.
PALMPASENSTOKKEN
.
bron onbekend
Palmpasen/Pasen: alle artikelen
Jaarfeesten: alle artikelen
Vrijeschool in beeld: Palmpasen
104-101
.
.
Palmpasen/Pasen: alle artikelen
Jaarfeesten: alle artikelen
Vrijeschool in beeld: Palmpasen
.
.
ZON, MAAN, ZON
In de voorafgaande artikelen (IN JONAS) over de jaarfeesten St.- Michael en kerst — is steeds geprobeerd deze feesten vanuit kosmische gezichtspunten te benaderen. Voor het paasfeest ligt dit uitgangspunt wel bijzonder voor de hand omdat de paasdatum elk jaar weer door de onderlinge verhouding van zon, maan en aarde bepaald wordt.
In zijn vereenvoudigde vorm luidt de paasregel:
‘Paaszondag is de eerste zondag die volgt op de eerste volle maan nadat de zon het lentepunt overschreden heeft.’
Een prozaïsch aandoende regel, zo op het eerste gezicht, die we eerst wat nader moeten bekijken.
De zon doorschrijdt in de loop van het jaar een gordel van twaalf sterrenbeelden: de beelden van de dierenriem. Op een sterrenkaart kan men de weg tekenen die het middelpunt van de zonneschijf aflegt in een jaar. Deze lijn, een soort hartlijn van de dierenriem, heet de ecliptica. Behalve de zon houden zich ook de maan en de planeten altijd in de dierenriem op.
Een andere belangrijke cirkel aan de sterrenhemel is de hemelequator. Deze cirkel verdeelt de hemelbol in een noordelijk en een zuidelijk halfrond.
( Zoals ieder mens het middelpunt is van zijn persoonlijke horizon, zo staan alle mensen in het middelpunt van deze grote cirkel aan de hemel, die we daarom ook wel mensheidshorizon mogen noemen.)
Het vlak waarin de ecliptica ligt en het vlak waarin de hemelequator ligt snijden elkaar onder een hoek van 23,5 graden. De helft van de zonneweg ligt dus ‘boven’ de hemelequator, op de noordelijke helft van de sterrenhemel, de andere helft op het zuidelijk hemelhalfrond: ‘onder’ de hemelequator. Als de zon zich in het noordelijk deel van de dierenriem bevindt, zijn op het noordelijk aardehalfrond de dagen langer dan de nachten; doorloopt zij de zuidelijke dierenriembeelden dan winnen bij ons de nachten het in lengte van de dagen.
Lentepunt
Tweemaal per jaar overschrijdt de zon de hemelequator: op de twee snijpunten met de ecliptica. Deze gebeurtenissen vinden plaats in de herfst en de lente: als de zon afdalend naar het zuidelijk hemelhalfrond de hemelequator passeert, begint astronomisch de herfst, opstijgend naar het noordelijk halfrond geeft de zon het begin van de lente aan: in 1976 op 20 maart om 12.50 uur.
Tot zover is de zon de grote bepalende factor.
Nu komt de maan in het spel en wel in zijn relatie tot de zon. Het gaat hierbij om het moment waarop de maan als een grote kosmische spiegel het zonlicht naar de aarde terugkaatst: de volle maan die zich dan in de dierenriem precies tegenover de zon bevindt. Aangezien de zon niet lang daarvoor van het zuidelijk hemelhalfrond naar het noordelijke gedeelte van de dierenriem gewandeld is, is voor de maan precies het tegenovergestelde het geval. Na dit kosmische moment is het wachten op de eerstvolgende zondag: paaszondag en daarmee richt onze aandacht zich weer geheel op de zon.
zon – maan -zon
Na deze opsomming van astronomische feiten moeten we proberen of het ons mogelijk is door de fenomenen heen een beeld te zien van een andere werkelijkheid. Daartoe willen we eerst naar de zon kijken, de zon die net de mensheidshorizon heeft overschreden en begonnen is aan een grote nieuwe dag die zal duren tot de grote zonsondergang: bij het weer terugkeren naar de zuidelijke hemelhelft in de herfst. Wat we waarnemen met onze zintuigen is het fysische ontwaken van de natuur: planten en dieren komen weer tot leven.
Waken en slapen
In de winter heeft de aarde het diepst ingeademd en het moment van grootste innerlijke activiteit en wakkerheid beleefd. Nu moeten we hier zien dat de aarde in de lente buiten zichzelf gaat treden, zichzelf langzaam in de kosmos uitademt. De aarde valt in slaap. Het levendige beeld van de aardenatuur is het beeld van de slapende aarde. Er is een tegenstelling tussen wat de uiterlijke natuur ons zegt en de geestelijke werkelijkheid. Waken voor de fysische wereld is slapen voor de geestelijke wereld. Dan valt het paasfeest wel op een heel merkwaardig moment: de opstanding is geen opstanding in de fysische wereld dit wil zeggen in een fysisch lichaam. We zouden daarom, kijkend naar de aardenatuur, moeten verwachten dat het feest van de opstanding zou worden gevierd in een tijd dat de stoffelijke natuur afsterft om het geestelijk deel van de aarde te laten herleven.
In het voordrachtswerk van Rudolf Steiner is te vinden, dat er dan ook opstandingsmysteriën hebben plaatsgevonden in de herfsttijd, omstreeks de tijd waarin wij nu het St.-Michaëlsfeest vieren. Daar beleefde men nog de samenhang tussen geestwereld en natuurwereld. Andere mysteriestromingen daarentegen beleefden de ontmoeting met de geest in het voorjaar. Hier knoopt onze paasregel bij aan: deze mysteriën richtten zich in het bijzonder op de maan, in haar functie van spiegel van de zonnekwaliteiten.
Denkend over Pasen stuiten we op de grote polariteiten van leven en dood, stof en geest, werken en slapen, zon en maan, beeld en werkelijkheid.
Zoekend naar een verbinding met de werkelijkheid van het paasgebeuren vinden we misschien de brug die ons deze tegenstellingen als de elkaar aanvullende aspecten van dezelfde werkelijkheid doet kennen.
Palmpasen/Pasen: alle artikelen
Jaarfeesten: alle artikelen
Vrijeschool in beeld: Pasen – jaartafels
.
.
.
.
Geplaatst in jaarfeesten
Getagged ecliptica, evenwicht, hemelequator, paasdatum, Pasen, slapen en wakker van de aarde
.
Voor de vaststelling van de paasdatum geldt de volgende regel:
Pasen valt op de eerste zondag na de lente-volle-maan.
Dit betekent dat aan drie achtereenvolgende voorwaarden moet zijn voldaan:
1. de aarde moet in haar baan het lentepunt hebben bereikt;
2. de maan moet daaropvolgend vol zijn;
3. de zondag die daarop volgt is Pasen.
1. Bij het lentepunt is een opvallende toestand van evenwicht bereikt; (zoals dit overigens bij het herfstpunt ook het geval is):
– de plaatsen van zonsopgang en -ondergang liggen exact diametraal tegenover elkaar, namelijk oost-west (in de winter zijn namelijk beide plaatsen naar het zuiden, in de zomer meer naar het noorden verplaatst),
– het zichtbare gedeelte van de zonnebaan (boven de horizon) is even lang als het gedeelte dat onder de horizon is gelegen, terwijl het hoogste punt van de zonnebaan precies even hoog bóven de horizon ligt overdag, als het laagste punt er ónder ligt des nachts; hierdoor zijn ook dag en nacht even lang.
2. De toestand van kosmisch evenwicht wordt nog versterkt wanneer aan de tweede voorwaarde is voldaan, namelijk wanneer de maan vol is. De aarde, en daarmee dus ook de mens, staat dan tussen zon en maan in. Als twee wachters staan zon en maan tegenover elkaar met de aarde in het midden.
Daarbij komt ook nog het fenomeen dat in deze tijd van het jaar zonnebaan en maanbaan dezelfde ‘helling’ hebben ten opzichte van de horizon, met andere woorden, de zon komt overdag precies even hoog boven de horizon als de maan ’s nachts, in tegenstelling tot de winter, waar de zon laag, de maan echter hoog aan de hemel staat en ’s zomers omgekeerd.
3. Kijken we naar de derde ‘voorwaarde’, namelijk dat Pasen steeds op een zondag valt (en niet zoals Kerstmis op een vaste datum en dus ieder jaar op een andere weekdag), dan kunnen we vaststellen, dat ook dit feit een taal van evenwicht spreekt. Zoals namelijk de zon in het midden van ons zonnestelsel staat, zo kunnen wij ook in de weekdag, die naar de zon genoemd is, een evenwichtig midden herkennen dat kwalitatieve uitersten met elkaar verbindt: De zondag valt namelijk tussen de dagen die met de maan respectievelijk met Saturnus (Engels: saturday) in verbinding worden gebracht, met andere woorden twee planeten (in de ptolemeïsche zin van het woord) die elkaars tegenbeelden zijn: de snelste en meest nabije tegenover de langzaamste en verst verwijderde; de maan die haar invloed uitoefent op alles wat met voortplanting en geboorte te maken heeft tegenover Saturnus, die gezien wordt als de planeet van sterven en dood, waarbij we ook kunnen denken aan de christelijke traditie de dienst voor een gestorvene te voltrekken op zaterdag.

Ook het volgende dagenpaar, vrijdag en dinsdag, waartussen de zondag in het midden staat, vertegenwoordigt een polariteit, namelijk tussen Venus en Mars, schoonheid en kracht, vrouwelijk en manlijk (waarbij de symbolen ♀ en ♂ tot in de biologie gebruikt worden om de genoemde polariteit tot uitdrukking te brengen!).
Ten slotte staat de woensdag als dag van de bewegelijke en snelle Mercurius (Frans: mercredi) even ver van de zondag als de donderdag, die met de langzaam gaande Jupiter (de planeet van de wijsheid) correspondeert.
In al deze opzichten spreekt de plaats van de zondag de taal van een evenwichtig midden tussen uitersten, tussen polen.
Concluderend kunnen we zeggen dat met Pasen een optimale toestand van evenwicht bereikt is (Wilhelm Hoerner toont in zijn boek ‘Zeit und Rhythmus’, Uitg. Urachhaus, aan hoe 16 kosmische evenwichtstoestanden hun grootst mogelijke wederzijdse versterking bereiken op de zondag na de lente-volle-maan, dus met Pasen) in die zin, dat het niet een statisch, vastliggend, maar een momentaan evenwicht is, dat in zijn bewegelijkheid overhelt naar de ‘zonnekant’: de dagen worden namelijk langer, de zonnebaan wordt hoger, die van de maan lager; de maan die net vol is geweest, neemt dus af, en tenslotte legt de dag van de week waarop Pasen valt ook de nadruk op de zon.
Dit samenspel van evenwichten en het vinden van het bewegelijke midden is kennelijk de ritmische tijdsachtergrond voor het gebeuren van Dood en Opstanding op Golgotha.
Op vele oude afbeeldingen van dit gebeuren kunnen we zien, hoe het kruis in het midden staat met links en rechts daarvan zon en maan.
De evangelist Johannes beschrijft overigens ook dat er nog twee andere gekruisigden waren, links en rechts van Hem, en voegt er dan schijnbaar overbodig aan toe: ‘… en Jezus in het midden.’
Maar ook bij het Laatste Avondmaal, dat op de avond vóór de dag van de kruisiging viel, bevindt Jezus zich temidden van zijn discipelen.
Leonardo da Vinci heeft bij de uitbeelding van dit gebeuren (tegen de traditionele opvatting van tafelschikking in) Jezus niet aan het ‘hoofd’ van de tafel geplaatst, maar in het midden, zodat rechts en links van Hem zes discipelen zitten. Een studie over dit fresco van Hans Feddersen laat zien hoe zelfs spiegelbeeldig ten opzichte van dit Midden de personen paarsgewijze polariteiten tot uitdrukking brengen. Dit verder aan te tonen ligt buiten het bestek van dit artikel.
De mens wordt wel eens burger van twee werelden genoemd, namelijk van de stoffelijke, zintuigelijke wereld, maar tevens ook van de geestelijke wereld. Hij staat daar tussenin, hij kan als ideaal voor ogen hebben het midden te vinden tussen deze beide uitersten; tussen wereldvlucht en wereldzucht. Maar niet alleen in de dimensie boven-onder staat de mens in het midden. Ook in ‘horizontale’ zin staat hij tussen rechts en links, die de uitdrukking zijn van de twee uitersten geven en nemen. De rechterzijde van de mens is de kant van de daad, van de activiteit, van het (aan)geven; (dat linkshandigheid een uitzondering is, bevestigt dit feit). De ‘hartekant’ van de mens is die van de ontvankelijkheid, van het ontvangen, van het (luisterend) openstaan voor de ander. Er zijn boeiende studies over de rechter en linker gezichtshelft van de mens, waarbij bovenstaande wetmatigheid ook naar voren komt en fenomenologisch waarneembaar is.
Ook hier is het gevaar dat we in de eenzijdigheid vervallen van het alleen maar te willen opnemen, de beruchte consumptiehouding; of in het andere uiterste van het alleen maar willen geven, het voortdurend klaarstaan voor anderen en dan absoluut ‘uitgeput’ raken, wanneer wij niet voor onszelf uit een krachtbron kunnen putten en daaruit mogen ontvangen.
Maar ook in de ‘derde dimensie’ moet de mens een evenwichtig midden vinden, namelijk tussen voor en achter, tussen datgene wat op ons toekomt en wat achter ons ligt, tussen toekomst en verleden. Het alleen maar omkijken, herinneringen ophalen en geen stap voorwaarts durven zetten is al even onvruchtbaar als het andere uiterste, om zonder enige ervaring of waarschuwing te laten gelden blindelings vooruit te rennen en je hoofd te stoten.
Gedurende een godsdienstles, waar we over het zout spraken, dat als een van de substanties bij de doop wordt gebruikt, heb ik samen met de kinderen het volgende ‘gedicht’ gemaakt, dat de taal van het kubusvormige zoutkristal tot uitdrukking brengt:
Ik sta op de aarde, stevig en vast
Kijk ook op naar de hemel, vrij van aardelast;
Mijn rechterhand krachtig tot handelen bereid
Mijn linkerhand dankend tot ontvangen geneigd
Met de schat van ervaring die achter mij ligt
Zijn mijn schreden moedig op de toekomst gericht.
Zo staat de mens in het heelal
Zegt mij de eenvoudige vorm van het zoutkristal.
Wij kunnen in de uitspraak van Jezus tot zijn leerlingen: ‘Gij zijt het zout der aarde’ een groot ideaal beluisteren van de mens, staande in een harmonisch evenwicht tussen uitersten. In dit verband is het uiterst boeiend te zien, hoe Leonardo da Vinci in één van zijn voorstudies voor het reeds eerder genoemde Avondmaal, Judas het zoutvat laat omgooien! Het zoeken van ons evenwicht wordt steeds bedreigd doordat dit evenwicht geen stabiele, statische, onwrikbare toestand is, maar integendeel een uiterst dynamische en bewegelijke.
De bewegelijke paasdatum en het daarbij behorende kosmische midden zijn daarvan een exacte uitdrukking. Omgekeerd kan deze kosmische constellatie ons wellicht helpen ons eigen bewegelijke midden te vinden.
Palmpasen/Pasen: alle artikelen
Jaarfeesten: alle artikelen
.
.
.
.
.
Geplaatst in jaarfeesten
Getagged Avondmaal, dagen van de week, evenwicht, maan, paasdatum, Pasen, rechts-links, voor-achter, zondag
De haas is in de nacht veel meer actief dan overdag. Zijn zintuigen zijn goed ontwikkeld, vooral het gehoor. Het is een zoog- en knaagdier, dat zich uitsluitend met planten voedt. Z’n ‘bloem’ (staart) is niet lang. Een hol heeft hij niet. Twee of vier maal per jaar worden er 2 tot 5 jongen geworpen in z’n ‘sas’, meestal ‘leger’ genoemd, een kuiltje in de vlakke grond. Dan is de haas in z’n ‘knollentuin’. Vooral de ‘rammelaar’ (mannetje) staat bekend als uiterst intelligent en slim. Deze eigenschappen zowel als de grote vruchtbaarheid van de moederhaas behoeden hem voor totale ondergang, want de haas is het dier, waarop het meest jacht wordt gemaakt. Geen zoogdier werd en wordt (?) zó achtervolgd als hij. Hij slaapt niet met open ogen, zoals men beweert, maar wel wordt hij wakker bij ’t allerminste gerucht. Is er gevaar dan drukt hij zich plat neer, houdt zich doodrustig en let scherp op. Dit noemde men het ‘slapen’ van de haas. Wij spreken van ‘hazenslaapjes’, wanneer, in een lichte halfslaap, onze ziel steeds even op speurtocht gaat buiten het lichaam. De Romeinen meenden, dat het eten van hazenvlees voor 7 of 9 dagen lieflijke schoonheid gaf, terwijl nu nog de mening heerst, dat hazenvlees een slaap schenkt, die rijk is aan dromen. De jagende mens heeft vaak de alertheid van de haas en zijn snelle vlucht – bij ontdekking, verkeerd geïnterpreteerd als bangheid. De haas is niet bang, maar waakzaam en zeer snel.
