Tagarchief: Rudolf Steiner als didacticus

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner als didacticus (3)

.

Pieter HA Witvliet

DUIDELIJK SPREKEN
.

In de vrijeschoolklassen die ik heb geleid, heb ik altijd veel aandacht besteed aan het spreken.

Vanaf klas 1 tot en met de laatste klas van de basisschool zijn er heel goede spraakoefeningen om een kind duidelijk te leren articuleren.

Er is altijd wel een gelegenheid om een lastige tongbreker te doen; ook in de andere talen; en bij sommige periodestof passen prachtige gedichten.

RECITEREN
Het reciteren van gedichten dient, dat moge duidelijk zijn, een ander doel dan het leren spreken; maar het reciteren moet ook geoefend worden en is in deze zin dus ook ‘leren spreken’.

Het samen spreken vraagt ook een sociale inzet: je mag niet sneller dan de ander en ook niet luider: je moet je – ter wille van het geheel – inhouden, je naar dit geheel richten.

Rudolf Steiner:
‘Würde man es zuwenig ausbilden, dann leidet die soziale Gesinnung; die bildet sich aus durch das Chorsprechen.’

Zou je het te weinig ontwikkelen, dan lijdt de sociale stemming daaronder; die wordt door het ‘koorspreken’ gevormd ( )
GA 300a/141
Niet vertaald

opzeggen van tafels

Een andere vorm van ‘reciteren’ is het opzeggen van de tafels van vermenigvuldiging, eind 1e, begin 2e klas.

Dit reciteren draagt een dubbel ‘gevaar’ in zich: het kan tot een vervelende dreun worden en het kan het resultaat wat je ermee wilt behalen, ook tegenwerken.

Dat laatste klinkt wellicht tegenstrijdig.

Het klassikaal opzeggen van een tafelrij kan menig kind helpen om de logische volgorde in het geheugen te krijgen.

Maar:

Rudolf Steiner:

Wenn man es zuviel macht, dann leidet die Auffassungskraft, weil es eine starke suggestive Kraft hat. Die Kinder können Dinge, für die sie sonst keinen Tau haben, wenn sie in der Masse mitsprechen.

Wanneer je het teveel doet, dan lijdt het begrijpen eronder; er gaat iets suggestiefs vanuit: kinderen kunnen dingen waarvan ze eigenlijk geen flauw idee hebben.
GA 300a/141
Niet vertaald

Vandaar Steiners opmerking:

Die Kinder reden im Chor alle glattweg mit und können es einzeln nicht.’

In koor spreken de kinderen makkelijk mee, maar individueel kunnen ze het niet.
GA 300a/172
Niet vertaald

Rudolf Steiner

( ) ‘daß man versucht, bei den Kindern, nachdem sie es im Chor gesprochen haben, rasch es einzeln zu machen. Man soll es machen als Grundlage des Lernens. Das ist zweifellos so.’

Als basis van het leren moet men het doen, ongetwijfeld, maar wanneer in koor gesproken is, moet een kind het kort daarop individueel doen.
GA 300a/172
Niet vertaald

Rudolf Steiner

’Wenn allzuviel im Chor gesprochen wird, dann bitte ich nicht zu vergessen, daß die Gruppenseele eine Realität ist, daß Sie nie darauf rechnen können, daß die Kinder als einzelne das können, was sie im Chor richtig machen.’

Wanneer er te veel in koor gesproken wordt, moet u niet vergeten dat de groepsziel een realiteit is, dat u er niet op kan rekenen, dat de kinderen individueel kunnen, wat ze in koor goed doen.
GA 300a/248
Niet vertaald

Of:
‘Das, worauf es ankommt, ist, daß man berücksichtigt, wenn die Kinder im Chor sprechen, so ist es sehr gut, aber es ist noch kein Beweis, daß die Kinder es einzeln beherrschen, weil da ein Gruppengeist auftritt.’

Waarop het aankomt is, dat men in de gaten heeft, dat wanneer kinderen in koor spreken,  dit erg goed is, maar dat het nog geen bewijs is dat de kinderen het individueel beheersen, omdat er ‘groepsgeest’ werkzaam is.
GA 300b/107
Niet vertaald

Er zijn altijd kinderen die al snel zo’n tafelrij kunnen opzeggen; zij zijn dan de dragers van het geheel; de anderen die het niet zo goed kunnen, leren het wel, maar er is altijd een groepje dat het niet leert op deze manier.

Omdat het klassikaal zo goed gaat, ben je als leerkracht geneigd te denken dat heel je klas zo’n tafelrij beheerst. Maar dat is niet zo.

Daarom: ook veel individuele beurten; goed controleren wie het wel en wie het niet kan. Met de laatsten meer oefenen en zeker niet alleen met het opzeggen.

Je moet niet willen bereiken dat alle kinderen het via het samenspreken moeten leren. Voor de kinderen die het al kunnen, wordt het vervelend en degenen die het nog niet kunnen, leren het waarschijnlijk op deze manier niet meer.

Steiner geeft daarvoor nog een aanwijzing die ik hier met eigen woorden weergeef: ‘Degene die in het midden van de raamrij zit, aan de linkerkant, die gaat verder.’

Of: ‘Als ik ‘stop’ zeg, (of tegen een klokje tik, of enz.) gaan de kinderen die iets roods dragen, verder.’
Met allerlei varianten natuurlijk. Kinderen vinden dit altijd heel erg leuk; in zekere zin spannend en letten daardoor veel beter op, zonder dat ze daartoe aangespoord hoeven worden.

kunstzinnig onderwijs

Schilderen, tekenen, boetseren, enz. worden vaak kunstzinnige vakken genoemd.
Hierboven schreef ik: ‘Kinderen vinden dit altijd heel erg leuk; in zekere zin spannend en letten daardoor veel beter op, zonder dat ze daartoe aangespoord hoeven worden.’
Met kunstzinnig onderwijs bedoelde Steiner vooral ook deze manier van lesgeven: dat de kinderen met plezier, uit zichzelf, willen leren.

Rudolf Steiner als didacticus (1)    (2)

spraakoefeningen

spraak/spreektherapie [1]    [2

Rudolf Steiner over…: alle artikelen

73-71

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL- Rudolf Steiner als didaticus (1)

 

LANG GELEDEN/IN DE TIJD VAN…….
In hogere klassen komt het regelmatig voor dat er iets behandeld
wordt dat “lang geleden” is gebeurd.

M.n. in het vak geschiedenis.

Hoe maak je de leerlingen duidelijk wat en hoe dat dan is:
lang geleden.

AANWIJZING VAN STEINER
Steiner gaf daar zelf de volgende aanwijzing voor, nadat een
toekomstige leerkracht van de 1e vrijeschool, de Waldorfschool in
Stuttgart (1919), een uiteenzetting had gegeven:

E. geeft een historische uiteenzetting voor leerlingen van de laatste
klas over de stichting en ontwikkeling van steden en heeft het in de tijd
van de invallen van de Magyaren over ‘Duitsland’.

Steiner:
“Ik zou er toch vooral op letten dat er niet onbewust verwrongen voorstellingen ontstaan. In die tijd, de tijd van Hendrik de Stedebou­wer, bestond Duitsland natuurlijk nog niet. Men moet dat bijvoor­beeld zo zeggen: steden aan de Rijn of de Donau, plaatsen die later tot Duitsland behoorden. En vóór de tiende eeuw heeft men toch ook niet te maken met de Magyaren, maar met de Hunnen of Avaren. Na de tiende eeuw kan men dan van ‘Duitsland’ spreken.

Ziet u, ik zou de kinderen – dat is toch iets wat men de leerlingen van de hoogste klassen van de lagere school bijbrengt – bijvoorbeeld een idee geven van chronologie. Als men zo zegt ‘negende, tiende eeuw’, dan wordt de voorstelling te weinig concreet. Hoe zou u dat doen, dat de kinderen een concrete voorstelling krijgen van de tijd?

