VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (4)

.
Jacobus Knijpenga, ‘Jonas’ nr.21, 12 juni 1981
 

Het feest van Sint-Jan

 

‘DE BIJL IS AAN DE WORTEL DER BOMEN GELEGD’

De christelijke feesten hebben alle iets te maken met de beleving van de natuur in de tijd waarin ze vallen. Dat wordt vaak verklaard als een slimme aanpassing van de christenen aan de heidense gebruiken. Het is de vraag of die verklaring juist is. In onderstaand artikel onderzoekt Jacobus Knijpenga in hoeverre er een wezenlijke verwantschap is tussen de jaarfeesten in christelijke zin en de hoofd­momenten van het natuurlijke leven.

Opvallend is dat de data van de christelijke gedenkdagen steeds later vallen dan de hoog­tepunten in de natuur en wel enkele dagen. Zo valt midwinter op 21 of 22 december, Kerstmis op 24 december; Pasen op een zon­dag na de voorjaarsevening; dit kan zelfs wel eens vijf weken later zijn, maar ook twee da­gen. Het feest van Johannes de Doper (Sint- Jan) valt, evenals het Kerstfeest, twee à drie dagen na de zonnewende, terwijl ten slotte het feest van de aartsengel Michaël op 29 september ongeveer een week later valt dan de herfstevening. Daaruit kan reeds duidelijk blijken dat deze feesten niet bedoeld zijn als vervanging van de natuurfeesten. Ze zijn er als het ware aan toegevoegd zoals de doop aan de natuurlijke geboorte. In deze kenschetsing wordt ervan uitgegaan dat Hemelvaart en Pinksteren bij het paas­feest behoren. Ze hebben als het ware het­zelfde thema. Zo behoren ook de advents­tijd en de tijd van driekoningen bij het kerstfeest en ontstaat dus een groot kruis door het jaar: Kerstmis in de winter, het feest van Johannes in de zomer er precies tegenover en aan de andere arm van het kruis Pasen in het voorjaar en er tegenover in de herfst het feest van Michaël. Het is deze kruisvorm in het jaar, die in belangrijke mate het gezichts­punt vormt waaruit gezocht kan worden naar de samenhang van de feesten met de natuur.

Zo is duidelijk dat het kerstfeest gevierd wordt als het licht weer toeneemt en het Sint-Jansfeest als de dagen korter worden. In de loop van het natuurlijke jaar zijn deze feesten elkaars tegenpolen. Het zijn beide lichtfeesten; als de zon nog zwak is vieren we het feest van het innerlijke licht, als de zon haar hoogtepunt zojuist gepasseerd is vieren we het feest van Johannes als van een groot kosmisch wezen. Johannes was veel meer dan een mens, ja zelfs meer dan een profeet naar de woorden die Christus over hem spreekt. Op Russische iconen wordt hij bij de doop in de Jordaan vaak bovenmenselijk groot geschilderd, waarbij Jezus normaal ge­schilderd wordt. Men kan hier denken aan de woorden van Johannes: hij moet toene­men, ik moet afnemen.

Het uiterlijke licht neemt af na de zomerzonnewende, we gaan de tijd tegemoet waarin het weer meer op verinnerlijking aankomt, al is dat in het begin nog niet goed merkbaar. Maar juist omdat het in ons natuurbeleven nog niet merkbaar is, roept het Johannesfeest ons tot bewustzijn. Vergelijkenderwijs is hetzelfde het geval wanneer men het mid­den van het leven gepasseerd is: het eigen­lijke beleven van het midden moet dan nog komen, maar zowel fysiek als psychisch be­ginnen de doodskrachten het te winnen van de geboortekrachten en men kan de tijd na 35 jaar beter vormen als men zich dat be­wust is. Dat kan bijvoorbeeld behoeden voor een ‘tweede jeugd’, die altijd toch ook een beetje ridicuul aandoet. Hierbij sluit een ander element van Johannes aan: hij is een boeteprediker. Dat wil zeg­gen dat hij de mensen steeds wijst op hun ei­gen innerlijke houding als voorbereiding op de ontmoeting met de Messias. Bij de Jor­daan woonde hij in de woestijn en zijn voed­sel bestond uit de eenvoudigste voortbreng­selen van de natuur. Dit leven in de woestijn was een ‘teken’. Een teken maakt een inner­lijke situatie doorzichtig. De bloeitijd van het jodendom was voorbij, het geestesleven van het joodse volk was een woestijn gewor­den, dor en droog terwijl het geestelijk voed­sel dat de leiders te bieden hadden hard was. Wie toch nog iets daarin vond moest de geva­ren van wilde bijen trotseren om nog enige zoetigheid te verwerven. Johannes sprak het zo uit: ‘De bijl is aan de wortel der bomen gelegd’. De boom is altijd een beeld van de verbinding van hemel en aarde. Alle religies kennen hun heilige bo­men. De boom strekt zijn kruin uit naar de hemel en ontvangt uit de hogere sferen het licht waardoor hij leven kan. Maar tegelijker­tijd wortelt hij in de aarde en haalt van daar­uit zijn voedsel. Beide elementen zijn nodig voor de geestelijke groei van de mens. Wan­neer de bijl aan de wortel van de bomen wordt gelegd, wordt deze geestelijke groei onmogelijk. Meestal is de boom dan ook al dood. Dat is de verkondiging van Johannes: de oude tijden zijn voorbij. In deze oude tij­den vond men de mogelijkheid tot geestelij­ke ontplooiing vanuit een bepaalde natuurlij­ke samenhang waartoe men behoorde.

Deze soort religie neemt nu met Johannes de Doper een einde. Een uiting van Jezus: ‘Jo­hannes is de grootste van degenen, die uit vrouwen geboren zijn maar de geringste in het rijk der hemelen is meer dan hij’ duidt aan dat de tijd waarin de geboorte in een be­paald volk of in een bepaalde familie beslis­send was voor het geestelijk leven van een mens, voorbij was. Men kan ook denken aan woorden als: ‘God kan uit deze stenen voor Abraham kinderen verwekken’. De afstamming geldt niet meer. Vanaf Jo­hannes de Doper geldt iets anders en Johan­nes maakt daarmee een begin: de individuele mens moet zelf zijn weg vinden. Bij Johan­nes betekende dit: eerst inzicht krijgen in de eigen ontoereikendheid. De doop bewerkte inzicht in de eigen zonden, de tekortkomin­gen. Deze zelfkennis is de eerste stap op de weg naar een eigen ontwikkeling wanneer ze niet verlammend werkt, maar wanneer er te­vens gewezen wordt op toekomstige moge­lijkheden. Johannes deed dat door de norma­le beroepsgewoonten van de mensen, die bij hem kwamen, te doorbreken. Soldaat zijn betekende: leven van plundering. Wie dat niet deed werd nooit rijk. Voor de belasting­ambtenaren gold iets dergelijks. Men pachtte het recht om belastingen (tol) te innen. Deze tollenaars moesten weer aan hun trekken ko­men door te overvragen. Dat was het norma­le beroepspatroon. Daarin een rechtvaardige houding te vinden, vereiste iedere keer weer een individuele beslissing. Men kon nooit meer handelen vanuit het groepsmotief.

Wanneer we nu terugkeren tot het feest van Johannes, dan zien we dat dit gevierd wordt na de zomerzonnewende. Historisch is dit ge­fundeerd in het feit dat Johannes een half jaar eerder werd geboren dan Jezus, volgens het evangelie van Lukas. Maar dat is niet be­slissend. Beslissend is het innerlijke karakter van Johannes: de tijd van de bloei van de na­tuur is voorbij en het zal er na de zomerzon­newende steeds meer op aankomen dat we gaan leven uit de krachten die we zelf ont­wikkelen. Deze krachten zijn als die van een boom. Ze moeten enerzijds van boven ko­men, anderzijds uit de aarde. Niemand van ons ontwikkelt zich los van het verleden. We brengen uit eigen incarnaties iets mee en we brengen iets mee door onze geboorte in een bepaald volk of een bepaalde familie. We kunnen dankbaar zijn voor wat we uit het verleden ontvangen, zoals we dankbaar kun­nen zijn voor wat de zomer ons brengt. Maar ook dat is niet alleen natuurlijk. In het voor­jaar waren het Pasen, Hemelvaart en Pinkste­ren, allemaal feesten die ons iets gegeven hebben van wat uit hogere werelden komt.
Dankbaar heffen we onze kruin omhoog, zoals we ook dankbaar kunnen zijn voor alles wat anderen voor ons doen, waardoor wij weer verder kunnen. In de natuur uit zich dat in de st.- jansloot, nog een laatste keer wordt ons iets geschonken, als het ware een wenk dat de schenkende machten ons niet in de steek laten. In de geestelijke ontwikkeling gaat het evenzo: wat wij eventueel aan vruchten voortbrengen, is nooit denkbaar zonder dat wat ons geschonken werd.

Zo wordt het feest van Johannes de Doper een dankfeest, maar met een zeer ernstige ondertoon: mens doe er wat mee. De wereld moet verder. En dat wordt gewild door geestelijke machten, maar ze hebben het aan ons toevertrouwd. Zo is het in de loop van de natuur: de vruchten komen straks door wat hemel en aarde ons schenken, maar wij moeten ze zelf oogsten en verwerken. Dat is de verantwoording waartoe Johannes oproept en die straks door Michaël zal worden opgenomen.
.

St.-Jan: alle artikelen
.
Jaarfeesten: alle artikelen

 

180-170

.

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (3)

.
Juffie Martine, nadere gegevens ontbreken.
 

ST.- JANSFEEST VIEREN”

.

Enkele jaren terug maakte ik eens de hele rij jaarfeesten mee zonder kinderen. Van St.- Michaël over Kerst naar Pasen en Pinksteren tot St. – Jan.
Vooral op het laatste feest miste ik kinderen: voor mij was het maar een half feest geweest. Ik was méér gewoon. Het is alsof de kin­deren de volwassenen laten feest vieren, leren feest vieren, in plaats van omgekeerd. Zeker met St.- Jan, in het midden van de zomertijd, op 24 juni.
In deze tijd van het jaar reikhalst de aarde naar de kosmos. Na de koude kille wintertijd waar het leven zich binnen de aarde had teruggetrokken, groeien plant en bloem, boom en struiken nu naar de zon toe. Het leven op aarde dijt uit: bloemengeuren, muggen en insecten vullen de lucht. De vogels vliegen hoger.

Kinderen zijn groter dan we denken. Op een bepaalde manier zijn ze nog meer “uitgedijd’. Ze zijn nog meer één met de kosmos en de natuur. Ze reiken nog bijna tot aan de hemel.  Over zo’n klein wiegkindje ligt er nog een hemelse glans. Iedereen is lief en aardig: het brengt de hemel op aarde. De kleine peuter begrijpt nog de kosmische taal van de natuur. Met volle overgave laat het de keitjes in het beekje “ploepen”, het fladdert met de vlinders mee. Het is bijvoorbeeld geen fabeltje dat kleuters in de klas de storm en het onweer aankondigen met eigen geraas. Ze zijn nog veel gevoeliger voor de geladenheid van de lucht dan wij. Voor de natuurmens van vroeger – en denk maar gerust terug tot aan de oude Grieken – had de donder en de bliksem nog iets te ver­tellen.

“Word als de kinderen, word een natuurmens in dit heerlijke seizoen !”, zouden  we kunnen uitroepen.
De lentepracht lokte ons naar buiten. Zon en zee roepen. Op je rug in het warme zand, neemt de blauwe hemel je zo mee naar verre landen. En dan komt het St.-Jansfeest in een van de kortste nachten van het jaar! We zullen een groot vreugdevuur aansteken en eromheen dansen en zingen, het hoofd getooid met een weelderige bloemenkrans. Als de sterren al lang aan de hemel zullen stralen en het vuur zal gaan liggen zijn, zullen we erover springen. Over het vuur of over de sterren ? Laat ons dan vooral naar de kleine kinderen richten en blij zijn om de warmte en het licht, en eens dat het vuur brandt, er geen minuut meer van wijken. Proberen te doorvoelen wat het vuur van ons wil: het wil geestdrift, enthousiasme wekken. Uitbundigheid!

Voor de moderne mens is er echter een gevaar aan verbonden. Als we té uitbundig worden, té uithuizig dan verliezen we ons ware zelf en onze medemens uit het oog. Dan gaan we lekker genieten van wat de zomer ons biedt, en de rest kan ontploffen. Egotrippen heet dat met een modern woord.

Een kleuter heeft nog het recht egocentrisch in de wereld te staan. Wij, opvoeders, zijn het kind nog veel verschuldigd. Met de warme mantel van onze liefde kleden we het en leiden het zo de wereld bin­nen. In de lagere schoolleeftijd krijgt het kind de opdracht: nu moet je leren sociaal worden, je leren invoegen in de kring van grote en kleine mensen om je heen. De autoriteit is de stem – van buiten af – die dit zegt en naar wie het kind bereid is om te luisteren. Rond de puberteit leert de jonge mens voor het eerst luisteren naar de eigenste “stem” van binnen.
St.- Jan de Doper zei van die stem: ‘Niet ik, maar de Christus in mij” En ook nog: “Hij (de Christus) moet groeien, ik moet afnemen.”

Enkele jaren terug krijg ik een lijstje in handen met daarop 12 te oefenen deugden en hun relatie tot de 12 maanden van het jaar: een innerlijke ontwikkelingsweg waarvoor men kan kiezen. Voor de hoog-zomermaand juli staat er:
“Unselfishness, selbstlosigkeit, onzelfzuch­tigheid”.
Vanuit de gezichtshoek van het St.- Jansfeest kan ik dat be­grijpen. St.- Jan de Doper is diegene die het Christuswezen vooraf is gegaan en die Hem aankondigde. Hij zag dat het keerpunt in de tij­denronden was aangebroken.

Wij, moderne mensen, kunnen ons niet meer verenigen met de kosmos zoals vroeger om méér mens te worden. Wij zouden uitzinnig worden. Het typisch menselijke voor ons is niet “de inkeer”.
Als wij de Christus willen zoeken, moeten we hem niet meer in de kosmos zoeken, maar in onszelf.
Met het St.- Jansfeest begint de rij van jaarfeesten weer toe te gaan naar Kerstmis. Toch heeft iedereen het gevoel dat het de laatste schakel is aan de ketting van Kerst over Driekoningen, Pasen, Pinksteren… Dat komt omdat het St.- Jansfeest het keerpunt is. Ik vind St.- Jansfeest vieren op een mooie manier niet zo gemakkelijk. En u ?

Maar met de kinderen wordt het een stuk eenvoudiger.
Alvast een kleuterliedje uit het boekje ‘De gouden poort’ om in de sfeer te komen….

(87) Een liedje om te dansen:

Tot op het feest!

St.-Jan: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

179-169

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Jan (2)

.
Ivon Hummel, nadere gegevens onbekend
.

ST.- JANSFEEST
.

In het midden van de Zomertijd
is ’t naamdag van Sint-Jan.

Wij vieren hem met zang en spel…..’

zingen de kinderen straks weer.

