VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (2)

.

 Jacobus Knijpenga, ‘Jonas’20 29 mei 1981
.

VAN AANSCHOUWEN TOT INNERLIJK BELEVEN
.

Als men kijkt naar de manier waarop de fees­ten van het christelijk jaar worden gevierd, kan men in de eerste plaats constateren dat ze als ‘christelijke’ feesten door heel weinig mensen worden beleefd. De meerderheid be­leeft primair de vrije dagen. Maar er is bo­vendien in dit beleven een duidelijke lijn te zien die als het ware afloopt van Kerstmis tot Pinksteren. Het kerstfeest spreekt zeer veel mensen aan in het gemoed: een zekere ver­broedering, aardig voor elkaar zijn. Het beeld van het kind in de kribbe spreekt nog sterk menselijk aan.

Dit menselijk aangesproken worden vinden we dan wat spaarzamer terug in de lijdenstijd. Velen, die zich nauwelijks of helemaal niet als christenen beleven, bezoeken beslist een uitvoering van de Mattheuspassion. Of de emoties daar alleen maar muzikaal zijn? Het paasfeest is een feest van de levenshernieuwing in de natuur. De moderne mens weet met ‘opstanding’ geen raad. Men leze daarvoor nog eens de ingezonden brief van Mr. Van Leeuwen in het vorige nummer na. Uit deze brief blijkt dat Mr. Van Leeuwen zich nauwelijks meer interesseert voor het ei­genlijke gebeuren, maar meer voor wat de mensen eraan beleven. Nu is dat een zeer ge­rechtvaardigde instelling. Wat helpt ons alles wat er eventueel is gebeurd, wanneer we er zelf niets aan beleven? Het gaat tenslotte toch om de mens en ik kan mijn voedsel heel goed genieten zonder te weten hoe het is samengesteld. Maar juist dit beeld van het voedsel kan ook duidelijk maken waarom het belangrijk is te weten wat er gebeurt. Onze smaak is namelijk zodanig bedorven dat we gedenatureerd wittebrood lekkerder vinden dan een goed volkorenbrood. En dan kan het weten omtrent de samenstelling van het brood me wel helpen om mijn smaak weer gezond te maken. Juist als we zien dat hetgeen de mens zelf beleeft en doormaakt het belangrijkste is, is het een merkwaardig fenomeen dat het pinksterfeest nauwelijks meer wordt beleefd.
Pinksteren immers is het feest van de mense­lijke individualiteit en het gaat ons toch juist om deze individualiteit. De moderne mens wil heel graag de individu­aliteit beleven en verwerkelijken. Maar daar komt de broodvraag, de vraag naar de kwa­liteit. Wordt de individualiteit beleefd en ver­werkelijkt als bijvoorbeeld de vervulling van persoonlijke wensen of machtsbehoefte? Is verwerkelijking van de mens een aangelegen­heid van wat we bereikt hebben in het maat­schappelijke leven aan zichtbare resultaten, aan erkenning ook? Een duidelijk voorbeeld: wanneer de antroposofische geneeskunst door de universiteiten wordt erkend en wan­neer vele mensen een antroposofische arts bezoeken, zijn daarmee de wezenlijke inten­ties van Rudolf Steiner verwerkelijkt? Hetzelfde kan men voor de vrijescholen vragen. Hebben zichtbare resultaten en erkenning iets te maken met het wezen van een zaak? Hebben ze voor een mens te maken met de werkelijke ontwikkeling van zijn individualiteit? Ze kunnen er een rol in spelen maar zo­wel negatief als positief. Ze kunnen een ge­vaar zijn.
‘Als de wereld u haat, haat ze u omdat ge bij mij behoort. Als ge bij de we­reld zoudt behoren, zou de wereld liefheb­ben wat bij haar behoort’ (Joh 15:18-20).

Succes hangt vaak samen met aanpassing. Oudere generaties noemden dat ‘der wereld gelijkvormig worden’. Wie zich met ‘deze we­reld’ verbindt, zal met deze wereld ten onder gaan.

Is dit wereldvreemd? Is het ascetisme, sektarisme?

Misschien kan een beschouwing van wat er met Pinksteren aan het begin van onze jaar­telling gebeurde ons helpen hier gezichtspun­ten te vinden. Daarvoor willen we eerst te­rugkeren naar Pasen en dat biedt dan tevens de mogelijkheid enkele punten, die Van Leeuwen aanraakt nader te belichten.

De leerlingen van de Christus moesten heel langzaam wennen aan de nieuwe situatie, die was ontstaan door de opstanding. Hun voor­bereiding had daaruit bestaan dat ze drie ja­ren lang steeds sterker hadden beleefd wie hun meester eigenlijk was. Een enkele keer brak dat bewustzijn door. Men kan hier den­ken aan Petrus, die op een vraag antwoordt: ‘Gij zijt de Christus’, maar die onmiddellijk daarop dan helemaal niet begrijpt dat de Christus lijden moet. Zijn voorstelling van de Messias is er meer een van een heerser. Later worden Petrus, Jacobus en Johannes voor een heel korte tijd geconfronteerd met de Christus als lichtgestalte in de zogenaamde verheerlijking op de Berg. Dit is reeds ver­want met de herrezene en laat zien hoe het lichaam van de herrijzenis werd voorbereid tijdens het aardeleven. Het is als het ware on­zichtbaar aanwezig in het stoffelijke lichaam. Zo had er ook voorbereiding plaats gevonden door de vele gesprekken waarbij dan op de wezenlijke momenten wordt gezegd dat de leerlingen het niet begrepen. Daarom konden ze ook niet onder het kruis staan. Dat kon slechts één, namelijk Johannes, degene aan wie Jezus zijn liefde bewees. Deze ene, die rijper was dan de anderen, was als het ware de toegangspoort voor het begrijpen bij de anderen. Hoewel ze dus voorbereid waren hadden ze de voorbereiding niet bewust ver­werkt. Vandaar hun ontsteltenis en aarzeling na de opstanding. Misschien kunnen we ver­gelijkenderwijs er iets van begrijpen als we ons ermee bezig houden hoe het leven na de dood zal zijn. We kunnen daarover lezen, er­over denken, misschien een kleine ervaring hebben. Maar zullen we daarom na de dood direct weten in welke wereld we ons bewe­gen? Ik vrees van niet. Dit kan misschien hel­pen om de gemoedstoestand van de leerlin­gen te begrijpen.

Ze moesten nu leren een toestand te begrij­pen, die tot dan toe op aarde nog nooit aan­wezig was geweest, alleen in oude mysteriën symbolisch was aangeduid. Wie de verhalen na de opstanding onbevangen tracht te lezen kan zien hoe er een zekere groei in het bele­ven is.

Wanneer men zich min of meer kan verbin­den met de voorstelling van een onstoffelijk lichaam, dat wel de vorm heeft van een stof­felijk lichaam en in deze uitzonderingstoe­stand zichtbaar werd voor bepaalde mensen, kan men verder gaan naar de Hemelvaart. Na veertig dagen lost de vorm zich op in de wolken. Wolken hebben een steeds wisselen­de vorm. We hebben hier weer met een
my­thologisch beeld te doen, dat wil zeggen met een beeld dat een werkelijkheid uitdrukt, die eigenlijk niet uit te drukken is. Toch kan men zich in de beweeglijke vormen van de wolken en in hun functie van een mantel om de aarde heen zo trachten in te leven, dat men een verhouding kan krijgen tot het mys­terie van de Hemelvaart. Dit kan nog des te meer als men tracht zich voor te stellen hoe het water, de drager van alle leven, voortdu­rend in beweging is tussen aarde en de wol­ken, de wolken en de sfeer daarboven en dan weer terug. Een eeuwig heen en weer staat ons dan voor ogen: ‘zo als ge Hem hebt zien heengaan, zult ge Hem ook zien wederkeren’. De Christus wordt met de Hemelvaart de Heer van de hemelkrachten op aarde. Dat is dan niet alleen in natuurlijke zin zo maar ook in een meer innerlijke zin, omdat sinds de opstanding alle gebeurtenissen met het doorchristelijkte lichaam van Jezus tegelijk gebeurtenissen zijn met de aarde en met de ziel van de mens.

Op het eerste heeft in dit artikel tot nu toe de nadruk gelegen. De verbinding met de zie­len van de mensen ontstaat ten dele daaruit, voor zover we met onze zielen deel hebben aan het leven van ons lichaam en daardoor aan het leven van de aarde waarmee ons li­chaam samenhangt. Maar er komt nu iets bij. Door zijn daad schept de Christus een nieu­we verbinding tussen hemel en aarde. De geestelijk-goddelijke werelden waren voor de mensheid verloren gegaan en konden alleen nog in moeizame inwijdingsarbeid worden beleefd of als traditioneel geloof. De Chris­tus had goddelijkheid teruggebracht in de aarde en de aardemensen. Zijn terugkeer tot de hemelen is niet een verlaten van de aarde. Hij laat zijn wezen daar achter, in de stoffe­lijkheid die doorchristelijkt was. Dit stoffe­lijk lichaam was door de Christus met geest doordrongen en werkte in de aarde-materie verder, zoals een ferment in hele kleine hoe­veelheden materie kan doordringen. Verder in het sacrament van de heilige maaltijd en tenslotte in de doordringing van de levens­sfeer van de aarde die in de wolken wordt aangeduid. De mens, die zich hiermee inner­lijk verbindt, die ‘gelooft’, kan nu ook een eigen verbinding door de Christuskracht be­leven met de hemelen. Daarmee wordt ook de werking van de geestelijke hemelkrachten weer mogelijk in de aarde en in de mensen­zielen. De hemelkrachten in de mensenzielen zijn die van ons lot, van onze bestemming, ons karma. Christus wordt door Rudolf Steiner de Heer van het karma genoemd. Veertig dagen duurt het proces tussen opstan­ding en Hemelvaart. In de kwalitatieve getal­lenreeks is veertig de tijd waarin een kiem tot geboorte komt. Veertig weken is de zwangerschapstijd van de mens. Veertig maanden is de tijd tussen de doop in de Jordaan en de opstanding. Veertig jaren hadden de joodse stammen nodig om na Egypte tot een volk samen te groeien. De oude traditie spreekt over veertig eeuwen tussen schepping en geboorte van Jezus. Met de Hemelvaart wordt voor de kosmos geboren, dat wil zeg­gen zelfstandig levend, wat met Pasen als kiem werd gelegd. De lichtlichamelijkheid wordt mogelijk voor de gehele stoffelijke we­reld.
Tien dagen duurt het dan nog tot aan het Pinksterfeest. Tien dagen van stille afzonde­ring op de plaats waar de leerlingen het avondmaal hadden beleefd met hun Meester en waarin hen voor het eerst iets was duide­lijk geworden van het feit dat werking van de Christus zich verder uitstrekte dan tot in het lichaam van Jezus.

In deze tien dagen groeide in hun zielen het bewustzijn van wat er gebeurd was en zij za­gen dat in een groots perspectief. Daarom kan Petrus op de pinkstermorgen hun bele­ven plaatsen in de samenhang van de geschie­denis van het joodse volk. Tien is kwalitatief het aardegetal. Onze wil oefenen wij uit met onze ledematen waaraan tien vingers en tien tenen zitten. Aardse economie kan alleen maar werken met een tientallig stelsel. Met Pinksteren komt het gehele gebeuren terecht in de wil van de aardemens en niet alleen in zijn bewustzijn. Bovendien is het zeven maal zeven weken na de opstanding. Zeven is het ritme van de tijd die nodig is om van de ene ontwikkeling naar de andere te komen. Men denke hier aan de betekenis van het zevenja­rig ritme in het mensenleven en ook aan de zeven dagen van de week. Van zondag tot zondag kunnen wij nieuwe impulsen pakken, nieuwe ideeën vormen. Op al deze ritmen kan hier niet worden ingegaan. Daarvoor is de desbetreffende literatuur van Wilhelm Hoerner en Walther Bühler 1). Maar het is duidelijk dat het hier om een ontwikkeling gaat, die een zielenontwikkeling is waarvoor tijd nodig is.

Wanneer we de verschijnselen bezien die het Pinksterfeest brengt, gaat het in hoofdzaak om drie dingen: de hevige wind, het spreken in klanken en de vlammen boven hun hoof­den.

Was er bij de Hemelvaart sprake van het water- ­en luchtelement in de wolken, bij Pasen van het aarde- en lichtelement (en ook van lucht, voor zover de herrezene spreekt), hier gaat het om lucht- en vuurwerking. Het aarde-element is verdwenen ook in de gestal­te van het water. Lucht en vuur zijn de ele­menten, die met ziel en geest te maken heb­ben. Hierin uit zich de verinnerlijking van het gehele gebeuren. Het Griekse woord, dat gebruikt wordt voor wind, ‘pnoè’ is verwant met ‘pneuma’ = geest. Het woord, dat gespro­ken wordt, is een geest-gedragen woord, dat ver uitgaat boven de eigen mogelijkheden van Petrus. De vlammen zweven boven hun hoofden en zijn nog niet ingedaald. Maar het zijn wel individuele vlammen. Wanneer we ons in deze beelden proberen te verdiepen, treedt duidelijk naar voren dat er iets objectiefs werkzaam is. Dat objectieve wordt ook uitgesproken, het is de werking van de herrezen Christus, die nu door de apostelen verder werken wil. Het is nog een werking die sterk van buitenaf komt maar zich toch in het eigen woord verwezenlijkt. Er wordt een taal gesproken, die in het Grieks ‘lallein’ genoemd wordt. We zijn niet ver van de betekenis als we dit door ‘lallen’ vertalen, voor zover het een spreken betreft uitsluitend in klanken. Lallen is een spreken in klanken, oerklanken, die verstaan konden worden buiten het intellectuele begrijpen om. Het is weer Paulus die hier, evenals bij het begrij­pen van de opstanding, vooropgaat als ‘een te vroeg geborene’ (zoals hij het zelf uit­drukt). Paulus zegt dat hij dit lallen ook kan maar dat hij liever enkele woorden zo spreekt dat ze begripsmatig verstaanbaar zijn dan dat hij veel zou zeggen ‘in tongen’. Paulus geeft hiermee aan dat het mysterie, waar het om gaat zich steeds verder verbinden wil met het wakkere denken van de mens. Dat is niet hetzelfde als intellectueel denken. Het is een denken dat zich verbindt met een waarne­mingsvermogen voor het bovenzintuiglijke, zoals het zich in de zintuigelijke wereld openbaart; het is een waarnemen van de idee in de werkelijkheid.

Dit waarnemen van de idee in de werkelijk­heid gebeurt in het sacrament. Het eigenaar­dige van het sacrament is, dat het leidt van een nog tamelijk dromerig waarnemen tot een steeds grotere wakkerheid, het leidt van het oorspronkelijke pinksterbeleven tot dat wat het in onze tijd worden kan. Wat het worden wil, is dat mensen in zichzelf de kracht ontwikkelen het Christus-mysterie te begrijpen. Begrijpen is niet alleen gedachtewerk. Het is ook be-‘grijpen’. Daarmee komt een wilselement in ons denken, dat wil zeg­gen er ontstaat een begin van de ontwikke­ling van de bewustzijnsziel. Niet alleen in het sacrament is dit mogelijk, het sacrament is een hulp. Het kan ook gebeuren door een zuivere kennisweg, waar het denken zichzelf zo versterkt dat het zichzelf waarneemt. Hierover uitweiden is in dit artikel niet moge­lijk. 2)

1)  W. Bühler. leder jaar is anders
W. Hoerner. Zeit und Rhytmus 
R. Frieling – W. Hoerner. Zondag – de eerste dag

2)  R. Steiner – Filosofie van de vrijheid
R. Steiner – Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Pinksteren – jaartafels

.

149-142

.

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rekenen (6)

.
Martin Keller, Erziehungskunst 55e jrg. nr. 4 1991
 

REKENEN MOET LEUK ZIJN (2)

.

Dit artikel is niet zo makkelijk. Je moet wat algebraïsche kennis hebben en wil je er wat aan hebben voor in de klas, moet je het grondig bestuderen en met eigen vondsten oefenen.
Dan helpt het je zeker om opgaven te vinden met mooie uitkomsten – dat is het doel van dit artikel en het vorige.

Evenals in het vorige artikel is het niet helemaal duidelijk voor welke klas de opgaven bedoeld zijn. Dat is niet erg: je weet zelf het beste wat je kinderen kunnen (of niet).
Een probleem vormt altijd het delen door of met een breuk.
Ik weet nog dat ik als kind snel leerde dat je dan moest ‘vermenigvuldigen met het omgekeerde’ en paste dit braaf toe waar nodig, zonder precies te weten waarom.

Pas voor de klas ontdekte ik dat je bij een deling eigenlijk vraagt: ‘hoe vaak past het erin’.  10 : 2     hoe vaak zit de 2 in de 10.
Dat is bij delen met een breuk niet anders:  4 : 1/2    hoe vaak zit de 1/2 in de 4.
Dat is 8 keer.  Hoe kom je met de getallen die je ziet, de 4, de 1  en de 2 ook tot 8. Door 4    2 keer te nemen. Hier zit dus de omkering bij het vermenigvuldigen.  Als je dit een poos oefent met de klas zullen de meesten het na verloop van tijd wel kunnen.

AANWIJZINGEN VOOR DE KLASSENLEERKRACHT BIJ HET REKENEN IN DE ONDERBOUW

BREUKEN
Wanneer we met de 9- of 10-jarige kinderen met de breuken beginnen, blijven we natuurlijk lang in het aanschouwelijke; bij de stukken koek, de partjes appel, bij een halve of kwart liter melk en leren daarbij, dat een breuk steeds vertelt van welke breuk hij een deel is.
Een vierde van alle bomen van de boer zijn appelbomen; een tiende van alle leerlingen draagt een bril, enz.

