VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner als pedagoog (alle artikelen)

.

Rudolf Steiner als pedagoog (1)
Hoe om te gaan met de driftbuien van een cholericus

Rudolf Steiner als pedagoog (2)
Wat kan er gebeuren als 2 kinderen met eenzelfde temperament naast elkaar zitten

Rudolf Steiner als pedagoog ( 3)
Een aanwijzing voor het melancholische temperament

Rudolf Steiner als pedagoog (4)
Hoe bij een (cholerisch) kind een verhaal werkte

Rudolf Steiner als pedagoog (5)
Schoonschrijven?

Rudolf Steiner als pedagoog (6)
Hoe beelden uit de vertelstof tot in het latere leven kunnen doorwerken

Rudolf Steiner als pedagoog (7)
Antroposofische menskundige inzichten omgewerkt tot pedagogisch handelen

Rudolf Steiner als pedagoog (8)
Hoe een verhaalbeeld eerbied kan wekken


Pieter HA Witvliet: over het ‘imponderabele’, een ervaring.

Steiner over het imponderabele
Jesse Mulder: zijn  ‘Antroposofie doen’ gaat ook over de vrijeschool. N.a.v. zijn artikel geef ik hier de vindplaatsen in de pedagogische voordrachten weer, waar Steiner over het imponderabele spreekt.
Het gaat in alle gevallen om een voorbeeld: de cocon met de vlinder als beeld voor de onsterfelijke ziel.

GA 34; GA 294; GA 296; GA 297; GA 297A; GA 298; GA 300A; GA 301; GA 302A;  GA 303;  GA 304;  GA 304A; GA 305;  GA 306;  GA 310

Rudolf Steiner: alle artikelen

119-115

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rekenen – 1e klas (5)

.
Georg Hofmann, Erziehungskunst 29e jaargang nr. 5, 1965
.

OEFENEN MET DE 4 REKENBEWERKINGEN

Voor kinderen is het goed wanneer ze in de les op iets gewezen worden wat ze pas later, in hogere klassen zullen leren of dat ze iets leren wat in een andere vorm steeds terugkomt.
Een kleine oefening die in ieder leerjaar gebruikt kan worden:

Ieder kind kan van een zelfgekozen getal uitgaan; de 4 rekenbewerkingen worden gebruikt – je komt tot een gelijkluidende uitkomst. Je kunt de oefening gebruiken voor hele getallen (mondeling of schriftelijk), voor breuken en tiendelige breuken, bij negatieve getallen en bij algebra en zelfs bij machten, wortelgetallen en logaritmen.

De oefening is als volgt opgebouwd:

     5                                                  9

5  x  5  =                                       9   x  9  =  81
+ 5  =                                          81  +  9  =  90
:  5  =                                          90  :   9  =  10
–  5 =                                          10  –  9  =     1

Het verrassende is de uitkomst: altijd 1

87       x  87  =   7569
7569   + 87   =  7656
7656   :  87  =        88
88       – 87   =          1

Kinderen van de 3 klas hebben op deze manier een mooie controle over wat ze kunnen met schriftelijk rekenen.

In de 4e klas bv.

rekenen

5e klas, decimaalbreuken:

0,4   x  0, 4 = 0,16
0,16 + 0,4  = 0, 56
0,56 : 0,4   = 1,4
1,4   – 0,4   = 1

1,02       x  1,02 =  -1,0404
1,0404 + 1,02 =  2,0604
2,0604 : 1,02  =  2,02
2,02      – 1,02  = 1

De 7e-klasser kan alle regels ook met negatieve getallen toepassen:

(- 3 )   x  (- 3) =    + 9
+ 9      + (- 3)  =   + 6
+ 6      :  ( -3 ) =    – 2
– 2       – (- 3) =    + 1

Ook met algebra kan het:

rekenen 2

Een kleine kanttekening:

De allereerste keer dat je dit in een klas mondeling doet, is de verrassing bij het noemen van de uitkomsten groot. De kinderen wisten van elkaar niet welk getal ze gekozen hadden en toch is de uitkomst bij iedereen 1!!!.

Maar als ze het eenmaal weten, is de lol eraf en de mondelinge opgave zinloos: je hoeft niet te rekenen, alleen bij de vraag naar de uitkomst zeg je ‘1’.

Een interessant menskundig verschijnsel wanneer je naar de kwaliteit van het denken kijkt. Dit weten laat zich vrijwel meteen van zijn ‘dode’ kant zien, terwijl het doen (de wil) van een leuk spel ‘nooit’ verveelt; ook al weet je hoe het gaat.

Wanneer de kinderen dit schriftelijk doen – ze hebben hun eigen getal gekozen – moeten ze wel laten zien hoe ze en of ze echt bij 1 uitkomen.

 

1e klas – rekenen: alle artikelen

1e klas: alle artikelen

Rekenen: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas

 

118-115

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (14)

.
 J.Oele, nadere gegevens onbekend
.

PASEN EN DE MAAN

De Bijbel laat er weinig twijfel over bestaan.
In de week na het joodse Passahfeest vindt de kruisiging en de opstanding van Jezus Christus plaats.
Het joodse Passahfeest dat Ín oorsprong een lentefeest was, viel samen met de volle maan in de lentemaand Nissan.
De joodse kalender was geregeld volgens de maan.
Om toch de overeenkomst met het zonnejaar te behouden werd om de drie jaar een schakelmaand ingevoerd.
Het maanjaar telt namelijk maar 355 dagen. Het zonnejaar 365 dagen. Het Joodse volk maakt gebruik van een maanjaar, dat echter zoveel mogelijk in overeenstemming werd gebracht met het zonnejaar. In de landen waar de mohammedaanse godsdienst wordt beoefend is de zuivere maankalender ingevoerd. Dat betekent dat in landen zoals Iran, Irak, Arabië het begin van het jaar onafhankelijk zal zijn van de zonnestand. Met een maankalender is het onmogelijk om seizoenen te onder­scheiden volgens kalenderdagen.

In sommige vroegchristelijke gemeenschappen werd het christelijke
paasfeest gezamenlijk met het joodse Passah gevierd.
Op het concilie van Nicea werd vastgesteld dat het paasfeest op de
zondag na de eerste volle maan  in de lente moest worden gevierd.
Vanaf 325 is altijd aan deze regel vastgehouden.

Om de paasdatum vast te kunnen stellen, werd gebruik gemaakt van de Griekse kennis over de bewegingen van dit hemellichaam. In 1582 werd door paus Gregorius voor het laatst een hervorming van de kalender doorgevoerd.

De kerk gebruikt voor het vaststellen van het paasfeest de tabellen van 1582.

Dat heeft tot gevolg dat de kerkelijke maan niet altijd met de werkelijke maan in overeenstemming is.

Zo was het in 1974 op 6 april volle maan. Volgens de kerk was het echter op 7 april volle maan. 7 april was een zondag en viel het paasfeest dus één week daarna op 14 april.
In het jaar 1981 zal de werkelijke paasviering weer verschillen met het kerkelijke paasfeest.
In dit jaar, 1976, zal het volle maan zijn op 14 april om 14.49uur. Het paasfeest wordt dan gevierd op zondag en maandag 18 en 19 april

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Pasen – jaartafels

 

117-114

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (13)

.
* Erica Mathijsen. Nadere gegevens ontbreken
.

PASEN

1977 in ons gezin*.

We staan als ouders of verzorgers weer voor de opdracht er iets goeds van te maken.
In de kringloop van de jaarfeesten die zo wonderwel aansluiten bij de grote ritmen van de natuur van onze aarde is het paasfeest weer aan de beurt.

Weer kruipen we uit de beslotenheid van de donkere winter te voorschijn, zien met blijdschap de zon steeds hoger klimmen. We merken dat we niet meer in het donker opstaan en dat de vaders (of moeders) thuiskomen van hun werk als de zon de aarde nog beschijnt! Als het kind onze blijdschap over de ontwakende natuur voelt, en wij die vreugde bewust hanteren, werken we aan een gezonde genezende basis van de jonge mens. Daaruit kan voor het latere leven vertrouwen groeien in ons aardeleven, en zelfvertrouwen voor onze daden.

Als de avonden lichter worden is het een belevenis, om de rommel in de keuken even te laten staan en met het hele gezin een avondwandeling te maken in de buurt of nabij het park. Een lichte gekleurde lucht, soms laag beschenen wolken, eerste groentjes in de tuinen, groene puntjes aan de bomen en een verrukkelijk vogelgefluit. Ook onze neuzen vangen kruidige geuren op. Nu komen we in de goede stemming om Palmpasen en Pasen voor te bereiden en er iets levends en goeds van te maken.

Dat bewust voorbereiden (denk aan adventtijd) hebben wij moderne mensen erg nodig.
Wij hebben nl. te maken met vijanden: een soort tegenmachten die ons belagen en het ons heel moeilijk maken.
Overladen programma’s, innerlijke onrust, onzekerheid, haast, ongezonde leefsituaties of gewoonten, en zo voort…

Hoe chaotisch wij ons ook gedragen, wij hebben steeds met ritmen te maken. Hartslag – adem­haling (in en uit), waken – slapen, dag en nacht, eb en vloed…Het steeds terugkerende lente-zomer-herfst- en winterbeleven biedt ons een ritmisch houvast voor ons gezin.

In vroeger tijden was het jaarritme en het vieren van feesten een heilig gebeuren. Nog leven de mensen die naar de kerk gaan met de cyclus van het kerkelijk jaar. De boer had zijn hou­vast aan de zaaitijden die hij op zijn beurt van zijn vader en grootvader ‘wist’. Dat weten duidt op een samenhang die wij allang losgelaten hebben.
Wij ouders van nu in onze nieuwe ‘zelfstandige?’ situatie, wij moeten zelf onze weg zoeken, iedere moeder of vader op zijn eigen manier, met zijn eigen talenten. De een is muzikaal, de ander knutselt graag. Nog een ander bakt voortreffelijke taarten en koek. En nog een ander verstaat de kunst om zomaar gewoon ‘blij te zijn.

Een vader komt vol zorgen en problemen thuis. Een hele dag binnen in een rokerige ruimte met velerlei mensen en velerlei meningen. Een kleuter rent naar hem toe. ‘Pap, ik ken een liedje voor je en ik heb al gele bloemetjes gezien en vertel je nu een bloemenverhaalje en ….’ Als Pappie dan bekomen is van deze stortvloed en automatisch naar zijn krant wil grijpen, klinkt daar in de kleuterhoek een stemmetje:

Krokusbolletje,
kom ereens uit je holletje,
met je bloempjes paars en geel
op een dunne steel’.

En dan volgt heel beslist een opdracht: ‘Mam, en zo moet jij een kerokusvrouwtje maken, weet je wel met een paars hoedje.’

Ja, de jaarfeesten blijken steeds weer opnieuw steunpilaren te zijn voor gezin en school. Hoe meer je naar het kind luistert, hoe meer je oefent, hoe fijner het wordt!
Is het niet een soort cultus, een gevoel te ontwikkelen over de samenhang tussen, en het weer verbinden van mens en natuur. En tenslotte heeft Christus zich met deze aarde, deze natuur en deze mens verbonden. Dan is Pasen in de toekomst niet alleen een opstanding, een ontwaken van de natuur om ons heen, maar een opstanding van Christus, van het geestdeel van de mens.

Religie = Religia = weer verbinden.

Met de kleintjes hebben wij het niet over dood en opstanding als uitgangspunt. Met hen gaan we in de eerste plaats de natuur om ons heen bekijken. Wij vragen ons met hen af welk wonder dat zaadje in dat potje liet groeien.

Wij kunnen met onze kleuters een paastuintje maken van aarde, mos of een graspolletje. We steken er takjes in, maken vlindertjes van zijdevloei. Een leeg eierschaaltje kan als vaasje dienen, gevuld met wat voorjaarsbloemetjes. Een wollig kuikentje steken we op een kaal takje en verstopt in een schaaltje van zilverpapier een suikereitje. Een ieder vult aan naar zijn ver­mogen!

Eieren zoeken in tuin, park of kamer doet de paashaas eer aan. Wat een handig vlug dier is dat. We vinden aansluitend aan beschreven stemmingen in een liedjesboek ‘Een mandje vol amandelen‘ passende liedjes. ‘Hoe zaait de boer zijn korentje’.
Ook ‘De Gouden Poort‘, liedjes voor kleuters van Beatrijs Gradenwitz is een steun voor het gezin. We kunnen ook best eens een liedje zelf verzinnen met het kind. Dat valt altijd in goede aarde, als we er maar zelf in geloven.

Zo wordt de voorbereiding voor en het vieren van Palmpasen en Pasen voor de kleintjes een bron van vreugde en levensblijheid. Voor de groteren betekent dit een gezamenlijk beleven, een stukje creativiteit en inzet.

Voor allen een gelegenheid om weer een jaarfeest te ‘beoefenen” en zo vanuit het gezin een bolwerk te vormen en te zoeken naar het geestelijk element van ons mensenbestaan. Zulke gezinnen zijn nodig voor een sterke school en voor een nieuwe spirituele wereld.
.

rubriek ‘het kind op weg’ in ‘Jonas” 13 april (jaar onbekend)
.

PASEN IN HET GEZIN

Hoe kunnen wij dit nu in de praktijk verwezenlijken?

We zijn er niet, door weer, net als ieder jaar, eitjes te verven en te verstoppen, paashazen te boetseren, mandjes te vlechten, palmpaasstokken te maken, hoe plezierig het ook is, samen met de kinderen daaraan te werken.
Het is veel zinvoller, voor iedere week van de lijdenstijd, voor iedere dag van de Heilige Week, iets uit te kiezen, een verhaal, een gedicht, een gerecht, een baksel, wat juist zinvol is voor die week, voor die dag.
De grote kinderen vertellen we het paasevangelie, de kleinere „begrijpen” de beelden van sprookjes en sagen, van symbolen als het zonnerad, het kruis, het ei en de paashaas beter.

