Tagarchief: eekhoorn

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (2)

.

De paashaas blijft

De haas is in de nacht veel meer actief dan overdag. Zijn zintuigen zijn goed ontwikkeld, vooral het gehoor. Het is een zoog- en knaagdier, dat zich uitsluitend met planten voedt. Z’n ‘bloem’ (staart) is niet lang. Een hol heeft hij niet. Twee of vier maal per jaar worden er 2 tot 5 jongen geworpen in z’n ‘sas’, meestal ‘leger’ genoemd, een kuiltje in de vlakke grond. Dan is de haas in z’n ‘knollentuin’. Vooral de ‘rammelaar’ (mannetje) staat bekend als uiterst intelligent en slim. Deze eigenschappen zowel als de grote vruchtbaarheid van de moederhaas behoeden hem voor totale ondergang, want de haas is het dier, waarop het meest jacht wordt ge­maakt. Geen zoogdier werd en wordt (?) zó achtervolgd als hij. Hij slaapt niet met open ogen, zoals men beweert, maar wel wordt hij wakker bij ’t allerminste gerucht. Is er gevaar dan drukt hij zich plat neer, houdt zich doodrustig en let scherp op. Dit noemde men het ‘slapen’ van de haas. Wij spreken van ‘hazeslaapjes’, wanneer, in een lichte halfslaap, onze ziel steeds even op speurtocht gaat buiten het lichaam. De Romeinen meenden, dat het eten van hazenvlees voor 7 of 9 dagen lieflijke schoonheid gaf, terwijl nu nog nog de mening heerst, dat hazenvlees een slaap schenkt, die rijk is aan dromen. De ja­gende mens heeft vaak de alertheid van de haas en zijn snelle vlucht-bij ontdekking, verkeerd geïnterpreteerd als bangheid. De haas is niet bang, maar waakzaam en zeer snel.

In Egypte was de haas toegewijd aan de godin Oeroet. In Griekenland aan Artemis en aan Afrodite. In het Noorden aan Ostara. Dit waren allen godinnen van schoonheid, liefde en vruchtbaarheid. En al heeft de kerk dan ook in de 8ste eeuw het eten van haze­nvlees verboden, zij heeft niet kunnen verhin­deren, dat nu nog bij het Ostarafeest (vgl. ‘Ostern’ is Pasen) de Ostara-haas (vgl. ‘Osterhase’ is paashaas) bij ons z’n intree doet. Daarmee acht men het geheim van de paas­haas verklaard. Maar ‘on peut lever le lièvre’ (men kan de haas optillen), zoals de Frans­man zegt. In goed Nederlands: ‘men kan een origineel idee krijgen’! Dit leerde ons het werk van wijlen C.A. Wertheim Aymès: ‘Die Bildersprache des Hieronymus Bosch’. (Ook in het Engels vertaald). De meeste achter­grondgegevens omtrent de haas dank ik aan hem en aan de Heer D. van Bemmelen te Den Haag.

Een zoogdier is altijd een symbool voor iets, dat te maken heeft met een activiteit van het fysieke lichaam van de mens. De haas verte­genwoordigt de activiteit van het Ego, het hogere Ik, in het fysieke lichaam. Van het verre Oosten tot het uiterste Westen, overal treft men het symbool aan van de haas. De Grieken kenden reeds het sterrenbeeld ‘lagoos’, de Romeinen ‘lepus’, aan het zui­delijk halfrond. Beide namen betekenen’ haas’. Ook de Egyptenaren moeten dit sterrenbeeld gekend hebben. Het is te vinden onder Orion en omvat 19 sterren. De Boeddha in de maan werd gezien als een haas  (‘Het Haasje in de Maan’). Men vindt hem in Peru, in China, op munten, op kledingstuk­ken, in sprookjes over de hele wereld, op Griekse vazen, op aardewerklampen uit vroegchristelijke tijd, op alchemistische te­keningen, op beeldhouwwerken uit China, Duitsland en de Elzas, enz… Hij is afgebeeld op schilderijen, o.a. dicht bij de Madonna of in haar hand (Titiaan, Hans Baldung Grien, Holbein e.v.a.). Wij zien hem tenslotte op verschillende schilderingen van Jeroen Bosch, (plus-minus 1460-1516). – C.G. Jung, de be­roemde Zwitserse psychiater, schrijft in zijn boek ‘Psychologie und Alchemie’ (1952): ‘Wonend in het Westen zou ik in plaats van ‘Zelf’ zeggen ‘Christus’; in het nabije Oosten waarschijnlijk: ‘Chadir’; in het verre Oosten: ‘Atman’ of ‘Tao’ of ‘Buddha’ en in het verre Westen misschien ‘Haas’ of ‘Mondamin’ en in de taal van de Kabbala: Tifereth.’