GENERATIEKETTING
U zou het volgende kunnen uitleggen: ‘Hoe oud ben je nu? En je vader
en moeder? En hoe oud zijn je opa en oma?’ Zo komt u tot de
opeenvolging van generaties. En dan kunt u de kinderen zeggen dat drie opeenvolgende generaties samen ongeveer honderd jaar beslaan.
In honderd jaar zijn er dus drie generaties. Honderd jaar geleden
waren de overgrootouders kinderen. Negen eeuwen geleden betekent
niet drie, maar 9 x 3 = 27 generaties terug. ‘Stel je nu eens voor,’ zegt
men tegen de kinderen, ‘je houdt de hand van je vader vast, die houdt
de hand vast van je grootvader, die van je overgrootvader en­zovoort.
Als ze nu naast elkaar zouden staan, de hoeveelste man was dan
Hendrik I, de hoeveelste man zou dan tegenover de Magyaren staan
rond het jaar 926? Dat zou de zevenentwintigste man zijn.’ Dat zou ik
heel aanschouwelijk brengen. En als ik de kinderen dan zo een concrete voorstelling heb gegeven hoe lang dat geleden is, dan zou ik gaan vertellen over de invallen van de Magyaren. Ik zou hun duide­lijk maken hoe de Magyaren in die tijd Europa binnenvielen. Dat ze Europa overvielen met grote woestheid, zodat alles en iedereen moest vluchten en met de kleine baby’s in hun wiegjes naar de toppen van de bergen moest trekken.
En dat de binnenvallende Magyaren dorpen en bossen in brand staken. Heel beeldend zou ik de aanstormende Magyaren beschrijven.

BEELDEND VERTELLEN
Ik zou u wel willen vragen om alles heel aanschouwelijk te vertel­len, om heel levendig te werk te gaan, opdat de kinderen innerlijk aanschouwelijke beelden krijgen en ze alles als het ware tastbaar voor zich zien. U moet fantasie gebruiken en van die dingen gebruik ma­ken die ik heb laten zien bij het concreet maken van de tijd. Men heeft er werkelijk niets aan om te weten in welk jaar de slag bij Zama is geweest enzovoort, maar als men zich voorstelt, als men weet dat Karel de Grote de dertigste voorouder is wanneer ze allemaal in een rij zouden staan en elkaar de hand zouden geven, dan krijgt men daardoor een aanschouwelijk, concreet idee van de tijd. Die tijd komt dan veel dichterbij – ja zeker, ze komt dichterbij! – wanneer men weet dat Karel de Grote te vinden is in de tijd van de dertigste
voor­ouder.”
[1]

Voor de verschillende vormen van ‘beeldend vertellen’ hier meer.

In de verschillende 6e klassen waarin ik bij het vak geschiedenis deze aanwijzing in de praktijk toepaste, merkte ik telkens bij de kinderen een grote interesse: hoe lang wordt die ketting wel niet. Nog interessanter werd het als ik vragen stelde: hoe zag de kleding er toen uit; hoe woonden de mensen; was er telefoon; waren er al auto’s; was er straatverlichting? Ook de kinderen konden uiteraard hun vragen stellen of mochten de antwoorden later zelf geven, nadat ze deze op school of thuis hadden gezocht. Er werden boeken meegebracht met plaatwerk ter illustratie.

Lang niet alles kon aan bod komen. En….het ging er natuurlijk om met de ‘generatieketting’ aan te komen in de tijd waarover je het uiteindelijk wilde hebben of bij de historische figuur die je wilde belichten.
Teruggaan tot bv. in de Egyptische tijd heeft m.i. niet veel zin. Dan wordt de generatieketting wel ‘erg lang’ en als zodanig eigenlijk net zo abstract als ‘heel lang geleden’.

Ook andere, wat abstractere aanwijzingen van Steiner, die ook op andere gebieden van opvoeding en onderwijs betrekking hebben,  kunnen je als leerkracht  inspireren. Dat ik uitvoeriger bij de generaties stilstond, werd me ingegeven door deze opmerking van Steiner:

“We hebben als opvoeder de opgave het dode voortdurend tot leven te wekken”.
[2]

[1] Rudolf Steiner: GA 295 ‘Praktijk van het lesgeven’, blz. 136/137
1989 Uitg.Vrij Geestesleven Zeist.
ISBN 9060381874
GA 295  

[2] Rudolf Steiner: GA 294 ‘Opvoedkunst’ , blz. 33
1087 Uitg.Vrij Geestesleven Zeist.
ISBN 9060381866
GA 294

Rudolf Steiner als didacticus (2)

Rudolf Steiner: alle artikelen

10-8

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.