VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (1-3-1/1)

.
Mevr. Weissenberg, nadere gegevens ontbreken
.

DE BEELDENTAAL VAN de SPROOKJEs
.

ROODKAPJE  [1]   verteltijd 7 min.

Er was eens een lief klein meisje; iedereen die haar zag hield veel van haar, maar het aller­meest haar grootmoeder, en die had haar wel alles willen geven. Op een keer gaf zij haar een mutsje van rood fluweel en omdat het haar zo goed stond en zij niets anders meer op wilde zetten werd zij enkel Roodkapje ge­noemd.
Op een dag zei haar moeder tegen haar: ‘Kom, Roodkapje, hier heb je een stuk koek en een fles wijn, breng dat naar je groot­moeder, zij is ziek en zwak en dit zal haar goed doen. Ga nu maar voor het te warm wordt en als je buiten komt, loop dan netjes en rustig en dwaal niet van het pad af, anders val je en breek je de fles en dan heeft groot­moeder niets. En als je haar kamer binnen­komt, vergeet dan niet goedemorgen te zeg­gen en snuffel niet eerst overal rond.’
‘Ik zal goed oppassen.’ zei Roodkapje tegen haar moeder en gaf er haar de hand op.
Grootmoeder woonde echter buiten in het bos een half uur van het dorp. Toen Roodkapje nu in het bos kwam ontmoette zij de wolf. Roodkapje wist echter niet wat voor een boos dier het was en was niet bang voor hem. ‘Goedemorgen, Roodkapje.’ sprak hij. ‘Dag Wolf.’ – ‘Waarheen ben je zo vroeg op pad, Roodkapje?’ – ‘Naar grootmoeder.’ – ‘Wat draag je daar onder je schortje?’ – ‘Koek en wijn. Wij hebben gisteren gebakken en nu zal grootmoeder die ziek en zwak is zich tegoed kunnen doen en weer aansterken.’ – ‘Rood­kapje, waar woont je grootmoeder?’ – ‘Nog ruim een kwartiertje lopen verder het bos in, onder de drie grote eiken, daar staat haar huis, en beneden staan de notenhagen, dat weet je vast wel,’ zei Roodkapje. De wolf dacht bij zichzelf: ‘Dat jonge tere ding dat is een mals hapje, dat smaakt nog lekkerder dan die oude vrouw; je moet het slim aanleg­gen zodat je ze allebei vangt.’ Daarop liep hij een eindje met Roodkapje mee en zei toen: ‘Roodkapje, zie je al die mooie bloemen niet die overal in het rond staan, waarom kijk je niet om je heen? Ik geloof dat je niet eens hoort hoe liefelijk de vogeltjes zingen. Je loopt maar door alsof je naar school gaat en dat terwijl het hier buiten in het bos zo ver­rukkelijk is.’
Roodkapje keek op en toen zij de zonnestra­len door de bomen zag dansen en zag hoeveel mooie bloemen er overal stonden, dacht zij: ‘Als ik voor grootmoeder een vers geplukt boeketje meebreng zal zij dat heerlijk vinden; het is nog zo vroeg op de dag dat ik toch wel op tijd kom.’ Daarmee liep zij van het pad af het bos in en ging bloemen zoeken. En toen zij er één geplukt had, dacht zij dat er verder­op een nog mooiere stond en liep daarheen en raakte steeds dieper het bos in. Maar de wolf liep rechtstreeks naar het huis van grootmoeder en klopte aan de deur.
‘Wie is daar?’ – ‘Roodkapje, ik breng koek en wijn doe de deur maar open.’ – ‘Druk maar op de klink, ik ben te zwak en kan niet opstaan,’ riep grootmoeder. De wolf drukte op de klink, de deur ging open en hij liep, zonder een woord te zeggen, recht op grootmoeders bed af en slokte haar op. Toen trok hij haar kleren aan, zette haar muts op, ging in het bed liggen en trok de gordijnen dicht.
Roodkapje echter had rondgelopen en bloe­men geplukt en toen zij er zoveel bij elkaar had dat zij er niet meer kon dragen, herin­nerde zij zich haar grootmoeder weer en ging op weg naar haar toe. Zij was verbaasd dat de deur openstond en toen zij de kamer in­stapte was het haar zo vreemd te moede dat zij dacht: ‘Lieve hemel, wat vind ik het hier griezelig vandaag, terwijl ik anders toch zo graag bij grootmoeder ben.’ Zij riep: ‘Goede­morgen,’ maar kreeg geen antwoord. Toen liep zij naar het bed en schoof de gordijnen opzij. Daar lag grootmoeder met de muts over het gezicht getrokken en zij zag er erg vreemd uit. ‘O, grootmoeder,’ zei zij, ‘wat heb je grote oren.’ – ‘Dat is om je beter te kunnen horen.’ – ‘Maar grootmoeder, wat heb je grote ogen.’ – ‘Dat is om je beter te kunnen zien.’ – ‘Maar grootmoeder, wat heb je grote handen.’ – ‘Dat is om je beter te kun­nen pakken.’ – ‘Maar grootmoeder, wat heb je een verschrikkelijk grote mond.’ – ‘Dat is om je beter op te eten.’ En nauwelijks had de wolf dat gezegd, of hij was met een sprong het bed uit en verslond het arme Roodkapje. Toen de wolf zat was ging hij weer in het bed liggen, viel in slaap en begon heel hard te snurken.
Toen kwam net de jagersman voor­bij die bij zichzelf dacht: ‘Wat is die oude vrouw aan het snurken. Ik zal eens even kij­ken of haar iets mankeert. Hij ging de kamer binnen en toen hij bij het bed kwam zag hij dat de wolf erin lag. ‘Moet ik je hier vinden, ouwe boosdoener,’ zei hij, ‘ik heb lang naar je gezocht.’ Hij wilde net zijn geweer aanleg­gen toen hij ineens bedacht dat de wolf de grootmoeder wel eens opgeslokt zou kunnen hebben en dat zij misschien nog gered kon worden en dus schoot hij niet maar nam een schaar en begon de buik van de slapende wolf open te knippen. Hij had nog maar een klein eindje geknipt toen hij het rode kapje zag glanzen en na nog een paar knippen sprong het meisje eruit en riep: ‘Ach, wat ben ik geschrokken, wat was het donker in de buik van de wolf.’ En toen kwam de oude grootmoeder er ook nog levend en wel uit, al snakte zij naar adem. Roodkapje haalde ech­ter vlug grote stenen en daarmee vulden zij de buik van de wolf en toen hij wakker werd wilde hij weglopen, maar de stenen waren zo zwaar dat hij meteen in elkaar zakte en dood ter aarde viel.
Toen waren zij alle drie blij. De jager stroop­te het vel van de wolf af en ging ermee naar huis, de grootmoeder at de koek op en dronk de wijn die Roodkapje had meegebracht en knapte weer op, maar Roodkapje dacht bij zichzelf: Zolang ik leef, zal ik nooit meer in mijn eentje van het pad afgaan en het bos inlopen, wanneer mijn moeder mij dat verbo­den heeft.

Ook wordt er wel verteld dat op een keer, toen Roodkapje haar grootmoeder weer koek en gebak ging brengen, een andere wolf haar had aangesproken en van de weg af had wil­len leiden. Roodkapje paste echter wel op en liep rechttoe rechtaan door, en zij vertelde aan grootmoeder dat zij de wolf was tegenge­komen die haar goedendag had gewenst maar zó kwaadaardig uit zijn ogen had ge­keken: Als het niet op de grote weg was ge­weest, had hij mij vast opgegeten! ‘Kom,’ zei de grootmoeder, ‘wij zullen de deur op slot doen, zodat hij niet naar binnen kan.’ Kort daarop klopte de wolf aan en riep: ‘Doe open, grootmoeder, ik ben het, Roodkapje, ik breng koek en gebak voor je mee.’ Zij hielden zich echter stil en deden de deur niet open. Daar­op sloop de Grijskop ettelijke malen om het huis heen, sprong ten slotte op het dak en daar wilde hij wachten tot Roodkapje ’s avonds naar huis ging om haar dan achterna te slui­pen en haar in het donker op te eten. Maar de grootmoeder merkte wat hij in de zin had. Nu stond er voor het huis een grote stenen trog en zij zei tegen het kind: ‘Neem de emmer, Roodkapje, gisteren heb ik worsten gekookt, draag jij het water waarin ze zijn gekookt naar de trog.’ Roodkapje droeg net zo lang worstennat aan tot die hele, grote trog vol was. De wolf kreeg de geur van de wors­ten in de neus, hij snuffelde en keek naar beneden en ten slotte rekte hij zijn hals zo ver uit dat hij zich niet meer kon houden en be­gon te glijden, en zo gleed hij van het dak af regelrecht in de grote trog en verdronk. Roodkapje ging echter opgewekt naar huis en niemand deed haar kwaad.

ROODKAPJE

Heeft het zin om over sprookjes te schrijven en te praten? Spreken de beelden niet direct tot de harten van kinderen en volwassenen? Het spreekt vanzelf, dat een kind niets hoeft te weten van uiteenzet­tingen over sprookjes, ja het is zelfs beter, dat het er niets van weet, want de sprookjeswereld stroomt het liefst een open hart binnen en een onbevangen kind brengt de sprookjeswereld een open hart tegemoet.
Nu is de wijsheid, die de sprookjes in zich bergen niet altijd alleen voor de kinderkamer bedoeld geweest. Integendeel, in vroegere tijden vertelden volwassenen elkaar deze verhalen en de kinderen mochten misschien meeluisteren. Toen de sprookjes van Moeder de Gans opgeschreven werden, werden de sprookjes door vol­wassenen aan volwassenen verteld. Dat valt af te lezen aan de stijl dezer sprookjes. Daarentegen zijn de ca. 100 jaar later door de gebroeders Grimm vastgelegde sprookjes opgeschreven met de speciale bedoeling om als huis- en kindersprookjes te dienen. In die tijd waren deze verhalen al haast uitsluitend in de kinderkamers te vinden.

Toen de sprookjes opgeschreven werden, waren ze al honderden en honderden jaren oud. Wat leefde er toch in deze sprook­jeswereld, die dus oorspronkelijk be­doeld was om van mens tot mens doorge­geven te worden?

Laten wij eens een voorbeeld bekijken, en wel:

ROODKAPJE
Op de een of andere manier vertelt ieder sprookje van de levensweg en de levensproblemen van de mens.
Als wij bijvoorbeeld Roodkapje hier laten volgen om daarin zo’n levensweg aan te tonen, dan zou het raadzaam zijn het sprookje van tevoren eerst te lezen. Als u het doorgelezen hebt zullen de hier volgende toelichtingen veel duidelijker tot u spreken.
Aan het begin van dit sprookje staat de grote liefde van de grootmoeder die het rode kapje aan het kind geeft. Vanaf dit ogenblik draagt het meisje dit kapje altijd. Liefde en warmte om­sluiten het hoofd en maken het mogelijk dat onze gedachten warm kunnen zijn in plaats van dood en koud. Hoe deze mogelijkheid door het leven ontwikkeld kan worden zullen wij aan het eind van dit verhaal zien.
Laten wij eens hand in hand met het kleine meisje op stap gaan en meebeleven, wat er allemaal op haar afkomt.
Eerst wordt zij door haar moeder naar grootmoeder gestuurd met wijn en koek, want grootmoeder is zwak en moet aansterken.
Hier valt ons meteen op, dat 
het doel van deze levensreis “zwak” is en opfrissing verwacht van het mensenkind.
Moeder, die haar op pad stuurt, geeft haar een heleboel levensregels mee:
”
zeg goedendag, ga niet van de weg af, kijk niet eerst in alle hoeken’.
Welk jeugdig mensenkind heeft niet heel wat van deze levensregels meegekregen en gaat welgemoed zijn levensweg beginnen. Zo belanden wij met Roodkapje in het bos, een situatie in de sprookjeswereld, waar vele helden en heldinnen in terecht komen. Waar zijn wij hier? In een donkere onoverzichtelijke om­geving. Niet alle bossen in de sprook­jeswereld zijn donker en onoverzichte­lijk, maar wel die bossen, waar de be­proevingen voor de held of heldin be­ginnen. Zo ook hier: de wolf verschijnt. Dat is een gebeurtenis, waar moeder niet voor gewaarschuwd heeft. En toch is dit zo’n gevaarlijke ontmoeting. Waarom eigenlijk? Omdat die ontmoeting-  en wij allen, die in zekere zin ook Roodkapje zijn – ontmoeten deze wolf heel persoonlijk dat met goed of slecht gedrag niets te maken heeft. De wolf loopt een stukje met Roodkapje op en vraagt o.a.:  “Waar woont je grootmoeder en wat breng je haar?” Nadat hij door Roodkapje daarover op de hoogte is gebracht zegt hij: “Maar je loopt door het bos alsof je naar school toe gaat!” En hij maakt haar opmerkzaam op de bloemen en de vogels. Ons kind, dat op weg is, ziet nu voor het eerst wat voor heerlijks de wereld om haar heen te bieden heeft; en zij gaat van de weg af om bloemen te plukken. Elke bloem, die zij nog niet heeft, is mooier dan de bloem die zij al geplukt heeft en zij plukt en plukt-zoals zij zichzelf voorspiegelt – een ruikertje voor grootmoeder. Maar feitelijk verliest zij zichzelf geheel en al in deze wereld. Dat is voor de wolf het sein om naar de grootmoeder te gaan en haar op te slokken, haar kleren aan te trekken en haar plaats in te nemen. Dit zich­zelf verliezen in de wereld door bloemen te plukken heeft tot gevolg, dat niet alleen de mens, maar ook het doel waarheen hij streeft, verandert. Nadat Roodkapje zoveel bloemen geplukt heeft, dat zij er niet meer kan vasthouden – het was dus waarachtig geen ruikertje – denkt zij weer aan grootmoeder. En wat beleeft zij nu? In het klassieke vraaggesprek van:” Grootmoeder, wat heb je grote oren, ogen, handen, mond”, spreekt zij de wolf iedere keer met grootmoeder aan. Zozeer is haar onderscheidings­vermogen vertroebeld in het bos met de bloemen en de vogels. Zij heeft zelf zo intens naar de vogels geluisterd, dat haar oren overmatig groot geworden zijn. Wat hebben haar ogen begerig rond gekeken naar bloemen en haar handen die bloemen bij elkaar gegrist. Ook de reukzin en de smaak, die in de grote mond gezeteld zijn, heeft zij zelf ontwikkeld in het bos. Kortom: zij is het zelf, die daar ligt, en zo verdwijnt zij daar in de donkere buik.

Hier op dit moment houden we onwillekeurig de adem in, want wat moet er nu gebeuren? Wat zal hier redding kunnen brengen?                                                                   Zo’n moment komt in veel sprookjes voor en altijd wordt met grote ernst en ook wel met medelijden verteld, hoe de hulp op komt dagen. Hier is het de jager. Wat is een jager? Dat is een man, die in de dierenwereld van het bos dat hij beheert, orde moet houden. Met zekere hand en scherpe blik schiet hij die dieren weg, die het evenwicht in de dierenwereld zouden verstoren, dus de dieren die teveel zijn of die ziek zijn. Hij kent ook de wolf en heeft hem allang gezocht. Zocht hij hem misschien al vanaf de tijd, dat Rood­kapje bloemen plukte? Maar zijn zelf­beheersing toont hij, doordat hij niet meteen schiet. Neen, hij overlegt eerst en handelt dan. Hij knipt de buik van de wolf open met een schaar. Dat is helemaal geen instrument voor een jager, veeleer voor een kleermaker. Hij bedient zich hier van een instrument dat in de sprookjeswereld door het knappe kleermakertje gehanteerd wordt, waardoor dit ventje laat zien dat het zeer bij de pinken is. Wat ziet de jager nu het eerst in de duisternis van de buik? Het rode kapje glanst hem tegemoet. Dit is zeer verrassend, want een gewoon rood kapje zou in de donkerte niet glanzen, er moet dus licht uitgaan van dit kapje. En dat is wat door het leven in de duister­nis als nieuwe eigenschap is ver­worden. Zo komt Roodkapje uit de duisternis in het licht. Ook grootmoeder komt nu op krachten door de wijn en de koek. Zij hoeft niet meer in bed te liggen en is weer aangesterkt. De jager krijgt de vacht van de wolf. Natuurlijk, die is van hem, hij is immers degeen, die met de dierlijke machten om kan gaan. Verenigd in het huis zijn nu de jager, de grootmoeder en Roodkapje. Zij vormen tezamen een levensresultaat, dat Rood­kapje samenvat in de woorden: ” Ik zal nooit meer van de rechte weg afwijken, als moeder het verboden heeft”.
Wat haar in ’t begin van haar levens­weg meegegeven is door de moeder, dat heeft zij zich nu als eigendom ver­worven. “IK” zal nooit enz. Zo sluit deze levensweg met de dankbare her­innering aan haar oorsprong (de moeder en de volwassenwording van het ik.)
Als de ouders deze sprookjes aan hun kinderen vertellen, dan geven zij met de beeldenwereld wijsheid mee, die dieper doorwerkt dan een gewoon ver­haaltje. Immers ieder kind vereenzel­vigt zichzelf met de hoofdpersoon en daarom vereisen deze beelden een in­nerlijke activiteit van de verteller en de toehoorder, en daardoor ontstaat de innige band tussen beiden. Het is natuurlijk gemakkelijker een kind voor de tv. te zetten maar de moeite die de ouders zich getroosten om zelf sprookjes te vertellen of voor te lezen draagt voor beiden goede vruchten. U heeft in het sprookjes­boek een bron van vreugde in uw handen, een vreugde voor het hele gezin. Als de sprookjes met rust en liefde verteld worden zonder de emoties de vrije loop te laten en als wij in staat zijn het goede in het sprookje voor 100% naar voren te halen in ons vertellen, dan is het boze, zoals hier de wolf, alleen een beproeving die overwonnen wordt. Diep in de kinderziel ontstaat dan de zekerheid dat ook hij of zij deze overwinning zal behalen. Probeert u het eens een poosje. Voor onze tegenwoordige tijd werken deze beelden als een gezonde voeding voor het kind.
.

[1] Sprookje nr. 26 van Grimm, uitgave Lemniscaat,, Rotterdam.

Roodkapje
Rotkäppchen
Uit de Mainstreek
Een van de meest bekende sprookjes, die door vele mensen op zeer verschillende wijze zijn uitgelegd. (Zie bv. Fromm: ‘Dromen, sprookjes mythen‘.) De merkwaardige aanduiding dat het huisje van de grootmoeder staat onder de drie eiken, duidt volgens sommigen op een mysterieplaats waar een inwijding plaats vond.
Bij Perrault (Chaperon Rouge) eindigt het verhaal met de dood van het meisje. Een Zweedse ballade vertelt hoe een meisje moet gaan waken bij een lijk. Onderweg ontmoet zij de wolf en klimt van angst in een boom. Maar de wolf graaft de wortels op en de boom stort neer.
Sprookjes met slechte afloop (Schreckmärchen, Warnmärchen) werden vroeger verteld om kinderen af te schrikken voor gevaren als: aan het water komen, alleen het bos ingaan, de deur openen als je alleen thuis bent.
.

Sprookjes: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: sprookjes

.

210-199

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (1-2-1)

.
Margreet van der Heide in ‘Jonas’ nr.11, 25-01-1980
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES
. 

VROUW HOLLE [1]                 verteltijd 8 min.
.

Een weduwe had twee dochters: de ene was mooi en vlijtig, de andere lelijk en lui. Zij hield echter veel meer van de lelijke en luie omdat deze haar echte dochter was en de andere moest al het werk doen en de assepoes in huis zijn. Het arme meisje moest iedere dag op de grote weg bij een put gaan zitten en zoveel spinnen dat het bloed uit haar vin­gers liep. Nu gebeurde het eens dat de spoel helemaal bebloed was; toen bukte zij zich over de put om de spoel af te wassen. Hij sprong echter uit haar hand en viel naar be­neden. Het meisje huilde, liep naar haar stiefmoeder en vertelde haar van het onge­luk. Deze schold haar echter zo hevig uit en was zo onbarmhartig dat zij sprak: ‘Als jij je spoel er in hebt laten vallen, moet jij hem er ook weer uithalen.’ Toen ging het meisje terug naar de put en wist niet wat ze moest beginnen; en in haar grote angst sprong zij in de put om de spoel te halen. Zij verloor haar bewustzijn en toen zij weer wakker werd en tot zichzelf kwam was zij op een mooie weide waar de zon scheen en duizenden bloemen stonden. Op deze weide liep zij voort en toen kwam zij bij een oven vol brood: het brood riep echter: ‘O, haal mij er uit, haal mij er uit, anders verbrand ik; ik ben allang gaar’. Toen ging zij ernaartoe en met de ovenpaal haalde ze alles achter elkaar eruit. Daarna ging zij verder en toen kwam zij bij een boom die vol appels hing en die haar toeriep: ‘O, schud mij, schud mij, mijn appels zijn alle­maal rijp.’ Toen schudde zij de boom zodat de appels als een regen naar beneden vielen en zij bleef schudden tot er niet één meer in hing; en toen zij ze allemaal op een hoop bij elkaar had gelegd ging zij weer verder. Ten­ slotte kwam zij bij een huisje waaruit een oude vrouw naar buiten keek; maar omdat zij zulke grote tanden had sloeg het meisje de schrik om het hart en zij wilde weglopen. De oude vrouw riep haar echter na: ‘Waarom ben je bang. kindlief? Blijf bij mij; wanneer je al het werk in mijn huis netjes wilt doen, zal je het goed hebben. Je moet er alleen voor zorgen dat je mijn bed goed opmaakt en het vlijtig opschudt zodat de veren in het rond vliegen, dan sneeuwt het op de aarde; ik ben Vrouw Holle.’
Omdat de vrouw haar zo vriendelijk toesprak, vatte het meisje moed, stemde toe en trad bij haar in dienst. Zij deed alles tot haar tevredenheid en schudde haar bed altijd geweldig goed op zodat de veren als sneeuwvlokken in het rond vlogen: in ruil daarvoor had zij dan ook een goed leven bij haar, kreeg geen boze woorden te horen en at iedere dag alles wat maar lekker is. Toen zij nu een tijdlang bij Vrouw Holle was, werd zij treurig en wist in het begin niet wat haar scheelde; eindelijk merkte zij dat het heim­wee was; hoewel zij het hier wel duizend maal beter had dan thuis, verlangde zij daar toch naar. Ten slotte zei zij tot Vrouw Holle: ‘Ik verlang zo verschrikkelijk naar huis en al heb ik het hier beneden ook nog zo goed, ik kan toch niet langer blijven, ik moet weer naar boven, naar mijn familie.’ Vrouw Holle zei: ‘Het doet mij plezier dat je weer naar huis verlangt en omdat je mij zo trouw ge­diend hebt, zal ik je zelf weer naar boven brengen.’ Daarop nam zij haar bij de hand en bracht haar tot voor een grote poort. De poort ging open en juist toen het meisje er­onder stond viel er een stortvloed van goud neer en al het goud bleef aan haar hangen, zodat zij er helemaal mee bedekt was. ‘Dat mag je hebben omdat je zo vlijtig bent ge­weest,’ sprak Vrouw Holle en gaf haar ook de spoel terug die in de put was gevallen. Daar­op werd de poort gesloten en het meisje be­vond zich weer boven, op de aarde, niet ver van het huis van haar moeder; en toen zij het erf opkwam zat de haan op de put en riep:

‘Kukeleku.
Terug is onze gouden jonkvrouw nu.’