Voor het hele gezin kunnen we een paastuin maken, door wat snelgroeiende planten te zaaien in een bak met aarde. Voor de kleintjes komen daar met Pasen kleine eendjes en kuikentjes tussen te staan, en lammetjes van schapenwol. Met alle kinderen kunnen we brood kneden, de jongere kinderen maken daar haasjes en mannetjes van, de oudere vormen ingewikkelde vlechtbroden. Samen zingen we liederen en misschien maakt een van de groteren wel een speciale spreuk voor de paasmaaltijden. We kunnen de hoepel van de adventskrans gebruiken voor een lentering, met berkentwijgen versierd en met 12 kaarsen, voor iedere apostel één.

Wanneer de Heilige Week dan begint, op palmzondag (15 april*), houden we met de in de week ervoor gemaakte palmpaasstokken een palmpaasoptocht, ter herdenking van Christus’ intocht in Jeruzalem. Misschien lezen we de kinderen het verhaal uit het Evangelie voor of een gedicht, dat ons getroffen heeft, zoals het gedicht op deze bladzijde, dat uit Duitsland stamt:

De Heilige Week

Toen Jezus van zijn Moeder wegging
en de Grote Heilige Week aanving,
toen had Maria veel hartepijn
en zij vroeg haar Zoon bedroefd

Ach Zoon, jij liefste Jezu mijn
wat zul je op de Heilige Zondag zijn?
Op Zondag zal ik een Koning zijn
dan zal men mij met kleren en palmen bestrooien.”

Ach Zoon, jij liefste Jezu mijn,
wat zul je op de Heilige Maandag zijn?
op Maandag ben ik een zwerveling
die nergens een onderdak vinden kan”

Ach Zoon, jij liefste Jezu mijn
wat zul je op de Heilige Donderdag zijn?
“Op Donderdag ben ik in de etenszaal
het Offerlam bij het Avondmaal”

Ach, Zoon, jij liefste Jezu mijn
wat zul je op de Heilige Vrijdag zijn?
“Ach Moeder, ach liefste Moeder mijn,
kon je de Vrijdag maar verborgen zijn! “

Ach, Zoon, jij liefste Jezu mijn
wat zul je op de Heilige Zaterdag zijn?
,,Op Zaterdag ben ik een Tarwekorrel,
die in de aarde opnieuw wordt geboren”

“Op Zondag, verheug je, o Moeder mijn,
dan stap ik over des Graves steen
en draag een kruis al in mijn hand
dan straalt Glorie over alle land.”

In de oude gebruiken vinden we wellicht aanknopingspunten, iedere dag van de Heilige Week een eigen, zinvolle vorm te geven. Hier enige suggesties:
De Donderdag wordt ook wel Groene Donderdag genoemd. Het is de dag van de Voetwassing. Misschien kunnen we dat in ons bewustzijn hebben, kan dat de sfeer van die dag bepalen. Vroeger klonken ook de ratels waarmee men de Dood probeerde te verjagen. Men kookte een soep van negen voorjaarskruiden en het zaad, op deze dag gezaaid, gold als bijzonder vruchtbaar.
Goede Vrijdag is de dag van het Kruis. In een vlechtbrood, in een weefwerk, in kruissteken kunnen ook kleine kinderen daarvan iets beleven. Misschien kunnen we ook een kruisbrood bakken, zoals men vroeger wel deed. Men hing deze broden op in huis, legde ze op de velden en voedde er mens en dier mee.
In de huiskamer staan kersentakken. Eerst leken zij dood en we vroegen ons af, of er ooit bloemetjes te voorschijn zouden komen. Maar de knoppen worden toch steeds dikker en groener en opeens is op een morgen één knop opengebarsten en ontvouwt zich de eerste kersenbloesem. Voor de kinderen is het een belevenis, een klein wonder. Ook de op de kale takken bloeiende Hamamelis, de sneeuwklokjes en de narcissen zijn voor hen echte gebeurtenissen; intens leven zij mee, met het opengaan van de bloemen en een kind van vier kan dan vragen stellen als: ,,Waarom bengelen die sneeuwklokjes toch zo heen en weer? ” Zelf vindt hij het antwoord en zachtjes hoor je hem tot zichzelf zeggen: ,,0 ja, natuurlijk, dat doen ze om de aarde wakker te bengelen.” De kinderen hebben gezien, hoe uit de dode bruine aarde het leven weer omhoog is geschoten, naar het zonlicht toe. Het lijkt hun, alsof de zon met haar stralen de aarde heeft versierd ter ere van een feest. Is het een paasfeest, waarvoor de natuur zich met bloesem tooit?

Sinds heel lang wordt het paasfeest als lentefeest gevierd. Men kent al voorjaars­spelen uit de tijd der Hethieten, 2000 jaar voor Christus. Ook uit Babylonië, Egypte, India, China en het oude Amerika zijn overleveringen van gevechten, waarin Leven en Dood met elkaar in het strijdperk treden. In de oude Duitse volksspelen, die zelfs nu nog op de vierde vastenzondag, de zondag Laetare, worden gehouden, vinden we de strijd tussen zomer en winter, en optochten, die herinneren aan onze Sint- Maartensoptocht. In ons land vinden we weinig echte paasgebruiken. In het oosten van het land worden nog paasvuren ontstoken, maar in het westen herinneren alleen de chocoladefiguren bij de banketbakker, de mooi opgemaakte mandjes en de paasbroden nog aan het paasfeest. Zelfs een palmpaasoptocht wordt lang niet overal gehouden.
Als we in ons gezin zinvol een paas­feest willen vieren, zullen we ons eerst af moeten vragen, wat Pasen voor ons, anders, betekent.

We moeten op zoek gaan naar de achtergrond van al de oude paas­gebruiken, die we overal in boekjes kunnen vinden; naar het waarom van paashaas en eieren. Beleven wij nog iets bij de woorden: Pasen is opstanding, Pasen is triomf van het leven over de dood? Het paasfeest vormt het sluitstuk van de paastijd, de Lijdenstijd. Dit jaar* is die begonnen op 24 maart. Palmzondag is de vierde Lijdenszondag, en als de paasklokken beieren op paaszondag vieren wij de opstanding van Christus, de triomf van het Leven over het sterven.
Gelaten herleven, dat althans te proberen, vergt veel denkwerk en vindingrijkheid, maar onze moeite wordt beloond, want juist door veel zwoegen wordt het paasfeest een echt Opstandingsfeest.
Stille Zaterdag is een dag, waarbij alles de adem inhoudt, in afwachting van Pasen. Op deze dag kunnen we het paasbrood bakken, de eieren verven, en hout verzamelen voor een paasvuur(tje).
Vroeger trok men ook paaskaarsen van de eerste witte was van de bijen; die werden door de priester ,,versierd” met een kruis, met het jaartal, met een alfa- en omegateken en 5 wierookkorrels met bloedrode wasnagels. Zij werden dan aangestoken met het paasvuur.
Op paasmorgen mogen de kinderen vroeg hun bed uitkomen. Zij stormen de tuin in om de eieren te zoeken, die de paashaas daar ’s nachts verborgen heeft.
In triomf worden ze naar binnen gedragen en op de paastafel gelegd, waar al een mandje klaarstaat. Op tafel kunnen we een door allen samen versierd kleed van papier leggen, of bijv. een paarse loper met daaroverheen een gele, waarin allerlei motieven zijn uit­geknipt. In het midden staat het paastuintje, nu ook nog met bloemen versierd, ernaast staan het aangesneden paasbrood, eierdopjes, gemaakt van papier of klei, een boterlammtje en de broodjes zijn tot hazen en kuikens geworden, misschien zijn er zelfs wel door moeder gebakken eiermannetjes.

Op deze dag kunnen we met elkaar zingen of musiceren en er is vast wel een sprookje, dat juist „gemaakt” schijnt voor Pasen. Vroeger ging men buiten paaswater halen, om zich daarmee te wassen en daardoor schoonheid en kracht te verkrijgen. De kinderen mochten met een roede ieder het bed uitjagen. Deze roede was ook weer versierd, net als de palmpaasstok, en gesneden van een wilg of berk. Men ging vroeg naar de kerk waar de priester de paasbroden en de eieren zegende.
Voor ieder was er een rood ei, rood als beeld voor het bloed van Christus.
Op paasmaandag maken we een wandeling, we kijken hoe feestelijk alles er nu buiten uitziet.
Het is de dag van de Emmaüsgangers en het besef daarvan kan onze wandeling tot iets heel bijzonders maken.
Dan is het paasfeest voorbij, maar door alles heen, wat we samen hebben gemaakt en gedaan, door het vlechtwerk en het kruis, door de eieren en de hazen is iets tot ons doorgedrongen, van wat werkelijk met Pasha, in het Duits Ostern = Zonsopgang te maken heeft.
Zo kan Pasen het grote feest worden, dat het zou moeten zijn, het feest van de Opstanding.
Misschien wensen we elkaar dan ook op een gegeven moment niet meer gewoon „Vrolijk Pasen,” maar zeggen we, zoals de Russen: “Christus is opgestaan”, waarop de ander antwoordt: “Ja, hij is waarlijk opgestaan.”

‘Het kind op weg’ in ‘Jonas’ 5 april 1974

.

KINDEREN HELPEN MEE!

Pasen is een feest dat echt geschikt is om samen met kinderen voor te bereiden. Als kinderen mee mogen helpen aan de voorbereiding van een feest, staan ze er anders tegenover, voelen ze zich er meer mee verbonden. Bovendien genieten ze van de voorbe­reiding minstens zo veel, als van het feest zelf. Juist met Pasen is er voor groot en klein van alles te bedenken om zelf te maken.
Het samen plannen maken, eieren verven, de tafel versieren of iets bakken, brengt een feestelijke stemming in huis, dat zijn hoog­tepunt vindt in het zoeken naar de, door de paashaas verstopte eieren! Er zijn een paar dingen die we bij zo’n gezamenlijke voorbereiding in het oog houden om alles vlot te laten verlopen.

Probeer niet te veel te willen maken, want kinderen ervaren het dan gauw als “moeten” en verliezen hun plezier erin. Liever wat minder versierd en ge­bakken dan een doodvermoeide moeder en mopperige kinderen. Overleg ook tijdig met de kinderen wanneer wat gedaan zal worden, zodat ieder in eigen tempo zijn bijdrage kan leveren. Vaak ontstaan er pas tijdens het werk allerlei plannen en ook bij iets wat mislukt, is het fijn nog een middag beschik­baar te hebben om het nog eens te proberen. Naar aanleiding van de plannen moet er natuurlijk allerlei materiaal in huis zijn zoals: verf, penselen, allerlei pa­pier, gum, lint etc. Verder hebben we een heleboel geduld nodig, want er vallen vast verfpotjes om en lijm, papier en vingertjes kleven vaak op de verkeerde ma­nier aan elkaar. Hou ook in het oog dat het bij jonge kinderen vooral om het doen gaat en niet om het resultaat. Hoewel ze ook reuze trots zijn als hun ei, vol klod­ders verf, aan een tak komt te hangen. Een uitgeblazen ei schilder je gemakke­lijker als je het op een stokje steekt waarop halverwege een kraal gelijmd is, die het ei tegenhoudt. Het ei op het stokje (dat ergens in geprikt wordt) laten dro­gen en later ophangen.

Tot slot twee boekjes waarin van alles over paasversieringen te vinden is:
Serie Vaardige Handen, uitg. Gebr. Zomer en Keunings;
Paasversieringen door Hans Fasold (nr. 21)

Eieren Kleuren (nr. 18).

 Pasen (15)

‘Jonas’ 6 april 1979

PAASMENU

Saffraanrijst of
nieuwe aardappeltjes in de schil
kropsla met radijs, geschikt rond een bord waarop 8 dagen van te voren gezaaide sterrenkers

hardgekookte eieren met gesmolten boter en kappertjes

toe: zonnepudding

.

“Jonas” 6 april 1979

ZONNEPUDDING

Benodigdheden:
200 gr- suiker
12 blaadjes gelatine
12 sinaasappels
2citroenen
1/4 liter slagroom
3 eieren
een beetje olie

125 gr. suiker ,
7 geweekte blaadjes gela­tine oplossen in een weinig water op het vuur.
Sap van 6 sinaasappels en 1 citroen er­bij gieten als de massa koud, maar nog vloei­baar is.
De 1/4 liter slagroom stijfkloppen en het mengsel langzaam erbij gieten.
Drie stijfgeslagen eiwitten luchtig erdoor scheppen.
Als de puddingmassa niet meer uitzakt in een ronde vorm doen die wat ingeolied is.
In de ijskast minstens 5 uur laten opstijven.

75 gr. suiker,
5 geweekte blaadjes gela­tine in 1 dl. water oplossen,
sap van 6 sinaasappels en 1 citroen erbij doen als de massa koud maar nog vloeibaar is.
De halve sinaasappels van binnen schoonmaken door met een scherp lepeltje het witte velletje met vruchtvlees eraan eruit te halen.
De bak­jes vullen met de gelei als die begint stijf te worden.
Minstens vijf uur laten opstijven.

Pudding keren (als hij niet wil, de vorm heel even in flink warm water houden) en de hal­ve gevulde sinaasappels doorsnijden, eventu­eel nog eens doorsnijden en als stralen om de pudding heenleggen.

Prachtig om te zien, heerlijk om te eten en ondanks bovenstaande niet ingewikkeld om te maken.

.

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Pasen – jaartafels

 

 

116-113

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner als pedagoog (5)

.

SCHOONSCHRIJVEN
.

Op de lagere school – zo heette toen de basisschool – had ik een schriftje, de helft van een gewoon schrift, groen met wit etiket, waarop onder mijn naam het woord ‘schoonschrijven’ prijkte.

Op gezette tijden schreef ik een voorgedrukt woord netjes in een rijtje naar beneden een aantal keren na.

Toen ik later een vrijeschoolklas had, vond ik het heel belangrijk dat de kinderen mooi zouden schrijven.
Waarschijnlijk door de in mij opgeslagen ervaring uit de eigen kindertijd oefende ik met mijn klas het ‘schoonschrijven’ in een heus ‘schoonschrijfschrift’.