Dan tekenen we uitgebreid alles in de in 12 verdeelde cirkel: en kunnen de 4 rekenbewerkingen uitvoeren:

rekenen 4

we kunnen aflezen dat:

1/3 + 1/4 = 7/12                                  of 1/2 + 1/12

dat 3 keer 1/4  = 3/4     of dat 1/12    4 keer in 1/3  zit.

Dat kunnen we ook doen met de cirkel verdeeld in 8 of 16.

We zien ook:
1 hele =  2/2 = 3/3 = 4/4 = 6/6 = 12/12 en dat een halve = 2/4 = 3/6 = 6/12

Hier, bij het vergroten van de breuk doen zich heel nieuwe mogelijkheden voor om nog eens de tafels te oefenen:

2/3 = 4/6 = 3/9 = 8/12 = 10/15  enz.

Goede hoofdrekenaars kunnen bv. ook 3/7 verder uitvoeren: = 6/14 = 9/21
waarbij je de rij van 3 en 7 als parate kennis moet hebben: een goede concentratie-oefening.

De oefenopdrachten:

1.Optellen
Mooie breuken krijg je bv. bij       1= 36/36

je verdeelt de 36 in zoveel getallen als je wilt, die je bij het optellen als aparte  breuken kan schrijven:

7 + 8 + 9 + 12     =  7/36 + 8/36 + 9/36 + 12/36 =
          36

=   7/36 + 2/9 + 1/4 + 1/3 = 1

Wanneer je deze breuken halveert, is de uitkomst 1/2

7/72 + 1/9 + 1/8 + 1/6 = 1/2

Wanneer je alle tellers keer 5 doet, wordt ook het antwoord  5

35/36   + 10/9  +  5/4  +  5/3 = 35/36  + 1   1/9  + 1  1/4   + 1  2/3  = 5

Je kunt ook helen voor de breuken zetten:

1  7/30   + 2  2/9  + 2  1/4  + 4  1/3   = 10

aftrekken:
Hier kunnen we net zo te werk gaan, we moeten alleen een groter begingetal kiezen, bv:

8   =   8  x 24   =    192    dus bv.
               24                24

192 – 60 – 50 -40 – 30 – 11     = 1/24
                          24

Heel geschikt zijn gemengde opgaven:

1  =  48     =    36  +  10 – 4 + 7 -22 + 21  =
         48                            48

3/4 + 5/24  – 1/ 12  + 7/48  + 11/24  +  7/16  = 1

Je ziet dat het wel wat moeite kost om mooie opgaven te vinden, maar het loont de moeite. De leerkracht wordt daarbij zo vindingrijk, dat de vreugde die hij aan het ontdekken beleeft, kan overslaan op zijn klas. En het rekenmachientje staat hem ten dienste.
We kunnen natuurlijk de goede rekenaars op het spoor zetten zelf opgaven voor de klas te vinden, i.p.v. de in het algemeen (en voor hen in het bijzonder) langdradige huiswerksommen op te lossen – een goede kans om de meer begaafden uit te dagen!

Leuk zijn ook de rekenopdrachten die op een formule terug te voeren zijn:

1/2  – 1/3  = 1/6;  1/3 – 1/4 = 1/12;  1/4 – 1/5 = 1/20;  1/5 – 1/6 = 1/30 enz

of: 1/2 + 1/3 =  5/6;   1/3 +  1/4 = 1/12;  1/4 + 1/5 = 9/20; 1/5 + 1/6  = 11/30 enz.

De kinderen zullen de regelmatigheid ontdekken die ze pas veel later in een formule leren zetten:

1      –    1              =      1                       of                             1      +   1               =  n + (n +1) 
n         n + 1              n( n + 1)                                             n             n + 1           n x (n + 1)

vermenigvuldigen en delen
de eenvoudigste formule  voor het vermenigvuldigen met vereenvoudigen is:

a   x     b     = 1              waarbij a  = 7  en  b  = 8     7/8    x 1  1/7
b          a

reken je i.p.v. met 7   met het dubbele:     14  of met het drievoudige  21 
8                                           8                                                      8

dan is de uitkomst 2  of 3.

Een andere formule is:         1  1/a   keer    1 /  a – 1    =     2
a + 1

als   a   bijv. 24   is:    1   1/24   keer  1  23/25   =  1  1/24 keer  1  24- 1     =
24 + 1

1   1/24   x    1   23/25   =  2

Een andere weg om opgaven te maken met een mooie uitkomst gaat zo. Laten we aannemen dat de uitkomst 6 moet zijn; 6 is  3  x   2. Nu veranderen we de beide getallen in willekeurige breuken, dus, bv.

3    =    27/9       en 2  =  16/8

en schrijven deze boven de breukstreep:   27   x   16     =   6
                                                                            9    x      8

nu kun je de teller ( of de noemer)  verwisselen en dan ziet het er zo uit:

16   x   27      =  1   7/9   x   3   3/8  =  6
9    x    8

Als de uitkomst 1 moet zijn, dan schrijf je  1  =  1 keer  1  keer 1 ( 1 x 1 x 1)
veranderd in breuken:

3/3      x   5/5     x   7/7
dan verwissel je de tellers                 7   x   3    x   5
                                                                   3   x   5    x   7

en dan ziet de som er zo uit:

2   1/3   x   3/5   x  5/7  =  1

Als de uitkomst een breuk moet zijn, (stel 1/2) dan neem je het geheel  x 1/2:

2   1/3   x  3/5  x  (5/7  keer 1/2)   = 2   1/3  x  3/5    x   5/14  =  1/2
wil je boven 1 uitkomen dan moet je met een getal boven de 1 vermenigvuildigen:

2   1/3  x  3/5   x  5/7  keer 2  =   2  1/3  x 3/5  x 10/7  =   2

De opgave voor het delen vereist dat je alleen de laatste breuk omkeert: 5/7  wordt 7/5:

2 1/3  x 3/5 :  7/5 = 1

alle 4 de bewerkingen
om alle 4 de bewerkingen bij elkaar te nemen, moet je de fomule van G.Hofmann oefenen*

( a x a +a) : a – a = 1, bijv. a = 2/3

2/3  x 2/3 = 4/9;   4/9 + 2/3 =  1   1/9;   1  1/9  : 2/3 = 5/3; 5/3 – 2/3 = 1

Of: wanneer a + b + c = 1. dan is a – 1 – ( b +c). Delen we de vergelijking door a, dan zie die er zo uit:

1 =  1/a    – (b + c) : a

Nu zoeken we drie breuken die samen 1 zijn, d.w.z. we nemen 2 willekeurige breuken, waarvan de som onder de 1 uitkomt en we zoeken de aanvullende breuk erbij:

bv.   a   = 9/40      b =  2/5    c  = 3/8

dan ziet de opgave er zo uit:

40/9  –   (2/5 + 2/3)  : 9/40 = 4  4/9 – ( 2/5 + 3/8) :  9/40

of: omdat  a/a = b/ b   krijg ik ( door vermenigvuldigen met a keer b) een formule die ik veranderen kan:

uitgebreid:  a x b  a/a =  a x b  b/b  met als gevolg   a kwadraat x b, gedeeld door a =
a x b, dus is a x b – a kwadraat keer b gedeeld door a      0

Als ik geen 0 als uitkomst wil, moet ik de uitkomst die ik wel wil, optellen aan de linkerkant, bijv. 2  1/10  en voor a en b willekeurige breuken kiezen en je hebt een interessante gemengde opgave, waarvan je de uitkomst van te voren weet.

a =   3  1/2;   b  =  2   1/5;    3  1/2  x 2  1/5  + 2  1/10  – 12  1/4 x (2  1/5  :  3  1/2

volgens hetzelfde schema kun je veel opdrachten maken en iedere keer komt er een antwoord dat ook al in de opgave staat. Dat maakt de kinderen wel nieuwsgierig. Hoe komt dat.

Een mooie, maar lange formule is:  [ ( b + a) x a + a]  :  a  – a  – b  =  1

De kinderen zeg ik: neem 2 breuken   Breuk 1   = 2/3  en Breuk 2 = 1/4 en

reken daarmee als kettingrekenopgave:

B1    + B2  keer B2 + B2 : B2  – B2 – B1  = 1

Dus: 2/3 + 1/4  dit x 1/4  daarbij 1/4. gedeeld door 1/4 , dan – 1/4, dan – 1/3 =    2/3  + 1/4 = 11/12            11/12 : 1/4  =   11/48        11/48 + 1/4 = 23/48;
23/48 : 1/4 = 23/12;     23/12  – 1/4  =   20/1′;    20/12 – 2/3  = 12/12  = 1

of met B1 = 2/5  en B2 = 3/7

2/5  +   3/7  =  29/35;    29/35  x  3/7  =  87/245;    87/245  +  3/7 = 192/245;
192/245 : 7/3  = 64/35;    64/35  – 3/7 =  49/35;  49/35  – 3/7  =  1

Opgelet: Je krijgt hoge noemers wanneer  de begingetallen te gecompliceerd zijn! Bovendien frustreren deze lange opdrachten de zwakke rekenaar, omdat ze niet verder kunnen, wanneer ze in het begin al een fout maken.

Nog een mooie formule waarmee je makkelijk breukenopdrachten kan maken:

( a/b   + c/d)   keer  b/a  –   b/a x c/d  = 1

Kies nu voor a, b, c, d hele getallen, bv.  a= 8; b= 5; c = 7; d = 4.

Dan luidt de opdracht:

(8/5 + 7/4)  keer 5/8   – 5/8  keer 7/4

Daaruit ontstaan gemengde breuken:

(1  3/5  + 1  3/4 )  keer 5/8  – 1 1/4 keer 7/8   = 1

Wil je ook een deling erin hebben, dan moet je het getal na de haakjes, omkeren:

(a/b  + c/d)  :   a/b  –  b/c x c/d = 1    Dus: 1  (3/5 + 1  3/4)  : 1  3/5  –  1  1/4  x  7/8  =  1

Wie goed is in algebra kan nog meer formules vinden:

a keer b /   +  b /  : a  /  -b/  : b/  keer a  = 1

(a + b)  keer (c + d )  – (ad  +  bc  + bd )  =  a  keer c

a keer a /  + a  /  keer a /  + a  /  :  a  /  -1  / : a  / -1  = a

(beter geschikt voor hele getallen dan voor breuken!)

Nog meer mogelijkheden:
Welnu, kinderen van een 6e t/m een 8e klas moeten eraaan wennen dat sommen lang niet altijd een mooie uitkomst hebben; dat er steeds maar geoefend moet worden om later zeker te zijn in de algebra. En de vraag is, (voor het geval je geen leerboek wil gebruiken waarin alles ‘voorgekauwd’ is):
Hoe kun je – tijd besparend- met weinig getallen veel opgaven maken?
Schrijf bv. vier niet al te moeilijke breuken zo op:

rekenen 5

en laat alle 4 rekenbewerkingen met de 6 combinatiemogelijkheden uitvoeren; dat zijn 24 sommen.
Hierbij weet je de uitkomsten niet van te voren.

Gelijksoortige oefeningen kun je zo maken:
Je geeft een ketting van breuken  (a, b, c, d…..) en je laat uitrekenen:  a +b;  b + c;  c  +  d; …..   ook met de andere rekenbewerkingen. Of je dicteert een paar breuken en je laat bij deze hetzelfde getal  bv. 1  2/3  optellen, aftrekken, keer of gedeeld;  dat zijn bij 7 breuken, 28 sommen.

Of je schrijft horizontaal en verticaal  3 of 4 breuken op die met een van de rekenbewerkingen uitgerekend worden: de uitkomst in het veld dat erbij hoort.

rekenen 6

De schrijver van het artikel heeft een paar ‘slogans’  gemaakt opdat bepaalde rekeneigenschappen beter worden onthouden.

Ik geef ze hier in het Duits weer: een vertaling is nog niet zo gemakkelijk, dus heb je iets:   mail naar vspedagogie (voeg bij )gmail (punt) com; of reageer in de reactieruimte.

a) zu den vier Grundrechnungsarten mit ganzen Zahlen:
bij de vier rekenbewerkingen:

Bei minus, plus und mal nimm die letzte Zahl!
Kommt das Teilen dran, fange vorne an!

b) dezimalbruchrechnen:
tiendelige breuken:
Zusammenzählen einfach geht,
wenn Komma unter Komma steht!

goed optellen gaat,
wanneer de komma precies onder de komma staat

Multiplikation:
vermenigvuldiging
Soviel Stellen nach dem Komma in der Aufgab’ stehn, soviel Stellen muß man nachher im Ergebnis sehn! Gut überlegen, ja nicht hetzen! Bevor du rechnest, sollst du schätzen!

Division:                                         
deling
Erweitre beide Zahlen so mit zehn,
daß keine Kommastellen mehr im Teiler stehn!

Damit man weiter teilen kann,
häng’ hinterm Komma Nullen an!

c) Bruchrechnen:
breuken
Zusammenzählen kann der Kenner
nur Brüche mit dem gleichen Nenner!
Drum such den Hauptnenner geschwind,
in dem die anderen enthalten sind.
Die ganzen Zahlen, sei so keck,
die rechne einfach vorneweg!

Oder: Nur Brüche mit gleichem Namen
zählen wir richtig zusammen!

Wenn der Zähler größer ist,
Ganze ihr verborgen wißt!
Den Rest, ihr Herrn und Damen,
trägt des Nenners Namen!                           (G. Hofinann)

 

Bei Bruch mal Bruch nimm ohne Wahl
die Zähler und die Nenner mal!
Gemischte Brüche mußt verwandeln
und einfache dafür erhandeln.
Doch darfst du dich nicht überstürzen:

vor du rechnest, mußt du kürzen!                      (Hofmann/Keller)

Sollst du teilen durch ‘nen Bruch,
wird das Brüchlein umgestürzt,
malgenommen und gekürzt!                  (G. Hofinann)

*zie Erziehungskunst 11/1990 blz. 927, uitvoerig in Erziehungskunst 5/1965, blz. 136.

Mocht je fouten tegenkomen, reageer dan even!
vspedagogie@gmail.com

Rekenen moet leuk zijn (1)

4e klas rekenen: alle artikelen

Rekenen: alle artikelen

.

148-141

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – alle artikelen

.

Nieuwjaar
oude gebruiken

Carnaval
alle artikelen

Palmpasen/Pasen
alle artikelen

Hemelvaart/Pinksteren
alle artikelen

St.-Jan
alle artikelen

Michaël
alle artikelen

St.-Maarten
alle artikelen

Advent
alle artikelen

St.-Nicolaas
alle artikelen

Kerstmis
alle artikelen

Driekoningen
alle artikelen

Oudjaar
[1] Toekomstkijken
Wendela van Mansvelt over: activiteiten in het gezin ter voorbereiding van het loodgieten; waar lood (voor) wordt gebruikt; lood in de taal;
over: heksverbranding.

[2] Oudjaarsverhaal
Dan Lindholm: voor kinderen van 5 – 8jr.

[3] tradities: midwinterhoorn, kloksmeren, onnozele kinderen.

Maria Lichtmis
alle artikelen   

Halloween
Tim van Tongeren 
over: de oorsprong van dit feest; de diepere betekenis t.o. de oppervlakkigheid van de uit Amerika overgewaaide versie; o.a. duidelijke ‘sint-maartens- en sinterklaasmotieven

voor meer interessante artikelen: Rituelen en tradities

JAARGETIJDEN/SEIZOENEN

Peuters/kleuters: alle artikelen

[1-1]  November
Diverse bronnen
over: folklore van de maand november; slachtmaand en andere namen; gebruiken, weerspreuken rond heiligen: St.-Hubertus, St.-Catarina, St.Andries, St.- Elisabeth.

[1-2] Allerzielen
Tineke Croese over: de dood en het leven; de sfeer van november; ontstaan; de levenden en de doden;

Winterstemming en zomerstemming
Loïs Eijgenraam over: uitgebreide stemmingsbeschrijving; Steiners aanwijzing voor klein- en groothoofdig kind i.v.m. deze stemmingen; uitgebreide beschrijving van dit type kind

2e klas: herfstspelletje
Een spel van D.Udo de Haes uit Zonnegeheimen, deel 4
.
Kinderspelen en jaargetijden
A.J.Miedaner over: leven- en doodskrachten in de natuur; opbouwen en afbreken; ‘In Holland staat een huis’; knikkeren; touwtjespringen; vliegeren; tollen

FOLKLORE

Vrijdag de dertiende

De ijsheiligen

VRIJESCHOOL in beeld: Jaarfeesten – alle beelden

.

147-140

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (1)

.

P.C.Veltman Vrijeschool Leiden, jaartal onbekend
.

VAN PASEN TOT PINKSTEREN
.

Tussen Pasen en Pinksteren liggen vijftig dagen. “Pentecôte”, de Franse naam voor Pinksteren, hangt met dit getal (pentekoste – vijftigste, Grieks) samen.

Het paasfeest is een gebeuren, waarvan de zin nog voor vele mensen duidelijk is: de opstanding, na het leed van de kruisiging.
Treffend is de vreugde van de paasviering in de Russische kerk, waar men elkaar begroet met: “Chrestos anesti!” (Christus is opgestaan!) hetgeen door de aangesprokene beantwoord wordt met: “Ja, Hij is waarlijk opgestaan!”

