VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (16)

.
Anke, nadere gegevens onbekend
.

PINKSTEREN, FEEST VAN HET GEHEIM

‘Iets schrijven over Pinksteren is geen eenvoudige opgave – wel een uitdaging’, de gedachten die ik hier wil proberen te verwoorden zijn – helaas – nog geen eigen gedachten, ik vond ze her en der en ze spraken mij erg aan. Daarom wil  ik ze doorgeven in de hoop dat ook jullie er iets in kunt beleven.

Het Pinksterfeest is een oeroud feest. Het behoort waarschijnlijk tot de oudste feesten die de mensheid kent. En toch is het voor ons een feest van de toekomst – waar we eerst nog in moeten groeien. De zin van Pinksteren is de vernieuwing van het bewustzijn, die door ons mensen zelf tot stand moet worden gebracht.

‘Heilig’ is wat heel is. In het paradijselijk oerbegin waren wereld en mens nog heel. De mensenziel – open als die van Maria – was nog een werktuig van het goddelijk denken en willen.

Toen ging die scheur van de afzondering door de schepping omdat de mens verlangde zelf te denken en te weten. De mens scheidde zich af van zijn eigen hogere zelf, dat – gedragen door de Heilige Geest (helende, weer verbindende geest) – boven hem bleef zweven en steeds minder kon inwerken op zijn wezen, dat zich steeds verder afsnoerde. Het langzaam ontwakende eigen denken en kennen nam (en neemt?) in toenemende mate het dode (het onbeweeglijke) en de dood in zich op. Het gewone denken gaat uit van de hersenen. Het glijdt langs de uiterlijke dingen en blijft aan het aardse hangen. Het innerlijk schep­pend zijn blijft de mens het eigen denken schuldig. Knapheid, geestig­heid, dingen kunnen uitrekenen, berekenen daarvoor is geen scheppend vermogen nodig. Het pinksterfeest geeft ons nieuwe mogelijkheden, het kan ons een begin helpen maken met een nieuw denken en zo kan ooit een nieuwe cultuur ontstaan. We moeten een aanvang maken met het heiligen (heel maken) van de samenleving, van dat wat tussen men­sen gebeurt, van het denken – tot op het gebied van de wetenschap, van de aarde.

Toen in de 9e eeuw door het grote schisma de kerk uiteen viel in de oosterse en westerse christenheid, lag de oorzaak daarvoor in het feit dat oost en west het niet langer eens konden zijn over het wezen van de ‘Heilige Geest’. Eigenlijk kwam toen aan het licht hoever de menselijke geest al afstond van de Heilige Geest.

En ongelukkigerwijs stak in diezelfde negende eeuw een andere onzekerheid de kop op omtrent de mens. De vraag of de mens uit lichaam, ziel en geest of alleen uit lichaam en ziel bestaat werd toen op het Conci­lie te Constantinopel gesteld. De mens werd toen een individueel gees­telijk wezen ontzegd. Ook al is het ware geestelijke zelf t.g.v. de zondeval niet in de mens maar zweeft deze er boven, hij is er wel, hoort wel bij de mens. Men ontkende dit toen.

In het uiteenvallen van de oosterse en westerse kerk naar aanleiding van de ‘onzekerheid over de Geest’ ligt de kiem voor het probleem van de oost-west politiek, dat als een nachtmerrie van gigantische afmetingen boven de mensheid hangt. Het begon op religieus-kerkelijke bodem, nu is het in de arena van de politieke machtsverhoudingen aan­gekomen. In het oosten wordt met uiterst raffinement het principe van de collectiviteit tegenover dat van de individualiteit gesteld. In het westen spreekt men over de vrijheid van het individu, maar begeeft zich daarmee op onveilig terrein, omdat men zich tot in de atoomfysica heeft uitgeleverd aan een onbezield denken dat weinig menselijks meer heeft.

Waar ligt het midden tussen die gevaarlijke machtsconcentraties in oost en west? Waar is het geestelijke Europa? Wat door geeste­lijke oorzaken uiteen gevallen is, ziek geworden is, kan ook alleen door geestelijke impulsen weer genezen worden. Pinksteren – doordat het het geheim van de oude Heilige Geest (Helende Geest) goed kent, en leeft met de nieuwe Christelijke Heilige Geest- kan ons helpen zoeken naar een fundamentele vernieuwing van denkwijze, wereldbe­schouwing en wetenschap, en deze impuls kan helpen de brug te slaan over de afgrond en manieren vinden om de wond te helen tussen oost en west.

Het pinksterfeest wordt ons niet – zoals de meeste andere jaar­feesten vanuit de natuur geschonken – maar het moet vanuit het binnen­ste van onze ziel geschapen worden. Dit scheppen is juist voor ons de moeilijkheid. Pinksteren is immers, zoals uit het voorafgaande ook blijkt, het feest van ons ware hogere ik, dat nu nog boven ons zweeft, en tegelijkertijd is het het feest van de gemeenschap. Een gemeenschap die ontstaat uit de harmonie van onze hogere ikken. Het pinksterfeest is het feest van het geheim dat nog in het verborgene rust.

Er is een weg gebaand die naar omhoog leidt en die kunnen wij gaan. Dan krijgen wij vleugels. Daartoe moeten we zorgen dat het warm is in het diepst van onze zielen. In de uiterlijke wereld stijgt de lucht alleen op wanneer zij verwarmd wordt, zo is het ook in ons in­nerlijk. Een middel om de ziel te verwarmen is de stilte te zoeken, vrede te vinden, en deze momenten bewust te willen. Dan wordt het hart warm en die warmte doet onze ziel opstijgen naar waar ons ware zelf is. Dan wordt het huwelijk voltrokken tussen de ziel en de geest. In oude liedjes kom je dan ook teksten tegen waarin men spreekt over pinksterbruid  (vieu pinksterblom, vieu = vierge = maagd). De lich­tende vlam van de Geest daalt neer op de warme vlam van ons vredige hart. Die warmte is onze zaak, daar moet aan gewerkt worden, de ver­lichting is dan het Antwoord van de Geest. Kunstenaars als Richard Wagner hebben dat veel beter begrepen en weergegeven dan de theologen. We denken dan aan het graalsverhaal. Op het menselijk hart dat begint op te lichten, daalt de duif van de Geest neer en de graal van het hart doet genezende, voedende en verlichtende krachten uitgaan in het eigen wezen van de mens en in de mensen en schepselen in de wereld om hem heen.

Wanneer door het graalvuur in de mens diens geestelijke deel in hem en in zijn denken zijn intrek neemt, begint een nieuwe levende cultuur te groeien en te bloeien, maar wij moeten het zelf tot stand willen brengen en misschien is er dan ooit vrede op aarde, als de vrede met ons is.

‘Hier is onze fiere Pinksterblom
En ik zou hem zo graag eens wezen’
.

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Pinksteren – jaartafels
.

165-157

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (15)

.
 J.  van Dam, in Vrijbklijvend, schoolblad van de Haagse vrijeschool, jaartal onbekend
.

PINKSTEREN
.

In een week werd de winterse aanblik van een straat met bomen omgetoverd in een teer voorjaarsbeeld. Ontelbaar vele knoppen zwellen, barsten open en de voor elke plant karakteristieke blaadjes vouwen zich naar buiten.
Nog indrukwekkender zijn deze processen dan wij kunnen waarnemen: overal over een brede strook op het noordelijk halfrond van de aarde van zuid naar noord voortschuivend voltrekt zich dit smelten van de plantensappen uit een starre wintertoestand, door licht en warmte van de elke dag hoger klimmende zon. Dit is een uitbarsting van vitaliteit,  ja een demonstratie van het leven zelf, die zich ieder jaar herhaalt.

De meeste mensen zullen daarbij er niet aan denken dat over enkele weken het tere groen al weer danig kan zijn aangetast door de mede ontwakende rupsen (wel de tuinders natuurlijk), en evenmin dat in oktober en november de herfststormen deze bladeren verdord weer van de bomen zullen blazen. Toch is ook dat een jaarlijks terugkerend gebeuren en ook nu aan de gang in de gematigde streken van het zuidelijk halfrond. Overigens behoeft dat niet somber te stemmen, want zonder deze schoonmaak zou het bladerdek zich niet kunnen vernieuwen. ‘De dood is de kunstgreep van de natuur om veel leven te kunnen voortbrengen’, zegt Goethe.

In deze tijd vallen, elk jaar op een telkens verspringende datum, Pasen en Pinksteren, die geheimzinnige christelijke feesten die wel met twee zondagen elk worden geëerd, maar die ons gevoel toch veel minder aanspreken dan Kerstmis. Om leven en dood gaat het ook hier: de kruisdood van Christus op Goede Vrijdag en de opstanding op Pasen; de eenzaamheid van de discipelen en andere volgelingen na de hemelvaart en het doorbreken van de door Christus beloofde trooster, de Heilige Geest, met Pinksteren. Hoe komt het dat deze voor het christelijk geloof toch wel zeer fundamentele gebeurtenissen nog zo weinig in onze cultuur een rol spelen?

Nu heeft met name onze tijd met zijn verstandscultuur al heel weinig begrip of zelfs gevoel voor deze diepe geheimen. Zonder meer zijn deze geheimen niet te ver­binden met onze voorstellingswereld, die sterk bepaald wordt door de inzichten die de natuurwetenschap in de ruimste zin ons heeft opgeleverd.

Voor een inzicht in de betekenis van deze gebeurtenissen in het jaar 33 voor de ontwikkeling van mensheid en aarde is een diepere blik nodig dan onze oppervlakte-waarneming van de uiterlijke wereld. Die blik had Rudolf Steiner, en in talloze voordrachten en geschriften heeft hij, wat zich hem openbaarde, trachten te ver­woorden. Iets daarvan zal ik proberen samen te vatten.

De gehele mensheid, te zien als een stroom van generaties, telkens uitbottend en weer stervend, zoals de planten ons jaarlijks laten zien, moet men zich voorstellen als geleidelijk veranderend. Heel vroeger waren de mensen minder zelfbewust en minder vertrouwd met de wereld die zich aan de zintuigen openbaarde. De mensen waren vitaler en veel meer open voor openbaringen van wezens die als goden werden vereerd en die de culturen ordenden en leidden. Dat is uit talloze geschriften te lezen, niet in de laatste plaats uit het Oude Testament. Langzamerhand echter werden deze wezens moeilijker bereikbaar, ook voor de hoogst ontwikkelde mensen die met grote kracht naar deze openbaringen streefden, de ingewijden. Dat was een gevolg van de zgn.  zondeval, waardoor de mensen steeds meer de geestelijke wereld gingen vergeten en steeds wakkerder werden voor zin­tuigopenbaringen. Daarmee trad echter een zeer schokkend en beangstigend verschijnsel op: de dood.
Ook eerder stierven de mensen, maar dat werd niet zozeer als een tragedie beleefd omdat men met het bewustzijn nog voor de geboorte en na de dood kon reiken, waardoor de stervensdrempel niet zo absoluut was.

In de Egyptische cultuur begon dit beangstigende raadsel een steeds grotere rol te spelen. De mens verloor steeds meer de geestelijke wereld, kwam in de ban van het aardse.

De mensheidsstroom verloor aan leven, maar won aan zelf­bewustzijn. Dat bewustzijn is de basis voor de menselijke vrijheid, maar wordt bekocht met een steeds absoluter schijnende dood, waarachter het ‘niets’ of hoogstens een schimmenrijk wordt vermoed, zoals bij de Grieken nog het geval was.

Op de duur zou deze ontwikkeling hebben moeten leiden tot een steeds grotere isolatie van de geestelijke wereld, een steeds grotere verzwakking van het mensenras, daar de levenbrengende voeding uit de geest steeds moeizamer werd; de mens die ook zelf steeds meer af moest wijzen vanuit zijn aardse zelfbewustzijn. Met de mens sterft geleidelijk ook de aardeplaneet, een gedachte die de natuurkundigen allang vertrouwd is.

Dan komt Christus op aarde, een kosmisch wezen volgens Rudolf Steiner, het “scheppende woord” volgens de evangelist Johannes, beschikkend over de krachten die aan de gehele aarde- en mensheidsontwikkeling ten grondslag liggen. Met de doop in de Jordaan trekt hij in het lichaam van Jezus van Nazareth, doordringt dat geleidelijk waardoor zijn openbaringsmogelijkheden steeds toenemen en een hoogtepunt vinden in de opwekking van Lazarus. Opvallend is dat hij veel spreekt over het licht en het leven dat hij de mensen brengt, ja dat hij het leven zelf is, waardoor ze nimmermeer zullen sterven. Daartoe moet hij echter eerst de dood doormaken opdat hij die kan overwinnen. Dat gebeurt tussen Goede Vrijdag en Pasen. Met de opstanding vindt eigenlijk een geboorte plaats: de krachten van Christus stromen in de aardewereld binnen. Daardoor verandert de “stervende planeet” in een “kiemende zon”, die zich pas zeer geleide­lijk zal gaan manifesteren, zoals ook het sterven een zeer langdurig proces is geweest!

Aan deze opstanding heeft ook de mens deel, hij moet zich­zelf echter met deze kiemkrachten verbinden; opgeroepen wordt hij daartoe doordat de stervende krachten het hem steeds moeilijker zullen maken in het oude spoor verder te leven. Ook de  mens moet door de dood tot opstanding komen!

Onze cultuur vertoont maar al te duidelijk ondergangs­symptomen, ook de natuur wordt door de mens met ondergang bedreigd. Alleen de kiemende krachten van Christus, zich individueel aan elk mens openbarend als inspiratie van de Heilige Geest, kunnen hier uitkomst brengen en weer een toekomst openen. Deze krachten moeten door lijden individueel worden veroverd. Daarop slaat de mooie uitdrukking: kracht naar kruis. Met Pinksteren geschiedt dat voor de eerste keer. In onze tijd nemen de moeilijk­heden voor de mensheid snel toe en daarmee de behoefde aan steun. De geschriften van Rudolf Steiner kunnen voor vele mensen deze steun betekenen;  zijn ideeën voor landbouw, geneeskunde, onderwijs, kunst en religie zijn ook werkzaam buiten de eigenlijke kring van zijn aan­hangers. Anderen zoeken langs andere wegen.

Eens zullen zo Pasen en Pinksteren voor iedere mens een betekenis kunnen krijgen die ver uitgaat boven de huidige betekenis van Kerstmis. Nu zijn deze feesten voor velen nog bijna zonder gevoelswaarde, dan zullen ze algemeen worden gevierd en beleefd. Dat zal niet gaan voordat zware stormen de oude, verdorde bladeren van onze cultuur hebben opgeruimd!

In deze beschouwing werd te veel misschien te kort samengevat. Dat kan bezwaren of vragen oproepen. Als ze worden geuit is het misschien mogelijk daarop in te gaan in een volgende aflevering van Vrijblijvend.
.

