Typen heeft het handschrift grotendeels vervangen. Dit roept de vraag op: wat gebeurt er in ons als we schrijven?
Neurobiologische bevindingen suggereren dat handschrift gedachten, geheugen en aandacht ordent.
De afgelopen jaren hebben talloze wetenschappelijke studies consequent aangetoond dat handschrift veel meer is dan alleen een alternatief voor typen. Wanneer we met de hand schrijven, worden uitgebreide en onderling verbonden netwerken in de hersenen geactiveerd, wat bij typen niet in dezelfde mate gebeurt.
Een studie gepubliceerd in 2024 in *Frontiers in Psychology* [1] met behulp van elektro-encefalografie (EEG) met hoge resolutie toonde aan dat handschrift “veel complexere en verder reikende neurale verbindingen” genereert en netwerken activeert die verband houden met aandacht, taal en geheugen.
Op vergelijkbare wijze toonden Ose Askvik, van der Weel en van der Meer (2020) aan dat handschrift “veel complexere en verder reikende neurale verbindingen” genereert en netwerken activeert die geassocieerd zijn met aandacht, taal en geheugen.2.
Op basis van EEG-registraties van twaalfjarige kinderen in Noorwegen is aangetoond dat de continue bewegingen die gepaard gaan met het schrijven in cursief schrift de verbindingen tussen hand en hersenen versterken, waardoor de letterherkenning, spelling en leesvaardigheid verbeteren.
SCHRIJVEN BETEKENT LEREN LEZEN
Bij de ontwikkeling van lees- en schrijfvaardigheden stelden Wiley en Rapp (2021)3 evenals Vinci-Booher en James (2021)4. vast dat handschrift het leerproces versnelt en belangrijke visuomotorische gebieden van de hersenen activeert. Eerdere studies van James en Engelhardt (2012)5was al gebleken dat kinderen die handschrift oefenen automatisch het leesnetwerk in de hersenen activeren wanneer ze naar letters kijken – iets wat niet gebeurt bij typen of simpelweg overtrekken. Zelfs bij subtiele vaardigheden zoals het onderscheiden van spiegelbeeldige letters (bijv. b/d) bevestigt de studie van Pegado et al. (2014) dit.6 , dat schrijven met de hand de hersenen ‘vormt’ voor het lezen.
Vanuit een antroposofisch perspectief is schrijven niet louter een functie van het neurosensorische systeem, maar een activiteit waarbij het metabole ledematenstelsel, het ritmische systeem en het neurosensorische systeem subtiel op elkaar inwerken. De beweging van de hand, de weerstand van het papier, het ritme van de lijn en de vorm van de letter: al deze aspecten weerspiegelen de vormende krachten van het etherische lichaam. In de eerste zeven levensjaren zijn deze krachten voornamelijk actief in de fysieke groei en de ontwikkeling van organen.7
Zodra deze energieën volledig tot uiting zijn gekomen, worden ze vrijgegeven en dragen ze bij aan de ontwikkeling van geheugen, verbeeldingskracht en expressiviteit – vermogens die bewust denken mogelijk maken. Schrijven met de hand is een van de essentiële activiteiten van deze transformatie.
Rudolf Steiners voordracht “Het overwinnen van nervositeit” (GA 143) is in deze context interessant. Daarin beschrijft hij het fenomeen van de hand die “wegglijdt” tijdens het schrijven – schokkerige bewegingen, spasmodische gebaren maakt en het gevoel dat het fysieke lichaam uit zichzelf beweegt. In plaats van dit psychologisch of mechanistisch te interpreteren, verbindt hij het met een verzwakking van het etherische lichaam, dat niet langer in staat is het fysieke lichaam door de ziel (het astrale lichaam) te leiden. Wanneer de beweging niet langer wordt bezield door bewustzijn en ritme, wordt het fysieke lichaam autonoom en ontstaat nervositeit: “[…] – let op – dat wanneer mensen schrijven, ze zichzelf eerst een soort schok moeten geven, om zo te zeggen, voor elke streep, en in feite schokkerig schrijven, niet vloeiend op en neer bewegend, maar schokkerig.” […] Wanneer het fysieke lichaam, handelend op eigen initiatief, bewegingen uitvoert die verder gaan dan wat de ziel daadwerkelijk kan verlangen, verder dan wat het etherische en astrale lichaam verlangen, dan is dit een ongezonde toestand; Er is sprake van een onbalans tussen het fysieke lichaam en het etherische lichaam. Bij iedereen die de zojuist beschreven aandoeningen heeft, zien we een zwakte van het etherische lichaam, die erin bestaat dat het het fysieke lichaam niet volledig kan aansturen.8
Door zorgvuldige en bewuste handbewegingen herwint het etherische lichaam zijn vermogen om levenskrachten te organiseren, reguleren en in stand te houden. Vertaald naar wetenschappelijke termen is de overeenkomst treffend. Waar de neurowetenschap spreekt over de synchronisatie van neurale netwerken en sensorimotorische integratie, spreekt de antroposofie over het herstellen van de relatie tussen het fysieke, etherische en astrale lichaam. Verschillende beschrijvingsniveaus – hetzelfde menselijke fenomeen.
Handschrift is geen nostalgie en ook geen louter pedagogische techniek. Het is een handeling die de kern van de menselijke natuur raakt, een gebaar waarmee het etherische lichaam de krachten van groei omzet in denkkrachten. In een wereld van digitale versnelling en diffuse angst is de terugkeer naar bewust handschrift geen anachronisme, maar een hedendaagse daad – een herverbinding met vorm, ritme en leven.
Handwriting but not typewriting leads to widespread brain connectivity. Frontiers in Psychology: Volume 14, 2023. doi.org/10.3389/fpsyg.2023.1219945
The Importance of Cursive Handwriting Over Typewriting for Learning in the Classroom. Frontiers in Psychology: Volume 11, 2020. doi.org/10.3389/fpsyg.2020.01810
Protracted Neural Development of Dorsal Motor Systems During Handwriting and the Relation to Early Literacy Skills. Frontiers in Psychology: Volume 12, 2021. doi.org/10.3389/fpsyg.2021.750559
The effects of handwriting experience on functional brain development in pre-literate children. Science Direct: Volume 1, 2012. doi.org/10.1016/j.tine.2012.08.001
How does literacy break mirror invariance in the visual system? Frontiers in Psychology: Volume 5, 2014. doi.org/10.3389/fpsyg.2014.00703
See ‹The Developing Child: The First Seven Years›, compiled from articles published in the Newsletter of the Waldorf Early Childhood Association of North America, 2004. The Developing Child The First Seven Years eBook
Rudolf Steiner, Nervosität und Ichheit. In: GA 143, Vortrag vom 12. Januar 1912. (voordracht van 11, niet 12 januari 1912) Vertaald
In de 16e voordracht van GA 97 schetst Steiner een bepaalde ontwikkeling die de mensheid heeft doorgemaakt. De nadruk ligt op ‘het denken’. Hij vergelijkt de mens in Atlantis en de latere mens en legt het waarom de mens steeds helderder is gaan denken, bij de werking van de macht van Lucifer. Deze is de drager en brenger van het licht in het denken. Hij brengt het ook in verband met hoe het etherlijf van de mens daardoor verandert en zegt van die veranderingen:
Die früheren Entwickelungszustände der Menschheit werden nun im einzelnen Menschenleben noch einmal in Siebenjahresrhythmen wiederholt.
De vorige stadia van de menselijke ontwikkeling herhalen zich nu in individuele mensenlevens in cycli van zeven jaar.
Wanneer je deze zin isoleert van de context – wat ook vandaag de dag nog gebeurt – ontstaat de indruk dat ‘het kind de fasen van de ontwikkeling van de mensheid’ herhaalt. En dus een tijd ‘een Atlantiër’ of een ‘Griek’ is enz.
Maar dat is te kort door de bocht: het gaat om een zekere parallel wat de ontwikkeling van het bewustzijn betreft.
Een uitgebreide artikelenreeks over dit onderwerp vind jehier.
GA 97
Das christliche Mysterium
Het christelijke mysterie
Voordracht 16, Düsseldorf, 4 april 1906
Die Kinder des Luzifer Die Ablösung der Blutsliebe durch die geistige Liebe
De kinderen van Lucifer De verandering van liefde bij bloedverwantschap door geestelijke liefde
Blz. 168
Die früheren Entwickelungszustände der Menschheit werden nun im einzelnen Menschenleben noch einmal in Siebenjahresrhythmen wiederholt. Das Kind soll dann Autorität um sich haben, aber nicht selbst Autorität sein. Man soll durch Erzählungen auf das Kind wirken, nicht Moral predigen, sondern hinweisen auf große Beispiele, auf Vorbilder. Für die Moral würde es nötig sein, daß man dann in der alten pythagoreischen Form das Gefühl dafür ausbildet. Pythagoras sagte zu seinen Schülern: Du sollst nicht mit dem Schwerte ins Feuer schlagen -, ein Bild dafür, daß man nutzlose Dinge nicht tun soll. Ein anderes derartiges pythagoreisches Wortwar: Du sollst auf deinem Wege nicht umkehren, ehe du ans Ende gekommen bist. –
De vroegere stadia van de menselijke ontwikkeling herhalen zich nu in individuele mensenlevens in cycli van zeven jaar. Het kind moet dan mensen om zich heen hebben die gezag uitstralen, zelf hoeft het geen autoriteit te zijn. Je moet door verhalen op het kind werken, niet door moraliserende preken te houden, maar door te wijzen op grote voorbeelden, op rolmodellen. Om moraliteit te ontwikkelen, is het nodig om er op de oude Pythagoreïsche manier een gevoel voor te ontwikkelen.
Pythagoras* zei tegen zijn leerlingen: “Je moet niet met je zwaard in het vuur slaan” – een beeldspraak voor het niet doen van nutteloze dingen.
Een andere Pythagoreïsche uitspraak luidde: “Je moet niet terugkeren op je pad voordat je het einde hebt bereikt.” GA 97/168 Niet vertaald
Dit ‘autoriteit-zijn’ wordt weleens negatief uitgelegd: als zou de leerkracht macht moeten uitoefenen over de kinderen. In zijn verschillende uitspraken over autoriteit (zie onder) blijkt iets heel anders. Dat zou bv. kunnen worden samengevat met deze uitspraak:
Dazu muß dieser Erzieher so wirken, daß er gewissermaßen das Wahre, Gute und Schöne dem Kinde nicht bloß darstellt, sondern es ist. Was er ist, geht auf das Kind über, nicht, was er ihm lehrt. Alle Lehre muß wesenhaft im Vorbilde vor das Kind hingestellt werden. Das Lehren selbst muß ein Kunstwerk, kein theoretischer Inhalt sein.
De opvoeder moet zo te werk gaan, dat hij het ware, goede en mooie niet alleen voor het kind beschrijft, maar dat hij het ìs. Wat hij is, gaat over op het kind, niet wat hij het leert. Alles wat het moet leren, moet voorgeleefd worden. Het aanleren zelf moet een kunstwerk zijn, geen theoretische inhoud. GA 304/221
Op deze blog vertaald/217
In de 16e voordracht van GA 97 schetst Steiner een bepaalde ontwikkeling die de mensheid heeft doorgemaakt. De nadruk ligt op ‘het denken’. Hij vergelijkt de mens in Atlantis en de latere mens en legt het waarom de mens steeds helderder is gaan denken, bij de werking van de macht van Lucifer. Deze is de drager en brenger van het licht in het denken. Hij brengt het ook in verband met hoe het etherlijf van de mens daardoor verandert en zegt van die veranderingen:
Die früheren Entwickelungszustände der Menschheit werden nun im einzelnen Menschenleben noch einmal in Siebenjahresrhythmen wiederholt.
De vorige stadia van de menselijke ontwikkeling herhalen zich nu in individuele mensenlevens in cycli van zeven jaar.
Wanneer je deze zin isoleert van de context – wat ook vandaag de dag nog gebeurt – ontstaat de indruk dat ‘het kind de fasen van de ontwikkeling van de mensheid’ herhaalt. En dus een tijd ‘een Atlantiër’ of een ‘Griek’ is enz.
Maar dat is te kort door de bocht: het gaat om een zekere parallel wat de ontwikkeling van het bewustzijn betreft.
Een uitgebreide artikelenreeks over dit onderwerp vind je hier.
GA 97
Das christliche Mysterium
Het christelijke mysterie
Voordracht 16, Düsseldorf, 4 april 1906
Die Kinder des Luzifer Die Ablösung der Blutsliebe durch die geistige Liebe
De kinderen van Lucifer De verandering van liefde bij bloedverwantschap door geestelijke liefde
Blz. 168
Die früheren Entwickelungszustände der Menschheit werden nun im einzelnen Menschenleben noch einmal in Siebenjahresrhythmen wiederholt. Vom ersten bis siebenten Jahr tritt der Ätherleib des Kindes noch ganz zurück. Man soll daher vor dem siebenten Jahr noch nicht das Gedächtnis ausbilden, sondern nur die Sinne. Man kann dann auf die Sinne wirken, und die inneren Kräfte werden mit Hilfe der Sinne geweckt. Man soll diese Kräfte dadurch anregen, daß man den Kindern Spielzeuge gibt, bei denen die Phantasie tätig sein kann, etwa einen Holzklotz mit angemalten Punkten als Augen und so weiter, aber keine fertigen Puppen, bei denen das Kind gar nichts mehr durch seine Phantasie hinzufügen kann.
De vroegere stadia van de menselijke ontwikkeling herhalen zich nu in individuele mensenlevens in cycli van zeven jaar. Van het eerste tot het zevende jaar trekt het etherische lichaam van het kind zich volledig terug. Daarom zou men vóór het zevende jaar nog geen geheugen moeten ontwikkelen, maar alleen de zintuigen. Men kan dan de zintuigen beïnvloeden en de innerlijke krachten worden met behulp daarvan gewekt. Deze krachten moeten worden gestimuleerd door kinderen speelgoed te geven waarmee de verbeelding actief kan worden, zoals een houten blok met geschilderde stippen als ogen, enzovoort, maar geen kant-en-klare poppen, waaraan het kind door middel van zijn of haar verbeelding niets kan toevoegen. GA 97/168
Niet vertaald
Op deze blog staan veel artikelen over sprookjes. De inhoud zou je kunnen samenvatten als ‘de beeldentaal’ van de sprookjes.
Om die beeldentaal te leren lezen, kun je je verdiepen in wat daarover is geschreven. Sla je die weg in, dan is een sprookje niet ‘zomaar een verhaaltje’, een ‘fantasterijtje’ – in ons taalgebruik al synoniem met ‘onzin, lariekoek’.
Weet je dit niet, of vind je het onzin, dan kun je met de sprookjes doen wat je wil.
Schrijfster Eva Stalinski volgt met haar ‘Roodkapje, waar gaan we heen?’ die weg van onbekommerd rommelen met de inhoud van de sprookjes, of zoals recensent Bas Maliepaard in Tijdgeest’ – Trouw van 18-04-2026 kopt: E.S maakte een verrukkelijke sprookjesmix vol grappige details.’
De ‘mix’ bestaat o.a. uit ‘dat de stiefzusters van Assepoester in het kasteel van Doornroosje rondlopen en dat de kip met de gouden eieren op de tafel van het feestmaal zit.’
Kortom: van de betekenisvolle beelden blijft niets heel.
De inhoud van het boek wordt geschikt geacht voor kinderen vanaf 5 jaar.
Dat zijn nu net de kleuters op de vrijeschool die voor het eerst in hun leven deze bijzondere beelden verteld krijgen.
Ik mag hopen dat hen de karikatuur van Eva Stalinski bespaard blijft!
.
. Het Duitse vrijeschooltijdschrift ‘Erziehungskunst’ besteedde in het maartnummer 2026 met een reeks artikelen aandacht aan ‘pesten’. Vertalingen van deze artikelen zijn te vinden onder nr.17 van ‘Opvoedingsvragen’ op deze blog. Onderstaand een interview dat de hoofdredacteur hield met Kirstin Heberer.
Anne Brockmann, Erziehungskunst 03-2026
.
Kirsten Heberer is het aanspreekpunt voor geweld en pesten bij de hulplijn van de Federatie van Onafhankelijke Waldorfscholen. Ze ontvangt dagelijks telefoontjes van ouders en personeel die om hulp vragen. Onze redacteur sprak met haar.
.
De betrokkenen zijn nooit schuldig
.
“We hebben dringend hulp nodig! Dit kan zo niet langer! Neem alsjeblieft contact op als je dit leest!”
Sommige e-mails die Kirsten Heberer ontvangt, klinken zo dramatisch. Sommige zijn verzonden vanaf speciaal aangemaakte adressen om de afzenders anoniem te houden. Soms zijn ze ondertekend met “een bezorgde moeder” of “ouders die niet weten wat ze moeten doen”.
Deze e-mails bevatten ook geen locatiegegevens. Waar speelt dit zich af? Op welke school? Er wordt geen informatie verstrekt.
Kirsten Heberer is een gecertificeerd maatschappelijk werker, supervisor en consultant voor inclusie en geweldspreventie. Als contactpersoon bij het ondersteuningscentrum van de Federatie van Onafhankelijke Waldorfscholen behandelt ze incidenten van pesten, psychisch en fysiek geweld en seksueel misbruik. “Het is niet ongebruikelijk dat mensen die hulp zoeken in eerste instantie hun identiteit verbergen.
Vaak komen angst en onzekerheid voort uit intimidatie en een dagelijks gevoel van machteloosheid dat simpelweg te groot is.
“Over het algemeen geldt: hoe meer ik weet, hoe beter ik kan reageren,” aldus Heberer. Het is niet ongebruikelijk dat mensen pas contact opnemen met een specialist nadat ze een Waldorf-school al hebben verlaten. Dit gebeurt vaak nadat getroffen kinderen of tieners bijvoorbeeld weken of maandenlang herhaaldelijk met buikpijn wakker zijn geworden op schooldagen, excuses hebben verzonnen om niet mee te gaan op schoolreisjes en excursies, of zelfs in de brugklas weer in bed zijn gaan plassen. De lijst met mogelijke symptomen is lang, maar de oorzaak kan meestal in één woord worden samengevat: pesten. Hierachter schuilt echter een complexe sociale dynamiek die wordt gekenmerkt door pesterijen, kwellingen en isolatie.De onderliggende kwestie is vaak het verwerven, uitoefenen en behouden van macht. De betrokken rollen zijn meestal onduidelijk en zouden net zo goed omgekeerd kunnen zijn. “Het is cruciaal om dit te benadrukken: slachtoffers van pesten zijn nooit schuldig aan hun situatie, aan wat hen overkomt.
Het kan echt iedereen overkomen,” verzekert Heberer, in de hoop de betrokkenen enige verlichting te bieden.
Projectie, conflict, ruzie – of pesten?
Wanneer een hulpvraag haar bereikt via de contact- en klachtenafdeling, is Heberers belangrijkste taak “onderzoek doen”. “Ik probeer zo nauwkeurig mogelijk te achterhalen wat er is gebeurd of gebeurt, wie de actieve en passieve deelnemers zijn, wat de omstandigheden zijn, welke stappen er mogelijk al zijn genomen en welk effect die hebben gehad,” legt ze uit.
Soms blijkt dat de ouder die hulp zoekt zelf gepest is en dit niet heeft kunnen verwerken. “In zulke gevallen kan het voorkomen dat een kind dat tijdelijk niet naar school wil of veranderingen in zijn of haar vriendenkring ervaart, dit als pesten interpreteert op basis van eigen ervaringen, terwijl het in feite gewoon ontwikkelingsfluctuaties zijn. Dan is het belangrijk om ouders aan te moedigen hun eigen verleden onder ogen te zien en vertrouwen te hebben in de ontwikkeling van hun kind,” aldus Heberer.
Soms is een incident net niet direct als pesten te bestempelen; het is eerder een conflict dat dreigt te escaleren. Heberer legt het verschil uit: “Bij een conflict is er onenigheid over de feiten. Verschillende belangen lijken niet te verzoenen. Bij pesten is dit feitelijke niveau allang verdwenen. Dan gaat het gewoon om het kleineren van een persoon of groep. Conflicten escaleren vaak tot pesten wanneer de betrokkenen geen oplossing voor hun probleem kunnen vinden. Daartussenin ligt de actieve betrokkenheid bij een conflict. “Argumenten zijn niet altijd objectief; soms lopen ze hoog op, oftewel emotioneel. Er worden niet alleen meningen, argumenten en zorgen uitgewisseld, maar ook beledigingen, scheldwoorden, beschuldigingen en insinuaties. En als deze niet worden ingetrokken, gecorrigeerd of waarvoor geen excuses worden aangeboden, kunnen ze de basis vormen voor later pestgedrag,” legt Heberer uit.
Maar het omgekeerde scenario is ook denkbaar. Ongelukkig opgeloste pestsituaties leiden vaak tot nieuwe conflicten. Bijvoorbeeld wanneer een kind en zijn of haar familie de school verlaten omdat ze daartoe zijn geadviseerd of omdat ze niet wisten wat ze anders moesten doen.
Heberer zegt: “Achteraf gezien spreken soms stemmen die eerst zwegen.”
De vis en zijn kop…
Stilzwijgen, de onwil om te spreken of te luisteren, het toekijken en wegkijken – dit zijn allemaal fundamentele componenten van pesten. Ze verspreiden een gevoel van collectieve machteloosheid over een groep, een klas of een docententeam. Na jarenlange ervaring in het onderwijs gebruikt Heberer een gezegde wanneer ze de oorzaken en ingangspunten van terugkerend pesten op Waldorfscholen bespreekt: “Over het algemeen rot de vis van de kop af.” Heberer verwijst naar de leiderschapsstructuur van de school. Of deze nu bijzonder smal of bijzonder breed is, brengt altijd risico’s met zich mee. “Een zeer smalle structuur betekent dat alles autoritair en van bovenaf wordt opgelegd – zelfs in de klas.” “Dan heb je docenten die zeggen: ‘Wat er achter deze deur gebeurt, is volledig aan mij.’ Ze hebben het gevoel: ‘Mijn ruimte, mijn klas, mijn ouders, mijn les’,” legt Heberer uit.
Een zeer ruime opvatting van structuur, daarentegen, komt neer op een laissez-faire houding. Heberer merkte op: “Er is vaak een gebrek aan verantwoording, en dat schept op zijn beurt een vruchtbare bodem voor misbruik.” De vermeende vrijheid betekent niet een gebrek aan verantwoordelijkheid; dit wordt vaak verkeerd geïnterpreteerd. Deze twee uitersten gaan vaak gepaard met uitspraken als: “Zo hebben we het altijd al gedaan.” Of: “Ja, ze schreeuwt veel, maar eigenlijk is ze een fantastische lerares. We zijn blij dat we haar hebben.” En ook: “In tijden van lerarentekort hebben we geen keus.”
Het personeel als rolmodel
De expert houdt zich echter niet primair bezig met gevallen van pesten onder leerlingen. De meeste scholen proberen dergelijke gevallen intern op te lossen. Heberer heeft vaker te maken met pesten onder het personeel. En meer dan ooit helpt het hen om perspectieven en informatie te verzamelen en een compleet beeld te vormen. Dit is immers al eerder gebeurd: leraren die via een rechtszaak probeerden terug te keren naar een school waar ze eerder waren ontslagen vanwege ernstig pedagogisch wangedrag, en die pestgedrag beweerden. Hoe dan ook, Heberer is er zeker van: “Wat de sfeer onder collega’s ook is, volwassenen mogen er nooit van uitgaan dat de leerlingen zich daar niet van bewust zijn.” Integendeel: jongeren hebben een zeer scherp oog voor wie geen inspraak heeft, niet serieus wordt genomen of zelfs de dienst uitmaakt. Naast het bevorderen van een algemeen vertrouwensvol schoolklimaat en het opleiden van mediators en conflictbemiddelaars, is Heberer ervan overtuigd dat de beste manier om pesten te voorkomen, collegiale samenwerking op basis van gelijkwaardigheid is – met duidelijke verantwoordelijkheden, ruimte voor ontwikkeling en transparantie – waarbij de focus altijd op het betreffende probleem ligt.
Onder nr. 3 is sprake van ‘geometrische figuren’. A.h.w. ‘oerfiguren’ die we duizenden jaren geleden al aantroffen. Die voor de mensen van toen een bepaalde betekenis hadden.
Welke betekenis: dat is moeilijk met zekerheid te zeggen. Velen hebben er wel over nagedacht, gesproken en/of geschreven. O.a. Mellie Uyldert. Haar gezichtspunten over despiraalvind jehier.
Ook met de kinderen op de basisschool wordt de spiraal getekend als vormtekening. Er wordt niet uitgegaan van een (infantiele) voorstelling om bv. een slakkenhuis te gaan tekenen: nee, het gaat om de vorm pur sang. Aanwijzingen daarvoor vind je in GA 294 – in dit artikel.
Het tekenen van spiralen wordt ook therapeutisch toegepast.
Een zeer oud en wijdverbreid grafisch symbool, verwant met de cirkel en met concentrische cirkels, die op het eerste gezicht moeilijk van spiralen te onderscheiden zijn. Hoewel beide symbolen in theorie geheel verschillend moeten worden geïnterpreteerd, kan hun betekenis samenvallen wanneer vluchtig getekende, van het middelpunt naar buiten uitgaande golven (concentrische cirkels) in spiralen overgaan. In beginsel vormt de spiraal een dynamisch systeem, dat zich – al naar gelang de zienswijze – ofwel samenbalt, ofwel ‘ontwikkelt’, waarbij de beweging ofwel middelpuntzoekend, ofwel middelpuntvliedend is. De spiralen die in spiraalnevels (spiraalvormige sterrenstelsels) aan de hemel zichtbaar zijn (zij het niet met het blote oog), doen denken aan turbulenties (maalstroom, werveling) in stromend water, maar eveneens aan identieke draaikolken, die ontstaan als water of een andere vloeistof door een opening naar onderen wegstroomt. Een dergelijk symbool kan daarom heel goed het wegzinken in de ‘wateren van de dood’ aanduiden, net als dat het geval is met ‘golfkringen’ (concentrische cirkels). Dat zou dan verklaren, waarom zulke symbolische figuren vaak in rotsblokken van prehistorische megalithische grafmonumenten gegrift zijn. Het is echter ook denkbaar dat er een verband bestaat met de bewegingen van de sterren aan de nachtelijke hemel. Men heeft opgemerkt dat zulke petrogliefen (rotstekeningen) niet zelden via spleten door zonnestralen worden geraakt en doorsneden, en wel tijdens de zonnewende. Omdat ook de zon elke avond ‘in de westelijke zee ondergaat’ en de volgende ochtend weer in het oosten opduikt, kan het aanbrengen van zulke tekens ook samenhangen met het ideeëncomplex ‘sterven en herrijzen’.
Spiraal: spiraal opgerolde slang als speelbord. Kalksteenplaat, voordynastiek Egypte, ca 3500 jaar voor C.
In culturen die vertrouwd zijn met het gebruik van de pottenbakkersschijf, kunnen spiralen ook hun oorsprong hebben in de eenvoudige observatie, dat zulke figuren ontstaan als een voorwerp (of een vinger door de vochtige ronddraaiende klei van binnen naar buiten weegt. Natuurlijk kunnen degelijke eenvoudige figuren ontstaan zonder praktische doelstelling gemaakt zijn, als tijdspassering zonder enige diepere symbolische betekenis.
Interessant is de figuur van te dubbele spiraal, die beide elementen, het zich ontvouwen en het zich samenrollen (‘evolutie en involutie’) tot een eenheid verbindt. Men kan er evengoed het ‘ontstaan en vergaan’ uit aflezen als de omkeerbaarheid van dit proces. In die zin heeft men wel een dubbele spiraal in de schaamdriehoek van een neolithisch ‘moedergodin’ beeld uit Thracië geïnterpreteerd. In de Romaanse beeldhouwkunst werden er in plooien van het gewaad van Christusfiguren wel dubbele spiralen verwerkt.
In prehistorische megalithische grafmonumenten komen ook driepas-spiralen voor, waarvan de betekenis naast het decoratieve element niet meer te achterhalen is. Hypothetisch blijft ook de symbolische samenhang tussen spiraal en labyrint, al doet de gedachte van een ‘moeilijke weg erin en weer eruit’ een verband vermoeden met de symboliek van sterven en herboren worden.