Het pinksterfeest is weer iets geheel anders. Voor ieder wat minder duidelijk. Het feest is oeroud. Het was een “feest der Eerstelingen” d.w.z. jonge dieren en veldvruchten werden ge­offerd. Een vruchtbaarheidsfeest dus. Wat echter van buiten, uit de natuur kwam, heeft een verinnerlijking ondergaan door de Wet van Mozes, die weliswaar ook als het ware van buitenaf werd gegeven, maar toch een begin maakte met “eerstelingen van innerlijke orde” of wel de Tien Geboden.
Bij het pinksterfeest in christelijke zin wordt nog een verder stadium van ontwikkeling mogelijk. Na de opstanding hebben de apostelen nog contact met de Christus gehad, zoals duidelijk blijkt uit de evangelies en de “Handelingen der apostelen”. Na de Hemelvaartsdag verdwijnt dit contact. Men krijgt de Opgestane niet meer te zien.

Maar op het pinksterfeest komt de Heilige Geest de leerlingen en volgelingen van de Christus bezielen. De als “vurige tongen” geschouwde geestkrachten werkten van binnen als “eerstelingen” van innerlijke ordening: de apostelen, die onzeker waren over hun verdere taak, kregen een duidelijk weten, waar hun taak lag. Zij zijn de wereld ingegaan en brachten Christus’ woorden bij vele volkeren. Van binnenuit is de Christus te vinden.
Het is weer Pinksteren. De natuur is opengegaan. Bloeiende heesters en vruchtbomen staan overal in een rode, witte of roze pracht. In de wei dartelen lammetjes en veulens. Nestelende vogels werken en zingen. Wat een schitterend jaargetijde. Een pinksterfeest kan door de mens worden beleefd, wanneer hij naar spelende kindjes kijkt. Die kindertjes spelen wel schijn­baar doelloos, maar zij zijn geheel open. Geheel en volledig open. Waar openheid is, kan de geest inwerken. Pinksteren is ook voor de volwassene het feest om open te zijn als de kinderen. Een feest van de toekomst dus. Een feest van de vrije individua­liteit, van vrijheid en liefde.

Wij kijken naar de spelende kleintjes. Hoe totaal anders zijn zij dan de grote kinderen of de volwassenen!
.

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Pinksteren – jaartafels

.

146-140

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (30)

.
 P.C. Veltman, vrijeschool Leiden, nadere gegevens ontbreken
.

TUSSEN PASEN EN PINKSTEREN 

Het is merkwaardig, hoe vreemd die jaarfeesten lopen. De kleuters merken daarvan niet zo veel. ‘Palmpaaasen, Palmpaaasen, versier je groene tak!’
En ze zetten het op een zoeken en snoepen van eieren, echte eieren, ge­kleurd en wel, of eieren die bekleed zijn met stevig zilverpapier in bonte kleuren.

Kortom, alles een prachtig symbool van het jonge leven, het uitbottend gewas, eerst schuchter, daarna overvloedig groeiende en bloeiende in heg en veld, in tuin en gaard. Nu, het was me weer een spannende geschiedenis met vele dagen warm zomerweer, afgewisseld door hevige lente­stormen, en echt gemene, zure koude.

De jaarfeesten Kerstmis,  Sint-Nicolaas, Sint-Maarten, Sint-Michaël, zij worden regelmatig gevierd op een vaste datum. Met Pasen begint de onregelmatige viering. Het paasfeest is kosmisch, dat wil zeggen: het hangt van de maanstand af. Pinksteren volgt precies vijftig dagen later en ook dat feest is dus afhankelijk van de maan.

Het vieren van Pasen is een moeilijke zaak. Toch al. Waardoor? Wel, het is een opstandingsfeest. En, hoezeer de natuur ieder jaar weer voor onze neus uit de dood her­rijst, deze opstanding op een menselijk en kosmisch plan levert heel veel moeilijkheden op. Wel is deze opstanding een centraal gegeven in het christendom! Wanneer die niet had plaatsgevonden, dan bestond het christendom slechts uit mooie traditie, uit kleurige middeleeuwse platen, schilderijen en prentjes. Waarschijnlijk was het al afge­schaft of in onbruik geraakt.

In Jerusalem, waar ik enige jaren geleden omstreeks de paastijd mocht verblijven, zijn er nog steeds geleerden die niet precies weten, waar de kruisiging, de graflegging en de opstanding hebben plaatsgevonden! In hoofdzaak zal men moeten kiezen tussen de geweldige, monumentale Heilige Grafkerk, die door Keizerin Helena van Byzantium werd gebouwd op de plaats, waar de heuvel van Golgotha vroeger was gelegen – elke christelijke kerk heeft daar een eigen hoekje, met verering en versieringen – of, het is de rand van de noordelijke heuvel, waarin velen – vooral Engelsen – de plaats van graf en opstanding willen zoeken. Daar is een heel mooie, rustige tuin, heimelijk en ver­heven. Welke plek is het?

Het is namelijk niet zo duidelijk of kruisiging, graf­legging en opstanding zo dicht bij elkaar gelegen waren, dat er niet enige ruimte tussengelegen kon zijn. Het graf is in een tuin ten noorden van Jerusalem, het noordelijkste punt.

In het Johannesevangelie staat, dat Petrus naar het graf holde en dat een jongeling ietsje voor hem uit liep. Deze jongeling zag de doeken, waarin het lichaam gewikkeld was geweest en de zweetdoek. “En hij geloofde,” staat er. Wie was die jongeling? En waarom geloofde hij toen? Hij was de enige apostel die de kruisiging van nabij mee­maakte. Er is er maar één op wie deze beschrijving van toepassing kan zijn. Dat is de jonge Johannes, die de geschiedenis later als evangelist heeft opgetekend. Daar­door is de beschrijving zo, dat hij zichzelf op de achter­grond plaatst, maar uit eigen ervaring spreekt. Hij schrijft in de laatste regels van het Johannesevangelie: “dat hij weet, dat zijn getuigenis waar is.” Waarom? Omdat hij het zelf was, die dit alles lang geleden meemaakte. Lees het er maar over na, al zullen vele theologen u in de haren vliegen.

Op de helling van de berg die ten zuiden van Ephese loopt (de Ala dagh) ligt nog steeds het huisje, waarin de oude Johannes en Maria hun laatste levensdagen hebben doorgebracht. Maria’s huisje is nu een piepklein kerkje. De gehele sfeer is daar bijzonder rustig. Zowel christenen als islamieten houden zich aan de ter plaatse voorgeschreven wijdingsvolle stilte.

Behalve de christelijke aspecten van het paasfeest zijn er nog vele andere, die uit oudere tijden stammen. Een van de bekende sprookjes is dat van Indra en het maanhaasje. Alle hebben deze sprookjes gemeen, dat een opofferende trek het kenmerk is. Het haasje van de maan offerde zich voor Indra. Een andere versie komt in de Egyptische mythologie voor. Een kleine jongen is erg bang van aard. Hij ontdekt een haasje, dat nog banger is. Dit haasje trekt zich terug op de maan en inspireert de jongen tot moedige daden. De kleine held ont­dekt, dat de maan iedere afschrikwekkende gestalte groter maakt naarmate deze verder weg is. Gaat hij er recht op af, dan blijkt ook een monster een klein beestje te zijn. Met deze kennis kan de jongen het schijnkarakter van het monsterlijke doorzien en naar waarde schatten. Hij is niet bang meer en hij kan dus heel veel hulp brengen aan andere wezens.

Vele paasverhalen inspireren dus tot moedig en opofferings­gezind gedrag. Nog altijd onmisbaar in onze dagen!
.

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Pasen – jaartafels

.

145-139

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..

VRIJESCHOOL – Gezondheid, m.n. die van de leerkracht (1)

.

Dit artikel van dokter Aart van der Stel heeft mij veel inzicht verschaft in bepaalde situaties in mijn vrijeschoolleven.

Het lijkt me nog altijd actueel, ook al werd het in de jaren 1980 geschreven.
Dit artikel van dokter Aart van der Stel heeft mij veel inzicht verschaft in bepaalde situaties in mijn vrijeschoolleven.

Het lijkt me nog altijd actueel, ook al werd het in de jaren 1980 geschreven.
.

 Aart van der Stel, huisarts,  in “Jonas’, nr. onbekend
.

Afgeknapt uit onvermogen in het hier en nu te leven
.

Het burnt out-syndroom bij leerkrachten
.

Doen wat er op dit moment aan de orde is, het is een van de sleutelbegrippen als het om gezond zijn en blijven gaat. Dat klinkt heel sim­pel, maar ga d’r maar aanstaan in de praktijk… Bijvoorbeeld als je leraar bent.

Het valt mij op dat er veel leraren zijn die zich ziek voelen of bang zijn om ziek te worden. Het vervangprobleem is groot. Veel leerkrachten ervaren hun beroep als (te) zwaar. Vakanties zijn broodnodig om ‘het weer aan te kunnen’. Sommige verplichtingen zoals de leraars­vergadering – over andere activiteiten kan ik niet oordelen – kan men niet nakomen.

Op zichzelf is er niets tegen ziek zijn. Ziek zijn is een manier om beter te wor­den, niet alleen als leerkracht, maar als mens. Ziekte dient met enige eerbied en terughoudendheid bejegend te worden. In het ziek zijn wordt een mogelijkheid geboden om in te grijpen in de biografie en te veranderen, te verbeteren en rijker te worden. Dat is het ‘betere’ van de genezing. Wil je echt beter worden, dan moet je hard werken. Wanneer je het ziek zijn beëindigt zodra het bestaan weer enigszins draaglijk geworden is, en niet tot het einde gegaan bent, dan leg je daarmee de basis voor een nieuwe ziekte. De beker moet geheel geleegd worden. Daarover straks. Eerst de vraag: waarom wordt een mens eigenlijk ziek?

Binnen en buiten

Een mens functioneert tussen twee uiter­sten: tussen enerzijds de buitenwereld om hem heen en anderzijds de ‘binnen­wereld’, de eigen wilsimpulsen, dat wat helemaal ‘ik’ is. De buitenwereld omvat alles wat je om je heen kunt waarnemen, stoffelijk en onstoffelijk. Dus niet alleen de natuur, onze medemensen (leerlingen en hun ouders bijvoorbeeld) en de cultuur waarin wij leven, maar ook de ideeën en idealen die voortkomen uit die cultuur, uit onze opvoeding of onze wereldbeschouwing. Wij baden, zo niet verdrinken in de voorstellingen, idealen en verwachtin­gen waaraan wij moeten voldoen als mens, partner, leerkracht, ouder enzovoort. Die voorstellingen zijn allemaal opgeslagen in het geweten, dat een samenstel is van allerlei bewuste, half- ­en niet-bewuste geboden en verboden, idealen en voorstellingen welke ooit in ons zijn verankerd. Het gevolg is dat we van onszelf moeten voldoen aan een hele reeks verwachtingen en dat valt niet altijd mee.
In dit verband heeft ‘bui­ten’ alles te maken met ‘zoals het nu eenmaal is…’, met de geworden wereld die in het verleden is ontstaan. Over ‘binnen’ kun je alleen maar spreken in omschrijvende termen als ‘mijn diepste zelf’, ‘ik’, ‘dat wat bij mij hoort’ etcetera. ‘Binnen’ heeft te maken met het lot, met je karma. Het is het antwoord op de vraag ‘Wat is nu zo typisch voor mijn leven, wat herken ik als echt van mijzelf?’
‘Binnen’ uit zich in de plotse­linge opwelling, de gedrevenheid die je, soms tot je eigen verbazing voelt ten aanzien van bepaalde zaken als interes­ses, liefdes of je toekomstverwachting.

Gezondheid

Als het goed is, is de mens in staat om binnen en buiten, oftewel toekomst en verleden tijd, met elkaar in evenwicht te brengen en te houden en daardoor in het hier en nu te leven. Daar hoort een andere gemoedstoestand bij dan bij ver­leden en toekomst. In het heden gaat het erom dat je wakker bent voor wat er op dit moment met je gebeurt. Wat zie, hoor en voel ik nu? Wat zou ik nu willen doen?
Ziek word je daarentegen, wanneer je je geheel laat bepalen door dat wat er van je verwacht wordt. Buiten is dan de belangrijkste auteur van je biografie. Je wordt óók ziek, wanneer je je eigen intenties, dat wat alleen voor jou belang­rijk is, als enige maatstaf neemt voor je activiteiten. Geplaatst in het licht van de tegenstelling ziekte-gezondheid is ziekte dus een onvermogen om binnen en bui­ten met elkaar te verzoenen en gezond­heid het vermogen om in het heden te leven. Het sleutelwoord bij het onderhouden van die gezondheid is ‘aanwezigheid’. Het is niet gemakkelijk om aanwezig te zijn in het heden. Om je als leraar niet te laten afleiden door allerlei eisende en zorgvragende ouders enerzijds en hoge pedagogische idealen anderzijds en om ‘gewoon’ te ervaren wat de kinderen je laten zien. Anders gezegd: om te zien wat er te zien is, in plaats van te kijken om te zien wat je geacht wordt te zien. Alleen aanwezig te zijn en te kijken is echter niet genoeg: het zijn slechts voor­waarden om tot inzichten te komen. Al kijkend en onvoorwaardelijk waar­nemend kan je ‘opeens’ iets invallen, waardoor je als het ware achter de waar­neming kunt kijken. De antroposofie noemt dergelijke invallen imaginaties. Overigens doen imaginaties zich vaker voor dan het lijkt. Ze zijn het resultaat van het onvoorwaardelijke kijken, de innerlijke arbeid die je verzet om niet te zien wat je zou willen zien. Dergelijke invallen heeft iedereen van tijd tot tijd. Het interessante is nu, en ook dat kan iedereen ervaren, dat je van het bewust worden van zo’n imaginatie op een prettige manier opgewonden en enthousiast kunt worden. Het geeft ener­gie, prikkelt je tot het vormen van ideeën. Met die energie ben je werkzaam in je klas; kinderen leven van de imaginaties van hun leerkrachten. Het nastreven van idealen die je van de buitenwereld hebt geleend (en die je je dus nog niet eigen hebt gemaakt) kost echter juist energie. In ideeën die je pet te boven gaan, bijvoorbeeld dat het goed is voor het kind dat het rechtshandig leert schrijven, moet je eerst energie investeren om ze je enigszins eigen te maken. Het is te vergelijken met het leerproces van leerlingen: voor ze som­men met breuken onder de knie hebben, moeten ze eerst flink ploeteren.

Energie

Een behoorlijke huishouding beweegt zich tussen inkomsten en uitgaven. Alleen uitgeven gaat maar een beperkte tijd goed: Op een bepaald moment moe­ten er ook inkomsten tegenover staan, anders ontstaan er grote problemen. Zo is het ook met energie. Er is dus niets op tegen om je als leraar bezig te houden met de vaak moeilijke teksten van Steiner, zolang dat maar in evenwicht gehouden wordt door eigen ervaringen, en door enthousiasme voortgebracht door eigen activiteit. Je kunt met de teksten van Steiner zo omgaan dat ze in je eigen groeiproces fungeren als herkenningspunt. Daardoor kan een bepaalde zinsnede plotseling op zijn plaats vallen. Ineens, eigenlijk ook weer als een imaginatie, doorzie je nog dieper de betekenis van je ervaringen. Ideaalbeeld en werkelijke belevenis sluiten op zo’n moment op elkaar aan.
Hoe kunnen collega’s ervoor zorgen dat er een sfeer van wederzijdse gezond­heidsbevordering ontstaat? Hoe zou je het bovenstaande bijvoorbeeld in de groep van leerkrachten, de collegeverga­dering, kunnen toepassen? Het woord ‘college’ houdt duidelijk iets gemeen­schappelijks in. Dat uit zich ook in het­geen er in de collegevergadering bespro­ken wordt. Ruwweg vallen daarbij twee aandachtsgebieden te onderscheiden: schoolaangelegenheden (‘punten’ en kinderbesprekingen) en bezinning op het ideeëngoed van de vrijeschoolpedagogiek (inhoudelijk deel).
Het eerste gebied komt overeen met dat wat ik eerder als ‘buiten’ typeerde, het tweede met wat ik ‘binnen’ noemde. Wat echter maar heel summier aan de orde komt is dat wat zich tussen binnen en buiten beweegt: het ontwikkelen van bewustzijn ten aanzien van het eigen functioneren, het waarnemen van de andere collega’s én het daarover op een prettige, opbouwende manier communi­ceren. Dat is het gebied waar we elkaar in het sociale leven gezond kunnen maken. Juist dit gebied dreigt echter voortdurend te worden ingepikt door ‘binnen’ en ‘buiten’. Als de lerarenverga­dering werkelijk het hart van de school is dan moet daarin alles wat de leraren ter harte gaat aan de orde kunnen komen.

Vertrouwen

Dat gaat niet echter zomaar. Allereerst moet er vertrouwen zijn. Vertrouwen is de basis voor elke menselijke relatie; door wantrouwen wordt elke relatie tot een uitputtingsslag. Als ik dus zeg dat ik iets moeilijk vind, niet kan of niet wil, dan moet dat niet tegen mij gebruikt worden. Hoogstens kan het dienen om samen met de gesprekspartner te kijken hoe een eventuele oplossing er uit zou kunnen zien.
Een essentiële voorwaarde voor vertrou­wen is het toelaten van de ontdekking dat je iets moeilijk vindt en ook dat je het moeilijk vindt om dat toe te geven. Het vergt nogal wat om voor jezelf toe te geven dat je niet zo geweldig bent als je wel gehoopt had. Gewoon zijn wie en wat je bent en daar bewustzijn over ontwikkelen is moeilijk maar wel een eerste voorwaarde voor innerlijke groei.

