Tagarchief: sprookje Roodkapje

VRIJESCHOOL – De beeldentaal van de sprookjes (1-3/3)

.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

ROODKAPJE

Het sprookje van Roodkapje heeft iets weg van het sprookje van de wolf en de zeven geitjes. Maar nu spelen de handelingen zich niet af in de instinctieve sfeer, maar we horen hier over de ziel zelf.

Er was eens een lief klein meisje; iedereen die haar zag hield veel van haar, maar het allermeest haar grootmoeder, en die had haar wel alles willen geven. Op een keer gaf zij haar een mutsje van rood fluweel en omdat het haar zo goed stond en zij niets anders meer op wilde zetten werd zij enkel Roodkapje genoemd.

Onervaren, naïef en onschuldig verschijnt de kinderlijke ziel waarvan iedereen houdt. Het rode kapje van grootmoeder is haar opvallende en belangrijke bezit. ‘Ich nehme das auf meine Kappe’, is een beeldrijke uitdrukking in het Duits. Niet bedoeld is de uiterlijke kap, net zo min als de uiterlijke hoed, wanneer we zeggen: ‘Da geht mir der Hut hoch’. [In het Nederlands kennen we ook wel dergelijke uitdrukkingen: ‘het gaat boven mijn pet’; ‘iets onder de pet houden’, gooi het maar in mijn pet’.]
Wat is echter de innerlijke kap? Ons eigen-denken is het, ons aan de hersenen gebonden denken. De hersenen zitten toch als een soort kap op het hoofd. En zoals deze ons bedenkt en naar boven afsluit, zo betekent ook ons hoofddenken een zekere afsluiting. Toch leeft daarin onze heel persoonlijke binnenwereld. Deze binnenwereld sluit ons aanvankelijk af van een geestelijke wereld boven ons. Denkend kunnen we weliswaar weer met deze wereld in contact komen, maar niet, wanneer we als Roodkapje na:ief en onervaren zijn. Want dan beleven we eigenlijk alleen maar onze subjectievie voorstellingen over de wereld.
Terwijl de vroegere mens door helderziende beelden tot kennis kwam – nog in de antieke oudheid schouwde de mens de wraakgeesten in de gestalte van de erinnynen of furie”s -, moet de hedendaagse mens de gevolgen van zijn daad denkend in zijn geweten verwerken, hij moet die ‘auf seine Kappe’ nemen.
Wanneer het sprookje erop wil wijzen dat het bloed van invloed is op dit hersendenken, spreekt het over de rode kap. Als een positief en negatief beeld komt de rode kap in verschillende Europse sprookjes voor. In het bloed leeft de hartstochtnatuur: ‘Ich sehe rot’, zegt menigeen in zijn opwinding; maar ook ons Ik is van het bloed afhankelijk. Gezond rood bloed maakt ons wakker, drukt de persoonlijkheid uit, die anders zwak en apathisch zou worden. De kwaliteit van het denken wordt zichtbaar in de kleur van de kap, het proces zelf echter wordt zowel in cultus als gewoonten en zeden zichtbaar. Witte kappen duiden erop dat het denken zich meer op het onstoffelijke, het bovenzintuiglijke richt (zie de hoofdbedenking in klooster, de mijters van bisschoppen, o.a.) De zwarte kap betekent het tegendeel: het denken is gericht op de aardse wereld. In een cultische handeling moet het hoofd van de priester onbedekt zijn, in zijn toepsraak of preek, waarbij de eigen gedachten tot uitdrukking komen, wordt een zwart hoofddeksel opgezet. Ook een rechter zet bij het uitspreken van de veroordeling bijv. zijn zwarte ambtsbaret op, want hij moet de uit eigen inzicht gewonnen veroordeling ‘auf seine Kappe nehmen’, op de ambts’kappe’ [verantwoorden]
Overal waar de hoed afgenomen wordt voor achtbare personen, stamt dit uit dezelfde opvatting: voor jou geldt mijn eigendenken niet, mijn wezen staat voor jouw wezen open. Dat wil dit gebruik zeggen.
Grootmoeder heeft het kind het rode kap geschonken: uit het oude voorvoelende weten – [ahnenden Wissen] vergelijk Ahnung [voorgevoel] en Ahne [voorouder] -heeft zich dit ik-achtige [ichhafte], persoonlijke hoofddenken voorbereid. Zij zelf heeft het niet. Zij is ‘ziek en zwak’. Een nieuw ontstane en een naar het einde gaande ontwikkeling staan tegenover elkaar. De ziel die met ik-kracht denkt is in verschijning getrreden en iedereen is blij met deze ontwikkeling.