Bij het bestuderen van ‘Opvoedkunst’ [1] kwam ik het volgende tegen:

Wir werden, indem wir das Schreiben aus dem malenden Zeichnen herausholen, doch gar nicht nötig haben, bei dem Kinde extra zu pflegen das Häß­lichschreiben und das Schönschreiben. Wir werden uns bemühen, zwischen dem Häßlichschreiben und dem Schönschreiben keinen Un­terschied zu machen und allen Schreibunterricht so zu gestalten – und das werden wir trotz des äußeren Lehrplanes können -, daß das Kind immer schön schreibt, so schön, als es notwendig ist, daß es niemals den Unterschied macht zwischen Schönschreiben und Häßlichschreiben.

 ‘(  ) het schoonschrijven. Als we het schrijven afleiden uit het schilderend tekenen, dan is het voor ons toch helemaal niet nodig om dan ook nog te doen aan lelijkschrijven en schoonschrijven. We zullen ons best doen om geen verschil te maken tussen lelijkschrijven en schoonschrijven en het schrijfonderwijs zo vorm geven ( ) dat het kind altijd ‘schoon’ schrijft, zo mooi als nodig is en dat het nooit een onderscheid maakt tussen schoonschrijven en lelijkschrijven.’
GA 294/179
Vertaald/148

Voor mij was dit gezichtspunt van Steiner net weer iets verdergaand dan mijn eigen opvatting die ik eigenlijk zonder nadenken uit mijn jeugd had meegenomen.

Deze realiteit beviel mij beter: als er geen lelijkschrijven moet zijn, dan hoeft er ook geen schoonschrijven te zijn.

Toch vond ik het nodig om het handschrift van de kinderen zo te oefenen dat het schrijven er mooi uitzag.
Daartoe deed zich zo maar een gelegenheid voor bij het instuderen van een toneelstuk. Ik gebruikte de tekst om een ‘toneelschrift’ te maken.

Eerst grote letters, wie het goed beheerste, mocht kleiner gaan schrijven.

Deze werkwijze verhoogde het mooi schrijven aanzienlijk!

 

schoonschrijven 1
schoonschrijven 2schoonschrijven 3

 

 

Toneelstuk: Hoe Thor zijn hamer terughaalde – uit de Edda

Rudolf Steiner als pedagoog

Rudolf Steiner: alle artikelen

.

115-112

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (12)

.
Tijdens een paasviering op school is onderstaand verhaal aan de kinderen verteld. Het was vooral bedoeld voor de lagere klassen en is een zeer vrije en “verhollandste” weergave van een Boeddhistisch sprookje.
.
Vrijeschool Den Haag, nadere gegevens onbekend
.

Verteltijd ca. 7 min.


HET HAASJE IN DE MAAN

.

Er leefden eens in een groot woud vier dieren: een eekhoorn, een otter, een vos en een haasje. Gedurende de zomer ontmoet­ten zij elkaar geregeld en zo waren zij vrienden geworden; maar in de barre wintertijd zagen zij elkaar niet zoveel;  dan zocht ieder van hen beschutting in zijn eigen veilige hol en alleen als de honger er hen toe dwong, ondernamen zij een haastige speurtocht door het stille en eenzame woud.

Op een keer wer­den zij vroeg in het voorjaar alle vier tegelijk door de eer­ste warme zonnestralen naar buiten gelokt en ontmoetten el­kaar na lange tijd weer voor het eerst. Zij waren zo blij dat zij elkaar weer zagen en dat de zomer weer in aantocht was, dat ieder van hen aan de ander begon te vertellen, wat hij van de komende tijd voor goeds verwachtte.

Nu zullen straks de sloten en vijvers niet meer dicht gevroren zijnn, sprak de otter “en de vis is zo voor het grijpen.” “Ik begin al te watertanden als ik denk aan al het jonge ge­vogelte, dat straks weer uit het ei zal kruipen”, zei de vos. “Dan wordt ieder maal voor mij weer een feestmaal.” “Ik verheug mij op het malse jonge gras, dat straks weer gaat groeien en waar ik maar nooit genoeg van krijg”, zei het haasje. “En ik kan de laatste noten van mijn wintervoorraad nu rustig oppeuzelen, want straks is er voor mij voedsel te kust en te keur,” snapte de eekhoorn blij.

Opeens werd het haasje stil. Het dacht een poos na en zei ten slotte: “Wij kunnen God heel dankbaar zijn voor het feit, dat Hij steeds weer, na iedere lange winter een voorjaar laat komen, waarin wij zo blij en onbezorgd kunnen leven. Konden wij Hem maar op de een of andere manier onze dankbaarheid tonen.

Weet je wat, wij spreken af, dat wij alle vier aan de eerste de beste mens, die wij ontmoeten, wat zullen geven. De mens ver­tegenwoordigt voor ons toch Gods beeld op aarde.“

De andere dieren stemden hiermee in en zij gingen uit elkaar.


Maar toen het haasje weer naar zijn leger was teruggekeerd en nog eens nadacht over wat zij hadden afgesproken, werd het onrustig. “Wat zal ik de mens kunnen geven”,  dacht het bij zichzelf. “Dat, wat voor mij van de allergrootste waarde is, nl. het jonge, malse gras, wat heeft dat als geschenk voor hem te betekenen?” – Het haasje dacht en dacht en opeens had het een antwoord op zijn vraag gevonden. “Het beste wat ik geven kan ben ik zelf; zo gauw ik een mens ontmoet zal ik mijzelf aan hem geven.” En vol spanning wachtte het op het mo­ment, dat dit gebeuren zou.

En zie, vanuit zijn hemelhuis keek God omlaag naar de aarde, want steeds als er op aarde een belangrijk besluit wordt geno­men, begint zijn hemeltroon te gloeien. En God zag, dat het voornemen van het haasje, om zichzelf te offeren, dit keer de oorzaak was van de warmte die Hij voelde. Hij was hierover zeer verheugd en besloot zelf naar de aarde te gaan, om het op de proef te stellen. Zo wandelde Hij in de gedaante van een eenvoudig man op aarde en ging op weg naar het woud, waarin de dieren leefden.

Eerst kwam hij langs een vijver en daar kroop opeens een druipnatte otter te voorschijn en legde een zieltogende vis aan zijn voeten. De man dankte de otter, nam de vis in zijn handen, tot deze weer vol levenslust ging spartelen en schonk hem terug aan het water.

Een eind verderop kwam opeens een vos uit de struiken. Hij droeg een jonge duif in zijn bek en legde hem neer aan de voeten van de man. Deze dankte de vos, nam de bloedende duif in zijn handen en zie, de wonden van het diertje heelden,  het hartje begon weer te kloppen en even later klapwiekte het blij de lucht in, de zon tegemoet.

Toen de man weer verder was ge­gaan, sprong hem opeens een eek­hoorn tegemoet en legde hem een dennenappel in de uitgestrekte hand. De man dankte de eekhoorn, schudde de zaadjes uit de rijpe appel en borg ze in de aarde. nNu kunnen er nieuwe bomen gaan groeien”,  sprak hij “en over een poos zullen je nakomelingen ’s winters nooit honger hoeven te lijden in dit bos.”

De man liep weer verder, tot hij bij een plek kwam, waar het haasje nog altijd in zijn leger over zijn grote plan lag na te denken. Het schrok op toen het de man zag en deze zei: “Ik ben een otter, een vos en een eekhoorn tegengekomen, die hebben mij alle drie wat gegeven; heb jij mij ook wat te geven?”

En het haasje sprong verheugd op en zei:  “Zou u voor mij wat takken willen verzamelen en deze aansteken?”

De man deed dat en toen het vuur helder en warm brandde, sprong het haasje er opeens midden in. Het sloot zijn oogjes om zich schrap te zetten tegen de pijn, die het dacht te voelen, maar…. o het voelde niets en toen het verbaasd zijn ogen weer opende, was het vuur verdwenen en de man was zo stralend en licht, dat het zijn ogen opnieuw sloot, en het hoorde een stem die sprak: “Jij hebt me het allerbeste gegeven, wat er te geven is, namelijk jezelf. En opdat mens noch dier zullen vergeten wat je hebt gedaan, zal je een plaats krijgen dicht bij mij, waar iedereen je altijd kan zien.”

Als het volle maan is kan je hem daar zien, maar je ziet hem het allerbeste, als in de lente de paasmaan aan de hemel staat.

Er bestaat een andere versie van het verhaal.

.

haasje-en-de-maan

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Pasen – jaartafels

.

114-111

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (11)

.

Marijke Roetemeijer in ‘Jonas’ 8 april 1977

.

EEN OVERWEGING BIJ ONDERSTAANDE LEGENDE

Aan de etalages merk ik het al, het is weer zo ver. Vreemdsoortige hazen staren me aan. Lange flapperoren, een vreemde grijns, soms een paar uitstekende tanden, halverwege een broek en sjouwend of duwend met eieren: de paashaas.

Ik krijg dan het benauwende ge­voel: ‘daar is hij weer’, ‘we moeten weer zo nodig’ en ‘waarom eigenlijk’.

Pasen-hazen, het rijmt, en dat is op dat ogenblik de enige verbinding die ik tussen die twee beleven kan.

Vanuit het verleden kan ik me nog herinne­ren dat het toch wel wat had; eieren zoeken; bijna de paashaas gezien hebben. Met het stijgen der jaren verdwijnt het geheimzinnige, opgewonden gevoel. Je gaat andere motieven zoeken die met Pasen verband houden. De paashaas dreigt zich dan al snel in de rij van de vele cultuurfrasen te scharen waarin het kerstmannetje, de cultuurkabouter, en kerstengeltjes al marcheren.

Ik vraag vrienden: wat doe jij met de Paas? Ideeën waarin ‘vroeger’ herleeft, donzen kui­kens, suikereitjes in rood-wit-blauwe netjes, chocolade ei, narcissen.

Of laten we nu maar ophouden met al dat kinderachtige ge­doe, een gezellige dag waarin de eieren nog hun plaats behouden, maar waarin het haasje het loodje heeft gelegd. Geen van de geboden alternatieven maakt me enthousiast, ergens zoek ik naar een aanknopingspunt om de paashaas weer in mijn paasgebeuren bin­nen te laten stappen.

Dit gevoel komt hoofdzakelijk door mijn goede herinneringen aan de paashaas toen hij er nog was voor mij. Maar die haas was een heel andere in mijn beleving, als die ik nu om me heen zie. Vanuit mijn manier van met dingen omgaan, kan ik ten opzichte van het ‘grut’ thuis, hun alleen maar een paashaas aanbieden, waar ik zelf ook iets in herken, wat met mijn paasmotivatie te maken heeft. Anders zijn het twee dingen die los staan van elkaar. In die zin zou ’t het gevoel van ‘het moet weer zo hoognodig’ bevestigen.

Hier­door bleef een zeurderig gevoel van niet te­vreden zijn me bezig houden. Zelfs in die mate dat, als ik ergens het woord al gedrukt zag, ik nieuwsgierig de tekst begon te lezen.

‘De haas is een veel geplaagd dier. Niet alleen de mens schijnt zijn vlees een heerlijke hap te vinden, ook zijn medebewoners in het veld’.

Je zou denken dat hij daarom langzamer­hand uitgestorven zou zijn. Maar moedertje Natuur heeft hem een grote vruchtbaarheid toegekend, tevens heeft hij een optimaal gehoor, een onopvallende kleur en hij kan heel hard rennen. Haasje rep-je. Hazen-asso­ciatie: groen groen knollenknollenland, er wordt er één geschóten. Hazen zijn dus blijkbaar dieren op wie veel gejaagd wordt. Angsthaas. Zijn ze laf? Wan­neer een hond een haas achtervolgt dan kan een andere haas bliksemsnel voor hem in de plaats springen en rent verder in plaats van die eerste, die gered is en kan uitrusten.*

Mis­schien wordt dit ‘spelletje’ nog een keer her­haald, maar dikwijls zal de tweede haas het leven moeten laten ten behoeve van de eer­ste.

In een boek met verklaringen van maanvlekken, kwam ik ‘de springende haas in de maan’ tegen. Maan-Pasen (associatie), de paasdatum houdt verband met de maan: de eerste volle maan na het begin van de lente (21 maart) moet voorbij zijn, dan is de eerste zondag daarna de paaszondag.

Veel verder kwam ik niet, totdat ik de Hin­doelegende van het haasje in de maan las. Het verhaal gaat over drie hazen die een vroom leven leidden in drie grotten in de Himalaya. Deze sage gaf mij een mogelijkheid om Pasen-haas-dood-opstanding met elkaar te verbinden en er voor dit jaar een paasge­beuren van te maken met haas en al. Hier volgt het:

.
Verteltijd ca. 5 min.

De legende van de drie hazen

Er waren eens drie hazen, die elke dag tot God gingen bidden of Hij hun hartenwens zou willen vervullen: éénmaal in de hemel te mogen komen.

De eerste haas had een bruin vel, de tweede was wit gevlekt, de derde was wit en heette “Sneeuw”. De drie hazen waren erg aan elkaar gehecht, en wat de een deed, deden de anderen ook. Veel uren waren aan het gebed gewijd, maar om niet te verhongeren moesten ze toch ook voor hun voedsel zorgen.

In drie grotten leefden zij zo vele jaren. Hun gebeden reikten tot in de hemel en God besloot om de hazen te belonen. Hoewel hij hen kende, wilde hij ze toch op de proef stellen. Dus sprak Godvader tot de maan: “Je hoeft vannacht pas om twaalf uur te schijnen, ga dus voor die tijd het Himalaygebergte in, zoek de drie hazen op en vraag aan iedere haas iets om je honger te stillen. Als je bij alle drie geweest bent, kom je bij mij en breng verslag uit.” De maan gehoorzaamde en ging het eerst naar de bruine haas.

Die maakte zijn maaltijd klaar en toen hij zag dat de maan voor zijn hol stond, vroeg hij hem vriendelijk het maal met hem te delen. De maan bedankte hem en ging naar de tweede haas.