In GA 300A op deze blog vertaald blz. 90/over planetenbewegingen [19] Blz. 109/verwijzing naar een onderwerp in een andere vergadering over plantkunde: stempel, stamper en de bewegingen van zon en maan [7]
Uitvoerig staat Steiner stil bij de spiraal in GA 312:
Geisteswissenschaft und Medizin
Geesteswetenschap en geneeskunde
Voordracht 6, Dornach 26 maart 1920
Blz. 117 vertaald blz. 113
Da möchte ich heute zunächst davon ausgehen, Ihnen den Pflanzenbildungsprozeß als solchen in seinem kosmischen Zusammenhange hinzustellen. Wir haben ja darauf aufmerksam gemacht, wie im Menschen gewissermaßen funktionell der umgekehrte Prozeß tätig ist, der sich im Pflanzenwerdeprozeß offenbart. Es ist daher notwendig, um die direkte Beziehung der Pflanzenwelt zum Menschen zu finden, diesen Pflanzenwerdeprozeß wenigstens andeutungsweise hier vorzuführen. Wenn Sie die Pflanze sich ansehen, so werden Sie finden, daß sie ganz entschieden zwei entgegengesetzte Tendenzen in ihrem ganzen Bildeprozeß hat. Die eine geht nach der Erde hin. Und ich habe ja schon gestern angedeutet, daß gewissermaßen bei den baumartigen Pflanzen in dem Stamm die Erde gewissermaßen aufgestülpt ist, so daß die Blüten beim Baum mit den dazugehörigen Blättern im Stamm so wurzeln, wie sonst die bloß krautartigen Pflanzen oder gar die niederen Pflanzen in der Erde wurzeln. Nun werden wir da hingewiesen auf der einen Seite zu der Tendenz der Pflanzen nach der Erde. Aber auf der anderen Seite strebt die Pflanze von der Erde weg. Sie strebt nicht nur von der Erde weg wie durch eine mechanische Kraft, die sich der Anziehungs-
Vandaag wil ik om te beginnen voor u het ontwikkelingsproces van de plant in zijn kosmische context behandelen. We hebben er al op gewezen dat in de mens in functioneel opzicht als het ware het omgekeerde proces plaatsvindt van wat zich in het wordingsproces van de plant openbaart. Om nu het directe verband tussen de plantenwereld en de mens te kunnen vinden, is het nodig dit wordingsproces van de plant hier in ieder geval kort te schetsen. Als u de plant bekijkt, zult u merken dat ze in haar hele groeiproces ontegenzeglijk twee aan elkaar tegengestelde tendensen vertoont. Enerzijds tendeert ze naar de aarde. En ik heb er gisteren al op gewezen dat het bij boomachtige planten zo is dat de aarde als het ware in de stam omhooggestulpt is, zodat de bloeiwijzen met de bijbehorende bladeren net zo in de stam wortelen als de gewone kruidachtige planten en vooral de lagere planten in de aarde wortelen. Zo zien we aan de ene kant de naar de aarde gerichte tendens van de planten. Anderzijds echter streeft de plant van de aarde weg. En dat doet ze niet louter door een soort mechanische kracht die tegen de aantrekkingskracht
Blz. 119 vert. 113/114
kraft der Erde entgegensetzt, sondern sie strebt von der Erde in ihrem ganzen, auch inneren Bildungsprozeß weg. Die Vorgänge in der Blüte werden andere als die Vorgänge in der Wurzel. Die Vorgänge in der Blüte werden viel abhängiger von dem Außerirdischen, von dem Außertellurischen als die Vorgänge in der Wurzel. Und auf diese Abhängigkeit der Blütenbildung von den nicht eigentlich irdischen Kräften müssen wir zunächst hinsehen. Denn wir werden finden, daß dieselben Kräfte, die von der Pflanze gebraucht werden, um den Blüten- und Samenbildungsprozeß außen in der Blüte einzuleiten, daß dieselben Prozesse notwendig werden wegen der Ihnen in den vorhergehenden Vorträgen angedeuteten funktionellen Umkehrung des Pflanzenprozesses im Menschen, im menschlichen Unterleibe und in all dem, was die Entleerungen, die Absonderungen und auch was die Grundlage der Sexualität betrifft, zu finden sind. So werden wir gerade, wenn wir diese Beziehung des Menschen zur Pflanze aufsuchen, auch im einzelnen auf den außertellurischen Prozeß der Pflanze ebensogut verwiesen wie auf den tellurischen.
van de aarde in gaat, nee, ze streeft van de aarde weg in haar hele, ook innerlijke vormproces. De processen in de bloem worden anders dan de processen in de wortel. De processen in de bloem worden veel afhankelijker van het buitenaardse, van het extratellurische, dan de processen in de wortel. En daar moeten we eerst naar kijken, naar die afhankelijkheid van de bloemvorming van in feite niet-aardse krachten. We zullen dan namelijk zien dat dezelfde krachten die de plant gebruikt om in de bloem het bloei- en het zaadvormingsproces op gang te brengen, dat diezelfde processen noodzakelijkerwijs – op grond van de al in de vorige voordrachten genoemde functionele omkering van het plantproces in de mens – te vinden zijn in het menselijk onderlichaam en in alles wat te maken heeft met de uitscheidingen, de secretie en ook met de grondslag van de seksualiteit. Juist als we deze relatie van de mens met de plant opzoeken, worden we dus tot in de details zowel naar het extratellurische proces van de plant verwezen als naar het tellurische.
Ich möchte nicht versäumen, Sie darauf aufmerksam zu machen, daß dasjenige, was ich hier vortrage, nicht entlehnt ist älteren medizinischen Schriften, sondern auf durchaus gegenwärtiger geisteswissenschaftlicher Forschung beruht. Nur muß versucht werden, zuweilen in der Terminologie auf die ältere Literatur zurückzugreifen, weil ja die neuere Literatur eine Terminologie nach dieser Richtung hin noch nicht ausgebildet hat. Aber derjenige, der glauben würde, daß irgend etwas hier vorgetragen wird, was nur älteren Schriften entnommen ist, der würde sich eben sehr irren. Wenn Sie das Pflanzenwachstum verfolgen, wie es von dem Irdischen aufwärts geht, so werden Sie zunächst verwiesen werden müssen auf den spiraligen Gang in der Entstehung, in dem Bildeprozeß der Blätter und auch der Blüte. Gewissermaßen befolgen die Bildekräfte der Pflanze eine Art spiraligen Gang um den Stengel herum. Dieser spiralige Gang kann nicht aus inneren Spannkräften etwa der Pflanze abgeleitet werden, sondern er ist zurückzuführen auf die Einwirkung des Außertellurischen, namentlich in seiner
Ik wil niet verzuimen u erop attent te maken dat wat ik hier behandel niet ontleend is aan oudere medische literatuur, maar volledig op modern geesteswetenschappelijk onderzoek berust. Wel moeten we soms teruggrijpen op de terminologie van de oudere literatuur, omdat de modernere literatuur op dit gebied immers nog geen terminologie ontwikkeld heeft. Wie echter denkt dat hier dingen ter sprake komen die uitsluitend op oudere literatuur zijn gestoeld, die vergist zich ernstig. Als u naar de groei van de plant kijkt, hoe die vanuit de aarde omhooggaat, dan zult u om te beginnen de spiralende beweging tegenkomen in het ontstaansproces van de bladeren en ook van de bloemen. De vormkrachten van de plant volgen als het ware een spiralende weg om de stengel heen.
Die spiraalbeweging kan niet worden afgeleid uit zoiets als innerlijke spankrachten van de plant, maar moet worden herleid tot de inwerking van het extratellurische,
Voetnoot in de Nederlandse vertaling:
wat de sterren doen, wordt in de plant getrouw weerspiegeld: Zie hierover o.m. F.H.Julius/E.M. Kranich, Bäume und Paneten, Stuttgart 1989. Er is ook eenNederlandse uitgave, zonder de auteursnaam Kranich
.
Blz. 119 vert. 114
Hauptsache auf die Einwirkungen des, sagen wir, scheinbaren — denn es ist ja doch die Bewegung der Erde zur Sonne nur relativ zu nehmen —, also des scheinbaren Sonnenweges. Man kann in einer gewissen Beziehung durchaus studieren nach besseren Anhaltspunkten, als die galileisch-mathematischen sind, den Gang der Sterne aus dem Gang der Bildeprozesse bei der Pflanze. Denn was die Sterne tun, das bildet die Pflanze getreulich nach. Nun aber würde man ganz fehlgehen, wenn man glauben würde, daß nur dieser von der Erde nach aufwärts gehende, von der Sonne abhängige Bildungsgang in der Pflanze tätig sei, sondern es wirken die Sterne zunächst zu einer Resultierenden zusammen mit den durch die Sonne bewirkten Bewegungen unseres Planetensystems, und zwar so, daß gewissermaßen die Sonnenkraft die Pflanze ganz sich aneignen und sie fortwährend fortsetzen würde ins Unendliche, wenn dieser Sonnenkraft nicht entgegentreten würden die sogenannten äußeren Planetenkräfte wiederum mit ihren Spiralen (siehe Zeichnung Seite 119). Denn in Wirklichkeit bewegen sich die Planeten nicht in Ellipsen, sondern in Spiralen. Die ganze kopernikanische
en wel in hoofdzaak van de, laten we zeggen, schijnbare – want de beweging van de aarde ten opzichte van de zon moet immers toch relatief worden opgevat – zonneweg. In een bepaald opzicht vinden we voor het bestuderen van de loop van de sterren betere aanknopingspunten in het verloop van de groeiprocessen bij de plant dan in de mathematisch-galileïsche benadering. Want wat de sterren doen, wordt in de plant getrouw weerspiegeld. Nu zouden we ons echter danig vergissen als we zouden denken dat alleen die vanuit de aarde opwaarts gerichte, van de zon afhankelijke ontwikkeling in de plant werkzaam is. Want de sterren werken met de door de zon veroorzaakte bewegingen van ons planetenstelsel samen tot één resultante. De kracht van de zon zou zich de plant als het ware helemaal toe-eigenen en haar groei tot in het oneindige voortzetten, als de krachten van de zogenaamde buitenplaneten daar vervolgens niet met hun spiralen tegen in zouden gaan. Want in werkelijkheid bewegen de planeten zich niet in ellipsen maar in spiralen. Het hele copernicaanse
Blz. 120 vert. 114
Weltanschauung müßte ja eigentlich heute schon geprüft und durch eine andere ersetzt werden. Die sogenannten äußeren Planeten, zu denen wir zu rechnen haben Mars, Jupiter und Saturn — Uranus und Neptun sind nur astronomisch zu unserem System zu zählen, sie gehören nicht in Wirklichkeit zu unserem System, sie sind dadurch in unser System hineingekommen, daß sich Fremdkörper, die außerhalb dieses Systems lagen, gewissermaßen diesem System angeschlossen haben, so daß man schon richtig spricht, wenn man von diesen erst von unserem Planetensystem eingeladenen Körpern, die da mitkommen, die eigentlich Gäste sind, absieht —, diese äußeren planetarischen Kräfte, die bewirken einen Rückgang der nach oben gerichteten Kraft, indem sie dasjenige, was sonst bloß in der Blattspirale zum Ausdruck kommen würde, zurückstauen und die Blütenund Samenbildung bewirken. Wenn Sie also von der Blattbildung an das Werden der Pflanze nach oben betrachten, so müssen Sieseinen Ursprung zuschreiben denjenigen Kräften, die aus dem Zusammenwirken entstehen des Sonnigen mit dem Marshaften, Jupiterhaften und Saturnhaften.
wereldbeeld zou vandaag de dag eigenlijk moeten worden herzien en door een ander moeten worden vervangen. Tot de zogenaamde buitenplaneten moeten we Mars, Jupiter en Saturnus rekenen. Uranus en Neptunus vallen alleen in astronomische zin onder ons planetenstelsel, in werkelijkheid horen zij er niet bij; zij zijn in ons stelsel terechtgekomen doordat vreemde hemellichamen, die zich buiten dat stelsel bevonden, zich er als het ware bij hebben aangesloten, zodat het terecht is die hemellichamen, die door ons planetaire stelsel uitgenodigd zijn om erbij te komen, die eigenlijk gasten zijn, er niet bij te rekenen.
Voetnoot:
Uranus en Neptunus vallen alleen in astronomische zin onder ons planetenstelsel: Zie ook Kosmische hiërarchieën, de voordracht van 18 april, en Die geistigen Wesenheiten in den Himmelskörpern und Naturreichen, GA 136, de voordracht van 14 april. Vertaald.
De krachten van die buitenplaneten buigen de opwaarts gerichte kracht om, door wat anders alleen in de bladspiraal tot uitdrukking zou komen, terug te dringen en de bloem- en zaadvorming op gang te brengen [zie de tekening op blz. 115, bovenste pijlen en ‘zaadbol’].
Als u dus vanaf de bladvorming het groeiproces van de plant volgt, dan moet u de oorsprong daarvan toeschrijven aan krachten die voortvloeien uit de samenwerking van de zonnesfeer met de Marssfeer, de Jupitersfeer en de Saturnussfeer.
Voetnoot:
‘onderzonnige’ planeten: Met de uitdrukkingen ‘onderzonnige’ en ‘bovenzonnige planeten’ zijn de ‘binnen-’ resp. ‘buitenplaneten’ bedoeld
Nun wirken aber nicht nur diese zwei Elemente zusammen, sondern ihnen wiederum wirkt entgegen dasjenige, was namentlich vom Monde ausgeht und von den sogenannten unteren Planeten, von Merkur und Venus. Merkur, Venus und Mond sind dasjenige, was in der Pflanze die Tendenz zur Erde, nach unten, erzeugt und was seinen bezeichnendsten Ausdruck findet in der Wurzelbildung. So daß alles dasjenige, was irdisch erscheint, eigentlich zugleich beeinflußt ist von den untersonnigen Planeten mit dem Monde im Zusammenhange. Sie haben also in der Pflanze, ich möchte sagen, das ganze zu uns gehörige Planetensystem ausgedrückt. Ehe man nicht kennt, wie sich in der Pflanze das ganze zu uns gehörige Planetensystem ausdrückt und wie es sich andererseits im Menschen wiederum ausdrückt, kann man eigentlich den Zusammenhang zwischen dem Pflanzensystem und dem Menschensystem gar nicht durchschauen. Sie brauchen nun ja nur hinzusehen auf die Tatsache, daß, wenn Sie Pflanzen verbrennen, welche nach dem Wurzelhaften hin-
Nu werken echter niet alleen die twee elementen samen, maar daar tegenover staat vervolgens weer de werking die met name van de maan en van de zogenaamde binnenplaneten, Mercurius en Venus, uitgaat. Mercurius, Venus en de maan geven de plant haar neerwaartse, naar de aarde gerichte tendens, die het sterkst tot uitdrukking komt in de wortelvorming. Alles wat in de aardse sfeer verschijnt, wordt dus tegelijkertijd ook beïnvloed door de ‘onderzonnige’ planeten in samenhang met de maan. In de plant vindt u dus ons hele planetenstelsel uitgedrukt.
Zolang we niet weten hoe zich in de plant ons hele planetenstelsel uitdrukt en hoe dat op zijn beurt weer tot uitdrukking komt in de mens, zolang zullen we het verband tussen de wetmatigheden van de plant en de wetmatigheden van de mens niet kunnen doorzien.
Let u maar eens op het volgende feit: als u planten verbrandt die naar het wortelachtige
Blz. 121 vert. 114/115
neigen, welche also den Prozeß der Blüten- und Samenbildung weniger durchmachen als diejenigen Pflanzen, die nach der Blütenbildung hinneigen, oder überhaupt Pflanzenwurzeln verbrennen, daß da wesentlich mehr Aschenbestandteile sind, als wenn Sie Blüten verbrennen, oder auch wenn Sie Misteln oder baumartige Pflanzen verbrennen. Der Unterschied rührt einfach davon her, daß das Untersonnige, das Mondhafte, das Merkurhafte, das Venushafte mehr wirkt auf solche Pflanzen, die nach der Wurzelbildung hin die starke Tendenz zeigen. Da finden Sie in der Asche Eisen, Mangan, Kiesel, also Bestandteile, welche ja direkte Heilmittel darstellen, und die dann als Heilmittel auch auftreten, wenn man irgend etwas aus der Pflanze verwendet. Dagegen finden Sie wenig Aschenbestandteile, wenn Sie die entgegengesetzte Art von Pflanzen verbrennen. Das, was sich da im Verbrennungsprozeß ausdrückt, das ist ja zunächst dasjenige, was, ich möchte sagen, ein richtiges äußeres Dokument ist für diese Zugehörigkeit der Pflanze zum ganzen Kosmos, nicht bloß zu dem, was auf der Erde zu finden ist.
tenderen, die dus het proces van bloem- en zaadvorming minder doormaken dan planten die op de bloemvorming gericht zijn, of als u gewoon plantenwortels verbrandt, dan blijft er veel meer as over dan wanneer u bloemen verbrandt of ook mistels of boomachtige planten. Het verschil is simpelweg een gevolg van het feit dat de binnenplaneten, – maan, Mercurius en Venus – meer werken op planten die sterk naar wortelvorming tenderen. In de as vindt u dan ijzer, mangaan en kiezel, bestanddelen dus die direct als geneesmiddelen bruikbaar zijn en ook als zodanig werkzaam zijn wanneer we iets van zo’n plant gebruiken. Daarentegen blijft er maar weinig as over, wanneer u de tegenovergestelde soort van planten verbrandt. Wat daar in dat verbrandingsproces tot uitdrukking komt, vormt, ik zou willen zeggen, het tastbare bewijs dat een plant deel heeft aan de hele kosmos en niet alleen aan wat op aarde te vinden is. GA 312/117-121 Vertaald/113-115
GA 97
Das christliche Mysterium
In voordracht zet Steiner de ontwikkelingsweg van de Rozenkruisers, hij geeft een korte inhoud van de zeven fasen daarin.
Der Jogapfad, die christlich-gnostische Einweihung und die Esoterik der Rosenkreuzer
Het yogapad, de christelijk-gnostische inwijding en de esoterie van de rozenkruisers.
Keulen, 30. november 1906
Als dritte Stufe folgt für den Schüler das Erlernen der okkulten Schrift. Wenn wir in der Astralwelt wirklich leben wollen, dann müssen wir die okkulte Schrift kennen. In der Welt sind viele Dinge nach der Figur des Wirbels gebaut:
De derde fase voor de leerling is het leren van de occulte schrift. Als we werkelijk in de astrale wereld willen leven, dan moeten we het occulte schrift kennen. Veel dingen in de wereld zijn gestructureerd volgens het wervelpatroon*:
Blz. 204
Diese Spirale finden wir sowohl im Orionnebel wie auch bei der Gestaltung von lebendigen Wesen. Die Menschen- und Tierkeime haben in einem früheren Stadium eine Spiralform. Der eine Teil verbildlicht das Physische, der andere Teil, der sich hineinschlingt, das Astrale. Auch der Anbruch eines neuen Stadiums in der Menschheitsgeschichte wird durch das Zeichen zweier ineinander verschlungener Wirbel symbolisiert. Es ist dies das Tierkreiszeichen des Krebses. Als nach Untergang der alten Atlantis mit der urindischen Unterrasse die nachatlantische Epoche ihren Anfang nahm, ging die Sonne bei Frühlingsanbruch im Tierkreiszeichen des Krebses auf. Wenn man die okkulte Schrift kennt, lernt man sich in der Astralwelt orientieren.
Deze spiraalvorm is zowel te vinden in de Orionnevel als in de vorming van levende wezens. Menselijke en dierlijke embryo’s hebben in een eerder stadium een spiraalvorm. Een deel symboliseert het fysieke, het andere deel, dat zich eromheen wikkelt, het astrale. Het aanbreken van een nieuw tijdperk in de menselijke geschiedenis wordt ook gesymboliseerd door het teken van twee in elkaar verstrengelde wervels. Dit is het sterrenbeeld Kreeft. Toen na de ondergang van het oude Atlantis met de oer-Indische cultuur het na-Atlantische tijdperk aanbrak, kwam de zon op in het sterrenbeeld Kreeft aan het begin van de lente. Kennis van occulte geschriften stelt iemand in staat zich te oriënteren in de astrale wereld. GA 97/203
Niet vertaald
Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten im rosenkreuzerischen Sinne?
Hoe krijg je inzicht in de hogere werelden volgens de Rozenkruisers
München, 11 december 1906
Blz. 212
Ein Beispiel dafür [Lesen okkulter Schrift] ist die Spirale, die wir im äußeren Kosmos in der Gestalt von zwei ineinandergeschlungenen Wirbeln im Orionnebel erblicken. Mikrokosmisch geschieht die erste Eingliederung des Menschenkeims in einer entsprechenden Form. Das Bild zweier ineinandergeschlungener Wirbel ist das Tierkreiszeichen des Krebses. In der okkulten Schrift zeigt es den Übergang von einem Entwickelungsstadium in das nächste an. In der Tat lag der Frühlingspunkt der Sonne im Zeichen des Krebses, als im alten Indien nach dem Untergang der Atlantis eine neue Menschheitsepoche eingeleitet wurde.
Een voorbeeld hiervan [het lezen de occulte schrift] is de spiraal die we in de uiterlijke kosmos zien in de Orionnevel als twee in elkaar verstrengelde wervels. Op microkosmisch niveau vindt de eerste ordening van het menselijk embryo plaats in een overeenkomstige vorm. Het beeld van twee in elkaar verstrengelde wervels is het sterrenbeeld Kreeft. In de occult schrift symboliseert het de overgang van de ene ontwikkelingsfase naar de volgende. Inderdaad, de lente-equinox van de zon viel in het teken Kreeft toen in het oude India een nieuw tijdperk voor de mensheid aanbrak na de ondergang van Atlantis. GA 97/212 Niet vertaald
Ditzelfde thema stipt Steiner ook aan in de voordracht
Wer sind die Rosenkreuzer
Wie zijn de Rozenkruisers
Leipzig, 7 februari 1907
Blz. 221
Die okkulte Schrift besteht darin, daß die inneren Strömungen der Natur nachgebildet werden. Ein solches Zeichen ist das Wirbelzeichen. Könnten Sie den Orionnebel ganz sehen, so würden Sie ihn wie zwei ineinander verschlungene Sechsen wahrnehmen. Hier sehen Sie eine zugrunde gehende und eine entstehende Welt in dem Nebel. So ist es überall. Wenn die Pflanze eine neue Frucht abstößt, so geht gar nichts von der alten Pflanze in die neue über. Nichts anderes als die Kräfte bewirken, daß sich eine neue Pflanze bildet. Auch da würden Sie nur den Wirbel sich hinausringeln und hineinringeln sehen. Ebenso könnten Sie sehen, wie eine alte Kultur sich in sich selbst hineinringelt und eine neue sich herausschlängelt. Dieser geistige Vorgang kann uns helfen, ein solches Schriftzeichen zu verstehen.
Het occulte schrift bestaat uit het navormen van de innerlijke stromingen van de natuur. Een van de symbolen is het wervelingsymbool. Als je de Orionnevel in zijn geheel zou kunnen zien, zou je hem waarnemen als twee in elkaar versterkte zessen. Hier zie je een wereld in verval en een wereld in opkomst binnen de nevel. Dit is overal zo. Wanneer een plant een nieuwe vrucht afwerpt, gaat er niets van de oude plant over in de nieuwe. Niets anders dan de krachten zelf zorgen ervoor dat een nieuwe plant ontstaat. Ook daar zou je alleen de werveling zien die zich in- en uitrolt. Zo kun je ook zien hoe een oude cultuur zich naar binnen keert en een nieuwe zich een weg naar buiten baant. Dit spirituele proces kan ons helpen een soortgelijk symbool te begrijpen. GA 97/222 Niet vertaald
Die christliche Einweihung und der Rosenkreuzerschule
De christelijke inwijding en de school van de Rozenkruisers
Wenen, 22 februari 1907
Blz. 239
Die dritte Stufe ist die Aneignung der okkulten Schrift. Es gibt etwas in der Welt, was man im okkulten Leben den Wirbel nennt. Dieser Wirbel ist überall in der Natur und in der geistigen Welt vorhanden. Stellen Sie sich vor, Sie schauten hinauf zum Orionnebel, der eine merkwürdige Spirale bildet. Wären Sie ein Seher, so würden Sie sehen, daß sich ein Wirbel wie eine Sechs herauswindet und dann ein zweiter, der dunkler ist. Diese beiden Wirbel greifen ineinander. Das kommt in der geistigen Welt auch vor. Wir leben in der Zeit nach der großen atlantischen Flut. Vor dieser Zeit lebten unsere uralten Vorfahren, Menschen ganz anderer Art. Heute stellt man sich vor, die Menschen damals seien so gewesen, wie sie jetzt sind. Die äußeren physischen Verhältnisse waren jedoch ganz anders. So war Atlantis ein Land, das immer dunkel war, gehüllt in dichte Nebelmassen. Es ist wichtig, daß Sie das wissen. Die alte deutsche Mythologie hat die Erinnerung behalten in den Worten Nifelheim, Nebelheim, Nibelungen. Diesen Verhältnissen entsprechend war die menschliche Organisation eine ganz andere. Ebenso haben die Atlantier eine ganz andere Kultur gehabt. Sie würden eine Vorstellung davon bekommen, wenn ich Ihnen im einzelnen schildern könnte, wie die Menschen damals in allen Dingen artikulierte Laute vernommen haben. Sittengebote gab es nicht. Wenn einer wissen wollte, wie er sich zu seinem Nachbarn verhalten sollte, konnte er sich nicht an irgendwelche Instanz wenden: er horchte auf die Wellen und wußte es. Das war eine Kultur, von der jede Spur geschwunden zu sein scheint. Sie ist untergegangen. Wann ist das geschehen? Am Himmel können wir es sehen. Etwa acht Jahrhunderte vor Christi Geburt ging die Sonne im Bilde des Widders auf. Sie bewegt sich im Laufe von etwa 2160 Jahren durch ein Sternbild hindurch. Um das Jahr 800 vor Christus rückte die Sonne in das Sternbild des Widders oder Lammes um. Die Menschheit empfand, das neue Sternbild habe ihr die neue Fruchtbarkeit des Frühlings, das neue Gute gebracht. Daher sehen wir, daß sie das Lamm oder den Widder wichtig fand. Vieles deutet darauf hin, zum Beispiel die Argonautensage, in der das Goldene Vlies eine solche Rolle spielt. Selbst Christus wird das Lamm Gottes genannt. Das Symbolum, dem die Verehrung dargebracht wurde, war das Lamm. Früher war die Sonne im Sternbild des Stieres, daher die Verehrung des Stieres in der ägyptischen und persischen Kultur. Noch früher ging die Sonne durch das Bild der Zwillinge. Dem entspricht die große Rolle, welche die Zweiheit in der persischen Lehre von Ormuzd und Ahriman spielt. Spuren davon finden sich sogar noch im alten Germanentum. Vorher ging die Sonne durch das Sternbild des Krebses. Dies war die Zeit, die dem Hereinbrechen der atlantischen Flut folgte. Ein Wirbel hatte sich im Geistigen vollzogen.
De derde fase [van de ontwikkelingsweg] is het kunnen lezen van de occulte schrift. Er is iets in de wereld dat in het verborgen leven de vortex werveling wordt genoemd. Deze is overal aanwezig in de natuur en in de spirituele wereld. Stel je voor dat je naar de Orionnevel kijkt, die een bijzondere spiraal vormt. Als je een ziener was, zou je een werveling zien die zich als een zes naar buiten wervelt [herauswindet], en vervolgens een tweede, die donkerder is. Deze twee wervels grijpen in elkaar. Dit gebeurt ook in de spirituele wereld.