Op een dag zei naar moeder tegen haar: ‘Kom, Roodkapje, hier heb je een stuk koek en een fles wijn, breng dat naar je grootmoeder, zij is ziek en zwak en dit zal haar goed doen. Ga nu maar voor het te warm wordt en als je buiten komt, loop dan netjes en rustig en dwaal niet van het pad af, anders val je en breek je de fles en dan heeft grootmoeder niets. En als je haar kamer binnen komt, vergeet dan niet goedemorgen te zeggen en snuffel niet eerst overal rond.’ ‘Ik zal goed oppassen,’ zei Roodkapje tegen haar moeder en gaf er haar de hand op.

Oude voorouderwijsheid heeft liefdevolle aandacht nodig en aan de herinneringen moet zorg worden besteed. Brood en wijn zijn heilige gaven. De moederlijke ziel geeft ze, de kinderlijke moet ze wegbrengen. Hoe kinderlijk schetst het sprookje voor ons met een paar woorden. Gaat niet ieder Roodkapje van het pad af en volgt zijn eigen hoofd? En beleefdheid jegens anderen moet voortdurend worden geoefend, omdat we anders te veel met ons zelf bezig zijn. Nieuwsgierigheid is evenwel rijkelijk aanwezig, want je moet toch de wereld tot in alle uithoeken leren kennen.
Hier wordt ons de ziel die nog onervaren is in het denken getoond, de naïeve ziel wat het denken betreft. Zo was het in de mensheid toen het intellectuele denken begon, zo gaat het met ieder mens wanneer die voor het eerst naar school gaat. Dit tijdstip houdt een crisis in.

Grootmoeder woonde echter buiten in het bos een half uur van het dorp. Toen Roodkapje nu in het bos kwam ontmoette zij de wolf. Roodkapje wist echter niet wat voor een boos dier het was en was niet bang voor hem. ‘Goedemorgen, Roodkapje,’ sprak hij. ‘Dag Wolf.’ – ‘Waarheen ben je zo vroeg op pad, Roodkapje?’ – ‘Naar grootmoeder.’ – ‘Wat draag je daar onder je schortje?’ – ‘Koek en wijn, wij hebben gisteren gebakken en nu zal grootmoeder die ziek en zwak is zich tegoed kunnen doen en weer aansterken.’ – ‘Roodkapje, waar woont je grootmoeder?’ – ‘Nog ruim een kwartiertje lopen verder het bos in, onder de drie grote eiken, daar staat haar huis, en beneden staan de notehagen, dat weet je vast wel,’ zei Roodkapje. De wolf dacht bij zichzelf: dat jonge tere ding dat is een mals hapje, dat smaakt nog lekkerder dan die oude vrouw; je moet het slim aanleggen zodat je ze allebei vangt.

