Maar ook het jaar is een orgaan in een groot hiërarchisch verband van tijd. In het mensenleven verschijnt steeds opnieuw een periode van zeven jaren: het begin van de zichtbare tandenwisseling, het hoogtepunt van de geslachtsrijpheid en de definitie­ve afsluiting van de groei van het skelet vinden plaats rondom het 7e, 14e en het 21e jaar. Er is zelfs een orgaan in de mens, dat duidelijk het ritme van zeven jaren vertoont: het gebit. Gemiddeld verschijnt in de definitieve functie omstreeks het 7e jaar de eerste, rondom het 14e jaar de tweede en omstreeks het 21e de derde achterste kies. De laatste, ook wel verstandskies genoemd, kan nog omstreeks het 40e jaar doorbreken, maar de statistische top ligt rondom het 21e jaar.

De vrijeschoolpedagogie houdt in haar methodiek rekening met het ritme van
ze­ven jaren.
Dikwijls valt dit bij de kinderen niet zonder meer af te lezen.
Hierop wees reeds Rudolf Steiner. Vaak kan het niet worden gediagnosticeerd, zelfs statistisch niet. Echter, zo raadde Rudolf Steiner aan, de opvoeder bewijst elke pupil een weldaad als hij hem in dit levensritme laat onderduiken. Het is een therapeutisch medium. In de trend van de steeds sterker geworden individualisering dreigt de enkeling het verband met het geheel van de wereld te verliezen. Doordat hij het ritme van zeven jaren als een element van zijn eigen levensvorming gaat beleven, wordt hij weer een deel van hetgeen alle mensen vereent: het wezen van de mensheid. Dit leeft in de zelfstandig­heid tegenover de kosmos en is tegelijkertijd geopend voor de wereld. Alle ritmen hel­pen hem om die levensopdracht te volbrengen.

(Wolfgang Schad, Weledaberichten nr.131, dec. 1983*)

.

Ritme; allle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

445-414

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – ritme (3-1)

.

RITME ALS FUNDAMENT VAN HET LEVEN

Met verbazing kijken wij naar een grote vogel, een raaf, die zich met regelmatige vleugelslag door de lucht voortbeweegt. De wil om te leven impulseert het ritme van dit dier en bewerkstelligt dat zijn organisme zwevend wordt gedragen.

Zo’n natuurver­schijnsel kan ons veel leren.
Het wijst erop, dat het innerlijk van elk bezield wezen door talloze ritmen wordt geregeerd; daardoor leeft het. Zonder het tegelijkertijd werkende ademritme van de “longvleugels”, die door binnenhalen en uitscheiden van de lucht een relatie met dezelfde atmosfeer bewerkstelligen, zou deze vogel, gegrepen door de zwaarte, ter aarde storten alsof hij geen enkele vleugelslag had gedaan.
In elk orga­nisme echter gaat deze uiterlijke in een naar binnen gekeerde ademhaling over, die de steeds nodige zuurstof via de circulatie van het bloed naar alle cellen van het li­chaam overbrengt. In het middelpunt van dit proces staat het hart, dat door zijn onver­moeibaar ritme onverbrekelijk is verbonden met ademhaling en bloedsomloop. Bij de mens kan verzwakking van de hartspier verlaging van de bloeddruk in de vaten tot ge­volg hebben en zich uiten in vermoeidheid en duizeligheid; verhevigd kunnen deze ver­schijnselen tot flauwvallen en collaps leiden. De rechtop gaande en staande of lopen­de mens valt dan onmiddellijk neer. De plotselinge stilstand van het hart echter, waardoor ook veroorzaakt, heeft de dood tot gevolg als er niet nog op tijd kan worden ingegrepen.

Deze beknopt beschreven verschijnselen tonen, dat – zoals de wiekslag van de vogel zijn lichaam – de belangrijke fysiologische ritmen in het organisme het fundament voor de ziel in het lichaam zijn. Die ritmen maken pas de aanwezigheid van de ziel in het lichaam, d.w.z. de bezieldheid ervan mogelijk.

Hetzelfde geldt ook voor het stofwisselings-, ledematen- en het zenuw-zintuigstelsel. De totale activiteit van de maag en van de vele meters lange dunne en dikke darm speelt zich af in subtiele ritmen van samentrekking en uitbreiding, van spannen en ontspan­nen van de gladde spieren van deze organen. Wij spreken van peristaltische bewegin­gen, die – via röntgenfoto’s – als glijdende golven de maag en de darmen doortrékken. En ook hier volgt op het doorbréken van deze ritmen bij een verlamming van de darm ten gevolge van vergiftiging of bij een totale afsluiting ervan, binnen enkele uren de dood als het euvel niet onmiddellijk kan worden verholpen.

De uiterst gedifferentieerde zenuwfuncties zijn eveneens gekoppeld aan een zeer subtiele, fysiologische ritmiek, die de hersenen doortrékt. Deze verloopt zowel in de slaap als in de wakende toestand zonder dat dit bewust wordt ervaren. Maar ook hier verraadt de natuur op een andere plaats haar geheim. Wij zagen reeds dat de vlucht van de vogels kan worden beschouwd als een naar buiten gekomen metamorfose van het ademhalingsritme. Op een soortgelijke manier vertoont de natuur in het bijzonder snelle ritme van de insectenvleugels een soort afbeelding van de hersenritmiek. Wij nemen dit waar als heen en weer flitsen van vliegen, wespen, bijen e.d. Dit kan zich, hoorbaar geworden, tot het zoemen van muggen of het brommen van meikevers ver­dichten. Het zichtbaar maken van de electrische schaduw van de alfa-, beta- en ande­re golven van de hersenen en hun veranderingen in het electro-encefalogram verschaft uit­erst belangrijke gegevens voor een precieze diagnose van hersenziekten. Oorsprong en eigenlijke betekenis van deze ritmen liggen voor de medische wetenschap nog in het duister. Hun functie is echter onverbrekelijk verbonden met het oplichten van het bewustzijn; die maakt pas het ontwaken in de morgen en het zich staande houden van de ziel in het lichaam mogelijk. Dientengevolge is de stilstand van de hersenritmiek het zekerste teken van de dood; het vaststellen daarvan, dat aan elke extirpatie (wegsnijding) van orga­nen dient vooraf te gaan, geeft een veel duidelijker indicatie dan de hartstilstand.
Wij gaan nu over van het hoofd naar de ledematen, van het denken naar het willen: de doelbewust gaande of werkende mens verwerkelijkt steeds bepaalde doelstellingen die in zijn denken leven. Hij dirigeert vanuit het hoofd de ledematen en doordringt deze psychisch met zijn wil om ze van binnenuit in beweging te zetten. Daarbij zijn de z.g. dwarsgestreepte spieren de eigenlijke instrumenten van alle willekeurige handelingen. De slechts in de microscoop zichtbare “dwarsstreping” van de spiercel is een uitdruk­king van een subtiele, ritmisch gelede structuur. In tegenstelling hiermee is het primi­tievere “gladde” spierstelsel (zonder dwarsstreping) van de darmen en alle andere holte­organen (bijv. de galblaas) ontoegankelijk voor het bewustzijn; het functioneert alleen tengevolge van reflexen. De muziek die, a.h.w. gestold, in alle aan het skelet gehechte spieren doorklinkt en die in de dwarsstreping zichtbaar wordt, ligt er dus aan ten grondslag dat wij bewust ons lichaam beheersen en ons door de inzet van onze wil kun­nen be-lichamen of incarneren; incarnatie betekent immers woordelijk “vleeswording”.

Wij vinden dus niet alleen in het ritmische systeem van de borstkas zelf, maar in het hele organisme ritmische processen of structuren. Het valt buiten het bestek van dit artikel, de veelvuldigheid hiervan verder te beschrijven.

De taak van het ritme
Wat echter is de eigenlijke taak en de aard van het ritme zelf? Het is de kunstgreep van de natuur om aan elkaar tegengestelde krachtvelden en processen in evenwicht te brengen.
We bekijken nog eens het beeld van de vliegende vogel: de trek van de zwaartekracht die zijn fysieke lichaam overmeestert en de door levenswil en wiekslag opgewekte beweging zijn bij de horizontale vlucht precies in evenwicht. Het dier blijft actief in de zwevende toestand. Overal in het organisme komt het aan op een soortge­lijk evenwicht, dat de voorwaarde is van een wederzijds op elkaar afgestemd zijn van de organen en hun functies. Het is de wezenlijke grondslag van de gezondheid ervan. De ademhaling bijv. bemiddelt niet alleen tussen binnen en buiten, maar zij bewerktstelligt voortdurend het evenwicht tussen de behoefte aan zuurstof en een teveel aan koolzuur in de organen en het bloed. Talloze bemiddelende functies kenmerken het hart. Zijn activiteit impulseert het bloed zodanig, dat de zwaarte ervan wordt overwonnen. De daardoor gewonnen “lichtheid van binnen” is de basis voor het overwinnen van alle andere zwaarte van het zich bewegende organisme. De hartpatiënt voelt zich moe en zwaar en het bloedwater zakt als oedeem in de gezwollen benen omlaag. Tevens be­middelen hart en bloedsomloop tussen de stoffelijkheid van de totale voedselopname en de stof- en slakkenuitscheidingen van alle organen: al met al tussen opbouw- en af­braakprocessen. Daarbij bevinden zich de grote bloedsomloop van het lichaam en de kleine bloedsomloop van de longen net zo in evenwicht als de centrifugale, naar alle kanten middelpuntvliedende stroom van het bloed en de centripetale stroom terug in de aderen. In het sluiten en openen van de hartkleppen, in het zich vullen en leeg wor­den van de hartkamers en het spannen en ontspannen van de hartspier worden deze polariteiten in het hart zelf weerspiegeld. Iets soortgelijks geldt voor alle andere ritmi­sche functies.

Daarbij is evenwel van beslissende betekenis, dat deze functies zich met voldoende souplesse aan de steeds veranderende situaties of behoeften van het organisme kun­nen aanpassen. Dit blijkt bijv. uit het feit, dat ademhaling en pols een versnelde bewe­ging of een toestand van rust met een onwillekeurige, zinrijke versnelling respectieve­lijk verlangzaming volgen, leder kent dit verschijnsel wel uit eigen ervaring.

Verstoringen van het ritme
Een ritme waaraan het gehele organisme is onderworpen en dat het sterkst ingrijpt in ons leven, is dat van slapen en waken. Dit openbaart ’t duidelijkst het in alle ritmen min of meer verborgen wisselend spel van lichaam en ziel. Het komt overeen met een ademhalingsproces van een hogere orde. Want bij het inslapen maakt de ziel zich in hoge mate los van het instrument van het lichaam om ’s ochtends het achtergelaten omhulsel weer te betrekken. De polaire levensfasen van het bewuste, met afbraakpro­cessen in het zenuw-zintuigstelsel gepaard gaande zieleleven en de onbewuste, orga­nische opbouwende en regenererende functies worden op die manier met elkaar in har­monie gebracht.

Dat bijna de helft van alle volwassen westerlingen aan slaapstoornissen lijdt, is slechts de top van de ijsberg: nervositeit is een ziekte van deze tijd, die in een veelvoudige symptomatiek ons leven steeds meer dreigt te beheersen. Vegetatieve labiliteit, dystonie en allergieën zijn daarvan een uiting.