Het symbool dat hiervoor wordt gebruikt is het teken dat voor het sterrenbeeld Tweeling’ wordt gebruikt:
Steiner weidt over de Tweeling uit:
We leven in de tijd na de grote Atlantische vloed. Voor die tijd leefden onze voorouders, mensen van een totaal ander soort. Tegenwoordig stellen mensen zich voor dat die mensen net zo waren als zij nu. De uiterlijke omstandigheden waren echter totaal anders. Atlantis was een land dat altijd donker was, gehuld in dichte mist. Het is belangrijk dat je dit weet. De oude Duitse mythologie heeft de herinnering bewaard in de woorden Nifelheim, Nebelheim en Nibelungen. Overeenkomstig deze omstandigheden was de menselijke organisatie totaal anders. Evenzo hadden de Atlantiërs een totaal andere cultuur. Je zou dit beter begrijpen als ik in detail zou beschrijven hoe mensen gearticuleerde geluiden in alles waarnamen. Er waren geen gebruikelijke regels. Als iemand wilde weten hoe hij zich tegenover zijn buurman moest gedragen, kon hij zich niet tot een autoriteit wenden: hij luisterde naar de golven en wist het. Dit was een cultuur waarvan elk spoor lijkt te zijn verdwenen. Ze is ten onder gegaan. Wanneer is dit gebeurd? We kunnen het aan de hemel zien. Ongeveer acht eeuwen voor Christus kwam de zon op in het sterrenbeeld Ram. De zon beweegt zich ongeveer elke 2160 jaar door een sterrenbeeld. Rond 800 v.Chr. bewoog de zon zich naar het sterrenbeeld Ram, ofwel het Lam. De mensheid voelde dat het nieuwe sterrenbeeld hen de nieuwe vruchtbaarheid van de lente, de nieuwe goedheid, had gebracht. Daarom zien we dat ze het Lam of de Ram belangrijk vonden. Veel wijst hierop, bijvoorbeeld de Argonautensage, waarin het Gulden Vlies zo’n rol speelt. Zelfs Christus wordt het Lam van God genoemd. Het symbool dat werd vereerd, was het Lam. Daarvoor stond de zon in het sterrenbeeld Stier, vandaar de verering van de stier in de Egyptische en Perzische cultuur. Nog eerder bewoog de zon zich door het sterrenbeeld Tweelingen. Dit komt overeen met de belangrijke rol die dualiteit speelt in de Perzische leer van Ormuzd en Ahriman. Sporen hiervan zijn zelfs terug te vinden in de oude Germaanse cultuur. Daarvoor trok de zon door het sterrenbeeld Kreeft. Dit was de periode na het begin van de Atlantische vloed. Er had zich een werveling voorgedaan in het spirituele rijk. GA 97/239-240 Niet vertaald
Statistisch gezien is er in Duitsland geen enkele schoolklas zonder pesten – en toch blijft het vaak onopgemerkt. Waarom is het zo moeilijk om pesten tijdig te herkennen, en welke rol speelt het inzicht van psychisch geweld bij leerkrachten hierin? Onze auteur legt uit waarom scholen dringend actie moeten ondernemen en hoe preventie succesvol kan zijn.
FFL – Friends for life, Vrienden voor het Leven. De titel van het filmproject dat de meisjes van klas 5 plannen, staat vast. En zoals de titel al doet vermoeden, gaat het over de leukste meidengroep ooit. Ella (naam veranderd) wil ook graag meedoen aan dit filmproject. En bij deze meidengroep horen. Ze is enthousiast als haar klasgenoten haar uitnodigen om hen tijdens de pauze in het meisjestoilet te ontmoeten. Daar zullen ze alles bespreken. Maar als Ella het toilet binnenkomt, is er niemand. Ella wacht. Ze wacht tot de bel gaat voor het einde van de pauze. Dan gaat ze terug naar het klaslokaal. Als ze binnenkomt, ziet ze lachende gezichten. Beschaamd gaat Ella op haar plek zitten. Een paar dagen later deelt een van de meisjes uitnodigingen uit voor haar verjaardagsfeestje. Ella krijgt ook een briefje. Dat had ze niet verwacht. Haar vreugde is des te groter.
Ze vouwt het briefje open en leest: “Dit is geen uitnodiging!”
Ze voelt de tranen opwellen als ze de anderen om haar heen hoort giechelen.
Om erachter te komen of het om ruzie gaat of om pesten is in het dagelijks schoolleven niet altijd even makkelijk. Toch zijn er duidelijke signalen van beide. Conflicten kun je proberen op te lossen, maar bij pesten gaat het niet om doordrukken van eigenbelang, maar om het vernederen van een persoon. Het gaat er niet om dat Ella niet meedoet aan het filmproject of niet is uitgenodigd voor het verjaardagsfeestje – het gaat erom haar te vernederen en macht te demonstreren. Het feit dat Ella zich al in een kwetsbare positie bevindt – ze staat immers alleen tegenover een groep – is een ander kenmerk van pesten.
Pesten vindt in het geheim plaats
Het herkennen van pesten in het dagelijks schoolleven is een uitdaging voor leerkrachten. Ten eerste omdat pesten – in ieder geval in eerste instantie – in het geheim plaatsvindt, bijvoorbeeld in de schooltoiletten. Anderzijds omdat individuele incidenten, zelfs wanneer ze openbaar worden, niet in een tijdelijke bredere context worden geplaatst. Bovendien zijn leraren zich vaak niet bewust van de informatie en normatieve invloeden die hen en hun handelen beïnvloeden: wie moeten ze geloven wanneer het verhaal van een individu in tegenspraak is met dat van een groep? Stel je Ella’s emotionele toestand voor in het licht van herhaalde aanvallen en vernederingen. Hoe zou deze emotionele toestand haar lichaamstaal en gezichtsuitdrukkingen beïnvloeden? Opstandig? Verdrietig? Boos? Bang? Onzeker? Uitspraken als “Ze raakt altijd zo van streek” of “Ze huilt om elk klein dingetje” vinden veel weerklank – ze weerspiegelen precies wat de leraar op dat moment waarneemt.
Zelfs vrouwelijke leraren zijn niet immuun voor de effecten van groepsdruk. Zich in je eentje tegen een groep opstellen en eventueel hun afwijzing uitlokken, vereist moed en de overtuiging om op te komen voor wat juist is. Hoeveel gemakkelijker is het dan, gezien de buitensporige dagelijkse werkdruk, om je aan te sluiten bij de mening van de meerderheid en het individu te bestempelen als de vermeende storende factor. “Schoolleiders en leraren staan over het algemeen afwijzend tegen de situatie, dus wordt er vaak een oplossing gezocht ten koste van het slachtoffer, dat als symptoomdrager wordt gezien, in de vorm van een schooloverplaatsing als de weg van de minste weerstand”, legt advocate Beate zur Nieden uit, onder meer expert in schoolrecht.
Scholing is essentieel
Alleen wanneer leerkrachten voldoende en verplichte scholing krijgen in het voorkomen en aanpakken van pesten en een grondige kennis hebben van groepsdynamiek, kunnen ze pestgedrag vroegtijdig herkennen en de gevolgen beperken, zowel voor de slachtoffers als voor de hele groep. Want niet alleen worden de slachtoffers van pesten in het ergste geval levenslang negatief beïnvloed, maar leren alle groepsleden dat het legitiem en normaal is om voor jezelf op te komen en erkenning te krijgen door middel van psychisch geweld, en dat ze niet zullen stoppen. Zo verlaten jaarlijks honderdduizenden jongeren in Duitsland een school waar ze op de een of andere manier met pesten te maken hebben gehad – als slachtoffer, dader, medeplichtige, omstander of toeschouwer.
Pesten is alomtegenwoordig
Statistisch gezien is er in Duitsland geen schoolklas zonder pesten. Volgens het onderzoek “Gezondheidsgedrag bij schoolgaande kinderen” van de Wereldgezondheidsorganisatie uit 2022 wordt minstens één op de zeven leerlingen direct getroffen door pesten. Een representatief onderzoek van de Alliantie tegen Cyberpesten uit 2025 laat een sterke toename zien van pesten onder jongvolwassenen, juist in die leeftijdsgroep die net van school is gekomen. Decennialang is nagelaten om jongeren al tijdens hun schooltijd de vaardigheden bij te brengen om pesten aan te pakken. Tegelijkertijd is er volgens het Duitse schoolportaal een stijging van 37,1 procent in geweld op scholen en tegen leerkrachten tussen 2022 en 2024. De school staat hier voor een grote taak, waaraan zij op dit moment niet kan voldoen.
En dat kan ze ook niet, zolang ze van de politiek niet de middelen krijgt die daarvoor nodig zijn.
Uit de praktijk
Voor mij staat een jonge man. Er glinsteren tranen in zijn ogen. Het evenement dat ik voor tweehonderd 12- tot 15-jarige leerlingen heb gehouden, is net afgelopen. Maar de jongeman verlaat de ruimte niet samen met zijn klasgenoten. Hij vindt het belangrijk om me te vertellen dat hij zelf heeft meegemaakt waar ik 90 minuten lang over heb gesproken. Dat hij het uiteindelijk niet meer kon verdragen en van school is veranderd. Hoewel hij wist dat dat hij daarmee zijn enige vriend in de steek laat, die na hem de rol van slachtoffer zal vervullen. „Ik kon niet meer”, zegt hij. En ik begrijp wat hij daarmee bedoelt. Zijn kwetsbaarheid staat in schril contrast met zijn lengte, zijn krachtige verschijning en zijn opvallend diepe stem. Hij is niet, zoals zijn klasgenoten, 15 jaar oud. Hij is al 17. Hij heeft twee jaar verloren omdat zijn kracht niet meer toereikend was voor schoolprestaties. Hij had al zijn beschikbare kracht nodig om te overleven.
Door mij voelt hij zich begrepen, gezien, gehoord – en gerehabiliteerd. Maar nog belangrijker: hij heeft een school en een docententeam gevonden die bereid zijn om het thema actief aan te pakken, die zichzelf, hun rol en hun begrip van geweld in vraag stellen.
Het inzicht van de leerkrachten bij psychisch geweld is doorslaggevend
Vooral het begrip van psychisch geweld bij leerkrachten is bepalend voor de vraag of leerlingen zich binnen hun groep tegen pesten uitspreken. Als de verantwoordelijke volwassenen in de schoolomgeving pesterijen zoals beledigingen, uitlachen of uitsluiting tolereren, kan van leerlingen nauwelijks iets anders worden verwacht. Het belang van het begrip van geweld bij leerkrachten in het omgaan met pesten werd onderzocht, bijvoorbeeld in het tijdschrift voor pedagogiek door Ludwig Bilz en anderen: Terwijl 95 procent van de ondervraagde leerkrachten handelingen zoals slaan of schoppen als geweld definieerde, was er slechts 53 procent voor wie schelden of uitlachen geweld vormde. In de lessen van leerkrachten met een breder begrip van geweld bleken echter significant meer leerlingen bereid om in te grijpen bij pesterijen die ze waarnamen.
Sociaalpsychologen noemen het fenomeen waarbij personen een situatie weliswaar als bedreigend ervaren, maar niet ingrijpen omdat ze denken dat alle anderen de situatie anders beoordelen dan zijzelf, ‘pluralistische onwetendheid’. Ze gedragen zich liever conform de groep en zien niet in dat velen hun mening delen.
Opvallend gedrag als gevolg van pesten?
Tijdens een bijscholing voor leerkrachten vraagt een deelneemster mij of er ook sprake is van pesten als het betrokken kind zich daadwerkelijk „irritant“ gedraagt. Ze geeft aan begrip te hebben voor het feit dat de andere leerlingen dit kind afwijzen. Het zou „te luidruchtig“, „te opdringerig“ en qua gedrag „opvallend“ zijn. Mijn antwoord, dat het ongeacht het gedrag van het kind om pesten gaat als het herhaaldelijk wordt beledigd, buitengesloten of uitgelachen, wil de lerares niet accepteren. Ook niet als ik haar probeer duidelijk te maken dat het ten eerste moeilijk is om vast te stellen of het gedrag van het kind daadwerkelijk de aanleiding is voor de afwijzing of misschien juist het gevolg ervan. En ten tweede dat zelfs gedrag van een kind dat als moeilijk wordt ervaren, nooit een rechtvaardiging voor geweld mag zijn.
Het misverstand dat hier naar mijn mening bestaat, ligt in de perceptie van pesten als normaal gekibbel, waardoor het ‘irritante’ kind in het ideale geval leert zich aan te passen aan de vermeende groepsnorm. In het beschreven geval heeft echter vooral de leerkracht zich aangepast aan de door de daders bepaalde groepsnorm, zonder zich daarvan bewust te zijn. Want, zoals gezegd, ook leerkrachten staan onder groepsdruk. Hoe stabieler het pestsysteem is, hoe meer alle groepsleden ervan overtuigd zijn dat het slachtoffer op de een of andere manier zelf schuldig is. We spreken dus van een omkering van dader en slachtoffer.
Pesten is geweld
Pesten wordt als een vorm van massaal emotioneel geweld gebagatelliseerd; de onderliggende psychologische factoren, zowel bij de dader, de groep als het slachtoffer, worden niet gezien of begrepen. Toch blijkt uit onderzoek – bijvoorbeeld van professor Dieter Wolke van de Universiteit van Warwick – dat de langetermijngevolgen van pesten vergelijkbaar zijn met die van mishandeling door volwassenen. En niemand zou ontkennen dat dit een vorm van geweld is! We weten dat depressies onder kinderen en jongeren voortdurend toenemen. Wat we ons echter vaak niet realiseren: 29 procent van alle depressies is toe te schrijven aan pesten. We weten dat het aantal voortijdige schoolverlaters gestaag stijgt. Maar we zijn ons er niet van bewust dat er in veel gevallen een verband bestaat tussen pesten en voortijdig schoolverlaten, zoals studies uit Groot-Brittannië en de VS aantonen.
Scholen moeten de problematiek aanpakken
De hier beschreven ervaringen uit mijn werk met leerlingen en leerkrachten zijn geen uitzonderingen. Toch behoren die scholen die bijscholingen voor leerkrachten en bijeenkomsten voor leerlingen organiseren, behoren tot de weinigen die deze problematiek onder ogen zien. Naar mijn mening negeren veel te veel schoolmedewerkers dit fenomeen. Pesten kan echter alleen ter plaatse worden aangepakt: op school en in het dagelijkse werk met de hele groep. Pesten is geen zaak die zich uitsluitend afspeelt tussen de daders (die in andere contexten soms zelf slachtoffer zijn geweest) en de slachtoffers. Pesten is een zichzelf in stand houdend systeem dat alleen functioneert door een complex samenspel van verschillende rollen. In het preventie- en interventiewerk op school ligt daarom de grootste kans voor een samenleving die alle individuen beschermt en tegelijkertijd het wij-gevoel versterkt.
Astrid Frank, geboren in 1966, moeder van twee volwassen zonen, studeerde biologie, Duitse taal- en letterkunde en pedagogiek in Keulen. Sinds 1999 is ze freelance schrijfster. Tot op heden heeft ze ongeveer 40 romans voor kinderen en jongeren gepubliceerd. Sinds 2016 is ze spreekster en auteur op het gebied van pesten onder kinderen en jongeren.
Een persoon, zijn of haar situatie en problemen niet geïsoleerd bekijken, maar ze begrijpen als onderdeel van een groter geheel – dat is de systemische benadering.
Maatschappelijk werker Fridtjof Meyer-Radkau heeft dit concept van systemisch denken en handelen verweven met het Waldorfonderwijs en traditioneel schoolmaatschappelijk werk, en er een boek over geschreven. In gesprek met onze redacteur legt hij uit hoe de systemische benadering ook kan helpen bij het aanpakken van pesten.
Razna (naam veranderd door de redactie) en school? Lange tijd was dat geen probleem. De eerste paar jaren waren zorgeloos. Razna leerde gemakkelijk en met plezier. Ze had ook vrienden. Maar toen kon ze voor langere tijd niet naar school. Toen Razna terugkeerde, was er plotseling veel veranderd.
Een klasgenoot maakt gemene opmerkingen tegen haar – eerst één keer, daarna steeds weer, elke keer dat hij haar ziet. Tijdens de pauzes, in de gangen en op het schoolplein. En hij verzamelt een groep om zich heen. Ergens onderweg naar huis vangt hij haar op. Nog meer gemene opmerkingen. Beledigingen en vernederingen. Dat Duits niet Razna’s moedertaal ia, was tot dan toe nooit een probleem geweest. Nu wordt ze ermee geconfronteerd en belachelijk gemaakt.
Steeds vaker zit Razna bij Fridtjof Meyer-Radkau. In de blauwe bouwkeet, die hij deelt met zijn collega Janina Richter en die in een hoek van het schoolplein staat. Meyer-Radkau is schoolmaatschappelijk werker op de Vrije Interculturele Waldorfschool in Berlijn. Voor Razna is het een vertrouwenspersoon, de bouwkeet een toevluchtsoord. Ze vertelt hem wat ze meemaakt en hoe het haar dwarszit.
Het duurt niet lang voordat Meyer-Radkau een denkbeeldige bril opzet – de ‘pestbril’, zoals hij die noemt. Daarmee beoordeelt hij of wat hij via Razna meemaakt, mogelijk pestgedrag is. “In wezen,” legt hij uit, “zijn er twee criteria om dit te beoordelen. Gaat het om terugkerend gedrag? Is het op een vernederende manier gericht tegen iemand zelf, tegen zijn of haar diepste wezen?” Misschien zijn er al stappen ondernomen om het tegen te gaan. Als die niet effectief zijn geweest, is dat een andere aanwijzing.
Meyer-Radkau wil waarschuwen voor overhaaste conclusies trekken.
Vaststellen van pestgedrag vereist vaak vertrouwelijke gesprekken met meerdere mensen – en dus tijd.
In Razna’s geval nam de maatschappelijk werker van de Waldorfschool eerst contact op met haar leerkrachten. Hij vroeg niet alleen naar Razna, maar ook naar de klas als geheel. “Hoe ervaart u de kinderen op dit moment? Hoe gaat het met ze – individueel en als groep?” Hij stelde dezelfde vragen aan de klassenvertegenwoordiger. De leerkracht overlegde eerst met Razna en sprak daarna met haar ouders. De leerkrachten werkten nauw samen met Razna, en Meyer-Radkau vat het als volgt samen: “We hebben de situatie niet gebagatelliseerd of gedramatiseerd. We namen het leed van het meisje en de signalen van pestgedrag die we zagen serieus en onderzochten de zaak systematisch.”
Geen sprake van schuld
Met Razna’s toestemming benaderde Meyer-Radkau eindelijk de klasgenoot die Razna lastigviel, haar op weg naar huis onderschepte en haar voor de ogen van andere vrouwelijke klasgenoten belachelijk maakte. Meyer-Radkau wil het woord ‘dader’ niet gebruiken als hij het over de jongen heeft. Hij wil Razna ook geen ‘slachtoffer’ noemen. Hij vindt ‘dader’ en ‘betrokkene’ passender. Want Meyer-Radkau maakt één ding volkomen duidelijk: “Pesten oplossen gaat nooit over het toewijzen van schuld.” Wat essentieel is, zegt hij, is om te achterhalen wat er momenteel speelt in de systemen waar de betrokkenen deel van uitmaken. Hoe ziet Razna’s wereld er nu uit – zowel op school als daarbuiten? En wat is haar situatie?
Klasgenoten? Wat zou hen kunnen verontrusten, overweldigen of beangstigen? Meyer-Radkau adviseert: “Het is het beste om de ouders of andere verzorgers erbij te betrekken, omdat zij de situatie het beste kennen.”
De toestemming van de betrokkenen is een voorwaarde voor elke stap. Transparantie schept namelijk een basis van vertrouwen en biedt zekerheid. Maar nog belangrijker:
“Omdat pesten inherent grensoverschrijdingen zijn, en handelen zonder voorafgaand overleg in zo’n situatie een verdere inbreuk zou betekenen,” zoals Meyer-Radkau weet. Soms is het moeilijk te accepteren dat de angst voor negatieve gevolgen bij een confrontatie groter is dan het geloof dat er een uitweg is. Maar dit is wel zo.
Maar dat moet je dan maar doorstaan. En Meyer-Radkau kan er zelfs iets positiefs in vinden: “Hoe paradoxaal het ook mag lijken, de persoon die erdoor getroffen wordt, ervaart in ieder geval dat er naar hem of haar geluisterd wordt en dat zijn of haar woorden gerespecteerd worden. Dat op zich kan al een vorm van empowerment zijn.”
Het versterken en stabiliseren van de betrokkenen is in elk geval een belangrijk onderdeel van de aanpak van pesten. Waar liggen mijn grenzen en hoe kan ik daarvoor opkomen? Welke andere mogelijkheden zijn er om te reageren op kwetsend gedrag?
Soms is het weleens ongemakkelijk
Razna was het ermee eens dat de schoolmaatschappelijk werker aan wie ze haar verhaal had verteld, alle betrokkenen bij het pesten zou benaderen en erbij betrekken van wie hij dan zinvol acht. “In lijn met de ‘no-blame’-aanpak hebben we uiteindelijk een kleine steungroep van vier meisjes uit dezelfde klas om haar heen gevormd. Zij kregen de taak om te reageren als er nog meer beledigingen of vernederingen zouden plaatsvinden.” Ze moesten Razna ook naar het treinstation begeleiden. Hierdoor kon ze weer veilig naar school lopen, legt Meyer-Radkau uit. Hij zegt dat afgesproken maatregelen altijd concreet en controleerbaar moeten zijn om effectief te zijn. Hij werkt net zo intensief voor en met de jongen die het pesten begon. Want, niet geheel onverwacht voor de schoolmaatschappelijk werker, is het duidelijk geworden: ook hij heeft het moeilijk. Zijn gedrag jegens Razna is slechts een symptoom van zijn eigen problemen. Meyer-Radkau meldt dat niet alleen hij, maar ook de leraren, nog steeds regelmatig in contact staan met beide families. “In dit geval is iedereen gelukkig reflectief en coöperatief. Dat is natuurlijk niet altijd het geval, en dan moet je als schoolmaatschappelijk werker soms hard optreden. Het kan alle kanten opgaan, en we moeten een dikke huid hebben.”
Jezelf als onderdeel van de groep zien
Kijkend naar Razna, haar klasgenoten en de andere leerlingen, heeft Meyer-Radkau er vertrouwen in dat ze binnenkort weer constructief als gemeenschap zullen samenleven. Toch wil hij niet altijd alleen maar de “brandweerman” zijn: “Ik ben absoluut geen voorstander van de gedachte: ‘We hebben een brandweer; die lost het wel op als er brand uitbreekt.’ Ik wil brand in de eerste plaats voorkomen. Er zijn brandveiligheidsmaatregelen, en die gaan ons allemaal aan.” Het vereist het besef dat iedereen die in een klas werkt, ook deel uitmaakt van de unieke dynamiek ervan. Voor Meyer-Radkau omvat dit in het bijzonder de leerkrachten – of ze zich er nu van bewust zijn of niet. Want, zoals de maatschappelijk werker van een Waldorfschool zegt: “Uiteindelijk zijn het de volwassenen die verantwoordelijk zijn voor het vormgeven van de relaties op school.” Bovendien moet er consensus zijn om de daders van pesten niet moreel aan te spreken, de zogenaamde ‘no-blame’-aanpak. Daarom pleit Meyer-Radkau voor training over het thema pesten voor het hele personeel. Hij is ervan overtuigd dat dit het broodnodige bewustzijn zal vergroten. Vervolgens zouden, indien mogelijk, interdisciplinaire teams moeten worden gevormd – bestaande uit specialisten uit het onderwijs en de administratie, de buitenschoolse opvang en het maatschappelijk werk. Want pesten kan alleen wortel schieten “waar veel te veel mensen het niet hebben opgemerkt of het veel te lang hebben genegeerd.” Dat moet veranderen.
Dit is een verhaal over pijn en genezing, over de kracht van structuren en de kracht van verandering. Het zien laat dat pesten niet zomaar verdwijnt, maar mensen een leven lang kan beïnvloeden. Het laat ook zien dat scholen kunnen veranderen – als ze dat willen, als ze opletten en als ze controlemechanismen ontwikkelen.
Het is een zonnige middag, ergens in Duitsland. Martin, een vader, begeleidt zijn zoon naar een verjaardagsfeestje. Terwijl de kinderen spelen, blijft hij in de keuken zitten met een kop koffie en een andere vader – een oud-klasgenoot met wie hij tijdens zijn schooltijd nauwelijks contact had. Ze raken aan de praat over vroeger, over hun basisschooltijd. En plotseling gaat er een venster open voor beiden. De andere man vertelt over diepe emotionele wonden die hij nog steeds met zich meedraagt. Over vernederingen die nog steeds pijn doen. Zijn kind zit op een Waldorf-kleuterschool – zelfs dat was een enorme hindernis voor hem – maar school? Nooit! De wonden zitten te diep. Voor Martin is deze ontmoeting een eyeopener. Hij heeft zelf drie kinderen, van wie er twee naar dezelfde Waldorfschool gaan waar hij ooit leerling was.
Hoewel ook hij gepest werd en geweld meemaakte, koos hij voor deze school. “Dat was alleen mogelijk omdat ik hulp zocht om te verwerken wat ik had meegemaakt,” zegt Martin, die al jaren betrokken is bij de ouderraad van de school.
De angst in de klas
Begin jaren negentig ging Martin naar een Waldorfschool in Duitsland. Zijn ouders stonden dicht bij de antroposofische beweging en zijn broers en zussen zaten er al. Alles leek goed te gaan. Maar vanaf het begin ging er iets mis. Er zaten 36 kinderen in de eerste klas; later waren dat er soms zelfs 42. De leerkracht was net afgestudeerd, had geen ervaring en was zelf een jonge vader van meerdere jonge kinderen. Een overschot aan jongens zorgde voor een bijzondere situatie dynamiek. De klas was levendig en luidruchtig. “Er heerste veel angst in de klas,” herinnert Martin zich. De leraar gooide zijn sleutels naar de kinderen. Kinderen moesten buiten de deur staan en de hele tijd dat ze wachtten de deurknop ingedrukt houden, zodat het van binnenuit duidelijk was dat ze er nog steeds waren. “Er was een constante angst voor straf,” zegt Martin. De drastische maatregelen werkten niet, maar ze creëerden een klimaat van angst en een slechte sociale sfeer in de klas.
Eén situatie uit de derde klas staat Martin nog helder voor de geest. Het ging over hardop lezen. “De leraar vernederde kinderen die niet vloeiend en goed konden lezen,” vertelt Martin. “Er ontstond een klimaat waarin het volkomen acceptabel was om iemand voor een groep te vernederen.” Martin ontwikkelt een overlevingsstrategie. Hij berekent wanneer hij aan de beurt is om hardop te lezen – de leraar leest altijd van achter naar voren, waarbij elke leerling ongeveer 30 seconden tot een minuut leest. Dan gaat hij vroeg naar de wc en loopt hij heen en weer in de gang tot de rij hem gepasseerd is. Een kind dat zichzelf beschermt door weg te vluchten.
Nu we dit gesprek voeren, herinnert Martin zich andere straffen die zijn leraar gebruikte: “Vaak moesten we als straf achter onze stoel of in de hoek staan. We moesten ook onze mond met zeep spoelen als we vloekten. Hij ‘maakte’ kinderen die leken te dagdromen en niet meededen aan de les wakker door water uit een gieter over hun hoofd te spetteren, terwijl de rest van de klas riep: ‘Word wakker!'”
Een dankbaar slachtoffer
Martin is een spraakzaam, extravert kind. Naïef, zoals hij zelf zegt. “Toen vertrouwde ik mijn innerlijke leven naïef en vol vertrouwen toe aan mijn medemens.”
Hij heeft moeite om te onderscheiden wat hij anderen wel en niet moet vertellen, bijvoorbeeld over zijn eerste verliefdheden op meisjes. Dit maakt hem het perfecte doelwit. “Ik was een dankbaar slachtoffer voor klasgenoten die het leuk vonden om me te plagen,” zegt hij. De leraar, die zich vooral bezighoudt met discipline en rust, merkt het pesten niet eens op. En de school heeft geen structuren om externe hulp in te schakelen.
Hoe normaal geweld en vernedering zijn geworden, wordt duidelijk tijdens het eerste schoolreisje, rond de zesde klas. Een jongen met lang haar, die door de anderen als onverzorgd wordt beschouwd, wordt voor ieders ogen – leraren en klasgenoten – vastgehouden en zijn tanden worden met geweld gepoetst. Er wordt water in zijn gezicht gespat.
Later worden er grappen over gemaakt. Gevolgen? Geen.
Voor Martin zelf wordt het uiteindelijk ondraaglijk. Het is heel hip om de binnenkant van inktverwijderaar uit tubes te vissen en de omhulsels als spuugbakjes te gebruiken. Omdat Martin als spraakzaam wordt beschouwd en de leraar hem in de gaten wil houden, zit hij meestal vooraan – een perfect doelwit. Kwijlende propjes papier belanden in zijn nek. Als hij klaagt, haalt de leraar zijn schouders op. “Toen ging ik tijdens de pauze alleen naar huis,” vertelt Martin. “Ik kon het niet meer aan, de druk, het feit dat niemand me hielp.” Gedurende de tijd dat hij bij zijn leerkracht zat, beheerste dit gevoel van hulpeloosheid Martins leven. Het leek onmogelijk om ergens hulp te krijgen. “Mijn ouders geloofden me en luisterden naar me, maar er gebeurde nog steeds niets.”