Toen ging zij naar binnen naar haar moeder, en omdat zij daar zo met goud bedekt aan­kwam werd zij door haar en door haar zuster goed ontvangen.

Het meisje vertelde alles wat haar overko­men was en toen haar moeder hoorde hoe zij aan die grote rijkdom was gekomen wilde zij haar andere, lelijke en luie dochter graag het­zelfde geluk bezorgen. Zij moest bij de put gaan zitten spinnen; en om haar spoel met bloed te bevlekken, prikte zij in haar vinger en stak haar hand in de doornhaag. Vervol­gens wierp zij de spoel in de put en sprong er zelf ook in. Zij kwam, net als het andere meisje, op de mooie weide en volgde hetzelf­de pad. Toen zij bij de oven kwam riep het brood weer: ‘O, haal mij eruit, haal mij eruit, anders verbrand ik, ik ben allang gaar.’ Het luie meisje antwoordde echter: ‘Denk je dat ik zin heb om mij vuil te maken!’ en ging verder. Spoedig kwam zij bij de appelboom die riep: ‘O, schud mij, schud mij, mijn ap­pels zijn allemaal rijp.’ Zij antwoordde ech­ter: ‘Dank je wel, er zou er eens een op mijn hoofd kunnen vallen’ en met die woorden liep zij verder. Toen zij voor het huis van vrouw Holle kwam was zij niet bang, omdat zij al alles over haar grote tanden had ge­hoord en zij trad bij haar in dienst. De eerste dag deed zij zichzelf geweld aan, was vlijtig en gehoorzaamde Vrouw Holle als ze haar iets opdroeg, want zij dacht aan al het goud dat deze haar zou schenken; de tweede dag begon zij evenwel al te luieren, de derde dag nog meer, toen wilde zij ’s och­tends helemaal niet opstaan. Zij maakte het bed van Vrouw Holle niet op zoals het hoor­de, en zij schudde het niet zodat de veren eruit vlogen. Daar kreeg Vrouw Holle gauw genoeg van en zij zei haar de dienst op. Het luie meisje was daar heel tevreden over en dacht dat nu de goudregen wel zou komen; Vrouw Holle bracht haar ook naar de poort. Toen zij daar echter onder stond werd er in plaats van goud een grote ketel vol pek over haar uitgestort: ‘Dat is de beloning voor je diensten.’ zei Vrouw Holle en zij deed de poort dicht. Toen kwam het luie meisje thuis, zij was echter helemaal met pek bedekt en de haan op de put riep, toen hij haar zag:

‘Kukeleku,
Terug is onze vuile jonkvrouw nu.’

Het pek bleef echter aan haar kleven en het ging er zo lang zij leefde, niet meer af.

Vrouw Holle

In de sprookjesbundel van de gebroe­ders Grimm, komt een sprookje voor met de titel Vrouw Holle. Het begint als volgt: ‘Een weduwe had twee doch­ters; de ene was mooi en vlijtig, de an­dere lelijk en lui. Maar zij hield veel meer van de lelijke en luie, omdat die haar eigen dochter was en de andere moest al het werk in huis doen…’

Het sprookje vertelt verder hoe het mooie meisje elke dag aan de weg moet zitten spinnen, zóveel, dat het bloed uit haar vingers springt en ook hoe zij de spoel van bloed wil schoon wassen en hem in de put verliest. Wan­neer zij dit huilend komt vertellen aan haar stiefmoeder, zegt deze onbarm­hartig: ‘Als jij je spoel in de put hebt laten vallen, moet je hem er weer uit­halen ook!’
In haar angst springt het meisje in de put en verliest haar bewustzijn. Wan­neer zij ontwaakt en tot zichzelf komt, is zij in een weide waar de zon schijnt en duizenden bloemen bloeien. Zij gaat op weg en vindt enkele taken op haar pad: een oven met gaar brood en een appelboom met appels. Zij haalt het brood uit de oven en plukt de ap­pels van de boom. Na verloop van tijd komt zij bij het huisje van Vrouw Hol­le.

Nu kan men zich afvragen waar zich dit gebied van Vrouw Holle bevindt. Is het een onderaards rijk, waarin zij te­recht is gekomen? Het meisje is naar beneden gesprongen, de put in en juist als zij in de grootste benauwenis ver­keert en denkt dat er geen uitweg meer is, blijkt er een toegangspoort tot een weide te zijn. De put wordt een poort. Alleen weet het meisje niet hóe zij door de poort gaat, want zij verliest het bewustzijn en wordt ergens anders wakker. Vrouw Holle wordt beschreven als een oude vrouw met grote tanden. Aanvan­kelijk is het meisje bang voor haar, maar zij overwint haar vrees en treedt bij Vrouw Holle in dienst. Zij moet hard werken om het huisje schoon te houden en de dekbedden flink schud­den, zodat de veren in het rond vlie­gen: ‘dan sneeuwt het in de wereld.’
Nu moeten wij wel bewegelijk en soe­pel worden in onze gedachtegang: het rijk dat eerst onderaards leek te zijn, blijkt nu een oord te zijn waar de sneeuwvlokken vandaan komen, die op aarde neerdalen. Het meisje heeft het goed bij Vrouw Holle, maar na een tijdje krijgt zij heimwee en wil zij weer naar huis. Vrouw Holle brengt haar zelf ‘naar boven’, naar een poort en wanneer zij daar doorheen gaat, stroomt er goud over haar heen, dat aan haar blijft kle­ven. Ook krijgt zij van Vrouw Holle haar spoel terug. Zij komt weer op aarde, vlak bij haar eigen huis, bij de put waar nu de haan op de rand zit en haar welkom heet: ‘Kukeleku, onze gouden jonkvrouw zien we nu!’

Dan krijgen we dit hele avontuur nog eens, maar allemaal een beetje anders. Het stiefzusje wordt er nu op uit ge­stuurd om met goud thuis te komen. Zij komt ook bij Vrouw Holle, maar zonder te werken. Je zou kunnen zeg­gen dat zij vals speelt. Zij spint niet, maar prikt zich in de vingers en smeert het bloed aan de spoel. Zij laat de ta­ken van brood en appels ongedaan. Zij kan het niet laten sneeuwen. Toen zij nog bij haar moeder was heeft zij niet gewerkt en bij Vrouw Holle kan ze het niet meer leren. Ten slotte komt ze met pek bedekt weer thuis. In dit deel van het verhaal heerst een onwerkelijke stemming. Alles speelt zich veel sneller af dan de eerste keer, omdat de blik van het meisje steeds gericht is op het resultaat van haar verblijf bij Vrouw Holle. Je zou haar kunnen beschouwen als de schaduw van de eerste tocht, zoals je haar kunt beschouwen als de schaduw van het lichte, gouden meisje. Wij moeten niet denken dat deze zusjes twee verschillende personages zijn. Veeleer zijn zij twee aspecten van de mensenziel, waartoe ook de moeder en de haan behoren.

Maar wie is nu Vrouw Holle? Nu zij wij gelukkig niet alleen op dit sprookje aangewezen om een antwoord te vinden op deze vraag. Er bestaat een bundel sprookjes en sagen, geheel aan Vrouw Holle gewijd en verzameld door Karl Paetow*, waaruit wij een duidelijk beeld kunnen krijgen. Hierin komen wij Vrouw Holle tegen onder verschillende namen, in verschillende gedaanten en werkzaamheden.

.

[1] Sprookje nr. 24 van Grimm, uitgave Lemniscaat, Rotterdam.
Beschrijving van het sprookje in deze uitgave:

24.Vrouw Holle
Frau Holle
Uit Westfalen en Hessen
Grimm geeft in zijn commentaren een hele rij sprookjes die op Vrouw Holle lijken, maar andere avonturen geven van het leven onder de bron, één zelfs verwant met Hans en Grietje in het broodhuisje.
Dr. W.C. de Graaf: ‘Geneeskunde door de eeuwen heen’ geeft van de vlier (Du. Hollunder) andere namen: holderterre, holluntaar. Hij noemt het een boom die gewijd is aan Vrouw Holle, godin van de aarde en van leven en dood.
Zij gaf haar naam aan de onderwereld (hel). Haar feest werd gevierd op 2 februari, later Maria Lichtmis.
Door sommigen wordt dit sprookje in verband gebracht met de reïncarnatiegedachte. Vrouw Holle speelt haar rol tussen dood en geboorte, de stiefmoeder heeft de hoofdrol tussen geboorte en dood. Als het sneeuwt zeggen de mensen in Hessen nog: ‘Frau Holle macht ihr Bett.’
Dit sprookje komt voor in de Elzas, Italië (Pentamerone) en Noorwegen.

*Vrouw Holle;  De koningin van de Rosentuin

Vrouw Holle – Beatrijs Gradenwitz  (138)

.

Sprookjes: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL in beeld: sprookjes

.

209-198

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (1-1)

.
Dr. S.v.d.Heide, Jonas, 06-03-1971
.

DE BEELDENTAAL VAN HET SPROOKJE
.

HET AARDMANNEKE [1]   (verteltijd 13 min.)

Er was eens een rijke koning, die drie doch­ters had die elke dag in de slottuin gingen wandelen: de koning nu was een groot lief­hebber van allerlei mooie bomen: en van een ervan hield hij zoveel, dat hij degene die er ooit een appel van plukte, honderd vadem diep onder de aarde verwenste.
Toen het nu oogsttijd was, werden de appels aan die ene boom zo rood als bloed. De drie dochters gingen elke dag onder de boom kijken of de wind soms een appel had afgerukt, maar van hun levensdagen vonden zij er geen, en de boom zat zo vol dat hij op breken stond en de takken hingen tot op de grond. Toen kreeg het jongste koningskind er geweldig veel zin in en zij sprak tot haar zusters: ‘Onze vader heeft ons veel te lief om ons te verwensen: ik geloof dat het alleen maar voor vreemde mensen geldt.’ En ondertussen plukte het kind een heel dikke appel af, sprong naar haar zusters en zei: ‘O, proef nu eens, mijn lieve zusterkens, zo iets heerlijks heb ik van mijn levensdagen nog nooit geproefd.’ Toen beten de beide andere koningsdochters ook in de appel en meteen verzonken zij alle drie zo diep onder de aarde, dat er geen haan meer naar hen kraaide.

’s Middags wil de koning hen aan tafel roe­pen, maar zij zijn nergens te vinden: hij zoekt zowel in het slot als in de tuin, maar hij kan hen niet vinden. Dan wordt hij zielsbedroefd en laat in het hele land omroepen, dat wie zijn dochters terugbrengt een van haar tot vrouw zal krijgen. Toen trokken vele jonge mannen het veld in om overal te zoeken, want ze hadden allen veel van de drie kinde­ren gehouden, die altijd vriendelijk waren voor iedereen en ook zo lief om te zien. En er trokken ook drie jonge jagers op uit en toen die zowat acht dagen gereisd hadden, kwa­men ze bij een groot slot met mooie zalen en in één kamer is een tafel gedekt waar heer­lijke zoete spijzen op staan, die nog zo warm zijn dat ze dampen; in het hele slot is evenwel geen mens te horen of te zien. Daar wachten zij nog een halve dag en de spijzen blijven maar warm en blijven dampen: ten slotte worden zij zo hongerig dat zij gaan zitten eten, en zij spreken samen af dat zij in het slot zullen blijven wonen en erom zullen lo­ten wie thuis zal blijven, terwijl de beide an­deren de dochters zoeken: dat doen ze ook en het lot treft de oudste. De volgende dag gaan de twee jongsten zoeken en de oudste moet thuis blijven. ’s Middags verschijnt er een klein, klein manneke en smeekt om een stukje brood: de jager neemt het brood dat hij daar had gevonden en snijdt er rondom een stuk van af en wil dat aan hem geven; terwijl hij het hem aanreikt laat het kleine manneke het vallen en vraagt of hij zo vriendelijk wil zijn hem het stukje terug te geven. Maar als hij dat wil doen en zich bukt, pakt het manneke op hetzelfde ogenblik een stok, grijpt hem bij zijn haar en geeft hem een flink pak slaag. De volgende dag is de tweede thuis gebleven, die vergaat het niet beter. Als de beide anderen ’s avonds thuiskomen, zegt de oudste: ‘Nou. hoe is het je gegaan?’ – ‘O. het gaat mij heel slecht.’ Toen klaagden zij elkaar hun nood, maar aan de jongste vertelden zij er niets over, die mochten zij helemaal niet lijden en zij noemden hem altijd domme Hans, omdat hij niet helemaal met zijn benen op de grond stond. De derde dag bleef de jongste thuis, dan komt het kleine manneke weer om een stukje brood vragen; als hij het hem heeft gegeven laat hij het weer vallen en vraagt of hij zo vriendelijk wil zijn hem het stukje terug te geven. Dan zegt hij tegen het man­neke: ‘Wat! kun jij dat stuk niet zelf oprapen: als je zelfs die moeite niet wilt doen voor je dagelijks voedsel, ben je ook niet waard het op te eten.’ Dan wordt het manneke erg boos en zegt dat hij het moet doen: maar hij, ook niet lui, pakte het lieve manneke beet en gaf hem een flink pak slaag. Toen schreeuwde het manneke het uit en riep: ‘Houd op, houd op en laat me los, dan zal ik je zeggen waar de koningsdochters zijn. ‘Toen hij dat hoorde, hield hij op met slaan en het manneke vertelde dat hij een aardmanneke was, dat er meer dan duizend waren zoals hij en hij moest maar eens met hem meekomen, dan zou hij hem wijzen waar de koningsdochters waren. Dan wijst hij hem een diepe bron,  maar er is geen water in. Het manneke zegt dat hij wel weet dat zijn metgezellen het niet eerlijk met hem menen; wanneer hij de ko­ningskinderen wilde verlossen, moet hij het alleen doen. De beide andere broers wilden ook wel graag de koningsdochters terug heb­ben, maar zij hebben er geen moeite en ge­vaar voor over; hij moest een grote mand nemen en er met zijn hartsvanger en een bel in gaan zitten en zich naar beneden laten zakken: beneden waren drie kamers, in elk daarvan zat een koningskind met een draak met vele koppen die ze moest ontluizen; die moest hij zijn koppen afslaan. Toen het aard­manneke dat alles had gezegd, verdween het. Als het avond is, komen de beide anderen en zij vragen hoe het hem is gegaan: dan zegt hij: ‘O. wel goed.’ Hij had geen mens gezien, alleen ’s middags was er een heel klein man­neke gekomen die hem om een stukje brood had gevraagd: toen hij het hem gegeven had, had het manneke het laten vallen en gezegd, of hij zo goed wou zijn het voor hem op te rapen: toen hij dat niet had willen doen, was het begonnen op te spelen, maar dat was aan het verkeerde adres geweest en hij had het manneke een pak slaag gegeven en toen had die hem verteld waar de koningsdochters wa­ren. Toen ergerden die twee zich groen en geel. De volgende morgen gingen zij samen naar de bron en lootten wie het eerst in de mand zou gaan zitten; toen viel het lot weer op de oudste, hij moest erin gaan zitten en de bel meenemen. Dan zegt hij: ‘Als ik bel, moe­ten jullie mij snel weer naar boven trekken. Toen hij pas een klein eindje was gezakt, belde hij al en zij trokken hem weer naar boven; daarop ging de tweede erin zitten, die deed net zo; nu komt de jongste aan de beurt, maar die laat zich helemaal tot beneden toe zakken. Als hij uit de mand is geklommen, neemt hij zijn hartsvanger en gaat voor de eerste deur staan luisteren: daar hoort hij de draak heel luid snurken. Hij doet langzaam de deur open, daar zit de ene koningsdochter en heeft op haar schoot negen drakenkoppen liggen die zij aan het ontluizen is. Hij neemt dan zijn hartsvanger en slaat toe en de ne­gen koppen zijn eraf. De koningsdochter sprong op en viel hem om de hals en omhels­de en kuste hem, en zij neemt haar borstsie­raad dat van zuiver goud is en hangt hem dat om. Dan gaat hij ook naar de tweede koningsdochter die een draak met zeven kop­pen te luizen had en verlost die ook en naar de jongste die een draak met vier koppen te luizen had, daar gaat hij ook heen. Toen wa­ren zij allemaal zo blij en zij omhelsden en kusten hem zonder ophouden. Toen belde hij zó hard, dat ze het boven hoorden. Hij zet dan de ene koningsdochter na de andere in de mand en laat ze alle drie naar boven trek­ken; toen hij nu zelf aan de beurt was, scho­ten hem de woorden van het aardmanneke weer te binnen, dat zijn metgezellen het niet goed met hem meenden. Dus neemt hij een grote steen die daar ligt en legt die in de mand; als de mand zo ongeveer halverwege is, snijden de valse broers boven het touw door, zodat de mand met de steen op de grond valt; zij dachten dat hij nu wel dood was en lopen met de drie koningsdochters weg en laten hen beloven om tegen hun va­der te zeggen dat zij beiden hen hadden ver­lost; zo komen ze bij de koning en vragen hen tot vrouw. Intussen loopt de jongste jager diepbedroefd in de drie kamers rond en hij denkt dat hij nu wel zal moeten sterven; daar ziet hij aan de wand een rietfluitje hangen en zegt: ‘Waarom hang jij daar eigenlijk, hier kan toch niemand vrolijk zijn?’ Hij bekijkt ook de drakenkoppen en zegt: ‘Jullie kunt mij ook niet helpen.’ Hij loopt zolang heen en weer dat de aarden vloer er helemaal glad van wordt. En ten slotte komt hij op andere gedachten, hij neemt het rietfluitje van de wand en blaast een wijsje; opeens komen er een heleboel aardmannekes te voorschijn; bij elke toon die hij blaast, komt er een bij – dus blaast hij dat wijsje net zolang tot de kamer propvol is. Nu vragen ze allen wat hij wenst; hij zegt dat hij graag weer naar het daglicht wil op de aarde; ze pakken hem dan met zijn allen beet, elk aan een van de haren die hij op zijn hoofd heeft, en zo vliegen zij met hem naar boven tot op de aarde. Als hij boven is, gaat hij terstond naar het koningsslot waar juist de bruiloft met de ene koningsdochter zal gehouden worden, en hij gaat naar boven naar de kamer waar de koning met zijn drie dochters zit. Als de kinderen hem zien, vallen zij in zwijm. Daar wordt de koning zo boos om dat hij hem meteen gevangen laat zetten, want hij denkt dat hij de kinderen kwaad heeft gedaan. Maar als de koningsdochters weer zijn bijgekomen smeken zij dringend hem toch weer vrij te laten. De koning vraagt hun waarom; dan zeggen zij dat zij dat niet mogen vertellen, maar de vader zegt dat zij het dan maar aan de kachel moeten vertel­len. Hij gaat dan buiten aan de deur staan luisteren en hoort alles. Dan laat hij de beide broers aan de galg ophangen en aan de an­dere geeft hij de jongste dochter. En toen trok ik een paar glazen schoenen aan en stootte ze aan een steen: toen zei het: ‘Klink!’ en toen waren ze kapot.

DE BEELDENTAAL VAN HET SPROOKJE
.

Paradijs en zondeval
Het sprookje van het Aardmannetje (nr. 91) van de Sprookjes van Grimm in de uitgave van De Haan) vertelt van een rijke koning, die drie dochters heeft. Deze dochters wan­delen elke dag in de tuin van het paleis, waar veel mooie bomen in staan. Eén boom draagt prachtige appels ‘zo rood als bloed’, maar juist van deze boom heeft de koning gezegd, dat als iemand ‘daar maar één ap­peltje van plukte’, hij hem honderd vadem diep onder de aarde wenste.
De meisjes zoeken elke dag onder die boom, of de wind niet een appel heeft afgewaaid. Maar tevergeefs! Op een keer, in de herfst, krijgt de jongste dochter er zo’n zin in, dat ze tegen haar zusters zegt: ‘Onze vader houdt veel te veel van ons, dat hij ons iets kwaads zou toewensen: ik geloof dat hij dat alleen maar gezegd heeft met het oog op vreemden’.
Zij plukt een heel dikke appel af en zegt: ‘O proef nu eens, lieve zusjes, nu heb ik toch van mijn leven niet zo iets lekkers geproefd’. Dan bijten ook de andere twee prinsessen in de appel ‘en toen verzonken ze alle drie diep onder de aarde, en er kraaide geen haan naar’.

Het beeld van het oude paradijsverhaal staat voor onze ogen: de mens grijpt naar ­de vruchten van de boom der kennis, wordt uit de beslotenheid van het goddelijk para­dijs verstoten en gekluisterd aan het leven op aarde.
Dit is de grote lijn in beide ver­halen.
Typerend voor het sprookje is echter het beeld van de drie prinsessen. Het zielenelement van de mens verschijnt in drievoud. Het ‘oudste’ vermogen van de mens is zijn denken. Oud, omdat het ’t meest doorvormd, ’t meest concreet is. Oud ook in dit opzicht, dat het fysieke instrument, de hersenen, het minst doorleefde deel van het menselijk lichaam is. In het voelen is de mens jonger, levender, spontaner, minder concreet: het leeft in het middengebied van borst, hart en longen. Het jongst is het wil­len: het minst bewuste, het meest onbereken­bare deel van de mens.

In het sprookje kunnen we iets van deze driedeling bevestigd zien. Het blijkt dat de oudste dochter door een draak met negen, de middelste door een draak met zeven, en de jongste door een draak met vier koppen bewaakt wordt.
Het denken leeft in de wijd­heid van de negen, het getal van de hemelse hiërarchische ordening zoals Dionysios Areopagita die kende; in het gevoel leeft de orde van de zeven, die we kennen in de zeven grondtonen, de zeven grondkleuren; en door de wil bewegen we ons in de vier windrichtingen op aarde.
De jongste dochter is de actieve, die de appel afplukt, maar toch ligt juist hier het grote verschil met het Bijbelse scheppings­verhaal. Zij plukt de appel af in het volle vertrouwen op de liefde van de vader, en zij, de jongste, wordt in dit vertrouwen niet be­drogen! Zij verzinkt niet in het onderaardse. Dat gebeurt pas als de andere twee in de appel bijten.
Is er een beter beeld te be­denken voor de menselijke ziel, die ondanks twijfel in het denken en verscheurdheid in het gevoelsleven, zich in haar wilsleven toch geborgen weet in haar verbondenheid met een hogere bestemming? Het is dan ook de jongste dochter, die met haar bevrijder het rijk van haar vader erft.

De drie jagers
Als in het sprookje van het Aardmannetje de drie koningsdochters in het onderaardse verdwenen zijn doordat zij van de verboden boom hebben gegeten, belooft de koning zijn dochters tot vrouw aan wie hen weet te bevrijden.
Drie jagers trekken erop uit. Na acht dagen komen zij aan een groot kasteel en vinden daar een tafel gedekt, voorzien van heerlijke spijzen, die nog zo warm zijn dat ze dampen, hoewel er in het hele slot geen mens te horen of te zien is. Ze wachten nog een halve dag. De gerechten blijven warm en dampen nog steeds. Dan zijn ze zo hongerig geworden, dat zij aan tafel gaan en eten. Ze besluiten op het kasteel te blijven en om beurten met zijn tweeën de dochters te gaan zoeken.