Innerlijke groei moet je jezelf gunnen. Innerlijk en uiterlijk moet er ruimte voor gemaakt worden. Een van de grote trucs om niet aan innerlijke groei te hoeven werken is “het te druk hebben”. “Geen tijd om na te denken” maakt weliswaar veel indruk op de buitenwereld, maar leidt wel tot verschraling van de ervaring van de eigen persoonlijk­heid. Innerlijk gecreëerde ruimte kan je gebruiken voor je eigen inner­lijke ontwikke­ling. Daarnaast om iemand anders (partner, collega, leerling) in jezelf toe te laten. Iemand in jezelf toela­ten noemen we interesse. Zonder inte­resse is het niet mogelijk om een helpen­de rol te spelen in de biografie van een ander. Een ander kan alleen ten volle in jezelf aanwezig zijn als hij helemaal zichzelf mag zijn. Dat vergt een grote mate van objectiviteit. Zodra iemand op weg naar ons innerlijk allerlei vooroor­delen ontmoet kan er van een echte interesse geen sprake meer zijn. Het beroep van leerkracht is een zwaar beroep, niet in het minst door de grote maatschappelijke druk (ouders die schei­den, het toenemend geweld) waaronder leerkrachten moeten functioneren. Het werk kan alleen gedaan worden – en dat ook op langere termijn- wanneer leer­krachten zichzelf en elkaar gezond hou­den. Dat gaat niet vanzelf. Er zijn allerlei (intra) persoonlijke weerstanden, of, zoals de antroposofie ze noemt, tegen­krachten. We moeten ons er goed van bewust zijn dat die krachten niet van buitenaf komen, maar in ons ontstaan en aanwezig zijn. De ondermijning van het schoolleven komt van binnenuit en niet van buitenaf.

.

Gezondheid, m.n. die van de leerkracht: alle artikelen

Gezondmakend onderwijs voor de kinderen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

Geen vreugde en snel moe (Rudolf Steiner Citatensite, 7 september 2019)

Zie ook de artikelen over ‘sociaal gedrag‘ bij Sociale driegeleding (onder nr. 5)

.

144-138

.

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Rekenen – 1e klas (7)

.

Martin keller in Erziehungskunst 54e jrg. nr. 11 1990

.

aan rekenen moet je plezier beleven

 

Aanwijzingen voor de klassenleerkracht bij het schriftelijk rekenen in de onderbouw
.

Wie geen bestaande opgaven gebruiken wil, maar er plezier in heeft, zelf sommen te ontwerpen die een mooie, grappige of interessante uitkomst hebben, heeft daarvoor veel tijd nodig.

Om de zaak wat te vereenvoudigen wil ik een paar aanwijzingen geven, hoe je in korte tijd opgaven maken kan, die een ‘mooi’ resultaat opleveren, een rond getal als 100 of 1000 of een regelmatige getallenrij als 111 of 1234 of het jaartal 1990 [het jaar waarin dit artikel werd geschreven].

Optellen en aftrekken

Klas 1 tot 2:
Eerst oefenen we (mondeling en schriftelijk) het splitsen van een som:

som:  20 = 5 + 5 + 5 + 5
6 + 5 + 5 + 4
7 + 6 + 4 + 3       enz

Omdat er veel mogelijkheden zijn, worden de kinderen vindingrijk, voelen zich er vrij bij en kunnen verbazingwekkende regelmatigheden ontdekken!

Dan oefenen we het ‘schriftelijke hoofdrekenen’ en zeggen tegen de kinderen: ‘Begin bij 2 en tel er steeds 3 bij op. Wie geen fouten maakt, komt beslist bij 50!’ En de kinderen schrijven: 2, 5, 8, 11, 14, enz. tot 50
Later net zo bijv. met de 6 vanaf 4 tot 100 of met de 7 vanaf 2 tot 100:   2, 9, 16, 23 enz. tot 100.
Makkelijk vind je een geschikt begingetal zodat de opgave een mooie uitkomst heeft die loont.

Net zo kun je terug laten rekenen tot 1: ‘Begin bij 41 en trek er steeds 4 vanaf tot het niet meer gaat!”: 41, 37, 33, enz. tot 1
Ook door elkaar: ‘Begin bij 5, tel er 11 bij op en haal er 4 af, weer 11 erbij en 4 eraf, net zo lang tot je bij 100 bent!’ Dus: 5, 16, 12, 23, 19, 30 enz. tot 100.

Dit soort opdrachten maakt het voor de snelle rekenaar mogelijk verder dan het gestelde doel te gaan en het is ook geen ramp als de langzame rekenaar onderweg blijft steken.

Klas 2 tot 3
Nu iets moeilijker: de kinderen moeten oefenen er 39 bij op te tellen. Zelf vermenigvuldig je met 10: 390. Tot 1000 ontbreken er 610. Nu zeg je tegen de leerlingen: ‘Begin bij 610 en tel er steeds 39 bij op; wanneer je dit 10x gedaan hebt, moet je bij een mooi getal zijn gekomen. En de kinderen rekenen uit:

610     649     688                           961
+39     +39    +39     tot aan        +39
___     ___   ___                          ___
649    688    727                          1000

Dit principe kun je ook terug toepassen. Opnieuw 10 x 39 = 390 en tel er 1 bij op = 391. Nu luidt de opgave: ‘Trek van 391 zo lang 39 af, dat het niet meer gaat.’ Natuurlijk moet er 1 uitkomen. Je kunt er natuurlijk ook voor zorgen dat bv. het getal 5 overblijft, enz.

391          352          313                         40
-39           -39          -39     tot aan      -39
___       ___          ___                       ___
352          313         274                             1

Heel aardig is het met grotere getallen, wanneer het resultaat bv. 111 of 999 moet zijn of een andere mooie regelmatigheid. Je moet alleen maar het gewenste resultaat, bijv. 111 10 x bij het betreffende getal optellen, dus bv. met 398:  398 x 10 = 3890, dan 111 erbij = 4091

4091          3693                     509
-398            -398                    -398
3693         3295                      111

Wanneer je langere rijen wil samenstellen die als resultaat een mooi rond getal moeten hebben, moet je duo’s van 10-tallen maken:

56        of     26
34                 37
27                 54
63                 43
48                 78
72                 62
300           300

Hetzelfde geldt ook voor 100- en 1000-tallen.

‘Wanneer de leerkracht gelegenheid heeft deze 10-talpakketjes aan kleine, 10-jarige kinderen te laten zien, kan hij een wonder beleven: hoe ineens een zwakke rekenaar die er geen plezier in heeft, enthousiast wordt om ze te pakken te krijgen, hoe hij ze eruit pikt als rozijntjes, kortom hoe een kwelling een plezier wordt…..’, schrijft Karl Menninger in zijn boekje: ‘Rekenkneepjes’,[Duits].

Verder: we maken een berekening waarvan de uitkomst ‘mooi’ is: bv.

5678 – 1234 + 9876 – 5432 = 8888. Nu zeggen we tegen de kinderen: neem eens een getal van 4 cijfers, wat je maar wilt, tel er 5678 bij op, trek van het antwoord 1234 af, tel daarbij weer 9876 op  en trek nu het getal eraf dat jij had gekozen, dan komt er iets merkwaardigs uit.’
Iedereen heeft hetzelfde antwoord, 8888!

als huiswerk: ‘maak 3 tot 5 van deze opgaven met telkens een verschillend door jou gekozen getal!’

Vermenigvuldigen

We nemen 2 of 3 getallen die samen 2000 zijn en het ’t liefst zo, dat er veel verschillende cijfers inzitten, bijv. 438 + 562 = 1000
Dan vermenigvuldigen de kinderen ieder getal met 2, tellen de uitkomsten op en krijgen als resultaat 2000.

Aardig is ook de som van de getallen – het kunnen er willekeurig veel zijn! zo te kiezen, dat ze samen 1111 zijn. Dan komt met het vermenigvuldigen met 2 het getal 2222, met 7  7777 als resultaat.

355   x 2 = 710                                                       355 x 7 = 2485
267   x 2 = 534                                                      267 x 7 = 1869
489    x 2 = 978                                                      489 x 7 = 3423
1111   x 2 = 2222                                                   1111 x 2 = 7777

Een zeer opmerkelijk voorbeeld staat in ‘Das Rechnen mit reinen Zahlen’ (Sauer/Bühler).
Vermenigvuldig de rij van 13 met 7, met 77, met 777 en tel de uitkomsten bij elkaar op.
In de kolommen, maar ook in de uitkomsten vind je wetmatigheden.

              x 7          x 77          x 777         
13        91          1001          10101
26        182       2002         20202
39       273       3003          30303
52       364       4004         40404
65       455       5005           50505
78       546       6006          60606
91        637       7007          70707
104     728       8008         80808
117      819       9009          90909
130    910      10010          101010
715    5005     55055         555555

Veel plezier geven ook de ‘negenspelletjes’: vermenigvuldig simpelweg de hele rij van 1 t/m 9 behalve de 8, met 9!

12 345 679    x 9   = 111 111 111
12 345 679   x 18 = 222 222 222
12 345 679   x 27 = 333 333 333  enz.

of omgekeerd:    111 111 111   : 9 = 12 345 679
222 222 222 : 9 = 12 345 679

of: 987 654 321  x  9  = 8 888 888 889 (de 9 komt achteraan)
987 654 321  x 9   = 17 777 777 778
987 654 321  x 9  =  26 666 666 667

hetzelfde ook omgekeerd (deling)

8 888 888 889 : 9 = 987 654 321

Opmerkelijke uitkomsten staan in ‘Mathematische Kurzweil'( Mittenzwey)

15 873  x   7  =   111 111                            95 679    x   8   =       765 432
823  x 15  =   12 345                              2 057 613 x   6   = 12 345 678
1929   x 64 = 123 456                             1 334 668 x 74  =  98 765 432

Hier horen ook de (bekendste) rekenhulpjes bij voor de rij van 5.
Omdat 5 de helft is van 10, rekenen we bv. 48 x 5  zo uit dat we 5 met 2 doen = 10 en 48 door 2 = 24, dus 240.      49 x 5 net zo, alleen 5 erbij = 245. Net zo met bv. 50 of 500.

15 = 10 + 5, dus rekenen we 48 x 15 zo uit dat we de helft van 48 nemen, 24, en dat bij 48 optellen, 72, en dat 10 x = 720. 49 x is dan 720 + 15 = 735!

25 is een kwart van 100. We rekenen 48 x 25 zo uit dat we een kwart van 48 nemen, 12, en dat x 100 = 1200. 49 x 25 = 1200 + 25 = 1225 en 51 x 25 = 1200 + 75 = 1275. Wanneer je dit onder de knie hebt, kun je ook met 125 vermenigvuldigen: je telt bijv. bij 48 een kwart, 12, op = 60 en dit 100x. Net zo simpel zijn vermenigvuldigingen met 250, 75 enz.

Dat je bij de rij van 11 de som van de beide getallen in het midden zet, is bekend:  25 x 11 [ik weet niet of dit zo bekend is, maar het gaat om 25 = 2 + 5 = 7; je ziet waarop het getal eindigt: 5, je hebt dus al  75 en nu is de vraag of je boven de 300 komt: nee, 10 x 25 = 250, dus 275
Bij bijv. 56 x 11 zijn 5 + 6 = 11, die 11 moet je niet meer optellen als 1 + 1, maar gewoon het laatste cijfer = 1 nemen, dat komt in het midden; het laatste cijfer is een 6; je komt wel boven de 600 uit: 616.

De vaardigheid in het vermenigvuldigen kun je nog opvoeren: je zoekt 2 getallenparen die samen 100 zijn; dus; a + b = 100  en c + d = 100.
Dan is (a + b)  x (c + d ) 100  x 100 = 10 000
(a + b)  x (c +d ) = ac + ad + bc + bd = 10 000
bv. a = 37; b = 63; c = 48; d =52.

Dan:   

37 x 48 = 1776
48 x 63 = 3024
63 x 52 = 3276
52 x 37 = 1924
               10 000

Neem je getallen met 3 cijfers dan komt er 1 000 000 uit!
628 + 372 =         1000
438 + 562 =         1000
372 x 562 =    209 064
562 x 628 =    352 936
628 x 438 =   275 064                                                         
438 x 372 =    162 936
1000 000

Delen

Voor je met de staartdeling begint, moet je het delen terdege oefenen, met opklimmende moeilijkheid: 24:2;  86: 2;  96: 3;  84: 4;  648:2.  Dan 36:2;  54:2; enz. 48:3;  87:3;  132:3  enz.
Deze techniek blijkt waardevol tot wel de rij van 12! Zoek ‘tovergetallen’ die door veel getallen deelbaar zijn, bv. 4 x 7 x 9 = 252 (deelbaar door 2, 3, 4, 6, 7, 9, 12) of 5 x 7 x 8 x 9 x 11 = 27 720, is deelbaar door alle getallen van 2 t/m 12, net zoals het dubbele of het drievoudige ervan.
Mooie getallen krijg je door bv. 2 of 3 te potentiëren: 2 (tot de 12e) x 3 (kwadraat) = 36 864, deelbaar door alle getallen die samengesteld kunnen worden  uit 2 x 2 x 2 x 2 x 2 x 2…………x 3 x 3. (dus: 2, 3, 4, 6, 8, 12, 16, 18, 24, 32 enz.)
Als de staartdeling ingevoerd is, is het voor de zwakke rekenaar goed en tot grote steun, wanneer deze de vermenigvuldiging door deling terug maakt, omdat de uitkomst zichtbaar is en ook de rest weer verschijnt:

 

Het beste is om eerst getallen te nemen met een lage eenheid, bv. 41, 52, 81 enz. Zo gauw de staartdelingtechniek beheerst wordt, is de deling hét oefenterrein voor de 4 hoofdbewerkingen en wanneer je de delers met 2 cijfers kent, kun je snel naar 3 en 4 cijfers, waarbij je ‘tovergetallen’ kan maken: 123 x 234 x 345 = 9929790. dit getal kan door elk van de 3 getallen worden gedeeld en de uitkomst kan ook weer worden gedeeld, bv.

9 929 790 : 123 = 80 730;             80 730 : 234 = 345
9 929 790 : 234 = 42 435             42 435 : 345 = 123   enz.

Het ‘mooie’ resultaat bestaat erin dat de deling uitkomt en dezelfde getallen steeds weer tevoorschijn komen! Een bijzonder iets dat de moeite loont, is de deling van grotere kwadraatgetallen, omdat de uitkomst hetzelfde getal vertoont als de deler!

654 x 654 = 427 716;         427 716 : 654 = 654

Gemengde opdrachten

Om alle 4 de rekenbewerkingen bij elkaar te krijgen, heeft  Georg Hofmann (Erziehungskunst 1965 – 5/136 – op deze blog vertaald) een mooie formule opgesteld die voor hele getallen, breuken en decimaalbreuken en negatieve getallen heel goed werkt: ( a  x a + a) : a -a = 1

Dus bv. 27 x 27 = 729 + 27 = 756; 756 : 27 = 28 – 27 = 1, waarbij de laatste stap bij hele getallen niet zo interessant is; alleen als controle; dat is bij de breuken anders.

Een mooi rekenvoorbeeld deelt Menninger mee (zie terug) : ‘tenslotte willen we nog de ‘Zaunkönig’ vangen, d.w.z. de kleinste rest van een som vinden. (De Zaunkönig is een van de kleinste vogeltjes: het winterkoninkje.

Hoe doen we dit. Alleen – of, nog beter, samen met anderen – nemen we deel aan de jacht: er wordt een reeks getallen opgenoemd en iedereen schrijft ze op:: 17, 38, 4 , 3, 25, 9. Die moeten door de 4 rekenbewerkingen met elkaar worden verbonden en wie daarbij het kleinste hele getal overhoudt, heeft het winterkoninkje gevangen. – De getallen mogen van plaats worden verwisseld; er mogen geen breuken in voorkomen, net zo min als het cijfer 0, behalve op het eind natuurlijk; ook geen negatieve getallen. Ons geluk eens beproeven:

38 + 17 = 55; – 25 = 30; + 9 = 39; : 3 = 13; -4 = 9                     of

38 – 25 = 13; + 17 = 30; – 9 = 21:3 = 7; – 4 = 3
Is 3 het winterkoninkje?

Wordt vervolgd met een bijdrage over de breuken.

[De schrijver van het artikel noemt alleen klas 1/2 en 2/3. Naar mijn ervaring staan hier opgaven in die voor een 3e klas nog te moeilijk zijn; je bent natuurlijk vrij om te kijken wat voor jouw klas geschikt is]

Aan rekenen moet je plezier beleven (2)

1e klas: rekenen: alle artikelen  

1e klas: alle artikelen

Rekenen 4e klas: alle artikelen

Rudolf Steiner over rekenen: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas

.

143-137

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (29)

.
Lena Struik, nadere bron onbekend
.

LENTE: HET VERHAAL VAN TOBIAS EN DE VIS
.

’t Is lente, lente !
Het feestgeschal
Van: lente, lente
Klinkt overal!