In ‘Doornroosje’ hebben we de macht van het boze leren kennen, die onze voorouders Loki noemden, de Bijbel Lucifer, hier staat een macht voor ons die in de Bijbel Satan wordt genoemd. Tegenwoordig wordt er tussen deze twee niet veel verschil gemaakt, ze worden simpelweg duivel genoemd. Maar de sprookjes maken een heel precies onderscheid in spirituele verhoudingen. Het is de bekende, maar niet doorgronde macht van list en bedrog die de waarheid voor de mens verduistert en hem de wereld van de zintuigen voorschotelt als de enige echte en hem uitlevert aan het eenzijdige materialisme. Bedoeld is het ‘onschuldige’ dier wolf. Onze voorouders noemden hem de Fenriswolf, bij de Perzen had deze macht de naam Ahriman.
De Germaanse mythe zegt dat hij de godenschemering dichterbij zal brengen. Wanneer echter een goddelijke wereld verduistert en niet meer gezien kan worden, is elke individuele ziel overgeleverd aan de duisternis. Roodkapje toont ons de innerlijke crisis door de invloed van de wolf. het grote gevaar wat het boze betreft, is de naïviteit die het niet herkent. Roodkapje wist niet wat voor kwaadaardig dier het was. Nee, ze verklapt hem zelfs de weg naar grootmoeder, laat daarmee zien waar de eerbiedwaardige oertoestand zich bevindt. Voor de Germanen heersten in Midden-Europa de Kelten. Zij hadden een hoog ontwikkelde priesterstand, de Druïden. (In het Grieks betekent drys de eik…) Voor het huis van een Druïde stonden als een teken van waarheid drie eiken. Zij waren de grote strijders tegen de ook in Noorden oprukkende verduistering van spirituele overleveringen van een nog kosmisch weten. Zij kenden de wolf. De hazelnootstruik gold in de Keltische beeldspraak als een soort levensboom. Daar waar de Druïdenoverlevering nog heerst, onder de drie grote eikenbomen, daar bevindt zich ook het centrum van de levenskracht (notenhaag). Dat zul je wel weten, zegt Roodkapje; spreekt de grootste naïviteit.

Daarop liep hij een eindje met Roodkapje mee en zei toen: ‘Roodkapje, zie je al die mooie bloemen niet die overal in het rond staan, waarom kijk je niet om je heen? Ik geloof dat je niet eens hoort hoe liefelijk de vogeltjes zingen. Je loopt maar door alsof je naar school gaat en dat terwijl het hier buiten in het bos zo verrukkelijk is.’
Roodkapje keek op en toen zij de zonnestralen door de bomen zag dansen en zag hoeveel mooie bloemen er overal stonden, dacht zij: Als ik voor grootmoeder een vers geplukt boeketje meebreng zal zij dat heerlijk vinden; het is nog zo vroeg op de dag dat ik toch wel op tijd kom. Daarmee liep zij van het pad af het bos in en ging bloemen zoeken. En toen zij er één geplukt had, dacht zij dat er verderop een nog mooiere stond en liep daarheen en raakte steeds dieper het bos in.

Roodkapje keek op: toen vielen haar de schellen van de ogen, zoals in de Bijbel na de verleiding door de slang. De blik wordt afgeleid van de eigen diepe zielenwereld en op de buitenwereld gericht. De ziel haast zich van indruk tot indrik, van de ene vruegde van de zintuigen naar de volgende; als bloemen in een boeket worden ze verzameld.