Zon, bloemen, muziek, dansen, zingen en een groot vuur, waar we overheen springen en waar we later omheen zitten, als het smeulend nog warmte geeft in de donkere avond. Nog wat zingen, mijmeren, luisteren naar de stilte die neerdaalt en met een warme gloed nog op de wangen, terug naar huis onder de wijde sterrenhemel….

Johannesfeest – 24  juni – valt vlak na de langste dag van het jaar, die tevens een wendepunt is waarop de dagen langzaam weer gaan korten.

Johannesfeest ~ naamdag van Johannes de Doper die sprak: ‘lk moet afnemen,  Hij (Christus) moet groeien.’ Ook Johannes stond op een wendepunt.

In vroegere tijden viel de langste dag op de 24e juni en was die zomerzonnewende een feest van extase, van het buiten zichzelf geraken. Zoals de mens in de winter meer naar binnen trekt, wakker bij zichzelf is, trekt de zomer hem eruit, als in een lome droom.

En het uitstijgen, als een soort inslapen was in de mid-zomernacht een toppunt van een religieus beleven, omdat de mens daarbuiten de Godheid vond in kosmische hoogten. De mens had nog die vanzelfsprekende verbondenheid met het ritme der natuur.

Die oude, natuurlijke extase bracht dan door de verbonden­heid met de Goddelijke wereld, inspiratie mee terug, nieuwe kracht weer mee naar beneden.

Maar deze natuurlijke verbondenheid verdween meer en meer (verbondenheid hield immers ook gebondenheid in) om plaats te maken voor een meer afstandelijk, verstandelijk bewustzijn, een stuk vrijheid ook.

En Johannes stond op dat wendepunt. Hij vertegenwoordigt de oude natuurverbonden mens. ‘lk moet afnemen, Hij moet  groeien.’

Johannes is in de zomer geboren, Christus is in de winter geboren.

De winter waarin innerlijke wakkerheid aan de orde is. Niet meer het uitstromen in de omgeving maar het innerlijk ruimte maken: niet ik;  maar Christus in mij.’ Zo wordt het vuur een offervuur op dat wendepunt.

Het Johannesfeest wat we nu ná de zonnewende vieren, spant de boog van ‘oud’ naar ‘nieuw’.

Eerst zingen we:

‘Onder de bomen op het gras,
dansen wij en springen wij in huppelpas.‘

Maar, zegt Johannes zelf: ‘de bijl ligt aan de wortel van de bomen.’
De boom als verbondenheid tussen hemel en aarde.’Elke boom die geen vrucht draagt wordt in het vuur geworpen.’

Eerst dansen we om een laaiend, louterend, vreugdevuur.

‘Flamme empor leuchte uns
Führ uns zum Heil in dir…’ *

En dan de sprong erover.

Er is moed voor nodig om het uiterlijke vuur te bedwingen. En als we later rond het nog smeulende vuur zitten, nemen de vlammen steeds meer af, om innerlijk een  gloed te ontsteken.

En dat vuurtje van innerlijke activiteit moeten we dan brandend zien te houden in de tijd die komen gaat.
.

Literatuur: Emil Bock De jaarfeesten als kringloop door het  jaar
.
St.-Jan: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

* over dit lied doet een onzinnige bewering de ronde…..

.

178-168

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Jan (1)

.
Paul Veltman, vrijeschool Leiden, nadere gegevens onbekend
.

HET JAARFEEST VAN ST.-JAN

In het midden van de Zomertijd
Is ’t naamdag van Sint-Jan!
Wij vieren hem met zang en spel,
Sint-Jan, de heil’ge man.
Johannesdag in zomertijd
Doet bloeien het leven al.
Wij toeven hier vol dankbaarheid
In ’t veld, bij berg en dal!’  (op berg, in’t dal)

Zo luidt het aloude lied. Het Sint-Jansfeest wordt buiten gevierd, zelfs in de regen, als dat niet anders kan. Men trekt naar buiten, zingt, speelt en danst; en ten slotte wordt een prachtig vuur ontstoken.

Bij het knetteren van het hout en het loeien van de vlammen geniet men luidruchtig. Zo’n vuur zie je niet elke dag! Sommigen ook staren mijmerend in het vuur, denken aan van allerlei, herinneren zich veel.

Het feest heeft twee kanten. De vrolijke, luidruchtige en opgewonden stemming. En de meer nadenkende, bespiegelende kant. Waardoor komt dat?

De zon is steeds hoger gestegen, elke dag. Warmte, geurend gras, bonte bloemen, verse bloesems, het is alles opgewekt, mooi en gezond. De ziel wordt naar buiten gezogen. Men is gauw “buiten zichzelf”. Die uitdrukking is heel juist. Maar dit natuurgebeuren geeft de mens behalve vreugde ook een moment van bezinning.

Johannes, de grote profeet, was in het geheel niet vrolijk op zijn naamdag. Hij wist, dat andere tijden moesten komen. Hij wist ook, dat zijn tijd voorbij was; dat de mensen een geweldig gebeuren zouden missen, wanneer zij niet met andere ogen in het leven zouden gaan staan.

“Verandert uw gezindheid!” riep Johannes, staande bij de Dode Zee tussen de zoutkristallen, 400 meter lager dan de normale zeespiegel. Hij doopte de bekeerlingen in het hel­dere water van de heilige Jordaanrivier. Hier speelde zich ook het intieme drama af, waarvan de Evangelies gewagen: de jonge Jezus kwam daar om zich te laten dopen. De duif van de Heilige Geest daalde op Jezus neer, beeld voor de verbinding van het Christuswezen met het lichamelijke van Jezus, beeld van de eenwording van hemel en aarde. Johannes mocht deze doop, deze eenmalige, unieke gebeurtenis, voltrekken.

Maar zelf wist hij, dat zijn tijd voorbij was: “Hij moet groeien, ik moet afnemen.” En ook de zon begint na de Sint-Jansdag op 24 juni weer af te nemen. Het uiterlijke, glanzende en schone licht moet verdwijnen en zal vervangen moeten worden door een innerlijk licht, dat de mens moet ontwikkelen door méér mens te worden. Een tweede, politiek drama voltrok zich, toen Johannes korte tijd daarna gevangen werd genomen en in zijn cel werd vermoord op instigatie van koningin Herodias.

De vrolijkheid van het Sint-Jansfeest is niet zo zorge­loos als ze er uit ziet.

Ook in onze tijd is het hard nodig, dat men, naast de technische en cultuurhistorische verworvenheden een nieuwe gezindheid ontwikkelt.

Het materialisme is in onze tijd nog zeer machtig. Maar overal zoemen en snorren de vuurvliegjes van een nieuw bewustzijn, dat een geestelijk tegenwicht moet vormen tegen de geest van atomisme en computergestuurde onmenselijkheid. Daarbij kan het Sint-Jansfeest ons helpen.
.

St.-Jan: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

177-167

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Getuigschriften (3) Illustraties

.

ILLUSTRATIES BIJ GETUIGSCHRIFTEN 

Van Ruud Gersons ontving ik volgend bericht:

Maken getuigschriftspreuken illustraties overbodig?

Zoals bekend worden de getuigschriften vaak schitterend geïllustreerd. Uren zijn collega’s in de weer om de meest fantastische tekeningen of schilderingen te maken. Maar wat gebeurt daarmee? In het gunstigste geval staat zo’n beeld een aantal weken op de schoorsteen. Boven het bed van het kind hangen, gaat meestal niet, want het zit vast aan het getuigschrift. Op zich is er natuurlijk niets mis met die noeste vlijt. Maar je kunt de vraag stellen wat voor het kind werkzamer is: een getuigschriftenspreuk (waar je óók op moet zwoegen!) of een mooie illustratie.

Feit is, dat als je goed om je heen kijkt, je een aantal collega’s er bijna aan onderdoor ziet gaan. Eén uur per illustratie bij een klas van 30 kinderen, is al gauw één hele werkweek er bij. Ik weet dat er collega’s zijn die in de getuigschriftentijd “op de automatische piloot” les geven. Is hier niet sprake van een “heilig moeten”?

Natuurlijk moet iedereen dit voor zichzelf weten, maar één ding is zeker: in de tijd van Rudolf Steiner werden er wél getuigschriftspreuken gemaakt, maar zeker geen illustraties. Ik heb als kind zelf op de Vrije School les gehad van een juf die Rudolf Steiner persoonlijk had meegemaakt. Later heeft zij mij verzekerd dat het niet Steiners bedoeling was, dat getuigschriften “plaatjes” kregen. De getuigschriften zelf moesten altijd kort, zakelijk en “to the point” zijn.

Iets anders is het natuurlijk als je zelf geen affiniteit hebt met het maken van gedichten. Dan kan een illustratie een goed alternatief zijn. Maar allebei? Het probleem is, dat als enkele leraren illustraties maken, je bijna niet kunt achter blijven. Jouw getuigschrift zou dan erg kaal over komen. Ik zou er een lans voor willen breken binnen het lerarenteam dit eens aan de orde te stellen!

Beste Ruud,

Je stukje is me uit het hart gegrepen.
Niet alleen het gevoel dat je bijna niet kunt achterblijven – ook de kinderen en de ouders vinden een prachtig geïllustreerd getuigschrift mooier dan een zonder tekening/schildering. Vaak wordt daaraan de kwaliteit afgemeten; niet aan waarom het gaat: de spreuk.

Er valt zeker wat voor te zeggen om dat wat je aflevert zo mooi mogelijk te laten zijn; een extra kunstzinnig geschenkje; maar als dan nachten doorwerken en lesgeven op de automatische piloot het gevolg zijn?…….

Van jaren terug herinner ik mij nog getuigschriften uit Duitse scholen: geen illustraties. Hoe is dat nu? Hoe is dat in andere landen? (Als Nederlandse leerkrachten het daar tenminste niet geïntroduceerd hebben?)

.

Rudolf Steiner:  over getuigschriften

Getuigschriften: alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.
176-166

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Getuigschriften (2)


.

GETUIGSCHRIFTEN

Toen ik in 1971 voor mijn (eerste) eerste klas de getuigschriften moest maken, wist ik nog niet zo duidelijk hoe dat gedaan moest worden.

Oudere collega’s vertelden me dat het ging om 2 dingen: een verslag voor de ouders en een beeld voor het kind, waarin het zichzelf zou kunnen herkennen.

Ik vond dat geen gemakkelijke opgave. Het deel voor de ouders was aanzienlijk makkelijker te realiseren dan dit beeld voor het kind.

De voorbeelden ‘een beeld voor het kind’ die ik onder ogen kreeg waren vrijwel allemaal geschreven stukjes proza; er was ook een enkel gedicht bij.
Niemand had het over ‘een spreuk die voor het kind een bepaalde levensrichting zou moeten bevatten.’
De voordrachten waarin Steiner iets zegt over het getuigschrift, had ik of nog niet gelezen of ze waren nog niet als GA verschenen, zoals bv. “die Konferenzen’ die pas in 1975 gedrukt werden.

Ik herinner me tevens dat er leerkrachten waren die buitengewoon mooi konden tekenen of schilderen en die het getuigschrift tot ware kunstwerkjes verhieven.
Ik kon dat helemaal niet zo en voelde me ver achterblijven bij wat ik dacht te moeten presteren.

In het najaar van 1971 sprak Oscar Klinkenberg in de pedagogische vergadering over een boekje van Heinz Müller:

‘Von der heilenden Kraft des Wortes und der Rhythmen’.

Ik ben hem daarvoor nog steeds dankbaar – een stille, wat teruggetrokken collega, die ernaar streefde alles zo verzorgd mogelijk voor zijn klas te doen; uit zijn wezen sprak een grote betrokkenheid voor Steiners pedagogie.

Hij was het dus die mij met de ‘methode Müller’ op het spoor zette, voortaan voor de kinderen, i.p.v. stukjes proza, “spreukachtige gedichtjes” te maken, op basis van het ritme waarmee je ook helpend werken kan aan het ritmische-, het gevoelsleven van het kind.

Nog weer later las ik dat Steiner ‘een spreuk’ voor het kind heel wezenlijk vond, maar tot nog toe ben ik bij hem nergens in dit verband een opmerking tegengekomen over ritme en temperament.

Uit bovengenoemd boek van Heinz Müller:

‘Wat zijn getuigschriftspreuken en hoe gebruik je ze in het onderwijs’

Toen de vrijeschool in Stuttgart in september 1919 opgericht was, deed zich al snel de vraag voor hoe vaak en op welke manier men rapporten zou geven. Eerst vond Rudolf Steiner het nodig dat ze 2x per jaar gemaakt zouden worden. Spoedig bleek dat noch de overheid, noch de ouders dat eisten. Zo bleef het bij de rapporten die aan het eind van het schooljaar werden gegeven.

(Hoewel ‘Zeugnis’ rapport en getuigschrift betekent, is het woord getuigschrift in de vrijescholen ingeburgerd geraakt. Wanneer dit wordt bedoeld, heb ik ‘Zeugnis’ met getuigschrift vertaald; in andere gevallen met rapport.)

‘Het getuigschrift(formulier) heeft een grote vrije ruimte waarop de
klassenleerkracht over het kind schrijft. Rudolf Steiner hechtte er de grootst mogelijke waarde aan, dat hier een zo individueel mogelijk beeld van het kind zou worden weergegeven. Daarbij moest vermeden worden, dat men negatieve opmerkingen zou plaatsen. De leerkracht zou zich zo liefdevol als mogelijk in het karakter, in de vaardigheden, maar ook in de tekortkomingen en zwakten van zijn leerling moeten verdiepen en dat alles op de meest toegenegen manier weergeven.

Pas dan zou zo iets als een beoordeling van de prestaties moeten volgen. Uiteraard moet het beeld dat geschetst wordt getrouw en eerlijk zijn. Maar ook hier zou je iedere veroordelende beoordeling moeten vermijden. Daartegenover zouden wegen ter verbetering getoond moeten worden.
Terwijl je je in dit deel van het getuigschrift uitsluitend richt tot de ouders van de kinderen van de laagste klassen, zou je de leerlingen van de middenklassen moeten betrekken bij wat je hen te zeggen hebt. Stimuleren en liefdevol toespreken, maar geen opmerkingen die aanzetten tot eerzucht moeten ook bij de meest onbeholpen leerling zijn te vinden. Net zo kun je met humor aansluiting proberen te vinden bij de grootste lummel.

Tot slot moet de klassenleerkracht in een ‘getuigschriftspreuk’ samenvatten wat hij denkt dat voor zijn leerling een wegwijzer kan zijn in het komend schooljaar.

In een vergadering van GA 300A/285, 26 mei 1921 vat Rudolf Steiner zelf kort samen wat hij van een getuigschrift verwacht:

=We  zijn het erover eens dat we de getuigschriften maken zoals vorig jaar. Een zo getrouw mogelijk beeld. Onderaan weer voor ieder kind een spreuk op het getuigschrift die voor de individualiteit van het kind richtinggevend kan zijn.=
[Hier de volledige tekst] 

Rudolf Steiner legde er verschillende keren de nadruk op, dat het goed zou zijn wanneer de klassenleerkracht deze spreuken zelfstandig zou maken.