In Egypte was de haas toegewijd aan de godin Oeroet. In Griekenland aan Artemis en aan Afrodite. In het Noorden aan Ostara. Dit waren allen godinnen van schoonheid, liefde en vruchtbaarheid. En al heeft de kerk dan ook in de 8ste eeuw het eten van hazenvlees verboden, zij heeft niet kunnen verhinderen, dat nu nog bij het Ostarafeest (vgl. ‘Ostern’ is Pasen) de Ostara-haas (vgl. ‘Osterhase’ is paashaas) bij ons z’n intree doet. Daarmee acht men het geheim van de paashaas verklaard. Maar ‘on peut lever le lièvre’ (men kan de haas optillen), zoals de Fransman zegt. In goed Nederlands: ‘men kan een origineel idee krijgen’! Dit leerde ons het werk van wijlen C.A. Wertheim Aymès: ‘Die Bildersprache des Hieronymus Bosch’. (Ook in het Engels vertaald). De meeste achtergrondgegevens omtrent de haas dank ik aan hem en aan de Heer D. van Bemmelen te Den Haag.
Een zoogdier is altijd een symbool voor iets, dat te maken heeft met een activiteit van het fysieke lichaam van de mens. De haas vertegenwoordigt de activiteit van het Ego, het hogere Ik, in het fysieke lichaam. Van het verre Oosten tot het uiterste Westen, overal treft men het symbool aan van de haas. De Grieken kenden reeds het sterrenbeeld ‘lagoos’, de Romeinen ‘lepus’, aan het zuidelijk halfrond. Beide namen betekenen’ haas’. Ook de Egyptenaren moeten dit sterrenbeeld gekend hebben. Het is te vinden onder Orion en omvat 19 sterren. De Boeddha in de maan werd gezien als een haas (‘Het Haasje in de Maan’). Men vindt hem in Peru, in China, op munten, op kledingstukken, in sprookjes over de hele wereld, op Griekse vazen, op aardewerklampen uit vroegchristelijke tijd, op alchemistische tekeningen, op beeldhouwwerken uit China, Duitsland en de Elzas, enz… Hij is afgebeeld op schilderijen, o.a. dicht bij de Madonna of in haar hand (Titiaan, Hans Baldung Grien, Holbein e.v.a.). Wij zien hem tenslotte op verschillende schilderingen van Jeroen Bosch, (plus-minus 1460-1516). – C.G. Jung, de beroemde Zwitserse psychiater, schrijft in zijn boek ‘Psychologie und Alchemie’ (1952): ‘Wonend in het Westen zou ik in plaats van ‘Zelf’ zeggen ‘Christus’; in het nabije Oosten waarschijnlijk: ‘Chadir’; in het verre Oosten: ‘Atman’ of ‘Tao’ of ‘Buddha’ en in het verre Westen misschien ‘Haas’ of ‘Mondamin’ en in de taal van de Kabbala: Tifereth.’
Wat is dat dan, wat Jung het ‘Zelf noemt? Het IK van de mens, die op aarde leeft, woont in de warmte van het bloed. Het symbool moet dus een warm-bloedig dier zijn. Tijdens het leven teert het IK de levenskrachten op, het knaagt aan de levenskrachten. Dus moet het door een knaagdier worden voorgesteld. Zolang de Ik-kracht niet verdrongen is door krachten van het kwaad, het boze, d.i. door krachten die de harmonische ontwikkeling remmen of tegenwerken, is het Ik zonder verweer en doet het niemand enig kwaad. Daarom komt slechts een dier dat uitsluitend planten eet in aanmerking. De schadelijke krachten worden meestal voorgesteld door knaagdieren met een lange staart, die van alles eten. (Ratten, muizen, eekhoorns)
Wanneer een haas achtervolgd wordt door jachthonden en vermoeid raakt, springt een andere haas voor hem in de plaats en laat zich achtervolgen. Hij offert zich op voor zijn soortgenoot.* Nooit geeft de haas geluid. Hij schreeuwt alleen, als hij in doodsnood is. Ook bootst hij de mens na in het ‘opzitten’, de verticale lichaamshouding. Plutarchus zegt, dat de Egyptenaren de accuraatheid van zijn zintuigen en zijn snelheid als iets goddelijks beschouwden. — Herinneren wij ons dan nog, dat een haas geen hol heeft en uitermate waakzaam is, dan begrijpen wij, dat hij bij uitstek het symbool is van het Ik. Het Ik is onzelfzuchtig, schaadt niemand, komt in actie voor zijn broeders*, heeft geen tehuis op aarde en is altijd wakker. Het lagere Ik neemt de zintuigelijke wereld in zich op; het hogere Ik neemt waarnemingen op uit een hogere wereld. Het ziet deze in innerlijke, maar ware beelden, in imaginaties en hoort haar in woorden van binnen, in inspiraties. Het Ik is altijd wakend, laat aan de mens de geestelijke wereld zien en horen, maakt wakker en bewust en stelt hem verantwoordelijk voor zijn daden. Dit Ik is het Zelf, waar Jung op doelt. Het is het blijvende deel in de mens, dat zijn ‘geweten’ vormt, dat hem tot een moreel wezen maakt en dat voor zijn doen en laten uiteindelijk verantwoording draagt. Doch dit is slechts mogelijk in zoverre dit Zelf of Ik ook werkelijk voldoende aanwezig is. In deze tijd heeft het de fysieke organisatie zeer zelden reeds geheel doordrongen. Het Ik, het Zelf, dat de lichamelijk levende mens en zijn zielenleven nog maar gedeeltelijk kan besturen, wordt gesymboliseerd door de haas. De haas graaft geen hol in de grond.
Het konijn, dat nauw met de haas verwant is, doet dat wel. Daarom is het konijn het beeld voor de volledige penetratie van het Ik in de mens. Het Ik dringt door tot in het merg van de beenderen, daar waar het Ik-dragende bloed gevormd wordt. Over de wereld waartoe dit Ik behoort, kan men alleen maar spreken in beelden en deze moet men nemen uit de uiterlijke fenomenen. Zij zullen over de hele aarde niet altijd en overal precies hetzelfde zijn, doordat de uiterlijke verschijnselen verschillen. Het Ik wordt belaagd door duistere krachten, eveneens gerepresenteerd door knaagdieren.
De eekhoorn is de egoïstische kennis. In de Germaanse mythologie heet hij Ratatosk (Vliegende Twijfel). Hij is steeds vol twijfel en aarzeling, de schaduwzijde van het ware, geestelijke inzicht. In de Bijbel heet dat waaruit hij voortkomt, Diabolos.
De Satan van de Bijbel brengt ons de rat. Hij is het beeld van de egoïstische hebzucht, de dienaar van de grote zelfzuchtdraak, die de wereld omspant en die de Ik-ontwikkeling tegenhoudt.
De muizen zijn de dagelijkse boosaardigheidjes van de mens. Zij zijn nog veel vruchtbaarder dan hazen en konijnen. Nu heeft ieder symbool twee kanten: Een aardse kant en een die meer naar de hemel, het boven-zinnelijke, is gericht. De aardse kant van deze knaagdieren, ook van de haas, is hun sterk voortplantingsvermogen. De bovenaardse kant hun creativiteit. De ikzucht, de hebzucht, is buitengewoon creatief, slim en scherpzinnig, gericht op aards bestaan en geestelijke macht. Maar het is de spirituele vruchtbaarheid, de ware geestelijke creativiteit, die ons Ik behoedt voor een totale ondergang.
Deze ondergang zou onafwendbaar zijn geweest, als de hogere, goddelijke wereld niet had ingegrepen. Door de invloed van diabolische en satanische machten zou het Ik van de mens geheel ten gronde zijn gegaan. De incarnatie van een goddelijk Ik-wezen in een menselijk lichaam, Zijn offerdood en Zijn opstanding, die de overwinning is op de ondergang, heeft de mens weer de mogelijkheid gegeven zijn werkelijke leven, het leven van zijn Ik, te behouden en zijn eigen Zelf creatief verder te ontwikkelen en te vervolmaken.
Zo werd het feest van Ostara, van de verjonging, van de opstanding in de natuur, voor de christenen het feest van Christus’ dood en verrijzenis. Van Ostara bleef in Duitsland ook nog de naam. Bij ons bleef alleen het dier, dat haar was toegewijd: de paashaas. Hij brengt ons de nieuwe levenskiemen, de nieuwe mogelijkheden: de paaseieren. In het ei zijn ook de krachten van zon en maan te vinden: de ronde, gele dooier en het wit. Ook schenkt Pasen het jonge, nieuwe leven: de paaskuikens. Maar wat wordt er niet op de paashaas gejaagd! Miljoenen karikaturen van hem worden over de wereld verspreid. Hij is vernederd tot een handelsobject, een commerciële stimulans, een winstmaker, gevuld met winstmakende eitjes. Dat bent U, dat ben Ik! In de bekende Playboyclub in Londen wordt men bediend door ‘bunnies’. Dat zijn ‘konijntjes’, mooie meisjes met blote schouders en blote benen en een grote strik met hoog opstaande punten (oren !) in het haar. Begint u te begrijpen wat achter dit alles schuilt? Hoe de Christus en ons Paas-Ik nog steeds wordt achtervolgd door snuffelende, rennende, goed afgerichte honden? In vroegere eeuwen waren het dogmaverstarring, zucht naar rijkdom, roem en macht, onverdraagzaamheid, kettervervolging. Het waren ‘honden’ in velerlei soorten. De meesten van die ‘honden’ zijn nog aan ’t werk. Er zijn er vele bijgekomen.
Maar de paashaas blijft. Hij blijft ook zachtmoedig. Voordat de haan bovenop onze levensboom, onze Ik-drager, onze palmpaas, gekraaid heeft, zullen wij Christus misschien nog vaker dan Petrus verloochend hebben. Maar direct daarna zegt Christus: ‘Uw hart worde niet ontsteld… Men heeft Mij vervolgd, men zal ook U vervolgen… Schept moed: Ik heb de wereld overwonnen. (Joh. 14:1;15:20;16:33)
Het zal enorm moeilijk zijn, de paashaas van binnenuit goed te gaan begrijpen en in ere te herstellen. Wie hem tracht uit te roeien, roeit zichzelf uit. Wie hem vanuit zijn onbegrip minacht en bespot, minacht en bespot zichzelf. Toch zal onze paashaas ons helpen het hoogtij van Pasen steeds dieper te doorleven. Want ‘Christus is waarlijk opgestaan.’
*Feit of verdichtsel? Ik heb er nog geen bewijs voor gevonden.
Palmpasen/Pasen: alle artikelen
Jaarfeesten: alle artikelen
.
.
.
.
.
Geplaatst in jaarfeesten
Getagged eekhoorn, ei, haas in oude culturen, IK, konijn, muis, paasei, paashaas, Pasen, rat, Ratatosk(er), zelf
.
.
De dood schenkt het leven
Er is een tijd geweest, waarin de mensen de veranderingen in de natuur meebeleefden: het verwelken van het leven in de herfst, het ontwaken van de natuur in de lente. Men nam echter niet alleen de uiterlijke feiten als buitenstaander waar, maar men liep de kringloop van het jaar zelf met zijn hele wezen mee. — Wat gaat er om in de mens als hij zijn lichaamskracht voelt afnemen? Wat gaat er om in de kinderziel, als zij de levenskrachten in zich voelt ontwaken?
Toen de eerste christenen de kruisdood en de herrijzenis van Christus gingen herdenken, konden zij nog meemaken, hoe in de lente hun eigen leven opging in dat van de uiterlijke wereld. Hun religieuze belevenis, hun gevoel van verbonden te zijn met een hogere, bovenzinnelijke wereld inspireerde hen echter tot de gedachte: ‘De goddelijke wereld is in ons in het graf gelegd, maar hij is opgestaan. – Hem kan men begraven, zonder dat hij te gronde gaat.’
Doch hoe beleven wij in deze tijd nog de kringloop der seizoenen? Ons leven wordt steeds meer airconditioned. De heb- en gemakzucht verblinden ons, en als wij door de zichtbare wereld proberen heen te kijken naar een toekomst, dan zien we slechts ziekte, dood en… niets. Dan wordt iedere religie een fopspeen, iedere bewering over een bovenzinnelijke wereld, over een wereld achter de dingen, een zoethouwertje.
En toch: alles wat wij verwachten van een sociale vernieuwing, van een verbetering van onze maatschappij, het zal alleen dan mogelijk zijn, als de mensheid opnieuw en nu zeer bewust geïnspireerd wordt door de gedachte, dat al het natuurlijke, het zintuigelijk waarneembare in directe samenhang staat met het morele, met het geestelijke. Het kan voor iemand die even dieper kijkt toch geen stom toeval zijn, dat hij hier in deze wereld is, dat zijn omstandigheden zijn zoals ze zijn. Hij zal zich afvragen: ‘Welke rol speel ik zelf in dit alles?’ – En dan heeft hij zichzelf en daarmee de wereld achter de dingen reeds ontdekt. Want als iets beweegt, als er iets gebeurt, dan moet er iets zijn, dat het in beweging brengt, dat het tot een feit maakt. In het zegen brengende licht van de lentezon kan de bewust denkende mens, als hij het wil, opnieuw de realiteit ervaren van een wereld, die goddelijk, geestelijk, occult, bovenzinnelijk, achter de dingen is. Hoe men die wereld ook wil noemen: voor de christen is dat de wereld die Christus voor de mens heropend heeft.
Christus heeft de mens de mogelijkheid gegeven om zélf de hel van het niets, de ziekte en de dood te overwinnen. Door Zijn daad zette Hij in de plaats van de leugengestalte van de dood-als vernietiger de ware, werkelijke gestalte van de dood-als-schenker-van-leven.
Toen de mens deze wereld achter de dood nog, zij het meer onbewust, kon beleven, ontstonden de oeroude, voorchristelijke gebruiken. Wat is de zin ervan? Het zijn allemaal symbolen, beelden voor datgene wat eigenlijk niet in woorden kan worden weergegeven. Deze beeldentaal gebruikt ook de mythologie, gebruiken ook de sprookjes.
Paasei
Probeert u eens even te vergeten wat een ei is. Het is op het eerste gezicht – een witte gepolijste steen. En dan, nadat de hen het 21 dagen heeft bebroed, komt er een levend wezen, een kuiken uit te voorschijn. Een beter beeld voor het wonder der opstanding uit de dood is nauwelijks denkbaar. Dit schijnbaar dode ding heeft dus leven in zich! Hebben zo alle dingen niet een onzichtbare kracht in zich? De graankorrel, de boon, de plant, de boom, het water, de lucht, de aarde en het zonlicht? En de mens, die wij zien groeien en bewegen, zal die niet op zekere dag voor ons een nieuwe, niet vermoede kracht kunnen openbaren?
Veel mensen beginnen zich bewust te worden, dat de gebeurtenissen waarmee zij worden geconfronteerd, evenzeer als hun eigen beslissingen geen toevalligheden zijn. De mens draagt nog altijd in zich een bovenzinnelijke levenskracht. Wie goed om zich heen kijkt, kan in vele van zijn medemensen de opstanding zien. Zou het kind, dat nog heel anders kijkt dan de volwassene, niet onbewust iets van die ontwaking mee beleven? Wat een vreugde als het een in de tuin of in het huis verstopt paasei vindt! Laten wij toch zoeken naar de eieren die overal in de wereld verstopt zijn!
Na de lichtfeesten in de wintertijd, begonnen in de lente de feesten der vruchtbaarheid. Maar de mens is niet alleen lichamelijk vruchtbaar. Zijn geest kan vruchtbaar zijn voor de hele wereld. De levensboom, waarom wij ons schaarden met Kerstmis, is het symbool van de groei- en levenskrachten in de mens, maar ook van de ik-drager, de drager van de geest. Wij zien in de lente dan ook deze levensboom als meiboom terugkeren. Met de palmpaasoptocht draagt ieder kind zijn eigen mei, zijn eigen levensboom. Bovenop prijkt meestal de haan, het mythologische dier, dat in de prilste morgenschemer de heraut is van de nieuwe dag die komt. Soms was het een zwaan, het symbool van de kracht in de ziel, die omhoog kan vliegen tot grote, geestelijke hoogten.
