VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (9)

.

CARNAVAL

Carnaval is een feest dat lang niet altijd even schitterend of uitbundig werd gevierd. De oorsprong is in het geheel niet typisch christelijk, het feest is veel en veel ouder. In wezen is het carnavalsfeest een nieuwjaarsfeest. Daarbij kwam altijd een vruchtbaarheidsmotief. Het nieuwe jaar begon met het opnieuw bezaaien van de bodem. De omkering van rollen en het offeren van de koning kwam oorspronkelijk in de oude culturen van het Midden-Oosten en in het Oude Griekenland voor. De ‘jaarkoning, mocht zich een jaar lang verbinden met de moeder-godin die als priesteres van de aardemoeder over het volk heerste.

Na het jaar werd deze jaarkoning ceremonieel gedood door zijn opvolger. Een boeiende beschrijving daarvan vindt men in een geromantiseerde biografie van de Oud-Griekse held Theseus door Mary Renault.

De kalender die wij hebben werd in Rome door Julius Caesar ingevoerd. Vóór die tijd was maart de eerste maand van het jaar. Onze nog steeds gebruikte namen september (zevende), oktober (achtste), november (negende) en december (tiende) wijzen duidelijk op dit feit. De elfde en twaalfde maanden waren januari en februari. In Rome had men de Saturnusfeesten (Saturnalia) of allegekkenfeest. De rollen van meester en slaaf, van generaal en soldaat, van hoofdambtenaar en laagste ambtenaar waren dan omgekeerd.

De eerste nieuwjaars- en lentefeesten kwamen al voor in Mesopotamie (tegenwoordig Irak). Het feest in het kader van de nieuwe lente begon met een zuiveringsritueel, bestaande uit het offeren van de koning, zodat met een nieuwe lei kon worden begonnen. Met de verschuiving van de koninklijke macht naar de patriarchale vaderfiguur (de oudste culturen waren daar matriarchaal) begon men het offeren van de koning on­behoorlijk te vinden. Met het oude gebruik wilde men óók niet breken. Er werd een dienaar gezocht, die slaaf, tuinman of iets dergelijks was, die als remplaçant moest optreden. Hij genoot als  “schijnkoning” alle voorrechten van de echte koning voor de tijd van het nieuwjaarsfeest.

Is Prins Carnaval ook niet een plaatsvervangend vorst? Zofn schijnkoning heette in Babylonië ‘sarpuchi’. Er is een geval bekend, dat de echte koning tijdens het feest stierf. De jaarkoning, een eenvoudig tuinman, werd dus de ware koning. Hij heeft vierentwintig jaar geregeerd! Dit speelde zich af in het derde millenium voor Christus.

De viering van de lente-nieuwjaarsfeesten was zeer geliefd en ook na de komst van het Christendom wilde men die niet missen.

De christelijke kerk heeft het feest dan ook geheiligd en in het kerkelijk jaar opgenomen. Dit geschiedde omstreeks 1000 n.Chr. en in 1091 werd door de Paus bepaald, dat het begin van de vastentijd op Aswoensdag zou vallen en de dagen vóór Aswoensdag als feesttijd zouden gelden. De afsluiting werd de avond voor Aswoensdag, die Vastenavond werd genoemd. De duur van het carnaval was enkele maanden.

De voorbereidingen begonnen al op 11 november (Sinte-Maarten). Men noemde deze tijd wel “het vijfde jaargetijde”.

De geestelijkheid kreeg de leiding van die feesten en de viering werd met zoveel uitbundigheid gedaan, dat er ver­zet kwam. De hoge geestelijkheid protesteerde tegen dit “narrenfeest” of “ezelsfeest”.

De vastentijd zelf duurde veertig, vroeger zelfs zeventig dagen.  “Vaselnacht” betekent “vruchtbaarheidsnacht”. De oude vruchtbaarheidsriten leidden tot allerlei vreemde toestanden, vond de hoge geestelijkheid. De leiding van de feesten ging weliswaar over op “leken” die narrengezel­schappen vormden met een “prins” aan het hoofd, maar er bleven protesten tegen het carnaval komen.

Toen Luther in 1517 zijn hervorming begon door zijn 97 stellingen aan de deur van de slotkerk in Wittenberg te nagelen, bracht zijn leer in het vervolg, dat niemand door eigen verdienste zalig kon worden. Er moest alleen “uitverkiezing” zijn. En zo, meende Luther, was er geen reden meer om te vasten.
Daarmede stond het aan de vasten voorafgaande carnavals­feest op losse schroeven.

Calvijn beschouwde carnaval als een heidens feest en ketters
tegenover de Kerk. Rond 1600 werd carnaval nog maar door een klein groepje rooms-katholieken gevierd.

Rond 1800 veranderden de kerkelijke omstandigheden. Het carnaval beleefde een come-back. Spoedig werden er weer overal officieel feesten georganiseerd.

De grootse carnavalsfeesten in Italië werden als voorbeeld beschouwd, vooral die in Venetië. Daar droeg men soms zes maanden een masker. En boze tongen beweren dat het echte gezicht van een Venetiaan het zijden zwarte maskertje is.

 ‘V’, nadere gegevens ontbreken
.

Carnaval: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldjaarfeesten

85-82

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (8)

.

CARNAVAL

Eind februari* is het weer zo ver. Het carnavalsfeest. Het feest van de maskers, van hossen en drinken, dansen en “anders” zijn. Een zeer oud volksfeest .
Van oorsprong een nieuwjaarsfeest. Tel maar mee: september betekent ze­vende, maar is de 9e  maand, oktober betekent achtste, maar is de 10e  maand, november 9e, maar is elfde, december 10e,  maar is de twaalfde maand. Januari en februari waren tot 450 v. Chr. de elfde en de twaalfde maand. Vandaar ook dat februari 28 of 29 dagen telt om het jaar sluitend te maken. Logisch gesproken begint het nieuwe jaar toch ook met de lente.

Enerzijds is het een initiatiefeest.
Jongeren moesten drie dagen leven naar voorvaderlijke normen. Men kleed­de zich daardoor in oude kleren. Dus 3  dagen in het gareel lopen, i.p.v. eruit. Zo zou de intrede in de volwassenheid geen teleurstelling zijn.
Anderzijds is carnaval het feest van de overwinning van de zomer op de winter, van leven op de dood.

Net als het oudejaarsfeest een dodenfeest is. En omdat de gestorvenen meevierden maskeerde men zich uit angst voor hen.

In oude agrarische culturen betekende de terugkeer van de zon, de bevruch­ting van de aarde. Dit werd gezien als een heilig huwelijk. We vinden dat o.a.terug bij de Germanen. Jaarlijks werd daar het huwelijk vol­trokken tussen Godin Nerthus, de aardemoeder, en een hoge priester. Daarna reisde zij onder kleden bedekt in een schip met wielen ( de god­heid ging over water en land) door ossen getrokken door het land. Dan rustten de wapenen en de strijd en was er feest en vreugde overal. Als teken van verering der godheid werden rond het schip dwaze dansen en mas­keraden uitgevoerd. Aan het eind van het feest wordt zij op een geheime plaats in zee gewassen, evenals de feestgangers die met nieuwe verwach­ting als nieuwe mensen uit het water komen.

Dit zie je ook bij de afsluiting van het carnaval, als in de vastennacht om 24.00 uur de maskers af worden gezet en de periode van inkeer begint. Dit kosmische huwelijk werd ook op andere manieren nagebootst. Zo lieten tal van volken brandende wielen van de berg afrollen.  In Lim­burg worden nog vastenavondvuren ontstoken om boze geesten te weren, de lucht te zuiveren en het land vruchtbaar te maken onder gelui van klokken, geschreeuw en ander lawaai.

De “Noorlanders” stuurden tijdens de koude lange winternachten boten naar de bergtoppen om de zon te halen.

Nerthus’ schip vinden we nu nog in onze carnavalsoptocht terug, als de zogenaamde “Blauwe Schuit.” Van haar komt ook de naam carnaval, afkomstig van carrus navalis, het wagenschip, het narrenschip. Niet van de humo­ristische uitdrukking der oude kloostertaal “Carne en vale, vlees vaar­wel” , want dat was alleen voor de rijke kloosterlingen weggelegd. Blauw is de kleur van de zotheid.

Carnaval is een oud volksfeest, dat vroeger zelfs in heel Nederland ver­breid is geweest. De kerk heeft zich aanvankelijk tegen het feest verzet, maar daar dat niet lukte is men er vervolgens toe overgegaan dat feest ± 1250 in de kerk te integreren. Door de structuurveranderingen, de verlichting, het rationalisme e.d.  was het in de 18de eeuw met het carnaval boven de rivieren praktisch gedaan. In het zuiden en de rest van West-Europa leidde het een zieltogend bestaan.

Maar door de romantiek komt het carnaval door tal van feesten van Bour­gondische en Duitse vorsten weer terug, en nu met duidelijke sporen van antieke tradities. Zo kennen wij prins carnaval die op het raadhuis wordt ontvangen en ten teken van zijn heerschappij de stadsleutels ont­vangt. Een Babylonische Priesterkoning heeft ± 2600 v. Chr. voor ons vastgelegd dat tijdens hun nieuwjaarsfeest omtrent de lente een rolwisse­ling van meesters en slaven plaatsvindt. In een optocht met een scheepswagen wordt een misdadiger meegevoerd die enkele dagen de rol van koning mag spelen, maar aan het eind van het feest wordt geofferd voor de zonden van het volk. Zo zou men het nieuwe jaar met een schone lei kunnen begin­nen. Dit gebeuren stemde de God van de vruchtbaarheid mild. Vergelijk dit ook met het oplaten van de Schinveldse Geit, het ver­drinken van het Mooswief (Groentevrouw) in Maastricht, van Bacchus in Roermond en het begraven van Knillis in Den Bosch.

Dat vindt allemaal plaats op Vastenavond, de avond, de dag, de dagen die aan de Vasten, dus Aswoensdag voorafgaan.

Vastenavond komt van Vastelavond en vastel komt van het Duitse Faseln, wat gedijen betekent.

De periode van inkeer breekt aan. Van de “dwaasheid” naar de ernst. “Gedenk mens, dat gij stof zijt en tot stof zult wederkeren”, zegt de volgende dag de priester die een askruisje op het voorhoofd zet.

De functie van de maskerade tegenwoordig is het bewerkstelligen van anonimiteit en kortstondig zijn   “wie men wenst te zijn”. Want door het jaar laat men zelden zijn eigen gezicht zien. Velen volstaan ermee te zijn, zoals anderen wensen dat ze zijn. Met het verkleden wil men uit­drukken: “Kijk, dat wat ik aanheb, dat wat jullie zien met je “gewone” ogen is niet het  belangrijkste. Probeer mijn zelf te zien”.

De carnavalsviering is een verlangen naar een gemeenschapsvorm, die al het negatieve mist.
Als carnavalist moet men geen toekijker maar “doener” zijn. Daarom probeert men iedereen in de deelname te betrekken. In de dans­zaal door polonaises, op school door kringspelletjes. Eenieder wordt daardoor opgenomen in de feestvreugde.

Als afsluiting een citaat van Goethe die in zuidelijk Rome het straatcar­naval beschreef: “Wanneer men buiten komt, meent men niet buiten en onder vreemden, maar in een zaal onder bekenden te zijn”.

Ray Kusters,  ‘Rondom’, schoolkrant van vrijeschool Brabant in februari 1982*

 

Carnaval: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldjaarfeesten

84-81

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (7)

VRIJESCHOOL in beeldjaarfeesten

.

carnaval 5

Voor de kleding op deze bladzijde zijn we van eenvoudige patronen uitgegaan, die je op het laatste moment nog kunt realiseren. Kinderen vragen niet om perfectie en met ken­merkende details verhoog je de werking van de simpele basiskleding. Laat het kind zelf kiezen wat het wil zijn en zet dit niet te lang van tevoren vast, je loopt de kans, dat het kind de dag voor het feest plotseling heel iets anders wil! Pas ook op voor te zware hoofddeksels en te grote sloffen (een kabouter, die het grootste deel van het feest aan de grond genageld wordt, doordat de andere feestvierders op z’n puntsloffen staan!) Geen maskers voor jonge kinderen, ze hebben immers nog niets te verbergen.

Voor een prinses, fee of elfje kun je aan een bestaand blousje een wijde rimpelrok naaien van een soepel stofje. Naai er papie­ren bloemen of goudfolie sterren op. Het kroontje van goudkarton knippen, de kinderen kunnen er zelf kraaltjes of pailletten op­plakken. Een losfladderend zij­sjaaltje aan zoom en kop van mouw bevestigen. Vleugels erboven, beschreven (zie tekening F).

carnaval 6De clown krijgt een muts van een kwart cirkel, dichtplakken (zie tekening C). Drie grote pom­poenen op de muts, drie op het jak en twee op de schoenen be­vestigen.

 

carnaval 3

Voor het aardbeienvrouwtje en de clown is hetzelfde patroon ge­bruikt. Neem een dubbele lap (van een laken of ongebleekt ka­toen) leg hierop een goed zittend T-shirt en een lange broek. Knip T-shirt en broek 6 cm ruimer na en zet het pak in elkaar. Het pak van het vruchtenvrouwtje rood verven en in de onderkant van mouwen en hes een elastiek rij­gen. Op verschillende plekken gele lapjes naaien. Voor het muts­je een strook crêpepapier van 80 x 30 cm nemen (zie tekening D). Rijg er een draad door ongeveer 10 cm van boven, draad daarna aantrekken.carnaval 4

Voor het bjjtje een ruimzittend T-shirt nemen, mouwen eraf knippen, oprollen en om de 4 cm een katoenen draad strak er­om wikkelen, het geheel in dylon verf bruin verven (zie teke­ning E). De vleugels van dun ijzerdraad maken en beplakken met wit vloeipapier. (Voor een vlinder van gekleurd vloei, mooie figuren op de vleugels plakken) (zie tekening F). De vleugels aan het T-shirt zetten. Voor het mutsje een rondje van bruine wol haken. Twee stukken ijzerdraad met wol omwikkelen als voelsprieten. Onder dit pak een bruine maillot en T-shirt.

carnaval 8

De tovenaar heeft een cape van een hele stofcirkel, met goudpa­pieren figuren bestrooid (zie te­kening B). Kinderen vinden het heerlijk om zelf aan hun uitrus­ting mee te helpen. Onder de ca­pe een rimpelrok of lang jak la­ten dragen. De hoed is naar het­zelfde patroon gemaakt als die van de clown; er is nog een rand aan gemaakt (zie tekening C). Sloffen versieren met metalen of goudkartonnen  gespen. Een baard van wol of katoen (hennep is ook prachtig) op een strookje stof genaaid of geplakt
vervol­maakt de uitrusting.

carnaval 9

Voor het konijntje is als basis een hansop, trainingspak, pyja­ma of trui met maillot nodig. De staart is een wollen pompoen. Het mutsje is een bivakmuts of de mouw van een oude trui (zie tekening A). Maak oren van ijzerdraad en naai of wikkel er stof of crêpepapier omheen. Voor een schaap kun je op dezelfde basis met een omgekeerde oude vachtjas erover en een pluk wol op het hoofd een prachtig effect krijgen.

carnaval 10

carnaval 11

Tineke Geus en Irene Doorn  ‘Jonas’  8 februari 1980.

 

Carnaval: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldjaarfeesten

 

83-80

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (6)

.

OORSPRONG VAN HET CARNAVAL

Een van de arbeiders aan het Goetheanum vraagt wat het doel van de carnavalsviering is. Waar komt dit feest vandaan? Welk doel heeft de vastenavondviering?

Dr. Steiner: Dus U bedoelt wat de Vastenavond, het carnavals­feest, voor doel heeft? Nou, ziet U, door naar het doel van de carnavalsviering te vragen, wordt die er niet veel begrijpelijker van, want op z’n minst al door de manier waarop men het carnaval heden ten dage viert, zult U wel kunnen beamen, dat de mensheid in de loop van de jaren uiteindelijk ook wel zonder carnaval zou kunnen.

Je kan dus wel zeggen: naar de huidige opvatting is het
car­navalsfeest eigenlijk doelloos.

Maar het heeft ook niet meer zijn oorspronkelijke betekenis. Het is met zulke dingen als het carnavalsfeest precies zo gegaan als het met geestelijke orden, met ceremoniële gewaden enzo gegaan is. Vroeger had dit alles wel degelijk zin, maar gaandeweg is die zin verloren gegaan. Ook de andere jaarfeesten verdwijnen immers geleidelijk. Langzamerhand verliezen zij hun betekenis, wanneer zij niet meer in de ware zin worden opgefrist. Voor het carnavalsfeest is nog niet buitengewoon veel gedaan om het weer betekenis te laten krijgen. Want eigenlijk zou het carnavalsfeest diep kunnen ingrijpen in het gehele sociale leven, wanneer het zijn oorspronkelijke betekenis, (zoals bijvoorbeeld in het oude Rome waar het iets vroeger in het jaar gevierd werd) zou hebben herkregen.

Gaan wij terug in de tijd naar het Oude Rome dan vinden wij het volgende. De mensen waren toen ook, zoals je zou mogen zeggen ingedeeld net zoals in de huidige tijd: de een was staatsambtenaar, de ander soldaat, de derde was arbeider enz voort. En die in­deling was zelfs, althans in sociale zin nog harder dan nu. Want diegene die slaaf was, kon zelfs als mens gekocht worden! Zo kan je zeggen: het verschil tussen de mensen in Rome was heel, heel groot.