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Pinksteren – jaartafels

 

164-156

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (14)

.
geen bron bekend
.

PINKSTEREN

Pinksteren is het feest van de toekomst, een bewustzijnsfeest, zo lees
je in vele boeken. Misschien dat het juist daarom zo moeilijk is er over te schrijven. Met Pasen kun je nog veel zeggen over de natuur, overal om je heen zie je dan immers de opstanding geopenbaard.
Maar hoe zit dat met Pinksteren? Het prille voorjaarsgroen is verdwenen. De bloesem is al een tijdje aan de bomen, en hier en daar zelfs al weer verdwenen. Het hele nieuwe is er af en je aandacht voor de wonderlijke processen in de natuur dreigt te verslappen.
Juist in deze tijd valt het pinksterfeest. Er wordt een appel gedaan op ons bewustzijn. Als wij er voor open staan kunnen wij nieuwe geestkracht ont­vangen.
Zo‘n 2000 jaar geleden raakten de apostelen vervuld van de Heilige Geest. Daarvoor zweefde de Heilige Geest als het ware boven hen. Met Pinksteren verbindt hij zich met de mensen, de apostelen raakten er van vervuld.

“Plotseling kwam uit de hemel een gedruis alsof er een hevige wind opstak en heel het huis waar zij gezeten waren, was er vol van. Er verscheen hun iets dat op vuur geleek, en zich in tongen verdeeld op ieder van hen neerzette.” (Hand. 2,1-13)
In deze woorden uit de Bijbel zien we de elementen lucht en vuur duidelijk naar voren komen. De lucht, de hevige wind, brengt het vuur, de geestkracht, bij de mens.
Plaatsen wij dit nu eens in het lentegebeuren.
In de winter is de aarde in zich zelf teruggetrokken.
Als het voorjaar wordt, wekt de zon het nieuwe leven.
In de maand mei zijn de levenssappen volop aan het stromen.
De zon wordt nu zo warm dat het water verdampt en opstijgt.
In de vorm van een wolk verschijnt dit nu aan de hemel. Dit is de Hemelvaart in de natuur, het zonlicht verwarmt nu verder. Hoe hoger de zon aan de hemel staat, hoe beter hij kan verwarmen.

Met het Sint-Jansfeest staat de zon op zijn hoogst en is de natuur uitbundig. Er brandt dan een groot vuur; met Pinksteren wordt in de mensenharten een klein vuur ontstoken, de vurige kracht van de Heilige Geest.
Of liever gezegd: Wij mensen moeten proberen onze harten te verwarmen met geestdrift zodat de warmte kan opstijgen als vuur (denk aan vurige liefde, een vurig pleidooi enz). Dan zullen wij het stralende licht van de geest ontvangen.
Pinksteren is het feest van de scheppende menselijke geest.
Zo worden er voor het pinksterfeest dan ook geen echte bloemen gebruikt, maar papieren, door mensenhanden gemaakte bloemen.
In de klas zingen en spelen we eindeloos van de fiere pinksterbloem. De pinksterblom, ook wel pinksterbruid genaamd, is het symbool van de nieuwe groei en bloeikracht van de natuur. Het oudste meisje van de klas mag de pinksterbruid zijn en de oudste jongen de bruidegom, alle andere kinderen zijn bruidsjonkers en -meisjes. De laatste krijgen papieren bloemenkransen om het hoofd.
In het lied zingen we: ‘recht is recht, krom is krom’.
Recht is de weg van de dode, levenloze materie; krom (ronde vormen) is de weg naar de hemel.
Krom is ook de weg naar de vrijheid. Pinksteren is niet in de laatste plaats een feest van de (geestelijke) vrijheid, het is het zoeken naar je eigen hogere zelf, naar dat wat diep in je verborgen is, dus niet dat wat de uiterlijke wereld van je maakt.
Heden ten dage wordt er veel gesproken over vrijheid. Maar wat is werkelijke vrijheid? We weten het vaak niet meer. De vrijheid die ons heden ten dage geboden wordt, is vaak alleen uiterlijk. Vrijheid ligt echter in het gebied van het geestesleven. Nu, in de pinkstertijd worden wij in ons bewustzijn aangesproken. Wij moeten een vuurtje in onze harten aansteken, zodat wij het licht van de geest kunnen ontvangen.
.

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Pinksteren – jaartafels

163-155

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (13)

.
Marijke Peters, nadere gegevens onbekend
.

DE PINKSTERBRUID 

Op grond van oude pinkstergebruiken, gaan we nu in het Speelschooltje voor het eerst de “pinksterbruid” vieren.

Pinksteren is een naar de zomer opgeschoven voorjaarsfeest en heeft dus voorjaarsgebruiken. De herlevende natuur werd voorgesteld door een jong meisje, de pinksterbruid of-blom, door haar rond te dragen voerde men de lente binnen. Zij was mooi versierd met bloemen en groen en behangen met zilveren sieraden die de burgerij afstond. Hoe rijker tooi, des te groter uitzicht op overvloedige oogst.

Oorspronkelijk voerde men een bruidspaar rond, ten slotte bleef alleen de bruid over, want van de bruid stroomt de vruchtbaarheidskracht uit. Zo’n lieflijk bruidspaartje liep onder een kroon, waarvan vier kinderen de afhangende slingers droegen en werd gevolgd door kinderen, allen met bloemen versierd. Ook de pinksterliedjes daarbij gezongen, raken in vergetelheid zoals:

Daar komt de vurige pinksterblom,
Daar komt zij aangegangen,
Met een schoon rozenhoedje op,
Al met twee bloeiende wangen.

De pinksterkronen zijn nu ook verdwenen. Kransen, versierd met bloemen, kleurig papier en uitgeblazen eieren hing men over weg en straat. Daaronder zat de pinksterkroon; wie onder de kroon doorging moest iets offeren. Soms hing men ook een bosje brem op.
In een ander dorp kende men in plaats van de pinksterkroon een meiboom: een 6 à 10 meter hoge paal, versierd met horizontaal aangebrachte hoepels, alle behangen met papieren netjes, slingers en lampions, en deze staat midden op straat, of plein. De kinderen dansen (rozen) hand aan hand om de kroon en zingen op de wijze van “Wie in januari geboren is “.

De pinksterkroon is weer in het land, hoezee!
De vlaggen die waaien van allen kant, hoezee!
Wij rozen  naar de oude trant;
Weer allen samen hand in hand,
Hoezee, hoezee, hoezee! (bis)
’s Avonds komen de volwassenen om de kroon dansen en zingen. Bij deze pinksterkroon zit geen pinksterbruid, maar een harmonicaspeler. Evenals de meiboom wordt de pinksterkroon ten slotte verbrand of verdronken.

Enkele volksvermaken zijn: pinksterkermis, het ringrijden, het gooischieten, zeilwedstrijd.

Op sommige plaatsen had ook een broodbedeling plaats aan de armen. Zó kende iedere streek zijn eigen gebruiken. De pinksterblom werd niet altijd toegejuicht als de blij ont­waakte lente, zij werd ook gehoond als de langslaapster, het voorjaar dat te lang op zich had laten wachten. Dan zong men:

De pinksterblom is opgestaan,
ze mocht wel weer te bedde gaan.

Een willekeurige luilak werd op vrijdag en zaterdag voor pink­sterdag rondgeleid. Zij kreeg een krans van gras en brandnetels op het hoofd en werd bespot.
Er wordt ook op horrie* gereden. Dit zijn eigengemaakte kleine wagentjes, beladen met groene takken en brandnetel (vruchtbaar­heidssymbool) en voorzien van een lange sliert van blikken en deksels, die over de keien een hels lawaai maken (zeer geschikt om de slapers te wekken). Waar men een langslaper vermoedt, wordt aan de bel getrokken, waaraan men een bos brandnetels of een dode rat hangt onder het zingen van:

De looie bak,
de slaperige zak,
vanmorgen niet vroeg opgestaan.
je kan wel weer naar bed toe gaan

Hoe gaan wij nu in het Speelschooltje de pinksterbruid vieren?

In onze klasjes maken we een pinksterboog, allerlei versieringen, belleboompjes en sieraden voor de pinksterbruid. Twee van de oudste kinderen vormen het bruidspaar, en worden ook zo aangekleed.
.

*dialectwoord. Ook bekend als ‘rammelwagen’.

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Pinksteren – jaartafels

 

162-154

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – alle artikelen

.

Steiner lezen?
Pieter HA Witvliet over: het bestuderen van de pedagogische voordrachten als impuls voor je pedagogisch handelen.

Onderwijskundigen van de 20e eeuw
Dick Crum
over: Rudolf Steiner, diens leven en werk

Rudolf Steiner als pedagoog
alle artikelen

Rudolf Steiner als didacticus
alle artikelen

Rudolf Steiner over aardrijkskunde
alle artikelen

Rudolf Steiner over ‘antroposofisch onderwijs’
De door mij tot nog toe gevonden uitspraken over ‘antroposofie in het vrijeschoolonderwijs’

Rudolf Steiner over dierkunde
De voornaamste passages uit de pedagogische voordrachten GA 293-311

Rudolf Steiner over euritmie 
De voornaamste passages uit de pedagogische voordrachten GA 293-311

Rudolf Steiner over fysica
De voornaamste passages uit de pedagogische voordrachten GA 293-311

Rudolf Steiner over geheugen en herinneren
De voornaamste passages uit de pedagogische voordrachten GA 293-311

Rudolf Steiner over geschiedenis
De voornaamste passages uit de pedagogische voordrachten GA 293-311

Rudolf Steiner over getuigschriften
De voornaamste passages uit de pedagogische voordrachten GA 293-311

Rudolf Steiner over gezondmakend onderwijs
De voornaamste passages uit de pedagogische voordrachten GA 293-311

Rudolf Steiner over godsdienstonderwijs
De voornaamste passages uit de pedagogische voordrachten GA 293-311

Rudolf Steiner over handvaardigheid
De voornaamste passages uit de pedagogische voordrachten GA 293-311

Rudolf Steiner over heemkunde
De voornaamste passages uit de pedagogische voordrachten GA 293-311

Rudolf Steiner over huiswerk
De voornaamste passages uit de pedagogische voordrachten GA 293-311

Rudolf Steiner over het imponderabele
Zijn opmerkingen over het ‘onweegbare, het imponderabele’ uit verschillende (pedagogische) voordrachten.

Rudolf Steiner over de kerstspelen
Vertaling van GA 274

Rudolf Steiner over kinderbespreking
De voornaamste passages uit de pedagogische voordrachten GA 293 – 311

Rudolf Steiner over kunstonderwijs
Opmerkingen uit GA 307

Rudolf Steiner over kunstzinnige vormgeving klaslokaal
Uit de voordrachten GA 192, GA 266, GA 300A en GA 300B

Rudolf Steiner over de leerkracht
Een passage uit GA 298, in samenhang met vrijheid van onderwijs als deel van het vrije geestesleven.

Rudolf Steiner over meetkunde
De voornaamste passages uit de pedagogische voordrachten GA 293 – 311

Rudolf Steiner over mineralogie
De voornaamste passages uit de pedagogische voordrachten GA 293 – 311

Over natuurkunde: zie fysica

Rudolf Steiner over de ochtendspreuk
uit GA 300A/63; 96/97

Rudolf Steiner over ontwikkelingsfasen
De fase van 0 – 7 jaar
Daarin over: kind en voorgeboortelijke wereld; kind één en al zintuig; nabootsing
Over de nabootsing:
De voornaamste passages uit de pedagogische voordrachten GA 293 – 311
Lopen, spreken, denken
Spel – zie hieronder

Rudolf Steiner over peuter- en kleuteropvang

De fase van 7 – 14 jaar
Over de tandenwisseling
De voornaamste passages uit de pedagogische voordrachten GA 293 – 311
Over autoriteit
De voornaamste passages uit de pedagogische voordrachten GA 293 – 311

De fase van 14 – 21 jaar
Over het oordeel en begrip
De voornaamste passages uit de pedagogische voordrachten GA 293 – 311

Rudolf Steiner over ontwikkelingsfasen
van de mensheid en van het kind uit GA 55, GA 297 [1], GA 297 [2], GA 301 [1] en GA 301 [2]

Rudolf Steiner over pedagogie(k)
De in de Gesamtausgabe (GA) voorkomende pedagogische geschriften; de betreffende vertalingen in boeken of op deze blog.

Rudolf Steiner over periodeonderwijs
De voornaamste passages uit de pedagogische voordrachten GA 293 – 311

Rudolf Steiner over plantkunde
De voornaamste passages uit de pedagogische voordrachten GA 293 – 311

Rudolf Steiner over rekenen
De voornaamste passages uit de pedagogische voordrachten GA 293 – 311

Rudolf Steiner over schrijven en lezen
De voornaamste passages uit de pedagogische voordrachten GA 293 – 311

Rudolf Steiner over schilderen (waarbij soms iets over tekenen)
De voornaamste passages uit de pedagogische voordrachten GA 293 – 311

Rudolf Steiner over spel
De voornaamste passages uit de pedagogische voordrachten GA 293 – 311

Rudolf Steiner over sprookjes, sagen, legenden, mythen
Passages uit de voordrachten GA 34, GA 54, GA 57,

Rudolf Steiner over taal
het opstel

Rudolf Steiner over techniek en onderwijs
Uit GA 294. voordracht 12

Rudolf Steiner over vertellen
De voornaamste passages uit de pedagogische voordrachten GA 293 – 311
Sinnige Geschichte: ‘Het grote en het kleine viooltje’
Sinnige Geschichte: ‘De ruiker’

Rudolf Steiner over vormtekenen
De voornaamste passages uit de pedagogische voordrachten GA 293 – 311

Rudolf Steiner: wegwijzers
Uitspraken van Steiner die je een weg kunnen wijzen

Rudolf Steiner over de 1e klas
Het allereerste uur op school

Rudolf Steiner over carnaval

Driekoningen
Rudolf Steiner over: wie waren deze Magiërs; hun geschenken: goud, wierook, mirre; de ster; de grot

.

160-152

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over getuigschriften

.

In verschillende voordrachten heeft Steiner aandacht besteed aan het rapporteren van de vorderingen van de leerlingen aan hun ouders.

In de GA-delen 300A, -B, -C, het meest, omdat daar direct vanuit de praktijk gesproken werd.