Het begin van een oud lied. Een jubelkreet ! Daar buiten gaat het weer groeien en bloeien, geuren en kleuren.
Hoe goed is het om samen met de kinderen het lentefeest te vieren. En ze niet alleen de schoonheid van de natuur te laten beleven, maar ook te wijzen op de geneeskracht, die verborgen is in zovele planten, struiken en bomen.
brandnetel, weegbree, paardenbloem, om maar enkele te noemen. Berkenblad en berkensap kunnen ons weer fris en gezond maken. En dan de kruiden in ons kruidentuintje.
En zoals we in de herfst Michaëlsverhalen vertellen, waarin de moedige Michaël de duistere draak verslaat,  in de winter de vroom­heid en innigheid van de Kerstspelen en kerstverhalen laten beleven, vol vreugde in de zomer om het St.-Jansvuur dansen, zo kunnen we nu in de lentetijd bijv. het prachtige verhaal van Tobias vertellen uit de apocriefe evangeliën. In het kort wil ik het hier weergeven.

ln Nineveh leeft onder de gevangen Israëlieten de oude, vrome Tobias. Hij helpt, verzorgt en troost zijn arme lotgenoten, waar hij maar kan. Maar dan slaat ook bij Tobias het lot hard toe. Zittend voor zijn huis valt er drek van een vogel op zijn ogen en hij wordt blind. Nu zijn ook zijn zorgen groot. Hij roept zijn zoon Tobias en geeft hem de opdracht naar een zekere Gabael te rei­zen, aan wie hij een som geld leende. Maar wie zal de jonge Tobias de weg wijzen? Het is een edele, wijze man, Azarias, die, o wonder, op hem schijnt te wachten en hem begeleiden wil. Zij komen bij de rivier de Tigris en Tobias wil zijn vermoeide voeten wassen. Doch plotseling is daar een grote vis. “O heer, help, hij wil mij verslinden”, roept Tobias vol angst. “Grijp de vis”,  luidt het antwoord; “dood hem en bewaar lever, hart en gal; ze hebben grote geneeskracht en kunnen je vele diensten bewijzen”. Dan komen ze bij Raguel, een oom van Tobias. Azarias vertelt, dat de dochter Sara ’s nachts bezeten is, van een demon. Vele mannen werden reeds door deze duivel gedood, maar als Tobias lever en hart van de vis offert en op God vertrouwt, zal hij Sara kunnen verlossen. En zo geschiedt het ook. Grote vreugde en dank­baarheid!

Tobias mag Sara als bruid naar zijn ouders brengen. Ondertussen heeft Azarias bij Gabael het geld gehaald en de terugreis wordt aanvaard.

Vol verlangen zien Tobias en zijn vrouw Hanna uit naar de terugkeer van hun zoon.
Hoe groot is hun vreugde en verrassing als dan Tobias met Sara eindelijk thuiskomt. En de dankbaarheid kent geen grenzen als Tobias met de gal van de vis de blindheid van zijn vader genezen kan!

Maar wie is die wonderbaarlijke metgezel, die Azarias, die de ge­neeskracht kende van de vis (het symbool van Christus) en de grote helper werd van de jonge Tobias?

Het is de engel Rafaël, ook wel Mercurius genaamd (de mercuriusstaf hebben immers de artsen als symbool!).

Een schilderij van Rembrandt (die vele malen dit verhaal van Tobias uitbeeldde) laat zien, hoe allen vol ontzag zien, hoe Rafael ten hemel stijgt. Ook uit de school van Botticelli is een prachtig schilderij bekend; Tobias begeleid door Rafael, rechts van Rafaél Michaël en links van Tobias Gabriél!
En in een Tobiasspel klinkt het tot slot:

Ik Rafaël
Werd door God gezonden,
Om te genezen alle wonden.
Tobias zag het licht weer schijnen
De boze demon moest verdwijnen.
En zo kon nu de knecht des Heren,
Het grote leed in vreugd’ verkeren.

.

Palmpasen/Pasen: alle artikelen
.

Vrijeschool in beeld: Pasen – jaartafels
.

Jaarfeesten: alle artikelen
.

142-136

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Palmpasen/Pasen – alle artikelen

.
Hoewel het vieren van jaarfeesten een onderdeel is van wat op de vrijeschool gebeurt, geeft Steiner er in zijn pedagogische voordrachten geen aanwijzingen voor. Dat er over de jaarfeesten op deze blog van alles is te vinden, betekent niet dat alle achtergronden die hier worden gegeven voor iedere school in gelijke mate gelden. Bovendien is ‘school’ in dit opzicht te abstract. Het gaat om de mensen die er vorm aan geven. Omdat het bij de achtergronden om  religieuze, spirituele of godsdienstige inhoud gaat, ligt het voor de hand dat iedere individuele leerkracht daarmee een bepaalde verbinding heeft – van een oppervlakkige tot een diepe.
De achtergronden die hier worden gegeven, zijn dus meer bedoeld om de sfeer te schetsen waaruit de concrete vorm van een jaarfeest is voortgekomen.

=

In veel artikelen die over Palmpasen gaan, staat ook iets over Pasen en omgekeerd. Een duidelijke scheiding is niet aan te geven.

PALMPASEN

[1] Palmpasen
Walther van Riet
over: invloed van vroegere tijden; palmpasenstok.

[2] Palmpasen 
Juf Aagjen
over: het ei als symbool; ‘drie ei is een paasei’.

[3] Palmpasen 
Henk Sweers
over: het licht in de lente; de gang door de seizoenen; Paasei; paashaas; levensboom, palmpasenstok; palmprocessie; ‘één ei is geen ei’.

[4] Palmpasen 
verschillende palmpasenstokken.

[5] Palmpasen 
Juultje van der Stok over: de symboliek van de stok; stokken maken, haantjes bakken in het gezin. 

[6] Palmpasen
broodrecepten: paasbrood met saffraan; vooral om met kinderen te maken: hot cross buns; broodhaantjes; paaskoekjes; paaskrans; paasbrood; brooddeeg.

[7] Palmpasen
Walther van Riet over: symboliek van de paasstok.

[8] Palmpasen
Ferdinand van Hemmes over: Palmpasen in de Betuwe, zo’n halve eeuw geleden; palmpaasstok en meiboom; voor-christelijke en christelijke tradities.

[9] Pasen de levensboom
Loïs Eijgenraam over: palmpasenstok en levensboom; boom van leven – boom van kennis; legende(n) om de 3 zaden van de levensboom; zonnekruis; Schotse (boom)spreuk; gedicht van Albert Steffen.

[10] Palmpasen en Pasen
Loïs Eijgenraam
over: palmzondag; Christus als Koning; palmprocessie/palmstok; palmpaasstok; haaktechniek voor netje; eieren verstoppen; verfhaal ‘het haasje in de’maan’.

[11] Palmpasen
Dieuwke Hessels over: Palmpasen, intocht, lente; palmpaasstok; broodhaan; paasei; palmprocessies; paashaas; Stille Week; liedjes; illustraties; handgebarenspelletjes (kleuterklas); ochtendspel (organisatie) in kleuterklas. gedichtjes.

PASEN

[1] Beweging
J.E.Zeylmans van Emmichoven over: de beweegbare paasdatum; lentefeest; palmpasenstok.

[2] De paashaas blijft
Henk Sweers over: de haas als paashaas; symbool; in oude(re) culturen; in de kunst.

[3] Pasen: kosmisch en innerlijkevenwicht
Maarten Udo de Haes
over: de beweeglijkheid van de paasdatum; zon, maan en aarde in evenwicht; de zondag als middelpunt; tweetallen van dagen in tegenstelling.

[4] Het kosmische beeld van Pasen
Rinke Visser
over: wanneer valt Pasen; het kosmische beeld van Pasen; evenwicht vanuit optiek waken-slapen van de aarde.

[5] De paashaas
Henk Sweers
over: omgang met de ander; leven en liefde; geweten; Christus en Pasen; paashaas.

[6] Pasen: het feest van levensvernieuwingen opstanding
Onbekend over Pasen; vernieuwing en opstandig; Christus opgestaan; geest en stof; plant, dier en mens; dood en lente; voorjaarsmoeheid.

[7] Palmpasen en Pasen voor de kleuters
Thea Verbeek en Ilona Botterweg over Palmpasen en Pasen in de peuter- en kleuterklas: lente; palmpoosstol; haas; ei; eieren verven: Roodkapje.

[8] Knutsels
vingerhaaspopje, paashaasje; paashaasje, kuiken, lam van pompoen; paastuintje; paasfiguren van papier-maché; bloempot beschilderen; eierhoepel; nestjes; haas als eierdop;  paaseierdop; paasmobile; ei op stokje; paasboom; lentefee; eierschaal met bloempjes; haasje van aardappel; paasweitje; paashaantje (papier); voor het raam; beweegbare paaskaart; ‘kiek-kiek’ beweegbaar kuikentje; wortel- en lentekinderen haken; bloemenkinderen van vilt; ei met deksel.

[9] Pasen
Robin Jansen over: hoe beleven we nu Pasen; opstanding; Golgotha; Christus; Ik; oordeel; gedicht Nijhoff ‘De soldaat die Jezus kruisigde’.

[10] Waarom valt Pasen nooit op dezelfde dag
Amy de Rhoter over: de beweeglijke paasdatum; mysterie van Golgotha.

[11] Een overweging bij onderstaande legende
Marijke Roetemeijer over: paashaas; Hindoelegende ‘De legende van de drie hazen’

[12] Het haasje in de maan
Legende van het haasje in de maan.

[13] Pasen 
Erica Mathijsen over: hoe zou je in het gezin Pasen kunnen vieren en waarom; voorbereiding; activiteiten;
aangevuld met andere artikelen over hetzelfde onderwerp; Heilige week met gedicht;
samen knutselen; samen bakken;  paasmenu maken.

[14] Pasen en de maan
J.Oele over: Paasdatum, in de bijbel; joods Pasha; kalenderhervorming, kerkelijke kalender; Nicea.

[15] Eieren
Eieren verven, verschillende technieken, natuurlijke kleurstoffen; eiertakken; paaseieren versieren; eieren verven en versieren; paasei met blaadjes; paasei verven; chocolade-ei; wat doen we uiteindelijk met de eieren?

Maarten van Rakt over: feest van de chocola; chocolade-ei; waarom eieren;

Nikole Karrèr over: eieren in het verleden; een Perzische legende over de eieren van Ormoezd en Angromanyu; bijzondere eieren uit Perzië; doosje met ei als cadeau; een ganzenei bewerken.

[16] Dichter bij Pasen
Dichter bij Pasen: hoe denk je erover, wat voel je erbij, wat wil je ermee. Een gesprek tussen ouders.

[17] Het mysterie van Pasen 
Henk Sweers over: eindigheid en oneindigheid; de grenzen van het denken; de eeuwigheid; het voorgeboortelijke; Golgotha; Christus.

[18] Pasen loopt naar de maan 
Paul van Laare over: de kalender in vroegere tijden: Julius Caesar, Gregorius 13; het vaststellen van de paasdatum.

[19] Van lijdenstijd naar Pasen
Marieke Anschütz over: werk als oefenweg; beroep als ‘meditatie’;  Jan Luyken, etsen.

[20] Pasen: liefdevol omvormen van het dode
Annet Schukking over: lijden, dood en leven.

[21] Pasen: feest van de opstanding van Christus en de natuur
Yolanthe van Cornelisse over: Palmpasen en Pasen, in kort bestek passeert veel de revue.

[22] Een feest van evenwicht en beweeglijkheid
Maarten Udo de Haes over: evenwicht en beweeglijkheid; paasdatum; sterven, dood, opstanding, leven; Mercurius als bemiddelaar; Rafael; genezing.

[23] Pasen in de 3e klas
Rimbert Moeskops viert met zijn derde klas het Pesach.

[24] Passietijd en Pasen 
F. de Fremery over: lijden van Christus in het persoonlijk leven; de betekenis van doornenkroon, geseling en opstanding; passietijd en Pasen.

[25] [Oude heidense gebruiken en het christendom 
Gert Stegeman uit: Noord-Europese mysteriën: Heidense gebruiken en het christendom; lentemaand; lentenamen; Ootmarsum.

[26] Lijdenstijd: ken uzelve
Marieke Anschütz
over: Vasten: hoe oefen je mens-zijn; innerlijke ontwikkeling; Elckerlyc; Pieter Breughel de Oude: De strijd tussen carnaval en Vasten; wat was, wat is ascese.

[27] Overwinning van de dood
Jakobus Knijpenga over: (af)sterven, dood, vergankelijkheid; vernieuwing, leven, levenskracht; overwinnen; Christus’ dood; opstanding.

[28] Enkele achtergronden m.b.t. het paasfeest
Hanneke van Vliet over: Palmpasen/Pasen, lente  in de kleuterklas; symboliek stok, ei, haas.

[29] Lente: het verhaal van Tobias en de vis
Lena Struik: het verhaal van Tobias en de vis.

[30] Tussen Pasen en Pinksteren 
Paul Veltman over: Jeruzalem, Johannes, symboliek haas; opstanding niet makkelijk te begrijpen.

[31] Pasen
Annemieke Zwart
over: Palmpasen; lente; opstanding; symboliek; Christus.

[32] Op zoek naar de ware koning
Marieke Anschütz over: het wezen ‘koning’; Palmpasen; lijdenstijd t.o. advent; veroordeling Christus; Judas. 

[33] Hoe wordt de paasdatum berekend
J.E.Zeylmans van Emmichoven over: vier manieren om de datum te berekenen: stoffelijk; wanneer is het Pasen; eenmaal per jaar: jaarritme;  biologisch, het maan(d)ritme, ritme van het etherlijf; week als ritme van de psyche; het Ik heeft een dagritme. 

[34] Kiezen voor ritme of dood
J.Knijpenga
over: pogingen in het verleden om de paasdatum vast te leggen (1954, 1963, 1977); maanfeest, Jahweh; Pasen in het teken van de zon; ritme.

[35] Astronomen twisten over de datum van de kruisiging
Govert Schilling over: wanneer is het Pasen; wanneer de 1e Goede Vrijdag?; berekening van Bradley Schaefer; 3 april 33?.

[36] Pasen en de geur van mirre
Bob Smalhout over: Judas, Martha en Maria, de nardusolie, veroordeling van Jezus; hoe er gekruisigd werd;

[37] Interview
Charles Vergeer over: Jezus; wat gebeurde er rond Goede Vrijdag; wat schreven Marcus en Lucas; 

[38] De twee bomen in het Paradijs
Jan Förder over: het van buitenaf beschouwen van de wereld; Hebreeuwse getalswaarde van letters in woorden; doodskant van de kennis; Christus en de ‘de boom des levens’; getal 4.

[39] Oude paasgebruiken
Hans Harress over: paasvuur; verbranding; paaswiel; zon als oorsprong; Christus als zonneheld.

[40] Hoe kunnen we met kinderen Pasen vieren
Jörgen Smit over: Pasen in het verre verleden in oude culturen; paashaas; eieren; het joodse paasfeest en het christelijke; hoe en wanneer vier je Pasen met kinderen.

[41] De paaseieren
Een verhaal van Elisabeth Klein over het ontstaan van de paaseieren, voor kinderen rond het 6e jaar.
Verteltijd ca. 8 min.

[42] Pasen – een feest van leven en vruchtbaarheid
Karl-Heinz Wiedner over: oude paasgebruiken, paasvuur, paaswiel, vele manieren om eieren te versieren.

[43] Wij vieren Pasen
Hans Harrass over: Pasen in het verre verleden in oude culturen; hoe en wanneer vier je Pasen met kinderen; welke sprookjes; eieren versieren.

[44] Het zonnekoren – een paasverhaal
Jörg Undeutsch
over: het gras dat dichter bij de zon wilde komen, een zonnedruppel ontvangt en koren wordt. Verteltijd ca. 5 min.

[45] Pasen
ineke Croese over: lente: nieuw leven, Pasen: nieuw leven; ei en haas; lente en winter; overwinning van de dood; ziel en dood, schimmenrijk; Christus overwinning dood; paasdatum; opstaan uit verdriet, verlies, rouw, traumatische ervaringen is je eigen opstanding.

[46] Pasen in de kleuterklas   (Pasen 46)
Dieuwke Hessels over: Pasen; paashaas; gedichtje, liedjes; handgebarenspel; boeken; kringspel; verhalen; transparanten; ei.

De kikker en de held Johannes
Else Tideman over: Russisch sprookje met paasmotief; Wassilissa, de Alwijze.

voor meer ideeën en achtergronden: Tinekes Doehoek

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Palmpasen (met o.a. voorbeelden van broodhaantjes en palmpasenstok;  bij Pasen: jaartafels
.

141-135

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rekenen – 2e klas (5-1)

.
Pieter HA Witvliet
.

TAFELSTERREN IN KLAS 2
.

Wanneer de kinderen in klas 1 goed hebben leren tellen, komt ook het ogenblik dat ze de tafels van vermenigvuldiging gaan leren.

Dat hoeft niet per se in klas 1 al te zijn, dat kan ook aan het begin van klas 2.

Het principe van het vermenigvuldigen kan, als herhaalde optelling, aan de kinderen duidelijk worden gemaakt door te tekenen, te schrijven wat ze gehoord hebben in een verhaal.

Daarvoor kun je zelf een verhaal maken of situaties bedenken.

Ik herinner mij nog een verhaal waarin de bewoners van een land dat bedreigd werd door een draak elke dag 2 schapen moesten offeren om aan de vraatzucht van het monster te voldoen; anders zou hij met zijn vurige vlammenbek overal brand stichten. (Hij wordt later verslagen, natuurlijk)

De (arme) schaapjes worden, steeds 2 bij elkaar, getekend, tot er een reeks verschijnt. Die kun je in het begin net zo lang maken als de kinderen het kunnen, of een enkeling, waarbij je toch langzaam maar zeker, in de dagen die daarop volgen, naar tot 20 streeft.

Ik ben altijd voorstander geweest van het aanleren van een tafel tot 10; niet tot 12.

12 is een prachtig getal, maar we hebben nu eenmaal een 10-tallig stelsel en in hogere klassen blijken de 10 en de veelvouden ervan, een prominente rol te vervullen in het doorgronden van de getallenstructuur.

Er is niets op tegen om de tafel nog verder te doen dan tot 10, maar waarom dan niet tot 13, 14, enz. M.a.w. ik maak de 10 liever de belangrijkste, dan de 12.