Toen die hoorde dat er iemand aankwam, riep hij opgewekt: “Welkom, vriend!.” Toen de maan gezegd had waarvoor hij kwam, zei de haas: “Graag zou ik u iets te eten willen geven maar…..ik heb vandaag te lang gebeden en daardoor vergat ik om voor voedsel te zorgen. Als u even wacht haal ik iets.” En toen hij wat bij elkaar had gezocht, gaf hij alles wat hij had aan de maan.

Daarna, als laatste, kwam de maan bij de derde haas, Sneeuw.

Hij moest een hele tijd aankloppen, maar eindelijk kwam de haas naar buiten en begroette hem. “Ik zoek iemand, die me wat te eten kan geven”, zei de maan. Na die verre tocht over de besneeuwde toppen ben ik erg moe en hongerig.” “Rust eerst wat uit”, zei Sneeuw,  “intussen zal ik zien of ik u iets kan bezorgen”. De maan hurkte neer bij de ingang van de grot. Intussen zocht de haas in zijn voorraadkamer. Maar o wee! Sedert dagen had hij geen voedsel verzameld, zo diep was hij in gebed verzonken geweest.

Sneeuw dacht aan een spreuk: “Hij die een gast niet herbergt, zijn honger

niet stilt en zijn dorst niet lest, heeft vergeefs tot God gebeden.”

Wat moest die arme haas nu beginnen? In dit moeilijke ogenblik kreeg hij een

goede inval. Hij ging naar binnen, maakte een vuur en nodigde de gast uit om het zich bij de koesterende vlammen makkelijk te maken. Daarna zei hij : “Heer, ik heb de laatste dagen zo veel gebeden, dat ik geen voedsel zoeken kon, en dus heb ik niets in huis dat ik u zou kunnen voorzetten.”

De maan zei boos: “Dan ga ik maar weer en bij je vuur wil ik ook niet zitten.”

“O blijft u alstublieft”, riep Sneeuw.  “Is het u hetzelfde welk soort vlees

ik u voorzet?” De maan antwoordde : “Nu ik zie hoe serieus je het meent, zal

ik elk soort vlees eten dat je me voorzet.”

“Goed”, zei Sneeuw blij,  “maar daar ik niet anders bezit dan mezelf, zal


ik nu mijn eigen lichaam in het vuur werpen, dan hebt u een maal om uw honger te stillen.”  “Neen!” riep de maan verschrikt, “neen, niet doen.”

Maar het was al te laat. Voor de maan het kon verhinderen was de haas al in

de vlammen gesprongen. Geen kreet weerklonk, de zelfgekozen dood werd door geen enkel geluid begeleid.

Na deze derde ervaring vloog de maan terug naar de hemel. Daar vond hij in de schoot van God een mooie witte haas. God sprak: “Kijk naar deze haas, o maan, die zichzelf offerde en voor u in het vuur sprong. Hoe zal ik zijn opoffering belonen?” Toen vroeg de maan: “Heer, wil mij het haasje tot vriend en levens­gezel geven. Ik zal het altijd bij me houden, waar ik ook heenga.”

“Zo zal het zijn”, antwoordde Godvader. “Als ge uw glans op de aarde doet neerstralen, laat dan de haas mét u glanzen, zodat alle mensen hem kunnen zien en een voorbeeld kunnen nemen aan zijn vroomheid en zijn zelfverloochening.”

Sinds die dag kun je in het zilveren licht van de maan de haas zien.

Bron onbekend

*Dat wordt in artikelen op deze blog vaker verteld. Maar ik heb er nog nergens een duidelijk bewijs voor gevonden.

 Er bestaat een andere versie van het verhaal.

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Pasen – jaartafels

.

113-110

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (10)

.
Amy de Rhoter. Nadere gegevens onbekend
.

WAAROM VALT PASEN NOOIT OP DEZELFDE DAG

Een vraag in ons vorige nummer, waarop ik zou willen ingaan, ofschoon in zo‘n kort bestek, uiteraard aanduidend.

Pasen wordt ieder jaar opnieuw vastgesteld. Men gaat uit van het lentepunt, als de zon op het snijpunt is van de ecliptica met de hemelequator. (De ecliptica is de baan, die de zon in een jaar aflegt door de dierenriem. De hemelequator: van de aarde af gezien, draait de sterrenhemel om de Poolster.  Sterren dichtbij de Poolster zijn de hele nacht zichtbaar. Sterren, die verder van de poolster af staan, zijn maar een gedeelte van de nacht zichtbaar. Ze komen op en gaan onder. De sterren, die op- en ondergaan op precies tegenoverliggende punten   – oost en west    –   beschrijven de baan die hemelequator wordt genoemd. Deze twee banen vallen niet samen, maar maken een hoek.)

Wij zeggen dus kort in verband met het begin van de lente: 21 maart. Daarna is het wachten tot de maan vol is. Pasen valt dan op de eerste zondag daaropvolgend.

Het kan dus best gebeuren, dat, na doorschrijding van het lentepunt door de zon, de maan lang op zich laat wachten tot hij vol is. Maar ook omgekeerd. Komt de volle maan snel na het lentepunt, dan is het vroeg Pasen.

Het betekent, dat de buitenaardse, kosmische invloeden in verband gebracht worden met de Christus en het gebeuren op Golgotha.

Doordat het materialisme de geest in de kosmos ontkende  – er zelfs een dieptepunt was, waarin de mens de eigen geest ontkende – is het logisch dat de beweeglijkheid van de paasdatum (nog vanuit een oud weten van voor het materialisme) niet als iets zinvols gezien wordt.

Met het paasfeest wordt het lijden en de opstanding van de Christus herdacht. De samenhang met de kosmos is men kwijt. Ook Paulus kende Jezus. Bij Damascus werd hem echter duidelijk, dat in de mens Jezus de kosmische Christus had gewoond, die reeds zo lang door de profeten was aangekondigd. Vanuit oud mysterieweten wist Paulus, dat de oude Indiërs die kosmische geest van voorbij de zon zagen komen en de Perzen hem zagen als de zon zelve en dat de Joden hem beleefden vanuit de maan werkend in de natuurkrachten, als Jehova. (Zon en maan worden dus nog steeds vanuit deze achtergronden erbij betrokken om Pasen vast te stellen.)

Dan beleeft Paulus, dat die krachten, die ten tijde van het begin van onze tijdrekening de Christus worden genoemd, de aardse wereld binnengetrokken zijn. Hij ziet de Christus, die de materie overwonnen heeft.

Het positieve van het materialisme is, dat het de aanleiding kan zijn ons denken weer actief te maken, zoals bv. nu, met de dreigende vastzetting van Pasen.

Het aannemen van oude overleveringen zijn we echter ontgroeid. Willen we niet verstarren in de eenzijdigheden van verworven kennis, maar in het beweeglijke paasfeest de diepere zin gaan beleven, dan openen zich nieuwe perspectieven. Dan laat zich bevroeden, dat, wat amper 2000 jaar geleden plaatsvond, een verjonging en vernieuwing kan gaan betekenen –  krachten, die als zuurdesem werkend aarde, mens en kosmos doordringen.

Zo beschrijft Rudolf Steiner: Van het moment, dat het van kosmische krachten doortrokken bloed van dit hoge Christuswezen op aarde viel, is voor degene, die geestelijk zien kan, de aarde aan het veranderen. Deze wordt doortrokken met krachten, die (zoals zuurdesem in brood) het leven hergeven aan de reeds verstarrende mensheid.

Christus’ woorden werkten bij zijn leven voor Golgotha al omvormend, genezend, opwekkend. Deze krachten verbinden zich met aarde en mens. En hij sprak : ‘Ik zal bij u zijn tot aan het einde der tijden.’

In dit bewustzijnsproces kan die goddelijke kiemkracht in iedere mens tot ontwikkeling komen. Het spirituele leven zal dan geen ‘hinder’ betekenen in de menselijke samenleving. Het zal niet los van het sociale en economische leven staan, maar een integrerend deel ervan uitmaken.

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Pasen – jaartafels

.

112-109

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (9)

.
Robin Jansen, vrijeschool Nijmegen, datum onbekend
.

PASEN
.

Pasen is voor ons een bekend, vooral traditioneel jaarfeest.
Vooral traditioneel, omdat tegenwoordig in het algemeen het paasfeest zo weinig inhoudsvolle betekenis voor de mensen heeft.
Als je zo links en rechts vraagt wat er nu eigenlijk gebeurd is met Pasen, dan weet een enkeling te vertellen dat het het verraad en de kruisiging van Christus betreft.
Bij het kerstfeest kunnen vele mensen zich nog wat voorstellen, het is hen veel duidelijker en tastbaarder wat daar gebeurde in vroeger tijden

Voor ons mensen van deze tijd kost het enorme moeite een voorstelling te hebben van de betekenis van het paasfeest.
Het  “hebben” van een voorstelling kan vaak nog een activiteit van buitenaf zijn, een bijna abstracte bezigheid die tot stand komt vanuit onze zintuiglijke werkelijkheid.

Willen we proberen wat meer van de gebeurtenissen rond Pasen te begrijpen, dan zullen we moeten streven naar een doordrenking van onze zintuiglijke werkelijkheid met bewustzijn van de geestelijke wereld,  zoals men dat in vroeger tijden nog bezat.

Vooral de opstanding is door ons ontwikkeld natuurwetenschappelijk denken naar het rijk der fabelen verwezen. Hiermee volgen wij eigenlijk het besluit, op het concilie in 869 na Chr. genomen, dat de mens voortaan alleen nog maar bestaat uit een lichaam en een ziel. De geest werd in de ban gedaan, hierdoor kon de ruimte ontstaan voor de grote ontwikkeling van de natuurwetenschap, maar de werkelijke beleving van het paasfeest ging teloor.

In deze tijd moeten we proberen de opstandingsgedachte weer tot leven te wekken, als een realiteit te accepteren. Dat dit niet zomaar gaat, zal eenieder wel kunnen aanvoelen.
Wat wordt ons duidelijk gemaakt door het mysterie van Golgotha?

Toen de Christus op Goede Vrijdag voor de Romein Pilatus gebracht werd, bespot en geslagen, zei Pilatus: ‘Zie hier, de mens!’
Hoe waar zijn deze woorden, al waren ze neerbuigend bedoeld.
De ontwikkelingsweg van de mens treedt voor het voetlicht en in de
gebeurtenissen en verhalen van Pasen hebben wij vóór ons wat de
bestemming van ieder mens is. De vervolmaking van de mens, de vervolmaking van het Ik, de intocht van het Christuswezen in de mens, in ieder mens.
In de biografie van ieder mens is het groeiproces aanwezig – het groeiproces met als doel een werkelijk geestmens te worden.

Wij proberen ons ik-bewustzijn in onze levensloop te bevrijden van zijn sterke binding met ons denken, voelen en willen. Deze binding laat zich het sterkst zien in ons oordelen, daar komt het ik naar binnen in het oordeel, zolang ik mijn denken, voelen en willen samen met mijn ik gebruik bij de waarnemingen die ik doe.
Dat is baatzuchtig.

Lukt het ons bewustzijn vrij te zijn van het oordelende ik, dan kan de wereld zelf binnen ons oordelen. Dat is onbaatzuchtig. Je merkt dan dat je bij de essentie van je ik komt, nooit meteen iets bepaalds al wil, maar meegaat zodra je iets als juist hebt onderkend (wat een levensopgave is.)

De wereld oordeelt in mij, het ik sluit zich vrijwillig aan bij het handelen dat voortkomt uit dit oordeel.
Deze kracht, deze mogelijkheid die ons gegeven is, vieren wij met Pasen.

Aan  “Zie hier, de mens”, kan men dan toevoegen: “De Christus in mij” (de woorden van Paulus: “niet ik, maar Christus in mij”, die hij sprak na de opstanding).

Wij vieren, behalve het lijden, de graflegging en de opstanding, ook de
palmzondag,  een week voor de paaszondag.

Een uitbundig feest, vooral op de onderbouw van de vrijescholen, met het kruis, het brood, de takjes en de slingers. Wij vieren de binnenkomst van de Christus in Jeruzalem. Vele juichende mensen met palmbladeren in hun handen, koelte toewuivend, begroeten hem bij zijn intocht op de ezel. De mensen zien met hun eigen ogen hoe Hij straalt, zij nemen deel aan dit stralen en voelen zich zielsenthousiast.

Dit juichen wordt gedeeld met het juichen in de natuur, de aankomende lente, de aarde ademt uit. Juist in deze tijd vindt even later de kruisiging, de dood, plaats.
Hoe tegengesteld aan het juichende, het levende. Welk offer wordt hier gebracht? Wat wordt ons hier getoond?

De dichter Martinus Nijhoff drukte dat o.a.  zo uit:

                                    De soldaat die Jezus kruisigde

Wij sloegen hem aan ’t kruis.
Zijn vingers grepen wild om den spijker toen ‘k den hamer hief –
Maar hij zei zacht mijn naam en: “Heb mij lief”
En ’t groot geheim had ik voorgoed begrepen.

Ik wrong een lach weg dat mijn tanden knarsten,
En werd een gek die bloed van liefde vroeg:
Ik had Hem lief – en sloeg en sloeg en sloeg
Den spijker door zijn hand in ’t hout dat barstte.

Nu, als een dwaas, een spijker door mijn hand,
Trek ik een visch – zijn naam, zijn monogram –
In ied’ren muur, in ied’ren balk of stam,
Of in mijn borst of, hurkend, in het zand,

En antwoord als de menschen mij wat vragen:
“Hij heeft een spijker door mijn hand geslagen”

Niet alleen een spijker door de hand van de soldaat, maar een spijker door de hand van de mens.

Het lichaam van één mens is het toneel geworden, waarop zich een groot herscheppingsdrama afspeelt. Het lijden aan het kruis is het lijden van de mens op zijn weg.