Maar het bewustzijn, dat men in deze of gene sociale positie had, dat moest tenminste enkele dagen in het jaar verdwijnen. Nietwaar? Men spreekt heden van democratie en men meent, eerst vooral meer in theoretische zin, dat alle mensen gelijk zijn. Dat hebben de Romeinen absoluut niet geloofd, maar bij hen was hij die in de een of andere hogere stand geboren was, werkelijk pas een echt mens. U weet toch, dat in onze tijd nog voor bepaalde lieden het spreekwoord gold: de mens begint pas bij de baron! Dus degene die lager stond dan de baron was geen mens. In het oude Rome was dit standsverschil natuurlijk buitengewoon sterk. Hoewel de adel toen nog niet zoveel invloed had als later scheen – want dat is een middeleeuwse instelling van de zogenaamde feodale tijd, zo was er toch een groot verschil tussen de standen in het Oude Rome.

Maar dan gedurende een paar dagen in het jaar moesten de mensen gelijk zijn, moest er democratie heersen.
Dat kon men natuurlijk niet zó doen, dat de mensen met hun gewone gezichten kwamen, want dan had men hen herkend! Daarom moesten zij maskers dragen. Dan waren zij datgene, dat het masker aangaf. Dan was er ook nog een man, die carnavalskoning mocht zijn. Die kon in die dagen doen wat hij wilde.
Hij kon bevelen geven, terwijl hij anders slechts bevelen kreeg. En het heel Rome was in die tijd voor een paar dagen gek, op zijn kop gezet. En die mensen konden zich ook tegenover hun superieuren anders gedragen, ze behoefden voor die paar dagen niet beleefd tegen hen te zijn, om de mensen gelijk te maken! Dit gebruik heeft natuurlijk niet ertoe geleid, dat de mensen gehuild en getreurd hebben, want het heeft hun plezier gedaan, dat ze zo een paar dagen konden leven. Uit dat plezier is dan de carnavalspret ontstaan: de mensen haalden dwaze streken uit, wanneer zij voor een paar dagen vrij geworden waren. Het gevolg daarvan was, dat het feest in stand bleef, daar het de mensen zeer (goed) beviel. Maar de dingen worden in stand gehouden zonder dat men de oorspronkelijke betekenis meer weet.

Zo blijft het carnaval als de tijd, waarin men dwaze streken uithaalt, bewaard, omdat men dan dwaze streken uit mocht halen. Daarna heeft de Kerk gevonden, dat het noodzakelijk is, dat men daarna óók de Aswoensdag laat volgen, zodat men zich als een schuldig mens voelt, dat niet alles mag, wat men wil enzovoort, en daar het christendom tenminste vroeger, van mening was, dat de mens ontbering moet kunnen lijden, werd de Vastentijd ingesteld. En het was natuurlijk zeer doelmatig juist de Vastentijd te laten volgen op de carnavalstijd, waarin de mensen nu net het minst ontbeerd hadden; alles wat hun bevallen was, hebben zij immers, zo goed en zo kwaad als het ging, gedaan. Naderhand is het dan veel erger, om de dingen niet te eten die men voordien wel gegeten had. Het was dan alsof de tijd niet opgeschoten was.

Nu was de zaak zo, dat in Rome het carnaval veel vroeger viel, omstreeks de tegenwoordige kersttijd, want alles is ietsje uit­gebreid tot in een later jaargetijde. Daardoor hebben wij de huidige carnavalstijd gekregen. De datum van de carnavalstijd richt zich (naar ik geloof) in alle overige landen naar de paasviering. Slechts in Basel wordt het één week later gevierd, voorzover ik weet. Maar dat leidt er slechts toe, dat het tweemaal gevierd wordt!

Dit kan bij dit onderwerp gezegd worden. Dat kan gezegd worden van veel wat oorspronkelijk in de mensheid nog zin had, maar dat het zinvolle later verloren is gegaan. En dan komt de vraag: waarom is dit allemaal?

Rudolf Steiner: Die Geschichte der Menschheit und die Weltanschauungen der Völker, GA 353, voordracht van 5 mei 1924
Vertaling Paul Veltman*, wanneer en waarin onbekend.
*Hier en daar heb ik er wat gangbaarder Nederlands van gemaakt [phaw]

.

Carnaval: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldjaarfeesten

Rudolf Steiner: alle artikelen

 

82-79

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (5)

.

Door tijdelijke ontkenning van de orde is de rest van het jaar draaglijk

CARNAVAL; FEEST VAN OMGEKEERDE WERELD

Carnaval kent diverse rituelen en gebruiken. Een zoektocht naar de oorsprong en de ver­schijningsvormen van dit volksfeest.

Officieel begint het op de elf­de dag van de elfde maand en is het ten einde op Aswoens­dag. Maar carnaval barst over de hele wereld pas echt in al­le hevigheid los vlak voor de sombere veertigdaagse vas­tentijd die aan Pasen vooraf­gaat. Als een soort schade­loosstelling op voorhand? Of om door de tijdelijke ontken­ning van orde en gezag de rest van het jaar draaglijk te maken?

Onder deskundigen lopen de meningen over de oorsprong van carnaval uiteen. Vast staat wel dat door de eeuwen heen al feesten gehouden werden die overeenkomsten hadden met ons huidige car­naval. Theo Fransen en Gerrit Gommans beschrijven in hun boek ‘Alaaf’ dat in Mesopotamië, de bakermat van onze beschaving, op bepaalde da­gen niet mocht worden ge­werkt. Dan was de slavin ge­lijk aan haar meesteres en mocht de slaaf naast zijn meester lopen. Even heerste er een ‘omgekeerde wereld’.

Scheepswagen
Tijdens de Babylonische lente­feesten is er ook sprake van een rolwisseling. In optocht werd op een scheepswagen een misdadiger meegevoerd, men noemde hem Zoganes. Hij werd voor even tot koning gebombardeerd. Op de laatste dag scheurde men hem de ko­ninklijke mantel van het lijf, kreeg hij zweepslagen en werd publiekelijk terechtge­steld.

Volgens Frans Micklinghoff, die onderzoek deed naar de oorsprong van carnaval, was het een zuiveringsrite: de lei­der diende te sterven voor de zonden van zijn onderdanen zodat het volk het nieuwe jaar met een schone lei kon beginnen.
In onze streken kende men een zonnewende- of vruchtbaarheidsfeest. De Germanen vierden in het vroege voorjaar de wedergeboorte van de zon en de Kelten lieten brandende wielen van de berghellingen rollen. Het symboliseerde het begraven van de zon in de ak­ker, om zo verzekerd te zijn van een vruchtbare oogst. In Friesland speelde men in de 15de eeuw het verdrijven van koning Winter en zijn neef Baljuw van Sneeuw. De kwade demonen werden ver­jaagd met vuren, midwinter­blazen en luid geschreeuw. In Frankrijk werden in de Mid­deleeuwen narrenfeesten ge­houden met rondtrekkende societés joyeuses, gekkengezelschappen die schaamteloze voorstellingen gaven en met smerige liedjes en obscene ge­baren de lachlust van de toe­schouwers opwekten.

Boetedoening
Na de kerstening van Europa trok de kerk van leer tegen de heidense gebruiken rond vruchtbaarheids- en zonnego­den. De kerk verklaarde in het jaar 742: ‘Degene die in februari door allerlei minder oirbare handelingen de winter probeert uit te drijven, is geen Christen maar een hei­den’.
Anders dan het hele­maal uit te willen bannen, ei­gende de kerk zich bepaalde elementen toe. De feesten kregen het karakter van een grote schoonmaak, het aan de kaak stellen van zonden en overtredingen. In 1091 stelde de synode van Benevento dat het oeroude lentefeest voortaan gevolgd zou worden door veertig dagen van boete­doening en versterving. In die periode mocht men bepaalde dingen niet eten, onder ande­re vlees.

carnaval 2

Een scene uit de Commedia del’arte. Ook dit opvoeren van de boertige scènes waarbij het dagelijks leven werd bespot, wordt genoemd als voorloper van ons huidige carnaval. In Venetië wordt carnaval nog steeds op deze wijze gevierd. Daar zie je dezer dagen figuren als op de illustratie rondlopen

Talrijk zijn de etymologische verklaringen van het woord carnaval. Er wordt door des­kundigen al jaren met veel animo over gesteggeld. Het woord zou afgeleid zijn van de term ‘carne levare’ (wat vrij vertaald het wegnemen van vlees betekent) die in 1195 voor het eerst in Frank­rijk gebruikt werd. Of van ‘carne vale’ (= vlees vaarwel) Ook wordt er beweerd dat het woord carnaval wel eens te maken kan hebben met de ‘carrus navalis’ = scheepskar. Volgens oude berichten wer­den in de klassieke oudheid al narrenschepen door de stra­ten voortgetrokken en ook in de  Middeleeuwen gebeurde dat.

 Riet Taal,  Brabants Dagblad  2 maart 2003

 

Carnaval: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldjaarfeesten

.

81-78

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (4)

.

CARNAVAL EEUWENOUD?.

Als we terug willen gaan naar de oorsprong van het carnaval kunnen we starten op het moment dat car­naval een plaats krijgt in het christendom en in het kerkelijk jaar, maar we kunnen ook beginnen bij de oude culturen waarvan de gebruiken door het kerkelijk gezag zo verfoeid werden.

De feesten die rond de carnavalstijd gegeven werden, hadden als kern het uitbeelden van het ster­ven en herrijzen van de natuur. In de oude culturen waren dit feesten rondom de jaarwisseling. Jaarwis­seling in februari?

De verklaring hiervoor ligt voor de hand; kijken we naar de maanden van het jaar, dan zien we dat we vooruit lopen:

september wil zeggen 7e maand en is nu de 9e.
oktober wil zeggen 8e maand en is nu de 10e.
november wil zeggen 9e maand en is nu de 11e.
december wil zeggen 10e maand en is nu de 12e.
Oorspronkelijk waren januari en februari de 11e en de 12e maand.  Het was Julius Caesar die de nieuw­jaarsdatum naar 1 januari verschoof.

Kijken we naar de oude culturen, dan spreken we dus over de feesten rondom de jaarwisseling.

Mesopotamië
Al in 2600 v .C. werd een nieuwjaars­feest gevierd, waarin iedereen gelijk was aan elkaar  en zelfs slaven voor een dag meesters waren over hun meesters.
Elk jaar werd de koning op een pronkschip op wielen door de feestende massa naar de tempel getrokken. De oergedachte van dit feest was dat de godheid zou sterven voor de zonden van het volk. De koning die de godheid uitbeeldde, moest dan ook sterven aan het einde van de dag.

Om die reden moest er elk jaar een nieuwe koning komen. Dat bleek uiteindelijk niet echt praktisch en daarom werd de plaats van de koning op deze dag ingenomen door een misdadiger, die tot koning gekroond werd. Dit ging zo ver dat hij, behalve dat hij op het einde van de dag moest sterven, ook een dag over de harem van de koning beschikken mocht.

Egypte
De legende gaat, dat Keb (de aardgod), Nut (de vrouw van de zonnegod Ra) verleidde. Ra ver­vloekte haar en zei: ‘Nog geen dag in het jaar zult gij kinderen baren!
Toth vond hier wat op en versloeg de maangodin tijdens een damspel en eiste 5 extra dagen bij het jaar op, (dat bestond toen nog uit 360 dagen.) In deze 5 dagen kon Nut kinderen baren en voor de Egyptenaren werden deze dagen er 5, waarin niet gewerkt hoefde te worden en alle serieuze zaken vergeten konden worden.

Griekenland
Tussen de winterzonnewende  (21 dec.) en de dag- en nacht- evening (21 maart.) werd er een groot wagenschip rond getrokken door de steden. Dit schip werd gevolgd door de god Dionysos. Deze optocht was bedoeld om vruchtbaarheid van de goden te vragen en de boze geesten te verjagen. Dit gebeurde met veel kabaal en angstaanjagende maskers.

Romeinse rijk
De Romeinen vierden 7 dagen feest. In deze dagen werden de slaven vrijgelaten en werd een schijnkoning benoemd. Deze schijnkoning stond hetzelfde lot te wachten als de Mesopotamische koningen.
Hij die de boon in de koek kreeg, had het geluk of de pech om tot koning gekroond te worden.
De koning werd begeleid door mensen, verkleed in wolfsvellen om ook weer al het kwade te verdrijven, zodat het nieuwe jaar “schoon” begonnen kon worden.

Germanen
De Germanen vierden het jul-of joelfeest; het feest van de geboorte van de zon. Hierbij werd een beeld van de god Frey op een schip op wielen voortgetrokken, begeleid door mannen, verkleed als vrouwen of dieren.
Op het schip werd het huwelijk tussen Frey en een priesteres nagebootst, dit als een uitnodiging voor de goden om ook deel te nemen aan het feest.

In het huidige carnaval vinden we nog veel terug van de oude gebruiken:

– Het benoemen van een prins of vorst
– De praalwagens
– Iedereen is gelijk
– Geboorte en sterven  =  Zondeschuld.

De christelijke kerk heeft lang geleden geprobeerd deze gewoonten uit te bannen, maar ondanks alle verboden en straffen, die gegeven werden voor deze feesten, ging het volk er gewoon mee door. De enige oplossing was om het feest te kerstenen.

Het woord carnaval ontstond: carrus navalis-scheepswagen.

Waarom nou een schip?

Alles is omgekeerd met carnaval: dus het schip ging niet te water, maar over land.

Rond carnaval ontstonden verenigingennarrengezel­schappen die we nu nog terug vinden in de carnavals­verenigingen.

Vooral in West-Europa werd carnaval gevierd.  Het feest heeft zich verbreid door kolonialisatie en emigratie. In Nederland vinden we het carnavalsfeest vooral terug onder de grote rivieren; dit komt door de invloed van Luther en Calvijn in het noorden van ons land, die het feest verfoeiden. Ook in Gelderland werd het feest verboden, in 1597.
Toch probeerden mensen stiekem het feest te vieren. Toen het-veel later,-door beter vervoer mogelijk was om het feest in andere plaatsen mee te vieren, kwam het carnavalsfeest enigszins terug in Gelderland. In Nijmegen is in 1948 weer een openbare viering geweest, georganiseerd door de Blauwe Schuit; een vereniging die nu nog bestaat. Deze viering was nog heel voorzichtig maar in 1952 kwam de optocht weer terug en daarmee het echte carnavalsfeest.

(Artikel uit een schoolkrant. Plaats en datum onbekend.
Jiska van Rijn. Oud-leerling,PABO-student.
Bronnen: Carnaval in Nederland en België. Alaaf,Spectrum boek.)

.

Carnaval: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldjaarfeesten

 

80-77

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (3)

.

CARNAVAL, DRIE HELSE DAGEN

Het smalle bospaadje lijkt nog smaller geworden: de hoge struiken aan weers­kanten buigen zwaar voorover, bela­den met dik beijzelde takken en dorre bladeren. Ieder blad is bedekt met een doorzichtig glazen blad van exact de­zelfde vorm. De grond is bedekt met een harde ijslaag, vol bobbels en kui­len. Als je een tak aanraakt, geeft dat een vreemd klirrend geluid. Er is niet veel wind deze barre weken; alleen tegen de avond gaat het wel eens waaien. Dan ruist er door de toppen van de hoge beuken een wonderlijke muziek: al die beijzelde takken en twijgjes klingelen tegen elkaar. Als je er lang naar luistert, voel je een huivering langs je rug lopen, zo onheilspellend klinkt dat krakende geluid van dia­manten takken. Deze verijzing alom, deze langdurige verstarring van alle be­weging en leven is eigenlijk nauwelijks te verdragen.

Soms valt er weer sneeuw en dat brengt ontspanning. Een zachte, witte deken legt zich over die gladde, harde onderlaag. Dan kun je zelf ook weer geloven en hopen, dat niet alle levens­sappen voor altijd zijn gestold. Je kunt er weer op vertrouwen dat dit alles eens voorbij zal zijn, dat eens de zon genoeg kracht zal hebben om de ijs­korst te laten smelten, en dat de lente weer zal aanbreken.

In de maand februari beleven we een merkwaardige tijd tussen twee jaar­feesten in. Het is de maand van het carnaval, het grote verkleedfeest. Achter ons ligt de maand waarin we de drie Wijzen uit het Oosten volgden op hun tocht naar het Christuskind. Voor ons ligt de lijdenstijd. Als ik denk aan een jaarfeest, denk ik onwillekeurig allereerst aan de vreugde die bij een feest hoort. Met jonge kin­deren trachten we dan ook in de vormgeving van zo’n feest de vreugde te laten beleven. Immers, de zonnige kant, de lichtzijde is voor hen belang­rijk, en bij de meeste jaarfeesten is dat ook niet moeilijk te realiseren. Als we bij de herfst beginnen, met het Michaëlsfeest, kunnen we ervaren dat tot en met de kersttijd een stralend, moedgevend licht overheerst in de rij van jaarfeesten. Het innerlijk licht wordt sterker naarmate het licht bui­ten in de natuur afneemt. Met de overgang van het oude naar het nieuwe jaar, met het inzetten van de driekoningentijd is het echter of er zich langzaam iets donkers schuift tussen ons en het licht. Het lijkt of het licht minder sterk wordt, in tegen­stelling tot wat we waarnemen buiten: daar zien we juist het zonlicht terug­komen, de dagen worden langer. In februari gaan we dat echt al merken, en dat wordt steeds duidelijker
naar­mate we het lentepunt naderen. En dan, juist in de tijd dat we na een meer of minder barre winter vol ver­langen uitkijken naar de eerste lente­bloemen – juist dan beleven we wat de jaarfeesten betreft, de donkerste tijd van het jaar: de lijdenstijd, 6 weken volgens de traditie van de rooms-katholieke kerk, 4 weken volgens de nieuwe inzetting van de Christenge­meenschap.