Tegenover het zielselement van de drie dochters hebben we in de drie jagers het beeld van de geest van de mens, die zich voelt opgeroepen om tot die diepe geheimen van deze wereld door te dringen. In welk gebied zijn de jagers doorgedrongen? Waar vinden we het gebied waar de spijzen steeds warm op tafel staan? Het is het gebied van de pure levenskrachten. Overal in de natuur beleven we iets van die onverwoestbare krachten die steeds ‘dampende warmte’, steeds nieuw leven produceren.

Het is typerend voor de Middeneuropese mens, dat hij, althans in zijn oorspronkelijke zielsgesteldheid, met een zekere schroom te­genover het mysterie van het leven staat: ‘zij wachten nog een halve dag’. In het Vlaamse parallelsprookje van ‘De dappere sergeant’ vallen de drie zonder dralen op het eten aan: de Westeuropese mens dringt onbeschroomd en direct door in wat zich aan hem voordoet. En wel met een wakker bewustzijn: ‘zij begrepen dat het een beto­verd kasteel was,’ vertelt dit sprookje ons.

Hoe anders is daartegenover het beleven van de Russische mens! In het sprookje van Zorjka, Wetsjorka en Poloenotsjka komen de drie broers na een lange tocht in een verlaten hutje met een stal vol schapen er­naast. Deze drie broers zijn koningszonen, de drie prinsessen dochters van de sultan van Indië. De Russische ziel kent de konink­lijke oorsprong van de menselijke geest, en uit dat perspectief gezien, is het mysterie van het leven slechts een hutje.

De drie jagers vertegenwoordigen in het geestgebied wederom de drie krachten van denken, voelen en willen. Dat wordt in het verdere verhaal duidelijk, wanneer het de jongste blijkt te zijn — ‘ze hadden hem altijd domme Hans genoemd’ — die in staat is in de diepte door te dringen en de prinsessen te bevrijden. In het Russische sprookje is dat uitgedrukt in de namen Zorjka, de zoon van de werkster, die bij de dageraad geboren is, Wetsjorka, de zoon van de hofdame, die in de avond geboren is, Poloenotsjka, de zoon van de koningin, die te middernacht geboren is (zij groeien alle drie op als koningszonen): in de dageraad werkt onze wil, in de avond ons voelen, te middernacht kunnen zich de diepste gedachten ontplooien.

De drempelwachter
De drie jagers. die — in het sprookje van het Aardmannetje – op zoek zijn gegaan naar de drie verdwenen prinsessen en die uit het kasteel waar de spijzen dampend op tafel staan, twee aan twee erop uittrekken om de omgeving te verkennen, maken in dit slot kennis met een heel wonderlijk manne­tje: het was ‘zo’n klein, klein mannetje’; in het overeenkomende Russische sprookje is hij niet groter dan de nagel van een duim, maar heeft een geweldige baard. Dit mannetje verschijnt alleen als één van de drie al­leen is. Dan vraagt hij om een stukje brood, maar als het hem gegeven wordt, laat hij het vallen en dringt erop aan, dat het voor hem wordt opgeraapt. De oudste en de tweede jager geven hier gehoor aan, maar op het moment dat zij zich bukken, maken ze kennis met zijn werkelijke kracht: hij neemt een stok, grijpt hen bij de haren en geeft hun een geducht pak slaag. Alleen de jongste, aan wie de ouderen niets van hun ervaringen hebben verteld, weerstaat het mannetje, hij weigert het stukje brood op te rapen en, als het mannetje zich vreselijk kwaad maakt, pakt hij het beet en slaat er flink op los. Het mannetje smeekt om zijn leven en zegt: ‘dan zal ik je ook zeggen waar de prinsessen zijn.’ Het wijst hem een diepe put, waarin hij ‘met een hartsvanger en een bel’ in een mand moet afdalen; dan beschrijft het hoe hij daar beneden de prin­sessen zal vinden en kan bevrijden, en waarschuwt hem de tweede andere ‘broers’ (zegt het sprookje hier) niet te vertrouwen.
In dit wonderlijke kasteel, waar de spijzen steeds dampend warm op tafel staan, in dit onuitputtelijke gebied van de levenskrachten, ontmoeten de drie jagers een kracht, die hen om beurten op de proef stelt. In feite worden zij beproefd, of zij waarheid en schijn — alsof het mannetje niet zelf het brood kon oprapen — kunnen onderscheiden. De beide oudsten, die wij kunnen zien als de vertegenwoordigers van het verstand en het gevoel, zijn daartoe niet in staat. In de jongste kracht, de wil, ligt deze tref­zekerheid. Daarom is het aan hem, dat het mannetje vertelt waar en hoe de prinsessen te vinden zijn.

Wie is deze drempelwachter in het gebied van de levenskrachten? Het is een wezen dat nauwkeurig het lot van de aan de aarde ge­kluisterde, menselijke zielenkrachten kent. Ja, het Russische sprookje van Zorjka en Po­loenotsjka weet ons zelfs te vertellen, dat dit mannetje hetzelfde wezen is, dat de ver­dwijning van de drie prinsessen heeft be­werkt. Maar het wonderlijke is, dat in het Russische sprookje het mannetje een veel minder opvallende rol speelt. Hij is slechts een stap op de weg die de drie broers afleg­gen: zij moeten nog een uiteenzetting heb­ben met Poljanin de Witte, de gewetenloze snoever, en met Baba Jaga, de met doodskrachten omhulde, voordat zij het punt be­reiken waar zij kunnen afdalen naar de ver­borgen prinsessen. Het Duitse sprookje, en ook het Vlaamse parallel ervan, kennen de krachten in de wereld, die het boze vertegenwoordigen, maar tegelijkertijd de positieve opdracht hebben om de mens op de weg tot zijn hogere bestemming te brengen. Maar zij kennen ze slechts in enkelvoudige vorm. De Russische ziel toont in het sprookje van Zorjka, Wetsjorka en Poloenotsjka een be­wustzijn van de geleding van het boze op aarde in zeer verschillende aspecten.

De afdaling in de onderwereld
In alle streken van Europa, van Rusland tot Portugal, van Sicilië tot Denemarken, van Griekenland tot Vlaanderen, zijn sprookjes te vinden, die evenals het sprookje van het Aardmannetje de afdaling in de onderwe­reld beschrijven, waarin drie prinsessen ge­vangen worden gehouden. Het zijn drie ja­gers, broers, prinsen of oersterke kerels, die zich, op zoek naar de drie prinsessen, voor de noodzaak zien gesteld om in een donkere, diepe put af te dalen.
Van de drie oerver­mogens van de menselijke geest, het denken, voelen en willen, is het in de meeste sprook­jes het willen, dit minst bewust ontwikkelde vermogen (daarom de ‘jongste’ broer), dat de moed opbrengt om zo diep in het aardse gebied af te dalen, dat het de gekluisterde zielskrachten kan bereiken. Hierdoor ont­staat echter een spanning tussen de beide oudere broers, die in hun streven minder moed hebben, maar ook minder betrouw­baar zijn, en de jongste broer.

Het is ongetwijfeld een heel sprekend beeld: een sterke wilskracht is nodig voor elke geestelijke ontwikkeling, die tot een ‘bevrijding’, tot een vrije ontplooiing van de diepste zielskrachten leidt. En even waar is het, dat het denkende verstand in zijn slim­heid van mindere morele kwaliteit kan zijn, en dat het gevoel een neiging tot egoïsme in zich draagt. Maar aan de andere kant is de sterke nadruk op het wilsleven en op de wilsactiviteit een typisch westerse neiging. Tenslotte zal het toch voor een totale ont­plooiing van het mensenwezen noodzakelijk zijn, dat ook denken en voelen de ‘afdaling’ volbrengen. Deze toekomst schemert door in het Russische sprookje van Zorjka, Welsjorka en Poloenotsjka en in het Sloweense sprookje van De drie broers en de drie dochters: in beide verhalen volbrengen de broers alle drie de gevaarvolle afdaling.
Even diepgrijpende verschillen zien we in de schildering van de ‘onderwereld’. In de westelijke landen spreken de sprookjes slechts van vertrekken of zalen, waarin de prinsessen gevangen gehouden worden. Dat geeft een sombere indruk. Zo niet het zui­den van Europa: een Siciliaans sprookje spreekt van ‘een mooie tuin’, het Griekse sprookje van ‘De goudappelhoom’ en de hellevaart ziet in deze onderwereld zelfs ‘een prachtig kasteel met een grote tuin waarin het mooiste lente was’. Hier is in beelden uitgedrukt, dat de gevaarvolle afda­ling op zichzelf, nog afgezien van de eigen­lijke bevrijding, reeds tot een wereld van grotere schoonheid leidt. Het sterkst wordt deze wereld beleefd in het Sloweense sprookje van ‘De heldhaftige smid’: deze smid, gewapend met een grote ijzeren paal, staat na de afdaling voor een zwaar ge­grendelde deur. Die slaat hij met zijn paal in stukken en voor zijn verwonderde ogen verschijnt: ‘een nieuwe aarde’.
Op deze nieuwe aarde staan drie kastelen, waarin de drie prinsessen gevangen zijn: een zilveren kasteel, een gouden en een, dat ‘zo glanzend is dat het niet aan te zien is’.
Deze driedeling kent ook het Vlaamse sprookje van ‘De dappere sergeant’. Daar geeft de oudste prinses haar bevrijder een zakdoek met een zilveren ster, de tweede een gouden appel en de jongste een zakdoek met zeven diamanten sterren erin verwerkt en met haar naam en de naam van haar vader. De drie kastelen en de drie gaven weerspiegelen de zuiver zilveren, spiegelen­de en weerspiegelende kracht van het den­ken, de gouden volheid van het voelen en de diamanten klaarheid en kracht van het reine willen.

Terugkeer en bruiloft
De terugweg van de man, die in de aarde is afgedaald om de drie prinsessen te bevrijden, wordt in het sprookje van het Aardmannetje en in talrijke verwante sprookjes op de meest verschillende wijzen geschilderd. In Indische sprookjes (van de Kalmukken en uit Bangalen) bevrijdt de held zich uit de onderwereld door zaad te planten en te wachten tot de boom zo groot is geworden, dat hij erin naar boven kan klimmen. In India is de boom (de Bodhi-boom van Boeddha; men denke ook aan de vijgenboom aan het einde van het eerste hoofdstuk van het Johannes-evangelie) het beeld van de in­nerlijke ontwikkeling waardoor de mens toe­gang tot een hogere wereld verkrijgt. Dit maakt ons duidelijk, dat de ‘terugkeer’ in deze verhalen geen terugkeer op aarde, maar terugkeer in een hogere wereld is. Dat wordt in Europa in heel andere, niet minder spre­kende beelden gekleed. In vele gevallen is het een geweldige vogel, die de overwinnaar omhoog draagt. Maar die vogel moet met vlees gevoed worden, en wanneer het meege­nomen vlees niet voldoende is, moet het eigen vlees worden geofferd. Bereikt de held zo de hogere wereld, dan vindt hij daar ook genezing.
Nu ontstaat er bij de terugkeer een conflict. Drie broers zijn erop uitgetrokken om de verdwenen prinsessen te zoeken, maar meestal heeft alleen de jongste moed gehad om in de diepe put af te dalen en de be­wakende draken of reuzen te verslaan. Wan­neer hij dan de drie meisjes omhoog heeft laten trekken, wordt hij zelf in de steek ge­laten: het touw wordt doorgesneden. Bij zijn niet meer verwachte terugkeer in de boven­wereld vindt hij daar de beide andere broers, die zich voor de bevrijders hebben uitgege­ven en het bruiloftsfeest al vieren. De ko­ning laat dan in het sprookje van het Aard­mannetje, de beide oudsten genadeloos op­hangen. De jongste broer trouwt met de jongste prinses en erft het koninkrijk.

Denken wij aan de drie menselijke vermogens van denken, voelen en willen, waar­van de beide oudste broers de eerste twee ­en de jongste de laatste representeert, dan begrijpen we de relatieve juistheid van deze beeldentaal: het is de wil, die de mens in staat stelt tot in aardediepten af te dalen en de aan deze diepten gekluisterde zielenkrach­ten te bevrijden.
Toch blijft er iets onbevre­digends in dit sprookjesbeeld: de oudste broers zijn opgehangen, over de beide oudste prinsessen wordt met geen woord meer ge­rept. Het is waar, dat ‘door de wil de wereld voorwaarts wordt gebracht’ (zoals de oud-Perzische Avesta zegt), maar even waar is het, dat een geringschatting van denken en voelen ertoe kan leiden, dat een ongelouterde wil onreine zielenkrachten ‘naar boven’ brengt.
De recente Duitse geschiedenis heeft dat duidelijk getoond.

In het Vlaamse sprookje is de bedrogen overwinnaar edelmoedig, hij vergeeft zijn beide kameraden hun ontrouw. Zij trouwen met de twee oudste prinsessen. Als beeld is ook dit niet helemaal bevredigend; het is te slap. Weerspiegelt het niet iets van de westerse mentaliteit, die zich de gevaren van onbetrouwbaarheid van verstand en gevoel niet voldoende bewust is?
In twee Sloweense sprookjes ademt het einde van het verhaal een heel andere sfeer. Daar zijn, in het ene verhaal, de drie broers alle drie afgedaald, maar als de anderen al zijn teruggekeerd, slaat een vallende steen een groot gat en daarin daalt de jongste broer nu verder af. In een tweede onder­wereld vindt en bevrijdt hij op bijzondere wijze de ‘wilde vrouw’, die de drie meisjes had geroofd. Hij trekt dan verder en komt bij een kasteel, waar bruiloft gevierd wordt. Hij danst met de jongste dochter, die hem bij haar bevrijding een zakdoekje heeft ge­schonken, waarin haar naam met rood ga­ren geborduurd was. Als hij zich met dit zakdoekje het voorhoofd afwist, herkent zij hem. Nu pas herkent hij ook zijn broers. Hier wordt een weg afgelegd door een gro­tere diepte, waardoorheen dan de ‘bovenwereld’ bereikt wordt. Tegelijkertijd heeft er kennelijk een metamorfose plaats gehad. Deze metamorfose vinden we nog duidelij­ker uitgesproken in het tweede sprookje. Daar is alleen de smid afgedaald. De beide andere oersterke kerels beginnen bij het op­halen van de prinsessen zo hard te vechten om het jongste en mooiste meisje, dat ze de smid vergeten. Wanneer deze zelf de weg naar de bovenwereld heeft gevonden, schrik­ken zij geweldig en houden op met vechten. Daarna trouwen ze alle drie ‘en zij verande­ren in mooie, geheel in zijde geklede, jonge mannen’. Deze sprookjes kennen de meta­morfose, die de hele mens in de drievoud van zijn vermogens moet volbrengen. Zij kennen de wil als drijvende kracht, niet alleen om de Weg te vinden, maar ook om de diepgelegen kern van het boze te verlossen.
.

[1] Het aardmanneke, sprookje nr. 91 van Grimm, uitgave Lemniscaat, Rotterdam.

91. Het aardmanneke- das Erdmännlein
Uit Paderborn
In dialect geschreven.
Het eerste deel van het sprookje is verwant met het paradijsverhaal. Het aardmannetje is de kwade macht die herkend wordt omdat hij geen achting heeft voor het dagelijks brood. (Zie het Onze Vader)
Het overwinnen van de draken met 9, 7 en 4 koppen, samen 21, het getal van de volwassenheid.
Zie getallensymboliek in Schuurman: ‘Er was eens…en er is nog.’
Dit sprookje is zeer verwant met de verlossing van Krimhilde op de Drachenstein.

.

Sprookjes: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: sprookjes

 

208-197

.

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St. Jan (29)

.
Henk Sweers, ‘Jonas’ nr. 22, 21 juni 1985
.

JOHANNES, PROFEET VAN DE INKEER
.

Sint- Jan betekent buiten feest vieren, rondom een Sint-Jansvuur. Het zou kunnen voldoen aan het droombeeld dat velen hebben van Het Feest: een glooiend grasveld aan een bosrand, een stralend blauwe hemel, mensen en kinderen met lichte kleren, met bloemen getooid en dansend in wijde kringen. In de praktijk blijkt het vieren van een speels buitenfeest niet altijd gemakkelijk. De magische toverkrachten die van oudsher aan de Sint-Jansnacht worden toegeschreven, worden niet meer als spannende realiteiten ervaren. Het is deze kloof tussen mens en natuur, die – aldus Henk Sweers – zijn afspiegeling vindt in de kloof tussen de aardse mens en zijn geestelijke identiteit.

Wat maakt de mens tot mens en onder­scheidt hem van andere levende we­zens? Dat hij bewustzijn heeft van zichzelf. Ik ben mij bewust, dat ik hier op dit moment naar een groot Sint-Jansvuur sta te kijken. In deze laatste zin is tweemaal sprake van ‘ik’. Het ene ik is zich van het andere ik bewust. Dat kan niet een en hetzelfde ‘ik’ zijn, want om je van iets bewust te kunnen worden moet je er afstand van nemen, moet je er als het ware buiten staan. Het eerste ik is niet aan mijn persoontje gebonden, dat ergens op aarde is geboren en opgegroeid en hier nu staat te kijken naar een vuur. Het tweede ik is identiek met mijn persoon, die een naam heeft en die tegen zichzelf ‘ik’ zegt. Wanneer bedoel ik met ‘ik’ het eerste ik en wanneer het andere? Laten we het tweede mijn per­soon en het eerste mijn persoonlijkheid noe­men. Is die buiten mijn persoon staande persoonlijkheid een abstractie of is zij een reali­teit? Voor mijn persoonlijkheid hangt van het antwoord op deze vraag de zin van haar bestaan af. Mijn persoon bestaat zolang mijn lichaam leeft. Maar in hoeverre is dat wat mij tot mens maakt, mijn persoonlijkheid dus, of althans het reflexievermogen op mijzelf, af­hankelijk van mijn persoon. Het omgekeerde is zeker het geval, maar kan mijn persoonlijk­heid ook los van mijn persoon bestaan?

Wat is de vraag die het sterkst opkomt in de hoogzomertijd, nu mijn bewustzijn wordt verdoezeld door zon en zomer, nu ik mij graag overgeef aan de wereld buiten mij en nu mijn persoon genieten wil van natuur en levenslust. Dat was de vraag die Sint-Jan opriep in zijn tijd, toen de aandacht voorna­melijk gericht bleef op het aardse leven en het voortbestaan na de dood ontkend werd of als een diepe, duistere slaap werd be­schouwd. Sint-Jan riep de mensen toe: ‘Be­keert u! Verandert uw gezindheid! Verandert de richting van uw blik! Spoel uw verganke­lijk wezen van u af!’ En hij dompelde het li­chaam van de duizenden, die hem begrepen, onder in het water van de Jordaan, waaruit zij weer oprezen als mensen, die bevrijd wa­ren van de stroom der wereldse beslomme­ringen die de mens benauwt en benart. Mijn mensenwezen beschikt, zolang het op aarde wandelt, in zekere zin over drie werktuigen. Een zintuiglijk waarneembaar lichaam, een geheel van voor mij specifieke, mij opbouwende en in stand houdende le­venskrachten en een iets, dat gevoelens, be­geerten, wensen en verlangens heeft. Dus: een mineraalachtig, fysiek werktuig, een ve­getatief levens-werktuig en een animaal gevoels-werktuig. Die drie zijn één in zoverre zij elkaar doordringen, beïnvloeden en zelfs bewerken. Maar wie hanteert ze? Dat is de persoonlijkheid. Deze is er slechts van afhan­kelijk in zoverre een kunstenaar van zijn ma­teriaal afhankelijk is. Zijn materiaal is tevens zijn beperking. Zolang de persoonlijkheid aan het werk is, identificeert zij zich met haar werktuigen en vormt daarmee een per­soon, waar zij zich achter verbergt en waar­doorheen zij spreekt. Deze persoon is haar werkstuk, haar kunstwerk. Iets wat in de ma­teriële wereld onmogelijk is doet zich hier voor: kunstenaar, werktuigen, materiaal en kunstwerk vormen in zeker opzicht een een­heid. Maar wanneer de persoonlijkheid het werk beschouwt, dan is zij een kunstenaar, die zich van zijn werk tracht te distantiëren en het kritisch probeert te bekijken. Een kunstenaar zonder zelfkritiek is beklagens­waardig, want hij is afhankelijk van het oor­deel van anderen.
Dit moment van kritiek zou je een rustpunt kunnen noemen in de ontwikkelingsstroom van het leven. Zonder zulke momenten is er geen sprake van echt menselijk leven. Zonder zelfbewustzijn en zelfbezinning blijft het le­ven louter zintuiglijk, vegetatief en animaal. Niet het doek, niet de verf maakt het kunst­werk, maar de kunstenaar. Zoals de schilder of de beeldhouwer zich af en toe terug moet trekken om zijn werk in ogenschouw te ne­men, zo moeten er in het mensenleven mo­menten zijn van ommekeer. Bijvoorbeeld ’s avonds voor het inslapen, iedere week op zondag, ieder jaar met Sint-Jan.

Ritme beheerst ons leven, het hele leven van de kosmos. Ritmisch gaat de zon ieder jaar door de zodiak, ritmisch beschrij­ven de planeten en de aarde hun baan, rit­misch wisselen dag en nacht elkaar af. Maar ritmisch klopt ook ons hart en ritmisch ade­men wij in en uit. De klok en het horloge kennen alleen maar maat, een altijd starre herhaling van hetzelfde. Dat noemen wij ‘de tijd’. Maar de werkelijke tijd is het niet. De ware tijd danst! Hij gaat op en neer, hij gaat nu eens sneller, dan weer langzamer. Hij schept de harmonie in alle ontwikkeling. Bij dansen en springen, in iedere ritmische bewe­ging komt steeds een moment van rust, bij­voorbeeld wanneer de voeten weer op de aar­de komen of tijdens de rust tussen uit- en in­ademen in.

Ritme ontstaat daar waar de constante bewe­ging wordt tegengehouden. De aarde ademt in en uit, ieder jaar. Zij ademt uit van Kerst­mis tot Sint-Jan, zij ademt in van Sint-Jan tot Kerstmis. Kerstmis is het ogenblik van rust tussen in- en uitademen, Sint-Jan is dat tussen uit- en inademen. De tijd van uitade­men is min of meer de tijd van zichzelf-verliezen, van opgaan-in-het-werk, van persoons­ontplooiing. De tijd van inademen is de tijd van in-zichzelf-keren, van bezinning op het werk, van het ontwaken van de persoonlijk­heid. Het hoogtepunt van levensactiviteit is de midzomerwende. Beide vormen een soort moment van rust. Zoals Kerstmis drie dagen na midwinter komt, zo komt Sint-Jan drie dagen na midzomer. De aarde is opgegaan in een laaiend feest van leven en vruchtbaarheid. Ook de mensen hebben zich overgegeven aan de extase van de zomer, aan de warmte van de zon en het juichen van de natuur. Vlier, rozen en ontel­bare andere bloemen bedwelmen ons met hun geuren. Nu is het toppunt bereikt. Van­af dit hoogtepunt echter beginnen meteen de dagen korter te worden en de nachten te len­gen. Het duister begint zich meester te ma­ken van het licht.