Maar de wolf liep rechtstreeks naar het huis van grootmoeder en klopte aan de deur. ‘Wie is daar?’ – ‘Roodkapje, ik breng koek en wijn doe de deur maar open.’ – ‘Druk maar op de klink, ik ben te zwak en kan niet opstaan,’ riep grootmoeder. De wolf drukte op de klink, de deur ging open en hij liep, zonder een woord te zeggen, recht op grootmoeders bed af en slokte haar op. Toen trok hij haar kleren aan, zette haar muts op, ging in het bed liggen en trok de gordijnen dicht. Roodkapje echter had rondgelopen en bloemen geplukt en toen zij er zoveel bij elkaar had dat zij er niet meer kon dragen, herinnerde zij zich haar grootmoeder weer en ging op weg naar haar toe. Zij was verbaasd dat de deur openstond en toen zij de kamer instapte was het haar zo vreemd te moede dat zij dacht: Lieve hemel, wat vind ik het hier griezelig vandaag, terwijl ik anders toch zo graag bij grootmoeder ben. Zij riep: ‘Goedemorgen,’ maar kreeg geen antwoord. Toen liep zij naar het bed en schoof de gordijnen opzij. Daar lag grootmoeder met de muts over het gezicht getrokken en zij zag er erg vreemd uit. ‘O, grootmoeder,’ zei zij, ‘wat heb je grote oren.’ – ‘Dat is om je beter te kunnen horen.’ – ‘Maar grootmoeder, wat heb je grote ogen.’ – ‘Dat is om je beter te kunnen zien.’ – ‘Maar grootmoeder, wat heb je grote handen.’ – ‘Dat is om je beter te kunnen pakken.’ – ‘Maar grootmoeder, wat heb je een verschrikkelijk grote mond.’ – ‘Dat is om je beter op te eten.’ En nauwelijks had de wolf dat gezegd, of hij was met een sprong het bed uit en verslond het arme Roodkapje.

Terwijl de ziel alleen nog maar gericht is op de zintuigewereld – dat zou goed zijn, wanneer het niet op aanraden van de wolf gebeurd zou zijn – valt de voorouderwijsheid (grootmoeder) ten prooi aan het lot van de verduistering. Zoals waardige zeden en oude gebruiken als eerste verdwenen en eeuwenlange overleveringen door de mensheid geminacht werden, toen het moderne denken tot ontplooiing kwam, zo gaat ook individeel voorouderlijk gevoel, oerweten dat lang gold, verloren. De mens zelf levert het uit zonder het te beseffen aan die macht die het leven belemmert en vernietigt, die onze voorouders wolf noemden. Hij sluipt hier welisiwaar niet in schaapskleren rond, maar in de kleren van grootmoeder, d.w.z. hij trekt op die manier de mantel aan van het overgeleverde weten, de onervarenheid denkt hier oude, wijze taal horen, maar die is tot leugen verworden. Geen menselijke ziel kijkt naar de ander, maar dierlijke begeerte. Egoïsme en begeerte grijpen naar haar en verslinden haar en zo valt de ziel aan de verduistering ten prooi.

Toen de wolf zat was ging hij weer in het bed liggen, viel in slaap en begon heel hard te snurken. Toen kwam net de jagersman voorbij die bij zichzelf dacht: Wat is die oude vrouw aan het snurken. Ik zal eens even kijken of haar iets mankeert. Hij ging de kamer binnen en toen hij bij het bed kwam zag hij dat de wolf erin lag. ‘Moet ik je hier vinden, ouwe boosdoener,’ zei hij, ‘ik heb lang naar je gezocht.’ Hij wilde net zijn geweer aanleggen toen hij ineens bedacht dat de wolf de grootmoeder wel eens opgeslokt zou kunnen hebben en dat zij misschien nog gered kon worden en dus schoot hij niet maar nam een schaar en begon de buik van de slapende wolf open te knippen. Hij had nog maar een klein eindje geknipt toen hij het rode kapje zag glanzen en na nog een paar knippen sprong het meisje eruit en riep: ‘Ach, wat ben ik geschrokken, wat was het donker in de buik van de wolf.’ En toen kwam de oude grootmoeder er ook nog levend en wel uit, al snakte zij naar adem. Roodkapje haalde echter vlug grote stenen en daarmee vulden zij de buik van de wolf en toen hij wakker werd wilde hij weglopen, maar de stenen waren zo zwaar dat hij meteen in elkaar zakte en dood ter aarde viel.

