Tagarchief: doop in de Jordaan

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (9)

.
Henk Sweers, ‘Jonas” nr.21, 18 juni 1976
.

HET FEEST VAN SINT-JAN

‘Kom tot inkeer, want het Rijk der hemelen is nabij. . .’ (Matt. 3:2)

Het is hoogzomer. De aarde heeft uitge­ademd. Kosmos en aarde zijn één. De aarde is zonneland, ‘Oostland’, geworden.

‘Bekeert U, komt tot inkeer, verander uw gezindheid’, zei Johannes de Doper, ‘want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen’.
Dit is de tijd waarin men tot inkeer, tot nieuwe gedachten, tot nieuwe ideeën komen kan.

Wanneer men in Colmar naar het Isenheimer altaar gaat in het museum Unter den Linden, dan vindt men daar de bekende tekst van Sint-Jan de Doper uitgebeeld: ‘Hij moet groeien. Ik moet afnemen.’
Daarin ligt de diepste gedachte van het Sint-Jansfeest opgesloten. Augustinus (354 – 430) zei in een preek op een 21ste juni: ‘Opdat de mens mocht vernederd worden, is heden Johannes geboren, nu de dagen beginnen af te nemen. Opdat God verheven worde’ is Christus geboren op die dag, waarop de da­gen beginnen te groeien’ (Homil. 289)

In de vóór-christelijke tijd was de 24ste juni de grootste dag van de midzomerfeesten en daarom speelde hij in ’t Germaanse volksle­ven met zijn offervuren en offermaaltijden een voorname rol. Zoals het met vele hei­dense feesten ging, werd ook dit feest gekerstend. Het zomer-zonnestilstand-feest werd de tegenpool van het Kerstfeest. Dit in overeenstemming met het Lukasevangelie, dat ons verhaalt, dat de moeder van Sint-Jan, Elisabeth, de nicht van Maria, reeds 6 maan­den zwanger was, toen Maria Jezus in haar schoot ontving. Tegelijk met de feesten wer­den ook de heidense gebruiken op christelij­ke wijze verklaard. Het baden in stromend water, oorspronkelijk een vruchtbaarheidsritus, deed men nu ter ere van ’s Heren doopsel in de Jordaan.
Dezelfde betekenis kreeg ook het dauwtrappen tijdens de hoog-zomerdagen. Planten op Sint-Jansdag ge­plukt, bezitten grote magische, genezende kracht. Bomen en struiken ziet men opnieuw uitschieten, alsof het lente is: de zogenaam­de sint-jansloten. Het sint-janskruid, ook wel ‘jaag-de-duivel’ genoemd, heeft het ver­mogen, boze geesten te verdrijven. De Sint-Jansnacht is een van de geheimzinnigste tovernachten. Dan moet de wichelroede gesne­den worden. Dan plukt men het sint-jans­kruid. Dan durft de schipper niet uit te va­ren. . .

Op Terschelling kende men tot voor kort nog het ‘oppe-rid‘. Oorspronkelijk een rij­dende processie van met bloemen versierde wagens ter ere van Sint-Jan naar de op het oostelijk deel van het eiland gelegen Sint-Janshoek. Het werd later gedaan op de tweede zondag na Sint-Jan. Heel vroeger werd in de achterste huifkar een houten beeld van de Doper meegevoerd. Het moet een prachtig gezicht geweest zijn: De wagens waren groen geschilderd, de wielen rood. De huif was helder wit. De meisjes ook in ’t wit. De jongens in ’t nieuw, maar meer stemmig gekleed. De wagens waren rijk versierd met alle bloemen van het eiland. De gebruiken, de heilige ritus der liederen, ‘Naar het Ro­zenland zo zijne wij gevaren’, de speelman, de liefde. . .

Het oudste Sint-Janslied dat we kennen, luidt:

Naar Oostland willen wij rijden,
Naar Oostland willen wij mee.
Al over die groene heide.
Daar is er een betere stee.

Als wij binnen Oostland komen,
Al onder dat hoge huis fijn,
Daar worden wij binnen gelaten,
Zij heten ons wellekom zijn.

Ja, wellekom willen wij wezen,
Ja, wellekom willen wij zijn,
Daar zullen wij t’ avond en morgen
Nog drinken den koelen wijn.