Hieronder volgen m.i. de  belangrijkste passages:

Die Mitteilung an die Eltern ist ja unter Umständen auch etwas wie eine Zensur, aber das wird sich nicht ganz vermeiden lassen. Wie es auch zum Beispiel als notwendig sich herausstellen kann – was wir natürlich mit einer gewissen anderen Note behandeln würden, als es gewöhnlich behandelt wird -, daß ein Schüler länger auf einer Stufe bleiben muß; das müssen wir natürlich dann auch machen. Wir wer­den es ja tunlichst vermeiden können durch unsere Methode. Denn wenn wir den praktischen Grundsatz verfolgen, womöglich so zu ver­bessern, daß der Schüler durch die Verbesserung etwas hat – also wenn wir ihn rechnen lassen, weniger Wert darauf legen, daß er etwas nicht kann im Rechnen, sondern darauf, daß wir ihn dazu bringen, daß er es nachher kann -, wenn wir also das dem bisherigen ganz entgegenge­setzte Prinzip verfolgen, dann wird das Nichtkönnen nicht mehr eine so große Rolle spielen, als es jetzt spielt. Es würde also im ganzen Un­terricht die Beurteilungssucht, die der Lehrer sich dadurch anerzieht, daß er jeden Tag Noten ins Notizbuch notiert, umgedreht werden in den Versuch, in jedem Momente dem Schüler immer wieder und wie­derum zu helfen und gar keine Beurteilung an die Stelle zu setzen. Der Lehrer müßte sich ebenso eine schlechte Note geben wie dem Schüler, wenn der Schüler etwas nicht kann, weil es ihm dann nur noch nicht gelungen ist, es ihm beizubringen.

Als Mitteilung an die Eltern und als von der Außenwelt Gefordertes können wir, wie gesagt, Zeugnisse figurieren lassen. Da müssen wir uns schon an das halten, was üblich ist. Aber in der Schule müssen wir durchaus die Stimmung geltend machen, daß das eben für uns – das brauchen wir ja nicht besonders auseinanderzusetzen – nicht in erster Linie eine Bedeutung hat. Diese Stimmung müssen wir verbreiten wie eine moralische Atmosphäre.

De mededeling aan de ouders is in zekere zin ook iets als een rap­port, maar dat zal men niet geheel kunnen vermijden. Zoals het bij­voorbeeld ook nodig kan blijken – wat we natuurlijk met een ander accent zouden behandelen dan gewoonlijk gedaan wordt – dat een leerling een klas overdoet; dat moeten wij dan natuurlijk ook doen. Met onze methode zullen we het natuurlijk zo veel mogelijk kunnen vermijden. Want wanneer we het praktische principe volgen om fou­ten zo te verbeteren dat de leerling iets heeft aan de verbetering – dus bijvoorbeeld bij het rekenen niet zozeer benadrukken dat hij iets niet kan, maar hem zo ver brengen dat hij het later wél kan – wanneer we dus dit principe volgen dat volledig tegengesteld is aan wat tot nu toe wordt gehanteerd, dan zal het niet-kunnen niet meer zo’n grote rol spelen als het nu doet. In het hele onderwijs zou de beoordelingsdrang, die de leraar bij zichzelf aankweekt doordat hij iedere dag cijfers noteert in zijn notitieboekje, dus omgedraaid worden tot de poging om de leerling op ieder moment steeds opnieuw te helpen in plaats van hem te beoordelen. De leraar zou zichzelf evenzeer een onvoldoende moeten geven als de leerling wanneer deze iets niet kan, omdat het hem dan nog steeds niet gelukt is om het hem bij te bren­gen.

Zoals gezegd kunnen we de rapporten dienst laten doen als mede­deling aan de ouders en als iets wat door de buitenwereld geëist wordt. En dan moeten we ons natuurlijk houden aan hetgeen gebrui­kelijk is. Maar in de school moeten we in ieder geval de stemming creëren dat dat voor ons niet in eerste instantie belangrijk is – en dat hoeven we niet speciaal uit te leggen. Die stemming moeten we uit­stralen als een morele sfeer.
GA 295/183
Vertaald/167
(Slechts een klein deel is daar nu oproepbaar. Voor het verkrijgen van een gratis scan: mail vspedagogie (voeg toe eraan vast) apenstaartje gmail.com)

=

Ich möchte nur kurz charakterisieren, wie wir in der Waldorfschule nach und nach jedes Kind, trotzdem wir auch große Klassen haben, seiner Individualität nach genau kennenler­nen. Wir geben ihm nicht Zensuren mit, Zeugnisse, in denen steht «fast befriedigend», «kaum genügend» – das ist ja alles Unsinn. Man kann nicht so zensieren. Sondern wir geben den Kindern tatsächlich eine Beschreibung ihres Wesens, die ihnen einen Spiegel das ganze nächste Jahr vorhält, und einen Spruch, der aus tiefster Seele heraus gewählt war. Wir haben es auch erlebt, welchen Wert für die Waldorfschulkinder gerade diese Zeugnisse bekommen haben. Wir haben also das erlebt, was als anthroposophischer Geist in diese Waldorfschule eingezogen ist.

Ik zou nu in het kort willen karakteriseren hoe wij in de vrijeschool langzamerhand ieder kind,  wat zijn individualiteit betreft, leren kennen, hoewel we ook grote klassen hebben. We geven het geen beoordelingen mee, rapporten waarin staat ‘bijna naar tevredenheid’, ‘nauwelijks voldoende’, dat is allemaal onzin. Zo kun je niet beoordelen. Maar wij geven de kinderen daadwerkelijk een beschrijving van hun wezen, die hun ’t volgende jaar als een spiegel voorgehouden wordt en een spreuk, die uit het diepst van de ziel gekozen is. We hebben het meegemaakt welke waarde juist deze getuigschriften voor de vrijeschoolkinderen gekregen hebben. We hebben dus meegemaakt wat als antroposofische mentaliteit in de school gekomen is.
GA 297A/65
Op deze blog vertaald/65

=

Sie wissen, wir geben nicht solche Zeugnisse mit den üblichen Noten wie an öffentlichen Schulen. Wir versuchen, das Kind zu charakterisie­ren, auf die Individualität einzugehen.Erstens: Sitzt ein Lehrer über der Gestaltung der Zeugnisse und ist sich seiner Verantwortung bewußt, so tritt ihm Rätsel über Rätsel vor das seelische Auge, und er wägt jedes Wort, das er prägen soll. Eine große Erleichterung ist es ihm dabei, wenn er den Eltern gegenübergestanden hat, nicht wegen der Vererbungsver­hältnisse, um die sich heute allein der Materialismus kümmert, sondern er sieht die Umgebung, und alles erscheint dann erst im rechten Lichte. Dabei hat man nicht nötig, in indiskreter Weise die Eltern selbst zu beurteilen, sondern er will eben in freundschaftlicher Weise sich den Eltern gegenüberstellen.

Zweitens sollte der Lehrer eigentlich sicher sein, daß ein liebevolles Interesse im Elternhause ruhen würde auf solchen Zeugnissen, und ich glaube, wenn die Eltern fertig brächten, eine kleine Antwort zu schrei­ben auf das, was der Lehrer im Zeugnis beschrieben hat, daß das ungeheuer helfen würde. Wird das als Regel eingeführt, so hat es keine Bedeutung; wird es Bedürfnis von den Eltern aus, so ist es pädagogisch ungeheuer wichtig.

( )  Der Waldorfschullehrer erzieht aus einer Menschenkenntnis heraus, die nicht auf dem heute üblichen Wege zustande kommt. Aber aus dem, was in hingebungsvoller Weise Eltern dem Lehrer mitteilen könnten, würde starke Menschenerkenntnis flie­ßen, und ich übertreibe gar nicht, wenn ich sage, fast noch wichtiger als für das Kind das Zeugnis wäre für den Lehrer das Gegenzeugnis.

U weet, wij geven niet zulke rapporten met de gebruikelijke cijfers, zoals aan openbare scholen. We proberen het kind te karakteriseren, op zijn individualiteit in te gaan.

Ten eerste: Als een leerkracht bezig is met het getuigschrift en hij is zich zijn verantwoordelijkheid bewust, dan verschijnt voor zijn geestesoog raadsel na raadsel en hij weegt ieder woord dat hij kiest. Een grote hulp is het voor hem, wanneer hij de ouders ontmoet heeft. Niet vanwege de erfelijkheidsfactoren waar tegenwoordig zich alleen het materialisme om bekommert, maar hij ziet het milieu en alles komt zo in het juiste licht te staan. Daarbij is het niet nodig de ouders op een indiscrete manier te beoordelen, maar hij wil de ouders op een vriendschappelijke manier ontmoeten.

Ten tweede zou de leerkracht er eigenlijk zeker van moeten zijn, dat er thuis een liefdevolle interesse is voor het getuigschrift en ik geloof, dat wanneer de ouders het op zouden kunnen brengen, een klein antwoord te geven op wat de leerkracht in het getuigschrift heeft geschreven, dat heel erg zou helpen. Als het als regel ingevoerd zou worden, heeft het geen betekenis; als het een behoefte vanuit de ouders zou zijn, dan is het pedagogisch van buitengewoon belang.

De vrijeschoolleerkracht voedt op vanuit een menskunde die niet tot stand komt langs de tegenwoordig gebruikelijke weg. Maar uit hetgeen wat de ouders op een betrokken wijze de leerkracht kunnen meedelen, zou een gedegen menskunde kunnen voortkomen en ik overdrijf echt niet, wanneer ik zeg, dat bijna nog belangrijker dan het getuigschrift voor het kind, het getuigschrift van de ouders voor de leerkracht is.
GA 298/193
Op deze blog vertaald

=

Es wird nach Zeugnissen gefragt.

Er wordt naar getuigschriften gevraagd.

Dr. Steiner: Da müßte festgestellt werden, was vorgeschrieben ist.
Wir können zwei Zeugnisse geben, eines in der Mitte des Jahres als
Interimszeugnis und eines am Ende des Schuljahres. In diesen Zeugnissen soll, soweit das die geltenden Bestimmungen zulassen, nur
allgemein über die Schüler gesprochen werden. Es soll der Schüler
charakterisiert werden, und nur dann, wenn ein Fach besonders
bemerkenswert ist, soll das erwähnt werden. Es sollte alles möglichst
gut zensiert werden, und beim Aufsteigen in die höhere Klasse sollten möglichst wenig Rangstufen gemacht werden.
Beim Übergang in eine andere Schule muß das testiert werden, was
von der betreffenden Schule verlangt wird.

Er zou bepaald moeten worden wat er voorgeschreven wordt.
We kunnen twee rapporten geven, één halverwege het jaar als
tussentijds rapport en een aan het einde van het schooljaar. In deze getuigschriften, voor zover toegestaan ​​door de toe te passen regelgeving, wordt uitsluitend algemeen gesproken over de leerlingen. De leerling moet
gekarakteriseerd worden en alleen als een vak bijzonder opvalt, moet het vermeld worden. Alles moet zo precies mogelijk beoordeeld worden en bij de overgang naar een hogere klas moet er zo min mogelijk sprake zijn van niveaus.
Bij de overstap naar een andere school moet beoordeeld worden, wat de betreffende school vraagt.
GA 300A/116
Op deze blog vertaald/116

=

Es wird nach den Zeugnissen gefragt.

Dr. Steiner: Wir sprachen schon einmal darüber. Man müßte schon einzelnes hervorzuheben versuchen, aber nicht in pedantischer Weise. Man müßte versuchen, vielleicht doch am Anfang nur die Personalien zu haben, und dann für jedes Kind zu individualisieren. Daß man zum Beispiel schreibt: ,,E. liest gut, erzählt anregend”, und so, daß man sich selbst den Text bildet. (  )
 Jeder wird nach seinem Genius den Schüler charakterisieren. Wenn mehr Lehrer in Betracht kommen, muß jeder einschreiben. Aber es wäre wünschenswert, daß sich die einzelnen Aussagen nicht allzu stark widersprechen; wenn der eine sagt: ,,Er liest ausgezeichnet”, der andere auch etwas sagt, was dem entspricht. Nicht wahr, es fängt einer an, den Schüler zu charakterisieren, derjenige, der sein Klassen­lehrer ist. Die anderen schließen sich an. Es kann nicht gut der Klassenlehrer schreiben: ,,Es ist ein ausgezeichneter Junge”, und dann schreibt jemand anderes: ,,Das ist ein kleines Scheusal.” Das muß man schon verschmelzen.

Er wordt een vraag gesteld over getuigschriften:
Steiner: We hadden het er al eens over (blz.116). Je zou details naar voren moeten halen, maar niet pedant. Je zou moeten proberen, misschien aan het begin, de personalia te hebben en dan voor ieder kind te individualiseren. Dat je bv. schrijft: ‘E. leest goed, vertelt geanimeerd’, zo dat men zelf de tekst maakt.
Ieder kan naar zijn aard de leerling karakteriseren. Als er meer leerkrachten in aanmerking komen, moet ieder schrijven. Maar het is wel aan te bevelen dat de verschillende verwoordingen elkaar niet al te veel tegenspreken. De klassenleerkracht begint de leerling te karakteriseren; de anderen sluiten aan. De klassenleerkracht kan niet schrijven: ‘Hij is een  voortreffelijke jongen’ en dat iemand anders dan schrijft: ‘Dat is een boefje’. Dat moet je toch bij elkaar zien te krijgen.
GA 300A/147
Op deze blog vertaald/147

=

(  )  man kann es schon so fassen, indem man, ohne zu zensieren, charakterisiert, wie weit das Kind im Schrei­ben ist. Bei dieser kleinen M., da würde ich schreiben: ,,Hat es noch nicht weiter gebracht, als zum mühsamen Nachschreiben einfacher Worte, wobei das Kind sehr häufig unnötige Striche an die Buch­staben anfügt.” Die Kinder charakterisieren!

(   )  je kunt het zo opvatten dat je zonder cijfers te geven, karakteriseert, hoe ver het kind met schrijven is. Bij deze kleine M (kind) zou ik schrijven: ‘heeft het nog niet verder gebracht dan het overschrijven van eenvoudige woorden, waarbij het kind erg vaak onnodige strepen toevoegt aan de letters.’ De kinderen karakteriseren!
GA 300A/148
Op deze blog vertaald/148

=

Dr. Steiner: Es handelt sich darum, daß man die Sätze richtig faßt. Wenn man nicht gut individualisiert, was schwierig ist, dann wird man, wenn man die Sätze zu streng formuliert, sehr viele zurück­stoßen. Es würde sich schon darum handeln, wenn jemand ein großer Nichtsnutz ist, daß man schreibt es wäre dringend zu wünschen, daß er im nächsten Jahr sich zusammennähme. In der Formulierung würde manches liegen. Auch Mängel positiv ausdrücken, aber in bezug auf die Formulierung streng sein.

Da sind wir einig, daß wir die Zeugnisse ausstellen wie im vorigen Jahr. Ein möglichst treues Bild. Unten wiederum für jedes Kind einen Spruch ins Zeugnis, der für die Individualität des Kindes rich­tunggebend sein kann, als Leitmotiv für die Zukunft. Nun würde ich doch gerne haben, da das Kind dieses Zeugnis behält, daß auf jedem Zeugnis alle Lehrer unterschreiben, die tätig waren an dem Kinde. Gerne würde ich haben wollen, daß jedes Kind alle Unterschriften hat. Es ist nicht unbedeutend, daß die Kinder alle Unterschriften haben von den Lehrern, die an dem Kinde gearbeitet haben. Es soll der Name des Klassenlehrers daraufstehen und dabei auch stehen ,,Klassenlehrer”, so daß das Kind weiß: zu dem gehört es; und die anderen stehen darunter. Es wäre gut, wenn der Lehrer selbst den Text schreibt, der Klassenlehrer den längsten, und jeder andere Leh­rer eine kurze Bemerkung.