Is dat voor de mens niet een aansporing om tot zichzelf te komen, om zijn leven op aarde eens onder de loep te gaan nemen? Nu begint de tijd van inkeer. Kerstmis en Sint-Jan verdelen de kring van het jaar in twee helften. In de opstijgende lentehelft vieren wij de Christusfeesten en herdenken wij Christus’ geboorte op aarde, zijn openba­re leven onder de mensen, zijn lijden, zijn kruisdood, zijn opstanding, zijn hemelvaart en de uitstorting van zijn Heilige Geest, de trooster en de leider van ’s mensen aardeleven. Het is het geboortefeest van Jezus van Nazareth, dat de reeks van deze opstijgende feesten inleidt. Wij weten uit het Lucasevangelie dat Johannes, de zoon van Maria’s nicht Elisabeth, zes maanden vóór Jezus werd ge­boren. Hij was Christus’ voorloper en wegbe­reider. Hij predikte ommekeer der zeden. Is Jezus de brenger van liefde en blijvende vreugde, Johannes is de profeet van de in­keer. Zijn geboortefeest leidt de tijd in van bezinning. Het afdalen na het opstijgen, het inademen na het uitademen. In de eerste helft van het jaar moeten wij en­thousiast werken aan ons aardse wezen. Dat moeten wij altijd, maar dan vooral. Dat kun­nen wij alleen goed en harmonisch en kunst­zinnig doen dankzij Christus’ komst op aarde. Op het hoogtepunt van het zonnejaar bieden wij onze persoon aan Hem aan.

Met het Sint-Jansfeest vindt er een om­mekeer plaats. Wij beschouwen ons eigen leven en dat van de wereld en gaan de vele tekortkomingen ervan zien. Naarmate onze geest wakkerder wordt en ons inzicht groeit kunnen wij als mens onze medemens­en en heel de aarde meer steunen en helpen. Maar naar diezelfde mate gaat onze persoon­lijkheid niet alleen haar eigen tekortkomin­gen bemerken, maar gaat zij ook steeds meer de talloze fouten zien in de wereld om haar heen: milieuverwoesting, economische crises, gevaren der derde wereld, falen van de demo­cratie, verval van cultuur, heerschappij van goddeloosheid en ongeloof, oorlog en geweld. Waar komt dit alles uit voort? De bovenzin­nelijke wereld wordt ontkend of genegeerd. Planmatig worden de instinctieve, onderbe­wuste, animale driften losgegooid. Zinnelo­ze behoeften worden gekweekt en ‘geïdoliseerd’. De drugs worden een cultus. Terro­risme viert hoogtij. Het besturen van een staat of een gemeenschap wordt steeds moei­lijker. Allemaal de gevolgen van een onver­zadigbare hebzucht en een ongebreideld egoïsme. Immers onze vergankelijke persoon is altijd gericht op zelfbehoud en eigenbelang. Waar het onvergankelijke wezen van onze persoonlijkheid, die ons bewustzijn en gees­telijk inzicht geeft, niet in staat is om de lei­ding te nemen, daar neemt iets anders bezit van onze persoon. Het ‘metanoëite’, dat Jo­hannes de omstanders toeroept (Mat. 3:1) en dat meestal wordt vertaald met ‘bekeert u’ of ‘verandert uw gezindheid’, betekent letter­lijk: ‘Ziet in. Komt tot inzicht’. En dat is het nu precies wat in onze tijd meer dan ooit noodzakelijk wordt: tot inzicht komen.

Laten wij ons na zo’n warme stralende zo­merdag eens bezinnen op die heerlijke natuur om ons heen. De vanzelfsprekende verbinding, die de mens vroeger had met de natuur, die hem de geheimen influisterde van wezens die in zijn omgeving leven, is heden ten dage verdwenen. De kabouters, de elfen, de waterwezens, de vuurwezens uit de sprookjes worden niet meer als realiteiten aanvaard. Er is een enorme kloof ontstaan tussen de mens en de natuur. Deze kloof is in zekere zin een afspiegeling van de kloof die er gaapt tussen de persoonlijkheid en haar aardse persoon. Het wordt hoog tijd, dat de mens tot inzicht komt en deze kloof tracht te overbruggen. Denken wij ons deze gedach­te goed in, dan moeten wij tegen onszelf zeg­gen: de mens is niet het enige geestelijke we­zen dat op aarde bestaat. Wij zijn geheel en al omgeven door geestelijke wezens. De vast­heid die de aarde ons biedt om te kunnen gaan en te kunnen staan is niet een dode ma­terieklomp. Ons lichaam bestaat voor het al­lergrootste deel uit water. Water is het ele­ment dat voor ons het leven mogelijk maakt. Het is veel meer dan een chemische vloeistof. Wij bewegen ons door de lucht, wij ademen haar in en uit. Zij is niet slechts een chemisch gas, maar ieder zuchtje, iedere wind­vlaag is de openbaring van geestelijke wezens. En waar komt de energie vandaan die het vuur ons geeft?
Wat is dat alles, als wij verder willen kijken dan onze beperkte zintuigen? Wil de mens niet een zeer treurig lot tegemoet gaan, dat zijn leven verdort en vernietigt, dan zal hij bewust inzicht moeten krijgen van dat wat hem in werkelijkheid omgeeft. Zonder dit inzicht zal de mens niet meer verder kun­nen komen en blijven alle maatregelen tot verbetering van het milieu en van de maat­schappij vruchteloze verplaatsingen van symptomen. ‘Komt tot inzicht!’

Waarom bemerken wij die geestelijke wezens niet? Zij trachten in de ele­menten hun werking uit te oefenen, maar zijn afhankelijk van het werk van hogere we­zens en ook van óns werk. Richten wij ons niet tot hen, negeren wij hen, verwerpen en bespotten wij hen zelfs, dan kunnen zij zich niet wenden tot ons, dan bemerken wij hen niet.
Zoals Sint-Jan ons oproept, zo moeten wij hen oproepen. Hoe doen wij dat? Wij moeten leren, om – zoals Gandhi – de goede aarde te danken, dat zij toch steun geeft aan onze onheilige voeten. Wij moeten niet meer gedachteloos omgaan met ons belangrijkste levensmiddel, het alles verfrissende water. Wij moeten met een zekere vroomheid de weldaden indachtig worden van de lucht, die ons doet leven en spreken en ons de relatie met onze medemensen mogelijk maakt. Wij moeten eerbiedig leren omgaan met het vuur, dat ons de kracht en de moed geeft om ons als mens op aarde te ontwikkelen. Aan onze huidige cultuur mogen en kunnen wij ons niet onttrekken. Het is onze persoonlijke plicht om er met nuchter begrip, bezadigd en zonder vals sentiment mee om te gaan, maar dan wel met een nieuwe wilsinzet, met nieuwe gewaarwordingen, met nieuwe, levende gedachten, wetend dat wij leven om een nieuwe cultuur voor te bereiden. Ons waar­nemen van de natuur kan tot inzicht worden in geestelijke gebieden, als het gedragen wordt door morele gevoelens van eerbied, liefde en dankbaarheid.

Het zijn hoog ontwikkelde geestelijke wezens die werken dóór de natuurwe­zens en die ook de beschermers en helpers zijn van ons, mensen. Zonder geestelijke hulp zouden wij niets goed kunnen verrich­ten, want wij zijn vervreemd van de godde­lijke wereldorde en uitgestoten uit de natuur. Voor onze persoon blijft de geestelijke wereld ver weg en onze persoonlijkheid verlangt er voortdurend naar. De oplossing van dit raad­sel ligt in het feit, dat deze gespletenheid juist de voorwaarde is voor onze vrijheid. De godsvervreemding van ons mens-zijn op aarde is de geboortewee van ons eigen, ware, persoon­lijke mensenwezen. De natuur kan niet an­ders dan handelen volgens de natuurwetten. Het water kan niet bij 37° C bevriezen en de lucht kan niet bij die temperatuur vloeibaar worden. Wij vinden het vanzelfsprekend dat het allemaal zo gaat en beseffen niet, dat wij ons juist daardoor als mens kunnen gedragen. Als mens gedragen wil zeggen tegen de wet in kunnen gaan, om zélf de waarheid te ont­dekken, om zélf te gaan inzien wat goed en wat verkeerd is en zélf in vrijheid te kunnen handelen. Aan de onvrije, nooit ophoudende dienstbaarheid der natuurwezens danken wij onze vrijheid.

Dat de mensheid niet te pletter valt in deze kloof tussen haar en de natuur, tussen per­soonlijkheid en persoon, danken wij aan Christus. Hij sprak tot degenen die in Hem geloofden: ‘Indien gij blijft in mijn Woord, dan zijt gij waarlijk mijn leerlingen en gij zult de waarheid inzien en de waarheid zal u vrij maken’ (Joh. 8:31-32). Daarom voegt Sint-Jan aan zijn oproep: ‘Komt tot inzicht!’ ook de woorden toe: ‘Want het rijk der hemelen (dat wil zeggen: de geestelijke wereld) is dichtbij gekomen’. Want nu is Christus ge­worden de Heer der wereld, ‘waarin de ste­nen rusten, de planten levend groeien, de dieren voelend leven’ binnen de wezens der vier elementen. Nu kan in mijn drievoudige persoon, waarin ik leef en nu voor het Sint-Jansvuur sta, ook steeds meer bevrijdende waarheid worden Paulus’ woord: ‘Ik leef, doch niet ik, maar Christus leeft in mij’.

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

.

207-196

.

.l

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St- Jan (28)

.
Nicole karrèr, ‘Jonas’ nr.22, 21 juni 1985
.
 

TROMMELTJES VOL KRUIDEN EN BLOEMEN
.

Ik vind het moeilijk om iets over Sint-Jan te schrijven. De reden daarvan is, dat Sint-Jan bij uitstek een féést is. Daar bedoel ik het volgende mee: als kind vond ik feesten een verschrikking, verplicht gezellig doen tussen rokende en drinkende mensen en gro­te kinderen, met op de achtergrond aanhou­dend vlotte muziek. Een feestdag was nog weer anders; dat waren de meer traditioneel bepaalde dagen zoals Kerstmis en Pasen die eigenlijk geen andere aanleiding tot vieren hadden dan dat je dat nu eenmaal deed als je kinderen had. Is het een wonder dat ik me als kind voornamelijk interesseerde voor wat er te eten was en voor eventuele cadeaus? Iemand die in de sociale omgang onhandig is, gaat als vanzelf een droomwereldje opbou­wen en daarin had ik wel degelijk een beeld van Het Feest: een glooiend grasveld aan een bosrand, een stralend blauwe hemel. Mensen en kinderen in lichte kleren met bloemen ge­tooid dansend in wijde kringen. Een pick­nick met brood en vruchten bij een kamp­vuur. Wat is dit beeld anders dan Sint-Jans­dag?

De traditie van het feestvieren, met Kerstmis als innerlijk en Sint-Jan als uiterlijk hoogte­punt, is een van mijn blije ontdekkingen ge­weest van het vrijeschoolonderwijs. Mijn kinderen vieren feesten zoals ik daar als kind naar verlangd heb. Maar op dit punt doemen mijn problemen met het schrijven van dit stukje op en ik zie het ook bij anderen: wat is het moeilijk om zelf écht feest te vieren! Heerlijk is het om toe te kijken hoe de kin­deren zich vermaken onder leiding van een juffie of meneer die gezegend is met dat zeld­zame gevoel voor feestvieren. De meeste ou­ders blijven op afstand en zie je zelden echt meedoen. Ernstige feesten zijn makkelijker om te vieren, lijkt het. Komt het doordat met name bij Sint-Jan het feesten zo dicht bij spelen komt? Ik beken dat dat voor mij waarschijnlijk zo is, spelen en vooral meespe­len vind ik moeilijk en tot voor kort uitge­sproken vervelend. Laat mij maar rustig in een hoekje zitten toekijken, eventueel hier en daar een pleister plakken en een sapje aan­reiken, ik geniet wel van de anderen.
En toch. ‘Komt en laat ons dansen zingen, komt en laat ons vrolijk zijn.’                  

Met Kerstmis hebben we geprobeerd onze ziel af te stemmen op het ontvangen van het midwinter-wonder. Dat riep een stille dank­bare blijdschap op. Nu, midzomer is het tijd voor een uitbundige, niet minder dankbare blijdschap.

De natuur schenkt zich ’s zomers aan ons; met Sint-Jan kunnen wij onszelf aan elkaar schenken in het samenspelen. Niet zo over­vloedig als de aarde dat kan. Wij moeten voorzichtig omspringen met het beetje levensvreugde dat we hebben. Levensernst lijken we makkelijker te kunnen delen.
Met Pasen schonken we elkaar eieren en wensten elkaar daarmee de zegen van de goeden toe. Zijn zij ons niet gunstig geweest? Het is weer goed toeven buiten. We hoeven geen boom de kamer in te slepen om Sint-Jan te vieren, we kunnen nu bij de natuur op bezoek! In noordelijke landen als Rusland en Scandi­navië deed men dat vroeger letterlijk. De Sint-Jansvuren werden om een versierde pijn­boom aangelegd en men danste rondom dit Johannismanneke tot de vlammen zo laag werden dat erover gesprongen kon worden. Meestal was het dan al zo laat geworden dat het tijd werd op huis aan te gaan. Net als de Heilige Nacht is de nacht van Sint-Jan vol wonderen, maar alleen voor de sterken! Wie geen zuivere ziel heeft loopt een grote kans door heksen en boze geesten van het rechte pad gelokt te worden. Wie echter moed én geloof bezit kan in de Sint-Jansnacht kruiden plukken die wonderlijke krachten bezitten en lang verborgen schatten opgraven. Als re­gen en onweer hem tenminste niet vroegtijdig naar huis hebben doen vluchten, want onweer hoort net zo bij Sint-Jan als sneeuw bij Kerstmis. De Sint-Jansfeesten die ik heb meegemaakt vielen er niet echt door in het water. Wie niet ‘gedoopt’ wilde worden, vluchtte even onder een afdakje met een mandje kersen om even later weer dapper mee te doen. Zomers onweer is heel indruk­wekkend maar trekt snel voorbij. Wie zich wel had laten natregenen (vooral de kinde­ren) droogde snel op bij het bakken van de stokbroden in het vuur.

Ik kan het gewoon niet laten om de kinderen bij een feest een passend kleinigheidje te ge­ven. Iets wat weinig werk geeft, een écht va­kantiecadeautje, is een botaniseertrommel­tje. Wij brachten er vroeger bloemetjes in thuis. Mijn zoon stopt enge torren, waar hij een voorliefde voor heeft, in zijn blik. Hij kreeg een echte voor zijn verjaardag. Voor mijn dochtertje maakte ik een botaniseer­trommel van een oude voorraadbus. Neem een bus met een goed sluitende deksel en boor in de bodem wat ventilatiegaten, eventueel langs de lijnen van de voorletter van uw kind. Boor er vervolgens één in de deksel en twee in de lange zijden van de bus. Schuur de bramen weg. Trek een lang koord door de deksel door de twee gaten en leg knopen in de uiteinden. Zo kan de deksel niet wegraken en kan het trommeltje om de nek gedragen worden.

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

 

206-195

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (27)

.
Henk Sweers, ‘Jonas”nr.  22, 22 juni 1984
.

IN DE ST.-JANSNACHT SPELEN DE GEESTEN HUN SPEL
.

Heksen – waan en werkelijkheid
.

Het sint-janskruid, dat in de nacht van 24 juni haar sterkste werking heeft, gold vanouds als een probaat middel tegen duivelse invloeden, met name hekserij.

Wat zijn heksen, en waar kwam de grote angst vandaan die in de 16e eeuw uitmondde in grootscheepse heksenverbrandingen? Om begrip te krijgen voor het ver­schijnsel heks, keek Henk Sweers terug tot in de oud-Germaanse tijd en vooruit tot in onze tijd.

Het heksengeloof vertoont trekken die el­ders worden verteld van verschillende soor­ten demonische gestalten: zielenvoorstellingen komen voor de dag in het geloof dat heksen (op een bezemsteel) door de lucht kunnen vliegen, en dat zij zich in een of andere dier­lijke gedaante (vooral graag als kat, maar ook als wezel, vogel, spin of insect) vertonen. Zij vieren nachtelijke feesten en dansen evenals dodengeesten, elfen, dwergen en trollen. Het geloof in heksen, dat aanvankelijk door de kerk werd veroordeeld en later in de heksen­processen toch werd aanvaard, gaat terug tot in de heidense tijd.

Tún-rithr
Uit alle delen van de oud-Germaanse wereld hebben wij berichten over personen die to­verkunst bezaten. In de eerste Merseburger toverspreuk heten deze ‘idisi’. Volgens de Germaanse beschouwingswijze waren vooral vrouwen met bepaalde geestelijke gaven be­genadigd.
In andere klassieke bronnen klinkt vele ma­len een zekere vrees door voor Germaanse vrouwen, die zelfs deelnamen aan de strijd en door hun profetische gaven een grote in­vloed uitoefenden. Bij de Broekterers genoot Weleda een goddelijke verering. Tacitus noemt een zekere ‘Alb-rund‘(Albrund). Haar naam wijst al op een ‘geheim weten’. Bij de Semnonen was een zieneres ‘Ganna’ wier naam ook op helderziendheid en heiligheid wijst. Op een Griekse ostracon (stemschelp) uit circa 200 v. Chr. staat ‘Baloborg de sibylle der Se(m)nonen’. Baloborg kan zo iets als ‘Stafdraagster’ betekenen.
Een der belangrijkste Eddaliederen heet: Volospa. Dat wil zeggen De schouw van de Wolwa. J. de Vries duidt deze naam ook als ‘Stafdraagster’. Uit vele teksten blijkt dat deze leidinggevende vrouwelijke ingewijden, deze zieneressen, een grote verering genoten. Het meest verheven lied wordt een Wolwa in de mond gelegd. Op IJsland vindt men nog Volvaleithi (Wolwagraven) die door de be­volking nog altijd met een zekere schroom worden bezien.
Toch kende men in de oud-Germaanse tijd ook reeds
Seithkona of wel tovervrouwen, die boosaardig waren. De Edda zegt dat men de tún-rithr (tuinrijd(st)ers) die door de lucht vliegen, kan dwingen hun tovergedaante op te geven. Het blijkt dat ook mannen de helderziendheid, die toen grotendeels nog atavistisch was, bezaten en ten kwade, dat wil zeggen ten eigen bate gebruikten. Om hun kwade invloed, die zij zelfs nog na hun dood konden uitoefenen, zoveel mogelijk te voorkomen, werden tovervrouwen en -man­nen verbrand, want daardoor wordt de op­lossing van het vormingskrachtenlichaam versneld. De as werd in zee uitgestrooid! Toch was ook dit niet altijd afdoende, want de Edda verhaalt dat de Asen de reuzin Gullveig (Gouddrank) met speren staken en drie maal verbrandden in de hel van Har (de Ho­ge), maar dat zij drie maal werd herboren. Men moet dit verhaal van de Wolwa echter veel meer als een beeld zien voor wat er zich in de geesteswereld afspeelde. Gullveig ver­oorzaakt namelijk de strijd tussen Asen en Wanen, tussen lagere en hogere goden. Het was ook geen mens maar een reuzin. En die kun je niet verbranden. Toch kunnen wij uit deze passage afleiden dat het verbranden van boze tovermannen en – vrouwen reeds in die tijd een normaal verschijnsel was.

Vestaalse maagden
Ook bij de Grieken en Romeinen waren hei­lige, helderziende mensen, voornamelijk vrouwen, zoals de Pythia, de opperpriesteres in Apollo’s heiligdom te Delphi, en de Griek­se en Romeinse Sibyllen. Het hoogtepunt in het strenge jaarritme, waaraan de heilige vrouwen, Sibyllen en Ves­taalse maagden onderworpen waren, was het eind van de Floralia.
Flora, de godin van de lente en de planten, kreeg in 283 v. Chr. de 28ste april officieel als haar feestdag toebedeeld. Reeds in 173 v. Chr. duurde haar feest zes dagen. Van een tamelijk landelijk feest werd het, waarschijnlijk onder invloed van de Griekse Bachanaliën, tot een losbandig festijn vol ontucht, waarbij naakte hoeren erotische dansen opvoerden. Deze orgieën eindigden op de laatste dag van april. Op 1 mei vonden de plechtigheden plaats rond de Bona Dea (de Goede Godin); deze werden geleid door de Vestaalse maagden. Het schijnt dat Flora, de vrouw van Faunus, de Romeinse vruchtbaarheidsgod, vrijwel identiek is met Demeter, de ‘God­moeder’, ook Tellus-Mater (Moeder Aarde) of Magna Mater (Grote Moeder) genoemd. Nu begon de feestdag voor de prostituees reeds op 23 april. De Vinolia (wijnfeesten) begonnen op die dag en duurden tot 1 mei. Zij overlapten dus gedeeltelijk de Floralia. Dit 1 mei-feest is samengesmolten met de lentefeesten der Germanen. Deze dag (1 mei) was aan Walburgis gewijd, een andere naam voor Freia. Wal-burgis bete­kent ‘beschermster der strijders’. Volgens de ‘ overlevering was Sint-Walburgis, aan wie onder andere de grote kerk in Zutphen is gewijd, omstreeks 778 abdis van het klooster Heidenheim bij Eichstätt. Op een of andere wijze, waarschijnlijk via haar naam, werd Freia-Walburgis, door Sint-Walburgis vervan­gen, maar zij bleef de beschermster der to­verkunsten. In de Sint-Walpurgisnacht, die aan haar feestdag vooraf ging, hielden de tovervrouwen hun bijeenkomsten op heilige plaatsen.
Omdat een feest altijd begint op de voor­avond van de feestdag bij zonsondergang, zijn de voornachten altijd heilig geweest. Sint-Nicolaasavond (Sint-Nicolaasfeest is op 6 december!), kerstnacht, Driekoningen­avond, paasnacht, pinksternacht (Luilak!) en Sint -Jansnacht.

Ook in de Sint-Jansnacht drijven, evenals in de Walpurgisnacht, de geesten hun spel. Ook de Sint -Jansnacht is een van de geheimzinni­ge tovernachten. Dan snijdt men de wichel­roede, dan plukt men het sint-janskruid, maar dan durft ook geen schipper uit te va­ren. Het sint-janskruid, ook Jaag-de-duivel genoemd, heeft het vermogen boze geesten te verdrijven. De koningin der toverkruiden echter, de Mandragora, die bij ons Al-ruin of ook Heksenkruid heet, bloeit in de Heilige Kerstnacht!