Over de oorzaken van de nervositeit en de mogelijkheden ter voorkoming daarvan werd in de Weleda Berichten al herhaaldelijk geschreven. De bewuste hantering van de tijd in de zin van een doelgerichte verzorging van alle ritmisch gefundeerde levenspro­cessen en levensgewoonten is noodzakelijk voor de hygiëne van de ziel. Die kan be­trekking hebben op de maaltijd, het werk, de vrijetijdsbesteding enz. en ook bestaan uit het integreren van regelmatige kunstzinnige bezigheden en meditatieve bezinning.

Ten slotte nog een psychosomatische wenk: wie in de zin van ritmische vorming van het leven een tegenwicht zoekt voor de talloze uit de huidige samenleving stammende, het ritme verstorende tendenties – waaraan wel niemand kan ontkomen – mag op een positieve echo van zijn organisme rekenen. Want de gedifferentieerde ritmiek die hier­in werkt is niet de maat van een automatische, uit het psychische leven losgemaakte machine, maar staat in de hoogste mate met dat organisme in verband.

Over de oorsprong van het ritme
De krachten die uiteindelijk de ritmische processen in het dierlijke en menselijke orga­nisme impulseren leren wij kennen door de kennis van de mens zoals die door de geestes­wetenschap van Rudolf Steiner is verruimd. Deze krachten kunnen door fysiologisch uitsluitend op het stoffelijke gericht onderzoek niet worden gevonden omdat zij tot het psychische gebied behoren. Evenals de groeiende en bloeiende aan het licht verwante plant een deel van haar levenskrachten aan de wortel en de duisternis moet opofferen om zich in de aarde te kunnen verankeren, moet een gedeelte van onze zielenkrachten in aan het lichaam gebonden onbewustheid actief zijn in de organische diepten. Het is echter, hoewel onbewust, de wil om te leven die in het spierstelsel van het hart en de ademhaling tot uiting komt. Een dergelijke aan het lichaam gekluisterde doffe wil leeft echter ook in de gladde spieren van de stofwisselingsorganen en bewerkstelligt hun spanning.

Bovendien leven in bijv. elke ademteug subtiele onderbewuste sympathie-en antipathiekrachten in de in- respectievelijk de uitademing. Deze basiskrachten van de ziel werken overal met de genoemde levenswil samen. Als het erop aankomt dat wij ons min of meer vreugdevol openstellen, dat wij stoffen opnemen en opbouwen, zijn sympathiekrachten nodig. In het zich sluiten van de portier van de maag bijv. die de nog niet voldoende verteerde maaginhoud afwijst, werkt antipathie. Deze kracht is tevens nodig voor al het af- en uitscheiden van onbruikbare stoffen en slakken van de stofwisseling bijv. door de nieren en de darmen of bij de uitscheiding van koolzuur via de uitademing. In elk organisch-fysiologisch ritme is dus een verborgen levenswil sa­men met het wisselspel van sympathie- en antipathiekrachten impulserend bezig. Die aan het lichaam gebonden zielenkrachten doen echter ons bewuste zielenleven meeklinken. Wij merken dat aan ons eigen lichaam: opwinding of vreugde laat het hart snel­ler kloppen, psychische druk belemmert het ademhalingsproces. Meer hierover in de publikatie van de schrijver: “Het lichaam als instrument van de ziel” (Uitgeverij Christofoor-Zeist 1983). Iedere musicus moet zijn instrument goed verzorgen en zuiver stemmen. Een verdiepte kennis van de wijsheid en de harmonie der in het instrument van ons lichaam samenklinkende ritmen kan de eerbied voor het leven in ons opwek­ken. Die eerbied hebben wij nodig om een levenshouding te vinden die bevorderlijk is voor de gezondheid. Hier en in de volgende artikelen wordt gepoogd daartoe een bij­drage te leveren.

Dr.med.Walther Bühler, Weledaberichten 131, dec. 1983)

 

Ritme: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

442-411

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie (2-4)

.

Vervolg van ‘menskunde en pedagogie 2-12-1/22-2; 2-3

(voor een begrip van het onderstaande is lezen van het bovenstaande zeer aan te raden)

Aan de ontwikkeling van het kind rond de overgang kleuter – schoolkind zijn opvallende gedragsveranderingen waarneembaar.

Ik wijs nogmaals op het uitstekende artikel van arts Aart van der Stel over  ‘schoolrijpheid’

In 1907 verschijnt Steiners ‘De opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie’. (te vinden in GA 34) [1]

Dat is meer dan  100 jaar geleden! Dit feit is voor sommigen identiek aan ‘achterhaald’.
Wie echter het jaartal van verschijnen even opzij zet en zich met de inhoud bezig houdt, zoals hier o.a. gebeurt, kan niet anders dan de conclusie trekken dat de inhoud ‘van deze tijd’ is; sterker nog: over 100 jaar nog niet ‘verouderd’ is: er is hier sprake van menskundige inzichten, beschrijvingen van de mens die voorlopig niet zullen veranderen.

Wie de vorige artikelen bestudeerd heeft, zal geen moeite meer hebben met Steiners opmerkingen:

‘Diesen Äther- oder Lebensleib hat der Mensch mit Pflanzen und Tieren gemeinsam. Er bewirkt, daß die Stoffe und Kräfte des physischen Leibes sich zu den Erscheinungen des Wachs­tums, der Fortpflanzung, der inneren Bewegung der Säfte usw. gestalten. Er ist also der Erbauer und Bildner des physischen Leibes, dessen Bewohner und Architekt.( )
Das dritte Glied der menschlichen Wesenheit ist der soge­nannte Empfindungs- oder Astralleib. Er ist der Träger von Schmerz und Lust, von Trieb, Begierde und Leidenschaft usw. Alles dies hat ein Wesen nicht, welches bloß aus physischem Leib und Ätherleib besteht. Man kann alles das Genannte zusammenfassen unter dem Ausdrucke : Empfindung.’ 

‘Dit ether- of levenslichaam* heeft de mens met planten en dieren gemeen. Het bewerkstelligt, dat de stoffen en krachten van het fysieke lichaam zo tot een orga­nisch geheel gevormd worden, dat de verschijnselen van groei, voortplanting, inwendige vloeistofbeweging enzovoort optreden. Het etherlichaam bouwt dus het fysieke lichaam op en geeft het zijn plastische vorm, het is zijn bewoner en tevens zijn architect. ( )
Het derde complex van werkingen, dat van de twee voorafgaande ‘lichamen’ onderscheiden moet worden, is het zogenaamde gewaarwordings-of astrale lichaam. Het is de drager van pijn en welbehagen, van driften, begeerte, hartstochten enzovoort. Dit alles ontbreekt bij een wezen, dat slechts uit een fysiek en een ethe­risch lichaam bestaat. Men kan alles wat hier genoemd wordt als behorend tot het astrale complex samenvatten met het woord: gewaarwording.’

‘Sein Äther- oder Lebensleib ist lediglich der Träger der lebendigen Bildungskräfte, des Wachstums und der Fortpflanzung. Sein Empfindungsleib drückt nur solche Triebe, Begierden und Leidenschaften aus, welche durch die äußere Natur angeregt werden.’ 

‘Zijn ether- of levenslichaam is enkel en alleen nog maar de drager van de vitale vormkrachten, van groei en voortplanting. Zijn gewaarwordingslichaam brengt slechts zulke driften, begeerten en hartstochten tot uiting, die door de buitenwereld worden opgewekt.’

Nun hat der Mensch ein viertes Glied seiner Wesenheit, das er nicht mit anderen Erdenwesen teilt. Dieses ist der Träger des menschlichen «Ich». Das Wörtchen «Ich», wie es zum Bei­spiel in der deutschen Sprache angewendet wird, ist ein Name, der sich von allen anderen Namen unterscheidet. Wer über die Natur dieses Namens in zutreffender Weise nachdenkt, der er­öffnet sich damit zugleich den Zugang zur Erkenntnis der menschlichen Natur. Jeden anderen Namen können alle Men­schen in der gleichen Art auf das ihm entsprechende Ding an­wenden. Den Tisch kann jeder «Tisch», den Stuhl ein jeder «Stuhl» nennen. Bei dem Namen «Ich»ist dies nicht der Fall. Es kann ihn keiner anwenden zur Bezeichnung eines anderen; jeder kann nur sich selbst «Ich» nennen. Niemals kann der Name «Ich» an mein Ohr klingen als Bezeichnung für mich. Indem der Mensch sich als «Ich» bezeichnet, muß er in sich selbst sich benennen. Ein Wesen, das zu sich «Ich» sagen kann, ist eine Welt für sich. ( ) 

Dieser «Ich-Leib» ist der Träger der höheren Menschenseele.’

‘Nu is er in de opklimmende reeks geledingen van ’s mensen natuur nog een vierde lid te onderscheiden, dat hij met andere aardse wezens niet gemeen heeft. Dit is de drager van het menselijke ‘ik’. Het woordje ‘ik’ is in onze taal een benaming, die zich van alle andere naamwoorden onderscheidt. Wie over de aard van dit woord nadenkt, zo, dat hij het wezen van de zaak raakt, die verschaft zich daarmee tegelijkertijd een toegang tot dieper inzicht in de menselijke natuur. Ieder ander naamwoord kan door alle mensen op precies dezelfde wijze gebruikt worden om er een overeenkomstig ding mee aan te duiden. Een tafel kan iedereen tafel, een stoel, stoel noemen. Bij het naamwoord ‘ik’ is dat niet het geval. Niemand kan dat woordje gebruiken om er een ander mee aan te dui­den; ieder kan slechts zichzelf met ‘ik’ aanspreken. Nooit kan mij het voornaamwoord ‘ik’ in de oren klinken als een aanduiding van mij. Door het feit, dat de mens ‘ik’ zegt, alleen met betrekking tot zichzelf, moet hij in zichzelf zich deze naam geven. Een wezen, dat dit innerlijk ‘ik’-woord uitspreken kan, is een we­reld op zichzelf.

De drager van het hier beschreven vermogen is het ‘ik-lichaam’,* het vier­de lid in de totale geleding van het mensenwezen.’
GA 34/315 e.v.

ETHERLIJF IS VOORAL ‘NATUUR’
Tot nog toe is er eigenlijk alleen sprake geweest van een ‘natuurlijke’ ontwikkeling. Dat is niet verwonderlijk: spreken over etherlijf is in hoge mate spreken over de meer stoffelijke kant van het bestaan; over erfelijkheid, groei en lichamelijke ontwikkeling.

IK: GEEN NATUUR
Maar tegelijkertijd is daar ook het Ik van het kind – je bent bijna geneigd te zeggen: het wezen van het kind. Langzaam maar zeker neemt dit Ik bezit van het lichaam waarin het ‘wonen’ kan. En omdat bij ‘Ik’ ‘wakkerheid’ hoort, zie je dan ook dat het kind steeds iets minder slaap nodig heeft, terwijl tegelijkertijd steeds iets meer van het ‘Ik’ zichtbaar wordt, tevoorschijn komt.

Tot het ogenblik dat het kind het woordje ‘Ik’ op zichzelf gaat betrekken.