Het licht dat de drie wijze koningen uit het Oosten uitstralen, konden we nog wel doorgeven aan de kinderen in de vormgeving van het feest. Maar de ontmoeting met Herodes blijkt essen­tieel te zijn. Vanaf dat moment ver­andert er iets. Allen die zoeken naar vormen om jaarfeesten te vieren, mer­ken dat de jaarfeesten die nu voor ons liggen, steeds moeilijker te hanteren zijn. Lijden, dood, opstanding, Hemel­vaart, Pinksteren – het zijn inhouden die horen bij de wereld van de volwas­senen, bij het innerlijk van de mens, bij een ‘binnen-wereld’ die een jong kind nog niet kent.

Je zou misschien zelfs kunnen zeggen, dat de uiterlijke vormgeving van de komende jaarfeesten minder belang­rijk wordt ten opzichte van wat er in­nerlijk, in de ziel van de mens aan vorm ontstaat. Voor de viering met kinderen grijpen we terug naar oude gebruiken of het lentegebeuren in de natuur. Dat bevredigt ons niet, maar het hoort wel bij de lichte ‘paradijse­lijke’ toestand van kinderen. Het ele­ment waar we als volwassenen mee te maken krijgen, is ‘na-paradijselijk’. De drie Wijzen uit het Oosten ontmoe­ten in Jeruzalem het boze, maar zij er­varen dit niet bewust. Zij zijn zo ver­vuld van lichtkracht, dat het boze hen niet raakt. Zij herkennen het zelfs niet. Een engel moet hen daarop wij­zen in de droom, en dan gaan zij langs een andere weg naar hun land terug, gehoorzaam aan dat goddelijk bevel. Het is echter de vierde koning die ‘het boze’ in al zijn vormen bewust onder ogen moet leren zien. Hij zoekt zijn weg tussen licht en duisternis. Samen met hem naderen we nu een tijd van diepste vertwijfeling, de zwartste tijd van het jaar. Maar voordat we zover zijn, ontmoeten we eerst nog dat merkwaardige feest van carnaval.

Van oudsher heeft daar dat feest ge­staan, op die plaats in het jaar. Vroe­ger heette het Vastenavond met allerlei gebruiken daaromheen. Van lieverlee is dat van naam veranderd en ook de tijdsduur is gewijzigd. Het eigenlijke carnaval duurt drie etmalen, maar het regime van de vele Prinsen beslaat en­kele maanden. Op de dag dat de
kin­deren langs de huizen trekken met lichtende lampionnen en uitgeholde knolrapen, op de dag van Sint-Martinus, de elfde van de elfde maand, begint in de streken waar carnavalsverenigingen zijn, de regering van een nieuwe Prins Carnaval. In december duiken al deze prinsen onder, maar in januari laten ze weer van zich horen. Hun macht groeit snel naar een hoogtepunt toe en eindigt dan abrupt in de nacht voor Aswoensdag. Het einde van een schim­menrijk.

Waarom staat carnaval op dit punt in het jaar? Kunnen we ergens houvast vinden om dit raadselachtige feest zin te geven, al was het alleen maar voor onszelf? Misschien vinden we aankno­pingspunten in het gebeuren zelf. Het geheel doet ons aan als een bonte ver­kleedpartij. Ieder die eraan meedoet, trekt een kostuum aan dat hij in het gewone leven niet draagt en ook nooit dragen zal! Het is of iedereen zijn eigen alledaagse persoon enige dagen wil wegstoppen, wil doen vergeten, en zich overgeeft aan andersoortige ‘per­sonae’.

Door het dragen van maskers in aller­lei vorm en kleur wordt dat element van verstoppen en vermommen nog versterkt. Voor wie of wat wil men zich verstoppen, voor wie zich verber­gen achter een masker? En wat ge­beurt er als je jezelf verliest in de roes van het carnavalsfestijn, als je meegaat in de deinende massa van carnavalsgasten? Wat raakt er ‘op drift’ als je ‘alle remmen’ los laat? Het lijkt op een bewust gezochte confrontatie met de ‘onderwereld’ in jezelf. Een averechtse wereld, waar alle nor­male, menselijke afspraken en normen niet meer gelden of in hun tegendeel verkeren. De hele maatschappij wordt voor korte tijd ‘ont-regelt’. Drie dagen lang duurt dit feest van zotten en dwazen waarbij alles op zijn kop staat. Drie dagen lang leef je in een roes van ‘hossen en dweilen’, en dan word je op een ochtend wakker op kantoor met hoofdpijn en een schorre keel.

Sneeuwwit en rozerood
In het sprookje van ‘Sneeuwwitje en Rozerood’ horen we wat er gebeurt als tegen het voorjaar ijs en sneeuw gaan smelten. Dan komen ‘de boze dwer­gen’ uit de aarde naar boven gekropen en vallen ons lastig. Zij roven onze ‘schatten’ waar ze maar kunnen. En wat ze eenmaal hebben, laten ze niet zo gemakkelijk meer los.
Wat gebeurt er als de ijskorst van het normbesef smelt? Dan breken ‘de boze dwergen’ in onszelf los. Het lijkt erop of dat gebeurt tijdens die drie helse dagen voor Aswoensdag. Maar behalve dat het misschien samenhangt met natuurlijke gebeurtenissen, kan het ons ook nog een beeld geven van iets anders, en een vermoeden waarom carnaval onverbrekelijk verbonden is met de lijdenstijd.

Er komt in het leven van ons allen een moment waarop alle aardse regels en normen van geen belang meer lijken. Dat is het moment van het sterven. In het licht van de eeuwigheid ziet al het aardse er anders uit. En in dat ster­vensuur, als de ziel van de mens voor de poort van de dood staat, – dan kan het wel gebeuren dat de ‘boze
dwer­gen’ hun kans waarnemen. Een jonge dominee vertelde over het sterven van zijn oude vader: ‘Hij zag meermalen de demonen op zich afkomen, uit alle hoeken van de kamer waar hij lag. Hij was niet een man van grote woorden of iemand die met de Christelijke waarheden te koop liep. Maar als hij hardop zei: ‘Om Christus wil, ga weg! – dan verdwenen die vreselijke gestal­ten en lieten hem met rust.’ Carnaval is niet zo onschuldig als het er uit ziet, maar wellicht is het ook minder zinloos dan de ‘stijve’ noorde­lingen denken!

Marieke Anschütz, ‘Jonas’ 9 februari 1979>
Dit artikel is waarschijnlijk niet volledig.

 

Carnaval: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldjaarfeesten

79-76

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (2)

.

‘BROERTJE NEEM DIE WOLFSKOP EENS UIT DE REISTAS’

een sprookje uit de Oekraïne

In dit sprookje beschermen de bok en de ram zich met wolfsmaskers tegen de echte wolven die zij op hun reis tegenkomen.
Bij het carnavalsfeest maken wij ook graag gebruik van de karakteristieke eigenschappen van dieren.

‘Eigenlijk hullen we ons dagelijks in vermommingen,’ aldus Else Tideman ‘en carnaval kan een hulp zijn om ze te leren doorzien.’

Er waren eens een man en een vrouw, die een bok en een ram hadden. ‘Ach vrouwtje,’ zei de man op een dag, ‘wij zullen de bok en de ram wegjagen. Ze eten maar, ze eten maar, ze maken ons straatarm!’ En hij stak beide armen omhoog en schreeuwde: ‘Vooruit, maak dat je wegkomt! Ik wil jullie niet meer zien!’
De bok en de ram gingen er vandoor. Toen zij ver genoeg van de man verwijderd waren, naaiden zij een stevige reistas. En ze liepen en liepen.

Plotseling zag de ram midden in het veld een wolfskop liggen. Nu was de ram wel sterk, maar dom. En de bok was dapper, maar niet sterk. ‘Ga jij die kop eens halen, ram, jij bent zo sterk!’ ‘Ach nee, doe jij dat even, jij bent zo dapper!’ Tenslotte gingen ze er met hun beiden op af. Ze stopten de wolfskop in de reistas. En ze liepen en ze liepen. Daar zagen ze boven het struikgewas de rode gloed van een vuur. De bok zei: ‘Laten wij daarheen gaan, opdat de wolven ons niet op­eten’. En zij liepen in de richting van het vuur. Wat zagen zij daar? Boven het vuur hing een pan met pap en drie wolven zaten er omheen, geduldig te wachten tot de pap klaar was. ‘Goedendag jongens,’ zei de bok. ‘Goedendag, broertjes, jullie komen op het juiste moment. De pap is nog niet gaar, wij zullen jullie vlees erbij doen.’ Radeloos van angst drukte de ram zich tegen de bok aan. Ook de bok was hevig geschrok­ken, maar hij dacht na. ‘Broertje, neem die wolfskop eens uit de reistas.’ De ram trok de wolfskop tevoorschijn. ‘Nee, die niet, ik be­doel die grotere!’ Voor de tweede maal trok de ram de wolfskop uit de tas. ‘Nee, nee, die nog grotere bedoel ik!’ riep de bok. Toen de poot van de ram voor de derde maal in de tas verdween, werden de drie wolven bang. Hun enige wens was, zich zo snel mogelijk uit de voeten te maken.

carnaval 1

Eén van de wolven zei: ‘Wat een gezellige kompanije is het hier! Onze pap staat flink te koken. Maar er is geen water om er bij te gieten.
Ik ga maar even een beetje halen’. En weg was hij. ‘Naar de duivel met jullie alle­maal,’ dacht hij. Na een poosje zei de tweede wolf: ‘Het is toch een nietsnut! Waar blijft hij toch met het water? Als hij niet vlug terug komt, brandt de pap aan! Ik ga een dikke twijg van een boom kappen en hem daarmee terugjagen als een hond’. En weg was hij. Maar toen ook hij niet terugkeerde, zei de derde wolf: ‘Ik ga hen zoeken en terug jagen’. En ook hij schoot weg. Intussen zaten de bok en de ram bij het vuur en keken begerig naar de pap. ‘Nu opgelet broertje,’ zei de bok tegen de ram, ‘eerst eten we de pap op en dan nemen we de be­nen’.
De wolven hadden elkaar in het veld teruggevonden en begonnen na te denken. En de eerste, hersteld van de schrik, vroeg ver­baasd: ‘Broeders, waarom hebben wij ons door een ram en een bok bang laten maken? Kom mee, we gaan ze verslinden, die duivels­kinderen!’ De bok en de ram echter hadden de pap opgegeten, het vuur verlaten en wa­ren het bos ingegaan. Daar vonden ze een ge­weldige eikenboom, waar ze in klommen om zich te verstoppen.
De wolven volgden hun sporen en vonden de eik. Ze gingen er onder zitten om te beraad­slagen, hoe ze de bok en de ram konden in­halen. Maar toen één van hen omhoog keek, ontdekte hij hun vijanden tussen het groen! De moedige bok was op de hoogste tak geklommen, doch de bange ram zat een eind daaronder tegen de stam gedrongen. De wolven zeiden tegen hun grootste broe­der: ‘Jij bent de oudste, jij kunt wel een mid­del verzinnen om hen naar beneden te laten komen’. De oudste wolf ging onder de eiken­boom liggen en dacht na. En daarboven zat de ram op zijn tak te bibberen van angst. Het bibberen werd steeds erger – tenslotte kon hij zich niet meer houden en viel omlaag, bovenop de wolf. Maar de bok verloor niét zijn tegenwoordigheid van geest. ‘Vlug, vlug, geef die grootste maar aan mij!’ schreeuwde hij en liet zich hals over kop op de twee andere wolven vallen. Alle drie de wolven sprongen doodsbenauwd overeind en renden weg, of de duivel hen op de hielen zat!

Carnaval
Onlangs was het carnaval, ‘het feest van ver­mommingen.’ Hoe onherkenbaarder men zich inhulde, des te groter was de verrassing wie er tevoorschijn kwam aan het eind van het feest. Carnaval – een feest van in-hullingen en ont­-hullingen. Achter dat kleine aapje, dat met zijn graaihandjes zich alles tracht toe te eige­nen, bleek een bedeesd meisje te zitten en achter het masker van die grote domme reus kwam een scherp getekend, intelligent ge­zicht tevoorschijn. Eigenlijk hullen we ons dagelijks in vermommingen en het is een le­venskunst om deze bij anderen, maar ook bij jezelf, te doorzien. Zou het carnavalsfeest een hulp zijn om dat met vreugde en humor te leren.

Het sprookje begint met het verbreken van een verbinding: de ram en de bok worden uit huis gejaagd. Hoe nu? ’t Zijn toch huisdie­ren? De man en de vrouw zien dat kennelijk niet zo, voor hen hebben deze dieren geen functie. ‘Ze eten maar…’ Ja, een bok en een ram kunnen geen melk geven en geen jongen krijgen – de wol is blijkbaar onbelangrijk. Ze willen ook best hun vrijheid; ze gaan er van­door. Maar het zijn nog prille wezens op zo’n tocht, ze zijn nog niet eerder van huis ge­weest. Ze naaien een reistas om hun ervarin­gen in te stoppen. Daar is de eerste al: een wolfskop. Kennelijk weten ze er vaag iets van, want ze herkennen het boze dier. Dat wordt een stuk reëler als daar een echte kop – het wolfsmasker – is.

Nu komen hun eigenschappen aan het licht: elk voor zich zijn ze niet veel, maar samen zijn ze sterk en dapper.Toch willen ze wel bescherming hebben voor het nachtelijk duister, dat hun belagend voorkomt. Het vuur heeft echter geen beschermingsgloed. Het is een begeertevuur dat daar brandt – uit de ogen van de wolven. De wolven hebben weliswaar een masker van onschuld opgezet – het beeld toont geduld en vredigheid, en er is pap – maar wat ze zeggen is anders! On­middellijk speelt de bok daar op in en ge­bruikt het wolvenmasker. Hij weet de ram ook zo ver te krijgen. Het is kostelijk hoe ze nu hun vraatzucht demonstreren. Maar de wolven hebben geen tegenwoordigheid van geest zoals de bok, ze vallen terug op hun andere negatieve eigenschap: lafheid. Die verbergen ze echter achter een keurig masker van overleg. Eén voor één gaan ze er met een smoes vandoor.

Voor de bok en de ram is de weg nu vrij naar de pap; die past ook beter bij deze prille rei­zigers, die de wijde wereld intrekken… Ze blijven echter de realiteit in het oog houden -na het verorberen van de pap verstoppen ze zich. Ze zoeken het ‘hoger op’, in een boom. Hoewel ze het wolvenmasker gebruiken, worden ze zelf geen wolven; ze zijn verheven boven vraatzucht en lafheid.
Deze lafheid heeft de wolven uit elkaar ge­jaagd en hun vraatzucht brengt hen tenslot­te weer bijeen, onder de boom. En nu ge­beurt het. De ram stort neer op het boze, in een mengeling van weerloosheid en kracht, die hier als zwaartekracht werkt, maar voor de wolven ‘sterkte’ betekent. Onmiddellijk weet de bok de situatie op te pakken door wéér het vervaarlijke wolvenmasker te ge­bruiken. Dat is te veel voor de wolven. Ze slaan op de vlucht. De weg is weer vrij. De ram en de bok gaan verder: ze liepen en ze liepen…

In de wereld van de dieren met hun karakte­ristieke eigenschappen zijn heel wat figuren voor een carnavalsvermomming te vinden. Het grappige van bovenstaand sprookje is dat de dieren – de ram en de bok zelf ook weer van een masker gebruik maken en nog wel van dat van hun tegenstanders, die dan telkens voor hun eigen beeld op de vlucht slaan! Het sprookje is uit ‘De Zonneroos’, sprookjes uit de Oekraine, vertaald uit het Duits, uitgegeven door Kluwer, Deventer. Na een gesprek met mevrouw M. Muntz over de oorspronkelijk Oekraïens-Russische versie van het sprookje van Petnikov (uitgave Krim, Simferopol 1966) is de tekst verder herzien.

Else Tideman,’Jonas’ 18 februari 1983

.

Carnaval: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: jaarfeesten

 

78-75

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (1)

.

CARNAVAL ONTMASKERD

Het was in de kersttijd. Ik was in de keuken bezig de avondmaaltijd voor te bereiden. In de kamer waren de kinderen aan het knutselen met papier en karton. De afgelopen dagen hadden ze vele malen gedeelten van het kerstge­beuren gespeeld, geheel volgens eigen versie en regie. Plotseling vloog de deur open en er sprongen twee gestal­ten naar binnen. Het waren de twee oudste dochters van 9 en 10, met grijnzende duvelsmaskers. Ze dans­ten met sluipende slangbewegingen om mij heen, stootten enkele oergeluiden uit en verdwenen toen weer even geluidloos en vlug als ze gekomen waren. Ietwat verbijsterd stelde ik vast dat deze vertoning een nabootsing moest zijn van de ‘duvel van de echte-lien’ uit het Oberufer Paradijsspel, dat door de leraren van de Vrije School elk jaar voor de kinderen wordt opge­voerd. Naast alle lichte gestalten van het kerstspel wilde het donker ook zijn plaats!