De mislukte ontsnappingspoging
Uiteindelijk proberen zijn ouders een andere aanpak. Ze regelen proefdagen voor Martin op een openbare school in de buurt, een school met een hoog percentage leerlingen met een migratieachtergrond. Martin zou daar een week blijven. Na twee dagen stopt hij ermee. “Het was zo onbekend en overweldigend voor me dat ik zei: ‘Wat ik ken, geeft me meer zekerheid’, legt hij uit. Het vertrouwde, hoe pijnlijk het ook was, voelde veiliger dan het onbekende. Een paradoxale beslissing die onthult hoe diep Martin al onzeker was.
Na de mislukte schoolwissel ontstonden er hevige discussies tussen zijn ouders en zijn leerkracht. Daarna werd Martin door de meeste klasgenoten genegeerd. ‘Maar dat was ongelooflijk opluchtend,’ zegt hij. Genegeerd worden was beter dan dagelijks getreiterd worden. Wat hem hielp: een kleine, hechte groep vrienden die hem altijd steunden. ‘Ik was nooit helemaal zonder vrienden.’ Twee van deze vriendschappen bestaan nog steeds.
Op de middelbare school ging het aanzienlijk beter. Een ervaren leraar wist de klassendynamiek in een positieve richting te sturen. Buitenschoolse activiteiten en gemeenschappen boden Martin steun – de protestantse kerk, zijn catechisatie.
De last die blijft hangen
En dan was er die ontmoeting op een kinderfeestje. De voormalige klasgenoot, die ‘tot op de dag van vandaag nog steeds diepe emotionele wonden met zich meedraagt’, iemand die nooit therapie heeft gehad, het nooit heeft verwerkt. “Hij heeft het trauma van zijn jeugd nog steeds niet overwonnen,” zegt Martin peinzend. Zelf heeft hij wel hulp kunnen zoeken. Hij is twee keer in therapie geweest: als jongvolwassene kort na zijn schooltijd en later toen hij vader werd. “Ik had een familie en later een partner die dit altijd als een belangrijk probleem zagen. Ik kon altijd openlijk praten over het zoeken naar hulp.”
De verandering
Waarom stuurt Martin zijn eigen kinderen dan naar precies die school waar hij zelf zoveel pijn heeft ervaren? Als onderwijzer in het reguliere onderwijs, met inzicht in veel verschillende schooltypen, zegt hij: “Naar mijn mening is Waldorfonderwijs, wanneer het niet wordt toegepast door incompetente en verwaarloosde individuen, nog steeds een benadering die het beste aansluit bij de behoeften van kinderen.” Bovendien heeft hij ontdekt dat zijn oude school nu anders is. Zo is er bijvoorbeeld nu schoolmaatschappelijk werk voor leerlingen in de onderbouw en bovenbouw. Twee voltijdse maatschappelijk werkers per school – hoewel Martin vindt dat dat nog steeds niet genoeg is. In de eerste twee schooljaren wordt er gewerkt met een team-teachingmodel. Geen enkele leerkracht staat alleen in de vaak nog steeds grote klassen; er is altijd een tweede volwassene aanwezig. “Dat is heel belangrijk,” benadrukt Martin. Want wat hij zelf meemaakte, was ook het gevolg van isolatie. Een jonge, overbelaste leraar, alleen met 40 kinderen, zonder toezicht, zonder enige ondersteuning.
Tegenwoordig maken alle leerlingen kennis met conflictoplossing via een speciale module aan het einde van de onderbouw. Schoolmaatschappelijk werkers zijn beschikbaar tijdens alle pauzes. Er is een actieve leerlingenraad in de onderbouw en bovenbouw. Participatieve projecten waarbij leerlingen een gevoel van eigenwaarde ervaren. Martin vond zijn recente betrokkenheid bij het ontwikkelen van het beleid voor de bescherming van kwetsbare personen bijzonder waardevol. De ouderraad werd uitgenodigd om mee te doen en een externe dienstverlener leverde ook een bijdrage. Tijdens workshops werd erkend dat de machtspositie van de klassenleerkracht in Waldorfscholen een tweesnijdend zwaard is. “Wat we enerzijds zo prachtig vinden, kan anderzijds net zo goed veroordeeld worden. En er moeten absoluut checks and balances zijn. Ik denk dat die op onze school nog niet perfect zijn, maar ze zijn goed geïntegreerd, zodat je erop kunt vertrouwen dat gebeurtenissen zoals die in mijn jeugd niet meer kunnen gebeuren,” zegt Martin.
Wat blijft er over?
Een confrontatie met het verleden, met name rond die overbelaste leerkracht, heeft op de school nog niet plaatsgevonden. “Er wordt gewoon niet over gesproken.” Martin vindt het belangrijk om dit aan te kaarten. En hij heeft een duidelijke eis: “Het is dringend noodzakelijk dat alle Waldorfscholen proactief hun geschiedenis onder ogen zien – inclusief de lokale geschiedenis van de individuele scholen.” Hij hoopt dat de Federatie van Onafhankelijke Waldorfscholen dit met dezelfde toewijding zal eisen als het beleid ter voorkoming van geweld, dat alle Waldorfscholen in 2022 verplicht moesten invoeren.
Martin heeft pijn en genezing ervaren; hij heeft gezien hoe structuren, zoals die op zijn oude school, kunnen veranderen. Pesten kan iemand een leven lang tekenen. Zijn verhaal laat ook zien hoe verschillend mensen met trauma omgaan. In tegenstelling tot zijn klasgenoot kon hij steun zoeken. Martin heeft vrede gesloten met zijn verleden. Hij is actief in de ouderraad en zet zich in voor verdere verbetering van de structuren op zijn voormalige school. En binnenkort zal hij zijn jongste kind naar de school sturen die hem zoveel pijn heeft bezorgd – omdat hij ziet dat de school is verbeterd.
“Wat ik ken is veiliger” – deze uitspraak van toen heeft vandaag een andere betekenis. Het is niet langer de angst voor het onbekende die hem op de Waldorfschool houdt, maar de hoop op wat mogelijk is wanneer mensen bereid zijn te veranderen.
Als Rudolf Steiner in 1919 de cursussen geeft voor de op- en inrichting van de eerste vrijeschool in Stuttgart, worden uiteraard ook de vakken genoemd die onderwezen gaan worden.
Het was in die tijd gebruikelijk dat in het ‘openbare’ onderwijs – laat ik voor het gemak maar zeggen: dominee of pastoor – onderwijs gaven over de geloofsrichting die zij vertegenwoordigden: die dienst die ze aan hun god wilden bewijzen, dus godsdienstonderwijs.
De kinderen die naar de vrijeschool komen, krijgen geen antroposofische godsdienst. Steiner wil van de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school maken, ‘slechts’ een methodeschool. Dat heeft hij vele kerenbenadrukt!
Maar wanneer niet-confessionele ouders – aanvankelijk de antroposofisch zich oriënterende ouders – ook voor hun kinderen godsdienstonderwijs ‘vanuit de antroposofie’ willen, geeft Steiner daar richtlijnen voor. Dat noemt hij bewust ‘wereldbeschouwing’, antroposofisch georiënteerde wereldbeschouwing’.
Die Kunst des Erziehens aus dem Erfassen der Menschenwesenheit
De kunst van het opvoeden vanuit het besef: wat is de mens
Voordracht 4, Torquay 15 aug. 1924
Blz. 71
In deze voordracht geeft Steiner voorbeelden van de zgn. ‘zinnige verhalen’. De inhoud daarvan neemt hij ook als voorbeeld voor hoe de stemming van het godsdienstonderwijs moet zijn voor het kind onder de 9 jr.
De hele voordracht is op deze blog vertaald.
Zie in die voordracht: Religieuze stemming/godsdienstonderwijs tussen <8A) en <8A>
Vragenbeantwoording, Torquay 20 augustus 1924
Blz. 140
Wat Steiner zegt vind je tussen de cijfers <7> en <7>
Godsdienstonderwijs <7>
Zeven jaar zijn verstreken sinds duizend kleuterleidsters voor het laatst bijeenkwamen in het Goetheanum om zich te wijden aan het thema kindertijd.Nu zijn er drie kernwoorden voor de vroege kinderopvoeding gekozen als centraal thema: goedheid, liefde en kracht*.Wat tegenstrijdig lijkt, is in werkelijkheid een gradatie: door liefde wordt de kracht goed, en door kracht wordt liefde onwrikbaar.Onwrikbaar in haar goedheid – dat is wat goedheid’ betekent.
.
In een serie van 3 worden deze aspecten besproken:
“Goedheid is het enige eerlijke antwoord op alles.” – George Sanders
Goedheid betekent oprechte zorg en mededogen tonen door behulpzame daden, zonder er iets voor terug te verwachten. De etymologie van het woord ‘goedheid’ komt uit het Oudengels en is afgeleid van het woord ‘kynd’, dat verwijst naar iemands familie. In deze periode, van het midden van de 5e tot de 12e eeuw, betekende goedheid het behandelen van je familie met mededogen en vriendelijkheid.
Sindsdien is de maatschappij geëvolueerd en is het woord ‘goedheid/vriendelijkheid’ gaan verwijzen naar de deugd van het universeel behandelen van alle mensen met een goed hart.
De oorsprong van het woord ‘vriendelijk- Engels heeft ‘kind’ – in het Duitse Kind, heeft een vergelijkbare wortel. Het kleine kind is vol onschuldige goedheid, pas uit de spirituele wereld, maar verlangt ernaar om van degenen die voor het zorgen te leren hoe het goedheid kan tonen.
Onze taak als opvoeders is het creëren van rolmodellen die het kind begeleiden. Jonge kinderen zitten vol enthousiasme en willen van hun leerkrachten leren hoe ze in het leven moeten staan. Een rolmodel zijn is een verantwoordelijkheid en vereist toewijding en vrijgevigheid van de leerkracht. We kunnen onszelf afvragen: hoe zijn mijn relaties met mijn collega’s, mijn vrienden en mijn familie? Creëer ik rolmodellen die het kind kan volgen? Ons werk met het Waldorf-onderwijs richt zich op het natuurlijke vermogen van jonge kinderen om meer te doen dan alleen maar na te doen wat de leerkracht hen leert. Het is het voorrecht van de leerkracht om te laten zien wat het betekent om mens te zijn.
Het jonge kind neemt de gedachten, gevoelens en handelingen van zijn verzorgers transparant waar en imiteert ze met onbewust vertrouwen. Het heeft geen filters; alles wat de volwassenen om hem heen doen en zeggen, vloeit in zijn ervaring. De imitatie van het jonge kind begint met het met volle aandacht waarnemen van iets, het innerlijk reconstrueren ervan en vervolgens het volgen en imiteren van het patroon
Ieder mens heeft een beschermengel die hem begeleidt. Wanneer we opkomen voor anderen en hen onbaatzuchtig en vriendelijk behandelen, weerspiegelen we het werk van de engel in ons. Het jonge kind herkent dit gebaar en begint te voelen en te imiteren hoe het goedheid kan tonen. We zijn niet perfect en soms gaan dingen niet zoals we willen. Het is belangrijk om genereus te zijn voor onszelf, zodat we een vergevende, compassievolle relatie met onszelf kunnen ontwikkelen. Onze krachtbron is onuitputtelijk wanneer we ons spiritueel inspannen. Het is een deugd om na een val, te midden van moeilijkheden en uitdagingen, weer op te staan en opnieuw te beginnen. De kinderen voelen dit aan bij hun leerkracht en het geeft hen moed voor hun eigen worstelingen.
Veel kinderen komen bij ons met moeilijkheden. Elk kind draagt een geheim met zich mee, en het is ons voorrecht als opvoeders om hen te begeleiden en te ondersteunen. Wanneer we deze houding aannemen, zegt Henning Köhler, “legt de engel van het kind de juiste vraag in mijn mond, en de essentiële vraag, die geen woorden nodig heeft, wordt door de engel in mijn blik, mijn vingertoppen, mijn lichaamstaal en de klank van mijn stem gelegd.”1
Bij deze kinderen is het essentieel dat de verzorger zich extra inspant om gevoelig, empathisch en begripvol te zijn ten aanzien van de situatie van het kind. Een kind zal zich verzetten tegen een leerkracht die geen empathie toont. Warmte en geborgenheid zijn belangrijk, zodat het kind zich veilig en geliefd voelt. Juist deze kinderen, die het meest van ons vragen, helpen ons om nieuwe mogelijkheden in onszelf te ontwikkelen. Het cultiveren van tolerantie, acceptatie en geduld heeft op zichzelf al een helende werking. Zelfs overdreven vriendelijkheid is een waardevol geschenk voor deze kinderen.
Tekeningen van een jongen (5 jaar oud) uit de VS, 1986. Bron: ChildArt eV Archief
.
In zijn lezing ‹Het lot van de mens en het lot van de naties›2beschrijft Rudolf Steiner hoe belangrijk het is voor iemands eigen hart om empathie te voelen voor de harten van anderen, vooral voor hen die lijden. “Hoe vaak is er wel niet gezegd dat wanneer menselijke zielen doordringen in spirituele sferen, ze ook steeds beter in staat worden om hun eigen gevoelens te verbinden met het lijden van anderen. En inderdaad, een van ons zal zich vaak in een situatie bevinden waarin de gebeurtenissen van onze tijd pijn veroorzaken. Dan zullen we kunnen zien of we sterk genoeg zijn om ons met het juiste gevoel te verbinden met het lijden van de ander, of het lijden dat in de ziel van de ander leeft, een pijn kan worden die wij zelf voelen. De potentie bestaat voor de mensheid om geleidelijk een punt te bereiken waarop het lijden dat in een ander leeft ons niet spaart, maar in ons blijft voortleven.”
Kunnen onze harten heilige tederheid bewaren en de deugd van onbaatzuchtige vriendelijkheid jegens onze broeders en zusters cultiveren? Spirituele goedheid richt zich op het goede van de daad, niet op iemands eigen waarde daarin. Wanneer we ons ego opzij kunnen zetten en volledig aanwezig kunnen zijn voor een ander, verrichten we een daad van goedheid die ons bevrijdt voor de genade om deel uit te maken van wat we doen.
In haar memoires getiteld ‹Ik ben een meisje uit Afrika›3beschrijft Elizabeth Nyamayaro haar buitengewone verhaal over hoe ze ondanks onvoorstelbare tegenslagen volhardde en uiteindelijk haar weg naar haar missie vond. Later in haar leven werd ze adviseur bij de Verenigde Naties en een voorvechter van sociale rechtvaardigheid. Ze draagt haar memoires op met de volgende woorden: “Aan mijn allerliefste Gogo, wiens onwankelbare geest, liefde en wijsheid de kern van mijn wezen hebben gevormd.” Elizabeth beschrijft een van haar mooiste jeugdherinneringen aan haar grootmoeder Gogo. Zij leerde haar dat niemand zich echt goed kan voelen als een ander zich niet goed voelt. De Ubuntu-groet in haar gemeenschap was: “Ndiripo kana waka diyiwo,” wat zich vertaalt naar: “Ik voel me goed zolang jij je goed voelt.” Wat een prachtige manier om iemand te begroeten.
Er worden nu kinderen geboren die de kwaliteit van ‘spirituele goedheid’ bezitten. Enkele jaren geleden zei een antroposofische arts op een conferentie voor onderwijzers in New York: ‘Het zijn de kinderen die ons het laatste nieuws uit de spirituele wereld brengen.’ Ik heb de afgelopen 50 jaar ervaren dat deze diepgaande uitspraak waar is, en ik ben zo blij en dankbaar dat ik mijn leven met jonge kinderen mag doorbrengen.
Onlangs maakte een zeer gevoelig vijfjarig kind een traumatische ervaring mee. Tijdens een bezoek aan vrienden zag het kind een filmfragment met verontrustende beelden. Ze kreeg nachtmerries en zei ook: “Ik heb nare gedachten.” Er werd veel gehuild en geworsteld, omdat het meisje niet begreep waarom ze de beelden die ze had gezien niet los kon laten. Samen met haar ouders maakte ze uiteindelijk een ‘gereedschapskist’ met artistieke materialen waarmee ze haar verdriet en angst kon uiten – in tekeningen en kleine bijenwasgels, waarvan ze geloofde dat ze haar zouden beschermen. Ze vroeg God om haar te helpen. Een paar weken later zei het kind tegen haar moeder: “Nu weet ik dat ik anderen kan helpen die hetzelfde meemaken als ik, omdat ik hetzelfde heb meegemaakt. Ik zal ze mijn verhaal vertellen en ze helpen.” Dit is een verbazingwekkende uitspraak voor zo’n jong kind, een vermogen tot spirituele goedheid om de pijn van anderen als haar eigen pijn te voelen en anderen met compassie en begrip te dienen, zoals Rudolf Steiner beschreef.
Tekening van een meisje (5 jaar oud) uit Duitsland, 1921. Bron: ChildArt eV Archief
Zeven jaar zijn verstreken sinds duizend kleuterleidsters voor het laatst bijeenkwamen in het Goetheanum om zich te wijden aan het thema kindertijd.Nu zijn er drie kernwoorden voor de vroege kinderopvoeding gekozen als centraal thema: goedheid, liefde en kracht*.Wat tegenstrijdig lijkt, is in werkelijkheid een gradatie: door liefde wordt de kracht goed, en door kracht wordt liefde onwrikbaar.Onwrikbaar in haar goedheid – dat is wat goedheid’ betekent.
.
In een serie van 3 worden deze aspecten besproken:
Waar voorheen externe krachten gezag en dominantie verleenden, is het tegenwoordig de innerlijke kracht van de opvoeders – een geschenk aan de kinderen, zodat zij hun vrijheid kunnen verwerven. .
Andalusië, februari 2026. Nils, de zesde storm van het jaar, trekt over de Sierra Nevada en raast met volle kracht over de zuidelijke hellingen. Alle levende wezens zoeken beschutting. Eenzame bomen buigen en kreunen onder de geselende orkaanwinden. Ik kijk vol ontzag naar de eenzame oude olijfboom aan de rand van het terras. Hij lijkt onaangetast terwijl zijn uitgestrekte takken in de wind wiegen. De woedende storm wordt weerspiegeld in de rusteloze dynamiek van duizenden bladeren, die zich simpelweg overgeven aan deze kracht. Hun reactie, hun manier van overleven, is dansen op het ritme en tempo van deze externe kracht. Terwijl ik dit observeer, besef ik dat kracht niet alleen schuilt in de rechtheid van de stam, diep verankerd in de aarde door zijn wortels. Kracht ligt ook in de flexibiliteit van de takken, die in harmonie bewegen met de externe krachten. Kracht is zelfs te vinden in het toegewijde gebaar van de kleine blaadjes, die weerloos lijken in contact met de dynamiek die hen omringt, en toch niet loslaten.
Waar de kracht vandaan komt
Als we aan het begin van ons leven de kracht zoeken, vinden we die in het vermogen om met overgangen en veranderingen om te gaan. Elke dag wakker worden, de terugkeer naar onze vroege kindertijd, of het vermogen om het onverwachte te verwelkomen: het zijn allemaal uitingen van kracht.Elk kind betreedt deze wereld met een individueel gebaar; sommige kondigen hun komst aan met denkbeeldige trommels en trompetten, terwijl anderen op de drempel blijven staan en hun omgeving aftasten met gevoelige antennes. We hebben de neiging om kracht toe te schrijven aan degenen die luid hun aanwezigheid verkondigen, maar kunnen we die kracht ook herkennen in degenen die zich inhouden en observeren? In beide contrasterende gebaren is er een manifestatie van de Ik-aanwezigheid, en wanneer die binnen gezonde grenzen blijft, bevordert ze innerlijke kracht.Rudolf Steiners inzichten in constitutie, temperament en ziel- en planetentypologie helpen ons de individuele kwaliteiten te begrijpen die een persoon in deze wereld meebrengt. Vanuit dit perspectief is kracht ons vermogen tot innerlijke groei. Potentieel voor innerlijke groei.Onderzoek naar de ontwikkeling van een ‘goed karakter’ wijst op typische eigenschappen, aangeboren sterke punten, waarop het onderwijs zou moeten voortbouwen om andere, minder ontwikkelde kwaliteiten te bevorderen.1. Hier spelen volwassen verzorgers een cruciale rol bij het creëren van een vruchtbare bodem hiervoor. Wanneer het zich ontwikkelende zelf van het jonge kind wordt uitgenodigd en ondersteund om wortel te schieten in zijn of haar aangeboren fysieke gesteldheid, worden individuele eigenschappen een potentieel voor groei, ongeacht hoe ze zich manifesteren. Zonder de schoonheid van hun oorspronkelijke natuur te breken of te veroordelen, moeten extraverte kinderen worden ondersteund bij het beheersen van hun ongetemde energie. Introverte kinderen moeten met creatief geduld worden aangemoedigd om anderen te vertrouwen en zichzelf te laten zien zonder hun gevoelige ziel te beschamen. Waar deze ondersteuning ontbreekt, kan een natuurlijke neiging een gedragsprobleem of een zwakte worden, in plaats van zich te ontplooien als een kracht.
Ontwikkel innerlijke kracht
Geen opgave voor iemand m et zwakke zenuwen! Vooral voor hen die zich in crisistijden bevinden en op plekken die hopeloos lijken, vergt het innerlijke kracht en diepgewortelde veerkracht om elke dag weer op te staan en een veilige haven van menselijke warmte te creëren voor de volgende generatie.Rudolf Steiner gaf onder andere de volgende spreuk om onze levenskracht te versterken.2
Ik draag rust in mijzelf; ik draag in mijzelf de krachten, die mij sterken. Ik wil mij vervullen met de warmte van deze krachten; ik wil mij doordringen met de macht van mijn wil. En voelen wil ik hoe rust uitstroomt door mijn gehele zijn, wanneer ik mij versterk door de macht van mijn streven om de rust als kracht in mijzelf te vinden.
Ik geloof dat deze “innerlijke rust” me helpt om overeind te blijven in tijden van twijfel of crisis. Net als de olijfboom, die onwrikbaar in de storm staat, maar toch dicht bij alles wat er gebeurt.Net zoals verzorgers de verantwoordelijkheid hebben om een ondersteunende en koesterende omgeving te creëren voor jonge kinderen om hun innerlijke ontwikkeling te bevorderen, zijn wij als volwassenen verantwoordelijk voor het creëren van een spirituele omgeving in onszelf die ons hogere zelf en onze innerlijke groei ondersteunt. Deze innerlijke drijfveer van verzorgers is een levend voorbeeld van hoe zij een baken voor kinderen kunnen zijn, die hen de weg wijzen in moeilijke tijden.
Lichamelijke en geestelijke gezondheid
Het is dan ook niet verwonderlijk dat het bevorderen van fysieke en mentale gezondheid de eerste stap is op het pad van innerlijke scholing.3 We zijn gezegend en tegelijkertijd uitgedaagd door wisselende gezondheidstoestanden. We moeten leren ermee om te gaan. Tegelijkertijd kunnen we ervoor zorgen dat onze situatie verbetert, al is het maar in kleine stapjes. Het beeld van het lichaam als tempel van de ziel onderstreept deze spiritueel-fysieke eenheid. Zonder fysieke vitaliteit zijn onze handelingen verlamd, onze gevoelens afgestompt en ons denken vertroebeld.Zonder mentaal en emotioneel welzijn ontbreekt het ons aan innerlijke balans om de uitdagingen van het leven rustig aan te gaan. Naast de crises van onze tijd, belasten digitale technologieën ook onze fysieke en mentale gezondheid. Als we de innerlijke kracht willen ontwikkelen die we nodig hebben voor onze rol als opvoeders, moeten we bewust en verstandig omgaan met deze moderne technologieën en de schadelijke effecten ervan tegengaan met gezondheidsbevorderende activiteiten. De tijd die we met jonge kinderen in de natuur doorbrengen en die we besteden aan zinvolle huiselijke en artistieke activiteiten biedt talloze mogelijkheden om onze aanwezigheid in de reële ruimte en tijd te versterken en ons welzijn te cultiveren.
Netwerken
Als mens koesteren we idealen in ons hart: het perfecte kind, de altijd steunende ouders, de toegewijde collega, de begripvolle leidinggevende, de geduldige, liefdevolle partner. Het leven confronteert ons echter met de realiteit, en wanneer we wrijving, conflict of teleurstelling ervaren, is onze eerste reactie vaak om de vinger naar een ander te wijzen. Wanneer we leren begrijpen hoe diep we verbonden zijn met “de ander”, verschuift ons perspectief en richten we onze blik naar binnen. We proberen de ander niet langer te corrigeren, maar vragen ons in plaats daarvan af: Wat kan ik veranderen aan mijn denken, voelen of handelen, zodat de uitdaging die ik met het kind ervaar zichzelf oplost?Of: Hoe kan ik mijn houding veranderen, zodat de irritatie die ik voel jegens de ouders of collega’s verdwijnt?Zulke reflecties verbreden ons innerlijke blikveld en helpen ons te bevrijden van oordelende en zelfkritische denkpatronen. Wanneer we erin slagen onze innerlijke realiteit te transformeren, groeit er een gevoel van sereniteit en vrede in ons. Deze innerlijke kracht helpt ons om de dialoog te onderhouden en onze communicatieve vaardigheden te verbeteren. Het versterkt ook de sociale structuur van gezonde gemeenschappen, iets waar ouders en kinderen tegenwoordig naar op zoek zijn.
Wat niemand ziet, maar wat er wel toe doet
We onderschatten de kracht van gedachten en gevoelens! Het kost tijd en ervaring om te begrijpen dat een haatdragende gedachte net zo reëel en effectief is als een fysieke klap. We hebben allemaal wel eens ogenschijnlijk vriendelijke ontmoetingen meegemaakt waarbij we een onderstroom van vijandigheid voelden of ons beoordeeld voelden. Zulke ervaringen leren ons dat de gedachten en gevoelens van anderen levende realiteiten zijn die een directe impact hebben op onze ziel, en dat we aandacht moeten besteden aan hoe we zelf over anderen denken en voelen. Of we onze aandacht nu richten op onze kleine gemeenschappen of op wereldwijde gebeurtenissen, wat we denken en voelen is belangrijk en zal hun vooruitgang beïnvloeden.Wat autoriteiten eisen, wat de maatschappij als succes verwacht, staat vaak haaks op wat in ons hart leeft als onze plicht jegens kinderen. De pioniers op wiens schouders wij staan, zagen zichzelf vaak als ridders op een heilige missie om de kindertijd te beschermen en op te komen voor wat zij als ‘innerlijke waarheid’ beschouwden. Tegelijkertijd adviseert Steiner ons om niets aan onze omgeving op te leggen waarvoor zij geen begrip heeft. Het lijkt erop dat we dit in de stilte van ons hart moeten afwegen om zo waarachtig mogelijk te handelen en tot compromissen in staat te zijn. Het inzicht dat de ware essentie van een persoon in zijn of haar innerlijke leven te vinden is, verandert het onderwijsparadigma volledig en is nog steeds vreemd aan de gangbare pedagogiek van vandaag.Maar ook Steiner- en Waldorfpedagogen worden beïnvloed door deze ‘druk om te slagen’, het verlangen om de beste leraar te zijn, de populairste leraar. Zelfs als we de druk van het streven naar academisch succes bespaard blijven, is er vaak een stille competitie om de klas met de mooiste tekeningen, de mooiste lantaarns. Het vergt kracht en moed om deze verleidingen te weerstaan en prioriteit te geven aan activiteiten die, hoewel noodzakelijk, geen externe resultaten opleveren die door anderen kunnen worden gemeten, zoals meer tijd om te spelen of wandelingen in de natuur.
Standvastigheid
Tegen de stroom in zwemmen en volharden in tegenspoed vereist kracht en standvastigheid. Net zoals gedachten en gevoelens realiteit zijn, zo is een beslissing een levende kracht. In plaats van te wachten op een succesvolle uitkomst, wordt kracht opgebouwd door de ‘liefde voor actie’ zelf. Het is net als spieren opbouwen door herhaling en oefening. Nadat we een beslissing hebben genomen, vergeten we die vaak naarmate de dag vordert. Momenten van reflectie en een terugblik op de dag dienen dan als een nuttige herinnering. Standvastigheid als kracht van de ziel is een wilskracht die zich onbaatzuchtig aan de wereld geeft. Zo’n opoffering is te vinden bij al diegenen die zich dag in dag uit liefde inzetten om een gezonde omgeving te creëren voor de kinderen die aan hun zorg zijn toevertrouwd. Het vereist en bouwt kracht op om het goede en betekenisvolle te vinden in het eindeloze, repetitieve huishoudelijke werk dat noodzakelijk is en vaak onopgemerkt blijft door de mensen om ons heen.