Het gaat erom dat de zinnen juist geformuleerd worden. Wanneer je niet goed individualiseert, wat moeilijk is, dan zul je, wanneer je de zinnen te streng formuleert, velen voor de borst stoten. Het gaat erom, wanneer iemand een grote nietsnut is, dat je schrijft, dat het te wensen is, dat hij zich het volgend jaar gaat concentreren. Aan het formuleren ligt heel veel.
Ook tekorten positief uitdrukken, maar streng zijn voor jezelf wat het formuleren betreft.

Een zo getrouw mogelijk beeld. Onderaan voor ieder kind weer een spreuk in het getuigschrift die voor de individualiteit van het kind richtinggevend kan zijn als motief  voor de toekomst.

Nu zou ik het ook graag zo zien dat ieder kind het getuigschrift houdt en dat iedere leerkracht die met het kind heeft gewerkt, zijn handtekening erop zet. De naam van de klassenleerkracht staat erop, als klassenleerkracht, zodat het kind weet bij wie het hoort en de anderen staan eronder. Het zou goed zijn, wanneer de klassenleerkracht zelf de tekst schrijft; de klassenleerkracht de langste en iedere andere leerkracht een korte opmerking.
GA 300A/285
Niet vertaald

=

Dr. Steiner: Schreiben Sie ins Zeugnis hinein, was wahr ist. Motivie­ren Sie genau, warum er zurück ist. Sie können das alles hineinschreiben.

Schrijf in het getuigschrift wat waar is. Motiveer  precies waarom hij (een leerling) achter is. Dat kun je er allemaal inschrijven.
GA 300B/63
Niet vertaald

=

Es waren beim Ausschreiben der Zeugnisse Irrtümer unterlaufen.

Dr. Steiner: Das ist ein Mangel an Ernst in der Behandlung der Zeugnisangelegenheit. Das ist eine unerhörte Schlamperei, die mit Ernst behandelt werden muß. Die Sucht, die Sachen zu entschul­digen, macht es noch schlimmer. Es ist etwas Unerhörtes. Wenn solche Dinge vorkommen können, da sind wir wirklich nicht im Betrieb der Waldorfschule darin. Wir haben kein Recht, von Zeug­nissen zu reden, wenn wir mit einer solchen schlampigen Weise vor die Welt hintreten. Das ist wirklich unglaublich. Wir kommen all­mählich hinein in einen Betrieb, der überhaupt nicht ernst zu nehmen ist. Ein Zeugnis, das ist ein Dokument! Wenn man sich so verschreibt – ich möchte wissen, in welchen Betrieb wir hinein­kommen.

Bij het schrijven van de getuigschriften waren er fouten ingeslopen.

Steiner: Dat is een gebrek aan ernst in de omgang met de getuigschriften. Het is een ongehoord geklungel dat serieus genomen moet worden. En de neiging de dingen te verontschuldigen, maken het nog erger. Het is ongehoord. Wanneer dit voorkomt zijn we echt niet in dienst van de vrijeschool. Wij hebben geen recht om over getuigschriften te spreken als we met zulk geklungel in de wereld verschijnen. Het is echt ongelooflijk. Zo komen we langzamerhand bij een zaak die niet ernstig genomen kan worden. Een getuigschrift is een document! Als men zich zo verschrijft, dan zou ik wel eens willen weten waar we terecht komen.
GA 300B/110
Niet vertaald

=

Eine Frage wegen der Zeugnisse.

Dr. Steiner: Über Zeugnisse ist nicht gar soviel zu sagen. Wie wir das erste Schuljahr hatten in der Waldorfschule, war es so, daß die Zeug­nisse wirklich reizend waren. Es war neu, einmal nicht mit Noten, sondern mit eigener Ausführung die Schüler zu bewerten. Von vielen Seiten wurde das als ungeheuer wohltätig empfunden. Die Sätze sind mit ungeheurer Liebe formuliert. Wenn Sie diese Zeugnisse heute vornehmen, sie sind aus Liebe formuliert.
Als ich aus Anlaß der einen Beschwerde die Zeugnisse anschaute, fand ich, daß nach und nach die Sache so gekommen ist, daß für eine große Zahl der Lehrer die Zeugnisse ebenso eine solche Last gewor­den sind, wie draußen in den Schulen, daß man froh ist, wenn man das hinschreibt. Es ist so, daß man sieht, daß keine Liebe mehr darauf verwendet ist. In der trockensten Prosa sind die Dinge formu­liert worden. Da ist es schon besser, wir führen 4, 3, 2, 1 ein. Wir müssen mehr Sorgfalt darauf verwenden, in die Formulierung mehr Phantasie hineinzulegen. Mehr Fleiß und Liebe sind anzuwenden, sonst artet es aus, so daß jemand zum Beispiel schreibt: ,,Kann zwar  noch nichts, wird aber schließlich besser gehen”, ,,benimmt sich ziemlich mangelhaft”, und so weiter. Das hat keinen Sinn mehr. Ich habe ja nichts dagegen; wenn es als eine zu große Last empfunden wird, so müssen wir in den sauren Apfel beißen und schulmäßige Zeugnisse ausstellen. Das wäre aber schade. 

Een vraag m.b.t. de getuigschriften:
Steiner: Over de getuigschriften is niet zo veel meer te zeggen. Zoals  wij het in het eerste jaar in de vrijeschool hadden, waren de getuigschriften werkelijk prachtig. Het was nieuw, nu eens niet met cijfers, maar met een eigen uitwerking van het waarderen van de leerlingen. Dat werd van vele kanten als buitengewoon weldadig ervaren. De zinnen zijn met enorme liefde geformuleerd. Als je die getuigschriften nu voor je neemt:  ze zijn met  liefde geformuleerd.

Toen ik naar een aanleiding van een klacht de getuigschriften bekeek, zag ik dat langzamerhand voor een groot aantal leerkrachten de getuigschriften tot net zo’n last  geworden zijn als elders in de scholen. Dat men blij is dat het opgeschreven is. Het is zo, dat je ziet dat er geen liefde meer bij komt kijken. In het droogste proza zijn de dingen geformuleerd. Dan is het maar beter dat we 10, 9, 8, 7 enz. invoeren. We moeten zorgvuldiger zijn, in de formulering meer fantasie toepassen. Meer vlijt en liefde, anders ontspoort het, zodat iemand bv. schrijft: ‘kan weliswaar nog niets, maar uiteindelijk zal het wel beter gaan’,  ‘gedraagt zich tamelijk onvoldoende’ , enz. Dat heeft geen zin meer. Ik heb er niets op tegen wanneer het als een te grote last wordt ervaren; dan moeten we door de zure appel heen bijten en schoolse rapporten uitreiken. Dat zou jammer zijn.
GA 300C/167
Niet vertaald

=

Man hat es ja nötig, dasjenige, was man mit dem Kinde in einem Schuljahre erarbeitet, festzustellen, wenn das Schuljahr abgeschlossen ist. Man nennt das heute: Zeugnis darüber ausstellen, ob und inwiefern das Kind das Lehrziel erreicht hat. In manchen Ländern wird die Art und Weise, wie das Lehrziel von dem Kinde erreicht worden ist in einem Jahre oder manchmal sogar in Zwischenpausen, den Eltern und den für das Kind verantwortlichen Menschen so mitgeteilt, daß man Zahlen aufgestellt hat: 1, 2, 3, 4; jede Zahl bedeutet, daß das Kind in bezug auf gewisse Gegenstände eine gewisse Fähigkeit erlangt hat. Manchmal, wenn man nicht weiß, ob eine 3 oder eine 4 das richtige Maß ausdrückt, wie das Kind diese Fähigkeit erreicht hat, so schreibt man 31/2 und manche Lehrer haben es gar zu der großen Kalkulationskunst gebracht, 31/4 zu schreiben. Ich gestehe Ihnen, daß ich diese Kunst, in solchen Zahlen die menschlichen Fähigkeiten auszudrücken, mir nie aneignen konnte.

Das Zeugniswesen in der Waldorfschule wird in einer anderen Weise gehandhabt. Gerade wenn der Lehrkörper, das Lehrerkollegium eine solche Einheit ist, daß jedes Kind in der Schule von jedem Lehrer in einem gewissen Sinne gekannt ist, dann ist es auch möglich, aus dem Ganzen des Kindes heraus ein Urteil über das Kind abzugeben. Daher sieht ein Zeugnis, das wir am Ende eines Schuljahres dem Kinde aus­stellen, so wie eine kleine Biographie aus, wie Aperçus aus, über die Erfahrungen, die man mit dem Kinde in und außer der Klasse während des Jahres gemacht hat.
Das Kind hat dann, und die Eltern, die verantwortlichen Vor-münder haben vor sich ein Spiegelbild desjenigen, wie das Kind in diesem Lebensalter ist. Und wir haben sogar in der Waldorfschule die Erfahrung gemacht, daß man herben Tadel in dieses Spiegelzeugnis hineinschreiben kann, die Kinder nehmen das mit Zufriedenheit auf.

Und dann schreiben wir in das Zeugnis noch etwas anderes hinein. Wir verbinden Vergangenheit mit Zukunft. Wir kennen das Kind, wissen, ob es in der Willenstätigkeit, im Gefühlsleben, in der Denkaktivität fehlt, wissen, ob die oder jene Emotionen prädominieren. Darnach for­men wir für jede einzelne Kindesindividualität in der Waldorfschule einen Kernspruch. Den schreiben wir in das Zeugnis hinein. Der soll eine Richtschnur für das ganze nächste Schuljahr sein. Das Kind nimmt diesen Kernspruch so auf, daß es immer daran denken muß. Und dieser Kernspruch hat dann die Eigenschaft, auf den Willen oder auf die Affekte oder Gemütseigenschaften in entsprechender Weise aus­gleichend, kontrollierend einzuwirken.
So hat das Zeugnis nicht nur einen intellektuellen Ausdruck dafür, was das Kind geleistet hat, sondern es hat eine Kraft in sich, es wirkt, bis das Kind wiederum ein neues Zeugnis bekommt. Aber gerade dar­aus können Sie entnehmen, wie genau man eindringen muß in die kind­liche Individualität, um bis zu einem gewissen Grade das Kind mit einem solchen tatkräftigen Zeugnisse zu entlassen.

Het is nodig datgene wat men met het kind in een schooljaar gedaan heeft, vast te stellen, wanneer het schooljaar afgesloten is. Men noemt dat tegenwoordig: een rapport daarover opstellen of en in welke mate het kind het leerdoel heeft bereikt. In veel landen wordt de manier waarop het kind het leerdoel in een jaar heeft bereikt, of soms in tussenrapporten aan de ouders en/of verzorgers zo medegedeeld dat men cijfers genomen heeft van 1 t/m/ 10; ieder getal betekent dat het kind m.b.t. bepaalde onderwerpen een zekere vaardigheid heeft verworven. Soms weet men niet of een 6 of een 7 het juiste niveau weergeeft van wat het kind aan vaardigheid heeft verworven, dan schrijft men 6  1/2 en sommige leerkrachten hebben het al tot de berekeningskunst gebracht om 6  1/4 te schrijven. Ik verzeker u dat ik mij deze manier om de menselijke vaardigheden uit te drukken nooit eigen heb kunnen maken.

Op de vrijeschool doen we het met de getuigschriften anders.
Juist wanneer de leerkrachtengroep zo’n eenheid vormt dat ieder kind op school door iedere leerkracht in zekere zin gekend wordt, dan is het ook mogelijk, vanuit het totale kind een oordeel over dit kind te geven. Daarom ziet het getuigschrift dat wij aan het einde van een schooljaar met het kind meegeven eruit als een kleine biografie, een kort overzicht, over de ervaringen die men met het kind in en buiten de klas gedurende het schooljaar heeft opgedaan.
Het kind heeft dan en de ouders en verzorgers hebben dan voor zich een soort spiegel van hoe het kind op deze leeftijd is. En we hebben op de vrijeschool ervaren dat je zelfs een milde terechtwijzing in dit spiegelgetuigschrift schrijven kan, de kinderen nemen dat tevreden aan.

En dan schrijven we in het getuigschrift nog iets anders.
We verbinden het verleden met de toekomst. We kennen het kind, weten of het op wils-, gevoels- of denkgebied iets tekort komt, of deze of gene gevoelens overheersen. Op basis daarvan maken we voor ieder individueel kind op de vrijeschool een kernspreuk. Die schrijven we in het getuigschrift. Die zou een richtingwijzer voor heel het volgende schooljaar moeten zijn. Het kind neemt deze spreuk zo in zich op, dat het er steeds aan moet denken. En deze spreuk heeft dan de eigenschap op de wil of op de gemoeds- of gevoelseigenschappen te werken.
Daarmee wordt in het getuigschrift niet alleen intellectueel uitgedrukt wat het kind gepresteerd heeft, maar het heeft ook een kracht in zich, het werkt, tot het kind weer een nieuw getuigschrift krijgt.
GA 305/152
Vertaald/164-165

=

Das versuchen wir in allen Einzelheiten, zum Beispiel auch durch das Zeugniswesen. Ich habe niemals im Leben mir einen Begriff ver­schaffen können davon, was das heißt, die Fähigkeiten eines Kindes entsprechen 2 oder 3 oder 2 1/2. Ich weiß nicht, ob man das auch in England macht, daß man bei den Zeugnissen Zahlen oder Buchstaben gibt, die andeuten sollen, was das Kind kann. In Mitteleuropa gibt man 3 oder 4. Solche Zeugnisse geben wir nicht, sondern bei uns kennt jeder Lehrer jedes Kind und beschreibt es im Zeugnis, be­schreibt, was es in seinen Fähigkeiten wirklich leistet, mit seinen eigenen Worten, mit seinen Fähigkeiten und mit seinem Fortschritt. Und dann geben wir jedem Kinde jedes Jahr in das Zeugnis hinein einen Lebensspruch, der ihm im nächsten Jahr ein Geleitwort sein kann. So sieht das Zeugnis aus: Zunächst steht da der Name des Kin­des und dann ein Lebensspruch; dann charakterisiert der Lehrer, ohne stereotype Buchstaben oder Zahlen, einfach wie das Kind be­schaffen ist, wie es in den einzelnen Lehrgegenständen vorwärts­gekommen ist. So daß das Zeugnis immer eine Darstellung ist. An diesen Zeugnissen haben die Kinder immer eine große Freude, und es bekommen auch die Eltern eine richtige Vorstellung von dem, wie das Kind sich in der Schule verhält.