Het (bijna letterlijk) onder de knie krijgen van de getallenrij 2-4-6 enz. wordt ondersteund door de rij op alle mogelijke manieren ook te bewegen.

Bijv. Lopen: rechtervoet vooruit, zeg tegelijkertijd (zacht) 1; trek linkervoet bij, zeg hard 2 enz.

Op den duur ook achteruit! Er kan tegelijkertijd zacht en hard worden geklapt.

Je kunt op veel varianten komen.

Uiteindelijk kent de klas de rij van 2 van voor naar achter, van achter naar voor. Individueel controleren: er dreigt ‘gevaar’.

Het is ook goed om de kinderen met voorwerpjes met 2 tegelijk te laten tellen; het blijkt toch altijd weer even ‘lastig’ te zijn om er 2 tegelijk te pakken en ‘2’ te zeggen; er weer 2 tegelijk bij te voegen en ‘4’ te zeggen enz. En natuurlijk met 20 op een hoopje, 2 tegelijk eraf: ‘18’ enz.

Voor de tafel: 1 x 2 = 2 enz. uiteindelijk systematisch aangeleerd gaat worden: veel opzeggen – klassikaal –individueel (controle!) – kun je het principe ‘van ’t geheel naar de delen’ wel toepassen:

2 schapen  1 dag
4 schapen 2 dagen
6 schapen 3 dagen

waaruit dan de opzegrij 2 = 1 x 2;   4 = 2 x 2    enz. kan ontstaan.

Wanneer Rudolf Steiner op het belang wijst om voor de fantasie, dat is waarmee de mens o.a. ‘schepper’ is, waarmee hij (onbewust) beleeft dat hij ‘vrij’ is, vanuit het geheel naar de delen te gaan, moge het duidelijk zijn dat dit voor het optellen veel meer geldt, dan voor deze manier van vermenigvuldigen –al raadt hij het voor het vermenigvuldigen wel aan (GA 301, 10e vd).

10 = 1 + 3 + 2 + 4 heeft nog vele mogelijkheden; 10 = 5 x 2 eigenlijk niet.
(Maar het zou wel appelleren aan de aangeboren behoefte tot analyseren – zie genoemde voordracht)

Later, wanneer de kinderen meer tafels kennen, kan er weer veel meer, vooral bij de ‘rijke’ getallen: 36 = 4 x 9; 6 x 6 enz.

Een prachtig hulpmiddel voor de tafelrijgetallen zijn de vormen die ontstaan wanneer we deze in een cirkel ( 10-tallig !!) tekenen.

Vóór dat je dit met een klas doet, is het ook ‘in het groot’ te doen, met de kinderen in een cirkel staande.

Er staan 10 kinderen, ieder met een kaart in de hand waarop 1 cijfer staat: 1, volgende 2, volgende 3 enz.
Een kind met de 1 staat ergens op de cirkelboog; het kind met de 2 er een beetje verder vandaan; de verdeling wordt zo: zie tekening verderop.

Het verrassende is dat alle kinderen 2 kaarten krijgen: de 2 ook de 12. Enz.
(later hoeft dat niet meer; de kinderen gaan zien, dat de 2 eigenlijk ook de 12, de 22 is. De eenheid blijft dezelfde; er komt een tiental! bij.)

Die kaarten kunnen ze bijv. voor hun buik houden, zichtbaar. Een kind gaat dan vanaf 10, dat is ook de 0! de weg lopen: van 0 naar 2, naar 4 enz. (De rode lijn in de tekening)

Later wordt deze weg ingetekend in de cirkel van papier.

De weg kan ook zichtbaar worden gemaakt door bijv. het lopende kind een bol sterke wol te geven. De ‘kaartenkinderen’ moeten de draad stevig vasthouden.

Dit moet je dus pas in het stadium doen dat er geen kaarten meer nodig zijn.

Door de draad wordt een mooie ster zichtbaar.

Wanneer je geen kaarten meer gebruikt, moeten de kinderen die ze anders vast zouden houden, wel weten welke getallen ze zijn. Het lopende kind komt voor het ‘kaartenkind zonder kaart’ te staan en zegt het getal waarvan hij denkt dat het goed is; bijv. 8. Het kind dat verondersteld wordt de 8 te hebben, zegt ‘goed’ of ‘dat moet beter’, wanneer het loopkind het fout heeft. Deze moet dan terug naar de plaats waar het voor het laatst ‘goed’ hoorde.

Dat is bij de tafel van 2 relatief eenvoudig; bij die van 3 bijv. veel ingewikkelder.

Je kunt hier ook nog met de temperamenten werken: voor een flegmatisch kind is het wekkend om een geheel: de cirkel, zo te verdelen als het moet; de cholericus kan de omgekeerde weg gaan die de flegmaticus heeft afgelegd. Een sanguinicus moet zich erg concentreren, vooral wanneer hij met een draad loopt (het vasthouden alleen al!)

En misschien moet het melancholische kind gewoon op zijn plaats blijven staan en al waarnemend aangeven waar het naar toe zou gaan (als het liep).

Zie de artikelen over rekenen en temperamenten.

De ouders maakten voor hun kind een tafelcirkel van hout.(doorsnee ca 15 cm). Daarmee konden de kinderen met een draadje om de spijkertjes gewikkeld die op de getallen getimmerd waren, hun eigen tafelster maken. En daarmee de getallen van de tafelrij (beter) inprenten.
Je kunt ze ook zo maken dat er geen cijfers meer op staan, dan moet het kind ze dus zeggen.

Bij de vele ontdekkingen die gedaan kunnen worden, hoort vooral dat de tafelgang van 2, ook die van 8 blijkt te zijn, maar dan de omgekeerde weg. Al gauw wordt gezien dat 3,  7 naast zich heeft. Ach ja, ze zijn samen 10 (!).

Dan is het wel duidelijk waarom 5 maar saai is. De 1 doet het rustig aan; maar 9 ook!

Het is voor het schoonheidsbeleven wel belangrijk dat je als leerkracht de papieren cirkels zelf maakt met een mooie verdeling voor de getallen.

Uiteraard mogen de kinderen ook zelf proberen of ze dit ‘uit de hand’ kunnen.

Later gaf ik wel eens grote vellen, waarop dan de ‘looplijnen’ langs de bordliniaal  konden worden getrokken. Naar hartenlust konden de kinderen de cirkels met de ontstane vormen inkleuren.

Dit laatste heeft natuurlijk niets meer met rekenen te maken. Maar wel met het gevoel dat in het rekenen veel schoonheid verborgen zit.

Bij het streven de kinderen de tafelrijgetallenreeksen aan te leren, vond ik dit een waardevolle methode.

rekenen 3

Hier staan de tafel van 2 (rood), 3 (groen) en 5 (oranje) in één tekening.
Vanzelfsprekend begin je met de tafels apart. Dat is heel bijzonder en laat duidelijk zien dat de getallen kwalitatief van elkaar verschillen: 2 vertoont als ster een heel ander beeld dan 3.
Later kunnen ze wel gecombineerd worden. Voor sommige kinderen een uitdaging om ze allemaal (=1 t/m 5) heel precies in 1 cirkel te krijgen.

Een video: hoe maak je een ster

 

rekenen-3-1

.

 

2e klas rekenen: alle artikelen

2e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 2e klas 

.

140-135.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (28)

.
Hanneke, maart 1998, vrijeschool Zevenster, Uden
 

ENKELE ACHTERGRONDEN M.B.T. HET PAASFEEST
.

In de kleuterklas vieren we Pasen als een lentefeest.
Het feest van de uitlopende natuur.
In ons ochtendspel zingen en spelen we het verhaal van de wortelkindertjes. Zij ontwaken uit hun winterslaap. Moeder aarde zorgt dat ze ijverig hun nieuwe bloemenjurkjes gaan naaien. O, wat zijn ze mooi als ze klaar zijn om in optocht naar boven te vertrekken. Als de lentefee op haar gouden slee met rinkelende belletjes de lente inluidt, komen alle bloemenkindertjes uit de grond naar boven. In de gebaren van het ontwaken wordt de nieuwe geboorte zo ervaren.
Ook het van donker naar licht gaan, wordt ervaren in dit spel. Het ontwaken van de natuur geeft ook de beelden van opstanding en overwinning uit de dood.
De symbolen van de paastijd geven het weergekeerde leven weer.
De palmpaasstok is eigenlijk een persoonlijke levensboom. De haan, bovenop, is de figuur die de dag aankondigt en met Palmpasen de nieuwe dageraad in een mensenleven.
Het groene takje, van de buxus is het symbool van het eeuwige leven. Ook horen er eieren aan de paasstok.
Al het leven komt uit een ei.

Het paasei is een schijnbaar dood ding, dat leven in zich heeft. Ook een beeld voor het wonder van de opstanding.
De krachten van de zon (gele dooier) en de maan (eiwit) zijn in het ei terug te vinden.
Door de Grieken, Germanen en Russen werden de eieren op graven gelegd als symbool voor onsterfelijkheid.
Dit gebeurt nog steeds in delen van Kroatië. Dit rouw-ei is zwart.
Het nieuwe leven kunnen we in het verborgene vinden.
Vandaar dat de eieren worden verstopt.

Een ander eeuwenoud symbool is dat van de paashaas.

In oude tijden vóór Christus was de haas toegewijd aan de godinnen van de vruchtbaarheid (Artemis in Griekenland, Oeroet in Egypte, Ostara in het Noorden), het Duitse Ostern verwijst nog naar Ostara.
In de tijd na Christus is de haas het symbool geworden van het ‘Ik’ in het fysieke lichaam.
Het ‘Ik’ is onzelfzuchtig, schaadt niemand en komt de ander te hulp.
De haas heeft geen eigen huis, het terrein is zijn woning.
Hij doet geen dier kwaad, is zachtmoedig, maar heeft vele vijanden. Daarom is een snelle vruchtbare voortplanting nodig. Een haas die door een vijand wordt nagejaagd in de achtervolging, wordt vervangen door een soortgenoot. Zo is hij zijn ‘broeders hoeder’.*
Zo kan een klein ikje uitgroeien tot Ik. De wereld als ons huis en alle mensen als onze broeders.
Aan kleuters leggen we al deze zaken niet uit. Maar op een diep niveau beleven zij het wonder van de opstanding van de natuur en mens in de kringloop van het jaar door onze feesten, als vanzelfsprekend mee.

*Dit wordt in veel artikelen op deze blog beweerd, maar een bewijs daarvoor heb ik tot nog toe niet gevonden.

.

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Peuters en kleuters: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: peuters en kleuters

.

139-134

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (27)

.
Jacobus Knijpenga, ‘Jonas’16, 6 april 1979
.
 

OVERWINNING VAN DE DOOD
.

Bij de geboorte worden ons meteen de doodskrachten mee gegeven, met andere woorden het sterven is alleen bij het einde van het leven definitief maar het begint me­teen. Het weer uiteenvallen van de vorm, af­sterven van levende cellen, is een proces dat ons hele leven begeleidt. Uitvallende haren reeds bij de baby, tanden die verloren gaan en dan nog één keer vervangen worden, zijn enkele van de symptomen. Maar in het begin van het leven, tot ongeveer 35 jaar toe, mer­ken we van dit sterven niet al te veel omdat er telkens een levenshernieuwing plaats vindt.
Zo omstreeks 40 jaar begint het ernst te worden. Men merkt dan vaak dat de jeugdkrachten op zijn en wie eenmaal de grens van de 60 of 70 levensjaren overschre­den heeft, merkt hoeveel moeilijker ver­moeidheid zich herstelt, hoeveel makkelijker men een been breekt, hoe vatbaar men is voor allerlei kwalen. Toch vindt er nog steeds levenshernieuwing plaats. Het is het­zelfde proces als dat wat we in de natuur waarnemen in het voorjaar. De levensher­nieuwing treedt vaak zelfs tevoorschijn aan de stronken van gevelde bomen. Sommige soorten, zoals de vlier bijvoorbeeld, lijken vrijwel onverwoestbaar. Toch komt er eens een einde aan deze voorjaarsvreugde. Bij de mens is dat duidelijk. Velen worden tegenwoordig 80, maar 90 is al zeldzaam en de 100 levensjaren worden maar door heel en­kelen bereikt.
In de natuur lijkt het anders te zijn, namelijk alsof de cellen zich door deling steeds weer verjongen, maar eens houdt ook dit proces op en treedt geen verdere groei maar teruggang op. Maar hoe dit ook mag zijn, aan alle biologische leven komt een ein­de door de dood.

Er gebeurt echter meer dan levenshernieu­wing, wanneer de mens een ziekte of ander lijden of ouderdomskwalen overwint. We kunnen bijvoorbeeld denken aan mensen, die de Duitse of Japanse concentratiekampen hebben doorgemaakt en er doorheen geko­men zijn. Een mens van Joodse afstamming verliest zijn vrouw en kinderen in de gaska­mer. Hijzelf is zo zwak dat men denkt dat hij vanzelf wel doodgaat. Maar hij haalt het tijd­stip van de bevrijding. Tot een volledige overwinning van het geleden leed komt hij niet. Hij kan ook in zijn verdere leven geen positieve verhouding tot het christendom vinden. Maar in het doormaken van zijn leed maakt hij een stuk mensheidslot door. En daaraan ontwikkelt hij zijn Ik, waardoor de dood hem niet meer raken kan. Wat daar ontwikkeld is, is in de eerste plaats een zielenkwaliteit, mede nog weer door latere smart en teleurstelling geadeld. Maar de ziel van de mens werkt op het lichaam. Ons stoffelijk lichaam is te hard om nog omge­werkt te worden, maar na de dood kan dan op het gelaat iets zichtbaar worden van het verworvene. Is dit een aanduiding van wat als een onstoffelijk ‘lichaam’ is ingebouwd in het stoffelijke?

Een ander voorbeeld, ook uit een concentratiekamp: een gevangene, die evenveel honger heeft als de anderen en geen enkel voorrecht, maar innerlijk minder eronder lijdt, vindt telkens nog de kracht zijn medegevangenen, ten dele zijn vrienden, te troosten. Hij over­leeft, in tegenstelling tot velen aan wie hij nog trachtte moed voor de toekomst te ge­ven. De meeste moed gaf hij door zijn han­delwijze zichzelf. Hij overwint na het kamp op middelbare leeftijd zijn zwakte en heeft in een redelijk goede gezondheid nog heel veel mensen kunnen helpen en bijstaan. De indruk, die van hem uitging, was die van een door en door sterke morele persoonlijkheid. Ook hier vond meer plaats dan biologische levenshernieuwing.

Een oudere man, boven de 70, is zwaar ziek aan kanker. Een bezoeker, die in het zieken­huis bij hem komt, wordt meteen ontvangen met een fundamenteel geestelijk gesprek over iets dat de zieke zo juist gelezen heeft. Het is voor de bezoeker moeilijk zich te rea­liseren dat hij bij een patiënt zit in zijn laat­ste stadium terwijl de patiënt zich dat zelf heel goed bewust is. Hier volgde spoedig de fysieke dood.

Is dit alles alleen verworven zielenkracht? Normalerwijze werkt ons zielenleven op ons lichaam. Een mens, die gewend is in gedach­ten te leven of een kunstenaar, die streeft naar uitdrukking van wat hij beleeft in de stof, in het woord, in muziek, ziet er anders uit dan iemand die gewend is zich aan zijn begeerten over te geven of iedere zondag bij een voetbalwedstrijd te zitten of aan het kijkkastje gebonden is. Stoffelijk zal men in de verschillende lichamen niet veel verschil­len aantreffen, in de vorm soms wel, vooral ook in het gelaat en de handen, maar vaak ook niet. En toch is er iets anders, ook in het eigen lichaamsbewustzijn van de betrokke­nen.

Hoe kunnen we ons hier een weg openen, die tot min of meer begrijpen leidt? Dit is moge­lijk als we ons verdiepen in de betekenis van het paasfeest. Ook het paasfeest is aange­knoopt aan de levenshernieuwing van de na­tuur, zowel historisch gezien als voor het ge­voel van de meeste mensen. Maar ook hier is meer. Ook hier gaat het lijden aan de le­venshernieuwing vooraf. Maar ook de dood gaat eraan vooraf. In het leven van de Christus Jezus werkt een goddelijke geest in een zorgvuldig voorbereid lichaam. Er vol­trekt zich in dit lichaam een proces waar­door het na drie jaren (eerst met de doop in de Jordaan werkt de Christus in het lichaam van Jezus, die dan 30 jaar oud is) zo zwak geworden is, dat aan het kruis reeds na drie uren de dood intreedt (normaal duurde dit vaak een volle dag; de beide medegekruisig­den zijn dan tegen de avond ook nog niet ge­storven, waarom hun beenderen gebroken worden).
Op de zondagmorgen vinden de leerlingen het graf leeg. In de loop van de dag en de volgende weken verschijnt de Christus hun in een nieuw lichaam. Ze her­kennen hem eerst niet; hij komt binnen on­danks gesloten deuren; hij is er plotseling en is even plotseling weer verdwenen. Eenmaal wordt verteld dat hij at, de overige keren is hij alleen bij de maaltijd aanwezig of nodigt hij de anderen tot het maal uit. Dit eten vormt een bijzonder probleem, dat hier te ver zou voeren, maar het kan niet gebruikt worden als bewijs dat Jezus na de opstan­ding een stoffelijk lichaam had. Daarvoor staat er teveel tegenover wat alleen met een onstoffelijk lichaam mogelijk is. Hoe is dit onstoffelijke lichaam?
Rembrandt heeft iets daarvan beleefd toen hij enige keren trachtte de maaltijd in Emmaüs weer te geven en tenslotte het lichaam van Jezus alleen als een lichtglans weergaf.
Rudolf Steiner spreekt over een licht-lichaam en er is niets in de evangeliën dat dat weerspreekt, integendeel. Paulus nam het als zodanig waar en Paulus wordt dan de denker, die tracht te begrijpen wat dit voor de mensen kan bete­kenen, die zich met Christus verbinden. Hij vindt dan de woorden dat er een sterfelijk lichaam gezaaid wordt en een onsterfelijk lichaam wordt opgewekt. Onsterfelijk is een lichaam alleen als het niet stoffelijk is. Maar het moet dan wel door de dood heen. Behoort het niet tot het bereik van het denk­bare dat door de Christuskracht in ons een onsterfelijk, onzichtbaar lichaam groeit in het sterfelijke? Christuskracht is de kracht die door leed te ondergaan en daarin staande te blijven de dood overwint. Zo gezien blijft Pasen het feest van de levens­hernieuwing, ook in tijdelijke zin, maar het krijgt er een dimensie bij, die ook voor alle mensen geldt.
Opstandingskrachten, die het lichaam vergeestelijken, werkten het eerst in Jezus maar werken verder voor alle men­sen die dit in zich beleven als een definitieve levenshernieuwing.
.
Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Pasen – jaartafels
.