Heksenwaan
Het weten van geestelijke krachten en mach­ten die de normale ontwikkeling tegenwer­ken en zodoende het kwaad veroorzaken, is er altijd geweest. In de Atlantische periode en ook nog na de ondergang van Atlantis was de mens van nature helderziend, maar hij be­leefde de geestelijke wereld nog in een soort slaaptoestand. Naarmate hij overdag bewuster ging leven (en ’s nachts onbewuster) ver­loor hij dit helderziend vermogen. Toch bleef dit bij sommigen nog lang behouden, al waren er natuurlijk steeds minder lieden, die een mediamieke gave bezaten. Omdat een vrouw over het algemeen minder diep incarneert dan een man en dus kosmischer blijft, waren het steeds meer vrouwen dan mannen die helderziend waren op deze atavistische manier.
Nu kan men deze gaven aanwenden om an­deren te helpen, maar naarmate de menselij­ke ontwikkeling steeds meer in de richting van de ontwikkeling der individuele persoon­lijkheid ging, werd ook het gevaar steeds gro­ter dat deze gaven ten eigen bate werden aangewend. Het is duidelijk dat zij dan ver­derfelijk werken. Dit gebeurde al in de Ger­maanse tijd, maar sinds de 15e eeuw, het be­gin van ons huidige cultuurtijdperk, werden mediamieke personen die zich bewust met toverkunst en ‘zwarte kunst’ bezighielden steeds meer een gevaar. Dit te meer, omdat zij temidden van een be­volking leefden, die voor het allergrootste deel nog maar weinig denk-bewust was en nog vol bijgeloof. Dit bijgeloof kunnen wij beschouwen als een laatste, verworden herin­nering aan de vroegere helderziendheid. Uit deze samenloop van omstandigheden zijn de heksenwaan en de heksenvervolging te verklaren, die in de 16e en de 17e eeuw schrikbarende vormen aannamen. Het woord ‘heks’ duikt in de 15e eeuw als ‘haxa’ het eerst op in Zwitserland en ver­breidt zich snel over Duitsland (Hexe) tot in het Deens, het Fries en het Nederlands. Een ‘heks’ is dan een vrouw (zelden een man) die in contact kan treden met boze machten en daarvan bepaalde krachten kan ontvangen, waarmee zij (of hij) mensen en dieren beto­vert of schade berokkent.

Vleermuizenbloed
Uit het voorafgaande wordt duidelijk waar­om dit geloof aan personen met buitengewo­ne vermogens in de gehele wereld sinds de al­leroudste tijden voorkomt. Maar gebrekkige geestelijke kennis en een geesteswetenschap die nog onvoldoende ontwikkeld was, deden in de rooms-katholieke kerk evenals in de protestantse kerken, die beide de werk­zaamheid der abnormale geesten (die men satans of duivels noemde), bleven zien, een angst voor heksen en
duivelskunsten ont­staan, die alle redelijk bewustzijn maar al te vaak verduisterde. De gebrekkige rechtspraak deed dit angstgevoel tot vervolgingen, zelfs massale verbrandingen ontaarden. Het is opmerkelijk, dat men in Nederland over het algemeen veel nuchterder bleef dan elders. Hiervan getuigt onder andere de Heksenwaag te Oudewater. Volgens het zeer vaak herdrukte boek ‘Malleus maleficarum’ (Heksenhamer), geschreven door de Duitse dominicanen Institoris en Sprenger, dat om­streeks 1478 voor het eerst verscheen en dat enorm veel ellende heeft veroorzaakt, waren heksen onder andere te herkennen aan het feit, dat de aardse zwaartekracht geen in­vloed meer op hen had zodat zij zonder ge­wicht waren. Wat was er eenvoudiger, zei men in Nederland, dan iemand die van hek­serij beschuldigd werd, te wegen? Had zij een, voor haar lengte en omvang, normaal ge­wicht, dan was het geen heks! Het bovengenoemde boek bevatte nog meer baarlijke onzin. Zo merkte de duivel zijn vol­gelingen, volgens deze heren, met een teken op het lichaam, het stigma diabolica, dat voor buitenstaanders herkenbaar was aan de gevoelloosheid ervan. Zo meende men ook, dat een heks, na zich met een bepaalde zalf te hebben ingewreven, op een bezemsteel door de lucht kon vliegen. Die bezemsteel zal wel een decadent overblijfsel zijn van de Wolwa-staf uit de oudheid. Nu zijn er verschillende recepten voor hek­senzalf, die dat vliegen mogelijk zou maken, bewaard gebleven. Zij bevatten behalve een aantal magische elementen, zoals bloed van vleermuizen en vet van pasgeboren bokken, aconitum (monnikskap), belladonna (nacht­schade) en sap van de amanita, vooral van de amanita muscaria, de mooie paddestoel met witte plakjes op de rode hoed, die vanwege het heksengebruik dan ook vliegenzwam heet. Het zijn allemaal planten die giftige en roesverwekkende eigenschappen bezitten. Peuckert, hoogleraar in de heemkunde te Göttingen, beschrijft hoe hij samen met een vriend de proef op de som nam. Zij smeer­den het gehele lichaam met de volgens re­cept bereide heksenzalf in. Zij geraakten in een droomtoestand, waarin zij het gevoel hadden, dat ze vlogen, wilde feesten mee­maakten en zich overgaven aan seksuele uit­spattingen. Het door-de-lucht-vliegen van heksen blijkt dus een zielenvoorstelling te zijn.

In onze vijfde na-Atlantische cultuurperiode, die omstreeks 1417 begint, begonnen langza­merhand de puur materialistische voorstel­lingen de overhand te krijgen. De heksen zelf wisten niet meer of zij lichamelijk gevlogen hadden of alleen maar in hun verbeelding en voor de meeste mensen in hun omgeving werd alleen het lichamelijk vliegen een reali­teit.

Goed én kwaad
Nu, in de 20e eeuw, gebruikt men andere, nog veel gevaarlijker middelen die nog ingrij­pender zijn dan heksenzalf, om een ‘heksen­sabbat’ te bereiken. Die vluchten van nu, die trips, hebben desastreuze gevolgen voor het individu en voor de samenleving, erger dan drie eeuwen geleden. Er zijn nog steeds hek­sen, vrouwen én mannen, al noemen wij ze anders.

Hoe kunnen wij deze hedendaagse heksen begrijpen? Dat kunnen wij alleen als wij de moed hebben om in onszelf de heks te zoe­ken. Een gedeeltelijk verbond met de duivel moet ieder mens sluiten wil hij niet geheel aan het kwaad ten prooi vallen. Immers, dank zij het kwaad kan het goede bestaan. Wat is kwaad? Alles wat stil blijft staan in ontwikkeling, bij de harmonische ontwikke­ling achterblijft of eraan vooruitloopt. Maar als alles en iedereen zich tegelijk volkomen harmonisch zou ontwikkelen, dan was er geen onderscheid meer, dan was het goede tegelijk met het kwade verdwenen. Dan was er geen criterium meer. Het hoge bestaat dank zij het lage, en omgekeerd. Zonder duis­ternis was er geen licht. Duisternis is het ont­breken van het goede. En het goede is, vol­gens de prachtige definitie van Thomas van Aquino: ‘Dat, waar alles naar streeft.’ Plus maal plus blijft plus. Dat weten we uit de algebra. Maar er is niet alleen plus. Er is ook min, in de wereld en in onszelf. Het ongelouterde deel van onszelf uit dit leven en uit vorige levens dragen wij met ons mee. Dat kunnen wij niet ontlopen, al proberen wij het weg te stoppen. Wij moeten er mee leven en het vereffenen. Maar min maal plus of plus maal min wordt altijd min! De enige mogelijkheid om een negatief getal positief te maken is: het te vermenigvuldigen met een negatief getal. Hoe is dat te begrij­pen? Moet je dan een duivel worden? Nee, je moet vermenigvuldigen! Wij bidden: leid ons niet (negatief) in verzoeking (negatief). Een getal is een resultaat, of het nu positief of negatief is. In de geestelijke wereld komt het aan op het doen.

Om de duivel te overwinnen moeten wij in de materie duiken en een verbond met hem sluiten. Dat doen wij al, wanneer wij op aar­de komen. En wij zullen het tijdens ons le­ven vele malen moeten doen. Waar het om gaat is de mate van bewustzijn waarmee wij dat doen. Hoe minder het kwaad herkend wordt, des te gevaarlijker wordt het. Wij hebben allen zowel het kwade als het goede in ons. Wij hebben Sneeuwwitje in ons, maar ook de boze koningin. Wij kunnen allen een priester of priesteres worden, maar ook een heks.

Kundrie
Wij leven in een Michaëlische tijd, waarin de strijd tegen de abnormale geesten een hoog­tepunt bereikt. Wel is de tijd, waarin het ma­terialisme hoogtij vierde, voorbij. Miljoenen zoeken naar het contact met de geestelijke wereld. Maar is ons streven naar de geest in dienst gesteld van onze medemens of is het op eigen voordeel gericht? Het is een strijd op leven en dood om de heks in ons te over­winnen.

Met meiboom en meitak begon het oeroude feest van het ontwakende leven, van de over­winning op de dood. Het mysterie van Golgotha, Christus’ dood en opstanding, maakte dit feest tot een doodsoverwinning, die voor ieder mens mogelijk is. Een andere weg dan die van Christus om de aardedood, de dood van de materie, te ontvluchten, en ongedeerd de geestelijke wereld te bereiken, is er niet. Meiboom en meitak zijn tot een Christus­symbool geworden in de palmpaasstok. Deze moet de Wolwa-staf en de heksenbezem ver­vangen.

Vroeger werd de mens die open stond voor de geestelijke wereld, maar daar eigen voor­deel uit probeerde te halen, als heks buiten de samenleving geplaatst. Nu, in deze tijd van groeiend ik-bewustzijn heeft iedere zoe­ker naar de geest een ontmoeting met zich­zelf. Het ongelouterde deel van zijn wezen, wat de mens niet gezien of verdrongen heeft, de heks, komt tevoorschijn. De heks is niet meer alleen temidden van ons, ze is ook in ons.

Het prototype van deze heks is Kundrie uit Wolfram von Eschenbachs Parcival. Parcival is opgenomen in de kring der edelste ridders.
Als een engelachtig wezen komt hij hen voor Maar dan komt Kundrie-de-heks op hem af. Zij ziet er afstotelijk en dierlijk uit, al kent zij ook vele talen en beheerst zij vele weten­schappen. Zij klaagt Parcival aan en ver­vloekt hem om zijn verstokt gemoed, waar­door hij zweeg in de Graalsburcht en de vraag niet stelde die de visserkoning uit zijn lijden, dat hij door Kundries schuld moest ondergaan, zou hebben verlost. Parcivals heiligheid blijkt een drogbeeld. Men kan de moeilijke treden van het materiële aardse le­ven niet overslaan. Alle uiterlijke successen en eerbetoon in de wereld blijken uiteinde­lijk waardeloos.
‘Kundrie bracht’, zo zingt de dichter, ‘zo onvriendelijk en toch zo trouw, aan de held Parcival diepe smart.’ Parcival zelf zegt: ‘Een streng oordeel is over mij uitgesproken. Het zou zinloos zijn mij hier nog te willen recht­vaardigen.’ Pas in de Graalsburcht, in de Christusburcht, worden zowel Parcival als Kundrie verlost.

De christelijke ontwikkelingsweg is deze: dat wij trachten goed en kwaad zó bij elkaar te brengen, dat wij de richting, waarin onze ontwikkeling moet gaan niet uit het oog verliezen.                                                                 

Met Sint-Jan heeft de aarde zich overgegeven aan de kosmos. Ook de mens gaat dan op in de levensvolheid der natuur. Alle levensfees­ten, wanneer de dag langer is geworden dan de nacht, vinden hun hoogtepunt op het moment van de zomerzonnewende, als de Christuszon haar hoogtepunt bereikt. Maar op datzelfde ogenblik worden de dagen korter. Dan begint de mens, die zich met Moeder Aarde heeft overgegeven aan de geestelijke wereld, tot zichzelf te komen. Dan begint hij te beseffen, dat hij al het oude moet afleggen dat de leugenwolf der oude helderziendheid voor hem verderfelijk is geworden, dat de draak van de “zelfzucht hem van alle kanten belaagt en dat hij zelf uit eigen vrije kracht, met Christus’ hulp, de weg naar de geestelijke wereld terug moet vinden. Dan begint hij te begrijpen, dat de heks in onszelf overwonnen moet worden en wij als Wolwa, als Wala, ernaar moeten streven ‘met helende handen te gaan door het leven’, zoals de Edda zegt.

De heks is bezeten, de priester(es) geïnspi­reerd. Aan de zondares werden al haar vele zonden vergeven, omdat zij veel echte liefde gaf. (Luc. 7:47). Verscheen de opgestane Christus niet het eerst aan Maria van Magdala van wie Hij zeven boze geesten uitgedreven had? (Marc. 16:9). Dit ligt allemaal besloten in het woord van Johannes de Doper, wiens geboorte wij in de Sint -Jansnacht vieren: ‘Christus moet groeien in mij, ik moet afne­men.’

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

.

205-194

.

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

­

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Jan – alle artikelen

.

Tussen Sint (met hoofdletter) en Jan komt een koppelteken.  Wanneer Sint wordt afgekort tot St volgt een punt en het koppelteken: St.-     In samenstellingen die niet met het feest hebben te maken, verdwijnen de hoofdletters: sint-janskruid.
.

[1 Het jaarfeest van Sint-Jan
Paul Veltman over: Johannes de Doper; doop in de Jordaan; twee aspecten van St.-Jan; naar welke ‘verander uw zin’ moet het gaan.

[2] St.-Jansfeest
Yvonne Hummel over: het verdwijnen van de verbondenheid met het goddelijke; Johannes de Doper, zomer, vuur wordt offervuur.

[3] St.-Jansfeest vieren
Martine over: feesten zonder kinderen; kinderen in de zomer; inkeer.

[4] De bijl aan de wortel
Jacobus Knijpenga over: verband christelijke feesten en natuur; tegenstelling Kerst en St.- Jan; wie is Johannes de Doper; boom als beeld; ontwikkeling vanuit eigen kracht.

[5] Knutsels en bakken
Tineke Geus
over: stokbrood boven vuur;
Over: graskrans; ketting van madeliefjes en paardenbloem; met schelpjes; met gedroogde bloempjes.
Els Boekelaar over: grasbol; graspoppen; scheepjes van schors; zomerfee.
Tineke Geus, Annet Schukking over: bloemenhoed; bloemenkoekjes en taart; vlierpannenkoeken.
Over: grasbol; graspopje; racebootje van hout; kersenpitten bewaren om er een warmtekruik van te maken; vlierbloesemlimonade; vlierbloesempannenkoeken; zonnewijzer van tak en steentjes.

Daan Rot: bijzondere tosti’s  zie 37

[6] Sint-Jan, een feest in de buitenlucht
Marieke Anschütz over: zomer; tegenstelling kerst en St.-Jan; wat is feest; midzomer-midwinter; Johannes de Doper; tot inkeer komen; Franciscus; St.-Joris, vertelstof klas 2.

[7] Sint-Jan: keerpunt in het jaar
Marieke Anschütz over: opvoeding: ritmisch proces; ademhaling; zomer – winter; St.-Jan ommekeer in het jaar; Johannes de Doper; kies je ogenblikken van rust (inkeer).

[8] St.-Jan
Map de Voogd over: zomer-winter; Kerst-St.-Jan; zomerwende; Johannes de Doper; de ommekeer in ons.

[9] Het feest van St.-Jan
Henk Sweers over: vóór-christelijk bij de Germanen; in folklore; Johannes de Doper; tegenstelling Kerst en St.-Jan; op Terschelling; ‘naar Oostland willen wij rijden’; extase bij de vroegere feesten.

[10] Sint-Jansfeest vieren
Els Boekelaar over: hoe vier je het eigenlijk; zoektocht naar persoonlijke verhouding tot dit feest.

[11] Zomertijd- rijpingstijd
Marieke Anschütz over: Johannes de doper; Isenheimer altaar, zomer.

[12] Oude gebruiken houden hardnekkig stand
H.van Iperen over: folklore in Nederland; heksen; sint-janstros, sint-janskruid.

[13] Keerpunt in het jaar
Marieke Anschütz over: zomer; Johannes de Doper, Jonannes uit de Apocalypse, Saulus-Paulus.

[14] Vuur
C.J.Verhage over: het vuur; scheikundige benadering; fenomenologische benadering.

[15] St.-Jan Midzomer
C.W. over: natuur; keerpunt in de zomer; keerpunt in jezelf; bezinning.

[16] Vuur
Elsabe Barfod over: ervaring van een St.-Jansavond; (kamp)vuur.

[17] Vogelschieten
Elsabe Barfod over: vogelschieten, een Duitse St.-Janstraditie; duif.

[18] St.-Jansvuur
Gedicht Guido Gezelle.

[19] St.-Janshymne
Theo Wolvekamp over: ontstaan van do-re-mi.

[20] Vuur
Esther Buekers over: de 4 elementen buiten en binnen ons; vuur. Prometheus.

[21] St.-Jan
Hedie ter Stege over:  hoe vind je toegang tot dit feest; bewuster beleven.

[22] St.-Jan, midden in de zomertijd
Tinke Geus en Marieke Anschütz over: zomer, natuur, Johannes de Doper, echte bloemen, verhouding tot St.-Jansfeest.

[23] “Sint-Jan, zij klom hoger en hoger” 
Else Tideman over: een sprookje met een sint-jansmotief (geen titel).

[24] St.-Jan
Over:  kringspel  ‘de zevensprong’.

[25] St.-Jan, een feest in het teken van het offervuur
Maarten Udo de Haes over: spiegelingen in het jaar: winter-zomer; Johannes de Doper, seizoenen, vierledige mens; gedicht C.F.Meyer ‘Das heilige Feuer’; gedicht Marsman ‘Phoenix’.

[26] De levensboom
Willemijn Visser ’t Hoofd over: St.-Jan; natuur; levensboom in verschillende culturen; Edda; knipwerk van papier.

[27] In de St.-Jansnacht spelen de geesten hun spel
Henk Sweers over: wijze vrouwen bij Germanen, Grieken, Romeinen, in Edda; heksen (-gebruiken,-vervolging); goed en kwaad; Parceval, Kundrie.

[28] Trommeltjes vol kruiden en bloemen
Nicole Karrèr als ouder over: St.-Jan; zomer- en winterzonnewende; zomer in de natuur. Feestende kinderen.

[29] Het vieren van de jaarfeesten
Annemieke Zwart over: Johannes, profeet van de inkeer: Ik; persoon en persoonlijkheid; Johannes de doper; inkeer, ommekeer, inzicht; geestelijke wezens.

[30] Johannes de Doper
Onbekend over: zomertypering; Johannes de Doper; Jezus en Johannes.

[31] Zomerfeest-Johannesfeest
J. v.d. Stok over: zomerfeest vroeger; winterfeest vroeger;  de christelijke jaarfeesten; natuur door de jaargetijden; Johannes de doper; (artikel geheel gebaseerd op antroposofische gezichtspunten).

[32] St.-Jansfeest vieren met de kinderen
Martine Leicher over: de natuur in de zomer, door het jaar heen; jaarfeesten met kinderen – het Sint- Jansfeest.

[33] Jaarfeesten
Noor Roes over; de verschillende jaarfeesten: als herinnering; als toekomst.                             
[34] Zomer, tijd van beproeving
Rinke Visser over: examens in de zomer? Karakteristiek van een schooljaar en een kalenderjaar; (het artikel is geen ‘echt’ Sint.-Jansartikel)

[35] St.-Jan: keerpunt in de tijd
Annet Schukking over: licht; materie; de doop in de Jordaan; in de natuur; de spiraal in de natuur, aan de hemel; spiraal en omslagpunt, samenhang met Johannes.

[36] Het Sint-Jansfeest en de zomerzonnewende
Dieuwkje Hesselsholtkamp over: St-Jan en de zomerzonnewende, het ontstaan van de datum; relatie met Germaanse feesten; het vuur; de natuur; feest op de vrijeschool; folkloristische gebruiken; liedjes; in de kleuterklas; boeken en verhalen; knutselen.

[37] Stoere bloemenkransen en smakelijke sintjanstosti’s
Daan Rot over: Sint-Jan vieren in de tuin; de bloemenkrans; het vuur; bijzondere tosti’s.

.

204-193

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Jan (26)

.
 Willemijn Visser ’t Hooft, ‘Jonas’ 22, 22 juni 1984
.

DE LEVENSBOOM
.

Knipsels voor bijzondere gebeurtenissen
.

Zonnewende, 21 juni, midzomer­nacht. Het licht wil maar niet wijken, niemand gaat naar bed. Als het weer mee zit, blijven we allemaal laat bui­ten. De kamperfoelie geurt, de rozen­struiken zijn zwaar van de bloemen, de bomen staan dik in het groen en keren hun jongste loten naar ons toe. Het kon niet op sinds de lente. In weer en wind zijn alle planten onstui­mig gegroeid en uitgebot, maar nu heeft de zon dan toch haar hoogte­punt bereikt, en daarmee de groei­kracht ook.
Dan komt Sint-Jan, het feest van de omme­keer, van de wending. We vieren het hoogte­punt, de overvloed die ons gegeven werd. Maar we vieren het in het licht van de rijpingstijd die komen gaat. De planten vormen hun zaden, zetten het licht om in levens­kracht voor het volgende jaar. Wij nemen een pauze, adempauze, gaan met vakantie en be­raden ons intussen op wat we daarna zullen gaan doen. Het licht van buiten slaan we op in onszelf om het als zoeklicht in de donkere maanden te kunnen gebruiken. Sint-Jan is een natuurfeest bij uitstek. Waar­om? Allereerst omdat het een midzomerfeest is en wij al het bloeiende om ons heen ge­woon niet uit de viering weg kunnen denken. Verder heeft Johannes de Doper zelf ook een duidelijke verwijzing naar de natuur ge­geven toen hij zei: ‘De bijl is aan de wortel der bomen gelegd’. Het oude waarop we ver­trouwden is aangevreten, we moeten een nieuwe, eigen weg zoeken. Dat Johannes het boommotief kiest voor de­ze boodschap is allerminst verwonderlijk. Met zijn kruin in de hemel reikt hij naar het licht dat hij nodig heeft om te leven, tegelij­kertijd is hij stevig geworteld in moeder Aar­de waar hij zijn voedsel vandaan haalt. Beide zijn nodig voor de groei, ook voor de geeste­lijke groei van een mens. Als in de wortels wordt gehakt, wordt de ontwikkeling be­dreigd, moeten we naar iets anders gaan uit­kijken.

De boom komt als levensboom of kosmische boom in de mythologie van vele culturen voor. Hij dringt door tot de drie sferen van de hemel, de aarde en de onderwereld en weerspiegelt daarmee de kosmos. Hij is on­derhevig aan de wetten van de organische ontwikkeling, zoals de wisseling der seizoe­nen en wordt beleefd als de microkosmos, die de macht van het heilige belichaamt. Door zijn jaarlijkse ‘dood’ en ‘wedergeboor­te’ verbeeldt een boom de voortdurende rege­neratie van alle leven.