Sacrale oorsprong
Wat is een masker? Het is een gezicht dat het eigen gezicht verbergt. Het is de strakke onbewogenheid van een vastgelegde gelaatsuitdrukking, die de beweeglijkheid van het levende men­sengelaat bedekt. Op mysterieplaatsen, bij rituele dansen, bij heilige handelin­gen werden, en worden in sommige culturen nog steeds, maskers gedragen. Groot en indrukwekkend, vaak angst­aanjagend met grote ogen en tanden, en een open mond waar soms een lan­ge tong uithangt. Alsof daarmee uitge­drukt wordt dat er niet met menselij­ke tong gesproken wordt door de per­soon die het masker draagt. In de tweede eeuw voor Christus be­gonnen de Romeinse toneelspelers maskers te dragen, een wijze van aan­kleding die zij, zoals zoveel, hadden overgenomen van de Griekse tragedie­spelers. Deze maskers heetten in het oude latijn ‘personae’, een woord dat afgeleid is van het werkwoord ‘per­sonare’, hetgeen betekent: erdoorheen klinken. Wat moest daar dan doorheen klinken?

Evenals in Midden-Europa het toneel ontstaan is uit de paasliturgie in de christelijke kerken, heeft ook het Griekse toneel een sacrale oorsprong, namelijk de grote Dionysosfeesten die in maart gevierd werden. In Dionysos beleefden de oude Grieken de aarde, die in de lente uit haar winterslaap wordt gewekt tot nieuw leven. De ge­zongen dialoog tussen de godheid en zijn gezelschap satyrs, het koor van bokkengezellen, werd later uitgebreid met meer personen, en ook met ge­sproken tekst. In de aankleding heeft de tragedie (het woord betekent eigen­lijk ‘bokkenlied’) nog lang het sacrale element behouden. De spelers droegen hoge toneellaarzen, een pruik en een masker van linnen. Merkwaardige mas­kers met lange, gestileerde lokken, vaak een ‘wijdingsband’ om het voorhoofd, en een wijdopen mond, zodat de stem van de speler goed hoorbaar was. Door dit alles moeten de spelers er zeer in­drukwekkend hebben uitgezien, niet naar menselijke maar naar goddelijke maat, en dat was ook de bedoeling. Zij waren middelaar, instrument, het bo­venaardse moest door hen heen klin­ken. Zoiets vraagt een opofferen van de eigen emoties, een leren beheersen van de persoonlijke gevoelens, een dienstbaar maken van jezelf aan de ho­gere machten. Ik neem aan dat de spe­lers een bepaalde oefentijd moesten doormaken die te vergelijken is met een inwijdingsweg. Voordat je in staat was de stem van de godheid door je heen te laten klinken, moest je ge­schoold zijn.

Behalve deze jaarlijks terugkerende op­voeringen waardoor de toeschouwers op bepaalde wijze naar hun ziel ge­louterd werden (de zg. catharsis), wa­ren er ook optochten, heilige omme­gangen. Op vele drinkschalen uit ± 500 voor Chr. zijn afbeeldingen te vinden van de Dionysosfeesten in Athene. Daarop zie je het beeld van de god omgeven door wijnranken, in een schip op wielen, dat rondgereden werd tij­dens de optochten. Ook in de Griekse kolonies, zoals Marseille in Zuid-Frankrijk, werden deze feesten ieder jaar in het begin van de lente gevierd, tot in de christelijke tijd toe. En van daaruit maakte de ‘scheepswagen’, de­ze ‘carrus navalis’ zijn zegetocht door Europa, en bleef bewaard tot op de huidige dag in het grote zottenfeest van carnaval.

Een oorspronkelijk godsdienstig feest werd tot volksgebruik. Bij de verbrei­ding van het Christendom heeft de kerk getracht het godsdienstige ele­ment weer toe te voegen aan de hei­dense gebruiken. In de vastennacht om 12 uur klonk de roep: ‘Maskers af!’ en dat betekende het einde van de feestroes. Vanaf Aswoensdag begon de periode van inkeer en boetedoening.
De tijd van het elkaar zinvol in even­wicht houden van carnaval en vasten­tijd is echter voorbij. Het zijn beide ‘holklinkende vaten’ geworden. De maskers zijn afbeeldingen uit de on­derwereld geworden in plaats van uit de ‘bovenwereld’! Herkennen we dan nog iets in dit verschijnsel van verkle­den en maskers, dat ons vertrouwd is? Als we naar kinderen kijken, weten we het weer. Als kind deden we dat graag, steeds weer een ander kleed om, een andere ‘persona’ opzetten. Er zijn kinderen die heel gemakkelijk van de ene rol in de andere overstappen. Bij anderen gaat dat wat moeizamer. Het is of ze proberen de wereld om hen heen vanuit een steeds wisselend gezichtspunt te bekijken, en deze daar­door leren kennen. Zodra er ook nog kleren en hoofddeksels aan te pas ko­men, wordt de overgave aan de rol groter. Vooral in de kersttijd als de kinderen zich met behulp van eenvou­dige gewaden in de gestalten van het kerstgebeuren mogen inleven, bena­dert wat je daar voor je ogen zich ziet voltrekken, de sacrale oorsprong van het toneel. Het past de volwassene om zich dan met heilige schroom ‘onzicht­baar’ te maken. Wie dat niet kan, wie zich innerlijk niet kan terughouden, zal hoogstens een uiterlijk goed verlo­pend toneelstukje zien, maar het won­der gaat aan hem voorbij.

Het masker bezield
Het masker verbergt iets dat ook ver­borgen wil of moet blijven. Jonge kin­deren hebben nog niets te verbergen. Ze hebben nog geen maskers nodig om een ander te kunnen spelen. Het hoofd kan bedekt worden met een muts of een kroon, maar het gezicht blijft open. Het kind is nog direct doorlaatbaar voor ‘andere stemmen’. Vanaf het 10e jaar verandert dat. Het eigen gevoelsle­ven gaat zich ontplooien, en dan is het fijn om je hoofd eens helemaal in een dierenkop te mogen verbergen, of je ogen die je kwetsbare ziel verraden te verstoppen achter een masker. En hoe is het met ons volwassenen? Dragen wij een masker of zijn wij ‘ons­zelf’? En wat is dan dat ‘onszelf’ en in hoeverre is het verwerpelijk om een masker te dragen? In de loop van ons leven kiezen we een bepaalde vorm van werkzaamheid, een bepaald ‘be­roep’ in de ruimste zin van het woord. Dat beroep, die werkzaamheid vereist een bepaald gedrag, en in het begin kan de poging om zich dat gedrag ei­gen te maken nogal overdreven aan­doen en zelfs enigszins komisch werken. Het nieuwe kleed past nog niet zo goed, en het gewichtige gezicht is nog zo onwennig. Het hangt dan van je ei­gen wil tot ontwikkeling af of je dat ‘masker’ dat je ook als een soort be­scherming draagt, langzamerhand kunt bezielen, van binnenuit tot leven weet te brengen. Dat is een lange weg. Het kost immers vele jaren van ons leven om de grote menselijke deugden tegen de verdrukking in te ontwikkelen. Ie­dere dag kent zijn nederlagen en over­winningen wat dat betreft. Maar dan blijkt in bijzondere levensomstandig­heden of het iemand gelukt is om zich aan het masker te ontwikkelen, al of niet bewust. Want dan pas merk je of je staande blijft, als het beschermende masker af gaat.

Marieke Anschütz,  ‘Jonas’ 8 februari 1980.
.

Carnaval: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldjaarfeesten
.

77-74

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – Driekoningenspel regie-aanwijzingen

.

Op 8-9-1979 werden de volgende aantekeningen gemaakt:

Regie-opmerkingen Driekoningenspel in chronologische volgorde.

De Kompany komt op en blijft, vóór een witte achtergrond, voor de banken staan.
Mej. Noor Gerretsen*: de Duivel geeft dan aan wanneer je moet gaan zitten, zodat dat tegelijk gaat

De Engel komt naar voren om het voorwoord te zeggen en daarna gaat ze rechts voor staan met de ster, zodat die Koningen dáár komen te zitten.

regie-aanwijzingen driekoningenspel1

De Duivel,  de toneelknecht,  zet de (10-1-1976: blauwe) koningstroon neer en daar gaat eerst de rode Koning Melchior (10-1-1976: bruin haar) op zitten en die doet zijn woordje.(10-1-1976: hij kijkt door de verrekijker. De Duivel kijkt verkeerd om door de verrekijker, en neemt de verrekijker mee). Op het moment dat in de tekst gezegd wordt ‘oock doet sy nieuwers stille staon’, dan gaat de ster  bewegen en dan loopt de Engel over en dan bij “doch sneller ende sneller rontsomme gaon’,  gaat ze nog een beetje sneller, dan staat ze dus daar.

Dan is die Koning uitgesproken, die gaat weg, uitgenodigd door de Pagie (10-1-1976: lichtblauw met gele voorschoot, op witte kousevoeten). Je hebt dan eerst nog Viligratia, die is ook nog bij hem geweest, die gaan dus samen weg: dan is het toneel even leeg, behalve dat de troon er nog staat. De Engel gaat weer terug, zodat ze voor de volgende Koning weer op de goede plaats staat, ze blijft hier dus op en neer wandelen. Dan komt de volgende Koning, en die zegt ook: ‘Nae Betlehem doet het gestarnt ons wysen’, dus dan gaat de Engel weer en even éérder natuurlijk hê, zodat hij dat kan zeggen, en de Engel staat nu ook daar, totdat koning Balthasar is uitgesproken. De (10-1-1976: blauwe koning met wit haar) gaat niet direct zitten. Dat is ook wel interessant, dat  Balthasar eerst blijft staan, dan komt de zin ‘gelyck myn hofstoet my heeft an geseyt’, en dan pas gaat hij zitten (staande kan je niet zo goed nadenken, zeker als koning niet), en dan zegt hij: ‘O, nimmer en hoordic, veur ofte nae’. Goed. die is dan ook weg, de Pagie heeft hem daartoe uitgenodigd. De Engel gaat dan weer op haar oude plaats staan. En dan komt de derde Koning,  Kaspar (10-1-1976: groene Koning met zwart gezicht en rode lippen), en Kaspar zit helemaal niet, die doet alles staande.

Veltman*: weet je dat zeker, Noor. ik dacht dat hij ook op het eind nog even ging zitten.
G: bij: ‘Sy soeken alder weghen mit groot misbaer offet oock ieuwerinc te vinden waer’, ja, daar kán hij bij gaan zitten, ik meen dat dat wel eens gebeurd is (opmerking van de notulist: op 10-1-1976 ging hij inderdaad zitten), maar de laatste koning die we gehad hebben, deed dat niet.

G. schreef op 27-10-1979 aan de notulist:
De laatste jaren werd Kaspar steeds door dezelfde persoon gespeeld. Ik meen. dat het niet nodig is dat hij gaat zitten, maar er is volstrekt geen bezwaar tegen het wel te doen.
Hij moet dan gaan zitten bij:’ Wat efter salt geschenck end offer syn’ en weer opstaan bij: ‘Mit alsulck offer willic tot hem gaen.’

V.: maar de troon staat er dan voor noppes.
G: nou. dat hindert toch niet.
V: op het toneel mag nooit iets voor noppes staan.

G: hier verplaatst de Engel (zich) niet, want wat de Koning zegt, dat komt daarvoor niet in aanmerking. Zij gaat dus,  nadat de Koning naar de plaats is gebracht door de Pagie, ook terug. Dan haalt de Duivel de troon weg. Dan komt de 1ste ommegang (nr.1).
Die moet gelopen worden in de vorm van een lemniscaat en dat is niet zo gemakkelijk. De Engel voorop. ‘Der wysen starre blinckt ons claer’ .

regie-aanwijzingen driekoningenspel5

Vraag: komt er ook een kruising tot stand ?

V.: nee nèt niet, dat is te moeilijk voor leraren, dat kan niet. Advies uit de zaal: de Engel moet de eerste lus sterk uitbochten naar voren, dan komt het altijd goed, dan heb je geen kruising. Als je de lemniscaat plat maakt, loopt het mis. Het zou echt wel leuk zijn om eens zo’n kruising te proberen. V: daarvoor moet je eerst de leraren eens een paar jaren euritmie laten doen.

V: de Schriftgeleerden, die komen, en nu is het mooie dat het niet helemaal klopt, want als de goede afdeling op tijd is aangekomen, zijn de Schriftgeleerden er nog niet helemaal: die sloffen dan nog eventjes er achteraan naar hun plaats. Dit is dus bij de lemniscaat. De muziek is dan al klaar.

V: de Pagie haalt elke Koning af vóór deze opgaat: de Pagie staat op, maakt een buiging, maar niet dan nadat de vorige koning is gaan zitten G: dat kan ook bijna niet, want de Pagie staat naast de troon van die Koning: die Koning gaat weg en de Pagie gaat er achteraan, dan zijn ze terug, en dan beginnen ze met de volgende.

Jo Hass schreef op 16-11-1979 aan de notulist: De Koningen gaan langs de kortste weg van de troon naar hun plaats terug.

Vraag: en buigt de Pagie ook als die Koning daar weer zit, nog als groet ? Antwoord: nee, de Koning staat op, en de Pagie gaat daar weer direct achteraan. V: wat er werd gezegd (zie boven) over “daartoe uitgenodigd door de Pagie, dat geldt voor het opstaan dáár.

Vraag van de notulist: hoe lopen de Koningen hier ? Antwoord: alle drie Koningen links van de troon op rechts van de troon af:
regie-aanwijzingen driekoningenspel2

G: na deze ommegang nr.1 begint de Engel met dwars over het toneel nu links te gaan staan. Daar zijn achtergebleven, of achtergebleven ja, dat zijn altijd gewoon van die technische dingen: als je dus op een toneel blijft, dan moet er soms iemand van het toneel af om op te komen: dus na deze ommegang gaat de staart met Kaspar aan de linker kant af, Balthasar loopt achter het doek om en gaat rechts achter staan, zodat nu op het eind alleen Melchior nog over is, en die komt dus met de Pagie niet al te veel naar voren, en dan ziet de Pagie daar dus dat de beide anderen aankomen: Kaspar van links en Balthasar van rechts. Die naderen en dan hebben ze een gesprek.

En dan is het heel mooi, vind ik altijd, om op het moment dat Kaspar heeft gezegd:
‘Dit selve heeft my op de baen gebragt,
dat  hoochelyc een wonder wort geagt,
hier omme wy van herten seere –
mogtet so syn – het vinden begeren’

en dan staat er en dat staat in mijn tekst namelijk niet: de Engel gaat langzaam naar de achtergrond. Maar veel mooier is het en zo heb ik het ook altijd gezien  en daar kom je namelijk eerder toe als het er niet staat, om terwijl Kaspar dat zegt, de Engel al naar de achtergrond te laten gaan, want als zij daar namelijk is en dat antwoord van Melchior tegenkomt op wat Kaspar daar net gezegd heeft, dan is dat: ‘Doch, nu de starre schier verdween’ en dan is die ster namelijk helemaal weg, dan is de Engel inmiddels hier aangeland, en wanneer Koning Melchior dat zegt, doen de Koningen een stap naar voren toe, ze komen wat dichter bij elkaar en dan krijg je namelijk als beeld, prachtig, dat ze daar even volkomen in eenzaamheid staan. Eerst staan ze achter op het toneel niet te dicht bij elkaar, dan verdwijnt de ster, en dan is het zo, ik weet niet of U dat zich kan voorstellen zo, dat ze zo met zijn drieën dan wat dichter bij elkaar wat meer op de voorgrond komen. Vraag: de Engel, die gaat daar echt weer achterlangs ? Antwoord: nee, die gebruikt die hele tekst van de Koningen om in een langzame boog achterom te lopen en die moet dan zorgen – dat is altijd weer moeilijk voor die engelen – dat ze hier aangeland is, wanneer Melchior uitgesproken is en gezegd heeft: ‘of wy in gintser stede welligt niet en vernamen een naeder berigt’

regie-aanwijzingen driekoningenspel6

Engel

dat moet ze secuur uitknobbelen, want dan krijg je nu de muziek van nr.2

“Drie coninghen tyen, de starre veur an”, dan is ze er weer om vooraan te lopen.

Ja, zo duidelijk? Dan lopen ze hier in een driehoek. Dus de Engel loopt zó, en de Koningen voegen zich zó achter haar, en dan wordt de driehoek dus echt keurig zo afgewerkt, en dan kunt U dat pas op het toneel mooi vertonen wat hier netjes is, namelijk dat precies op de regels uitkienen, zodat ze aan het eind van het lied hier staan: “daer bleve de starre stil staen”.
regie-aanwijzingen driekoningenspel8

En dan komt de rest van de Kompany er bij voor nr.3.
De Engel moet dus wèl zorgen dat ze dan niet te ver is, want de rest van de Company moet dan gaan inhalen, want op dat ‘staan’, staat de Engel, maar staat ook de rest van de Kompany en gaat dan bij het volgende lied (nr.3)
Ter tyt Herodis regiment’  de zaal in.

Vraag: dat “Drie coninghen tyen”, wordt dat ook nog eens een keer gezongen nadat de Koningen in Jerusalem zijn geweest, en voordat Balthasar spreekt “Siet an, de sterre gaot veur ons uyt” ?
Antwoord: nee. Vervolg vraag: daar zit een beetje de vraag in: ik heb eens een keer in het spel gespeeld, waarin dit ene lied (nr.2) op die plaats is gezet, omdat natuurlijk vanuit de logica iets niet helemaal klopt: de ster ver­dwijnt, en dan zie je ze even later weer achter de ster aan lopen.

G: maar je moet deze dingen nooit logisch nemen (vraagsteller: nou, dat weet ik niet…), niet al te logisch. Kijk, die Koningen worden natuurlijk toch geleid door de ster en dit lied hoort hier (tekst: pag.5) dus echt, want nu waren ze dus alleen, maar toch, en nou is het mooie: ze zijn in de gesproken tekst de ster kwijt, maar in het lied komt hij weer te voorschijn. En het staat hier echt hoor, hier eerst, oorspronkelijk staat het eigenlijk op deze plaats.

