VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (23)

.
 *Rimbert Moeskops, Parcivalschool Amstelveen, naderre gegevens ontbreken

.

PASEN IN DE DERDE KLAS
Viering op joodse wijze

Op de dag van het vorige jaar dat we in de verschillende klassen de paasvieringen hadden, heb ik* met mijn derde klas (Parcivalschool/Amstelveen) het Sederavondfeest gevierd; het was die dag ook volgens de Joodse kalender Pasen, Pesach. Het lag voor de hand: het Oude Testament als vertelstof en een Joods meisje in de klas.
Al gauw bleek overigens, dat er ook nog vijf kinderen in de klas waren met een Joodse vader of grootmoeder.
Pesach wordt gevierd aan de hand van een boek, de Haggada (letterlijk: het Verhaal), waarin alle rituelen en gebeden keurig op een rij beschreven staan. In het door mij gebruikte boek (volgens kenners de mooiste Nederlandse vertaling) is dit geheel zo geordend, dat er zelfs een nummering bij staat. Het feest wordt gevierd op Sederavond; seder betekent ordening.

Iedere Joodse familie bezit minstens één Haggada. Volgens gebruik is het een zeer ‘belezen’ en met wijn- en voedselvlekken besmeurd boek. Op de avond, dat ik het feest met een drietal ouders voorbesprak, lagen er ook al meteen vijf verschillende uitgaven op tafel. En verschillende met vlekken!

De voorbereiding

De ruimte waarin Pesach wordt gevierd, eigenlijk het hele huis, wordt in de dagen voorafgaand aan het feest zeer grondig gereinigd, omdat ieder kruimeltje gegist of gezuurd brood verwijderd dient te zijn. De kinderen en ik hebben op de dag voorafgaand aan het feest de hele klas geveegd, geboend en gezogen. Alles uit de kast gehaald, uitgeslagen en gestoft. Dit gebeuren was een feest op zich en wat je noemt: de klas werd op zijn paasbest.

Voorafgaand aan het feest, op de dag zelf, wordt met een lantaarn of kaars in alle hoekjes en gaatjes naar mogelijke laatste kruimeltjes gespeurd, die, als ze er niet zijn, symbolisch met een vogelveer bijeengeveegd en verwijderd.

Noodzakelijk is natuurlijk ook, dat alle jongens en mannen een keppeltje dragen. Wij konden ze lenen; wie er niet op die wijze over beschikken kan, zal ze moeten maken (als variatie of aanvulling op de te breien muts in de derde). Ook lange, witte gewaden behoren tot de traditie: die hadden wij niet, want daar­van hoorde ik pas op de ochtend van het feest.
Voor ieder die aan de maaltijd deelneemt moet er uiteraard een plaats aan tafel en een bord, bestek en een wijnglas zijn, maar ook voor Elia, die altijd als plotselinge gast op kan komen dagen, moet er (en liefst extra mooi) serviesgoed zijn en uiteraard de mooiste stoel klaar staan.
Voor de traditionele gerechten, die niet alle genuttigd worden, zou er een uit drie verdiepingen bestaand Sederbord moeten zijn; maar kom daar maar
eens aan …….
Wij hadden gewoon een groot, mooi bord.

Liederen

De liederen die op Sederavond gezongen worden, moeten natuurlijk tevoren worden geleerd. Allereerst is er het ‘Manisjtana’. Dit lied en de andere Sederliederen zijn op de plaat gezet door Hans en Asher Bloe­mendal. Ik heb nog niet kunnen ontdekken, of er ook een CD van is gemaakt.

Overigens heb ik een aantal van de liederen vervangen door andere met dezelfde strekking: ‘Dajenoe’ door ‘Laten wij zingen voor de Here Jahweh’; ‘M’kiemie’ door ‘Halleluja – looft de Heer in zijn Heiligdom’; ‘Echad mie jodea’ door ‘Wie kan me zeggen wat één betekent?’; alles uit ‘De wereld klinkt’ van Elisabeth Lebret.

De gerechten

Wij hadden de traditionele gerechten, zoals ze op de Sederavond niet mogen ontbreken: het hardgekookt ei, het lamsbotje, de peterselie, de radijsjes en het zoute water, de geraspte mierikswortel en de charoset (een mengsel van geraspte appel, noten, honing en bruine suiker en zoete wijn). De vier glazen wijn die geduren­de de viering gedronken worden (met de elleboog op tafel geleund als extra teken van vrijheid), waren bij ons glazen druivensap, gemengd met wat zoete wijn. Daarnaast hadden wij als feestmaaltijd een eiersalade, matzeballensoep, een matzecake en matzes met divers beleg (waarbij niet vergeten mag worden, dat wanneer melkproducten zijn gebruikt in gerechten, er geen vlees op tafel mag komen of andersom). We hadden gekoch­te matzes, maar we hadden er ook zelfgebakken: een paar dagen voor het feest op een houtvuurtje op het plein.
Voordat de viering begint, is de tafel gedekt en de eerste beker wijn ingeschonken. De kinderen moeten weten, dat vóór de maaltijd begint, er niets op eigen initiatief mag worden gegeten en gedronken. Aan de hand van de vertelde of voorgelezen verhalen is ze dit gemakkelijk bij te brengen.

De verhalen

De Sederavondviering is in eerste instantie een herden­king van de Uittocht uit Egypte; aan de andere kant ook een feest van de vrijheid in meer algemene zin. Wat de deelnemers aan de viering dus minstens moeten kennen is het verhaal van de Uittocht. Tegen Pasen in de derde klas is dit verhaal ongetwijfeld al aan bod geweest.

Maar de Sederavondviering is ook een traditie, met andere woorden, het herdenkt in zekere zin de vorige vieringen. Wie met een groep mensen of kinderen die het feest niet kennen, het feest gaat vieren, moet dit extra voorbereiden. Bruikbaar zijn de twee Pesachverhalen uit het boek ‘Als een lamp voor onze voeten’, die ik in de klas heb voorgelezen op de twee dagen voorafgaande aan de viering. Het ene verhaal vertelt vooral over de voorbereidingen en iets over het feest zelf; het andere verhaal maakt vooral duidelijk, dat er weliswaar een heerlijke maaltijd voor je neus staat, maar dat het wel even kan duren, voordat je daaraan beginnen mag. Wie de hele ‘Haggada’ volgt, heeft daar zeker een uur of vier voor nodig. In de klas heb ik het een en ander ingekort, zodat we al na ruim een uur aan de maaltijd konden beginnen. Ook hebben we de voorgeschreven discussie maar overgeslagen, hoe­wel dat een wezenlijk deel van de viering uitmaakt. Wie durft?

De viering zelf

In de Haggada staat precies beschreven, hoe de Seder­avondviering hoort te verlopen. Aan de hand van de tekst heb ik dus een ingekorte en soms vereenvoudigde tekst uitgeschreven. Met die tekst in de hand heb ik de viering kunnen leiden. Dat is ook het gebruik: degene die de viering leidt, leest de Haggada. Vandaar dan ook die vlekken op het boek. Er zijn een aantal ceremonieën, die de kinderen bijzon­der aanspreken. Bijvoorbeeld, als de tien plagen ter sprake komen, doopt iedereen de pink in de wijn en schudt de wijn met een min of meer achteloos gebaar van de pink. Lik de wijn vooral niet van je pink: de kikvorsen, de sprinkhanen of het bloed komen in je mond!

Gast         (het lijkt erop of hier een stuk van het artikel ontbreekt)

We waren nieuwsgierig: zou er iemand binnen komen? In ons geval
stond er inderdaad iemand voor de deur………
En komt Elia niet, dan blijft in ieder geval zijn glas wijn staan (op de seizoenentafel bijvoorbeeld) voor het geval hij verlaat is en in de nacht of op een van de volgende dagen mocht verschijnen…….

Tijdens de viering wordt twee maal de handen gewas­sen. Drie mensen gaan rond met kan, schaal en hand­doek, zodat de anderen aan tafel kunnen blijven zitten. De kinderen van mijn klas en de ouders die erbij waren, hebben het als een zeer bijzondere viering ervaren. De hoop, dat ook anderen de stap durven wagen, een traditionele Pesachviering in hun derde klas te houden. Mocht iemand enthousiast zijn geworden, dan horen de kinderen en ik graag eens hoe het geweest is.

“Volgend jaar in Jeruzalem!’

Literatuuropgave:
*    ‘Haggada, Het PaasverhaaP, R.C. Musaph-Andriesse en E. van Voolen, uitgeverij Ten Have/Baarn 2e druk 1995;
*    ‘De wereld klinkt*, Elisabeth Lebret, uitgave Verenging voor Vrije Opvoedkunst 1970.
Abusievelijk gefotokopieerd in omloop zonder titelblad; het heet dan ‘Muziekboek voor de drie laagste klassen van de Vrije Scholen’;
*    ‘Als een lamp voor onze voeten’, H. van Dorssen, uitgave Ne­derlandse Zondagschool Vereniging/Amsterdam 1992;
*    ‘Recepten uit de Joodse keuken’, Bea Polak, uitgeverij Amphora books/Amstelveen 1986. Het laatste hoofdstuk handelt speciaal over de Pesachgerechten;
*    ‘Mijn enige jaarfeest: Pesach’, Paul Gabriner, Vrije Opvoedkunst 59e jaargang, nr 3, april 1996;
*    ‘Sederavond, Hans en Asher Bloemendal zingen oude en nieuwe sedermelodieën’, uitgave Joods Nationaal Fond, stereo 6810 939.

.

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Pasen – jaartafels

 

134-129

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (22)

.
Maarten Udo de Haes ‘Jonas’17,  13 april 1984

.

EEN FEEST VAN EVENWICHT EN BEWEEGLIJKHEID 

De evenwichtige stand van de zon en de maan tegenover elkaar met precies daar tussenin de aarde is een gegeven voor het vaststellen van de datum waarop Pasen wordt gevierd. Deze voorwaarde betekent dat die datum voortdurend wisselt. Daarmee zijn twee essentiële kenmer­ken genoemd voor het paasgebeuren: beweeglijkheid en evenwicht als aan­wijzingen voor het innerlijk meebele­ven van het paasfeest.

In tegenstelling tot de data van het Michaelsfeest, Kerstmis en Sint-Jansdag, die alle vast­liggen, wisselt de datum van Pasen voortdu­rend. Zo beweeglijk als de constellatie van zon, maan en aarde is, zo beweeglijk is de paasdatum, die op de volgende wijze vastge­steld wordt: wanneer de aarde in haar baan het lentepunt heeft bereikt, de maan daarna vol geworden is, valt op de zondag, die daar­op volgt, Pasen.

Deze beweeglijkheid van de datum van Pasen geeft wellicht ook een aanwijzing voor de kwaliteit van dit feest: beweeglijkheid, in­nerlijke dynamiek. Behalve deze beweeglijk­heid, waar we hieronder nog op terugkomen, spreken de uiterlijk astronomische feiten nog een andere taal, namelijk die van het even­wicht, van het midden. Evenals voor het Michaelsfeest, dat kort na de herfstevening valt, dat wil zeggen wanneer dag en nacht even lang zijn, zon en maan even hoog boven de horizon komen en de plaatsen van zonsopgang en zonsondergang precies tegenover elkaar liggen, gelden deze verschijnselen van evenwicht ook voor de tijd dat de aarde het lentepunt passeert. Deze toestand van evenwicht wordt nog versterkt door de tweede voorwaarde waaraan voldaan moet worden voordat het Pasen wordt, na­melijk de volle maan. De aarde staat dan – wat richting betreft – precies tussen zon en maan. Als twee wachters staan zon en maan tegenover elkaar met de aarde – en daarmee de mens – in het midden. Daarbij komt ook nog het fenomeen dat in deze tijd van het jaar de baan van de zon en die van de maan dezelf­de ‘helling’ hebben ten opzichte van de hori­zon; de zon komt overdag precies even hoog boven de horizon als de maan ’s nachts, in te­genstelling tot de winter, waar de zon laag en de maan hoog aan de hemel staat; in de zo­mer is dit omgekeerd.

Het zou hier te ver voeren om ook nog de middenpositie van de zondag in de opbouw van de week na te gaan zoals dat in de Jonas van 4 april 1980 is gedaan. Samenvattend kunnen we zeggen dat met Pasen een opti­male toestand van evenwicht is bereikt (Wil­helm Hoerner toont in zijn boek ‘Zeit und Rhythmus’ aan hoe zestien kosmische even­wichtstoestanden hun grootst mogelijke wederzijdse versterking bereiken op de zon­dag na de lente-volle maan, dus met Pasen). Op deze beide elementen: beweeglijkheid en evenwicht willen we nader ingaan om daarin een aanwijzing te zoeken voor het innerlijk meebeleven, het meeverwerkelijken van het paasgebeuren.

Mercurius

Van de zeven planeten (in de klassieke zin van het woord) vertegenwoordigt Mercurius overduidelijk het element van de beweeglijk­heid. Snel en (schijnbaar) willekeurig be­schrijft hij meerdere malen per jaar een lusvormige baan, steeds een periode langzamer, dan weer sneller gaande ten opzichte van de sterrenhemel. Hij beweegt zich voor het oog voortdurend heen en weer om de zon als midden, waarbij de afstand tot dit middel­punt nooit groot wordt, aangezien Mercurius een binnenplaneet is met de kleinste en daar­mee snelstdoorlopen baan. Hierdoor komt het ook dat Mercurius zelden te zien is, om­dat hij meestal door het zonlicht wordt over­straald. Bij de beweeglijkheid zoekt Mercuri­us kennelijk ook het evenwicht, in die zin, dat hij steeds om het midden schommelt, waar hij nooit ver vandaan is!
Het is in dit verband kenmerkend hoe in de ordening van het weekritme de dag van Mercurius, de woensdag (Frans: mercredi) het midden van de week vertegenwoordigt, hetgeen in de Duitse naam voor woensdag, Mittwoch, duidelijk afleesbaar is.
Mercurius is altijd gezien als de genius, de ‘patroon’ van zowel de handel alsook van de geneeskunde, hetgeen we tot op de huidige dag nog kunnen zien aan bijvoorbeeld het vignet van het jaarbeursgebouw: de gevleu­gelde mercuriushoed, of het symbool van de geneeskunde, de mercuriusstaf met de slang (en).
Hoewel op het eerste gezicht de beroepen van handelaar en arts wel ver uit elkaar lijken te liggen, kunnen we bij nader inzien juist uitgesproken overeenkomsten vaststellen. Hoeveel uiteenlopende oorzaken verschillende ziekten ook kunnen hebben, de oorspron­kelijke oorzaak zal altijd liggen bij een niet of onvoldoende communiceren tussen orga­nen onderling of tussen een orgaan en het ge­hele organisme. Het onderlinge geven en ne­men is dan verstoord of gestagneerd, waar­door opeenhopende, woekerende tendenties of juist het tegenovergestelde het gevolg kan zijn, namelijk afstervende uitmergeling. Het gezondmaken (dus veel meer dan de symptoombestrijding) bestaat dan in een herstellen van het evenwicht, doordat geven en nemen weer in beweging komen. Wat aan stoffen of eigenschappen op de ene plaats te veel is, dient aan een andere plaats, waar te weinig aanwezig is ten goede te komen. De geneeskunde is in dit opzicht een gezondmakende ‘handel’, die opeenhoping enerzijds en ontbering anderzijds door een ‘mercuriaal’  geven en nemen weer in evenwicht brengt.

Jaïrus

Onder andere in het Marcusevangelie wordt een gebeurtenis beschreven, die het mercuriale, gezondmakende ‘handelen’ van Christus beschrijft. Het is de genezing, respectievelijk de opwekking van het dochtertje van Jaïrus (Marcus 5). Nadat Jezus door de overste van de synagoge geroepen is om te komen en zijn dochtertje dat op sterven ligt te genezen, gaat Jezus inderdaad met hem mee: Onder­weg wordt hij opgehouden door een menig­te, die zich tegen hem opdringt. Daaronder bevindt zich een vrouw, die twaalf jaar lang aan bloedvloeiingen geleden heeft; zij raakt van achteren het gewaad van Jezus aan. Het vertrouwen dat dit haar zal helpen blijkt ge­rechtvaardigd, want ‘zij bemerkte aan haar lichaam, dat zij van haar kwaal genezen was’. Jezus bemerkt op datzelfde ogenblik dat een kracht van hem was uitgegaan, keert zich om en vraagt, wie hem heeft aangeraakt. Hij wil aan het schroomvallig van achteren benade­ren een bewuste ontmoeting toevoegen, oog in oog, hetgeen dan ook gebeurt.
Vervolgens blijkt dat deze genezing en ont­moeting veel meer met het lot van het doch­tertje van Jaïrus samenhangen dan alleen door het feit dat deze gebeurtenis plaats­vindt op weg naar het huis van Jaïrus. ‘Ter­wijl hij nog sprak (namelijk tot de vrouw) kwam men uit het huis van de overste der sy­nagoge hem zeggen: uw dochter is gestorven; waarom valt gij de Meester nog lastig?’ Jezus echter stoort zich daar niet aan, vervolgt zijn weg en gaat het huis binnen. In tegenstelling tot het rumoer van de dringende menigte buiten, schept Jezus nu de stilte van een klei­ne intieme kring binnen. Deze polariteit en de schijnbaar onbelangrijke mededeling van de evangelist dat de vrouw twaalf jaar lang aan bloedvloeiingen had geleden en dat het meisje dat wordt opgewekt (‘maagd, ik zeg u, sta op!’) twaalf jaar oud is, wijzen op een verband tussen beide genezingen. Hetgeen bij de vrouw te veel is, wil bij het meisje niet doorbreken, en Jezus beweegt zich daartus­sen als de mercuriale ‘bemiddelaar’. We krij­gen de indruk dat de opwekking van het dochtertje van Jaïrus niet ondanks het op­onthoud onderweg, maar wellicht mede dankzij deze ‘toevallige’ ontmoeting moge­lijk is geworden.

Hierin ligt – dunkt me – een belangrijk appel besloten om in ons eigen leven mercuriaal en daarmee genezend te werken; om niet ‘toe­vallige’ situaties of ontmoetingen snel voor­bij te gaan omdat we menen dat deze sto­rend en tijdrovend in de weg staan en slechts afleiden van de veel belangrijkere dingen die we denken te moeten doen, maar dat we – in­tegendeel – dergelijke ‘toevalligheden’ vaak mogen zien als gebeurtenissen die ons inder­daad ‘toevallen’ en bij nader inzien elementen in zich dragen waarvan wij juist dankbaar ge­bruik kunnen maken.

Wanneer we er voldoende wakker voor zijn, kunnen wij ‘onderweg’ veel meer geven en nemen, dan we aanvankelijk vermoeden. Te­meer waar het ons meestal om het doel gaat dat we voor ogen hebben en we de weg er naartoe als een noodzakelijk kwaad beschou­wen, dat we zo snel mogelijk achter ons moeten laten. Voor ontmoetingen met men­sen of gebeurtenissen onderweg menen wij geen tijd te hebben, terwijl daarin nu juist zo’n rijkdom aan ‘toevalligheden’ die juist vaak met ons doel te maken hebben, beslo­ten ligt. Dit doel kan daardoor vaak veel dichter bij ons komen dan dat we het ge­haast en met oogkleppen op hadden kunnen bereiken.

Wanneer deze wetmatigheid niet alleen voor de enkeling, maar juist ook voor het hele weefsel van onderlinge lotsverbondenheden van vele mensen geldt, dan kunnen we ver­moeden, hoeveel mogelijkheden ons zijn ge­geven om de eenzijdigheden van onszelf en/of van anderen aan te passen en aan te vul­len, zodat het grotere organisme evenwichti­ger en daarmee gezonder wordt. Aangezien wij – meestal onbewust – nogal ge­neigd zijn onze eigen eenzijdigheden en eigen-aardigheden te koesteren, betekent een correctie, aanvulling of aanpassing vaak een onaangename inbreuk en storing in onze le­venswandel. Deze levenswandel kan dan zelfs tot een lijdensweg worden, wanneer we ge­confronteerd worden met die eenzijdigheden of eigenaardigheden. En hoe minder wij ons daarvan bewust zijn, des te smartelijker is die confrontatie. Het is te vergelijken met een diagnose die gesteld wordt; sterker nog: het is een diagnose, hetgeen tenslotte letterlijk ‘door-kenning’ betekent.

Rafaël

Zoals een doelgerichte therapie ondenkbaar is zonder een gestelde diagnose, zo is Pasen ondenkbaar zonder voorafgaande lijdenstijd, zo is de opstanding pas mogelijk door de voorafgaande dood. ‘Indien de tarwekorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij alleen met zichzelf; indien zij sterft, brengt zij veel vrucht voort’, zijn de woorden van Jezus, die hij vlak voor zijn eigen dood uitspreekt (Johannes 12).

Uitgaande van de mercuriale genezende ele­menten van beweeglijkheid en evenwicht, ontdekken we nog andere kenmerken van het paasfeest, die ook met geneeskunde of heelkunde te maken hebben, respectievelijk daarmee vergelijkbaar zijn: de beide grond­pijlers diagnose en therapie. Wij mogen kennelijk de machtige, allesvernieuwende daad van de dood en opstanding zien als genezing voor de mensheid, waarbij wij diegene, die deze daad als eerste volbracht Christus, in dit verband als de wereld-arts mogen beschouwen.

Van de vier aartsengelen die de loop van het christelijke jaar begeleiden, is Rafaël de geni­us van de ‘lentefeesten’, hetgeen in het licht van het bovenstaande kenmerkend is, aange­zien deze naam – uit het Hebreeuws vertaald – betekent: ‘God geneest’ of de ‘genezende kracht van God’.

Met Pasen werkt bij uitstek de genezende kracht van God, doordat een hereniging, een ‘communie’ plaatsvindt tussen geest en stof, tussen hemel en aarde, tussen God en mens. Deze hereniging heeft indertijd plaatsgevon­den, doordat de goddelijke geest van Chris­tus het menselijk lichaam van Jezus zo ge­heel doordrong, dat alles wat aan ziekte en dood in dit sterfelijke lichaam heerste in het licht van de genezings- en opstandingskracht werd overwonnen, waardoor aan dit lichaam onsterfelijk leven werd verleend.

Opstanding uit de dood wordt nu en in de toekomst daar verwerkelijkt, waar de Chris­tusgeest de sterfelijke, aardse stof doordringt om daaraan eeuwigheidswaarde te verlenen. Een gebeuren dat te vergelijken is met het proces dat de inhoud van een gedicht door­maakt. Oorspronkelijk ontstaat deze als le­vende inspiratie in de ziel van de kunstenaar om zich vervolgens door een meestal moei­zaam proces los te maken en vorm te vinden in het gesproken of geschreven woord. De idee of de inspiratie moet zich letterlijk en figuurlijk ‘verdichten’ totdat het uiteindelijk sterft in drukinkt en papier. Pas wanneer een menselijke geest zich invoelend met het ge­dicht verbindt, wordt de eigenlijke inhoud uit de verdichting bevrijd en staat daaruit op. Hoeveel is er in en door de mens verdicht en heeft daar een graf gevonden? Hoeveel kan er niet door invoelende mensengeesten in het licht van de opgestane Christus daaruit wor­den bevrijd?

Hoeveel meer Pasen kan het worden, naar­mate wij ons op innerlijk beweeglijke, mer­curiale wijze in dienst stellen van de Midde­laar tussen geest en stof, tussen hemel en aar­de, tussen God en mens; in dienst van de wereld-arts.

.

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Pasen – jaartafels
.

133-128

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (21)

.
Yolanthe Cornelisse, nadere gegevens ontbreken
.

PASEN: FEEST VAN DE OPSTANDING VAN CHRISTUS EN VAN DE NATUUR

Zoals de wintertijd de periode voor de lichtfeesten was, is de lente de periode van de vruchtbaarheidsfeesten. Zoals we bij het kerstfeest de kerstboom als symbool voor de levensboom zien, hoort bij het paasfeest de palmpaasstok. Aan de palmpaasstok kunnen we veel symbolen herkennen:
In de top prijkt de haan. Deze kondigt de nieuwe dag aan in de prilste morgenschemering. De haan staat symbool voor het hoogste deel van de mens. Hij is een verbeelding van ons wakkere IK.

De palmpaasstok draagt vaak een krans, symbool voor het zonnerad. Ook de geestelijke zon, die eeuwig is, wordt hiermee gesymboliseerd. De altijd groene buxustakjes symboliseren het eeuwige leven en de vruchten aan de palmpaastak zijn de dragers van het nieuwe levenszaad.
Ook de andere paasgebruiken zijn symbolen, zoals de haas die eieren brengt. De haas was in verschillende delen van de wereld toegewijd aan godinnen van schoonheid, liefde en vruchtbaarheid. In het noorden was dat de godin Ostara, wier naam we nog herkennen in de Duitse benaming van het paasfeest: ‘Ostern’. Dit is een aanwijzing voor de voorchristelijke geschiedenis van het feest. De Germaanse mythologie vertelt ons dat de godin Ostara nieuw leven aan de natuur gaf door de haas eieren te laten brengen.
De haas heeft geen hol om veiligheid in te zoeken en moet zijn kwetsbaarheid opheffen door zich veel voort te planten. Het is een zeer vruchtbaar dier. In het Christendom staat de haas symbool voor het hogere IK in het fysieke lichaam. De haas is een vreedzaam wezen dat oog heeft voor de nood van een ander, zonder zelfzucht. Hij doet alles om een ander te redden. Een haas die in het veld achternagezeten wordt door een hond, wordt vaak door een andere haas afgelost zonder dat de hond dit in de gaten heeft.* Ook heeft de haas het vermogen, door op zijn schreden terug te keren, zijn achtervolger het idee te geven dat hij als bij toverslag verdwenen is.

*Dit wordt vaak verteld in artikelen op deze blog. Maar een bewijs daarvoor heb ik nog nergens gevonden. ‘Vaak afgelost’???

Wat is het Bijbelse verhaal achter het paasfeest?

De voorbereidingstijd voor het paasfeest duurt 4 weken en begint met het carnavalsfeest. De tweede zondag van deze periode wordt passiezondag genoemd. Deze dag, midden in de vastenperiode, wordt beschouwd als het moment waarop de beslissing viel om Jezus te doden. De 2 weken erna, van passiezondag tot de paasnacht, vormen de passietijd of lijdenstijd. De laatste zondag voor Pasen heet palmzondag.
Palmzondag, 1 week vóór Pasen, was de dag van de intocht van Jezus in Jeruzalem. Daar werd het joodse Paschafeest gevierd ter herinnering aan de uittocht uit Egypte, de losmaking uit de slavernij. Jezus reed Jeruzalem binnen op een ezelin, symbool voor het fysieke lichaam als drager van de geest. De mensen, die gehoord hadden over de wonderen van Jezus, kwamen Hem tegemoet om Hem als langverwachte koning binnen te halen. Ze sneden palmtakken van de bomen en legden die op de weg.

De week van palmzondag tot Pasen wordt ook wel ‘stille week’ genoemd, omdat er dan geen klokgelui te horen is. In deze week hebben onder andere de donderdag en de vrijdag een bijzondere naam. De donderdag voor Pasen heet ‘Witte Donderdag‘, de dag van het laatste avondmaal waar Jezus blijk gaf van Zijn onbeperkte liefde. Wit staat voor heilig of goed. De vrijdag erna heet ‘Goede Vrijdag’. Dit is de dag waarop Jezus, na verraden te zijn door Judas, een van de twaalf discipelen, gevangen genomen, ter dood veroordeeld en gekruisigd werd. In de nacht van vrijdag op zaterdag werd Jezus in zijn graf in een grot gelegd, waaruit hij op paaszondag weer opstond.

Nog meer symbolen rond het paasfeest

Het ei, een onmisbaar attribuut bij het paasfeest, lijkt van buiten een dode steen. Als een kip er echter 21 dagen op heeft gebroed, komt er een levend wezen uit. Het ei vormt dus een mooi symbool voor het wonder van de opstanding uit de dood, ontkiemend leven. Deze onzichtbare kracht zit in alle dingen.
Eieren waren heilig en werden als offergaven aan de goden geschonken, vaak geverfd in voor de Germanen symbolische kleuren zoals bruin (aarde), geel (lentegodin) en rood (oppergod Wodan). Ook werden eieren begraven op plaatsen waarvoor men zegen, vruchtbaarheid of genezing wilde vragen.

Het woord ‘Pasen’ is afgeleid van het Syrisch-Arabisch ‘Passak’. Dat betekent dansen, huppelen en heeft betrekking op de blijdschap om het licht, de overwinning van de zon op de duisternis van de winter.

Door het dubbele van het paasfeest is het een moeilijk feest. Eerst beleven we de lijdensweg en de dood, daarna de opstanding uit de dood. Deze kunnen we, behalve in het verhaal over Christus, ook om ons heen in de natuur beleven. Pasen is het feest van het overwinnen van de fysieke dood. Blijf niet treuren om het fysiek waarneembaar gestorvene, maar ervaar de opstanding, het voortgaan van het leven in een nieuwe vorm.

Het paasfeest op school

In de peuter- en kleuterklassen ligt de nadruk op het vieren van een lentefeest. Er wordt een palmpaasstok gemaakt door juffies en ouders, met een broodhaantje, slingers van gedroogde vruchtjes en groene buxustakjes. De laatste schooldag voor de paasvakantie wordt er een klein palmpaasoptochtje gelopen. De kinderen zingen over de paashaas en er worden paaseieren gezocht en gegeten.

De kinderen van de hogere klassen maken zelf hun palmpaasstok en lopen op palmzondag een lange tocht. Verder wordt er verteld over het paasfeest.

Paasliedje van de peuters:

De paashaas, de paashaas, die is weer in het land.
En aan zijn ene pootje daar hangt een grote mand
En in die mand zitten eieren, bim bam beieren
En volgend jaar komt hij weerom, bim bam bom!

.

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Pasen – jaartafels

Peuters en kleuters: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: peuters-kleuters
.

132-127

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (20)

.
Annet Schukking ‘Jonas’ 17, 17 april 1987
.

PASEN: LIEFDEVOL OMVORMEN VAN HET DODE
. 

Er zijn mensen die moeite hebben met de herfst, anderen daarentegen vervallen juist in het voorjaar in een zekere melancholie. De lente laat te lang op zich wachten. Weliswaar lengen de dagen opmerkelijk, bloeien de krokussen, fluiten de merels al lang, maar als regel blijft het koud en guur en vallen er — nu heel misplaatst — af en toe sneeuwbuien. De lammetjes staan onbeschut in de wei, de griep waart rond in de stad.
De wintervreug­den: de feesten en de ijspret zijn voorbij en het verlangen naar warmte, zon en onbek­ommerd buiten-zijn wordt steeds intenser. Maar misschien is het ook nog iets anders, dat deze melancholie oproept. Synchroon met het talmen van de lente loopt in onze streken de voorbereidingstijd van het paas­feest. Het is wat in het kerkelijk leven de lijdenstijd wordt genoemd.
Hoewel de over­winning van de koude, donkere wintertijd, de nieuwe opbloei van het leven zich in de natuur al aankondigt en je zelf ook weet dat het paasfeest, het grote opstandingsfeest in aantocht is, ontkom je toch niet aan een zekere neerslachtigheid. Wat is er gebeurd sinds Kerstmis waarbij de geboorte van het Christuskind werd gevierd, waar in de uiterlijke duisternis en de doods­heid van de natuur het licht aan de groene boom hoopvol werd ontstoken? Al gauw daarna verzonk deze warme, blijde stem­ming in de kilheid en rauwheid van het dagelijks gebeuren. Kindermoord te Bethlehem. Machtsstrijd. Grof egoïsme. Keihard materialisme. Afwentelen van verantwoor­delijkheid. Zwakheid, verloochening, ver­raad. Ten slotte kruisiging van datzelfde we­zen dat nog maar kort geleden zo blij ont­vangen werd. Buiten wordt het lente, neemt het licht sterk toe, innerlijk beleef je de duisternis van menselijke ontrouw en on­macht.
Anders dan de adventstijd waarin je je verheugt op de ontvangst van het kerst­kind, het mee-geboren worden, betekent het naderen van het paasfeest in eerste instantie een mee-sterven, het doorstaan van Goede Vrijdag. Het is dit besef dat ook op de natuur in al zijn prilheid: de bloemen, de vogels en de lammetjes, het weemoedige stempel van de vergankelijkheid drukt. Geboorte en sterven, het is kenmerkend voor het leven op aarde, het één is niet mogelijk zonder het andere. En in dit bewustzijn is leven ook lijden. Als je zelf al niet lijdt, lijd je mee met anderen.

De lijdenstijd valt samen met de verwachtingsvolle stemming in de natuur. Een reden om Pasen als ‘geboortefeest’ te vieren.

Het is merkwaardig dat een mens zich tegen iets dat zo’n absoluut gegeven is als: leven is lijden, geboren worden betekent ook ster­ven, toch innerlijk verzet. Wat wordt er niet allemaal gedaan om het lijden op te heffen, om de dood te voorkomen of uit te stellen of op z’n minst te verzachten.
Lijden-en-ster­ven wordt eigenlijk als een onrecht beleefd, als iets wat er niet bij zou moeten horen. Individueel kun je het gevoel hebben: ieder ander kan dood gaan, ik toch zeker niet!
Ik zeg niet: de gedachte, maar het gevoel. Voor zijn gevoel is de mens onsterfelijk. Hij is altijd weer geschokt als een ernstige ziekte of een ongeval hem treft.

Het is een gegeven dat de mensheid al lang en intensief bezig houdt: in het dagelijks leven als je kijkt naar de aandacht die dit onderwerp krijgt in het nieuws bijvoorbeeld, maar ook als een steeds weerkerend thema in de kunst, in de religie en in de wetenschap. Met de daar achterliggende vraag: waarom wekt het toch verzet, waarom is er dat onre­delijke verlangen naar ‘onsterfelijkheid’? Wat is dan eigenlijk het geheim van het leven en wat is dat nog grotere mysterie: de ge­waarwording van en de reflectie op het eigen leven, het eigen ik-bewustzijn? Veel mensen zullen zich exact het moment herinneren waarop dat — je was nog een kind — als een flits ineens door je heen schoot: Ik ben een ik! Het woordje ‘ik’ — je spreekt het ontelba­re malen per dag uit, maar slechts een enkele keer voel je de duizelingwekkende draag­wijdte van zijn eigenlijke inhoud. In het dagelijks leven wordt dit onderge­sneeuwd, min of meer verdoofd en zelfs dat wat er in het alledaagse ik leeft, wordt regel­matig aan het bewustzijn onttrokken. We zijn er aan gewend en vinden het dus ge­woon dat we bijvoorbeeld ieder etmaal een aantal uren buiten bewustzijn doorbrengen, maar is ook dat niet, als je er over nadenkt, een wonderlijke zaak?
Onze cultuur heeft nog geen eensluidend antwoord op de vraag naar het geheim van het leven gevonden. Je kunt natuurlijk alle stoffen die zich op aarde bevinden en alle processen die deze met elkaar aangaan on­derzoeken en uit de resultaten daarvan een theorie opstellen zoals die van de oerknal, maar hoe kun je dit soort deeltjes of krachten een potentie tot zelfbewustzijn toeschrijven?
Ook al zou de oerknal een technisch hulp­middel geweest zijn om op den duur mense­lijk leven op aarde mogelijk te maken, dan zou dit toch nooit het héle verhaal kunnen zijn. Dan wordt het probleem verschoven door de deeltjes op zich een eigen intentie en wil toe te kennen (‘boodschappen’ over te brengen).

Dat leven iets geheimvols is, word je je pas bewust doordat er ook niet-leven, dood, be­staat evenals je je van licht pas bewust wordt doordat er ook duisternis is of van het goede door het kwaad.

Mag het leven dan al moeilijk te doorgron­den zijn, nog moeilijker is het om iets te begrijpen van het leven dat de dood over­wint, van Pasen als opstandingsgebeurtenis. Met je gewone verstand kun je daar absoluut niet bij en dat is toch hetgeen je zo graag zou willen. Want geloven zonder meer kun je als mens van deze tijd eigenlijk ook niet en evenmin kun je er omheen om toch de vraag te stellen wat je aan moet met deze meest cruciale gebeurtenis in de mensheidsge­schiedenis.

Antwoorden

In een vooralsnog denkmatige beschouwing van deze mensheidsgeschiedenis zie je het probleem van de dood duidelijk optreden bij de Egyptenaren. Hun antwoord was: het balsemen van het fysieke lichaam waardoor dit niet kon vergaan. Zodoende werd ook de ziel, die met dit lichaam verbonden was geweest, behouden, naar men dacht.
Het boeddhisme heeft een heel ander ant­woord gegeven: de ziel moet zich juist wel los maken van het fysieke lichaam. Het leven op aarde is een oefenweg die met lijden en dood gepaard gaat en die tot vervolmaking van de ziel moet leiden. Het uiteindelijke doel is een leven in de hoogste hemelen, ver weg van het aardse tranendal. Zolang een mens nog niet de opperste graad van vervolmaking bereikt heeft, zal hij na zijn dood steeds weer op­nieuw moeten incarneren om verder te oefe­nen. Het is een absoluut innerlijke weg die via het perfectioneren van de eigen ziel tot zelfverlossing leidt, dat wil zeggen het over­bodig worden van incarnaties. Typerend is het beeld van de Boeddha: absolute rust en ingekeerdheid, de ogen bijna gesloten, de benen horizontaal, inactief, armen en han­den in een verstild meditatief gebaar, de gelaatstrekken vol wijsheid en harmonie met een uiterst geconcentreerde, soms wat pijn­lijke uitdrukking. Voor de Boeddhist is het aardeleven een soort straf waartoe hij steeds weer veroordeeld wordt zolang hij faalt in zijn eigen vervolmaking en hiermee is voor hem de enige waarde en functie van onze planeet gegeven.
De Griek had weer een heel andere verhou­ding tot de aarde. Voor hem was juist het aardeleven het belangrijkste. ‘Liever een be­delaar op aarde dan een koning in het schimmenrijk.’ Een enorme levensvreugde straalt ons uit de Griekse cultuur tegemoet. Het gebruik van de ledematen werd gesti­muleerd, geoefend en verfijnd tot volmaakt vakmanschap en ten dienste gesteld aan schoonheid en behendigheid als grote nastrevenswaardige idealen. Kunsten en sporten beleefden een weergaloze zomerse bloeitijd. Zelfs de goden waren levenslustige en  zeer menselijke wezens. 
Bij al deze ‘antwoorden’ ging het natuurlijk geenszins om uitgedachte theorieën of leren. Ze berustten op een ingeworteld beleven van de wereld, waaraan door de wijsheid van de in de mysteriën ingewijde grote volksleiders voor het dagelijks leven richting gegeven werd.

Keerpunt

Met het christendom komt er iets totaal nieuws: een hoog goddelijk wezen — Gods zoon! — incarneert zelf op aarde en leeft in een menselijk fysiek lichaam. Gods zoon wordt mensenzoon. Daarmee wordt de mens herinnerd aan zijn oorspronkelijke goddelijke afkomst. Daarmee wordt aan de andere kant de mens door de goddelijke wereld serieus genomen. Zijn leven, maar ook zijn lijden en sterven. Want tot in de dood toe verbindt deze god-mens zich met de aarde-mens.

Christus wordt aan het kruis geslagen, sterft de kruisdood. Het dode lichaam wordt in het graf gelegd. Maar dan gebeurt er iets totaal onverwachts, onbegrijpelijks: deze dood wordt overwonnen! Na drie dagen, op paasmorgen, verschijnt Christus aan de vrouwen bij het graf in een nieuwe gestalte. Wat zij zien is een totaal nieuw verschijnsel: de mens in een opstandingslichaam, een transparant lichaam dat zich aan de wetten van de mate­rie onttrekt.

Dit is een absoluut keerpunt in de mens­heidsgeschiedenis. De treurnis verkeert in blijdschap. De dood heeft dus toch niet het laatste woord. Het lijden aan de materie is weliswaar voor de mens onontkoombaar, maar er kan iets mee gedaan worden. Hij kan die materie omvormen, verlossen uit zijn zwaarte en verstarring. Het blijkt een proces te zijn dat aangegrepen kan worden en dat dan tot de geboorte van een nieuw mensenwezen kan voeren, zo niet direct dan toch in een verre toekomst. Denk niet dat dit zo gemakkelijk even opge­schreven kan worden of nagepraat. Om de waarheid er van te ervaren moet je innerlijk mee door zo’n proces heen. Je ziet dit op kleine schaal wel al gebeuren, bij mensen die een ernstige ziekte of een zware crisis achter de rug hebben. Ze zijn andere mensen ge­worden. Tot in het fysieke toe is er iets veranderd. Ze zijn transparanter, mooier geworden. Het hoeft niet altijd eigen ellende te zijn die zoiets bewerkstelligt. Een mens heeft het vermogen om ook met anderen mee te lijden, met andere mensen of met de natuur. Dit kan zo intensief zijn dat het een soort sterven wordt. Ook hieruit kan iets nieuws geboren worden, een impuls die heel krachtig en levensvatbaar blijkt te zijn. Ster­ke genezende bewegingen zijn op die manier op gang gekomen.

De kern van het menselijk lijden is het ge­richt zijn op de dood in de materie, de misgedachte dat alles terug te voeren is op dode materie, dat zelfs het menselijk leven daaruit geëvolueerd is en daartoe onherroe­pelijk weer terug zal keren. Dat maakt dat de aandacht uitsluitend gericht is op het hier en nu want ‘de toekomst is toch uitzichtloos.’
Pasen geeft een nieuwe dimensie. Er is een daad gesteld die toekomstperspectief heeft. De kracht die deze daad mogelijk gemaakt heeft, is de kracht van een werkelijk leven­wekkende liefde.

Liefde voor de aarde. Voor mij is geen krach­tiger beeld daarvan denkbaar dan het naakte lichaam, met uitgespreide armen op het dode hout genageld, dat zijn hele substantie: bloed en lichaam daadwerkelijk wegschenkt aan de aarde. Alleen een immense liefde voor de aarde, voor de daarop levende we­zens, voor de mensen, kan immers een moti­vatie zijn voor een god-mens om de goddelijke wereld te verlaten en ‘in te ruilen’ voor het leven en sterven in een materie-wereld?
Niet anders dan door dit offer was het mogelijk het ware, hogere wezen van de mens te openbaren, de ware mens als overwinnaar van de dood. Dat het zicht hierop gegeven is, dat daarmee zin, richting en toekomst aan het aardebestaan en aan de aarde zelf ge­schonken is, door de erkenning hiervan wordt de voorjaarsmelancholie omgevormd in een gevoel van lichtende wijdheid en war­me vreugde.

Met Kerstmis wordt de kerstboom, de groe­ne levensboom opgericht en mensenhanden ontsteken tere lichten in de uiterlijke duis­ternis. Op Goede Vrijdag is er hout gekapt, tot grove balken gezaagd, kruiselings aaneengespijkerd — de boom des doods opge­richt. Ook dit gebeurde door mensenhan­den. Innerlijke duisternis valt in. Buiten, in de nawinter, staan de bomen er nog kaal en doods bij. Maar hoe lankmoedig is de natuur! De knoppen zijn gezwollen en ze zullen in de Paastijd openspringen; aan het dode hout ontbloeien de tere bloesems, licht door de zon zelf ontstoken. Hoe aan­dachtiger je er naar kijkt, hoe meer je je gaat verbazen over wat daar gebeurt en dat het nog altijd weer opnieuw gebeurt, ondanks alles. Mensenhanden kunnen zoiets niet be­werkstelligen. Nog geen grassprietje kunnen ze maken. Levenscheppende liefdekrachten zijn daarvoor nodig.

Misschien vindt het onsterfelijkheidsgevoel dat je als mens kunt hebben, zijn oorsprong in het verlangen ook zo levenscheppend be­zig te kunnen zijn, in het besef eigenlijk nog niet écht geleefd te hebben zolang je dat nog niet bereikt hebt, in het omfloerste weten dat leven in zijn wezenlijke betekenis te maken heeft met het liefdevol omvormen van het dode, het gestorvene, de materie. En in het bespeuren van een kruimpje potentie daar­toe, van een heel klein kiempje onder veel stof en gruis, dat verder ontwikkeld wil wor­den en dat dus absoluut niet sterven mág.
.

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Pasen – jaartafels

.

131-126

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rekenen – 2e klas (3-2)

.
Robert Killian in ‘Mitteilungen’ nr.7 1925
.

EEN BIJDRAGE AAN EEN LEVENDIGE UITBEELDING VAN DE GETALLENRIJEN
.

Wanneer je met de leerlingen van de lagere klassen de getallenrijen oefent, heb je hier een fijne manier om het geheugen van de kinderen te oefenen, want we weten uit de antroposofische menskunde dat een kind tekortkomt, dat niet in de juiste mate zijn automatisch geheugen oefent.

Dan zul je ook een steeds sterker gevoel ontwikkelen voor het eigene van de getallen zoals die in hun veelvouden veranderd, verschijnen. Het zal er wezenlijk toe bijdragen dat het gevoel van de kinderen gewekt wordt, wanneer je ze aanspoort bijv. in alle getallen die op 5 of 0 eindigen, de 5 te ontdekken; de 6, die weliswaar in 36 zit, maar niet in 26 of 46, wel weer in 24 of 48 op te zoeken, enz.

Je kunt op mooie herhaalvragen komen, wanneer je bijv. vraagt: “Zit er in 18, 42, 54 een 7?” De kinderen antwoorden met ‘ja’ of ‘nee’.
Dan zul je bij een hele getallenrij vinden dat er bepaalde basisgetallen in zitten, bijv. in 24: 3, 4, 6 en 8; 5 en 7 in 35 enz.

Alle getallen in deze voorstelling, behalve die waaromheen een cirkeltje staat, zijn kruispunten van 2 lijnen, bevatten dus 2 basisgetallen tussen 1 en 10 als hun product.  Zitten er nog andere basisgetallen in, dan zul je die op een andere plaats terugvinden.

De omcirkelde getallen zijn het product van een getal met zichzelf vermenigvuldigd: kwadraat.

In deze ster laat je de kinderen de getallen opzoeken, 14 bv. als kruisgetal van 2 en 7  (2 x 7  en 7 x 2); 24 komt op 2 plaatsen voor, als 4 x 6 en 6 x 4 en als 3 x 8 en 8 x 3. 36 is én een kwadraat van 6 en het product van 4 x 9 en 9 x 4.

Maar ook een dergelijk beeld is voor de kinderen slechts een voorlopig hulpmiddel, geschikt als stimulans bij het inslijpen van de getallen.

Dit is op een mooie manier weer te geven:

rekenen 1

Opmerking:
Naar mijn ervaring leent deze tekening zich heel goed voor op bord.
Je kunt iedere keer iets aanvullen; dat vinden kinderen fijn: het groeit; je verwacht wat – eigenlijk net zoals ze zelf zijn -.
Wat er al is komen staan, kun je hier of daar eens uitvegen. De kinderen moeten het dan weer in orde maken.
Of je zet met opzet ergens een niet kloppend getal. Zien ze dat?
Kortom: een uitnodigend geheel.

Het is voor de kinderen een stuk eenvoudiger om de rijen op groot ruitjespapier in een vierkant te maken.

rekenen 2

Op een kartonnetje geplakt en geplastificeerd is deze kaart een hulpje, als een tafel nog niet helemaal uit het hoofd gekend wordt.

Daarbij moet je dan weer opletten of het kind er niet te afhankelijk van wordt; tenslotte gaat het om ‘uit het hoofd’.

.

2e klas – rekenen – : alle artikelen

2e klas: alle artikelen

3e klas- rekenen – : alle artikelen

3e klas: alle artikelen

.
VRIJESCHOOL in beeld: 2e klas

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas
.

130-125

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (19)

.
Marieke Anschütz,  ‘Jonas’16, 4 april 1980
 

VAN LIJDENSTIJD NAAR PASEN

Werk als oefenweg

We fietsen achter elkaar, want het fietspad is maar smal. In een wijde boog rijden we achter de bushalte langs. Ongeduldig ronkend en brommend staat daar een bus te wachten tot alle reizigers zijn ingestapt.
‘Kijk mam!, roept ineens mijn zoon. ‘Daar sta ik nou later ook te wachten met zo’n grote bus.’
Hij keert zijn glunde­rend gezicht naar me toe. ‘En dan mag jij ook wel eens bij mij instappen!’
Dat is een heerlijk vooruitzicht. Jongens van acht hebben zo hun eigen idee van de toekomst. Niet alleen buschauf­feurs of tramconducteurs blijken be­nijdenswaardige mensen – ook plaatsen waar met machines wordt gewerkt, hebben een eigenaardige aantrekkings­kracht. De wasserij is zo’n plaats waar ze graag komen.

Terwijl ik sta af te rekenen bij de toon­bank, zijn de kinderen de werkruimte ingelopen. Daar staat een reusachtige strijk- en vouwmachine opgesteld. De kinderen blijven geboeid staan kijken naar enkele witte servetten, die door grote warme rollen glad gewalst wor­den, en daarna op lopende banden statig verder zeilen. Onderweg worden de witte lappen via ingewikkelde klepjes tweemaal gevou­wen. Het geeft telkens een venijnig, ty­pisch machinaal klik-klakgeluid. Ten­ slotte belanden ze op een tafel aan het andere einde waar ijverige dames het wasgoed uitzoeken en op stapels leg­gen. Het is zo fascinerend wat daar ge­beurt, dat het mijn zoon de uitspraak ontlokt: ‘Ik ga later in de wasserij wer­ken.’
Hij kent niet of nauwelijks de achtergrond van wat hij daar ziet ge­beuren. Wat is het dan dat hem daarin aanspreekt? Is het iets dat wij door ons te veel weten er niet meer in her­kennen? Het is mij wel duidelijk, dat een kind met andere ogen kijkt naar al die verschillende mogelijkheden van bezig-zijn in de wereld. Het herkent er iets in dat van hogere orde is, juist om­dat het niet meer ‘weet’ dan het ziet.

De werkende mens

In deze technische tijden zien de kin­deren nauwelijks meer hoe de gewoon­ste dingen om hen heen tot stand ko­men. Oude ambachten worden uitgeoe­fend in verborgen hoeken van de sa­menleving. Soms worden ze op mark­ten of straatfeesten tentoongesteld, als museumstukken, weggehaald uit de ei­gen omgeving. Dat doet wat onwerke­lijk aan. Zodra de kinderen zelf in een werkplaats binnengaan, is de ervaring diep en blijvend. De smid die de paar­den beslaat, de pottenbakker met om zich heen werkstukken in allerlei sta­dia, de timmerman waar het harsig ruikt naar vers hout, en de bakker waar de werkplaats vol ligt met brood­jes in wording.

Als er in de buurt een huis wordt ge­bouwd, is dat een unieke plaats om ve­le ambachten tegelijk ‘in werking’ te zien. De kinderen zien hoe de metse­laar zijn specie mengt en het schiet­lood hanteert. Ze vergeten nooit meer het typische heldere klink-klankgeluid als de troffel op de baksteen slaat. Ze zien de muren groeien, en ze leven mee als de zware steunbalken voor het dak op hun plaats worden gelegd. Ook de dakbedekker wordt bewonderd, die handig en vlug de dakpannen in elkaar haakt.

In een werkplaats als de wasserij is het de ingenieuze machine die de kinderen boeit. Maar wat is dat anders dan be­wondering voor degene, die zo’n ma­chine kan bedenken en maken? Niet de zichtbare mensen die ermee werken, krijgen de aandacht. Deze geldt indirect de onzichtbare ‘maker’.
Bij de buschauffeur gaat de bewondering uit naar degene die zo’n kolos van een wa­gen schijnbaar moeiteloos door nauwe straten stuurt. Het is of er in het kind de vreugdevolle zekerheid leeft, dat zo iets te leren is. En zo ga je dan langza­merhand vermoeden, dat ieder kind een onbewust weten in zich draagt waarom hij hier op aarde is gekomen. Wat ziet hij namelijk om zich heen, dat hem zo intens boeit? Dat is de werkende mens.

Jan Luiken

Enige eeuwen geleden was er een Hol­lander die de toenmalige ambachten tot onderwerp maakte van zijn ets­kunst. In 1694 verscheen een bericht in de Amsterdamse Saturdaagsche Cou­rant:
‘Tot Amsterdam bij Jan Luyken, plaatsnyder, word uitgegeven een Boek, genaemt het Menselyk Bedryf, bestaende uyt 100 kopere plaetjes van ambachten, konsten, hanteeringen en bedryven, met versen toegepast op het Gemoet.’

Het is of de schrijver/etser ieder am­bacht even omhoog tilt als een kristal tegen het licht, zodat het aardse werk ‘door-licht’ wordt. Bij ieder ambacht beschrijft Jan Luiken een beeld van de ontwikkelingsmogelijkheden van de ziel, waardoor dat speciale beroep in­eens een dimensie erbij krijgt. Een en­kel voorbeeld.

De Kaarsemaaker
Verliest het minst,
Om groote winst

pasen 23

Terwyl het vuur de Kaars verteerd,
Soo word het huis met-licht vereerd;
Dat was het doelwit in het maaken:
o Aardse mens van vlees en bloed,
God wil het Licht
uit uw Gemoed,
Door’s lichaams sterven en versaaken.

Het aardse lichaam werd ‘het minste’ geacht in vergelijking met de ziel en de geest van de mens. Over het temmen en bedwingen van dat lichaam met al zijn hartstochten en driften spreekt het lied van de zadelmaker.

De Saalemaaker
Uw eigen dier,
vereist bestier 

passen 21

 ‘t Geweldich, trots en weelich Paard,
Word nochtans van den Man bereeden,
Beloomd, besaadeld en Bedaard:
Soo most de Geest, door hooge reeden,
Zijn wilde dier, van
vlees en bloed,
Betemmen, om een Eeuwich goed.

De strengheid van de calvinistische le­vensopvatting, doortrokken van zonde­last en schuldbesef, dempt alle levens­blijheid. Het is of de calvinistische mens in de lijdenstijd blijft steken en nooit aan de verlossing toekomt, nooit de vreugde van Pasen kent.
Jan Luiken noemt wel ergens het ‘Nieuw Jerusalem’ als stralend eind­punt van een lange weg.
In de Openba­ring van Johannes staat een prachtige beschrijving van deze gouden stad, ge­noemd naar het aardse Jeruzalem:
‘En hij leidde mij in het geestgebied op een berg, groot en hoog, en toonde mij de heilige stad Jeruzalem…’ (Openb. 21).
De twaalf poorten en de twaalf fundamenten worden beschre­ven. Het is een merkwaardige stad, want het bouwwerk heeft de vorm van een kubus: ‘haar lengte en haar breed­te en haar hoogte zijn gelijk.’
Vanouds hoort het vierkant bij de aarde. Ook het beeld van een stad is een menselij­ke aangelegenheid.
De evangelist Jo­hannes ziet in zijn geweldig visioen dat er door mensenhanden gebouwd wordt in hemelse streken. Hoe kunnen we ons dat voorstellen?

Het werk als oefenweg

Als we ons verdiepen in de sprookjes, kunnen we ontdekken dat de verschil­lende beroepen die daarin voorkomen, een heel bepaalde functie vervullen in het verhaal.
De jager, de visser, de houthakker, de kleermaker, de schoen­maker – ze hebben allen hun geheel ei­gen karakter. Niet wat de houthakker persoonlijk is, maar wat hij doet is be­palend. Dat geeft vorm en richting aan het verhaal. Omgekeerd kan je ook zeg­gen: vele sprookjes geven het beeld van een wordingsproces, van een weg van lijden, van schuld en boete, en van een uiteindelijke verlossing. Maar er zijn oneindig veel mogelijkheden om die weg te beschrijven. Die weg is van­uit de schoenmaker gezien anders dan vanuit de houthakker, en weer anders vanuit de soldaat. Het is of ze verschil­lende facetten zijn van hetzelfde kris­tal. Elk vlak vangt het licht op een an­dere wijze. Er is geen werk zonder strijd en geen strijd zonder leed. Maar zonder leed ook geen verlossing, zon­der lijdenstijd geen Pasen. In het ty­pisch oud-Hollandse beroep van de turf­steker kunnen we dat herkennen.

De Veender
’t Is ongezien
Doch ’t kan geschien

pasen 22

Van onder ’t water word geheeven,
Een Stof, om Vu
ur en Vlam te geeven,
Tot nul en teegenweer der Kouw:
Soo most de Mens Materi vissen,
Van onder’s leevens kommernissen,
Tot Vreugd, die Eeuwig gloorien souw.

Ieder werk kun je zien als een ontwik­kelingsweg, en daarbij doet het er min­der toe wat je doet. Belangrijk is hoe je het doet, wat je ervan maakt en wat je er zelf aan doormaakt. En daardoor komt ‘ongezien’ iets vrij, dat een steen­tje bijdraagt voor de bouw van de gou­den stad.
De verrukkelijke tuin van het paradijs was een geschenk van de goden. Maar toen Adam ‘stevig op zijn voeten’ mocht gaan staan, kwamen zijn han­den vrij om te werken. Na de zondeval werd dat vermogen tot opdracht: ‘In het zweet uws aanschijns zult ge uw brood eten’. De aarde wacht op verlos­sing. Er wordt op ons gerekend.

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

3e klas: heemkunde

 

129-124

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (18)

.
Paul van Laare, ‘De Gelderlander’van 25 maart  *1989
.

PASEN LOOPT NAAR DE MAAN

Door eeuwenlang geharrewar met kalenders bleef de paasdatum zweven

Terwijl Kerstmis al eeu­wenlang een vaste plaats heeft op de kalender, stelt Pa­sen ons elk jaar weer voor een verrassing. In totaal zijn er 35 data waarop Pasen kan vallen, en dit jaar* vindt Pasen op een van de vroegst moge­lijke dagen plaats.
Het ontbreken van een vaste datum voor het paasfeest heeft in de loop der tijden voor de no­dige hoofdbrekens en conflicten gezorgd. Maar eerst iets over het ontstaan van onze huidige kalender.

De basis hiervoor is gelegd door Julius Caesar, in de eerste eeuw voor Christus. Voordat Caesar zijn Juliaanse kalender invoerde, was de Romeinse ka­lender een behoorlijk rom­meltje. Het jaar telde 355 dagen, die waren verdeeld over twaalf maanden. Om in overeenstem­ming te blijven met de seizoenen werd elke twee jaar een extra maand van 22 of 23 dagen inge­voegd.

Omdat het aldus gevormde jaar nog steeds niet synchroon liep met het zonnejaar (de tijd waarin de aarde een volledige baan rond de zon beschrijft), ging deze kalender steeds meer uit de pas lopen met de jaarge­tijden.
Speciale functionarissen, de pontifices, hadden tot taak deze afwijkingen te corrigeren. Maar dit gebeurde met zoveel willekeur, dat er op den duur voor niemand meer een touw aan vast te knopen was.

Een verblijf in Egypte bracht Caesar op het juiste spoor. Hij raakte hier niet alleen onder be­koring van Cleopatra, maar ook van het kalendersysteem van de Egyptenaren, die een zuivere zonnekalender hanteerden. Cleo­patra schonk hij een kind en het kalendersysteem nam hij mee naar Rome.

Het jaar kreeg 365 dagen, ver­deeld over de twaalf maanden, op een wijze die we nu nog steeds kennen. Ook bepaalde Caesar dat eens per vier jaar een schrikkeldag moest worden ingevoerd om te corrigeren voor het feit dat een volledig zonne­jaar eigenlijk een kwart dag lan­ger duurt dan 365 dagen.
Er gingen enige decennia overheen voor het nieuwe kalen­dersysteem goed doorgedrongen was, maar omstreeks het begin van onze jaartelling waren de meeste plooien gladgestreken.

Joods feest

Terug naar de paasdatum nu. Pasen is van oorsprong het feest waarmee de Joden de uittocht uit Egypte herdenken. Hun paas­feest (Pesach) duurt een week en begint van oudsher op de veer­tiende van de maand nisan, de lentemaand.
Voor de Joden heeft Pesach dus een vaste plaats op de kalen­der. Maar vanuit onze kalender bekeken valt de veertiende nisan elk jaar op een andere datum. Dit komt doordat de Joden een maankalender hanteren; voor het begin van hun maanden gaan ze uit van de stand van de maan.

Met de komst van het chris­tendom kreeg het paasfeest een nieuwe inhoud. Voor de christe­nen werd het de gedachtenis aan de dood en verrijzenis van Jezus Christus. Al snel ontstond er me­ningsverschil over de vraag wanneer dit christelijke Pasen gevierd moest worden.

Voor de Joodse christenen was de keus niet zo moeilijk. Zij hielden veelal de veertiende ni­san aan, de dag van Jezus’ kruis­dood. De niet-Joodse christenen voelden er echter weinig voor om de datum van hun belang­rijkste feestdag te laten bepalen door de Joodse tijdrekening. Maar wanneer dan?

Nicea

Na een lange periode van he­vige conflicten over deze kwes­tie werd uiteindelijk in 325 na Chr. op het concilie van Nicea de strijdbijl begraven. De kerkva­ders besloten dat Pasen zou val­len op de eerste zondag na de eerste volle maan in de lente. Meestal betekent dit de eerste zondag na het joodse paasfeest; dit jaar* vindt het joodse paas­feest echter in april plaats.

Ook onze paasdatum is dus afhankelijk van de maanstand en dit veroorzaakt de grilligheid van de paasdatum. Op zijn vroegst valt Pasen op 22 maart, wat in 1919 voor het laatst is voorgekomen en pas in 2285 weer zal gebeuren. De uiterste datum is 25 april; dit was in 1943 het geval.

Maar nog waren alle proble­men niet opgelost. Dat zat hem in een subtiel foutje van de Ju­liaanse kalender. Volgens deze kalender duurt een jaar 365 en een kwart dag. Maar in werke­lijkheid is dit elf minuten korter. Dit had tot gevolg dat na verloop van tijd de Juliaanse kalender achterliep bij het ‘echte’ jaar. Elke vier eeuwen leverde een achterstand van drie dagen op.

Afwijking

Een dergelijke afwijking had natuurlijk ook consequenties voor de paasdatum. Doordat het begin van de lente op de Ju­liaanse kalender te laat kwam, zou Pasen op het verkeerde mo­ment kunnen vallen. Vele kerk­geleerden hebben hun tanden in dit probleem gezet, maar pas in de zestiende eeuw werd een op­lossing gevonden, die de reli­gieuze gevoeligheden voldoende tegemoetkwam.

Op last van paus Gregorius XIII werden in 1582 tien dagen weggestreept om zodoende de opgelopen achterstand in één keer goed te maken. Na 4 okto­ber 1582 volgde onmiddellijk 15 oktober. Door deze ingreep viel 21 maart 1583 weer op de juiste plek, waarmee ook het paasfeest weer op de goede datum terecht kwam.
Bovendien besloot Gregorius om per vier eeuwen drie schrikkeldagen af te schaffen. In de Gregoriaanse kalender zijn de eeuwjaren alleen schrikkeljaar als ze deelbaar zijn door vier­honderd, bijvoorbeeld 1600 of 2000. De andere eeuwjaren (1800, 1900,2100) zijn gewone jaren.
De geringe populariteit van het pausendom stond een vlotte invoering van deze hervormin­gen echter in de weg. Of zoals Kepler het uitdrukte: men was het liever oneens met de zon dan eens met de paus.

Oktoberrevolutie

In Nederland was pas in 1701 de Gregoriaanse kalender volle­dig ingevoerd. Rusland en Griekenland gingen pas in het begin van deze eeuw overstag. Om deze reden viel de oktoberrevo­lutie van 1917 volgens onze ka­lender op 7 november, terwijl het volgens de Juliaanse 25 okto­ber was.

De orthodoxe christenen in Rusland hanteren nog steeds de Juliaanse kalender. Zij vieren om deze reden Pasen dertien da­gen later dan de christenen in het westen.

Gezien het geharrewar rond de jaarlijkse paasdatum, is re­gelmatig geopperd om het voor­beeld van Kerstmis te volgen en ook voor Pasen een vaste datum af te spreken. Deze eeuw is dit punt meerdere malen aan de orde geweest, samen met de mo­gelijkheid om tot een nieuwe ka­lender te komen. Want ook tegen de Gregoriaanse kalender zijn nogal wat bezwaren in te bren­gen, met name economische.

De stap naar een andere ka­lender is tot nu toe steeds gestuit op verzet vanuit Rome die geen inbreuk willen op de zeven­daagse week. De aanvankelijke weerstand tegen een vaste paas­datum is in de loop van deze eeuw echter weggeëbd. Op het concilie van 1963 verklaarde de paus hiertegen geen bezwaar te hebben.
Omdat de kalenderhervor­ming in het slop is geraakt, is ook aan het paasfront weinig be­weging meer geweest. Voorlopig blijft Pasen dus naar de maan lopen.

pasen 20

De twintig vierkantjes bevatten de paasdagen voor de jaren 1175-1176. Onderin staan twee regels uit de kalender, met het begin van de maanden januari en februari. De paasdata zijn aangegeven door verticale strepen, de feestdagen door een of twee dwarsstreepjes. Onder 1 jauari staat de letter a. De Romeinse cijfers duiden op zogeheten ‘gulden getallen’. De kalender stamt uit de Hortus deliciarum van Herrad van Landsberg.

.

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Pasen – jaartafels

 

128-123

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – JAARFEESTEN – Palmpasen (8)

.
Ferdinand van Hemmes. ‘De Gelderlander’, 23 maart 1991
.
 

PALMPASEN IN DE BETUWE

Met haantje op stok zingend langs de deur

De palmpaas eeuwenoud kindervermaak

TIEL – Palmzondag. In volle luister lacht het lentezonnetje de aarde toe. Er waait een zwoele wind, die het ontluikende groen aan de bomen zachtjes doet trillen. Onderwijl heerst er in de kerk een zekere vreugde. Het is namelijk de dag waarop de glo­rieuze intocht van Christus in Jeruzalem wordt herdacht. Gezeten op een ezel werd Christus destijds door een met palmen wuivende menigte feeste­lijk ingehaald. En dat kort voor zijn gevangenneming en kruisi­ging.

Het wordt die zondag opval­lend druk op straat. Her en der verschijnen kinderen met vrolijk versierde stokken in hun handen. Aan de stokken hangen appels, krentenbroodjes, vijgen en ge­kleurde eieren. Tussen dit spul prijken vlaggetjes en palmtakjes. En boven op de stok pronkt een fiere zwaan of haan van brood­deeg. Soms zitten er zowaar nog enige piepkleine zwaantjes op de rug van de vogel. De glinsterende krentenoogjes van het gevogelte blikken de kleine dragers onverpoosd aan. De feestelijk getooide stokken zijn alom bekend als palmpasens. Daags tevoren zijn vaders en moeders in de weer geweest met het optuigen van de stokken voor hun kroost. De bakker heeft zich uit de naad gewerkt om de grote vraag naar broodversieringen te kunnen bijbenen. Groot was de verrassing voor de kinderen toen ze op palmzondag ’s ochtends een fraai uitgedoste palmpaas voor hun bed aantroffen. Eenmaal op straat stapt het kroost zo trots als een pauw naar een oom of tante. Om daar ver­volgens een fooitje of wat lekkers te ontvangen. Na al die visites verenigen de kinderen zich. Twee aan twee lopen ze door het dorp. Krampachtig houden ze de palm­paas voor zich uit. Onderwijl klinkt voortdurend uit de kindermonden:

Palm, palmpasen,
Eikoerei!
Over een zondag dan krijgen wij een ei,
een ei is geen ei,
twee ei is een half ei,
drie ei is een paasei!

Al zingende trekt de jeugd naar het huis van de burgemeester of dat van de do­minee, waar zij wordt getrakteerd op koekjes. Het hoogtepunt van de dag vindt echter bij thuis­komst plaats, als eindelijk de lek­kernijen uit de palmpaas soldaat kunnen worden gemaakt.

Dit alles was in de vorige eeuw grofweg het beeld van de palm-paasrondgangen in veel dorpen en stadjes. Populair was het kin­dervermaak ook in de Betuwe, ja zowel bij katholieken als bij pro­testanten. Al legden de laatsten bij het palmpaasgebruik wel te­rughoudendheid aan de dag. De palmpaas mag dan een ver­trouwde verschijning zijn, om­trent zijn oorsprong is nog veel onzeker. Als we de volkskundige Van de Graft mogen geloven, is de palmpaas uit christelijke en niet-christelijke elementen sa­mengesteld. Het begon allemaal met de palmprocessies. Al in de Middeleeuwen was het op veel plaatsen gebruikelijk om de in­tocht van Christus in Jeruzalem na te bootsen. Dikwijls werd dan in een processie een houten ezel, waarop een meestal uit hout ge­sneden Christusfiguur zat, mee­gevoerd. Tijdens die processie werden ook gewijde palmtakken gedragen. Geen echte palmtak­ken die waren er immers niet hier te lande maar takken van de buksboom. Gaandeweg nu werden die ‘palmtakken’ met een keur van lekkernijen behangen. Het ver­sierde palmgroen had daardoor veel weg van de meibomen die rond 1 mei overal werden ge­plant. Deze bomen of takken wer­den in bosrijke gebieden gekapt en met veel bombarie stad of dorp in gebracht. Dikwijls wer­den in de bomen eetwaren en groene kransen gehangen, waaraan vergulde eieren bungelden. Bovenop de bomen waren vaak ook nog vogels bevestigd. De op­geschikte meibomen werden van huis tot huis gedragen. Voor een fooitje konden de bewoners reke­nen op de beschuttende kracht van het meigroen. Eigenlijk ging achter de mei­bomen een diepe betekenis schuil. Het frisse groen, de eieren, de vo­gels en de vruchten vormden na­melijk symbolen van vruchtbaar­heid, ontkiemend leven en de len­te. Mettertijd moeten die mei­boomspullen zijn verhuisd naar de palmtak op palmzondag die bijgevolg werd omgetoverd tot een verkapt meiboompje. Als onderdeel van de palmpaas kregen de mei-attributen echter een zuiver christelijke betekenis. Ze gingen niet zozeer ontwakend leven als wel de opstanding van Christus symboliseren. Zo ook versmolt de onheilwerende kracht van het meigroen in het volksgeloof met de goddelijke be­scherming die de gewijde palm­takken bood. De oude palmprocessies raak­ten na de Reformatie in onbruik. Maar wat bleef waren de  paasoptochten die gaandeweg verwerden tot een kindervermaak. Pas in de vorige eeuw begon deze kinderpret uit te doven. En rond de eeuwwisseling was het palmpaasgebruik op tal van plaatsen al als een nachtkaars uitgegaan. Zo bakte de bakker van Doornenburg destijds tegen palmzondag nog wel broodvogels. Maar de broodhaantjes werden niet meer op een stok gestoken, maar gewoon als feestbrood gepeuzeld. Ongetwijfeld was modernisme van de vorige eeuw debet aan deze teloorgang. Gelukkig werd er rond 1906 hier en daar nog met de versierde stokken rondgegaan. De volkskundige Van de Graft ontdekte dat daarbij grote verschillen in de uitdossing voorkwamen. Aan de palmpaasjes in Bemmel bijvoorbeeld trok de broodhaan de meeste aandacht. Terwijl in Huissen, Tiel en Culemborg een krans van brood het markantste onderdeel van de stok vormde. Het zal met die palmpasens net zo zijn geweest als met andere tradities: door hun geïso­leerde ligging ontwikkelden veel streken eigen kenmerken. Van de Graft beweerde dat de broodkrans in Huissen horizon­taal aan de stok werd geregen. Deze bevindingen stroken met uitlatingen van oude Huissenaren over de palmpaasuitdossingen van begin deze eeuw. Meermalen onthulden ze dat de broodkrans plat op een viertal uitlopers van een gespleten stok op de tanden werd gestoken. Zo’n stok was dik­wijls een sterke, blank geschilde tak van wilgenhout, geleverd door een plaatselijke mandenmaker. Met zorg werd op elk van de vier tanden die door de brood­krans heen staken een haantje ge­zet. En op het staartje van iedere vogel werd een palmtakje ge­plant. Verder werd de palmpaas nog getooid met een sinaasappel en met slingers met suikereitjes. Iemand wist overigens nog te vertellen dat het kroost met de palmpaasjes zingend de deuren afliep. In de meegenomen busjes werden de fooien gestopt, nu eens een stuiver, dan weer een cent of een halfje. Lang niet overal waren de palmpasens indertijd rijk ver­sierd. In Andelst bleken, naar ver­luidt, sommige kinderen slechts met een broodhaantje op de stok rond te gaan. De ongeschilde, povertjes ogende stok was van een wilg afgezaagd. Op de staart en de kop van het haantje prijkte een gewijd palmtakje. Het sobere uiterlijk van de palmpaas was in de Betuwe veelal een gevolg van gebrek aan geld. Vooral kinder­rijke arbeidersgezinnen konden het snoepgoed en de vruchten niet bekostigen. Vaak was de armoe zo groot dat zelfs een sobere palmpaas uit den boze was. Hoewel het palmpaasgebruik begin deze eeuw een kwijnend be­staan leidde, kon het voor totale ondergang worden behoed. Oude­ren namen later op palmzondag het voortouw. Her en der werden door hen voor de jeugd palmpaasoptochten opgezet. Let wel zon­der gebedel en gezang. Maar wel met fanfares en prijzen voor de mooist versierde stokken. Aldus ging het palmpaasvermaak na de Tweede Wereldoorlog weer fu­rore maken. Zo liepen op palmzondag 1956 in Elst, Huissen, Haalderen en Tiel honderden kinderen in een lange stoet door hun woonplaats. Met het jaar werd het voor de ju­ryleden moeilijker de fraaiste stokken aan te wijzen. De feeste­lijke rondgangen werden toen trouwens op touw gezet door ka­tholieken. Maar met folklore gaat het dikwijls op en af. Stilaan begon de belangstelling voor de palmpaas weer af te nemen. Sinds de jaren tachtig is de animo voor het oude vermaak echter weer flink aan het toenemen. In verschillende plaatsen worden (weer) optoch­ten gehouden. Initiatiefnemers zijn ditmaal peuterleidsters, buurt-, wijk- en dorpsverenigin­gen en zelfs een Oranjecomité. Zo kunnen vandaag kinderen in Tiel haantjes pik maken en deelne­men aan een optocht door de bin­nenstad. Ook in Opheusden houdt de buurtvereniging Opheusden-Zuid een optocht.

pasen 19 in april 1951 trekken honderden kinderen met palmpasenstokken door Tiel. Hier een beeld van de stoet in de Tweede Achterstraat

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Palmpasen

 

127-122

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (17)

.
Henk Sweers , ‘Jonas’ 16 29 maart 1985
.

HET MYSTERIE VAN PASEN
.

Fit zijn, dat is de lijfspreuk van miljoe­nen. Wij moeten en willen gezond zijn. Als je maar vitaal blijft! Professor J.H. van den Berg zegt in zijn Metabletica over deze vitaliteit:
‘Wel rijst de (vervelende) vraag, wat het doel is van het nagejaagde vitale le­ven. Kon ook dat gezegd worden, dan was de inspanning bekroond. Doch op deze vraag ontbreekt het antwoord, zelfs principieel, omdat de gezochte vitaliteit doel in zichzelf is. Wie vitaal is, gezond, krachtig en levenslustig, heeft alles bereikt. Hij kan niet verder. Hij mag nog creatief zijn, nodig is dat niet. Het is eigenlijk overbodig en daardoor ook storend. Zo ziet het lichaam er ook uit: het is gebruind om bruin te zijn, vitaal om vitaal te zijn. Er reikt niets boven uit’.

Toch is er wel een onverwacht antwoord op deze vraag: het mysterie van Pasen.
Van den Berg spreekt uitsluitend over de lichamelijke vitaliteit, maar het doel daarvan is de geestelijke vita­liteit.
Steeds meer komt er – óók bij miljoenen – de vraag op: is er niet méér te doen in die weinige jaren tussen geboorte en dood? Waarom zijn wij eigenlijk op deze wereld? Is er geen vitaliteit, geen levenskracht, die ver­der reikt dan dit aardse leven?

Wij zien de zon ondergaan, maar wij weten dat zij weer op zal komen. Wij zien de planten verwelken, maar weten dat er nieuwe planten zullen gaan groeien. Wij zien het winter worden met sneeuw en ijs, maar weten dat eens de dooi weer zal invallen en dat het eens weer lente wordt. Is die vitaliteit dan niets anders dan een sterven en geboren worden, een inslapen en wakker worden,…totdat er geen wakker worden meer bij is? De keren dat je dit in verschillende bewoordingen hebt gehoord, gelezen of gedacht, heb je niet geteld. Maar de vraag is misschien ook nog nooit werkelijk helemaal tot je doorgedrongen: is er iets waaraan geen einde komt? De consequenties van deze vraag heb je misschien nog nooit volledig be­seft. Hoe komt dat? Je hebt de grens bereikt van je hersendenken. Het eindeloze kan de mens met z’n eindige hersenapparaat niet be­reiken. Dan slaat het dicht. Dan wordt alles zwart: niets! Dan komt er op mijn calculator een e. De e van error, vergissing. Of is het de e van eindeloos? Als de mens alleen maar zijn hersens had om na te denken en tot zichzelf te komen, dan was een eindeloos mens, in de hemel of waar dan ook, een ver­gissing. Een eindeloze vergissing is onmoge­lijk. De mens is niet eindeloos en hij is ook geen vergissing.

De wijsgeer Kant bewees van tien stellingen zowel de stelling als haar tegendeel. Bijvoor­beeld: ruimte is eindig, én: de ruimte is on­eindig. Daaruit trok hij de conclusie, dat ons denken geen werkelijkheidskarakter heeft.
Maar zó is het niet, zegt Rudolf Steiner. Hij wijst erop, dat in al die tien stellingen het be­grip ‘oneindig’ voorkomt en dat is nu juist de grens van ons denken, voorzover het aan de hersenen gebonden is. Ook de wiskunde bereikt haar grens in het oneindige. Bijvoorbeeld: twee evenwijdige lijnen snijden elkaar in het oneindige. Zijn zij daar dan niet meer evenwijdig?
Of: er is een oneindige reeks gewone getallen denkbaar: 1,2,3,4,5,6,7, enzovoort, maar ook een on­eindige reeks even getallen: 2,4,6,8,10,1 2,14 enzovoort. Nu zijn er toch twee maal zoveel gewone getallen als er even getallen zijn, nietwaar? Maar een oneindige reeks kan toch niet twee maal groter zijn dan een andere? Oneindig is oneindig. Minder dan oneindig is niet oneindig en meer dan oneindig is een contradictie in zich. Eindeloos is niet te den­ken. Hier zijn wij aan de grens van het hersengebied.

Een mens is ook geen vergissing. Hoe kan een vader tegen z’n kind zeggen, dat het een vergissing, een ongelukje was? Iets wat ik helaas meerdere malen heb mee­gemaakt. Omdat de vader alleen maar denkt aan de stoffelijke, lichamelijke, en dus eindi­ge bevruchting en geen besef heeft van de conceptie (in het Nederlands ‘ontvangenis’) van een eeuwig wezen.
Tegenwoordig zijn de mensen van mening, dat hun gedachten door hun hersens worden voortgebracht. Dat is bijna net zo vernuftig als te menen dat het water, als ik een glas wa­ter drink, uit m’n tong komt en niet van bui­tenaf. Onze hersens brengen evenmin gedach­ten voort als mijn calculator op eigen initia­tief gaat rekenen. Net zo min als een compu­ter zonder input, zonder software, iets kan presteren. Ons orgaan is alleen maar een vat, waarin wij met ons ik gedachten gieten, die wij vanuit de wereld om ons heen hebben geschept. Levende en vitale gedachten zijn als werken­de krachten in de gehele wereld aanwezig, onzichtbaar en ontelbaar. En de mens schept ze uit die onzichtbare wereld en giet ze in zijn eigen ziel. Maar doordat ons zielenvat in de tegenwoordige tijd een apparaat is ge­worden, dat vrijwel uitsluitend werkt met zintuiglijke en vergankelijke voorstellingen, verschralen de gedachten erin en worden ze dood, abstract.

Deze vergissing, dat onze hersens gedachten kunnen scheppen, kan ons echter slechts ge­durende ons leven op aarde overkomen. Voordat wij op aarde ontvangen worden, we­ten wij dat een levende gedachtewereld al­les vervult om ons heen, zoals in ons aardeleven de lucht ons omhult en doordringt. Het abstracte denken van heden ten dage is een dode rest van wat wij vóór onze ont­vangenis aan vitale gedachtekrachten om ons heen en in ons hadden. Zo is de eeuwigheid voor de aardemens tot eindeloosheid gewor­den. De eeuwigheid der onzichtbare wereld, die vol concrete beweging, vol wording en ontwikkeling is, stierf in de abstractie van een eindeloze herhaling.

De zon komt hier op, de zon gaat hier onder. Wat beleven wij nog van dat onnoemelijke wonder dat, geestelijk gezien, het zonnewezen de hele aarde doordringt, omhult en le­ven doet? Zouden wij nog in een toestand zijn, waarin, zoals bij vele mensen vóór 1500, zulk een belevenis in haar volle hevigheid over ons zou kunnen komen, dan zouden wij ons volkomen gedreven voelen door onzicht­bare krachten, maar wij zouden het ons nooit geheel bewust kunnen worden. Dat de mens vrij kon worden om zichzelf te zijn en zelf te gaan denken, dankt hij aan het feit dat hij uit vrije wil gedachten kan opnemen en als dode gedachten in zijn denken kan gie­ten. Wij danken ons vrije bewustzijn juist aan het doodsproces van ons denken. Het abstrac­te denken brengt ons echter niet over de drempel van de onzichtbare wereld. Het denken brengt ons slechts aan de grens van het land dat wij met een abstract woord ‘on­eindig’ noemen. Wij hebben voor het land, dat buiten het bereik van het zintuiglijk denken ligt, een heel ander begrip nodig. Wij noemen het ‘eeuwig’.

Christelijk gesproken heet het: in God. Het is daar, waar alle tellen ophoudt, daar, waar de tijd in zijn opeenvolging van het een na het ander er niet meer is. In God is geen begin en geen einde. Daar begint de opstanding uit de vergankelijkheid, daar overwint het werkelijke leven het niets van de dood, daar zegeviert het hemelse licht over de aardse duisternis, daar begint het feest van Pasen.

Het is ons bewustzijn, dat ons kan binnenleiden in dat eeuwige land. Want het vrije bewustzijn van de mens wordt veroorzaakt door het eeuwige in de mens: het ik dat geschapen is naar Gods beeld en gelijkenis en dus goddelijk is. Vóór zijn conceptie ziet de mens nog vanuit de wijde kosmos de goddelijkheid van de geestelijke zon, naar de mate van het bewust­zijn, dat zijn ik heeft kunnen ontwikkelen. Nadat hij in de fysieke wereld is ontvangen en op aarde geboren werd, wordt de zon voor hem steeds meer tot een samenballing van atoomexplosies, een warmtebron, die slechts het fysieke leven in stand houdt. Het vóórgeboortelijke wordt vergeten. Het eeuw­ige godswezen is voor zijn aan het lichaam gebonden verstand meer en meer onbereik­baar geworden. Vreugde en leed, geluk en ongeluk, tijdelijke gebeurtenissen, talloze vergankelijke dingen begeleiden de mens op zijn weg naar een uiteindelijke dood. Het denken zoekt naar het oneindige, maar kan het niet bereiken. Dat geldt in meerdere of mindere mate voor ieder mens op aarde. Vol angst verzet ons hart zich ertegen, maar toch kan ons starre verstand ons niets anders voor­spellen dan een onontkoombare ondergang, een definitieve afsluiting, het einde van ons bestaan: de dood.

Hoe kan ons bewustzijn nog levende gedachten scheppen uit de geestelijke wereld om ons heen? Scheppende gedachten, die ons ik bewust kunnen doen voortbe­staan voorbij de poort van de dood. Hoe kan ons goddelijke, eeuwige wezen hier op deze eindige aarde zijn oorsprong weer terugvin­den? Ons bewustzijn komt met abstracte ge­dachten niet verder dan de drempel. Daar­mee kunnen wij God nooit bereiken. Wel zegt ons de stem van ons hart, wanneer wij ernaar willen luisteren, dat wij voor een be­ter leven zijn geboren. Maar is dat geen mooie wensdroom, geen illusie? Door de verstarring van zijn denken, door de chaos in zijn voelen en door de zwakte van zijn willen zal het de mens nooit gelukken om uit zichzelf te komen in het rijk van zijn Vader, die in de hemel, in de buitenzintuig­lijke wereld is. Hoe kan iemand zichzelf aan z’n haren uit het moeras trekken?
Toch is het voor de mensenziel, in zoverre zij behoort tot de wereld van het vóóraardse le­ven, noodzakelijk dat zij gaat inzien dat zij eigenlijk niet kan sterven. Haar gevoel komt ertegen in opstand en zij wil het niet…

Voor de mens is de eeuwigheid der gees­telijke wereld onbereikbaar geworden. Hij ziet zijn onvergankelijke, goddelijke we­zen verloren gaan. Hij kan God niet meer te­rugvinden. Daarom vindt de geweldige ge­beurtenis aller gebeurtenissen plaats, de om­mekeer in de mensheidsontwikkeling op aar­de: het mysterie van Golgotha. Dat vieren wij op Pasen: de opstanding van Christus, de overwinning van Christus op de dood. Een God wordt mens. Een God daalt af in een menselijk lichaam.
Als wij willen, dan kunnen wij dat enorme moment van geluk en vrede inzien. Wij herdenken het van Kerst­mis tot Driekoningen. Het geheim van de goede wil.

Dan begeleidt de mens geworden God, Chris­tus, ons verder vanaf onze eigen conceptie, zodra wij ons in Hem herboren weten, door ons hele aardeleven. Hij geleidt ons als God én mens, door zijn leven op aarde, dat tevens een herscheppend kosmisch leven is, steeds verder op onze weg naar de dood. Terwijl ons contact met ons vooraardse bestaan door ons stervend denken steeds onmogelijker wordt, leidt Christus ons, vrijwillig, van on­schuldig kind-zijn naar bewuste volwassen­heid. Het is de weg, die vele sprookjes be­schrijven. Het is de unieke biografie van ie­der mens. Ons toevertrouwen aan een mens, hoe geestelijk ver gevorderd hij ook mag zijn, zou ons doen afdwalen van die weg. Christus schonk zich aan de mensheid en daarmee schonk Hij haar een begrip voor dat wat in haar eigen bewustzijn niet meer leven kon. Want evenals ieder mens ging Christus door de dood. Maar als God kon Hij de zielendood overwinnen, omdat een God niet ster­ven kan. En als God zal Hij aan iedereen, die Zijn leven brengende kracht in zich kan voe­len, het vermogen geven om met levende ziel door de poort van de dood te gaan en steeds bewuster het land van het eeuwige leven te betreden.
Dat is het mysterie van Pasen. Dank zij Christus’ offerdaad op Golgotha kan de mens eeuwig vitaal, dat wil zeggen ‘le­venskrachtig’, zijn en geestelijk steeds levens­krachtiger worden.

Slechts in het licht van die gebeurtenis krijgt alle strijd, ellende en leed hier op aarde zin. Om steeds krachtiger te kunnen worden in het geestelijk leven, daartoe ko­men wij steeds weer op deze aarde. Zo zal ook ons denken weer levend en schep­pend kunnen worden door de kracht van de Geest die Hij ons zendt.
Dat is het feest van Pinksteren, het feest van de Heilige Schepper-Geest.

De antroposofie heeft evenals het christelijk geloof, dat zij niet wil verdringen, maar ver­diepen en versterken, haar hoogtepunt in de vitaliteit van de lentezon, die opkomt in de vroege morgen van Pasen.

.

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Pasen – jaartafels

.

126-121

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – lichaamsoriëntatie

.
Pieter HA Witvliet
.

LICHAAMSORIËNTATIE

 

MENSKUNDIGE ACHTERGRONDEN

.

Ontwikkeling baby-schoolkind

De ontwikkeling van een baby naar een schoolkind omvat vele aspecten. Opvallend is wel dat alles in het teken van groei lijkt te staan.
Het kind verdubbelt in 7! à 8 jaar drie maal zijn lichaamsgewicht.
Met die groei gaat ook in de meeste gevallen een steeds grotere behoefte aan beweging gepaard. Als we beide onder één noemer willen brengen, past daar vooral het woord: leven.
DOEN!

Steeds meer en vaker wil het kind “het zelluf” doen.
Het wil klimmen en klauteren en …..wordt steeds behendiger
.
En daar duikt het woord “hand” weer op.

Het kind wordt steeds handiger, ook in de voeten. Die ontwikkeling zet eigenlijk al in als het kind zijn hoofd begint op te tillen.
Déze ontwikkeling lijkt vooral een weg te gaan van boven naar beneden.

In Steiners optiek “IS” de mens zijn lichaam niet; hij “HEEFT” een lichaam.

De baby

Wie naar het allerkleinste kind kijkt en de beentjes met de voetjes een totaal eigen bewegingsleven ziet leiden, kan tot de gedachte komen dat het lijkt of die voetjes en beentjes er nog helemaal niet bij horen; er zit nog geen enkele beheersing in.

Langzaam maar zeker echter, wordt het kind zijn ledematen meester; het raakt “thuis” in zijn lichaam, het incarneert.

Die uitdrukking “thuis in het lichaam” is in deze tijd zo vreemd niet meer, nu we weten dat er mensen zijn die zich ongelukkig in/met hun lichaam voelen.

De kleuter

Het proces van “in het lichaam groeien” voltrekt zich voor een groot deel in de kleutertijd, maar ook daarna gaat dit door; ook in de puberteit moet het uit verhouding gegroeide lichaam opnieuw in harmonie komen met degene die het bewoont.

De vrijeschoolpedagogie wil kinderen daar waar het kan, helpen bij het proces van thuisraken op de wereld; ook in het eigen lichaam.

Kleuterklas

De kleuterklas is daartoe ingericht en is een zichtbaar geworden plaats waar het kind de mogelijkheid wordt geboden om het proces van aardser en aardser worden dat het als natuurlijk vermogen heeft meegekregen toen het op aarde kwam, te oefenen: IN HET SPELEN!

Spel is de opvoeder van het lichaam

Want juist het spel is de eigenlijke “opvoeder” van het lichaam. En als je ziet met wat een graagte en met hoeveel overgave een kind speelt, ben je geneigd te zeggen: het spel is de “voeder”, het “voedsel” voor het jonge kind.

1e klas

Ook in de eerste klas wordt de behendigheid met het lichaam geoefend; eveneens in spel, maar met nog een bijzonder soort oefening: de lichaamsoriëntatie, ook wel lichaamsgeografie genoemd.

Bij de lichaamsoriëntatie moet het kind direct uit het begrip handelen:
“pak met je rechterhand je linker schouder;
wijs met je linker wijsvinger je linkerknie aan.” Enz, enz.
“Beschrijf een cirkel met je rechterhand om je linkerhand; beschrijf 2 cirkels, met de ene hand naar de ene kant en met de andere hand naar de andere kant.” Enz.

Waarbij het tempo steeds verder wordt opgevoerd.

En passant leert het kind veel lichaamsdelen kennen: wreef, scheen, dij enz.

4e klas

Ook in de 4e klas gebruikte ik deze oefening om het kind te leren zich te oriënteren o.a. in de windrichtingen:

In de aardrijkskundeperiode hadden we een levensgroot “kompas” gemaakt van touw, boven ons hoofd, van muur tot muur. Aan de 8 touwen hingen kaarten met de namen: noordoost, zuidwest, noord enz.
Door eerst vast te stellen waar ’s morgens de zon te zien was, bepaalden we het oosten.
De kinderen wisten op den duur waar het noorden enz. was.

“Ga met je linkerschouder naar het zuidwesten staan; met je rug naar het noord-noordoosten”. Enz.

voor meer: aardrijkskunde klas 4

Tijdens de rekenperiode breuken kon het ook:
de kinderen staan in een cirkel of vierkant. In het midden daarvan ligt een doek, o.i.d. De opdracht aan een kind: “loop zo (vanaf je plaats op de cirkelrand naar het middelpunt) en  terug naar de cirkelrand, dat je aan je linkerhand 5/8 van de cirkel hebt.” Enz.

6e klas

Zelfs in klas 6 waren er nog mogelijkheden:
Tijdens de meetkundeperiode, ook staand in cirkel of vierkant: “loop zo, dat je aan je rechterhand een stompe hoek hebt”. Enz.

Vormtekenen

Voordat deze vormtekeningen op papier komen, is de vorm door de leerkracht “in de lucht” aan de kinderen voorgedaan. Zij hebben in het begin dus geen concrete vorm voor zich, want het “spoor door de lucht” blijft niet. De kinderen moeten dus heel intensief waarnemen. Het wordt nog een paar maal voorgedaan; wie niet zeker is, mag even meedoen met de leerkracht, maar moet het dan toch weer zonder voorbeeld stellen. Uiteindelijk is het beeld verinnerlijkt: het is een voorstelling geworden.
Deze voorstelling wordt nu op papier getekend – grote vellen; sommige kinderen die motorisch meer hulp nodig hebben, maken de tekening bijv. met een nat sponsje op het bord; of als het weer het toelaat: in de zandbak kun je ook goed tekenen.
Maar uiteindelijk moet de tekening “van grof naar fijn” ook in een schriftje terecht (kunnen) komen.

Hier staat beschreven hoe sommige hersenonderzoekers al dit soort oefeningen zien.

In de bovenbeschreven oefeningen gaat het om:
“het harmoniseren van “de bovenmens” (het geest/zielenwezen) met de “benedenmens” (lichamelijk wezen).

Dit alles is maar een kleine greep uit het arsenaal dat de vrijeschoolleerkracht ten dienste staat om ‘boven met onder’ te verbinden.

.

Bewegen     pittenzakjes   handschaduwbeelden    hinkelen

Spel: alle artikelen

Zintuigen: alle artikelen

vspedagogie(voeg toe)gmail(punt)com

.

125-120

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (16)

.

‘Met Kerstmis zetten we de boom neer, halen het stalletje tevoorschijn en vieren we de geboorte van het Christuskind. De drie koningen kwamen nog na nieuwjaar, de laatste kaarsen brandden, het stalletje en de boom werden opgeruimd.
En nu is het lente, het volgende jaarfeest, in aantocht: Pasen!

Hoe vier je dat? Is het een lentefeest en hou je het bij de paashaas en de eieren? Of vier je een christelijk feest. We stelden die vraag aan onszelf en aan el­kaar en kwamen al pratend wat dichter bij het paasfeest. Het gesprek dat we voerden staat — wat ingekort — op deze bladzijde.
.

Fiona van Mansvelt, Maria Ploeger, Willemijn Otte, Jenny Crum in ‘het kind op weg’ in ‘Jonas’ van 8 april 1977
.

DICHTER BIJ PASEN

‘Ik ben het afgelopen jaar voor het eerst een beetje bewust met de jaarfeesten bezig. Ik heb ze altijd gevierd, maar nu probeer ik er anders mee om te gaan. Waar ik mee in de knoop kom is dit. Ik heb gehoord dat oude natuurfeesten, feesten uit de voorchristelijke tijd, samenvallen met de christelijke feesten. Hoe voeg je dat nou bij elkaar?

Bij het paasfeest is dat heel duidelijk: er is de dood en de opstanding van Christus en er is het lentefeest. Ik vind het ontzettend moei­lijk die twee gegevens samen te voegen. Hoe kun je je er een beeld van vormen? Zo, dat ik meer beleef aan de paashaas en de eieren, dan vroeger, toen ik er ook plezier aan gehad heb. Alleen het weten dat een haas zich op­offert* en het ei een beeld is voor een nieuwe levenskiem, is toch niet het specifieke van het paasfeest?

‘De lente, de haas en de eieren die waren er ook al voor het gebeuren op Golgotha. Daarna is het voor de mensen anders gewor­den.’

‘Wat jij zegt is voor mij in het paasfeest toch al erg belangrijk.

Met jonge kinderen begin je met beschilder­de eieren, de paashaas en de uitlopende na­tuur, meer het lentefeest dus, terwijl ik nu met grotere kinderen en ook voor mezelf, het christelijk element erbij zoek.’

‘Als de kinderen groter worden is het lente­feest ze ook niet meer genoeg, dat voel ik best. Ze doen nog wel mee, maar meer voor elkaar en ook omdat het zo gezellig is om te doen. We hebben vorig jaar voor het eerst, de jongste was toen acht, niet meer in het ge­heim de eieren beschilderd en verstopt. Met z’n allen hebben we eieren beschilderd en de volgende morgen mocht iedereen, de jongste het eerst, een ei kiezen. Niet iedereen kreeg z’n eigen ei, maar je koos het ei dat je mooi vond. Dat had iets heel nieuws. Maar hoe je nu voor jezelf beelden vindt die er inhoud aan kunnen geven?’

‘Ik word zelf erg geholpen door de mensenwijdingsdienst van de Christengemeenschap. Een deel van de teksten past in de tijd van het jaar. Ik merk dat ik aan wat daar gespro­ken wordt veel heb.’

‘Hoe lang voor Pasen begint dat?’

‘Vier weken, ’t Is eigenlijk net zo’n voorbe­reiding als met de advent, dan bereid je je ook vier weken op kerstfeest voor.’

‘Maar dat is toch feitelijk wat vasten voor Pasen is? Vanaf carnaval, vanaf Aswoensdag, veertig dagen.’

‘Als ik van jullie hoor dat jullie het christe­lijke element zoeken in het lentefeest, dan ligt het bij mij omgekeerd. Ik heb meer het christelijke feest in mijn jeugd mee gekregen: met Aswoensdag een kruisje halen en het vastentrommeltje daarna. Wat jullie vertellen over het lentefeest, eieren verstoppen en be­schilderen, dat ken ik van vroeger niet.’

Goede Vrijdag

‘Heb je nu houvast aan de dingen die je van­uit de katholieke traditie meegekregen hebt?’

‘Nou carnaval werd bij ons in Amsterdam niet gevierd, als kind ging je in zoiets als de vas­ten gewoon mee. Je deed de snoepjes en de koekjes gewoon in het trommeltje. Dat werd gedaan, er werd niet over gesproken.’

‘Wat wel een enorme indruk op me maakte, was de paaswake, de mis in de nacht van za­terdag op zondag. Terwijl de kerk helemaal donker was, stak iedereen bij de priester te beginnen, één voor één zijn kaars aan, tot er een zee van licht was. Ook het bidden op Goede Vrijdag, ’s midddags op de tijd van de kruisiging, heeft toen indruk op me gemaakt. Ik merkte later toen we naar de Matthäuspassion gingen, dat die stemming weer op­nieuw naar boven kwam. Hoewel vooral het vasten en de kruisiging, als kind indruk op me hebben gemaakt, meer dan de opstanding.’

‘Dat is toch wel gek eigenlijk, dat je de dood en de kruisiging meer mee beleeft dan de opstanding.’

‘Ik geloof dat je daar – bij de kruisiging — ook niet zou moeten blijven staan. Hoe kom je zover dat je ook tot de opstanding komt?’

‘Als je iets van het opstandingsproces zou willen beleven, moet je niet bij de dood blij­ven staan. Het is niet het lijden op zich dat belangrijk is, maar door het offer van het lij­den is de opstanding mogelijk gemaakt. Dan kun je het christuswezen ontmoeten, door de opstanding juist.’

‘Ik vind het moeilijk te bevatten wat dat is.’

‘Misschien ben ik lui en stel ik niet zulke hoge eisen aan mezelf, maar ik heb het ge­voel dat je dat ook niet kunt eisen, als je net over zulke dingen begint na te denken. En na één avond praten kun je ook niet weten hoe het moet, maar misschien kun je kijken, wat je moet doen om een weg te vinden. Wat zijn ervaringen waar je het opstandingsproces wel aan beleeft?‘

Stille Zaterdag

‘Vorig jaar hoorde ik dat iemand vertelde over stille zaterdag, die merkwaardige dag tussen Goede Vrijdag en paaszondag. Als je erop gaat letten, is dat een hele spannende en afwachtende dag.’

‘Ja, heb je dan zo’n dag in de gaten of vul je hem gewoon met boodschappen doen?’ ‘Maar soms moet je op zo’n dag wel allerlei klussen doen!’

‘Dan zou je toch een moment er bij stil kunnen staan, dat zo’n dag anders is, ergens door opvalt.’

‘Jawel, maar al die drukte, al dat gehol om alles klaar te krijgen, leidt soms zo af!’

‘Maar dan wordt toch juist erg aan je bewustzijn geappelleerd, zo’n moment van rust en bezinning juist in de gaten te hebben. Wat je vertelde over het naar de kerk gaan op Goede Vrijdag om te bidden, dat werd vroeger gedaan, en nu doe je dat misschien niet meer, maar is het juist nu niet aan de orde dat je zélf momenten in de paastijd kiest waar op je bewust probeert ermee bezig te zijn?’

‘Ik moest laatst aan een mogelijkheid om paasfeest te beleven, denken, toen ik iemand hoorde vertellen, dat het heel opvallend is dat planten in het voorjaar tegen de zwaartekracht in gaan. In de herfst gaat de plant met de zwaartekracht mee. ’t Lijkt zo doodgewoon dat alle bloemen weer te voorschijn komen, tot je je realiseert wat er eigenlijk gebeurt, dan is het de moeite waard daar extra op te letten.’

“t Gekke is, dat je het al jaren gezien hebt en het ook best weet, maar pas als je het zo hoort, kun je er een opstandingsproces in herkennen.’

‘Je bedoelt dat je door het waarnemen van planten, dat mee zou kunnen beleven?’

‘Er zijn in de natuur natuurlijk meer dingen om op te letten. Je zat net zo omhoog te wijzen en daardoor dacht ik aan de zon en de maan. Je kunt in het voorjaar zien dat de zon steeds hoger aan de hemel komt en steeds warmer wordt. Als je naar de maan kijkt, tot hij helemaal vol is en de zondag daarna is het Pasen.’

‘De lucht is ook zo nieuw in de lente. Dat proef je gewoon, je ademt het in. Dat vind ik zo indrukwekkend, zelfs in de stad merk je dat.’

‘De planten, de lucht, de zon en de maan, als je op de processen daarvan let, zou dat je dan dichter bij het paasfeest brengen?’

‘Dan ben je wel alleen gevoelsmatig bezig!’

‘Nee, het gaat om het waarnemen, als je dat intensief doet, kun je het geluk hebben iets te zien wat er allang is, maar wat je daarvoor nog niet zo kende. Het spreekt dan anders tot je. Opeens ga je echt zien, dat planten die net uit de grond komen, inderdaad tegen de zwaartekracht in groeien. Als je dat regelma­tig oefent, zie je dingen die je nooit opvielen, en vandaaruit ga je er iets aan beleven. Dan zit je natuurlijk in het gevoel. Misschien kun je dat niet onder woorden brengen, maar blijft het een innerlijk beleven, waardoor je iets dichter bij het paasfeest komt. Wij heb­ben eens een zomer een tijdlang elke avond opgeschreven, wat er voor licht was ge­weest. Dan geef je je indrukken in woorden weer; daardoor heb ik geleerd anders naar de lucht en het licht te kijken. Maar als jullie nu zeggen: vertel eens iets over licht en lucht, dan zou ik dat niet kunnen. Tegen de tijd dat ik daar woorden voor heb, zijn m’n kin­deren al het huis uit!
Ik vraag me dus af of die dingen geen proces zijn. Ik kom nu niet direct zover, maar ik ben er mee bezig en daaraan heb ik ook deze Pasen wat. Begrijp je?’

‘En dat is voor jou voldoende, om wat verder te komen in dat proces, wat je een stukje dichter bij het paasfeest brengt?’

‘Daar ben ik best tevreden mee, als ik er van­uit mijn gevoel een verhouding toe krijg, iets proef aan de lucht, aan alles wat uitloopt. Ik krijg daardoor iets geschonken, waarmee ik het paasfeest beleef.
Als je me vraagt, wat is er dan precies ge­beurt, dan kan ik je er niets over zeggen. Al zou ik het wel willen, het lukt niet. Ook niet als ik deze lente heel intensief bijv. het uitlo­pen van planten waar zou nemen. Ik geloof niet dat ik aan jullie dan iets interessants zou kunnen vertellen. Alleen zo van: eerst is het heel klein, dan wat groter en wat kleur erbij en dan zeggen jullie: ach, ach, worden de knoppen groter? Ja leuk, dat wisten we al­lang!’

‘Nee, ’t gaat om jouw beleven, wat jij eraan hebt.’

‘Maar wat ik me dan afvraag is dit: temidden van het lentegebeuren, afhankelijk van de stand van de zon en de maan is het Pasen. Pasen is nog iets meer dan alleen de natuur in de lente, al neem je daar ook het opstan­dingsproces in waar. Ik heb behoefte eraan tot het christelijke een verhouding te zoe­ken.’

‘Gaat het er niet om iets te horen of te zien, waardoor je weet dat je paasfeest kunt vie­ren? Je moet er wel naar zoeken…’

‘Dat ligt voor ieder anders, je leest een voor­dracht over Pasen van Rudolf Steiner, je luis­tert naar de Matthäuspassion, je beleeft iets aan de natuur…’

‘Of je gaat naar de mensenwijdingsdienst…’

‘Ja, dat is het. Ik heb naast het waarnemen van de natuur, de zon en de maan, ook behoefte er innerlijk mee bezig te zijn.’

‘Misschien is de traditie een goede leermees­ter. Vroeger werden die feesten vanzelfspre­kend gevierd, nu moet je er als volwassenen zelf iets mee doen. Als je aan zo iets als stille zaterdag ruimte wil geven, kun je er met je planning rekening mee houden. Je kunt op zo’n dag iets lezen of aan de kinderen een verhaal vertellen; in Russische sprookjes komt vaak een opstandingsproces voor, dat zijn prachtige verhalen.’

‘Heb jij je kinderen het verhaal van de kruisi­ging en de opstanding weleens verteld?’

‘Ik heb vorig jaar voor het eerst over de op­standing voorgelezen uit de Bijbel. Ik had het een paar dagen voorbereid door het zelf te lezen. Ik moet zeggen dat ik het indrukwek­kend vond, ze waren heel stil, terwijl we ’s morgens aan de paastafel zaten. Voor jon­gere kinderen geef je in paasverhalen eigen­lijk beelden voor de opstanding, de overwin­ning op de dood, en daar kun je bij aankno­pen als ze oud genoeg zijn om het verhaal uit het evangelie te horen. Als je het niet aan je kinderen voorleest kun je het voor je zelf doen.’

‘Wat die traditie betreft, als je daaruit ge­groeid bent of als je het niet gekend hebt, dan moet je nu je eigen vorm vinden.’ Ik weet wat ik ga doen! Wat ik ontzettend moeilijk vind, ik ga vasten! De koekjes bij de koffie en de thee, je raakt met de kinderen thuis in zo’n vaste traditie: één koekje bij de thee, één koekje bij de koffie. Dat éne koek­je daar zit ik zo ongelooflijk aan vast! Dat éne stomme koekje ga ik nog eens weglaten, kijken of het tot Pasen lukt! De kinderen mogen mee doen, maar ik doe het vooral voor me zelf. ’t Is ook tegen de zwaarte in gaan.’

“t Kan misschien een hulp zijn, de verbin­ding te zoeken tussen de diverse jaarfeesten, hoe je van het Michaelfeest in de herfst, via het kerstfeest naar het paasfeest gaat. En te merken dat niet alleen de planten tegen de zwaartekracht in groeien, maar dat je zelf ook tegen de voorjaarsmoeheid en de neiging om helemaal naar buiten te trekken in, moet proberen een beetje wakker te blijven.’

‘Ja, je hebt zo’n zin om alles los te laten, naar buiten te gaan, vakantieplannen te mak­en, in de tuin te werken, dan is het niet zo simpel om echt aandacht te hebben voor het paasfeest.’

“t Is net een weegschaaltje: je moet het evenwicht tussen beide vinden, innerlijk wak­ker blijven en ook naar buiten trekken!’

‘Als ik probeer te begrijpen- hoe summier ook- wat het gebeuren op Golgotha voor de mensheid, dus ook voor mij, betekent, dan vind ik iets heel essentieels van het paasfeest. Dan beschilder ik dezelfde eieren en zet dezelfde narcissen neer, maar toch is het paas­feest anders.’

*Daar heb ik nog geen concreet bewijs voor gevonden.
.

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Pasen – jaartafels

.

124-119

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rekenen (2)

.
Thor Keller in Erziehungskunst jrg. 56, nr 8, 1992
.

MAGISCHE KWADRATEN

Een stimulans voor het rekenen in klas 3*

Hoe krijg ik het voor elkaar om het hoofdrekenen dat snel vervelend kan worden, in de 3e klas zo vorm te geven, dat het spannend is en leuk om zo oefenend te rekenen?

Een mogelijkheid biedt ons het construeren van een magisch vierkant

Hier volgen een paar voorbeelden hoe je deze vierkanten zelf kan maken.

Voor de 3e klas komen de kwadraten met 9 velden in aanmerking.

Wij noemden ze ‘tovervierkanten’.

rekenen 1

1.Je kiest een willekeurig middengetal, stel 5
De som van de cijfers is altijd 3 x het middengetal, hier: 15
(wanneer je deze doet moeten de kinderen wel weten dat het om de getallen 1 t/m 9 gaat.)

2.De diagonaal van linksboven naar rechtsonder is opgebouwd uit de
cijfers -1 en +1 van het middengetal, hier 4 en 6

3.De middenvertikaal is opgebouwd uit de cijfers -2 en + 2 van het
middengetal, hier dus 3 en 7

4.De diagonaal van rechtsboven naar linksonder is opgebouwd uit de cijfers
(let op: + 3 en – 3 van het middengetal, hier 8 en 2)

5.De linker verticaal mist in het midden 15 – (4 + 2) = 9

6.De rechter verticaal mist in het midden 15 – (8 + 6) = 1

rekenen 2

Gekozen als middengetal: 7

rekenen 3

Volg dezelfde regels als boven.

===

Een getal bij het middengetal optellen:
We nemen het hier beschreven bovenste vierkant
Als we van de 5 uitgaan, kunnen we bij dit middengetal een getal optellen, bv. 4. Het middengetal wordt dan 9; de som 3 x 9 = 27

De diagonaal  linksboven/rechtsonder heeft als regel: – 1 en + 1 van het middengetal. Dat geeft de getallen 8 en 10; zoals je ziet; de 4 en de 6 van het 1e vierkant zijn ook 4 groter geworden, net als het middengetal.

De rest van het vierkant kun je met de bovengenoemde werkwijze vinden.

rekenen 4

Het middengetal vermenigvuldigen:
We gaan weer uit van het 1e vierkant met middengetal 5. Dit vermenigvuldigen we met 3 = 15.
De som van de rijen, kolommen en diagonalen moet dan 3 x 15 zijn = 45

De diagonaal  linksboven/rechtsonder heeft de getallen -1 en +1 van het middengetal; dit is echter met 3 vermenigvuldigd. Nu worden ook de -1 en +1 met 3 vermenigvuldigd, -3 en +3. De getallen zijn dan 12 en 18.

Dat geldt natuurlijk ook voor de middenverticaal: -2 en + 2 worden – 6 en + 6 =9 en 21

De getallen van de diagonaal rechtsboven/linksbeneden worden van + 3 en -3 nu + 9 en – 9, dus 24 en 6 .

De ontbrekende getallen kunnen nu worden gevonden. De som moet 45 zijn.

rekenen 5

Het kan nog moeilijker gemaakt worden door zowel op te tellen als te vermenigvuldigen:

We gaan weer uit van het 1e vierkant met middengetal 5. Hierbij tellen we 3 op, = 8 en vermenigvuldigen nu met 4 = 32.

De som bedraagt nu 3 x 32 = 96.

De diagonaal linksboven/ rechtsonder heeft in het vierkant het getal 4. Dit wordt nu + 3 =7 x 4 = 28  en 6 + 3 = 9 x 4 = 36.

In het 1e vierkant is de middenverticaal 3 en 7, nu: 3 +3 =6 x4 = 24 en 7 +3 = 10 x 4 = 40

En zo verder.

rekenen 6

Je kunt bv. ook nog vermenigvuldigen en aftrekken 

bv. x 6   – 5

Uitgaande van het 1e vierkant met middengetal 5:   5 x 6 = 30 – 5 = 25
De som is dus 3 x 75
De diagonaal linksboven rechtsonder heeft de getallen 4 en 6; deze worden nu: 4 x6 = 24 -5 = 19; 6 x 6 = 36 -5 = 31

Enzovoort.

Nog moeilijker wordt het wanneer je een kwadraat geeft met maar 2 getallen:

.             4            .

.             6            .

.              .            .

Het centrale getal is hier 6; de som moet dus 3 x 6 zijn.
De  diagonaal linksboven rechtsonder heeft de getallen – 1 en + 1, dus 5 en 7;
de middenverticaal: -2 en + 2, dus 4 en 8; de rest is hetzelfde te vinden, maar je ziet dat er nu wel het getal 10 in moet komen.
Nu blijkt ook dat er getallen nodig zijn, groter dan 9.

Er kan nog meer:

Stel: je geeft deze opgave:

4            .           .               4        .       .          4        .        .              4       .         .

.           7           .                9        7       .          9       7       5            9        7      5

8     .                 .               8         .        .          8       .         .            8         .     10      enz

 

4          11        6

9          7         5

8          3        10

De som moet 3 x 7 zijn: 21
De 1e verticale kolom: 4 + 8 = 12, ontbreekt de 9.
Middelste rij 9 + 7 = 16, ontbreekt de 5
Diagonaal linksboven/rechtsonder: ontbreekt de 10
Onderste rij: ontbreekt de 3
Laatste verticale ontbreekt de 6
Middelste verticaal ontbreekt de 11
Opgelost!

Je kunt gevonden vierkanten ook d.m.v. draaien tot nieuwe opgaven maken.

Uitgaande van het beginvierkant:
I.p.v. de diagonaal linksboven/rechtsonder te berekenen met – 1 en + 1, kun je ook doen alsof deze diagonaal de rechtsboven/linksonder diagonaal is, dus + 3; -3
Enzovoort

8     3     4

1     5     9

6     7     2

Je kunt ook de bovenrij met de benedenrij wisselen. En uiteraard de linkerkolom met de rechter.

Als je deze opgave krijgt:

14      .      .

.       13     .

16     .       .

weet je al de som: 3 x 13 = 39
Toch weet je niet meteen hoe de ‘oer’volgorde is. Er kunnen hier rijen en/of kolommen verwisseld zijn.
Duidelijk is dat de diagonaal linksboven/rechtsonder het patroon + 1;  – 1 vertoont, dan ook naar rechtsonder -1 = 12

Als de diagonaal rechtsboven/linksonder ook de “oer’volgorde is, moet rechtsboven -3 genomen worden (immers t.o. de linksboven -, staat de rechtsboven +; in deze opgave dus omgekeerd)
Rechtsboven zou dus een 10 moeten staan en linksbeneden 16. Die staat er. Dan klopt het: middenkolom links wordt dan 9 en rechts 17. Overal is de som 39

Stel dat de 10 nog extra gegeven was op linksonder; dan komt de 16 rechtsboven en dan wisselen ook de andere getallen. Nu is echter de ‘oervolgorde’ van -2 en +2 verwisseld van middenvertikaal naar middenhorizontaal.

kanttekening:
Wanneer je ermee begint, lijkt het mij belangrijk dat de kinderen op groot ruitjespapier het “hok” met potlood en liniaal duidelijk aangeven.
Wat later kunnen ze gewoon puntjes zetten, wel mooi gelijk verdeeld onder- en naast elkaar; tenslotte heb je niet eens lijntjespapier meer nodig….., dan.
Je kunt hiermee ook goed variëren; het ene kind kan in het begin al veel meer dan het andere en opdrachten kunnen heel individueel worden gegeven. Laat de vlotte rekenaars vooral ook zelf vierkanten bedenken!
Wanneer je individueel controleert, leer je ook weer veel over waar de kinderen qua rekenbewerkingen staan en kun je van daaruit weer extra oefeningen doen.
*Alle varianten gaan uiteraard nog niet in de 3e klas; dus vanaf 4 is er ook nog van alles mogelijk. Bv. in klas 5, want met de decimale breuken gaat het ook.

Bv. middengetal 5,5; som = 16,5; diagonaal linksboven/rechtsonder:
4,5  en 6,5;  rechtsboven/linksonder: 8,5 en 2, 5; middenvertikaal: 3,5 en 7,5, dus middenhorizontaal=9,5 en 1,5 (het valt meteen op dat bij de getallen van het oervierkant simpelweg 0,5 is opgeteld!)

De opgaven met maar 1 cijfer dwingen tot een logisch doorgevoerde strategie.

Gegeven:

.          .          9

.         .           .

.        .           .

Je moet nu een keus maken. Waarvan kan deze 9 het gevolg zijn:
mogelijkheid 1:
de bekende strategie: het middengetal + 3. Dan is het middengetal 6. De som is dan 18  en het getal linksbeneden 3.

.          .         9

.        6          .

3        .         .

diagonaal linksboven/rechtsbeneden: 5, 6, 7. Nu heb je hem eigenlijk al.

Mogelijkheid 2: de 9 is het resultaat van – 3. Centrale getal dan 12. Som 36
De diagonaal linksboven/rechtsbeneden is dan + 1  en  – 1 = 13 en 11. Je hebt hem dan weer.
Je kunt als opdracht ook zeggen: de 9 is het resultaat van -2. Ga je gang.
Centrale getal is dan 11, het andere diagonale getal 13.
De som = 3 x 11= 33
In het oervierkant stond links van de – 2 en + 2,  de -1 en +1, dat kan ik hier ook doen. Dat wordt dan de middelste verticaal: -1 en + 1 =  10 en 12.
Nu kan ik vanuit de som alles vinden.

Het verdient aanbeveling om in je voorbereiding goed in je op te nemen hoe de strategieën gaan.

Kinderen vinden het ook geweldig wanneer ze jou een opdracht mogen geven; ze moeten alles dan goed begrepen hebben; want als ze tegen jou zeggen: rechtsonder staat bv. 40, dan moet jij het kunnen maken en zij moeten het antwoord al klaar hebben. Komt het resultaat niet overeen, dan kan één van de twee een fout hebben gemaakt of een andere strategie gekozen. De 40 kan het resultaat zijn van zowel +1 en -1; van + 3 en – 3 en van + 2 en -2.

Succes!

 

Rekenen 3e klas: alle artikelen

3e klas: alle artikelen

Rekenen: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas

 

123-118

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (8)

.

knutselen

Bron onbekend:
.

Paashaas.vingerpopje

1.stofdoek 20-30 cm, opengeslagen, smalle kant boven,
bovenste punten samenbinden: oren
2.krantenpapier, wol, watten in oren stoppen, tevens vulling voor kop,
onder de vulling afbinden tot hals,
3.van een krant die u gevouwen heeft tot een reep van 12 cm hoog en
40 cm lang, rolt u om uw hand een toetervorm,
4.de rechte onderkant van de stofdoek vouwt u om dit lijf, de punten
van de rechte hoek, van buiten naar binnen draaien, naar voren trekken
en vast naaien: achterpoten
5.de voorpoten maakt u door een plukje van de stofdoek onder de kop
samen te binden met een draadje, omwikkelen met bruine wol,
achterkant dichtnaaien, oorschelpen naar voren duwen en vasthouden,
6.de staart maakt u op dezelfde manier aan de achterkant,
7.snuitje: stof bij elkaar trekken met bruine wollen draad, ca 1/3 hoogte
vanaf de nek- en snorharen

pasen 17

pasen 18

.

bron onbekend:
.

Paashaas/vingerhaaspopje

Materiaal:
wollen stof of badstof,
voor de binnenkant van de oren een bijpassende afstekende stof,
kralen voor de ogen,
een stukje vilt voor de mond,
draadjes touw voor de snor­haren,
schapenwol of watten voor vulling.

Knippen: middenkopdeel 1 maal,
zijkopdeel 2 maal,
lichaamsdeel 2 maal,
oren 2 maal en 2 maal van afstekende stof.

Oren in elkaar zetten en invouwen en aan de zijkopdelen vast zetten,
het middenkopdeel tussen de zijkopdelen bevestigen,
de streepjes op de romp en het middenkopdeel precies op elkaar vast zetten. Voor de vingerhaas het patroon vergroten en bij het vullen van de kop ruimte laten voor de vinger.

pasen 6

Bron: ‘Jonas’ 6 april 1979:
.

Paashaas/vingerhaaspopje

Kokertje breien of haken
Eén kant dichtmaken, tegen deze dichte kant opvullen, met strikje afbinden: kopje.
Oortjes van vilt
Oogjes en snorhaartjes
Aan de onderkant een staartje.

Thea Goedhart, nadere bron onbekend:
.

Paashaasje

Haasje of kuikentje van pompoentjes.
Wagentje: walnotendopje.
Wieltjes: plakje kurk, vastgeplakt.
Eitjes: van gekleurde bijenwas.
Het haasje trekt het wagentje m.b.v. een wollen draadje, vastgeplakt op de walnotendop.

pasen 13

.

Paashaasje, kuiken, lam van pompoen 

De zon schijnt niet iedere dag, ook moet de regen er zijn om alles weer te laten groeien en bloeien. Een binnenwerkje, dat veel plezier geeft bij klein en groot is van twee pompoenen een kuiken, lammetje of ook wel een mooie paashaas te maken.
We knippen twee kartonnetjes rond uit met een gat in het midden; nemen een lange wollen draad en trekken deze steeds regelmatig door het middengat heen.
als het middengat helemaal dicht zit, knippen we de draden aan de buitenkant door tussen de twee kartonnetjes in.
We binden nu een draad tussen de twee kartonnetjes, trekken het goed aan en maken een knoop.
Nu schuiven we de kartonnetjes eraf en de wollen draden vormen zich tot een bal.

pasen 27

Een grote bal en een kleine tezamenbinden en je hebt al een kuikentje, lammetje of haas.
De oortjes en ’t snaveltje maak je van vilt.

Veel plezier!

 M.T.P, vrijeschool Den Haag:
.

Paastuintje

Een heel gezellig werkje in deze tijd van het jaar, als het weer het nog niet toe­laat, de kinderen zo erg lang buiten te laten spelen, is het maken van een ‘paastuintje’.

Men heeft er voor nodig:

1.een stukje karton (misschien de deksel van een schoenendoos)
2.lichte lentekleuren crêpepapier (voor zoveel knutselpartijtjes goed te gebruiken dat de aanschaf geen weggegooid geld is)
3.wat pijpenwissers
4.tubelijm (Collal, Velpon)
5.stijfsel of gluton
6.wat stevig papier (bv. tekenpapier of dun karton)
7.tijd voor de kinderen en plezier om iets met hen te maken.

Men begint met op het karton de plaats aan te geven waar een bloesemboompje  komt, en een nestje op de grond en eventueel een vijvertje.

Waar het boompje komt, wordt met een priem een gaatje geprikt; daar doorheen steekt men 3 of meer pijpenwissers, waarvan men het onderstuk ca. 2 cm ombuigt en in 3 of meer richtingen met Collal tegen de onderkant van het karton vastplakt door middel van een stukje tekenpapier. (tek. A)

Nu blijven de pijpewissers dus rechtop staan.

We knippen een “vijvertje” van teken­papier en een wat groter stukje blauw crêpe­papier, dat om het eerste stukje heen ge­plakt wordt,  zó,  dat de gluton alleen op de rand aan de onderkant komt (crêpepapier verkleurt zo erg door vocht!)
Dit vijvertje plakken we op de aangegeven plaats op het kartonnen ondergrondje en daarna kunnen we de rest daarvan met kleine (losse) propjes van lichtgroen helemaal volplakken behalve op de plaats waar het nestje komt.

Dat nestje maken we weer van een rondachtig stukje tekenpapier (voor de gewenste grootte maken we even een probeerseltje) volgens het schetsje. (tek. B)

De stippellijn geeft de bodem van het nestje aan, de stralen zijn knippen,  de kruisjes de plaats waar de tubelijm komt.    o wordt op x geplakt.
Met wasknijpers vastgezet, geeft men het tijd om te drogen.

In de tussentijd nemen we een onaangebroken pakje lichtgroen crêpepapier. We knippen er langs de korte kant wat reepjes van af, van een paar mm breedte. “Uitgeslagen” een verrassend werkje voor een kleuter,  wordt het een sliert van een paar meter (de lengte van de rol crêpepapier) en een paar van die slierten in elkaar gekreukeld geeft een zachte vulling voor het nestje (ook bij het spelen met blokken, of met huisjes-boompjes­-beestjes is dit als “gras” heel inspirerend.) Maar voordat we er het nestje mee vullen, omplakken we dit met een stukje donkergroen crêpepapier, d.w.z. we plakken het gewoon in, met alleen op de bodem van binnen wat lijm.
Tenslotte plakken we het met Collal op de aangegeven plaats.

Als nu het “tuintje“ met gras,  en daartussen gekleurde propjes als bloemen, is volgegroeid – ik vergat nog te zeggen dat die crêpe­papieren stukjes altijd gescheurd moeten worden en niet geknipt – moeten we zien dat we ons boompje ook spoedig in bloei krijgen!

Daartoe plakken we de pijpenwissers rondom vol met stukjes van ca. 2 cm in ’t vierkant, waarvan we het  onderstukje helemaal rondom het stengeltje plakken, de losse rest is het bloesempje.

Nu ziet het tuintje er al echt lenteachtig uit.

Als we zo ver zijn, kunnen we met de “bevolking” beginnen. Kuikentjes, lammetjes, paashaasjes zouden we van pompoentjes kunnen maken. Maar met crêpepapier komen we ook een heel eind. Als we tenminste van het idee afkomen dat, wat we maken ‘net echt’ moet zijn.

We bewijzen onze kleuter de grootste dienst als bv. het geknutselde “haasje” slechts bij benadering op een haasje lijkt, want de fantasiekracht, die hij nu gaat opbrengen om het vormloze ding als een “echt haasje” te beleven, is belangrijk voor zijn hele verdere leven.

Als U als moeder van een langwerpig propje wit crêpepapier een stukje stevig afbindt, en aan dat afgebonden propje een stukje geel plakt aan de voorkant dat U tot een puntje draait, zult U zeker niet het trotse gevoel hebben dat U een eend gecreëerd hebt, maar Uw kleine kleuter zal er dagenlang mee rondsjouwen en het aan iedereen laten zien! “mijn eendje!”

Beginnen we dus met moed aan een haasje bijvoorbeeld!
De grondvorm voor zowel popjes als dieren is een langwerpig stuk crêpepapier (bijv. 25-16 cm) voor een figuurtje van ca.7 cm hoog.
De maat moet men natuurlijk aanpassen aan de proporties van het tuintje.
Men maakt van toiletpapier of watten een propje of bolletje van ca. 1  1/2 cm,  in het geval van het haasje een beetje eivormig. (tek. C)
Dit wordt in  ‘t midden van het papier afgebonden: het kopje. De twee punten opzij bovenaan, in elkaar gedraaid, geven de voorpootjes, een dik propje
tussen de rest van het papier (de voorkant van het papier wordt naar achteren,  en de achterkant naar voren vastgeplakt) wordt het buikje. En dan hoeft men alleen nog maar het geheel op een stukje karton te plakken (met Collal) opdat het niet omvalt, achteraan een propje voor staartje, 2 puntige snippers als oren (in de breedterichting van het papier geknipt, anders blijven ze niet recht staan), oogjes met de ballpoint, en, klaar is….. haas.
Als het een lammetje moet worden, bindt men, behalve om het halsje, ook een draadje om het achterlijfje, nadat men een propje als buikje heeft toegevoegd. De rest wordt verdeeld in twee achterpootjes, waarvan wel de loshangende snippers moeten worden vastgeplakt.

Het beste plakt men de vier pootjes ook weer op een kartonnetje. Met het draadje van het achterlijfje bindt men er nog een staartje aan, twee snippers als oortjes, een roze snipper als snoetje en uw kleuter zal dolgelukkig zijn met zijn ‘lammetje,’. Natuurlijk is het niet voor de eeuwigheid gemaakt, maar wie wenst dat!

Nu U het principe weet, kunt U misschien nog allerlei dieren zelf verzinnen.

Wat denkt U bijv. van een vogeltje dat op het nestje zit en met zijn vleugeltjes  (ze zijn van tekenpapier geknipt en versierd met kleurpotloden) de paaseitjes bedekt die U, als iedereen gezwoegd heeft en alles klaar is, als verrassing in het nestje verstopt hebt? Of eendjes voor het vijvertje?  Er zijn nog zoveel mogelijkheden en, hoe primitiever, hoe beter!

Als we een popje willen maken (men hoeft natuurlijk niet alles in een tuintje te verwerken: men kan een keuze maken) laten we zeggen een kaboutertje, is het begin zoals bij het haasje. Nadat we de armpjes hebben gemaakt, wordt om het middel een katoenen draad gebonden en van de rest daar­onder twee beentjes ‘gedraaid‘. Kleding: een langwerpig stukje crêpepapier, schouder­breedte, lengte is 2x van hals tot boven de knie, precies in het midden knipt men een kruisje en dat trekt men over het kopje, waarna men een gekleurde katoenen draad om het middel bindt als ceintuur: een prachtig hesje! (tek. D)

De muts is weer rechthoekig, de breedte: ruim de hoofdomtrek. Als het om het hoofdje vastgeplakt zit, moet de rest een behoorlijk eindje daarbovenuit steken, zodat men het tot een punt in elkaar kan draaien.
Schoentjes: 2 vierkante stukjes, die om de onderste punt van de beentjes worden vast­gebonden.
De afgebonden stukjes, omgevouwen, zijn de voetjes, die weer stevig op een kartonnetje gelijmd worden, iets van elkaar af.

Bij zo’n kabouter hoort natuurlijk ook een kabouterhuisje. Voor een huisje van 5 cm hoog (zonder het dak) neemt men een stukje van 16 cm lang en 9 cm hoog. Stevig tekenpapier is daarvoor geschikt, men kan het door de kinderen mooi laten kleuren met waskrijt.
De inknippingen onderaan zijn om het huisje op een kar­tonnetje te plakken (daarna lipjes camoufleren met propjes groen gras). Bovenaan,  ook naar buiten gevouwen dienen ze om het dak erop te bevestigen.
(tek. E stippellijn vouwen; ononderbroken lijn knippen)

Als alles gevouwen en geknipt is, plakken we de beide zijkanten 1 cm over elkaar heen, zodat het huisje rond wordt.
Terwijl het, weer met wasknijpers vastgezet, droogt, maken we het dak, een schijf van 12 cm middellijn, waarvan we één straal inknippen en dan over de oppervlakte van een kwart cirkel over elkaar heen plakken (x komt op x)

Nadat het huisje op een stukje karton geplakt is, doen we lijm op de bovenste inknipsels (na het horizontaal vouwen op de bovenkant) en zetten het dak erop. Ook dat klemmen we weer met was­knijpers vast. Boven de deur knippen we een stukje uit het dak (a) zodat die beter open en dichtgaat. Een splitpennetje is een mooie deurknop. (tek. F)

Andere dakvorm:
4x  inknippen, gelijke tekens op elkaar plakken.
Voor zo’n klein huisje kan men natuurlijk ook kaboutertjes maken van boetseerklei of ge­kleurde bijenwas. (tek .G)

Als men daarentegen het huisje wat groter wil maken, kan men het beste fotokarton gebruiken, dat in verschillende mooie kleuren verkrijg­baar is. Dat is heel stevig.

En nu tot slot nog iets over het ‘hoe’..
Kleine kinderen hebben een ongelofelijke nabootsingsdrang en tegelijkertijd willen ze daarbij vrijgelaten worden, hoe paradox dat ook moge klinken.

Dit wetende, gaat U, als het uurtje voor de kinderen is aangebroken, zonder iets uit te leggen, heel rustig alles klaar leggen wat U nodig hebt, zodat U niet meer hoeft weg te lopen als U eenmaal aan de gang bent. U neuriet er zelfs een beetje bij, want U hebt ook wel pret in dit avontuur!

U bent nauwelijks begonnen,  of de kinderen staan al om U heen en ze zijn zo brandend nieuwsgierig dat ze onder Uw armen doorkruipen om maar niets te missen. Ze gissen naar wat het worden moet en U kunt zelf wel aan hen aflezen op welk moment U dat gaat vertellen. Zeker zal het niet lang duren of ze willen “meehelpen” of “ook zoiets maken” en ge­lukkig zijn er in dit knutselwerkje een
aan­tal dingen die zelfs de hele kleintjes kun­nen doen.

Natuurlijk is van het ogenblik af dat ze zelf aan de gang gaan, Uw belangrijkste taak om het wat te laten worden zonder al te veel in te grijpen, vooral niet als de kinderen zelf er niet om vragen. Bij de kleintjes zal waarschijnlijk iets totaal anders ontstaan dan een lentetuintje, misschien zelfs iets volkomen onherkenbaars. En waarom ook niet, ze blaken van trots over hun prestatie! Het voornaamste is, dat ze in een ontspannen sfeer iets mogen doen dat hen diep bevredigt. Dat is als het ware proviand voor hun tocht door het leven.

U zelf kunt nog ongelofelijk veel bijdragen tot die sfeer als U het zingen erbij
inscha­kelt, neen, niet uit volle borst,  maar “zacht-gezellig”.

Als U  h e u s niet zingen kunt, is neuriën net zo “stemmingmakend”, vooral als het “zo maar wat” is. Dit kan iedereen. (proberen bij de afwas, ‘t is een kwestie van wennen.)

Als U wel kunt zingen, probeert U dan eens het volgende liedje, ’t is heel toepasselijk bij het werkje dat we aan ‘t doen zijn.

Blauw viooltje

En ’t wordt nog aardiger als we een beetje met de woorden gaan spelen en bv. “blauw viooltje” vervangen door: roze tulpje,  of hyacintje, groen groen grasje, bloesemboompje, of kleine paashaas, wollig lammetje, donzig kuikentje, sneeuwwit eendje, enz.  enz.  Mogelijkheden te over. Kinderen zijn heel vindingrijk. En als we nu voor “Pasen” “Lente” zingen, kan dit liedje ons door het hele voorjaarsseizoen begeleiden.

pasen 7

Jonas 17, 13 april 1984:
.

Paasfiguren van papier-maché

Voor het maken van paasfiguren van papier-maché hebben we nodig:
een stapeltje oude kranten,
een emmer of wasketel,
heet water,
behangerslijm of Glutofix (blijft langer goed),
lege kartonnen houders van wc-rollen,
een paar pijpenragers.

Begin met de kranten te versnipperen. Giet er daarna het hete water over. Laat de massa een paar uur weken en stamp er zo af en toe in met een gootsteenontstopper of aardap­pelstamper. Het papier zal langzaam uiteen­vallen. Het proces is te versnellen door het geheel te koken. Daarna met de handen het overtollige water zo veel mogelijk uit de grijze pulp knijpen. Maak nu de Glutofix aan tot een stevige brij en kneed dit door de grij­ze massa. Doe er zoveel Glutofix bij tot het papiermaché goed kneedbaar en vormbaar is geworden. Kneed eventueel een paar drup­pels chloor erdoor tegen bederf en bewaar het geheel in plastic.
Snij of knip het kartonnen rolletje af op maat van een eierdopje en boetseer er het haasje omheen. Druk het papiermaché glad aan anders valt tijdens het drogen het werk­stuk uit elkaar. In de oren eventueel een stukje pijperager als versteviging. Na het dro­gen met plakkaatverf of waterverf beschilde­ren. Als conserverende laag lak gebruiken.

Bron: ‘Jonas’  datum onbekend:
.

Bloempotten beschilderen

met plakkaatverf:
*effen ondergrond
*schildering maken
*goed laten drogen
*lakken
*aarde erin, sterrenkers zaaien
*(later: berkentak, met uitgeblazen beschilderde eieren.

Eierenkrans

Uitgeblazen eieren doorsteken met soepel ijzerdraad

pasen 8

Nestjes

Vlechten van dikke wol, vlas, sisal.
Ook van walnoten, met vogeltjes erin
vogeltje: 2 kralen op elkaar, vleugels van crêpepapier, snaveltje van bijenwas.

Haaseierdopje

Deze haas 2x uitknippen van dun karton; kop en staart aan elkaar plakken, zo ontstaat een eierdopje voor de paastafel.

pasen 9

Paaseierdop

Laat ieder kind een strookje karton versieren, lijm of niet de einden aan elkaar,
’s ochtends vindt ieder kind een mooi gekleurd ei in zijn eigen dop.

Paasmobile

Van een uitgeblazen of gekookt ei maak je in een wip een kuiken door er een snavel, oogjes, vleugels en een paar pootjes aan te plakken. Vijf kuikens van uitgeblazen eieren maken samen een leuke paasmobile. Je kunt de eieren wit laten, maar knalgele kuikens vallen nog meer op: een dag van te voren schilderen en de volgende dag de kuikens met veertjes of papier versieren.

Ei op stok

Zaai een week voor Pasen met de kinderen voor ieder in een schaaltje of bloempotje wat graszaad of sterrenkers. Geef de potjes een warm, licht plaatsje, niet in de felle zon en laat ieder zijn eigen zaaisel water geven.
Al gauw kunnen we zien hoe het zaad ontkiemt en gaat groeien. Als verrassing komt op paasmorgen in elk potje een ei op een stokje te staan.
Daarvoor zijn nodig:
=eieren uitgeblazen en beschilderd
=ronde stokjes, bijv. uit de winkel voor tuinartikelen
=lint, 1 cm breed

De stokjes (plm. 25 cm) kunnen blank blijven of in allerlei kleuren geschilderd worden. Maak de gaatjes in het ei zo groot dat het ei op het stokje geschoven kan worden. Strik het lint onder het ei en zet het met tubelijm vast.
Om de punt van het stokje dat uit het ei steekt, komt ook een strikje.
Steek nu het stokje in het potje met sterrenkers en zet het op paasmorgen naast ieders bord.

(bron onbekend)
.

Paasboom

Geraamte maken van latjes. Met takjes buxus (of liguster) en lint kan het hout bekleed worden. De boom staat in een pot aarde, waarin sterrenkers of bieslook is gezaaid.
Bo­venop kan de broodhaan staan. De boom wordt gesierd met beschilderde eieren.
Zet een stuk oases stevig vast in een bakje. Plaats in de oases een plantenstokje. Aan het stokje komt aan linten een eierkrans te hangen. Krans maken van pitriet of geplasti­ficeerd elektriciteitsdraad. Tussen de be­schilderde eieren een kraal rijgen. Oases vol prikken met voorjaarsbloemen.

In een plat mandje, bijvoorbeeld een kaas­mandje, met 3 houten stokjes een driehoek vormen. Boven op deze stokjes komt de fa­milie broodhaan te staan. In het mandje kunnen rondom een voorjaarsboeket, de eie­ren liggen.

‘Het kind op weg’ in ‘Jonas’5 april 1974:
.

Lentefee

Op onze paastafel komt ook een lentefee te staan, die uit haar toverstokje alle bloemetjes wakker maakt.
We hebben nodig: papier (bijv. rose, paars, lila, geel, lichtgroen), een closetrol, een uitgeblazen ei, pijpenrager of chenilledraad, gele wol, restjes papier en lijm.
Het ei op de closetrol lijmen (bv. met bisonkit). Met allerlei kleuren crêpepa­pier het popje aankleden. De lentefee krijgt een mantel van een stukje crêpe­papier dat aan de bovenkant omgeslagen en ingerimpeld wordt. Een gaatje prikken in de closetrol om de armen van chenilledraad of de pijpenrager door te halen (evt. met papier omplakken). Van wol maken we de haren en met kleur­potlood of viltstift tekenen we op het ei een gezichtje. Nu nog een punthoed, beplakt met bloemetjes of een bloemenkransje in haar haar, een toverstokje in de hand en een mooiere lentefee kun je je niet wensen! 

‘Jonas’ 13 april 19??
.

Eierschaal met bloemetjes

3/4 eierschaal met voorjaarsbloempjes

Haasje van aardappel

Kleine haasjes van aardappels op elkaar prikken met een lucifer; oren van bruin papier, snorharen van raffia of stro.

Paasweitje

Een paasweitje: diep bord met aarde of mos vol met voorjaarsbloemen.

Bron: ‘Jonas’  datum onbekend:
.

Paashaantje

Als de broodhaantjes zijn opgegeten!
Haantje tekenen,
2 x knippen uit karton,
op elkaar plakken,
behalve waar hij op de stok gaat.
De kinderen kunnen ze mooi kleuren met waskrijt.

Voor het raam

Hang eieren aan een draad voor het raam,
zet bakjes zaad (gierst, koren, sterrenkers) op de vensterbank
zet er kuikentjes bij
katjestakken ertussen.
.

Bron onbekend:
.

Beweegbare paaskaart

Op een stuk karton maak je een tekening waar je een venster in knipt. (aangegeven met een dikkere lijn)
knip uit een stuk karton een cirkel en teken daar een zon plus paashaas op;
de cirkel komt achter de tekening en wordt vast gemaakt met een splitpen
inkleuren met waskrijt, verf of potlood.

pasen 14

Bron onbekend:

.

‘Kiek-kiek’

Een ei uit een karton knippen en doorknippen.
Punten vastzetten met splitpen.
Kuikentje knippen en vastplakken aan onderkant.

pasen 15

Kuikentje van karton knippen met lipje
Kuikentje kan weg duiken in zijn eigen ei en weer tevoorschijn komen.
De randen vastplakken, de onderkant natuurlijk niet helemaal.

pasen 16

Godelieve van Gemen, Jonas 16, 6 april 1979
.

Wortel- en bloemenkindjes

Tussen de wortels van de bomen,
liggen kind’ren stil te dromen.
Moeder Aarde houdt de wacht,
in de donk’re winternacht.

Uit: De gouden poort – Beatrijs Gradenwitz. tekst: J. Jurriaanse.
Nr.41 (uitgave 1973-1975)

Voor velen is de lente een heerlijk verrassend jaargetijde. Vooral voor kinderen, voor wie alles wat ze mee­maken nog niet zo vanzelfsprekend is. Bruine, doodlijkende takken krijgen bladeren en bloesems en uit de bruini­ge aarde komen de prachtigste bloe­men en kleuren.

In veel kleuterklassen van de vrijeschool verschijnen in deze tijd Moeder Aarde en haar wortelkindertjes. Naar­mate er in de natuur meer bloemen gaan bloeien, komen er meer bloemenkindertjes bij. Ze worden leuk neerge­zet op een tafel tussen boomstronken, takken en stenen.
Als het Pasen is, staan er heel wat kleurige bloemen te bloeien. Het hangt erg af van het ka­rakter van de samensteller van de lente-paastafel hoe het zal worden. Bij de één lijkt moeder Aarde op een len­tefee, bij de ander is ze heel bruin in aardekleuren met een bloemenschortje om.

Mijn patroon voor wortel- en bloemenkindertjes is:

Een rondje van 15 lossen haken. Dan verder gaan met vasten en in de vol­gende vijf toeren er 10 steken bij ma­ken, (katoen, en haaknaald nr. 3, ste­vig haken). Met deze 25 steken nog 5 à 8 toeren haken. Het rokje is nu klaar. Nu het mutsje: Eén rondje lossen van 3 steken, dan met vasten verder haken en in de volgende 3 toeren ongeveer 15  steken erbij maken. Aan deze 18 steken nog 4 à 5 toeren haken. Wat het nu voor bloem gaat worden, hangt werkelijk af van wat de maker wil. Moet het echt op een krokus of een narcis of op een klein hoefblad lijken, dan kun je met behulp van vilt en met gehaakte schulprandjes prach­tige bloemenkindertjes maken. Moeder Aarde haak ik ook met haaknaald nr. 3, maar dan met een dubbele draad bruine wol; begin met 16  steken en meerder in de eerste 4 toeren 20 steken, zo haak ik verder tot ik 16 toeren heb. De onderste rand van de rok haak ik dan met heel dik, stevig garen zodat ze goed blijft staan. Voor de armen haak ik een rondje van 10 lossen, daarop 12 toeren tot ik een kokertje heb. De handen zijn witte, met wol gevulde knuistjes. De hoofd­jes van moeder Aarde en de bloemen­kindertjes maken we op dezelfde ma­nier als de poppen, zoals die in het boekje ‘Speelgoed‘ van Freya Jaffke beschreven staan  (of gewoon een stukje katoen met een dot wol vullen, mooi rond vormen, en dat als hoofdje gebruiken).

Zo tegen Pasen, vertel ik de kinderen een verhaal dat met Pasen te maken heeft. In elk geval moeten we over ‘de haas’ vertellen. Dat heel bijzondere, zachte wollige dier, dat niet in gevan­genschap kan leven. Friedel Lenz schrijft er zo over: ‘Hij leeft vreed­zaam en is niemand tot last. Alleen in doodsnood schreeuwt hij en dan nog niet zo luid. Een vaste woonplaats heeft hij niet. Elke dag maakt hij zijn leger ergens anders, het hele veld is zijn thuis. De haas heeft goede ogen en lange oren. Zijn ogen zijn niet scherp, maar hij voorvoelt gevaar. De haas schijnt met open ogen te kunnen slapen. Hij heeft veel vijanden: roof­vogels jagers, honden. Als de haas zijn hazenbroeder achtervolgd ziet, springt hij te voorschijn om de aandacht van zijn broeder in nood af te leiden, zo­dat deze laatste kan vluchten*. Maar door zijn makker te redden, loopt hij zelf grote kans om te sterven. Het is begrijpelijk dat de haas door deze eigenschappen in de loop der tijden tot paassymbool geworden is. Voor kleine kinderen kunnen we misschien zelf wel een mooi verhaal be­denken en deze eigenschappen van de haas erin verwerken. Voor kinderen vanaf zes jaar staat er een mooi ver­haal in Zonnegeheimen deel II van D. Udo de Haes: ‘De Paashaas’. Tot slot nog een oud Duits roepversje:
*Ik heb daar nog geen bewijs voor gevonden.

‘Paashaas, Paashaas, loop niet aan ons huis voorbij maar breng ons een mooi bont ei!’

Boeken voor deze tijd:

* Sibylle von Olfers  Het verhaal van de wortelkinderen
*  Friedel Lenz. Hoe vieren we jaarfeesten met kinderen?
* D. Udo de Haes.  Zonnegeheimen, Lente, deel II
* Beatrijs Gradenwitz-van Bemmelen  De Gouden Poort.
* Hermien IJzerman Florinoor’s  poppenspel  (Pasen).
* Hermien IJzerman Florinoor’s Lenteboek.
* Hermien IJzerman  Legenden van de kerstnacht en de paasmorgen. 

Op volksverhalen staat een ander verhaal over de paashaas

.

Bron onbekend:
.

Bloemenkinderen

De afgelopen doe-avond hebben we bloembollenkindjes gemaakt met behulp van houten kegeltjes en vilt.

pasen 28

Echte beschrijvingen hoeven we niet te geven, omdat het een ieder zal lukken een bollenkindje te maken door te kijken naar de bloemen die uit de bollen tevoorschijn komen in deze tijd van het prille begin van de lente.

Hyacint:
houten kegeltje aankleden met roze of lila vilt, onder het mutsje wat schapenwol als haar vastplakken.

pasen 29

Narcis:
stralend geel vilt gebruiken; voor het hoedje twee tinten geel.
Maak gebruik van de vaak al aanwezige gekartelde rand van het lapje vilt.

pasen 30

pasen 31

 

 

 

 

 

 

 

Krokus:
paars, geel of wit vilt; maak blaadjes voor het lijfje iets langer dan het kegeltje, zodat het hout niet meer zichbaar is.

pasen 32Sneeuwklokje:
wit en groen vilt, wit zijn de blaadjes van het mutsje en de spikkeltjes op het groene lijfje.

Zo maakten we nog tulpenkindjes en ook de frêle Franse narcis werd uitgebeeld.
Aldoende merkten we dat het een heel leuk werkje is en elk bollenkindje wordt weer anders, je krijgt telkens nieuwe ideeën.

pasen 33

Al gauw staan ze naast elkaar te pronken en maken ze het plekje voor Koning Winter op de seizoenentafel zichtbaar kleiner en kleiner: het teken voor Moeder Aarde de poort te ontsluiten en de Wortelkindertjes al wat groeit en bloeit naar boven te laten brengen, vanuit de warmer wordende aarde.

pasen 34

Bloemenkindertjes maken is een en al uitbundigheid. Niet gehinderd door beperkingen wat betreft verschijningsvorm, kan iedereen de fantasie de vrije loop laten.

pasen 35

Je kunt uitgaan van de basisvorm van het houten kegeltje of zelf een lijfje maken van vilt. Met een dichte onderkant en opvullen met rijst of droog zand, zodat ze goed kunnen staan. Gebruik voor de steeltjes van de bloemen pijpenragers omwikkeld met stof of met een hoesje van vilt.

.

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Pasen – jaartafels

 

122-117

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (15)

.

Hulpjes bij het schilderen

Een breinaald met onder een kurk. Daarop het ei.
Een satéprikker kan natuurlijk ook en de kurk kan ook door iets anders vervangen waarop/in de breinaald/prikker blijft staan.

Katja Lobbe, ‘Jonas”, 12 maart 1976
.

Eieren beschilderen

Eieren verven voor Pasen is een oude tradi­tie. Vroeger gebruikte men natuurlijke kleurbronnen van fruit, groente of bloesem (uien, peen, rode bieten, brandnetels, malva enzovoort). Later kwamen poeders in de handel, ongiftige kleurstoffen. De eieren worden erin gekookt en staan te pronken op de paastafel. Soms worden ze liefdevol be­schilderd of beplakt. Iedereen vindt het jammer, al dat moois kapot te moeten ma­ken, om de inhoud op te kunnen eten.

Dit is zeker een van de redenen, waarom men eieren leegblaast en zich op de hulzen creatief gaat uitleven. Ieder jaar opnieuw zijn vele moeders van plan, om vroegtijdig met dat leegblazen te beginnen, zodat ze omstreeks Pasen tientallen keurig nette hol­le-bolle eitjes hebben liggen om met zijn al­len gezellig te gaan beschilderen. Maar hoe gaat dat? Even gauw spiegeleieren of pannenkoeken bakken. Geen tijd voor die blaastoestanden, want dat duurt even. Vol­gende keer dan maar… En drie dagen voor Pasen wordt wat verf uit de drogisterij ge­haald en het is het oude liedje!

Ga dus meteen beginnen!

Als je net een cake wilt bakken, neem de moeite, blaas de eieren leeg. Voor degenen, die misschien een beetje onwennig tegenover deze ademoefening staan, een kleine uitleg:

Prik aan de top en precies er tegenover een gaatje in het ei (stopnaald, satéstokje). Houdt het ei licht maar stevig in de holte van je hand. Het gaat niet stuk en het loopt ook niet vanzelf leeg! De gaten voorzichtig wat groter maken, en dan maar blazen. Bij kleine eitjes duurt het meestal wat langer dan bij grotere. Maar de inhoud komt beslist d’r uit!

Blijvende paasversiering

De hulzen schoonspoelen met koud water, en daarna een poos deponeren in warm zout water. Voor het drogen de eieren (ook later bij het schilderen) op bijvoorbeeld schroefdoppen van limonadeflessen zetten. Ze moe­ten werkelijk kurkdroog zijn, alvorens je be­gint met het artistieke werkje! Ik gebruik de verfdoos uit mijn schooltijd en werk nauwkeurig met penseeltjes — voor ie­dere kleur een ander. Zo droog mogelijk werken.

Voor het schrijven van dit stukje nam ik een proef met viltstiften. Gaat prima. Kinderen doen dat liever. Het resultaat is minder sub­tiel.

Voor de verdere — conserverende — bewer­king is het enorm belangrijk, dat de schilde­rijtjes enkele dagen rusten alvorens de be­schermende laag erop te brengen. Je kunt met vernis werken, met kleurloze nagellak of — dat vind ik het gemakkelijkst — met vetvrije haarlak. Ook daarmee lukt het pas na acht à tien dagen zonder uitlopen. Het drogen van de verf is mede afhankelijk van de tijd, die het ei leeg is geweest.

Knoop een houten kraal vast aan een lint of draad, trek deze door het ei, en hang het he­le clubje op een veilige plaats (tochtig!) aan wasknijpers op. Besproeien met haarlak op een afstand van 15 centimeter, anders be­schadigt de straal de verf! Ik hang ze op aan kale takken, maak er een boompje van en heb nog een krans van ‘henneneitjes’ liggen, die vijftien jaar geleden zijn beschilderd (toen zaten wij nog in Ham­burg!) en alle verhuizingen hebben doorstaan Ze worden ieder jaar verpakt in een karton­nen doos in watten. Het is een schat — wer­kelijk iets kostbaars! De kinderen, die ze be­schilderd hebben, zijn nu al grote mensen. Het is daarom leuk, als ieder kind zijn naam heel klein erop zet en het jaartal.

Ik heb enkele suggesties getekend (hier niet afgebeeld)— beestjes, bloemen, ornamenten. Ieder kind kan het terrein kiezen, waarop het meent het beste resultaat te bereiken. In deze keuze spiegelt zich al vroeg het karakter van onze oogap­pels! Het is een boeiend schouwspel, als er een groep met elkaar zit te werken. Als moeders meteen afspreken, vanaf vandaag al­le eitjes leeg te blazen (mits er geen sneeuw geklopt moet worden!), kunnen de kinderen spoedig aan de slag gaan. Wie ook een krans (voor onder de lamp of aan het plafond) wil maken, adviseer ik: Rijg steeds niet meer dan vijf eitjes aan een touw, en knoop deze dan aan elkaar. Op deze manier ontstaat een mooie boogkrans.

Bron: ‘Jonas’ 5 april 1974

Eiertak(ken)

Blaas een ei uit door er aan twee kanten een gaatje in te prikken, dan voorzichtig blazen boven een kopje.
Hang het ei op door in het gaatje een halve lucifer aan een draadje te laten zakken. Hang de uitgeblazen eieren op aan een uitlopende tak of aan een hoepel die omwikkeld wordt met groen crêpepapier.

P.Rijs-Bruyn, schoolblad Haagse vrijeschool, jaar onbekend:
.

Paaseieren versieren

U zult het wel allemaal met mij eens kunnen zijn, wanneer ik zeg: Pasen en eieren horen bij elkaar.
Ik wilde wel, dat u het ook met mij eens bent, dat bij Pasen geverfde eieren – en niet gewone witte – horen, waardoor u zoveel de nadruk legt op het eten van de eieren, wat toch niet de hoofdzaak van het paasfeest is….

Denkt u ook niet, dat speciaal onze kinderen het veel meer een “paasfeest” zullen kunnen vinden als de eieren mooi ge­kleurd en beschilderd zijn?

Er zijn nog grote gebieden in Midden-Europa, waar een paasei alleen maar een beschilderd ei kan zijn; waar in elk gezin op Witte Donderdag een schaal met eieren op tafel komt, en waar iedereen, die maar enigszins een penseel kan hanteren, de paaseieren beschildert.