In de Germaanse mythen stopt Widar, de zwijgende onder de Asen die lang had gewacht – want de wolf nam zijn eigen tijd – zijn schoen in de bek van de Fenriswolf en overwint hem in de strijd. Als daar op een grote geestesstrijd van de mensheid wordt gewezen, dan verhaalt het sprookje over wat er persoonlijk in de ziel geneurt. Het is, zoals Wilhel, Grimm zegt, een stukje van de gebarsten edensteenmythe. De helpende jaren verschijnt, hij verbeeldt een kracht die doelgericht wilde driften ‘op de korrel neemt’ en ze vernietigt. Maar hier moet de schaar worden gebruikt. De schaar die uit twee messen bestaat, is een teken voor de dubbel geslepen oordeelskracht. Deze kracht alleen is in staat de ziel weer te bevrijden. ‘Ach, wat was het donker in de buik van de wolf’: hoe duister was de tijd omdat de wolf niet werd herkend. Aan zijn eigen dodelijk materialisme (de stenen) moet hij ten gronde gaan.

Toen waren zij alle drie blij. De jager stroopte het vel van de wolf af en ging ermee naar huis, de grootmoeder at de koek op en dronk de wijn die Roodkapje had meegebracht en knapte weer op, maar Roodkapje dacht bij zichzelf: Zolang ik leef, zal ik nooit meer in mijn eentje van het pad afgaan en het bos inlopen, wanneer mijn moeder mij dat verboden heeft.

.

Friedel Lenz ‘Bildsprache der Märchen

 

Sprookjes: alle artikelen

.
VRIJESCHOOL in beeld: 1e klassprookjesillustraties

.

26 Grimm Roodkapje 2

 

1565

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

Advertenties

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (7)

.

PALMPASEN EN PASEN VOOR DE KLEUTERS

In vroegere tijden beleefden de mensen de verandering in de natuur mee. Nu is het meer zo, dat wanneer de paaseieren (veel te vroeg) in de winkel verschijnen, men aan Pasen herinnerd wordt.
Zoals je ziet dat in de herfst alles afsterft, merk je omstreeks deze tijd het ontwaken van de natuur op. De sneeuwklokjes en krokussen zijn er al, iedere plant die je bekijkt begint uit te botten. De natuur ontwaakt, de lentezon laat zijn stralen schijnen. De zon komt steeds hoger te staan. De eieren die in deze tijd zofn belangrijke rol spelen, verbergen een prachtig symbool in zich. Het ei breekt na 21 dagen bebroed te zijn open en we zien een prachtig geel kuikentje voor ons, het wonder van het nieuwe leven.

Tegenover de lichtfeesten in de winter staan de feesten van het nieuwe leven of vruchtbaarheid in de lente.
Vogels maken ook hun nestjes en hiervan zien en horen we over enige tijd ook de jongen.
Aan onze palmpaasstokken beleven we ook het nieuwe leven. De meestal door de kinderen zelf gezochte stokken worden versierd met bovenop de broodhaan – de haan die in het vroege ochtendgloren aankondigt dat er weer een nieuwe dag geboren is. Vervolgens wordt de stok versierd met een gouden cirkel, het zonnerad – de zon immers zorgt voor het ontwaken van de natuur en is eeuwig. Aan de stok bevestigen we ook wat buxusgroen of ander groen van een plant die nooit verdort. We ver­sieren de palmpaasstok ook met vruchten (abrikozen, appel, rozijnen). Het zaad van vruchten immers zorgt ook weer voor nieuw leven. Mooie uitgeblazen beschilderde eieren versieren ook de palmpaasstok van de kinderen.

Op de zaterdag voor Palmpasen gaan onze kinderen met hun eigen stok buiten een wandeling maken en bewonderen alle mooie versierde stokken en zingen daarbij de liedjes die ze geleerd hebben. In deze tijd zaaien we met de kinderen meegenomen zaad in potjes. Ze kunnen nu ook van dichtbij waarnemen hoe vanuit een zaadje een groen sprietje en vervolgens plantjes ontstaan.
Onze kleuters laten we de opstanding vanuit de natuur beleven, dit is ook waar de kleuter het dichtste bij staat, het is een religieus beleven voor onze kleuters.