In het bijzonder in de grote stad komen de kinderen ’s morgens door de reclame die ze onderweg zien en in ’t bijzonder door het drukke verkeer in een toestand op school die je meteen zo snel mogelijk moet verbeteren, voor je überhaupt tot zinnig werken kan komen. Het is belangrijk dat het lawaai en de hectiek van de straat niet verder gaan in het lokaal. Het beste kom je daaraan tegemoet wanneer je ervoor zorgt dat de kinderen rustig in de rij staan en door hun klassenleerkracht met een handdruk begroet worden, wanneer ze het lokaal binnenkomen. Dan blijf je bij hen tot het sein klinkt dat de lessen beginnen. In deze tijd kunnen er kleine mededelingen worden opgeschreven in het schriftje ‘school-thuis’; af en toe moet er geld worden ingezameld of de spullen voor het schilderen worden klaargezet. (Eenmaal per week wordt er gewoonlijk met waterverf geschilderd).
Als begin van de lessen spreken leerkracht en kinderen samen de ochtendspreuk.
Dan volgt een klein muzikaal deel. In de laagste klassen spelen de kinderen eenstemmig blokfluit, later komen daar andere instrumenten bij. Ook zingen wordt a capella en met instrumentale begeleiding geoefend. Aansluitend een reeks spraakoefeningen die individueel en in koor worden geoefend, waarbij je erop let dat het heel precies gaat. Wanneer je weinig leerlingen hebt, kun je misschien de spreuken van alle kinderen laten spreken. In de erg grote klassen, zoals ik ze moest leiden, maakten we een indeling die interessante groepjes opleverde. Ieder kind sprak namelijk zijn spreuk op de dag waarop het werd geboren, waarbij op maandag de zondagskinderen de rij openden. De eerste weken na de grote vakantie sprak de leerkracht iedere spreuk zo goed mogelijk voor. Later was dat niet meer nodig. Vol bewondering merkte de klassenleerkracht dat in de bovengenoemde 
groepering zich vaak merkwaardige lotsovereenkomsten toonden.

Zo was er eens in een klas in de woensdaggroep een samengaan van kinderen die hulp voor hun gezondheid nodig hadden, zo alsof ze de mercuriusdag hadden gekozen om hun aardeleven te beginnen.
Ook de vriendschap vóór schooltijd werd in de getuigschriftspreukengroep van dezelfde weekdag teruggevonden.
Je zou aan iedere leerkracht willen aanraden die samenhangen eens na te gaan.
Voor het grootste deel zijn de ervaringen die je daarmee opdoet van zo’n broze en intieme aard dat je ervoor schroomt ze in woorden samen te vatten.
Na al deze voorbereidingen zijn de kinderen zo ver dat ze de les kunnen volgen, zonder dat er nog storende invloeden van straat het werken hinderen. Bovendien wordt door dit vertrouwelijk kunstzinnig werken met de kinderen de mogelijkheid geschapen dat ze op een heel andere manier dat wat in het onderwijs geboden wordt, in zich opnemen dan wanneer je je eenvoudigweg intellectueel tot hen zou richten.
De grootste vreugde beleeft de klassenleerkracht wanneer hij op ouderbezoek merkt hoe de getuigschriftspreuk bij het kind een plaats is gaan innemen. Hoe vaak heeft hij niet kunnen waarnemen dat de kinderen onder elkaar over hun getuigschrift praten en er trots op zijn. Dan mag hij hopen dat het woord werkelijk zijn weg gevonden heeft naar gevoel en wil, zoals Rudolf Steiner het zegt: ‘Veel meer dan met ons denken hangt het woord samen met ons gevoel en nog veel sterker met wat in onze wil ligt, omdat nu eenmaal het voelen tot een veel onderbewuster deel van onze ziel hoort dan het denken, en het willen tot het nog diepere onderbewustzijn van onze ziel hoort dan het gevoel. Wanneer de mens een woord uitspreekt, zo verhoudt zich dit tot het denken als een soort teken; tot het voelen verhoudt het zich veel intiemer. Het is veel meer in samenhang met het voelen; en heel in het bijzonder hangt het samen met de wil.’
GA 162/129 

Hoe verantwoordelijk is het werken met getuigschriftspreuken, hoeveel kun je op het gebied van zielenhygiëne niet bereiken wanneer je met volledige inzet ernaar streeft! ‘
(vertaling van blz. 15-19, uitg. 1967)

Steeds meer collega’s gingen ertoe over de gezichtspunten en ervaringen van Heinz Müller te gebruiken om voor hun leerlingen de getuigschriftspreuken te maken.

In de ‘Lerarenbrief’ van april 2013 verscheen een artikel van Ruud Gersons. Met toestemming volgt het hier:

Over de getuigschriftspreuken

De tijd van de getuigschriftspreuken nadert. Toen ik nog aan de Zeister Vrije School werkte, heb ik eens mijn gedachten over dit onderwerp opgeschreven. (Ik werk nu aan de Stichtse Vrije School voor VO, bovenbouw dus.) Het leek mij tijd worden, dat mijn beslommeringen beschikbaar komen voor col­lega’s die met dit onderwerp nog wat aarzelingen hebben. Vandaar dit artikel. Waarbij ik meteen aan­teken, dat onderstaande mijn eigen visie is op het thema van de getuigschriftspreuken en dus zeker niet als zaligmakend beschouwd mag worden. Ik geef mijn mening graag voor een betere.

Mijn inspiratiebron was het boekje Von der heilenden Kraft des Wortes und der Rhythmen -Die Zeugnissprüche in der Erziehungskunst RudolfSteiners, van Heinz Müller (Verl. Freies Geistesleben, Stuttgart 1995).
Maar waar hij de opwekkende en tot rust komende ritmen be­spreekt, ben ik het niet helemaal met hem eens en ben mijn eigen weg gegaan.

Zoals bekend, bestaat het getuigschrift uit twee delen: een deel voor de ouders en een deel voor het kind zelf. Over het deel dat bestemd is voor de ouders, zou ook een heleboel te zeggen zijn. Maar ik beperk mij tot het deel dat voor het kind bestemd is. Rudolf Steiner zag voor zich, dat het kind zichzelf zou kunnen herkennen in een beeld, of een gedicht, zodanig dat het har­moniserend en stimulerend zou kunnen werken. Vanaf het begin van de Waldorfschool kregen de leerlingen van de onderbouw een eigen beeld of gedicht, waaraan zij innerlijk zouden kunnen groeien. In de loop van de jaren heb ik zelf vele getuigschriftspreuken gemaakt en hoe ik daarbij te werk ben gegaan, wil ik hier uit de doeken doen.

Mijn uitgangspunten bij de getuigschriftenspreuken:

• De spreuk moet “homeopathisch” werken, d.w.z. aansluiten bij wat er is en dat geleide­lijk omvormen vanuit de eenzijdigheid in het tegenovergestelde, zodat een evenwichtig “midden” ontstaan kan.

  • Het eerste deel van de spreuk sluit met het ritme aan bij het temperament van het kind. Het tweede deel brengt een ommekeer teweeg en gaat over in het tegenovergestelde temperamentritme. (Dus bijv. van cholerisch naar flegmatisch en omgekeerd. Van melan­cholisch naar sanguinisch en omgekeerd).
  • Ik begin dus naar twee ritmen te zoeken voor een kind: het eigen temperamentritme én het tegenovergestelde. Grove indeling: van op­wekkend naar rustig, of juist andersom. Fijnere indeling: van het ene temperament overvoeren in het tegenovergestelde. Soms komen beide indelingen tegelijk voor en ver­sterken elkaar.
  • Heb ik eenmaal een geschikt ritme gevon­den, waarop goed gelopen kan worden, dan zoek ik daar zinvolle beelden bij, die aan­sluiten bij de ritmen, zodat ze deze verster­ken. Bijv. een melancholisch beeld bij een melancholisch beginritme. Dan een sangui­nisch beeld bij een opwekkend, sanguinisch ritme. Dat kind moet dus uit de melancholie “gewekt” worden.
  • Mijn getuigschriftspreuken hebben dus meestal twee coupletten. (Soms wijk ik hier­van af.)
  • Bij de overgang van het eerste naar het tweede couplet veranderen dus zowel het ritme als het beeld! Dit moet een “verster­kend effect” opleveren.

Diverse ritmen

Opwekkend, versnellend:

l)    v-      cholerisch    (kort lang)                           jambe

2)   v v – sanguinisch (kort kort lang)                  anapest

3)   – –    niet uitgesproken gekoppeld aan een temperament
(lang lang)                                                                    spondeus (gevolgd door bijv.
jambe

4)  – v v – niet uitgesproken gekoppeld aan een temperament
(lang kort kort lang)                                                 choriambus

Deze ritmen hebben gemeen dat ze eindigen op een ‘lange’, beklemtoonde lettergreep. Als je deze rit­men loopt, dan zul je merken dat je op een korte a.h.w. een aanloop neemt om te eindigen op die laat­ste, krachtige lange. Vandaar het opwekkende karakter van deze ritmen.

Tot rust komend, afremmend:

l) -v   flegmatisch (lang kort)                             trochee

2)  – v v niet uitgesproken gekoppeld aan een temperament
(lang kort kort)                                                        dactylus

3)  v – v melancholisch maar ook wel als “harmonisch” ritme aangeduid
door Steiner
(kort lang kort)                                                        amfibrachys

4) v – – v                   (kort lang lang kort)          naam mij onbekend

Deze ritmen hebben gemeen dat ze eindigen op een ‘korte’, onbeklemtoonde lettergreep. Als je deze ritmen loopt, dan zul je merken dat je op die laatste korte a.h.w. afremt. Vandaar het tot rust komende karakter van deze ritmen.

Voorbeelden van werkwijze voor de vier temperamenten

1.Een sanguinisch kind
De spreuk zal opwekkend beginnen en dan tot rust voeren.

Bijv. van de opwekkende anapest (v v -) over­gaan naar de melancholische (of door Steiner “harmonisch” genoemde) amfibrachys (v – v ).

Voor een heel drukke, motorisch propulsieve jongen (klas 2) die zijn onrust kwijt moet en tot innerlijke rust moet komen. Dus van bewe­ging naar rust.

Zie het water dat schuimt                 (v v -)
Zie het water dat spat
Naar omlaag kolkt de stroom
Spettert alles zo nat.

In de stroom staat een man        (v v -)
Draagt een kind op zijn rug
O hoe zwaar is zijn last
Kan niet voort, noch terug

Maar dicht bij de oever                (v – v / v – v)
Spreekt tot hem het kind:            (v – v / v -)
“O, Offerus gij                                   (v-v/ v-)
die trotseert weer en wind           (v v – / v v -)

Christophorus doop ik                  (v – v / v – v)
Zo is uw naam,                                  (- v / v -)
Ja drager van Christus,                (v – v / v – v)

Zo heet gij voortaan!”                   (v-v/ v -)

2. Een flegmatisch kind
De spreuk zal rustig, slepend beginnen, maar overgaan in een opwekkend ritme.

Begin bijv. met trochee (- v), eindig met anapest (v v -)

Een flegmatisch joch (klas 1) is een dromer. Hij moet wakker worden en aan de slag!

’t Nachtlijk duister gaat verdwijnen           (- v)
Zie de morgenzon reeds schijnen
Helder is de dageraad
Wekt mij op tot werk en daad

Wakker en blij                                                      (- v v -)
Doe ik mijn plicht
Want Godes licht
Voel ik in mij!

3. Een melancholisch kind
De spreuk start vanuit een harmonisch ritme als amfibrachys (v – v), waarna overgegaan wordt naar een opwekkend ritme, bijv. de cho­riambus (- v v -) en tenslotte weer iets tot rust komend met dactylus (-v v).

Voor een tenger, schuchter, melancholisch meisje, klas 2. Zij moet uit haar schulp treden en extroverter worden. Ze kan veel als ze ge­stimuleerd wordt.

(Thema: Legende Elisabeth von Thüringen)

Een winterse deken lag over de aarde                          (v – v)
De zieken en armen, waarheen zij ook staarden
Zij vonden geen liefde, geen zorg en geen eten
Zij voelden zich eenzaam en koud en vergeten

Daar kwam een vrouw: Elisabeth                                  (- v v -)
Sterk was haar wil, groot was haar trouw
Zieken en armen, zij gaf hen te eten;
Elisabeths goedheid werd nimmer vergeten!          (- v v)

4. Een cholerisch kind
De spreuk krijgt een krachtig begin, bijv. anapest (v v -) overvoerend in dactylus (- v v ) of amphybrachys (v – v) of trochee (- v)

Of beginnen met spondeus of choriambus, beiden opwekkend.

Voor een cholerisch meisje (klas 2) dat heel veel in haar mars heeft, maar erg bepalend is in de klas. Ze mag wat minder hoog van de toren blazen. De herhaalwoorden geven extra kracht weer in de spreuk.

Schip in de storm                 (- v v -)
Storm op de zee
Zee beukt en bruist
Schip neem mij mee!

Storm ga liggen                      (- v)
Storm verlies je
’t Schip zeilt ook wel bij een briesje.

Zoals Ruud hier uiteenzet, ben ik ook vele jaren te werk gegaan.
Hij maakt tot slot in zijn artikel nog een aantal opmerkingen; in cursief zet ik daarbij mijn opmerkingen.

Opmerkingen

1. Pas op met te veel trocheeën (- v) of jambes (v -) na elkaar.
Dan wordt lopen snel tot hinken en dat is gauw vermoeiend. Niet meer dan een paar re­gels met deze “hink”-ritmen.

Dit onderschrijf ik helemaal

2. De geboortedag van het kind in de week
In een aantal vrijescholen loopt de leerling de spreuk op de dag in de week dat hij/zij is ge­boren. Ben je op zaterdag geboren, dan komt jouw spreuk op de vrijdag. Op zondag geboren? Dan ben je ’s maandags aan de beurt.

Deze werkwijze wordt door Müller beschreven. Ik heb deze in mijn eigen klassen niet toegepast. Ik wilde graag het ritme, zoals Ruud dit hierboven zo gedegen beschrijft, met de kinderen oefenen en koos daarvoor een tijd van 4 weken – de tijdseigenschap van het etherlijf.
In de 1e week zei het kind de spreuk op; in de 2e week kwamen daar de bewegingen klappend bij en daarna ook het lopen. De klas sprak dan – het lopende kind niet – zoals hierboven ook aangegeven. Omdat er meer dan 1 kind een beurt krijgt, kun je hier wel kiezen voor ‘dinsdagkinderen enz., maar dat hoeft niet.