Dat [de kinderen met het leven verbinden] proberen we  bv. ook door de rapportage. Ik heb van mijn leven nooit begrepen wat het betekent dat de vaardigheden van een kind overeenkomen met een 6 of een 6   1/2.  Ik weet niet of men dit ook in Engeland doet [de voordrachten werden gehouden in Torquay] cijfers of letters geven die moeten aangeven wat het kind kan. In Midden-Europa geeft men een 6 of een 7. Zulke rapporten geven wij niet, echter bij ons kent iedere leerkracht ieder kind en beschrijft het in het getuigschrift, beschrijft wat het werkelijk presteert; met eigen woorden de vaardigheden en de vooruitgang.

En dan geven wij ieder kind ieder jaar op het getuigschrift een levensspreuk die voor hem het jaar daarop een leidende gedachte kan zijn.
Zo ziet het getuigschrift eruit: eerst de naam van het kind en dan de spreuk; dan karakteriseert iedere leerkracht, zonder stereotype letters of cijfers,  simpelweg hoe het kind is, hoe het in de verschillende leergebieden verder gekomen is. Zodat het getuigschrift steeds een schets is. Aan de getuigschriften beleven de kinderen veel vreugde en ook de ouders krijgen er  een juiste voorstelling van hoe het kind in de school is.
GA 311/127
Op deze blog vertaald/127
.

Getuigschriften: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

Het is niet alles goud wat er blinkt: getuigschriften

Vrijeschool in beeld: alle beelden
.

159-152

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (11)

.
Michiel ter Horst, nadere gegevens ontbreken
.

HEMELVAART EN PINKSTEREN
.

In het hartje van Alphen, hoog boven het fietspad van de Prins Bernhardlaan,  zat vanavond jubelend en jodelend een nachtegaal te zingen. Te zingen! De vreugde spatte eraf! In klanken was het even stralend als de aanblik van een bloeiende appelboom. Even sprankelend als alle bloeiende en uitbottende bomen. In de zomer van het vorige jaar hebben zij in hun bladerkroon zonne-energie verzameld en in de vorm van opgeloste suikers of zetmeel naar beneden gestuurd. Vanuit de bladeren omlaag door twijgen en stam tot in de onder­aardse opslagplaatsen: de wortels.

Bij aardappels, uien, bloembollen, winterwortels enzovoort, ontstaan zelfs ondergrondse zwellingen. Maar ook iedere andere vaste plant of boom slaat geweldig veel zonne-energie op in zijn wortels.

De vroege krokusjes en sneeuwklokjes zien daardoor kans om dwars door de laatste sneeuwvelden een gaatje te smelten. (Het lijkt soms: duwen. Maar het is werkelijk een smelten, met behulp van in het bolletje bewaarde zonnewarmte).

In de winter leven bomen en planten het sterkst onder de grond. Maar nu, in de lente, komen ze haast als een fontein naar buiten. Wie even afstapt van zijn fiets of stopt bij een plantsoen of tuin kan het rondom bemerken. Dat is de tijd van de Pinksterbloemen en de bloeiende bomen. Dat is de Hemelvaart van de natuur.

Zit ik nu te overdrijven? Is Hemelvaart niet iets wat in hoger sferen thuishoort…?

Niet als we het Bijbelverhaal  (Handelingen, eerste hoofdstuk) erbij halen: “Wat staan jullie daar naar de hemel te kijken”, krijgen de leerlingen te horen. Blijkbaar zoeken ze Christus veel te hoog. Hij was voor ze aan het oog onttrokken “in een wolk”, vooral in woestijnlanden bij uitstek het symbool van regen en leven in de natuur. Hij trekt zich terug vanuit de zichtbare wereld tot in de levenskrachten van de aarde.

Zoals de bloesems na hun “hemelvaart” in zon en frisse lucht en licht door ijverige insecten of rondwaaiend stuifmeel bestoven worden, zodat de vruchtzetting kan beginnen, zo kunnen ook wij daar buiten wandelend, of spelend met de kinderen, een stukje “bovenaardse” of hemelse inspiratie vinden, waardoor er in ons iets kan gaan rijpen. De hemel moet je dan niet ergens onbereikbaar hoog boven de wolken zoeken, maar rondom ons, in de levenssfeer van de aarde. Zo kan je iets van Pinksteren beleven. De levenssfeer van de aarde is iets heiligs. Dat weet iedereen die vergif in de oceaan dumpt, of pesticiden over zijn land spuit, want het knaagt aan zijn geweten.  Daarom ook heeft de biologisch-dynamische landbouw zo’n belangrijke opgave: zij wil in harmonie met het levende kleed van de aarde werken. De natuur niet uitplunderen.

De levende natuur herkennen als iets van jezelf of jezelf herkennen als deel uitmakend van het lentelicht, dat is een soort bevruchting, dat is een stukje Pinksteren.
.

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld:Pinksteren – jaartafels
.

158-151

.

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (10)

 .
W.M. nadere gegevens onbekend
.

PINKSTEREN

Nog even, en dan is het weer Pinksteren. Het feest van de vrijheid!
Op de kleuterschool zijn de voorbereidingen al in volle gang. De kinderen genieten van de voorpret.
De kransen zijn gevlochten, de pinksterblom (bruid) is aangewezen en vol ongeduld wordt nu uitgekeken naar de dag van het feest. Thuis en op school weerklinkt het fraaie lied van de pinksterblom:

Hier is onze fiere pinksterblom
En ik wou hem zo graag eens wezen
Met zijn groene kransen om het hoofd
En met zijn klinkende bellen.
Recht is recht.
Krom is krom.
Belief je wat te geven voor de fiere pinksterblom?
Want de fiere Pinksterblom moet voort.

De zegekrans om het hoofd is het beeld van ‘gloria’, wat in het Nieuwe Testament het Latijnse woord is voor “ver­heerlijking, openbaring”.

De klinkende (zilveren) bellen zuiveren de atmosfeer. De duivel is voor dat gerinkel even bang als voor klokgelui. Recht is recht: mineralen, stoffen zonder leven, zijn recht en hoekig. Krom is krom: levende wezens, planten, dieren en mensen vertonen gebogen, kromme lijnen. Zo is “recht” “dood” gaan betekenen en “krom” “leven”. De weg naar het geestloze is breed en lijnrecht, het pad naar de hemel van de geest krom en bochtig.

Wilt u uw gedachten en daden “geven” aan de mensheid? Want zij moet voort, het licht tegemoet.

Ook thuis kunnen we reeds beginnen met het maken van papieren bloemslingers. Slingers van echte bloemen maken we pas later, met het St.-Jansfeest. De papieren bloemen maken we bij voorkeur van zijdevloeipapier met zijn mooie, zachte kleuren. Hiervoor knippen we cirkels in verschil­lende maten. Twee blaadjes op elkaar leggen, in het midden bij elkaar nemen en ronddraaien. Daarna de bloemetjes aan een lange draad rijgen. Eventueel kunt u er kleine belletje tussen hangen, die bij het kleinste zuchtje wind zachtjes gaan klingelen.
.

Aanvulling: (met dank)
Hallo Pieter,
Hier nog een aanvulling op wat je hebt verzameld over het pinksterfeest.
Het is het feest van de toekomst. De symboliek van de pinksterbruid en de pinksterbruidegom is in die zin heel mooi.
De bruidegom vertegenwoordigt de Christus die in het huwelijk treedt met de mensheid (de bruid). Dit als vooruitblik van het stichten van het nieuwe Jeruzalem als de Christus terugkeert naar de aarde en daadwerkelijk zich verbindt (in het huwelijk treedt) met de mensheid. Zo gezien is het pinksterfeest een van de twaalf pinkstermysterien die mooi beschreven en uitgelegd worden door Stefan Lubienski in zijn voordracht over het twaalfvoudig pinkstermysterie. Het boekje van deze voordracht is te bestellen bij :
van Spronsen
Watersnip 11
3755GK Eemnes tel: 035-5314555
Als dit adres tenminste nog relevant is.
Groeten van Peter Le Cocq.
.

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld:Pinksteren – jaartafels

 

157-150

.

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (9)

.

RECEPTEN
.

Frédérique Wedekind en Julio Wiertz, nadere bron onbekend
.

“Brood nodig.” 
Uit de Bijbel kennen we al de verhalen over “koeken” of broden. Waarschijnlijk waren de  Egyptenaren de eersten die gerezen deeg maakten en dat doorgaven aan de Oude Grieken. De Romeinen maakten verschillende broodsoorten (van diverse soorten graan) en gaven die kennis door aan de Noord-Europese volkeren,  die een dikke brij aten van gebroken graankorrels, en van de Romeinen het gebakken brood leerden kennen. Door alle culturen heen klinkt de dankbaarheid voor het brood op: dankrituelen, oogst- en gebedsbijeen­komsten en brooduitdelingen.

Altijd is er blijdschap, eerbied en dankbaarheid ge­weest voor het geschenk van het ons voedende graan dat eetbaar en smakelijk te maken is. Ons lichaam dat is opgebouwd uit de (soms schijnbaar levenloze) wereld om ons heen heeft stoffen en kracht nodig uit deze wereld om zich telkens te vernieuwen. Om als mens op aarde te kunnen zijn en te werken, zijn we door ons fysieke stukje afhankelijk van, en dus dankbaar vóór ons dagelijks brood. Zijn we ons dat nog wel bewust?

Er zijn oeroude, heilige tekenen die met de broodvormen, smaken en versieringen verbonden waren.

Bijna oeroud is dit recept van pinksterbollen, die heer­lijk zijn als je in de stoet van de pinksterblom loopt:

Luilak- of pinksterbollen
Het zijn kleine rozijnenbolletjes die ca. 2 cm van elkaar op een groot bakblik gelegd worden. Door het rijzen slui­ten zij aan tot een geheel en na het bakken worden ze van de plak afgescheurd.

Benodigdheden:
250 g bloem (gezeefd).
20 g gist
5 g zout,
2 eetl. suiker
65 g boter (gesmolten)
200 g rozijnen
1 dl lauwe melk

Zeef het meel in een kom,
maak in het midden een kuiltje, waarin u de met wat melk opgeloste gist giet.
Hiervan even een papje roeren en laten rusten.
Om de buitenrand strooit u het zout.
Als het gistpapje belletjes vertoont, giet u van binnenuit de lauwe melk al roerend toe en daarna de gesmolten boter en de suiker.
Meng alles tot een stevige bal en laat het deeg onder een theedoek op een warme plaats ca. 1 uur rijzen.
Daarna legt u de bal op een flink met bloem bestoven aan­recht en gaat het kneden met de rozijnen tot het een mooi rubberachtig deeg is.
Vorm er een rol van en snijd deze in gelijke plakken die u tot bolletjes vormt en op een bebo­terd bakblik legt (2 cm van elkaar).
Nu onder een thee­doek laten narijzen (15 minuten) en bakken op 175º  in ongeveer drie kwartier.
Het brood is gaar als het hol klinkt als je er op tikt.

Met onze kleuters en peuters wordt op school regelmatig zelf brood gebakken. Vooral bij de jaarfeesten wordt er veel gebakken. Voor het Michaëlsfeest bakken we een z.g. “drakenbrood” met appels en rozijnen (oogstfeest).
In de kersttijd: koekjes en kerstbrood. Het driekoningenbrood met de twee witte en een bruine boon er in.
Met Palmpasen de haantjes die bovenop de palmpaastokken komen en met Pasen het paasbrood.
Maar tussen de feesten door bakken we regelmatig bruine bolletjes of een heel brood dat in plakken gesneden wordt.

Hier nog enkele voorbeelden van feestbrood:

pinksteren 20

Het is heel waardevol voor de ontwikkeling van jonge kinderen om oude ambachten (oerbewegingen van de mens) zelf te ervaren. Brood bakken is er een van. Het geeft voldoening en het is heel leuk om in de oven het brood te zien rijzen. Dan gaat het lekker ruiken en daarna mag je het warme brood nog eten ook!

Bij de bakker ligt natuurlijk ook veel lekker brood, maar zelf maken geeft een extra dimensie.
Wij bakken op school meestal met volkorenmeel opdat er goed gekauwd kan worden. Gezond voor het gebit en de spijsvertering, maar ook voor de ontwikkeling van de spraak en het hele wezen van het kind. Er wordt steeds meer thuis gebakken en dat is toe te juichen.
Er zijn veel boeken over voeding en brood die kunnen helpen bij het zich eigen maken van het broodbakken.
In het boek “Gezond lekker eten” van Vreni de Jong en Irmela Keiling staan vele waarde­volle dingen.

Tot slot nog wat spreekwoorden en gezegden om aan te geven hoe belangrijk ons dagelijks brood is:

Broodnodig.
Het brood verdienen.
Geen droog brood op de plank hebben.
Broodmager.
Ergens geen brood in zien.
Zoete broodjes bakken.
Om den brode.
Op zijn brood krijgen.
Wiens brood men eet,  diens woord men spreekt.
Op water en brood leven.

Tafelspreuk:
De aarde doet het groeien,
De zonne doet het bloeien,
Rijp wordt het door de regen,
Drievoudig draagt het zegen.
.

M.Gerretsen in ‘Vrijblijven, schoolkrant vrijeschool Den Haag, jaartal onbekend.
.

Luilakbollen
220 gr. bloem
110 gr. roggemeel,
2 dl water

10 gr. gist
5 gr zout gistdeeg
100 gr. krenten
50 gr. rozijnen

Laten rijzen,
krenten en rozijnen erdoorheen werken
en nogmaals 15 min. laten rijzen.
Het deeg in stukjes van 30 gr. verdelen, deze rond opbollen en op een beboterd bakblik een weinig platdrukken en er met een schaar langs de omtrek op gelijke afstanden vier inkepingen in maken.
10 minuten laten narijzen,
met losgeklopt ei bestrijken en in een hete oven in ca. 15 min. gaar bakken.

Luilakbollen worden met stroop gegeten.

.
 W.M., nadere gegevens onbekend

Pittabrood

=Zeef bloem en zout in een ruime kom; maak in het midden een kuiltje. Roer de gist glad met wat lauw water en voeg de rest van het water toe.
=Voeg het gistmengsel ineens aan de droge ingrediënten toe en kneed het tot een stevig, soepel deeg.
=Keer het om op een met bloem bestoven werkblad en kneed het 10 minuten door met bloem bestoven handen tot het glad en soepel is en makkelijk loslaat van de kom.
=Maak er een bal van, doe die in een ingevette schaal en dek deze af. Laat staan tot het deeg tweemaal zo groot is geworden en terugveert als erop wordt gedrukt.
=Keer het deeg om op een met bloem bestoven werkblad en
kneed het 2-3 min. licht door.
=Verdeel het deeg in 8 gelijke stukken en kneed ze licht door. Vorm van elk stuk een bal.
=Rol elke bal uit tot een ovaal van halve cm dik. Leg ze op een bakblik.
=Dek de pitta’s af en laat ze staan tot ze sponsachtig zijn. Verwarm in de oven 2 bakplaten.
=leg op elk bakblik 2 pitta’s, bestrijk ze met koud water en bak ze 10 min. bij 220 C  (stand 5)
=Laat op een rooster afkoelen, terwijl de rest wordt gebakken. Maak elke pitta na het bakken aan een kant open en vul ze met een Griekse salade.
.