Wij drinken de wijn er uit schalen
En ’t bier ook zoveel ’t ons belieft.
Daar is ’t ons vrolijk te wezen,
Daar woont er mijn zoete lief!

Een passender lied is in de hoogzomerdagen nauwelijks denkbaar, ‘oostland’ is het Wal­halla der Germanen, het Zonneland, de He­mel, het geestesland. Het ‘hoge huis’ van de kosmos neemt ons op. Daar drinken wij ‘de koele wijn’. Wijn heeft te maken met ons Zelf, ons ‘Ik’. Het is een symbool voor ons lichaamsbloed, waarin ons Ik huist. Daarom werd het ook in de christelijke kerk het symbool voor het bloed van Christus. ‘Bier’ is de gevulgariseerde ‘mede’, de wijs­heidsdrank der goden uit de Germaanse my­thologie.

De heerser van dit feest, die woont in het sterrenbeeld van de Tweelingen, was bij on­ze voorvaderen de god Vro (oud-noors Freyr). Daarom is het er ‘vro-lijk’ voor ons, want van hem stamt onze blijdschap. En wie is mijn ‘Lief? Niet ‘ons’ lief, maar ‘mijn eigenste Lief? — ‘Lief hangt samen met ‘leven’. Leest u er vele sprookjes maar op na: Het lief, de liefste is altijd het beeld voor het meest eigene van de mens: Zijn ‘ziel’, zijn hogere wezen, zijn ‘Ik’. Dat woont in ‘zonneland’.

Als overblijfsels van de grote zomeroffers treft men op vele plaatsen nog de Sint – Jans­vuren aan. Zij werden ontstoken met ‘zuiver vuur’, dat wil zeggen vuur, dat door wrijven van hout was gemaakt. De mensen namen van dit vuur mee naar huis, om er hun haardvuur (fornuis) mee te ontsteken.
In Neder­land zijn de meeste Sint-Jansvuren overge­gaan naar Petrus en Paulusdag, vijf dagen na Sint-Jan. Petrus is de wachter aan de hemel­poort.
Om het vuur werd gedanst. In Oost-Vlaanderen en West-Brabant kent men nog het gebruik van de Rozenhoed. Deze hangt aan een koord, dat over de straat gespannen is. Daaronder wordt ook gedanst en gezongen:

‘Sinte Pieter, der is goed
Al voor onze Rozenhoed…’

Het was eertijds gewoonte om bloemenkran­sen, kruiden en notenbladeren (een oud-keltisch gebruik) in het offervuur te werpen en er dan overheen te springen.

Merkwaardig is het, dat de grote oorlogen, de wereldbranden, omstreeks deze midzomertijd uitbraken. Dat kan men ook waarne­men bij het weer. Hoe komt het dat, terwijl de hele zomer rustig en zonnig is, vaak juist met midzomer een hagelcatastrofe de rijpen­de vrucht op het veld en in de boomgaard verwoest? – Ongebonden, kosmische krach­ten breken los. De natuur alléén kan de mens niet meer voorwaarts helpen. De oude mys­teriën hebben geen kracht meer in de tegen­woordige tijd. Wil de mens nog aan het oude vasthouden, wil hij met aardse middelen de hemel vinden, dan trekt hij het onheil over zich heen. De extase bij de zomervuren ruk­te de mensen van de aarde los en de hemel antwoordde in openbaringen. Zo ontvingen de druïden in heel noordwest Europa in die tijd hun inspiraties. De zomer-zonnewende was het uur, waarop men door extase de gaven der goden kon ontvangen. Heden kan dat niet meer. Wij kunnen ons niet meer losmaken van de aarde. Wij moe­ten op de aarde de hemel der geestelijke wer­kelijkheid vinden.

Shakespeare schilderde nog de natuurwezens, de geesten, die hun spel drijven met de mens in deze zomernacht. Als de mens niet voldoende leeft in de vrijheid van zijn geest, in zonnig bewustzijn, dan zal hij in een doffe slaperigheid verzinken. Dan worden de krachten, die hem zouden kunnen helpen en leiden, de krachten van zijn ondergang.
De maatgevende mensen in de verschillende landen waren bij het uitbreken van de we­reldoorlogen, wel beschouwd, niet goed bij hun bewustzijn! Nog hoort men overal de kreet: ‘Ik moet groeien’.
Men streeft naar macht, terwijl het juist daarom gaat, dat de mens zijn wezen vrij maakt voor het Christus­wezen. Volgens het woord van Johannes:’ Ik moet afnemen, hij moet groeien’. De zon heeft haar hoogste stand bereikt. Zij begeeft zich op de terugweg. De dagen wor­den korter, de nachten lengen, ik moet af­nemen…’.