V: het is natuurlijk de overweging, het is niet zo zeer een logische overweging, maar het is omdat natuurlijk toch duidelijk de ster niet naar Jerusalem leidt: de ster leidt naar Bethlehem en daarom kan ik begrijpen dat je dit zo doet, maar ja, het staat er sinds mensenheugenis echt op deze plek, en niet op een andere plaats. Vraag (vervolg): nu ja, het is ook volgens mij zo, dat de Koningen tegenover de Herders toch inderdaad wel de denkkrachten meer vertegenwoordigen en het is ook vanuit hun eigen denken, dat ze op een gegeven moment tot het besluit komen: kom, laten wij naar Jerusalem gaan.

G: ja, maar ze komen op die gedachte doordat ze de ster zien, want die ster zien ze dus alle drie.

V: ja, want je zit er dan trouwens nog mee: hoe krijg je de Koningen dan weg van het toneel als je dat niet met dat lied doet, want die moeten weg, want dan komt Herodes, hoe krijg je ze dan weg, als je dat lied (nr.2) daar overslaat ? G: ja, maar er komt nog een ommegang (nr.3), dus het is mogelijk om het zo te doen: ‘Ter tyt Herodis regiment’ komt er nog achteraan en dat is juist het moeilijke he, die aansluiting. V: ja, ik geloof dat het daar moet blijven, hoor, compositioneel gezien: hoe dat driekoningenlied aansluit met ‘Ter tyt Herodis regi­ment’, met die hele profety daar, dat is onverbreekbaar verbonden. Dat lied nr.2 wordt dan misschien nog eens herhaald, dat is een mogelijkheid, maar op die plaats horen nr.2 en nr.3 helemaal bij elkaar.

V: mag ik daar één opmerkinkje over de tekst van nr.3 maken. Omdat er meestal niet zo veel Latinisten onder de collega’s zijn, wordt dat vaak zó gezongen: ‘Ter tyt Herodes’ regiment’, maar er staat ‘Herodis regiment’, dat is de genitivus van Herodes. Het is juist wel leuk dat er nog op enkele plaatsen alleen in dit spelstukje te herkennen is, namelijk ook in dat ene lied, dat die spelen eigenlijk uit de liturgische Latijnse drama’s zijn ontstaan, al is het wel het laatste restje. De Koningen zingen op een goed moment in het Latijn, en dit is óók een stukje Latijn, maar goed, zoals je ook Christi geboorte zegt, dit is ook Latijn, dus: Herodis. Let maar eens op als u met Uw groep dit zingt: dus niet Herodes'(met komma), maar Herodis, Opmerking uit de zaal: die Latijnse resten vind ik toch beslist niet mooi in het Nederlands.
V: o, maar dat is een andere kwestie, maar dan ga je dus aan de vertaling van mej.Bruinier tasten: daar moeten we dan een andere bijeenkomst over houden. Zo lang we die tekst van haar nog gebruiken, G: en ik hoop dat we die nog heel lang mogen gebruiken…), is het Herodis.    (gelach)

G: dus die ommegang nr.3 is voorbij en iedereen zit op zijn plaats en de Duivel zet dan de (10-1-1976: rode) troon van Herodes klaar.

Mevr.v.d.Kroef: zouden we dan niet even noemen, dat nu tot dit stuk soms Viligratia ook de Lakei speelt en dus dan ook af moet bij die ommegang ? Zo niet, is het geen punt, als je spelers genoeg hebt.

G: maar dat is al eerder gebeurd dan: dan verdwijnt Viligratia bij de lemniscaat en die (speler) komt nu dan weer terug als Lakei.

V: is dat ook duidelijk voor iedereen, dit punt ? Ik weet niet hoe dat komt, het is waarschijnlijk ook uit die Oberuferer traditie, want daar hadden ze ook voor bepaalde rollen maar een beperkt aantal spelers: God-Vader speelde altijd de rode Koning, zodat dus de Lakei en Viligratia door dezelfde persoon wordt gespeeld. Het hoeft niet, natuurlijk niet, maar wij hebben het hier altijd wel gedaan. En dan moet  Viligratia, die moet al even eerder met de lemniscaat-doorgang weg en die moet zich verkleden, die moet een andere pruik op zijn hoofd en die moet een beetje anders geschminkt en dan voegt hij zich bij deze laatste ommegang (nr.3) weer in.
Vraag: alle spelers zijn zichtbaar, geeft dat geen spanning: Viligratia is er niet meer, vraagt de argeloze toeschouwer zich niet: heb ik Viligratia nou gezien ? Antwoord G: heb je hem ooit gemist ? Antwoord: nee.

Vraag Jo Hass: mag ik iets vragen dat met een trekje in het stuk heeft te maken: die muts of hoed, die Viligratia draagt, die heb ik al eens gezien met de planetentekens er op, is dat fout ?
G: ja, dat heb ik ook wel eens gezien. Die Sinterklaasmuts is wel aangegeven, maar die tekens, ik geloof eerlijk gezegd dat die er eens afgegaan zijn, want die zijn er dan opgeplakt (geweest), en toen heeft een welwillend iemand, die het zielig vond dat ik dat dan ook nog weer moest doen, die heeft er wat opge­plakten die heeft er wat anders opgeplakt, (gelach)

Jo Hass: ja, ik vraag het daarom, omdat ik het hier niet zag, ik dacht, hangt het samen met:    “Ghenadighe coninck, dit sy van my verre , .
Doch willic de profeten consamaneren                 (tekst pagina 2)

dus hij wil dat eigenlijk niet. Dus die achtergrond heb ik er achter gezocht.

Veltman: nee, hij is niet meer helderziend, hij kan het niet meer zelf zien, hij leest het uit de boeken. Tineke, weet jij daar iets over ?

Tineke Witvliet: in Stuttgart hebben ze ook die Sinterklaasmuts, die mijter, maar met een spiraal die naar binnen toe gaat, een inwikkelende spiraal. Volgens Frau Berthold is dat een “Angabe”.

G: schreef op 27-10-1979 aan de notulist: Over die tekens op de mijter ben ik niet zeker. De zogenaamde “Angaben” van Frau Berthold lijken mij soms wat  “fragwürdig” !

V: het lijkt me inderdaad zeer de vraag of die planetentekens juist zijn, ik geloof dat het niet moet.
G: we hebben wel eens zo’n spiraal opgeplakt, maar die is er afgegaan en toen hebben we er iets anders opgezet, maar dat lijkt niet op een planetenteken, dat is zo maar iets.

Tineke: in Stuttgart is het hele costuum van Viligratia anders. V: o, vertel eens, dat is leuk.
Tineke: het is zwart, het is net een schilderij van Rembrandt: een grote witte plooi­kraag, zwarte kuitbroek met zilverkleurige knopen en ook zwarte schoenen met zilver­kleurige gespen, dus echt een geleerde. En wel die muts.

G: in Stuttgart, daar waren heel wat vreemde dingen bij voor mij. Tineke: Jozef heeft een heel grote hoed op.
G: ja, bij voorbeeld En een zespuntige ster op de Madonna-ikoon. Daar moet er helemaal geen zijn:

Kleuren van de  Madonna-ikoon in Den Haag
Maria heeft een blauw boven­kleed met een lichtgele zoom ter hoogte van schouders, ellebogen en enkels. Haar onderkleed, zichtbaar boven de enkels en bij de linker pols, is lichtrood. Het kind heeft lichtblauwe ogen, en is gekleed in de zelfde kleur als het onder­kleed van Maria: lichtrood. Het heeft iets geels (boek?) in de linker hand. Beide hebben donkergeel haar.

V: je ziet het, zó zie je het, zo zie je maar eens: wij moeten dat gewoon alle­maal kiezen hè (Ruud Gersons: als je maar je eigen achtergrond hebt), maar het be­roerde is-: wij kunnen hier tenminste nog vrij duidelijk aangeven van wie we de dingen hebben, en dan kun je daar natuurlijk, aan die bron kun je gaan twijfelen, maar er zijn ook meningen van mensen, die beweren dat het van Herr Doktor komt, en dat gelóóf ik vaak helemaal niet hè, dus dat is het moeilijke hè, je kunt dat iemand niet in zijn gezicht zeggen.

V: goed, gaan we verder met de boze afdeling, met Herodes. Klopte de knots van Herodes (met Stuttgart) ?

G: die knots heb ik niet meegenomen. Tineke: die scepter ? Veltman: die scepter, met zo’n burchtje erop, met die kantelen. G: ja, dat klopt wel.    (gelach)

regie-aanwijzingen driekoningenspel3

V:  Herodes zit dus hier (10-1-1976: Herodes met rode mantel, zwart gewaad, zilveren ketting, gouden kroon, gaat zitten bij ‘ende op de hoochste plaats geset’. De Duivel heeft de (10-1-1976: rode) troon daar nu klaar gezet en die mag daar met die troon natuurlijk iets meer geintjes maken dan bij de Koningen.
Vraag: in het midden ? ik dacht dat die juist aan de zwarte kant moest staan.
V: nee, dat is ook gemakkelijker voor de souffleur, want   Herodes heeft een moeilijke rol.       (gelach)

Vraag: waarom staat de troon in het midden ? Krijgen de Koningen dan straks niet te weinig ruimte, als zij op bezoek komen ?

Antwoord G: je kunt eenvoudig het toneel in drie afdelingen verdelen, dus:

Jozef en Maria                             Herodes                                         drie Koningen

De plek van Herodes is in het midden gewoon, de plek van Jozef en Maria is links, de plek van de drie Koningen is rechts. Vraag: waarom ?

G: waarom, ja hoor eens, je moet mij nooit vragen waarom, ik heb dat zo 55 jaar lang gezien, en dat is genoeg.
Vraag: ja, maar waarom in het midden, ik vind het juist heel interessant, zijn daar gezichtspunten over ?
Antwoord uit de zaal: misschien moet je daarbij overwegen dat Herodes hier toch duidelijk in het middelpunt zit, hij kan naar de goede kant gaan, hij kan ook naar de slechte kant gaan.

V: ik heb nu gehoord de gedachten over hoe het met Herodes zit, maar het is toch duidelijk dat Herodes de tegenhanger is van dat kind dat geboren wordt, dus dat hele drama om zijn persoon gaat, dus dat hij in bepaald opzicht wel een middelpunt­figuur is. Maar zuiver technisch zou het ook niet erg mooi zijn om zó lang deze helft van het toneel leeg te laten.

Harry Polderman: probeer je eens voor te stellen dat je Herodes speelt, en dan daar (= links) moet gaan spelen: je beheerst het toneel niet meer. Als je in het midden zit, zoals nu, beheers je het hele toneel als beeld, maar als je daar gaat zitten…. Veltman (“daar” zittende nu): ‘Bin ick eerst regt op een verbolghen’ (gelach)

G: ik wou zeggen, dat, wat Harry daar zegt voor deze scène, is natuurlijk voor die laatste scène, waar hij dus door de Engel de hellekroon opgezet krijgt, dat is natuurlijk schitterend: dat je dat in het midden speelt, dat kan je niet in een hoekje stoppen.

V: er wordt geklopt en d e Lakei staat dus aan deze kant en die gaat dus kijken, die gaat kijken en die komt dan terug en die vertelt dan de Koning…    moeten we dat helemaal spelen ? Antwoord: nee.

regie-aanwijzingen driekoningenspel7

Vraag: wat is dat voor een man, die Lakei, is hij gewoon wat gek, of ? Mag hij soms wel in die richting geregisseerd worden ?

V: dat is altijd het moeilijke met die Lakei: die mag natuurlijk hier en daar wat, laat ik zeggen, caricaturaal worden aangezet en we hebben hier een soort traditie in die richting, omdat in Den Haag Henri Zagwijn de eerste Lakei was en dat was een koddig mannetje met een gnomig hoofd, zijn opvolger Laffree deed de scepter van Herodes na met zijn duim, Soetekouw maakte er een geniepige gek van, een rotventje, een slaaf met een lakeienziel. Het moeilijke van de Lakei is, dat hij niet gaat schmieren op de uitvoering, en dan daarmee het tragische van Herodes wegspeelt: dat mag niet. Dus niet te dik er boven op leggen, bijv. als hij schrikt van de zwarte Koning, hij moet met Herodes in evenwicht zijn. Zagwijn, Laffree en Soetekouw waren zó kunstzinnig, die schmierden niet.

Opmerking van de notulist: op 10-1-1976 bij Kaspar: ‘brenghenme u kondschap van het kinde’, komt de Engel naar voren. Na de Lackeye: ‘de overpriesters byeen vergaere’ klopt Herodes heftig op de leuning van de troon.

V: de goede, edele Pagie loopt mooi driedelig, maar als de Lakei met zijn mooie kostuum om de Schriftgeleerden roept, komen ze alle drie in hun grijze (10-1-1976: zwarte) kostuum en zij lopen zonder spieren, alleen met botten en pezen, geen enkele beweging mag soepel zijn, ze lopen op hun hakken. De Schriftgeleerden hebben geen ziel, alleen kennis en weten van de letters, het is een luguber stel. Als het grappig is, wordt het fout gespeeld. Als je het goed doet, lachen ze niet in het publiek. Het is echt geen demonstratie van antisemitisme. Ze spreken scherp consonantisch. ‘Heer’ heel   snel herhaald enz.
‘Joetse lant’ wordt uitgesproken als’ joodse land’

Er zijn een aantal uit de traditie overgeleverde dingen:
Bij Kaifas:       ‘Het saat der vroue ( = afstammelingen van Eva) sal der slanghe den kop vermorselen en alt verlorene sal hy weeromme bringhen.’ dan stampen ze op de grond bij ‘vermorselen’, en keren ze zich om bij ‘weeromme bringhen.’

Bij Herodes: ‘myn ryck staet hier in groot gevaor’, dan lachen ze schamper, en maken ze dienovereenkomstige gebaren en als antwoord daarop zegt Herodes: ‘wattic u segghe dat is waor.’
By Kaifas:’‘Heer, so en dorfment niet verstaen als soude u ryck te gronde gaen: een coninck sal hy worden geagt maor niet en heerschen mit conincklycke magt, verwesen sal hy syn ter doot, syn eygenst volleck tot een spot.’
dan steken ze alle drie hun tong uit.

Mevr.v.d.Kroef: speelde onder regie van Ernst Lehrs: hij liet Kajafas gebaren maken met de handen, het zogenaamde “kop afsnijden” (snelle draaiing van spaakbeen om ellepijp en terug !) ter hoogte van de hals: de buik was hem al te laag !

V: bij Herodes: ‘Twaor beter sulx te veure comen dat jonck hem tleven wier benomen,’ daar reageren de Schriftgeleerden niet zo op.
Bij Pilatus: ‘of syt aldus hebben bevonden’ spreken de Schriftgeleerden het laatste woord (steeds) drie maal uit.

Als de Schriftgeleerden in hun papierrollen gaan kijken, rollen ze die horizontaal (!) uit, en lezen ze van rechts naar links, ze houden ze Herodes voor zijn neus.
Als Jonas spreekt: ‘Sy doene allen eenparighlyc weten’, dan spreken alle drie Schriftgeleerden deze 5 regels tegelijk uit: ze schreeuwen ze in zijn oren.

Maar dan schreeuwt Herodes, dat de kinderen het in hun broek doen, z6 geweldig gaat hij te keer, hij eindigt met: ‘maekt u van hier’
(10-1-1976: Kaifas krijgt een schop na).

De Schriftgeleerden haasten zich naar hun bank links achter en vallen met bank en al om. Deze bank moet dus van te voren al los staan !

Na Herodes: ‘op dattic vergiete het kint syn bloet’ is er, achter het toneel (in rood licht) een lach van de Duivel.

Na Herodes: ‘O wee, is neymant soot vermogt ? is geen daor so my by wilt staon ?’ komt de Duivel (listig) binnen, en die houdt eerst een (consonantische !) alleen­spraak, springt om Herodes heen, tikt hem op de schouder als hij juist de andere kant uit kijkt, enzovoort.

Dan Herodes: ‘Van anghsten soudic vast versaeghen.’

Dan de Duivel weer, hij eindigt met ‘dies maekt u op, geen uur gewagt’  en doet dan twee of drie stappen naar links, waarna Herodes hem terugroept.

Als Herodes zegt: ‘Ghesel, op iet bin ick noch bedacht’, komt de Duivel weer dichter bij.

Als de Duivel zegt: ‘wilt ghy oock duyvel syn, so merckts, so merckts:’, dan zegt hij dat twee maal ‘so merckts’ met een hoge, (bijna) piepende stem.
De Duivel staat bij ‘ghy sult ombringhen alle knegtjes kleyn’ achter Herodes, en loopt daarna bij ‘dan doenic laghen in myne vuyst’ van rechts achter naar links voor, en gaat daar dan af.

Bij “Bix Bax” gaat het licht uit. De troon wordt weggenomen.
Bix Bax is een oude toverspreuk. Schroer S.57: Pix = Pech, Hölle ?(hel)

Nu komt de ommegang nr.4, met de Engel voorop.

V: de Koningen volgen de ster = Zarathustra. Het kind is al geboren. De Engel draagt die ster. Dit is het kosmische beeld van de Jonkvrouw met de Ster bekleed: de geest van Zarathustra, die de aarde bezoekt in de persoon van Jezus van Nazareth. Dat staat ook in Jesaja 7:1.

Het is mooi als iedereen bij de laatste regel van nr 4 ‘in Betlehem bleve de star stil staen’, nu ook werkelijk stil staat.