3.  Gang van zaken
Een goed moment om dit te doen is meteen na de ochtendspreuk. Dit gebeurt ook meestal zo.

Je kunt natuurlijk ook de klas mee laten re­citeren. Het betreffende kind loopt dan op het ritme. Je kunt ook het betreffende kind de spreuk laten reciteren, terwijl de hele klas er op loopt. Klappen in de handen kan uiteraard het lopen afwisselen.
Zo leren ze elkaars spreuken kennen en dus ook iets van de geheimen van elkaars tempera­menten, eenzijdigheden en de oplossingen daarvoor – zonder dat dit natuurlijk besproken wordt. Als Marietjes spreuk begint met een be­schrijving van iets tragisch’, zal de klas het er wel mee eens zijn, dat het bij haar past. Haar tweede couplet brengt de oplossing. Als Johns spreuk begint met “bulderend onweer” zal ook iedereen snappen dat dat bij John past. Zijn spreuk eindigt met de zon die weer doorbreekt tussen de wolken. Zo leren ze van elkaar.
Het betreffende kind laten lopen én opzeg­gen tegelijk, lijkt me niet juist, (zoals ook de euritmist niet beweegt en tegelijk spreekt) maar dat is gevoelsmatig.

Geheel mee eens.

4.  Hoe lang er mee werken?
Meestal wordt begonnen na de zomervakan­tie. Het is heel goed als het kind tijdens de va­kantie de spreuk thuis al uit z’n hoofd heeft ge­leerd. Dan kun je na de vakantie er snel mee aan de slag. Maar dan? Het hele schooljaar? Lijkt mij niet. Al was het alleen maar omdat het kind innerlijk groeit en niet te lang steeds maar bezig wil zijn met thema’s van het vorige schooljaar (zie punt 5). Tot de herfstvakantie is mooi; tot de kerstvakantie kan, maar dat moetje aftasten. Tot wanneer heb je het gevoel, dat het nog werkzaam is? Dat is, denk ik, de kernvraag.

Dit zijn m.i. allemaal gezichtspunten die kunnen gelden; met mijn methode van 4 weken, kwamen alle kinderen ongeveer 2x per jaar aan de beurt. Maar soms kon je na verloop van tijd zien dat het ritme inderdaad werkzaam was geworden; dan was de noodzaak om verder te oefenen ook niet meer aanwezig.

5.De keuze van de beelden
Het lijkt logisch in de vertelstof van het af­gelopen jaar te duiken, om tot een zinvol beeld voor een leerling te komen. Zoals uit de voor­beelden te zien is, gebruikte ik (aanvankelijk) zelf ook de vertelstofthema’s. Geleidelijk aan ben ik daar van afgestapt, want dit houdt ook een gevaar in. Stel je vindt een mooi beeld uit de legende van Franciscus van de tweede klas. Dan moet die leerling daar in de derde klas mee aan de slag. Maar dan is hij qua leeftijdsfase al over het legendenstadium heen. Je zadelt de leer­ling dan dus op met iets ouds. Daarom kun je ook hele neutrale onderwerpen nemen, die altijd te gebruiken zijn. Bijv: de natuur, de storm of de wind, de rivier, de waterval, de ondergaan­de- of opkomende zon – of maan; verder iets uit de planten- of dierenwereld, enz.

Ik heb het zelden een bezwaar gevonden om beelden uit de vertelstof te geven. Wat bv. uit het leven van Franciscus als beeld gegeven kan worden, verliest zijn kracht niet, wanneer het kind ouder wordt; dat is misschien wel zo wanneer je uit de sprookjes een beeld haalt met kabouters, bv.
Beelden uit de natuur hebben inderdaad een veel ‘eeuwiger’ karakter.

6.  De verspreiding van mijn eigen spreuken
Ik beschik over vele tientallen spreuken, die ik in de loop van de jaren voor kinderen heb ge­schreven. Daar rust geen patent op. Omdat het temperamentspreuken zijn, zijn die algemeen toepasbaar. Wil je van mijn spreuken gebruik maken, dan mail ik ze je toe.

Wil je contact hierover, wil je meer weten, of heb je vragen, mail mij dan.’

Ruud Gersons Stichtse Vrije School, Zeist
Vrije School Studiecoaching: vss(apenstaartje)hotmail (punt) nl

Hier verschillen Ruud en ik (en Heinz Müller*) wel van mening.
Ik heb steeds het gevoel gehad dat een getuigschriftspreuk gemaakt wordt voor dat ene, bijzondere kind. Dus dat het een ‘eenmalige’ spreuk is.
(Dat wil niet zeggen dat je deze spreuk niet eens zou kunnen gebruiken om met een ander kind (in een andere klas) een ritme te oefenen.) Maar een eenmaal gemaakte spreuk jaren achtereen ook aan andere kinderen geven als getuigschriftspreuk ontneemt mij het gevoel iets unieks aan dit unieke kind te geven.

Ik weet het: je stelt jezelf een hoge opdracht en het is makkelijker om in een stencil of boekje wat te zoeken waarvan je het gevoel hebt dat het bij dit kind past; ik had er ieder jaar wel behoefte aan, want het lukte niet voor ieder kind naar tevredenheid iets te vinden. Dat dwong mij er ook wel toe bestaande beelden te gebruiken; ik paste soms een enkel woord aan; maar het voelde voor mij niet goed – net of ik toch tekortschoot.

En hoe gaat dat in de praktijk: ‘heb jij nog een spreuk voor een sanguinicus, enz.?, want als je de spreuken beschouwt als temperamentspreuken, zoals Ruud hier zegt, is daar niets op tegen.

En als je  een spreuk neemt die iemand anders heeft gemaakt, moet zijn of haar naam daar dan bijstaan?

Rudolf Steiner noemt steeds ‘een spreuk’ voor de individualiteit van het kind.
(Ik ben niet tegengekomen dat hij ook spreekt over een ‘gedicht’, maar dat kan mij ontgaan zijn)

Het woord spreuk hangt samen met sprookje (beeld) met spraak en spreken; een spreekwoord is eigenlijk in dit opzicht ook een spreuk.
Opvallend is dat een spreekwoord kernachtig zegt waarom het gaat.

Zo heet een boekje van Herbert Hahn met getuigschriftspreuken en gedichten: ‘Schritt für Schritt wird Weg gewonnen’.

Hiermee wil ik niet zeggen dat langere spreuken (of zijn het dan gedichten geworden?) geen zeggingskracht zouden hebben; maar altijd ligt hier op de loer dat door het teveel aan woorden de zeggingskracht minder wordt.

M.i. zijn de ritmen voor de temperamenten ondergeschikt aan het eigenlijke beeld.

*Tot slot Müller nog eens:
Rudolf Steiner legde er verschillende keren de nadruk op, dat het goed zou zijn wanneer de klassenleerkracht deze spreuken zelfstandig zou maken.
.

Pieter Witvliet met medewerking van Ruud Gersons
.

Zie ook Audrey McAllen

.

Getuigschriften: alle artikelen

Rudolf Steiner:  over getuigschriften

.

175-165

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (22)

.
Else Tideman , ‘Jonas’ 20, 28 mei 1982
.
Verteltijd ca. 15 min.
.

‘VINGERHOED, VINGERHOED, HEB GOEDE MOED’

Vingerhoedje, een arm gebocheld mannetje dat ‘er nauwelijks als een mens uitzag’.

Else Tideman vond een Iers sprookje dat ons op weg kan helpen iets van het pinksterfeest te beleven.

‘Dat kan alleen maar gebeuren als men zich zo voorbereidt als Vingerhoedje’.

Er was eens een arme man. Hij had een grote bult op zijn rug, dat zag er net uit of zijn lijf naar boven geschoven en op zijn schouders gelegd was. Door de zwaarte werd zijn hoofd zó diep naar beneden gedrukt, dat hij ge­woon was zijn kin op zijn knieën te steunen, als hij zat.
De mensen uit de streek waren bang om hem op een eenzame plek tegen te komen, en toch was het arme mannetje zo onschuldig en vredelievend als een pasgebo­ren kind. Maar zijn mismaaktheid was zó groot, dat hij er nauwelijks als een mens uit­zag en daarom hadden boosaardige lieden vreemde verhalen over hem verspreid.
Er werd verteld dat hij veel van kruiden en tovermiddelen wist. Zeker was dat hij met vaardige hand hoeden en korven kon vlech­ten uit stro en biezen. Daarmee verdiende hij zijn brood.
Vingerhoedje was zijn bijnaam, omdat hij op zijn hoedje altijd een tak droeg van het elfenkapje of rode vingerhoedskruid.
Voor zijn vlechtwerk kreeg hij altijd een dubbeltje meer dan een ander; misschien hebben de mensen uit nijd daarover die won­derlijke verhalen over hem rondgestrooid.
Eens gebeurde het dat Vingerhoedje ’s avonds van de stad Cahir naar Cappagh ging. En om­dat hij door de lastige bult op zijn rug maar langzaam vooruit kwam, was het al donker toen hij het oude hunebed bereikte, dat rechts van de weg ligt. Moe en afgemat, teneergeslagen omdat hij wist dat er nog een lang stuk weg vóór hem lag en hij de hele nacht moest doorlopen, ging hij onderaan de grafheuvel zitten om een beetje uit te rusten en keek heel bedroefd naar de maan.
Opeens drong een wonderlijke, onderaardse muziek tot de oren van Vingerhoedje door. Hij luisterde en hij dacht dat hij nog nooit zoiets betoverends gehoord had. Het was als de klank van veel stemmen, waarvan de één zich naar de ander voegde en die zich zó wonderlijk vermengden, dat het er maar één scheen te zijn, terwijl toch ieder een eigen toon hield.
De woorden van het lied waren deze:

‘Da Luan, Da Mort,
Da Luan, Da Mort,
Da Luan, Da Mort’.

Daarna kwam een kleine pauze, waarop de muziek van voren af aan begon.

Vingerhoedje luisterde opmerkzaam en durfde nauwelijks adem te halen om geen toon te missen. Hij merkte nu duidelijk dat het ge­zang uit de grafheuvel kwam. En hoewel het hem in het begin erg verrukte, werd hij het eindelijk toch moe dezelfde rondzang aan één stuk door, zonder afwisseling aan te ho­ren. Toen opnieuw Da Luan, Da Mort drie­maal gezongen was, gebruikte hij de kleine pauze en nam de melodie op om verder te zin­gen met de woorden augus Da Cadine. Toen daarna de stemmen in de heuvel weer invie­len, zong hij met hen mee – Du Luan, Da Mort, maar eindigde bij de pauze weer met zijn toevoeging augus Da Cadine.
Toen de elfen in de heuvel de toevoeging tot hun geestesgezang hoorden, verlustigden zij er zich buitengewoon in en besloten meteen het mensenkind, wiens muzikale bekwaam­heid de hunne zó ver overtrof naar beneden te halen, en Vingerhoedje werd met de krin­gelende snelheid van een wervelwind naar hen toegedragen.

Dát was een pracht, die hem in de ogen blonk, toen hij beneden in de heuvel kwam, rondzwevend, licht als een strohalmpje. En de lieflijkste muziek hield keurig de maat bij zijn vaart. De grootste eer werd hem echter betoond toen zij hem boven alle zangers plaatsten. Hij had dienaren, die hem alles moesten geven wat zijn hart begeerde, en hij zag hoe de elfen van hem hielden. Kortom, hij werd behandeld alsof hij de eerste man in het land was.

Toen merkte Vingerhoedje, dat ze de kop­pen bij elkaar staken en met elkaar beraad­slaagden, en hoezeer hun hoffelijkheid hem ook beviel, begon hij toch bang te worden. Toen kwam een van de elfen voor hem staan en zei:

‘Vingerhoed! Vingerhoed!
Heb maar goede moed!
Wees lustig en tevreden,
Je bult valt naar beneden,
Zie hem liggen, ’t ga je goed,
Vingerhoed, Vingerhoed!’

Nauwelijks waren de woorden beëindigd, of Vingerhoedje voelde zich zó licht, zó zalig, alsof hij in één sprong wel over de maan kon wegspringen, zoals de koe in het sprookje van de kat en de viool. Hij zag met de groot­ste vreugde van de wereld de bult van zijn schouders op de grond vallen. Hij probeerde toen of hij zijn hoofd kon opheffen, maar hij deed het heel voorzichtig uit vrees tegen de zoldering van de grote hal te stoten. Daarna keek hij om zich heen met de grootste be­wondering en verlustigde zich in alle dingen, die hem steeds schoner voorkwamen. Ten ­slotte werd hij zó overweldigd door de aan­blik van zijn glanzend verblijf, dat het hem duizelde, zijn ogen verblind werden en hij in een diepe slaap viel.

Toen hij wakker werd, was het klaarlichte dag. De zon scheen, de vogels zongen en hij lag weer aan de voet van de grafheuvel, ter­wijl koeien en schapen vredig om hem heen graasden. Nadat Vingerhoedje zijn gebed ge­zegd had, was zijn eerste daad naar zijn bult te grijpen, maar er was op zijn rug geen spoor meer van te vinden. Hij bekeek zichzelf niet zonder trots, want hij was een welgevormde jongeman geworden en – wat geen kleinig­heid was – hij zag zichzelf van top tot teen in nieuwe kleren. Hij begreep dat de elfen hem dit pak bezorgd hadden. Toen ging hij op weg naar Cappagh, hij liep zó dapper en sprong bij iedere pas, alsof hij zijn leven lang niet anders gewend was ge­weest. Niemand die hem ontmoette, herken­de hem zonder bult en hij had de grootste moeite de mensen ervan te overtuigen dat hij werkelijk Vingerhoedje was. En inder­daad, naar zijn uiterlijk was hij het ook niet meer.

Mijlenver in de omtrek sprak ieder, rijk of arm, over niets anders meer dan over de ge­schiedenis van Vingerhoedjes bult. Op een morgen zat Vingerhoedje tevreden voor zijn deur. Daar kwam een oude vrouw langs, die hem de weg naar Cappagh vroeg. ‘Je bent hier in Cappagh’, antwoordde hij, ‘naar wie wil je toe?’ ‘Ik kom van ver en zoek een man, die Vingerhoedje genoemd wordt en van wie wordt gezegd dat de elfen de bult van zijn schouders genomen hebben. De zoon van mijn vriendin, die heeft een bult die hem nog dóód drukken zal. Misschien kan hij net zo’n tovermiddel gebruiken als Vingerhoedje, om ervan verlost te worden. Daar wou ik zo graag van horen’.

Vingerhoedje vertelde haar uitvoerig hoe al­les gegaan was. De oude vrouw dankte hem duizendmaal en ging weer naar huis. Toen ze bij haar vriendin kwam, vertelde ze precies wat ze van Vingerhoedje te weten gekomen was. Daarna zetten ze het bultige kereltje op een wagen en trokken hem voort. Het was een verre tocht. ‘Maar wat hindert dat’, dachten ze, ‘als hij zijn bult maar kwijt raakt’. Juist toen de nacht begon, kwamen ze bij de grafheuvel aan. Zij legden hem daar neer en gingen weg.