Dankbaarheid en harmonie
Steiner noemt dankbaarheid voor het leven ‘alomvattende liefde’ en zegt dat ‘we alleen kunnen begrijpen wat we liefhebben’. Maar wat voor soort liefde wordt hier bedoeld? Een ‘alomvattende liefde’ die voortkomt uit dankbaarheid is een beeld van grootsheid en verhevenheid, zoals de vleugels van een engel die alles bijeenhouden tot het weer heel is – als een hemels geluid, samengesteld uit de harmonie van menselijk gelach en zuchten. Wanneer we zo’n gevoel van dankbaarheid voor ons leven cultiveren – voor de zegeningen en de uitdagingen – ontwikkelen we in onszelf een helende kracht die vergelijkbaar is met de ‘morele goedheid’ waaruit het kleine kind geboren wordt en die het hier op aarde probeert te vinden.Kracht als innerlijke vrede ontstaat wanneer we het leven zo benaderen dat alle eerder beschreven zielsvermogens in harmonie en overeenstemming komen. De stormen zijn voorbijgetrokken en de olijfboom staat er nog steeds, uitkijkend over de vallei. Slechts één oude tak is gebroken. De bladeren zijn gevallen en de laatste olijven zijn over het land verspreid als zaad voor de toekomst. Het land is weer in vrede, wachtend tot het leven zijn schoonheid opnieuw ontvouwt.
Christopher Peterson, Character Strengths: Research and Practice, in: Journal of College and Character 10, 2009.
Rudolf Steiner, Mantrische Sprüche und Seelenübungen II. GA 268. (vertaald/blz.14)
Rudolf Steiner, Wie erlangt man Erkenntnisse höherer Welten? GA 10, Dornach 1994. Vertaald.
Zeven jaar zijn verstreken sinds duizend kleuterleidsters voor het laatst bijeenkwamen in het Goetheanum om zich te wijden aan het thema kindertijd.Nu zijn er drie kernwoorden voor de vroege kinderopvoeding gekozen als centraal thema: goedheid, liefde en kracht*.Wat tegenstrijdig lijkt, is in werkelijkheid een gradatie: door liefde wordt de kracht goed, en door kracht wordt liefde onwrikbaar.Onwrikbaar in haar goedheid – dat is wat goedheid’ betekent.
In een serie van 3 worden deze aspecten besproken:
Stokbonen hebben zon nodig, net als kleine kinderen
Wie in maart in Zwitserland stokbonen zaait, kan niet genieten van de snelgroeiende klimplanten. Het is simpelweg nog te koud voor de kieming. Wie een zeug wil helpen bij het werpen in de Noorse winter, moet de stal goed afdichten en een infraroodlamp installeren. En wie investeerders zoekt voor een modern zeilschip dat biologische specerijen en koffie vanuit het zuidelijk halfrond naar Europa brengt, moet enthousiasme opwekken.
Dit geldt ook voor het onderwijs. Degenen die voor jonge kinderen zorgen, zowel in gezinnen als in instellingen, komen niet ver met stress, zorgen en winstgerichte berekeningen. Maar met vreugde, vrijgevigheid en een warme relatie met ouders, collega’s en kinderen worden gunstige ontwikkelingsomstandigheden gecreëerd.
“Vreugde en plezier zijn de krachten die de fysieke vormen van de organen op de juiste manier naar voren brengen.”1 , zei Steiner in 1907.
“Opgewekte uitingen van de kant van de opvoeders en, bovenal, oprechte, niet geforceerde liefde. Zulke liefde, die de omgeving warm doordringt, in de ware zin van het woord, vormt de basis voor de ontwikkeling van de lichamelijke organen.”2
Simpel gezegd, een uitspraak die vaak wordt aangehaald, maar in werkelijkheid een grote uitdaging vormt voor het leven thuis, in de crèche en in de kleuterschool. Een collega uit Wenen zei: “In Waldorf-crèches hebben we een ‘professionele vriendschap’, een ‘professionele liefde’ voor ouders en collega’s nodig.”
Soms stromen liefde, vriendschap en emotionele warmte vanzelf. Maar bij sommige ouders, collega’s en kinderen blijft de bron droog. Een jong kind heeft deze eigenschappen nodig om te gedijen, net als een bonenpit. Ze maken aandacht en zorg effectief. Voor docenten betekent professionaliteit dat ze een zon zijn die helder schijnt op alles en niet zomaar de pronkbonen op sommige dagen in de schaduw laat staan.
Ik ben de bron van mijn warmte
Alles hangt ervan af of de volwassenen in de crèche en kleuterschool erin slagen om liefde, die verder gaat dan louter sympathie en antipathie, als een effectief gevoel te ontwikkelen door middel van innerlijke activiteit. Dit is aanzienlijk moeilijker dan het ophangen van een infraroodlamp.
Carl Rogers gaf vele suggesties voor het bevorderen van deze houding, die hij empathie noemde.3.
Veel is ook te vinden in de geschriften van Rudolf Steiner, bijvoorbeeld in de essaybundel ‘Hoe verkrijg ik kennis van de hogere werelden?’, die, gezien veel passages, ook wel ‘Hoe word ik een Waldorf-leraar?’ genoemd zou kunnen worden. Zodra het gevoel opkomt dat iemand anders de reden is dat mijn warmte en licht opdrogen, zodra ik die persoon daarom begin te zien als een tegenstander tegen wie ik hardheid en kilheid toon, is het goed om mezelf af te vragen: Wat kan ik zelf doen om de weg vrij te maken voor warmte en licht? Als een kind, een collega of een medewerker me steeds lastigvalt, is het een goed idee om niet die persoon te haten, maar mezelf af te vragen: Hoe kan ik me gedragen zodat die persoon zich in de toekomst ontwikkelt en me misschien niet meer lastigvalt?4
Een van de redenen voor het afnemen van vriendschap en liefde is simpelweg dat ik er geen vriendschap of liefde voor terugkrijg. De fabrikant van de infraroodlamp geeft hem me alleen als ik ervoor betaal. Zou mijn vermogen tot liefde dan ook afhankelijk moeten zijn van beloning? Omdat ik mijn vermogen tot liefde voor mijn beroep wil vergroten, moet ik iets doen om mezelf te bevrijden van mijn verslaving aan beloning en succes. Iedereen die een pad van innerlijke ontwikkeling bewandelt, zal deze taak onderweg tegenkomen.5 Maar wie met kleine kinderen leeft of werkt, heeft ook te maken met wezens die onze liefde nodig hebben zoals sperziebonen de zon nodig hebben. Het mag niet afhangen van een beloning!
Het bestuderen van het kind en de kindertijd
Liefde zou als de zon moeten zijn, niet als een infraroodlamp. Het kan, en gebeurt vaak, dat ik het kind met oprechte genegenheid en warme betrokkenheid begeleid, maar wat ik in hun bijzijn doe, is simpelweg wat ik leuk vind en waar ik bijzonder goed in ben. Ik brei en haak urenlang, ik zing en dans, ik schilder en beeldhouw, maar wat heeft het kind op die leeftijd, in die context, nu echt nodig? Ze hebben niet alleen nodig wat ik leuk vind om te doen, of wie ik ben geworden. De kans die ik heb om te voorkomen dat ik het kind te veel beïnvloed met mijn beperkte persoonlijkheid, is om me te verdiepen in de ontwikkeling van kinderen in het algemeen en van het kind in het bijzonder, en om een oprechte interesse te ontwikkelen. Door antroposofie te bestuderen, praktijkonderzoek te doen en kinderen te observeren, kan ik mijn vooroordelen verzachten en de positieve kant van de zon cultiveren. Op die manier geef ik het kind niet alleen wat ik wil geven, maar ook steeds meer wat het kind nodig heeft.
Of, zoals Steiner in een van zijn laatste essays zegt: Het zou geweldig zijn als we ons wat minder bezighielden met onszelf te behagen en onszelf in een gunstig licht te plaatsen met wat we doen. Als we ons niet uitsluitend bezighielden met het ‘trotse gevoel onszelf te openbaren door middel van daden’.6 , maar het gaat er veeleer om te doen wat de wereld nodig heeft, “wat de wereld bevestigt”, zoals hij zegt, want dan versterken we de liefde die steeds meer liefde voor de buitenwereld wordt. Dit betekent echter niet dat het leven op de kleuterschool en de betrokkenheid bij de maatschappij een 24-uurs daad van zelfopoffering moet worden. “Mensen vinden zichzelf niet door naar zichzelf te zoeken, maar door zich gewillig en in liefde met de wereld te verbinden.”7
Maar stel dat we dit advies ter harte hadden genomen en ons regelmatig hadden ingespannen om de kinderen en het kind te begrijpen, zodat onze liefde werkelijk van nut zou kunnen zijn: Ons leerproces wordt voortdurend belemmerd, ons begrip voortdurend vertroebeld door een ander soort trots: Hoe vaak denk ik dat ik alles weet, en luister ik niet meer goed, observeer ik niet meer aandachtig en zonder vooroordelen, vasthoudend aan favoriete meningen, aan ideeën die ik jaren geleden heb gevormd en koester omdat ze van mij zijn? Alleen onbevooroordeelde observatie en eerbiedig luisteren leiden tot echt leren en liefde.
De dagelijkse sociale workshop
Al honderd jaar vormen Waldorf-kleuterscholen een unieke voorbereiding op een leven lang leren en liefhebben. Er is volop tijd en ruimte voor spel dat door de kinderen zelf wordt geïnitieerd. Hier ervaren kinderen (in plaats van te analyseren en te begrijpen) dagelijks hoe hun eigen gedrag en karaktereigenschappen hun relaties met anderen vormgeven. Ze leren hoe hun verlegenheid en soms pestgedrag hen vaak isoleren. Vrij spel is de dagelijkse sociale werkplaats, een intensieve voorbereiding op sociale verantwoordelijkheid en samenwerking, niet alleen voor de specerijenhandel tussen Noord en Zuid. Tijdens het vrije spel moedigen volwassenen de initiatieven van de kinderen aan; iedereen doet waar hij of zij op dat moment zin in heeft. Niemand krijgt beloningen en er is geen competitie. Een liefde voor actie overheerst gedurende het grootste deel van de dag. Ook een nieuwsgierige instelling en een streven naar begrip worden in Waldorf-kleuterscholen gecultiveerd. Vrij spel draait heel vaak om leren: Hoe blijft een plank op twee stoelen staan? Wat gebeurt er als ik een bord op de grond gooi? Wat gebeurt er met het water in een plas als ik er een steen of mezelf in gooi? Hoe voelt de aarde aan als ik er met mijn vinger een gaatje in maak voordat ik het bonenzaadje plant? Luisteren naar de wind in de bomen, zonder uitleg of interpretatie, en naar de biggetjes die de compostbak leegmaken. Dit is een cruciale voorbereiding voor onderzoekers, wier neiging om snel te oordelen en te verklaren hun verdere leerproces vaak belemmert.
Leren om je verbonden te voelen – zelfs met tegenstanders – leren om je in te zetten zonder afhankelijk te zijn van een beloning, leren luisteren naar en kijken naar de omgeving en je gedrag laten leiden door wat je hoort. Leren liefhebben. De kiemen van sociale verantwoordelijkheid uit de Waldorf-kleuterschool.
Voetnoten
Rudolf Steiner, De opvoeding van het kind vanuit het perspectief van de geesteswetenschap, in: Lucifer-Gnosis. Verzamelde essays. GA 34, p. 327.
Ibid., blz. 328.
Zie bijvoorbeeld Carl Rogers, The New Man: Collected Essays. Klett-Cotta, Stuttgart 2017.
Rudolf Steiner, De weg tot inzicht in hogere werelden? GA 10, p. 104: “Als ik een opvoeder ben en mijn leerling niet aan mijn verwachtingen voldoet, moet ik mijn gevoelens in de eerste plaats niet op de leerling richten, maar op mezelf. Ik moet me zo één voelen met mijn leerling dat ik mezelf afvraag: ‘Is wat er bij de leerling tekortschiet niet een gevolg van mijn eigen handelen?’ In plaats van mijn gevoelens op hem te richten, zal ik dan eerder nadenken over hoe ik zelf moet handelen, zodat de leerling in de toekomst beter aan mijn eisen kan voldoen.”
Ibid., p. 107: “Succes is alleen doorslaggevend wanneer een handeling uit verlangen wordt verricht. Maar alle handelingen die uit verlangen worden verricht, zijn waardeloos in vergelijking met de hogere wereld. Hier bepaalt alleen de liefde de uitkomst van een handeling. In deze liefde moet alles wat de esoterische leerling tot handelen aanzet, tot uitdrukking komen.”
Niet dat er daarna nooit meer over planten en dieren wordt gesproken. In tegendeel. De leerkracht zal in de natuur veel kunnen vinden ‘wat groeit en ons altijd weer boeit’.
Hoe kun je als leerkracht nu net die weetjes weten die je niet zo afstandelijk bij Wikipedia vindt, maar die in een bepaalde sfeer van betrokkenheid zijn verteld.
Vaak kom je dan uit bij o.a. columnisten in een krant of tijdschrift die kort en bondig en net minder afstandelijk vertellen over een verschijnsel in de natuur.
Een tijdlang verzamelde ik zijn artikelen die in het AD verschenen:
Op de vrijeschool krijgen de kinderen in de 4e klas een bijzondere vorm vandierkunde en in de vijfde vanplantkunde.
In deeerste klassenis het vertellen over planten en dieren anders van aard.
.
Het is maar vurenhout en toch zo mooi
DE ROOSJES VAN DE SPAR
Misschien hebt u wel net zo’n diepe minachting voor vurenhout als de degelijke vaderlandse meubelmaker die we eens in een Frans bergbos ontmoetten. Vol ontzag stond hij voor een imposante groep sparren van ruim 35 meter hoogte en met een respectabele stamomvang. Maar zijn bewondering verkeerde op slag in een soort welwillend beschouwen van iets minderwaardigs nadat ik had gezegd dat dit nu de bomen van het vurenhout waren. En het kwam niet over zijn lippen, maar zijn hele gezicht drukte het uit: vurenhout bah!
Wanneer u er precies zo over wilt denken, mij best. Dan stel ik alleen voor dat u uw minachting even naar de achtergrond schuift en dat we niet zozeer naar een stuk aanstaand vurenhout als wel naar een springlevende boom gaan kijken, naar een ook in veel Nederlandse bossen doodgewone spar, een meer of minder ver opgegroeide kerstboom.
Noorderling
Misschien goed om er even bij te vertellen dat hij van nature eigenlijk niet bij ons thuishoort. Hij is een boom van Scandinavië, van Noord-Europa en Noord-Azië, en hij beslaat ook een groot gebied boven de loofhoutgrens in de Midden-Europese gebergten. Het lijkt wel of hij iets heeft tegen het wat zachtere klimaattype van West- en Zuidwest-Europa; maar niettemin laat hij zich in onze cultuurbossen, parken en tuinen toch redelijk goed kweken (al brengt hij het hier zelden tot woudreus.
Waar alom het jonge groen naar buiten puilt, blijven de sparren niet achter. Ze zijn alleen wat minder opvallend in hun voorjaarsuitingen doordat ze toch al zomer én winter groen zijn. Kijk echter eens goed naar wat er in deze dagen (voorjaar) met hun knoppen gebeurt. Ze bestaan uit een aantal als kleine dakpannen over elkaar liggende schubben en de onderste ervan beginnen zich nu naar buiten te buigen. Maar hét letterlijke openbarsten wat je van zoveel andere knoppen ziet, dat blijft hier achterwege.
Anders
Er gebeurt iets heel anders. Een dichte bos sappig lichtgroene naalden, gegroepeerd rondom een nog onzichtbare jonge loot, schuift naar buiten. En op zijn top neemt hij het hele „roosje” van de wasachtig okerbruine schubben mee. Waarna het maar van de rust, ofwel de windstilte in het bos afhangt hoe lang dit kleine sieraad nog zal blijven zitten voordat het in zijn geheel afvalt.
Ja, en dan kan zo’n sparrenloot weer een jaar of wat voort met zijn groen. Hoevéél jaren? Dat valt van tevoren nooit precies te zeggen; zeker drie à vier, maar het komt ook voor dat sparrennaalden negen jaar oud worden, ~ dat hangt van allerlei omstandigheden af.
Twee rijen
En let eens op in de komende maanden: ze blijven niet zo netjes naar alle kanten van hun jonge takjes uitstralen, doch buigen zich geleidelijk naar links en naar rechts. Uiteindelijk blijkt dan dat ze min of meer in twee rijen staan. Dat zal wel zijn om een zo gunstig mogelijke belichting te krijgen in het van nature niet zo lichte bos.
Wanneer u er toch bent, let dan ook even op de stand van de knoppen aan de hele boom.
Aan de recht omhoog groeiende top staan ze keurig in kransen en de jonge takken groeien dus naar alle kanten. Maar op de takken zelf staan de knoppen voornamelijk links en rechts; beter voor de belichting van de jonge loten aan dat simpele vurenhout.
Het staat weer te gebeuren en terwijl u dit leest is het grote feest mogelijk al begonnen; bet feest van de bloeiende vlieren. Letterlijk overal in den lande. In woestijnachtig droge duinen net zo goed als in bet sappigste polderland — en waar die vlieren ook staan (behalve in de zeewind die ieder jaar hun toppen weer dood waait), het worden in de loop der jaren altijd reuzen die in de voorzomer honderden platte schermen van geelachtig witte bloempjes dragen. En die dan „een uur in de wind” ruiken, maar met al hun geurigheid toch erg weinig insecten lokken.
Kortom: opvallende verschijningen, die vlieren! En het is nog niet zo lang geleden dat zelfs stadskinderen wisten hoe je uit de tweejarige loten van zo’n struik leuke fluitjes kon maken door er het merg uit te kloppen of te peuteren. Of ook diezelfde vlierloten, in mootjes gesneden, te gebruiken als pen op de rieten pijlen van je pijl-en-boog. Ik vrees dat tegenwoordig veel te weinig vaders (en grootvaders!) de lieve jeugd attent maken op dergelijke mogelijkheden en dat dit de waardering voor de vlier niet ten goede komt.
Heilige struik
De „heidense” stammen die lang geleden onze streken bewoonden, hebben de vlier wel degelijk op zijn verdiensten bekeken, natuurmensen als ze waren. Ze hebben natuurlijk opgemerkt hoe de jonge bladspruitjes gewoonlijk al in februari verschijnen, ze hebben misschien iets gevoeld aangaande de levenskracht in het sappige jonge blad en de vervaarlijk snel groeiende nieuwe loten met hun eigenaardige, weke merg. Of ze hebben geneeskracht vermoed in de sterk geurende bloesem en de bijna zwarte bessen in de herfst. Wie zal het zeggen.
Maar hoe dan ook, de vlier is destijds tot een heilige struik verklaard. Zij zou de woonplaats zijn van Vrouw Holle, de Witte Vrouw, die haar bescherming en bovennatuurlijke krachten verleende. En aangezien de vlieren hun activiteiten al in februari beginnen te ontplooien, werd er oudtijds aan het begin van die maand een groot feest gevierd ter ere van de Witte Vrouw Holle — een feest dat nog voortbestaat als Maria Lichtmis (2 februari). Zo is er bij de kerstening wel vaker met groot psychologisch inzicht aansluiting gemaakt op bestaande en diep gewortelde gebruiken.
Tegen reuma
Niet alleen van dat oude feest zijn echter nog de sporen terug te vinden, ook de naam van Vrouw Holle is verwerkt in tegenwoordige plaatselijke namen voor de vlier. Hier en daar in Zuid-Limburg wordt hij nog „holderteer” genoemd en dat is een verbastering van het oud-Duitse „Holluntar”. Daar is Holle al in te herkennen; en „tar” is niet anders dan een overoud Germaans woord voor boom, sterk veranderd terug te vinden in het Engelse tree.
Dat bepaalde delen van de vlier lang als geneeskrachtig te boek hebben gestaan (en nog wel staan), ligt wel voor de hand. Het verse jonge blad en vooral de fijngewreven schors van de jonge loten zijn eeuwenlang befaamd geweest als middelen tegen reumatiek. |
En vlierbloesemthee zal ook vandaag de dag nog wel als huismiddeltje tegen verkoudheid en griep worden gebruikt. Drogisten verkopen de gedroogde bloesem tenminste nog. Ja, en waarom ook eigenlijk niet? De werking van de thee is flink zweetdrijvend en dat is toch waarom het gaat volgens de gangbare mening!
Geen honing
Ondanks de sterke geur van de (levende) bloesem lokt hij weinig insecten, zoals gezegd. Dat zal wel komen door het ontbreken van honing. Maar insectenbezoek of niet, de zomerse bloemtrosssen worden altijd bessentrossen tegen de herfst.
De pal naast elkaar zittende bloempjes zullen elkaar wel bestuiven met hun ver naar buiten gebogen meeldraden. Wel en als het op deze manier „goedkoop” zonder honing kan, waarom dan de overbodige productie van dit kostbare goed, ben je als mens geneigd te zeggen.
Wat zou het eigenlijk kunnen zijn dat ons bepaalde schepselen in de levende natuur een extra warm hart doet toedragen? Ik weet het nog altijd niet, maar het is me in de loop van de tijd wél duidelijk geworden dat bijna geen natuurliefhebber eraan is ontkomen. Of het nu gaat om wilde vaderlandse orchideetjes, om gezellig ’pratend’ overvliegende ganzen of doodgewone kruisspinnen of wat ook, je komt mensen tegen die er hun hart aan hebben verpand. Voor mezelf zou ik zover niet willen gaan, want er zijn te veel dieren en planten die een grote plaats in mijn hart hebben — maar toch, zo’n doodgewone, ordinaire vlier, ergens moeizaam voor zijn bestaan vechtend in het duin of overdadig van weelde bij een Zuid-Hollandse boenstoep, die is het voor mij wel heel erg. En ik hoop dat u dit een beetje met me kunt meevoelen.
VLIER HEEFT NATUURGETROUWE OORTJES
Het begint al met de bij winterkou verschijnende paarsbruine spruiten, dan in mei de glorieuze bloesem (maar die vind ik niet lekker ruiken en ik hou niet van vlierbloesemthee), vervolgens in de nazomer de glimmend zwarte bessen (voor de vogels, niet voor mij). Tenslotte, laat in de herfst de wonderlijke groeisels aan stammen en takken: de judasoren.
Deze eigenaardige namaakoren, van buiten fluwelig donkerbruin en aan de binnenkant glad violet-grauw, precies aanvoelend als een echt (en altijd koud) oor met twee ten opzichte van elkaar beweegbare huidjes, deze soms prachtige oorimitaties hebben de vlier – en dan vooral die van het duin – alleen maar nodig om erop te groeien.
Paddenstoelen eten we al sedert jaar en dag, maar onze 16de eeuwse voorvaderen, waaronder een beroemd kruidkundige als Dodonaeus, hielden het op gom van de vlier zelf. Leest u maar na in Dodonaeus’ Cruydtboeck: „De Gomme die wt de struycken van Vlier somtijts vloeydt / is meestendeel. Auris Sambuci dat is Vlier oore geheeten: van ander Iudae auricula, dat is Judas oor.”
En daar hebben we dan weer het aloude en eigenlijk nog steeds bestaande verschijnsel van de onbegrepenheid die met een ongunstig klinkende naam wordt opgescheept.
Geswollen huyge
Overigens zou Dodonaeus geen goed kruidendokter zijn geweest als hij niet ook had vermeld tegen welke ongemakken zijn ’vlier-gom’ wel was te bezigen. ”De Gomme van Vlier / dat is Judasoor heeft oock een tsamen-treckende ende droochmakende cracht. Twater daer zij sommige uren in geweyckt is geweest / in den mont genomen / en daer mede gespoelt / verdrijft de beginnende ontstekingen ende verhittingen van den mont en amandelen: ende maect de geswollen huyge smal en cleyn”.
Verder zag deze medicus er blijkbaar niet veel in, want na te hebben vermeld dat judasoren tot harde korsten kunnen verdrogen, waarna ze door water (regen) .. weer in hun oorspronkelijke weke toestand terugkeren, zegt hij alleen maar „van smaeck zijnse heel laf / ende ghelijck een ghesoden vel oft leer”.
Dat is weinig aantrekkelijk zo op het eerste gezicht. Maar ik vraag me altijd af of deze smaakloosheid niet met geëigende middelen zou zijn op te peppen. Dit omdat een neef van onze judasoren, en dan een die er bedrieglijk veel op lijkt, in China nog altijd veel wordt gekweekt voor de consumptie. Op gekapte stammen van ik weet helaas niet welke boom. Maar wat ik wel weet, is dat ze in het vroegere Indië op de pasar te koop lagen als ‘koeping tikoes” ofwel muizenoren – niet zo verwonderlijk als u weet dat in Azië voedingsmiddelen van een gelatineuze consistentie bijzonder geliefd zijn.
Schilderachtig
Wat tenslotte de (wetenschappelijke) naam van de Judasoren betreft, die sloot tot voor kort keurig aan bij het Latijn van Dodonaeus: Himeola auricula-Judae. Hierin is himeola een verkleining van het Latijnse himea, dat is schenkkan(netje) en auricula de verkleining van auris – oor. Het geheel zat dus wel schilderachtig in elkaar – maar helaas, het is nu verouderd en volgens de in de biologie geldende wetten op de nomenclatuur moet het zijn Auricularia auricula, het op een oortje lijkende oortje. Oorvervelend als u het mij vraagt
Een najaarsstorm, een paar stevige rukwinden en de laatste dorre bladeren warrelen van de bomen als een opgejaagde bende spreeuwen uit de kersenboomgaard. Alles wat tot de bladverliezende bomen en struiken behoort, is binnen een week of wat kaal.
Eiken schijnen het het langst vol te houden. Bi.i ons in de tuin staat er zo eentje. Zolang als ik hem ken, houdt ie de hele winter een gedeelte van zijn blad vast. Na een fikse februa-risstorm in de vorige winter had ie nog steeds één blad en dat hield de weerbarstige nog vast toen de knoppen al aan het uitlopen waren.
En ik in mijn onschuld maar menen dat het een wintereik was. De naam zegt het immers al: wintereik, ook in de winter rijk. Maar vandaag heb ik hem met het bomenboekje in de hand eens goed bekeken. Laat het nou een zomereik zijn. Voor de zifters: een zomereik hééft extra korte bladsteeltjes, de bladen zijn boven het midden op hun breedst en hebben links en rechts vijf onregelmatig gevormde bladlobben. Het kunnen er ook vier zijn, want geen blad is helemaal precies gelijk.
Bomenboekje
Rare boom, zo’n zomereik. Kan wel duizend jaar oud worden, zegt men. Toen de Spaanse Armada zo jammerlijk op de Ierse oceaankust te pletter liep, was het met Spanje als zeevarende natie gedaan.
Smeekschriften
Was dat niet het jaar 1588? Die hele vloot was van eikenhout gebouwd en in het moederland was geen eikenboom meer te vinden.
Opdracht van de ’onoverwinnelijken’ was trouwens Engeland als zeevarende natie uit te schakelen door alle eikenbossen te verbranden. Dat is niet gebeurd, maar bepaald roerend zijn de smeekschriften van de beroemde admiraal Nelson aan zijn koning om vooral maar eikenbossen aan te planten.
Nelson wist het al. Eiken zijn trage groeiers. Die in mijn tuin heeft ondanks zijn tien jaren nog te weinig hout geproduceerd om er een roeispaan van te bouwen.
Morsdood
Na de droogte van afgelopen zomer, heeft ie trouwens nog voor een verrassing gezorgd door het aanmaken van nieuw blad. Dat late blad ziet er nu nog tamelijk fris uit, maar het voorjaarsblad is morsdood: helemaal bruin en uitgedroogd zit het aan de twijgen. Door sommige bladeren kun je de hemel zien. Het bladgroen is verdwenen, aldus een charmant skeletje achterlatend. Toch kost het nog een flinke ruk zo’n blad te verwijderen. Als ik verder inzoom op het eikje zie ik dat heel wat van die met was bedekte gladde twijgjes met ‘armbandjes’ zijn versierd. Het zijn de eieren van de ringelrupsvlinder.
In gave spiraaltjes zijn ze op de takjes afgezet. Per spiraal zo’n tweehonderd en meer eieren, vastgekleefd met een teerachtige stof die wel model gestaan lijkt te hebben voor twee-componentenlijm. Zo vast zitten die pieren.