Dan de ommegang nr.5 (10-1-1976: in de zaal): Geboren is in Betlehem’. Daarna gaat de Engel naar links voor, de Koningen staan dan op. De Pagie haalt een krukje voor Maria met kind op arm.

Volgens v.Bemmelen heeft de Engel geen ster op het voorhoofd (zoals in het Kerstspel). Wel heeft Maria een sterrenkroon.

De Koningen zijn de ster nog steeds kwijt: ze zitten in de eenzaamheid.
Kaspar: ‘Verlaet o heer ons nemmermeer !’  is een gebed

Melchior: ‘Welc deuser twee paden macht regte syn ?’: dan zien ze de ster stille staan bij Jozef en Maria. Dan zingt Maria het eerste deel van nr.6.

Vraag Jo Hass: zijn er bij ‘Welc deuser twee paden macht regte syn ?’ vier heffingen met soms één soms twee korte lettergrepen ? Is het ‘Welc deuser twee paden (Den Haag), of  ‘Welc deuser paden’ (Rotterdam) ? antwoord: voor de vraagsteller onduidelijk.
Opmerking notulist: in de Duitse tekst: “Hier san zween weg, wölchs ist der recht ?’ Nu komt het ritueel van de offering.

De Pagie neemt van iedere koning de staf in ontvangst.
Opmerking uit de zaal: in Bergen is het een traditie, gekomen uit de heilpaedagogische instituten, dat de staven omgekeerd gebracht, en ook omgekeerd weggebracht worden.

V: als je een teken omdraait, is dat zwarte magie, ik zou het nooit doen. Tineke: in Stuttgart heeft de blauwe Koning de grootste staf, de staf van de rode Koning past erin, en die van de groene Koning weer daarin, en de knoppen van de staven verschillen ook: tesamen een lotos.

Opmerking notulist (10-1-1976): iedere koning knielt en zet de offergave voor zich neer, de andere twee koningen blijven geknield met handen tesaam.

rode K                                                  blauwe K                                                   groene K

Dan zingt Melchior ‘Psallite unigenito’ nr.6 tweede deel).

Bij het weggaan van de Koningen is drie maal buigen wel aangegeven (bij de Herders niet) . De drie Koningen buigen drie maal tegelijk en gaan achterwaarts. De Pagie komt drie maal met staf en wijst hen de plaats aan.

Mevr.d.Kroef: het bij elkaar zetten van de staven (Christengemeenschap Rotterdam) is mij niet bevallen.

V: dan valt slagschaduw op de Engel, dat is lelijk. Dus bovenlicht !

Na de offering gaan de drie Koningen langs Herodes, maar zij kijken niet naar hem.

Opmerking notulist (10-1-1976): als Jozef spreekt blijft hij achter Maria staan. Het wordt donkerder. Het wordt nacht. De drie Koningen knielen.

Dan komt de nocturne nr. 8. De Engel begint achterwaarts te lopen en als zij slapen (Ic laghe in eene nagt en sliep” ), dan spreekt zij: ‘Ghy heylghe coninghen van oriënt’, dit klinkt van verre. De Engel moet daar ‘etherisch’ spreken.
regie-aanwijzingen driekoningenspel4

Als de Koningen slapen, slaapt Jozef ook.

De Koningen vertellen hun droom en gaan weg met nr.9.

Dan komt de dialoog tussen de Engel en de geknielde Jozef. Jozef en Maria kijken naar voren.

G:   liet, als Maria nr.10 zingt, Jozef opstaan bij ‘Hier om staet op, syt wel gemeyt’ (= weest welgemeend), maar men vond dit destijds te intellectualistisch, je moest niet precies doen wat je zei, en zo..

De Pagie komt (10-1-1976: neemt de offergaven één voor één mee naar links), haalt tenslotte ook het krukje weg en gaat zitten.

Opmerking notulist (10-1-1976): de Duivel brengt de rode zetel van Herodes. Het toneel is verduisterd in rood.

V: de Duivel komt met 1.mandaat, 2.zakje met geld, 3. zwaard.

Bij Herodes (10-1-1976: steeds zeer consonantisch): ‘soo willic om gaon mittet kint.’ fluistert de Duivel hem iets in het oor.

Dan komt de moeilijke ommegang rondom de troon waarin Maria nr.11 zingt: Zij moet steeds frontaal blijven. Belichting: een spot recht van boven op Herodes en iets voetlicht. Als het lied uit is, is Maria achter op het toneel. Het is een vizioen,  dus Herodes fixeert Maria niet: hij kijkt recht vooruit en iets omhoog.

Opmerking notulist (10-1-1976): bij Herodes: ‘Wout ghy my dan verordineren? staat Herodes op, en het licht gaat aan.

V: dan spreekt de Hooftman het mandaat uit. Judas is er bij.

Flink stampen bij het wegmarcheren. Het gevaar is, dat daar om gelachen wordt, maar dat is niet zo erg, als het daarna maar stil wordt.

Opmerking notulist (10-1-1976): Judas protesteert, de Hooftman steekt hem met rood zwaard, brengt hem weg.

Herodes: ‘Siet hier, hooftman, neemter dit sweert’. Herodes geeft het zwaard. Opmerking notulist (10-1-1976): bij de Lackeye:’ ick laot my niet besteken’ (=omkopen) maakt hij het gebaar van geld tellen.

V: dan komen ze terug met in de rechter hand de gedode kinderen. Achteraan op­staan. Dit moeten echt wel popjes zijn, maar niet “naturalistisch op ware grootte’: het kunstzinnige gehoorzaamt aan andere wetmatigheden, het moeten aanduidingen zijn. Een stuk rauwheid zit hier in.

Tineke: Frau Berthold had de poppen in wit en zwart, absoluut niet realistisch. V: het rode tongetje moet uit het Duivelskind hangen.

De Duivel komt op van links, trapt tenslotte het kind dood, en strooit de inhoud als zaagsel over Herodes heen, dat deze natuurlijk niet mag afkloppen. Dan de Hooftman: ‘Coninclyc majesteyt, ic bid om verschoningh’. Herodes wil zelf in Bethlehem gaan kijken. Lackeye: ‘Een appel end een mes bringht haestiglyc dattic myn here laefenis reick.’

V: zie hiervoor Emil Bock: “Caesaren und Apostel” bladzijde 92:

In den Gärten von Jericho, wo der kranke Greis vergeblich nach Linderung seiner Qualen sucht, läßt er sich Apfel und Messer bringen mit der Absicht, seinem Leben ein Ende zu be­reiten. Der Selbstmord wird verhindert, aber bald darauf erliegt er seinen Qualen, während in Jerusalem bereits stürmische Unruhen ausbrechen: die strenggläubigen Juden gehen bilderstürmerisch gegen die Prunkschöpfungen des Herodes vor .
In de tuinen van Jericho, waar de zieke grijsaard tevergeefs naar vermildering van zijn kwalen zoekt, laat hij zich een appel en een mes brengen met de bedoeling zijn leven te be-eindigen. De zelfmoord wordt verhinderd, maar spoedig daarna sterft hij aan zijn kwalen, terwijl er in Jeruzalem al stormachtige onlusten uitbreken: de strenggelovige Joden gaan als beeldenstormers tekeer tegen de pracht en praal van Herodes.
 Schroer S.58  Hat der Apfel tiefere Bedeutung? der Tod bringende Apfel Adams? Heeft de appel een diepere betekenis? De dood brengende appel van Adam?

De Engel komt tegelijk op met de Hooftman ,en zingt nr.12:
‘Herodes, Herodes, ghy snoode tiran’
Zij staat daarbij op een kleine verhoging achter de troon.

Jo Hass schreef op 16-11-1979 aan de notulist: Daarvoor moet de Duivel zorgen, als hij Herodes’ troon voor de slotscène klaarzet.

Bij Herodes: “dies heeft den duyvel my ten val gebragt’: laat de Hooftman de geldzak vallen.

By Herodes: ‘nu vaer ic henen in Abrahams hof.’ valt zijn hoofd achterover en de kroon valt, hij grijpt naar zijn hart. Duisternis.

V: de Engel zet hem de “helle-croon”, de kroon met vlammen op: het oerbeeld van de clownsmuts. De Engel heeft deze kroon achter een bankje.

Opmerking: op de VPA niet: de Engel zegt het tegen de ‘hellegheesten’, en die doen het.

Opmerking Jo Hass: in Rotterdam geeft de Duivel de kroon aan de Engel.
G schreef op 27-10-1979 aan de notulist: Wanneer de Engel zelf de helle-croon meebrengt, moet deze gedurende het hele spel ergens onzichtbaar binnen haar bereik staan.

Dan spreken Hooftman, Lackeye en Krygsknecht tesamen: ‘Wat baet de hoghe troon, wat schepter ende croon, schepter en regiment,  tgaet alles ras ten end.’
Dan gaan ze weg.

De Duivel komt: ‘Buckt u Joostjen, buckt u,’, alsof hij tot een mede-duivel spreekt.
En later de Duivel: ‘Wagt, efkens sien of ghe oock swaor syt.’

De ziel van Herodes is héél licht, weegt bijna niets. Hij gaat jammerend af.

Dan komt de passage met de Hooftman: ‘Ach, wat heeft myn heer coninck bedreven.’ Deze tekst, met het zich ophangen en verdrinken, heeft eenzelfde inhoud als het tweede optreden van de Duivel in het Paradijsspel.

De Hooftman doorsteekt zich en valt in de troon van Herodes, dat wil zeggen hij neemt het karma van Herodes op zich, het is een zeer positieve zelfmoord. Deze Hooftman is zijn geweten nog niet kwijt.

De Romeinen deden de verschrikkelijkste dingen, maar er was ook een hoofdman over honderd (Marcus 15:39), die zei: ‘Waarlijk, deze Mens was Gods Zoon’. Zeer indrukwekkend.

De Duivel moet nu snel alle spullen opruimen.

In de ommegang nr.13 loopt Herodes als een slappe, uitgebluste veroordeelde er achteraan.

Opmerking notulist (10-1-1976): de Duivel houdt Herodes (zijn buit) in de kraag vast. Slotwoord van de Engel en buigen.

Vraag Jo Hass: waarom is het in nr.13 Jesu den Messias en niet Christus den Messias .Antwoord: voor de vraagsteller onduidelijk.

Opmerking notulist: in de Duitse tekst staat: ‘Seid fröli und jubilieret, Christus dem Messiä, (maar in de muziek van van der Pals staat  ‘Jesu den messias’

Vraag: over de kleding van de Koningen.
G: de Koningen zijn met niets zo aan te kleden, dat ze worden wat ze zijn. Crêpepapier met kleurige belichting is werkelijk erg mooi, anders wordt het niets.
V: het geestelijke wordt daardoor juist versterkt: van de Koningen gaat dan iets uit als van een andere wereld. Het is een mooie vondst, want hoe durf je zo iets te doen ?

Mevr.v.d.Kroef: volgens Ernst Lehrs waren de Hooftman en de Lackeye twee uitgetreden zielekrachten van Herodes in het extreem: Hooftman: het bloederige, brallerige.
Lackeye: het slaafse, onderdanige, strebe­rige.

V.: je kunt dit op verschillende niveaux bekijken.

Jo Hass schreef op 16-11-1979 aan de notulist: De ‘lichte” en de “zwarte’kant tellen beide acht spelers:
Licht: Engel, Melchior, Balthasar, Kaspar, Pagie, Viligratia, Maria, Jozef. Zwart: Herodes, Lakei, Hoofdman, Soldaat, drie Schriftgeleerden, Duivel.

Jo Hass schreef op 16-11-1979 aan de notulist: Na de aanbidding door de Koningen en het wegtrekken van Jozef en Maria naar Egypteland, komt de waanzinscène van Herodes gevolgd door diens ondergang. Dat is een lang stuk, waarbij men moet oppassen, dat dit deel niet gaat overheersen in het spel. Zowel de regisseur als de gehele Kompany moeten  hierop bedacht zijn. Het gaat om de aanbidding door de drie Koningen.

Heinz Muller citeert in “Spuren auf den Weg” op blz. 54 Karl Schubert:
In Erinnerung an diese herrliche Zeit und an meinen Freund Karl Schubert seien hier einige Worte aus seinem Aufsatz in den „Mitteilungen* Nr. 6/1948 angeführt:
‘Wer immer beim Erleben der Weihnachtsspiele Freude und inneren Reichtum ge­winnt, der möge daran denken, daß diese Spiele nur eine literarische Tatsache der wissenschaftlichen Welt geblieben wären, wenn sie nicht durch Rudolf Steiner, der in seinem Lehrer Karl Julius Schröer den literarischen, wissenschaftlichen, lie­bevollen Behüter der Spiele kennengelernt hatte, zu neuem Leben erweckt worden wären. – Wenn man sie spielt, so sollte man sie im Dialekt und ohne jede Pathetik schlicht, einfach und würdig spielen. Man bedenke, was es heißt und was es be­deutet, daß solch ein Mensch wie Dr. Steiner trotz der vielen Arbeit sich die Zeit nahm, die Spiele selbst einzustudieren. Daher gehe man als Spieler und als Zu­schauer so an die Spiele heran, daß man in Dankbarkeit an Dr. Steiner denkt, der etwas von seinem Wesen den Weihnachtsspielen gegeben hat.’
In herinnering aan deze heerlijke tijd en aan mijn vriend Karl Schubert laat ik hier een paar woorden uit zijn artikel in de ‘Mededelingen’nr.6 1948 volgen:
‘Wie steeds bij het meemaken van de kerstspelen vreugde en innerlijke rijkdom ten deel valt, zou daaraan kunnen denken, dat deze spelen slechts een literair feit van de wetenschappelijke wereld zouden zijn gebleven, wanneer Rudolf Steiner, die in zijn leraar Karl Julius Schröer de literaire, wetenschappeliijke, liefdevolle beschermer van de spelen had leren kennen, ze niet tot nieuw leven gewekt had. Wanneer men ze speelt, dan moet men ze in het dialect en zonder pathetisch te doen, heel eenvoudig en waardig spelen. Denk eens in wat het betekent dat een mens als Dr.Steiner die ondanks zijn vele werk, de tijd nam om de zelf spelen in te studeren. Vandaar dat men als speler en toeschouwer zo naar de spelen zou moeten kijken dat men in dankbaarheid aan Dr.Steiner denkt die iets van zijn wezen in deze Kerstspelen gelegd heeft.’

*Noor Gerretsen, in het verslag afgekort G
Wim Veltman, in het verslag afgekort V

Kerstspelen – Driekoningen: alle artikelen

Kerstspelen: alle artikelen

Jaarfeesten: Driekoningen: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Driekoningenalle beelden

 

76-73

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – Herdersspel -Crispijn

.

CRISPIJN
Crispijn, de vierde herder in het kerstspel, is blijkbaar een moeilijk te begrijpen figuur. Ik* ontmoette, in voor mij chronologische volgorde, de volgende opvattingen:

K.J.Schroer(1858) [1]

Es folgt die schöne Szene der Opferung und am Schluß das Auftreten eines vierten Hirten, der in seinem ganzen Wesen etwas rätselhaft ist, wenn auch schon in der Legende die Hir­ten einmal drei, einmal vier sind. Vielleicht stellt er nichts andres dar als den törichten Hirten, der, für die hehre Er­scheinung unempfänglich, nichts geträumt noch gesehen hat. Crispus kömmt in einem Schafpelz, den er umgekehrt mit der rauhen Seite nach außen um hat, ebenso ist seine mit Schaf­pelz gefütterte Mütze umgekehrt. Er geht immer gebückt und sucht sich im Pelz ganz zu verkriechen. Also eine vermummte Rauhnachtgestalt. (Merkwürdig ist, daß das Rauhe auch im lateinischen Namen schon angekündigt ist; etwa ein männ­licher Allerleirauh?) In verschiedenen Gegenden Ungarns kommen am Heiligen Abend Hirten singend in die Häuser, vier, fünf und mehr. Einer unter ihnen hat einen Strohgürtel um und unterscheidet sich durch schlechte Kleider. Der legt sich auf den Boden und wird von den andern mit den Hirten-Stäben wie mit Hebeln aufgehoben. Er heißt Kubo. Ist das unser Crispus? Ist es der Wintergott, der auf die Beine kommt?

Na de mooie scene van de aanbidding komt  op het einde nog een vierde herder op, die naar zijn hele wezen wat raadselachtig is, ook al zijn in de legende de herders wel met z’n 3-en of 4-en. Misschien stelt hij niets anders voor  dan een onnozele herder, die voor de indrukwekkende verschijnselen niet open stond, niets gedroomd, noch gezien heeft. Crispijn komt op in een schapenvacht, die hij omgekeerd, met de ruwe kant naar buiten draagt, net als zijn met schapenvacht gevoerde muts die ook binnenstebuiten zit. Hij loopt steeds krom en probeert zich helemaal in zijn vacht te verstoppen. Dus een vermomde figuur tijdens de 12 heilige nachten optredend  (Rauhnachtgestalt)
(Merkwaardig is, dat het ruige ook in de Latijnse naam al aangekondigd wordt; iets als een mannelijke Allerleirauh=Bontepels.
In verschillende streken van Hongarije komen op de heilige avond herders zingend de huizen binnen, vier, vijf en meer. Een van hen heeft een strogordel om en onderscheidt zich door zijn slechte kleding.
Hij gaat op de grond liggen en wordt door de anderen met de herdersstaven als hefbomen opgetild. Hij heet Kubo. Is dat onze Crispijn? Is het de wintergod die overeind komt?