We kennen uit sprookjes ook de boom die redding brengt in een hopeloze situatie en waarvan de vrucht met moeite kan worden veroverd. Een tak moet geplukt of dient ter bescherming tegen boze machten. Uit de cul­tuur van de Indianenstam Sioux is het ver­haal bekend van de medicijnman en ziener Zwarte Eland die, toen hij negen jaar oud was, een visioen had waarin hij werd meege­nomen naar het middelpunt van de wereld. Daar ontmoet hij het centrum van de schep­ping, de voorvaderen die ‘alle wezens op aar­de met wortels, benen en vleugels hebben ge­maakt’. Zij verschijnen aan hem als oude mannen, ‘oud als de bergen’, als de sterren en als de paarden van de vier windstreken. Van hen krijgt hij een boog, het kruid van macht en verstand, een vredespijp en een tak van de levensboom. Het was een bloeiende tak die leefde en aan de uiteinden nieuwe lo­ten gaf. Aan deze loten kwamen vele blaad­jes die ritselden en in het loof begonnen de vogels te zingen. ‘Deze zal in het middelpunt van de kring van de natie staan’, zei de voor­vader. ‘Een stok om mee te wandelen en een hart voor het volk en door jouw krachten zul je hem tot bloei doen komen.’
In de Edda wordt door een zieneres de le­vensboom Yggdrasil beschreven: ‘Ik ken de negen werelden, negen sferen die  bedekt worden door de wereldboom. De boom die geplant is in wijsheid en die wortelt in de schoot der aarde. Ik ken een esp die Yggdra­sil heet. Die grote boom is nat van wit water. Daaruit stijgt de dauw die in de dalen valt. Hij groeit eeuwig groen naast de bron van Urd’. Bij de voet van de boom ontspringt de bron van de herinnering. Terwijl drie schikgodinnen de wortels dag en nacht water geven wordt er door de reuzenslang Nidhuggur voortdurend aan geknabbeld. De levensboom als wereldas, als Axis Mundi die middenin het universum staat, het stille punt waar alle schepping vanuit gaat wordt uitgebeeld in de Boeddhistische stoepa’s. De ene kant is bevestigd aan de poolster of de zon als vast punt waar de andere hemellichamen omheen draaien. Vanuit dat punt gaat hij dwars door de verschillende niveaus van het zijn tot in de onderwereld. Onder deze kosmische boom kreeg prins Sidhartha, toekomstige Boeddha, zijn verlichting. In het Nieuwe Testament beschrijft Johannes de Evangelist de levensboom die aan het einde der tijden in het midden van de hemelse stad Jeruzalem zal staan. ‘En de Engel toon­de mij een rivier van water des levens, helder als kristal, ontspringende uit de troon van God en van het Lam. Middenop haar straat en aan weerszijden van de rivier staat het ge­boomte des levens, dat twaalf maal vrucht draagt, iedere maand zijn vrucht gevende; en de bladeren van het geboomte des levens zijn tot genezing der volkeren.’ [Openbaring v Joh.22]
De bloeiende amandelboom stond model voor de levensboom zoals die in de joodse traditie werd uitgebeeld. Mozes kreeg de op­dracht naar haar voorbeeld de zevenarmige kandelaar, de Menorah, te maken. Deze boom van licht omvatte de zeven bekende planeten zon (schoonheid), Venus (pracht), Mars (vastheid), Mercurius (grondvest), maan (koninkrijk), Saturnus (oordeel) en Jupiter (liefde).
De Menorah werd vaak uit papier geknipt en tezamen met andere symbolische knipsels opgehangen aan de oostmuur van het huis, de muur die naar Jeruzalem wees, en die ook de richting aangaf waarin men zich voor ge­bed opstelde.

st,jan levensboom 2
Joods knipwerk stoelt op een oude traditie. Al in de veertiende eeuw leefde in Spanje een zekere Rabbi Shem Tov ben Yitzhak ben Ardotiel die een verhandeling schreef, of lie­ver, knipte. Sindsdien is knipwerk bekend uit alle joodse centra, dat wat betreft vorm en onderwerp opvallend veel overeenkomst vertoont.

st. jan levensboom

De levensboom vormt erin een vast motief, naast de Davidsster en de Kroon. He­breeuwse letters verwijzen naar teksten uit de Talmoed. Het is niet onwaarschijnlijk dat gevluchte Portugese joden uiteindelijk de knipkunst in Nederland overbrachten. De meeste knipsels hier werden ter gelegen­heid van een gebeurtenis gemaakt, die bij­zondere betekenis had voor het gezin of de familie zoals een geboorte of een bruiloft. In de loop van de zeventiende eeuw ontwikkel­de zich de knipkunst in Nederland tot een ware volkskunst waarvan in verschillende musea nog de resultaten te bewonderen zijn.
Voor diegenen die het knippen weer willen oppakken, bijvoorbeeld om een levensboom te knippen geef ik hier een paar praktische richtlijnen. Ze zijn ontleend aan het boekje Leer knippende zien van I.G. Kerp-Schlesinger (Cantecleer, De Büt 1977).

st,jan levensboom 4

–  Neem zwart, mat papier, ongeveer zo dik als het papier van een schoolschrift.   Sitspapier is door het lichteffect minder geschikt.

–  Als schaar wordt een rechte, slanke schaar gebruikt, die ook voor knipwerk gereser­veerd moet worden, er mag namelijk geen enkele onregelmatigheid op de bladen ko­men. De schaar moet soepel lopen.
–  Houd wat behangerslijm bij de hand in ge­val er iets teveel is weggeknipt. Er kan aan de achterkant van het knipwerk een stukje wor­den bijgeplakt om de fout te herstellen.
–  Het knippen begint waar de bladen van de schaar elkaar kruisen. Sluit de schaar niet zover dat de spitse punten elkaar raken. Dan komen er hapjes in de lijn die geknipt wordt.
–  Een knipper begint onderaan zijn werkstuk. De hand met de schaar verandert nauwelijks van richting, maar het papier wordt steeds gedraaid. De ene hand duwt dus langzaam de bladen van de schaar tegen elkaar terwijl de andere vlug het papier heen en weer be­weegt.
–  Bij een vouwknipsel (een papier wordt doormidden gevouwen en langs de vouwlijn dubbel geknipt) kunnen met potlood hulp­lijnen worden getrokken evenwijdig aan de vouwlijn die het gemakkelijk maken de fi­guren even groot te maken.
–  Symmetrie speelt in veel knipwerk een gro­te rol vandaar dat vele knipsels als vouwknipsels gemaakt worden waardoor je vanzelf de linker- en rechterkant van het papier hetzelf­de bewerkt. Begin met de middelste vorm en knip de buitenlijn van je figuur. Met nieuwe vouwlijnen kun je binnen iedere helft weer nieuwe symmetrie inknippen. Daarin is het belangrijk dat er een goede verhouding ont­staat tussen uitgeknipte en uitgespaarde vlak­ken. Je een voorstelling vormen van de fi­guur die je wegknipt kan daarbij een grote steun zijn.

st.jan levensboom 20005
–  Wil je uit een vorm een binnenvorm weg­knippen, houd dan even je vinger achter het papier zodat het niet uitscheurt.
–  Door een en dezelfde figuur gelijktijdig uit verschillende op elkaar liggende vellen papier te knippen heb je materiaal voor samenge­stelde composities die je later in kunt voe­gen.
– Ten slotte: eerst oefenen met eenvoudige vormen, een hartje, een dennenboom, een vlinder.

Wie weet, als het erg hard regent op Sint-Jan, dan knippen we onze eigen levensboom uit in zwart papier!

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

 

203-193

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (5)

.

KNUTSELS

Zie vooral: Tineke’s doehoek

brood in het vuur
In de donkere tijd van het jaar sprongen we over de kaarsjes (in een turf gestoken) in de kelder. In de midzomertijd dansen en zingen we om het vuur buiten.
Vuur kun je maken met een loep, waarin je de zon laat schijnen op een hoopje droog gras. Op elk vuurtje buiten kun je stokbrood bakken. Maak eerst deeg:

=500 gr. meel
=20 gr. gist
=wat honing
=2 dl. water

Laat het deeg een uur rijzen, zoek in die tijd stokken en schil van de punt de bast af. Het deeg nog even doorkneden en om de punt van de stok doen. Te slap deeg rolt van de stok!
Dan houden we het broodje boven het vuur, steeds draaien, anders wordt het deeg ongelijk gaar. Lichtbruin en droog uitzien, betekent dat het klaar is, het is dan aan de stok gerezen en dat is heel spannend! Het gat kun je vullen met jam, kwark met honing of kaas.

(Tineke Geus, in . Jonas’ nr.21, 12 juni 1981}

0-0-0

met, uit de natuur
Een krans van mooie bladeren: dakpansgewijs – vastzetten met kleine stokjes;
=Graskrans: bosjes gras met garen aan elkaar binden;

=Graskrans: 3 bosjes gras (halmen, bloemen, enz) en vlecht deze; telkens wanneer een bosje bijna op is, weer een bosje erbij doen, omwikkelen met dun draad of een lange grashalm.
=Ketting van paardenbloemstelen: een schakel: boveneind steel in ondereind steken;
=Kransje van madeliefjes: eerste madeliefje neerleggen met kopje naar links; 2e madeliefje ook, met bloempje naast 1e bloempje; bloempje van het 2e om steeltje van het 1e draaien en tussen steeltje 1e en eigen steeltje vastzetten, enz;
=Krans van bloeiende paardenbloemen: steel van de 1e, door steel van de 2e enz.
=Zoek op het strand de mooie schelpjes in zachte pasteltinten en lijm ze op bv. luciferdoosjes, closetrolletjes of op karton;
=droog madeliefjes en andere kleine bloemetjes in een telefoonboek en lijm ze op correspondentiekaarten. Zo heb je gezellige ansichtkaarten in voorraad.

(bron onbekend)

0-0-0

zomerfee
 maken van zijdevloei, bloe­men om haar heen; als mobile, of op een ‘jaargetijdentafel’, of midden op tafel bij een feestelijke maaltijd.

grasbol
van een hele of halve aardap­pel: gaatjes met stopnaald prikken – allerlei bloeiende grassen erin – hangend (hele aardappel) of staand (de halve).

buiten eten
Kersen!

poppen van gras
Bundel gras dubbel buigen, kleine bundel (als armen) er kruislings op vastbinden zodat hoofd -armen – rok ontstaan.

veel zangspelletjes doen
met jonge kinderen.

scheepjes van schors
voor in het water.

schelpjes
op een met gekleurd papier beplakte grote lucifersdoos plakken, (met velpon).

inmaak
voor de winter maken.

pannenkoeken met vlierbloesems
erin bakken .(zie onder)

vlierbloesemsap
maken.

vuur stoken
(als dat is toegestaan).

tafereel maken in huis
op een apart tafeltje met veel bloemen, grassen, (edel) stenen.

Els Boekelaar , ‘Jonas’ nr.21 van 16 juni 1978

0-0-0

bloemenhoed
Naai bloemen en bladeren met groen garen op een (oude) zonnehoed. Is de bol stuk, versier dan de overgebleven rand, dat staat prachtig met het hoofdhaar eroverheen ge­drapeerd!

st,jan

bloemenkoekjes en taart
(Wie anti-suiker is zit fout met deze koekjes, dan maar madeliefjes op de rauwkostsalade). Elke willekeurige taartbodem kan gebruikt worden, maar er moet een opstaande rand langs zijn. Verder geldt hetzelfde recept als wat hieronder volgt voor de bloemenkoekjes. Voor een taart uiteraard meer bloemen ge­bruiken.

Voor de koekjes (circa 15 stuks):
3 eiwitten,
2 ons witte basterdsuiker,
1 ons meel,
vanil­lesuiker,
(eventueel melk, als het beslag te dik is).

Eiwitten stijfslaan, met suiker tot gladde massa roeren. Voeg daarbij meel en vanille. Het deeg moet net vloeibaar zijn. Dan in kleine hoopjes op de bakplaat leggen.
Oven­stand 4 gebruiken, in 5 a 10 minuten heel lichtbruin laten worden en meteen vormen als ze uit de oven komen (indeuken eigen­lijk).
Zet ze op kleurige papieren rondjes. Bloemen: hortensia, primula, boterbloem, madelief.

suikerstroop
1 pond suiker met 1 glaasje water in een pan verwarmen. Als een druppel van dit mengsel meteen stolt als je deze op een bord laat vallen is het goed. Doe wat van dit mengsel in het koekje, leg er een bloeme­tje op en dek het af met nog wat suiker­stroop.

vlierpannenkoeken
Vlierbloemetjes door pannenkoekbeslag roe­ren, dunne stengeltjes kunnen er ook bij en dan pannenkoekjes van bakken. Heel feeste­lijk is dat als het op een buitenvuurtje kan met een simpel stenen muurtje eromheen en daarop een metalen roostertje om de pan op te zetten.

Van buiten naar binnen: gekleurd zijdevloei, wit papieren kantkleedje, deegbakje met bloemen in suikerstroop:

st,jan2

 Tineke Geus en Annet Schukking ‘Jonas’ 21 van 10 juni 1983

0-0-0

graspopje
Materiaal: een bosje gras

Gebruik een deel van het gras voor de armen. Door het bosje af te te binden ontstaan de handjes. Een langer bosje gras gaat nu om het eerste heen waarna we weer met een dunne grashalm het hoofd, de taille en de benen afbinden.

St.Jan graspopje

zonnewijzer
Materiaal:
een rechte, dunne tak; steentjes

Snij een spitse punt aan de tak en steek hem onder een hoek van 45 graden in de grond, zodat het uiteinde naar het noorden wijst.
Naarmate de tijd verstrijkt, wandelt de schaduw van de stok als de wijzer van de klok over de grond. Met behulp van een horloge kunnen we een steentje of een takje op de plaats leggen waar de schaduw ieder heel en eventueel half uur staat.

racebootje
Materiaal:
figuurzaag
mes
3 elastiekjes
een stukje hout. ca 7×15 cm
een stukje multiplex. 2×4 cm

Zaag een punt aan de voorkant van het stukje hout en zaag er aan de achterkant een rechthoek uit van ongeveer 5 cm lang en 4 cm breed. Maak in de beide uitsteek­sels van de achterkant een inkeping, waarin een elastiekje past. Een zelfde inkeping maakt u in het stukje multiplex, maar dan in het midden. Wikkel een elastiekje stevig om het multiplex heen, zodat het niet los kan gaan zitten. Zowel links als rechts St.Jan racebootjemaakt u aan dit elastiekje een ander elas­tiekje vast. U kunt nu de ‘propeller’ met de beide elastiekjes vasthaken in de inkepin­gen van de achterkant. Door te draaien spant u het elastiek. Zodra u de boot in het water zet en hem loslaat, zal de propeller gaan draaien.

een ‘kruik’ van kersenpitten
Materiaal:
1 kg droge kersenpitten
lapjes katoen van 30 x 30cm

Nog steeds worden de pitten van kersen door Zwitserse boeren als een soort kruik gebruikt. Kersenpitten kunnen namelijk de warmte lang vasthouden. In de koude wintermaanden legde men zakjes met kersenpitten op de grote kachel die de hele kamer verwarmde. Voor het slapen gaan werden ze in de bedden gelegd, want de meeste slaapkamers waren onverwarmd.

De kersentijd duurt over het algemeen niet zo lang en we zijn ook lang niet altijd in de gelegenheid om veel kersen te eten. Bewaar de pitten echter en was ze goed schoon. We kunnen ook onze vrienden en familieleden vragen de kersenpitten voor ons te bewaren. Voor de kruik worden de kersenpitten even­tueel even in kokend water gelegd, zodat er geen vruchtvlees meer aanzit. Als ze goed gedroogd zijn vullen we het zakje en naaien de opening dicht. Bij gebrek aan een kachel zullen we het vaak met de radiator van de centrale verwarming moeten doen.

grasbol
Grassen van gelijke lengte prikken we in een aardappel. Er ontstaat een prachtige zomerse grasbol die lang blijft hangen, doordat het gras het vocht uit de aardappel opneemt. De aardappel droogt slechts langzaam uit.

johannikoeken
Pluk mooie vlierbloesems en schudt de beestjes eruit op een schone doek. Van 4 ons  bloem, 1 ons suiker, 5 eieren, zout en melk een dik beslag maken. Zonnebloemolie verhitten. Nu neemt men 1 bloesem, doopt deze tot het steeltje in het beslag en dan in de hete frituur goud-geel bakken. Bestrooien met poedersuiker en warm serveren.

vlierbloesemlimonade
Zoek mooie bloeiende schermen, 
ongeveer 1kilo. Stop ze  in een grote emmer. Maak een suikerstroop door 4 kilo suiker te verhitten met 4 tot 5 liter water. Gooi dit kokend heet over de bloesem en laat het onder af en toe roeren tenminste 24 uur staan.
Los 70 gram citroenzuur op en roer dit erdoor.
Zeven en in goed sluitende, schone flessen doen.
Zo krijgt u siroop, die nog met water verdund moet worden.

appelmoes
Ook van onrijpe valappels kan een lekkere appelmoes worden gemaakt.
circa 1 kg valappels klein snijden,

in ¼ l water gaar koken samen met
300-400 gr. vijgen zonder steel en de onderstaande kruiden:
steranijs,
1 theelepel venkel,
½ theelepel korian­der,
1 vanillestokje,
1 kaneelstokje,
1 gesneden gem­berwortel,
citroenschilletje.

Door de pureezeef draaien (fijne schijf) en nog eens zoeten met naar keuze wat Demeter suikerbietenstroop, honing of appeldiksap.
Als er grote hoeveelheden valappels moeten worden verwerkt kan men bij wijze van wintervoorraad de appelmoes ook wecken.
Zij vormt een goede aanvulling bij graangerechten met melk, bij vlokken en als broodbeleg en taartvulling.
.

bron: schoolkrant vrijeschool Uden
.
.

St.-Jan: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

202-192

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

..

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Jan (25)

.
Maarten  Udo de Haes,’Jonas’ 22,22 juni 1984
.

SINT-JAN
.

Een feest in het teken van het offervuur
.

Het Sint-Jansfeest – de naamdag van Johannes de Doper – staat in het teken van warmte, van vuur. Op vele plaat­sen in Nederland werd en wordt nog steeds op 24 juni een Sint-Jansvuur ontstoken.

In dit artikel wordt een verbinding ge­legd tussen dit vuurelement en de vie­ring van het geboortefeest van Johan­nes de Doper.

Het christelijke jaar is in twee grote helften verdeeld. Het eerste deel, van december tot mei of juni, omvat de drie ‘winterfeesten’ (advent, Kerstmis en Driekoningen) en de vier ‘lentefeesten’ (lijdenstijd, Pasen, Hemel­vaart en Pinksteren). Het tweede deel is in traditionele zin de ‘feestloze’ helft van het jaar, waar de zondagen na Pinksteren slechts geteld worden tot de volgende advent, zon­der dat ze een speciaal eigen feestkarakter hebben.

Door moderne geesteswetenschappelijke in­zichten, die in de antroposofie bestudeerd kunnen worden, als ook door de christelijke eredienst, zoals deze in vernieuwde vorm in de gemeenten van de Christengemeenschap gevierd wordt, is in deze eeuw een indruk­wekkende dimensie aan deze tweede helft van het christelijke jaar toegevoegd. De ‘hei­ligendagen’ 24 juni en 29 september zijn na­melijk van gedenkdagen van Johannes de Do­per respectievelijk de aartsengel Michaël uit­gegroeid tot ‘volwaardige’ feestgetijden, die in gewicht naast of tegenover de van oudsher ‘bekende’ feesten staan. Vanuit de genoemde tweedeling ontstaat dan ook een viervoudige opbouw van het christe­lijke jaar, dat – overeenkomstig de natuurlij­ke vierheid van de seizoenen – als een groot kruisteken winter en zomer, herfst en lente met elkaar verbindt (zie de eerste aflevering van deze serie van jaarfeestenbijlagen, Jonas 2,jrg. 14). De polariteit van zomer-en win­terfeest is zelfs opvallend nauwkeurig aflees­baar aan de datum: tegenover de kerstnacht van 24 op 25 december staat de dag van Sint-Jan op 24 juni: de innerlijke verbondenheid tussen Jezus en Johannes komt in hun beider geboortedagen tot uitdrukking. Hiermee staat in natuurlijke samenhang, hoe de aan­kondigingen van beide geboorten eveneens tegenover elkaar staan: aan de aanstaande va­der van Johannes (Zacharias) in de herfst; aan de aanstaande moeder van Jezus in de lente.

St.Jan kruis seizoenen

De verbondenheid tussen Johannes en Jezus wordt overigens op intieme wijze in het Lukasevangelie beschreven, wanneer Maria – kort na de aankondiging van de geboorte van Jezus Elizabet opzoekt, die dan dus in de zesde maand is. ‘En toen Elizabet de groet van Maria hoorde, geschiedde het, dat het kind opsprong in haar schoot. Een heilige geest vervulde Elizabet, zij hief aan met machtige stem en sprak: Gezegend zijt gij onder de vrouwen! Gezegend de vrucht van uw schoot! Hoe word ik zo geëerd, dat de moeder van mijn Heer tot mij komt? Zie, toen mijn oor het geluid van uw groet ver­nam, sprong het kind in mijn schoot van blijdschap op…’

Zo staan de beide verwekkingen tegenover elkaar, Pasen met de Michaëlstijd verbin­dend; en de beide geboortes, Kerstmis en de tijd van Sint-Jan met elkaar verbindend. Een groot kruis verdeelt de ‘ring van het jaar’ in vier gedeeltes. Zoals deze vierheid – althans in de gematigde zones van de aarde – onder andere in de afwisseling van de seizoenen zijn natuurlijke uitdrukking vindt, zo wordt deze vierheid volgens christelijke traditie, die door geesteswetenschappelijke onderzoeking wordt bevestigd, eveneens vanuit de boven­zintuiglijke wereld gemarkeerd. Vier aarts­engelen verbinden zich achtereenvolgens met deze feestgetijden, ieder zijn eigen kenmer­kende gaven en krachten schenkend.

Uriël

In een vorig artikel (Jonas 17, jrg. 14) werd beschreven, hoe de aartsengel Rafaël met zijn genezende krachten (wat zijn naam al zegt) zich met de Paastijd verbindt. De aartsengel Uriël komt vervolgens in de tijd van onze zomer ‘op de voorgrond’ en geldt als genius van het feest van Johannes de Doper. Het Hebreeuwse woord ‘ur’ of ‘or’ (hetgeen ‘licht’ betekent) geeft een wezenlijk kenmerk van deze tijd. Het is een licht van goddelijke oorsprong (Uriël wil zeggen God is licht, of het licht van God), dat uit schep­pende offerkracht voortgekomen is, respec­tievelijk voortkomt en dus ook warm is. Dit licht heeft deze eigenschap (namelijk dat het warm is) met het zonlicht gemeen, aangezien het voortkomt uit een vuur, een onvoorstel­baar machtige offervlam.
De Sint-Janstijd staat in het teken van het vuur, en daarmee in het teken van warmte, licht en offer. Vanuit die achtergrond is het begrijpelijk, waarom het gebruik zich heeft ontwikkeld in deze tijd van het jaar vuren aan te leggen en te ontsteken. De natuur geeft al veel licht en warmte, vooral in zeer noordelijk gelegen landen. De weinige duis­ternis en de koelte van de korte nachten wor­den dan ook nog verdreven door het oplaai­ende vuur. Een gebruik overigens, dat door menigeen als (te) extatisch wordt beleefd en voor traditioneel-christelijk ingestelde men­sen ook wel zeer ‘heidens’ aandoet.

Goddelijke vonk

Geheel los van de vraag of we in deze uiter­lijke vorm dit gebruik al of niet kunnen of willen volgen, lijkt het in ieder geval zinvol om nader op het element van het vuur in te gaan.

Wanneer we de mens viervoudig opgebouwd denken, herkennen we daarin zonder veel moeite of dwang de vierheid van de ‘klassie­ke’ elementen aarde, water, lucht en vuur. Het stoffelijke en daarmee ook sterfelijke li­chaam is het aarde-element aan de mens, ter­wijl het hele organisme dat tegen deze doodskrachten in leven aan het lichaam geeft wordt gekenmerkt door stromende beweging als van water. Het vloeibare element en in het bijzonder het water, is voorwaarde voor leven. Het leven, dat als zodanig een stro­mend, pulserend karakter heeft, verbindt zich met dat element, dat diezelfde eigen­schappen bezit.