Ik vind het maar een erg goede manier van de ringelrupsvlinders – onopvallende kleine nachtvlinders, verre familie van de zijderups – om te zorgen dat hun soort de winter doorkomt. Eitjes leggen, sterven en als de dagen lengen verschijnen de weesjes, onbezorde harige vreters die zich aan het eind van de zomer gezellig in groepsverband inspinnen. Dan krijg je die bekende rupsennesten, die je overigens niet alleen op eiken vindt, maar ook op meidoorns, appels en andere struiken en bomen.
Wie ze vindt, moet die eitjes eens met een goede loep bekijken. Elk eitje apart is een zeer gaaf kunstwerkje.
Deze tijd van het jaar (winter) is zeer geschikt om eens beter te kijken naar de naaldbomen. Zo rond deze tijd heeft bijna iedereen wel wat takken in huis van de den of de spar. De naaldbomen behoren tot de oudste boomsoorten. Men heeft al in het carboongesteente afdrukken gevonden. Hun ouderdom lijken ze wel in zich te dragen, want als je een dennenbos ingaat, proef je iets van een oeroude sfeer. Er heerst ook altijd een ingetogen stilte, waarbij je het gevoel krijgt, dat je die niet verstoren mag. Ook een zekere duisternis en plechtigheid vind je er, waardoor zo’n bos een heel eigen karakter heeft. In een dennenbos komen haast geen andere planten voor. De vogels zoeken juist loofbos op om te nestelen, in de naaldbossen kunnen ze niet genoeg schuilplaatsen vinden. Naaldbomen worden alleen niet in de poolgebieden en in de woestijnen gevonden. Kou kunnen ze echter wel veel beter verdragen dan de loofbomen. Als we langer naar de naaldbomen kijken, kunnen we ons voorstellen dat juist een plaats hoog in de bergen en vlak onder de hemel uitgesproken past bij deze soort bomen. De stam groeit vanuit de aarde recht naar boven, terwijl de takken in kransen naar beneden neigen. Als we op een kleine boom neerkijken, zien we een cirkelvorm, omdat alle buitenste takken ongeveer even lang zijn. Van boven af lijkt één krans van takken haast wel een ster.
De naalden rond de takjes lijken ook vaak op sterretjes. Zelfs in de omgeving van de naaldbomen vinden we vaak sterretjes terug, namelijk in de sneeuwkristallen. Zou deze geaardheid naar de hemel en de sterren, misschien de ingetogen en rustige stemming teweeg brengen? De zon met haar uitbundige lichtstralen, waardoor bloemen en kleuren ontstaan, heeft niet zoveel invloed op deze bomen. Het zijn meer de saturnuskrachten die werken in de naaldbomen. De naalden zijn een duidelijke uiting van het naar binnen gekeerde, dat we veelal vinden bij planten, die onder invloed staan van saturnus.
De naalden hebben hun bladmoes opgerold en samengetrokken. Alleen de hoofdnerf is nog over. Doordat de zonnekrachten niet zo’n invloed hebben, vallen de naalden ook niet ieder jaar af (behalve bij de larix), maar kunnen ze ongeveer 3 jaar oud worden. Het lijken haast wel stengeltjes geworden te zijn. Ook de bloeiwijze verschilt sterk van de andere bomen. Een boom krijgt mannelijke- en vrouwelijke kegels. Deze zijn nog erg klein en hebben dan nog een roodachtige kleur. Het stuifmeel wordt opgevangen en de schubjes sluiten zich. De kegel groeit en verandert van kleur en wordt groen. Pas in april van het volgende jaar wordt de kegel bevrucht. Het stuifmeel is al die tijd in een bepaalde vorm aanwezig geweest. In het derde jaar zijn de zaadjes rijp. Het kegeltje is dikker geworden, wat ingedroogd en verhout. Bij droog en zonnig weer in het voorjaar kun je de schubben horen openknappen! Het zaadje komt naar buiten en wordt door vleugeltjes gedragen. Bij deze bloeiwijze zien we eigenlijk kleur noch geur optreden. Ook dat lijkt bij de naaldbomen naar binnen gekeerd te zijn, want geur kennen ze in elk geval wel. De etherische oliën (die geurstoffen bevatten) vinden we hier terug als verborgen lichtkracht in het hars en in de olie, die in kleine kliertjes in de naalden zit. Harsen zijn kleverige stoffen, die niet oplossen in water (wel in alcohol) en die verharden, als ze in contact komen met de lucht. We kennen nu nog veel van die verharde harsen, als barnsteen (amber) van hele oude tijden. Een harssoort waarbij de geur een sterke rol speelt is die van wierook (geen naaldhout). Van harsen kan met behulp van etherische olie ook balsem gemaakt worden, iets wat de Egyptenaren al kenden en gebruikten.
Waarom nu juist een naaldboom als kerstboom gekozen is, is niet duidelijk te zeggen. Toch moet het wel mogelijk zijn om iets van de symbolen terug te vinden. Een naaldboom lijkt, omdat ze het hele jaar door groen is, niet door een ‘doods’ proces te gaan, zoals de andere bomen. Het altijd groene geeft het idee van levensboom.
Het idee van de kerstboom is ook nog niet zo oud. Pas sinds ongeveer 1850 kwamen de eerste kerstbomen naar Nederland. Volgens verhalen is de kerstboom in de Elzas voor het eerst als symbool gebruikt. Er bestaan veel legenden over, maar een van de meest voorkomende is dacht ik toch wel die van de houthakker, monnik of eenzame man, die op Kerstavond in het donkere bos loopt en waar de sneeuw op hem dwarrelt. Mistroostig loopt hij in de eenzaamheid rond, tot hij bij een boompje komt waar licht vandaan komt. Hij loopt er heen en het lijkt of het boompje zelf straalt. In een andere versie ontmoet hij een engel en, omdat het dennenboompje er het dichtste bijstaat, besluit hij dat mee te nemen naar huis. Thuis zet hij het neer en tooit het met kaarsen.
Deze kaarsen in de kerstboom brengen de lichtglans en warmte, die anders bloemen aan een plant geven. Op deze manier kunnen we het vrij worden van de innerlijke lichtkracht beleven. Tegenwoordig kunnen we vaak kerstbomen kopen met wortels er nog aan. Het is de bedoeling, dat we die boom na kerstmis in de tuin planten, maar het lukt niet vaak de boom in leven te houden. Daar zijn verschillende oorzaken voor te vinden. De boom komt van buiten en gaat zo de warme kamer in, zonder overgang en als Kerstmis voorbij is, van de warme kamer naar buiten de kou in. Wij kunnen daar ook niet tegen en trekken een jas uit of aan. Zo’n boom heeft ook een geleidelijke overgang nodig. Zet hem daarom zeker 2 a 3 weken op een tussenplaats, bijvoorbeeld garage of bijkeuken en laat de temperatuur geleidelijk toe- of afnemen. Geef zo’n boom ook volop licht en besproei hem regelmatig. Dat de boom water nodig heeft is waarschijnlijk overbodig te vermelden.
Een andere reden kan zijn, dat de grond niet geschikt is. Naaldbomen hebben vaak geen haarwortels (heel fijne wortels, die vocht en voedsel opnemen), maar leven samen met schimmels. Deze schimmels zorgen voor voedsel van de naaldbomen, en de afgevallen naalden dienen weer als voedsel voor de schimmels. Omdat de naalden zolang niet afvallen, bestaat er grote kans, dat de schimmel sterft, waardoor de boom geen voedsel krijgt. Toch lukt het vele mensen wel hun boom een aantal tot vele jaren te houden. Gebruikt u bij het planten in ieder geval een zure grond (bosgrondmengsel). Verder kan niemand voorspellen of de boom blijft leven.
De kerstbomen die over het algemeen als dennenbomen verkocht worden, zijn feitelijk geen dennen-, maar sparrenbomen! Een den herkent men, doordat twee naalden uit één schubje komen (soms ook meer). Bij een spar is het er altijd maar één per schubje (solo-spar, duo-den, legio-larix).
Irene Bordewijk, Jonas 02-12-1977
N.B.
Wanneer u de stille ingetogenheid van een naaldbos wilt ervaren, dan zijn er een paar, die ik u wil aanraden. Het zijn aangeplante ‘pineta’ (park met uitsluitend naaldbomen). Pinetum ter Borgh (tussen Anloo en Eest, Drente) – altijd geopend. Pinetum De Horstlanden, Hengelosestraat, Enschede – werkdagen 9-17 uur. Pinetum Blijdenstein, Van der Lindenlaan 25, Hilversum – apr./okt 10-12/14-16 uur. Pinetum De DennenhorstJJoslaan, Lunteren -altijd geopend. Pinetum De Belten, Wildenborchseweg 15. Vorden – alleen na afspraak. Van Gimborn Pinetum, Babberichseweg 23, Zevenaar, Gld.
0-0-0
Ik had het geluk om tijdens het opleidingsjaar voor vrijeschoolleerkrachten in 1969-1970, les te krijgen van de bioloog en natuurkundige Frits Julius. In onderstaand artikel komt je iets tegemoet van de zijn waarnemingsgave, tevens van een trant van beeldend vertellen die voor ons leerkrachten zo belangrijk is. Niet dat wij ook zo lyrisch hoeven te spreken als we de kinderen iets willen leren over de verschillende planten en/of dieren, de manier waarop Julius dat hier doet, kan wel een inspiratie zijn.
.
De krokus
Vroeg in het jaar, wanneer de gure winden telkens nog de liefelijke lenteglimlach, waarmee de aarde de Hemel wil begroeten, verjagen, trachten zich reeds vele groene sprietjes uit het donker van de bodem vrij te maken en aarzelend het lichtrijk te zoeken. Soms boren ze zich zelfs een opening in het dood-witte kleed, dat als tere pluisjes uit de hemel neer kwam dalen en daaronder tot een dicht doek werd aaneengeweven.
Al heel vlug komen de sneeuwklokjes, maar ze worden spoedig door de krokusjes gevolgd.
Toen wij zelf als kinderen nog maar heel weinig ver boven het oppervlak der aarde uitstaken en de hele wereld, maar vooral ook de kleinste dingetjes, met de grootste innigheid en met een eeuwige vraag in de ogen bekeken, vonden wij, dat zij erg veel op elkaar leken, de blaadjes van de sneeuwklokjes en die van de krokusjes: ze deden immers precies hetzelfde. Maar toen werd ons gezegd, dat krokusblaadjes een mooie witte streep in het midden hebben en sneeuwklokjesbladen effen groen zijn.
Later, toen onze blik veel van zijn toverkracht verloor, toen de dingen en zelfs de planten nuchter werden en hun heerlijke hemelse gebabbel staakten, toen leerden wij nog wel andere verschillen kennen. De krokusblaadjes zijn wat hol gebogen en ze komen met een risje tegelijk uit de bodem. Zij trekken een ietwat slordige vliezige schede een eindje mee omhoog. De sneeuwklokjes hebben steeds maar twee blaadjes, hun schede is netjes van vorm en schuift niet zo ver mee naar boven. Wanneer de fijne witte bloempjes van de sneeuwklokjes tussen de blaadjes opgedoken zijn en reeds een tijdje hebben gebengeld in de wind, dan komen ook de krokusbloemen uit de grond. Zij gedragen zich of zij van hun voorgangers het bloeien leerden en of zij zelf bovendien nog heel wat nieuws hebben verzonnen, want alles gaat bij hen veel geweldiger. Tussen de groene staketsels van de bladeren rijzen ze nu op met paarse of witte kopjes. Rustig gaan ze voort, wat sneller, bij zoel weer, wat trager als het koud is. Keert de vorst nog eens terug, dan blijven ze zelfs geheel en al stil staan te wachten. Ten slotte staan ze daar als ovale kolfjes, door een kleurige steel omhoog gehouden.
Nu lijken ze wel doodongeduldig. Wanneer maar even het zonnegoud door het doffe nevelgordijn, dat de hemel omfloerst, heen komt sprankelen, kieren zij van boven wat open. En uit die opening straalt weer diep gouden gloed op, als van een andere zon, daarbinnen verborgen. Zodra het gordijn voor het hemelvenster weer dicht wordt getrokken, verdwijnt niet alleen het hemelgoud daarboven, maar ook het bloemgoud daar binnen wordt zorgvuldig afgesloten. Maar hoe zou nu die ruimte binnenin die bloem wel zijn? Gedempt licht, teer getint als in een tempel. Een wand zo zuiver als marmer en teerder dan het fijnste porselein. Soms is die wand diep paars, soms heel blank en vaak is hij blank en paars naast elkaar. Maar dan rijst de kleur ook in heerlijke aderen van onderen af tot langs het gewelf omhoog. En midden in deze ruimte staat een gouden zuil als een heerlijk altaar in het midden van een heiligdom.
Een mensenmaaksel, zelfs het mooiste, is dood en verstoken van iedere mogelijkheid tot sterven naar groei en omvorming. Hier daarentegen is alles vervuld van een drang naar buiten, alles wacht tot de wanden zullen wijken, want dan kan de zuil zijn gloed vrijuit ten hemel laten vlammen. Dan zal als bij voltrekking van een plechtige handeling, alle heerlijkheid van het hemelse lichtrijk in deze offerruimte neerdalen.
Eindelijk! Een dag waarop het hemelgordijn tot diep op de horizon wordt neergeschoven en een zoele wind de kilheid tot zelfs uit de donkerste hoekjes weet weg te vagen. Hoe innig is de jonge lentezon! Is het niet of zij met haar lichtgesprankel over de bodem rondwaart om te luisteren, wat de aarde haar met sprietjes en met bloempjes, met openspringende knopjes wil toe fluisteren?’
Dat is de dag van de krokussen! Nu staan zij daar en slaan de wanden van hun bloemgebouw ver uiteen. Hun innerlijkheid, eerst zo teer, vlamt nu op als in vurige geestdrift. En de gouden stijl, die bovenaan tot drie stempels uiteenzwiert, hij verheft zich tot zijn hoogste gloed en praalt nu temidden van de zonnezoelte.
O, dat veldje! De bodem is nog grijs en kaal, maar van afstand tot afstand laait ons zulk een bloem als een vlam tegemoet. Het lijkt wel een veelstemmig gejubel, dat uit de stilte zachtkens gaat opklinken. Nu schijnt zelfs de geringste terughouding zoek. Zou er ooit een overgave, ooit een zaligheid groter kunnen zijn dan deze?
En toch: deze planten vergooien zich nooit. Zij zijn niet lichtzinnig als zo vaak de onbezonnen jeugd. Zij lokken uit het licht alleen de donkere hommels naar zich toe, die zwaar zoemend van ernst hun harige lijven voortdragen. Zie hoe driftig ze duwen en dringen! Zie hoe ze met hun woeste kracht de teerheid der bloem dreigen geweld aan te doen! Eigenlijk zijn ze zo goedmoedig, maar ze moeten wel wat wroeten om tot de bloembodem neer te kunnen duiken en daaronder in drie donkere holen de nectar te zoeken.
Al lijkt het ook of de krokusbloemen heel hun innerlijk uitstorten in het licht, toch doen zij dit nooit zonder voorbehoud. Zelfs wanneer de zon hun volop tegemoet komt, houden zij hun nectar toch nog diep in hun schoot verborgen. Zo blijft dit kostbare vocht voor onwaardige indringers beter behoed, dan alle tempelschatten uit de oudheid ooit waren. En zodra de zon zich weer met sluiers omhult, of wanneer zij ’s avonds in de aarde neerdaalt schuiven zij hun wanden langzaam toe. Iedere nacht staan zij daar weer met hun heiligdom gesloten.
En dan lijkt het wel of zij even mat als voor de bloei zouden willen schijnen, maar de kleurengloed is niet meer te dempen en straalt nu zelfs door de dofheid der wanden heen.
Onder de bodem gaat het veel rustiger toe, maar toch gebeuren daar veel merkwaardige dingen. Daar wordt ieder jaar een vaste knol, met meel geladen, gevormd. In het voorjaar, bij het uitlopen, wordt deze opgeteerd tot er slechts een weke weerzinwekkende massa over is, maar na de bloei wordt bovenop de oude weer een nieuwe knol gesmeed. Deze stuurt aldra stevige wortels omlaag, die zich eerst in de bodem verankeren en die zich daarna samentrekken, tot de jonge knol op de plaats van de oude komt te liggen.
Al die heerlijkheid van de krokusbloem is mede een getuigenis van de verhevenheid van haar land van oorsprong, van de hoge alpenweiden. Daar lukt het de zon, ondanks de felheid van haar licht, pas laat in het jaar de grond van het sneeuwkleed te bevrijden. Heel langzaam wijkt dit terug rondom de eerste donkere plekken. Als een streling zijn deze voor het oog, dat gewond is door het schelle sneeuwlicht. Maar dan is het ook alsof er een hemels gejubel verrijst, eerst stil, maar geleidelijk steeds luider. Zo groot is de heerlijkheid van al die bloemen, die bijna onmiddellijk uit de bodem ontluiken, van al deze liefelijke sterrenvormen, van deze betoverende kleuren!
Lager tegen de hellingen en onderin het dal, waar de bodem meer kracht heeft, is het alsof in de vaste stammen van de bomen de aarde omhoog rijst om de hemel veel ruig woekerend leven tegemoet te dragen. Hierboven heerst het licht, en het plaatst met wonderbaarlijke edelsmeedskunst de bloemen gelijk fonkelende stenen in het doffe materiaal van de aarde.
Hoe zou de krokus anders kunnen doen, dan ieder voorjaar opnieuw haar verwantschap met deze toverwereld te tonen door haar bloemen op te laten vlammen in het licht van de hoogte? Hoe zou zij die voorjaarszon kunnen weerstaan? Elke dag verrijst zij wat hoger en opent zij haar bronnen van glans nog meer en steeds meer laat zij haar wezen in eindeloze stromen van licht naar buiten vloeien. Als een ontluikende bloem is zijzelf. En zij verlokt de krokus te doen als heel de aarde: de openbaring van haar glorie te beantwoorden met een echo van heerlijke schoonheid.
Maar nauwelijks is de bloei voorbij, nauwelijks is de vlam van de overgave uitgebrand, of de krokusplant wendt zich tot de diepte. Zoals eerst de bloem gelijk een kleine zon de grote zon tegemoet straalde, zo wordt nu in de aarde een ding als een kleine aarde gevormd. En zoals dit ding zich tegenover de grond om zich heen afrondt, zo is eens in een ver verleden de aarde in de kosmos vereenzaamd geraakt. Eerst leek de krokus wel uitbundig te zijn als een jongeling, die vervuld is van geestdrift en gloeiende idealen. Hij zou wel in één sprong het hoogste willen bereiken. Maar nu, nu zij haar knol vormt, lijkt zij wel bezonnen te zijn als een oudere mens, die in smarten geleerd heeft hoeveel geleden moet worden eer dat ook maar iets in het leven verwerkelijkt kan worden.
Te midden van de ijle schoonheid van de bovenwereld vlamde de krokus krachtig op, zonder zichzelf te verliezen; te midden van de duistere dichtheid van de bodem smeedt zij nu voor zichzelf sterke werktuigen, zonder zich voor altijd van de omgeving af te sluiten. Konden wij slechts iets van dit verheven evenwicht in ons zelf en in onze samenleving verwerkelijken! De krokus toont ons een beeld van het edelste en sterkste, waarnaar ieder, die waarlijk streeft, zou moeten reiken.
Maar niet alleen van de weg van de enkele mens spreekt de krokus, ook van de gang van de hele aarde. In het laaien van haar bloem draagt zij een voorspelling van de tijd, waarin al de aardse dingen tot een nieuw geeststadium zullen opvlammen. Of eigenlijk zou men niet van een voorspelling, maar van een voorspiegeling moeten spreken: wat eens in de verste verten der tijden moet geschieden, voltrekt de krokus reeds nu in beeld. En in de verdichting van haar knol bootst de krokusplant steeds weer de gang van het aarde-verleden na. Steeds opnieuw wordt uit de ijle bewegelijke substanties een hard rond ding verdicht. En wanneer dit ding een tijd gerust heeft en eenzaam is geweest, wordt een deel door de opbloei van al dat schoons, dat tot ons spreekt van de dingen van de toekomst, opgeteerd, terwijl een ontbindende rest terzijde wordt gestoten.
Zo worden in het voorjaar beelden voor ons geplaatst van heel de aarde-ontwikkeling en van de mens te midden van dit geheel. Deze beelden zijn zeer liefelijk, maar toch spreekt er een machtige maning uit tot de mens, die klopt aan de poort van de toekomst: ‘Alleen hij zal deze deur zien opengaan, die de hoogste geestdrift voor al wat worden wil, laat opvlammen uit de diepste trouw aan al het gewordene’.
Frits Julius in Jonas, 23-01-1971
0-0-0
EGEL
Egelstelling – Het zal wel een dikke dertig jaar [artikel is uit de jaren 1970] geleden zijn dat deze fraaie term de woordenschat van onze taal is komen verrijken. En hoe groter de fanfares waarmee het in de destijds schamele kranten verscheen, hoe hoopvoller je onder elkaar gniffelde, hoe sterker gespannen je door alle storingen heen luisterde naar het ietwat gammele en degelijk verstopte restant van je radio. Want je wist: hoe „sterker” de egelstelling, hoe groter de omsingelde Duitse troepenmacht. Dat gaf dan weer een beetje moed
Maar nu iets heel anders: Hoe kwamen die mensen op het woord? Het moet wel afkomstig zijn geweest van iemand die gewend was goed uit zijn ogen te kijken in de natuur, van iemand die wist hoe een opgerolde egel zijn stekels naar alle kanten kan uitzetten om aldus een soort onneembare veste te worden. In tijden van gevaar, maar ook in perioden van verhoogde kwetsbaarheid zoals de winterdag.
Scharrelen
Van de zomer nog hoorden we vriend (of vriendin, maar dat kun je aan de buitenkant niet zien) egel nogal eens ’s avonds scharrelen. Bepaald luidruchtig was hij of zij dan bezig tussen dor blad en ruigte in de tuin, gewoonlijk in de zo diepe schemering dat ook „onze” ransuil het tijd vond om (geruisloos) op jacht te gaan, richting spreeuwenbosje.
Maar in het najaar kwam er verandering. Geen gestommel en gerommel meer tussen het blad. Maar toen de buurman op een avond thuiskwam, zag hij in vrijwel donker een egel slepen met een rietstengel. Voorzichtig heeft hij de sjouwerman of -vrouw gevolgd en hij zag hem of haar binnen gaan in het al lang leegstaande kippenhok. De volgende avond wij daar samen op wacht, en jawel, er werd weer ijverig gezeuld met riet, stro en stukjes krantenpapier.
De rest vermoedt u natuurlijk al: Er is daar in een hoek van die aftandse kippenwoning een hoge koepel van stro, veertjes, dorre bladeren en stukjes papier verrezen. Een echte egelstelling waarin je door het nauwe toegangsgat de bewoner kon zien liggen; natuurlijk opgerold en met uitgezette stekels.
Het was inmiddels goed guur geworden. Voorzichtig met een stokje tegen de slaper of slaapster duwen had geen enkel gevolg. Dus was het egeltje zijn lange slaap, zijn winterslaap ingegaan; en dat is iets heel anders dan de gewone dagelijkse slaap. Want bij het beginnen van zo’n winterslaap – altijd in goed dikgegeten toestand – daalt de temperatuur van het dier tot ver beneden de normale waarde van omstreeks 35 gr.C. Zijn hartslag en ademhaling worden véél trager en voorlopig is zijn temperatuur gelijk aan die van zijn omgeving, misschien een graad of zes. zeven.
Krijgen we echte kou en zal het ook in dat oude kippenhok misschien gaan vriezen, dan wordt de egel ook kouder. Maar….zijn temperatuur komt nooit onder de 5 gr. C. In deze toestand blijft hij als het ware op een laag pitje verder leven, heel zuinig zijn vetvoorraad opgebruikend. Totdat het misschien al te bar wordt met de kou. Dan kan er iets merkwaardigs gebeuren.
Heel langzaam (in 2 à 5 uur) wordt de egel wakker. Door hevige spierbeweging in de vorm van sterk rillen, vijzelt hij onbewust zijn temperatuur op tot 35 gr. En zo, weer even helemaal gewoon levend, gaat hij op zoek naar een betere schuilplaats. Om daar opnieuw in winterslaap te vallen tot de lente komt.
Maar veel jonge egels, met weinig reservevoedsel, redden het niet. Die sterven in een koude winter. Broodmager en letterlijk uitgeleefd.
Kees Hana, buiten kijken
0-0-0
EGEL
Egels vertrouwen teveel op hun stekels, zeggen ze
Het leek of er niets aan de hand was met de egel die ik zojuist had aangereden. Het was mijn schuld. Bij het schijnsel van de koplampen stond ik hem te bekijken. Een mooi volwassen dier, iets meer dan een kilo. Geen uiterlijke kwetsuren, zelfs geen druppeltje bloed uit zijn bek. Egelvlooien sprongen op mijn handen. Die hadden onmiddellijk in de gaten wat ik niet wilde geloven: hun gastvrouw was dood. De teken achter de oren van mijn slachtoffer hielden nog even vast. Met teken moet je een beetje voorzichtig zijn. Die houden ook van mensenbloed. Egelvlooien niet. Na een kleine verkenning op mijn huid verdwenen ze dan ook in het gras.
Toen ik stond te overleggen wat ik met het dier moest doen — mee naar huis nemen, aan de kinderen laten zien en een rituele begrafenis onder de vlierstruik laten verzorgen, of gewoon in het gras leggen — kwam een veel kleiner egeltje uit de berm scharrelen: Een miezerdje, dat me kennelijk wel rook — neusje omhoog en snuffelend de omgeving aftasten – maar me niet zag.
Toen ik een keer hard op de grond stampte, rolde miezerdje zich onmiddellijk op tot de bekende stekelbal. Egeltjes horen goed en zijn nogal schrikachtig.
Het dode dier legde ik in het gras en Scharminkeltje, dat helemaal niet zo schuw was, nam ik tussen jas en trui mee naar huis. We proberen hem daar met meelwormen, rupsen, vette spinnen, melk en havermout nog klaar te krijgen voor de winterslaap. U hoort nog van Scharminkeltje en ons.
Heel wat
Het zal niemand ontgaan zijn dat er in deze tijd van het jaar heel wat egels op onze verkeerswegen aan hun einde komen. De vraag hoe dat nu mogelijk is, kent heel wat antwoorden. Het is bekend dat egels zich graag bij wegen ophouden omdat die – hoe tegenstrijdig dat ook klinkt – een flinke hoeveelheid voedsel opleveren. Voedsel dat bovendien niet gevangen hoeft te worden, omdat het snel en pijnloos is gedood door het verkeer. We denken aan slakken, kevers, kikkers, hagedissen en al wat er verder nog maar onder de wielen kan komen.
Een ander antwoord is, dat egels nogal kouwelijk zijn aangelegd. De rugstekels – ze zijn een tot anderhalve, centimeter lang – bieden weinig isolatie en dat geldt ook voor de spaarzame beharing onder de stekels en van de buik. Wat is er voor een egel dan lekkerder om ’s nachts rond te scharrelen op een weg die de warmte van de dag nog vasthoudt.
Egelstelling
Een derde verklaring lijkt nogal voor de hand te liggen. Buiten grote roofvogels en bunzings – beide zeldzaam in ons land — hebben egels geen natuurlijke vijanden. Bij naderend gevaar rollen ze zich op en zetten hun rugstekels op. Wie doet ze wat? Een opgerolde egel is ongenaakbaar. Behalve voor auto’s. Egels zouden zoveel vertrouwen in hun „egelstelling” hebben, dat ze zich domweg oprollen bij een aanstormende auto. Toch geloof ik er niet in. De egel die ik aanreed, rende als een in paniek geraakte poes – en met net zo’n snelheid – naar de verst verwijderde berm. Andere egels die in de loop der jaren voor mijn koplampen zijn opgedoemd deden het precies eender.
Er doen heel wat misverstanden de ronde over egels. Ze vrijen bijvoorbeeld lang zo voorzichtig niet als het bekende mopje ons wil doen geloven. En ze paren ook niet staande met de buiken naar elkaar toe zoals de oude volksverhalen zeggen. Bij de paring heeft het vrouwtje haar stekels plat liggen en dan kan er niets anders gebeuren dan dat er na een goede maand jongen komen. Die hebben al stekeltjes, maar die liggen in de weke huid verborgen. Niets aan de hand.