NEE!!! IKKE ZELF DOEN!!!!
Dat is meestal in de buurt van het 3e jaar. In de ontwikkelingspsychologie leerde ik al dat dit de ‘koppigheidsfase’ is. Het kind gaat ook ‘nee’ zeggen. Voor de ouder of opvoeder buitengewoon lastig. Wil jij rechtsaf: het kind links. ‘Ikke kom niet!’

‘Ik’ kunnen zeggen, houdt volgens mij in, dat je eigenlijk uitdrukking geeft aan het feit dat je beleeft: ‘ik ben hier’ en daar is de rest. Opgaan in die rest is het opgaan van je persoonlijkheid in die rest: dat is geen onderscheid. Je onderscheiden is juist: niet opgaan in het geheel. Als dat vermogen nog maar net ontstaan is, kun je niet verwachten dat je hiermee meteen coöperatief in de wereld staat (dat duurt nog heel lang, voor we dat kunnen: dat we bewust onze ik-kwaliteiten voor het geheel inzetten).

Ergo: voor een ‘ja’ (voor ‘in het geheel) is het veel te vroeg. Er blijft niets anders over dan: ‘nee’ en ‘ikke zelf doen’.

FEEST
Het mag dan lastig zijn voor jou als ouder, maar eigenlijk is het een feestogenblik: ‘mijn kind is een ‘Ik’.

HERINNERINGEN
Meestal zijn er van vóór de tijd van het Ik-zeggen geen herinneringen. Vanaf die tijd kunnen mensen zich herinneren.

Dan zijn deze woorden van Steiner begrijpelijk:

‘Ein Mensch, dessen Ich noch nicht gearbeitet hat an seinem Lebensleib, hat keine Erinnerung an die Erlebnisse, die er macht. Er lebt sich so aus, wie es die Natur ihm eingepflanzt hat.

Een mens, wiens ‘ik’ nog niet aan zijn levenslichaam gewerkt heeft, be­houdt geen herinnering aan zijn belevenissen. Hij leeft slechts van moment tot moment, de drang volgend, die de natuur in hem heeft gelegd.
GA 34/315 e.v.

JONGE KIND NIET OP TE VOEDEN
En daarmee wordt weer begrijpelijk waarom het zeer jonge kind eigenlijk nog niet op te voeden is. Het is vooral een verzorgen, in die eerste jaren. En zonder dat we het ons al te bewust zijn, gehoorzamen we daarmee aan bepaalde ‘wetten’ van de natuur.

TIJD
Opvallend is echter, dat bijna alles gedicteerd lijkt te worden door de tijd. Om de zoveel tijd: drinken, slapen, wakker-zijn.

Ritme is het toverwoord.
Ik moest tijdens mijn studie nog leren: voor deze fase gelden de 3 of 4 ‘erren’: rust, ritme, regelmaat – reinheid werd er nog weleens aan toegevoegd

Maar wie ‘verloopt in de tijd’ zegt, zegt dus eigenlijk ‘etherlijf’. Vanuit een bepaalde optiek kan dit ook ons ’‘tijdlijf worden genoemd..

Tijd is ritme: dag/nacht; wakker/slapen; opbloei/vergaan enz. En wanneer we ons daarnaar gedragen, dan brengen we in ons gedrag dus iets naar buiten van wat in het etherlijf ligt besloten: daarmee is het o.a. eigenlijk de drager van de gewoonten, zoals al eerder beschreven.

INVLOED VAN HET IK
Als volwassene kunnen we goed begrijpen dat wanneer een bepaalde gewaarwording een begeerte naar iets oproept, we daar niet aan toe hoeven te geven. Ook al heb je nog zo’n trek in een lekkere koek, vooral wanneer je de baklucht daarvan ruikt, je hóeft hem niet te kopen. Je kunt aan die be-hoef-te weerstand bieden. A.h.w. heerser zijn over deze behoefte: je beheersen.

Dat is een activiteit van het Ik: je overlegt a.h.w. met jezelf en besluit geen koek te kopen. In zekere zin oefen je hiermee invloed uit op je ‘behoefte- je begeerteleven’.
Je kunt van ‘schranser’ ‘fijnproever’ worden.

IK EN TIJD
Je Ik staat dus in een zekere verhouding tot je gewaarwordingsziel en daarmee tot je etherlijf. Die verhouding is er ook bij het kinder-ik. Alleen is daar alles nog lang niet zo bewust – het ‘Ik’ is nog lang niet in zijn volle werkzaamheid aanwezig.

Wanneer we nu naar het aspect ‘tijd’ kijken, komt die verhouding tot uitdrukking in hoe het ‘Ik’ vooralsnog ingebed is in de tijdstroom van het etherlijf.

Tijd: verleden, heden, toekomst.
In de gewaarwordingsziel geeft de verbinding Ik-etherlijf een bepaalde stemming, een stemmingsgevoel. En dus ook een bepaald gedrag.

Steiner gaf deze stemmingen de namen uit de oudere temperamentenleer.

TIJD EN TEMPERAMENT
Wanneer het Ik in een bepaalde verhouding staat tot het verleden: melancholische stemming; tot de toekomst: cholerische stemming; tot het heden: (als een soort midden) naar de verleden kant: flegmatisch, naar de toekomstkant: sanguinisch.

Ik ben me ervan bewust dat het nog wel wat gecompliceerder is: de mens is geen eenvoudig te kennen wezen; maar om aan te geven dat het etherlijf ook de drager is van de temperamenten, geeft het wellicht houvast.

GEHEUGEN
Dat het etherlijf ook drager van het geheugen genoemd wordt, is daarmee misschien ook minder onbegrijpelijk. Het gaat bij het zich herinneren toch om ‘gisteren’.
Wat je daar meemaakte, deed, in je opnam enz.
Gewaarwordingen die tot waarneming zijn geworden door de wakkere aanwezigheid van het Ik.

Wanneer rond de tandenwisseling het etherlijf voor een deel vrij wordt van de werkzaamheden aan het fysieke lichaam, is het ook begrijpelijk dat het ‘leren’ nu mogelijk is geworden; naast het vele andere dat in het artikel ‘schoolrijpheid’ wordt genoemd.
Leren is dan: je dingen eigen maken, tot iets blijvends maken: weten, maar ook kunnen.

Als we de conclusie mogen trekken dat dit ‘blijvends’ samenhangt met het etherlijf die dit ‘blijvende’ draagt, dan wordt de vraag interessant of het uitmaakt hoe je iets leert en wanneer.

O.a. op dit gezichtspunt stoelt de vrijeschoolpedagogie.

Wanneer kleuters nog volop bezig zijn hun fysieke lichaam op te bouwen, moet je ‘de architect’ ongestoord zijn gang laten gaan; dus geen krachten weg nemen die pas bij de tandenwisseling vrijkomen.
Kleuters intellectueel werk laten doen, is hun de krachten ontnemen die eigenlijk nog aan de fysieke opbouw zouden moeten werken: dat heet: roofbouw.

Op grond van wat ik tot nog toe in de artikelen 2-1 t/m 2-4 naar voren heb gebracht, kan duidelijk worden waarom het vrijeschoolonderwijs steeds zal zoeken naar het ‘wanneer en hoe’.
De fantasiekracht als scheppende kracht (eigenlijk een soort etherische kracht) – en daarmee het beeld – worden daarmee wezenlijke opvoedkundige krachten; evenals het ritme (dagindeling, periodenonderwijs).

Hoe het kind zich als ‘tijdwezen’ gedraagt, laat iets zien van zijn temperamentswezen.

Maar als je het etherlijf met bepaalde maatregelen kunt ondersteunen – je sluit a.h.w. aan bij de natuur; kun je ook dingen doen die het etherlijf verzwakken (de roofbouw dus); hoe behoed je het kind ervoor ‘dat horen en zien hem vergaan’, m.a.w. aan hoeveel mechanisch geluid en beeld stellen we het bloot; welke voeding geven we, enz. enz.

Nur durch ein deutliches Bewußtsein davon, wie die einzel­nen Erziehungsmaßnahmen auf den jungen Menschen wirken, kann der Erzieher immer den richtigen Takt finden, um im ein­zelnen Falle das Richtige zu treffen.’ (GA 34)

‘Slechts door een duidelijk besef van de uitwerking, die elke opvoedingsmaatregel op het kind heeft, kan de opvoeder steeds de juiste tact vinden om in ieder afzonderlijk geval de goede maatregel te treffen.’
GA 34/315 e.v.
.

*Ik spreek liever over ‚lijf‘ dan over ‚lichaam‘, omdat ‚lichaam‘ zo fysiek aandoet, terwijl het gaat om een ‚krachtencomplex‘, een vermogen om….;
.

pieter ha witvliet
.

[1] De opvoeding van het kind

kind en etherlijfalle artikelen

Algemene menskundeetherijf    gewaarwordingsziel

Antroposofie een inspiratieetherlijf

menskunde en pedagogiealle artikelen

.

441-410

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – alle artikelen

.

 .

[1] Algemene menskunde
[16] Autoriteit
[19] Bewegen
[2] Etherlijf (kind en etherlijf)
[18] Geheugen, herinneren
[4] Gezondmakend onderwijs
[24] Haar
[5] Intelligentie (hand en intelligentie)
[17] IJzer
[8] Kinderbespreking
[12] Leerplan Steiner/Heydebrand
i.v.m. Haeckel
[13] Lopen, spreken, denken
[14] Nabootsing
[20] Ontwikkeling kind
[3] Ritme
[26] Ruimte en tijd
[22] Seksualiteit
[6] Sigaud (typologie van)
[7] Spel
[15] Temperament
[26] Ruimte en tijd
[4] Trauma
[21] Waarnemen
[11] Warmte
[23] Wetenschap
[10] Wil
[9] Zintuigen

[1] Algemene menskunde als basis voor de pedagogie – GA 293
Pieter HA Witvliet: Een ‘wandeling’ door de voordrachten om ‘de omgeving’ wat beter te leren kennen
.

voordracht 1alle artikelen
voordracht 2: alle artikelen
voordracht 3: alle artikelen
voordracht 4: alle artikelen
voordracht 5: alle artikelen
voordracht 6: alle artikelen
voordracht 7: alle artikelen
voordracht 8: alle artikelen
voordracht 9: alle artikelen
voordracht 10: alle artikelen
voordracht 11: alle artikelen
voordracht 12: alle artikelen
voordracht 13: alle artikelen
voordracht 14 alle artikelen

[2KIND EN ETHERLIJF
 alle artikelen

[3] RITME
alle artikelen        

[4] GEZONDMAKEND ONDERWIJS

[4-1] Rudolf Steiner over gezondmakend onderwijs
Uitspraken in verschillende voordrachten.

[4-2] Antroposofie als basis voor pedagogie
Pieter HA Witvliet over: bloed t.o zenuw; voorbeeld van een bleek kind dat weer kleur kreeg.

[4-3] Zijn oud-vrijeschoolleerlingen gezonder?
Prof.Dr.Hueck over: heeft het vrijeschoolonderwijs invloed op de gezondheid van de leerlingen; een onderzoek naar gezondheidsklachten bij oud-vrijeschoolleerlingen en een controlegroep; gedetailleerde gegeven.