Naast dit levensorganisme, dat in de antropo­sofische geesteswetenschap het etherlichaam wordt genoemd, heeft de mens ook het zoge­naamde astraallichaam, waar ‘bewegingen van de ziel’ zoals sympathie en antipathie, angst en hartstocht zich afspelen. Bewegingen, waarbij de ‘adem plotseling kan stokken’, of waar het ‘stormachtig’ toegaat vertonen overeenkomst met het element van de lucht. Ten slotte draagt de mens het vierde element, namelijk dat van de warmte in zich, waarin bij uitstek datgene thuishoort, wat de mens is (in tegenstelling tot wat hij heeft), name­lijk zijn individualiteit, ook wel zijn ‘godde­lijke vonk’ genoemd, hetgeen ook op het ele­ment van het vuur duidt! In het verband van ons onderwerp is het ove­rigens boeiend te ontdekken, hoe wij deze vier elementen ook weer terug vinden in het kararakter van de seizoenen: hoe in de winter door de koude het verstarrende element van de aarde de overhand heeft; hoe met het op gang komen van alle sapstromen in de lente het levenselement van het water de hoofdrol speelt; in de herfst voert in wind en storm het element van de lucht duidelijk de boven­toon, terwijl ten slotte in de zomer bij uitstek de warmte om zo te zeggen dominant is.

Om nu terug te komen op het onderwerp van het vuur, zijnde het element, waarin het eigenlijke wezen van de mens, zijn ik, thuis­hoort, wil ik een paar dichters aan het woord laten, die dat tot uitdrukking brengen.

C.F. Meyer heeft zich in het gedicht ‘Das heilige Feuer’ laten inspireren in die zin, dat hij de consequentie beschrijft, die het onbe­waakt laten uitgaan van het heilige vuur in de mens met zich meebrengt, namelijk het ‘levend begraven te worden’, met andere woorden een – in letterlijke zin – ‘ondergang’ van zijn existentie. In dit gedicht blijkt ook, dat deze vlam voortdurend bewaakt en ver­zorgd moet worden, zodat er een bestendige warmte ontstaat, en niet een onrustig flakke­rende fakkel die het ene ogenblik dreigt uit te gaan en het volgende moment hoog en heet oplaait.

In uiterlijke zin komt dit zelfs ook in onze lichaamstemperatuur tot uitdrukking. Pas in een uiterst evenwichtige en bestendige warmte kan het mensenwezen leven en wer­ken. Ik verlies mezelf wanneer ik, hetzij koelbloedig of, omgekeerd, heethoofdig ben. Zowel wanneer iets mij totaal ‘Siberisch koud’ laat, als ook integendeel, wanneer ik heetgebakerd van woede kook, ‘ben ik mij­zelf niet meer’, ben ik niet helemaal aanwe­zig.

Offervuur

In het onderstaande gedicht van Marsman komt het element van het offer tot uitdruk­king, zoals we dat kennen uit het mythologi­sche beeld van de vogel Phoenix. Vanuit het verterende vuur, waar oude waarden en veel­al dierbare schatten in worden opgeofferd, ontstaan nieuwe mogelijkheden, nieuwe
di­mensies. Vaak moet het oude door een doodsproces om geheel nieuw, gereinigd en gemetamorfoseerd daaruit op te staan. Zo is dit mythologische beeld ook in zekere zin een profetie, een ‘voor-beeld’ van de alles-vernieuwende daad van Christus, het sterven, de dood en de overwinning van de dood, de verrijzenis. Hijzelf drukt het uit in de woor­den tot zijn discipelen: ‘Vuur ben ik komen werpen op de aarde en wat wil ik anders dan dat het reeds ontbrandt! Ik onderga een doop, waarmee ik gedoopt wordt; en hoe wordt mijn wezen geperst, tot het volbracht is! -‘ (Lucas 12)

PHOENIX

Vlam in mij, laai weer op;
hart in mij, heb geduld,
verdubbel het vertrouwen –
vogel in mij, laat zich opnieuw ontvouwen
de vleugelen, de nu nog moede en grauwe;
o, wiek nu op uit de verbrande takken
en laat den moed en uwe vaart niet zakken;
het nest is goed, maar het heelal is ruimer.

H. Marsman

Hiermee komen wij weer te spreken over die­gene, wiens naam met het zomerfeest ver­bonden is, Johannes de Doper. Diegene na­melijk die deze doop, waarvan Jezus spreekt, voorbereidt, inleidt en voltrekt. Het optre­den van Johannes de Doper staat in het te­ken van een offervuur. Religieuze waarden, spirituele rijkdommen van het Oude Ver­bond, waarvan Johannes in vele opzichten een vertegenwoordiger is, moeten worden opgegeven respectievelijk moeten worden ge­metamorfoseerd om voor de nieuwe impuls plaats te maken. De allesbeheersende oude waarden worden tot bescheiden, dragende en voorbereidende elementen voor het ‘nieuwe verbond’. ‘Hij moet groeien, ik moet afne­men’, zijn dan ook de karakteristieke woor­den van de grote, tot ver over de grenzen be­kende en vereerde leider, die zich in alle be­scheidenheid terugtrekt nadat hij op de on­bekende Jezus heeft gewezen, die ‘niet met water zal dopen, maar met heilige geest en met vuur’.

Hoe groot de persoonlijkheid van Johannes is, en daarmee evenredig het offer dat hij brengt, blijkt onder andere uit de wijze, waarop Jezus over hem spreekt: ‘…een die meer dan een profeet is!’

Hij is het van wie de Schrift zegt: ‘Zie ik zend mijn engel voor uw aangezicht uit, hij zal de weg voor u banen. Ja zo is het, ik zeg u: onder allen, die uit vrouwen geboren zijn, is geen grotere opgestaan dan Johannes de Do­per; en de kleinste in het Rijk der hemelen is groter dan hij. Van de dagen van Johannes de Doper af tot nu toe wordt het Rijk der hemelen bestormd en bestormers nemen het in bezit. Want alle profeten en de wet heb­ben voorbereidend gewerkt tot Johannes toe. En – indien gij het wilt aannemen – hij is Elia wiens komst men verwacht.’
Johannes wordt beschreven als staande tus­sen twee werelden, namelijk die van de men­sen en die van de engelen. Dat maakt het ook begrijpelijk waarom juist hij de wegbe­reider is van diegene, die door zijn offerdaad op Golgotha hemel en aarde met elkaar ver­bindt.

Johanneïsch gebaar

Ook in ander opzicht staat Johannes tussen twee werelden in, hij is namelijk degene, die in het Oude Testament – weliswaar daar na­tuurlijk met de naam Elia – als laatste ge­noemd wordt, namelijk aan het einde van het laatste hoofdstuk van het laatste boek (Maleachi). Hij wordt daar als de toekom­stige wegbereider van de Messias beschreven. Vervolgens speelt hij aan het begin van het Nieuwe Testament (met name in het eerste boek – Mattheus) een belangrijke rol, waar bovengenoemde profetie in vervulling gaat. De individualiteit van Elia-Johannes ver­bindt dus de beide werelden van Oude en Nieuwe Testament met elkaar. Dit brengt ons van een andere kant op de­zelfde eigenschap van Johannes de Doper, die we al noemden, namelijk dat zijn groot­heid juist ligt in zijn bereidheid deze groot­heid op te offeren. Wegbereiden, plaats ma­kend, ruimte scheppend voor andere, nieuwe waarden, die door de meeste van zijn tijdge­noten niet als zodanig kunnen worden on­derkend. Het is een eigenschap, die – in ons eigen leven vertaald – uiterst moeilijk ontwik­keld kan worden en nog veel moeilijker in praktijk te brengen is. Het wijzen op de an­der (het bij uitstek ‘Johanneïsche gebaar’) valt me gemakkelijk wanneer ik mezelf daar­bij buiten schot kan houden, een schuld kan ontduiken, of een gevaar kan ontwijken. Het wijzen op de ander, zodat daardoor naar de betreffende meer waardering en eerbied wordt aangedragen, of dat daardoor meer aandacht wordt besteed aan hetgeen hij of zij te zeggen of te brengen heeft, valt over het algemeen een stuk zwaarder!
‘Hij moet groeien, ik moet afnemen’ is een houding die niet alleen weinig in praktijk wordt gebracht, naar zelfs veelal wordt gezien als zwakte, als slapheid.

Maar, aanknopend aan een uitspraak van Friedrich Rittelmeyer: ‘Selbstlos ist nicht ichlos’ (onzelfzuchtigheid is niet gelijk te stellen met ik-zwakte), kunnen we wellicht zelfs zeggen: onzelfzuchtigheid is een wezen­lijk kenmerk van ik-kracht.

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

 

201-191

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (24)

.
bron: vrijeschool Uden
.

SINT-JAN, MEER DAN EEN GEZELLIGE PICKNICK EN SPELLETJES

Vorig jaar introduceerden wij het grote zevensprong/kringspel op het St.- Jansfeest waarin de ele­menten water, lucht en vuur zichtbaar worden.

Er is een opbouw naar het aansteken van het vuur toe door de zesde klas. Alle klassen dragen daar hun steentje aan bij.

Alle begin is moeilijk, het spel duurde wat lang. Sommige handelingen waren niet zichtbaar, teksten niet verstaanbaar.

Dit jaar gaan we proberen het voor iedereen goed beleefbaar te laten zijn. Bij de evaluatie was er n.l. genoeg enthousiasme voor de achtergrondgedachte van dit kringspel.

Hier volgt een uitleg voor een ieder die daarin geïnteresseerd is.

Door aan het zingen en dansen structuur te geven, kunnen we ons op een vrolijke manier met de die­pere betekenis van het St.-Jansfeest verbinden.

De zevensprong is een oude sacrale dans. Een cyclus van leven en sterven en van het leven in het sterven terugvinden.

Een dans van in-en uitwikkeling en van einde en hernieuwd begin.

De dans wordt 7 x herhaald en steeds afgesloten met een gebaar waardoor we ons over 7 sprongen verdeeld in elkaar rollen, om vervolgens weer recht op te springen na elke sprong. (weer springle­vend worden!)
Na elke sprong beelden we vervolgens op 7 verschillende manieren ( spel, dans, gedicht of lied) een aspect of ontwikkelingsfase van de mens of mensheid uit.
In de eerste 4 sprongen gaan we in op de 4 elementen van de natuur en proberen we vanuit het bewustzijn van het kind om te gaan met de aarde, het water, de lucht en het vuur.
In de laatste 3 sprongen liggen de kiemen voor de toekomst besloten. Na de ontwikkeling van het ik, kan de mens werken aan het geestzelf, de levensgeest en de geestmens. [over deze begrippen zie Algemene menskunde v.a. [1-7-2/7-1]

le sprong:
Aarde, materie -> oudste kleuters verbinden zich met de aarde. Ze leggen klei rond een uitgegraven plek in de aarde. De kuil in de grond symboliseert een schaal die leven voortbrengt en ontvangt. Daarbij zingen we een lied over de aarde.

2e sprong:
Water, etherwereld ->  eerste klas verbindt zich met het vloeibaar stromend element van beweeglijk water, drager van levenskrachten, onzelfzuchtig, neemt vorm van omgeving aan. De eerste klas vult de schaal met water onder het zingen van een waterlied.

3e sprong:
Lucht, astrale wereld -> de tweede klas verbindt zich met lucht; licht en vluchtig, stijgt op door warmte, zij voelen zich als vogels in de wolken. Zij blazen bellen, wij zingen een vogellied.

4e sprong:
Vuur, ik, de derde klas verbindt zich met het vuur, de warmte door het eenheidsbeleven met de natuur symboliseert ook enthousiasme voor iets wat we horen, uitbeelden of improviseren. Het Keltische gedicht ” ik ben ” wordt gedeclameerd rondom de lemniscaat waarin de vuur- en waterplek zijn gemaakt. Er worden 7 waxinelichtjes in het water gelegd.

5e sprong:
Het geestzelf.->  De vierde klas verbindt zich met de innerlijke zon. Het ik moet verinnerlijken. Het uiterlijke vuur(warmte) moet innerlijk vuur worden, gehanteerd in moed, eerbied en dankbaarheid.
Daarvoor moet de mens door een nulpunt heen. Van groot weer klein worden. Dan kan de mens tot de ervaring van een innerlijke zon komen door liefde. In het water worden waxinelichtjes aangestoken.

6e sprong:
De levensgeest.->
De vijfde klas verbindt zich met de innerlijke levensenergie. De vijfde klas geeft stokken door, dit symboliseert het dragen, doorgeven en delen van energie en levenskrachten. In het hout zijn zonne-energie en warmte opgeslagen. Door het doorgeven springt de levensgeest over! ( creatief, beweeglijk gedacht!) Hierbij wordt een lied gezongen en daarna wor­den de stokken bij de houtstapel gevoegd.

7e sprong:
De geestmens. ->  De zesde klas verbindt zich met de vreugde door innerlijk en uiterlijk beleefd vuur, enthousiasme. Blijheid voor en in de geest waardoor de aarde en wijzelf gelouterd wor­den.

7  zesdeklassers steken de fakkels aan aan de brandende waxinelichtjes. Daarna gaan zij op verschil­lende punten in de lemniscaat staan. De overige zesdeklassers komen hun fakkel aansteken . Wan­neer iedereen vuur heeft, lopen de kinderen de lemniscaat en zingen : hoor je ’t zingen van het vuur.

Nu dansen we allemaal om het vuur, niet in extase maar vanuit een zelfbewust enthousiasme.

St.Jan lemniscaat

In de lemniscaat ( liggende 8) willen wij geen kinderen laten spelen/lopen. Wilt u daar als ouders a.u.b. ook allemaal op toezien.

Het is heel vervelend voor ons om daar steeds kinderen uit te moeten sturen. Balspelletjes dan ook graag niet in de buurt van deze lemniscaat spelen!

Het St.-Jansfeest kan voor iedereen heel gezellig zijn wanneer alle ouders toezicht op hun eigen kin­deren houden.

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

 

200-190

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (23)

.
 Else Tideman, ‘Jonas’ nr 21, 11 juni 1982
.

SINT-JAN

‘Zij klom en klom de hele dag’

Opnieuw een sprookje met een motief dat aansluit bij een jaarfeest. Deze keer: het Sint-Jansfeest.
Een koningszoon wordt ziek en kan alleen genezen door het eten van een granaatappel. Het meisje Joana vindt de heilzame vrucht en brengt hem naar de zieke prins. Else Tideman zocht het sprookje uit -~en schreef de toelichting.
.

Er leefden eens een koning en een koningin, die één zoon hadden, van wie ze veel hiel­den. Toen deze zoon twintig jaar was gewor­den werd hij ziek, steeds zieker. Men riep ve­le artsen, ook oude en wijze vrouwen, naar het paleis, maar niemand kon de konings­zoon helpen. Tot op een dag een heel oude man kwam, die in de sterren kon lezen. Deze zei tegen de koning: ‘Er is maar één middel om je zoon te genezen: een appel van de gra­naatappelboom. Maar iemand moet hem brengen vóór de koningszoon eenentwintig jaar is; gebeurt dat niet, dan moet hij ster­ven.’
De koning zei: ‘Wat betekent dat: van de granaatappelboom. Is het dan een bijzon­dere?’ ‘Majesteit’, zei de magiër, ‘dat is een boom, die tot aan de hemel groeit. De vruch­ten zijn helemaal in de top. Tot nu toe is het niemand gelukt zo hoog te klimmen, omdat de meeste mensen duizelig worden en vallen’.
Toen liet de koning verkondigen dat diegene die een appel van de granaatappelboom zou brengen, zodat zijn zoon gezond werd, het halve koninkrijk zou krijgen en later met zijn zoon samen zou regeren. Toen gingen vele jongelingen op weg, maar de meesten kon­den de granaatappelboom niet vinden. En zij die hem wel vonden, vielen naar beneden, nog vóór ze ook maar de helft van de stam opgeklommen waren.

Zo ging een half jaar voorbij en niemand ge­lukte het de appel te veroveren. De konings­zoon werd steeds zwakker. Nu leefde er in dat rijk een meisje van vijf­tien jaar, Joana heette ze en ze had geen ouders. Joana woonde bij haar grootouders en zorgde voor hen. Toen ze de oproep van de koning hoorde, vroeg ze haar grootvader: ‘Vadertje, wat denk je, is het moeilijk die granaatappelboom te vinden?’ ‘Dochtertje, ik zou je de weg kunnen beschrijven en dan zou het voor jou niet moeilijk zijn hem te vinden. Maar wat wil je? Veel jongelingen zijn er al afgevallen.’ Maar Joana nam zich voor de appel te gaan halen en liet zich daar niet van afbrengen. Dus gaven de grootou­ders ten slotte toe. Grootmoeder bakte een maiskoek en grootvader vulde in de kelder een fles met wijn uit zijn beste vat. Daarna omarmden ze haar en zij ging op weg.
Zij ging en ging, steeds in de richting van zonsopgang, zoals haar grootvader gezegd had. Nadat ze tien dagen gelopen had, kwam ze bij een hoge berg, en op die berg zag ze een reusachtige boom staan, waarvan de stam tot in de wolken reikte. Toen Joana de berg wilde beklimmen, zag ze voor een grot een oude bedelaar zitten. Deze zei: ‘Joana, geef mij wat te eten en te drinken, want ik sterf van de honger en kom om van de dorst’. Toen zei het meisje: ‘Wees niet bang, Groot­vadertje, wat ik bij me heb, is genoeg voor twee.’ En ze ging naast hem in het gras zitten en pakte haar mand uit. Daarvóór had ze na­melijk alleen geleefd van vruchten die ze on­derweg vond. Toen ze de maiskoek doorge­sneden had, gaf ze de oude het grootste stuk, schoof hem de wijnfles toe en zei: ‘Drink ge­rust alle wijn, ik ben gewend aan water. De oude liet het zich goed smaken, at de mais­koek en dronk de wijn. En toen ze met eten klaar waren, vroeg hij: ‘Joana, waar ga je heen?’ Zij antwoordde: “Ik heb gehoord, dat de zoon van de koning heel ziek is en dat al­leen een appel van de granaatappelboom hem genezen kan. Daarom ben ik op weg ge­gaan om die appel te halen. En als mijn grootvader alles goed beschreven heeft, moet die boom daar op de berg de granaatappel­boom zijn.’ ‘Ja,’ zei de oude, ‘je grootvader heeft gelijk. Maar heeft hij je ook gezegd, dat allen die geprobeerd hebben de boom te be­klimmen, eraf gevallen zijn?’ Joana ant­woordde: ‘Ja, dat heeft hij gezegd. Maar ik zal me goed vast houden, zodat ik er niet af val’. De oude zei toen: ‘Maar dat is nog niet alles. Je moet weten, dat je bij het klim­men niet naar beneden mag kijken, omdat je dan duizelig wordt en van schrik loslaat. En je moet weten dat de top van de boom hoog boven de wolken is, dichter bij het paradijs dan bij de aarde. Zodra je bij de top geko­men bent, zul je drie twijgen zien: één met citroenen, één met sinaasappelen en één met granaatappelen. Je zult van het klimmen veel dorst hebben, en daarom raad ik je aan: pluk voor jezelf een citroen en een sinaasap­pel en eet en drink daarvan, want dan wordt je dorst gelest. Maar pas op, dat je geen gra­naatappel eet, daarvan zou je zwanger kun­nen worden.’

Het meisje dankte de oude hartelijk voor zijn raad en besteeg de berg. Toen ze boven was, vond ze werkelijk de granaatappelboom. Ze keek niet lang hoe zijn doornige stam zich in de wolken verloor, maar wikkelde een doek­je om haar handen, om zich bij het klimmen niet te verwonden, bond haar kleren tot bo­ven de knieën op en begon te klimmen.

Ze klom en klom de hele dag en het werd al donker, toen ze in de wolken kwam. Maar ze klom verder en toen ze boven de wolken uit kwam, was het weer lichter, want daar schijnt altijd de zon. Eindelijk kwam ze helemaal uitgeput bovenaan en haar tong was gezwol­len van de dorst. Ze plukte snel een citroen en een sinaasappel en nadat ze gedronken en gegeten had, plukte ze ook nog enige granaat­appelen en ging toen zitten om wat uit te rusten. Na een tijdje begon ze met de afda­ling. Toen ze beneden de wolken kwam, was het zó donker, dat ze geen hand voor ogen kon zien en ze durfde niet verder te dalen. Ze hield zich vast om de morgen af te wach­ten. Maar ze werd steeds zwakker en dorstiger, ze zou vallen als ze niet iets kon eten of drinken. Toen nam ze een granaatappel en at hem op. En meteen voelde ze zich gesterkt, en ’s morgens, toen het licht genoeg gewor­den was, daalde ze verder naar beneden. Toen ze onder aan de berg kwam, zag ze de oude weer. Hij zei: ‘Dochtertje, ik zie dat je een granaatappel moest eten. Als je in moei­lijkheden komt, kom dan bij mij terug, waar één leeft, kunnen ook meer leven’. Toen ging Joana naar de stad, naar het paleis van de koning. Ondertussen was het met de koningszoon steeds slechter gegaan. Toen de koning hoorde, dat er een meisje was dat de goede granaatappel gevonden had,was hij buiten zichzelf van vreugde en bracht haar zelf naar zijn zoon. Nauwelijks had de ko­ningszoon de granaatappel gegeten of hij voelde zich al veel beter. De koning kuste het meisje van vreugde en zei: ‘Zodra mijn zoon gezond is, zul je met hem trouwen. Dan kunnen jullie samen regeren, als ik er niet meer zal zijn.

Er gingen een paar maanden voorbij en het ging van dag tot dag beter met de konings­zoon. Het meisje merkte echter, dat zij zwanger was, en toen werd ze bang. Ze be­sloot het paleis te verlaten. Ze vulde haar mand met brood, nam een fles wijn mee en ging terug naar de plek, waar ze de oude be­delaar ontmoet had.
‘Dochtertje’, zei de oude, ‘ben je daar weer? Wees niet bang! Jij bent goed voor mij ge­weest, ik zal goed voor jou zijn. Kijk, ik heb een tuin met groenten en vruchten, groot ge­noeg voor een kleine familie’. En toen het kind werd geboren, hielp hij haar en zorgde voor het kind.

