VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (19)

.

VAN LIJDENSTIJD NAAR PASEN

Werk als oefenweg

We fietsen achter elkaar, want het fietspad is maar smal. In een wijde boog rijden we achter de bushalte langs. Ongeduldig ronkend en brommend staat daar een bus te wachten tot alle reizigers ziJn ingestapt. ‘Kijk mam!, roept ineens mijn zoon. ‘Daar sta ik nou later ook te wachten met zo’n grote bus.’ Hij keert zijn glunde­rend gezicht naar me toe. ‘En dan mag jij ook wel eens bij mij instappen!’ Dat is een heerlijk vooruitzicht. Jongens van acht hebben zo hun eigen idee van de toekomst. Niet alleen buschauf­feurs of tramconducteurs blijken be­nijdenswaardige mensen – ook plaatsen waar met machines wordt gewerkt, hebben een eigenaardige aantrekkings­kracht. De wasserij is zo’n plaats waar ze graag komen.

Terwijl ik sta af te rekenen bij de toon­bank, zijn de kinderen de werkruimte ingelopen. Daar staat een reusachtige strijk- en vouwmachine opgesteld. De kinderen blijven geboeid staan kijken naar enkele witte servetten, die door grote warme rollen glad gewalst wor­den, en daarna op lopende banden statig verder zeilen. Onderweg worden de witte lappen via ingewikkelde klepjes tweemaal gevou­wen. Het geeft telkens een venijnig, ty­pisch machinaal klik-klakgeluid. Ten­slotte belanden ze op een tafel aan het andere einde waar ijverige dames het wasgoed uitzoeken en op stapels leg­gen. Het is zo fascinerend wat daar ge­beurt, dat het mijn zoon de uitspraak ontlokt: ‘Ik ga later in de wasserij wer­ken.’
Hij kent niet of nauwelijks de achtergrond van wat hij daar ziet ge­beuren. Wat is het dan dat hem daarin aanspreekt? Is het iets dat wij door ons te veel weten er niet meer in her­kennen? Het is mij wel duidelijk, dat een kind met andere ogen kijkt naar al die verschillende mogelijkheden van bezig-zijn in de wereld. Het herkent er iets in dat van hogere orde is, juist om­dat het niet meer ‘weet’ dan het ziet.

De werkende mens.
In deze technische tijden zien de kin­deren nauwelijks meer hoe de gewoon­ste dingen om hen heen tot stand ko­men. Oude ambachten worden uitgeoe­fend in verborgen hoeken van de sa­menleving. Soms worden ze op mark­ten of straatfeesten tentoongesteld, als museumstukken, weggehaald uit de ei­gen omgeving. Dat doet wat onwerke­lijk aan. Zodra de kinderen zelf in een werkplaats binnengaan, is de ervaring diep en blijvend. De smid die de paar­den beslaat, de pottenbakker met om zich heen werkstukken in allerlei sta­dia, de timmerman waar het harsig ruikt naar vers hout, en de bakker waar de werkplaats vol ligt met brood­jes in wording.

Als er in de buurt een huis wordt ge­bouwd, is dat een unieke plaats om ve­le ambachten tegelijk ‘in werking’ te zien. De kinderen zien hoe de metse­laar zijn specie mengt en het schiet­lood hanteert. Ze vergeten nooit meer het typische heldere klink-klankgeluid als de troffel op de baksteen slaat. Ze zien de muren groeien, en ze leven mee als de zware steunbalken voor het dak op hun plaats worden gelegd. Ook de dakbedekker wordt bewonderd, die handig en vlug de dakpannen in elkaar haakt.

In een werkplaats als de wasserij is het de ingenieuze machine die de kinderen boeit. Maar wat is dat anders dan be­wondering voor degene, die zo’n ma­chine kan bedenken en maken? Niet de zichtbare mensen die ermee werken, krijgen de aandacht. Deze geldt indirect de onzichtbare ‘maker’.
Bij de buschauffeur gaat de bewondering uit naar degene die zo’n kolos van een wa­gen schijnbaar moeiteloos door nauwe straten stuurt. Het is of er in het kind de vreugdevolle zekerheid leeft, dat zo iets te leren is. En zo ga je dan langza­merhand vermoeden, dat ieder kind een onbewust weten in zich draagt waarom hij hier op aarde is gekomen. Wat ziet hij namelijk om zich heen, dat hem zo intens boeit? Dat is de werkende mens.

Jan Luiken
Enige eeuwen geleden was er een Hol­lander die de toenmalige ambachten tot onderwerp maakte van zijn ets­kunst. In 1694 verscheen een bericht in de Amsterdamse Saturdaagsche Cou­rant:
‘Tot Amsterdam bij Jan Luyken, plaatsnyder, word uitgegeven een Boek, genaemt het Menselyk Bedryf, bestaende uyt 100 kopere plaetjes van ambachten, konsten, hanteeringen en bedryven, met versen toegepast op het Gemoet.’