138-133

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (26)

.
Marieke Anschütz,  ‘Jonas’  14, 9 maart 1979
.

LIJDENSTIJD: KEN UZELVE
.

Vlak voor de ‘helse’ dagen van carnaval zette de dooi in. Sneeuw en ijskorsten op wegen en in tuinen smolten ziender­ogen weg. Hoog boven de bomen vlo­gen troepen wilde ganzen, luid gakkend, in noordelijke richting. Het werd ze hier te warm! De nevelige grijze lucht begon te breken, de zon kwam tevoorschijn en na die vele grauwwitte weken zagen we weer een stralende blauwe hemel. Je hoorde de vinken slaan en de merels fluiten, en de toverhazelaar bloeide.

Zo’n echte winter als nu achter ons ligt, zijn we helemaal niet gewend in het overbeschaafde Nederland met zijn kwakkelwinters. Niets ging ‘vanzelf’, niets verliep ‘normaal’, het kostte extra inspanning om ergens te komen omdat de uiterlijke verbindingen zo slecht wa­ren. Daardoor werden we steeds weer voor de keuze gesteld: wat is echt nodig en wat niet zo direct dat ik het de moeite waard vind om erop uit te gaan met alle risico’s vandien? Waarmee heb ik zo’n innerlijke verbinding, dat het de slechte uiterlijke verbinding overwint? We moesten ons een zekere bezonnenheid eigen maken, een steeds opnieuw bezinnen op onszelf en onze gewoon­ten.

Daarnaast hadden we nog een andere ervaring. Door kou, nattigheid, glad­heid, hagel in je gezicht of zwaar stap­pen door de sneeuw werd je sneller ver­moeid. Je gedachten vlogen als vogels naar het doel, waren er al drie keer ge­weest voordat je ‘onwillige lijf’ er einde­lijk was.

In vroeger tijden noemden de monni­ken hun lichaam een ‘onwillige ezel’. En deze ‘ezel’ werd op allerlei manieren gedwongen zich in dienst te stellen van het streven van de ‘eigenaar’: de wederverbinding van de ziel met het hogere ‘Zelf’, dat deel was van de goddelijke wereld. Wie streeft naar het hogere, wordt nadrukkelijk geconfronteerd met ‘broeder ezel’, die bij de aarde hoort.

In een tijd dat we, zeker na een ‘echte’ winter, verlangend uitzien naar de eerste tekenen van de lente, van nieuwe groei, van nieuw leven in de natuur ­juist in deze tijd worden we wat onszelf betreft, streng en onbarmhartig gewe­zen op de vergankelijkheid van alle le­ven op aarde.
In de derde carnavalsnacht, klokslag 12 uur gaan de maskers af. Iedereen wordt weer ‘zichzelf’. De vastentijd is aangebroken.

Er bestaat een schilderij van Pieter Breughel de Oude, dat de kunsthistori­ci aanduiden met: ‘De strijd tussen car­naval en vasten.’ Het is geschilderd in 1559 en hangt in Wenen. Als we ervoor staan, zien we links een groep wonder­lijk uitgedoste en gemaskerde figuren aankomen: de carnavalsgasten. Voorop gaat Prins Carnaval, een kerel met een geweldige buik. Hij zit op een grote ton die weer vastligt op een blauwe slee. Die slee heeft dezelfde vorm als ‘de blauwe schuit’ op het uithangbord van de herberg linksachter. Aan touwen wordt de slee met zijn berijder voortge­trokken. Van rechts nadert de stoet van de vasten, in beeld gebracht door een broodmagere figuur op een kerkstoel. Die stoel staat op een rood ‘platform’ op wielen. Het geheel wordt getrokken door een monnik en een non. Deze ‘vastengroep’ komt uit de kerk rechtsach­ter. Langs de weg die de stoet gaat, staan afschuwelijk verminkte bedelaars opgesteld die de aalmoezen van de welgestelden in ontvangst nemen. De linkergroep geeft zich volledig over aan de aardse genoegens; de rechterstoet ont­trekt zich te zeer aan wat de aarde schenkt.
Prins Carnaval is te dik, de ma­gere Vasten is dor en lelijk. Geen van beiden trekt ons aan. Precies middenvoor kruisen de ‘voor­trekkers’ van beide groepen elkaar. Vlak achter die ‘kruising’, in het hart van het schilderij, staat een put waar­naast een vrouw bezig is vissen schoon te maken voor de verkoop. Bij de put staat een andere vrouw met de putem­mer in haar handen. Ze heeft blijkbaar het water opgehaald vanuit de donkere diepte. Ze buigt zich voorover en spie­gelt haar gezicht in het heldere bron­water.

pieterr-brueghel-de-strijd

Wat zich afspeelt op de voorgrond, lijkt het hoofdmotief van het schilderij te zijn. Het is of Breughel ons twee dingen wil zeggen. Het ene is: houd maat in alle dingen, zoek het juiste midden tus­sen carnaval en vasten. Het andere is: ken u zelve. Je kunt je dorst lessen met het bronwater, maar de weerkaatsing van je spiegelbeeld kan onthullend zijn.

Met Aswoensdag begint dus de vasten­tijd. Deze duurt veertig dagen volgens de traditie van de rooms-katholieke kerk. Veertig jaren zwierf het volk Israels door de woestijn, voordat het ‘volwassen’ was en het beloofde land mocht binnentrekken. In de lijdenstijd zou je die veertig dagen kunnen bele­ven als een periode waarin je het menszijn en de menswording in zijn essentie moet leren doorgronden.

In de Christengemeenschap kent men vier lijdensweken voordat de paaszon­dag aanbreekt. Deze vier ‘zwarte’ we­ken doen denken aan de vier ‘blauwe’ adventszondagen, die vooraf gaan aan het geboortefeest van het kind Jezus: beide zijn een periode van voorberei­ding, echter totaal verschillend van ka­rakter. Op de eerste adventszondag steken we één kaars aan, en met die ene kaarsvlam vieren we een pril begin dat in de weken daarna steeds meer groeit en voller wordt, en ten slotte ge­heel ‘gevuld’ wordt, in ver-vulling gaat.

In de lijdenstijd ligt dat anders, dacht ik. Er vindt geen ver-vulling plaats, maar een ont-hulling. Het begint met het afleggen van de carnavalskledij. En in het zicht van het kruis volgt de ene ‘ont-hulling’ na de andere. Zoals in het middeleeuwse spel van ‘Den Spieghel der Salicheit van Elckerlijc’ alles afgelegd moet worden als God roept. In dit spel van ‘Elckerlijc’ wor­den alle eigenschappen van de mens en ook alles wat uiterlijk bij hem hoort, voorgesteld als levende wezens die spreken en handelen als mensen. Zo verlaten hem Schoonheid, Kracht, Vroedschap en de Vijf zinnen in het zicht van de dood. Het eerst zijn heen gegaan ’t Goed (het aardse bezit) en Gezelschap (familie en vrienden). De enigen die Elckerlijc vergezellen tot het einde zijn Kennisse en Deugd. En van deze twee is het tenslotte alleen Deugd die met Elckerlijc door de don­kere poort gaat. Streng wordt de Dood genoemd, want verbloemen, wegmoffelen, je anders voordoen dan je bent, is niet mogelijk. Je zou kun­nen zeggen: nu wordt pas duidelijk wie je eigenlijk bent. Elckerlijc ontdekt dat zijn Deugd zwak en ongezond is. Hoe kan zij wor­den genezen? In het spel loopt het dan zo, dat Elckerlijc te elfder ure zijn dwalingen inziet. Hij komt bij vrouw Biechte en hij krijgt, zoals te doen ge­bruikelijk, een ‘penitentie’, een boete­doening opgedragen. Hij ontvangt een geselkoord en daarmee moet hij zijn lichaam slaan. Het helpt, want Deugd fleurt helemaal op en is nu krachtig genoeg om voor de rechterstoel van God een ‘goed woordje’ voor hem te doen.

In de middeleeuwen, en nog lange tijd daarna, behoorde het geselkoord tot de uitrusting van iedere kloosterling. De innerlijke oefening ging gepaard met uiterlijke lichamelijke afstraffing, zoals zelfkastijding en vasten. In de tijd waarin we nu leven, zouden we deze extreme vorm van zelfontwik­keling niet meer aanvaarden. Maar als we deze ‘ascese’ niet meer willen, wat dan? Misschien is het mogelijk de oude vormen van zelfkastijding en vas­ten anders te hanteren of op een be­paalde manier te ‘vertalen’, zodat we de oorspronkelijke bedoeling ervan herkennen.

Het begint al met het woord ‘ascese’, dat in de loop der tijden de betekenis kreeg van ‘onthouding’. Oorspronke­lijk betekent dit Griekse woord echter ‘oefening’. En wellicht blijkt dat de opgave te zijn in de lijdenstijd: de ‘as­cese’ een nieuwe inhoud te geven als we uitgaan van de grondbetekenis van het vasten en de zelfkastijding. Daar­voor moeten we echter eerst wat beter leren kijken, naar de wereld om ons heen, naar onze medemensen en ten ­slotte naar onszelf.

Er staan twee schoteltjes met water in de vensterbank. Op ieder bordje ligt een oranje schijf in het nat, de afge­sneden bovenkant van een winterwor­tel. Iedere morgen komt een kleine jongen kijken of het water bijgevuld moet worden en of de geelgroene bob­beltjes op de schijven al wat groter zijn geworden. En waarachtig, op een goede dag hebben zich heel kleine geveerde blaadjes uit de knobbels om­hoog gevouwen. In de dagen daarna groeien er stengels op en de blaadjes worden groter. Dit zorgvuldig volgen van een kiemproces kun je nog op vele andere manieren doen: met witte en bruine bonen, met erwten, met zon­nebloempitten en met alles wat maar ontkiemen wil in een potje of bakje binnenshuis. Het is heerlijk om dit met kinderen te doen in de lentetijd, want het blijkt dat het ze geweldig boeit.

Dit scherpe, zuivere waarnemen, dit on-sentimentele kijken naar de natuur­verschijnselen kun je ook op jezelf toepassen. Is er dan iets in mij dat ‘mijzelf’ kan waarnemen? We weten dat het er is; het is immers de kern van ons mens-zijn. Maar het ligt erg ver­stopt onder allerlei lagen die voortko­men uit het aardse bestaan met zijn beslommeringen. Het ligt diep verbor­gen, zoals het allerheiligste in de tem­pel der Israëlieten verborgen lag in het binnenste vertrek. We noemen het meestal ons ‘betere ik’. Als ik door al die lagen heen ga en al die omhullin­gen die ik voor mezelf heb ‘geweven’, afleg, dan pas kan ik zien wat daar ge­beurt in het binnenste vertrek.
In het allerheiligste van de tempel der Joden was het de verbinding met de Godheid die zich daar voltrok, afgeschermd voor de menselijke blik. In mijn eigen ‘allerheiligste’ ontstaat de ‘re-ligio’, de wederverbinding met de wereld van de geest. En van daaruit kun je begin­nen de ‘ascese’ een nieuwe inhoud te geven. Vanaf dat punt wordt het ook mogelijk je eigen ‘ezel’ beter waar te nemen.

Er speelt een kind op straat. De zon schijnt. Ik zie het kind springen, tel­kens achterom kijken, dan even weg­hollen en weer terug komen. Wat doet het toch? En dan zie ik, dat het speelt met zijn schaduw. Het probeert er op te trappen, en het tracht die malle, bewegende donkere vlek te ontlopen. Maar dat lukt niet, want het kind weet nog niet dat ieder mens zijn schaduw heeft en dat niemand die kan ontlo­pen. Die schaduw is als een scheefge­trokken beeld van jezelf, een karikatuur. Soms denk je vertwijfeld dat de mensen om je heen alleen maar je schaduw zien en niet je werkelijke ge­stalte, zoals je werkelijk bent. Maar na enige tijd merk je, dat het jezelf ook moeite kost om duidelijk te zien wie jezelf bent en waar je schaduw begint. Die schaduw is onze ‘boezemvijand’ zoals het lichaam dat was voor de monniken in de kloosters. Daarop was hun ascese, hun ‘oefening’ gericht met vasten en zelfkastijding. Het wakker waarnemen van deze ‘boezemvijand’, het ‘ken uzelve’, geeft ons ‘vanzelf’ mogelijkheden aan waar we de ‘zelf­kastijding’ ter hand kunnen nemen. En wat het vasten betreft: niet alleen op het gebied van voedsel kun je ‘ont­houding’ oefenen. Het ‘maat-houden’ in het spreken doet je beter luisteren. Als je met werkelijke aandacht naar een ander luistert, dan schep je een ruimte in jezelf waar die ander kan binnengaan. Dan hoor je wat er ligt achter de woorden van die ander. De wijze waarop het wordt gezegd, is dan minder belangrijk geworden. Door iets van jezelf terug te houden, iets van je­zelf te ‘offeren’ ontmoet je de ander op een hoger plan. De vrijdag is van oudsher de dag van het vasten, en ie­dere vrijdag ontvangt zijn glans van Goede Vrijdag, de dag van het offer. In deze weken voor Pasen, als in alle kerken het zwarte doek over het altaar ligt gespreid, worden we opgeroepen ons te bezinnen op onze ‘zwarte kant’, en om ons zo nu en dan terug te trek­ken in ons ‘binnenste vertrek’. Daar kunnen we tot ‘onszelf’ komen en tot Hem die gezegd heeft: ‘Wie zichzelf bemint, zal zijn ziel verliezen. Maar wie in deze wereld tegen zichzelf strijdt, waakt over zijn ziel in het tijd­loze leven.’ (Joh. 12)

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Pasen – jaartafels

.

137-132

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (25)

.
Gert Stegeman, nadere gegevens ontbreken
.
 

OUDE HEIDENSE GEBRUIKEN EN HET CHRISTENDOM
.

In de ‘heidense’ tijd was het lentefeest een van de belangrijkste feesten. Het tijdstip van dit feest werd naar de paastijd verschoven met de bedoeling het door het paasfeest te laten verdringen. Voorafgaande aan Pasen werden de oeroude veldommegangen door de palmpaasoptochten vervangen.

De 25e maart was volgens de Juliaanse kalender de dag van de lente-evening. Op die dag viel oorspronkelijk het paasfeest (tot in de 6e eeuw). Een duidelijke binding met de lentefeesten.

Het joodse Passahfeest had geen vaste datum. Het werd vastgesteld aan de hand van de zon- en maanstanden. De christelijke kerk nam behalve de naam ook de datum van dit joodse feest over. Tenminste ongeveer, want er was enig verschil in de datum van het christelijke en het joodse paasfeest.

De lentemaand heette in Duitsland östarmanoth (nu Ostern). In Engeland Eosturmannöth (nu Eastern). In de meeste andere landen werd de Joods-Christelijke naam overgenomen. Ostarstuopha was de naam van een soort belasting die in de 9e eeuw in de lentetijd werd geheven.

De lentefeesten leefden zeer sterk in de harten van de Germaanse mens. Het begrip paasgelach stamt uit de tijd dat de priesters in de kerk verplicht waren om tijdens de kerkdienst in lachen uit te barsten in een poging de vrolijke lentefeesten te doen vergeten (Middeleeuwen). Het ontsteken van de paaskaars in de kerk moest de lentevuren overstemmen. Toen dit tot mislukken gedoemd bleek, moest de priester de vuren maar zelf ontsteken (nu paasvuren genoemd). Dit gebeurde dan op het terrein van de kerk. De kerken waren vaak op oude heidense heilige plaatsen gebouwd en daar moest dan maar het vuur branden.

Ten slotte moet nog even vermeld worden dat nog in 1870/1875 de burgemeester van Ootmarsum probeerde het vlöggelen onmogelijk te maken. Hij  gebood dat de niendeuren van de huizen gesloten moesten blijven. Het resultaat was dat de deuren met geweld opengebroken werden en er meer dan ooit werd gevlöggeld.
In 1215 probeerde magister Olivarius Canonicus vanuit Enschede al het vlöggelen te verstoren. Hij wilde de kruistochten prediken. Niemand luisterde naar hem. De reidansen waren voor de bevolking veel belangrijker.

 uit: Noord-Europese Mysteriën, Farwerck uitg.: Ankh Hermes
.

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Pasen – jaartafels

 

136-131

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (24)

.
bron onbekend
.

PASSIETIJD EN PASEN
.