Vaak is een broodkrans, horizontaal of verticaal, aan de paasstok gebonden. Deze duidt aan: het rad van de zon, de geestelijke zon, die eeuwig is. Aan de stok is altijd groen bevestigd van een boom die nooit verdort. In onze streken meestal van de buksboom (Buxus sempervirens), die dan ook dikwijls Bukspalm heet. Weer een symbool voor het eeuwige leven. Er hangen gedroogde of andere vruchten aan, of de stok is gestoken door één of meerdere sinaasappels. Vruchten dragen immers het nieuwe levenszaad! De ‘palmpaas’ heeft de vorm van een meiboom in het klein, doordat een ring ( men noemt het ‘rad’ of ‘wiel’) horizontaal rondom de stok is opgehangen. Stam, krans en haan vormen de hoofdbestanddelen van de meiboom (Saksisch type). Ofwel het is een lange stok, waaraan appels, sinaasappels, krentenbroodjes enzovoort, zijn geregen, met bovenop de zwaan of de haan (Fries type). Ofwel het is een kruishout (een Christussymbool), met gekleurd papier omwoeld, dat de bovengenoemde ingrediënten draagt (Zuid-Nederlands type) Maar overal hangen er de eieren aan, de paaseieren.
Palmprocessies
Met deze ‘palmpasen’ houden de kinderen een ommegang. Dit is een overblijfsel van de heidense lente-optochten en van de palmprocessie. Deze processie werd het eerst in Jeruzalem gehouden. Een non uit de Provence, die in de 4de eeuw een pelgrimstocht maakte naar het Heilige Land, vertelt er over in haar dagboek. De gelovigen kwamen op de Olijfberg tezamen en geleidden vandaar de bisschop, die Christus verbeeldde, naar de stad. Allen droegen palm- of olijftakken. Van Jeruzalem uit verbreidde het gebruik zich over het westen.
In de middeleeuwen hield iedere stad één gezamenlijke processie. Er werd altijd een ‘palm-ezel’ meegevoerd. De ezel is het beeld van ’s mensen stoffelijk lichaam. Eerst was het een levende ezel, maar later werd het, omdat zo’n ezel erg koppig en weerbarstig kan zijn, een ezel van hout. Ook de berijder, Christus, aanvankelijk door een hoge geestelijke voorgesteld, werd later in hout uitgebeeld. Eerst gedragen op de schouders, later op wielen voortgetrokken. U kunt de ‘palmezel’ nog in enkele musea zien. Het werd steeds meer een uiterlijk kijkspel. De hervorming maakte er een eind aan.
De oude gebruiken gaan van de volwassenen over naar de kinderen. Eerst bootsten zij ’s middags na wat zij ’s morgens hadden gezien. Al bezitten wij nog een keur van het dorp Uitgeest uit 1635, waarbij het lopen met Sint-Maartenslichten of met Palm- ofte diergelijcke groenten’ of met ‘Pingsterblommen’ wordt verboden, toch vinden wij dit gebruik nog zowel in protestantse als in katholieke streken terug. Een van de meest interessante bijzonderheden is het lied, dat in vele varianten bij deze optocht gezongen wordt:
.
Pallem-pallem-pasen,
Ei – koer – ei,
Over enen zondag dan krijgen wij een ei.
Een ei is geen ei,
Twee ei is een hallef ei,
Drie ei is een Paas-ei.
Het oorspronkelijk lied, waar deze kinderdreun een kapot gezongen overblijfsel van is, kennen wij niet. Maar dit overblijfsel is al interessant genoeg. ‘Ei — koer – ei1 komt waarschijnlijk van een Griekse smeekbede (op z’n Latijn uitgesproken), die ook nog te vinden is in de roomse mis: ‘Eleison, Kurië, eleison.’ Ontferm u. Heer, ontferm u.’ —
En dan die merkwaardige drie eieren! De oude Chinese wijzen leerden, dat alles ontstaat uit drie dingen: Twee krachten en het spanningsveld tussen beide. Twee levende, steeds veranderende krachten en hun onderlinge relatie. Iets is lang en iets anders kort door het verschil tussen beide. Vader, moeder en kind. De Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Een aardse mens, zijn bovenzinnelijk hogere wezen, en dat waar de mens ik tegen zegt. De aarde, de hemel en… het ‘feest’.
Ons redenerend verstand heeft om dit te begrijpen een norm nodig. Het moet een moment in de tijd, een vorm in de ruimte fixeren. Het levende, altijd groeiende krachtenveld tussen ruimte en oneindigheid, tussen tijd en eeuwigheid, kan slechts betreden worden door ons geestelijk wezen, door ons creatief vermogen, door onze inspiratie, door ons Ik. —
Eén ei, één kiem van een mensen-ik is niets, want iedere mens heeft de andere mens nodig. Twee-ei, twee mensen kunnen gemeenschap hebben en zich voortplanten, maar dat is nog maar de helft van het mensenwezen: het zintuigelijk-lichamelijke. Wat is een half ei? Het is ten dode gedoemd.!
Drie ei (niet drie eieren) de drie-eenheid van het lichaam, en de ziel, en de geest, die hen tot werkelijkheid brengt, dat is het werkelijke paasei: de opstanding uit de dood! – Christus is de waarheid en het leven én de weg.
Paashaas
Uit het oosten kwam de haas naar onze landen gesprongen, om hier de paashaas te worden, die ons de eieren der opstanding brengt. Een zachtmoedig dier, dat zich snel voortplant en dus een symbool voor de vruchtbaarheid. Hij heeft geen eigen huis, het hele land is zijn woning. Daarom is de haas ook het beeld voor ons hogere Ik-wezen. Wordt een haas achtervolgd, dan gaat een andere haas voor hem aan het lopen, om zijn vermoeide soortgenoot te redden.* Zo is hij tenslotte een symbool voor het Christus-wezen, dat onzelfzuchtig is en toch altijd achtervolgd wordt door de zelfzuchtigcn en dat zijn leven geeft voor zijn broeders.
Het kind kent nog niet het werkelijke kwaad, het kent de dood nog niet en is daarom nog niet aan de eigen opstanding, aan het werkelijke, het christelijke paasfeest toe. Voor hem duurt het paasfeest meer dan één volle week. Want het paasfeest begint reeds met palmzondag, de zondag vóór Pasen. Dit feest heet dan ook ‘Palmpasen’. Het is het begin van de paasweek, het overwinningsfeest van de zichtbare, uiterlijke zon. Die schenkt ons ieder jaar een nieuwe lente en iedere morgen een nieuwe aardedag. Aan haar dankt de aarde het natuurlijke leven. Maar deze natuurlijke zon gaat iedere avond onder. Zo bloeit het leven op, om weer te sterven in de dood.
Het was het stoffelijk lichaam van Jezus, dat men eenmaal feestelijk binnenhaalde in Jeruzalem. Vijf dagen later liet men het kruisigen. Want het wezen, dat in dat lichaam woonde, het eeuwige licht van de geestelijke zon, dat had men niet gezien. Daarom vertelt het Lucasevangelie ook, dat Jezus, tijdens zijn intocht dichterbij de stad gekomen, Jeruzalem vóór zich zag en zei: ‘Och mocht gij op deze dag toch verstaan, wat tot uw vrede dient, maar thans is het verborgen voor uw ogen.’
Pasen, een week later, is het hoogfeest van het leven, dat geen ondergang kent en dat Christus aan de mens schonk door zélf mens te worden. Hij overwon de dood van de materie en opende de poort naar de geest. Hij onthulde voor onze ogen de toegang tot het wezenlijke vredefeest.
.
Palmpasen/Pasen: alle artikelen
Jaarfeesten: alle artikelen
Vrijeschool in beeld: Palmpasen – Pasen
.
.
.
.
.
Geplaatst in jaarfeesten
Getagged beeldentaal, drie ei is een paasei, levensboom, meiboom, paaseieren, paashaas, palmezel, Palmpasen, palmpasentstok, Pasen
.
waarom is Pasen elk jaar op een andere datum?
Het is juist 77 jaar (in 1974) geleden dat de Duitse astronoom Wilhelm Foerster, naar aanleiding van een conferentie van de internationale Vereniging voor Maten en Gewichten, het Vaticaan het voorstel deed om de datum van het paasfeest eens en voor altijd vast te leggen. Het antwoord van de toenmalige staatssecretaris van paus Leo de Xlll, kardinaal Mariano Rampolla, laat geen twijfel over betreffende de opvattingen van de roomse kerk omtrent de betekenis van het paasfeest. Wanneer men de voorgestelde hervorming uitsluitend zou bezien in het licht van maatschappelijk voordeel, aldus de kardinaal, zou het project ongetwijfeld gunstig worden ontvangen. Maar de kerk “had ook rekening te houden met tradities, dat wil zeggen met het mysterie van dood en opstanding.” Indien echter de publieke opinie door de geleerde wereld beter zou worden voorgelicht, en er daardoor een algemeen verlangen zou ontstaan naar een relatief vaste paasdatum, zou de Heilige Stoel zo’n initiatief zeker in overweging nemen.
Sindsdien zijn er telkens voorstellen geweest om een eind te maken aan de beweeglijkheid van de paastermijn. Zoals bekend, wordt Pasen elk jaar op een andere datum gevierd, doordat er op het concilie van Nicea in het jaar 325 (dus in de vroege Christenheid) bepaalde afspraken over de astronomische berekening van het jaarlijkse paasfeest zijn gemaakt. Daaraan heeft de Christenheid zich sindsdien gehouden — de methode van de berekening is bij kalenderhervorming van 1582 nog wat geperfectioneerd. – Maar ook nu weer, in deze jaren, wordt er op internationaal niveau overlegd of het niet tijd wordt, een eind te maken aan deze beweeglijkheid van de paasdatum, en Pasen voor de verdere toekomst te “fixeren” in het jaarverloop.
Een commissie voor de wereldraad der kerken is daar bijvoorbeeld al jaren mee bezig. Het tweede Vaticaans concilie heeft zich er ook over beraden en het besluit gevat zich tegen zo’n kalenderhervorming niet te zullen verzetten (“mits ook in het bijzonder de gemeenschap der van de Heilige Stoel gescheiden broeders daarin zou toestemmen”). En een speciaal bureau van de Verenigde Naties heeft de plannen, samen met een voorstel tot invoering van een eeuwigdurende “wereldkalender” (een gefixeerd weekritme inbegrepen) al zo ver klaar, dat het geheel bij wijze van spreken direct ingevoerd zou kunnen worden. Alleen een aantal regeringen heeft nog niet toegestemd, en van de zijde der joodse orthodoxie zijn er bezwaren gemaakt.
SLEUTEL
Veel mensen denken tegenwoordig dat Pasen een stuk mythologie is. En met “mythologie” bedoelen ze dan dat het niet werkelijk gebeurd is. Even afgezien van de vraag of mythologie niet ook eens werkelijkheid was, blijft het probleem over of Pasen iets werkelijks is. Sedert meer dan negentien eeuwen hebben christenen dat inderdaad zo gesteld. In onze tijd wordt het meer en meer betwijfeld — of ontkend. Even afgezien van de vraag of de twintigste eeuw zich dat oordeel wel kan veroorloven, en of onze twintigste-eeuwse cultuur over zo’n soeverein inzicht en over zo’n morele zekerheid en reinheid beschikt dat ze Pasen met de term “onwerkelijk” kan afdoen — blijft toch de vraag bestaan wat Pasen zelf is.
Wie zich daarvoor interesseert komt tegenover een vraagstuk te staan dat het hele leven betreft. En één van de sleutels om dat te begrijpen is juist de bewegelijkheid van de datum. Iedereen kent uit eigen ervaring wel, hoe men jaren lang met een probleem leeft, en op een gegeven ogenblik komt de oplossing. Er wordt een inzicht geboren, dat misschien in tegenspraak is met wat we tot dan toe gedacht hebben. Dat komt bijvoorbeeld vaak voor bij een crisis, waarin een mens een levensbeproeving doormaakt. Iemand wordt bijvoorbeeld uit zijn beroep ontslagen, en hij is er diep van overtuigd dat dat onrechtvaardig was. Of een huwelijk breekt uit elkaar, doordat een van de partners de ander verlaat; deze maakt dan de vernedering door van “verstoten zijn” en voelt zich beledigd en verraden. Of een mens wordt in een belangrijke zaak in het ongelijk gesteld, maar hij kan niet inzien waarom; wrok blijft er over. Velen van ons kennen zulke of soortgelijke ervaringen. Ze houden ons uit de slaap, “we komen er niet overheen”, steeds opnieuw zijn we ermee bezig, een groot onbegrijpelijk brok dat daar in het zieleleven ligt, een echte levensbeproeving. — Maar het leven gaat verder, de tijd brengt nieuwe ervaringen, er ontstaat ondanks het leed toch afstand tot het gebeurde. En op een dag, misschien jaren of zelfs een tiental jaren later bemerk je dat er andere gedachten over het drama zijn ontstaan: in de terugblik heeft het gebeurde een andere plaats gekregen, allerlei details zijn intussen vervaagd, terwijl er nieuwe gezichtspunten zijn ontstaan die je vroeger nooit zou hebben willen aanvaarden, maar die nu ineens wezenlijk zijn geworden. Alles ziet er nu anders uit, ja — er komt een verbazingwekkende waarneming: er begint dankbaarheid te ontstaan voor het gebeurde -“als me dat toen niet was overkomen, zou ik later nooit…” De beproeving blijkt achteraf juist de oorzaak te zijn voor een positieve verdere ontwikkeling, de crisis is vruchtbaar overwonnen. En je hoort zeggen: “aan die moeilijkste uren van m’n leven heb ik het allerbelangrijkste te danken, er is iets totaal nieuws in m’n leven ontstaan.” De gebeurtenis, vooral als het een diep ingrijpend gebeuren was, was als “de dood”, je stierf een beetje. Ook je voorstellingen en denkbeelden, misschien je hele levensopvatting maakten de dood door (“ik voel me een gestorvene”, hoor je in zo’n situatie iemand wel eens zeggen). Ook je eigen — geliefde — gedachten over jezelf en anderen zijn in de crisis mee ondergegaan, “ik ben heel anders over het leven gaan denken”. Ook allerlei gebruikelijke gevoelens zijn ondergegaan, als een schip in de storm, je ervaart misschien ineens dat je je tegenstander, of degene die je alles heeft aangedaan, hebt vergeven — niet sentimenteel, maar écht. Je gevoelsleven is veranderd, er is nu iets mogelijk wat er vroeger niet inzat.
TRADITIE?
Toen kardinaal Rampolla, in zijn antwoord aan de astronoom Foerster, op diens voorstellen zei dat de kerk ook rekening had te houden “met het mysterie van dood en opstanding”, heeft hij er misschien niet aan gedacht dat het een puur mysterie is dat mensen op een vruchtbare, vrije manier individueel een levenscrisis kunnen overwinnen, en dat dat -in beeld gesproken – een zaak van dood en opstanding is. Wie dat echter heeft doorgemaakt weet het uit eigen ervaring. En er zijn veel mensen die dat weten. De kerkvorst heeft waarschijnlijk meer de traditionele leer (het dogma) van Christus’ dood en opstanding voor ogen gehad. Hij spreekt tenminste van “een traditie”.
Maar eigenlijk zou het voor een modern onbevangen redelijk gezond verstand denkbaar moeten zijn dat het beginsel, dat aan deze overlevering ten grondslag ligt, een beginsel van genezing, van beweging is, van vernieuwing die uit een sterfproces voorkomt, het principe van de wedergeboorte in de dood. Opstanding is metamorfose, herrijzenis uit een ondergaande toestand in een nieuwe gestalte. En een mens die dat doormaakt weet ook dat er beweging in zijn leven gekomen is, dat de verstarde en vastgelopen voorstellingen gestorven zijn, dat er uit die dood iets nieuws is geboren, bewegelijk als alles wat nieuw geboren is.
Een feest, elk feest, moet een toonbeeld zijn van dat waarvoor het gevierd wordt. Het is een grandioos feit, en volledig in overeenstemming met “het mysterie van dood en opstanding”, dat Pasen door de eeuwen heen telkens op een andere datum plaats vindt — het toont “bewegelijkheid” in hoge mate en staat in zekere zin tamelijk los van de loop van de zon door het jaar (waaraan Kerstmis, Sint-Jan, de michaelsdag op vaste data gebonden zijn).
Pasen vertoont ten opzichte van de tijd iets van die vrijheid, die ook een mens heeft ten aanzien van de omstandigheden als het erom gaat een crisis vruchtbaar te doorstaan — want dat is altijd een zaak van vrije wil. Geen macht ter wereld kan mij tot herrijzenis dwingen.