Ondertussen was de koningszoon treurig, want hij was van Joana gaan houden en hij miste haar erg. De koning probeerde hem te troosten: ‘Waarom wil je nu dat éne meisje. Het hele land is vol schone meisjes.’ Maar de koningszoon was daarmee niet tevreden en wilde geen ander meisje aankijken. En na een poos zei hij: ‘Vader, ik wil de wereld in trek­ken om te zien, of ik het meisje, dat mij het leven gered heeft, kan vinden. En als ik haar niet vinden kan, dan wil ik in een klooster gaan tot het einde van mijn leven.’ De ko­ning zei: ‘Als je beslist vindt, dat je dat doen moet, mijn zoon, ga dan maar. Maar beloof me, dat je met haar terug komt als je haar ge­vonden hebt.’ De koningszoon beloofde het. Hij zadelde zijn paard en reed weg. Hij reed niet minder dan zes jaar door ver­schillende koninkrijken en doorstond vele avonturen. Hij zag veel meisjes, koninginnen en bedelaressen, maar hij vergat zijn redster niet, zijn verlangen naar haar werd steeds groter.
Tegen het einde van het zesde jaar gebeurde het, dat hij op een avond langs een huis reed, waarin hij mensen hoorde schreien. Hij hield zijn paard in, steeg af, klopte op de deur en riep: ‘Waarom schreit men hier? Is hier ie­mand gestorven?’ Toen kwam een pope met zijn vrouw naar buiten. Hij zei: ‘Neen reizi­ger, hier schreit men niet om een dode, maar om een geroofde. Drie dagen geleden is hier een troep Turken voorbij gekomen, zij roof­den onze zoon van zeven jaar.’ Toen zei de koningszoon: ‘Ik zal hen narijden en zien, of ik jullie zoon terug kan krijgen.’ Hij besteeg weer zijn paard en reed dag en nacht. Maar het duurde bijna twintig dagen, tot hij bij de grote stad van de Turken kwam. Daar vroeg hij, waar jonge slaven gebracht werden en wanneer de eerste marktdag was.
Toen de dag aanbrak waarop men de gevangenen verkocht, nam hij al het geld dat hij nog had mee en ging naar de slavenmarkt.
Hij zag al gauw wie de zoon van de pope moest zijn. Zodra hij aan de beurt kwam, zei de koningszoon dat hij hem wilde kopen. Maar er was nog een ander, die méér geld bood dan de koningszoon had. Deze vroeg nog even te wachten. Hij haalde zijn mooie paard en verkocht het voor veel geld. Toen kon hij de zoon van de pope kopen. Hij kocht kleren voor het kind en liet hem uitrusten.
Daarna gingen ze op weg.
Het was een lange tocht, soms moest de koningszoon het kind op zijn schouders zetten, omdat het te moe was om te lopen. Wat waren de pope en zijn vrouw gelukkig, toen ze hun zoon terug zagen. De pope zei ´Goede man, hoe kunnen we je danken. Wij zijn arme mensen en kunnen je niets geven.’ Toen zei de koningszoon: ‘Ik zoek een meisje, dat mij het leven gered heeft. Hebben jullie van haar gehoord?’
En hij beschreef hun precies, hoe zij er uitzag. ‘Ja, zo’n meisje heb ik eens gezien. Maar eigenlijk was het geen meisje, het was een jonge vrouw. Ze kwam samen met een oude man, om haar zoontje te laten dopen. Dat is vele jaren geleden, maar ik her­inner het me goed, omdat dit jonge meisje en de oude man zo’n vreemd paar waren. En het meisje zei grootvadertje tegen hem. Toen vroeg de koningszoon: ‘En met welke naam is het kind gedoopt?’ ‘Dat weet ik niet meer’, zei de pope, ‘maar ik kan het in mijn boek nakijken.’ En hij haalde zijn boek, bla­derde erin en zei: ‘Demetrius heet het kind.’ ‘Dat is mijn naam!’ riep de koningszoon. ‘Weet je waar het kind en de moeder wo­nen?’ De pope zei het hem zo goed mogelijk. Toen nam de koningszoon afscheid en liep naar de plek aan de voet van de berg, waar Joana met de oude en haar zoon woonde. Toen Joana hem aan zag komen, verstopte zij zich in de tuin, want ze was bang dat de koningszoon boos zou zijn. Maar hij omarm­de het kind en de oude man en riep: ‘Einde­lijk heb ik jullie gevonden! Demetrius, haal vlug je moeder.’ Het kind liep weg en haalde zijn moeder. En toen gingen ze samen naar de pope en nadat ze hem de hele geschiede­nis verteld hadden, trouwde hij hen. Toen stuurde de koningszoon boden naar huis en liet een koets komen. Daarmee reden ze met z’n allen naar het paleis. Wat een vreugde was er in de hele stad!

Sint Jan

Hoe verschillend gaan mensen uit dit sprook­je op weg naar de granaatappelboom! Van de jongelingen wordt alleen gezegd, dat ze gaan, nadat ze gehoord hebben dat het halve rijk als beloning gegeven wordt. Dit motief werkt blijkbaar niet goed. Ze vinden de boom niet, of ze vallen eraf. Joana’s motief is: ‘Ik ben op weg gegaan om de appel te halen die de koningszoon genezen kan’. Zij is onbaatzuchtiger dan de jongelingen. Zij heeft een inner­lijke zekerheid, weet haar grootouders te overtuigen, heeft overleg – ze gebruikt onder­weg geen koek en wijn – en ze heeft liefde­volle aandacht voor de bedelaar, waardoor ze ongevraagd raad krijgt. Ze wordt niet duizelig, want ze houdt haar doel goed in het oog. Zo bereikt ze door de wolken heen de top, die ‘dichter bij het paradijs is dan bij de aarde’. En daar kan ze haar vruchten plukken.

Tegen de zomer wordt de natuur steeds uit­bundiger. Het zaad in de aarde is opgekomen, aangetrokken door licht en zon, groeit het en bloeit in steeds groter veelvuldigheid. De mens wordt er innerlijk door meegenomen, hij opent al zijn zintuigen om dat schone en bloeiende in te drinken. Hoger en hoger
ver­heft zijn genietende ziel zich met de natuur mee, hij wordt als het ware uit zichzelf ge­trokken en wil ook niet anders. Als hij om­kijkt naar de aarde wordt hij duizelig. Dan valt hij uit de boom. Hij komt innerlijk niet verder dan hoog-zomer. Maar Joana klimt met grote inspanning verder tot ze boven de wolken komt in de buurt van het paradijs. En daar vindt ze de vruchten waar het haar om te doen is.
Het bijzondere van Sint-Jan, het feest van  Johannes de Doper, is dat het niet valt op 21 juni – de datum van de zonnewende, de langste dag van het jaar – maar een paar da­gen daarna. Je zou kunnen zeggen: die paar dagen worden in het sprookje uitgedrukt door ‘het werd al donker, toen ze in de wol­ken kwam’. De uitbundige zomerbloei heeft zijn hoogtepunt gehad, de zonnewende heeft zich voltrokken. Vlak na die ommekeer, na die ‘wolken’ is daar de top van de granaatap­pelboom met zijn vruchten.
Johannes de Doper predikt: ‘Brengt dan vruchten voort, die uit de ommekeer rijpen’ en ‘Hij moet groeien, ik moet afnemen’, als hij op Christus wijst.
Hij wijst daarmee op de ontwikkelingsmogelijkheden, die na de om­mekeer komen.
En zo draagt Joana niet al­leen de genezende vruchten langs de stam naar beneden, maar beleeft zij zelf de dorst die door deze vruchten kan worden gelaafd en waardoor een nieuwe ontwikkeling kan worden ingezet.
In het beeld van het sprook­je is dit het kind dat door het eten van de vrucht in haar verwekt wordt. De koningszoon geneest inderdaad van de granaatappel, maar Joana voorziet dat het kind dat zij verwacht, niet zonder meer wel­kom zal zijn. Zij trekt weg en de konings­zoon moet een lange, lange tocht vol beproe­vingen maken eer hij haar terug vindt. Dan wordt hij door het kind met haar verenigd. En daarmee reikt het sprookje over het sint-jansmotief heen tot ver in de daarop volgen­de perioden.

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

199-189

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (22)

.
Tineke Geus en Annet Schukking, ‘Jonas’21, 10 juni 1983
 

SINT-JAN

Midden in de zomer moeten we ons gewonnen geven

Het Sint-Jansfeest wordt gevierd op 24 juni, midden in de zomer. Twee essentiële onderdelen bij het vieren van dit feest zijn een hoog oplaaiend Sint-Jansvuur en bloemen; bloemen om kransen van te maken of een taart van te bakken.

De 24ste juni, Sint-Jansdag, de geboortedag van Johannes de Doper is, althans in ons land, geen officieel erkende feestdag zoals Kerstmis, Pasen en Pinksteren dat zijn. Toch is het in andere streken, bijvoorbeeld waar extreme verschillen tussen midzomer en midwinter bestaan, zoals in Scandinavië’ of waar het christelijk religieuze leven emotioneler en feestelijker getint is dan bij ons, zoals in zuidelijk Europa, het vieren van het Sint-Jansfeest wel gebruikelijk. En zeker was het dat in vroeger tijden in onze streken ook.
Steeds meer begint tegenwoordig echter het besef te groeien dat met het verlies van zin­volle, ritmisch weerkerende feesten er een zekere innerlijke armoede ontstaat en dat het zielenleven van de mens verkommert. Het is immers opvallend hoeveel boeken er ver­schijnen die de feesten van het jaar tot on­derwerp hebben en waar dus duidelijk een markt voor is.

Feest vieren heeft natuurlijk de meeste mo­gelijkheden wanneer je het met een groep, in een gemeenschap doet. Het samen voorberei­den brengt al een enthousiaste stemming, ie­dereen kan naar eigen aard en vermogen iets bijdragen en tegenvallers worden in een ge­meenschap met collectieve veerkracht opgevangen. Maar ook als je door omstandigheden alleen of met een paar mensen bent, kun je een feestdag of feesttijd als zodanig bele­ven en misschien zelfs tot een grotere diepte komen dan wanneer er een beroep gedaan wordt op je organisatietalent en uiterlijke creativiteit. Waar het om gaat is dat je het feest, ook in traditionele vormen, steeds weer inhoud geeft en er telkens weer een in­spirerende aanzet in vindt voor het verdere dagelijks leven.

Sint-Jan valt een paar dagen later dan de da­tum van de zonnewende op 22 juni. Het hei­dense feest van de zomerzonnewende dateert van ver voor onze jaartelling toen de mens­heid in het beleven van de natuur nog de goddelijke kracht kon ervaren en mee kon gaan in hetgeen wind, zon en water aan het geestelijk wezen van de mens te vertellen hadden. Voor ons is dit weten een abstractie geworden en toch moeten we de kennis van al dit oude weten weer op nieuwe wijze in ons bewustzijn zien te krijgen voordat we zinvol vorm kunnen geven aan zo’n feest.

In ons land wordt het Sint-Jansfeest zeker niet overal vanuit de traditie vanzelfsprekend ingevuld, al kun je best plotseling in een Betuws dorpje een Sint- Jansprocessie tegenko­men en zijn daar ook ‘vogelschiet’wedstrijden bij.

In België zag ik rond die tijd met bloemen versierde kapelletjes en hoe zuidelijker hoe meer bekendheid en traditie over dit feest bestaan. Het zal misschien ook wel een kli­matologische oorzaak hebben: in Spanje zul je midzomer anders ervaren dan wanneer je hier met een door de regen verpieterde bloe­menhoed in een bootje zit. Het oerkarakter van uitbundigheid, je overgeven aan de ele­menten, is in de stralende zon toch gemakke­lijker.

Bij het Johannesfeest moeten we ook in ge­dachten houden dat het gaat om een bepaal­de periode van het jaar en niet om één spe­ciale dag. Maar dat is een schrale troost voor een verregende feestdag, die verplaatst moet worden. Het vuur is zeker iets wat bij het Sint-Jan vieren behoort, het is een tegen­beeld van het kaarsvlammetje dat vroeger op Driekoningen in een turf gestoken in de kelder stond om overheen te springen. Het grote, naar de kosmos waaierende vuur te­genover het kleine verborgen vlammetje in de aarde. Zoals de hele natuur omhoog streeft zenden wij onze vraag naar boven om dan een half jaar later antwoord te krijgen in de donkere midwintertijd. In de middeleeu­wen doofde men op Sint-Jansdag het haard­vuur om daarna van het grote Sint-Jansvuur nieuw vuur mee terug te nemen naar de schoongemaakte stookplaats.

Wat kunnen we nu doen om het Sint-Jans­feest te vieren en met wat voor materiaal, zo­dat we daar het karakteristieke, het ‘oer­beeld’ mee te pakken krijgen? Konden we met Pinksteren nog in een zekere naïeve cre­ativiteit papieren bloemen voor de pinkster­bruid maken om zo aan ons menselijk scheppingsvermogen uiting te geven – met Sint-Jan, midden in de zomer, moeten we ons ge­wonnen geven. Onze papieren bloemen, als versiering, als eindproduct van een eenvou­dig metamorfoseproces, hebben dienst ge­daan en mogen nu weggedaan worden. Dat wat nu buiten in de natuur gebeurt kunnen wij niet nabootsen. Het is het blijmoedige to­tale wegschenken van eigen rijkdom en over­vloed. Wat al werd aangezet in de vorige maanden, gebeurt nu duizendvoudig en op volle kracht: het uitwolken van stuifmeel en insecten tot hoog in de atmosfeer. Het is meer te voelen dan te zien – alles zindert van warm, dansend leven.

Wat gebeurt er eigenlijk met al dat leven? Als je er een beetje op let, merk je dat het zich wegschenkt – volkomen en vanzelfsprekend. Vooral bij de insecten valt dat op. We mogen ze dan lastig vinden, die vliegen en die mug­gen, we denken al gauw aan ‘schadelijk onge­dierte’ – toch zijn het representanten van een onzelfzuchtig ras. Want kort is hun bestaan. Wie niet als larf al is opgepikt, vindt zeker dartel vliegend een wisse dood in één of an­der vogelmaagje, en heeft dan, al naar zijn aard, zijn bescheiden aandeel geleverd in het voortbestaan van plant, mens en dier. Zo is het ook met het stuifmeel van bloemen, gras­sen en granen, dat zich aanbiedt en mee laat voeren om door bestuiving het vormen van zaad en vruchten mogelijk te maken, waarna het bloemetje weldra verwelkt en verschrom­pelt.

Niets van wat wij eten, of het is ontstaan uit de schenkingsvreugde van de levende natuur. Het kleine, het nietige schenkt zich weg om het grotere, hogere een levensbasis te geven. Het is een zinvol wegschenken en het wordt daarom blijmoedig en zonder ophef gedaan. Maar is het wel echt blijmoedig? Je bent dik­wijls geneigd het tegendeel te denken, het als een tragiek te beschouwen dat planten en dieren gedood en opgegeten worden. Maar komt dat niet doordat je je als mens met die planten en dieren vereenzelvigt en meent dat zij eenzelfde waarde aan het leven toekennen als wij? En dat die waarde uit allerlei goede dingen bestaat maar meestal niet uit het weg­schenken van jezelf? ‘Natuurlijk’, zeg je gauw tegen jezelf, ‘die dieren weten niet be­ter – ze zijn het zich niet bewust, ze worden al dartelend opgeslokt’. Ja, dat is ook zo maar ondertussen laten ze toch zien dat le­vensvreugde en onbaatzuchtigheid heel goed kunnen samengaan.

In deze hoogzomertijd valt het feest van Johannes de Doper. De relatie zoals die nu beleefd kan worden tussen dit feest en Kerst­mis gaat terug tot het moment van de ge­boorte van Johannes, een half jaar vóór de geboorte van het Jezuskind. Het Evangelie vertelt van een ongelooflijke verbondenheid tussen deze beide kinderen, zelfs al vóór de geboorte. Het is Johannes die de wegbereider wordt voor het leven en werken van Christus op aarde en die zich met de enorme kracht van zijn vurige persoonlijkheid geheel hiervoor inzet, nooit aflatend om te wijzen op de betekenis van deze Mensenzoon en de alles omwentelende impuls die door zijn komst aan de mensheid en de hele aarde wordt gegeven.

Johannes wordt door Christus de ‘grootste mens’ genoemd ‘die uit een vrouw geboren is’. Toch zag hij, erkende en verkondigde hij degene die groter was dan hijzelf. Dat Johan­nes door deze activiteit op jonge leeftijd zijn leven moest prijs geven kan als een zelfgewil­de consequentie beschouwd worden; is dan ook niet tragisch, maar groots.

Waar zou je het Sint-Jansfeest beter mee kunnen vieren dan met echte bloemen, die je uitnodigen tot plukken en die nog altijd on­danks alles wat we de natuur aandoen, in overvloed bloeien, zodat je werkelijk kunt denken aan wat de naam Johannes betekent: God is genadig.
Zo kunnen we ter opluiste­ring bloemenkransen maken of een bloemen­hoed, maar ook een bloemetjestaart of pannenkoek!
.

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

 

198-188

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (21)

.
 Hedie ter Stege, nadere gegevens onbekend
 

SINT-JAN
.

Een stukje schrijven over St.- Jan. Dat valt niet mee. Toen ik „ja” had ge­zegd, dacht ik dat het niet zo moeilijk zou zijn hier iets over te schrijven.

De zon is op haar hoogste punt op de naamdag van St.- Jan: 24 juni. Moeder Aarde, wat een levend wezen is, heeft dan haar adem helemaal uitgeblazen. De ziel van de aarde is nu op z’n grootst. Ze reikt tot aan de wereld van God Vader, tot aan de hemel. Kijk maar eens werkelijk naar zo’n bloeiende linde­boom en ervaar hoe groots hij voor je staat.

Al onze zintuigen kunnen zich tegoed doen aan kwetterende vogels, zoete geuren en bonte kleurschakeringen van alle soorten bloemen. De kleurenpracht is overal om ons heen. We zijn dan ook „uitgelaten”. Trekken erop uit al of niet naar verre oorden, kunnen zonder jas naar buiten, want de temperatuur is lekker warm. Genieten van de warme, zoele zomeravonden en nemen de tijd om een praatje te maken met de buren. Je bent als mens één met alles om je heen.

De kracht, het licht en de warmte van de zon nemen we in ons op met huid en hart. Nieuwe, reine zonnekrachten, die we nodig hebben om weer er tegen aan te gaan in de herfst en de winter. Al het oude hebben we verbrand en afgelegd met het zuiverende St.- Jansvuur. Vanaf de 24e juni keert de zon zich langzamer­hand weer van ons af. De zomerzonnewende, een prachtig allitererend woord, in vroegere culturen had dit woord nog een werkelijk levende, magische klank. Be­leefde men die zomerzonnewende. Machtige reinigingsvuren werden ontstoken en men raakte tijdens het dansen letterlijk buiten zich zelf om onder te gaan in de zonnesfeer.

Om het St.-Jansfeest werkelijk te begrijpen is het niet voldoende om te blijven steken in datgene, wat je eraan beleeft. Ik denk, dat het voor elk jaarfeest geldt. Je zou die belevingen, die ervaringen moeten kunnen koppelen aan inzichten. Het woord zegt het al: om er zicht op en in te kunnen krijgen. Daarvoor is het nodig om een stuk bewustzijn te brengen in onze ervaringen.

Kijken we naar de kinderen, dan zien we dat zij volop genieten van dans en spel, van de volheid, van de zomer. De volwassen mens kan meer. Hij kan proberen zich niet alleen over te geven aan de uiterlijke zon, maar met een wakker be­wustzijn een eigen innerlijke zon op te bouwen, Ik zou willen aanraden voor degenen, die dat willen, om eens te lezen wat Emil Bock over het St.-Jansfeest heeft geschreven in zijn boek over de jaarfeesten. Vooral de niet gemak­kelijk te begrijpen samenhang met Johannes de Doper doet hij hierin uit de doeken.

Al lezende merk je dat je als modern mens een ingang kunt vinden om een verbinding te krijgen juist met ons denken, ons bewustzijn. Je komt op vragen als wat is de kwaliteit van de zon, wat is de kwaliteit van warmte eigenlijk, wat wordt ermee bedoeld als er wordt gezegd, dat de aarde slaapt tijdens de zomer en waakt in de winter, terwijl je altijd dacht dat het andersom was; wat hebben Hemelvaart en Pinksteren voor verband met het St.-Jansfeest, wat is uitade­men en wat is inademen? Talloze vragen, die in de loop van de tijd beantwoord willen worden. Wat mij erg aansprak: vroeger leefde het IK IN DE ZON, de op­dracht voor de toekomst: DE ZON LEEFT IN MIJ.

Emil Bock: De jaarfeesten als kringloop door het jaar

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

 

197-187

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Getuigschriften (4)

 .
H.C. Labij v.d. Poll, vrijeschool Bergen, nadere gegevens onbekend

.

ZOVEEL HOOFDEN – ZOVEEL GETUIGSCHRIFTEN
.

Als het weer naar het eind van het schooljaar loopt, hoor je in de wandeling de leerkrachten elkaar vragen: “Lukt het een beetje?  Hoeveel nog?”
Zo’n dialoogje gaat dan over de getuigschriften, waar­van vaak al weken voor het begin van de zomervakantie de schetsen, de ruwe lijnen op papier worden gezet.
Zéér veel moeite getroosten de meesters en juffies zich om geen droge opsomming van de capaciteiten van hun leerlingen te geven. In de eerste plaats om niet te vervallen in het geven van een prestatiecijfer. In de tweede plaats omdat een dergelijke opsomming vaak in het hanteren van starre begrippen verzandt. Een beschrijving van het leven van een kind in de klas kan alleen maar werkelijk doeltreffend zijn als die in zinnen wordt gegeven. Zinnen vormen binnen het geheel van de taal iets “zinnigs” en kunnen het beeld van hoe een kind zich door het jaar heen in de klas heeft gemanifesteerd, tot leven brengen.
Zo worden dan alle periodes die dat jaar aan de klas zijn gegeven in relatie tot de betreffende leerling besproken. Hier en daar klinkt een licht standje door, of juist een complimentje voor be­toonde inzet, belangstelling, ijver of sociale instelling. De intellectuele prestaties worden ook uit de doeken gedaan, maar niet eenzijdig of uitsluitend.

Om van het getuigschrift werkelijk iets te maken dat het hele jaar door een vormende waarde voor onze leerlingen kan hebben, begint ieder getuigschrift met een “spreuk” in proza of poëzie. Hierin tracht de leerkracht iets te leggen waaraan het kind zich ontwikkelen kan. Voor de een zal het een beeld zijn waarmee hij zich identificeren kan en dat hem helpt over een bepaalde zwakheid heen te groeien. Voor een ander zal het een beeld zijn waarvan hij afstand neemt, en waarvan hij zegt: “Zo wil ik niet worden!” Het kan ook best zijn dat een bepaalde gave van een leerling in het beeld wordt verwerkt, zodat die nog eens onder de aandacht wordt gebracht. Dan klinkt er iets in door van: “Dat kan jij zo fijn, ga die goede zijde van je karakter het komende jaar eens extra gebruiken!”

Als het een spreuk in poëzie is trachten de leerkrachten extra goed te letten op het ritme en de gebruikte klanken. Ritmes kunnen door­werken tot in de adem en de bloedstroom en gezondmakend werken. Klanken drukken óók iets wezenlijks van de taal uit en ondersteunen door hun vaste, harde, zachte, milde, glijdende of stotende karakter het beeld dat de spreuk wil geven.
In het hanteren van de spreuk kunnen de leerkrachten van werkwijze verschillen.  Sommigen laten de spreuk wekelijks voor de klas opzeggen, anderen laten het verscheidene malen per jaar doen. Maar hóe ze dit ook hanteren, getracht wordt altijd de spreuk te laten werken door er een ritmisch proces van te maken. Een proces van blij ontvangen, mee naar huis nemen, uit het hoofd leren, laten rusten en weer oppakken tot…… de nieuwe spreuk komt, die weer nieuwe impulsen hoopt te geven aan de ontwikkeling van uw kinderen.

.

Heinz Müller:  ‘Von der heilenden Kraft des Wortes und der Rhythmen’. Stuttgart, 1967;|
Martin Tittmann: Zarter Keim die Scholle bricht …., Stuttgart 1981.
Lore Schäfer: Zeugnissprüche und Klassenspiele, Stuttgart 1980
Helmut v. Kügelgen: Spiele und Zeugnissprüche.
Jansen/G. Reijngoud: Gezichtspunten voor het schrijven van getuigschriften
.

Getuigschriften: alle artikelen

Rudolf Steiner over getuigschriften

Het is niet alles goud wat er blinkt

 

196-186

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.