Hans Madden, want dat was de naam van de gebochelde, was z’n leven lang een knorrig en sluw kereltje geweest. Hij zat nog maar kort bij de grafheuvel toen de muziek in de heu­vel begon, nog veel lieflijker dan eerst, want de elfen zongen hun lied met de toevoeging die ze van Vingerhoedje geleerd hadden. ‘Da Luan, Da Mort, Da Luan, Da Mort, Da Luan, Da Mort, augus Da Cadine’,  zonder onder­breking. Hans, die nu vlug zijn bult kwijt wilde, wachtte niet tot de elfen met hun ge­zang klaar waren. Ook lette hij niet op het geschikte ogenblik om net als Vingerhoedje de melodie met een eigen toevoeging voort te zetten. Toen ze hun lied meer dan zeven keer aan één stuk door gezongen hadden, schreeuwde hij zonder rekening te houden met maat en melodie en een passend ogen­blik om zijn woorden in te voegen, uit volle borst: ‘augus Da Dardine augus Da Hena’ en dacht, ‘was één toevoeging goed, dan zijn twee nog beter, en als Vingerhoedje één nieuw pak gekregen heeft, zullen ze mij er wel twee geven.’

Nauwelijks waren de woorden over zijn lip­pen gekomen, of hij werd opgenomen en met wonderbaarlijk geweld binnengedragen in de heuvel. Hier omringden de elfen hem. Ze waren heel boos en riepen schreeuwend en krijsend: ‘Wie heeft ons lied bedorven? Wie heeft ons lied bedorven?’ Eén kwam naar voren en zei:

‘Hans Madden! Hans Madden!
Slecht passen de woorden,
Die wij van je hoorden!
Nu ben je gevangen,
Wat zal aan je hangen?
Twee bulten voor éne! Hans Madden!’

En twintig van de sterkste elfen sleepten Vingerhoedjes bult aan en zetten hem boven­op de bochel van de ongelukkige Hans Mad­den. Daar zat hij zo vast alsof hij met twaalf­cents nagels door de beste timmerman die ooit nagels ingeslagen had, vastgespijkerd was. Daarna stootten zij hem uit hun woning.
’s Morgens toen Hans Maddens moeder en haar vriendin naar hem kwamen kijken, vonden ze hem aan de voet van de heuvel liggen, half dood met een tweede bult op zijn rug. Zij bekeken hem om beurten, maar daar bleef het bij. Ten slotte werden ze bang, dat hun óók een bult op de rug gezet kon wor­den en brachten Hans Madden weer naar huis.

Zo moest Hans Madden verder leven met het gewicht van twéé bulten op zijn rug. En dat was zó zwaar, dat hij niet lang daarna gestor­ven is. Vingerhoedje echter leefde nog lang en tevreden.

Pinksteren

Hoe kan dit sprookje ons op weg helpen iets van Pinksteren te beleven? We zien vóór ons een gebocheld mannetje. Hij is arm, verdient zijn brood met manden en hoeden vlechten. Allemaal omstandigheden die iemand hard en bitter kunnen maken. Het tegendeel is waar. Hij wordt ‘onschuldig en vredelie­vend’ genoemd. Hij kan buitengewoon goed vlechten. We kunnen ons voorstellen hoe hij daar zit: kin op de knieën, ‘zijn lichaam naar boven geschoven, zijn hoofd naar beneden gedrukt.’ Alles is ‘in het midden’ samenge­drukt. Je zou kunnen zeggen: hij denkt ‘heel dicht bij zijn hart’. Ook zijn oren en zijn omhooggeschoven lijf zijn ‘heel dicht bij zijn hart’. Al het mens-zijn is om zijn hart ge­groepeerd. Hij vlecht manden, voorwerpen, die gevuld kunnen worden, die iets kunnen dragen. Ze kunnen alle schatten bevatten, die de koper eraan toevertrouwt. Ze zijn mooi – hij krijgt immers een dubbeltje extra. Ook de hoeden zijn mooi en bruikbaar. Ze beschermen de koper tegen het ‘te veel’ aan regen en zonneschijn. Ze zijn samen – mand en hoed – als het ware een beeld van wat hij zélf is: al is hij nog zo mismaakt, hij weet zichzelf ‘te dragen’ en te beschermen tegen het ‘te veel’ van buiten af. Toch sluit hij zich niet af. Hij maakt gevlochten voorwerpen en weet zijn ervaringen positief te vervlechten. Zijn manden en hoeden zijn stevig en toch luchtig, niet zwaar, en van natuurmateriaal: stro en biezen. Ook dat is materiaal van ‘het midden’. Het stro is immers de korenhalm tussen de gedorste aar en de wortel waarmee de halm in de grond stond. Van de biezen kan men hetzelfde zeggen. Zelf heeft hij óók een hoedje van dit materiaal op, met een takje van het vingerhoedskruid. De Latijnse naam hiervan is digitalis purpurea. Deze plant wordt als geneesmiddel voor het hart ge­bruikt! In Ierland heet hij fairy-cap, elfen­kapje.

Het hele beeld spreekt van een geweldige concentratie van alle menselijke vermogens om het hart heen en een voortdurend bezig zijn en oefenen daarin. Zelfs als hij ’s avonds afgemat bij het hunebed zit: hij luistert ademloos. Hij verdiept zich zo in de elfenmuziek, dat hij er één mee wordt en van bin­nenuit ritme en melodie meebeleeft. Dan voelt hij ook het gemis en het verlangen dat zich in de stilte tussen de zich herhalende strofen uitdrukt. Daarin verdiept hij zich zó sterk, dat in hem ook een gemis ontstaat. (Hij werd moe van de niet eindigende rond­zang). En nú komt – wat je zou kunnen noe­men – een beeld van een pinksterbeleven. Dat kan alleen maar gebeuren, als men zich zó voorbereidt als Vingerhoedje.

In het Nieuwe Testament staat over Pinkste­ren: ‘En zij werden allen van Heilige Geest vervuld en begonnen te spreken in andere ta­len met de spraak, die de Geest hun gaf’.

Plotseling kan Vingerhoedje de taal van de elfen spreken en zingen en hij vindt een aan­vulling van hun lied. Iets volkomen nieuws ontstaat. De elfen voelen zich opgenomen, ze zijn méér dan ze waren, ze zijn héél ge­worden: ge-heeld.
Ook Vingerhoedje wordt ‘geheeld’ door zijn onbaatzuchtige daad. Hij wordt ook meer dan hij was: een welgevorm­de jongeman, van top tot teen in nieuwe kle­ren. En dat is een tweede aspect van het pinkstergebeuren.

Nu begrijpen we ook, dat Hans Madden met zijn egoïstische verlangen – twee nieuwe pakken en geen bult meer – heel ver van dit heilige en helende gebeuren afstond. Toch horen ze beiden in het beeld: Vingerhoedje en Hans Madden. Hans Madden is in dit sprookje de schaduw die het licht van Vin­gerhoedje helderder doet schijnen.

Dit Ierse sprookje is te vinden in ‘Celtic Fairy Tales, collected by Joseph Jacobs. Uitg. The Bodley Head London. Een goede vertaling in het Duits door de broeders Grimm staat in: Irische Elfenmarchen. Uitg. Freies Geistesleben.

.

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Pinksteren – jaartafels

.

174-164

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren – alle artikelen

.

[1] Van Pasen tot Pinksteren
Paul Veltman over: Pinksteren in de natuur, Heilige Geest; vrije individualiteit. 

[2] Van aanschouwen tot innerlijk beleven 
Jacobus Knijpenga over: Pinksteren als feest van de menselijke individualiteit; Pasen, Hemelvaart; wolken; getal 40.

[3] Kleine pinksterknutsels
Tineke Geus en Annet Schukking: vogeltje, vlinder, vogeltjes op tak; meiboomkroon; bloemen: anjer, bloesem, roosje, dahlia, kelkje met blaadjes, steeltje.

Nicole Karrèr: zijden pinksterbloem.

Onbekend: duifjes; lentevrouwtje; mobile lente-elfjes;

[4] Ongrijpbaar Pinksteren
Annet Schukking over: Kerstmis gaat nog wel, Pasen is al moeilijker, maar Pinksteren? de natuur rond Pinksteren; stuifmeel t.o. sneeuwkristal; vieren of  vrije dagen, Heilige Geest.

[5] Pinksteren 
Paul Veltman over: Pinksteren een moeilijk feest;  waar komt het woord vandaan, natuur rond Pinksteren; natuurfeest-geestfeest.

[6] Pinksteren vanuit de kleuterschool
Over: Pinksterfeest in de kleuterklas, symboliek van attributen.

[7] Het schooljaar loopt ten einde
Paul Veltman over: Pinksteren een moeilijk feest;  waar komt het woord vandaan, natuurfeest-geestfeest (zie 5).

[8] Over Pinksteren
Kleuterleidsters over: Pinksteren in de kleuterklas; symboliek bruid/bruidegom, vogel.

[9] Recepten
Frédérique Wedekind en Julio Wiertz over: brood, geschiedenis, waarde, tafelspreukje, zelf bakken; voorbeelden van feestbroden
M.Gerretsen: luilakbollen;
W.M.: pittabrood; gaspacho;
Griekse salade;

[10] Pinksteren
W.M. over: Pinksteren in de kleuterklas; symboliek van ‘fiere pinksterblom’.

[11] Hemelvaart en Pinksteren
Michiel ter Horst over: Hemelvaart en Pinksteren: hoe kun je ze in de natuur beleven?

[12] Van Hemelvaart tot Pinksteren
Over: Pinksteren een moeilijk feest; Hemelvaart; Jezus; Christus; duif; natuur; in de kleuterklas; symboliek van de attributen.

[13] De pinksterbruid
Marijke Peeters over: Oude pinkstergebruiken; symboliek van de attributen; luilak.

[14] Pinksteren 
Over: Pinksteren een moeilijk feest; Heilige Geest; apostelen; voorjaar; Pinksteren in de natuur; Pinksteren in de kleuterklas; symboliek.

[15] Pinksteren
J. van Dam over: De visie van Rudolf Steiner op Pasen, opstanding, Pinksteren; Pinksteren in de natuur.

[16] Pinksteren, het feest van het geheim
Anke over: Pinksteren: feest van de toekomst – van de het bewustzijn – van ons ware hogere Ik; Heilige Geest; oosters en westers politiek denken; fiere pinksterblom.

[17] Pinksteren, tegenwoordigheid van geest
Marijke Anschütz over: Heilige Geest, Juno, natuur, Pinksteren in Israël – feest van de eerstelingen; schutter, Schutter; feest van de toekomst.

[18] Het Pinksterfeest
Henk Sweers
over: vrijheid en liefde; Zelf; feest van de toekomst; luilak; pinksterbruid; symboliek; pinkstergebruiken; feest van de geest.

[19] Kransen van groen en papieren bloemen
Tineke Geus over: waarom papieren bloemen, pinksterbruid, traditie, natuur; papierkunst; Johann Jacob Hauswirth.

[20] Pinksterfeest 
Over: een (zeer summiere) opsomming over Pinksteren; sprookjes voor de pinkstertijd; enkele boeken.

[21] Luilak en Pinksteren
M.Gerretsen over: luilak in Noord-Holland; Pinksteren in de kleuterklas; pinkstersymbolen.

[22] Vingerhoed, vingerhoed, heb goede moed
Else Tideman over: het Ierse sprookje ‘Vingerhoed’ i.v.m. Pinksteren.

[23] Pinksteren
Annemieke Zwart over: idealen; inspiratie; pinksteren in de kleuterklas; moeilijker te vieren in basisschool.

[24] Hemelvaart en Pinksteren
Hans ter Beek
over: Pinksteren tegenover St-Maarten; natuur;  in de kleuterklas; meiboom; Germaanse mythologie; luilak.

[25] Het wonderlijke van Pinksteren
P.C.Veltman over: Pinksteren: een moeilijk ‘geestfeest’; het belang van een mensbeeld; vrije individualiteit, toekomst.

[26] Zomer
Over: zomerimpressie; pinksterbruid- en bruidegom in de kleuterklas; Luilak.

[27] Van Pinksteren naar Sint-Jan
Joke Kuyt-Boersema over: Pinksteren in de kleuterklas.

[28] Folklore
Luilak, dauwtrappen; folklore. 

[29] Hemelvaart 
Loïs Eijgenraam over: de maan mei, herkomst en gebruiken; Walpurgisnacht; meivuur; meibruid; meiboom; Hemelvaart.

[30] De pinksterbruid
Mellie Uyldert over: folkloristische aspecten van Pinksteren; Luilak, pinkstervuur.

[31] Hemelvaartsdag in perspectief
Tim van Tongeren over: het ‘voorchristelijke’; jaarcyclus in 8 fasen met neopaganistische namen: Yule, Imbole, Ostara, Beltane, Litha, Lughnasadh, Mabon, Samhain; de meiboom en de symbolische kleur van de linten; Pinksterblom en meikoningin, vruchtbaarheid en bruiloft; na-christelijke interpretatie; Hemelvaart tussen carnaval en Pinksteren; kruisdood en opstanding; etherlijf na de dood.

[32] Hemelvaart
Dieuwke Hessels
over: Hemelvaart tussen Pasen en Pinksteren; natuurschets; dauwtrappen; wat gebeurde er op Hemelvaart; Hemelvaart met kinderen; Hemelvaart en lente; de elementen; Goethe sprookje; bellenblazen; parachuteknutsel; welke verhalen; liedjes; viering in kleuterklas.

[33] Pinksteren
Dieuwke Hessels
over: Pinksteren; witte vogel; zwaan; liedjes; pinksterfeest: ontstaan; pinksterfeest in de kleuterklas; meiboom; de pinksterblom; luilakbollen; transparanten; kleine pinksterknutsels; bloemen van papier maken; viering in de kleuterklas; sprookjes.

[34] Pinksteren
Miriam Haenen
over: pinksterbruid: kosmisch huwelijk; hoe kunnen we ‘alle talen spreken’; respect voor elkaars godsdienst en bereidheid elkaar daarbovenuit te ontmoeten; citaat Ghandi en Steiner.

Dauwtrappen met Hemelvaart
Bij ‘Antroposofie inspireert’.

.

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Pinksteren – jaartafels
.

173-163

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (21)

.
M.Gerretsen, in ‘Vrijblijvend’- datum onbekend
.

LUILAK EN PINKSTEREN 

In Noord-Holland wordt nog steeds op vrijdag voor Pinksteren luilak gevierd. In sommige plaatsen zijn er bloemenmarkten waar de hele nacht door planten en bloemen worden verkocht.
Voor de kinderen zijn er spelen en wedstrijden. ’s Nachts om 12 uur worden grote vuren gebrand, waarvoor de jeugd al een week van tevoren brand­stof verzamelt. Jong en oud gaat er naar toe. De volgende morgen trekken de jongeren in alle vroegte door de straten met een hels lawaai van pannendeksels, lege blikken enz., en proberen ze luid bellend en zingend:

“Luilak, beddezak,
Staat om negen uren op,
Negen uren half tien,
Nog is luilak niet te zien”.

de “langslapers” wakker te maken. Daarna wordt er ontbeten met luilakbollen.
Ik heb met  de kleuters ook wel luilak gevierd. De luilak wordt zittend op een stoeltje rond gedragen door twee kleuters. Alle kinderen zingen: “Luilak, beddezak“, enz. Dit duurt eindeloos, ieder kind wil een keer luilak zijn.

De volgende dag is het Pinksteren. In deze tijd bloeit de pinksterbloem volop.