 W.M., nadere gegevens onbekend

Griekse salade
1 struikje andijvie
1 kropje bindsla
1 komkommer
2 grote tomaten
175 gr. zwarte olijven (zonder pit)
100 gr. feta (schapenkaas),verbrokkeld
50 gr. ansjovisfilets, uitgelekt
2 voorjaarsuitjes, gehakt
2   eetlepels kappertjes

saus:
1 dl olijf- of zonnebloemolie
3  eetlepels rode wijnazijn
1 theelepel oregano
½ theelepel zout, snufje peper

  1. Was andijvie en sla grondig, laat ze uitlekken en droog ze af. Snijd de groenten in dunne reepjes, leg deze in een grote slakom.
  2. Snijd de komkommer in dunne plakjes en de tomaten in partje
  3. Doe komkommer, tomaten, olijven, kaas, ansjovis, ui en kappertjes in de slakom.
    Vermeng de ingrediënten voor de saus,  schenk deze op de salade en schep alles door elkaar,

Tezamen met volkoren- of walnootkoekjes en vruchtensap heeft u dan alle ingrediënten voor een fijne picknick..

Gaspacho

1 komkommer
500 gr. tomaten
100 gr. groene paprika’s
50-100 gr. uien
1  gepeld knoflookteentje
3 eetlepels olie
3  eetlepels (wijn)azijn
4  dl tomatensap
2  eetlepels tomatenpuree zout
reepjes komkommer

=Maak komkommer, tomaten, paprika’s, uien en knoflook schoon, hak ze grof.
=Vermeng de groente in een ruime kom met de overige ingrediënten.
=Pureer het mengsel in een elektrische mengbeker.
= Giet het mengsel terug in de kom.

Serveer koud met reepjes komkommer.

 

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld:Pinksteren – jaartafels

 

156-149

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (8)

.
 Kleuterleidsters, nadere bron onbekend
.

OVER PINKSTEREN
.

Voor kinderen onder de 12 jaar is de christelijke uitleg voor Pasen, Hemelvaart en Pinksteren minder toegankelijk. We kunnen deze feesten beter via de weg van de natuur met hen vieren.

Met Pasen ontspringt nieuw leven uit een schijnbaar dode natuur. Hemelvaart: de natuur richt zich op, knoppen ontsluiten zich en er komen bloemen. Pinksteren: de vruchtzetting vindt plaats en het leven kan dus voort­gang vinden. (Volgend jaar komt alles weer opnieuw.)
In oude gebruiken komen verschillende beelden steeds weer boven. Zowel de heidense natuurfeesten (zoals pinksterbruid en -bruidegom, pinksterkroon en -krans, meiboom en meitak) als de christelijke symbolen (zoals witte duif, witte vogel). Deze oude gebruiken zijn goed om in het jaar mee te nemen.

Bruid en bruidegom als beeld van de aarde die zich als bruid tooit opdat het leven zich voortzet. Symbool van nieuwe groei- en bloeikracht in de natuur. Het woord “Pinksteren” is afgeleid van Pentacoste (Gr. Pentecote) dat vijftigste dag betekent – vijftig dagen na Pasen.

In sommige streken in Nederland wordt intensief “luilak” gevierd, de zaterdag voor Pinksteren. Oorspronkelijk was dat de nieuwe mysterie-ingewijde, die door priesters in een doodsslaap was gebracht, na de 3e dag daaruit was gewekt en daardoor helderziend was geworden.
Vooral aan de Zaan (o.a. Haarlem, Beverwijk) worden d.m.v. herrie van pannendeksels de “langslapers” wakker gemaakt en wordt een nacht(planten)markt gehouden. In veel gezinnen wordt dan ontbeten met “luilakbollen“. Interessant is, dat de versiering voor Pinksteren (behalve enkele bloemen als pinkster- en boterbloemen en fluitenkruid) altijd van papier wordt gemaakt. Echte bloemen zien we met het Sint- Jansfeest.

Witte duif, witte vogels wijzen ons de weg wanneer we in ons leven niet meer verder kunnen. Veel sprookjes vertellen hierover: Hans en Grietje, Assepoester, Jorinde en Joringel. Maar ook het ganzen­bord vertoont de spiraal: de gang door een mensenleven met hindernissen en een witte vogel (gans) die de weg wijst.

Het pinksterfeest op de kleuterschool wordt gevierd op de wijze waarop het in vele streken in Nederland nog gevierd wordt. De “oudste” kleuters worden pinksterbruid (in het wit) en bruidegom (rood*), respectievelijk bruidsmeisje of boogdrager. Achter hen gaan alle kleuters in crêpepapieren jassen en met versierde kransen en hoeden als bruid en bruidegom.

We lopen dan zingend door de buurt en bij aankomst komen we allen bij elkaar opdat bruid en bruidegom nog wat trakteren. Vooral het kleden van de bruid aan het begin van het feest is een plechtig moment, waarop menigeen een brok in de keel krijgt.

Het meest gezongen Pinksterlied** is dit:

‘Ziet hier komt de fiere Pinksterblom
en ik zou hem zo graag eens wezen.
Met die mooie kransen in het haar
en met die rinkelende bellen.
Recht is recht, krom is krom,
belief je wat te geven voor de fiere Pinksterblom,
want de fiere Pinksterblom moet voort.’

*meestal zwart

**zoals dat gaat met liedjes die maar steeds en steeds van jaar tot jaar worden gezongen: er sluipen allerlei kleine (woord) varianten in:

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld:Pinksteren – jaartafels

 

155-148

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (7)

.
P.C Veltman, vrijeschool Leiden
.

HET SCHOOLJAAR LOOPT TEN EINDE
.

Na Pasen komt Pinksteren. Dan zijn we alweer in juni, de schone junimaand met de lange avonden en de geurige rozen. Dan duurt het nog een volle maand voordat de vakantie be­gint. Die tijd is hard nodig voor de getuigschriften. Het is een soort eindspurt. Vroeger bleef ik de laatste nacht op.
Al werkend zag ik het langzaam lichter worden en ik hoorde, hoe de vogels in groepen aan het trilleren, kwinkeleren, zingen en fluiten sloegen. Het dóórwerken werd al moeilijker. Hoe mooi fluiten die eerste zanglijsters! En hoe ondeugend nemen de spreeuwen het na een tijdje over. Dan volgt het eenvoudige maar trouwe mussenkoor: tsjiep, tsjiep, tsjiep-tsjiép, en steeds door: tsjiep, tsjiep, begeleid door een paar bescheiden zachte tuinfluiters, fitissen, tjiftjafjes en andere minder bekende beestjes. Het is dan al geheel licht geworden. Een onbescheiden kauw en een eentonig duifje voegen zich erbij. Of een verstrooide nachtegaal, die ver­geet, dat de nacht voorbij is.

Ook de rozen doen hun uiterste best in die tijd. ’s Nachts rook je dan die heerlijke rozengeur. Veel lekkerder dan bij de bloemist. Geuren zijn blijkbaar niet te kweken.

Het op een na laatste feest staat voor de deur: Pinksteren, een verbastering van pentakostos of “vijftigste dag”  in het Grieks. Dat wil zeggen, dat de vijftigste dag na de Opstanding is aangebroken, tien dagen na de hemelvaart. Wanneer men het Paasfeest al moeilijk vindt om te vieren, nu dan is het Pinksterfeest nog veel moeilijker. Het feest zelf is oeroud als natuurfeest. Dan werden de ‘eerstelingen’ aangeboden. Maar een echt natuurfeest is Pinksteren niet. Velen willen dat er in zien, maar ze vergeten, hoe weinig verschil er dan zou zijn met het eierfeest van Pasen. De bleek-lila pinksterbloemen en de vet-gele pinkster­lammetjes van boter zijn natuurlijk heel lief, maar vol­doende is het niet. En veel weet men van Pinksteren niet af. Sommigen trachten er iets over op te zoeken in de Evangeliën en zijn verbaasd, dat daarin niets over Pinksteren staat.

Neen, er staat iets in de “Handelingen der Apostelen”. En het is het eerste feest, waarbij de Christus uiterlijk ge­zien geen duidelijke lichamelijkheid toont. Er is wel sprake van vuurverschijnselen, vurige tongen, die nederdalen op de hoofden van de apostelen. Zij kunnen plotseling spreken in alle talen die in de menigte aanwezig waren: Er vaart een geestesstorm door de menigte. In de geest verstaat men elkaar. De apostelen worden aangeraakt, zij beleven de Christus van binnenuit. Daarmee krijgen zij ook hun opdracht. Pinksteren is een geest-feest, een bewustzijnsfeest.

Daar wordt een tipje van de sluier opgelicht van het raadsel, waarom Pinksteren een zeer oud, maar tegelijkertijd een heel jong feest is.

Een feest, dat de mensheid zal moeten leren vieren. Wij wensen u een goede Pinkster toe.

.

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Pinksteren – jaartafels
.

154-147

.

.l

.;

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (6)

.
(bron: gegevens onbekend)
.

PINKSTEREN VANUIT DE KLEUTERSCHOOL

.
 

Als het liefdevolle licht de aarde heeft gewekt, dan vieren we Pinksteren. Lang geleden was er in deze tijd een mei­koningin. Ze werd mooi versierd en was op die manier het beeld van de bloeiende aarde. De bruid wordt getooid met papieren bloemen en linten. Ook draagt zij bellen. Het gerinkel zuivert de lucht van boze machten. Onder de pinksterkroon (de hemel) gaat de pinksterbruid op weg met haar gevolg. Vele bruids­meisjes en jonkers vergezellen haar op haar pad. De jonkers dragen een versierde stok in hun hand, de zogenaamde bruiloftstok. Zingend trekken ze door de  straten. Dankbaar voor de levenskracht richten de mensen een meiboom op en dansen er religieuze dansen omheen.

Pinksteren wordt gevierd als een feest van de liefde. Liefde en vrijheid horen bij elkaar. In tegenstelling tot mineralen, planten en dieren kan de mens zelf keuzes maken. Als mens heb je het vermogen door je geest vrij te worden. Zo is pinksteren een bewustzijnsfeest.

In de kleuterklas beleven we het pinksterfeest als bruilofts­feest, het huwelijk als hervonden eenheid, de bruid getooid om de aarde te ontvangen.

In de klas merk je ook dat dat feest heel bijzonder beleefd wordt. Zo’n ochtend…….

Lichtend speelt de zon haar stralen door de klas. Een kring vol dromerige ogen, een wakker ventje roept: “Daar komt de bruid”, het bruidje, dat in zachtgeel gekleed aan de hand van een vertederde moeder de klas binnenkomt. Vederlicht neemt het bruidje plaats op de troon. Weer roept het wakkere stemmetje: “De bruidegom.” Roffelende voeten tikken door de gang. Eerst een beetje stram stapt de blauwe bruidegom naast zijn vriendje de klas in, mamma’s hand hoeft hij niet; met stevige stappen stevent hij recht op de troon af, klimt erop en zit naast de bruid. Zijn hoofd een beetje verlegen en trots kijkt hij de klas rond.

De hele ruimte is een stille verwondering. Een feest beleefd met zoveel liefde, zon en eenheid.

Straks is het weer Pinksteren.

.

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Pinksteren – jaartafels

 

153-146

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (5)

.
P.C.Veltman, vrijeschool Leiden, nadere gegevens onbekend
.

PINKSTEREN

.

Merkwaardig is het Pinksterfeest! Het is aan de ene kant een oer-oud natuurfeest. Maar ontegenzeggelijk is het ook een christelijk feest. Vraagt men echter, hoe je dat vieren moet, dan blijven zeer velen het antwoord schuldig. Behalve de kleuters.
Zelfs het woord “Pinksteren” laat niet dadelijk raden waar het vandaan komt. Een “pink” is een kleine vinger of een jonge koe. Dat brengt ons niet veel verder. ‘Pfingsten‘ in het Duits geeft het vermoeden weinig voedsel. In het Engelse taalgebied zou “Whitsun” alleen iets zinvols kunnen betekenen, wanneer het woord ‘wit'(= geest) oor­spronkelijk met een ‘h’  geschreven werd. Tegenwoordig betekent ‘whit’ niemendal. Geen zier dus. Anders was het ‘Geest-zon ‘, en daarbij laat zich wel iets denken. Het Franse ‘Pentecôte’ is een duidelijke samentrekking van  het Griekse ‘pentèkostos’ dat ‘vijftigste’ betekent en tevens de band met het paasfeest vastlegt. Pinksteren, de uitstorting van de Heilige Geest, is namelijk op de vijftigste dag na Pasen, het Opstandingsfeest. En, hoewel Pinksteren zo’n echt Hollandse, wat boerse klank heeft, moeten we toch voor de taalkundige afleiding bij het Griekse woord ‘pentèkostos’ zijn, waarmee het de klanken p-n-k-s~t gemeen heeft.

Heeft de indaling van de Geest – als vurige tongen – iets gemeenschappelijks met het oude natuurfeest? Zijn het oude natuuraspect en het christelijk-religieus aspect zo verwant, dat zij Pinksteren tot een dubbel ‘geest-feest’ maken?
Nu, het kost weinig moeite om van het oude natuurfeest alleen nog iets mee te beleven. Ook in onze dagen. Pinksteren is een bloemen- en een bloesemfeest. Heerlijk is het immers om na de strenge, strakke, stijve en bazige dwang van de winterkou het gevoel te krijgen, dat men vrijer en onbezorgder kan ademen.
En wanneer men dan ziet, hoe in de natuur al het verstarde los wordt, hoe de sappen gaan stromen, de knoppen gaan zwellen, de aarde gaat geuren en de bloei verrassend snel inzet, dan geeft dat een warm en feestelijk gevoel. Wat een feest, al die openbarstende knoppen, die kleurige bloesems aan het donkere hout toveren. Geel, roze en wit, overal bloesems, van kleine kersen­bloemetjes tot grote tulpvormige magnoliakelken. Lauwe lucht en stralende zonnewarmte helpen stevig mee. Het zijn toch duidelijk krachten uit een andere wereld, een sterrenwereld – de zon is immers ook een ster – welke de serieuze, ijverige groeivorming van de aarde aanraken. Natuurlijk, we vinden alles heel gewoon. Ja, ’t gebeurt toch ieder jaar? Maar is het eigenlijk niet iets bijzonders? De oude voorstelling, dat van de planten de Aarde de moeder is en de Hemel de vader, is eigenlijk een heel bruikbaar beeld voor een wonderlijke werkelijkheid.
Waar de Aarde een plant aanbiedt en naar boven richt, ontstaat de bloem als een kus van de sterrenwereld. De meeste bloemen zijn dit niet vergeten en bootsen in hun vormenspel trouw de sterrenwereld na.
Denkt u eens in: zo’n harde, stekelige cactus in een doodse, gloeiend-hete woestijn. Neem aan, dat u deze plant niet kent. Zou u dan ooit op het idee komen, dat dit vrij lelijke, starre stuk stekelige aarde zo’n grote, tere, prachtig gekleurde bloem zou vertonen?
Neen, dat idee zou u niet krijgen!
Nu, dan kost het ook minder moeite bij het overdenken van dit verschijnsel om iets te beleven van de aanraking door de andere wereld van hogere vorm-, licht- en warmte­krachten.
Pinksteren laat zien hoe de natuurgeest de aarde tot een bloemenfeest maakt.