[4-4] Gezondheid en ziekte
Arie Bos over: somatisch onverklaarbare lichamelijke klachten (SOLK); wat is ‘ziek’, wat ‘gezond’.

[4-5] Traumaverzorging
Loïs Eijgenraam over: wat is ‘trauma’; verschillender vormen; berschreven vanuit de antroposofische menskunde; hoe te helpen: verzorging.

[5] HANDEN EN INTELLIGENTIE|
Ernst-Michael Kranich over: de activiteit van de handen en de invloed daarvan op de hersenen; uitspraken van hersenwetenschappers; uitspraken van Rudolf Steiner over handwerken en intelligentie

Lichaamsoriëntatie

[6] DE TYPOLOGIE VAN SIGAUD
Inhoudsopgave en verdere verwijzing naar de hoofdstukken

[7] SPEL
alle artikelen

[8] KINDERBESPREKING
Alle artikelen

[9ZINTUIGEN
Alle artikelen

[10] WIL
[101] Wilsopvoeding, bron van moraliteit
Freya Jaffke 
over: de wil in de laatste kleuterfase; ontwikkeling tussen 5 en 7 jr; zintuigen; ritme; nabootsing; wil en fantasie; wil en voorstelling; hulp volwassene: voorbeeld.
[Bij ‘peuters en kleuters alle artikelen onder nr. 2-2] 

[102] Over de wil en de opvoeding ervan
 Nel Lievegoed-Schatborn over: wat is ‘wil’; relatie voorgeboortelijk en na de dood; de wil in de 3 zevenjaarsperioden; wat de wil versterkt en verzwakt.

[11WARMTE
[11-1] Organische eigenwarmte als ontwikkelingsgang
Wolfgang Schad over: warmte bij mens en dier: bij insecten, (bijen) vissen, slangen, mieren, vogels;
warmte in lichaam, ziel en geest.
[2] Warmte bij mens en dier; kwaliteit van warmte en kou; warmte als geestes- en zielenvuur; warmte in voeding/kleding
[3] Warmte als één van de elementen; warmte en lichamelijke gezondheid; innerlijke warmte; warmte in de farmacie

[11-4] Over de warmte
Joop van Dam
over: lichamelijke en geestelijke warmte; Ik en warmte; opvoeding en warmte; kleding en warmte; stoffen

[11-5] Warmte en leven

Olaf Koob over: warmte en kou; zomer en winter; psychische warmte; ontstaan, verbranding; kwantiteit wordt kwaliteit; voedingsstoffen; warmte in lichaam, ziel en geest; 

[ontwikkelingsfasen 1-5 ] Samen een zintuig ontwikkelen voor warmte
Aart van der Stel over: belang van warmte, niet alleen fysiek, maar ook psychisch; nabootsen is meer dan imiteren; kleding van natuurlijke materialen; betekenis van warmte voor het verdere leven

[ontwikkelingsfasen 2-3] Groei en warmte: een onafscheidelijk duo
Noor Prent
over: het belang van warmte aan een voorbeeld van een ‘open kind’; de ontwikkeling van het warmtezintuig vanaf de geboorte; kledingsuggestie voor kruipende kinderen; zweten in de nek;

[12HET LEERPLAN Steiner/Heydebrand
en i.v.m. Haeckel (recapitulatietheorie)
Alle artikelen

[131] Lopen, spreken, denken
Annet Schukking over: wat moet het voor een kind betekenen dat het kan (gaan) staan, lopen en los lopen?; meestal gevolgd door het spreken: wat moet dat wel niet betekenen?; hoe belangrijk is de omgeving; wat betekent het denken?

[13-2] Metamorfosen van lopen, spreken en denken
Alain Denjean over: lopen, spreken, denken en de 3 ontwikkelingsfasen; iedere cyclus bestaat uit drie kleinere fasen; bij iedere grote fase worden de kleinere besproken; nabootsing; hoe spreken zich ontwikkelt; belang van spel.

[14] NABOOTSING
Kleuterklas – nabootsing
Nabootsing
Nabootsing

[15] TEMPERAMENT
[1-1] de 4 temperamenten bij de volwassene; 4-ledige mens
[1-2]
[1-3]

[2] de 4 temperamenten van het kind; samenhang met elementen en 4-ledige mens 

Temperament en rekenen (1)
optellen “flegmatisch en cholerisch”
Temperament en rekenen (2)
vermenigvuldigen “sanguinisch en melancholisch”
Temperament en rekenen (3)
delen “cholerisch en flegmatisch”
Temperament en rekenen (4)
aftrekken “melancholisch en sanguinisch”

[16] Navolging: in de 2e levensfase ontstaat behoefte aan autoriteit

[17-1] Over het ijzer in de mens
Een artikel met eenzelfde strekking
In diverse artikelen over Michaël wordt over het ijzer gesproken
Zie ook meteoorijzer

[18] GEHEUGEN, HERINNEREN
Alle artikelen

[19] BEWEGEN
Bewegend deel in het hoofdonderwijs (1e kl)
N.a.v. Audrey MacAllen: ‘The extra lesson’ (Nederlands)
Het effect van bewegen op leren
Bewegen in de klas

.
[20-1] DE ONTWIKKELING VAN HET KIND
Alle artikelen

[20-2] Leer van het kind mens te zijn
Helmut von Kügelgen over: ontwikkelingsfasen van het kind; wat laat het kind tot in de adolescentietijd zien en wat betekent dat voor opvoeding en omgang?; verschillende visies op ontwikkeling mens, de (niet met die woorden genoemd) in het ‘nature-nurture’ idee en de aanvulling daarop met de idee van de incarnerende persoonlijkheid, het Ik.

[21-1] WAARNEMEN
Willem Beekman over: het waarnemen van de planten pastinaak en peen; gedetailleerde beschrijving van verschillen; wat betekent een exacte waarneming: verdieping van kennis, verbinding omgeving, schoonheidsbeleving, stimulans;

[21-2] Geschiedenis van de waarneming
Arnold Henny
over: wat is geschiedenis en waarom is het nu zo’n ‘mannelijk’ vak?; waarnemen is aan verandering onderhevig; Emile Male: het universum; perfectionering v.d. waarneming; scholingsweg Steiner en waarnemen; Goethe ‘oordelende aanschouwingskracht’;

[22-1] Seksualiteit
Aart v.d. Stel
over: zijn we echt gelukkiger geworden op seksueel gebied door de hier ontstane vrijheid; lichamelijk weten we het wel, hoe is het echter psychisch en geestelijk; ieder mens heeft iets ‘mannelijks’ en iets ‘vrouwelijks’ in zich; vanaf Adam en Eva, geschapen als ‘man-vrouw; scheiding van de geslachten; mannelijk, vrouwelijk: fenomenen; embryonaal; het fysieke als middel; zoeken naar echte ontmoeting.

[22-2] Seksualiteit
René de Winter
over: homoseksualiteit; vanwaar de afwijzing; eenzijdige benadering van het fysieke aspect; homofilie en homoseksualiteit; ‘ontstaan’ en verdere ontwikkeling seksualiteit; verschil met dieren; ontmoeting mens-mens; nog erg veel vooroordelen; kern- en perifere homoseksualiteit; ieder Ik voelt zich anders dan andere ‘Ikken’;

[22-3] Seksualiteit
Hugo Verbrugh
over: antroposofie en seksualiteit; seksualiteit als spanningsveld tussen lichaam en geest; seks als communicatie- en incarnatiemogelijkheid; deze zijn geheel losgeraakt van ekaar; denken, voelen, willen; zondeval en verlangen naar één-zijn; een nieuw woord nodig voor voortplanting;

[23] Wetenschap
Max Türkauf
over: drie vormen van wetenschap: mechanistisch-deterministisch, systematisch-reproduceerbaar, differentieel-causale; fysisch-chemische verklaring (v/h leven); grenzen van de moderne natuurwetenschap;

[24] Over het hoofdhaar en de baard van de mens
Paul Paede over: geschiedenis van het haar, culturen, verzorging; haar in het sprookje; anatomie van de haar; hersenen en haar; historie baard; baard en taal; baard en hersenen.

karakteriseren i.p.v definiëren
Pieter HA Witvliet over: Rudolf Steiner over karakteriseren en definiëren; leven t.o. dood; waarnemen en begrip; waarnemen, begrip, kennis; voorstelling; Filosofie van de vrijheid;

[26-1] Ruimte en tijd in het onderwijs
Christof Wiechert over: deze polariteit; voor het onderwijs: het beeldend-muzikale; steeds meer beeld(dragers), steeds minder woord; periodeschrift: wat in woorden werd gebracht wordt tot beeld verwerkt; polariteit kijken en luisteren; het tijdstip van de vakken; wat is wanneer zinvol; de wereld naar buiten, de wereld naar binnen; opvoeden via de wil; polariteit oog-oor; rol van de sprekende leerkracht; 

[26-2] Ruimte en tijd in het onderwijs
Christof Wiechert over: mens, burger van twee werelden; spiritualiseren van het ruimtelijk bewustzijn; wat gebeurt in de les: woorden worden voorstellingen; stimulans voor het denken; bij mediabeelden gebeurt dit niet; beeld kan ook woord worden; periodeschrift; verhalen vertellen, euritmie; samenwerken met geestelijke wereld.

.

437-406

.

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie (2-3)

.

Vervolg van ‘menskunde en pedagogie 2-1/; 2-1/1; 2-2

(voor een begrip van het onderstaande is lezen van het bovenstaande zeer aan te raden)

Na vele jaren ‘bezig’ te zijn geweest met antroposofische gezichtspunten over o.a. ‘het’ leven, ben ik er zeker van dat het voor mij niet mogelijk is ‘alles’ te doorgronden. Om uit helderziende waarnemingen tot dezelfde conclusies te moeten komen als Steiner, ontbreekt het aan ‘zekere vermogens’.

Steiner:
‘Man braucht gewisse Fähigkeiten, um die Dinge, um die es sich handelt, aufzufinden: werden sie aber, nachdem sie aufgefunden sind, mitgeteilt, dann kann jeder Mensch sie verstehen, der unbefangene Logik und gesundes Wahrheitsgefühl anwenden will.’

‘Je hebt bepaalde vermogens nodig om de dingen waar het om gaat te ontdekken; maar als ze, wanneer ze ontdekt zijn, worden medegedeeld, dan kan ieder mens ze begrijpen, als hij maar onbevangen logisch nadenkt en op zijn gezond waarnemingsgevoel afgaat.
GA 9/20
Vertaald/21

Dat ‘willen begrijpen’ – hier van ‘het’ etherlijf – vindt zijn weergave in de vorige bijdragen en in de artikelen op mijn blog: ‘antroposofie, een inspiratie’.

7-jaars ritme

Als vrijeschoolleerkracht die zich verdiept in de achtergronden van dit onderwijs, kun je niet om de zg. 7-jaarsfasen heen.

Dat die door ‘de’ wetenschap nauwelijks gezien worden, is nog geen bewijs voor de niet-realiteit ervan.