Bij de koeien
Egels zouden koeien melken. Het is een verhaal dat ik onlangs nog hoorde van een veehouder bij ons in de buurt. Toch is het niet waar. Maar egels zoeken graag in de buurt van een grazende koe. Een grazende koe is zo’n onruststoker dat talloze insecten voor hem weg springen. Die zijn dan weer makkelijk te vangen voor de egel. Het is zelfs niet waar dat alle egels verzot zijn op melk. Aan de andere kant… een doodserieuze bioloog heeft bekend gemaakt dat egels gaarne drinken, uit een door hem ter beschikking gestelde kunstspeen!
Zo schijnt de fabel dat egels op hun stekels gevallen appels naar hun hol brengen ook een grond van waarheid te hebben. Er bestaan in ieder geval twee foto’s, gepubliceerd in wetenschappelijke tijdschriften waarop een egel met een appel op zijn rug staat afgebeeld.
Zoek het maar uit. Als u overdag eens goed gaat zoeken onder de heggen bij u in de buurt vindt u uw studie-object wel.
Op stap met Jan van Gelderen
0-0-0
BLADGALLEN
.
Van zeer veel bomen is het blad nu reeds gevallen en bij de andere zal hetzelfde binnenkort geschieden, voor zover ze niet tot de „evergreens” behoren. Daarmee heeft het blad dan voor de boom zijn taak vervuld. In de kringloop der natuur is zijn rol echter nog lang niet uitgespeeld. In de bossen, waar het blad op de grond blijft liggen, wordt het aan een proces onderworpen, waarbij de in het blad aanwezige stoffen geleidelijk aan door bacteriën, schimmels en paddenstoelen worden afgebroken. Er ontstaan dan eenvoudiger stoffen, die in verschillende vormen in de grond gaan voorkomen en ten slotte weer door de bomen als voedingsstoffen kunnen worden opgenomen. We zien hier dus een duidelijk voorbeeld van de kringloop van de stof in de natuur.
Hoe snel die afbraak zich voltrekt, hangt van allerlei omstandigheden af. Allereerst speelt de boomsoort, waartoe het blad behoort een voorname rol. Bij sommige soorten heeft de afbraak reeds snel plaats. Wie de lotgevallen van het afgevallen berkenblad volgt, zal ontdekken, dat het reeds na enkele weken voor een groot deel vergaan is.
Bij eiken en vooral bij de Amerikaanse eiken, verloopt een en ander bijzonder langzaam. Wij hebben twee van die eiken in de tuin en wanneer ik het blad tot volgend voorjaar laat liggen, heeft het nog hetzelfde uiterlijk als in de voorafgaande herfst. Er zijn ook bladeren, waarbij het bladmoes vrij snel verteert en waarbij de nerven heel lang gespaard blijven. Op deze wijze ontstaan fraaie skeletten, die zich zeer goed lenen tot het maken van verfspuitafdrukken op papier.
Het afgevallen blad is niet alleen van belang voor de kringloop van de stof, doch het is tevens een prachtige aanleiding tot een bepaalde vorm van natuurstudie. Op de neergedwarrelde bladeren treffen we dikwijls allerlei natuur voorwerpen aan, waaraan een boeiende biologische geschiedenis ten grondslag ligt. Ik doel hierbij op de vele soorten gallen, die op bladeren kunnen worden aangetroffen.
Het meest bekend zijn ongetwijfeld de galappeltjes op eikenbladeren, die ieder wel eens gevonden zal hebben. Nu zijn de eiken de bomen, waarop het grootste aantal gallen voorkomt. Bij de moseik blijft het aantal tot een viertal beperkt, terwijl op winter- en zomereik vele tientallen soorten gallen gevonden kunnen worden.
Ze komen op alle delen van de boom voor. Allereerst zijn er de wortelgallen die niet alleen op de wortels zitten, maar tevens op de grens van wortel en stam. Dan zijn er de stamgallen, vooral voorkomende aan de voet van de stam. De takgallen bevinden zich aan de eenjarige en oudere takken van de eik. Knopgallen en vruchtgallen ontwikkelen zich op de plaatsen, waar we de knoppen of de vruchten zouden verwachten. Vele soorten gallen ontstaan in de mannelijke katjes of in onderdelen daarvan en om die reden worden ze meeldraadgallen genoemd.
De bladgallen, die we op de bladeren van de eiken kunnen vinden, zijn zonder twijfel het bekendst en zij laten zich op het afgevallen blad ook het gemakkelijkst bekijken en verzamelen.
Bijna alle gallen van de eik worden verwekt door galwespen en dit geldt ook voor vrijwel alle bladgallen. Een klein aantal bladgallen bevindt zich aan de bladsteel, die dan op de een of andere wijze vervormd is. De meeste gallen zitten echter op de bladschijf. Hiervan is het gewone galappeltje heel bekend. Het is knikkervormig, een tot twee centimeter in doorsnede, groen en vaak wat rood aangelopen. Wie zo’n appeltje openmaakt, zal binnenin een larvekamer ontdekken, waarin de ontwikkeling van de galwesplarve zich voltrokken heeft. De appeltjes vallen met het blad van de boom en de galwespen komen dan in oktober of november uit het appeltje te voorschijn, soms ook tegen het volgende voorjaar.
De galwespen blijken uitsluitend wijfjes te zijn. Ze leggen hun eitjes in slapende knoppen aan de voet van de eikenstammen en doen uit die knoppen kleine galletjes ontstaan. Ze zijn slechts 2 millimeter in doorsnee en dragen een dicht fluwelig haarkleed. Ze zijn eerst rood en later donker violet. Vanwege deze eigenschappen worden ze paarse fluweel-galletjes genoemd.
Uit deze gallen verschijnt in mei of juni een tweede generatie van galwespen, die zowel uit mannetjes als wijfjes bestaat. Na de bevruchting leggen de wijfjes wederom eitjes op de nieuwe eikenbladeren en daarmee is de kringloop van deze galsoort dan gesloten.
Wanneer er bij galwespen twee generaties per jaar optreden, spreekt men van generatiewisseling en dit verschijnsel doet zich bij meer soorten galwespen voor. Zo zien we ook nog kleine knoopvormige galletjes op het blad zitten, waarvan de galwespen tot in maart of april van het volgende jaar in de gallen blijven zitten. Ze zijn alle van het vrouwelijk geslacht en leggen in het voorjaar eitjes op de eikelbladeren. Ze doen kleine puistvormige galletjes op het blad ontstaan, waaruit in juni de tweede generatie komt, die weer uit mannetjes en wijfjes is opgebouwd. De wijfjes zorgen ervoor, dat in het najaar van 1980* weer knoopgallen op het eikenblad kunnen ontstaan. Ik zou de lezers willen aanraden tijdens een herfstwandeling het afgevallen blad van eiken goed te bekijken. U zult dan stellig nog meer galsoorten ontdekken, buiten de twee die ik hier reeds noemde.
Om maar met de deur bij u in huis te vallen en strikt eerlijk te zijn: wanneer in de krant boven dit verhaal de titel komt te staan die ik er zojuist boven heb getikt, dan staat er een aperte onjuistheid in.
Ten eerste bied ik u hiervoor graag mijn nederige verontschuldiging aan en ten tweede zal het wel nodig zijn u de fout nader uit de doeken te doen. Wel, het zit hem in dat onschuldige – woord ‘sparrenbos’ een bos van sparren dus — en dat is, opgevat in de biologische betekenis van het woord, onbestaanbaar in Nederland.
Een bos
Ja, want in de eerste plaats is de spar een buitenlandse boomsoort, een „exoot” uit Noord- en Midden-Europa die van nature in ons land niet thuishoort. En in de tweede plaats is een bos — let wel: ,naar biologische maatstaven’ gemeten — veel en veel méér dan een verzameling bomen. Het is een ongedacht rijke levensgemeenschap van bomen en struiken en kruiden en mossen (om van de talloze organismen als paddenstoelen, schimmels en bacteriën niet te spreken), bevolkt met een wereld van de meest uiteenlopende diersoorten van heel groot tot microscopisch klein. Dit alles volkomen thuishorend op onze grond en in ons klimaat en, het belangrijkste van alles: zichzelf als gemeenschap prachtig in evenwicht houdend.
Bomenland
Vergelijk hiermee nu eens een sparren„bos” in Nederland. Ik wil er geen kwaad van spreken, want als aanplant van „gastbomen” die het bij ons meer of (helaas dikwijls) minder goed doen kan het toch zijn waarde hebben.
Maar een bos in de zin van één groot levend geheel met duizenderlei op elkaar ingestelde organismen, nee, dat is het nooit. Het blijft een cultuurbos, een stuk bomenland zoals je ook tarwe- of suikerbieten- of uienland hebt. Zonder voortdurende menselijke zorgen komt er niet veel van terecht. Om hiervan overtuigd te raken kun je niet beter doen dan sparrenbossen in hun natuurlijke omgeving bekijken, in de bergen, want een spar is geen laaglandboom.
Ananasjes
Maar goed, sommige van de planten en vooral dieren die onverbrekelijk bij de sparren horen zijn toch meegekomen naar onze aanplanten; en het moet gezegd worden: niet altijd de meest gewenste.
Een ervan — of liever: zijn werken — kunt u gemakkelijk te zien krijgen. Kijk er de laaghangende takken maar goed op aan en u ontdekt wel hier en daar eigenaardige verdikkingen die (met nogal wat fantasie!) op ananasjes van een paar centimeter lijken. Eigenaardige gevallen met openstaande holletjes en sterk vervormde naalden.
Sparrensap
Ananasgallen worden ze officieel genoemd en zoals met veel galvormingen het geval is, danken ook zij hun ontstaan aan een schijnbare onbeduidende oorzaak. Een kleine luis heeft eitjes gelegd in een sparrenkop, alleen met een loep zichtbare glimmende kogeltjes. Helemaal niets bijzonders zou je zeggen, maar onder invloed van deze nietigheden gaat er bij het uitbotten toch iets heel vreemds gebeuren. Het jonge lot en ook de naalden zwellen plaatselijk sterk op. Het „ananasje” ontstaat en in de tot kleine kamertjes vervormde holten tussen de naalden zuigen de luizenlarven sparrensap. Ze groeien, vervellen en worden volwassen. En wanneer in de zomerdag de kamertjes wijd openbuigen, komen de gevleugelde luizenwijfjes naar buiten.
De rest begrijpt u natuurlijk wel, maar ik zou u willen vragen in gedachten nog eens stil te staan bij die wonderlijke wisselwerking tussen de spar en zijn parasiet. Bij het raadsel van wat er nu in feite de oorzaak van zal zijn dat het jonge takje plaatselijk wordt verdikt en zijn naalden zo opzwellen. En — nog veel moeilijker — hoe in de loop van wellicht miljoenen jaren de luis en de spar zo op elkaar zijn ingesteld geraakt. Ik denk dat we het nooit zullen weten.
Uit het eikenhakhout stak hij zomaar brutaal over het smalle bospad, die ene twijg wiens bladeren volzaten met uit- en op-groeisels van allerlei slag. Gewone galappeltjes maar ook veel kleinere zaken; ronde plakjes met een keurig heuveltje in het midden en dikwandige kommetjes van maar een paar millimeter.
Dat moest wel in de gaten lopen en het bracht me ineens het inktflesje van vroeger thuis in herinnering. “Prima galnoteninkt” stond er op zijn etiket. Men gebruikte in die dagen (± 1920) het natuurproduct nog; zware, direct op het hout groeiende galnoten en de lichtere galappels.
Wespje
Over het geknoei met uitgeperste galappels en roestige spijkers om zelf zulke inkt te maken hoeven we het nu niet te hebben (het gaat overigens wel het beste met in weinig water even gekookte galappeltjes). De looistoffen, de tanninen, uit de gallen vormen met het ijzer een intens violetzwarte kleurstof; maar het grote raadsel is eigenlijk hoe dat hoge gehalte aan looistof in de gallen is terechtgekomen. En vervolgens hoe ze zijn ontstaan.
Een antwoord op deze laatste vraag kunt u krijgen door héél voorzichtig, aldoor iets dieper gaand, met de punt van’t zakmes een galappeltje middendoor te snijden. In het binnenste zult u een bolrond kamertje vinden en hierin huist — nog helemaal opgevouwen — een galwespje.
Zijn maten worden in millimeters gemeten en zijn kleur is donkerbruin — en straks in de voorwinter, als blad en gal al lang op de grond liggen, zal hij naar buiten kruipen.
Alleen dames
Hij? Nee, het is een „zij”.
Altijd, want deze generatie levert geen manvolk op. De dames kunnen echter wél levenskrachtige eieren leggen en dat gaan ze doen ook, bij zogenaamde slapende knoppen aan de voet van eikenstammen.
Als gevolg hiervan ontwikkelen die knoppen zich dan in de lente tot tenslotte prachtig paars behaarde galletjes van een paar millimeter. In hun binnenste leven de larven die uit de eitjes zijn gekomen en na een snelle ontwikkeling komen er al in de voorzomer nieuwe wespen naar buiten. Grut dat niemand als wesp herkent, maar nu van beiderlei kunne. Er wordt gepaard en er worden bevruchte eitjes gelegd op het jonge blad of in de ontluikende knoppen. En op de plekken waar de microscopisch kleine eitjes zitten, ontstaan galappels, vol sap dat een hoge concentratie aan tanninen heeft.
En die anderen?
De larven binnenin de appeltjes hoeven niet anders te doen dan maar van dit sap te zuigen om volwassen te worden en dat is minder vreemd dan het op het eerste gezicht lijkt. Want de tanninen zijn niet anders dan versterkte suikers (voornamelijk glucose) en het laat zich dus horen dat dieren ervan zullen kunnen leven. Maar nu verder: die andere gallen op het blad, de heuveltjes en de kommetjes, hoe zit het daarmee? Wel, in zekere zin net zo. Ook zij zijn ontstaan rondom galwespeneitjes; maar het leven van die wespjes verschilt weer aanmerkelijk van dat van hun zusters uit de appeltjes.
De heuveltjesgallen bijvoorbeeld, groeien, eenmaal afgevallen met het blad, rustig verder. En pas na twee jaar zullen de wespjes eruit kruipen, mannetjes en wijfjes — en hun uitsluitend vrouwelijke nakomelingschap zal opgroeien in de kleine „besgallen”.
Bij dit alles zal de grootste vraag wel blijven: hoe komt de eik ertoe om op het ene eitje zus, en op het andere zo te reageren? Ronduit gezegd: daar weten we niets van.
Wollegras – ik mag wel beginnen met me tegenover alle serieuze plantenkenners en flo-ragebruikers te verontschuldigen voor het gebruik van deze naam, want wat men opgetogen vaak wollegras noemt, is veenpluis.
Toch eigenlijk een wat dwaze situatie. Er komen in ons land vier soorten wollegras voor. Daarvan zijn er drie zeldzaam tot zeer zeldzaam; ze heten eenjarig, breed en slank wollegras – en uitgerekend de ene die op vochtige heiden, in natte duinpannen en soppige veenmoerassen nog altijd veel voorkomt, die ene moet als veenpluis door het leven gaan.
Maar er is uitkomst, de wetenschappelijke naam: Eriophofum angustioólium. Want dat eerste woord komt van het Griekse erion ( = wol) en pherein (-dragen); en het tweede stamt uit het Latijn (angustus — smal en folium – blad).
Goede tijd
Maar om die naam te laten voor wat hij is, ik zou graag onder uw aandacht brengen dat het nu wel een heel goede tijd is om van het wollegras te gaan genieten.
Dat is dan vrijwel uitsluitend weggelegd voor wandelaars en fietsers die de kleine paadjes en veenkaden weten te vinden, onverschillig of ze die zoeken in het Hollands-Utrechtse plassengebied of in de onvolprezen Overijsselse noordwesthoek, in onze schaarse nog vochtige duinen of op een heide met natte plekken.
Hoe dan ook, vooral in de veenmoerassen is het nu de goede tijd omdat de verdere vegetatie nog niet al te hoog is opgeschoten en je dus volop kunt genieten van die zijdeachtige witte pluizen. Waar er maar genoeg bij elkaar staan, lijkt het wel of er een voortdurend beweeglijke, glinsterende schuimlaag over het moerasland ligt; een laag waar al rietspruiten en lisbladeren doorheen priemen – beloften voor straks.
Intussen bestaan er een paar wijd verbreide misvattingen aangaande het wollegras/veen-pluis. Natuurlijk, want het ligt zo voor de hand om dit plantje met zijn grasachtig smalle bladeren „gras” te noemen Maar, plantkundig gezien is het niet juist. Er zijn zo duidelijke verschillen, voornamelijk in de bouw van de bloemen dat het wollegras bij een afzonderlijke familie is ingedeeld, die van de cypergrassen. Wie het helemaal degelijk wil napluizen, moet er de flora maar bijhalen.
Mis
En dan is er nog iets: je hoort nogal eens mensen zeggen dat ze het wollegras zo mooi vinden terwijl het volop bloeit. Mij best, maar wanneer ze hiermee de toestand met de witte pluizen bedoelen, hebben ze het mis. Want de bloei is al lang voorbij. Die verliep bijna onopgemerkt heel vroeg in de lente. Toen waren de nu zo slanke wiegende stengels nog maar erg kort en ze droegen aan hun toppen ietwat propperige aartjes, waaruit bosjes gele helmknoppen van de meeldraden en ook draaddunne stampertjes te voorschijn kwamen. De nauwelijks met het blote oog zichtbare bloemdekblaadjes waren toen al sterk gerafeld; en deze rafels zijn nu uitgegroeid tot de lange witte haren die een rol spelen bij de verspreiding van de vruchtjes. Vruchtpluis dus, en geen bloemen.
Het is met planten in zekere zin wel net als met mensen: je hebt gezeten burgers en rusteloze zwervers die alleen het leven lijken te kunnen houden bij eindeloze verandering. De rondtrekkende scharensliepen en ketellappers en de schilderachtige landlopers van onze jeugd zijn weggewerkt(tenminste grotendeels) door onze keurig gladgestreken welvaartsmaatschappij, maar — de hemel zij dank! –hun nazaten-in-de-geest zijn springlevend.
Wie het ware zwerversbloed heeft, raakt het gelukkig nooit meer kwijt. Dat geldt ook voor het „onaanzienlijke” grasje dat ik bjj deze minzaam in uw belangstelling aanbeveel.
Kieskeurig
Let maar niet te zeer op die nogal onmogelijke naam zanddoddegras en laat het u ook maar niet deren dat de wetenschappelijke aanduiding Phléum arenarium althans ten dele nietszeggend is. Want de heer Linnaeus die het zo verschrikkelijk druk had met namen geven aan duizenden planten en dieren, die heeft doodleuk de naam van de Griekse moerasplant Phleös gelatiniseerd tot Phléum — en hém vervolgens aan de kleine zwerver van het kale, woestijnachtige duinzand gegeven. Alleen in dat woord arenarium herkent u natuurlijk meteen het Latijnse arena: zandvlakte.
Dat hoort dan wel echt bij dit kleine zwerfgrasje omdat het misschien tegen uw verwachting in, beslist niet overal te vinden is. Ja, sterker nog, die kleine Phléum met zijn dichte polletjes die gewoonlijk niet hoger dan tien, vijftien centimeter zijn (en soms nauwelijks de 5 cm halen), dat is een kieskeurige persoonlijkheid. Zijn woonzand moet liefst open en kaal zijn, beweeglijk in de wind en niet te arm aan kalk.
Laksteeltje
Vanwege dit laatste vind je hem in de vastelandsduinen vooral bezuiden Bergen („hoven” bij deze plaats begint het kalkarme duinzand). En op kalkarme Waddeneilanden kan hij het soms (net) houden door de kalktoevoer via meeuwenmest bij de grote broedkolonies. En regelmatige overstuiving met vers strandzand kan hem ook in moeilijke gevallen op de been houden.
Intussen verzekeren de floristen ons dat dit zeer algemene grasje van ouder op ouder uit’t zuiden moet stammen, dat het afkomstig zal zijn van de stranden in het Middellandse Zeegebied, en dat het al zwervend langs de Atlantische kusten onze duinen heeft bereikt: wie weet hoe lang geleden. Maar dergelijke zwerverijen zijn ook nog steeds gaande!
Zo vonden we in mei 1937 eens een heel vreemd en ons onbekend klein gras op „roerig zand” achter de Texelse zeereep. Een expert determineerde het voor ons: Catapodium loliacem (recentelijk gewijzigd in C. marinum, uit het verre zuiden. Jawel — maar op het ogenblik staat deze knaap terecht in de Nederlandse flora’s en hij heeft zelfs een leuke vaderlandse naam: laksteeltje, vanwege zijn lakrode stengeltjes. Hij is op natuurlijke wijze ingeburgerd, iets wat het zanddoddegras al wie weet hoe lang geleden moet hebben gepresteerd.
Met loep
En nu iets anders: noch het laksteeltje, noch doddegras zijn vaste planten. Eenjarigen zjjn het (al verloopt hun ontwikkeling ook niet binnen een kalenderjaar). In het najaar of in de winter kiemen ze, bloeien doen ze in voorjaar of vroege zomer, snel erna rijpt hun zaad en voordat je er weet van hebt, is het hele plantje verdwenen; verdord en weggewaaid. Van de (droge zuidelijke) zomer moet het niets hebben.
Maar zover is het nog niet, de kleine krielen met hun van beneden naar boven aldoor kortere blaadjes staan nog in bloei. Met licht en donkergroen gestreepte katjes waartussen elke morgen nieuwe meeldraden naar buiten komen. Nietige schoonheden die van dichtbij bekeken willen worden (graag met een loep) en die straks hun zaadjes weer her en der laten zwerven, onrustig als alle zwerversvolk.
Wat heeft moeder natuur het deze winter toch uitzonderlijk goed met ons voorgehad. Het leek wel, of het niet meer kon gaan vriezen — hoewel ik me na de sneeuw van gisteren afvraag, wat ons in maart en april nog te wachten staat en of we nu zomaar de lente binnen zeilen.
Het zijn waarlijk niet alleen de sneeuwklokjes en de winterakonieten, de vroege primula’s en de scilla’s in onze tuinen, die het druk hebben met de vroege lente. Want ook in, wat we dan maar met een zwaar overtrokken eufemisme „de vrije natuur” zullen noemen, zijn de eerste bloemen er al: de helgele „paardenbloemetjes” van het klein hoefblad. Gaat u maar kijken.
Overal
Waar? Ach, bij voorkeur op open, kale stukken grond, zoals meer of minder bouwrijpe industrie- en stadsuitbreidingsterreinen, nog niet in cultuur gebracht polderland, dijkhellingen, kleiputten, mergelgroeven, randgebieden van vuilnisbelten en wat dies meer zij aan althans voorlopig verwaarloosde gronden. Overal dus op zogenaamd overgeschoten plekken.
Ze zullen er zijn, de eerstelingen; en in de komende weken zullen er honderden, duizenden van die stralend gele bloemen staan te gloriëren, terwijl de kuifleeuweriken — ook al onafscheidelijke vrienden van dergelijke kunstmatige woestijnlandschappen — hun schelle liedjes laten horen en er bijen, vliegen en zelfs vlinders op al die bloemen afkomen. Omdat ze een heel klein beetje honing te bieden hebben; en honing is een schaars artikel zo vroeg in het voorjaar.
Parachutes
Vreemd eigenlijk, al die bloemen op hun viltachtig behaarde stelen-met-bruine-schubben zonder dat er ook maar iets van blad valt te bekennen. Goed, dat komt later wel opzetten (en hoe!); maar wie dit zegt, heeft het strikt genomen bij het verkeerde eind. Want wel verschijnen hier de nogal hoekig hoefvormige bladeren later in de lente dan de bloemen, maar dat zijn dan bladeren van spruiten die pas in het volgende jaar zullen bloeien.
Wat nu bloeit, heeft dus in de vorige zomer zijn blad gehad. En wanneer straks de kleine (een-zadige) vruchtjes aan hun pluizige parachutes zijn weggewaaid, betekent dat het eind van het lied voor wat nu bloeit. Het sterft af, maar tegelijkertijd ontwikkelen de sterk vertakte onderaardse wortelstokken nieuwe spruiten en legio zijtakken. Spruiten met bladeren die in de herfst alweer de knoppen voor bloemhoofdjes klaar hebben om meteen te kunnen reageren als het in het volgende jaar lenteachtig gaat worden.
Bij dit alles is het natuurlijk overbodig te zeggen dat, wie van het land moet leven, het kleine hoefblad hartgrondig verfoeit, tenminste wanneer het zich in zijn bouwland heeft genesteld. Ja, en dat kan heel gemakkelijk gebeuren, want waar een beetje lekkere grond is, kleiig of zandig, liefst een tikje kalkhoudend en in ieder geval vochtig, daar brengen de aangewaaide zaadjes hun kiemkracht van ongeveer 90 %. in praktijk. Kale rivier- en plasoevers geven dit soms heel mooi te zien.
Kruidenzoekers
Maar er zijn ook lieden die het kleine hoefblad met bijzondere genegenheid bekijken, te weten kruidenzoekers.
Het plantje bevat namelijk slijm-, bitter- en looistoffen; en de combinatie van deze drie moet er volgens de kenners verantwoordelijk voor zijn dat het helpt tegen hoest en erger.
De oude Griekse heelmeesters waren hier al van overtuigd, maar ook op dit ogenblik zijn in sommige ouderwetse drogisterijen de gedroogde bloemen en bladeren nog te koop. Om er — afgrijselijk smakende! — thee van te zetten en die dan te drinken tegen de hoest.
Of het helpen zal, ik durf het niet te zeggen. Maar in ieder geval is de officiële naam van het kleine hoefblad „de .hoestverdrijver”. Want het wetenschappelijke Tussilago is afgeleid van tussis = hoest en agere = verdrijven. Aan u om de proef eens te nemen. Proost!
Dochters die voor hun vader ter wereld komen. Ach ja, je hoort tegenwoordig zoveel vreemde dingen, waarom dan dat ook niet, zult u zich misschien afvragen. Maar het gaat hier helemaal niet over iets van de tegenwoordige tijd. Het gaal om een naam, een plantennaam, in kort en goed Latijn te vinden in Middeleeuwse kloosterboeken.
Die naam luidt Filiae ante Patrem en dit betekent: de dochters vóór de vaders. Helaas is deze schilderachtige aanduiding van de gebeurlijkheden bij een plant in de loop der tijden finaal verloren gegaan. Ons hedendaagse (planten-) Latijn noemt de plant in kwestie tenminste heel anders: Petasites hybridus. En in ons eigen Nederlands zeggen we „groot hoefblad”.
„Rabarherbladen”
Dat Petasites zal wel een latinizering zijn naar aanleiding van het Griekse „petasos”, een breedgerande hoed. Het zinspeelt stellig op de enorme bladeren die… ja juist, daar hebben we nu het geval van de vaders die na hun dochters verschijnen. Want deze geweldige „rabarberbladen” van vochtige landjes en waterkanten, zij vormen wat de middeleeuwers voor de eigenlijke planten aanzagen — en zij zullen pas boven de grond komen wanneer er van de in deze lenteweken bloeiende pluimen (de dochters) weinig of niets meer valt te bekennen.
Nog even verder over die bladeren gesproken: het zijn de grootste in het rijk der kruidachtige planten van Nederland en je kunt ze (omgekeerd) prachtig gebruiken als royale regenhoeden. Daarbij komt dan meteen aan het licht dat ze aan hun onderkant een dicht en wollig vilt dragen. Dat schijnt een niet onbelangrijke rol te spelen in de waterhuishouding van die reuzenbladeren; het helpt de verdamping door de aan de onderkant zittende huidmondjes regelen.
Tegen reumatiek
Intussen schreven de Middeleeuwse monniken natuurlijk niet zomaar over hun Filiae ante Patrem. Belangstelling voor de natuur zoals wij die kennen, had men in hun dagen niet zozeer. Dat is te zeggen, er was wel belangstelling en zelfs een bijzonder grote maar deze was geheel en al gericht op de — geneeskundige — praktijk. Men ging ervan uit dat er tegen elke ziekte of aandoening een kruid gewassen was — en dikwijls óók, dat ieder kruid heilzaam zou zijn tegen het een of ander.
Wel, en groot hoefblad werd dan gezien als middel tegen aandoeningen van de luchtwegen, tegen reumatiek, ter bevordering van de urine-uitscheiding en (uitwendig gebruikt) tegen woekerende zweren. Het ging dan echter niet zozeer om de bladeren alswel om de ondergrondse wortelstokken. Tegen hoest en heesheid moest je die (gedroogd en gemalen) koken in wijn, vervolgens het brouwsel zoeten met een flinke hoeveelheid honing — en dan maar telkens kleine slokjes ervan nemen.