Omkranst met de gaven van Moeder Natuur, talloze geplukte bloemen, rozen en duizend­schoon, allemaal ten dode opgeschreven kin­deren der aarde, viert de mens het feest van de eeuwige levens-zon: ‘Hij moet groeien!’

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

 

184-174

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Jan (1)

.
Paul Veltman, vrijeschool Leiden, nadere gegevens onbekend
.

HET JAARFEEST VAN ST.-JAN

In het midden van de Zomertijd
Is ’t naamdag van Sint-Jan!
Wij vieren hem met zang en spel,
Sint-Jan, de heil’ge man.
Johannesdag in zomertijd
Doet bloeien het leven al.
Wij toeven hier vol dankbaarheid
In ’t veld, bij berg en dal!’  (op berg, in’t dal)

Zo luidt het aloude lied. Het Sint-Jansfeest wordt buiten gevierd, zelfs in de regen, als dat niet anders kan. Men trekt naar buiten, zingt, speelt en danst; en ten slotte wordt een prachtig vuur ontstoken.

Bij het knetteren van het hout en het loeien van de vlammen geniet men luidruchtig. Zo’n vuur zie je niet elke dag! Sommigen ook staren mijmerend in het vuur, denken aan van allerlei, herinneren zich veel.

Het feest heeft twee kanten. De vrolijke, luidruchtige en opgewonden stemming. En de meer nadenkende, bespiegelende kant. Waardoor komt dat?

De zon is steeds hoger gestegen, elke dag. Warmte, geurend gras, bonte bloemen, verse bloesems, het is alles opgewekt, mooi en gezond. De ziel wordt naar buiten gezogen. Men is gauw “buiten zichzelf”. Die uitdrukking is heel juist. Maar dit natuurgebeuren geeft de mens behalve vreugde ook een moment van bezinning.

Johannes, de grote profeet, was in het geheel niet vrolijk op zijn naamdag. Hij wist, dat andere tijden moesten komen. Hij wist ook, dat zijn tijd voorbij was; dat de mensen een geweldig gebeuren zouden missen, wanneer zij niet met andere ogen in het leven zouden gaan staan.

“Verandert uw gezindheid!” riep Johannes, staande bij de Dode Zee tussen de zoutkristallen, 400 meter lager dan de normale zeespiegel. Hij doopte de bekeerlingen in het hel­dere water van de heilige Jordaanrivier. Hier speelde zich ook het intieme drama af, waarvan de Evangelies gewagen: de jonge Jezus kwam daar om zich te laten dopen. De duif van de Heilige Geest daalde op Jezus neer, beeld voor de verbinding van het Christuswezen met het lichamelijke van Jezus, beeld van de eenwording van hemel en aarde. Johannes mocht deze doop, deze eenmalige, unieke gebeurtenis, voltrekken.

Maar zelf wist hij, dat zijn tijd voorbij was: “Hij moet groeien, ik moet afnemen.” En ook de zon begint na de Sint-Jansdag op 24 juni weer af te nemen. Het uiterlijke, glanzende en schone licht moet verdwijnen en zal vervangen moeten worden door een innerlijk licht, dat de mens moet ontwikkelen door méér mens te worden. Een tweede, politiek drama voltrok zich, toen Johannes korte tijd daarna gevangen werd genomen en in zijn cel werd vermoord op instigatie van koningin Herodias.

De vrolijkheid van het Sint-Jansfeest is niet zo zorge­loos als ze er uit ziet.

Ook in onze tijd is het hard nodig, dat men, naast de technische en cultuurhistorische verworvenheden een nieuwe gezindheid ontwikkelt.

Het materialisme is in onze tijd nog zeer machtig. Maar overal zoemen en snorren de vuurvliegjes van een nieuw bewustzijn, dat een geestelijk tegenwicht moet vormen tegen de geest van atomisme en computergestuurde onmenselijkheid. Daarbij kan het Sint-Jansfeest ons helpen.
.

St.-Jan: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

177-167

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.