Wat is dat dan, wat Jung het ‘Zelf noemt? Het IK van de mens, die op aarde leeft, woont in de warmte van het bloed. Het symbool moet dus een warm-bloedig dier zijn. Tijdens het leven teert het IK de levens­krachten op, het knaagt aan de levenskrach­ten. Dus moet het door een knaagdier wor­den voorgesteld. Zolang de Ik-kracht  niet verdrongen is door krachten van het kwaad, het boze, d.i. door krachten die de harmo­nische ontwikkeling remmen of tegenwerken, is het Ik zonder verweer en doet het nie­mand enig kwaad. Daarom komt slechts een dier dat uitsluitend planten eet in aanmer­king. De schadelijke krachten worden meest­al voorgesteld door knaagdieren met een lange staart, die van alles eten. (Ratten, mui­zen, eekhoorns)

Wanneer een haas achtervolgd wordt door jachthonden en vermoeid raakt, springt een andere haas voor hem in de plaats en laat zich achtervolgen. Hij offert zich op voor zijn soortgenoot. Nooit geeft de haas geluid. Hij schreeuwt alleen, als hij in doodsnood is. Ook bootst hij de mens na in het ‘opzitten’, de vertikale lichaamshouding. Plutarchus zegt, dat de Egyptenaren de accuraatheid van zijn zintuigen en zijn snelheid als iets godde­lijks beschouwden. — Herinneren wij ons dan nog, dat een haas geen hol heeft en uiterma­te waakzaam is, dan begrijpen wij, dat hij bij uitstek het symbool is van het Ik. Het Ik is onzelfzuchtig, schaadt niemand, komt in actie voor zijn broeders, heeft geen tehuis op aarde en is altijd wakker. Het lagere Ik neemt de zintuigelijke wereld in zich op; het hogere Ik neemt waarnemingen op uit een hogere wereld. Het ziet deze in innerlijke, maar ware beelden, in imaginaties en hoort haar in woorden van binnen, in inspiraties. Het Ik is altijd wakend, laat aan de mens de geestelijke wereld zien en horen, maakt wakker en bewust en stelt hem verantwoor­delijk voor zijn daden. Dit Ik is het Zelf, waar Jung op doelt. Het is het blijvende deel in de mens, dat zijn ‘gewe­ten’ vormt, dat hem tot een moreel wezen maakt en dat voor zijn doen en laten uitein­delijk verantwoording draagt. Doch dit is slechts mogelijk in zoverre dit Zelf of Ik ook werkelijk voldoende aanwezig is. In deze tijd heeft het de fysieke organisatie zeer zelden reeds geheel doordrongen. Het Ik, het Zelf, dat de lichamelijk levende mens en zijn zielenleven nog maar gedeeltelijk kan bestu­ren, wordt gesymboliseerd door de haas. De haas graaft geen hol in de grond.

Het konijn, dat nauw met de haas verwant is, doet dat wel. Daarom is het konijn het beeld voor de volledige penetratie van het Ik in de mens. Het Ik dringt door tot in het merg van de beenderen, daar waar het Ik-dragende bloed gevormd wordt. Over de wereld waartoe dit Ik behoort, kan men alleen maar spreken in beelden en deze moet men nemen uit de uiterlijke fenome­nen. Zij zullen over de hele aarde niet altijd en overal precies hetzelfde zijn, doordat de uiterlijke verschijnselen verschillen. Het Ik wordt belaagd door duistere krach­ten, eveneens gerepresenteerd door knaag­dieren.

De eekhoorn is de egoïstische kennis. In de Germaanse mythologie heet hij Ratatosk (Vliegende Twijfel). Hij is steeds vol twijfel en aarzeling, de schaduwzijde van het ware, geestelijke inzicht. In de bijbel heet dat waaruit hij voortkomt, Diabolos.