In Amsterdam heb ik een pinksterfeest meegevierd in de kleuterklas. Van tevoren worden versierselen gemaakt. De meisjes krijgen een bloemenkransje, de jongens een bruiloftsstaf.
De meisjes die naar de 1e klas gaan krijgen een lange jurk, de jongens een hes, de overige kinderen een sterrenkraag. Ieder versiert zijn spulletjes zo mooi mogelijk met papier. Alleen de pinksterbruid krijgt een witte jurk met sluier en aan haar pols een bandje met belletjes. Middenin de klas hangt de pinksterkroon. Op het feest worden eerst de bruid en de bruidegom aangekleed. Zij zitten hoger dan de andere kinderen, precies onder de pinksterkroon. Dit is een zeer plechtig moment.
Daarna worden de andere kinderen aangekleed. Vanaf de oudste. Als iedereen klaar is rinkelen de bellen en de stoet, met een stralende bruid en bruidegom voorop, zet zich in beweging, zingend:

Hier is onze fiere Pinksterblom
Ik zou hem zo graag eens wezen,
met de mooie kransen in het haar,
En met de rinkelende bellen.
Recht is recht, krom is krom,
Gelieve wat te geven voor de fiere pinksterblom,
Want de fiere pinksterblom moet voor”.

Zo trokken ze door het Vondelpark naar het huis van een van de kleuters. Daar werd in de tuin beschuit met aardbeien gegeten en limonade gedronken.
Het was een bijzondere ervaring.
.

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Pinksteren – jaartafels

.

172-163

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rekenen (3-1)

.
Joachim Hein in ‘Erziehungskunst’ 19e jrg. nr.10 1955
.

TAFELS VANAF KLAS 2 EN HOGER

Welk kind heeft niet al eens gefascineerd voor het lopende telwerk van een gasmeter gestaan? Wat liepen die lagere cijfers flink door, dat was mooi! De tweede rij liep wat houterig. En dan de hogere plaatsen. Daar leek de beweging wel bevroren; dat die af en toe versprongen leek wel op een vage herinnering.

Iets van het wezen van de getallen is het kind aan dit telwerk wel duidelijk geworden. Zo is het echt: op de hoge plaatsen lijken de cijfers te stollen en daar worden ze tot een aanzienlijke hoeveelheid; hier voel je je in je hoofd aangesproken. Bij de lagere plaatsen – en pas goed bij de eenheden zelf – is het cijfer heel beweeglijk en grijpt je in de wil.

Als het ons lukt de brug van het ene naar het andere te slaan en innerlijke wetmatigheden zichtbaar te maken, dan hebben we veel voor een levendig begrijpen gewonnen.

Het ligt in de aard der zaak zelf, dat we bij de ‘levendige getallen’, bij de eenheden beginnen en eerst achter hun beweging zien te komen.

Zo’n weg werd al eens beschreven.*
[de auteur, Joachim Hein, heeft hier de cirkel van bv. de tafel van 3, zo verdeeld:

rekenen 7

Zichtbaar worden zo ook meteen de relaties van de cijfers: bij 4 staat 12, 4 x 3 = 12 enz.]

Dus: als eenmaal de ster is ontstaan in de cirkel met de cijfers, bovenaan beginnend: 0, naar rechts, 1, 2, 3 enz. worden nu op de sterpunten de cijfers van de tafel van 3 gezet: bovenaan beginnend: 0, naar rechts: 3, 6, 9 enz.

Zo ontstond bv. bij 1 x 3 de ster uit de verbindingslijnen 21 – 12 – 3 – 24 – 15 – 6 – 27 – 18 – 9 -30 (- 21)

Hoe komen we nu aan de ‘andere kant’ [de linker kant van het gastelwerk] van de getallen, bij de hogere plaatsing. We moeten hier in de gaten houden hoe de bewegingen van de eenheden enerzijds, anderzijds die van de tientallen (en honderdtallen) in elkaar grijpen.

Laten we eens kijken naar de rij van de kleine tafel en schrijf in ‘torenvorm’ onder elkaar:

rekenen 8

Dan is het makkelijk te zien: daar waar het tiental erbij komt, moeten de eenheden wat weggeven van hun groei! Dit kunnen we verduidelijken door een pijltje. De pijltjes wijzen naar voren met het groter worden en terug bij het minder worden ( het offer) van de cijfers.

Het is goed dat het aan de kinderen zeer duidelijk wordt: het kleinere moet wat weggeven, opdat het grotere verder kan. Op deze manier kunnen ze iets moreels aan de wereld van de getallen ervaren.
[voor de moraliteit zou je eerder denken dat wie meer heeft ook meer kan weggeven**]

Maar ook voor de praktijk van het rekenen is er veel gewonnen. De moeilijkheden bij het rekenen met de grotere tafels duikt op, omdat de verdeling in eenheden en tientallen niet bewust gemaakt wordt: wanneer je die eenmaal begrepen hebt, wordt de overgang van de kleine naar de grote tafel makkelijk gevonden.

Want dezelfde wetmatigheid die we zagen bij de simpele rij geldt ook voor de grote tafel.

Om dit te laten zien schrijven we de twee rijen naast elkaar:

rekenen 9

Nu zie je de dubbele sprong van het tiental ook als enkele sprong bij de kleine tafel.
Wanneer je oefent om de beweging van de eenheid en van het tiental innerlijk van elkaar gescheiden te houden, in zekere zin ‘met twee handen  te spelen’ dan kan de anders wel eens zo verwarde grote tafel tot plezier worden.

Een groep van onze vierde klas raakte bij zo’n oefening met 1 x 6 en 1 x 16 zo enthousiast, dat die ook nog 1 x 26 wilde opzeggen en het kwam er zonder fouten in koor uit. Toen vroegen de kinderen nog met glinsterogen om 1 x 36 en dat ging ook. Toen vroegen ze de leerkracht om 1 x 46 – ook die adembenemende hindernis werd in keer genomen – tot ze het bij 1 x 66 wel genoeg was.

Het zijn wel de meest bevredigende uren, wanneer zo het enthousiasme voor de wereld van de getallen ontwaakt.

Ik wijs er nog op dat deze manier van met de tafels werken, de leerstof makkelijker kan maken. Wanneer de cijferrij van 1 x 3 en 1 x 4 goed in het geheugen verankerd zijn, dan heb je eigenlijk alles al, want de rij van 2 is in ieder geval gemeengoed en de rijen van 1 x 7 en 1 x 6 zijn simpelweg de omkeringen van 1 x 3 en 1 x 4.

rekenen 10

De rijen van de grote tafels sluiten zich hierbij aan, zoals boven getoond.

Onze oefenmethode deed ook een beroep op optellen en aftrekken:

Deze rekenbewerkingen moeten elkaar over en weer ondersteunen!

Vanzelfsprekend moet je ook van de ene rij naar de andere overstappen, eens kijken hoe de rij van 2 in die van 6 zit enz.

Het is ook goed om afsluitend de veelheid van de rijen in één beeld te kunnen overzien. Heel stimulerend kan het zijn om met een getallenvierkant te werken: het staat hier symmetrisch op een punt om tegemoet te komen aan het in het rekenen werkzame evenwichtszintuig, dat ook aangesproken wordt bij de vrij te vormen symmetrie-oefeningen (vormtekenen).

rekenen 11

Wanneer de tafelrijen er eenmaal samen staan, verlenen ze veel mooie inzichten. Zo, bv. de rij verticaal in het midden, de getallen zijn het snijpunt van alle paarsgewijs lopende diagonale rijen: het zijn de kwadraten.

De middelste horizontale rij is gespiegeld. Verticaal spiegelen de rijen zich ook. Vanuit de middenverticaal spiegelen zich de getallen zich ook horizontaal.

Ga je uit van de midden-25 dan kun je eromheen getallenvierkanten vinden.

Die 4 hoekgetallen daarvan zijn opgeteld 100, evenals 4 x 25.

Nu komt het eropaan zakelijk verder te gaan om door het hele vierkant niet in de war te raken.

Met de klok mee zoeken we de getallen in het steeds groter wordende vierkant. De getallen ervan zijn samen steeds 100.

Het is aan te raden de getallen in het vierkant met een bepaalde kleur te kleuren en deze kleur ook te gebruiken voor het opschrijven van de getallen. Dan wordt alles ook nog helderder.

Nu kunnen de kinderen iets van de orakelspreuk ervaren: ‘Niets is binnen, niets is buiten. Want alles wat binnen is, is ook buiten’ en met eerbied en betrokkenheid opkijken naar de wereld van de getallen.

Aanvulling:

Hieronder een paar voorbeelden van ‘in kleur’. Het kan heel mooi worden.

Je kunt hem ook op het bord tekenen en iedere dag een of meer vierkanten  de vier getallen die samen 100 zijn)  door een kind laten kleuren.

rekenen 12

rekenen 13

[de figuur met de lijnen  staat niet in het artikel van Hein;
die draagt het gevaar in zich te ‘rommelig’ te worden.

Wanneer je dit vierkant op een groot vel papier zou (laten) tekenen, is het minder chaotisch om aan te zien en voor de kinderen een hele uitdaging om het mooi te krijgen.]

*J.Hein: Aus dem Rechenunterricht der 2.Klasse. ‘Erziehungskunst’, nr 8. 1953.
Op deze blog vertaald
.

[** Op de vrijeschool Den Haag werkte destijds toen ik er begon, Oscar Klinkenberg. Hij coachte jongere leerkrachten en wij discussieerden er eens over of het  ‘lenen bij het aftrekken’ wel een juiste benaming was.
Oscars mening was dat de kern van lenen is, dat je ook teruggeeft en bij het aftrekken is daarvan geen sprake.
In de som 35 – 8:  8 van de 5 gaat niet; eens vragen bij de buurman ( dus bij de 30), of die er geen wil missen. Jawel, die geeft er 1 (=10). Nu is 5 gegroeid tot 15 en nu kan de 8 er wél af; de 30 is 20 geworden).
Ik heb het woord ‘lenen’ bij het aftrekken na verloop van tijd uit mijn ‘rekenwoordenboek’ geschrapt.]

Tekst in blauw van mij

2e klas: tafels

2e klas rekenen: alle artikelen

Rekenen: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 2e klas

.

171-162

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (20)

.

PINKSTERFEEST
.

Bron onbekend

 

Pinksteren is het feest van de vrijheid en van de toekomst. Alles in de natuur werkt daaraan mee. Alles staat uitbundig in bloei.
Vruchtbaarheidsriten en godsdienstige gebruiken uit de vóór-christelijke tijd worden in de na-christelijke tijd mei- en pinkstergebruiken.

Sommige streken van ons land kennen nog de pinksterbruid, een huwbaar meisje, symbool van de groeikracht in de natuur.
Ze wordt versierd met bloemen, linten en bellen en al zingend rondgedragen.

Wie geïnteresseerd is in de achtergronden van pinkstergebruiken, leze het desbetreffende hoofdstuk uit het boek ‘Jaarfeesten‘ van Henk Sweers, uitgeverij Christofoor.
Er staat ook veel in de Prismapocket ‘Nederlandse volksgebruiken bij hoogtijdagen’ (nr. 1814)  Dr.v.d. Graft.

Sprookjes, geschikt voor de tijd rond Pinksteren:
Assepoester, De drie talen, De kristallen bol, De witte en de zwarte bruid

Het Ierse sprookje ‘Vingerhoed’

.

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Pinksteren – jaartafels

170-161

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..

VRIJESCHOOL – Rekenen – alle artikelen

.

1e klas – alle artikelen

2e klas – alle artikelen

3e klas – alle artikelen

4e klas – alle artikelen

5e klas – alle artikelen

6e klas – alle artikelen

7e/8e klas  algebra  en rekenen
alle artikelen

[1] Oefenen met de 4 rekenbewerkingen
Georg Hofmann over: een opgave waarvan de uitkomst altijd 1 is; die wordt gevonden door de 4 bewerkingen; dat kan ook bij (tiendelige) breuken en negatieve getallen.

[2] Magische kwadraten
Thor Keller over: magische vierkanten vanaf klas 3; zelf maken; door de leerlingen, opklimmend in moeilijkheidsgraad

[7-1] Iets over getallen en grootte
E.A.Karl Stockmeyer
over: getallen en grootte: het verschil; tellen; de één en de eenheid; abstraheren; vermenigvuldigen; negatieve getallen; over breuken.

Rekenen: eenhedenstelsels
[8-1/1]
Drs.E.J.Harmsen over: vroeger, gebruik van het verboden woord ‘pond’; calorie/joule; S(ystmème) I(nternational; pound, ounce, troy-ounce;

[8-1/2]
Drs.E.J.Harmsen over: stap, pas, mijl, uur gaans, el, duim, voet, vadem, inch, yard; zie 4e klas [9]

[8-1/3]
Drs.E.J.Harmsen over: de meter, ontstaansgeschiedenis. Zie ook [8-2] hieronder

[8-1/4]
Drs.E.J.Harmsen over: kilo, mega, giga, milli, micro, centi, deci; oppervlakte; inhoud; tijd; zie 4e klas [9]

[8-1/5]
Drs.E.J.Harmsen over: massa, gewicht, kilo, gram, megagram

[8-1/6]
Drs. E.J.Harmsem over: massa, zwaartekracht; wegen

[8-1/7]
Drs.E.J.Harmsen over: krachten; Newton; relativiteit;

[8-1/8]
Drs. E.J.Harmsen over: arbeid; arbeidsvermogen; gewicht; zwaartekracht; energie; warmte; calorie/joule; pk; vermogen

[8-1/9]
Drs. E.J.Harmsen
over: de geschiedenis van de eenhedenstelsels, ontstaan en ontwikkeling

[8-2]
J.M.Bierens de Haan over: de meter, ontstaansgeschiedenis – zie ook [8-1/3], hierboven

[9] Methodiek bij de opbouw van het rekenonderwijs
Herman von Baravalle over: getal, tellen; ordenen van getallen; ritmisch tellen; rekenen ontstaat uit tellen; van geheel naar delen; hoe vaak zit ‘iets’ in ‘iets’, i.p.v. het ene naast het andere; getalverhoudingen; breuken; 10-delige breuken; de waarde van schatten; formule; driehoek van Pascal; wortels; differentiaalrekenen;

[10] Over het kunstzinnig omgaan met het rekenen in de tweede zevenjaarsfase
Tobias Schaumann over: één als grootste getal; 4 rekenbeweringen tegelijkertijd; verdelen; analyseren; bewegen en rust; rekenproblemen en muziek; incarneren en excarneren; schriftelijk rekenen; herinneren en vergeten.

Rekenen in beweging
Inhoudsopgave van het in 1994 uitgegeven boek, met links naar alle hoofdstukken.

Onzinnige sommen
Pieter HA Witvliet over: onzinnige sommen, d.w.z. met de woorden van Steiner: sommen die in het leven geen realiteit hebben.

Rekenraadsels

Breinbrekers

Het oudste rekenboekje in de geschiedenis van het Nederlandse onderwijs

Getallen:
Marisca Milikowski over: getal; lievelingsgetal; ‘goede’ en ‘slechte’, ‘zware’ en ‘lichte’, ‘opwindende’ en ‘kalme’ getallen; vijf, zeven; tien, elf, dertien, (zeventien); Pythagoras en het getal; wiskunde; getal in de christelijke leer.