Figur 8 ** ist der Hirtenknecht Crispus, der ganz vermummt und in Pelz gehüllt, gebückt einhergeht, wahrscheinlich ein Repräsentant der rohen, ungläubigen Heiden. Ein Hirt mit dem «Zippelpelz» kommt auch in andern Weihnachtspielen (selbst bei Slawen als «Kubo») vor. Die mit der Krippe um Weihnachten herumziehenden Hirten in der Slowakei zeigen dem «Kubo» die Krippe und fragen, ob er glauben will; er weigert sich und wird dafür geschlagen. In deutschen Weih­nachtspielen kommt zuweilen ein harthöriger oder törichter Hirte vor, der dasselbe zu bedeuten haben wird. Meine Weih­nachtspiele dürften diesen Zug für die ältesten Zeiten be­urkunden. Sonst erinnert der Zippelpelzträger (namentlich durch seinen Strohgürtel, den er oft vorschriftmäßig trägt) an den Wintergott, wie er in volkstümlichen Darstellungen des Kampfes zwischen Sommer und Winter dargestellt wird.

Figuur 8** is de herdersknecht Crispijn die helemaal vermomd in zijn pels gehuld, gebukt rondgaat, waarschijnlijk een represantant van de ruwe, ongelovige heiden. Een herder met de ‘Zippelpelz’=Zipfelpelz =de ‘jas’ van schapenvacht met slippen, komt ook in andere kerstspelen (ook in het Slavisch)  als ‘Kubo’ voor. De met de kribbe tegen kerst rondtrekkende herders in Slowakije laten aan ‘Kubo’ de krib zien en vragen of hij wil geloven; hij weigert en wordt daarom geslagen. In Duitse kerstspelen komt soms een dove en dwaze herder voor, die dezelfde betekenis zou hebben. Mijn kerstspelen kunnen deze trek voor de oudste tijden met oorkonden staven. Anderszins herinnert de drager van de schapenvacht (namelijk door zijn strogordel die hij dikwijls overeenkomstig de voorschriften draagt) ons aan de wintergod, zoals hij in volkse voorstellingen de strijd tussen zomer en winter verbeeldt.

Ir J.van Wettum, in brieven aan mij* dd 24-12-1977 en 14-2-1978:
Ik heb al enige keren tegen de spelers gezegd, dat ik meen, dat Chrispijn sterk verbonden is, ja, min of meer representeert wat men mag noemen “de groepsziel” van die oude herders, in hun natuurverbondenheid en daardoor oude wijsheid.
In de opbouw van dit kerstspel is toch te beleven hoe dit slot op de (toenmalige?) toehoorders en toeschouwers moet werken als die slotzinnen, die drie maal in de “Grondsteenspreuk” aan het eind van elk derde deel klinken: “Das hören die Elementargeister in Ost, West, Nord,Süd: Menschen mögen es horen”.
Chrispijn heeft “beleefd” wat er gebeurd is, maar op die atavistische wijze. Hoe komt de mens tot een persoonlijk beleven? Vandaar de vraag: “Hoe veer ist wel?” en het antwoord: “Tot gher bent!”

Rudolf Steiner heeft eens gezegd, dat die boeren, die deze oude spelen gezien hadden, naar huis gingen met de min of meer bewuste vraag: “Bin ich ein Wirt oder bin ich ein Hirt?” (ben ik een waard of ben ik een herder)  Zou niet een nog diepere vraag bij het beleven van deze spelen opgeroepen worden, ongeveer zo: “Hoe lang is de weg tot ik de ontmoeting met dit goddelijke kind mag hebben?” In woorden gebracht: “Hoe veer ist wel?” En is dan niet het enige ant­woord: dat hangt van je zelf af, hoe veel je er aan doet, de eigen inspanning, de heilige wil, enz.enz., samengevat in het simpele antwoord: “tot gher bent!”
Door dergelijke overwegingen krijgt deze slotfase van het Kerstspel zo’n duidelijke zin en betekenis. En dan is het pijnlijk, dat er min of meer een parodie van gemaakt wordt, die afbreuk doet aan de gaafheid van dit spel.’

Wat Chrispijn betreft, daar schreef je zelf al het antwoord. Ik drukte het wel eens zo uit, dat hij nog zo verbonden is met de “herders-groepziel”, misschien beter
een­voudig gezegd: nog een meer atavistische verbondenheid met de geestelijke werkelijk­heid heeft, dat hij daardoor inderdaad in de wereld van de “omkeringen” leeft. Voor de moderne mens is hij simpel. Zelfs het Nathanische Jezuskind zou voor moderne be­grippen een achterlijk kind geweest zijn, zegt Rudolf Steiner. Hij leeft nog zo sterk in die andere wereld, dat hij “doof” is voor de woorden hier, althans hardhorend. Die pelsvacht is voor hem toch de bescherming tegen alle ongemakken van de aardse omstandigheden. En zo is er meer.

Elise Schulz, Haussmannstrasse 44, Freie Waldorfschule, Uhlandshöhe, 1) 7000 Stuttgart-1, in een brief aan mij* dd 31-8-1978:

‘Mir ist es sehr interessant, was Sie von Herrn van Wettum schreiben, wie er den Crispus auffaszt»
Ich erlebe den Crispus als eine Gestalt, die zu spät kommt, im rechten Augen­blick nicht f,zur Stelle war”, auch für eine Gabe nicht vorbereitet war, der Vierte» Drei kamen zur rechten Zeit» Es sind auch drei Könige, die hellen, erleuchteten; der vierte Konig Herodes, der Finstere» In Goethes Märchen sind es auch Drei und der Vierte zusammengesetzt» Im Mysterienspiel sah ich auch eine Entsprechung im Retardus» In der Tempelszene sinkt er in sich zusammen.
Crispus schüttelt immer den Kopf, noch beim Gesang; er kann das grosze Geschehen nicht fassen» Die Frage: “ís es wait dohin?”, Antwort: “Bis d’hikummst” besagt schon: “es hangt von dir selber ab”» Diese Schluszszene gibt ein Bild: wieviel von Crispus hat jeder in sich?

Ob Sie mit meiner Antwort einverstanden sind?

Voor mij is het erg interessant wat U over de Heer van Wettum schrijft, hoe hij Crispijn opvat.
Ik beleef Crispijn als een figuur die te laat komt, op het juiste ogenblik niet ‘ter plekke was‘ ook niet voorbereid op een geschenk, de vierde. Drie kwamen er op tijd. Er zijn ook drie koningen, de helderen van geest, de verlichten; de vierde koning Herodes, de duistere. In Goethes sprookje [2] zijn er ook 3 en de 4e. In het mysteriedrama [3]  zag ik iets overeenkomstig bij Retardus. In de tempelscene stort hij in.

Crispijn schudt steeds het hoofd, ook nog bij het zingen; hij kan de grote gebeurtenis niet vatten. De vraag: ‘Hoe veer ist ’t wel?‘, antwoord: ‘tot gh’er bent‘ laat het zien: het hangt van jou zelf af. Deze slotscene geeft een beeld: hoeveel van Crispijn heeft ieder van ons in zich.
(Of U het met mijn antwoord eens bent?)’

W.F.Veltman zei in de regisseursbijeenkomst in Den Haag op 8-9-1979:
In het herdersspel moet streng de hand worden gehouden aan de driehoek: de herders staan en dansen altijd in de driehoek. Pas aan het einde komt de oude Crispijn erbij, dan ontstaat het vierkant.
In de Kerstboom worden o.a  de  driehoek  en het   vierkant als tekens gehangen» De driehoek is de oude ontwikkeling, het vierkant de nieuwe ontwikkeling: het Ik-principe komt in de persoon van Crispijn op eigen (zwakke) kracht erbij, hij heeft het in het volk, bij geruchte gehoord, dus niet van de Engel, maar op aarde.
Crispijn wordt dus achtereenvolgens gezien als Wintergod, herdersgroepziel, de slechte die te laat komt, en het jonge Ik»

Aan de heer van Wettum had ik geschreven over het feit dat bij Crispijn alles omgekeerd is: binnen en buiten, groot en klein. Dit deed mij denken aan wat Rudolf Steiner zegt over de geestelijke wereld en over de droom. Ook daarin is veel omgekeerd. Het getal 123 in de geestelijke wereld wordt 321 in de fysieke wereld; jonge kinderen schrijven nog vaak spiegelbeeldletters. Verscheurende dieren die ons in de droom aan­vallen, zijn imaginaties van driften die van ons uitgaan. Enzovoort. Dat Crispijn dus ‘iets’ in de geestelijke wereld representeert, is voor mij zeker. Zijn gebogen houding, ja, eigenlijk zijn opgerolde houding, doet mij denken aan de houding van het jonge embryo die hij nog niet of nauwelijks heeft afgelegd. Hij is, in die ziens­wijze, nog maar zonet geboren, dat hij nog niet goed kan verstaan (dubbele betekenis !) wat er gezegd wordt. Hij is dus niet doof uit ouderdom. Hij herhaalt de woorden ‘kindeken, eselken’ enz. als het ware nog uit een kortdurende nabootsingsdrang.
De drie Herders geven, uit de natuur, geschenken zoals W.J.Stein die beschreef voor de Asklepios-Mysterien» Crispijn geeft echt iets van zich zelf. Onze vice-voorzitter dr. J.van Dam bracht dit in een gesprek met mij als volgt tot uitdrukking: de slip van de pelsjas is een door ontwikkeling zelf verworven, omgewerkt deel van het astraallichaam dat door het Ik geschonken wordt aan de Christus» Hij zag hier een samenhang met de sage van het Gulden Vlies. Het zoeken naar het Gulden Vlies heeft de betekenis van het zoeken naar de oorspronkelijk zuiver gouden “Flusz” van het astraallichaam van vóór de verduistering tengevolge van de afdaling van de mens (Rudolf Steiner: “Ägyptische Mythen und Mysterien”, GA 106)» Tot zover dr. J.van Dam»

Het is wel merkwaardig dat het artikel van Walter Johannes Stein “Die Mysterien der Asklepios” ook uitmondt in de sage van het Gulden Vlies»

‘So kann es uns nicht verwundern wenn von Asklepios die griechische Sage berichtet, er sei beteiligt gewesen an dem Zuge der Argonauten, er sei mit hinübergezogen an das schwarze Meer um nach Besiegung des Drachens das goldene Fliess zu holen.’
Zo hoeft het ons niet te verbazen dat wanneer er van Asklepios sprake is de Griekse sage dan verhaalt dat hij deelgenomen heeft aan de reizen van de Argonauten, dat hij meegetrokken is naar de Zwarte Zee om het gulden vlies te halen na de overwinning op de draak.

Het is niet onmogelijk dat al deze zienswijzen waarheden op verschillend niveau bevatten die tot een groter geheel kunnen worden samengevat. Wie kan het ?

*Dr.Nordlohne 
**[1] foto t.o. titelblad: figuur beneden uiterst rechts

kompanij

[1] Karl Julius Schröer Über die Oberuferer Weihnachtsspiele.
1963 Verlag Freies Geistesleben
[2] J.W. von Goethe Het sprookje van de groene slang en de schone lelie
[3] Rudolf Steiner Mysteriedrama’s
.

Kerstspelen: alle artikelen

Kerstmis: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: kerstspel

75-72

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – inleiding

.

WOORD VOORAF  


Zolang ik op de vrijeschool werkte, speelde ik mee in de kerstspelen – in het Paradijsspel – het Herdersspel en het Driekoningenspel.

Ook regisseerde ik deze spelen.

Toen ik in Den Haag werkte, had ik het geluk veel van Willem Veltman –ik noem hier zijn naam met dankbaarheid – te kunnen leren; niet alleen over de regie, maar ook over de aard van het toneelspelen.

Als regisseur veel te weten over deze spelen geeft een grotere zekerheid hoe ze uit te voeren. Veel weten betekende vooral veel overleg met andere regisseurs en anderen die voor deze spelen een diepere belangstelling hadden.

Veel aantekeningen waren het gevolg:
.
Kerstspelenalle artikelen
.
Wie denkt waardevolle aantekeningen te bezitten, kan ze hier plaatsen.Stuur ze naar het emailadres: pieterhawitvliet (voeg toe)gmail(punt)com
.
Kerstmis: alle artikelen
.
VRIJESCHOOL in beeld: kerstspel
.

74-71

.




 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner als didacticus (3)

.

Pieter HA Witvliet

DUIDELIJK SPREKEN
.

In de vrijeschoolklassen die ik heb geleid, heb ik altijd veel aandacht besteed aan het spreken.

Vanaf klas 1 tot en met de laatste klas van de basisschool zijn er heel goede spraakoefeningen om een kind duidelijk te leren articuleren.

Er is altijd wel een gelegenheid om een lastige tongbreker te doen; ook in de andere talen; en bij sommige periodestof passen prachtige gedichten.

RECITEREN
Het reciteren van gedichten dient, dat moge duidelijk zijn, een ander doel dan het leren spreken; maar het reciteren moet ook geoefend worden en is in deze zin dus ook ‘leren spreken’.

Het samen spreken vraagt ook een sociale inzet: je mag niet sneller dan de ander en ook niet luider: je moet je – ter wille van het geheel – inhouden, je naar dit geheel richten.

Rudolf Steiner:
‘Würde man es zuwenig ausbilden, dann leidet die soziale Gesinnung; die bildet sich aus durch das Chorsprechen.’

Zou je het te weinig ontwikkelen, dan lijdt de sociale stemming daaronder; die wordt door het ‘koorspreken’ gevormd ( )
GA 300a/141
Niet vertaald

opzeggen van tafels

Een andere vorm van ‘reciteren’ is het opzeggen van de tafels van vermenigvuldiging, eind 1e, begin 2e klas.

Dit reciteren draagt een dubbel ‘gevaar’ in zich: het kan tot een vervelende dreun worden en het kan het resultaat wat je ermee wilt behalen, ook tegenwerken.

Dat laatste klinkt wellicht tegenstrijdig.

Het klassikaal opzeggen van een tafelrij kan menig kind helpen om de logische volgorde in het geheugen te krijgen.

Maar:

Rudolf Steiner:

Wenn man es zuviel macht, dann leidet die Auffassungskraft, weil es eine starke suggestive Kraft hat. Die Kinder können Dinge, für die sie sonst keinen Tau haben, wenn sie in der Masse mitsprechen.

Wanneer je het teveel doet, dan lijdt het begrijpen eronder; er gaat iets suggestiefs vanuit: kinderen kunnen dingen waarvan ze eigenlijk geen flauw idee hebben.
GA 300a/141
Niet vertaald

Vandaar Steiners opmerking:

Die Kinder reden im Chor alle glattweg mit und können es einzeln nicht.’

In koor spreken de kinderen makkelijk mee, maar individueel kunnen ze het niet.
GA 300a/172
Niet vertaald

Rudolf Steiner

( ) ‘daß man versucht, bei den Kindern, nachdem sie es im Chor gesprochen haben, rasch es einzeln zu machen. Man soll es machen als Grundlage des Lernens. Das ist zweifellos so.’

Als basis van het leren moet men het doen, ongetwijfeld, maar wanneer in koor gesproken is, moet een kind het kort daarop individueel doen.
GA 300a/172
Niet vertaald

Rudolf Steiner

’Wenn allzuviel im Chor gesprochen wird, dann bitte ich nicht zu vergessen, daß die Gruppenseele eine Realität ist, daß Sie nie darauf rechnen können, daß die Kinder als einzelne das können, was sie im Chor richtig machen.’

Wanneer er te veel in koor gesproken wordt, moet u niet vergeten dat de groepsziel een realiteit is, dat u er niet op kan rekenen, dat de kinderen individueel kunnen, wat ze in koor goed doen.
GA 300a/248
Niet vertaald

Of:
‘Das, worauf es ankommt, ist, daß man berücksichtigt, wenn die Kinder im Chor sprechen, so ist es sehr gut, aber es ist noch kein Beweis, daß die Kinder es einzeln beherrschen, weil da ein Gruppengeist auftritt.’

Waarop het aankomt is, dat men in de gaten heeft, dat wanneer kinderen in koor spreken,  dit erg goed is, maar dat het nog geen bewijs is dat de kinderen het individueel beheersen, omdat er ‘groepsgeest’ werkzaam is.
GA 300b/107
Niet vertaald

Er zijn altijd kinderen die al snel zo’n tafelrij kunnen opzeggen; zij zijn dan de dragers van het geheel; de anderen die het niet zo goed kunnen, leren het wel, maar er is altijd een groepje dat het niet leert op deze manier.

Omdat het klassikaal zo goed gaat, ben je als leerkracht geneigd te denken dat heel je klas zo’n tafelrij beheerst. Maar dat is niet zo.

Daarom: ook veel individuele beurten; goed controleren wie het wel en wie het niet kan. Met de laatsten meer oefenen en zeker niet alleen met het opzeggen.

Je moet niet willen bereiken dat alle kinderen het via het samenspreken moeten leren. Voor de kinderen die het al kunnen, wordt het vervelend en degenen die het nog niet kunnen, leren het waarschijnlijk op deze manier niet meer.

Steiner geeft daarvoor nog een aanwijzing die ik hier met eigen woorden weergeef: ‘Degene die in het midden van de raamrij zit, aan de linkerkant, die gaat verder.’

Of: ‘Als ik ‘stop’ zeg, (of tegen een klokje tik, of enz.) gaan de kinderen die iets roods dragen, verder.’
Met allerlei varianten natuurlijk. Kinderen vinden dit altijd heel erg leuk; in zekere zin spannend en letten daardoor veel beter op, zonder dat ze daartoe aangespoord hoeven worden.

kunstzinnig onderwijs

Schilderen, tekenen, boetseren, enz. worden vaak kunstzinnige vakken genoemd.
Hierboven schreef ik: ‘Kinderen vinden dit altijd heel erg leuk; in zekere zin spannend en letten daardoor veel beter op, zonder dat ze daartoe aangespoord hoeven worden.’
Met kunstzinnig onderwijs bedoelde Steiner vooral ook deze manier van lesgeven: dat de kinderen met plezier, uit zichzelf, willen leren.