Natuurlijk blijft Pasen daarmee toch nog een mysterie, al kun je er in gedachten mee omgaan. — De overwinning van de dood, op aarde door Christus volbracht, heeft aan de hemel elk jaar een beeld getekend, in het schrift van de hemelverschijnselen: de dagen zijn langer dan de nachten geworden, de eerste zondag na volle maan is voorbij, Pasen is gevierd — daar staat na zonsondergang aan de avondhemel een smalle zilveren maansikkel, en met een merkwaardig asgrijs licht zien we de gehele maanschijf verlicht: de schaduwzijde van de maan ontvangt (zoals Leonardo da Vinci als eerste ontdekte) dit matte licht door de zonbeschenen aardel De aarde belicht haar begeleider, de maan, met een zacht weerkaatst zonnelicht. Iedereen die dit verschijnsel wel eens heeft gezien is getroffen door de raadselachtige sfeer van dit beeld. (Het is soms al een of twee maanden eerder te zien, maar meestal is het na Pasen het mooiste.)
Er zijn nog veel andere motieven te vinden voor de beweeglijkheid van de paasdatum, en het is een onuitputtelijk motief: de vraag wat Pasen, het feest van Christus’ opstanding is. Eén ding is wel zeker: wie Pasen wél wil vieren, maar de datum van het feest wil vastleggen, is in diepe tegenspraak met de betekenis van het feest zelf.
Palmpasen/Pasen: alle artikelen
Jaarfeesten: alle artikelen
.
.
.
.
.
Laatst, toen ik in een weekend thuis kwam, vertelde mijn moeder, dat de kippen na al die koude maanden weer “aan de leg” waren.
Naar aanleiding van dit voorval gingen mijn gedachten uit naar de komende paastijd.
In de tijden dat het nog niet zo vanzelfsprekend was dat je het hele jaar door kon eten wat je wilde, moet het de mensen vrolijk gestemd hebben om in het voorjaar weer eens een vers ei te kunnen eten.
Ook de eerste lentegroentes gaven de eettafel na lange tijd weer een fleurig aanzien.
Al deze dingen horen bij de paastijd, maar wat zegt het feest van Pasen ons nog meer?
Heel vroeger was het het feest van de terugkeer van het leven in de natuur. Later is dit feest verchristelijkt.
Nu vieren wij met Pasen eigenlijk de opstanding van Christus.
Het ei is een prachtig symbool voor deze opstanding: uit die ogenschijnlijk
levenloze eierschaal komt opeens een kuikentje tevoorschijn.
In de week voor Pasen wordt er in de kleuterklas het overbekende liedje gezongen van:
Pallem-pallem-pasen, Ei-koer-ei,
Over enen zondag dan krijgen wij een ei,
Een ei is geen ei,
Twee ei is een hallef ei,
Drie ei is een Paasei.
Het oorspronkelijke lied, waar deze kinderdreun een kapot gezongen
overblijfsel van is, kennen wij niet. Maar dit overblijfsel is al interessant genoeg. ‘Ei-koer-ei’ komt waarschijnlijk van een Griekse smeekbede (op z’n Latijn uitgesproken) die ook nog te vinden is in de roomse mis:
“Eleison, Kurië, eleison” Ontferm u, Heer, ontferm u”.
En dan die merkwaardige drie eieren!
De oude Chinese wijzen leerden, dat alles ontstaat uit drie dingen: twee krachten en het spanningsveld tussen beide.
Twee levende, steeds veranderende krachten en hun onderlinge relaties: vader, moeder, kind.
Één ei, één kiem van een mensen-ik is niets, want ieder mens heeft de andere mens nodig.
Twee-ei, twee mensen kunnen gemeenschap hebben en zich voortplanten, maar dat is nog maar de helft van het mensen-wezen: het zintuigelijk—lichamelijke.
Drie ei, (niet drie eieren) de drie-eenheid van lichaam, ziel en geest, die
hem tot werkelijkheid brengt, dat is het werkelijke paasei!
Als ouders en kleuterleidsters kun je dan ook echt genieten, wanneer de kinderen als dolle honden aan het eieren zoeken gaan, die de paashaas
voor hen zo goed verstopt heeft.
.
Palmpasen/Pasen: alle artikelen
Jaarfeesten: alle artikelen
Vrijeschool in beeld: Palmpasen – Pasen
.
.
.
.
In het palmpasenfeest zoals wij dat kennen, vloeien heel wat invloeden samen.
Sterk aanwezig is een voorchristelijk restant van het oude lentefeest. Voorts ook een christelijke invloed, die zich ongetwijfeld steeds sterker heeft doen gelden, namelijk de herinnering aan de intocht van Christus in Jeruzalem.
In Nederland werd dit feestvieren door de reformatie al snel ingedijkt, doch in het katholieke zuiden beleefde het een lange bloei. Velen zullen zich nog herinneren hoe men op palmzondag door het kruis voorafgegaan met “palmen” rond de kerk trok.
Dan werden de palmen gewijd en boven de deur van huis en stallingen opgehangen, heel dikwijls ook achter het wijwatervatje of het kruiske.
De kleine kinderen, die natuurlijk nog geen bewuste verhouding tot het christelijke paasgebeuren vinden, maken er HUN vrolijk lentefeest van.
In dat feest zijn al deze gebruiken verweven:
De vreugdevolle liederen die de lente bezingen, de bloemen, de dansen rond ( jawel) de meiboom, dit alles naar voorchristelijk gebruik.
Zingend in een grote keten rond de kerk trekken (zoals men dat in het Nederlandse Ootmarsun doet) wordt bij hen ‘zingend door de school trekken’ waarbij dan ook nog de palmtakjes en de palmpasenstokken (kruisen) horen.
Zo’n palmpasenstok is dus een symbolisch kruis, waarop bevestigd: palmtak, broodhaantje, de kraaiende verkondiger van de nieuwe dag, of als U wil de haan die driemaal kraaide toen Petrus Christus verloochende. Verder nog vruchtenslingers, vooral rozijnen, bij ons meestal door papieren slingers vervangen en bloemen als lentesymbool. In sommige streken ook nog de broodring als zonnesymbool.
Zo gaat dan de vreugdevolle jeugdige optocht, tot zij tenslotte als beloning van “de groten” een mooi beschilderd eitje, ook al zo’n levenssymbool mogen ontvangen.
Zingend trekt de jonge schare de zon tegemoet, zich niet bewust van het drama van Golgotha dat nog volgen moet.
Hier volgt hun lied :
Palm, palm, Pasen
Heikoerei
x Over enen zondag
x Dan hebben wij een ei
Eén ei is geen ei
Twee ei is een half ei
Drie ei is een paasei
x deze woorden zijn intussen bij ons verloren gegaan.
.
Palmpasen/Pasen: alle artikelen
Jaarfeesten: alle artikelen
Vrijeschool in beeld: Palmpasen (met o.a. voorbeelden van broodhaantjes en palmpasenstok; bij Pasen: jaartafels
.
.
.
.
..
.
Tijdens de bijeenkomst van 8-9-1979 werden deze aantekeningen gemaakt:
De Boomdrager is een totaal andere figuur dan de Sterrenzanger, het is een oudere, nettere man, aan die 5 personen is ook minder te schikken!
God-Vader staat tijdens het Sterregesanck met de Engel links op het toneel, Adam, Eva en de Duivel staan rechts op het toneel. [pw: vanauit het toneel gezien, niet vanuit de zaal]
Adam groet alleen God-Vader, en verder niet veel, want hij is nog ongeschapen. Vroeger deden wij in Den Haag na de Boomdragersspreuk het 2de couplet van Nr.1 over, nu doen wij bij het binnenkomen het 1ste couplet, en na de Boomdragersspreuk het 2de couplet.
De Engel buigt bij de ‘achtbaare, seer vroede, goetgunstige heeren’ 3 maal, en bij de “deugtsaame vrouwen ende jonckvrouwen in alle eere” ook 3 maal» Vraag: waarom in drie richtingen buigen ?
Antwoord: omdat overal die eerbare vrouwen zitten. Anders moet je ze er speciaal uitpikken…..
Je moet niet bezuinigen op het groeten, geen knieval doen voor het ongeduld van het kind. De groet is een heel belangrijk iets. Wat is eigenlijk een groet?
In de Griekse tekst van het Lucas-Evangelie (Lucas 1:28) staat er dan: chairete = verheug je.
Als je dat weet, dan laat je dat de kinderen rustig eens doormaken. De kleintjes hebben er nog gevoel voor, en de 12de klas heeft er weer wel gevoel voor.
Nu komt de grote ommegang Nr.2 “Hoe koel schynt ons den morgen”.
Opmerking van Christof Wiechert: de schepping is van boven naar beneden: hoofd, ademhaling, voeten, het is dus een staande schepping. Dit naar aanleiding van de vraag of Adam bij zijn geschapen worden moet staan of knielen. In Oberufer knielde Adam met zijn hoofd in God-Vader’s schoot. Dat is wel erg Katholiek.
Opmerking van Wijnand Mees: ik ziel stofw.
voor Christus I O A
na Christus I A O
Dit in verband met het feit dat God-Vader aan Adam eerst de adem geeft, en daarna pas het verstand.
Hierna nr. 3, een ommegang vóór het toneel langs, en tegen de klok in.
In het 5de couplet, bij “en hij sliep”, dan stilstaan, Adam slaapt even, geknield.
God-Vader brengt Adam in slaap, het waarom kunt u lezen bij Rudolf Steiner : GA 103, 18-05-1908 en GA 104, 19-06-1908
De ommegangen zijn een muzikaal verhalend element, het epische, maar niet het dramatische.
Vraag: over de boom.
Antwoord: het is één boom met twee aspecten. Door het eten van de appel ontstaat de scheiding der bomen: het levensboomelement wordt er uitgehaald en in de ethersfeer bewaard.
Bij “Hier, neemt U ghesellinne aen” kijkt Adam eerst vol verbazing en vreugde naar die mooie Eva.
Als daarna Adam spreekt “Van herten ben ick hiertoe bereyt” en aan Eva herhaalt wat God-Vader zei, maakt Eva zeer geringe gebaren. Adam en Eva kijken niet naar de boom.
Dan komt de ommegang nr. 4, op het toneel. Bij het zingen gaat God-Vader staan. Adam vlucht naar voren.
Als Eva van de appel eet, maakt Adam tegelijkertijd afwerende gebaren.
Als Adam bijt, maakt de Duivel een luchtsprong (dus ietsje licht op de achtergrond !)
De Duivel treedt 3 maal op:
Adam en Eva zijn nu los van elkaar.
Zij komen na het 2de optreden van de Duivel naar voren, waarna Adam zegt:
“Ach, myn gemoet is gansch verwandeld !”
De open A-stemming wordt een E-stemming.
Het “bloote swaert” is het Ik, ten onrechte bij Adam gekomen.
Na “waer is de vrouw die sulcks misdeed” stribbelt Eva tegen.
Als de Engel zegt “int zweet uws aanschyns eet u broot, Adam” kijkt Adam even op, en bij “en Eva, ghy met noot draegt uwe kinders ondert harte” kijkt Eva even op.
De Engel maakt bij “Soo gaet (1) en uyt (2) den hove (3) treet” drie stappen. Adam en Eva gaan gebukt onder het zwaard.
De Duivel legt bij de zin “sy sullen syn vermaledyt” de rechter hand op Adam en Eva, die daaronder doorbuigen.
Opmerking Ruud Gersons: hij maakte in Dornach een rel mee over de passage:
“Siet hoe is Adam thans soo ryck, geworden eenen god gelyck,
daer hy het goed en quaadt beseft, wanneer hy syne handen heft
en leeve in alle eeuwicheidt.”
Volgens Georg Hartmann zou hier het slot van het Paradijsspel haperen. Hans Sachs heeft het heel anders daar (zie “Uber die Oberuferer Weihnachtsspiele” S.73). In Genesis 3:22 staat: Toen zeide de Heere God: Zie de mensch is geworden als onzer een, kennende het goed en het kwaad: nu dan, dat hij zijne hand niet uitsteke en neme ook van den boom des levens, en ete, en leve in eeuwigheid. Dit is dus juist andersom. Ook K.J.Schroer had dit reeds opgemerkt (zie “Uber die Oberuferer Weihnachtsspiele”, blz.34)
Opmerking Wijnand Mees: deze passage is verre toekomst.
Opmerking van de notulist: men leze hierover wat Rudolf Steiner zegt in: “Der Durchgang des Menschen durch die Planetensphären und die Bedeutung der Christus-Erkenntnis” Hannover, 18-11-1912 (in “Okkulte Untersuchungen über das Leben zwischen Tod und neuer Geburt”, GA 140).
Vraag: wie is eigenlijk de Engel in het Paradijsspel?
Kan men zeggen: in het Paradijsspel Michael
in het Kerstspel Gabriël
in het Driekoningenspel Rafael
Antwoord: dit is een interessant gezichtspunt, maar ik denk aan de Cherub met het vlammende zwaard (Genesis 3:24), die tot een veel hogere hiërarchie behoort.
zie voor andere opmerkingen over het Paradijsspel hier
Kerstspelen: alle artikelen
.
.
.
.
.
.
Verslag van de bijeenkomst van kerstspelregisseurs op zaterdag 8-9-1979 in de Vrije School te ’s-Gravenhage.
Op zaterdag 8-9-1979 was er in Den Haag een bijeenkomst voor regisseurs. Dr.Nordlohne, oogarts te Middelburg, maakte de notulen:
(Ik laat ze hier volgen, inclusief onderstaande brief, waaruit het enthousiasme spreekt voor wat er gebeurde).
VLISSINGEN, 22-11 -1979
Waarde regisseurs,
Toen Christof Wiechert op Zaterdag 8-9-1979 vroeg wie er wilde notuleren, zei ik ja, niet vermoedende dat deze notulen zouden uitgroeien tot 26 pagina’s. Omdat in Middelburg tot op heden alleen Paradijsspel en Kerstspel werd uitgevoerd, was het Driekoningenspel voor mij het moeilijkste, want dat heb ik zelf maar één maal, op 10-1-1976 in Den Haag, gezien (en meteen qua regie zoveel mogelijk genotuleerd. Daarom wilde ik, alvorens deze notulen te verzenden, evenals Viligratia eerst de profeten consamaneren daer op ick al hope ende heul had gebout: wie onser sal den eersten syn ? Dat was mej.Gerretsen, die in haar brief van 27-10-1979 mijn vragen bij de getypte notulen beantwoordde: haar antwoorden en tekeningen plakte ik tussen de getypte notulen in (door dit plakwerk zijn de regels in de fotocopie wel eens gaan wiebelen)» Ook Jo Hass kon mij op 16-11-1979 met een aantal vraagpunten helpen, so my treffelyk gevallen doet» In de enkele hoeckskens die noch over en waeren plakte ik Middelburgse foto’s uit 1977. Aan het geheel voegde ik nog toe: artikelen van Walter Johannes Stein (over de Asklepios-Mysterien) en Ernst Bindel (over het getal 144008), een stukje over Crispijn, en een literatuurlijstje. Ik fotocopieerde vervolgens alle 37 pagina’s in dertigvoud (20 cent per foto copie) en verzond ze aan de Vrije Scholen in Nederland (portokosten per enveloppe ƒ 2,10). Nu rest ons temet geen duyt noch penninc meer. Daarom ben ik zo vrij een vrijwillige bijdrage te vragen van bijv. ƒ 5,00 op mijn giro 671563. U hebt niet om deze notulen gevraagd, dus het moet niet»
Nabestelling is ook mogelijk, maar dan wel voor de kostprijs van ƒ 10,00 per exemplaar» Zelf deze fotocopie fotocopiëren is natuurlijk ook mogelijk. Gaarne ontvang ik aanwijzingen voor verbeteringen, want ik voel dat er nog veel ontbreekt» Hopelijk komt er weer een regisseursbijeenkomst !
Aan de initiatiefnemers: van herten danck geseyt !
Aan allen: bebouwt het veldt met noeste vlyt !
een goede nagt,
Algemene inleiding door Christof Wiechert
Allereerst zal ik U vertellen welke aanleiding er bestond voor het organiseren van deze bijeenkomst.
De Vrije School in Den Haag verkeert in een moderne positie. Het is de oudste school, met de oudste kerstspeltraditie, maar de mensen die de traditie beheerden hebben zich 3 jaar geleden teruggetrokken. Ze hebben hun opvolgers 2 jaar lang welwillend gadegeslagen en één jaar minder welwillend. Wij willen nu de kritiek objectiveren.
De Kerstspelen zijn te vergelijken met de Mattheüs Passion, het is een sacraal gebeuren, het is een stukje mysteriedrama. In het bijzonder voor regisseurs is het versterkend en heilzaam om inzicht te hebben in de achtergronden die Rudolf Steiner heeft gegeven. Het doorzien van het hoe en waarom is belangrijk.