Het is of de schrijver/etser ieder am­bacht even omhoog tilt als een kristal tegen het licht, zodat het aardse werk ‘door-licht’ wordt. Bij ieder ambacht beschrijft Jan Luiken een beeld van de ontwikkelingsmogelijkheden van de ziel, waardoor dat speciale beroep in­eens een dimensie erbij krijgt. Een en­kel voorbeeld.

De Kaarsemaaker
Verliest het minst,
Om groote winst

pasen 23

Terwyl het vuur de Kaars verteerd,
Soo word het huis met-licht vereerd;
Dat was het doelwit in het maaken:
o Aardse mens van vlees en bloed,
God wil het Licht
uit uw Gemoed,
Door’s lichaams sterven en versaaken.

Het aardse lichaam werd ‘het minste’ geacht in vergelijking met de ziel en de geest van de mens. Over het temmen en bedwingen van dat lichaam met al zijn hartstochten en driften spreekt het lied van de zadelmaker.

De Saalemaaker
Uw eigen dier,
vereist bestier 

passen 21

 t Geweldich, trots en weelich Paard,
Word nochtans van den Man bereeden,
Beloomd, besaadeld en Bedaard:
Soo most de Geest, door hooge reeden,
Zijn wilde dier, van
vlees en bloed,
Betemmen, om een Eeuwich goed.

De strengheid van de calvinistische le­vensopvatting, doortrokken van zonde­last en schuldbesef, dempt alle levens­blijheid. Het is of de calvinistische mens in de lijdenstijd blijft steken en nooit aan de verlossing toekomt, nooit de vreugde van Pasen kent.
Jan Luiken noemt wel ergens het ‘Nieuw Jerusalem’ als stralend eind­punt van een lange weg.
In de Openba­ring van Johannes staat een prachtige beschrijving van deze gouden stad, ge­noemd naar het aardse Jeruzalem:
‘En hij leidde mij in het geestgebied op een berg, groot en hoog, en toonde mij de heilige stad Jeruzalem…’ (Openb. 21).
De twaalf poorten en de twaalf fundamenten worden beschre­ven. Het is een merkwaardige stad, want het bouwwerk heeft de vorm van een kubus: ‘haar lengte en haar breed­te en haar hoogte zijn gelijk.’
Vanouds hoort het vierkant bij de aarde. Ook het beeld van een stad is een menselij­ke aangelegenheid.
De evangelist Jo­hannes ziet in zijn geweldig visioen dat er door mensenhanden gebouwd wordt in hemelse streken. Hoe kunnen we ons dat voorstellen?

Het werk als oefenweg
Als we ons verdiepen in de sprookjes, kunnen we ontdekken dat de verschil­lende beroepen die daarin voorkomen, een heel bepaalde functie vervullen in het verhaal.
De jager, de visser, de houthakker, de kleermaker, de schoen­maker – ze hebben allen hun geheel ei­gen karakter. Niet wat de houthakker persoonlijk is, maar wat hij doet is be­palend. Dat geeft vorm en richting aan het verhaal. Omgekeerd kan je ook zeg­gen: vele sprookjes geven het beeld van een wordingsproces, van een weg van lijden, van schuld en boete, en van een uiteindelijke verlossing. Maar er zijn oneindig veel mogelijkheden om die weg te beschrijven. Die weg is van­uit de schoenmaker gezien anders dan vanuit de houthakker, en weer anders vanuit de soldaat. Het is of ze verschil­lende facetten zijn van hetzelfde kris­tal. Elk vlak vangt het licht op een an­dere wijze. Er is geen werk zonder strijd en geen strijd zonder leed. Maar zonder leed ook geen verlossing, zon­der lijdenstijd geen Pasen. In het ty­pisch oud-Hollandse beroep van de turf­steker kunnen we dat herkennen.

De Veender
’t Is ongezien
Doch ’t kan geschien

pasen 22

Van onder ’t water word geheeven,
Een Stof, om Vu
ur en Vlam te geeven,
Tot nul en teegenweer der Kouw:
Soo most de Mens Materi vissen,
Van onder’s leevens kommernissen,
Tot Vreugd, die Eeuwig gloorien souw.

Ieder werk kun je zien als een ontwik­kelingsweg, en daarbij doet het er min­der toe wat je doet. Belangrijk is hoe je het doet, wat je ervan maakt en wat je er zelf aan doormaakt. En daardoor komt ‘ongezien’ iets vrij, dat een steen­tje bijdraagt voor de bouw van de gou­den stad.
De verrukkelijke tuin van het paradijs was een geschenk van de goden. Maar toen Adam ‘stevig op zijn voeten’ mocht gaan staan, kwamen zijn han­den vrij om te werken. Na de zondeval werd dat vermogen tot opdracht: ‘In het zweet uws aanschijns zult ge uw brood eten’. De aarde wacht op verlos­sing. Er wordt op ons gerekend.

Marieke Anschütz,  ‘Jonas’16, 4 april 1980

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

3e klas: heemkunde

 

129-124

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

Advertenties

Een Reactie op “VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (19)

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – JAARFEESTEN – Palmpasen/Pasen – alle artikelen | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s