De opstanding laat ons eigenlijk de vervulling van het wezen van de mens zien. De eerste volkomen mens. Opstanding uit de dood, het overwinnen van de dood, is uiterst noodzakelijk voor ons geweest om ’t groot geheim voorgoed te begrijpen. Was dit niet gebeurd, dan kun je je voorstellen dat wij immer een verlangen, een heimwee naar vervolmaking in ons zouden dragen waarmee wij geen kant op zouden kunnen.
De opstanding laat zien dat de geestmens niet weg is, maar juist onder ons, beter gezegd, in ons leeft.
Niet als een vanzelfsprekend iets, niet passief, maar meer actief: je moet a.h.w. zelf door de dood en de opstanding, sterven en opstaan, gaan.

Vele vragen blijven onbeantwoord, vele dingen nog onduidelijk, maar ik geloof dat we al een eindje op weg zijn als een ieder probeert tot zijn/haar eigen paasbelevenis te komen.

Opstanding van de wereld begint in de mens!.

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 Vrijeschool in beeld: Pasen – jaartafels

.

111-108

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (7)

.
Thea Verbeek. Nadere gegevens ontbreken.
.

PALMPASEN EN PASEN VOOR DE KLEUTERS


In vroegere tijden beleefden de mensen de verandering in de natuur mee. Nu is het meer zo, dat wanneer de paaseieren (veel te vroeg) in de winkel verschijnen, men aan Pasen herinnerd wordt.

Zoals je ziet dat in de herfst alles afsterft, merk je omstreeks deze tijd het ontwaken van de natuur op. De sneeuwklokjes en krokussen zijn er al, iedere plant die je bekijkt begint uit te botten. De natuur ontwaakt, de lentezon laat zijn stralen schijnen. De zon komt steeds hoger te staan. De eieren die in deze tijd zo’n belangrijke rol spelen, verbergen een prachtig symbool in zich. Het ei breekt na 21 dagen bebroed te zijn open en we zien een prachtig geel kuikentje voor ons, het wonder van het nieuwe leven.

Tegenover de lichtfeesten in de winter staan de feesten van het nieuwe leven of vruchtbaarheid in de lente.
Vogels maken ook hun nestjes en hiervan zien en horen we over enige tijd ook de jongen.
Aan onze palmpaasstokken beleven we ook het nieuwe leven. De meestal door de kinderen zelf gezochte stokken worden versierd met bovenop de broodhaan – de haan die in het vroege ochtendgloren aankondigt dat er weer een nieuwe dag geboren is. Vervolgens wordt de stok versierd met een gouden cirkel, het zonnerad – de zon immers zorgt voor het ontwaken van de natuur en is eeuwig. Aan de stok bevestigen we ook wat buxusgroen of ander groen van een plant die nooit verdort. We ver­sieren de palmpaasstok ook met vruchten (abrikozen, appel, rozijnen). Het zaad van vruchten immers zorgt ook weer voor nieuw leven. Mooie uitgeblazen beschilderde eieren versieren ook de palmpaasstok van de kinderen.

Op de zaterdag voor Palmpasen gaan onze kinderen met hun eigen stok buiten een wandeling maken en bewonderen alle mooie versierde stokken en zingen daarbij de liedjes die ze geleerd hebben. In deze tijd zaaien we met de kinderen meegenomen zaad in potjes. Ze kunnen nu ook van dichtbij waarnemen hoe vanuit een zaadje een groen sprietje en vervolgens plantjes ontstaan.
Onze kleuters laten we de opstanding vanuit de natuur beleven, dit is ook waar de kleuter het dichtste bij staat, het is een religieus beleven voor onze kleuters.

Het paasfeest in de peuterklas vieren we met het verstoppen van hard gekookte beschilderde eieren en er is één gouden ei bij, wat een hele belevenis is voor diegene die het gouden ei vindt.
We zingen liedjes, doen spelletjes en gaan aan onze paastafel gezellig met elkaar wat lekkers eten en drinken.

We besluiten met een mooi paasverhaal en wensen elkaar heel prettige paasdagen toe.
.

 I.Botterweg, vrijeschool Den Haag, datum onbekend.

In de kleuterklas

“Ach wat was het donker in de buik  van de wolf”

Aldus Roodkapje. In de paastijd worden bepaalde sprookjes in de kleuterklassen verteld waarin het opstandingsmotief voorkomt. Het christelijk paasfeest is een feest van dood en opstanding, duisternis en licht. Ook in de natuur komen de zaadjes uit hun winterhuisje. Eén week voor Pasen vieren we Palmpasen. Ter her­innering aan de intocht in Jeruzalem maken we met de kinderen palmpasenstokken. In de duinen zoeken we afgewaaide takken. In de klas worden ze tot een kruis opgebonden en met kleurige slingers versierd. De hoepel rond het kruis symboliseert de zon. Vaak worden er ook nog rozijnenslingers aan de stok gehangen. Wanneer er tot slot na lang kneden, rijzen en vormen van het deeg, de zelfgemaakte hanen op de stok worden geprikt, kan de optocht beginnen.
De haan boven­op het kruis roept de natuur wakker en de kinderen zingen:

Pallem-pallem-pasen,
Heikoerei
Over enen zondag krijgen wij een ei
Eén ei is geen ei
Twee ei is een half ei
Drie ei is een paasei.

Drie symbolen die steeds weer in de verschillende paasvieringen een rol spelen zijn: het ei, de haas en het lam.

Het ei kan men zien als de kiem van nieuw leven. Daarom werden eieren onder de aarde verborgen om zo nieuwe levenskrachten te schenken. Nu mogen de kinderen nog altijd op paasmorgen versierde eieren gaan zoeken.

Een oerbeeld over het ei:
“Er was er eens een groot ei, de ene schaalhelft werd aarde, de andere de hemel, het wit de maan en het geel de zon”.

De Grieken offerden eieren op de Dionysosfeesten. De Chinezen vieren 105 dagen na het begin van de winter hun koudvleesfeesten ter ere van de her­leving van de natuur. Men voedde zich met koude rijst, koud vlees en eieren. (Dit gebeurde ook al 1550 jaar vóór Christus!).

Het kleuren van de eieren had een diepe betekenis De eieren kregen magische kracht door het beschil­deren. De Germanen gebruikten bruin (kleur van  de aarde), geel (kleur van de lentegodin) en rood (kleur van de oppergod Wodan).

Zowel de kinderen als de ouders kunnen dit jaar eieren kleuren. De kinderen met bijenwas op hardgekookte eieren, of met verf op leeggeblazen eieren. De ouders zullen volop kunnen experi­menteren met bloem- en groenteblaadjes, die pastelachtige kleuren op de eieren achterlaten.  Uienschillen laten geel achter, spinazie groen, bieten- of rode koolschillen rood enz.
De haas, als symbool voor het leven komt in vrij­wel alle culturen voor.
In sprookjes en legenden speelt de haas de rol van het zachtmoedige dier dat de redding brengt. Omstreeks deze tijd kunnen we in de volle maan de haas zien. Het lam herinnert ons aan de offerlammeren, die voor het joodse paasfeest in de voorhof van de tempel werden geslacht.

Na het zoeken van de eieren buiten staat binnen de paastafel klaar vol met eieren, boterlammetjes, haasjes en een paasbrood of beschuit met zelf gezaaide sterrenkers.

Met een paasverhaal en het onderstaande liedje wordt de paasochtend afgesloten.

“Wij willen zoeken in alle hoeken”

‘Van Sinterklaas tot Sint-Maarten‘ vormde de bron voor dit artikel.

.

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Palmpasen

.

110-107

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Palmpasen (7)

.
Walther van Riet, nadere bron onbekend
.

PALMPASEN

Het palmpasenfeest is in deze eeuw volledig in verval geraakt. Slechts sporadisch kent men nog het liedje:

Pallem-pallem-pasen,
ei (ei)  koerei
op enen zondag
krijgen wij een ei
één ei is geen ei
twee ei is een half ei ,
drie ei is een paasei

Toch is het een gebruik dat eertijds uitgebreid gevierd werd. Dit feest symboliseerde de intrede van Christus in Jeruzalem. Er moet bij de intrede van de nieuwe koning een uitbundige, kinderlijke vreugde bij de mensen geleefd hebben.
Men wuifde hem met palmtakken toe en bedekte de grond met kledingstukken en tapijten. Niemand vermoedde het drama van Golgotha dat volgen zou.

Het enige wat nu nog herinnert aan deze intrede is de wijding van de palm in de katholieke kerken. Eertijds heeft de christelijke gemeenschap vele (ook voorchristelijke elementen in dit feest verweven.
Dat het een oerchristelijk feest is, komt tot uiting in de kruisvorm waarmee de stokjes van de palmpaas aan elkaar bevestigd waren. Men droeg het kruis! Waar de horizontale en de verticale stokken aan elkaar verbonden waren, bevestigde men een rond gevlochten broodje. Aan het dwarshout werden slierten aaneengevlochten droge vruchten opgehangen en bovenop het kruis stond een broodhaantje. Met deze soms prachtige palmpaasstokken kwamen de christenen ongetwijfeld in processie samen.

De symbolen verklaren is verre van eenvoudig
Behalve het duidelijke symbool van het kruishout geeft niets ons zekerheid.
Vanwaar de gedroogde vruchten? Waren zij een teken van het vergane of was het een teken van het sluimerend zaad, dat weldra de aarde zou bevruchten?
Werd de Christus dan ook niet beschouwd als ‘het nieuwe leven’, dat geestelijk wezen, dat door het vergieten van zijn bloed de mensheid en de gehele aarde nieuwe levenskansen gaf ?

Was het haantje bovenop het kruishout een herinnering aan de voorspelling dat Petrus Christus driemaal zou verloochenen vóór de haan driemaal gekraaid had, of was het een herinnering aan een voorchristelijk vruchtbaarheidssymbool ?
Wat was de betekenis van de broodkrans? Was het een lauwerkrans (vergane glorie) of was het een zonnerad?

Al deze vragen tonen hoe zeer wij van dit feest zijn weggegroeid. De tijd dat de volwassene met de palmpaas rondliep ligt ver in het verleden…

Het feest is gelukkig door onze kinderen nog enigszins bewaard gebleven.

U ziet dat de palmpaas, zoals wij die nu kennen slechts vage tekenen van de oorspronkelijke overhoudt. De gedroogde vruchten zijn vrolijk wapperende linten ge­worden.

Het is voor onze kinderen, die in het geheel geen besef van de oorspronkelijke,  diep-mystieke betekenis van het feest kunnen hebben, een machtig vreugdefeest. Het vrolijke wapperen van de linten, het ononderbroken zingen wekt in hen een grote vreugde op. Die vreugde, die zij voelen als zij, na een lange donkere winter, opnieuw gaan touwspringen. Die vreugde, die zij in hun botten voelen als zij opnieuw gaan hinkelen of, zich koesterend in de eerste warme zonnestralen,  gaan knikkeren of bikkelen.

Het is voor hen de bode van het nieuwe, alles doorstromende licht.

.

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Palmpasen

.

109-106

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (6)

.
Bron onbekend
.

Pasen
Het feest van levenshernieuwing en opstanding

Elk voorjaar lopen de bomen en struiken weer uit, komen de sprieten weer uit de grond te voorschijn. In de natuur heerst een schijnbare onsterfelijkheid. Schijnbaar onverwoestbaar is de levenskracht van de natuur, vooral bij het onkruid. Wat sterft is niet be­langrijk, behalve wanneer het eens een heel kostbare zeldzaamheid betreft. Over het al­gemeen is elk levend wezen in de natuur ver­vangbaar, zelfs de lievelingshond. Bij heel primitieve mensen is het ook wel eens zo; wanneer een kind sterft, komt er in een vruchtbaar gezin wel weer een ander. Vroe­ger gold het als vrij normaal dat een deel van de kinderen in een gezin op jonge leeftijd stierf. Ze werden echter wel meegeteld als het aantal gezinsleden werd opgesomd.
Voor de mens in de moderne cultuur ligt het toch wel anders. Het verdriet om een gestor­ven kind kan heel lang duren en een ander kind kan dat speciale kind niet vervangen. Zo ook bij een volwassene; wanneer wij van iemand houden, blijft er bij de dood een ge­mis, ook als we weten van een verdere ver­binding over de dood heen en dat niet alleen weten, maar ook kunnen praktiseren. Ook het bekende woord van Goethe, dat de dood de kunstgreep van de natuur is om zoveel mogelijk leven voort te brengen, geldt niet voor de mens. Het sterven van mensen dient niet tot een verdere vruchtbaarheid van het mensengeslacht. Dit krijgt nog een sterkere betekenis als we bedenken dat geestelijk-psychisch bezien het sterven van mensen wel degelijk vruchtbaar kan worden. De oude christenen wisten reeds dat het bloed van de martelaren het zaad van de kerk vormde en nog steeds is het zo dat mensen hun leven kunnen geven om een zaak, die zij dienen, te bevorderen.
Dit alles kan duidelijk maken dat de mense­lijke natuur anders is geaard dan die van de planten en dieren en dat betekent ook dat de levenshernieuwing in het voorjaar in de men­selijke natuur anders werkt dan bij planten en dieren.

Mensen kennen het merkwaardige verschijn­sel van de voorjaarsmoeheid. Ook is het aan­tal sterfgevallen van oude en zwakke mensen in het voorjaar opvallend groot. We kunnen een poging doen dit verschijnsel iets meer te begrijpen.