Het paasfeest in de peuterklas vieren we met het verstoppen van hard gekookte beschilderde eieren en er is één gouden ei bij, wat een hele belevenis is voor diegene die het gouden ei vindt.
We zingen liedjes, doen spelletjes en gaan aan onze paastafel gezellig met elkaar wat lekkers eten en drinken.

We besluiten met een mooi paasverhaal en wensen elkaar heel prettige paasdagen toe.

Thea Verbeek. Nadere gegevens ontbreken.

.

In de kleuterklas

“Ach wat was het donker in de buik  van de wolf”

Aldus Roodkapje. In de paastijd worden bepaalde sprookjes in de kleuterklassen verteld waarin het opstandingsmotief voorkomt. Het christelijk paasfeest is een feest van dood en opstanding, duisternis en licht. Ook in de natuur komen de zaadjes uit hun winterhuisje. Eén week voor Pasen vieren we Palmpasen. Ter her­innering aan de intocht in Jeruzalem maken we met de kinderen palmpasenstokken. In de duinen zoeken we afgewaaide takken. In de klas worden ze tot een kruis opgebonden en met kleurige slingers versierd. De hoepel rond het kruis symboliseert de zon. Vaak worden er ook nog rozijnenslingers aan de stok gehangen. Wanneer er tot slot na lang kneden, rijzen en vormen van het deeg, de zelfgemaakte hanen op de stok worden geprikt, kan de optocht beginnen.
De haan boven­op het kruis roept de natuur wakker en de kinderen zingen:

Pallem-pallem-pasen,
Heikoerei
Over enen zondag krijgen wij een ei
Eén ei is geen ei
Twee ei is een half ei
Drie ei is een paasei.

Drie symbolen die steeds weer in de verschillende paasvieringen een rol spelen zijn: het ei, de haas en het lam.

Het ei kan men zien als de kiem van nieuw leven. Daarom werden eieren onder de aarde verborgen om zo nieuwe levenskrachten te schenken. Nu mogen de kinderen nog altijd op paasmorgen versierde eieren gaan zoeken.

Een oerbeeld over het ei:
“Er was er eens een groot ei, de ene schaalhelft werd aarde, de andere de hemel, het wit de maan en het geel de zon”.

De Grieken offerden eieren op de Dionysosfeesten. De Chinezen vieren 105 dagen na het begin van de winter hun koudvleesfeesten ter ere van de her­leving van de natuur. Men voedde zich met koude rijst, koud vlees  en eieren. (Dit gebeurde ook al 1550 jaar vóór Christus!).

Het kleuren van de eieren had een diepe betekenis De eieren kregen magische kracht door het beschil­deren. De Germanen gebruikten bruin (kleur van  de aarde), geel (kleur van de lentegodin) en rood (kleur van de oppergod Wodan).

Zowel de kinderen als de ouders kunnen dit jaar eieren kleuren. De kinderen met bijenwas op hardgekookte eieren, of met verf op leeggeblazen eieren. De ouders zullen volop kunnen experi­menteren met bloem- en groenteblaadjes, die pastelachtige kleuren op de eieren achterlaten.  Uienschillen laten geel achter, spinazie groen, bieten- of rode koolschillen rood enz.
De haas, als symbool voor het leven komt in vrij­wel alle culturen voor.
In sprookjes en legenden speelt de haas de rol van het zachtmoedige dier dat de redding brengt. Omstreeks deze tijd kunnen we in de volle maan de haas zien. Het lam herinnert ons aan de offerlammeren, die voor het joodse paasfeest in de voorhof van de tempel werden geslacht.

Na het zoeken van de eieren buiten staat binnen de paastafel klaar vol met eieren, boterlammetjes, haasjes en een paasbrood of beschuit met zelf gezaaide sterrenkers.

Met een paasverhaal en het onderstaande liedje wordt de paasochtend afgesloten.

“Wij willen zoeken in alle hoeken”

Van Sinterklaas tot Sint-Maarten‘ vormde de bron voor dit artikel.

 I.Botterweg, vrijeschool Den Haag, datum onbekend

.

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

110-107

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.