Waarbij ik — met groot genoegen terugdenkend aan de zalige likkepotten die mijn vader vroeger voor ons maakte — sterk vermoed dat het de honing was die de genezing bracht.
De dochters
Maar goed, al of niet heilzaam, ik zou u willen aanraden in deze nog vrij kille lentedagen eens goed op de „dochters” van het gelukkig nog altijd veel voorkomende groot hoefblad te gaan letten. Ze komen uit de grond met prachtig rodekool-paarse stengels, die spitse en lange „schubben” dragen. Aan hun toppen zitten de eigenlijke bloemen of eigenlijk bloemverzamelingen, bloemhoofdjes, want groot hoefblad is een composiet en het heeft dus samengestelde bloemen.
Bijzonder
Maar er is aan die bloemhoofdjes nog iets bijzonders. Je vindt hele groepen planten met uitsluitend mannelijke bloemen, = waarbij de meeldraden volledig = zijn ontwikkeld, maar het kan ook gebeuren dat je in gezelschappen van vrouwelijke planten verzeild raakt. Die hebben dan nauwelijks meetellende meeldraden en goed uit de kluiten gewassen stampers.
Ik geef toe dat het een hele pluizerij is (met de loep) om het hele geval uit te vissen. Maar wie de moeite neemt, vindt altijd iets merkwaardigs: een paar mannelijke bloempjes in ieder vrouwelijk hoofdje, of een paar dames te midden van een groot aantal heren. En het waaróm hiervan weet nog niemand.
Op een van die stille, zonnig-heiige oktoberdagen dwaalden we door het Bruegeliaanse landschap van ons zuidelijke heuvelland. Zomaar. Om vreugde te beleven aan de fijne tekening ervan en aan de herfstige kleuren. Aan het matte okergeel van een vak lorken tegen de donkergroene achtergrond van een sparrenbos, aan het vlammende oranjebruin van zware beuken in een hellingbos en aan de bijna citroengeel verkleurende populieren die in lange, naar de kim wegdeemsterende slierten de wijde dalen stonden op te sieren.
Nuchter beschouwd vindt u deze hele grote gebeurtenis van de herfstkleuren en het vallende blad misschien wel doodgewoon. Ze doet zich immers ieder jaar opnieuw voor, zij het de ene keer wat overweldigender dan de andere; en als deelnemer aan ons jachtige, zich voor een groot deel in stenen steden afspelende hedendaagse leven, bent u wellicht geneigd er niet eens al te veel aandacht aan te besteden. En toch is het niet meer of minder dan één groot wonder dat zich aan al die verkleurende bomen en struiken daarbuiten voltrekt.
Neem de proef
Neem volgende zomer maar eens een eenvoudige proef om u ervan te overtuigen dat herfsttinten blijkbaar alleen in het najaar mogelijk zijn. Pluk maar een stel groene bladeren van verschillende bomen en struiken en droog ze eens onder lichte druk tussen wat vloeipapier of oude kranten. Goed, u zult ervaren dat het groen zijn frisheid verliest; maar het blijft groen en er verschijnen géén herfstkleuren. En dan nog iets: het moet in de zomerdag al heel hard waaien wil er werkelijk veel blad van de bomen losraken. Het zit dus stevig vast. Maar in de herfst valt het vanzelf!
Scheikunde
Ja, er is dan ook heel wat gebeurd – chemisch én technisch — voordat het blad aan afvallen toe is. Wat de scheikundige kant van de zaak betreft, die komt in grote trekken hierop neer: gewone groene bladeren worden gekleurd door vier stoffen, te weten chlorofyl a, chlorofyl b (beide groen), xantofyl (geel) en carotine (oranje). Het groen van het chlorofyl is echter dermate overheersend dat het hooguit een beetje van tint kan worden gewijzigd door xantofyl en carotine. Maar nu worden in de herfst die groene kleurstoffen afgebroken, zodat geel en oranje in de kostelijkste combinaties op de voorgrond treden. En vandaar dan de alom bewonderde herfsttinten.
Weefsellaagje
Tegelijk met deze ingrijpende scheikundige veranderingen is er intussen op ‘technisch’ gebied ook iets gaande – tenminste bij de bomen en struiken die hun blad onder normale omstandigheden verliezen tegen de winter. De hechte verbinding- tussen bladsteel en twijg wordt gaandeweg losser doordat er zich daar op de afscheiding een dun weefsellaagje van kleine cellen ontwikkelt. Tegelijkertijd raken de vaatbundels – je zou kunnen zeggen de aderen in de bladsteel – op die plaats verstopt door naar binnen groeiende draden en vliezen. Wat eens muurvast gekoppeld zat, komt door dit alles nog maar heel losjes aan elkaar te zitten.
Kurklaagje
En de losheid wordt dikwijls nog verergerd door het ontstaan van een uiterst dun kurklaagje aan de twijgkant van het klein-cellige weefsel — waarna het gemakkelijk kan gebeuren dat bladeren zomaar vanzelf en zonder dat er een zuchtje wind aan te pas komt loslaten en vallen als gevolg van hun eigen gewicht.
Een knauw
Misschien zegt u na dit alles te hebben gelezen dat het toch allemaal zo prachtig is geregeld in de .natuur. Ik zal de laatste zijn om zoiets tegen te spreken, maar de zaken zijn óók wel eens ontregeld. Zo hebben wij het eens meegemaakt in de Ardennen dat het in de herfstnachten tot 12 gr. C. vroor terwijl de beuken nog grotendeels groen waren. Toen kregen ze de tijd niet meer voor de chemische en technische veranderingen die broodnodig waren en dat gaf vele bomen een knauw. En het kan nog erger: als de liguster in uw heg overrompeld wordt door een snel invallende strenge winter, dan kan deze groenblijver het niet aan. Er is dan geen tijd voor het (snel) treffen van voorbereidingen. Hij droogt uit en sterft. Doordat het iets minder goed was geregeld in de natuur.
Kees Hana: Wonderen van de natuur
0-0-0
HOMMEL
Ze zijn er weer, die grote, kleurig behaarde insecten, die dof gonzend rondvliegen en de bodem afzoeken alsof zij iets kostbaars zijn kwijtgeraakt. De tuinhommel met zijn gele en witte banden, de zwarte steenhommel met de rode achterlijfspunt en de geelbruine moshommel zijn weer present, om drie bekende van de ongeveer 20 hommelsoorten in ons land te noemen. Zij vliegen traag en laag over de grond alsof hun bolronde lichaam te zwaar is voor hun betrekkelijk kleine vleugels. Soms ook landen ze met een plof op een bloem, die onder het gewicht van het insect doorbuigt. Dit verhindert de hommels niet in de zonderlingste standen de voorjaarsbloeiers hun honing te ontfutselen.
Het gaat allemaal erg traag en schijnbaar met tegenzin. Als ik zo’n hommel bezig zie, langzaam over een bloem klauterend er daarbij eentonig brommend, word ik er altijd een beetje slaperig van. Meer nog dan de marmot of de beruchte zevenslaper is de hommel voor mij het symbool van de luiheid. De kleurige koninginnen, die u in het voorjaar ziet, zijn in de loop van augustus van het.vorige jaar, dikwijls op een hete zomerdag, in de grond gekropen. In een warm holletje hebben zij hun vleugels en pootjes ingetrokken en zijn zij hun winterslaap begonnen, die zo’n kleine acht maanden duurt. Dezer dagen was ik er getuige van hoe een hommelkoningin na haar diepe rust haar nieuwe bestaan begint. Ik zag in de tuin een paar dorre bladeren op de grond in beweging komen zonder dat de wind in het spel kon zijn. Even later kwam, langzaam kruipend, een hommelkoningin tevoorschijn. Zij zag er nog een beetje verfomfaaid uit met vage zwarte, gele en witte beharing. Het eerste kwartier bleef het dier roerloos in de zon zitten. Daarna begonnen de vleugels te trillen en draaide de koningin zich een kwartslag om. Geleidelijk aan begon er meer leven in de hommel te komen. Na een paar vergeefse pogingen om te vliegen, begon het dier met uitgestrekte vleugels korte rondjes te lopen over het dorre blad.
Kleuriger
Merkwaardig was dat de hommel alsmaar groter werd en de beharing op borst en achterlijf steeds kleuriger. Na een klein uur was het een prachtige, diep glanzende hommel geworden, met drie fel gele banden en een sneeuwwitte achterlijfspunt, een tuinhommel dus. Toen het lichaam zo ver was opgezwollen dat het langzamerhand als een tafeltennisbal dienst kon gaan doen, begon het tot de koningin door te dringen dat haar een taak in haar bestaan was toebedeeld. Langzaam zette het gevaarte zich in beweging, de derde vliegpoging slaagde en als het ware hangend aan de vleugels zeilde de tuinhommel, laag boven het gras, enkele meters door de tuin. Daarop liet het dier zich in het gras vallen, waar het diep brommend over een dorre stengel kroop, die doorboog, zodat de koningin ruggelings op de grond stortte, waar zij bedeesd bleef zitten. Deze capriolen herhaalden zich nog ettelijke keren, daarmee bevestigend dat een hommelkoningin lichamelijk niet is opgewassen tegen de duizenden staketsels, die de natuur in de vorm van takken, graspollen, struiken en kuilen oplevert.
Blauw favoriet
Niettemin wist de hommel na enkele uren toch haar weg te vinden naar de bloemenbak achter het huis, waar het op een pol felblauwe violen neerplofte om hieruit gulzig de honing te peuren. Terwijl ik de gedragingen van de tuinhommel gadesloeg, kwamen ook andere hommels op de violen af en opeens viel het mij op dat zij allemaal de blauwe bloemen bezochten en niet de minste belangstelling aan de dag legden voor de paarse violen, die in honingproductie niet voor de blauwe onderdoen. De voorkeur van vlinders, bijen en andere honingzoekers voor bepaalde kleuren is bekend en uitvoerig bestudeerd, maar dat een zo duidelijk aan blauw verwante kleur als paars – is immers blauw met rood — eensgezind werd genegeerd door de hommels vond ik toch wel erg frappant. Er was geen sprake van toeval, want toen ik een glazen dekseltje met suikerwater onder de paarse violen zette, deden de hommels alsof er niets aan de hand was. Wel kwam een van onze mooiste vlinders, de dagpauwoog, zich hieraan te goed doen. Zodra ik echter het suikerwater naar een pol blauwe violen toeschoof, vielen de hommels er gretig op aan. Geheel in overeenstemming met hun luie aard hielden ook nu de hommels het niet lang vol met het zoeken naar honing. Na een paar minuten gaven zij het op en zochten zij een beschut holletje onder het dorre gras of onder een boomwortel.
Bestemming
Op de keper beschouwd, ligt daar ook hun bestemming. In een dergelijk holletje, dat zij voeren met wat mos en haarworteltjes, brengen zij een plakje honing aan in een celletje van was. Daarin zetten zij een stuk of tien eitjes af, die zij als een vogel uitbroeden. De larven, die uit de eitjes komen, eten de honing op en verpoppen zich.Terwijl de koningin doorgaat met eitjes leggen, komen na enkele weken uit de poppen hommels, die ongeveer de helft kleiner zijn dan de koningin. Deze kleine hommels, de werksters, zijn stukken bewegelijker en actiever dan de moeder. De werksters zorgen voor de snelle uitbreiding van het hommelnest en zij zwoegen hiervoor van de vroege ochtend tot de late avond.
Vandaar de luiheid van de dikke hommelkoningin; zij kan zich die veroorloven.
Natureluur Luuk Groenendijk
0-0-0
EMELTEN
Emelten, een plaag met vraagtekens
Het zat er vorig jaar dik in dat we nu met een emeltenplaag zijn opgescheept. Hele wolken van langpootmuggen zwermden in de nazomer over de graslanden. Als je goed oplette, zag je steeds het ene paartje na het andere zich uit de massa verwijderen om zich op een beschut plaatsje terug te trekken. Ook zag je de langpootmuggen bij duizenden in het gras scharrelen. Dat waren dan de wijfjes, die met hun legboor eitje na eitje in de grond afzetten. Het bleek geen eenvoudige zaak te zijn om uit die menigte langpootmuggen een vrouwelijk exemplaar op haar eiertocht te blijven volgen. Langer dan 10 minuten bleek dit niet mogelijk, maar toen had ze al 20 eitjes te bestemder plaatsen gedeponeerd. En dan te denken aan die tienduizenden even ijverige soortgenoten!
Kale plekken
Opmerkelijk was dat op plaatsen met hoog gras nauwelijks een langpootmug werd aangetroffen. Daarentegen krioelde het van deze onbeholpen vliegende insecten op pas afgemaaide of door het vee kort begraasde gedeelten. Op ruige plaatsen kunnen de wijfjes niet of nauwelijks met hun legboor de grond bereiken en omdat zij er bovendien duidelijk moeite mee hebben zich in de ruigte te verplaatsen, zijn het vooral de kale plaatsen, waarop zij het hebben gemunt. Deze week hebben wij hetzelfde weiland weer eens bezocht. Op een afstand kregen wij al een voorproefje van wat wij zouden ontdekken. Op de weilanden met kort gras wemelde het van de spreeuwen, kok- en zilvermeeuwen, kauwtjes en roeken, met daaronder enkele kieviten, scholeksters, eksters, grote lijsters, zanglijsters en merels. Op de ruige weilanden daarentegen zagen we alleen maar een enkele ekster.
Doorzeefd
De verklaring hiervoor vonden we alras. Op de kortgraslanden was de bodem doorzeefd met gaatjes, de piksporen van de verschillende vogelsoorten, die zich aan de emelten, de larven van de langpootmug, te goed hadden gedaan. Met ons onvolprezen opvouwbare kampeerschopje staken we op een van deze plaatsen een zode uit, schudden die een paar keer en onmiddellijk zagen we ettelijke grauwe, pootloze larven met stompe kop voor onze voeten spartelen. Veertien emelten in een graszode van nauwelijks 15 bij 15 cm!
Nu naar een ruig weiland om daar hetzelfde te doen.. Met moeite wisten wij een zode los te wrikken en wat wij konden verwachten, gebeurde: er viel niet één emelt te ontdekken. Niet alleen bleek hier het effect van de bescherming, die het hogere gras tegen de legboor van de langpootmug biedt, maar ook van het feit, dat de larven zich onder de grond met moeite kunnen verplaatsen. Zij vreten zich in de graswortels vast en bewegen zich in hoofdzaak in verticale richting.
Foefje
Evenals regenwormen kruipen zij boven de grond als deze in trilling wordt gebracht. Dat foefje hebben vooral de kieviten en de meeuwen door. Beide vogelsoorten zie je dan ook voortdurend op één plaats met de poten dribbelen en hoewel geen seismograaf de hierdoor ontstane trillingen zal kunnen registreren, geven deze de emelten en wormen voldoende aanleiding de kop boven de grond te steken en zich zodoende aan de op hen azende vogels te presenteren.
De spreeuwen, lijsters en kraaien verstaan deze dribbelkunst niet. Deze vogels prikken met hun snavel in de grond en weten op die manier de emelten te bemachtigen. Of zij dit lukraak doen of dat zij over een speciaal zintuig beschikken om meteen de buit te treffen, kan moeilijk worden vastgesteld. Maar het feit blijft dat waar zo’n gevarieerde vogelzwerm op het grasland is neergestreken, de emelten op grote schaal worden verslonden.
Liters gif
Intussen hebben de veeboeren, gealarmeerd door de landbouwvoorlichtingsdienst, vooral op de zandgronden, de strijd tegen de larven van de langpootmug aangebonden. Duizenden liters van het contactgif parathion zijn al verspoten en met bizarre gevolgen.
De eerste onbedoelde slachtoffers zijn al gevallen. Dode buizerden, dode torenvalken en dode ransuilen, waarvan het maagonderzoek heeft aangetoond dat zij als rechtstreekse consumenten van emelten het parathion hebben binnengekregen. Dus niet omdat zij aan het einde van de voedselketen met het vergif in aanraking zijn gekomen, zoals in het verleden het geval is geweest met zaadontsmettingsmiddelen, die zij via de veldmuizen naar binnen hadden gekregen.Op zichzelf is het belangwekkend dat deze stootvogels ook emelten nuttigen en wellicht kan hierin een aanleiding worden gevonden het gebruik van parathion te gaan verbieden. Buizerden, torenvalken en ransuilen zijn bij de wet beschermde vogels en het gaat niet aan van deze bescherming af te zien als de bestrijding van emelten in het geding is.
Uiteraard zal er voor de veehouderij een alternatief moeten bestaan en mogelijk ligt dit ook in de wetenschap dat ruige graslanden minder gevoelig zijn voor de invasie van langpootmuggen. En dan niet te vergeten het vogelleger, dat over de best mogelijke natuurlijke uitrusting beschikt om de emelten te lijf te gaan. Maar dan moet die vogels ook de kans worden geboden en daaraan mankeert nog wel wat.
Parende langpbotmuggen: boven het grotere wijfje, dat terstond na de paring ettelijke honderden eitjes met een legboor in de grond deponeert. De hieruit komende larven. de emelten, worden gevreesd door de boeren, maar voor ontelbare vogels vormen zij een lekkernij.
0-0-0
LANGPOTEN
Ik geloof beslist niet dat er dit jaar meer ‘Vadertjes Langbeen’ rondvliegen dan in andere jaren, toch zitten er grote aantallen van die langpootmuggen de laatste weken tegen onze vensterruiten geplakt. Het zjjn slechte tijden voor deze ‘glazenwassers’. Ze zien er absoluut geen been in met dit weer het luchtruim te kiezen, terwijl dat voor het nageslacht toch een bittere noodzaak is. Langpootmuggen zijn slechte vliegers. In de nazomer, zo tegen schemer, laten de mannetjes weliswaar geen perfecte, maar toch een betoverende dans zien. Ze voeren dan op een paar meter boven de grond hun baltsvlucht uit. Het quick, quick, slow doet aan de eerste dansles denken, hoewel de uiteindeljjke bedoeling op die leeftijd toch even anders lag.
Ook het ‘foxy foxtrot, met je elastieken benen’ roept associaties op. Weten de mannetjes tijdens deze baltsvlucht een wijfje te versieren, dan vliegen de gevormde koppels in tandem naar een rustplaats, waar de paringen voltooid worden. Uiteindelijk zal het ontkoppelde vrouwtje in een soort huppeldans boven gazon of weide met haar legbuis een voor een haar eitjes in de grond deponeren. Na enkele dagen dient de nieuwe generatie zich al aan. De kleine maden doen zich tot de vorst invalt tegoed aan de plantenwortels. Zodra de lente zich weer aandient, gaan zij vol goede moed verder met hun schadelijke geknaag. Uiteindelijk zullen zij zich afhankelijk van de soort in juli of augustus verpoppen.
De meest algemene langpootmug, Tipula oleracea, ook wel koollangpootmug genoemd, kan in een gunstig jaar twee generaties grootbrengen, de andere soorten blijven wat langer ondergronds. Met het huidige weertype moeten de langpootmuggen hun amoureuze plannen tijdelijk laten varen. Met de grootste moeite weten ze zich met de griezelig broze onderdanen tussen het hoge gras in de striemende regen en in de harde wind staande te houden. De uitzonderlijk lange poten hebben het voordeel dat de dieren als ze op gras lopen, zich aan een aantal grassprieten tegelijk kunnen vasthouden. Als de stengels door een stevige wind in verschillende richtingen worden bewogen, weten de muggen zo hun houvast te bewaren. Natuurlijk hebben zulke lange poten ook hun nadelen. Een belager heeft je immers zo bij de benen. Evenals de hooiwagens, die in de nazomer en herfst in groten getale op planten en muren voorkomen — u kent ze wel, de spinachtigen die een en al poot zijn — beschikken de langpootmuggen over het vermogen tot zelfamputatie. Wanneer de belager zich nog enthousiast met de opgeofferde poot bezighoudt, neemt de prooi de benen.
Larven van langpootmuggen hebben lak aan slechte weersomstandigheden. Ze leven een paar centimeter onder de grond in nauwe gangetjes. Wanneer je zo’n rolrond dier uit een graszode peutert en op de hand houdt, kun je het goed bekijken. De made is grauw en half doorschijnend. Vlak voor de metamorfose tot langpootmug meet zij zo’n drie centimeter. De kop is intrekbaar en gewapend met krachtige, bijtende kaken. Dat klinkt bloeddorstig, maar in dierlijke prooi heeft zo’n larf, evenals de volwassen dieren, absoluut geen trek.
De larven, emelten genoemd, kunnen met miljoenen de weilanden en ook uw gazon besmetten en door hun geknaag aan de graswortels voor een fikse schade zorgen. Zwaar besmette graslanden veranderen in de zomer in dorre bruine vlakten. Een geoefend oog speurt de gangetjes van de larven op zonder dat de zode gekeerd hoeft te worden. Spreeuwen en roeken zijn daar specialisten in. Het zal geen verbazing wekken dat deze vogels en biologisch denkende boeren dan ook goede maatjes zijn.
Een spreeuwengezin verorbert honderden emelten per dag. Men kan het zich niet voorstellen, maar van ’s morgens ’n uur of zes tot ’s avonds na negenen worden er elke drie minuten één of meer larven aangevoerd. Voor de afwisseling worden er ook veel rupsen van uiltjes, soorten nachtvlinders, aan de jongen gegeven.
De larven werken erg laxerend. Vader en moeder spreeuw weten instinctief dat, ook al liggen de emelten voor het oprapen, dit eiwitrijke voer niet ongelimiteerd gevoerd kan worden. Ook de roeken weten de gangetjes waarin de larven van de langpootmug huizen feilloos te vinden. Ze hoeven niet te ‘luisteren’, zoals we merels wel eens zien doen wanneer ze op een bewegende regenworm gespitst zijn. Spreeuw en roek wroeten na het zien van zo’n gangetje even en het is raak. Of we het leuk vinden of niet, de aanwezigheid van de langpootmuggen maakt duidelijk dat de herfst voor de deur staat. Voor veel insekten betekent dat niet alleen het einde van een lange en vooral hete zomer, maar tevens het einde van hun leven.
Het wespennest bij ons in de tuin, hangende in een meidoornstruik, vertoont duidelijk tekenen van verval Als ik aan de struik schud, komt er uiterst traag nog een drietal wachters aan de deur. Van verdedigen en aanvallen is geen sprake meer. De toekomstige troonpretendenten zijn op zoek naar een veilig onderkomen, als zij dit al niet gevonden hebben. De mannetjes en de niet meer georganiseerde werksters zwerven hier en daar nog wat rond. Alleen de meest plichtsgetrouwe onderdanen van de wespenstaat stoppen, als het weer het toelaat, de laatste larven nog wat dierlijk eiwit toe in de vorm van buitgemaakte vliegen en andere insecten. Het is echter nutteloze arbeid.Het jonge spul zal, evenals de verzorgers, de winter niet halen. Alleen de kroonprinsessen overleven. Zij hebben met de darren gepaard en kunnen daardoor het volgend voorjaar nieuwe staten stichten.
Ook de meeste vlinders houden het voor gezien. Kleine vossen en dagpauwogen kunnen we hier en daar al verstijfd onder vensterbanken, in holle bomen of in huis aantreffen. Deze vlinders overwinteren in het volwassen stadium, als vlinder dus. Als we nog een beetje nazomer krijgen, worden ze weer springlevend. De winterrust moet immers niet langer duren dan strikt noodzakelijk is. Witjes overwinteren als pop, de grote beervlinders brengen als rups de winter door. De donkere sterk behaarde rupsen van de beervlinder kunnen tegen een stootje. Toch zullen ook zij een veilig onderkomen voor de vorst moeten zoeken. De rupsen doen zich eind september nog tegoed aan distels en andere kruiden. Na de derde vervelling treedt de rustpauze in. Ze kruipen weg onder dorre bladeren en andere bodembedekking. Regelmatig steekt er een in draf bij ons de weg over. Snellere rupsen dan die van de grote beervlinder ken ik niet. De gamma-uil, waarschijnlijk de talrijkste trekvlinder in ons land, zal als het even kan nog nectar peuren uit de hemelsleutels.
Evenals bij de atalanta en de distelvlinder zal een aantal van deze nachtvlinder op trek naar het zuiden gaan. Voor de achterblijvers rest slechts de dood. Niet een zal de Hollandse winter overleven. De uiltjes kunnen we vaak zien vliegen rond brandende straatlantaarns. Ook worden ze aangetrokken door de kunstmatige lichtbundels uit de huiskamers. Vleermuizen zijn verzot op deze nachtbrakers. Voor de insecten-etende zoogdieren is het dan ook te hopen dat de trek van de gamma-uilen nog even op zich laat wachten. Vleermuizen kunnen wel wat vetreserve gebruiken voordat ze in winterslaap gaan.
Vertaling van bericht in ‘Das Goetheanum‘, 09-03-2026
Daar werd als bron gebruikt ‘Na Babel‘.
.
Een Noorse aanpak ter ondersteuning van risicovol spel bij kinderen
.
Risky Play, oftewel risicovol of wild spelen, is een begrip uit het pedagogisch onderzoek dat alle vormen van spelen omvat waarbij spannende onzekerheid en het nemen van risico’s een rol spelen. Een goed voorbeeld van risicovol spelen is klimmen in bomen, over rotsen of op hoge ladders. Voor ouders en verzorgers is het niet altijd gemakkelijk om naar hun kinderen te kijken terwijl ze wild spelen en erop te vertrouwen dat alles wel goed komt. De wens om hen te beschermen tegen mogelijk letsel is begrijpelijk. Zolang er echter geen direct gevaar bestaat, raden onderzoekers aan om de kinderen hun gang te laten gaan. Risicovol spelen is namelijk essentieel voor een gezonde lichamelijke, mentale en emotionele ontwikkeling. Verschillende studies hebben aangetoond dat kinderen het op een speelse manier aangaan van risico’s nodig hebben om ruimtelijk inzicht, motorische coördinatie, zelfvertrouwen en een tolerantie voor onzekerheid te ontwikkelen. Andere voordelen van risicovol spelen zijn verbeterde sociale vaardigheden, zoals het vermogen tot samenwerking en empathie, en een grotere emotionele veerkracht. Onderzoek toont ook aan dat kinderen beter in staat zijn om hun eigen vaardigheden in te schatten dan volwassenen vaak van hen verwachten.
Ellen Sandseter is hoogleraar aan de Koningin Maud-Hogeschool voor Vroegschoolse Educatie in Trondheim, Noorwegen, pionier op het gebied van risicovol spelen en bedenkster van de internationaal gehanteerde wetenschappelijke definitie ervan. Haar onderzoek heeft ook aangetoond dat een gebrek aan positieve vormen van risicovol spelen in de kindertijd er later bij jongeren toe kan leiden dat ze negatieve risico’s nemen, zoals winkeldiefstal. Al deze onderzoeksresultaten betekenen echter niet dat kinderen moeten worden aangespoord om op een bepaalde manier te spelen. Hoe een kind speelt, moet door het kind zelf worden bepaald, aldus Helen Dodd, kinderpsycholoog aan de Britse Universiteit van Exeter. Welke activiteit als riskant wordt ervaren, verschilt bovendien van kind tot kind. Mariana Brussoni, hoogleraar kindergeneeskunde aan de Canadese University of British Columbia, pleit ervoor dat barrières met betrekking tot risicovol spelen moeten worden weggenomen, zodat er pedagogische ruimtes ontstaan waarin kinderen uit hun comfortzone kunnen stappen en een leerzone kunnen betreden. Hiervoor is vooral in westerse landen een maatschappelijke mentaliteitsverandering en verder onderzoek nodig.
Welke mentaliteitsverandering dat dan zou moeten zijn, wordt niet vermeld. Misschien is omdenken van een ‘kenniseconomie’, met in het kielzog dat kennis op school het hoogste goed is, naar een veel grotere plaats van ‘bewegen’ in het onderwijs, een begin. In de lagere klassen bv. is ‘de evenwichtsbalk’ een vrij risicovol attribuut naar mate die hoger boven de vloer belopen moet worden. Op de schoolpleinen zou bewust de mogelijkheid tot klimmen en klauteren kunnen worden gecreëerd. Naast de al positieve gevolgen voor lichaam, ziel en geest, zouden ook nog expliciet van de onderste zintuigen de evenwichtszin en de eigenbewegingszin kunnen worden geoefend.
.