Planten en dieren kunnen niet tegen de na­tuurwetten in leven. Als het wel gebeurt komt dat door het ingrijpen van de mens met kunstmatig licht, kunstmatige warmte of chemische beïnvloeding. Wij mensen kun­nen wel tegen de natuur in leven, althans tot aan bepaalde grenzen. Daaraan ligt het feit ten grondslag dat de geest die het natuurwe­zen regelt bij mensen dieper met de stof ver­bonden is dan bij dieren en planten. Dieren bewegen zich niet individueel maar naar groepsaard. Planten en dieren groeien niet individueel uit maar naar de omstandigheden waaronder ze leven en naar de wetten van hun soort. Bij mensen is dat gedeeltelijk ook zo, maar de vormende idee is meer aan de mens persoonlijk gegeven. Geestelijk-psy­chisch is de mens veranderbaar maar tot op zekere hoogte lichamelijk ook. We kunnen dat ook zo uitdrukken dat de dieren en de planten een groepsziel hebben en de mens een individuele ziel. Het bewustzijn van die­ren en planten ligt buiten hen, bij de mens is het ingedaald in zijn stoffelijk lichaam. Er zijn zeker individuele verschillen tussen men­sen die sterk reageren als hun familie of stam en mensen die als enkeling in hun familie uit de boot vallen. Daar zijn dan nog vele tus­senvormen mogelijk, zowel geestelijk-psy­chisch als ook lichamelijk. In een gelaat kan zich de familie uitdrukken maar juist ook de eigen individualiteit.
Terwijl de uitdrukking van een dierenkop bij het ouder worden alge­mener wordt, kan dat bij het mensengelaat juist omgekeerd zijn, het wordt individueler. Tenminste, voor zover de mens een eigen geestelijk leven ontwikkeld heeft. Men kan ook juist een meer gereformeerd of meer vrijdenkersgezicht krijgen bij het ouder wor­den wanneer men zich steeds meer gevoegd heeft in het standaard-denken van een groep. Het verschil tussen menselijke en niet-menselijke natuur, zoals het hier kort is aangeduid, heeft tot gevolg dat de regenererende kosmi­sche krachten in het voorjaar in de planten en dieren veel sterker werken dan in de mens. Mensen hebben door hun eigen wijsheid (= eigenwijsheid) meer een belemmerende zelfs vernietigende functie in dit proces. “En deze belemmerende en vernietigende functie strekt zich ook uit over de natuur voor zover die door de mens wordt gebruikt en misbruikt. De inzichten die tegenwoordig beginnen door te breken en die voor een be­langrijk gedeelte aan Rudolf Steiner zijn te danken, kunnen ons helpen om in dit opzicht verstandiger te worden en ons ingrijpen meer af te stemmen op de kosmische wetten. Ook voor ons eigen lichaam is dat mogelijk en zeer zeker juist. Maar de levenshernieuwing wordt toch elk voorjaar geringer en is nooit definitief. Wanneer men vroeger meende te kunnen voortleven in de kinderen, dan was dat mogelijk omdat men meer in het geslacht leefde dan in de enkeling. De mens met het moderne zelfbewustzijn wenst niet eens meer dat zijn voorouders in hem verder leven. Hij wil zichzelf zijn.

Pasen is voor de natuur een feest van levensvernieuwing. Voor de mens is dat maar zeer beperkt waar. Wat is het dan wel? Voor de mens gaat het om het mysterie van de op­standing. Wat houdt dat in? Het moderne bewustzijn heeft moeite met een lichamelijke opstanding. De voorstelling dat een menselijk stoffelijk lichaam werke­lijk dood is en na drie dagen weer tot leven komt is voor het natuurwetenschappelijk denken onmogelijk. Men vindt daarvoor twee verschillende uitwegen. De ene zou men een spiritualistische opvat­ting kunnen noemen. Men neemt daarbij aan dat de herrezen Christus als een soort geest­verschijning aan de leerlingen verscheen en dat zij meenden een lichamelijke verschijning te aanschouwen. Te goeder trouw hebben ze dit bericht verder gegeven en wij later gebo­renen kunnen ons daarmee verbinden door de Christus als een zuiver geestelijk wezen te vereren. Daarmee is echter aan de fysieke werkelijkheid niets gedaan. Die blijft onver­anderlijk onderworpen aan de dood. Opstan­ding van het lichaam is dat dus ook niet. Ook zijn er die menen dat Christus helemaal niet aan het kruis gestorven is maar slechts schijndood was. Hij kon daardoor nog een korte tijd na Golgotha leven. Dit is de bood­schap van het doek van Turijn bijvoorbeeld.

Maar ook dan gebeurt er met de stoffelijk­heid van het mensenlichaam niets. Het is geen opstanding.

Daarnaast is er de grof-stoffelijke opvatting wanneer men aanneemt dat door een wonder de materie van het lichaam van Jezus weer tot leven is gewekt. Men meent dan de natuurwetenschap voor onbevoegd te kunnen verklaren in geloofszaken een uitspraak te doen. De twee werkelijkheden van natuur­wetten en geloof staan dan gewoon naast el­kaar. Alleen hebben ze wel betrekking op hetzelfde object, het menselijk lichaam en dat maakt het voor het denken toch wel moeilijk. Voor velen ligt hierin toch iets on­waarachtigs.

Een geheel andere weg gaat men wanneer men ernst maakt met de evolutiegedachte. Deze evolutiegedachte is reeds tamelijk gang­baar in de natuurwetenschap, maar op gees­teswetenschappelijk gebied nog nauwelijks opgenomen. (Geesteswetenschap is hier be­doeld in de universitaire zin, filosofie, lette­ren, psychologie, enzovoort, niet als antropo­sofie). Hoewel een scherpe onderscheiding van geest en stof zeker noodzakelijk is, is het toch mogelijk in te zien dat geest de stof kan voortbrengen met behulp van andere stof. Onze geesteshouding vormt tot op zekere hoogte ons lichaam. De handen van een mu­sicus vormen zich anders dan die van een timmerman. Ook kunnen oude mensen soms zeer doorzichtig worden in stoffelijke zin, waarbij ze dan tevens duidelijk spiritueler worden. Dat ook het omgekeerde kan plaats vinden en mensen steeds grover kunnen wor­den, berust op hetzelfde feit. Rudolf Steiner wees erop hoe in het lichaam van Jezus een zo sterke geest woonde, de Christus, dat dit lichaam daardoor vergeestelijkt werd. Tij­dens de tijd tussen de doop in de Jordaan en Golgotha werd dit niet of nauwelijks zichtbaar. Maar na de opstanding werd door hen, die daarop voorbereid waren, een lichaam waargenomen dat niet stoffelijk was.

De verhalen in de evangeliën vertonen wat betreft de tijd na de opstanding een merk­waardig verschil met datgene wat voor die tijd wordt vermeld. Na de opstanding ver­schijnt Jezus plotseling en verdwijnt ook weer. De leerlingen hebben moeite hem te herkennen. Kennelijk is hij anders van gestal­te dan vroeger. Dit krijgt nog meer nadruk als we bij Paulus lezen hoe deze zijn eigen waarneming van de Christus Jezus bij Damascus op één lijn stelt met de ervaring der ove­rige apostelen (1 Kor. 15). En deze waarne­ming wordt in de Handelingen der Apostelen beschreven als een lichtgestalte. (Hand. 9 en 26).

Hoe kunnen we dat een beetje leren denken? Het paradijsverhaal in Genesis maakt duide­lijk dat de mens voor de zondeval geen stof­felijk lichaam had. Immers hij kon niet ster­ven. En sterven betekent het wegvallen van het stoffelijke lichaam. De dood is inherent aan de materie. Deze onstoffelijke mens had wel een vorm, al is dat zeker niet de vorm van ons tegenwoordige lichaam geweest. Na de zondeval verbindt zich dan de mens met de stof. Paulus noemt dit lichaam een soma psychicon, een bezield lichaam. Het lichaam van de herrezen Jezus, de tweede Adam, noemt hij dan een soma pneumaticon, een geestelijk lichaam, een lichaam dat vorm heeft maar geen stof en daardoor onsterfelijk is. Dat wil zeggen dat dit lichaam geen dood meer kent. Dit geestelijk lichaam ontwikkelt zich uit het bezielde lichaam. Eerst was er, zo zegt Paulus (1 Kor. 15) een bezield li­chaam en daarna een geestelijk lichaam. Het bezielde lichaam wordt gezaaid en sterft. Daaruit komt dan het geestelijk lichaam te voorschijn. Maar dat kan het stoffelijke li­chaam niet uit zich zelf. Daarvoor was de daad van de Christus nodig. De Christus was zo sterk dat hij de vormkrachten van het li­chaam van Jezus kon bewaren door de dood heen. Normaal vervalt de vorm van het li­chaam met de dood van de stof. Bij Jezus bleef deze vorm bewaard en deze vorm werd na de opstanding zichtbaar als een lichtgestal­te, zoals ook de eerste mens een lichtgestalte was. Rudolf Steiner noemt dit het fantoom. Paulus noemt het een mysterie. Het is een mysterie omdat het alleen begrepen kan wor­den door wie heeft leren denken in de moge­lijkheid van evolutie, dat uit het stoffelijk li­chaam een doorgeestelijkt lichaam kan ont­staan.

Is dit alleen van theologisch belang voor wie de Christus Jezus willen begrijpen? Voor wie die drang heeft, is het kunnen denken van dit mysterie noodzakelijk. Maar van meer belang is het dat ieder mens ermee te maken heeft voor zijn eigen toekomst. Levenshernieuwing is altijd slechts tijdelijk en voorlopig voor de mens. Ze geeft hem echter de gelegenheid de opstandingskrachten te ontwikkelen door de verbinding met Christus. Deze verbinding met Christus wordt geloof genoemd. Ze kan zuiver gevoelsmatig zijn, ze kan zich uiten in het sacrament, ze kan zich vormen aan het sacrament, maar ze vormt zich ook door het denken over de Christus.
Wanneer dit den­ken intensief genoeg wordt, wordt het tot ge­loof. Geloof is vertrouwen in de kracht van Christus die in ons dit opstandingslichaam langzaamaan bewerkt door vele levens heen. De levenshernieuwing maakt het mogelijk dat aan de stoffelijkheid vanuit de geest ge­werkt kan worden. Wanneer de levensher­nieuwing niet elk voorjaar zou plaats vinden, zouden we te zeer aan de verharding van de materie vervallen en zou de geest daaraan niet meer kunnen werken. Van hieruit doet zich een merkwaardig ge­zichtspunt voor met betrekking tot de zon en de maan met Pasen.
De maankrachten hangen samen met de geboorte, ook met het telkens vernieuwen van het leven. De zonne­krachten hebben te maken met onze toe­komst. Na het begin van de lente moet er eerst volle maan geweest zijn. De afnemende maan geeft sterkere kiemkracht. In die tijd van de afnemende maan valt Pasen op een zondag.

Het fantoom is een lichtverschijning. De Christus sprak eens het woord: Ik ben het licht der wereld. Het licht der wereld is de zon. Christus identificeert zich met de zon, hij is de geest van de zon zoals wij mensen de geest van ons lichaam zijn. Als zonnewezen komt de Christus op de aarde en doortrekt de stoffelijke aarde met licht. Dat gebeurt eerst in zijn eigen lichaam, dat van Jezus, maar dat deelt zich dan mee aan de gehele aarde. Aarde en daarmee de aardemens wor­den langzaamaan steeds meer doortrokken met deze lichtkrachten, dat wil zeggen op­standingskrachten. Daardoor kan de duister­nis van de materie overwonnen worden.
.

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Pasen – jaartafels

.

108-105

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (5)

.
Henk Sweers, ‘Jonas´ 6 april 1979
 

De paashaas
.

Een jonge vrouw zegt: ‘Ik ben ’t haasje.’  Zij vertelt, dat haar man is weggelopen, dat zij getrouwd was met een stier en dat ze van hem twee kinderen heeft. Meteen daarna ver­trouwt ze ons toe: ‘Ik ben ‘n maagd.‘ –

Een mens moet wakker zijn om de raadsels van het leven te kunnen oplossen. Astrologie is erg in. Maar waarom krijgt de zon de schuld van allerlei menselijke misluk­kingen, alsof het een noodlot is, waaraan niet valt te ontkomen? Hebben wij niet alle licht, alle warmte en alle leven te danken aan de zon?
Wanneer mensen elkaar niet meer begrijpen, is dat dan niet hun eigen verant­woording?
De mogelijkheden die ik op aarde heb, hangen zeer zeker samen met de kos­mos. Doch dat ik af en toe voor deze of gene ‘onmogelijk’ ben, dat ligt aan mij, – of aan hem -. Of aan allebei? Onbegrip, twist, kort­om alle relatiestoornissen willen zeggen, dat wij nog niet, of niet meer in staat zijn om ons zó vrij te maken, dat wij in de ander zijn ware, werkelijke wezen, zijn ‘zonnewezen’ kunnen ontdekken.

Alles is vergankelijk, behalve de werkelijk­heid, waar al het aards-zintuigelijke een weerschijn, een spiegeling van is. Die werke­lijkheid is bewegelijk, groeiend, maar vergaat niet. Men kan in het bovenzinnelijke, het geestelijke, nooit voortbouwen op iets wat af is. Iedere verworvenheid moet er ieder ogenblik weer worden veroverd. Alles is er in voortdurende ontwikkeling. Dat geldt ook voor de liefde. Wie beweert, dat ware, eeuwige liefde niet bestaat, ontkent het bestaan van een geestelijke wereld. ‘Love is eternal’, schreef Chesterton, ‘even if it is only eternal for a month.’ – ‘Liefde is eeuwig, zelfs al is het slechts eeuwig voor ’n maand.’ (Appreciations and critcismes).