Inleiding door W.F.Veltman
Het is mijn bedoeling verschillende zaken, waarvan de meeste U al bekend zullen zijn, op een rijtje te zetten.
We hebben bij de Kerstspelen met twee dingen te maken:
I. traditie
II. creativiteit
I. traditie.
Die traditie is dubbel:
a) vroeger tijd: de zeer strenge tradities van de boeren uit Oberufer, met hun regie en taal uit een andere tijd.
Rudolf Steiner vernieuwt de Oberufererspelen, maar een aantal tradities heeft hij behouden en een aantal tradities heeft hij niet behouden. Hij heeft nieuwe dingen gebracht in de regie, de muziek is nieuw gemaakt en daarin zijn wéér tradities ontstaan:
b) later tijd: de tradities die stammen uit de beginperiode van antroposofische groepen, vrijescholen, toneelspelgroepen. Er zijn toen ook negatieve gewoontes ingeslepen: het weglaten van de traditie is dan traditie geworden.
De vraag kan zijn: mag er aan de traditie dan nooit iets veranderen?
Wat heeft Rudolf Steiner behouden? De boerentaal! Hij wilde ook dat de spelers zouden spelen als boeren. Je kunt vaak zien dat dit niet meer gebeurt: God-Vader en Adam spreken met elkaar hoog-Haags of Amsterdams, maar géén boerentaal.
De boerentaal is wat zwaarder, wat meer uit het gemoed, uit de bloedskrachten, bevat meer klanken als aa, oe, oo, au.
Rudolf Steiner: “Methodik und Wesen der Sprachgestaltung“
Methodiek en essentie van spraakvorming
Nehmen Sie an, die eine Persönlichkeit ist mehr ein Blutmensch, er kommt nicht leicht aus dem Häuschen, ist innerlich gefestigt, ruhig. Die andere ist ein Nervenmensch, kommt leicht aus dem Häuschen, ist aufgeregt, zappelt.
Diejenigen Vokale, die das wiedergeben, was im Blutmenschen lebt, sind a, u, o, au. Bei einer Rede, wo noch andere Vokale sind, muss man ein besonderes Augenmerk auf diese Vokale legen und sie voller klingen lassen. Die Vokale des Nervenmenschen sind i, e. Die i und e kommen den Nerven menschen ganz von selbst auf die Zunge. Bei den Sprachen der verschiedenen Völker kann man auf den Rassencharakter schliessen, je nach dem Überwiegen der einen oder der andern Vokale. Man kann studieren, wie bei ruhigen und in sich gefestigten Menschenvölkern das a und o, bei nervösen das e und i überwiegen.
Stel je eens voor: de ene persoonlijkheid is meer een bloedmens, hij komt niet gemakkelijk uit zijn huisje, is innerlijk sterk, rustig. De andere is een zenuwmens, komt makkelijk uit zijn huisje, is druk, onrustig. De klinkers die weergeven wat er in de bloedmens leeft, zijn a, oe, au .Bij een toespraak waar nog andere klinkers zijn moet men bijzondere aandacht voor deze klinkers hebben en ze voller laten klinken.
De klinkers van de zenuwmens zijn i en e. De i en e komen bij de zenuwmens vanzelf op de tong. Bij de talen van de verschillende volkeren kun je gevoltrekkingen maken over hun rassenkarakter al naar gelang de ene of de andere klinker de overhand heeft. Men kan bestuderen hoe bij rustige en innerlijke sterke mensenvolkeren de a en o, bij nerveuse de e en i overheersen.
1. Der Ruhige: Sahst du das Blass an Wang und Mund?
2. Der Nervöse: Nichts im Gesicht bemerkte ich.
GA 280/42-43
Niet vertaald
Rudolf Steiner speelde alle rollen voor. Een voorbeeld ervan hoe hij dat deed, is te vinden in Assja Turgenieff: “Erinnerungen an Rudolf Steiner und die Arbeit am ersten Goetheanum” blz..79.
‘Einmal machte uns Dr. Steiner vor, wie Joseph in einem ähnlichen
Spiel darzustellen wäre. Mit einem Stock unsicher stolpernd, ging er auf der Bühne nach vorne, mit leerem, verlorenem Blick und offenem Mund, dem Gesicht eines Greises – jeglicher Seelenregung bar. Plötzlich verwickelte er sich in seinen Stock und lag zu unserem Schrecken auf allen vieren auf der Bühne, dann sprang er auf und lachte. «Ja, so muß der Joseph in diesem Spiel sein», sagte er. Es war unglaublich – diese Wandlungsfähigkeit.’
Op een keer speelde Dr.Steiner aan ons voor hoe Jozef neergezet zou kunnen worden. Met een stok, onzeker strompelend, liep hij op het toneel naar voren, met een lege, verloren blik en open mond, het gezicht van een grijsaard –zonder enige zielenbeweging. Plotseling raakte hij verstrikt in zijn stok en lag daar tot onze schrik op handen en voeten op het toneel, dan sprong hij op en lachte. ‘Ja, zo moet Jozef in dit spel zijn’, zei hij. Het was ongelooflijk – dit vermogen zo te veranderen.
In Oudnederlandse gedichten en Engelse balladen is Jozef een sullige figuur. Hij is verloofd en zijn verloofde is al in verwachting, dat is voor een man een wat sullige situatie. Volgens het Mattheüs Evangelie (Matth. 1:19) wilde hij haar zelfs verstoten: ‘Jozef nu, haar man, alzoo hij rechtvaardig was, en haar niet wilde openbaarlijk te schande maken, was van wille haar heimelijk te verlaten.’
Dat is, ondanks de heiligheid van Jozef, traditie geworden. Rudolf Steiner liet zien: zó moet je Jozef spelen, als een ouwe sul.
Een ander interessant boekje is “Spuren auf den Weg” van Heinz Müller uit Hamburg (de tweede vrijeschool na Stuttgart). Hij beschrijft de ongelooflijke levendigheid waarmee Rudolf Steiner de rollen voorspeelde. Als hij de Boomdrager speelde, dan zag je aan zijn gezicht al die figuren die hij groette, dus niet alleen de uitgestreken smoel bij de “geestelicke heeren”.
Und nun ging das Grüßen an. Was so ein Bauer durch seine Seele ziehen hat, wenn er Gott Vater grüßt, wenn er sich in tiefer Ehrfurcht vor dem Herrn Christus neigt, oder sich dem heiligen Geist öffnet, wenn er dann schildert, wie Gott Vater einst die Welt geschaffen hat mit allen Bäumen und Blumen, mit allen Tieren auf der Erde, im Wasser und in der Luft, und zuletzt Adam und Eva; das alles wurde lebendig in jedem Wort, das Rudolf Steiner sprach, in jeder Geste, in der demutvoll frommen Haltung und dem gläubigen Blick. In die Augen sprang ein verschmitztes Zwinkern beim Grüßen der geistlinga Herrn und der übrigen Obrigkeit, und mit welchem Humor spielte er die kleine Stelle, wo der Teifül am Schwanz gezupft wird, wie schelmisch blitzten da seine Augen, als er so tat, als bliese er einen Büschel schwarzer Wolle aus dessen Schwanz in die Luft. Voller Hingabe packte er jede, auch die kleinste Szene an, und vor allem: niemals hatte man den Eindruck, daß da ein „Gelehrter und Studierter” auf der Bühne stand. So ursprünglich konnten selbst die besten Schauspieler in Dornach nicht spielen. Nun, die ganze Dramatik, die sich im Spiel zu entfalten hat, wird in dieser Begrüßung in Worten vorausgenommen. Und es ist das Meisterliche, was der Baumsinger zu schaffen hat, daß er rein durch das Wort, durch Schilderung und Geste alles das lebendig machen muß, was dann später in dem ungeheuer dramatischen Paradeises-Geschehen vor sich geht. Es ist das wohl eine der schwierigsten Rollen, die man sich vorstellen kann. Bei Rudolf Steiner wurde gerade in dem bäuerlichen Spiel das Wort lebendig; das Wort wurde Geist unter seinem schaffenden, kraftvollen Wirken.
Nu begon het groeten. Wat een boer door zich heen voelt gaan, wanneer hij God-Vader groet, wanneer hij in diepe eerbied voor Christus de Heer buigt of zich openstelt voor de Heilige Geest, wanneer hij dan schetst hoe God-Vader de wereld heeft geschapen met alle bomen en bloemen, met alle dieren op de aarde, in het water en in de lucht en ten slotte Adam en Eva, dat alles werd levend in ieder woord dat Rudolf Steiner sprak, in ieder gebaar, in de deemoedige, vrome houding en de gelovige blik. Met zijn ogen schalks knipperend bij het groeten van de geestelijke heren en de ganse overheid, en hoe humoristisch speelde hij de kleine passage waarin de duivel aan zijn staart wordt getrokken, hoe ondeugend fonkelden zijn ogen wanneer hij dat deed, alsof hij een plukje zwarte wol uit zijn staart de lucht in blies. Vol overgave deed hij iedere, ook de kleinste scène en bovendien: nooit kreeg men de indruk dat daar een ‚geleerde en gestudeerde op het toneel stond. Zo origineel konden zelfs de beste toneelspelers in Dornach niet acteren. Op heel de dramatiek die in het spel tot uiting moet komen, wordt in deze begroeting in de woorden geanticipeerd. En het is meesterlijk wat de boompjesdrager te bewerkstelligen heeft, dat hij louter door het woord, door het schetsen en gebaren alles levend moet maken, wat dan later in de buitengewone dramatiek zich voltrekt in het Paradijs.
Het is wellicht één van de moeilijkste rollen die men zich kan voorstellen. Bij Rudolf Steiner werd juist in het boerse spel het woord levend; het woord werd geest onder zijn scheppend, krachtvol werken.
Taal
Mej.Bruinier (1875-1951) vertaalde niet in dialect, en niet in Middelnederlands. Men denkt wel vaak dat zij vertaalde in Middelnederlands, maar dat is een misvatting, zij heeft dit met opzet niet gedaan. Zij heeft zo vertaald, dat zij woorden heeft genomen uit de gehele Nederlandse taalontwikkeling, dus ook uit de Vondeltijd, uit het Middelnederlands, en bv. “hartstikkedonker” uit de moderne tijd.
Deze vertaling is naar mijn gevoel meesterlijk: de eenvoud, kracht, vroomheid is er in gebleven.
(Het stukje in het Mededelingenblad van januari 1979, waarin de heer L. een vertaling in modern Nederlands voorstond, kunnen we maar beter doodzwijgen. Zó ver is het dus al gekomen met de degeneratie van het taalgevoel.
Als wij de rollen willen spelen als een boerenmeisje dat Maria speelt of als een boer die God-Vader speelt, dan moeten wij een dubbele metamorfose ondergaan. Ik geloof dat het beter is niet ieder jaar de rollen te wisselen. Men moet de spelers jarenlang gelegenheid geven zich met die ene rol te vereenzelvigen. Dat gebeurt bij de Passiespelen in Oberammergau en Tegelen ook. Het gaat dus niet om het therapeutisch uitgangspunt voor de spelers, maar om het kunstzinnig uitgangspunt: hoe krijg je het spel het beste over het voetlicht. Ik speelde jaren achtereen Adam, en daar ben ik dankbaar voor, dat ik me zodoende diep kon verbinden met deze rol. Het lijkt mij dus goed een rol bijv 4- 5 jaar minstens te behouden, misschien méér (en dan zou ik zeggen 7 jaar…).
Muziek
Merkwaardig is dat Rudolf Steiner wel degelijk een andere muziek wilde. Er zijn (andere) vrijescholen die nu weer de oude muziek gebruiken. Interessant is, als je daar objectief naar luistert, dan hoor je: die oude muziek is voorbij, die heeft een andere taak. De muziek uit de 16e eeuw met Gregoriaanse toonreeksen en toonkleuren heeft een veel meer dienend karakter, spreekt de moderne mens in dien zin niet meer aan. Mij lijkt de muziek van Leopold van der Pals (1884-1966) helemaal in de roos. Men kan daarover natuurlijk van mening verschillen, maar Rudolf Steiner heeft de muziekopdracht gegeven, en daarna deze muziek als bruikbaar aanvaard.
ll Creativiteit»
De andere pool is de vernieuwing.
a) Spirituele achtergrond.
De cyclus ‘Die Geheimnisse der biblischen Schöpfungsgeschichte’ GA 122 (vertaald) of het boek van Emil Bock “Urgeschichte” heb je nodig om het Paradijsspel te begrijpen. Ook moet je weten van het oude Lemurië, anders begrijp je bepaalde regie-aanwijzingen niet: die vergeet je, die verdwijnen als je niet weet wat de ongelooflijke diepte erachter is. Wat is dat voor gebeuren daar in de stal, daar in de grot van Bethlehem, dat nachtgebeuren, de geboorte van de Genezer. Dat is allemaal mysterie-inhoud. Als regisseur moet je dat echt goed kennen, en zo nu en dan de spelers erover kunnen vertellen. Want door de antroposopie konden deze spelen in deze vorm gebracht en behouden blijven. De oude boeren van Oberufer vonden aan onze manier niets. Enkele voorbeelden van een spiritueel gezichtspunt zijn:
1. Bij het begin van het Paradijsspel is de volgorde der spelers: Boomdrager, Engel, God-Vader, Adam, Eva, Duivel, maar aan het einde, als de ketting valt, en de Duivel op zijn buik is neergevallen, en God-Vader bevestigt dat Adam “wanneer hy syne handen heft en leeve in alle eeuwicheidt”, dan is bij nr. 9 “O heilighe drievuldigheydt’ de volgorde der spelers als volgt: Boomdrager, Engel, God-Vader, Eva, Adam, Duivel. Waarom is dat ?
Eva bijt in de appel, en er gebeurt niets. Pas als Adam bijt, gebeurt er wat: dát is het meest dramatische hoogtepunt van het stuk. In de mens is alleen het mannelijk element aangetast, het vrouwelijk aspect blijft méér met God verbonden. Zo’n geweldige waarheid wordt in de volgorde tot uiting gebracht, zó simpel.
2. In het Herdersspel moet streng de hand worden gehouden aan de driehoek: de herders staan en dansen altijd in de driehoek. Pas aan het einde komt de oude Crispijn erbij, dan ontstaat het vierkant.
In de Kerstboom worden o.a. de driehoek en het vierkant als tekens gehangen. De driehoek is de oude ontwikkeling, het vierkant de nieuwe ontwikkeling: het Ik-principe komt in de persoon van Crispijn op eigen (zwakke) kracht erbij, hij heeft het in het volk, bij geruchte gehoord, dus niet van de Engel, maar op aarde.
3.In het Paradijsspel worden de gebaren van God-Vader nagebootst door Adam. God-Vader maakt grote gebaren, Adam maakt wat kleinere gebaren. Adam bootst na, zoals het kleine kind nog leeft in de nabootsing. Dit is technisch niet zo eenvoudig, want Adam mag niet omkijken: hij moet het dus óf afspreken óf aanvoelen. Het is een zeer amateuristisch trekje als Adam op de uitvoering andere gebaren maakt dan op de repetitie. Bij het beroepstoneel staat daar een zware boete op, maar dat is bij ons nog niet ingevoerd, tot mijn spijt.
Dat nabootsen herhaalt zich als Adam en Eva tesamen in het Paradijs lopen (“Hoe liefelyck, Eva, op deuse wys met U te wonen int paradys”): de gebaren van Eva zijn dan nog wat lichter, nog wat intiemer. Als je dit allemaal weglaat, gaat de fine fleur er af.
4. In het Paradijsspel wordt bij het lopen in het Paradijs door het elkaar de hand geven in al zijn simpelheid uitgedrukt dat Adam en Eva één zijn: man-vrouw, hermafrodiet. Als de Duivel zegt: “Adam, proeft van het sap soo ryck,
Soo wort ghy aen u god gelyck,” dan drijft hij ze uit elkaar, en benadert hij alleen Eva:
“Ghy, rozige Eva, neemt gerust
dees appel, eet nae hartenlust
en gheeft ervan aen Adam oock”.
b) Spiritualiteit van het theatergebeuren als zodanig. Deze uit zich in spraak, gebaar, plaats in de ruimte
1.Plaats in de ruimte.
In het Paradijsspel staat de boom midden op het toneel.
Opmerking van Ruud Gersons: in Stuttgart links achter op het toneel.
Antwoord van Veltman: dat is dan het Stuttgarter systeem, daar heeft de Antroposofische Vereniging al veel onder te lijden gehad (!)
Het publiek is geplaatst tegenover het toneelgebeuren, er ontstaat een wisselwerking, de naturalistische ruimte wordt een zielenruimte waarin we te maken hebben met fantasie, droom, imaginatie.
Op het toneel hebben voor en achter, links en rechts zeer verschillende kwaliteiten. Je moet weten hoe deze dingen werken.