In Rusland werd op paasmorgen je ei door de Pope gezegend en het werd dan zuinig bewaard, want, nietwaar, een paasei is géén gewoon ei; in Czecho-Slowakia versiert men elk drie ei­eren en biedt deze als paasgeschenk aan.

Ongetwijfeld denkt u, dat het heel moeilijk is, om eieren kun­stig te beschilderen – en het kan inderdaad tot kunstwerk worden -. Maar we moeten eens eenvoudig beginnen, en als we dan de techniek beter beheersen en de verschillende mate­rialen ons geen poets meer kunnen bakken, dan kunnen we kunstiger patronen of voorstellingen gaan tekenen.

De meest gebruikte manier, die ook voor niet-ervaren moeders (én vaders! én kinderen!) tot leuke resultaten leidt, is de z.g. batiktechniek.
U tekent daarvoor met een dun houtje of lucifer, die U in au-bain-Marie verwarmde bijenwas doopt, of met een penseel en vloeibare Arabische gom, patroon­tjes of motieven op de eieren. Begint u vooral zo simpel mo­gelijk; er zijn in de natuur en in de volkskunst motieven te over te vinden, als u zelf geen ontwerpersgaven heb. (Ik noem bv. een zonnetje, bloem, plant of blad, een haasje, lammetje of engel, het zonnerad of de levensboom, ja zelfs nóg eenvoudiger: kruisjes, lijntjes en stippeltjes!) U moet met de was vooral snel werken, en steeds opnieuw in­dopen, want de was stolt bijna onder uw handen; het is in het begin niet makkelijk om een egale,  ononderbroken lijn te maken, en toch moet de lijn niet dun of beverig zijn, anders kruipt later de kleurstof eronder. Na het tekenen van de motieven gaan de eieren nl. in een verfbadje.
Zult u niet te veel motieven op een ei zetten? Het moet rustig en fijntjes worden en niet te bont, zoals tegenwoordig vaak alle versieringen zijn!

Het is werkelijk al heel leuk, als u het ei door lengte- of breedtelijnen in een paar grote vlakken verdeelt, die U dan vult met bv. een paar stipjes, of een schuin kruisje, of een sterretje. Let U er ook op, vóórdat u begint, dat handen en eieren goed droog en schoon zijn, anders ‘pakt‘ de verf soms niet!

Als u nu een aantal eieren met de was beschilderd hebt, gaan ze in een verfbad. U kunt hiervoor speciale eierverf kopen, in kleine envelopjes met nogal sprekende vormen. Wat ook heel leuk is: de kleurbadjes maken volgens de oeroude methode van planten- en vruchtensappen, waarvan bv. het kooknat van spi­nazie, rode kool of biet, en het sap van vlierbessen of rode bessen goed bruikbaar zijn. Dat koffie bruin verft, weet u na­tuurlijk al; verder geeft lindebloesemaftreksel rosig-,  en sterke kamillethee zacht-geel.

Ik moet u wel waarschuwen, dat de plantensappen veel zachtere kleuren geven dan de (chemische) eierverf, die u in de winkel koopt, en velen onder u zullen dat maar “flauwe” kleuren vinden. U moet zelf beslissen wat u wilt doen. Vindt U, dat een paasei een sterke kleur mag hebben, dan kan ik beter de eierverf aanraden, anders bevredigt het resultaat U toch niet. Neemt U de verf niet warm, anders smelt de was er weer af en is al Uw werk voor niets geweest! Daardoor moeten de eieren wel lang in de verf blijven liggen, wel meerdere uren!

Voor degenen, die nog huiverig staan tegenover de gesmolten  wastekeningen is er de omgekeerde manier, nl. eerst de eieren in het verfbad en als ze droog zijn, er met andere, afstekende kleuren de motieven op aanbrengen. Dat gaat heel aardig met plakkaatverf, en er is ook een synthetische verf op basis van aceton in de handel, die het voordeel heeft, dat ze direct droogt. Past u bij het drogen van de eieren na het verven wel op, dat de “onderkant” niet “smet”, anders krijgt u daar een witte plek. Een goed hulpmiddel daarvoor is een touwtje of draadje katoen er kruiselings omheen te binden en het ei op te hangen.

Als u de wasfiguren er na het verfbad afkrabt, steken de lij­nen of motieven goed af tegen de geverfde ondergrond. Als u in tweekleurentechniek werkt, kunt u de gom ook laten zitten. Vindt u het zo al heel wat, dan bent u klaar; de moedigen on­der ons gaan nu nog de witte lijnen en motieven in een andere, afstekende kleur (of misschien zelfs wel meerdere kleuren?) verven. Als de gewaste plekken niet heel goed gereinigd zijn, zullen ze niet makkelijk andere verf aannemen,  daarom ried ik u die synthetische verf aan, die tenminste “pakt”. Om te be­ginnen is het tweekleurenwerk heus heel fijntjes en mooi, en het is toch beter een geslaagd ei in twee kleuren, dan een mislukt met meerdere kleuren!!!

Als de eieren heel goed droog zijn, kunnen we ze wat met een wollen lap poetsen,  waardoor ze gaan glanzen; in vroeger tij­den gebruikte men daarvoor een stukje spekzwoerd en tegen­woordig wel vaseline.

U kunt nu begrijpen, dat de beroemde, Russische paaseieren heel wat werk vragen,  want de motieven worden daar wel in zes kleuren uitgevoerd, waarvoor nodig is, dat telkens was opge­bracht, de eieren in een verfbad gaan, en dan weer nieuwe mo­tieven geschilderd worden, soms hele taferelen of voorstellin­gen, die ons aan de iconen doen denken.

Maar als ons mandje met zelfversierde eieren dan op paasmorgen op tafel staat – en de kinderen, die ons gezwoeg en gezucht niet hebben meegemaakt, zien ze voor het eerst, zul­len ze het heus prachtig vinden! En voor onze kinderen willen we het paasfeest toch een blij en kleurig feest maken?

Wie weet, kunt u het dan achteraf toch wel met mij eens zijn, dat bij Pasen beschilderde eieren horen!?

bron onbekend

Eieren verven en versieren

eieren hard koken: als je ze een half uur kookt, kunnen ze nauwelijks meer  bederven

verven met natuurlijke kleurstoffen:

geel:                   uien (grof gesneden), even koken, saffraan
bruin:                thee, koffie, uienschillen, eikenschors
rood:                  uienschillen + azijn, bietjes (grof gesneden) meekrap
groen:                spinazie, klimopbladeren, wortels en blaadjes brandnetel
zwart/grijs:      elzenschors, elzenkatjes

Al dit materiaal koken in water en zeven. Hoeveelheid per liter heel verschillend, zelf uitproberen. Scheutje azijn verhoogt intensiteit van kleur. In warme vloeistof de eieren leggen; wil je zachte tinten: kort; wil je krachtige kleuren ca 1 uur. Eieren afdrogen en opwrijven met wollen lapje waarop druppeltje olie.

versieren:

geverfde eieren kun je versieren met goed geknede, gekleurde bijenwas of versierwas. Heel geschikt voor kleintjes.

technieken van versieren vóór het verven:

Jonge, groene blaadjes plukken (topje varen of fluitenkruid, bv.) even laten verwelken en met tipje olie voorzichtig op ei plakken. Stukje nylonkous er stevig omheen binden. Verven. Kous losknippen. Motief van blaadjes is dan uitgespaard. Beeldig effect. Grassen en fijne bloempjes doen het ook goed.

Doe bijenwas en stearine (gewone witte kaars) half om half in vuurvast kommetje en verwarm dit op waxinelichtje of spirituslichtje. Het mag niet gaan koken!
Prik spijkertje met kleine kop in oud potlood of houtje (handvat) en doop dit in vloeibare was. Tip snel op het ei, voor ieder motiefje even indopen. ’t Gaat ook met fijn penseeltje. Verven niet warm en onder 40′, anders smelt de was. Afdrogen en voorzichtig was wegwrijven met warm doekje, niet krabben.

bron onbekend:

Paaseieren kleuren met bloemblaadjes

Benodigdheden: eieren, uienschillen, jonge blaadjes en bloempjes, koffiedik, wit katoenen lapjes, garen.

Enkele dagen voor Pasen gaan de kinderen buiten allerlei kleine blaadjes en bloempjes zoeken: speenkruid, madelieven, hondsdraf, krokussen, blaadjes van fluitenkruid, van vroege heesters en wat er nog meer aan jong groeisel is te vinden.
Op een vierkant oud wit lapje wordt een laagje uienschillen ge­legd. Daarop komt een laagje bloem-en-blad, liefst van verschillen­de soorten. Het ongekookte ei wordt dan midden op dat bloemenlaagje gelegd en het lapje met schillen en groen wordt voorzichtig om het ei dichtgevouwen en met een stevige witte draad omwonden zodat alles goed op zijn plaats blijft zitten.

Die ingepakte eieren worden nu 15 à 20 minuten gekookt in water waarin flink wat koffiedik gedaan is.

Na het koken worden de eieren voorzichtig uitgepakt en tot ver­bazing van oud en jong zijn de eieren dan prachtig geverfd – men zou het beter “gebatikt” kunnen noemen – in geel (van de uien­schillen), bruin (van het koffiedik) en wit (waar de blaadjes hebben gezeten), zelfs met hier en daar een blauw, lila, of roze kleurtje van een bloempje dat af gaf.

Men moet eerst eens een proef-ei gemaakt hebben om te begrijpen dat het de kunst is zoveel mogelijk de eierschaal met fijn getekende blaadjes af te dekken – ook weer niet teveel, niet over elkaar heen, maar zo, dat een fijn varenachtig blaadje of een straalbloempje van de madelieven gaaf afgedrukt wordt.

Met een stukje spek of een vet lapje worden de gekookte eieren nog even opgewreven. Het worden natuurlijk erg hard gekookte eieren.

Paaseieren verven

Je kunt prachtige eieren krijgen door er allerlei planten- of bloemblaadjes omheen te leggen, dit geheel vervolgens in een lapje te wikkelen en 20 minuten koken in water of koffie.

Als planten kun je o.a. gebruiken: viooltjes, spinazie, krokussen, grasjes, uienschillen, enz.
Als je de nog warme eieren nawrijft met spekzwoerd, krijgen ze een prachtige glans.
Je kunt ook de eieren voor het verfbad met vloeibare bijen­was beschilderen. De eieren worden daarna koud geverfd en de met was beschilderde plekken nemen dan geen verf aan. Later wordt de was er voorzichtig afgekrabd. De restjes was worden er afgehaald door de eieren even in warme doeken te wikkelen.
Ook kunnen we op gekleurde eieren met een gewone stalen pen, die we in een oplossing zoutzuur (1/2 zoutzuur- -1/2 water) hebben gedoopt. Ook dit is een oude volkskunst.

bron onbekend

Verrassingseieren van chocola

Verse eieren leeg maken: geef een zacht tikje op de stompe kant, prik een behoorlijk groot gaatje en laat het ei (na zacht schudden) leeglopen. Uitspoelen en laten drogen.
Vullen met een mengsel van gesmolten chocola (au bain-marie) stukjes marsepein, koekkruimels, stukjes noot, oranjesnippers, evt. zuidvruchten, sucade.
Bij het vullen af en toe schudden, zodat het ei goed vol is. In de koelkast hard laten worden.

Maarten van Rakt in Brabants Dagblad 10 april 2004:

Feest van de chocola

Pasen is het feest van de banketbakkers, van de chocolade-eieren, hazen en wat dies meer zij.
Het Studiecentrum Snacks en Zoetwaren (SSZ) rekent voor dat we per hoofd van de bevolking, per jaar, in totaal zo’n vier kilo choco­lade wegwerken. Hoeveel paaseitjes daar exact tus­sen zitten, is niet bekend. Ze vallen met de chocola­deletters en kerstkransjes onder de ‘seizoensartikelen’. Daarvan peuzelen we per saldo vier ons op. Dat is toch mooi zeventig mil­joen euro. Oftewel één-achtste van de totale berg repen, candy-bars, chocolaatjes en bonbons.
Een willekeurige Leonidaszaak meldt in de twee weken voor Pasen normaal zeker een verdub­beling van de omzet te kunnen boeken. Het loopt overigens wat minder hard dan vorig jaar* – de recessie eist overal zijn tol.

Vanwaar chocola?

Vanwaar die chocolade-eitjes met Pasen? Dat is een een-tweetje tus­sen de paassymboliek en de chocolade-industrie. Chocola was lange tijd een luxe, iets voor de aristocra­tie en de rijke bourgeoisie. Het drinken van chocolade – de vaste vorm moest nog bedacht worden -gaf status. Het persen van chocolade tot een harde massa lukte rond 1828. Begin 19e eeuw is begonnen met de productie van chocoladepaaseieren. “Deze, aanvankelijk zeer harde en korrelige eieren, wer­den in eerste instantie vooral in Frankrijk en Duitsland vervaardigd”, schrijft Gert-Jan Maaskant op de site van SSZ. “Deftige mensen wilden eieren snoepen. Het was een echte luxe. Na 1900 konden er ook holle figuren van hazen en kippen gemaakt wor­den. De producten werden goedko­per en dus toegankelijk voor het gewone volk”, voegt Ineke Strouken van het Nederlands Centrum voor Volkscultuur eraan toe. “Mensen gaven elkaar eieren en deden er een chocolade-eitje bij. Frappant is dat het eten van chocolade in die tijd gestimuleerd werd door de arbeidsbeweging. Het voorzag in de behoef­te aan veel calorieën.”

Heidens

“Het ei en de paashaas hebben hun betekenis gekregen in een ver hei­dens verleden”, stelt Maaskant. “Het ei gold eeuwenlang als symbool van de vruchtbaarheid, weder­geboorte en zelfs als symbool van alle begin. De Germaanse gewoon­te om eieren te offeren aan hun lentegodin Eostre is hiermee ook te begrijpen. Het christendom heeft het ei een plaats kunnen geven. Het werd symbool voor de weder­opstanding.”

Maar daar gelooft Ineke Strouken geen sikkepit van. “Daar is geen enkel bewijs voor. Het ei is een heel oud christelijk symbool. Het wordt al in 325 genoemd in een liturgie. Het ei staat voor het graf waar Christus uit opstaat.” “Na maanden van schaarste, met als dieptepunt de vastenperiode, werd met de paasmaaltijd de komst van vers voedsel gevierd. Eieren gol­den als bijzonder voedzaam en dus geschikt om de verzwakte mens na de winter aan te laten sterken”, zegt Strouken. “Als ultiem vrucht­baarheidssymbool werden eieren bovendien geverfd of verpakt in mooie papiertjes cadeau gedaan om de medemens een goed sei­zoen te wensen.”
Zo ontstond ooit de traditie om elkaar eieren te geven.Van daar­uit verschenen de beschilderde (kippen- en eenden-) eieren. Eivormig speelgoed kwam in de handel.

Toppunt van luxe: Carl Fabergé bezette eieren met juwelen. Oma’s en opa’s die eitjes in de tuin verstoppen, een kleurrijk lichtsnoer, het zijn varianten op een stokoud thema.

Nicole Karrèr,  ‘Jonas”29 maart 1985

Bijzondere eieren uit Perzië

In het eerste begin was er Ahoera-Mazda, de Grote Geest uit wie alle licht voort­kwam. Het licht kwam uit de Grote Geest en uit dit licht kwamen Ormoezd en Ahra-Manyu. Twee broers, maar Ahra-Manyu (Ahriman) hield niet van Ormoezd en be­streed hem waar en wanneer hij maar kon en bedierf de goede werken van Ormoezd. Daar­om veroordeelde de Grote Geest Ahriman en werd hij voor drieduizend jaar naar de diep­ste duisternis verbannen. In de duisternis nam de haat van Ahriman jegens zijn broer alleen maar in hevigheid toe. Tenslotte bestond hij alleen nog maar uit leugen, boosheid en duisternis. Toen de drieduizend jaar verstreken waren, schiep Ahriman een groot aantal boze gees­ten en stuurde hen ten strijde tegen de goede geesten die Ormoezd dienden. Toen maakte Ormoezd, de Heilige Geest, een ei en vulde dat met goede geesten. Ahriman, de Verwoes­tende Geest, zag het en maakte eveneens een ei maar vulde het zijne met de boze geesten van leugen en boosheid. En het geschiedde dat de eieren braken en de inhoud zich ver­spreidde over de aarde. Naar alle uithoeken van de aarde gingen de boze en de goede geesten en zetten hun strijd voort.
Zo is goed en kwaad onder de mensen gekomen.
(Perzische legende)

Net als veel andere vóór-christelijke cultuurvolken vierden de oude Perzen, die ons deze legende hebben nagelaten, aan het begin van de lente een voorjaarsfeest. En net als overal was dat het feest van het nieuwe leven dat triomfeert over dood en duisternis.
Naast het ‘nieuwe vuur’, speelden eieren de hoofdrol bij deze feesten. De koude witte steen die het geheim van het leven in zich draagt, dat moet een goddelijk teken, een godsgeschenk zijn. Geen mens kan dat zelf nemen. Bij het opstandingsfeest schenkt men de ander middels het ei hoop op (levens)-kracht, vruchtbaarheid op aarde en in de geest, onkwetsbaarheid voor ziekte en betovering, kortom de zegen der Goden.
Vaak was het ei het eerste, geheiligde voedsel na de kortere of langere vastentijd die van oudsher aan dit feest vooraf ging. Zelden in ‘natuurlijke’ staat, maar gekleurd, gezegend, van spreuken voorzien of…als doosje.

Doosjes van eieren kennen we in onze tijd uit Rusland en andere Oost-Europese landen waar de paasviering nog steeds het religieuze feest bij uitstek is.
In het westen is dat Kerstmis. Hier geden­ken wij het begin van de lijdensweg om onzer wille, daar viert men de glorieuze overwinning van het licht op de duisternis en begroet men elkaar op paasmorgen met:
‘Hij is waarlijk opgestaan’.
Men schenkt el­kaar eieren, het wit gepleisterde graf waaruit het leven met Christus is opgestaan.
De oude Perzen vierden hun opstandingsfeest met dezelfde blijheid, maar zij waren een nuchter volk. Had niet ook Ahriman een ei gescha­pen? Dus schonken zij sommigen van hun vrienden doosjes in de vorm van eieren ge­vuld met plagerijtjes.

Het is eigenlijk helemaal niet moeilijk om van een ei een doosje te maken. Het vraagt van ons dat wat elk jong leven vraagt, behoed­zaamheid.

Een ganzenei is wel het grootste ei waar men vrij eenvoudig, bij poelier of goede markt­koopman, aan kan komen. Een ganzenei geeft ook een zeer spectaculair resultaat. (Met kippeneieren gaat het natuurlijk ook. Neem dan alleen wel echte scharreleieren. Ik heb met een legbatterij-ei meegemaakt dat hij bij het uitblazen gewoon plofte.)
Zo wie zo is dit een knutsel waarbij de tem­peramenten zich al snel verraden, eerst bij het uitblazen en later bij het doorzagen. Er zijn mensen die kunnen volstaan met twee kleine blaasgaatjes, zelf heb ik meer midden­maat gaatjes nodig, voor mensen als ik de volgende hint: een ganzenei kan heel wat hebben.

Blaas het ei uit en spoel het schoon.Teken een lijn op de schaal waar u hem wilt doorza­gen, zo recht mogelijk en plak een stuk plak­band langs deze lijn. Eventueel meerdere lagen over elkaar om de rand wat dikker te maken. Dit plakbandrandje geleid de ijzer­zaag over de gladde schaal. Neem een fijn ijzerzaagje en begin zachtjes langs het randje te zagen steeds rondom, niet drukken! Ei­genlijk is het meer doorslijpen dan zagen. Bij zagen ontstaan er onherroepelijk schilfers terwijl de snede helemaal gaaf kan zijn. Een zacht kussentje onder het ei maakt het ge­makkelijker. Wanneer de schaal is doorgesle­pen is het beter om het vliesje dat taaier is met een scherp mesje door te snijden. Nu hebben we eigenlijk al een doosje maar het is zo erg breekbaar. Verstevigen van de binnenkant gaat het beste met een laagje Darwiklei, een spierwitte kleisoort die goed aan het ei hecht en niet gebakken hoeft te worden. Hiermee maken we ook een voetje voor de schaal en een knopje voor de deksel. Laat het een dag drogen en beschilder het met hobbyverf.

bron onbekend

Wat doen we met de eieren?

Wat doen we met al die koude geverfde eieren ?

Eierragout                                  bv. met 4 à 5 eieren.
Uitje fruiten, mosterd,(flinke theelepel) knoflook (naar believen), 1 laurierblad, 1 bouillontablet oplossen (bv. kerrie bouillon van Hügli of uienbouillon) met 3/4 I melk, nootmuskaat, beetje kerrie.

binden:   met een drupje citroen, paar korrels suiker en zout en met wat peterselie afmaken. De fijngesneden eieren er door roeren.

geven: bv. met geroosterd brood.

Kerrieragout
ui fruiten, fijn gesneden appel erbij, flinke hand rozijnen, kerriepoeder erbij, een bouillonblok en water toevoegen. Binden en op smaak maken met snufje zout/suiker en citroen. Eieren in plakjes erdoor heen roeren..

geven: met rijst en sla of als rauwkost

Kruidenboter met ei;
3/4 pakje roomboter – zout, peper, knoflook, peterselie, wat
druppels citroensap – bieslook (als er is) en of dillekruid-
fijn gewreven eieren erdoor (evt. een dopje sherry toevoegen]
Heerlijk op warm stokbrood!
Lege eierdoppen kunnen prachtig in onze lente- en paastuintjes gebruikt worden.
Zet er kleine bloempjes in: speenkruid en klein hoefblad of zaai er (in een piepklein beetje aarde) sterrenkers in. Lekker op een beschuitje met een beetje citroensap.

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Pasen – jaartafels

 

121-116

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner als didacticus (alle artikelen)

.

Rudolf Steiner als didacticus (1)
Hoe leg je het begrip “lang geleden” uit

Rudolf Steiner als didacticus (2)
De abstractie van een rekenopgave

[2-1] Onzinnige sommen
De onwerkelijkheid van sommige rekenopgaven; die zou een kind niet moeten maken

Rudolf Steiner als didacticus (3)
Het ‘gevaar’ van reciteren: dreun en onbegrip

Rudolf Steiner: alle artikelen

120-115

.

.

.

.