Men moet wel wakker blijven, om haar steeds opnieuw te kunnen scheppen, haar steeds opnieuw te veroveren. Dit hoeft ons niet te verontrusten, want je krijgt toch steeds meer vaardigheid in dat scheppen! Liefhebben is evenzeer een kunst als het hele leven. Wezenlijk leven is eeuwig, wezenlijke liefde ook. Leven en lieven, geen van beiden kunnen op aarde altijd lukken. Geen van bei­den zijn een veroverde toestand. Het zijn onophoudelijke bezigheden. Wat af is staat stil en is dood. Wat óp komt beweegt en leeft. Het blijvende leven is niet te vinden in de aardse materie. De wezenlijke liefde vindt men niet in het zintuigelijk lichaam, maar in dat, waar dit lichaam de schaduw van is. Hoe kan men iets werkelijk kennen, als men al­leen kijkt naar de schaduw ervan? Het blijvende wezen nemen wij wel degelijk waar in de ander. Het is echter moeilijk om ons dat bewust te maken. De aardse materie schuift zich ervoor. Nu en dan ziet men het, herkent men het, maar zeer snel is het weer voor onze waarneming verdwenen. Is men er op bedacht, dan duikt het steeds weer op, kijkend en vooral… luisterend. In onszelf is het ons ‘geweten’ en stelt het ons in staat om moreel te hande­len. Het is dat wat ons bewust doet zijn. Naarmate het in ons wakker is, zijn wij ver­antwoordelijk voor onze daden. Deze wezenskern van iedere mens streeft naar eenheid met de ander zonder daarbij zijn individualiteit te verliezen. Wie over eenheid spreekt veronderstelt reeds een twéé- of meer-dan-tweeheid. Voor liefde is nodig het beminnende en het beminde. Als een van deze twee zijn individualiteit opgeeft, houdt de liefde op te bestaan.
Meer dan ooit wordt in het tijdperk waarin wij leven de persoonlijkheidskern belaagd. Er wordt meedogenloos jacht gemaakt op ieders eigen aard, op het creatieve beginsel, het ware Ik, het Zelf van ieder mens. Dit wezen komt uit de geestelijke wereld, waar het een unieke totaliteit is, een groeiende kosmos op zich en waar het als groeiende eenheid-in-zich deel heeft aan de goddelijk-geestelijke werkelijkheid. In die wereld streven wij allen naar een-heid.

Bij onze geboorte op aarde maakt ons gees­telijk wezen, juist doordat het zelf-bewust-zijn veroorzaakt, ons tot enkelingen. Een al­tijd groeiend wezen komt in een toestand, waar alles naar voltooidheid verlangt, waar alles af is. Het schept in het bewegende aardeleven een tijdelijk verblijf en in de levende ziel een steeds veranderende leger­stee. Maar materieel gezien is de enige werke­lijke zekerheid op aarde: de dood. Zou er geen geestelijke wereld bestaan, zou er geen geestelijk wezen zijn, dan hadden aarde en leven en psyche en bewustzijn geen zin. Het ontkennen van die wereld, het twij­felen eraan en zelfs de opvatting dat zij wel bestaat, maar dat de mens er geen kennis van kan nemen, veroorzaakt genadeloze ‘afzon­dering’, levenslange celstraf. Afzondering zonder uitzicht op vereniging ontneemt aan de mens zijn bestaansgrond en is de oorzaak van alle angst. De enige redding is het streven naar wezenlijke liefde. Wezenlijke liefde be­staat uit bewuste, moreel verantwoorde da­den, waarmee mijn Ik ‘antwoord’ geeft op de daden van anderen.

Wie onbevangen om zich heen kijkt, ziet hoe er gejaagd wordt op dat Ik. Men twijfelt er­aan of noemt het onzin, waardoor alleen de zucht van het aardse ik, de zelfzucht, grenzeloos de kans krijgt. Men streeft naar ge­lijkheid, niet naar eenheid. Bijgevolg raakt men op elkaar uitgekeken, want men ziet toch steeds hetzelfde. De oor­zaak van mislukkingen, bijvoorbeeld van een kapot huwelijk, wordt gezocht in zon- en sterrenstand. De eigen, vrije verantwoorde­lijkheid wordt uitgeschakeld en er gebeuren rampen door… ‘een fout van de computer!’

In de lente staat de natuur weer op uit de dood. Met Pasen verrijst Christus uit het graf van de aarde. Wij vieren het feest van de ver­rijzenis op de eerste zondag na de eerste volle maan na het lentepunt, wanneer de zon precies in het Oosten oprijst en dag en nacht gelijk zijn, maar de levensdag de doodsnacht overwint. Pasen is het feest van de liefde­daad. Wat voor voorstelling wij ons ook ma­ken van God, hoe wij ook het wezen noe­men, dat alles in stand houdt, alles leidt en alles liefheeft, het goddelijk woord, het god­delijk antwoord op de jacht, waarbij ons geestelijk Ik door de binding aan de materie verloren dreigt te gaan, was de menswording van Christus. Hij onderging de dood van de materie, maar behield het leven in al het bovenzinnelijke. Hij verbindt Zijn leven met dat van de aarde. Door Hem, met Hem en in Hem kan het wezenlijke Ik van de mens be­houden blijven. Daardoor kan op aarde de liefde gaan ontstaan.

Vanuit vóórhistorische tijden tot nu toe, maakt men om de geestelijke wereld beter te leren kennen, gebruik van beeldentaal. In sprookjes en kinderspelen, in en op kathe­dralen, in beelden en op schilderijen, in oude tradities en gebruiken, zelfs nog in onze da­gelijkse omgangstaal vindt u beelden, herkenningstekens van het bovenzinnelijke. Als de aardse tegenslagen en aanvallen door onbegrip zó ondragelijk worden, dat het we­zenlijke Ik weer moet wegspringen om zijn identiteit en zijn integere liefde niet in ge­vaar te brengen, dan zegt men: ‘Ik ben ’t haasje’.

Omstreeks 4500 vóór Christus, toen het be­wustzijn van dat hogere wezen in de mens begon te ontwaken, stond de zon in haar lentepunt tussen het sterrenbeeld van de Stier en de Tweelingen. De stier is de imaginatie voor de geweldige aandriften, de bewegende krachten in de stofwisseling en in de libido van de mens. De tweeling is een beeld van de menselijke liefdekracht, het streven naar een­heid, vol vertrouwen en openheid. Tussen die beiden staat Orion, de geweldige knappe jager, gekeerd naar de Stier. De jager is het zinnebeeld van de waakzame, doelgerich­te kracht in de mens, die de driften opspoort, doodt of temt, om ze niet de overhand te la­ten krijgen en om het Ik-wezen voor onder­gang te behoeden. Onder de voeten van Orion staat, – slechts op winteravonden in ons land nog net zichtbaar boven de zuidelij­ke horizon – het sterrenbeeld van de Haas. De haas is het herkenningsteken der werking van het geestelijke Ik. ‘Je kunt nooit weten, hoe een koe (stier) een haas vangt.’ De Christus-haas is de Zonnehaas, de Paas­haas. Hij brengt ons de geestelijke levenskie­men als fraai gekleurde eieren, die binnen hun kalkschaal zon(dooier) en maan(wit) dragen. Als Hij in ons is, en wij allen in Hem, kunnen wij elkaar vinden. Dan hoeven we geen jacht te maken op de karikatuurhazen, die omstreeks Pasen overal opduiken en die onze echte haas en de haas in zijn allerhoog­ste vorm, de Liefde van Christus, proberen te ontluisteren tot een wezenloze grap of een afgezaagde verkoopstunt. Laten we met Pasen innerlijk trachten, bij elkaar ‘Haasje over’ te springen, zoals het middeleeuwse minnelied zingt:

‘Willen wij, willen wij, ‘
’t haasje jagen door de hei,
Ja, het haasje, gij en ikke
Door de dunne, door de dikke,
’t Haasje willen wij jagen gaan, ‘
t Haasje willen wij jagen gaan!
Hup haasje, lieflijk haasje,
Hup haasje door de hei.´                                                       (muziek)

Dat ‘Paashaasje’ willen wij jagen gaan, niet om het te doden, maar om het in de anderen en in onszelf te ontdekken en te laten leven op de aardse hei.

Nog iets over het zoogritueel:

Het zoogritueel

Sim Broekhuizen (1937) deed van 1966 tot 1976 onderzoek naar hazen bij verschillende wetenschappelijke instituten. “Op een dag tipte een jachtopzichter me dat een boer in de uiterwaarden van Brummen jonge haasjes op zijn land had gevonden. Hij had het hele land gemaaid, behalve de pol gras waarin de jonge haasjes lagen. Ik ging met mijn medewerker kijken en we besloten te blijven. We hebben ze de hele zoogperiode geobserveerd, een maand lang, 24 uur per dag. In een caravan aan de rand van het weiland sloegen we apparatuur op, zoals warmtecamera’s.”

Ze ontdekten dat de jonge haasjes eenmaal in het etmaal werden gevoed, op de plaats waar ze geboren zijn. ’s Avonds kwam de moederhaas en werden de jongen gezoogd. Dat gebeurde een uur na zonsondergang. De jongen verspreidden zich naarmate ze ouder werden na het zogen steeds meer. Ze trokken naar de randen van het weiland, maar drie kwartier na zonsondergang verlieten ze hun schuilplek om terug te keren naar de plek waar ze waren geboren – ook toen de graspol eenmaal gemaaid was. “Een kwartier later kwam dan steevast de moeder aangehuppeld. Dat zogen duurde gemiddeld een minuut of drie. Dan keken de jongen nog even van: ‘Is het echt afgelopen?’ en daarna verdwenen ze weer.”

Om te achterhalen of het zoogritueel uniek was voor dit nest of algemeen bij hazen, volgden Broekhuizen en collega’s nog zo’n 25 andere nestjes. Steeds bleek de moederhaas een uur na zonsondergang de jongen te zogen. “De jonge haasjes gingen voor die tijd al bij elkaar zitten. Als ze wat ouder waren, hadden ze soms de neiging om naar de moeder toe te hippen zodra ze haar zagen aankomen, maar dat werd niet geaccepteerd. De moeder ging precies terug naar de plaats waar ze de jongen had geworpen. Het is belangrijk dat zo’n jong haasje daar op tijd is, want anders moet hij 24 uur wachten voordat hij weer melk krijgt.”

Na een maand zogen houdt de moeder het voor gezien en moeten haar jongen zichzelf redden. Vaak is ze dan alweer drachtig van een volgende worp. “De jongen komen nog twee dagen voor niks, en blijven daarna ook weg.” Als de moeder na haar laatste worp in de herfst niet opnieuw drachtig wordt, blijft ze de jongen vaak nog lang zogen. “Het is een ritueel”, zegt Broekhuizen. “Soms worden ze maar 10 seconden gezoogd, maar ze blijft melk geven.”

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 Vrijeschool in beeld: Pasen – jaartafels

107-104

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Palmpasen (6)

.

Broodrecepten

.

door Milange, bron onbekend.

.

Paasbrood met saffraan

‘Van den Saffraen’

‘Wij bakken, bakken koeken,

De bakker heeft geroepen.

Wie wil mooie koeken bakken,

Die moet zeven spulletjes pakken:

Eieren en mout,

Boter en zout,

Melk en meel,

Saffraan dat maakt de koek mooi geel.

Als vanouds bakt men een paasfeestelijk koffiebrood, geel als de lentezon:

saffraansbrood

Hiervoor is nodig:

=1/2 l melk

=100-200 gr. boter

=150 gr suiker

=1 ei

=saffraan

=50 – 60 gr gist

=ca 1 kg bloem

afwerking: ei, parelsuiker en amandelen

De gist wordt opgelost in de melk.
Gist met een beetje suiker ook oplossen.
Ei even kloppen
Boter smelten en afkoelen.
In een grote kom wordt het meel gedaan, met een kuil in het midden, waarin melk, gist, ei en boter worden gemengd.
Het meel langzaam onder roeren.
Deeg goed doorkneden en toegedekt op een warme plaats laten rijzen.
Deeg in drieën delen en een mooie vlecht maken.
Op het bakblik nog eens laten rijzen.
Met ei bestrijken en parelsuiker en amandelen versieren.
In warme oven (225-250′) bakken.

Je kunt dit deeg ook uitrollen en er met een puntig mesje paashaantjes 0f -haasjes uitsnijden. Op het blik nog eens laten rijzen.
Met ei bestrijken en versieren met rozijnen, amandelen en inkervingen.
Of je kunt van het deeg een lange rol maken: een stuk ervan tot ring sluiten en van de rest ‘zonnekrullen’ maken en deze aan de ring vastdrukken. In de ringopening kan een rauw ei worden meegebakken, dat na het bakken kan worden beschilderd of gekleurd.

Thea Goedhart, verdere bron onbekend

.

Brood voor Pasen

In Engeland eet men Goede Vrijdagbroodjes, vers en warm, aan het ontbijt. Deze Hot-cross buns maak je als volgt:

500 gram bloem iets zout

kaneel, kruidnagel, notemuscaat

100 gram gele basterdsuiker

30 gram gist

1 theelepel suiker

3 deciliter melk

1 ei.

60 gram (planten)boter

suiker, melk, krenten,  fijngehakte sinaasappelschil

Probeer het deeg de avond te voren te maken. Zeef het bloem met het zout in een kom. Doe er flinke mespunten gemalen kaneel en kruidnagel bij en rasp royaal notemuskaat boven de kom. Voeg de basterdsuiker toe,  roer alles, en maak in het midden een kuil.

Roer de gist uit met een theelepel suiker of honing en een deel van de lauwe melk. Stort de gist in de kuil. Voeg ook de gesmolten maar niet erg warme boter toe en het even los geklopte ei.

Kneed vanuit het midden alles dooreen tot een mooi soepel en vrij stijf deeg. Giet naar behoefte de resterende melk bij. Blijf een kwartiertje kneden tot het deeg van je handen loslaat. Kneed daarna de krenten en de fijngehakte sinaasappel­schil door het deeg. Leg een vochtige doek over de kom en laat hem op een warme plaats rijzen.  Tenminste een paar uur laten staan, maar het kan ook de hele nacht. Tegen die tijd is het deeg wel verdubbeld.

De volgende dag het deeg weer even kneden en verdelen in ongeveer 20 gelijke delen;  deze vormen tot ronde broodjes. Die op een ingevet bakblik zetten met flinke tussenruimten. Dat blik laten we weer een half uur warm en tochtvrij staan. Maak met de achterkant van een mes in ieder broodje een kruis en schuif het blik midden in een hete oven (200-225 ‘C.,  .  cijfer 5 of 6 ).

Na ongeveer een kwartier  zijn de broodjes gaar.

Roer gedurende de baktijd wat (poeder)suiker met iets melk en bestrijk de  broodjes als ze uit de oven komen. Wie dat te veel werk vindt bestrijkt ze alleen met water. Dan glanzen ze ook wel.

Een   Engels liedje om één en ander te illustreren en misschien tussen de happen door aan het ontbijt te zingen:

Hot cross buns! Hot cross buns!