Toneelwetmatigheden.
Zodra het gordijn open is, kijk je in een zielenruimte.
De betekenis van de plaats kun je experimenteel vaststellen.
Alles wat je op de voorgrond plaatst is realistisch, individueel, persoonlijk, buiten de manteau in het bijzonder. Op de voorgrond zie je bijv. een koning in zijn eenzaamheid, subjectief. De boze waard komt van links naar de voorgrond.
Als Eva zegt ‘Wee ons, die arme vrouwen’, doet ze één klein stapje vooruit.
Als Maria zegt “Erbarmen mooch hem den rycken god”, doet ze één klein stapje vooruit.
(Mej.Gerretsen: het volgende staat in de “Dramatischer Kurs”, GA 282)
Op de voorgrond moet lyrisch gesproken worden, in de vocalen.
Op de achtergrond spreekt men bijv. een recitatief.
Op de achtergrond komt een boodschapper met een bericht, een objectief verhaal, of een hogere macht, bijv. een Engel. Een Engel op de voorgrond is eigenlijk niet goed, en bij Bruning lachen ze dan ook nog omdat het een man is. ‘k Treet voor uluyden sonder spot”, maar met een spotlight op zich.
Bij de geboortescène: Maria en Jozef, ezel en os, blauwig licht in de vriesnacht, een piepjonge Maria (ze was immers nog maar 14 jaar) en die ouwe sul er achteraan, worden door de Kerstboom in het midden wat naar voren gebracht. Op de achtergrond: vierschaar, natuurgeweld.
De monoloog van Hamlet “to be or not to be” achteraan lijkt een verkondiging.
Als Lady Macbeth opkomt —brief — heks —complot — persoonlijke eerzucht, is dat op de voorgrond. Als zij boze geesten oproept, doet zij dat op de achtergrond.
Eén van de interessantste problemen is het verschil tussen links en rechts: voor het innerlijk beleven is dat niet hetzelfde.
Bij rechts op het toneel wordt het linker oog het eerste actief. Bij links op het toneel wordt het rechter oog het eerste actief.
Het linker oog is meer op het gevoelskarakter van de dingen gericht, het rechter oog meer op het nuchtere, verstandelijke, zakelijke. Daar moet je de regie op afstellen. Het kan soms allebei goed zijn, dan leg je alleen accenten.
Het stalletje staat in Dornach links (tegenwoordig in het midden), in Den Haag rechts. De plaats van de troon van God-Vader is gevoelsmatig.
In Dornach was, vanuit de zaal gezien, links op het toneel, het noorden. Volgens van Bemmelen heeft de zuidsfeer een oude-maankarakter, een Lemurisch karakter, terwijl de kerststal voor de Zonneheld juist links staat, in het noorden.
De driehoek van de herders moet steeds met de punt naar achter toe. Opmerking van Wijnand Mees : vanuit de euritmie: dat geeft een vrolijke indruk. met de punt naar voren geeft een tragische stemming.
2. Gebaren
De 6 grondgebaren zijn te vinden in de “Dramatischer Kurs” GA 282. (niet vertaald)
Het Nederlands volk is arm aan gebaren, bij het Italiaanse volk zijn ze indrukwekkend. Bij de gebaren moet men het intellectualistische overwinnen.
Men (niet U!) zegt wel: zo klungelig mogelijk, dan is het juist erg mooi, juist zo aandoenlijk. Daar kan men op antwoorden: waarom zing je dan niet knettervals ? Ja, zegt men dan, van muziek en zang moet je verstand hebben. Maar van toneel ook !! Het kunstzinnige moet gehoorzamen aan wetten die in dat gebied heersen. Men zegt wel: als we alleen maar heel vroom aan het Kerstkindje denken, komt het wel goed. Maar dat is lariekoek.
We moeten overwinnen het intellectualistische dat in ons allemaal zit. Dat zie je aan verschillende fenomenen.
Is de hoofdpool te sterk geworden ten koste van de ademhaling, dan heeft de stem bij spreken en zingen geen volume, het spreken blijft in de kop steken. En de gebaren kan men niet aanhouden en niet afmaken, en beide moet men kunnen op het toneel. Ik denk aan de schoolmeesters, altijd met die verdomde vinger, ook in hun spreken. Dat is dat vogelachtige, dat zenuwachtige. Ga eens met beide voeten breed en stevig staan en maak dan een gebaar vanuit je Stiermens of je Leeuwmens.
Vragenbeantwoording door W.F.Veltman
Vraag: wat gebeurt er in het Paradijsspel na het boomdragen ? Antwoord: de spelers staan in een halve boog.
Vraag: waar blijven de andere spelers als de Engel optreedt ? Antwoord:
Vraag: hoe is de belichting in het Paradijsspel?
Antwoord: de belichting is erg belangrijk. Stylering ontstaat door costuums en belichting.
Het begint vol “heerlyckheyt”: goudstralend. Volgens een “Angabe” zijn de hoofdkleuren van het: Paradijsspel: rood en wit, met een rood achterdoek (appels) maar ook roodachtig-goud.
Kerstspel: blauw en wit, met een blauw achterdoek maar ook iets mengen met rood.
Driek.spel: geel en wit, met een wit achterdoek.
Belichting
Bij een geestelijke invloed op het toneel wordt meer rood gegeven, bijv. als Maria langs Herodes gaat. De Herodesscène zelf is in geel licht. Rudolf Steiner had niets tegen het gebruik van schijnwerpers. De ommegangen zijn met de zaallichten aan.
Je moet altijd zorgen dat je spelers door het licht “eruit”komen: de figuren “los” maken met spots.
Ook altijd denken aan de complementaire kleuren: een groene koning wordt in rood licht-zwart.
De richting van het licht is ook belangrijk: te veel onderlicht is spookachtig. Het voetlicht moet slechts een lichte helling hebben.
Vraag: over het schminken.
Antwoord: Rudolf Steiner zelf was erop uit om bij het schminken de mens echt een heel andere kop te geven in tegenstelling tot het schminken bij het moderne toneel, waarin het naturalisme hoogtij viert. Karl Schubert als Boomdrager werd door Rudolf Steiner geschminkt, en zei later: die kop zou ik mijn hele leven hebben willen houden. Van schminken moet je wel een beetje verstand hebben: je moet weten hoe het werkt, het hangt ook erg van de belichting af. In rood licht worden donkere partijen zwart.
Vraag: over de Duivel.
Antwoord: In het Paradijsspel is de duivel: Lucifer: rode pruik.
In het Driek.spel is de duivel: Ahriman: zwart, met zwarte kap, de oren zijn niet zichtbaar.
Lucifer: wijkend vanuit de neus naar de oren.
Ahriman: samentrekkend tussen de ogen .
zie ‘die Gruppe’ in Dornach
Vraag: over de leeftijden der toeschouwers. Antwoord: Kerstspel: alle leeftijden.
Paradijsspel: 1e klas en hoger, onherroepelijk. Het getuigt van een onpaedagogische sentimentaliteit te menen dat “kleutertjes” dat niet kunnen hebben. Je moet ze alleen niet op de eerste rij zetten, en een klein beetje het dramatische terughouden. Juist zulke beelden werken sterk op de moraliteit. Driekoningenspel: 3e klas en hoger.
Vraag: over de tocht van de herders naar Bethlehem.
Antwoord: bij de rondgang van de herders in het ”hardstickedoncker”, blijven ze in Den Haag op het toneel !
Opmerking van Christof Wiechert:
De ommegangen in het Paradijsspel zijn tegen de klok in.
De ommegangen in het Kerstspel zijn met de klok mee.
Kerstspelen: alle artikelen
.
.
.
.
.
.
DE DIERENFAMILIE IN DE SLAAPZAK
Carnaval vieren is niet voor iedereen een even vanzelfsprekende zaak. Of het een feest is waar je je helemaal in thuisvoelt of dat je het als een vreemd massaal gebeuren van buitenaf bekijkt, hangt sterk samen met de geografische plek waar je opgroeit. Voor kinderen is – onder of boven de grote rivieren – vooral het verkleden een aantrekkelijk aspect van het carnavalsfeest.
Hannelie Glasl beschrijft hoe zij in de carnavalstijd aan de hand van een Russisch sprookje deze verkleedpartij een bijzondere vorm gaf. Iedereen krijgt hierbij – met heel eenvoudige middelen – de gelegenheid om even helemaal een ander te zijn.
Vol verwachting kijken mij drie paar kinderogen aan. Wij zitten in een kring op de grond en ik begin te vertellen. Het wordt een Russisch wintersprookje dat wij straks met z’n allen gaan spelen.
Midden in de winter liep er eens een oude man door het bos en zijn hondje liep achter hem aan. En terwijl die twee daar zo wandelden, viel er een want in de sneeuw.
Een muisje tripte ernaar toe, glipte vlug naar binnen en riep: ‘Dit is een prachtig huis voor mij!’
Al heel gauw stond er een kikker voor de deur, die vroeg: ‘Wie woont er in deze want?’ ‘Het muisje Haastje-snel! En wie ben jij?’ ‘Ik ben de kikker Hippelbeen! Mag ik bij je komen?’
‘Dat is goed. Klim maar naar binnen!’ Zo zaten de muis en de kikker heel gezellig met z’n tweeën in de want.
Na een poosje kwam er een haasje voorbij. Die bleef voor de want staan en vroeg: ‘Wie woont er in deze want?’
‘Het muisje Haastje-snel en de kikker Hippelbeen En wie ben jij?’ ‘Ik ben het haasje Vlugtervoet en ik zou heel graag bij jullie in de want komen wonen!’ ‘Dat is goed, kom maar binnen!’
Nu woonden ze met z’n drieën in de want en hadden het er lekker warm. Toen kwam er een vosje aanstappen. ‘Wie woont er in deze want?’ ‘Het muisje Haastje-snel, de kikker Hippelbeen en het haasje Vlugtervoet en wie ben jij?
‘Ik ben het vosje Guldenvel. Laat mij ook binnenkomen’
Nu zaten ze met z’n vieren in de want en keken vandaar de wereld in. Plotseling kwam er een wolf aanzetten. Hij stond stil voor de want en vroeg: ‘Wie woont er in deze want?’ ‘Het muisje Haastje-snel, kikker Hippelbeen, het haasje Vlugtervoet en het vosje Guldenvel. En wie ben jij?’
‘Ik ben de wolf Nimmerzat. Laat mij er ook in!’ ‘Nou vooruit, dat moet dan maar!’
De wolf klom bij ze in de want en toen waren ze met z’n vijven. Maar toen kwam er uit het midden van het bos een everzwijn!
‘Wie woont er in deze want?’ knorde hij. ‘Het muisje Haastje-snel, de kikker Hippelbeen, het haasje Vlugtervoet, het vosje Guldenvel en de wolf Nimmerzat! En wie ben jij?’
‘Ik ben het everzwijn Platneus, ik zou hier ook graag wonen!’
Ja, ze wilden graag allemaal warm en gezellig in de want zitten.
‘O, je bent veel te dik! Je kunt er vast niet in!’
Ach wel ja! Ik zal mijn best wel doen, vind het nou maar goed!’
‘Probeer het dan maar. Wij willen je niet buiten laten staan!’
En toen zaten ze met zijn zessen in de want en hadden het heel benauwd. Zij konden zich helemaal niet bewegen. Maar daar kraakte het in de takken en met lompe stappen kwam er een beer tevoorschijn. Luid, zodat men het door het bos hoorde schallen, brulde hij: ‘Wie woont er in deze want?’ ‘Het muisje Haastje-snel, de kikker Hippelbeen, het haasje Vlugtervoet, het vosje Guldenvel, de wolf Nimmerzat en het everzwijn Platneus. En wie ben jij?’ ‘Boeh, boeh, boeh… dat zijn er een heleboel. Ik ben de beer, Meester Logvoet. Laat mij er in.’
‘Wij kunnen je niet binnen laten, wij hebben geen plaats!’
‘Ga dan een beetje dichter bij elkaar zitten.’ ‘Goed, maar maak jij je dan een beetje klein!’ En warempel, de beer perste zich ook nog naar binnen. Nu waren ze met z’n zevenen in de want. En de want kraakte aan alle kanten, omdat hij zo vol was.
Intussen had de oude man gemerkt dat hij zijn want had verloren. Hij keerde zich om en begon hem te zoeken. Zijn hondje liep vooruit en snuffelde overal rond. En plotseling ontdekte het de want. Zij lag in de sneeuw en bewoog alsof zij levend was. Het hondje begon te blaffen. ‘Waf,-waf-waf!’ De zeven dieren in de want schrokken, sprongen vlug naar buiten en gingen er in het bos vandoor. Toen kwam de oude man en raapte de want op.
Nu is het even sturen welk kind er welk dier gaat maken. Maar als ze horen dat iedereen elk dier eens zal mogen spelen is alles goed. Wij moeten immers alles een keer proberen! Nu aan het werk met karton, schaar en lijm. Hoe zien de verschillende dieren er eigenlijk uit? Wat voor eigenaardigheden hebben ze en hoe kun je die het beste tot uitdrukking laten komen? Er volgt een levendige discussie en het is verrassend hoe snel de maskers klaar zijn en hoe treffend ze er uit zien!
Na het werk worden de maskers opgezet en een laatste hand gelegd aan de kleding. Men vindt dat de muis nog een staart nodig heeft. Zelfs onze elfjarige kruipt tevreden knorrend onder de tafel rond.
Onze tweede-klasser sluipt als slimme vos door de kamer, terwijl de kleuter piepend verschrikt weg roetsjt uit angst verschalkt te worden. Vader loopt met grote stappen met een slaapzak onder de arm en laat af en toe een luid gekef horen. Dan valt de ‘want’ en gniffelend wordt de woning door de muis betrokken. Uiterst gespannen wacht ieder zijn zijn beurt af.
Uiteindelijk zit dan, nadat iedereen zijn plekje veroverd heeft, de hele dierenfamilie opgepropt in de slaapzak – die als want dient – totdat de hond van de oude man ons alle kanten op doet stuiven.
Wat heeft mij er eigenlijk toe gebracht om juist dit sprookje te kiezen voor onze carnavalsviering?
Kinderen vinden het heerlijk om zich te verkleden, om in de ‘huid’ van het nieuwsgierige, watervlugge, scharreldiertje de muis te kruipen. Om helemaal de sluwe vos te zijn of de langzame logge beer, het everzwijn dat overal in wroet. Hebben zij niet al die dieren in zich?
Wat een ontdekking is het om elkaar in de verschillende gestalten bezig te zien en tóch te beleven wie die ander eigenlijk is, ondanks zijn vermomming. Een belevenis is het om waar te nemen, dat ze een stuk van het dier in zichzelf overwinnen om dan geheel nieuw weer tevoorschijn te komen. Zo hebben wij gezamenlijk geprobeerd gestalte te geven aan dit heel specifieke jaarfeest. En wanneer het een beetje lukt, is het een geschenk voor ieder van ons.
Aan de slag:
Benodigdheden:
etalagekarton (niet te dik), in de kleuren rood, grijs, bruin, groen;
crêpepapier in dezelfde kleuren;
schaar, velpon en een nietapparaat.
Bij het maken gaan we uit van een grondpatroon, een mutsje waarop de snuit, de ogen en de oren zijn aangebracht.
Knip een reep karton van 7 cm breed en zo lang als de omtrek van het hoofd. Plak er een reep crêpepapier op van circa 30 cm. Doe dit ruim met enige plooien (fig. 1). Plak letter a en b op elkaar. Bind het crêpepapier met een touwtje aan elkaar, zoals een kaboutermuts. Trek vervolgens de muts binnenstebuiten (fig. 2 richting pijl trekken). Zo ontstaat er een mutsje (fig. 3). Bij alle dierfiguren wordt er op dit grondpatroon voortgeborduurd. Altijd met dit mutsje beginnen.
Muisje:
Grijs mutsje of lichtblauw. Oortjes eventueel roze. Spitse snuit zoals ik bij het vosje beschrijf. Ronde oortjes en eventueel een lange staart. Snorharen lang en ook de haren boven de kraaloogjes niet vergeten.
Vosje:
Rood mutsje, gele ogen en snorren. Snuit: Cirkel van rood karton met een straal van 13 cm. Er omheen nog een cirkel met een straal van 14 cm. Het gearceerde gedeelte wegknippen, (fig. 4). Plak a en b (fig. 5).
De snuit in het midden van de mutsband plakken (fig. 6).
Twee spitse oren knippen, bovenkant rafelen, dat wil zeggen knipjes in geven en met de schaar er langs trekken, zodat ze wat gebogen komen te staan (zoals je een krul in een lintje maakt op een pakje).
