Tagarchief: Lebenskunde

VRIJESCHOOL – Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven (voorwoord en inhoud)

.
Zo ongeveer tot 1980 gaf de Zwitserse vrijeschoolbeweging een tijdschrift uit ‘Die Menschenschule’- [school voor de mens/mensenschool].
Soms werd er met verschillende artikelen bij elkaar een speciale uitgave gemaakt.

Een daarvan is ‘Lebenskunde muss aller Unterricht geben‘. [1971]

De titel daarvan is ontleend aan een uitspraak van Rudolf Steiner uit 1919, gedaan in voordracht 4 van GA 192:  ‘Geesteswetenschappelijke behandeling van sociale en pedagogische vraagstukken’ [op deze blog vertaald.]

‘Lebenskunde’ is niet zo’n makkelijk te vertalen woord. 
‘Kennis’ van het leven lijkt mij – kijkend naar de context – te passief, teveel ‘hoofd’. Veel meer gaat het in de richting van ‘je thuis voelen in het leven omdat je er veel aspecten van kent, je als leerling je in veel aspecten hebt kunnen inleven; hebt kunnen doen.
.

Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven
.

Voorwoord
.

H.R.Niederhäuser

Met deze woorden beschreef Rudolf Steiner in het voorjaar van 1919 de taak van een moderne school, nog voordat de Waldorfschool bestond. Lesgeven als ‘weet hebben van het leven’ is een leidmotief geworden van de Waldorfschool.

De manier waarop de levensvaardigheden worden gerealiseerd in de Waldorfschoolbeweging toont de grootste diversiteit. Elke school neemt het motief op en ontwerpt het anders dan naar gelang van de lokale omstandigheden en innerlijke mogelijkheden, maar ook op verschillende momenten weer anders. Alleen in creatieve vrijheid ontstaat leven.

In die zin moeten de volgende essays worden opgevat als stimulerende aanmoedigingen, niet als een leer die overgenomen moet worden, hoe succesvol die ook lijkt.

De lezer zou gemakkelijk kunnen denken dat wat beschreven wordt nu de inhoud van de les in het algemeen is. In werkelijkheid is het echter slechts een deel; wat wordt geschetst is een van de stromen die wordt gevoed door vakmanschap, die het schoolleven doordrenken met het artistieke en die worden opgenomen in de belangrijkste lessen (wiskunde, geschiedenis, aardrijkskunde, natuurgeschiedenis, enz.) 

Lebenskunde in de ware zin van het woord begint voor het eerst rond het negende jaar met een heemkundeles. Daar leren en ervaren de kinderen het werk van de boer: ploegen, zaaien, dorsen, brood en kaas bakken; Ze horen hoe er een huis wordt gebouwd en bouwen zelf een klein muurtje; Ze leren over de berroepen van de mens.

De Lebenskunde krijgt dan rond het twaalfde jaar een sterk accent en dat steeds meer met het begin van de aardse volwassenheid. Daar leren de kinderen de stenen kennen, krijgen ze hun eerste natuurkunde, en iets later maken ze kennis met scheikunde. Dit neemt vervolgens toe van klas tot klas in verband met vakmanschap en technologie. Hierdoor moeten de leerlingen de technische wereld steeds beter leren begrijpen en aan de hand van enkele belangrijke voorbeelden volledig doorgronden.

Maar naast datgene wat uiteindelijk leidt tot begrip van de machines, moet er een even sterk tegenwicht komen: veelzijdige inspanningen om ook het kunstzinnige te begrijpen. Dit begrip van kunst vindt zijn basis in veelzijdige oefeningen vanaf de eerste klas.

Want ook het kunstzinnige is, net als de techniek, door de mens geschapen en als een bijzondere schepping aan de rijken van de natuur toegevoegd. Deze twee rijken in hun mogelijkheden en grenzen leren kennen en ten volle waarderen, ja zeggen leren tegen het rijk van de techniek en dat van de kunst nog voordat de jongere zich aan een specifieke beroepsopleiding wijdt, dat schept soevereiniteit en vrijheid ten opzichte van het leven. 

Johannes Kiersch

Toen de eerste Waldorfschool in de jaren twintig naast de kunstzinnige vakken ook vakgebieden als technologie, tuinbouw, eerste hulp, spinnen, kartonwerk en boekbinden, en stenografie in haar leerplan opnam, deed zij dit met het oog op de overgang naar het beroepsleven, dat van de meeste mensen toen al een hoogontwikkeld begrip van allerlei technische en praktische processen vereiste. Inmiddels zijn de eisen nog verder gestegen. Wie zich vandaag de dag in het beroepsleven en als burger wil redden, heeft overzicht en zowel praktische als theoretische vaardigheden nodig op vele gebieden waar een halve eeuw geleden nog niemand aan dacht.