‘Was in gegenwärtiger Zeit oft die «alleinige» Wissenschaft genannt wird, kann für dieses Ziel oft sogar eher hinderlich als fördernd sein. Denn diese Wissenschaft läßt naturgemäß nur dasjenige als «wirklich» gelten, was den gewöhnlichen Sinnen zugänglich ist. Und so groß auch ihre Verdienste um die Erkenntnis dieser Wirklichkeit sind: sie schafft, wenn sie, was für ihre Wissenschaft notwendig und segenbringend ist, für alles menschliche Wissen als maßgebend erklärt, zugleich eine Fülle von Vorurteilen, die den Zugang zu höheren Wirklichkeiten verschließen.’ [2]

Wat tegenwoordig veelal de ‘enig ware’ wetenschap wordt genoemd, kan voor dit doel vaak zelfs eer­der belemmerend dan bevorderlijk zijn. Want voor deze
weten­schap geldt overeenkomstig haar aard alleen datgene als ‘werke­lijk’ wat voor de gewone zintuigen toegankelijk is. En hoe groot haar verdiensten voor de kennis van deze werkelijkheid ook zijn: zij schept als ze datgene wat voor haar doel noodzakelijk en zegenrijk is tot norm verheft voor al het menselijk weten, tegelijkertijd een massa voorooordelen die de toegang tot de hogere werkelijkheifd afsluiten.
GA 9/19
Vertaald/21

‘Weegschaal wetenschap’

In deze beschouwingen gaat het over ‘het’ etherlijf van het zich ontwikkelende kind vanaf de geboorte.
Groei en slaap. De etherkrachten als groeikrachten.
De etherkrachten sterk werkend in het fysieke, daaraan bouwend en vormend. Vanaf de conceptie.

‘Der auf das Gehirn, als seinen Mittelpunkt, hingeordnete mineralische Bau entsteht durch Fortpflanzung und erhält seine ausgebildete Gestalt durch Wachstum’ .

‘De op de hersenen – als middelpunt – gerichte minerale opbouw komt tot stand door voortplanting en verkrijgt zijn uiteindelijke gestalte door opgroeien.’
GA 9/34
Vertaald/36

‘Die Kräfte die einen Eichbaum gestalten, müssen wir auf dem Umwege durch den Keim in Mutter-und Vaterpflanze suchen. Die Form der Eiche erhält sich bei der Fortpflanzung von den Vorfahren zu den Nachkommen. Es gibt innere, dem Lebenden angeborene Bedingungen.
Die Form des Lebenden pflanzt sich durch Vererbung fort. 
Wie ein lebendes Wesen sich entwickelt, hängt davon ab, aus welchem Vater-oder Mutterwesen es entstanden ist, oder mit anderen Worten, welcher Art es angehört.’ 

‘De krachten waardoor een eik wordt gevormd, moeten we langseen omweg zoeken via de kiem in de moeder- en vaderplant. En de vorm van de eik blijft bewaard bij deze reeks van voortplantingen. Er bestaan innerlijke voorwaarden welke alles wat leeft aangeboren zijn. ( ) De wijze waarop een levend wezen zich ontwikkelt, is afhankelijk van de ouders uit wie het is voortgekomen. Of met andere woorden, van de soort waartoe het behoort.’
GA 9/34
Vertaald/36

‘Jeder Lebensleib ist eine Wiederholung seines Vorfahren. Nur weil er dieses ist, erscheint er nicht in jeder beliebigen Gestalt, sondern in derjenigen, die ihm vererbt ist. Die Kräfte die meine Menschengestalt möglich gemacht haben lagen in meinen Vorfahren.

‘Ieder levenslijf vormt een herhaling van zijn voorgangers. Alleen omdat dit zo is, doet het zich niet in iedere willekeurige gestalte voor, maar in degene die het geërfd heeft. De krachten die mijn menselijke gestalte mogelijk gemaakt hebben, lagen in mijn voorouders.’
GA 9/68
Vertaald/71

Ziel
Van de ziel heb ik hier tot nog toe gezegd dat het een vermogen is om de buitenwereld tot binnenwereld, tot eigen aangelegenheid te maken. Maar er is meer. Vanuit onze binnenwereld reageren we ook naar de buitenwereld toe; kortom we ‘gedragen’ ons – we vertonen gedrag.

Worden we de harde knal gewaar en we schrikken, dan kan deze schrik ‘ons om het hart slaan’, – dat is nog in ons – vervolgens worden we lijkwit,- dat is al buitenkant – om daarna in elkaar te duiken – dat is zichtbaar gedrag.

De hond van onze vrienden gaat er steevast vandoor, wanneer ergens een harde knal klinkt.

Dan is er de hond van Pavlov:

Uit het experiment kan de conclusie worden getrokken dat een gewaarwording  leidt tot een reactie in het ethergebied.

Dat had ik al eerder vastgesteld, maar hier is sprake van een blijvend gedrag: de conditionering, maar je kunt ook zeggen: een bepaalde vorm van gewoonte. Als iets een gewoonte is (geworden) dan zul je ook de neiging hebben zo te reageren. En wanneer deze uiteindelijk deel van het etherlijf zijn geworden, komen ze ook in de stroom van de erfelijkheid.

De blinde grottenvis kon ooit zien, maar door in het donker terecht te komen, kregen de ogen geen lichtprikkels meer. Ze raakten a.h.w. overbodig en maakten op zeker ogenblik geen deel meer uit van de over te erven eigenschappen.

Aan het verschijnsel dat de baby begint te huilen, wanneer deze honger heeft, is af te lezen hoe de interactie tussen etherlijf: honger en gewaarwordingsziel: hongergevoel = onlust, is.

Je zou bijna zeggen: het etherlijf is hier verantwoordelijk voor het huilen, voor dit huilgedrag. A.h.w. ‘de drager’ van dit gedrag. Het driftmatige, het begeerte-achtige, zich intensiverend naar het affectieve, wordt gedragen door het etherlijf.

‘De drager van’ komen we als karakterisering van het etherlijf tegen. Maar – de mens is een gecompliceerd wezen – er is (veel) meer.

Steiner noemt het etherlijf ook ‘vormkrachtenlijf’,  ‘de architect van de opbouw’. (der ‘Plastiker’ – die boetseert, hij spreekt over de plastische krachten van het vormkrachtenlijf.

De groei: verdubbeling van het gewicht, maar ook de verdere structurering van de organen.
Nu is het interessant dat rond het 7e jaar de organen vrijwel ‘klaar’ zijn.

‘De longen hebben hun gestrekte vorm gekregen met de uitbreiding van de longkwab naar opzij.
Ook de beginvorm van de borstkas is zo ver omgevormd, dat deze nu te vergelijken is met die van de volwassene.
Ook de nieren krijgen hun uiteindelijke vorm.
Aan de maag ontstaat de volledige uitgevormde holte.
Evenzo kun je aan andere organen een ingrijpende vormontwikkeling opmerken.
In de fysieke organen werken vorm veranderende krachten, d.w.z. plastisch vormende krachten in. Door deze komt het fysieke lichaam tot in zijn uiterlijke vormen en verhoudingen op een hoger plan van doorvormd zijn. [1]

‘In de hersenschedel, in vele delen van het centraal zenuwstelsel en in de zintuigen van het hoofd houdt bijna gelijktijdig de groei zowat volledig op. Dat is ook in de tijd dat de blijvende tanden aan het verschijnen zijn. De tanden kunnen als in hoge mate gemineraliseerde en in vaste vorm verstarde bouwsel de geschetste omvorming niet ondergaan. Bij hen treedt i.p.v. omvorming, nieuwe vorming op.[1]

Ook is er een bepaalde verhouding gekomen tussen hoofd, romp en ledematen. Het kind kan nu voor het eerst zijn (linker/rechter)arm over het midden van zijn hoofd leggen en zijn (rechter/linker) oor aanraken. Bij het groter worden hierna is het niet zo dat je bv. als volwassene nu ook op deze manier je andere schouder aan kan raken, je arm is in verhouding niet langer geworden, m.a.w. de verhouding blijft.

We zijn gaan spreken over het schoolkind, de schoolkindgestalte, i.t.t. ‘de kleuter’. Over ‘schoolrijpheid’*: kan het kind nu naar de 1e klas?; we vragen eigenlijk: kan het kind nu iets ‘gericht’ gaan leren.

‘In de ontwikkelingspsychologie werd vanuit verschillende kanten een ingrijpende verandering van het kinderlijke bewustzijn op de leeftijd van 7 jaar beschreven. Het meest uitgebreid en het meest veelzijdig heeft Piaget de overgang van het ‘aanschouwelijk-symbolische denken in het logisch-concrete denken’ beschreven. Nog bij het vijfjarige kind verdwijnen voorstellingen die het bij het bekijken van dingen vormt, weer zeer snel. Herinneringsvermogen van kinderen in de voor-schoolse leeftijd is nog erg labiel.’ [2]

Het is interessant dat hier sprake is van ‘herinneringsvermogen’. Hierboven is al verschillende keren sprake geweest van de ziel als vermogen om te verinnerlijken. Maar het ‘verinnerlijkte’ moet wel ‘ergens’ vastgehouden worden. Zouden we dat ook zó mogen zeggen: moet ‘ergens’ gedragen worden, zoals de conditionering en de neiging gedragen worden. Door het etherlijf!
Je iets kunnen herinneren is een proces dat niet eenvoudig te verklaren is. Wat me wel is opgevallen, is bv. dat je je iets sneller of makkelijker herinnert naarmate je wakkerder bent, frisser; dat je ’s avonds niet de naam van iemand weet, maar ’s morgens wel.
Wakkerheid is dus ook een voorwaarde om iets te kunnen onthouden. Wakkerheid is ‘aanwezigheid van het Ik’.

Het Ik is ‘geest’ en kan zich alleen manifesteren op basis van het fysiek/etherische. Dat laatste is ‘natuur’. Dat leidt toch min of meer zijn eigen leven – al kunnen wij het door wat we doen of nalaten positief dan wel negatief beïnvloeden.

Onder ‘normale’ omstandigheden zal het etherlijf dus aan het fysieke van het kind vóór het 7e jaar – de tandenwisseling- zo werken dat het deze fysieke gestalte zijn ( afsluitende) vorm geeft.
De plastisch-architectonische krachten zijn – na die afsluiting – niet meer op die intensive manier nodig bij de opbouw en afronding van de fysieke gestalte van baby naar schoolkind.
Wat gaan die krachten dan doen; wat gebeurt er met deze krachten?

Het kan nauwelijks verbazen dat het antwoord van Steiner is, dat ze ‘vrij’ komen, vrij worden van hun ‘opdracht’ aan het fysieke. Dat ze er ‘klaar’ mee zijn en nu voor ’iets anders’ nodig zijn.

Het etherlijf heeft, zoals we gezien hebben, zijn verbinding enerzijds met het fysieke lichaam, maar anderzijds met de gewaarwordingsziel. Het ligt voor de hand dat deze gewaarwordingsziel nu de ‘steun’ gaat krijgen van het etherlijf; of: de vrijkomende etherkrachten komen nu ter beschikking van de gewaarwordingsziel. Dat betekent eigenlijk: ‘meer’ gedrag: gedifferentieerder gedrag.

Het zal dus niet verbazen dat het etherlijf steeds meer de ‘drager’ wordt van………
Aan de ontwikkeling van het kind rond de overgang kleuter-schoolkind zijn opvallende gedragsveranderingen waarneembaar.

.

[1] Antropologische Grundlagen der Waldorfpädagogik, E.M.Kranich, blz 95/96
[2] idem, blz.97

*in dit artikel o.a. veel meer lichamelijke kenmerken

.

Pieter HA Witvliet

.

kind en etherlijfalle artikelen

Algemene menskundeetherijf    gewaarwordingsziel

Antroposofie een inspiratieetherlijf

menskunde en pedagogiealle artikelen

.

436-406

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie (2-2)

.

Vervolg van ‘menskunde en pedagogie 2-1 en 2-1/2

(Voor een begrip van het onderstaande is lezen van het bovenstaande zeer aan te raden)

Vóór ik een uitstapje maakte naar de praktijk van het lesgeven, maakte ik deze opmerking:

Wanneer ik met aandacht waarneem, mij met het object verbindt, is het mogelijk dat ik ‘morgen’ het object nog als voorstelling kan oproepen, het weer voor me zien. Ik herinner het me. Bijna letterlijk: alsof ik ernaar kijk en het me opnieuw tot eigen aangelegenheid maak.
Dat met ‘aandacht waarnemen’ is mijn activiteit: IK neem waar! Van wat ‘gewaarwording’ zou blijven, vluchtig aan me voorbij zou gaan, maak ik, met mijn aandacht, een waarneming. Morgen is deze waarneming – een voorstellingsbeeld van het waargenomene: een herinnering en is daarmee deel geworden van ‘de inhoud van mijn geheugen’. Ik hoef het niet opnieuw ‘in het echt’ waar te nemen; de inhoud* is er. Overdag kan ik erover beschikken; uit mijn geheugen wakker roepen, oproepen. ’s Nachts gaat het niet verloren. ’s Morgens verbind ik me er weer mee. Over de kwaliteit van het Ik in dit verband zegt Steiner:

‘Doch würde das Wissen von dem Gegenstande nur so lange dauern, als dieser gegenwärtig ist, wenn das Ich nicht das Wissen in sich aufnehmen und zu Besitztume machen würde.’ 

‘Toch zou het weten van het voorwerp slechts zo lang duren, als het aanwezig is, wanneer het ik dit weten niet in zich op zou nemen, en tot zijn bezit zou maken.’
GA13/65
Vertaald/37

Zo ‘duurt’ de waarneming in mij voort. Is in mij aanwezig.
De vraag voor ieder die er zich mee bezighoudt: waar is deze waarneming in mij dan aanwezig. In het geheugen? In mijn herinneringen? Maar waar zijn die gelokaliseerd? Of kun je of moet je dat niet vragen? Als ze ‘ergens’ op een vaste plaats zijn, waar dan? In de hersenen die als een soort ‘harde schijf’ worden beschouwd? Of, wanneer verschillende waarnemingen tot een groter geheel zijn geworden of verrijkt met andere ervaringen – kortom – wat we geleerd hebben – hebben we ‘het’ dan ‘onder de knie’ en waar is dat dan? Of als we iets uit ‘het hoofd’ weten, ‘van buiten kennen’, zit dat dan ook in het hoofd of in het hart, wanneer we de Engelsen volgen: learning by heart’. Ligt ‘het’ dan daar ‘opgeslagen’, want dat is de term die tegenwoordig vaak wordt gebruikt wanneer het om ‘geheugen’ gaat.

Het ‘geheugen’ heeft over belangstelling niet te klagen.
En uit hoe er nu over wordt gedacht, is het wel duidelijk, dat er niet iets is als ‘HET’ geheugen.

In deze artikelen zou het gaan over het etherlijf. Dat ‘de’ wetenschap met dit fenomeen nauwelijks werken wil, hoeft ons er niet van te weerhouden, er wél rekening mee te houden; niet om per se drammerig iets te bewijzen, maar simpelweg als werkhypothese – in feite zoals ‘de’ wetenschap doet met allerlei hypothesen (oerknal, mens hoger dier enz).

In het voorbeeld van de visser van Moddergat die tijdens een vliegende storm op zee door de angst dat hij zou omkomen in één nacht grijze haren kreeg, wordt iets zichtbaar van de invloed van een sterk gevoel – een heftige gewaarwording – op het gebied van de levenskrachten.
Maar er zijn meer voorbeelden:
Wanneer we hard moeten lachen: tranen in de ogen of ‘we doen het in ons broek’; ook dat kan door angst of spanning gebeuren; omgekeerd juist veel minder ‘stroming’: obstipatie. Bij hevige schrik: je voelt je bloed in je slapen kloppen; een scheut in je maag.
Een bijna ‘tastbare’ relatie tussen ziel en lichaam. Maar dat is te grof uitgedrukt wanneer je er met antroposofie naar wil kijken.

Steiner:
‘( ) ein Teil des Ätherleibes sei feiner als der übrige und dieser feinere Teil des Ätherleibes bildet eine Einheit mit der Empfindungsseele, während der gröbere Teil eine Art Einheit mit dem physischen Leib bildet.’ ( ) Was hier Empfindung genannt wird, ist nur ein Teil des seelischen Wesens. (Der Ausdruck Empfindungsseele wird der Einfachheit halber gewählt.) An die Empfindungen schließen sich die Gefühle der Lust und Unlust, die Triebe, Instinkte, Leidenschaften. All das trägt denselben Charakter des Eigenlebens wie die Empfindungen und ist, wie sie, von der Leiblichkeit abhängig. 

‘( ) een deel van het etherlichaam** is fijner van structuur dan het overige en dit fijnere deel verenigt zich met de gewaarwordingsziel. Terwijl het grovere deel met het fysieke lichaam een eenheid vormt.
Wat hier met gewaarwordingsziel wordt aangeduid, betreft slechts een deel van het zielenwezen ( de uitdrukking gewaarwordingsziel is slechts gekozen ter wille van de eenvoudigheid). Bij de gewaarwordingen sluiten zich de gevoelens van lust en afkeer, de driften, instincten en hartstochten aan. Dit alles kenmerkt zich, net als de gewaarwordingen, als behorend tot het eigen leven en is in gelijke mate van het lichaam afhankelijk. ‘
GA 9/42
Vertaald

‘Der Leib baut sich aus der physischen Stoffwelt auf, so daß dieser Bau auf das denkende Ich hingeordnet ist. Er ist von Lebenskraft durchdrungen und wird dadurch zum Ätherleib oder Lebensleib. Als solcher schließt er sich in den Sinnesorganen nach außen auf und wird zum Seelenleib. Diesen durchdringt die Empfindungsseele und wird eine Einheit mit ihm.’ 

‘Het lichaam krijgt zijn vorm uit de fysieke wereld, waarbij de bouw gericht is op het denkende ‚Ik‘. Het is doortrokken met levenskrachten. Als zodanig ontsluit het zich naar buiten door de zintuigen en wordt daardoor zielenlichaam**. Dit zielenlichaam doordringt de gewaarwordingsziel en vormt daarmee een eenheid. ‘
GA 9/42
Vertaald

(In het Duits staat hier: diesen durchdringt die enz.) ‚diesen‘ is hier geen onderwerp, maar lijdend voorwerp: wordt doordrongen door); er had m.i. moeten staan: dit zielenlichaam** wordt doordrongen door de gewaarwordingsziel en wordt daarmee een eenheid.)

Ik geloof dat we zeker mogen spreken van een interactie tussen etherlijf en gewaarwordingsziel.

Philipp Lersch onderscheidt ook bepaalde ‚lagen‘. De levensgrondslag (Lebensgrund) en de endothyme grondslag (endothymer Grund); zeker vergelijkbaar met ‚etherlijf‘ en ‚gewaarwordingsziel’. [1]

Deze endothyme laag: éndon = innerlijk, inwendig; thymos = gewaarwording, gevoel, gemoed, wordt door hem beschreven als

‘groepen van zielenbelevingen die wij affecties, gemoedsbewegingen, gevoelens en stemmingen, alsmede begeerten, driften, strevingen noemen’.

Rudolf Steiner heeft op veel plaatsen aangegeven dat antroposofie niet in het onderwijs thuishoort, maar dat ze de basis moet vormen voor het pedagogisch handelen.

Een aspect van het etherlijf is groei. Wanneer je de ontwikkeling van een baby volgt, valt de enorme groei op. (In de 1e 5 maanden verdubbelt het kind zijn gewicht; en na 2 jaar is dat nogmaals gebeurd; een derde keer vindt pas plaats rond het 8e jaar). Dat deze groei moet samenhangen met ‘slaap’ – in de stofwisseling zijn wij immers de ‘slapende mens’, ligt dan voor de hand.
Naarmate deze groeikrachten in de ontwikkeling de overhand hebben, staan ze op gespannen voet met  ‘wakkerheid’. Kinderen bij wie deze groei – deze vegetatieve krachten nog sterk aanwezig zijn wanneer ze in de basisschool komen – noemde Steiner ‘flegmatisch’, daarbij termen uit de temperamentenleer hanterend die hij echter een andere inhoud gaf.
Werden deze kinderen, omdat het leren moeilijk op gang kwam, vaak ‘dom’ genoemd, voor Steiner waren het kinderen bij wie het element ‘slaap’ teveel de overhand heeft.

Voor hun omgeving hebben deze kinderen weinig oog. Eerder worden de processen beleefd van wat uit het etherische in de gewaarwordingsziel komt, dan dat de gewaarwordingsziel van buitenaf geprikkeld wordt.

Daarom is de aanwijzing die Steiner geeft om deze kinderen te leren rekenen er een die van diepe mensenkennis getuigt en tegelijkertijd laat zien, dat zijn ‘theorie’ onmiddellijk praktijk kan worden:Rekenen en temperamenten,
(tevens in het vormtekenen)

Uit al het bovenstaande mag blijken dat het ‘IK’ aan de ziel duur verleent; m.a.w. dat het ‘ik’ erbij moet zijn. Dat is eigenlijk identiek aan’ interesse’.

Maar ook dit voorbeeld is verhelderend:

Dan wordt in een lessituatie het paard beschreven:

Die Phlegmatischen werden wenig leicht erfaßbar sein. Und es wird das nicht leicht haften, was Sie mit ihnen durchnehmen über ein bekanntes Tier. Sie haben das Pferd oft gesehen, haben daher nur wenig Interesse dafür. Solche Dinge sollen aber haf­ten. Da würde ich zu den phlegmatischen Kindern sagen: «Seht ein­mal, wie unterscheidet ihr euch denn eigentlich von einem Pferde? Wir wollen nur kleine Unterschiede nehmen. Nicht wahr, ihr habt alle einen solchen Fuß: Da sind die Zehen, da ist die Ferse, da ist der Mittelfuß. Das ist euer Fuß.
Jetzt seht euch einmal den Pferdefuß an: Das ist der Hinterfuß vom Pferde. Wo sind die Zehen? Wo ist die Ferse und wo ist der Mittelfuß? Bei euch ist dann weiter herauf das Knie. Wo ist das Knie beim Pferde? Da seht einmal: Da sind die Zehen, die Ferse ist da ganz oben, das Knie ist da noch weiter oben. Da ist das ganz anders. Nun stellt euch einmal vor, wie anders so ein Pferdefuß aussieht als euer Fuß!» Das wird das phlegmatische Kind in Spannung versetzen, und es wird das schon behalten.

‘De flegmatici zal men niet zo gemakkelijk ‘pakken’. En wat u met hen doorneemt over een bekend dier zal niet gemakkelijk blijven hangen. Ze hebben al vaak een paard gezien, daarom hebben ze er maar weinig interesse voor. Maar zulke dingen moeten nu eenmaal beklijven. Daarom zou ik tegen de flegmatische kinderen zeggen: ‘Vertel eens, wat is eigenlijk het verschil tussen jullie en een paard? Ik wil alleen maar kleine verschillen horen. Jullie hebben allemaal voeten, niet waar, die zien er zo uit: daar zitten de tenen, daar is de hiel, het midden van de voet. Zo ziet je voet eruit. Maar kijk nu eens naar de voet van een paard: dat is de achtervoet van het paard. Waar zijn de tenen? Waar is de hiel en waar is het midden van de voet? Iets verder naar boven hebben jullie dan een knie. Waar zit de knie bij een paard? Kijk eens: daar zijn de tenen, de hiel zit daar helemaal boven en de knie zit nog verder naar boven. Dat ziet er heel anders uit. Stel je toch eens voor hoe anders zo’n paardenvoet er uitziet dan jullie voet!’
Dat zal het flegmatische kind in spanning brengen en het zal dat vast wel onthouden.’

 

GA 295 blz.38

GA 295/37
vertaald 1989, blz 37
.

*Steiner maakt op blz. 65 van GA 9 nog bijzondere opmerkingen over deze voorstellingen – ik ga daaraan nu voorbij.

**Ik spreek liever over ‚lijf‘ dan over ‚lichaam‘, omdat ‚lichaam‘ zo fysiek aandoet, terwijl het gaat om een ‚krachtencomplex‘, een vermogen om….; het zielenlichaam is een soort ‚thuis‘ waar de gewaarwordingsziel in woont. Later neemt Steiner deze twee als één complex: zielenlijf en gewaarwordingsziel vormen een eenheid.
[1] Lersch: Aufbau der Person, München 1970, blz. 104
.

Pieter HA Witvliet

.

kind en etherlijfalle artikelen

Algemene menskundeetherijf    gewaarwordingsziel

Antroposofie een inspiratieetherlijf

menskunde en pedagogiealle artikelen

.

435-405

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vrijeschoolpedagogie.com

.

DÉ SITE MET DE MEESTE ACHTERGRONDINFORMATIE OVER HET VRIJESCHOOLONDERWIJS

.

U vindt via onderstaande rubrieken de weg naar meer dan 2400 artikelen.
.

In het zoekblokje (op deze pagina rechtsboven) een trefwoord ingeven, leidt ook vaak tot artikelen waar het betreffende woord in voorkomt.
Wanneer er meerdere koppen van artikelen worden getoond, is het raadzaam ieder artikel open te maken en onder aan het artikel bij de tag-woorden te kijken of het gezochte woord daar staat.
Wanneer het artikel is geopend, kan je Ctr + F klikken. Er verschijnt dan een zoekvenstertje waarin je het gezochte woord kan intikken. Als dit woord in het artikel aanwezig is, kleurt het op.
.

Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER
alle artikelen
wat zegt hij over——
waar vind je Steiner over pedagogie(k) en vrijeschool–
een verkenning van zijn ‘Algemene menskunde’


AARDRIJKSKUNDE
alle artikelen

BESPREKING VAN KINDERBOEKEN
alle auteurs
alle boeken

DIERKUNDE
alle artikelen

GESCHIEDENIS
alle artikelen

GETUIGSCHRIFT
alle artikelen

GODSDIENST zie RELIGIE

GYMNASTIEK
vijfkamp(1)
vijfkamp (2)

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen;

HANDENARBEID
alle artikelen

HEEMKUNDE
alle artikelen

JAARFEESTEN
alle artikelen

KINDERBESPREKING
alle artikelen

KLASSEN alle artikelen:
peuters/kleutersklas 1;  klas 2; klas 3klas 4klas 5klas 6klas 7;  klas 8         (rest volgt – via zoekbalk vind je ook de andere klassen: 9 t/m 11)   klas 11

KERSTSPELEN
Alle artikelen

LEERPROBLEMEN
alle artikelen

LEZEN-SCHRIJVEN
alle artikelen

LINKS
Naar andere websites en blogmet vrijeschoolachtergronden; vakken; lesvoorbeelden enz

MEETKUNDE
alle artikelen

MENSKUNDE EN PEDAGOGIE
Alle artikelen

MINERALOGIE
alle artikelen

MUZIEK
mens en muziek
blokfluit spelen
over het aanleren van het notenschrift

NATUURKUNDE
alle artikelen

NEDERLANDSE TAAL
alle artikelen

NIET-NEDERLANDSE TALEN
alle artikelen

ONTWIKKELINGSFASEN
alle artikelen

OPSPATTEND GRIND
alle artikelen

OPVOEDINGSVRAGEN
alle artikelen

PLANTKUNDE
alle artikelen

REKENEN
alle artikelen

RELIGIE
Religieus onderwijs
vensteruur

REMEDIAL TEACHING
[1]  [2]

SCHEIKUNDE
klas 7

SCHRIJVEN – LEZEN
alle artikelen

SOCIALE DRIEGELEDING
alle artikelen
hierbij ook: vrijeschool en vrijheid van onderwijs

SPEL
alle artikelen

SPRAAK
spraakoefeningen
spraak/spreektherapie [1]    [2]

STERRENKUNDE
klas 7

TEKENEN
zwart/wit [2-1]
over arceren
[2-2]
over arceren met kleur; verschil met zwart/wit
voorbeelden
In klas 6
In klas 7

VERTELSTOF
alle artikelen

VOEDINGSLEER
7e klas: alle artikelen

VORMTEKENEN
Alle artikelen


VRIJESCHOOL
uitgangspunten

de ochtendspreuk [1]      [2]     [3]

bewegen in de klas
In de vrijeschool Den Haag wordt op een bijzondere manier bewogen.

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen; sport

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen
zie ook: sociale driegeleding

vrijeschool en antroposofie – is de vrijeschool een antroposofische school?
alle artikelen

de vrijeschool: breinvriendelijk onderwijs

Vrijeschool in beeld: illustraties van het vrijeschoolonderwijs

EN VERDER:
burnt out
Aart van der Stel over: waarom raakt iemand ‘burnt out’; je eigen rol en hoe gaan de anderen met je om; binnen-buiten; gezond-ziek

met vreugde in het nu aanwezig zijn
‘anti’- burn-out

geschiedenis van het Nederlandse onderwijs, een kleine schets


karakteriseren i.p.v. definiëren

lichaamsoriëntatie

(school)gebouw
organische bouw [1]     [2-1]    [2-2]

In de trein
onderwijzer Wilkeshuis over een paar ‘vrijeschoolkinderen’ in de trein

.

Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com

.

434-404

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie (2-1)

.

HET ETHERLIJF VAN DE MENS

Het etherlijf van de mens – de ontwikkeling en de opvoedkundige vorming in de kinderleeftijd*

Wanneer je de ontwikkeling vanaf de geboorte en tijdens het verwerven van het vermogen tot lopen, spreken en denken tot aan de schoolrijpheid volgt, dan vertonen zich in het fysiek-etherische gebied in alle organen diepingrijpende veranderingen. De orgaanstructuren die in de embryonale tijd werden aangelegd veranderen, worden rijper, kunnen hun functies beter verrichten.
De kracht die aan deze diep ingrijpende veranderingen ten grondslag ligt, die alle veranderingen in groei, in het structureren van de organen en in de vormgeving veroorzaakt, laat zich begrijpelijk samenvatten als levenskracht.
In die totaliteit vormen ze een in de tijd zich ontplooiend, vol wijsheid zittend zinvol geheel, dat als levenslijf gekwalificeerd kan worden en dat als een ‘tweede realiteit’, als de vormgever (architect) van het lichaam daarin leeft.
Met een traditionele term kun je dit geheel ‘etherlijf’ noemen.
Dit systeem van krachten dat daarmee in de belangstelling komt te staan, is er een dat zich in de tijd voltrekt, daarbij zich omvormend, steeds het karakter van een geordend levensgeheel vol wijsheid in zich dragend.

Zonder interactie met nog een andere kwaliteit, nl. met die van het voelen, zou het een puur vegetatief zich ontplooiend leven blijven.

Juist de interactie van de levenskrachten- het etherlijf met het voelen en de daarbij plaatsvindende verandering – zal in detail gevolgd worden, omdat deze een fundamentele betekenis heeft voor zowel het mens-zijn alleen al, als ook voor de ontwikkeling van het kind zelf.

De voor indrukken openstaande ziel en het complex van levensvormkrachten – hun contact en interactie.

De karakterisering van de ziel als een vermogen om de buitenwereld tot binnenwereld te maken – en omgekeerd – blijkt een beschrijving te zijn die vruchtbaar is om te begrijpen wat er gebeurt wanneer we iets gewaarworden. Ook de begrippentrits: wakker – dromen – slapen, werpt een bepaald licht op het verschil tussen gewaarworden en waarnemen. Om bewust waar te nemen – het woord ‘bewust’ wijst daar al op, moet je een bepaalde wakkerheid, oplettendheid aan de dag leggen. Gewaarworden overkomt je meer; het speelt zich meer dromend, dromerig, onbewuster af, zelfs ‘slapend, slaperig’, onderbewuster.
Woorden die met het waarnemen in verband worden gebracht, kun je met deze karakterisering ook exacter een plaats geven: oplettendheid, interesse, toewijding – hier is zeker sprake van ‘wakkerheid, van betrokkenheid. Van een activiteit die door iemand aan de dag wordt gelegd. Er is ook sprake van een bepaalde wilsactiviteit. De richting is: van jou uit de wereld in.
Bij ‘gevoelig voor indrukken’, ‘beïnvloedbaar’ komt er iets uit de wereld bij je binnen; er is nauwelijks wilsactiviteit; het overkomt je – soms overmannen de indrukken je, zoals de slaap je kan overmannen.
Daar waar er sprake is van een activiteit van jou, spreek je niet meer van gewaarworden, maar van waarnemen. Er is steeds iets wat je je bewust wordt.
Tegelijkertijd roepen vele waarnemingen, maar ook gewaarwordingen een bepaald gevoel op; worden begeleid door gevoelens, stemmingen. Die zijn met de fysieke zintuigen niet waarneembaar – ze worden gevoeld, beleefd, ervaren. Voor ieder zijn ze voortdurend aanwezig – ook weer bewuster, dan wel onbewuster of zelfs onderbewust. Ze maken onze stemming uit, ons humeur, hoe we ons voelen. We hebben het naar ons zin, zijn blij, beleven plezier of we hebben er de pest in, zijn boos, voelen ons ongemakkelijk, opgelaten. De taal is rijk aan woorden om al deze stemmingsnuances te omschrijven.