Uit de onderkant van het oor een driehoekje knippen, breng beide punten naar elkaar toe, het oor wordt luisterend gevormd (fig. 7). Geef hem sluwe scheve gele ogen, links en rechts van de snuit op de band. Snorren op de snuit, puntje van de neus zwart maken en haartjes boven de ogen zoals bij het muisje.
Haasje:
Bruin mutsje met twee lange oren, links en rechts aan de band.
Beer:
Bruin mutsje, snuit met plakstrook waar men a op b moet plakken (fig. 9); c inknippen en later naar buiten buigen. Dan naar binnen buigen. Daar moet de zwarte neus overheen geplakt worden (fig. 10, 11 en 12). Ronde oren.
Everzwijn:
Bruin of grijs mutsje. Snuit botter dan bij de beer en met het bekende ‘stopkontact’. Slagtanden er op aanbrengen (fig. 13). Kleine oogjes en vrij spitse oren.
Kikker:
Groene muts. Ogen bol bovenop de band (fig. 14) Eventueel kartonnen zwemvliezen aan de handen met touwtjes vastmaken.
U ziet dat het er bij het maken niet om gaat dat alles precies volgens voorbeeld gedaan wordt. Het zijn slechts richtlijnen die hier gegeven zijn. Fantasie en een beetje handigheid! Veel plezier er mee!
Carnaval: alle artikelen
Jaarfeesten: alle artikelen
.
.
.
.
Geplaatst in jaarfeesten
Getagged carnaval, Russisch sprookje, sprookje Russisch, verkleden
Schlagers, overvolle cafés en een polonaise op veel te harde muziek: dat zijn meestal de eerste associaties bij het woord carnaval. Heeft het uitbundige feest van de vermomming ook nog iets anders te bieden? Zet iemand die zich verkleedt niet juist een masker af?
Carnaval was ooit een nieuwjaarsfeest; het nieuwe jaar begon in maart. Dat februari ooit de twaalfde maand was, valt af te leiden uit de namen van de maanden die eraan voorafgaan. In november zit het getal negen, maar het is de elfde maand en, december betekent tiende, maar op de kalender is het de twaalfde maand. De telling is dus twee maanden verschoven en dan klopt het ook dat februari vroeger, dat wil zeggen tot 450 voor Christus, de laatste maand van het jaar was. Dat verklaart tevens waarom februari maar 28 of 29 dagen telt, want aan het eind van het jaar maakte men de telling sluitend.
De traditie om het nieuwe jaar in de lente te laten beginnen is natuurlijk niet zo vreemd. Het jaargetijde kondigt met zijn uitlopende knoppen nieuw leven en dus een nieuw begin aan. Vandaar ook dat er vruchtbaarheidsrituelen aan dit lentefeest gekoppeld werden. In oude agrarische culturen betekende de terugkeer van de zon de bevruchting van de aarde. Het symboliseerde een huwelijk tussen vader zon en moeder aarde. Om het kosmisch huwelijk en de bevruchting van de aarde tot uitdrukking te brengen, lieten sommige volken brandende wielen van heuveltoppen omlaagrollen. Zowel bij de Babyloniërs als bij de oude Egyptenaren en Grieken participeerde het volk in dit huwelijksfeest. Maar ook dichterbij, bij de Germanen kwamen soortgelijke rituele feesten voor.
Nerthus
In een boek over de Germanen beschrijft de Romeinse geschiedschrijver Tacitus (55-120 na chr.) hoe er op een bosrijk eiland in de oceaan een gewijde wagen stond in de vorm van een schip. Deze wagen was bedekt met kleden en was het heiligdom van Nerthus, godin van de vruchtbaarheid. De enige mens die de wagen mocht aanraken, was de hoge priester en alleen hij wist wanneer de godin in haar heiligdom aanwezig was. In de vroege lente leidde de hogepriester de wagen, getrokken door vier ossen, door het land. In de tempel zou de heilige bruiloft tussen de priester en de godin worden voltrokken.
In alle plaatsen die zij met een bezoek waardig keurde, werd uitbundig feest gevierd. Nergens werd een strijd uitgevochten; het was verboden een wapen op te pakken. Om de godin te eren, die zich onder de kleden van haar wagen onzichtbaar hield, wierp men doeken over het gezicht en stak men zich in nieuwe kleren. Het verkleden en het terugtrekken van de persoonlijkheid door het gezicht te bedekken, heeft een duidelijke connectie met het huidige carnaval. Wanneer de wagen na de huwelijksvoltrekking was teruggekeerd, werden de godin, haar kleed en haar wagen op een geheime plaats in zee gewassen. Ook de feestvierders wierpen dan hun doeken af en reinigden zich in zee of in een meer om ‘vernieuwd’ het nieuwe jaar te beginnen.
Van de godin zie je alleen haar voertuig: zelf is ze bedekt. Naar analogie daarvan zou je het menselijk lichaam als ‘voertuig’ kunnen zien en beroep en status als de kleden die ons goddelijke zelf bedekken. In het dagelijks leven zijn wij naar buiten gericht; we ontmoeten andere mensen en oriënteren ons op de weg die wij willen gaan. Door het bedekken van het gezicht kun je nog slechts naar binnen kijken. Daarop zou je bij dit oude lentefeest rond februari – ‘februare’ betekent reinigen – niet alleen van een fysieke, maar ook van een geestelijke reiniging kunnen spreken. Het huidige carnaval is overigens aan Pasen gekoppeld, waardoor het soms niet in februari, maar in maart valt. Het reinigen van lichaam en geest is ook terug te vinden in de vastentijd tussen carnaval en Pasen.
Prins carnaval
Ook in het oude Babylon werden nieuwjaarsfeesten gevierd die veel gemeen hadden met het huidige carnaval. Uit de schriftelijke verslagen van Babylonische priester-koningen blijkt dat men ook daar bijzondere reinigingsrituelen kende, waaruit het fenomeen van prins carnaval te herleiden is. In een bonte optocht toog men rond 2600 voor Christus naar de tempel van Marduk. Rijkversierde scheepswagens op wielen maakten deel uit van de parade, zoals ook nu nog praalwagens en de bekende blauwe schuit onmisbaar zijn in een echte carnavalsoptocht. In de parade werd een figuur meegevoerd in koninklijke gewaden. Het was een misdadiger die voor drie dagen koning speelde. Hij nam de plaats in van de koning die aan het einde van het feest gedood diende te worden. Zijn dood was een offer aan de god van de vruchtbaarheid. Door te sterven nam de ‘koning’ de zonden van het volk op zich, zodat het volk gereinigd het nieuwe jaar in kon gaan.
Tijdens de feestvreugde in Babylon mocht niemand werken. Op deze dag waren slaven aan hun meesters gelijk en kregen zij evenveel aanzien. Nog steeds gaan prinsessen en boeren, piraten en rechters, clowns en ambtenaren met carnaval hand in hand. Achter het masker is iedereen gelijk, waar geen personen te herkennen zijn, houden rang en status geen stand. Wat vanwege verschillen op de maatschappelijke ladder in het dagelijks leven verzwegen wordt, kan nu met humor worden gezegd of uitgespeeld.
Niet alleen de samenleving houdt zichzelf een spiegel voor, ook het individu. Wie zijn persoonlijkheid bedekt met kostuum en masker, zal ontdekken dat achter de verstarring van het gezicht de mens beweeglijk wordt. We zijn niet wie we verbeelden. Al speel je de burgemeester, al verkleed je je als zodanig, je bent de ander niet. Net zo min drukken uiterlijkheden in het dagelijks leven uit wie we werkelijk zijn. Wij passen ons maar al te vaak aan anderen aan zonder te luisteren wat we eigenlijk zelf willen, zonder ons af te vragen wie we zelf zijn. We zetten de rem op onze spontaniteit om alles onder controle te houden, houden het gezicht in de plooi en proberen naar de geldende codes te leven.
Wie niet oppast identificeert zich met een zorgvuldig opgebouwde buitenkant.
Wanneer we onze kleding, de buitenste huid, verwisselen en een ander gezicht aannemen door een masker op te zetten, hoeven we plotseling niet meer te voldoen aan alle verwachtingen die bij deze uiterlijke identiteit horen. Wie blijft er over wanneer je je niet meer kunt verschuilen achter de interessante baan, prestaties en een goed verzorgd uiterlijk wanneer de status is afgelegd? Wat komt er los als de sociale teugels worden gevierd?
De stijve hark vindt zichzelf wellicht uitbundig dansend terug, de muurbloem blijkt het stralend middelpunt van het gezelschap en de communicatiedeskundige heeft misschien nauwelijks aanspraak. Er valt veel te ontdekken tijdens het feest van de omkering. Welke bronnen blijven in het dagelijks leven onbenut? In hoeverre ontleen je je ‘kracht’ aan je buitenkant?
Er wordt ontzettend veel gedronken tijdens het carnavalsfeest. Een traditie die al zeer oud is overigens. Tijdens de vereringsfeesten van de god Dionysos in het oude Griekenland, vloeide de wijn rijkelijk. Dionysos was dan ook de god van de wijn en de vruchtbaarheid. En de wijn deed zijn werk. In extatische toestand trok een stoet wilde vrouwen, bekleed met dierenhuiden en voorzien van instrumenten, de bergen in voor hun rituelen. ”Wijn bindt het verstand een masker voor en schakelt een te grote nuchterheid uit”, meent T. Fransen in zijn boek Carnaval ontmaskerd? In feite versterkt alcohol de werking die het masker ook al heeft; het maakt de weg vrij voor een andere laag in ons zelf. Alcohol heb je hierbij dus eigenlijk niet nodig. Toegegeven: zonder alcohol is er meer moed nodig om de veiligheid van de controle los te laten. Toch lijkt het mij een gemiste kans wanneer je beneveld en niet bewust de innerlijke omwentelingen ondergaat.
Ware zelf
Door afstand te nemen van de eigen persoon, kunnen we datgene waar we ons in het dagelijkse leven druk om maken, relativeren. Wellicht zien we zo ook wat werkelijk belangrijk voor ons is. Het is de gelegenheid om af te rekenen met alles waarin je je onvrij hebt gevoeld, omdat je niet jezelf kon zijn. Achter het masker vallen onze eigen maskers af, met het aannemen van een andere identiteit hervinden we het ware zelf. Een bekend verschijnsel in de carnavalsoptocht is een groep jonge vrouwen die zich hebben omgetoverd in verloederde oude wijven. Misschien dat jonge vrouwen het sterkst ervaren dat er vaak niet naar hen, maar naar hun uiterlijke verschijning wordt gekeken. Zoals in Afrikaanse riten maskers gebruikt worden om kwade geesten af te schrikken, zo worden hier de mensen die slechts naar uiterlijkheden kijken afgeschrikt.
Het masker helpt om de uitdaging van carnaval aan te gaan: contact maken van mens tot mens, van wezen tot wezen. Het enige wat een masker niet bedekt, zijn de ogen. En door de ogen spreekt het wezen van de mens. Je kunt je gezicht nog in zulke rare grimassen trekken, de ogen zijn niet te manipuleren. Zo tonen wij, door een masker op te zetten, alleen dat deel dat ons ware zelf niet verloochent.
De schrijver Anton van Duinkerken heeft het prachtig verwoord; “Het masker is het symbool van een vervreemding, het is een afscheidsteken. Het ontkent de soevereiniteit van wat het verbergt, om niets te gedogen dan de straling der ziel, die door onthulde ogen licht.”
.
Carnaval: alle artikelen
Jaarfeesten: alle artikelen
.
.
.
.
.
.
Geplaatst in jaarfeesten
Getagged carnaval, carnaval bij de Germanen, carnaval in Mesopotamië, februari, Marduk, masker, Nerthus, scheepswagen, verkleden
Carnaval zou zijn oorsprong vinden in een koningsoffer om van de goden vruchtbaarheid af te smeken
Een koningsoffer in het Midden-Oosten, duizenden jaren voor Christus, zou de oorsprong van carnaval zijn. De eerste landbouwers vereerden een Maangodin. In tijden van onvruchtbaarheid, de winter, brachten ze het allerhoogste offer om de vruchtbaarheid terug te krijgen: hun koning. Deze ‘heilige koning’ werd versierd met twijgen en een kroon van meidoornen, met twijgen gegeseld aan een heilige thau-boom (in de vorm van een T gesnoeid) en tenslotte geroosterd en opgegeten. Koningen hadden het begrijpelijk niet op dit kannibalisme en gingen op zoek naar een ‘dod’, een plaatsvervanger. Eerst werd dat hun eerstgeboren zoon (denk aan het verhaal van Abraham en Isaak; de Israëlische koning Saul(us) zou zijn eerstgeboren zoon nog geofferd hebben). Maar al snel werd dat een andere zoon of verwant, een koninklijke krijgsgevangene en tenslotte een gewone gevangene, een (zieke) misdadiger of een slaaf.
Pseudo-koning
In Mesopotamië werd deze man Zoganes genoemd. Hij kreeg voor enkele dagen zijn vrijheid terug, werd versierd met koninklijke gewaden en werd als een koning op een scheepswagen rondgereden. (In die tijd kwam vruchtbaarheid van overstromingen, en dus moest een vruchtbaarheidssymbool per boot arriveren). Slaven mochten ook enkele dagen meester spelen en zich zo kleden. De pseudo-koning trouwde ten slotte een priesteres, maar de volgende dag werd hem de koninklijke mantel uitgetrokken, hij werd gegeseld en gedood. Het mensenoffer verdween met verlies aan macht van de Maangodinnen Belili (Belial in de bijbel), de leeuwengodin Anat, de bi-seksuele duif-godin Asima en de godin van de onderwereld Hekate (Sjeool). Daarvoor in de plaats kwam de mannelijke Perzische zonne-godmens (Mitra, Nimrod, Tammuz, Marduk), die het stoffelijke, gesymboliseerd door een stier, versloeg en aan het begin van de lente opsteeg naar het hemelse verblijf van het licht. In Egypte werd in de lente een ark-vormige boot rondgedragen, met daarop een houten stier (apis) met een zon tussen de horens (symbool van zonnewende) en het fallisch symbool van de god Osiris. In Griekenland werd de god van vruchtbaarheid Dionysos op een wagenschip rondgereden.
De Romeinen namen zowel de zonnegod als het slavenfeest maar ook het verkleedfeest over (Bacchusfeest of Saturnaliën). Zij kenden ook het koningsoffer: wie in een cake een boon aantrof, werd ‘bonenkoning’, die eindigde met rituele zelfdoding op het altaar van Saturnus. Een christen-soldaat, Dasius, die de bonenkoningrol weigerde en werd vermoord, is heilig verklaard.
De Germanen trokken, verkleed als vrouwen, hun vruchtbaarheidsgod Frey op een scheepswagen door de straten. Kelten duwden brandende wielen (symbool voor de zon) van de heuvels.
Kerstenen
Al in 325 (concilie van Nicea) probeerde de katholieke kerk het voorjaarsfeest te kerstenen in een 40-daagse vasten en het feest van Pasen. Zonder veel succes, want de synode in Leptines in 724 ging tekeer tegen ‘Spurcalibus in februario‘. De synode van Benevento in 1091 bepaalde Aswoensdag als begin van de vasten.
In 1195 komt in een Franse tekst carne levare (weglaten van vlees) als oorsprong van het woord carnaval voor; anderen denken dat het afstamt van carne vale (vlees vaarwel) of carrus navalis: scheepskar. In Frankrijk werd een dikbuikige stropop op Aswoensdag als dronkaard terecht gesteld. De gewoonte om stoffen (vijgen, dadels en noten in Griekenland, meel – later kalk – en eieren in Romeinse tijd, later confetti, snoep en op Aswoensdag roet) over de hoofden uit te gooien, heeft waarschijnlijk te maken met een vruchtbaarheidsritueel: een zaaier die zaad rondstrooit.
In de middeleeuwen probeerde de kerk de feestgangers te temmen door hen binnen de kerkmuren te halen. Met een averechts resultaat. Zatlappen kozen er een ‘ezelspaus’ om voor te gaan in een ezelsmis, waarbij ze ezelsklanken ‘ia, ia’ uitstootten en schijfjes bloedworst aten in plaats van een hostie. Na de middeleeuwen werd de greep van de kerk op de samenleving minder, en werd de burgerlijke overheid mikpunt van spot: verklede hofhoudingen trekken dan door de straten.