One a penny,  two a penny

Hot cross buns!

If you have no daughters

Give them to your sons

One a penny,  two a penny

Hot cross buns!

brongegevens onbekend

.

Broodhaantjes

Basisrecept voor 8 à 10 haantjes, ter grootte van een hand

350 gr. meel (volkorentarwe of bloem)

2 1/2 dl. lauw warm water

15 gr. gist

7 gr. zout

1 à 2 leels honing

1 losgeklopt ei

Gist en honing in beetje water oplossen.

Meel in een grote schaal doen en langs de buitenrand ’t zout strooien

In het midden kuiltje maken

Hierin de opgeloste gist doen en afdekken met meel.

20 min. laten staan.

Dan rest van vocht erbij en kneden

Deeg op een warme plaats 15 minuten laten rijzen.

Nu weer goed doorkneden

en dan deeg in vorm maken: een lange worst dubbelvouwen per haantje.

Er komt in het midden een verdikking.

De haantjes 30 à 35 min. laten rijzen en met schaartje dan wat vleugels inknippen.

Nu met ei bestrijken en in een voorverwarmde oven 200 – 225ºC. in 15 à 20 min. gaan bakken.

brongegevens onbekend

.

Broodhaantje

recept voor 5 broodhaantjes

500 gr bloem

30 gr gist

250 cl melk

10 gr zout

30 gr boter

10 gr suiker

Doe de bloem in een kom. Maak een kuiltje voor de lauwe melk en kruimel daar de gist in. Roer het voorzichtig door elkaar. voeg zout, suiker en boter toe. Kneed alles tot het zacht en soepel is. Laat het op een warme plaats ongeveer 15 minuten rijzen. Vorm een haantje, laat het weer 15 minuten rijzen. Leg het in de oven, ongeveer 10 minuten op stand 7.

Rubriek ‘kind op weg” in ‘Jonas”van 9 april 1976

.

Paaskoekjes

Een eenvoudig recept voor het bakken van paaskoekjes.

Van het deeg kunnen allerhand paas~ en voorjaarsfiguren gevormd worden, zoals paashaasjes, kuikens, vogelnestjes, mandjes.

De kinderen zullen graag helpen om hun eigen vormen te laten ontstaan.

De koekjesschaal kan met Pasen extra opgemaakt worden door een versiering aan te brengen van sterrekers, die 8 of 10 dagen tevoren is gezaaid* Een dun laagje aarde op een schaaltje, gemaakt van alluminiumfolie, of een schotel kan royal bestrooid worden met de zaadjes. Na vier dagen begint de miniatuurweide op te komen.

Benodigdheden:

225 gram tarwemeel

1 theelepel kaneel

1/2  theelepel nootmuskaat

100 gram boter

50 gram rozijnen

eventueel 25 gram kandij

1o0 gram riet- of basterdsuiker (donkere) sap van 1/2 citroen

1 ei

Doe de bloem en specerijen in een kom en kruimel er tussen duim en wijsvinger de boter doorheen.

Rozijnen en suiker toevoegen en een kuil in het midden maken.

Klop het ei en de citroensap door elkaar en giet het in de kuil.

Kneed het even door en rol het dan uit tot een plak van 1/2 cm. dikte op een met bloem bestrooide aanrecht.

De vormpjes kunnen nu gemaakt worden.

De bakplaat bestuiven met bloem om de gemaakte vormen erop te leggen.

Bak ze lichtbruin in 30 minuten bij een temperatuur van ca. 175°C.

 Diet Pistorius, nadere gegevens onbeken    (kruidenbrood}

Paaskrans

Kruidenbrood

Ingrediënten:

500 gr. bloem,

25 gr. gist,

¼l. lauwwarme melk,

50 gr. boter,

1 ei,

1 theel. zout, ½ theel.  witte peper,

¼ theel. nootmuskaat en gemalen koriander,

1 bosje verse kruiden ( peterselie, kervel en bieslook ),

1 eierdooier,

1 eetl. gecondenseerde melk.

Bloem in een schaal zeven.

Met de hand in het midden een kuiltje maken.

Gist in het midden brokkelen en met de melk en wat bloem door elkaar roeren.

Met een keukendoek bedekt laten rijzen.

Zachte boter, ei en kruiden bij het deeg doen en goed door elkaar kneden.    Verse kruiden fijnmaken en tenslotte erdoor kneden.

Deeg toegedekt nogmaals laten rijzen.

2/3 deel van het deeg tot drie 40 cm lange, restant 1/3 deel van het deeg tot drie 30 cm lange rollen vormen.

Elke drie deegstrengen in elkaar vlechten.

Lange vlecht cirkelvormig op het ingevette blik leggen.

Korte vlecht erop leggen.

Einden van de vlecht met water bevochtigen en samendrukken.

Paaskrans laten rijzen.

Met eierdooier, door elkaar geroerd met gecondenseerde melk, bestrijken.

In de op 180 graden ( gasstand 3 ) voorverwarmde oven 35 min.bakken.

bron onbekend

.

Paashaas van brooddeeg

1000 gram bloem – 510 gram melk-30 gram basterd suiker-10 gram gist—20 gram zout. Verwarm de melk even zodat de kou er af is.

Doe de bloem in een wijde kom. Meng de melk, gist, suiker en zout in een apart kommetje en werk het dan door de bloem. Werk tot slot de margarine door het deeg. Kneed het deeg 10 minuten. Het deeg is goed als je een dun vliesje kunt trekken zonder dat het scheurt. Scheurt het toch dan nog even doorkneden.

Strooi wat bloem op een bord, leg de deegbal daarop en dek hem met een vochtige doek af. Laat het deeg 10 minuten rusten. Wordt het deeg bij het verwerken stug en taai, laat het dan even rusten, totdat het weer soepel is en zich weer laat verwerken.

Strooi wat bloem op tafel en vorm van het deeg de haas (zie tekening).

pasen 12

Leg het haasje op de ingevette of met aluminiumfolie bedekte bakplaat en bestrijk het met geklutst ei. Geef het ogen van krenten of rozijnen. Leg het ei op de haas en vouw zijn pootjes erover heen (Dit ei eerst 7 tellen in kokend water leggen om barsten tijdens het bakken te voorkomen). Bestrijk het nog een keer met geklutst ei en laat het 30 minuten op de plaat op een warme plaats rijzen.

Verwarm de oven voor. Bak bij een temperatuur van 250°C of zet de oven op stand 6. De baktijd is 10 a 15 minuten.

(Recept uit: Figuren uit deeg van Elyse Sommer, uitg. Strengholt)

Rubriek ‘kind op weg’ in ‘Jonas’ 5 april 1974

.

Paasbrood

1 kg. bloem;

250 gram boter;

3 eieren;

125 gram suiker;

35 gram gist;

1/4 dl. melk.

Los de gist op in een beetje lauw-warme melk. Laat de boter smelten en roer dan alle ingrediënten goed door elkaar. Kneed het deeg 10 minuten grondig en zet het dan een uur te rijzen onder een vochtige doek. Meng er na het rijzen door:

250 gram even geweekte abrikozen;

3 thee­lepels vanillepoeder;

de geraspte schil van een b.d.sinaasappel;

2 ons gehakte noten; 2 ons rozijnen;

3 theelepels zout.

Kneed het deeg nog eens goed door en laat het nog een half uurtje rijzen in een ingevet­te broodvorm (of vul twee kleine vormen als u geen grote vorm heeft). Zet de vorm een klein uur in een warme oven (stand 4 of 200° C).

Strooi er, als het brood gaar is, poe­dersuiker over.

Bron: ‘Eetidee” in ‘Jonas”17 april 1981

.

Brooddeeg

De meeste kinderen zullen het heerlijk vin­den om zelf brood te kneden en er figuren van te vormen. Van een handzaam brooddeegje kunnen ze bijvoorbeeld een paashaas maken. Het is natuurlijk het leukste als de haas zo gemaakt wordt dat hij rechtop kan staan. Vouw de voorpootjes losjes over el­kaar en stop er, als de haas gebakken is, een ei tussen.

Brooddeeg voor figuren:

500 gram bloem;

2 theelepels zout;

75 gram heel zachte boter;

1/2 dl. melk;

30gram gist;

2 dl. melk.

Los de gist op in een 1/2 dl. lauw-warme melk en laat dit 10 minuten staan. Maak een kuiltje in de bloem en doe de gistoplossing erdoor. Roer de boter door de 2 dl. lauwe melk en voeg dit mengsel bij de bloem. Doe er zout bij en kneed het deeg een minuut of tien tot het veerkrachtig aandoet. Laat het deeg dan onder een vochtige doek een uur rijzen. Verdeel het deeg in stukken en maak van elk deegje een broodfiguur. Maak met een schaar of mes inkepingen om de figuur vorm te geven en versier de broodfiguur met nootjes, rozijnen, stukjes sinaasappelschil of zo iets dergelijks. Laat ze op een ingevet bak­blik nog wat narijzen en bestrijk ze vlak voor het bakken met eigeel dat goed geroerd is met een klein beetje melk. Bak de broodfi­guren in 20 minuten gaar in een warme oven (stand 5 of 220° C).

Bron: ‘Eetidee” in ‘Jonas”17 april 1981

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Palmpasen

 

106-103

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Palmpasen (5)

.
Juultje van der Stok  ‘Jonas’  9 april 1976

.

palmpasenstok

Na carnaval komt Pasen, dat weet je natuur­lijk best. Maar toch ben ik ieder jaar weer verrast als de kinderen me op het schoolplein tegemoet hollen en roepen: ‘Morgen mogen we een palmpaasstok meenemen’.
Voor de schoolkinderen is dat al bekend; er gaat een houten kruis, voorzien van naam en punt bo­venaan, de volgende dag mee naar school. De thuisblijvers wachten af. Maar zodra op school de versierde stokken voor de ramen te zien zijn, ga ik ook thuis met de jongsten aan het werk: We zoeken buiten mooie rechte stokken en maken daar een kruis(je) van (omwikkel het kruispunt enkele keren strak met soepel ijzerdraad). Ook kunnen we aan de punt van de verticale stok door middel van vier draden een hoepel van pitriet of kar­ton hangen; de hoepel als symbool voor de zon, die zich nu steeds sterker met de aarde gaat verbinden, (zie voorbeelden). Met een reep crêpepapier omwikkelen we eerst de verticale stok en daarna plakken we gekleurde korte slierten aan het dwarshout. Zachtjes oefenen we de liedjes:

‘palm pasen, palm pasen versier je groene tak

met linten en met ruikertjes

met chocola en suikertjes

kom mee, kom mee op pad

we trekken door de stad.

‘Zeg, jij zingt daar van chocola, heeft dat er ook mee te maken?’ ‘Ja zeker,’ is mijn ant­woord, ‘je mag een lange ketting rijgen van (gedroogde) abrikozen, rozijnen en pinda’s, die hangen we dan aan je stok’.
Blijde ogen kijken me aan.

Ten slotte binden we boven het kruispunt een paar takjes buxus of liguster; takjes met altijd groene blaadjes.
De dag vóór de optocht komen de oudsten met opgewonden verhalen naar huis, ze heb­ben op school broodhanen gebakken en met het zelfgeschreven recept in de hand wordt groot en klein in de keuken verzameld. Op die stok moet natuurlijk een broodhaan, en als je die zelf bakt wordt hij heus anders; je eigen haan!

pasen 3

Opgewonden installeert iedereen zich, al of niet op een kruk voor het aanrecht. Er gaat meel in de kommen. In het meel maken we een kuiltje voor de lauwe melk en daarin brokkelen we de gist. Het is nu doodstil, er wordt niet meer gezongen. Het kneden is heerlijk. Na enige tijd kneden we elkaars deeg, we voelen dat het ene veel warmer, kouder, soepeler, harder is, ten slotte vormen we een haan.
Ook de kleintjes kunnen dat, zeker als ze vrij snel een rozijn, als oog, er­gens bovenaan in het deeg mogen drukken, het beestje kijkt je dan direct aan.
Dan rennen de groten de keuken uit en ko­men terug met papier, potlood en knopspelden. Op kleine briefjes worden nu met zorg alle namen geschreven, papaase groote haan, mijn haan, Bas zen haan, enzovoort. De briefjes worden met spelden tussen de staartveren geprikt. ‘Kan dat mee de oven in?’ vraag ik voorzichtig. ‘Ja, op school ging het ook goed’. Zingend zitten ze voor de oven met de wekker in de hand.
Dan komt iedereen zijn eigen paashaan tevoorschijn, geurend, knappend bruin gaat hij op de stok. Trots kijken grote ogen om­hoog… naar hun haan. En daar gaat de op­tocht:

Palm, palm pasen
de grote zijn de bazen
van je ei koerei van je ei koerei
mijn palmpaasstok is groter dan jij

Dan is er ineens een achterblijver; de jongste heeft de stok bij de dwarshouten vastge­klampt en schrokt wat er te schrokken valt de kop van de haan naar binnen .
‘Je bent een lelijke aanknager’, reageert nummer twee, de oudste probeert uit te leggen dat het toch echt niet kan in de optocht, dat het nu juist de bedoeling is om die haan op de stok te la­ten zitten…
En tijdens die lange tirade werpt de flegmatische dikzak zich met open mond voor z’n jongste zusje op de knieën, en ja hoor, ze propt het hele hanenlijf erin. En dan, op het moment, dat de teleurstelling voor de oudsten te groot lijkt te worden, kukelt er boven op de kast een papieren haan, hij past precies op de stok en wil graag in de optocht mee. Er wordt even diep gezucht, maar dan zingen ze weer… vandaag, morgen en nog ve­le dagen daarna.

pasen 4

’s Avonds als alle hanen in de diverse bedden slapen, of misschien wel waken, loop ik met de bezem het kruimelspoor na. Als ik dan ten slotte alle resten de keuken inveeg, kijkt daar ineens ‘mamaase kleine haanstje’ mij aan. Groots is het gevoel dat me dan vervult!

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Palmpasen

 

105-102

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.