Maar onze ziel is niet alleen het toneel van verinnerlijkte waarnemingen vanuit de buitenwereld. Ook van wat zich in ons meer vegetatieve leven afspeelt, vormt ze een toneel van gevoelens en stemmingen.
Als we bedorven eten hebben geconsumeerd, zal het lichaam reageren; we voelen ons misselijk, ziek; of door andere oorzaken: ‘niet lekker in ons vel’; we worden op zeker ogenblik gewaar dat we honger of dorst hebben; behoefte aan slaap, aan seks. Daaruit vormen zich woorden als ‘trek, zin, lust, begeerte’.
We hebben het voornamelijk over de stofwisseling; het gebied waar we met ons bewustzijn geen toegang toe hebben. Het speelt zich allemaal in ons af, maar we hebben er eigenlijk geen ‘weet’ van: het is het gebied waarvoor we ‘slapen’. In ons voelen – onze beleving- resoneert a.h.w. iets daarvan mee. Je behaaglijk voelen, tegenover maagpijn hebben.
Groei en voortplanting hebben we leren kennen behorend bij het etherlijf en de alinea hierboven is dus eigenlijk een beschrijving van de interactie tussen etherlijf en de meer vegetatieve kant van de ziel.
Er wordt weleens gesproken over de ‘lagere’ ziel; de ziel in engere zin; de ‘beperkte’ ziel. Dat tegenover ‘het hogere, ruimere, onbegrensde’ waarbij dan gedacht wordt aan het niet-fysiek gebonden zijn van de ziel wanneer deze zich doordringt met de ‘eeuwige’ wereld van de gedachten, de ideeën.

Dit ‘lagere’ is zeker niet bedoeld als moreel lager, of minderwaardig. Het wil hooguit duiden op dat ene aspect: het richt zich naar het stoffelijk-etherische; de andere kant is het geestelijke aspect van het bestaan: grofweg: naar het tijdelijke tegenover het ‘eeuwige, onstoffelijke’.

Keren we nog even terug naar de waarneming.
Waar ik ook naar kijk, wanneer ik dat niet met een zekere aandacht doe, blijft het slechts bij een vluchtige waarneming en zodra ik weer naar iets anders kijk, is het vorige object van waarneming geen realiteit meer voor mij. Het wordt dan moeilijk nog een voorstelling – d.i. het verinnerlijkte beeld van dat object, te maken. M.a.w. ik zie dat niet meer voor me (onstoffelijk) omdat ik het niet als stoffelijk ‘ding’ goed heb waargenomen, in me opgenomen (bijna letterlijk).

Eerder heb ik het voelen geplaatst tussen ‘voorstelling’ en ‘wil’, waarbij ‘voorstelling’ op iets terug te voeren is, dat er ooit was: verleden; en ‘wil’ die nog concreet moet worden, die een toekomstige realiteit inhoudt. Het voelen bevindt zich voortdurend in het nu, het heden.
Wanneer ik met aandacht waarneem, mij met het object verbind, is het mogelijk dat ik ‘morgen’ het object nog als voorstelling kan oproepen, het weer voor me zien. Ik herinner het me. Bijna letterlijk: alsof ik ernaar kijk en het me opnieuw tot eigen  inner–lijke aangelegenheid maak.

Belangrijk voor het pedagogisch-didactisch handelen?
Hebben deze menskundige gezichtspunten betekenis voor de pedagogie.

Voor de pedagogie kunnen deze gezichtspunten van (groot) belang zijn. Vooral in deze tijd – en ik denk voor wat op ons toekomt, van nog meer importantie.

We leven in een tijd waarin buitengewoon veel informatie op ons afkomt. Zoveel soms, dat ‘horen en zien’ je vergaan.
Die uitdrukking is interessant. Door de hoeveelheid kun je er niets meer mee. Je wordt eigenlijk overgeleverd aan die indrukken en je sluit je ervoor af.

Het heeft me altijd verbaasd dat mensen die in een winkel werken waar heel de dag muziek klinkt, daar niet ontzettend moe van worden – teveel aan je hoofd. Ik heb er verscheidene keren naar gevraagd en kreeg steevast het antwoord: ‘Ach mijnheer, daar sluit ik me voor af, dat hoor ik niet eens meer’.
Dat is toch merkwaardig: er klinkt iets om naar te luisteren, maar het gevolg is dat je je ervoor afsluit.

Onze zintuigen krijgen dagelijks – ook die van kinderen – een grote hoeveelheid indrukken te verwerken.**
Wat doet het voelen daarmee. Hoe intensief of oppervlakkig worden deze verwerkt.
Waar blijven ze, als je dat al kan vragen of wat doen ze.

Dat we vanuit ons etherlijf – groei en voortplanting – in ons beleven: honger, dorst enz – iets gewaarworden, toont de relatie, de interactie, etherlijf-gewaarwordingsziel.
Is er ook een interactie vanuit de gewaarwording of waarneming naar het etherlijf.

De psychosomatiek lijkt daarvoor het antwoord, al is daar het onderscheid etherlijf-fysiek lichaam niet zo expliciet uitgewerkt.

In de nacht van 5 op 6 maart 1883 voltrok zich bij het dorp Peasens-Moddergat in Friesland een ramp. In een hevige storm vergingen schepen en 83 man kwamen om. Er waren ook overlevenden.
Bij een ervan constateerde men dat hij in die spannende nacht totaal grijs was geworden.

Op 27-12-2012 berichtte het Eindhovens Dagblad:
=Aan hoofdhaar is nauwkeurig af te meten of iemand last heeft van stress. Het Erasmus MC in Rotterdam heeft een methhode ontwikkeld om het niveau van het stresshormoon cortisol in het haar te meten. Tot nu toe wordt het cortisolniveau gemeten in bloed of speeksel, maar dat is alleen een momentopname.=

De angst als heftig gevoel heeft kennelijk zo tot in het levenskrachtengebied doorgewerkt, dat daar, in een a.h.w. samengebald ogenblik, iets heeft plaatsgevonden, waar anders jaren voor nodig zijn: het verouderen, d.w.z. het afnemen van de levenskrachten, het zwakker worden van het etherlijf.

Het zenuwachtig-zijn, gespannen, voor bv. een examen, kan gepaard gaan met geen eetlust, slapeloosheid, nervositeit.
Er zijn nog talloze voorbeelden te vinden, waarbij de conclusie dat wat je beleeft, meemaakt, tot in het gebied van het ‘leven’slustige, een levensbedreigende invloed heeft.

Voor het pedagogisch handelen kan dus de vraag gesteld worden: is het belangrijk dat wij de kinderen ‘belevenissen’ geven en welke dan; of waarnemingen laten doen en welke dan. En hoe weten we dan of ze en in welke mate invloed hebben op het etherische; of naar de ‘hogere’ kant gekeken, welke gedachten en ideeën eigendom worden van de kinderen.

Ik denk dat we kunnen vaststellen dat nu ‘de buitenwereld’ een bombardement aan indrukken op de (jonge) mens loslaat met als gevolg een vluchtiger worden, dat is eigenlijk voor de intensiteit van het waarnemen een zwakker worden, door het ‘vergaan van horen en zien’, het voor de (jonge) mens belangrijk is dat hij een gelegenheid krijgt het ‘met aandacht waarnemen’ te oefenen.

In het vervolg op dit artikel heb ik een aantal voorbeelden uit de praktijk gegeven hoe het waarnemen kan worden geoefend.

*n.a.v. Stefan Lebers artikelen in Erziehungskunst,

**In Trouw stond in de bijlage ‘Tijd’ van 04-01-2014 een interview met Arie Boomsma, bekend van o.a. het presenteren van het tv-programma ‘Uit de kast’.
Hij zegt daarin: ‘Alle levens van twintigers en dertigers in de stad staan op shufflestand; vind je je studie niet leuk, dan ga je iets anders doen. Banen met lange contracten zijn er sowieso bijna niet meer. Op internet heb ik vaak drie webpagina’s open, op YouTube kies ik het kortste filmpje van een onderwerp, als ik muziek niet mooi vind, shuffle ik door. Alles spoelen we door, door, door – volgende. Waarom vraag ik dan van een relatie duurzaamheid?’

.

Pieter HA Witvliet

.

kind en etherlijf: alle artikelen

Algemene menskunde: etherijf    gewaarwordingsziel

Antroposofie een inspiratie: etherlijf

menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

432-403

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner als pedagoog (7)

.

Pieter HA Witvliet
.

METHODESCHOOL

Er zijn veel uitspraken van Steiner te vinden waaruit duidelijk blijkt dat antroposofie geen leerinhoud van het leerplan dient te zijn. Antroposofische inzichten over de mens kunnen de leerkracht ten dienste staan om zo met het kind om te gaan dat dit zich harmonieus ontwikkelen kan.

‘Wij willen hier in de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school inrichten. De vrijeschool moet geen wereldbeschouwelijke school zijn, waar we de kinderen zoveel mogelijk met antroposofische leerstellingen volproppen. Wij willen geen antroposofische dogma’s aanleren, antroposofie is geen leerinhoud, maar we streven naar praktische uitvoering van antroposofie. Wij willen datgene wat op antroposofisch gebied gewonnen kan worden, op een ander niveau brengen, als reële onderwijspraktijk.’GA 293

ANTROPOSOFISCHE GEZICHTSPUNTEN:

Naast het stoffelijke lichaam, [1] onderscheidt Steiner een complex van levenskrachten, [2] die niet door de stoffelijkheid worden voortgebracht, maar eerder: deze stoffelijkheid vormgeven, doordringen.
Het karakter van de stof wordt pas zichtbaar bij de dood, wanneer het leven is geweken: dan valt de stoffelijkheid in de verschillende, ons bekende, elementen uiteen.
In de mens zijn, op deze wijze geredeneerd, polen van “dood” en “leven” werkzaam.
Eenzelfde tegenstelling is waarneembaar in het zenuwmateriaal en het bloed. Het eerste is op sterven na dood; het andere bruist van leven – denk aan de enorme vernieuwingsmogelijkheden van het bloed.
Het lesgeven op een fantasieloze, droge, intellectuele manier, waarbij de stof snel begrepen moet worden, doet veel meer een beroep op het bloedeloze denken, dan bijvoorbeeld het brengen van de stof op een levendige, fantasievolle manier, waarbij de kinderen kunnen genieten en de tijd krijgen de stof eigen te maken.

Op zeker ogenblik kreeg ik half in een leerjaar een meisje in mijn klas, dat er heel bleek uitzag. De ouders vertelden me dat ze op haar school helemaal niet gelukkig was; zij vonden ook dat de leerdruk erg hoog was. Ze hadden haar medisch laten onderzoeken, maar voor haar bleekheid en het feit dat ze niet echt levenslustig was, vond men geen verklaring.

Voor mezelf probeerde ik voorzichtig te formuleren of dit meisje niet veel te veel in de doodspool was aangesproken, in plaats van in het gebied van de vorm(ende)-levenskrachten.
Ik trad haar met alles wat het rijke vrijeschoolonderwijs ter beschikking heeft, tegemoet: beweging, ritme, kleur, fantasie enz. Na een half jaar had ze weer kleur op de wangen (bloed) en kenden haar ouders haar weer terug als het levenslustige kind, dat ze ooit was. Opmerkelijk was dat de ouders vroegen of we haar ook medicijnen hadden gegeven!
Dat hoort uiteraard tot de bevoegdheid van de ouders, maar door hun vraag krijgt ‘gezondmakend onderwijs’ wel een extra betekenis!
.

.

[1] zie ook
[2] zie ook         eveneens

.

Rudolf Steiner als pedagoog: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: alle artikelen

.

431-402

.