Voor de mens echter geeft de natuur een beeld aan de ziel, wat het is om aangeraakt te worden vanuit een hogere wereld. De mens opent zijn hart voor de zon als een bloem. Wat voor de plant van de zon komt, is datgene wat de bloem de nodige warme vruchtkracht geeft. In het menselijke is dit echter een beeld voor de vurige tongen van de geest, die zich tien dagen na de hemel­vaart vertoonden op de hoofden der apostelen, die toen zich pas bewust werden, dat de Christus in hen leefde voortaan, zodat zij hun taak om de boodschap van de Christus aan alle mensen en volken te brengen konden gaan uitvoeren.
Pinksteren is een heel oud en een heel jong feest. Een jong feest is een feest, waarmee men nog niet veel raad weet en dat men in de verre toekomst pas goed zal kunnen vieren.
Zoals de bloem zich opent voor de zonnekracht, zo zou de mens kunnen vieren, dat hij zijn ziel voor de Geest leert openen.
Een tweeledig Geest-feest dus.

Wij wensen u allen een heel goede Pinksteren!

.

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Pinksteren – jaartafels

.

152-145

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (4)

.
Annet Schukking, ‘Jonas”20, 29 mei 1987

 

ONGRIJPBAAR PINKSTEREN

 

Het enige dat van Pinksteren is overgebleven zijn de vrije dagen. Is dat nu Pinksteren?

Zo lang ik me herinneren kan, was het met Pinksteren mooi weer. Het was de eerste keer dat je weer een paar dagen helemaal buiten doorbracht, overgegeven aan en opgeno­men in de duizendvoudige luister van de bloeiende huid van de aarde en het uitbundig gejuich van de vogels dat al in de vroege ochtendschemering veelstemmig losbrak. Een voorproefje beleefde je al met Hemelvaart. Vroeger ging je dan ‘dauwtrappen’. Om vier uur op, een grote wandeling maken, de zon zien opkomen. Ook op de zaterdag vóór Pinksteren was er zo’n matineuze stemming. Kinderen trokken zingend en rammelend met bussen en deksels langs de huizen, de bakker bakte luilakbollen en anderen gingen naar de luilakmarkt, de gro­te, bonte bloemenmarkt in Haarlem of el­ders. Wie in de stad woont, heeft nu op vrijdag zijn spullen bij elkaar gepakt, bood­schappen gedaan, de tassen volgestouwd en is weggereden naar ergens buiten. Wanneer je dan je plekje gevonden hebt, je tent opge­zet, de omgeving verkend en, enigszins tot rust gekomen, begint te genieten van al het moois dat zich daar zo overvloedig presen­teert, dan kan de vraag bij je opkomen waar­aan je deze vrije dagen nu eigenlijk te dan­ken hebt, de vraag wat Pinksteren nu eigen­lijk is. En daaraan aansluitend hoe je dat viert.
Van de drie christelijke jaarfeesten die nog met vrije dagen geëerd worden: Kerst­mis, Pasen, Hemelvaart, Pinksteren, ligt Pinksteren wel het minst duidelijk in het bewustzijn. Kerstmis heeft nog zoveel traditie, spreekt ook nog in zijn beelden zo gemakkelijk aan: de geboorte van een kind — het is iets dat dagelijks gebeurt. Herders en koningen — in ons land bestaan ze nog. Sterren willen in de donkere winter­nacht ook wel eens zichtbaar zijn en met wat goede wil wor­den de engelen voor deze keer geaccepteerd. Het kind in de mens wordt meegeboren. Vandaar misschien ook dat het zo’n typisch familiefeest is.

Pasen wordt al moeilijker. Het sterfproces dat noodzakelij­kerwijze aan de opstanding voorafgaat, wekt weinig sympathiegevoelens, de opstanding zelf is een mysterieus gebeuren dat pas door veel inspanning enigszins begrepen kan wor­den. Hoewel het centraal staat in de mens­heidsgeschiedenis, de hele mensheid aan­gaat, is het dan toch ook een aangelegenheid waar de mens sterk individueel mee te ma­ken heeft. Woorden als: ‘Zie de mens’ en ‘Ik ben’ wijzen daar ook op. De verhouding die je als mens hebt tot het mysterie van Golgotha en opstanding is een zuiver persoonlijke zoals ook het sterven van een mens een heel individueel beleven is dat, zelfs al gebeurt het massaal, toch een gang door de eenzaamheid is. In het spannings­veld tussen geboorte en dood, in de worste­ling om met het mysterie van de opstanding verder te komen, van Kerstmis naar Pasen, groeit de mens innerlijk naar volwassenheid. Wat is het kenmerkende van Pinksteren? Je vindt hier maar weinig aangrijpingspun­ten in de cultuur, weinig traditie, behalve wat folkloristische gebruiken hier of daar, die ondanks de soms daarin aanwezige ver­borgen wijsheid tot nu toe weinig kans zien om weer echt levend te worden. Ook in de evangeliën vind je niets vermeld over Pink­steren. Pas in de daarop aansluitende ‘Han­delingen van de apostelen’ wordt er beknopt iets over gezegd:
‘De apostelen waren bijeen op de dag van Pinksteren. Toen ontstond er uit de hemel een geluid als van een geweldi­ge windvlaag (…); hun verschenen tongen als van vuur die zich verdeelden en zich op ieder van hen neerlieten. En zij werden allen door de Heilige Geest vervuld en begonnen met andere tongen te spreken. (…) ‘

De apos­telen kunnen zich na deze gebeurtenis plot­seling aan anderstaligen verstaanbaar ma­ken. En met deze ‘andere tongen’ beginnen zij het leven, de dood en de opstanding van Christus te verkondigen en gemeenten te stichten.

Het is een prachtig en sterk beeld dat zeker aanspreekt. Kun je daar ook iets mee als je met je tentje buiten zit?

Uitstuiven

Pinksteren valt vijftig dagen na Pasen. De datum varieert tussen 10 mei en 12 juni. Het is in onze streken de tijd van uitbundige bloei. Veel daarvan is zichtbaar, maar er zijn ook bescheiden vormen. Zo kan het bijvoor­beeld gebeuren dat je onverwacht ontdekt dat dit kleurige feestkleed van de natuur niet alleen versiering is, maar ook heel functio­neel en dat het nog bijzondere geheimen in zich bergt. Een wandeling op een windstille ochtend door de duinen voert je langs een bosje lage dennen. Toevallig raak je even aan een tak en daar begint deze overvloedig te ‘roken’! Fijne goudgele wolkjes vallen krin­gelend omlaag, verstrooien zich en lossen op. Ook de dennen staan in bloei! Ze heb­ben hun stuifmeeldoosjes geopend en bij de minste beweging geven zij hun rijke en dar­tele inhoud prijs.

Langs de hellingen van de duinen bloeit het groengele walstro en zijn hommels en bijen vlijtig bezig met het verzamelen van honing. Van iedere bloem die ze bezoeken krijgen ze gratis iets mee: een pakje stuifmeel dat ze in het korfje aan hun achterpootjes laten stop­pen. Voedsel voor de larven thuis en grond­stof voor de bijenwas om raten van te maken. En dan… als bij toeval blijven er een paar stuifmeelkorrels kleven op de stamper van een naburige bloem die bezocht wordt en vindt er een bevruchting plaats. Het stuifmeel hoort even wezenlijk bij het voorjaar en bij Pinksteren als sneeuw bij de winter en bij Kerstmis. De lucht is er hele­maal van vervuld, zoals de gevoelige organen van mensen die met hooikoorts behept zijn, kunnen gewaarworden. Stuifmeel is er in een waanzinnige overvloed. Eén paarde­nbloem levert al zo’n 240.000 stuifmeelkorreltjes op. En even minuscuul als de sneeuw­kristallen zijn, zijn ook deze korreltjes — je kunt ze alleen maar onder een microscoop afzonderlijk waarnemen. En dan blijkt dat ze een heel andere vorm hebben dan de sneeuwkristallen. Ze zijn meestal rond, bol­letjes zijn het, terwijl de sneeuwkristallen stervormig zijn. Ze zijn in zekere zin de tegenpool van de sneeuwkristallen: hun vorm gesloten tegenover stralend, ze houden van warmte in plaats van kou, ze hebben een zekere consistentie tegenover de snelle ver­gankelijkheid van de sneeuwkristallen. Wat ze gemeen hebben is hun kosmisch karakter en hun minimale stoffelijkheid. Het is trouwens interessant om eens naar het geheel van een bloeiende plant te kijken. Onderaan, vast verankerd in de aarde, de stevige harde wortel, bijna begerig zoekend naar water en voedsel, het meest aardse deel van de plant. Dan de stengel en bladeren waarin vooral het waterelement overheerst zoals je bijvoorbeeld kunt zien in de delta-­achtige vormen van bladnerven of boom­kruinen. Dan de bloem die echt bij de lucht hoort, transparant en vluchtig. Ja, en ten ­slotte het stuifmeel! Daar maakt iets zich helemaal vrij van de plant, wordt nagenoeg onstoffelijk, zweeft onzichtbaar door de ruimte, verdeelt zich en daalt als wekkende vlammetjes neer op de stampers van de bloemen.

Ook de mensen krijgen met Pinksteren uitstuivende neigingen. Pinksteren kun je be­schouwen als de opmaat tot de zomerse volksverhuizingen. Duizenden mensen ko­men in beweging, beginnen te trekken, zwermen alle richtingen uit. Het kan niet uitblijven of er vinden ook duizenden ont­moetingen plaats. De meeste zullen kort­stondig zijn en wegwaaien in de wind. Som­mige zullen ‘klikken’ en uitgroeien tot vriendschappen. En dan zullen er enkele zijn die tot zodanige verbindingen leiden dat zij inspirerend gaan werken, spiritueel vruchtbaar worden. Het zijn nu geen fami­liebijeenkomsten die gehouden worden, maar nieuwe gemeenschappen die zich in vrijheid vormen. Ondanks taalverschillen worden mensen voor elkaar verstaanbaar. Tegenwoordig ben je geneigd onder de in­druk te komen van ‘veelheid’, van enorme aantallen. Er wordt aan getallen veel aan­dacht geschonken, hoe groter hoe imponerender. Daarmee verdwijnt dan vaak het zicht op de kwaliteit van het kleine, het schijnbaar nietige, het bijna onvindbare. Terwijl dat juist zo’n enorme kracht, zo’n geweldige potentie kan hebben. Een nietig stuifmeelkorreltje kan in verbinding met een stamper een proces van vrucht- en zaadvor­ming in werking zetten dat een duizendvou­dige rijkdom oplevert. Zo kun je ook naar de sterrenhemel kijken. Miljarden sterren en sterrenstelsels breiden zich uit om je heen. ‘De aarde is in het heelal niet meer dan een ‘stofje’, wordt er gezegd. Maar dat is dof materialisme. In die giganti­sche paardenbloemenwei van het heelal is de aarde een ‘stuifje’, een levende stuifmeelkorrel met in potentie een geweldige toekomst voor zich.

Zelf aan de gang

Pinksteren heeft geen uiterlijke symbolen waar je voor de viering op kunt steunen of mee kunt spelen. Geen kerstboom, kaarsjes, eieren of hazen. Het is nu zoals Joseph Beuys het zegt: de mens krijgt niets meer cadeau. Hij moet nu zelf aan de gang. De mens heeft alles gekregen: allereerst het ingenieuze kunstwerk van zijn eigen licha­melijkheid, dan de onvoorstelbare rijkdom van de natuur, daarbij alles wat door mense­lijke cultuur is voortgebracht en ten slotte wat hij aan geestelijke vermogens heeft. Hij kan zich voor ideeën openstellen en daaraan ontvlammen en hij heeft de vrijheid om keuzes te doen en zich te verbinden met wat hij belangrijk vindt. Met déze gaven moet hij nu zelf aan de gang, van binnen uit, zich omstulpend, zich bevrijdend van zijn ca­deau-krijgende houding, zichzelf opwek­kend tot creatieve inspanning. Dat is geen eenzame bezigheid, dat is een gemeen­schappelijke activiteit bij uitstek. Pinksteren is het feest van de ‘Heilige Geest’. Heilig is eigenlijk hetzelfde als helend, gene­zend. De mens is over het algemeen niet heilig — hij maakt dingen kapot, uit dom­heid of door onzorgvuldigheid, bij vergissing of uit woede, soms zelfs voor de grap of uit boosaardigheid. Daar waar hij erin slaagt zich met de geest te verbinden, met de helen­de geest die de aarde omhult, die tot uit­drukking komt in alles wat leeft, kan hij genezend beginnen te werken.
Pinksteren staat aan het eind van de reeks feesten die met Advent begint. Er zit een zekere culminatie in die reeks, het is een weerspiegeling van de mensheidsontwikkeling van verleden naar toekomst. Het is een reeks van feesten die niet nu wordt afgesloten maar die een open einde heeft — dat maakt het vieren van Pinksteren ook zo ongrijpbaar. Je zou kunnen zeggen: het is iedere dag Pinksteren, ook met Kerstmis. Elke dag de windvlaag kunnen horen, de vlammen zien en je tong in je mond omdraaien. Dat is het eigenlijk.

 

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Pinksteren – jaartafels

.

151-144

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (3)

.

KLEINE PINKSTERKNUTSELS

Om de eerste bloempjes in het vroege voorjaar goed te kunnen zien, moet je heel diep bukken: de sneeuw­klokjes, de krokus­jes – ze bloeien vlak op de grond. De nar­cissen die volgen zijn al hoger, dan komen de tulpen en daarna de vele bloei­ende struiken. De tijd tussen Pasen en Pinksteren is vooral die van de bloeiende bomen – nu moet je je helemaal oprich­ten en omhoog kijken om bloemen te zien! Bij de kastanjes reiken de bloesems zelfs boven de kroon uit.
Het is ook de tijd van de vogels! De lucht is vol van hun activiteit: gevlieg en gezang. En vlinders! De vlinders zijn uit hun nauwe poppen gekropen en dansen stralend en gewichtloos door de lucht. De hele sfeer van de aarde ademt blijheid.