Wat goddelijk was
Wolfgang Held over: het getal 26.

Rekenliedjes
Tineke Snel over: kun je met liedjes het rekenen ondersteunen?

.

169-160

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (19)

.
Tineke Geus en Annet Schukking, ‘Jonas’10, 13 mei 1983
.

KRANSEN VAN GROEN EN PAPIEREN BLOEMEN
.

De Pinksterbruid, zo wil de oude volkstraditie, wordt opgesierd met papieren bloemen.
Op de vraag waarom die bloemen juist met Pinksteren van papier dienen te zijn probeert onderstaand stukje een antwoord te geven.
‘De pinksterbruid krijgt kransen om het hoofd van groen en papieren bloemen’.
Zo wil de oude volkstraditie. En ieder jaar is dit voor velen weer een raadsel. Want het doet ergens nogal absurd aan op een moment dat de natuur ons rijkelijk bloemen en bloesems schenkt, papieren bloemen te gaan maken, die natuurlijk lang niet zo mooi zijn als de echte. Is het puur nabootsingsdrang of is het omdat de versieringen die we maken beter houdbaar zijn?

Oude gebruiken zijn vaak ontstaan uit een soort instinct, een onbewust weten van de geheimen en de zin van het leven en van de ontwikkeling van de aarde en de mensheid. In de viering van de jaarfeesten wordt daar iets van zichtbaar. In onze tijd willen we we­ten waarom we iets doen, anders verliest het zijn waarde. Als je met zo’n raadsel rond­loopt kan het je gebeuren dat je op een keer iets tegenkomt: een gedachte of een uit­spraak van iemand die je op het spoor zet van een antwoord. Wat het maken van papieren bloemen met Pinksteren betreft kun je zo op het volgende komen.

Buiten in de natuur worden we in deze tijd overladen met bloemen. Het is een stuk god­delijk scheppingswerk, die hele plantenwe­reld, een geschenk uit de kracht van de ‘Hei­lige Geest’ zou je kunnen zeggen. De mens heeft daar niets aan gedaan. Maar de mens heeft zelf ook een vonkje van die scheppen­de geestkracht in zich en is daarmee creatief bezig – hij vormt van alles uit de materie, vormt voorwerpen: gebruiksvoorwerpen, ge­reedschap, machines, maar ook kunstvoor­werpen, bouwwerken, enzovoort. En door­dat hij dat doet, maakt hij zich een beetje vrij van die materie, want dat stukje materie dat hij omgevormd heeft, heeft dan zijn functie voor die creativiteit gehad, daar kan hij zich nu van distantiëren. Maar ook de materie zelf wordt door de menselijke bewerking in zekere zin bevrijd. Want het maakt toch een heel verschil of je bijvoorbeeld een brok steen voor je hebt of een beeldhouwwerk uit diezelfde steen. De materie wordt door onze creativiteit en ar­beid een beetje vermenselijkt, dat wil zeggen een beetje vergeestelijkt en daarmee bevrijd uit zijn toestand van vormloosheid en indifferentie. Natuurlijk gebeurt dit niet alleen met Pinksteren. Mensen zijn voortdurend vor­mend bezig. Maar door op een moment iets te doen dat absurd lijkt, merk je pas waar je eigenlijk mee bezig bent.

In het Jonasboekje ‘Jaarfeesten’ vertelt Henk Sweers over de traditionele versieringen rond het pinksterfeest. Het is interessant dat die versieringen bij alle pinkstergebruiken altijd gemaakt worden van ‘mooimakersgoed’ (ge­kleurd papier). Vroeger bewaarde men het hele jaar door gekleurde papiertjes, pakpa­pier en dergelijke.

Het pinksterfeest is het feest van het Ik van de mens dat zelf actief wordt. Behalve bloemen werden er ook pa­pieren waaiertjes gemaakt die werden opge­hangen aan de pinksterkroon waaronder de pinksterbruid plaats nam.

De papierkunst is trouwens een echte volks­kunst. Wie bijvoorbeeld wel eens iets gezien heeft van de kleurrijke knipsels van Johann Jacob Hauswirth zal hier zeker door gefasci­neerd zijn. Johann Jacob Hauswirth werkte in de bossen van het Pays d’Enhaut (Duits/ Frans grensgebied) als kolenbrander. Hij was een eenzaam, ongeletterd man, die in een eigenhandig gebouwde boshut woonde (hij stierf in 1871, hoe oud hij toen was, wist nie­mand). Zijn leven is een mysterie en er is weinig over bekend. Hij moet op latere leef­tijd de schaar ter hand hebben genomen en werd in korte tijd grandioos in de knipkunst. Hij was een schuwe zwijgzame man en ten gevolge van een ongeluk liep hij moeilijk. Zijn knipsels gaf hij aan de kinderen op straat in ruil voor hun snoeppapiertjes. Vaak verkocht hij grote geknipte taferelen bij de boerderijen. Met zijn grove vingers kon hij geen gewone schaar hanteren en hij had daartoe twee rondjes van ijzerdraad op maat van z’n vingers aan de schaar bevestigd. Hij moet een hele rijke binnenwereld gehad heb­ben om op zo’n manier de materie te kunnen overwinnen. Je vermoedt zeker niet zo’n mens achter de ragfijne huppelende herten en de kantachtige patronen van de alpenwei­den.

pinksteren 24

Een groot kunstenaar spreekt uit deze knip­sels. Hauswirth had weinig contacten, dus de beelden moesten uit een andere ervaringswe­reld stammen. Het geeft mij het gevoel of ze regelrecht uit zijn ziel in de schaar overgin­gen: oeroude symbolen verweven met het dagelijks leven in de gang der seizoenen. Hij was dan ook volledig weg uit de wereld als hij bezig was met z’n knipsels. Een oude vrouw vertelde, hoe zij als kind hem een hele middag op een steen had zien zitten knippen zonder te merken dat een geit één voor één de gekleurde knipsels opat!

pinksteren 31

Ter versiering van de pinksterbruid en de pinksterkroon volgen hier beschrij­vingen voor het maken van papieren bloe­men.
.

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Pinksteren – jaartafels

.

168-160

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (18)

.
Henk Sweers, ‘Jonas”nr.20, 4 juni 1976
.

HET PINKSTERFEEST
.

Het pinksterfeest is het feest van de vrijheid. Zolang de mens van zijn lichaam afhankelijk is, blijft hij slaaf van dat lichaam. Vrij wor­den kan hij alleen, als hij zichzelf terugvindt in de geest. Op het innerlijke paasfeest gaat hij beseffen, dat hij weliswaar in een uiterlijk lichaam woont, maar dat zijn ware wezen iets innerlijks, iets geestelijks is. Met Pinkste­ren kan hij de geest, die hij in zichzelf heeft gevonden, vrijwillig vullen met een inhoud, die niet tot de materiële wereld behoort. Als ik over ‘mij-zelf’ spreek, heb ik het dan niet over mijn geest? Ons ware ‘Zelf’ is een geestelijke werkelijkheid. Die wereld van de geest noemt men ‘de hemel’. Op aarde wordt de mens ik-zegger, ik-zoeker zelfs. Hij groeit er op tot een zekere zelfstandigheid, tot een individu, afgescheiden van de dingen buiten hem. Maar daar gaat hij dood. Zijn aardse ik was slechts een spiegel van zijn werkelijke wezen. Er is een kloof tussen dit Zelf en ons aardse ik. Tussen hemel en aarde ligt een af­grond. Een zelfde afgrond ontdek je tussen alle mensen op aarde en ook tussen de mens en God. Want voor wie is God nog een wer­kelijk levend begrip? ‘God is dood,’ schreef Nietzsche. Voor ons aardse wezen is God ver weg. En als iemand het gebed, dat Christus ons leerde, bidt, waar is dan de ‘hemel’ waar ‘onze Vader’ is?

De hemel is overal, in ons en buiten ons. De grote Spaanse mystica Theresia van Avila schreef eens in een brief: ‘Men kan God in alle dingen vinden. Als ge in uw keuken zijt, is Hij u nabij tussen de potten en pannen.’ De apostel Paulus schreef hierover aan de Romeinen (Rom. 8:14-18): ‘Allen die han­delen in Gods geest, zijn Gods zonen, Ge hebt toch niet opnieuw de geest van slavernij in vrees aanvaard, maar ge hebt aanvaard de geest van adoptie, waardoor wij roepen: “Abba, Vader!” Want de geest zelf legt ge­tuigenis af met onze geest, dat wij kinderen van God zijn. Indien kinderen, dan ook erf­genamen: erfgenamen van God, mede-erfge­namen van Christus, wanneer wij inderdaad met hem lijden, zodat wij met hem worden geopenbaard. Want ik ben er van overtuigd, dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de toekomstige heerlijkheid, die onthuld zal worden aan ons.’

Pinksteren, het feest van de vrijheid en de liefde, want liefde en vrijheid kunnen niet bui­ten elkaar. Het feest van de geest. Het feest van de toekomst. Een bewustzijnsfeest.

Als de hele natuur van de dood is opgestaan, als alles bloesemt en bloeit, dan vieren de christenen het feest van wat zij noemen de Trooster, de Levende Bron, het Vuur, de Liefde en de kracht schenkende Geest.

‘Plot­seling kwam er een geruis uit de hemel als van een hevige windvlaag en vulde het hele huis waar zij vergaderd waren. Vurige tongen zetten zich op ieder van hen neer. Allen werden vervuld van de Heilige Geest en begon­nen verschillende talen spreken.’ (Hand. 2, 2—4).

Het is vijftig dagen na Pasen, tien na Christus’ hemelvaart. Na zijn opstanding, totdat hij de hemel binnenging, was Chris­tus in een bepaalde gedaante nog zichtbaar voor zijn leerlingen. Toen ging hij in de gees­telijke wereld. Maar hij is niet onbereikbaar geworden. Integendeel, nu kunnen wij hem overal ontmoeten. Hij kan ons leiden, over de afgrond heen, tot elkaar en tot de Vader van al wat is.

In de gaven van de opnieuw ontwaakte natuur beleefden de christenen vroeger nog de gaven van Gods heilige Geest, de openbaring van zijn kracht. Zo kregen de talloze vrucht­baarheidsriten, de godsdienstige gebruiken uit de vóór- christelijke tijd een nieuwe in­houd. Zeer veel mei- en minneliederen wer­den tot geestelijke liederen, waarin Christus werd bezongen als de bruidegom van de ziel.

Luilak

Luilak is de zaterdag voor Pinksteren. Hij die dan ’t langste slaapt, is de ‘luilak’. Oorspron­kelijk was dat de nieuwe mysterie-ingewijde, die door de priesters in een doodsslaap was gebracht, na 3½ dag eruit was gewekt en daardoor helderziende was geworden. – Hij moet ons trakteren!

Mei- en pinkstergebruiken vallen in de na-christelijke tijd vrijwel samen. Zijn eigen lief, ‘sinen boel’, zijn betere helft ter ere plant iedere jonkman op de eerste meidag voor haar huis of op haar dak ‘den coelen mei’ (de objectieve mei?). Deze takken spreken een voor ieder verstaanbare taal: fijne sparrentak—goedheid; dennentak — gestadige liefde; berkentak — goed en schoon; maar: kersentak—veranderlijk;  hagedoorn – stekelig, katjes —niet zonder handschoenen aan te pakken; bosje biezen – houdt het met iedereen. Wat staan de meisjes op 1 mei vroeg op, om te kijken wat haar ‘mei’ is! Een goede tak laten ze natuurlijk zo lang mogelijk staan.

Maar er is ook één grote, gemeenschappelijke meiboom of ‘Pinksterboom’ van wel 10 me­ter lang. Die is opgesierd met bonte papieren en slingers en wordt midden op het dorps­plein geplant. Daar dansen gelieven en ge­huwden, jong en oud tot Cinxendag (Pink­sterdag) omheen. Ten slotte werpt men de boom in het stromende water.

Pinksterbruid

Ieder huwbaar meisje is meibruid. Maar met Pinksteren is er één pinksterbruid of ‘pinkster-bloem’. Heel vroeger werd de luilak de pinksterbloem. Het kon toen ook even­goed een man of jongen zijn. De pinkster­bruid is niet alleen de lentebruid, het sym­bool voor de groeikracht der natuur, zij is vooral het beeld van de gesluierde Isis, de on­zichtbare geest der aarde, de maagd, die be­vrucht wordt door de Heilige Geest. Natuurlijk waren de details in iedere streek, zelfs in ieder dorp, verschillend. De voor­naamste symbolen waren overal hetzelfde. Onder de ‘hemel’, die ook ‘pinksterkroon’ heet, soms zelfs in een ‘groen huisje’ neemt de pinksterbruid plaats. Plechtig wordt zij ‘gespeeld’ (versierd) en behangen met pinksterbloemen (die heten zo, omdat zij voor dit feest werden gebruikt, niet omdat zij pas met Pinksteren zouden bloeien), met vele sieraden, versierselen en met bellen. Om haar hoofd krijgt zij een of meer kransen van groen en papieren bloemen. Meestal wordt zij gesluierd. Zij is omgeven door vele bruids­meisjes en – jonkers. Enkele van de jonkers hadden in Drenthe een versierde stok, de ‘bruloftstok’ in de hand. Dat waren de ‘wasschupneugers’ (uitnodigers voor het gast­maal).

Dan begint de plechtige ommegang door het dorp. Voorop wordt op een stoel gedragen of loopt de pinksterbruid. De uitnodigers liepen de stoet vooruit, klopten met hun stok op alle deuren en riepen:
‘Ziet, uw bruugom komt!’ Het lied dat bij de omme­gang gezongen wordt, luidt op Terschelling aldus:

Hier is onze fiere Pinksterblom
En ik wou hem zo graag eens wezen.
Met zijn groene kransen om het hoofd
En met zijn klinkende bellen.
Recht is recht.
Krom is krom.
Belief je wat te geven voor de fiere Pinkster­blom
?

Want de fiere Pinksterblom moet voort.

Enkele varianten doen ons misschien de afkomst van het ‘fiere’ begrijpen, want in Cuyk (Noord-Brabant) zong men bijvoorbeeld:
‘Vierge, vierge Pinksterblom’.
Komt dat van het Franse ‘vierge’ (maagd)?
De zegekrans om het hoofd is het beeld der ‘gloria’, in het Nieuwe Testament het Latijnse woord voor ‘verheerlijking, openbaring’.
Zilveren bellen zuiveren de atmosfeer (vgl. Psalm 150).
De duivel is voor dat gerin­kel even bang als voor klokgelui. In dit lied is de bloem mannelijk. Wat doet in de hemel het geslacht ertoe?
Mineralen, stoffen zonder leven, zijn recht en hoekig. Levende wezens, planten, dieren en mensen vertonen gebogen, kromme lij­nen. Zo is ‘recht’ ‘dood’ gaan betekenen en ‘krom’ ‘leven’. De weg naar de geestloze helledood is breed en lijnrecht, het pad naar de hemel van de geest krom en bochtig. Wilt u uw gedachten en daden ‘geven’ aan de mensheid? Want zij moet voort, het licht te­gemoet.