Rudolf Steiner als didacticus (1)    (2)

spraakoefeningen

spraak/spreektherapie [1]    [2

Rudolf Steiner over…: alle artikelen

73-71

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner als pedagoog (4)

Op een weblog van een maniakale criticaster is , zonder mijn toestemming – de integrale tekst van dit artikel overgenomen onder ‘Vrije School, pedagogisch-didactische achtergronden van Pieter Witvliet’.
Ik heb dus niets met die blog van doen en ook niet met de eventueel gemanipuleerde tekst.

.

(NOG) EEN CHOLERISCH KIND
Hier vertelde ik over een cholerische jongen met wiens driftbuien ik steeds beter wist om te gaan, dankzij een aanwijzing van Rudolf Steiner.

EEN ANDERE AANWIJZING VAN STEINER
Voor de cholericus gaf Steiner ook nog een andere aanwijzing:

Rudolf Steiner:
Beim Choleriker sind möglichst zu berücksichtigen erdichtete Situa­tionen, künstlich gebildete Situationen, die man in die Aufmerksam­keitssphäre des Kindes bringt. Man sollte zum Beispiel bei einem to­benden Kind die Aufmerksamkeit auf erdichtete Situationen lenken und diese erdichteten Situationen selbst cholerisch behandeln, so daß ich dem jungen Choleriker zum Beispiel erzähle von einem wilden Kerl, dem ich begegnet bin, den ich ihm vormale wie eine Wirklich­keit. Dann würde ich in Ekstase kommen, würde schildern, wie ich ihn behandle, wie ich ihn beurteile, so daß er die Cholerik an anderem sieht, an Ausgeklügeltem, so daß er die Tat sieht. Dadurch wird man in ihm die Kraft sammeln, daß er auch anderes gut begreifen kann.

Bij een cholericus kan men het beste gebruik maken van verzonnen situaties, kunstmatige situaties, die men onder de aandacht van het kind brengt. Men moet bijvoorbeeld bij een doldriest kind de aandacht richten op verzonnen situaties en deze verzonnen situaties zelf cholerisch behandelen. Ik kan de jonge cholericus bijvoorbeeld vertellen van een wilde kerel die ik heb ontmoet. Ik beschrijf het alsof het echt gebeurd is. Dan zou ik in extase raken en vertellen hoe ik met hem omga, hoe ik hem beoordeel, zodat hij de choleriek in iets anders voor zich ziet, in een verzonnen verhaal, zodat hij de daad ziet. Daardoor zal men in hem de kracht concentreren waardoor hij ook andere dingen heel goed kan begrijpen.
GA 295/29
vertaald/29

In een andere groep, in mijn 2e ‘rondje’* zat ook een echte cholerische jongen, die ik hier ‘Joop’ zal noemen.

Hij had de gewoonte, als hij weer eens een van zijn driftbuien kreeg, met zijn stoeltje te smijten. De gevolgen waren duidelijk te zien: de rugleuning was op de hoekjes bovenaan rechts en links behoorlijk beschadigd.

Ik had er thuis wel over nagedacht, wat ik zou kunnen vertellen, wanneer zich de gelegenheid mocht voordoen, maar was er niet echt tevreden over. En zo gingen er nog een paar ‘aanvallen’ voorbij, zonder dat ik iets deed, behalve dan uiterst kalm blijven.

Maar op een dag toen zijn stoeltje weer voor in de klas was geland-een kwartiertje voor we naar huis gingen-vatte ik moed en begon voor de voet weg te vertellen:

Dat ik een jongen gekend had, in ons dorp, die Hans heette en met wie niemand wilde spelen, omdat hij zo wild was. Ook de mensen gingen hem uit de weg, want het kon maar zo zijn dat hij je een oplawaai gaf, als je niet opzij ging. En op school had hij ook al geen vriendjes, want hij stootte met zijn ellebogen als je naast hem zat (dat deed Joop ook**) en hij gooide met allerlei spullen (dat deed Joop ook**). Hij zat op een heel oud stoeltje, want het zijne was kapot. Eerst was het nog nieuw, met een mooie zitting en rugleuning, maar hij had het al zo vaak op de grond gegooid, dat het er nu heel gehavend uitzag.

En op een dag was het zo kapot, dat hij er niet meer op kon zitten. Vanzelfsprekend moest hij toen staan.

Wat ik in dit verhaaltje van het gedrag van Hans kon uitbeelden, deed ik ook en ik pakte ook mijn eigen stoel, die ik als gebaar op de grond wilde smijten. In mijn ijver echter ontglipte die stoel me, waardoor die ook op de grond terecht kwam. Gelukkig niet beschadigd!

Op dat ogenblik ging de schoolbel en ik beloofde de kinderen later nog meer te vertellen van Hans.

De kinderen gingen achter hun tafeltje staan en zetten daar hun stoeltje op, opdat de schoonmaak van de vloer makkelijker uitgevoerd zou kunnen worden.

Joop zat links vooraan, in de buurt van de deur. Toen ik daarheen liep, nadat we nog een lied hadden gezongen om de dag mee af te sluiten, voelde ik met mijn vinger langzaam aan de beschadigingen van de stoel van Joop. Nooit zal ik vergeten dat hij me ernstig aankeek en zei: ‘Dat heb ik niet gedaan, dat heeft Hans gedaan!’.

Joop kreeg nog vele cholerische buien, maar geloof het of niet: nooit heeft hij zijn stoeltje meer op de grond gegooid!

* in de tijd dat dit plaats vond streefde iedere leerkracht ernaar heel de onderbouwtijd, toen nog 7 jaar, ieder jaar met zijn klas mee te gaan, populair ‘een rondje’ genoemd.

**dit zei ik er uiteraard niet bij

Rudolf Steiner als pedagoog (1)   (2)   (3)

Temperamenten (menskunde en pedagogiek nr.15)

Rudolf Steiner over…: alle artikelen

 

72-70

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL- Atlantis in klas 5

.

ANTROPOSOFIE IN HET VRIJESCHOOLONDERWIJS
Hoewel Rudolf Steiner op veel plaatsen in zijn (pedagogische) voordrachten duidelijk maakte dat de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school moet zijn en zeker geen school waar antroposofie aangeleerd moet worden, zoeken critici* naarstig naar feiten die kunnen aantonen dat de vrijeschool wel degelijk in die zin een ‘antroposofische’ school is.

Zo wordt er ook ijverig gevorst om te kunnen bewijzen dat, wat men noemt het racistisch karakter van de antroposofie, ook terug te vinden is in het leerplan van de vrijeschool.

Voor hen biedt ‘Atlantis’ een aanknopingspunt.

Wie vertrouwd is met het werk van Steiner weet dat hij uitvoerig heeft bericht over Atlantis.

En zoals hij over Atlantis spreekt, is Atlantis antroposofie. En omdat antroposofie geen inhoud van leerstof hoort te zijn –het zijn de woorden van Steiner –zou het gemakkelijk voor de hand moeten liggen Atlantis geen onderwerp te maken van bv. het geschiedenisonderwijs in klas 5.

Dit gebeurt echter wel en daarmee hebben de critici een punt.

PERIODESCHRIFTEN
Ze beginnen hun kritiek vaak met het weergeven van tekst die ze hebben gevonden in de periodeschriften van het vak geschiedenis in de 5e klas.

En ook hier hebben ze een punt: wat in het periodeschrift staat is lesinhoud geweest.

In sommige schriftjes staat de indeling van tijdsfasen, zoals Steiner die gaf voor de na-Atlantische tijd:

Oer-Indische, Oer-Perzische, Babylonisch-Chaldeïsche-Egyptische tijd; Grieks-Latijnse tijd, Middeleeuwen. (en verder). Vaak compleet met jaartallen zoals ook die door Steiner zijn gegeven.

En de critici hebben nog een punt wanneer ze erop wijzen dat in het Oer-Indië, (7227-5067) , in het periodeschriftje ‘zomaar’ ineens sprake is van Buddha , die rond 540-480 voor Christus leefde.

Het gaat de critici niet zozeer om aan te tonen dat het geschiedenisonderwijs in de 5e klas eigenlijk antroposofisch onderwijs is, maar om iets veel ernstigers. Daar kom ik later op terug.

LEERPLANAANWIJZINGEN VAN STEINER
Kunnen we ons beroepen op de leerplanaanwijzingen van Steiner wanneer we over ‘zijn’ Atlantis vertellen?

Ik heb tot op heden geen concrete aanwijzingen gevonden.
In de vergaderingen met de leerkrachten [1] vraagt een leraar van de 8e klas of Atlantis genoemd kan worden in de geologieles. Steiner bevestigt dat, vertelt er wat bij, maar komt er later niet op terug wanneer voor de 8e klas de aanwijzingen voor het vak geologie worden gegeven. En voor de 5e klas worden die aanwijzingen ook niet gegeven.

Voeg daarbij Steiners opmerkingen over ‘antroposofisch’ onderwijs.

Dan zijn er m.i. geen motieven meer om Steiners Atlantis in de 5e klas aan de orde te stellen.

Moeten de leerlingen in de klas een opsomming van de ‘na-atlantische cultuurperioden’ voorgeschoteld krijgen?

Om dezelfde redenen is daar ook geen aanleiding toe.

Steiner heeft het niet over ‘fases’, maar over ‘scènes uit de oude geschiedenis.’ [2]
Moeten de leerlingen de door Steiner gegeven jaartallen in hun schrift schrijven en/of leren?

Wie bij zichzelf te rade gaat, heeft waarschijnlijk net als ik, eigenlijk geen benul hoe lang geleden 10.000 jaar is. Ja,erg lang, maar het blijft een leeg, niet doorleefd begrip. Voor zover ik bij mijn leerligen van 11 jaar heb kunnen waarnemen, is er nog geen ‘orgaan’ aanwezig om iets meer te beleven dan ‘erg lang’.
Voor Steiner was dit m.i. ook een feit. Hij geeft niet voor niets op zeker ogenblik een voorbeeld hoe je ‘lang geleden’ aan kinderen nog enigszins duidelijk kan maken.

Daaraan heb ik ook beleefd dat ‘lang geleden’ voor kinderen van die leeftijd dan wel ‘dichterbij’ komt. Maar de generaties terugvervolgen tot 8- of  9- of 10-duizend jaar, dat lijkt me niet te werken.

Dus zouden we m.i. die jaartallen geheel buiten beschouwing moeten laten. Het blijven abstracties.

‘GESCHIEDENIS AANLEREN’
Het boek ‘Geschichte lehren’ van Christoph Lindenberg [3] is m.i. hèt boek om je als leerkracht op het eerste geschiedenisonderwijs in klas 5 voor te bereiden. Er is geen Nederlandse vertaling van. Hier is een vertaling van het hoofdstuk ‘Klas 5’.

Als we in de 2e geschiedenisperiode in klas 5 vooral over Griekenland vertellen, is de stof voor het grootste gedeelte gebaseerd op bronnen en daarmee ‘echte’ geschiedenis. Wanneer je naar de geschiedenis kijkt van de Egyptenaren vertel je toch ook heel veel wat in de bronnen verifieerbaar is. En dat geldt ook voor de Perzische tijd met bv. de stedenbouw.

Van de Indische tijd is Buddha ‘geschiedenis’.

Maar al de genoemde culturen hebben ook hun bijzondere mythologieën en andere verhalen. Het wordt moeilijker om die exact onder ‘geschiedenis’ te rangschikken.

Voor het lesgeven is dat ook helemaal niet nodig. De mensheid heeft die voortgebracht en het is belangrijk dat jonge kinderen met de creaties van de mensheid waartoe ook zij behoren, kennismaken.

In de eerste geschiedenisperiode met name, zal er zeker in het begin, meer sprake zijn van cultuur, dan van geschiedenis. Voor sommige critici iets om over te vallen; voor ons als vrijeschoolleerkrachten iets vanzelfsprekends.

DE EERSTE ‘GESCHIEDENISDAG’
Als je als leerkracht daar op een maandagochtend staat – de eerste dag van de eerste geschiedenisperiode van je klas – (en misschien ook jouw eerste geschiedenisperiode in je 5e klas), moet je met ‘iets’ beginnen.

Ik greep vaak terug op wat de kinderen van het verleden al wisten en van lieverlee kwamen we zo ver terug in de tijd dat bijna vanzelf de verhalen uit de 3e klas, het Oude Testament, genoemd werden. En altijd was er wel een kind dat de zondvloed noemde.

Ik vond dat een welkome aansluiting om op verder te gaan: ‘Veel meer bevolkingsgroepen hebben zulke verhalen over de ondergang van de wereld.’ (Sommige kinderen noemen bijna vanzelfsprekend de Dag Ragnarok uit de Edda).

Dan kun je verder met bv.:

‘Dit is het verhaal van het volk van de Indiërs’: hier vertel je dan het verhaal van ‘Manoe en de vis’.

MANOE?
Wanneer dit in het periodeschrift wordt naverteld, hebben de critici, denken ze, weer ‘beet’. Immers: ook Steiner spreekt over een Manoe en, jawel, hij doet dit in samenhang met de ondergang van ……Atlantis.

Uit de Atlantismededelingen van Steiner halen de critici meestal de ondergang van Atlantis naar voren. Deze zou zich hebben voltrokken door grote watersnoden – vergelijkbaar met de ondergang van de wereld zoals beschreven in het zondvloedverhaal in de bijbel.

Volgens Steiner werden er wel mensengroepen gered. Deze trokken onder leiding van ‘Manoe’ naar veiliger streken en zouden weer bewoonbaar land hebben gevonden.
Ook in de verhalen over het ontstaan van de Indische cultuur is sprake van  ‘Manoe’
Worden er dan in de klas verzen uit de heilige boeken van India opgeschreven en gereciteerd, dan kunnen ook de ‘rishis’ ter sprake komen.

VOER VOOR CRITICI
Voor de critici opnieuw een handvat: immers, ook Steiner spreekt over rishis in zijn mededelingen rond Atlantis. En wanneer er dan ook nog sprake is van een bevolkingsgroep die de Indiërs zelf de Arayans noemen, vaak vertaald met Ariërs, dan is het feest voor de critici, want ook Steiner spreekt over Ariërs en het blanke ras, dat het leidende zou zijn in de huidige ontwikkelingsfase van de mensheid.

En met deze ingrediënten vormen de critici hun standpunt dat het geschiedenisonderwijs in klas 5, Atlantis’  een middel is, ‘om Steiners mensheidsontwikkelingsmodel het onderwijs binnen te smokkelen.’ (De bedriegelijke verpakking (Prange);  het Paard van Troje (De Jonghe) en de in mijn ogen schaamteloze opmerking  ‘dat op deze manier (Duits:‘kindgerecht’, dus op kinderniveau, racisme bedreven wordt. (Lichte)

ATLANTIS TABOE?
Moet Atlantis dan vermeden worden?

Het gaat erom, denk ik, wat je met het noemen voorhebt.

Er zijn de mededelingen van Plato; er zijn verschillende visies op Atlantis; de Atlantische Oceaan dankt er zijn naam aan.

Er zijn videospelletjes die Atlantis heten. Sommige kinderen hebben die; ze weten ervan of hebben oudere broers of zussen die ze hebben.

Zo was er in mijn klas ooit een kind met een oudere broer die fan was van de Engelse zanger Donovan die een Atlantissong heeft.

Dus, wat wil je ermee in de klas.

Hoe je het ook wendt of keert, bij wie je ook te rade gaat, Atlantis blijft een schimmig gebied.

DIT IS WEL EEN AANWIJZING VAN STEINER:
‘In de vijfde klas zal men zich dan alle inspanning getroosten om met de kinderen een begin te kunnen maken met werkelijke historische begrippen. En men moet er ook absoluut niet voor terugschrikken om het kind juist in deze tijd, in de vijfde klas, begrippen bij te brengen over de cultuur van de oosterse volkeren en van de Grieken.’ [4]
M.i. valt Atlantis niet onder ‘werkelijk historische begrippen’.

In het Duitse vrijeschoolblad  ‘ERZIEHUNGSKUNST’ :
‘Het zou onzin zijn om uitspraken van Steiner in de vorm van leuke verhalen of in de vorm van overgeleverde mythen aan zijn leerlingen te vertellen, omdat ze dat niet zijn en omdat er geen aanleiding bestaat om over zulke uitspraken (bedoeld wordt hier alles wat Steiner over Atlantis heeft gezegd) in de zin van een op zichzelf staand esoterisch weten te beschikken.
Afgezien daarvan zijn er geen leerplanaanwijzingen van Steiner die tot zoiets aanleiding zouden geven.’

[1] R.Steiner: GA 300 A Konferenzen mit de Lehrern, blz.85/86
[2]R.Steiner: GA 295 Erziehungskunst-Seminarbesprechungen, 1969
Vertaling: Praktijk van het lesgeven, blz.20
Uitg.Vrij Geestesleven1989 ISBN 90-6038-187-4
(nu: uitg.Christofoor)
[3]Lindenberg: Geschichte lehren
Stuttgart 1981 ISBN 3-7725-0243-1
[4]Praktijk van het lesgeven, blz.149

 *Ramon de Jonghe; Prange; Andreas Lichte

.

[1] Is het geschiedenisonderwijs in klas 5 ‘antroposofisch?
[2] deel 2
.

5e klas geschiedenis: alle artikelen

5e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas geschiedenis

71-69

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.