Daarom hebben veel Waldorfscholen enige tijd geleden besloten om de genoemde vakken nog verder uit te breiden. Men herinnerde zich de bedoeling van Rudolf Steiner om aan de Waldorfschool een ‘bijscholingsschool’ voor jonge arbeiders te koppelen, die naast een grondige algemene vorming een ambachtelijke basisopleiding (houtbewerking, ook met machines) zou moeten bieden, samen met elementaire economie en een inleiding in de boekhouding en het schrijven van zakelijke brieven. Dit plan was in 1920 gestrand op de strenge voorschriften voor het beroepsonderwijs in Württemberg en werd nu opnieuw opgepakt, zij het niet in zijn volle omvang. Verschillende Waldorfscholen ontwikkelden een ‘praktische richting’, die – met behoud van slechts één vreemde taal voor sommige leerlingen – naast de gebruikelijke ambachtelijke en artistieke vakken speciale cursussen of periodes voor timmeren, pottenbakken, smeden, koperbewerking, weven en dergelijke omvatte. De school in Neurenberg richtte een timmer- en een slotenmakerswerkplaats in, die leidt tot het vakdiploma. Het idee van de bijscholingsschool voor arbeiders is op bijzonder uitgebreide wijze gerealiseerd in het kader van de Hibernia-school in Wanne-Eickel.

Een Waldorfschool die niet de specifieke weg van beroepsgerichte opleidingen volgt, moet andere wegen zoeken.

Wat bedoelde Rudolf Steiner toen hij de technologische vakken, zoals stenografie, handelscorrespondentie en boekhouden, in het leerplan opnam? Zeker wilde hij de leerlingen daarmee nuttige vaardigheden voor het beroepsleven meegeven, maar daar ging het niet alleen om. Voor hem ging het erom een eigentijds wereldbegrip te wekken. Wie de Waldorfschool verlaat, moet in staat zijn om de ingewikkelde structuren van de moderne beschaving te doorgronden en ze te begrijpen als een zinvol geheel. Hij mag geen machine hoeven te gebruiken waarvan hij niet op zijn minst in principe weet hoe deze werkt. Hij moet het productieproces van zijn bedrijf leren begrijpen en zich een nauwkeurig beeld kunnen vormen van wat zijn werk te maken heeft met dat van anderen. Hij mag de instellingen van het openbare leven niet met bijgelovige vooringenomenheid benaderen, maar moet zich daarin als vrij mens kunnen redden. Hij moet zich een alomvattend begripsvermogen eigen hebben gemaakt.

Dit was voor sommige Waldorfscholen aanleiding om het leerplan voor de bovenbouw uit te breiden, in die zin dat er stages in de landbouw, op het veld, in de industrie en in sociale beroepen in werden opgenomen. Deze stages worden van het negende tot en met het twaalfde schooljaar per klas gedurende twee tot drie weken georganiseerd.

Van het Novalis College in Eindhoven weet ik o.a. dat dit in de jaren 1990 een bloeiende zgn. praktische stroom had met hout- en metaalbewerken, textiele werkvormen en koken.
Ook werd er de stage ingevoerd vanaf de 9e klas.

Inhoudsopgave van de artikelen in deze uitgave:

Wanneer er geen link onderstaat is het artikel nog niet oproepbaar

H. R. Niederhäuser Johannes Kiersch:
[1] Lebenskunde muß aller Unterricht geben,
Het hele onderwijs moet leiden tot kennis van het leven

Edgar Förster:
Vom Hausbau in der dritten Klasse
Over de huizenbouw in de 3e klas

Martin Zacharias: Wie die Kinder das Holz kennen lernen
Hoe de kinderen hout leren kennen

Kurt Königsmann: Wir wollen arbeiten lernen
Wij willen leren werken

Christine Britsche: Menschenkunde in der Mittelstufe
Menskunde in de middenbouw

Rudolf Steiner: Wie der Technologie-Unterricht wirkt
Hoe technologie-onderwijs werkt

Wolfgang Schad: Zur Gestaltung der Oberstufe
De bovenbouw vormgeven

Johannes Kiersch: Vom Oberstufenplan
Over het leerplan van de bovenbouw

Werner Bode: Landwirtschaftspraktikum der neunten Klasse in Wörme ….
Landbouwprakticum in de 9e klas

Günther Oling: Kunstunterricht in der neunten Klasse
Kunstonderwijs in de 9e klas

Rudolf Steiner: Kunstverständnis begründet Welt- und Menschenverständnis . .
Begrip van de kunst leidt tot begrip van de mens en de wereld

Alexander Strakosch: Der Unterricht im Spinnen am Spinnrad
Les in spinnen aan het spinnewiel

Hellmuth Britsche: Aus dem Epochenunterricht der Allgemeinen Berufskunde . .
Uit het periodeonderwijs algemene beroepen

J. Christen: Feldmessen in der zehnten Klasse
Landmeten in de 10e klas

Werner Spalinger: Vom Feldmessen
Over landmeten

Günter Winkelmann: Eine Betriebserkundung der zehnten KlasseEen bezoek aan een bedrijf in de 10e klas

Aus Berichten von Schülern
Wat leerlingen zeggen

Aufzeichnungen Rudolf Steiners auf einem Notizblatt
Aantekeningen van Rudolf Steiner op een notitieblaadje

Dt. A. II. Bos: Die Waldorf-Pädagogik und das Berufsleben der Erwachsenen . .
De vrijeschoolpedagogie en het beroepsleven van de volwaasene

Siegfried Pütz: Soziales Wirken in der Kunst
Sociale werking in de kunst

.

Rudolf Steiner over pedagogiekalle artikelen op deze blog

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3555-3339

.

.

.

.