En de toekomst wordt voorbereid. De ‘paasei­tjes’ zijn uitgekomen, de bijen zoemen om de bo­men, de vruchtbeginsels zetten zich en de bloesem­blaadjes vallen als een tere regen omlaag.

Pinksteren kunnen we versieren met vogels, vlin­ders en bloesemboomkronen.

Vogeltje
=Knip uit dubbelgevouwen stevig papier een vo­geltje, een wit duifje bijvoorbeeld (lengte snavel­staartpunt 8 à 9 cm).
=Vouw een reep zijdevloeipapier van 18 x 21 cm in harmonicavorm in de lengte. Knip hier een stuk van 6 cm af (voor de staart) maak een snee in de romp en haal daar de opgevouwen vleugels door. Uitvouwen en naar achte­ren toe wat korter knippen.
=Steek de staart tussen de twee romppapieren en lijm deze vast.
Met een draad ophangen, aan een stokje voor een kind om mee te spelen, of meerdere aan een hoe­peltje of als mobile aan takjes.

pinksteren 4
pinksteren 1

Vlinder
=
plak twee velletjes zijdevloei met prittstift op el­kaar
=vouw het dubbel en knip de twee vleugelvormen uit (circa 6½ cm breed) en vouw ze weer open
=vouw een pijpenrager van 15 cm dubbel, klem de vleugels er tussen en draai er vanboven een kop en voelsprieten van
= schuif de vleugels een beetje rimpelend naar de kop toe
= ophangen aan drie sa­menkomende draadjes (vanaf voelsprieten en middenlijfje) verder als vogeltje.

pinksteren 3
pinksteren 2

Jonge vogeltjes op tak
=
Frommel van zijdevloe een vogeltje, ’t is niet zo moeilijk als het lijkt.
=Met velpon uitsteeksels vast­plakken.
=Knip van dub­belgevouwen stevig geel of oranje papier een sna­veltje en plak dat aan de kop.
=Teken de oogjes.
=Boor onderin de romp met een schaarpunt een gat en steek daar 2 stukjes pijpenrager in.
=Buig deze pootjes stevig om een takje en knip ze op de goede lengte af.
=Zet een aantal op een tak naast elkaar en hang de tak op. Je kunt ze ook van pompoentjes maken.

pinksteren 6

Meiboomkroon
=
Een krans maken van twee el­kaar kruisende halve hoepels en een hele hoepel, versieren met papieren  bloemen en slingers, goud-en zilverpapier

pinksteren 5

Bloemen maken
Bij het pinksterfeest hoort helemaal zelf bloemen maken. Vroeger spaarde men gedurende het hele jaar allerlei kleurige papiertjes om daar bloemen van te maken.  Het pinksterfeest is niet zozeer het feest van de scheppende aardekrachten, maar van de scheppende menselijke geest. Daarom maken we zelf bloemen bij voorkeur zelf bedachte bloemen.

Hier volgen enkele manieren om bloemen te maken.

Rimpel rechte of geschulpte enz. stroken van ca 20 cm lang en 3 tot 6 cm breed en trek de draad aan. Een paar maal omwinden en afhechten.

pinksteren 7

1.knip van zijdepapier drie vierkanten van 15 x 15 cm

pinksteren 8

2.vouw elk vierkant schuin doormidden waardoor een driehoek ontstaat

pinksteren 9

3.vouw elke driehoek dubbel

pinksteren 10

4.vouw de driehoeken nog een keer dubbel

pinksteren 11

5.vouw de driehoeken nog een keer dubbel, maak de vouwen zo scherp mogelijk

pinksteren 12

6.houd de punt van het eerste hoorntje stevig vast en knip de bovenkant rond af

pinksteren 13

7.houd de punt van het tweede hoorntje vast en knip de bovenkant af; begin echter wat lager te knippen dan bij het eerste hoorntje

pinksteren 14

8.houd de punt van het derde hoorntje vast en knip de bovenkant nog lager af

pinksteren 15

9.vouw de driehoeken open en leg ze in volgorde van grootte op elkaar met de kleintste bovenop

pinksteren 16

10.houd de laagjes (dit worden de bloemblaadjes) in de linkerhand; plaats de rechterhand in het midden van het kleinste laagje bloemblaadjes en duw deze voorzichtig naar beneden, terwijl aan de onderkant de andere hand alle laagjes tot de steel van de bloem worden samengeknepen

pinksteren 17

11.draai het verkregen steeltje stevig en omwikkel het met plakband. Spreid de blaadjes uit zodat een bloem ontstaat.

pinksteren 18

Wanneer de bloemblaadjes op een andere manier worden geknipt, ontstaan andere vormen. Vouw eerst weer een aantal vierkanten zoals hierboven beschreven is.


Anjer

heel veel rondjes tegelijk knippen uit crêpepapier. Doorsnee circa 5 centimeter. Aan de rand rondom 2 centimeter diep inknippen, dicht bij elkaar. Er ontstaat een soort franje. In het midden 2 gaatjes maken door alle lagen tegelijk (a). Bloemenbinddraad (heel dun ijzerdraad) erdoor halen, onder de bloem in elkaar draaien en de bloem tot pompoen vormen.

pinksteren25

Bloesem

pinksteren26

Roosje
dubbelgevouwen reep crêpe- of vloe­papier inrimpelen, inwikkelen en met een stukje draad vastzetten (c).

pinksteren 27

Dahlia
een pakje crêpepapier dwars over in vieren knippen en uit één vierde deel een vorm uitknippen als op de tekening (f). Uitvouwen en de strook al rimpelend oprollen, eerst vrij strak, later meer toegevend. Is ook mooi in twee verschillende, bij elkaar pas­sende kleuren. Dan de uitgeknipte repen van iedere kleur op elkaar leggen vóór het oprol­len. Halve lengte nemen. Vastzetten met draad.

pinksteren 30

Kelkje (d) en blaadjes (e) knippen uit groen crêpepapier.

pinksteren 28
pinksteren 29

Steeltje

de uiteinden van het bloemendraad onder de bloem om om een dun twijgje of stukje koperdraad met isolatie draaien. Kelk­je onder de bloem om het steeltje frommelen en kelkje en steeltje omwikkelen met smalle reep groen crêpepapier. Bij de bloem begin­nen en daar dik omwikkelen, dan spiraalsge­wijs naar beneden, ‘onderweg’ hier en daar blaadjes insteken, onderaan vastlijmen.

 

Tineke Geus en Annnet Schukking,  ‘Jonas’ nr. 10, 13 mei 1983

Een fiere zijden pinksterblom

Met Pinksteren wordt een van de kinderen tot pinksterbruid gekozen. Zij is dan de ‘fiere pinksterbloem’, die van oudsher gesierd wordt met eigengemaakte bloemen, evenals de stoet die haar vrolijk zingend volgt. Het meest gebruikt zijn daarbij papieren bloemen. Nicole Karrèr laat zien hoe je ook prachtige bloemen van stof kunt maken om de pinksterbruid te tooien.

‘Hier is onze fiere pinksterblom
en ik zou hem zo graag eens we…zen.’

Zo heel erg fier is de pinksterbloem niet. Wél steekt ze dapper haar lange bloemstengel boven het prille gras uit, maar haar zachtpaarse bloemblaadjes zijn teer en vallen, eenmaal geplukt, snel uit. Dat geeft niets, het is juist deze teerheid die ons in de lente ontroert. De pinksterbloem tooit zich met papieren bloemslingers, pas met Sint-Jan dragen we kransen en hoeden met echte bloemen.
Oor­spronkelijk was de pinksterbloem, de echte, een van de weinige natuurlijke uitzonderin­gen in de papieren tooi van de pinksterbruid.

Als we zelf de bloemen voor het pinksterfeest willen maken is het leuk om eens terug te grijpen op de traditie van het bloemen ma­ken zoals dat vooral in Japan al circa 600 jaar wordt beoefend. We bevinden ons niet in slecht gezelschap, ook in Europa hebben eeuwenlang vrouwen (waaronder ook de latere vrouw van Goethe, Christiane Vulpius) het eerzame beroep van bloemenmaakster uitgeoefend. Duitsland, Italië en Frankrijk hebben min of meer een traditie op het gebied van kunstbloemen. Toch zijn deze over het algemeen minder verfijnd dan de Japanse.
Nu hebben de Japanners natuurlijk ook wel een aantal dingen op ons, westerlingen, voor. De verstilde aandacht voor de natuur tot in haar kleinste verschijningsvormen, het aan­geboren geduld en de (zelf)beheersing om dit om te zetten in fijne zorgvuldig uitgevoerde kunstwerken. Of het nu schilderijen zijn of borduurwerk of bloemen van zijde, altijd kun je beleven hoe zorgvuldig er naar de na­tuur is gekeken.

Op zich is de techniek van het zijdebloemen maken niet moelijk. U moet weten hoe de stof gesteven en hoe zij geknipt en gevormd moet worden. In principe kunt u dan bijna elke bloem na maken door goed te kijken hoe zij gevormd is. Ik heb zelfs van stof nagemaakte dennenappels gezien die bijna niet van echte te onderscheiden waren. Maar in de praktijk blijkt dat onze handen niet al­tijd willen of kunnen wat onze ogen zien. Wat het ‘doen’ betreft gaat dit stukje eigen­lijk over iets dat niet helemaal gelukt is. Overmoedig geworden na een paar geslaagde rozen en lathyrusbloemen besloot ik u in Jonas een pinksterbloem van zijde te laten maken. Gewoon goed kijken, dacht ik, dan moet het niet zo moeilijk zijn. Misschien dat het me nog wel eens lukken zal, voorlopig moet ik bekennen dat mijn vingers en mijn ge­duld niet zo fijntjes zijn als die van Onze Lieve Heer! Na een paar uur priegelen leek het me alsof er op de hele wereld niets pietepeuterigers kon bestaan dan een pinkster­bloemetje.

pinksteren 21

Mijn pinksterkroontje draagt dus pinkster­bloemetjes die niet meer zijn dan een echo van wat het had willen worden. Vierbladige zachtpaarse zijden bloemhoofdjes met meel­draden van gele katoen, maar geflankeerd door rose lathyrus op een groen wollen kransje genaaid en gedragen door de liefste pinksterbruid toch nog altijd een hommage aan de lente.

pinksteren 22

Voor de heel simpele bloemetjes van de teke­ning heeft u het volgende nodig: ijzerdraad -transparante lijm – schaar – een bot mes met een rond heft – stijfsel – Arabische gom en een oude spons als werkkussentje. Voor de lathyrus neemt u zachtrose zijde voor de twee buitenste bloembladen, voor het hartje neemt u een wat donkerder rose eventueel van katoen. Pinksterbloemetjes zijn meestal lichtpaars, hoewel er een witte va­riant bestaat. Voor de meeldraden van de pinksterbloem is een klein stukje gele breikatoen geschikt. Voor de kelkbladeren en even­tuele steeltjes neemt u groene zijde of dunne katoen.

pinksteren 23


Alle stof moet als volgt gesteven worden: meng een flinke eetlepel stijfsel met een kop­je water en breng het aan de kook. Als het mengsel dik en helder is geworden, van het vuur nemen en een eetlepel Arabische gom erdoor roeren. Drenk de lapjes zijde en ka­toen in dit papje en laat ze goed uitgespreid op een gladde tafel of plank drogen. Met een zachte kwast kunt u de lapjes helemaal glad strijken. Knip voor de lathyrus de patroon­deeltjes uit. Wikkel een stukje steelstof om het ijzerdraadje en plak, volgens de tekening het hartje er omheen. De twee lichtrose bloembladen moeten nu een klein beetje vochtig gemaakt worden, leg ze op elkaar op de oude spons. Maak nu de achterkant van het mes warm, boven een gasvlam of in kokend water. Door met het warme mes links en rechts van het midden de vochtige zijde stevig in te drukken, ‘strijken’ we twee bollingen in de bladeren. Lijm het kleine blad om het hartje heen, draai het grote blad om en lijm het ook van onderen stevig om het steeltje. Het kelkblad verbergt de aanhechtplaats. De bloem is nu klaar en kan op een dikke wollen vlecht genaaid worden. Het pinksterbloemetje is nog eenvoudiger, knip het volgens de tekening uit, leg het op de spons en maak er met het mes een bolling in. Voor de nerven legt u het bloemetje op de tafel en krast met het botte lemmet van het hartje tot bijna op de buitenrand. Drup­pel een beetje groene verf of inkt in het hart­je en naai het samen met de gele meeldraden op de vlecht vast. Met een paar uurtjes werk heeft u een snoezig bloemenkroontje dat nog bij vele verkleedspelletjes dienst zal doen.

Nicole Karrèr, ‘Jonas” 20 mei 1985

witte duif, witte vogel
De witte duif is het beeld van de neerdalende geest. Witte vogels wijzen ons de weg wanneer we in ons leven niet verder kunnen.
De meeste vogels dalen in glijvlucht.
De duif kan echter loodrecht naar beneden gaan. Zij maakt dus een directe verbinding tussen boven en beneden.

Van stevig wit papier of dun karton uitknippen. Een vertikale gleuf snijden ter breedte van de vleugels. Vleugels vouwen zigzag als een waaier, van dun papier. Het gevouwen bundeltje van de vleugeltoppen schuin bij­knippen, door de gleuf schuiven en aan beide zijden uit­waaieren .

pinksteren 19

Oogje aangeven,  goed in balans ophangen aan een tak of aan een krans

Boudy van Huizen, nadere bron onbekend

Zó kunnen jullie een duif maken
voor de vleugels gebruiken we een groot vouwblaadje
het midden van de waaier schuiven we in het gleufje op de rug, zodat er twee vleugels ontstaan

voor de staart een klein vouwblaadje gebruiken, dit achter het vogellijf plakken of nieten

pinksteren 33
bron onbekend

lentevrouwtje
Stukje tricot opvullen met schapenwol, dichtbinden
stukje bloemetjeskatoen dubbelvouwen en dichtstrikken

bodempje erin naaien
rijgdraad erdoor aan de bovenkant
lijfje vullen met rijst
kopje erin, draad aantrekken en stevig vastnaaien
haartjes maken van schapenwol, kamband of toverwol

pinksteren 32

Een kring van lentevrouwtjes doet het heel goed om een pot bloeiende takken

bron artikel onbekend

een mobile van lente-elfjes
Cirkels knippen van gekleurd vloepapier.
’t Hoofdje is een propje schapenwol, afbinden met draadje

Cirkels dubbel nemen, dat is mooier dan 1 velletje vloepapier.

Een duifje maken – zie boven –

Ophangen aan hoepel

bron onbekend

Zie ook: Tineke’s doehoek

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Pinksteren – jaartafels

.

150-143

.

.

.

.

.