Het is interessant, dat de versieringen bij alle pinkstergebruiken – enkele bloemen, zoals pinkster- en boterbloem, uitgezonderd — al­tijd gemaakt worden van ‘mooimakersgoed’ (gekleurd papier). Vroeger jaren bewaarde men daartoe het hele jaar door kleurige pa­piertjes e.d.

In onze tijd, die bedolven is onder een pa­pierlawine, gebruikt men crêpepapier, sits, zijdevloei enz. Echte bloemen horen bij het Midzomerfeest, bij St.- Jan. Het pinksterfeest is nl. niet zozeer het feest van de scheppende aardekrachten, maar van de scheppende menselijke geest, die op aarde pelgrimeert naar Gods Geest. Daarom maakten allen tezamen zelf de zelf bedachte versieringen voor het pinksterfeest: slingers van papier of stof, allerlei fantastische papieren figuren en fictieve, exotische bloemen. – De meietak en de pinksterboom zijn één. Alle bruidjes versie­ren samen de pinksterbruid. Ik werk tezamen met alle mensen der aarde. Dat is een gevoel, dat sinds Christus’ verbin­ding met de aarde en sinds het eerste pink­sterfeest steeds actueler wordt. De volks­geest wordt steeds meer de geest der mens­heid. De kracht die in deze ontwikkeling werkt is afkomstig van wat het Christendom de ‘Heilige Geest’ noemt. En in het gezamen­lijk lijden en worstelen der mensheid om die Geest te verwerven, zal ieder zijn persoon­lijke taak, de opdracht van zijn eigen Zelf van leven tot leven vinden, dankzij de hevige windvlagen, die ruisen door ons huis en die vurige tongen, die vlammen boven ons hoofd.

Dan zullen u en ik een taal gaan spreken, die over heel de wereld wordt verstaan. Want ‘de fiere, vrije pinkstergeest moet voort.’
.

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Pinksteren – jaartafels

.

167-159

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (17)

.
Marieke Anschütz, ‘Jonas’  1 juni 1979
.

PINKSTEREN,TEGENWOORDIGHEID VAN GEEST
.

Het is al vele jaren geleden, maar ik herinner mij het voorval als de dag van gisteren. De weg door de bossen was niet erg breed. Er liep geen witte on­derbroken lijn over het midden, en er was nergens een aanduiding van hoofd-of zijwegen. Overal zwijgend bos om ons heen. Ik zat achter het stuur; naast mij een moeder, hoog zwanger van haar derde kind. Ze vertelde me iets, maar ik luisterde met een half oor. Het was of ik gespannen ergens op wachtte en ik wist niet waarop. Het zicht was zo slecht met al die bomen en zonder wegbakens. En toen was daar plotseling de krui­sing, geen waarschuwing, geen ver­keersbord. Ik keek naar rechts en zag de auto aankomen. ‘Waarom rijdt die man zo hard op een zijweg?’ schoot het door me heen, en vaag drong een driftig getoeter tot me door. Op dat­zelfde moment hadden mijn handen het stuur al omgegooid. We sloegen keurig rechtsaf en even later bracht ik de auto tot stilstand in de berm, vlak­bij een ANWB-bord. Ik slikte even en zei toen rustig: ‘Zullen we even kijken waar we heen moeten?’ De vrouw naast mij knikte, ze had niets gemerkt, dacht dat het zo hoorde. Maar ik voelde de wiekslag van de engel die over het ongeboren kind waakte, langs mijn verhitte gezicht strijken.

Van buitenaf gezien noemt men dat: tegenwoordigheid van geest. Maar wiens geest is er dan tegenwoordig? Het was niet mijn gewone aardse be­wustzijn, dat mij de reddende hande­ling deed verrichten. Mijn handen ge­hoorzaamden op dat moment heel duidelijk aan iets dat boven mij of om mij heen sterk voelbaar aanwezig was. Een handreiking uit het gebied van de geest? In ieder geval een moment van genade uit de wereld waar het ongebo­ren kind nog helemaal thuishoort. Maar ook ik heb er toegang toe, zo nu en dan, anders was de ingreep niet ge­lukt.

Een stille vreugde kan je vervul­len als je merkt, soms, en altijd onver­wacht, dat de verbinding met de we­reld van het onzichtbare niet geheel verbroken is. Het openhouden van de toegangspoort gaat niet vanzelf. Er groeit zoveel onkruid voor. Je moet eindeloos wieden en na korte tijd komt er weer ander onkruid op, dat alles dreigt te overwoekeren. Geen be­tere oefening voor het geduld dan het schoonhouden van de eigen, innerlijke tuin!

De tijd van het jaar

De maand juni is genoemd naar de go­din Juno, de gemalin van Jupiter, de oppergod der oude Romeinen. Konin­gin van het hemelgewelf was zij met de blanke lelie en de trotse pauw als kenteken naast zich. Als de pauw loopt te pronken met de fonkelend blauwe waaier van zijn prachtige staart, dan kijken de vele ‘ogen’ je aan als een sterrenhemel in het klein. En Juno was heerseres in het rijk van de sterren. Op vele oude schilderijen zie je pauwe­ogen geschilderd op de vleugel van en­gelen. Een stuk van de hemel dragen ze met zich mee, en waar zij komen, kijken al die sterren-ogen ons aan, kij­ken vol belangstelling naar wat er in de wereld der mensen gebeurt. Soms, als je de ernstige blik van een heel jong kind ontmoet, kun je dat ook ervaren: door het kind heen kijkt de wereld van de geest ons aan, kijkt naar ons doen en laten, naar ons vallen en op­staan.

Godin van de vruchtbaarheid, van alles wat groeit en bloeit, van wat ontkie­men wil – dat was Juno ook. Dat vin­den we nu nog terug in de pinkster­bruid met alle gebruiken die daar bij horen.

Vanaf het lentepunt in maart, de dag-­en-nachtevening, stijgt de zon in een versnelde beweging naar zijn hoogte­punt toe. De boog boven de aarde wordt steeds groter en hoger. De zon wordt steeds warmer en hij blijft steeds langer bij ons. De maand juni is misschien wel de moeilijkste tijd om je te concentreren op ‘denkwerk’. Het liefste zou iedereen van de warmte, van de zon, van het leven willen genie­ten zoals kinderen dat doen: lekker kledderen met water en zand, of ma­deliefjes plukken in het gras en kran­sen vlechten, of zomaar wat zitten dromen op een muurtje. Luchtig, speels, schijnbaar zonder doel, zonder aardezwaarte huppelt het kind door het leven. We zijn er jaloers op, want we zijn dat kind in ons kwijt geraakt. Maar eens in het jaar kunnen we weer iets proeven van die lichtheid, van die zonnigheid in de maand van de Twee­ling, de maand van het kind.

Het feest, toen en nu

Pinksteren is al een oeroud feest. Lang voor het begin van onze jaartelling vierden de Israëlieten, 7 weken na het Paschafeest, het feest van de eerste ga­ven van de opnieuw ontwaakte natuur, het feest van de eerstelingen. De rook steeg op van de brandoffers in de tem­pel en droeg de dankbare gebeden van de gelovigen mee omhoog naar de god­heid.

Er werd echter nog een andere gebeur­tenis herdacht met dit feest, een ge­beurtenis waarbij het fundament gege­ven werd voor de hele joodse samenle­ving door alle komende eeuwen heen: het ontvangen van de tien geboden door Mozes. De wetgeving ging ge­paard met donderend onweer en laaiend hemelvuur. De machtige, leidende en ordenende geest gaf op niet mis te verstane wijze blijk van zijn tegen­woordigheid, zodat de zwervende Is­raëlieten met ontzag werden vervuld. Onder bliksemend vuur werden zij tot een volk gesmeed, tot een ‘samen-ho­rend’ geheel. Onder dwang werden de rondzwervende zielen tot een eenheid samengevoegd, gehoorzaam aan één God en zijn gebod. Het antwoord op de vraag ‘waarom?’ lag enige eeuwen later, toen het kind van Maria geboren werd in Bethlehem, de stad Davids.

Hoe geheel anders beleven we Pinkste­ren in christelijke zin! Naar het tijd­stip komt het nog overeen met het ou­de feest der Joden: de vijftigste dag na Pasen of wel 7 weken later. Om een vermoeden te krijgen waar het verschil zit, moeten we de Handelingen der apostelen opslaan. Daarin wordt immers beschreven wat er op die ene bij­zondere pinksterdag gebeurde:
‘Toen dan de dag van het pinksterfeest aan­brak, waren zij allen bijeen. En plotse­ling klonk er uit de hemel een geluid als het waaien van een machtige wind en vulde het hele huis waar zij gezeten waren’.
Hier is reeds een eenheid aan­wezig, de discipelen en andere leerlin­gen die daar bij elkaar zijn in de zaal, voelen zich één door alles wat zij in de afgelopen drie jaar hebben meege­maakt en doorgemaakt. Die machtig waaiende wind is als een geweldige adem die op hen blaast. Het doet mij denken aan het verhaal van de schep­ping van de eerste mens, van Adam: God blies zijn adem op hem, zodat hij tot leven kwam. Het bloed ging stro­men, hij werd warm van een innerlijk vuur en hij kon spreken. Zo werden de leerlingen van Jezus gegrepen door een innerlijk vuur, dat zij bij elkaar schouwden als vurige tongen, die zich op hun hoofden neerzetten, op ieder van hen individueel.
De wolken van Hemelvaart klaarden op, stralend en helder stond een innerlijke ‘wetgeving’ voor hun geest. Buiten werd het feest gevierd van de eerstelingen van de na­tuur; binnen voltrok zich het mystiek gebeuren van de eerste gaven van de Heilige Geest, de Trooster waarover de Christus zo dikwijls gesproken had, toen hij nog op aarde rondwandelde. De discipelen wisten nu wat zij moes­ten doen. Er was een einde gekomen aan hun innerlijke onzekerheid. Ook zij waren enige tijd ‘zwervende zielen’ geweest. Maar nu brandde in hen dat vuur dat hen noopte tot spreken, en zij gingen naar buiten en begonnen te spreken over de machtige daden Gods.

Op dood spoor?

Zo werd het oeroude pinksterfeest van binnenuit vernieuwd, zoals ook het oude paschafeest van binnenuit ver­nieuwd werd door de inzetting van het heilig avondmaal. Pinksteren werd een feest van de toekomst. Het zoeken naar een gemeenschap van individuele zielen was begonnen. Het bleek een hele lange weg te worden. Zo zeker als de eerste discipelen zich voelden van zichzelf en van elkaar, zo onzeker gin­gen de mensen na hen zich gedragen met betrekking tot de heilige Geest en de innerlijke wetgeving. Hoe groter de onzekerheid werd, hoe meer de hoge kerkelijke autoriteiten vergaderden, en hoe meer zij trachtten vast te leggen in leerstellingen, in dogma’s. Zij waren niet meer zo direct bezield met een heilig weten, dat door ieder gedeeld werd, die op dezelfde wijze voorbereid was. De toegangspoort tot de wereld van de geest raakte verstopt met onkruid. Er ontstond een machtig bouwwerk van gedachten, neergelegd in dikke boeken, en toch blijkt nu in deze turbulente tijden dat we deze vastgelegde, kerkelijke  wetgeving steeds meer gaan loslaten op zoek naar het waarachtig levende woord. Er is weer een volk van zwervers ontstaan, van zwervende zielen, van een zoeken­de mensheid. We zoeken een houvast, en dat houvast is het doel waarop we heel ons denken willen richten.

In de roos

In de rozenmaand juni zijn er in onze zuidelijke provincies bepaalde festivi­teiten verbonden met Pinksteren, die ogenschijnlijk met deze christelijke feestdag niets te maken hebben. In Zeeland, in Brabant en Limburg wor­den dan ieder jaar de schuttersfeesten gehouden. Door het jaar heen wordt er geoefend, maar met Pinksteren vie­ren de schuttersgilden het koningsschieten. Met vanen en wapenen gaat men eerst ter kerke. Daarna trekt de stoet naar het veld, waar de hoge schutsboom staat opgesteld. Driemaal loopt de processie eromheen, zodat de plaats van het doel goed gemarkeerd is. Dan mag de ‘koning’ van het vorig jaar de eerste pijl afschieten. Is er raak geschoten, dan slaat de tamboer een roffel op zijn trom en de omstanders juichen. Er wordt veelal met de hand­boog geschoten, vooral in Zeeland. In Brabant komt er meer versiering bij door het ‘vlagvertoon’ van het vendelzwaaien, dat als een kunst beoefend wordt.

Wat heeft de schutter met Pinksteren te maken? We kunnen er een vermoe­den van krijgen, als we ons voorstellen wat de schutter doet. Hij spant zijn boog met de pijl erop en richt zijn oog op het doel, daar hoog in de lucht op de schutsboom. De schutter spant ech­ter niet alleen zijn boog, ook zijn arm, ja zijn hele lichaam spant hij en als hij de pijl laat schieten, ontspant hij zich weer, tegelijk met de boog. Als wij denkend, in de geest, een be­grip proberen te ‘vangen’ in woorden of als wij een bepaalde gedachte, een idee dat we duidelijk voor ons zien, een vorm willen geven, zodat het tast­baar wordt – dan doen we als de schut­ter. En als dan de vorm enigszins be­vredigend, de oorspronkelijke gedach­te tot uitdrukking brengt, dan beleven we daaraan vreugde, dan hebben we ‘in de roos’ geschoten.

Er is nog een ander verband tussen de maand juni en de schutter. Ieder die­renriemteken heeft zijn ‘contrabeeld’ dat een halfjaar later ligt. Nu blijkt het tegenbeeld van de maand juni – dat is de tweeling – in de maand de­cember te liggen, de tijd die staat on­der het teken van de Schutter. Dat kun je als gegeven zo laten staan, maar al denkend kom je tot verrassende ont­dekkingen. Ik kan me voorstellen dat de schutter zo sterk zijn doel voor ogen heeft, dat hij de weg die de pijl moet afleggen om er te komen, niet meer ziet, laat staan nog eventueel an­dere mogelijkheden om het doel te be­reiken, behalve langs de rechte lijn. Het lijkt mij dat de schutter dan veel kan leren van de beweeglijkheid van het kind, dat in zijn spelend leven nog geen doel kent.

Merkwaardig, dat de adventstijd, de weken van verlangend uitzien naar het Kerstkind, in de tijd van de Schutter valt. Zo worden we, als de zon bijna op zijn hoogste punt staat, op een ver­borgen manier gewezen op Kerstmis, het feest van de geboorte midden in de winternacht. Misschien wil Pinkste­ren ons dat zeggen: laat het kind in ons weer geboren worden, dat wat in ons worden wil, wat toekomstkracht in zich draagt. Want waar de openheid van het kind is, daar kan de geest wer­ken. Dan zal er evenwicht zijn tussen geest en materie, tussen hemel en aar­de, en de mens zal in het midden staan.

.

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Pinksteren – jaartafels

 

166-158

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.