Het paasfeest zal bij verschillende mensen verschillende gevoelens oproepen. Sommigen zullen het vieren in de kerk als christelijk feest. Voor anderen is het een lentefeest – in de klassen zijn de wortelkindjes en lentefeetjes weer tevoorschijn gekomen. En in de derde klas vieren we een variatie op het oude joodse paasfeest, de uittocht uit Egypte op weg naar het beloofde land.

Op welke wijze je het ook viert, steeds blijkt dat het leven de dood overwint. Dat blijft de centrale gedachte, of je nu gelooft in de (herrezen) Christus – of in het opnieuw opleven van de natuur – of de bevrijding uit dood en slavernij naar een vruchtbaar, levend land van belofte.

De redactie heeft dit jaar gekozen om in deze en volgende school­kranten de gedachten van ir. F. de Fremery over de jaarfeesten te volgen, zoals hij die neerschreef in ‘Van Kerstmis tot Kerstmis’. Voor de duidelijkheid eerst zijn

VOORWOORD

Aan mijn gezin in oorlogstijd:

“Nichts hat der Gegenwartsmensch
nötiger, als das er lernt, sich
wieder über den Alltag zu erheben,
dass er lernt, Feste zu feiern und
wirkliche Sonnentage in sein schweres
Leben einzuflechten ”                                                                                                •

Friedrich Rittelmeier

De christelijke feestdagen liggen in het jaar verspreid op een wijze, die wel met het gevoel overeenkomt – niemand zou Kerstmis in de zomer of Pasen in het najaar willen of kunnen vieren – maar waarvan de zin toch niet duidelijk voor de  hand ligt. De Bijbel geeft maar wei­nig opheldering hieromtrent. De viering dezer feesten houdt nog steeds velerlei in, dat verband houdt met de oude heidense betekenis-, die juist geheel samenhing met het punt van de jaarkringloop waarop de viering plaatshad.

In deze cyclus wordt uit het natuurleven de stemming afgeleid, waaruit het christelijke feest op natuurlijke wijze voortkomt, zodat de zin van de verdeling der feesten over de loop van het jaar weer duidelijk wordt. De feesten krijgen daardoor een nieuw, intenser leven en de gebruiken die daarbij gevolgd worden, zijn dan niet meer uitsluitend traditie, maar herkrijgen weer hun volle zin.
Waar de Bijbel voor het moderne denken vaak zo moeilijk te begrijpen is, brengt deze afleiding uit de natuurstemming een nieuw beleven dezer hoofdpunten van het Evangelie en kan daardoor een beter en meer levend begrip daarvoor gewekt worden.

De geestelijke achtergrond waarvan werd uitgegaan, is te vinden in “‘De kringloop van het jaar“ door Rudolf Steiner en andere werken van deze schrijver en zijn geestverwanten.
F. de Fremery.

Twee beschouwingen van Ir.F. de Fremery, uit: ‘Van Kerstmis tot Kerstmis’.

De passietijd omvat 40 dagen voor Pasen, beginnende met Aswoensdag. De laatste week hiervan, de Stille Week, begint met palmzondag, herdenking van de intocht in Jeruzalem, (palmtakken, ezelprocessie, Joh.12-13) en omvat de Witte Donderdag, waarop het avondmaal herdacht wordt en de Goede Vrijdag. De laatste 40 uren van deze tijd vormen het hoogtepunt. De kerkklokken zwijgen van vrijdag tot zondag.

1.PASSIETIJD

Het voorjaar is in het land. De weiden glanzen in fris jong groen, doorspikkeld met het felle geel en wit der eerste voorjaarsbloemen. Wilgen, elzen en hazelaars tooien zich met hun fijne katjes zonder zich de tijd te gunnen het blad te ontplooien. De vogels prijken met nieuw gevederte en vullen de lucht met beweging en nieuw geluid. De dieren stoten hun wintervachten af en vertonen zich in nieuwe glanzende huiden. Het vee komt naar buiten met kalveren en lammeren. Zo is alom de werking van de nieuwe sappenstroom merkbaar, die gestuwd wordt door de wederkeer van het licht.
De mens aanschouwt dit nieuwe leven, hij geniet van de terugkerende kleuren, geluiden en beweging na de somberheid, de stilte en de rust van de winter, maar hij beleeft het voorjaar niet in zich zelf. In zijn bloed is geen nieuwe stuwkracht merkbaar, hij wisselt niet van vacht of gevederte, aan hem ontluikt geen bloei. Hij heeft niet de ontberingen van de winter gekend, hij leed geen koude, want hij maakte zich huizen en kleding en verschafte zich brandstof, hij leed niet van het duister, want hij maakte zich licht, hij leed geen honger, want hij zorgde voor voorraad en voor aanvoer uit verre landen   Door zijn eigen kunde wist hij zorg en nood te vermijden, hij nam zijn leven in eigen hand en maakte  zich afhankelijk van de ontberingen die de natuur hem anders zou hebben laten ondergaan. Maar nu heeft hij ook geen deel aan de ge­weldige stuwing die de natuur wekt in het voorjaar. Hij overwon de nood, maar hij verloor het leven, het kosmische leven. Hij kent het leven, maar niet het leven op aarde als uiting van het leven van de wereldgeest.
Vervreemd staat de mens tegenover de natuur in het voorjaar. Door zijn kennis heeft hij zich boven de natuur verheven, nu voelt hij zich vereenzaamd. Als een kind zou hij weer moeten worden om het voorjaar te kunnen beleven; slechts voor zover hij kind is kunnen blijven, kan hij het nog meemaken. Maar door zijn intellect heeft hij zich buiten de natuur gesteld en zich van het leven afgewend.
Het onderzoek, de analyse, heeft onze kennis enorm vermeerderd, maar de wereld, de natuur, hebben wij erdoor verbrokkeld en het leven, het wezen  van hetgeen wij in onderzoek namen, hebben wij niet gevonden.

Dit besef van zich zelf vervreemd te hebben, van zich een kruis opgelegd te hebben, is wat in de passietijd gevoeld wordt. Dan dringt het door tot de mens, welke schuld hij op zich geladen heeft door zijn eigendunk, die hem tegenover het leven stelt, in plaats van de overgave, die hem het contact met de geestelijke-goddelijke grond der dingen en van zich zelf zou doen hervinden. Hij voelt dan, dat hij het hoge standpunt waarop hij zich door zijn kennis meende te moeten plaatsen, moet verlaten, om zich dankend neer te buigen tot het eenvoudige waarboven hij dacht zich verheven te mogen voelen, want in dat eenvoudige oorspronkelijke ligt ook de grond van zijn bestaan.
De mens voelt dan dat hij tot ootmoed moet komen tegenover de werken der natuur, die zich in het voorjaar openbaren. De Christus-Jesus toonde deze dank en ootmoed ten opzichte van de discipelen, in wie zijn werk op aarde moest wortelen, door de Voetwassing voor het Avondmaal.
De mens neigt in het voorjaar tot de voetwassing.
Door deze vrijwillige erkenning van schuld is weliswaar de waan der
kennis verbroken (de sluier van Maya opgeheven), maar daarmee komt de
mens dan ook in zijn volle naaktheid te staan en is dan blootgesteld aan de ongebreidelde werking van spijt en wroeging, die hem in het vlees dringt; hij ondergaat de geseling. Dit is de consequentie van de begane fouten, maar tevens is het de correctie waarvan de impuls tot het betere willen uit moet gaan.
Daarmede is de mens in zijn trots en hoogmoed geknakt. Waar hij zich heer en meester dacht, blijkt hij zich door de schijn te hebben laten verleiden. Ogenschijnlijk heeft hij zich door zijn eigen­ werken verrijkt, maar in werkelijkheid zijn hem de goddelijke gaven daardoor ontvallen. Zo wordt hem de bekroning van zijn werk tot Doornenkroon en de Purpermantel van zijn eigenwaan wordt hem tot hoon.
Zo leidt het inzicht de mens over de lijdensweg.

De Christus-Jezus ging deze weg vrijwillig, de mensen ten voorbeeld, nadat hij hen bij het Avondmaal, de Vader dankende, met het Brood zijn Lichaam en met de Wijn zijn Bloed had geschonken, zich daarmede als Geest der Aarde openbarende.
Want het geheim van het Brood is de gelukschenkende zonnekracht, die zich met de aarde verbindt bij het schrijden van de zaaier over de opengelegde voren der paarsbruine akkers, in het lichte groen van het ontspruitende koren, in het goud der rijpende velden, bij de oogstvreugde, bij het ritme der dorsvlegels, bij het malen in de molen en in de geur van het gebakken brood. Het brood is zowel voedsel voor ons lichaam als de bestaansgrond van ons geestelijk wezen op aarde.
En in de wijn zijn te vinden de zegen van de uit de hemel neerdalende regen en de gloed van de zonnewarmte, die door de rots teruggestraald werd. De krachten die in de wijn fonkelen, doorgloeien eveneens ons bloed, wanneer wij de Christus in ons beleven.

De Christus-Jezus onderging de geseling en de Doornenkroon onschuldig, onder de druk van het door de Farizeërs opgezweepte volk, om daardoor de valsheid van de farizese opvattingen kenbaar te maken en door deze tot hun uiterste consequenties te laten komen, dat is de kruisiging, het volk tot inkeer te brengen.
Zelden komt de mens ertoe deze weg der dankbare verootmoediging
vrijwillig in te slaan, bittere ervaring, zorg en nood, moeten hem er meestal toe dwingen het kruis op te nemen. Maar kan hij tot overgave komen en zijn kruis aanvaarden, dan staat ook de Verlossing voor hem open. Dan leert de mens zijn hogere innerlijk kennen, dat hem zich weer één doet voelen met de geestelijke grond van alles wat leeft en gevormd is in de natuur, want dan staat hij niet in de wereld als de egoïstische beheerser en gebruiker, die de natuur ten eigen bate zoekt te benutten, maar voelt hij zich staan, in dankbare ootmoed en eerbied voor de scheppingen, die voortgevloeid zijn uit dezelfde geestelijke oergrond waarin hijzelf zijn oorsprong heeft en waaruit ook hij zijn kracht put en dan mag hij die scheppingen dankend als gaven aanvaarden. Dan kan hij het ritme van de natuur, waarin het leven van het Christuswezen, dat zich met de aarde verbond, zich uit, meevoelen.
Hij kan het voorjaar, de lente weer beleven en het Paasfeest tegemoet gaan.

2.PASEN

Na de donkere wintermaanden is de zon weer in opgang. Het licht heeft nu de overhand gekregen, de dag- en nachtevening is gepasseerd. De aarde ondergaat weer in sterkere mate de invloed van de kosmische zonnekrachten, de maan speelt een mindere rol.
In de kerken worden de lampen met nieuwe olie gevuld en nieuwe kaarsen worden ontstoken op de altaren.
Pasen is het feest van het weergekeerde licht.

Door het licht dat de aarde van de zon ontvangt, zijn de levenskrach­ten, die ’s winters in het verborgene werkten, gewekt en het jonge leven komt overal tevoorschijn. De jonge planten steken hun frisse groene scheuten uit de grauwe aarde, de knoppen zwellen en tussen de dorre schubben begint het jonge blad tevoorschijn te komen. De vogels keren terug en beginnen hun nieuwe lied.
In de lucht drijven de zware voorjaarswolken, soms fel wit in het diepe blauw, soms zwaar en zwart van regen en hagel, brengende het levenssterkende water.
De winterse dood is ten einde; het licht dat de aarde bestraalt, brengt de krachten van de stof tot nieuwe vormgeving, tot groei. Het oude afgestorvene wordt opzij gedrongen, of voor nieuwe vorming gebruikt, ofwel het draagt het jonge leven. De lente trekt door het land. Overal brengt de lentegodin Ostara, vergezeld door haar trouwe, vrolijke trawant, de haas, die zelf grote vreugde beleeft door het uitbottende groen, aan de planten bloem en blad, aan de vogels eieren, aan de dieren jongen.
Het ei is het symbool van het nieuwe leven. In die eenvoudige vorm ligt de kiem van een jong leven en de bestanddelen waaruit een jong lichaam zich kan vormen, wanneer de levenskrachten er in gewekt worden. Die bestanddelen zijn door het moederdier geschonken, geofferd om de ontwikkeling van het jonge leven mogelijk te maken.
Pasen is het feest van het leven. 

Voor de mens is nu ook de tijd van inkeer voorbij en moet overgegaan worden tot het nieuwe scheppen en handelen, tot de arbeid in het besef van de invloed der hogere krachten, het besef dat de geest de mense­lijke handelingen moet leiden, dat de mensheid zich niet alleen door stoffelijke behoeften mag laten dwingen.
Pasen is het feest van de ziel.                                            –

De levenskracht heeft op aarde de vormen van de natuur, van mineraal, plant en dier geschapen. Het leven bond zich daarin met de stof en daardoor met de dood. Slechts door zich telkens te vernieuwen kan het leven zich handhaven. De planten vernieuwen zich in hun zaden, de dieren in hun jongen, de mensen in hun kinderen.
In de mens bond zich ook de geest aan de stof. De mensenziel, van goddelijke oorsprong, voelde zich in de oudheid nog sterk verwant met de geestelijke wereld. Maar naarmate de mens meer kennis vergaarde van de dingen der aarde, verloor hij de band met de geestelijke wereld. Zo dreigde voor hem de geestelijke dood.
De Christus gaf de mens de weg om in deze stoffelijke wereld de geestelijke krachten terug te vinden, om zich geestelijk te vernieuwen, tot opstanding te komen. Zijn lijdensweg leidde tot het Kruis en het Graf, maar wekte daardoor de mensheid op tot een opheffing van het bewuste geestelijke leven. Zijn wezen is, na zijn overwinning van de dood overgegaan in de zielen der mensen, om in de mensen wederom op te staan.
Pasen is het feest der Opstanding.

In het nieuwe jonge leven komen de goddelijke vormingskrachten zuiver tot uiting, nog onbevlekt door ziekte en strijd.
In heel de natuur brengt de lente een zucht tot vernieuwing, tot het afgedaan maken van het oude dat verging. Daarom verzamelen de mensen het oude hout om het paasvuur te stoken, waar het oude verdorde vernietigd wordt door het vuur om plaats te maken voor het nieuwe en daarbij de in het oude gebonden krachten vrij te geven en uit te  stralen.  
Pasen is het feest van de loutering.

De mens is nauw verbonden met het leven der aarde. Zijn lichaam is opgebouwd uit bestanddelen, die van de aarde afkomstig zijn. Voor de instandhouding van het lichaam is geregelde voeding nodig en daardoor blijft de mens steeds het verband met de aarde houden, want met het brood dat hij eet en het sap der vruchten dat hij gebruikt, krijgt hij tevens deel aan de levenskracht der aarde. Voor het in standhouden van het leven moet veel gebruikt worden van wat reeds bestond. Planten gebruiken stof van mineralen en van vergane planten en verdringen andere om voor zichzelf een plaats te veroveren. Dieren leven van planten en van de stof van andere dieren. De mens gebruikt mineraal, plant en dier.
Vele moeten geofferd worden voor het in standhouden van anderen.
Dit offeren geschiedt meestal als overgave na strijd, door wie weerloos is en het onderspit delft in de strijd om het bestaan.
Bij de mens gaat het daarbij niet alleen om de strijd op het stoffelijk gebied, maar wordt ook veel gestreden met geestelijke krachten. Veel van die strijd is zinloos en nutteloos en beter is het strijd te vermijden door het brengen van een offer op het juiste ogenblik.

Het is Christus, die ons door het vrijwillige opnemen van het kruis  n het aanvaarden van de kruisiging tot de dood, toen het volk daar toe drong, gewezen heeft op het belang van het offer, dat de mens kan brengen door het inzicht, dat hij door de bewustwording verkrijgen kan.
Pasen is het feest van het Offer (van het Lam) van het Kruis.

Om te komen tot het brengen van een offer, tot het opnemen van het kruis, is voorbereiding nodig, want uit zich zelf is de mens weinig daartoe bereid, hij is van aard een egoïstisch wezen. De wijze waarop het egoïsme kan worden overwonnen, is door de Christus aangegeven in Zijn Lijdensweg, in zijn Passie. Door zijn levensweg daarnaar te richten, kan de mens tot hoger leven komen. Deze weg leidt langs opeenvolgende trappen.
Eerst dient begrepen te worden, dat in het leven al het hogere op het lagere steunt, en aan het lagere dank en hulde verschuldigd is voor de levensmogelijkheid die het lagere aan het hogere biedt.
Planten danken hun leven aan het minerale rijk, dieren leven van planten; ieder mens dankt zijn bestaan aan hen die op lagere trappen staande, zijn werk en leven mogelijk maken.
Zo wortelt het leven en werken van de Christus in de twaalf apostelen en daarom buigt de Christus tot hen neder in de Voetwassing.
Tot deze erkenning en dankbaarheid moet ook de mens komen.

Dan moet de mens in zich de kracht ontwikkelen om rechtop te blijven staan en door te gaan volgens zijn innerlijke overtuiging, ook al ondervindt hij daardoor allerlei leed en smart en treft hem slag op slag. De Christus onderging dit en verdroeg dit in de Geseling.

Ook moet de mens volharden wanneer hij opkomende voor wat hem heilig is, overgoten wordt met hoon en spot, waardoor zijn innerlijk doorpriemd en zijn trots neergehaald wordt.
De Christus droeg dit met lijdzaamheid in de Doornenkroning.

Door de krachten van voetwassing, geseling en doornenkroning in zijn
ziel te ontwikkelen, wijdt de mens zijn leven aan Christus, volgt hij
de passieweg? die voert tot de inwijding, tot het opengaan van het volle bewustzijn, dat met Pasen beleefd kan worden.

Pasen is het feest der Inwijding

.

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Pasen – jaartafels

 

135-130

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.