Verbod reformatie
De reformatie verbiedt het carnaval. (Tussen 1629 en 1789 is carnaval in Den Bosch verboden als ‘paepsche stoutigheyt’). Rome probeert het carnaval meer te koppelen aan het veertigdaagse vasten. De eilandstaat Venetië houdt de grote maskerade echter vol tot ver in de achttiende eeuw, en leent dan ‘Furstin Venetia’ aan Keulen. In 1827 herleeft carnaval in Koblenz, 1833 Münster en in 1838 in Mainz. Het Rijnland met een carnavalsvereniging, een prins, vorst of president en een Raad van Elf en Tanzmariechen staat model voor Zuid-Nederland: 1840 Momus in Maastricht, 1842 Jocus in Venlo, 1881 Marotte in Sittard, 1886 Patentoate in Beek, 1889 Militophile in Valkenburg en 1898 Bokkerieesj in Heerlerheide. Bergen op Zoom heeft als het Krabbegat een nog oudere traditie (1816), gevolgd door Oeteldonk (1882) in Den Bosch.
Na de Eerste Wereldoorlog wordt carnaval her en der verboden. Na de Tweede Wereldoorlog proberen de autoriteiten het te ordenen als een gemeenschapsfeest, zodat het een tijdlang ook populair wordt boven de grote rivieren, aangemoedigd door radio en tv. Intussen is het voor velen een verkleed- en zuipfeest, zonder enige bijbetekenis.
Carnaval: alle artikelen
Jaarfeesten: alle artikelen
.
.
.
.
.
Geplaatst in jaarfeesten
Getagged Anat, apis, Asima, Aswoensdag, Belial, Belili, carnaval, carnaval bij de Germanen, carnaval bij de Romeinen, carnaval in de middeleeuwen, carnaval in Egypte, carnaval in Mesopotamië, carne levare, carne vale, carrus navalis, Dasius, Frey, Hekate, Mardoel, Marduk, Mitra, Nimrod, Saturnalia, Sjeool, Tammuz, Zoganes
.
.
Een masker uit het Zwitserse Sankt-Gallen
Tenslotte heeft de winter lang genoeg geduurd en verliest de duisternis zijn beklemmende greep. In je buik tintelt de drang naar het nieuwe, naar nieuw leven. Het is tijd voor de lente en er kolkt iets uitbundigs in je bloed. Drank, voedsel, grappen, grollen, liederen, tromgeroffel, opwindende dansen jagen boze en kwaadaardige geesten weg uit het verdorde leven. Drie dolle dagen danst een narrenschip vol gemaskerden op de golven en staat de wereld op z’n kop. Een reis naar de ziel van Vastenavond, carnaval.
De wind buldert over het dorre, dode landschap. Donkere wolken tollen in zwarte nachten en verlengen met hun duistere handen de donkerte tot diep in de morgen van de dag. De bloedsomloop van de natuur ligt stil. In zulke kolkende nachten komt het koninkrijk van Hades tot leven, staat de achterdeur tot zijn schimmenrijk op tocht.
Boze machten en geesten regeren in de Rauhnächte, de winternachten van het Germaanse volksgeloof. Demonen en doden domineren de Cyclus van de Twaalf Nachten en de Twaalf Dagen, het gapende gat tussen de zon- en de maancyclus rondom de jaarwisseling. Diep in dat heidense begin van onze geschiedenis ligt de bron van een bijna vergeten volkscultuur. Daar is het eerste ontwerp gemaakt van de huidige feestneus, zijn de eerste zinnen gestameld van de ‘paarden op de gang’ , de ‘bloemetjes op het gordijn’ .
Oog in oog met de onberekenbaarheid van dood, magie, duiveluitdrijving en ongetemde natuurkrachten verbergen de mensen hun gezichten achter maskers om niet door de geesten herkend te worden. Geesten worden herkenbaar gemaakt door ze een vreselijk afschrikwekkend masker op te zetten. Angst voor het bovennatuurlijke overwintert in de harten van de mensen.
Pas als de dagen langer worden en de nacht steeds vroeger wegvlucht voor de groeiende stralen licht, voelen de mensen zich sterker worden. Ze verzamelen zich rond oplaaiende vuren en mét de potten zoete honingdranken groeit het vertrouwen in de eigen kracht. Er ontwaakt een drang naar nieuw leven. Opnieuw gaan de maskers op, maar nu bruist de dwaasheid in het bloed. De lente tintelt, maakt vrolijk en overmoedig. Met allerhande werktuig, veel kabaal van rammelende potten en spetterend vuur worden de boze geesten teruggejaagd in de dorre tuin van Hades om plaats de maken voor nieuw leven.
Toen: de vruchtbaarheidsrituelen van de Germanen, nu: de lentekolder in de kop. Drank vloeit en overmoedig achter hun masker tarten de mannen prinsheerlijk elk gezag. Niemand die weet wie achter het masker zit. De Germanen vieren het lentefeest, de Romeinen, de Grieken, de Egyptenaren, de Japanners. In alle uithoeken van de wereld tot in het diepste oerwoud en de kaalste poolvlakten trekken gemaskerde mannen ten strijde tegen de geesten. Overal is het masker aanwezig en een lange stoet vermomde mensen trekt in polonaise de volksgeschiedenis in op weg naar de drie dolle dagen van vandaag. Een geschiedenis die door niemand werd opgeschreven, door niemand werd afgebeeld: te volks.
Gelukkig ligt nog net op de grens van de vergetelheid Binche, in het Belgische Henegouwen. Zelfs de kinderkopjes zijn er met bonte confettistrooisels afgevoegd en geven kleur aan het kamerbrede Belgische straatgrauw.
Binche, ‘Hoofdstad van het Carnaval’, staat in uitdagende letters bij de ingang tot het Waalse stadje. Pas op het einde van de lange hoofdstraat ligt het bewijs: het Internationale Museum van het Carnaval en het Masker. Een huis met 12.000 maskers uit de hele wereld en een bibliotheek van dik 3.000 boeken waarmee de geschiedenis van het masker op de voet kan worden gevolgd. Een tocht langs de vele gezichten van een volkscultuur in een stad waar in 1394 en in 1397 het carnaval al gevierd werd.
In oud-Frans wordt in geschriften verhaald over wanorde onder de bevolking en een oproep aan de rechters om paraat te blijven om zo bandeloosheid en branden aan te pakken. In 1397 worden knechten erop uitgestuurd omdat er een ernstig gebrek is aan rivierwijn, waarschijnlijk bier. Ze weten in Binche nog steeds van wanten. En hoe. Zes weken voor carnaval reeds, geheel in de traditie van de Germaanse winterfeesten, slaat de kolder de inwoners van Binche in de kop. Zes zondagen achter elkaar duurt de voorbereiding op de uiteindelijke hoogtijdag: de Vette Dinsdag. Dan dansen de Gilles, de prachtig versierde mannen met hun verentooi, op het staccato van trommels door de straten om met hun korte bezems de heksen te verjagen.
Zwitsers masker uit begin deze eeuw, voorstellend de te overwinnen winter
Marcel Sweertvaegher is gids in het museum en waarschijnlijk is hij ook om zijn pretogen gevraag om gasten in de geheimen van het masker in te wijden. Een machtig bronzen beeld markeert de ingang tot het museum: de Gille, de gemaskerde danser, het symbool van het carnaval in Binche, de poortwachter tot de boeiende geschiedenis van het masker. Een geschiedenis die reikt van het prachtige houtsnijwerk van eeuwen her tot aan het glimmende plastic masker van vandaag. Niet alleen het carnavalsmasker, want het masker is universeel. Overal in de wereld heeft de mens in het holst van de nacht het masker opgezet om de goden en de natuurkrachten te tarten, om zijn kracht te onderstrepen, om de saamhorigheid te bevestigen en natuurlijk om zich te vermaken.
Altijd als de mens in de geschiedenis iemand anders wil zijn, wil ontsnappen uit de werkelijkheid, gaat hij achter een masker zitten en speelt hij zijn rol in een andere werkelijkheid. Met een masker op zijn er ineens andere mogelijkheden: je kunt je beste vrienden en kennissen negeren zonder dat ze het in de gaten hebben, en je kunt met iemand die je helemaal niet kent een praatje beginnen, zelfs als dat in het normale dagelijks bestaan onmogelijk zou zijn. Je kunt de wereld op z’n kop zetten. Achter het masker kun je even makkelijk over jezelf praten alsof je het over een ander hebt.
„Pas als de roes van die krankzinnige carnavalsdagen over is en we weer met beide benen op de grond staan, komen we tot de toch wel pijnlijke ontdekking dat wij achter het masker misschien meer onszelf waren dan ooit in ons normale dagelijkse leven. Ja, dat wij zelfs vaak in ons gewone doen in wezen die rollen spelen die het verst van ons ware ik afliggen en ons achter een voor anderen ondoordringbaar masker verschuilen”, aldus de maskerkenner Werner Mezger.
Dat zijn gedachten die meelopen door de fascinerende maskergeschiedenis. Honderden meters wandelen langs de etalage van de volksvermomming. En plotseling worden dingen duidelijk. Hoe in de intimiteit van kleine gemeenschappen de maskers een hoofdrol hebben gespeeld bijvoorbeeld.
Zoals bij de stromannen, de bunzings, in de Elzas. Als een stroman verkleed bezoekt een man alle huizen in het dorp, hoort alle misère aan en uiteindelijk als hij alle ellende van het dorp achter zijn masker heeft opgeslagen, wordt hij het bos ingejaagd. Weg ellende.
Overal proef je het diepe respect voor de traditie. Vooral in de diepe dalen van de Alpen en in de afgelegen hoeken van Europa, waar het carnaval zich afspeelt in de intieme sfeer tussen de dorpsbewoners, zonder de vervelende aanwezigheid van toeschouwers die volledig buiten de traditie staan, aldus Marcel Sweertvaegher. Langzaam trekt de sprookjeswereld van kleur en vorm voorbij, getuigenissen van de geest en de bedrevenheid van een volk. En je begint je te schamen over inlegkruisjes, over hele grote bloemkolen en andere banale uitingen van vermaak. Je hoofd wordt bijna even rood als een van de vele maskers. Waar en wanneer is toch de traditie over de hoeperdepoep op de stoep uitgegleden? Waar is de rode draad gebleven die ons verbond met de woeste, kolkende Germaanse nachten?
‘Binche’ knoopt de losse delen aan elkaar. Gooit de deuren open van de eeuwen die achter ons liggen. Dan zie je in narrenpakken of in ‘oude wijven’-kleding gestoken dronken jongeren over het middeleeuwse platteland trekken. Spottend met elk gezag, herrie makend om de boze wintergeesten te verdrijven. Koebellen om de buik, dorsvlegels in de hand.
„Vrouwen moesten thuisblijven, die waren te makkelijk door de geesten te beïnvloeden.” Marcel Sweertvaegher tart de vrouwenemancipatie. Heeft het over vrouwen die besmeurd werden met korrels klei. „Het was een vrucht-baarheidsgebaar, ze werden met zaad bestrooid. De kleikorrels werden in de geschiedenis uiteindelijk stukjes papier: confetti, wat niets anders is dan zaad.”
En de pastoors in de dorpen keken met lede ogen toe. Maar zij konden tegen het gebral en gelal niets beginnen, de traditie zat te diep geworteld. Als je ze niet kunt verslaan, dan lijf je ze maar in. Dus werd het heidense lentefeest door de katholieke kerk gekerstend. Het nieuw-leven-verhaal werd geplakt aan de laatste dagen voor de vasten, de voorbereiding op het paasfeest.
De orgie van de middeleeuwen kreeg een stralenkrans. „Het christelijk carnaval is een orgie van de zegepralende geest, die zijn gezel, het lijf, een vrolijk feest ten afscheid biedt, verzekerd, dat dit scheiden niet voor eeuwig is. Het is het lentefeest van de altijd jeugdige geest, die de frisheid van nieuw bloed heeft gevoeld”, zo schreef Anton van Duinkerken, katholiek emancipator uit de eerste helft van deze eeuw, tientallen jaren geleden in Het Eeuwige Carnaval.
En binnen in het museum trekt de stoet van gemaskerde, vermomde, verklede mensen uit de hele wereld voorbij. De pogingen van overheid en kerk om het feest af te remmen, mislukten. De stad wordt veroverd en de burgers ontdekken dat ze zich drie dagen lang van hun kleinburgerlijke bestaan kunnen bevrijden door het masker op te zetten en de wereld een slag linksom te laten draaien. De heer die op straat durft te lachen, de timmerman die met de vrouw van de magistraat danst. „De levende eenheid is boven alle verschil van mening uitgegroeid”, zo weet Van Duinkerken er een draai aan te geven.
Nog steeds komen de maskers voorbij, tooit de hele wereld zich in kleur, pracht en praal. Maar het zijn vergeten maskers, vergeten symbolen, ingehaald door mensen bij wie de wortels van de traditie gerooid zijn en op de altaren van de moderne commercie en haar platte humor.
Alleen een bedevaart naar Binche kan nog enige redding brengen.
duivelsmasker uit Tirol
.
Carnaval: alle artikelen
Jaarfeesten: alle artikelen
.
.
.
.
.
Geplaatst in jaarfeesten
Getagged Binche maskermuseum, bunzing, carnaval, carnaval bij de Germanen, carnaval in de Elzas, Gilles, masker, maskermuseum Binche, stroman
.
.
Als ik aan dit stukje begin te schrijven zit ik op een luw plekje in de tuin, met de smeltende sneeuw nog om me heen. De zonnewarmte is weldadig en de vermoeidheid van een schoolweek valt geleidelijk van me af. Iets van de lente zit al in de lucht. De sfeer van de winterfeesten Advent, Kerstmis, Driekoningen is aan het vervagen.
Het eerstvolgende feest is carnaval. De naam carnaval heeft waarschijnlijk te maken met het lentefeest uit het oude Babylonië. Daar dacht men het heelal als een oceaan waarop de boot van de zonnegod om de aarde voer. De weg leidde door de dierenriem en eindigde in een zwart gat, namelijk dat gedeelte van de hemel, waar voor het blote oog geen sterren te zien zijn. Hier bevond zich de ‘Zee van het dode Water”, het rijk van de dood.
Deze voorstelling vinden we ook beschreven in het Gilgamesj-epos: de held Oetnapisjtim, het evenbeeld van de zon – de god Mardoek – is op zoek naar onsterfelijkheid. Hij maakt in een boot de lange reis naar het einde der wereld, naar het dode water, om daar te sterven en uit de dood te herrijzen.
Tijdens de lentefeesten werden in Babylonië optochten gehouden, waarin symbolen van de kringloop in de natuur, werden meegevoerd. Ook het godenbeeld van Mardoek werd uit zijn tempel gehaald en in een boot over het water naar de stad gebracht. Daar werd de boot op een wagen gezet en meegevoerd in de stoet langs de hoofdstraat, ten teken dat de zon uit de ‘Zee van het dode Water’ was herrezen. (Boot op wielen – carrus navalis : carnaval.)
Bij de Grieken werd Dionysos, de god van het ontluikende leven, op dezelfde wijze in een optocht meegevoerd, vergezeld door een vrolijke saterschare. De komst van Dionysos werd heel uitbundig gevierd, met grote maaltijden, dans en drinkgelagen. Ook hier werd gevierd dat het leven de dood overwint, zoals de lente de winter overwint.
Geleidelijk werd het aantal personages op deze ‘carrus navalis’ uitgebreid, en het statische tentoonstellen veranderde in een dynamische handeling : het toneel. Later werd de boot vaak weggelaten en bleef alleen de wagen over. (Vergelijk bij ons ook de praalwagens van het bloemencorso.)
Het verkleden en vermommen was aanvankelijk het naar buiten tonen van krachten die in de mens werkzaam zijn. Zo kwam men tot de uitbeelding van duivels, monsters, dieren, reuzen e.d. Hiermee hangt samen het “belang van het afleggen van het masker”: het demasqué, dit wil zeggen de mens wil niet langer een rol spelen maar met zichzelf te voorschijn komen.
De katholieken gingen het carnaval vieren voorafgaande aan de vastentijd; een tijd die een beroep deed op zelfdiscipline, werd voorafgegaan door enkele dagen waar allerlei sociale normen werden losgelaten. Het naar buiten laten komen van een stuk van zichzelf is (was) hierbij wel aan de orde, maar de bewustwording hiervan niet of nauwelijks.
De vastentijd is bij de katholieken op de achtergrond geraakt. De bisschoppelijke vastenactie, een geldinzameling voor allerlei goede doelen, is nog een laatste overblijfsel. Merkwaardig dat het belang van lichamelijk vasten: het zich onthouden van bepaalde spijzen en dranken, buiten de kerken weer in de belangstelling komt. Vasten krijgt hier weer de betekenis van reiniging (denk aan het gebruik van berkenthee, brandnetelthee, juist in het voorjaar). Een reiniging die van belang is om de opstandingskrachten in onszelf de volle kans te geven.
.
Carnaval: alle artikelen
Jaarfeesten: alle artikelen
.
.
.
.
.
.
Geplaatst in jaarfeesten
Getagged carnaval, carnaval in Mesopotamië, carrus navalis, Dionysos, Gilgamesj, Mardoek, masker, Vasten