De Sa­tan van de bijbel brengt ons de rat. Hij is het beeld van de egoistische hebzucht, de die­naar van de grote zelfzuchtdraak, die de wereld omspant en die de Ik-ontwikkeling tegenhoudt.

De muizen zijn de dagelijkse boosaardigheidjes van de mens. Zij zijn nog veel vruchtbaarder dan hazen en konijnen. Nu heeft ieder symbool twee kanten: Een aardse kant en een die meer naar de hemel, het boven-zinnelijke, is gericht. De aardse kant van deze knaagdieren, ook van de haas, is hun sterk voortplantingsvermogen. De bovenaardse kant hun creativiteit. De ikzucht, de hebzucht, is buitengewoon creatief, slim en scherpzinnig, gericht op aards bestaan en geestelijke macht. Maar het is de spirituele vruchtbaarheid, de ware geestelijke creativi­teit, die ons Ik behoedt voor een totale on­dergang.

Deze ondergang zou onafwendbaar zijn ge­weest, als de hogere, goddelijke wereld niet had ingegrepen. Door de invloed van diabo­lische en satanische machten zou het Ik van de mens geheel ten gronde zijn gegaan. De incarnatie van een goddelijk Ik-wezen in een menselijk lichaam, Zijn offerdood en Zijn opstanding, die de overwinning is op de on­dergang, heeft de mens weer de mogelijkheid gegeven zijn werkelijke leven, het leven van zijn Ik, te behouden en zijn eigen Zelf crea­tief verder te ontwikkelen en te vervolma­ken.

Zo werd het feest van Ostara, van de ver­jonging, van de opstanding in de natuur, voor de christenen het feest van Christus’ dood en verrijzenis. Van Ostara bleef in Duitsland ook nog de naam. Bij ons bleef al­leen het dier, dat haar was toegewijd: de paashaas. Hij brengt ons de nieuwe levenskiemen, de nieuwe mogelijkheden: de paas­eieren. In het ei zijn ook de krachten van zon en maan te vinden: de ronde, gele dooier en het wit. Ook schenkt Pasen het jonge, nieuwe leven: de paaskuikens. Maar wat wordt er niet op de paashaas ge­jaagd! Miljoenen karikaturen van hem wor­den over de wereld verspreid. Hij is verne­derd tot een handelsobject, een commerciële stimulans, een winstmaker, gevuld met winstmakende eitjes. Dat bent U, dat ben Ik! In de bekende Playboyclub in Londen wordt men bediend door ‘bunnies’. Dat zijn ‘ko­nijntjes’, mooie meisjes met blote schouders en blote benen en een grote strik met hoog opstaande punten (oren !) in het haar. Be­gint u te begrijpen wat achter dit alles schuilt? Hoe de Christus en ons Paas-Ik nog steeds wordt achtervolgd door snuffelende, rennende, goed afgerichte honden? In vroe­gere eeuwen waren het dogmaverstarring, zucht naar rijkdom, roem en macht, onver­draagzaamheid, kettervervolging. Het waren ‘honden’ in velerlei soorten. De meesten van die ‘honden’ zijn nog aan ’t werk. Er zijn er vele bijgekomen.

Maar de paashaas blijft. Hij blijft ook zacht­moedig. Voordat de haan bovenop onze le­vensboom, onze Ik-drager, onze palmpaas, gekraaid heeft, zullen wij Christus misschien nog vaker dan Petrus verloochend hebben. Maar direct daarna zegt Christus: ‘Uw hart worde niet ontsteld… Men heeft Mij ver­volgd, men zal ook U vervolgen… Schept moed: Ik heb de wereld overwonnen. (Joh. 14:1;15:20;16:33)

Het zal enorm moeilijk zijn, de paashaas van binnenuit goed te gaan begrijpen en in ere te herstellen. Wie hem tracht uit te roeien, roeit zichzelf uit. Wie hem vanuit zijn onbegrip minacht en bespot, minacht en bespot zich­zelf. Toch zal onze paashaas ons helpen het hoogtij van Pasen steeds dieper te doorleven. Want ‘Christus is waarlijk opgestaan.’

 Henk Sweers, ‘Jonas’ van 8 april 1977.

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

101-98

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties