VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 192 – voordracht 4

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

Van 21 april t/m 28 september 1919 hield Rudolf Steiner in Stuttgart een aantal voordrachten die opgetekend zijn in GA 192 ‘Geesteswetenschappelijke behandeling van sociale en pedagogogische vraagstukken’ [1]

Op 11 en 18 mei en op 1 juni gaan de voordrachten over pedagogie: het zijn de zgn. ‘Drie voordrachten over volkspedagogie’.

De hele voordrachtenreeks gaat vooral over de idee van de sociale driegeleding.
Nu deze geen ingang vond in het cultuurleven van die tijd, was Steiners enige hoop dat er iets van gered zou kunnen worden door de oprichting van de vrijeschool. 
Na 100 jaar vrijeschool weten we dat ook dat niet gelukt is.
.

GA 192 voordracht 4, 11 mei 1919 [2]

Inhoudsopgave:

blz. 82 e.v.: Voorbeelden van het tekort schieten van de natuurwetenschappelijke wereldoriëntatie m.b.t. de sociale problemen van de huidige tijd.
blz. 83 e.v. N.a.v. twee opstellen van Jakob von Uexküll en Friedrich Niebergall.
blz. 88 Tekort schietende denkactivieit en de tendens terug te keren naar de katholieke kerk.
blz. 88-89: Het verderfelijke van het samengaan van technische cultuur en privaatkapitaal.
blz. 90 e.v.: De noodzakelijkheid van vernieuwing van de volkspedagogie en het onderwijs op basis van de menselijke natuur en de ontwikkelingwetmatigheden daarvan.
blz. 92: De noodzakelijke veranderingen van de onderwijzers- en lerarenexamens
blz. 92 e.v. De ontwikkeling van denken, voelen en geheugen en van de wil in de tweede zevenjaarsfase. [korte opmerkingen over: belang van verbinding tussen vakken: tekenen en aardrijkskunde; taalonderwijs lagere klassen i.v.m. omringende culturen; euritmie]
blz. 95 e.v. Het bekend maken met het moderne leven in de derde zevenjaarsfase.
blz. 96 e.v. Het nutteloze van een studie Latijn of Grieks voor onze tijd en het tekort schieten van vertalingen van Griekse drama’s door Wilamowitz.
blz. 99/100 Dezelfde basisontwikkeling voor de mensen van alle klassen.
blz. 96 [Steiner over zijn manier van economisch lesgeven aan de jongen van wie hij in zijn leven een poos de huisleraar was.]
blz. 102 De betekenis van economisch lesgeven aan de hand van wiskunde.

blz. 81

Die Auseinandersetzungen, die ich heute geben werde, sollen volks pädagogischer Natur sein, und zwar in solcher Art, daß das ihnen Zu­grundeliegende der Zeit, unserer so ernsten Zeit dienen kann. Sie werden ja, wie ich glaube, von selbst gesehen haben, daß dasje­nige, was nur andeutungsweise gegeben werden konnte in meinem Buche «Die Kernpunkte der sozialen Frage in den Lebensnotwendig­keiten der Gegenwart und Zukunft», viele Untergründe, und vor allen Dingen sehr viele nach den Tatsachen der neuen Weltgestaltung hin­gehende Konsequenzen hat. So daß eigentlich von allem, was heute nach dieser Richtung gesprochen werden müßte und vor allen Dingen, wozu Anregungen gegeben werden müßten, immer nur einzelne Leit­linien statt irgend etwas Erschöpfendem zunächst gegeben werden können.
Wenn wir heute auf unsere Zeit sehen – und wir haben das nötig, denn wir müssen diese Zeit verstehen -, so muß uns wirklich immer wieder auffallen, welcher Abgrund vorhanden ist zwischen dem, was man eine Niedergangskultur nennen muß, und dem, was man nennen muß eine ja noch chaotisch arbeitende, aber aufsteigende Kultur.

De uiteenzettingen, die ik vandaag wil geven, zullen over volkspedagogie gaan, en wel zo, dat alles wat er naar inhoud en strekking aan ten grondslag ligt, ons kan helpen in onze zo ernstige tijd. U zal geloof ik zeker al wel gezien hebben, dat in mijn boek ‘De kernpunten van het sociale vraagstuk’ [3] over de diepere grondslagen van wat ik daar behandel, en over de vele consequenties vooral met betrekking tot de feiten van de nieuwere wereldorde, slechts aanduidingen gegeven konden worden. Zodat voorlopig slechts enkele leidende ideeën behandeld kunnen worden bij alles, waarover we in deze richting hier zullen spreken; — vooral bij alles wat als impuls tot handelen gegeven kan worden, i.p.v. iets wat volledig is.
Als we tegenwoordig onze tijd bekijken, — en dit moeten we doen, want we moeten onze tijd begrijpen, — dan moet het ons echt steeds weer opvallen, wat voor een kloof er gaapt tussen alles wat we een ondergaande cultuur moeten noemen en een — weliswaar nog chaotisch werkende — cultuur die aan de toekomst bouwt.

Ich will ausdrücklich darauf aufmerksam machen, daß ich heute nur ein ganz spezielles Kapitel behandeln will, und bitte Sie daher, dieses Kapitel im Zusammenhang mit dem Ganzen zu betrachten, das ich jetzt bei verschiedenen Gelegenheiten vorbringe.
Das, wovon ich ausgehen möchte, ist: Sie aufmerksam darauf zu machen, daß in der Tat deutlich bemerkbar ist, wie eine Kultur, deren Träger die bürgerliche Gesellschaftsordnung war, in raschem Abstieg begriffen ist; wie auf der anderen Seite eine andere Kultur sich in ihrer Morgenröte zeigt, deren Träger heute, wie gesagt noch aus einer viel­fach unbegriffenen Unterlage heraus, eben das Proletariat ist. Will man diese Dinge verstehen – fühlen kann man es ja ohne das, es bleibt aber unklar -, so muß man sie auffassen in ihren Symptomen. Symptome sind immer Einzelheiten, und das ist es, was ich Sie bitte, bei meinen

Ik wil er uitdrukkelijk op wijzen, dat ik vandaag slechts een bepaald onderwerp behandelen wil en vraag u daarom dit samen te nemen met wat ik de afgelopen tijd bij verschillende gelegenheden naar voren heb gebracht. Mijn uitgangspunt is uw aandacht erop te vestigen, dat het inderdaad dui­delijk te merken is, hoe een cultuur, waarvan de burgerlijke maatschappelijke orde de draagster is, snel de onder­gang tegemoet gaat, en hoe aan de andere kant een nieuwere cultuur haar morgenrood toont; — een cultuur, waarvan vooral het proletariaat, — hoewel nog in vele opzichten onbewust van de diepere beweeggronden van zijn streven, — de drager is. Wil men deze dingen begrijpen — voelen kan men het ook, zonder het te begrijpen, maar dan blijft het onduidelijk — dan moet je ze in hun symptomen beschouwen. Symp­tomen zijn echter altijd maar afzonderlijke verschijnselen: ik verzoek u wel dit bij

blz. 82

heutigen Betrachtungen zu berücksichtigen. Ich werde natürlich durch die Sache selbst gezwungen sein, Einzelheiten aus einem Ganzen her­auszureißen, aber ich bemühe mich, diese Symptomatologie so zu ge­stalten, daß sie nicht in agitatorischem oder demagogischem Sinne wirken kann, sondern daß sie wirklich aus der Sachlage heraus ge­staltet ist. Nach dieser Richtung kann man ja heute vielfach miß­verstanden werden, allein diesen Mißverständnissen muß man sich eben aussetzen.
Ich habe Sie im Laufe der Jahre oftmals darauf aufmerksam ge­macht, daß auf dem Boden der Weltanschauung, auf dem hier ge­standen wird, man sein kann in erster Linie ein wirklicher Verfechter und Verteidiger der modernen naturwissenschaftlichen Weltorientie­rung. Wie oft habe ich all dasjenige, was zur Verteidigung dieser naturwissenschaftlichen Weltorientierung gesagt werden kann, an­geführt. Ich habe aber niemals auch versäumt zu sagen, welche un­geheuren Schattenseiten diese naturwissenschaftliche Weltorientierung hat. 

deze beschouwingen in aanmerking te nemen. Ik zal natuurlijk door de aard van de te behandelen stof gedwongen worden, enkele karakteristieke verschijnselen uit één geheel naar voren te halen, maar ik zal proberen deze symptomatologie een dusdanige vorm te geven, dat die niet kan werken in agitatorische of demagogische zin, maar werkelijk vanuit een zakelijke beschouwing van de dingen vorm krijgt. Hierbij kan je weliswaar tegen­woordig dikwijls verkeerd worden begrepen, maar aan die misverstanden moet je je nu eenmaal blootstellen.
Ik heb U in er in de loop der jaren vaak opmerkzaam op gemaakt, dat wij op het fundament van onze wereldbeschouwing staand, in de eerste plaats echte voorvechters en verdedigers van de moderne natuurwetenschappelijke manier van denken kunnen zijn. Hoe dikwijls heb ik niet aangevoerd, wat zo al ter verdediging van deze natuurwetenschappe­lijke beschouwingswijze kan worden gezegd. Ik heb daarbij echter ook nooit verzuimd te zeggen, welke enorme schaduwzijden deze natuurwetenschap heeft.

Noch letzthin habe ich darauf aufmerksam gemacht, daß sich das sogleich zeigt, wenn man eben durch das, was man hier die sympto­matologische Betrachtungsweise nennt, auf einzelne spezielle Fälle hin­weist, also ganz empirisch zu Werke geht. Ich habe Ihnen loben müs­sen aus anderen Zusammenhängen heraus ein ausgezeichnetes Werk der Gegenwart von Oskar Hertwig, dem ausgezeichneten Biologen, «Das Werden der Organismen; eine Widerlegung der Darwinschen Zufallstheorie»; und ich habe, damit keine Mißverständnisse ent­stehen, sogleich aufmerksam machen müssen – nachdem Oskar Hert­wig ein zweites Büchelchen hat erscheinen lassen -, daß dieser Mann hingestellt hat neben ein großartiges naturwissenschaftliches Buch eine Betrachtung über soziale Lebensverhältnisse, die ganz minder­wertig ist. Das ist eine bedeutsame Tatsache der Gegenwart. Das zeigt, auf welchem Grund und Boden, auf welchem als naturwissen­schaftliche Weltorientierung selbst ausgezeichneten Grund und Boden dasjenige nicht entstehen kann, was in erster Linie notwendig ist zum Verständnis der Gegenwart: eine Erkenntnis der sozialen Impulse, die in unserer Zeit vorhanden sind.
Ich will Ihnen heute ein anderes Beispiel vorführen, an dem Sie so

Nog kort geleden heb ik er op gewezen, dat dit meteen duidelijk wordt, wanneer je door een hierboven genoemde symptomatologische beschouwingswijze op enkele kenmerkende gevallen wijst en daarbij geheel empirisch te werk gaat. Ik heb in ander verband een uitmuntend werk uit onze tijd geprezen, n.l. dat van de grote bioloog Oskar Hertwig*, getiteld: „Das Werden der Organismen; eine Widerlegung der Darwinischen Zufallstheorie.” (de wording van de organismen, een weerlegging van de toevalstheorie van Darwin) en ik heb er meteen de aandacht op gevestigd, zodat er geen misverstand ontstaat, dat hij naast dit uitstekende natuurwetenschap­pelijke werk een tweede boekje heeft laten verschijnen, met beschouwingen over sociale levensverhoudingen, die totaal niets waard zijn. Dat is een karakteristiek feit voor onze tijd, het toont ons, op welke grondslag, op welke — voor een natuurwetenschappelijk zich oriënteren in de wereld — zelfs uitmuntende grondslag, datgene niet kan ontstaan, wat in eerste instantie noodzakelijk is voor het begrijpen van het heden: n.l. een kennen van de sociale impul­sen, die in onze tijd voorhanden zijn. Vandaag wil ik u een ander voorbeeld geven, waaraan u duidelijk zal kunnen zien, hoe

*Oscar Hertwig, 1849-1922, «Das Werden der Organismen, eine Widerlegung der Darwinschen Zufallslehre», 1916; «Zur Abwehr des ethischen, des sozialen und des politischen Darwinismus», 1918.

blz.83

recht werden sehen können, wie auf der einen Seite bürgerliche Bil­dung dem Niedergang entgegengeht und sich nur retten wird können auf eine bestimmte Weise; wie auf der anderen Seite etwas Aufsteigen­des vorhanden ist, das man nur hegen und pflegen muß in verständ­nisvoller und richtiger Weise, dann wird es der Ausgangspunkt für die Kultur der Zukunft sein.
So recht als ein symptomatisches, typisches Produkt des nieder-gehenden Bürgertums liegt mir hier ein Buch vor, das unmittelbar nach dem Weltkrieg erscheint, das sich nennt, etwas anspruchsvoll, «Der Leuchter, Weltanschauung und Lebensgestaltung». – Dieser Leuchter ist so recht geeignet, möglichst viel Finsternis ausstrahlen zu lassen mit Bezug auf alles dasjenige, was heute so notwendig ist als soziale Bildung und ihre geistigen Grundlagen. Eine merkwürdige Gesellschaft hat sich zusammengefunden, welche merkwürdige Sachen zum sogenannten Neubau unseres sozialen Organismus in einzelnen Aufsätzen schreibt. Ich kann natürlich nur einzelnes aus diesem etwas umfangreichen Buche anführen.

enerzijds de burgerlijke cultuur de ondergang tegemoet gaat, en zich slechts op een bepaalde manier zal kunnen redden — hoe anderzijds iets aanwezig is, dat in opgang is, dat men echter op verstandige en juiste wijze moet cultiveren. Dan zal het een werkelijk uitgangspunt voor een toekomstcultuur zijn.
Een echt typisch symptomatisch product van de burger­lijke cultuur is het boek, dat onmiddellijk na de wereldoorlog verscheen met als titel „Der Leuchter, Weltanschauung und Lebensgestaltung’.* Deze „Leuchter” [lichtbrenger/drager] leent er zich zo echt toe, om zoveel mogelijk duisternis te verspreiden met betrekking tot alles wat tegenwoordig zo noodzakelijk is voor een werkelijk sociaal leven en zijn diepere geestelijke grondslagen. Een merkwaardig gezelschap heeft zich hier verzameld, dat in verschillende opstellen merkwaardige dingen schrijft voor een z.g. nieuwe opbouw van onze samenleving. Ik kan natuurlijk slechts een en ander uit dit, betrekkelijk omvangrijk boek aanhalen.

*«Der Leuchter, Weltanschauung und Lebensgestaltung»: Darmstadt, 1919. Die zitierte Stelle von Jakob von Uexküll (1864-1944) findet sich in seinem Aufsatz «Der Organismus als Staat und der Staat als Organismus» auf S. 95. — In dem Aufsatz von Friedrich Niebergall (1866-1932) «Der Aufstieg der Seele» heißt es auf S. 282: «So verlockend es ist, in diesem Zusammenhang noch von Johannes Müller und seinem «unmittelbaren persönlichen, ursprünglichen Leben und den neuschöpferischen Lebensvorgängen im Zentrum des Ichs> zu sprechen …, so wollen wir uns doch nach einer anderen, der philosophischen Provinz des geistigen Lebens wenden.» Es folgt ein kurzer Abschnitt
über Rudolf Eucken und auf Seite 283 ein längerer Abschnitt über die «Theosophie, die sich gegenwärtig vor allem an den Namen Rudolf Steiner knüpft.» Die Ausführungen schließen auf Seite 284 mit dem von Rudolf Steiner zitierten Passus.

Da ist zunächst ein Naturforscher, Jakob von Uexküll, wahrhaftig ein guter, typischer Naturforscher, der, und das ist das Bedeutsame, nicht nur Kenntnisse sich angeeignet hat in der Naturwissenschaft – da ist er ein nicht bloß beschlagener, son­dern als Forscher vollkommener Mann der Gegenwart -, sondern der sich auch gezwungen fühlt, wie das ja auch andere tun, die aus natur­wissenschaftlichem Boden herausgewachsen sind, nun seine Folge­rungen für die soziale Weltgestaltung zum besten zu geben. Er hat am sogenannten Zellenstaat, wie man den Organismus oftmals in naturwissenschaftlichen Kreisen nennt, gelernt. Und zwar hat er ge­lernt, seinen Denkorganismus auszubilden, und mit diesem ausgebil­deten Denkorganismus betrachtet er nun das soziale Leben. Ich will Ihnen nur Einzelheiten anführen, aus denen Sie sehen können, wie dieser Mann, und zwar, wie man sagen kann, nicht aus Naturwissen­schaft, sondern aus naturwissenschaftlicher Denkungsweise im Grunde genommen ganz richtig, aber eben lebensgemäß total unsinnig die heutige soziale Gestaltung betrachtet. Er lenkt seinen Blick auf den sozialen Organismus und auf den natürlichen Organismus, und findet, daß die Harmonie in einem natürlichen Organismus zuweilen auch

Daar hebben we om te beginnen de natuurwetenschapper Jakob von Uexküll, werkelijk een goede, een typische natuuronderzoeker, die — en dit is karakteristiek —zich niet alleen natuurweten­schappelijke kennis eigen heeft gemaakt, maar als geleerde een zo omvattende geest heeft als men zich in de tegenwoordige tijd maar kan voorstellen; die zich daarom gedwongen voelt, net als ook anderen doen, die zich gevormd hebben op grond van de natuur­wetenschap, zijn gevolgtrekkingen voor het organisme van de menselijke samenleving ten beste te geven.
Hij heeft voor verschillende verschijnselen een verklaring gezocht door uit te gaan van de beschouwing van de zogenaamde cel, zoals men het organisme dikwijls in natuur­wetenschappelijke kringen noemt. En zo heeft hij geleerd zijn denken te vormen: en met dit denken beschouwt hij nu het sociale leven. Ik wil U slechts een paar dingen tonen, waaraan u kan zien, hoe deze man, je zou kunnen zeggen, niet vanuit de natuurwetenschap, maar met de natuurwetenschappelijke denkwijze — die op zich eigen­lijk geheel juist, voor het werkelijke leven echter totaal on­zinnig kan zijn — de tegenwoordige sociale structuur beschouwt. Hij richt zijn blik op het sociale organisme — en op het natuurlijke organisme dat de natuurwetenschap wil kennen; en hij vindt dan, dat „de harmonie in een natuurlijk orga­nisme soms

blz. 84

durch Krankheitsprozesse gestört werden kann, und sagt nun mit Bezug auf den sozialen Organismus das Folgende: «Jede Harmonie kann durch Krankheit gestört werden. Wir nennen die furchtbarste Krankheit des menschlichen Körpers – . Sein Merkmal ist die schrankenlose Tätigkeit des Protoplasmas, das sich nicht mehr um die Erhaltung der Werkzeuge kümmert, sondern nur noch freie Protoplasmazellen erzeugt. Diese verdrängen das Kör­pergefüge, können aber selbst keine Arbeit leisten, da sie des Gefüges entbehren.
Die gleiche Krankheit kennen wir im menschlichen Gemeinwesen, wenn die Parole des Volkes: Freiheit, Gleichheit und Brüderlichkeit, an die Stelle der Staatsparole: Zwang, Verschiedenheit und Unter­ordnung tritt.»
Nun, da haben Sie einen typischen naturwissenschaftlichen Denker. Er betrachtet es als eine Krebskrankheit am Volkskörper, wenn aus dem Volke heraus die Impulse von Freiheit, Gleichheit und Brüder­lichkeit gesetzt werden. Er will an die Stelle von Freiheit gesetzt haben Zwang, an Stelle der Gleichheit Verschiedenheit, an Stelle der Brüderlichkeit Unterordnung. Das hat er gelernt am Zellenstaat als Betrachtungsweise in sich aufzunehmen, das überträgt er als Konse­quenz auf den sozialen Organismus.

ook door ziekteprocessen kan worden gestoord.’ Hij zegt dan verder met betrekking tot het sociale organisme het volgende: ‘Iedere harmonie kan door ziekte gestoord worden. Wij noemen de vreselijkste ziekte van het menselijke lichaam, kanker. Het kenmerkende van deze ziekte is een mateloze activiteit van het protoplasma, dat zich niet meer om de instandhouding van het organische bekommert, maar enkel nog vrije protoplasmacellen voortbrengt. Deze verdringen de organische samenstelling van het lichaam; kunnen echter zelf geen arbeid verrichten, aangezien bij hen alle structuur ontbreekt. Dezelfde ziekte kennen we in het sociale leven van de mensen, wanneer het parool van het volk: vrijheid, gelijkheid en broederschap in de plaats treedt van de staatsleuzen: dwang, verscheidenheid, en onderwerping aan gezag.’
Daar heb je nu een typisch natuurwetenschappelijk denker. Hij beschouwt het als een kankerziekte in het sociale organisme, als vanuit het volk de impulsen van vrijheid, gelijkheid en broederschap opleven. Hij wil in de plaats van vrijheid dwang hebben, in plaats van gelijkheid de verscheidenheid, in plaats van broederlijkheid de onderwerping aan het gezag. Dit alles heeft hij als beschouwingswijze in zich opgenomen bij het bestuderen van de cel; dit past hij consequent op het sociale organisme toe.

Auch im übrigen sind seine Aus­einandersetzungen nicht gerade unerheblich, wenn man sie richtig symptomatologisch betrachtet. Er kommt dazu, im sozialen Organis­mus auch etwas zu finden, was im natürlichen Organismus dem Blut­kreislauf entspricht, und zwar nicht so, wie ich es jetzt in verschie­denen Vorträgen dargestellt habe, sondern so, wie es sich eben ihm darstellt. Er kommt dazu, als dieses mit Recht im sozialen Organismus zirkulierende Blut das Gold anzusehen, und er sagt: «Das Gold besitzt aber auch die Fähigkeit, unabhängig vom Warenstrom zu kreisen, und gelangt dann in die großen Banken als Zentralsammelstellen (Gold-herz).» – Also der Naturforscher kommt dazu, etwas für das Herz zu suchen im sozialen Organismus, und findet dafür die großen Banken als Zentralsammelstellen, «die einen überwiegenden Einfluß auf den gesamten Gold- und Warenstrom ausüben können».
Nun bemerke ich Ihnen ausdrücklich, daß ich nicht irgend etwas

Overigens zijn zijn uiteenzettingen niet onbelangrijk als je ze symptomatisch beschouwt. Zo vindt hij in het sociale organisme ook iets wat overeenkomt met de omloop van het bloed in het natuurlijk organisme; evenwel niet zoals ik dit in verschillende voordrachten uiteenzette [1] -voordracht 2, maar op een hem passende manier. Hij komt erop helemaal juist naar het goud te kijken als het stromende bloed in het sociale organisme en hij zegt: ‘het goud bezit echter ook het vermogen om onafhankelijk van de warenstroom te circuleren, en bereikt dan in de grote banken zijn centrale verzamelplaatsen (Goldherz).[hart van het goud]
We zien dus dat deze natuurwetenschapper ertoe komt iets als het hart te zoeken in het sociale organisme en hij vindt daarvoor de grote banken als verzamelplaatsen ‘die een overwegende invloed op het geheel van de waren- en goudcirculatie kunnen uitoefenen.’
Ik merk hier uitdrukkelijk op, dat ik niet iets belachelijk wil maken,

blz. 85

lächerlich machen möchte, sondern daß ich Ihnen nur vor Augen führen möchte, wie ein Mensch, der von dieser Grundlage aus den Mut auch hat zu denken bis zu den Konsequenzen, eigentlich denken muß. Wenn viele Menschen sich heute hinwegtäuschen darüber, daß wir es im Laufe der letzten drei bis vier Jahrhunderte zu einer Ent­wickelung gebracht haben, die ganz begreiflich macht solches Denken, so liegt eben die Tatsache vor, daß diese Leute mit den Seelen schlafen, daß sie sich Betäubungsmitteln, Kulturbetäubungsmitteln hingeben, die ihnen nicht gestatten, mit wacher Seele auf das hinzuschauen, was eigentlich in der sogenannten bürgerlichen Bildung drinnen steckt. Sehen Sie, da habe ich Ihnen in einem Symptom hingeleuchtet auf die­sen «Leuchter», hingeleuchtet auf die Grundlage der gegenwärtigen Bildung, insofern diese aus naturwissenschaftlicher Denkweise heraus das soziale Leben begreift. – Ich will Ihnen auch an einem anderen Beispiel zeigen, wie dasjenige wirkt, was auf geistigem Gebiet einem entgegentritt.
Zu denjenigen Menschen, die hier in der Gesellschaft vereinigt sind, gehört auch ein auf mehr geistigem Boden Stehender, Friedrich Nieber­gall. Nun, dieser Friedrich Niebergall, der darf schon aus dem Grunde angeführt werden, weil er gewissen Dingen, die uns wertvoll sind, so­gar recht wohlwollend gegenübersteht. Aber ich möchte sagen, das ist es eben, wie man wohlwollend gewissen Dingen von solcher Seite gegenübersteht. 

maar dat ik U enkel zakelijk voor ogen wil stellen, hoe iemand, die werkelijk de moed heeft, om vanuit zijn natuurwetenschappelijke manier van beschouwen consequent verder te denken, eigenlijk denken moet. Als veel mensen tegenwoordig zo graag makkelijk aan het feit voorbijgaan, dat we het in de loop van de laatste drie à vier eeuwen tot een ontwikkeling hebben gebracht, die ons zo’n manier van denken heel vanzelfsprekend doet vinden, dan blijkt hier­uit enkel, dat deze mensen wat hun zielenleven betreft, inslapen, dat ze zich overgeven aan een zekere verdoving, met allerlei middelen, die onze cultuur biedt, die hen belet om met wakkere ziel duidelijk te doorzien wat eigenlijk achter de z.g. burgerlijke cultuur zit. Nu heb ik u dus op een symptoom gewezen, op deze ‘lichtbrengers’, ik heb ge­probeerd de grondslagen van de tegenwoordige cultuur te belichten in zoverre deze vanuit een natuurwetenschappelijke manier van denken het sociale leven willen begrijpen. Ik wil u ook aan een ander voorbeeld laten zien, hoe datgene werkt wat u op meer geestelijk gebied in onze ondergaande cultuur tegenkomt.
Tot hen, die op een meer geestelijk fundament staan, be­hoort o.a Friedrich Niebergall. Nu, deze Friedrich Niebergall kunnen we alleen daarom al aanhalen, omdat hij zelfs zeer welwillend staat, tegenover bepaalde zaken, die voor ons waardevol zijn. Maar ik zou willen zeggen, ja, dat is het nu juist, hoe men van die kant welwillend t.o.v. alles staat.

Sieht man auf das Wie, so schätzt man dieses Wohl­wollen, natürlich wenn man nicht egoistisch ist, sondern auf die großen sozialen Impulse sieht, nicht sehr hoch ein; und es würde gut sein, wenn man sich über solche Dinge keiner Täuschung hingäbe. Wir wissen doch – wenigstens einige könnten es wissen: Das, was hier als sogenannte Geisteswissenschaft gepflegt wird, als anthroposophisch orientierte Geisteswissenschaft, das ist bei uns seit lange schon so ge­dacht, daß es sein soll die wirklich geistige Grundlage desjenigen, was heute im Aufstiege ist. Da stoßen allerdings gewöhnlich die äußersten Extreme aneinander. Und ich habe es immer wieder erfahren müssen, wie diejenigen, die teilnehmen an unseren geisteswissenschaftlichen Bestrebungen, abschwenken nach anderen Dingen hinüber, die sie «ganz verwandt» fühlen, die aber dadurch von diesen geisteswissenschaftlichen

Kijk je naar dit ‘hoe’, dan schat je deze welwillendheid, als je niet egoïstisch gezind bent, maar let op de grote sociale impulsen, niet zo hoog in; en het zou goed zijn, dat je je bij deze dingen niet voor de gek laat houden. We weten immers, tenminste een paar van u weten het, dat alles wat zich hier als z.g. geesteswetenschap, als antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap ontwikkeld heeft, dat wij daar al lang van vinden, dat het de werke­lijke geestelijke grondslag zal moeten zijn voor wat tegenwoordig als het echt nieuwe opgang vindt.
Dan botsen zoals gewoonlijk de uitersten. Ik heb het meer­dere keren moeten beleven, dat de mensen die meedoen met ons geesteswetenschappelijk streven, naar allerlei andere richtingen af­dwalen, waarvan zij zeggen dat zij het gevoel hebben dat die ‘heel erg op de onze lijken’, die dan echter daardoor

blz. 86

Bestrebungen verschieden sind, daß sie die ärgsten bür­gerlichen Niedergangserscheinungen sind, während die Geisteswissen­schaft von jeher in dem schärfsten Kampfe mit diesem bürgerlichen Niedergangsstandpunkte war. Und so finden wir denn auch ziemlich kunterbunt durcheinander gemischt von einem, der eben diese beiden Strömungen nicht sehen kann, wie zum Beispiel Niebergall, eine Er­scheinung, die geradezu eben sich erweist als ein charakteristischer Ausfluß unserer Dekadenzkultur, Johannes Müller; und gleich auf der anderen Seite – Sie wissen, daß ich solche Dinge nicht aus irgendeiner albernen Einbildung heraus sage – finden Sie dann meinen Namen ver­zeichnet. Da wird sogar über das, was ich versuche zu leisten, allerlei Niedliches gesagt, recht viel Niedliches. Aber nun werden Sie wissen, daß mein ganzes Bestreben immer dahin geht, für alles das, was vor­gebracht wurde innerhalb dieser sogenannten Geisteswissenschaft, zu-letzt den gesunden Menschenverstand in Anspruch zu nehmen und alle nebulose Mystik, alles sogenannte mystisch-theosophische Zeug, gerade in der schärfsten Weise zu bekämpfen. Das konnte nur ge­schehen dadurch, daß hinaufgetragen wurde in die höchsten Gebiete des Erkennens klare Einsicht, deutliche Ideen, die man gerade dann anstreben wird, wenn man an der Naturwissenschaft nicht die heutige naturwissenschaftliche Orientierung, sondern wahres Denken gelernt hat.

in werkelijkheid heel verschillend zijn van dit geesteswetenschappelijk streven, dat ze de ergste burgerlijke decadentieverschijnselen vertegenwoor­digen, waartegen de geesteswetenschap zich steeds scherp afgezet heeft. En zo vinden we bij iemand als b.v. Niebergall dan ook heel verschillende dingen nogal kris kras door elkaar, omdat hij deze beide stromingen niet scherp onderscheidt. We vinden door hem enerzijds een persoon­lijkheid als J. Müller behandeld, die zich duidelijk als een karakteristieke representant van onze moderne cultuur toont, en kort daarop op de volgende bladzijde — u weet, dat ik zulke dingen niet uit mijn duim zuig — vindt u dan mijn naam genoemd. Daar wordt zelfs over alles, wat ik probeer te bereiken, allerlei moois gezegd; maar u weet wel, dat heel mijn streven er steeds op gericht is, om bij alles wat gezegd en gedaan werd in deze z.g. geesteswetenschappelijke stroming, uiteindelijk het gezonde mensenverstand te gebruiken om al het vage mysticisme, al het z.g. mystiek theosofisch gedoe, steeds op de scherpste manier te bestrijden. Dat kon slechts gebeuren, doordat in de hoogste regionen van het kennen, heldere bezinning, duidelijke ideeën ingevoerd werden, wat weer mogelijk was, doordat men bij de beoefening van de natuurweten­schap, — niet de tegenwoordige natuurwetenschappelijke denkgewoonten, — helder en waar heeft leren denken.

Nachdem so der betreffende Herr auseinandergesetzt hat, wie schön manches in der Anthroposophie ist, fügt er dann hinzu: «Um diese praktische Grundwahrheit rankt sich dann noch ein krauses Gewirr von angeblichen Erkenntnissen aus dem Leben der Seele, der Mensch­heit und des Kosmos, wie es einst in den umfassenden Systemen der Gnosis der Fall war, die einer ähnlich nach Tiefe und Seelenruhe suchenden Zeit geheimnisvolle Weisheit aus dem Osten anboten.» Man kann natürlich nichts Unzutreffenderes sagen als dieses. Denn daß der Verfasser dieses als krauses Zeug bezeichnet, als krauses Ge­wirr, das beruht ja lediglich darauf, daß er nicht den Willen hat, auf die mathematische Methode dieser Geisteswissenschaft einzugehen. Den haben meistens diejenigen nicht, die nur aus der niedergehenden Erkenntnisart sich irgendwelche Vorstellungen gewinnen wollen. Und

Nadat nu genoemde heer uiteengezet heeft, hoeveel moois er in de antroposofie is, voegt hij daaraan het volgende toe: ‘Rondom deze praktische grondwaarheid weeft zich nog een grillige wirwar van z.g. kennis omtrent het leven van de ziel van mensheid en kosmos, zoals eens in de grote systemen van de Gnosis het geval was; deze boden een eveneens naar diepte en zielenrust zoekenden tijd, een geheimzinnige wijsheid van het Oosten aan.*
Men kan natuurlijk niets zeggen wat minder juist is dan dit. Want dat de schrijver dit alles als een grillige wirwar van z.g. kennis karakteriseert, vindt enkel daarin zijn oor­zaak, dat hij niet de wil heeft om in te gaan op de mathematische methode van deze geesteswetenschap. Deze wil hebben meestal degenen niet, die slechts uit de afgeleefde denkwijze van onze ondergaande cultuur zich een voorstel­ling omtrent iets willen vormen. En

*«Um diese praktische Grundwahrheit…»: aantekening bij blz`. 83, laatste zin

blz. 87

so erscheint ihm dasjenige, was gerade an der Disziplinierung des inneren Erlebens durch die Mathematik gewonnen ist, als krauses Ge­wirr. Aber dieses krause Gewirr, das es zu einer solchen mathema­tischen Klarheit bringt, ja vielleicht sogar mathematischen Nüchtern­heit bringt, das ist es, was wesentlich ist, was vor jeder schwafelnden Mystik, vor jeder nebulosen Theosophle dasjenige bewahrt, was hier getrieben werden soll. Und ohne dieses sogenannte krause Gewirr läßt sich überhaupt nicht eine wirkliche Grundlegung für das zu­künftige Geistesleben gewinnen. Gewiß, man hatte zu kämpfrn – in­dem ja bis zur Gegenwart nur im engsten Kreise durch unsere sozialen Verhältnisse diese Geisteswissenschaft getrieben werden konnte -, man hatte zu kämpfen mit dem, was sehr oft dadurch erscheint, daß zumeist diejenigen Menschen, die jetzt Zeit haben, nichts anderes als Zeit haben zu diesen geisteswissenschaftlichen Dingen, eben noch die alten, niedergehenden Denkgewohnheiten und Empfindungsgewohn­heiten haben. Und man hat daher so furchtbar zu kämpfen mit dem in diesen Kreisen so leicht sich breitmachenden Sektierertum, das natür­lich in Wahrheit das Gegenteil desjenigen ist, was eigentlich gepflegt werden soll, und mit allerlei persönlichem Gezänk, das dann selbst­verständlich als solches zu jenen Verleumdungssystemen führt, die ja gerade auf dem Boden dieser geisteswissenschaftlichen Bewegung so üppig ins Kraut geschossen sind.

zo schijnt voor hem alles een grillige wirwar te zijn van wat door scholing en training van het innerlijke leven door wiskundige zuiverheid wordt gewonnen. Maar deze z.g. grillige wirwar van kennis, die het tot zo’n mathematische helderheid, ja wellicht mathematische nuch­terheid brengt, die is juist iets wezenlijks in de geestes­wetenschap — iets, dat alles, waarnaar wij streven, voor elke vage mystiek en theosofie behoedt. En zonder deze z.g. grillige wirwar kan je geen geestelijke basis voor een toekomstig geestesleven verwerven.
Zeker, we hadden in onze beweging nog heel veel te bestrijden door het feit, dat tot aan de tegenwoordige tijd slechts in beperkte kring, ten gevolge van onze sociale verhoudingen, deze geesteswetenschap beoefend kon worden; en dat meestal aan die mensen, die tegenwoordig de tijd hebben, — vaak nergens anders tijd voor hebben dan voor deze geesteswetenschap — nog de oude decadente gewoonte van denken en voelen eigen is. En daarom moesten we ons fel verzetten tegen het in deze kringen voortwoekerende sektarisme, dat natuurlijk in waarheid juist het tegengestelde is van alles wat eigenlijk ontwikkeld moet worden en tegen allerlei persoonlijke geruzie moesten we ons fel verweren; wat dan vanzelfsprekend als zodanig tot al die leugens leidt die op de bodem van deze geesteswetenschappelijke beweging zo weelderig gedijen.

Nun, wer aus solchen Symptomen heraus dasjenige betrachtet, was heute Geistesleben ist, der wird leicht dahin kommen können, sich zu sagen: Neuschöpfungen sind insbesondere auf dem Gebiet des geistigen Strebens gerade notwendig. Sehen Sie, der Ruf nach sozialer Lebensgestaltung ertönt in einer Zeit, in der eigentlich die Menschen im umfassendsten Sinne ausgestattet sind mit antisozialen Trieben und antisozialen Instinkten. Diese antisozialen Triebe und antisozialen Instinkte, sie zeigen sich ja ganz besonders auch im privaten Umgang der Menschen. Sie zeigen sich in dem, was Menschen den Menschen heute entgegenbringen, beziehungsweise nicht entgegenbringen. Sie zeigen sich darin, daß es ein Hauptcharakteristikon ist, daß die Men­schen aneinander vorbeidenken, aneinander vorbeireden und schließ­lich auch aneinander vorbeigehen. Eine instinktive Fähigkeit, wirklich

Nu, wie vanuit al de genoemde symptomen kijkt, hoe het tegenwoordig met ons geestesleven staat, die zal er gemakkelijk toe kunnen komen om tot zichzelf te zeggen: nieuwe scheppingen zijn vooral op het gebied van het geestesstreven noodzakelijk. De roep om sociale levens­vormen klinkt in een tijd, waarin de mens eigenlijk op alle gebieden is behept met antisociaal willen, met anti­sociale instincten, wat je heel erg ziet aan hoe de mensen onderling met elkaar omgaan. Je ziet het aan alles wat de mensen voor elkaar in het leven zijn of niet. Je ziet het aan wat bij uitstek karakteristiek is voor onze tijd, n.l. het feit, dat de mensen langs elkaar heen denken en spreken, en tenslotte ook langs elkaar heen lopen in het leven. Een instinctief vermogen om de mensen,

blz. 88

den Menschen, der einem entgegentritt, verstehen zu wollen, ist in unserer Zeit etwas außerordentlich Seltenes. Und nur eine Begleit­erscheinung dieses seltenen sozialen Instinktes ist dann das andere: die Möglichkeit für den Menschen der Gegenwart, von irgend etwas, worin er nicht durch soziale Lage, durch Erziehung, durch die Geburt eingeschraubt ist, von irgend etwas überzeugt zu werden. Es können ja heute die schönsten Gedanken von Menschen ausgehen, es bestehen die größten Schwierigkeiten, daß die Menschen sich durch irgend etwas anregen lassen. Die Menschen denken heute an dem Allerbesten vorbei. Das ist ein Grundcharakteristikon unserer Zeit. Und als eine tatsächliche Folge davon – Sie wissen, ich habe neulich von der Tat­sachenlogik, die ein Wichtigstes für die Gegenwart ist im Gegensatz zur bloßen Gedankenlogik, gesprochen – ist heute in den Menschen eine Sehnsucht vorhanden, nicht innerlich aktiv die Dinge durch-zuarbeiten, sondern sich Autoritäten und Empfindungsinstanzen hin­zugeben. Die Menschen, die heute so viel von Autoritätsfreiheit reden, sind eigentlich im Grunde die autoritätsgläubigsten, sind Menschen, die sich intensiv nach Autorität sehnen. 

die men ontmoet, werkelijk te begrijpen, is in onze tijd iets buitengewoon zeldzaams. En slechts een parallel verschijnsel van de heersende sociale gevoelens is dan dit: de geringe mogelijkheid van de huidige mens om van iets, waarin hij niet als ingeklemd zit door de sociale verhoudingen waarin hij leeft door opvoeding en geboorte, — overtuigd te worden. De beste en mooiste ideeën kunnen heden ten dage verkondigd worden; de grootste moei­lijkheid die zich echter voordoet, is om door dit alles tot een over­tuiging, tot een impuls te worden aangespoord. De mensen gaan tegenwoordig in hun denken aan het allerbeste voorbij, zonder dat ze het in de gaten hebben. Dit is iets zeer kenmerkends voor onze tijd. En als een feitelijk gevolg daarvan — u weet, ik heb kort geleden gesproken van een logica van de feiten, die van zoveel belang is voor onze tegenwoordige tijd, in tegenstelling tot een logica, die zich enkel beweegt op het terrein van de abstracte gedachten, – als een feitelijk gevolg daarvan ontstaat tegenwoordig in de mensen een verlangen, om niet innerlijk actief zijn overtuiging te veroveren, maar zich aan autoriteiten, of aan gevoelsgewoonten over te geven. Mensen, die tegenwoordig zoveel praten over vrij zijn van elke autoriteit, zijn eigenlijk in de grond vaak het meest autoriteitsgevoelig, verlangen instinctief naar autoriteit.

Und so sehen wir heute – es wird nur nicht beobachtet, weil so viele Leute seelisch schlafen – einen bedenklichen Zug unter denen, die in der Niedergangskultur drinnenstehen und keinen Ausweg aus dieser Niedergangskultur finden: den Zug, in den Schoß der alten katholischen Kirche zurückzugehen. Würde man heute wissen, was alles untergründig in diesem Zug, in den Schoß der katholischen Kirche zurückzugehen, liegt, man würde sehr erstaunt sein. Würde aber dieser Zug weitere Verbreitung finden, dann würden wir es gerade unter den heutigen Verhältnissen in gar nicht zu ferner Zeit mit einem gewaltigen Übergang großer Menschen­massen in den Schoß der katholischen Kirche zu tun haben. Derjenige, der ein wenig die Eigenheiten unserer heutigen Kultur zu beobachten imstande ist, der weiß, daß solches uns droht.
Woher sind alle diese Dinge gekommen? Da muß ich Sie aufmerk­sam machen auf eine Grunderscheinung unseres gegenwärtigen sozia­len Lebens. Da ist eine besondere Eigentümlichkeit desjenigen, was ja sich verbreitet hat in den letzten Jahrhunderten und immer größere und größere Dimensionen angenommen hat, sich auch immer noch

En zo zien we tegenwoordig – het wordt alleen niet opgemerkt, omdat zoveel mensen in hun zielenleven slapen — een bedenkelijke neiging onder hen, die in de ondergaande cultuur staan en geen uitweg uit die ondergang vinden, om in de schoot van de katholieke kerk terug te keren. Als je tegenwoordig zou weten, wat er allemaal achter deze neiging steekt, dan zou je zeer verwonderd zijn. Indien deze neiging echter verdere verbreiding mocht vinden, dan zouden we in de huidige omstandigheden binnen heus niet al te lange tijd een geweldige terugkeer van grote groepen mensen tot de katholieke kerk beleven. Wie een beetje in staat is de eigenaardigheden van onze tegenwoordige cultuur te beschouwen, weet, dat zoiets dreigt.
Waardoor komt dat allemaal? Ik moet u op een basisverschijnsel van ons sociale leven wijzen. We hebben als een bijzondere eigenaardigheid van alles wat zich  in de laatste eeuwen verbreid heeft en wat steeds grotere proporties heeft aangenomen en zich nog steeds

blz. 89

weiter verbreiten wird in denjenigen Ländern, die als zivilisierte Län­der zurückbleiben werden aus dem heutigen Chaos heraus: das ist die technische Kulturnuance, die besondere technische Nuance, die in der neueren Zeit die Kultur angenommen hat. Nun würde ich über dieses Kapitel besonders lange zu sprechen haben, werde es auch einmal tun, indem ich auf alle Einzelheiten weisen werde von dem, was ich jetzt nur wie einen Nebensatz anführen kann. Diese technische Kultur hat nämlich eine ganz bestimmte Eigenschaft: sie ist ihrem Wesen nach durch und durch altruistische Kultur. Das heißt: Technik kann sich nur ausbreiten in einer für die Menschheit günstigen Weise, wenn die Menschen, die innerhalb der Technik tätig sind, Altruismus, das Ge­genteil von Egoismus entwickeln. Die technische Kultur macht immer mehr und mehr notwendig – jeder Neuaufschwung der technischen Kultur zeigt es dem, der solche Dinge betrachten kann -, daß nur egoismusfrei innerhalb der technischen Bewirtschaftung gearbeitet werden kann. Dem entgegen hat sich entwickelt zugleich dasjenige, was aus dem Kapitalismus heraus entstanden ist, der nicht notwendig mit der technischen Kultur verknüpft sein muß, oder verknüpft blei­ben muß wenigstens. 

verder zal verbreiden in die landen die vanuit de huidige chaos als beschaafde landen zullen overblijven: de technische kleur van onze cultuur, de bijzondere technische kleur, die de cultuur in de nieuwere tijd  heeft aan­genomen. Nu zou ik over dit alles bijzonder lang moeten spreken, zal dit ook nog weleens doen, en ik zal dan op alle bijzon­derheden wijzen die ik nu slechts als iets bijkom­stigs kan aanvoeren. De technische cultuur heeft n.l. een zeer bepaalde eigenschap: ze is in wezen een door en door altruïstische cultuur. D. w. z. techniek kan zich slechts uit­breiden op een voor de mensheid gunstige manier, als de mensen, die in de techniek werkzaam zijn, altruïsme, het tegendeel van egoïsme ontwikkelen. De technische cultuur maakt het steeds meer noodzakelijk — iedere nieuwe opleving van de technische cultuur, toont het hem die voor zulke dingen een open blik heeft, – dat vrij van egoïsme in het technisch- economische kan worden gewerkt. Daartegenover heeft zich tegelijk datgene ontwikkeld, wat uit het kapitalisme is ontstaan, wat echter niet noodzakelijk met de technische cultuur verbon­den hoeft te zijn, dan wel te blijven.

Der Kapitalismus, wenn er Privatkapitallsmus ist, kann gar nicht anders als egoistisch wirken, denn sein Wesen be­steht aus egoistischem Wirken. So begegnen sich in der neueren Zeit zwei Strömungen, die in diametralem Gegensatz zueinander stehen: die moderne Technik, die egoismusfreie Menschen fordert, und der aus den alten Zeiten heraufgekommene Privatkapitalismus, der nur unter Geltendmachung der egoistischen Triebe gedeihen kann. Das, sehen Sie, hat uns hineingetrieben in die Lage der Gegenwart, und herausbringen wird uns nur ein Geistesleben, das den Mut hat, mit allem möglichen Alten zu brechen.
Es gibt ja heute viele Menschen, die denken nach: Wie muß die künftige Volksbildung, die Volksschulbildung sein, wie muß die wei­tere Berufsbildung der Menschen sein und so weiter? Diesen Menschen gegenüber ist vor allen Dingen die Frage aufzuwerfen, namentlich wenn wir das Kapitel Volksbildung betrachten: Nun gut, wenn ihr den besten Willen habt, das ganze Volk für eine Volksbildung heran­zuziehen, könnt ihr es denn, wenn ihr innerhalb der heutigen Bildungs- und Geistesverhältnisse

Het kapitalisme, als het privékapitalisme is, kan onmogelijk anders, dan egoïstisch werken, want naar zijn wezen is het egoïstisch handelen. Twee stromingen, die lijnrecht tegenover elkaar staan, ontmoeten elkaar dus in de tegenwoordige tijd: de moderne techniek, die mensen vraagt, die vrij van egoïsme zijn, — en het uit vroegere tijden afkomstige privékapitalisme, dat slechts gedijen kan, als het oog heeft voor egoïstische drijfveren. Dit alles nu heeft ons tot de huidige toestand gedreven, en we kunnen ons daaruit slechts weer bevrijden door een geestesleven, dat de moed heeft, om met alle mogelijke verouderde dingen te breken.
Nu zijn er tegenwoordig veel mensen die erover na­denken, hoe de toekomstige volksopvoeding moet zijn, hoe de verdere opleiding voor een beroep moet zijn enz. Aan deze mensen is bovenal de vraag te stellen, vooral als we de volksopvoeding beschouwen: nu goed, als je de beste wil hebt, het hele volk tot cultuurleven op te voeden, kun je dit dan eigenlijk wel, als je binnen de grenzen van de tegenwoordige verhoudingen in opvoedings- en geestes­leven

blz. 90

stehenbleibt? Habt ihr das Material dazu? Was könnt ihr denn eigentlich nur? Ihr könnt aus euren Grundsätzen heraus, die vielleicht gut soziallstische sind, für die breitesten Massen Schulen gründen, Volkshochschulen begründen. Ihr könnt alles das einrichten, was ihr eben aus dem guten Willen heraus einrichtet. Aber habt ihr das Material dazu, um dasjenige, was ihr in gutem Willen ver­breiten wollt, wirklich zum Volksgut zu machen? Ihr sagt uns: Wir gründen Büchereien, Theater- und Musikaufführungen, Ausstellun­gen, Vortragsreihen, Volkshochschulen. Man muß sich aber fragen: Welche Bücher stellt ihr denn in eure Büchereien hinein? Was für eine Wissenschaft vertreibt ihr in euren Vortragsreihen? Diejenigen Bücher stellt ihr in eure Büchereien hinein, die aus der niedergehenden bürger­lichen Bildung heraus geschrieben sind. Von denjenigen Leuten laßt ihr die Wissenschaft vertreiben in Volkshochschulen, die aus der bür­gerlichen Bildung hervorgegangen sind. Ihr reformiert formell das Bildungswesen, aber ihr schüttet hinein in eure neuen Formen das­jenige, was ihr als Altes übernehmt. 

blijft stilstaan ? Hebt je voor dit alles de instrumenten ? Wat kun je dus maar? Je kan vanuit je prin­cipes, die wellicht goede socialistische principes zijn, voor de brede massa scholen en volkshogescholen stichten. Je kan dat alles met de beste bedoelingen, met veel ijver en goede wil doen ! Maar heb je er het ‘materiaal’ wel voor, om iets werkelijk nieuws tot stand te brengen, iets, wat in de cultuur van het hele volk zal kunnen leven? Je zegt ons: we stichten bibliotheken en schouwburgen, arrangeren muziekuitvoeringen, tentoonstellingen, voordrach­ten en een volkshogeschoolwezen. Je moet je echter wel afvragen: welke boeken zet je dan in je bibliotheken? Wat voor wetenschap deel je in je voordrachten? Je zet die boeken in je bibliotheken, die ontstaan zijn uit de ondergaande burgerlijke cultuur. Je laat door die mensen de wetenschap in de volkshogescholen brengen die uit de burgerlijke cultuur zijn voortgekomen. Formeel vernieuw je het opvoedingswezen, maar je giet je nieuwe vormen in een inhoud, die je uit het oude overneemt.

Zum Beispiel ihr sagt: Wir haben uns längst bestrebt, die Volksbildung demokratisch zu gestalten. Die Staaten haben sich bisher eher ablehnend dagegen verhalten, denn sie wollten gute Staatsdiener in den Menschen erziehen. – Ja, ihr lehnt es ab, gute Staatsdiener zu erziehen, aber ihr laßt von diesen Staats­dienern das Volk erziehen, denn ihr habt ja nichts anderes bis jetzt, worauf ihr das Augenmerk richtet, als diese Staatsdiener, deren Bücher ihr in eure Büchereien hineinstellt, deren wissenschaftliche Denkungs­weise ihr in Vortragsreihen an den Mann bringen laßt, deren ganze Denkgewohnheiten durchfluten eure Hochschulen. – Sie sehen daraus:
die Sache muß viel, viel tiefer angefaßt werden in dieser ernsten Zeit, viel tiefer, als sie heute von der einen oder anderen Seite angefaßt wird.
Wir wollen auf Einzelheiten einmal, um einiges zur Deutlichkeit zu bringen, hinsehen. Wir wollen beginnen bei dem, was wir zunächst die Volksschule nennen. Ich rechne zur Volksschule gehörig alles, was dem Menschen beigebracht werden kann, wenn er entwachsen ist der bloßen Familienerziehung, und wenn zu dieser Familienerziehung die Schule als Erziehungs- und Unterrichtsanstalt dazutreten muß. Für

Je zegt b.v.: we streven er al lang naar om de volksopvoeding een democratische gestalte te geven; tot nu toe hebben de regeringen daartegenover een afwijzende houding aange­nomen, want ze wilden de mensen tot goede staatsburgers maken. Je wijst een opvoeding tot goede staatsburgers af, maar je laat wel het volk opvoeden door deze staatsburgers, want je hebt tot nu toe niets anders waarop je het oog kunt richten dan deze staatsdienaren, van wie je de boeken in je biblio­theken zet, van wie je de wetenschappelijke manier van denken in reeksen van voordrachten aan de man laat brengen, van wie heel de gewoonte van denken in je hogescholen doordringt. Je ziet aan dit alles, dat de zaak veel, veel dieper moet wor­den aangepakt in deze ernstige tijden, veel dieper dan ze tegenwoordig van deze of gene zijde worden aangepakt.
We willen op een paar bijzonderheden de blik richten om een en ander duidelijker te maken. We willen om te beginnen naar de basisschool kijken. Ik reken tot de basisschool alles wat de mens bijgebracht kan worden, nadat hij niet meer alleen de opvoeding in de familiekring krijgt, als bij deze familieopvoeding de school als opvoedings- en onderwijs­inrichting erbij moet komen. Voor hem,

blz. 91

denjenigen, der die menschliche Natur kennt, ist klar, daß für keinen werdenden Menschen diese Schulbildung in das menschliche Ent­wickelungssystem eher eingreifen sollte als ungefähr um die Zeit, wenn der Zahnwechsel vorüber ist. Das ist ein ebenso wissenschaft­liches Gesetz wie andere wissenschaftliche Gesetze. Würde man, statt sich nach Schablonen zu richten, nach dem Wesen des Menschen sich richten, dann würde man als Vorschrift nehmen, daß mit dem Ablauf des Zahnwechsels der Schulunterricht der Kinder zu beginnen hat.
Nur handelt es sich dann darum, nach welchen Grundsätzen dieser Schulunterricht der Kinder zu leiten ist. Wir müssen dabei im Auge haben, daß, wer wirklich mit der aufsteigenden Kulturentwickelung zu denken und zu streben vermag, heute gar nichts anderes kann, als für die Grundsätze, welche Geltung haben müssen für Schulerziehung und Schulunterricht, anzuerkennen das, was in der menschlichen Na­tur selbst liegt. Erkenntnis der menschlichen Natur vom Zahnwechsel bis zur Geschiechtsreife, das muß zugrunde liegen allen Prinzipien der sogenannten Volksschulbildung. 

die de menselijke natuur kent, is het duidelijk, dat deze schoolopvoeding niet eerder in de menselijke ontwikkeling zou moeten ingrijpen, dan ongeveer rond de tijd, dat de tandenwisseling voorbij is. Dat is evenzeer een wetenschappelijk vast te stelen wetmatig­heid als andere ons bekende wetmatigheden. Als men zich zou richten, in plaats van naar abstracte regels, naar het wezen van de mens, dan zou men vaststellen, dat pas na afloop van de tandenwisseling het schoolonderwijs mag beginnen.

Nu moeten we echter bedenken, welke principes we verder bij de inrichting van ons onderwijs willen volgen. En dan moeten we in het oog houden, dat hij, die denkt en streeft in de richting van de werkelijke ontwikkeling van onze cultuur, tegenwoordig onmogelijk iets anders aan school­opvoeding en onderwijs ten grondslag kan leggen dan die principes, die uit de menselijke natuur zelf voortvloeien.
Kennis van de menselijke natuur vanaf het wisselen van de tanden tot de puberteit moet dus ten grondslag liggen aan alles, waarnaar het z.g. volksonderwijs zich zal moeten richten.

Aus diesem und vielem Ähnlichen werden Sie erkennen können, daß sich ja, wenn man von dieser Unter­lage ausgeht, nichts anderes ergeben kann als eine Einheitsschule für alle Menschen; denn selbstverständlich: diese Gesetze, die sich ab­spielen in der menschlichen Entwickelung zwischen dem ungefähr siebenten und ungefähr vierzehnten bis fünfzehnten Jahr, diese Ge­setze sind für alle Menschen die gleichen. Und nichts anderes dürfte in Frage kommen, als durch die Erziehung und den Unterricht zu be­antworten die Frage: Wie weit muß ich einen Menschen als Menschen bringen bis in sein vierzehntes bis fünfzehntes Jahr hinein? Das allein heißt volkspädagogisch denken. Das allein aber heißt auch, in wirk­lich modernem Sinne über das Unterrichtswesen denken. Dann aber ergibt sich, daß man nimmermehr wird heute vorbeikommen an der Notwendigkeit, in gründlicher, radikaler Weise mit dem alten Schul­wesen zu brechen, daß man ernsthaftig wird darauf losgehen müssen, dasjenige, was heranzubringen ist an die Kinder in den angedeuteten Jahren, einzurichten nach der Entwickelung des werdenden Men­schen. Dazu wird eine gewisse Grundlage geschaffen werden müssen
–    etwas, das, wenn sozialer guter Wille vorhanden ist, nicht irgendeine

Door dit alles en door hieraan verwante beschouwingen zul je kunnen beseffen, dat op een dergelijke grondslag niet anders dan een eenheidsschool, een school voor alle mensen kan ontstaan; want natuurlijk is deze wetmatigheid in de menselijke ontwikkeling van zijn 7e tot zijn ± 14e jaar, voor alle mensen dezelfde. En niets anders moest hier eigenlijk in aanmerking worden genomen dan de vraag: hoever moet ik een kind, volgens zijn menselijke ontwikkeling, brengen tot in zijn 14e, 15e levensjaar. Zó denken we alleen wer­kelijk volkspedagogisch en beschouwen we het onderwijs op moderne wijze. Dan blijkt echter, dat je onmogelijk tegenwoordig aan de noodzakelijkheid ontkomen kan, op grondige radicale manier met het oude schoolsysteem te breken, en dat je er ernstig naar zal moeten streven, om alles wat in genoemde jaren aan de kinderen gegeven wordt, naar de ontwikkeling van de mens te richten. Daarvoor zal een zekere basis gelegd moeten worden, — iets dat, wanneer een waarachtig sociaal willen aanwezig is, niet slechts

blz. 92

nebulose Idee der Zukunft sein wird, sondern sogleich praktisch in Angriff genommen werden kann. Es wird vor allen Dingen die Grundlage dazu geschaffen werden müssen dadurch, daß das gesamte Prüfungs- und Schulwesen für Lehrer selbst absolut umgeändert wird. Wenn heute der Lehrer geprüft wird, so ist es oftmals nur so, daß man konstatiert, ob er dasjenige weiß, was er, wenn er ein bißchen ge­schickt ist, auch wenn er es nicht weiß, später im Konversationslexikon oder Handbuch nachlesen kann. Das kann man ganz auslassen bei der Lehrerprüfung. Damit aber wird wegfallen der größte Teil dessen, was heute der Inhalt der Lehrerprüfungen ist. Denn zu konstatieren wird sein bei dem, was an die Stelle der heutigen Examina zu treten hat, ob der Mensch, der es zu tun hat mit der Erziehung und dem Unterricht werdender Menschen, ob der eine persönlich aktive, für den werdenden Menschen ersprießliche Beziehung zu diesen werden­den Menschen herstellen kann, ob er mit seiner ganzen Mentalität – wenn ich das sehr in Mode gekommene Wort gebrauchen will -untertauchen kann in die Seelen und in die ganze Wesenheit des wer­denden Menschen. Dann wird er nicht Leselehrer, Rechenlehrer, Zei­chenlehrer und so weiter sein, sondern dann wird er der wirkliche Bildner der werdenden Menschen sein können.

een of ander vaag toekomstidee zal zijn, maar onmiddellijk praktisch ingevoerd kan worden. Allereerst zal je moeten beginnen het hele opleidings- en examenwezen voor de onderwijzers en leraren zelf totaal te ver­anderen. Als een onderwijzer tegenwoordig geëxamineerd wordt, dan wil men alléén constateren of hij datgene weet wat hij, ook als hij het niet weet, later in een encyclopedie of handboek kan nalezen – als hij tenminste een beetje handig is. Dit alles kan je totaal achterwege laten bij de examinering van leerkrachten. Daarmee echter zal het grootste deel wegvallen van alles wat tegenwoordig inhoud van die examens is. Bij het onderzoek, dat dan in plaats van de tegenwoordige examens moet komen, is het veel noodzakelijker, dat men onderzoekt of degene die het onder­wijs en de opvoeding van kinderen op zich neemt, in een persoonlijk actieve, een vruchtbare verhouding tot de wor­dende mens staat, of hij met zijne gehele mentaliteit (als ik dit bijzonder in de mode gekomen woord mag gebruiken) in de ziel en het gehele wezen van het kind kan opgaan. Dan zal hij geen leesonderwijzer, rekenonder­wijzer, tekenonderwijzer enz. zijn, maar dan zal hij een werkelijk opvoeder kunnen zijn.

Darauf wird zu sehen sein bei allen künftigen sogenannten Prü­fungen, die anders sich ausnehmen werden, als die Prüfungen sich aus­nehmen von heute: daß das Lehrpersonal wirklich Bilduer des wer­denden Menschen sein kann. Das heißt, der Lehrer wird wissen: Ich muß dieses oder jenes an den Menschen heranbringen, wenn er den­ken lernen soll; ich muß dieses oder jenes an den Menschen heran­bringen, wenn er ausbilden soll die Gefühiswelt, die übrigens innig verwandt ist mit der Gedächiniswelt, was die wenigsten Menschen heute wissen, weil die meisten Gelehrten heute die schlechtesten Psy­chologen sind. Der Lehrer muß wissen, was er an den Menschen heranzubringen hat, wenn der Wille so ausgebildet werden soll, daß er aus den Keimen, die er aufnimmt zwischen dem siebenten und fünf­zehnten Jahr, kraftvoll für das ganze Leben bleiben kann. Willens-bildung wird erzielt, wenn alles dasjenige, was praktische Körper- und Kunstübungen sind, so getrieben wird, daß es angepaßt ist der werdenden

Men zal zorgvuldig moeten onderzoeken bij de toekom­stige zogenaamde examens, — die er dus anders uit zullen zien dan de tegenwoordige, — of het onderwijzend per­soneel werkelijk opvoedend kan werken op de jeugd. De leerkracht zal dan moeten weten: ik moet deze stof met de kinderen behandelen, wanneer ze op hun manier hun gedachteleven moeten leren ontwikkelen  ik moet iets op een andere manier of iets anders met hen behandelen, wanneer hun gevoelswereld zich moet ontwikkelen, dat overigens innig verwant is met de wereld van gedachten en geheugen, wat zeer weinig mensen tegenwoordig weten, omdat vele geleerden tegenwoordig de slechtste psychologen zijn. De leerkracht moet verder weten wat hij het kind moet aanbieden, om zijn willen zo te ontwikkelen, dat het door de kiemen, die het tussen het 7e en 15e jaar opneemt, later in het leven sterk kan blijven. De wil wordt gevormd, wanneer alles wat praktische lichaams- en kunstoefeningen zijn, zo wordt beoefend, dat ze aangepast zijn aan de wording van de mens.

blz. 93

Wesenheit des Menschen. Der Mensch wird dasjenige sein, worauf hingerichtet werden muß die Sorgfalt desjenigen, der der Leh­rer werdender Menschen ist.
Und so wird sich erweisen, wie man verwenden kann alles das­jenige, was konventionelle Menschenkultur ist: Sprachen, Lesen, Schreiben. Das kann man am besten verwenden in diesen Jahren, um gerade das Denken des werdenden Menschen auszubilden. Das Den­ken ist das Äußerlichste am Menschen, so sonderbar das heute klingt, und es muß gerade ausgebildet werden an dem, was uns in den so­zialen Organismus hineinstellt. Denken Sie doch nur, daß der Mensch durch seine Geburt nicht Anlagen auf die Welt bringt zu dem, was Lesen und Schreiben ist, sondern daß das beruht auf dem Zusammen­leben der Menschen. Und so wird verhältnismäßig früh eintreten müs­sen gerade für die Ausbildung des Denkens ein vernünftiger Sprach­unterricht; natürlich nicht derjenigen Sprachen, die man in alter Zeit gesprochen hat, sondern derjenigen Sprachen, die die heutigen Kultur­völker sprechen, mit denen man zusammenlebt. Sprachunterricht in vernünftiger Weise, nicht in Anknüpfung an die grammatikalischen Tollheiten, die in den Mittelschulen heute getrieben werden, Sprach­unterricht muß von der untersten Schulstufe an getrieben werden.

Het moet om de m e n s gaan, aan hem moet de opvoeder al zijn zorg geven; hem gaat het om de wordende mens. En dan zal ook blijken, hoe men o.a. al datgene moet verwerken, wat conventionele mensheidscultuur is, zoals talen, lezen en schrijven. Dit alles kan men in deze jaren het beste gebruiken, om het denken, het voorstellingsleven van de wordende mens te ontwikkelen.
Het denken is eigenlijk het meest uiterlijk in het mensenleven, hoe vreemd dat nu ook mag klinken; en het moet worden ontwikkeld juist in verband met wat in het uiterlijke, maatschappelijke leven de omgang van de mensen met elkaar mogelijk maakt. Bedenk maar eens, dat de mens door zijn geboorte geen aanleg naar de wereld meebrengt, voor lezen, schrijven, maar dat dit berust op het samenleven van de mensen. En daarom zal reeds vrij vroeg, voor een juiste vorming van dit gedachteleven naar de aard van het kind, een verstandig taalonderwijs ingevoerd moeten worden, om het kind op zijn manier alles te leren kennen. Natuurlijk niet die talen, die men in de oude tijd heeft gesproken, maar die de tegenwoordige cultuurvolken spreken, waarmee we samenleven. Taalonderwijs, op verstandige manier gegeven, en dus niet met al die grammaticale onzin van de tegenwoordige middelbare scholen, moet vanaf de laag­ste schoolklassen al gegeven worden.

Dann wird es sich darum handeln, daß in bewußter Art solcher Unterricht getrieben wird, der auf das Fühlen und das damit verbun­dene Gedächtnis geht. Während alles dasjenige, was sich – und Kinder können in dieser Beziehung außerordentlich viel aufnehmen, wenn man es nur richtig macht -, was sich auf Arithmetik, Rechnen, Geo­metrie bezieht, mitten drinnen steht zwischen Denkerischem und Ge­fühlsmäßigem, wirkt auf das Gefühlsmäßige alles dasjenige, was durch das Gedächtnis aufzunehmen ist. Also alles dasjenige, was zum Bei­spiel als Geschichtsunterricht zu erteilen ist, was als Unterricht zu er­teilen ist in der Mitteilung der Fabelwelt und so weiter. Ich kann die Dinge nur andeuten.
Dann aber handelt es sich darum, schon in diesen Jahren besondere Willenskultur zu treiben. Dazu ist in Anspruch zu nehmen alles, was Körper- und Kunstübungen sind. Darinnen wird man ganz Neues brauchen in diesen Jahren. Der Anfang ist dazu gemacht in dem, was

Dan gaat het erom het onderwijs op een bewuste manier te geven met het oog op het gevoel en het daarmee verbonden geheugen. Terwijl alles – en kinderen kunnen wat dit betreft buitengewoon veel opnemen, wanneer je het maar op de juiste manier brengt – wat betrekking heeft op algebra, rekenen, meetkunde* tussen denken en voelen in staat, werkt alles wat met het geheugen opgenomen moet worden, op het gevoelsleven in. Dus alles wat uit geschiedenis komt, wat je van de fabels vertelt. Ik kan dit alles hier slechts aanduiden. Dan is het verder van belang, om in deze jaren al in vooral de vorming van de wil te verzorgen. Daartoe leent zich alles, wat tot lichaams- en kunst­oefening behoort. Je zal dan wel iets geheel nieuws op dit gebied, juist voor deze jaren, nodig hebben. Het begin is daartoe gemaakt

*auf Arithmetik, Rechnen, Geometrie: Das Wort Geometrie wurde sinngemäß statt dem Worte «Geographie» gesetzt, das im Stenogramm und in früheren Ausgaben an dieser Stelle steht.
op algebra, rekenen, meetkunde: het woord meetkunde (geometrie) werd zinvol veranderd i.p.v. geografie dat in het stenogram staat en in eerdere uitgaven.

blz. 94

wir die Eurythmie nennen. Sie sehen heute viel von Körperkultur in Dekadenz, im Niedergang: es gefällt vielen Leuten. Dahinein wollen wir stellen etwas – wofür wir bisher hier nur Gelegenheit gehabt haben, es den Arbeitern der Waldorf-Astoria zu zeigen durch das ver­ständnisvolle Behandeln unserer Fragen von seiten unseres lieben Herrn Molt -, dahinein wollen wir etwas stellen, was nun wirklich, wenn es dem werdenden Menschen statt des bisherigen bloß körper­lichen Turnens beigebracht wird, beseelte Körperkultur ist. Diese allein kann aber einen solchen Willen erzeugen, der einem dann durch das Leben bleibt, während alle andere Willenskukur die Eigentümlich­keit hat, daß sie im Laufe des Lebens durch die verschiedenen Vor­kommnisse und Erfahrungen des Lebens wiederum abgeschwächt wird. Insbesondere auf diesem Gebiet wird aber rationell vorzugehen sein. Da wird man Verbindungen im Unterrichtswesen schaffen, an die heute noch keiner denkt, zum Beispiel Zeichenunterricht mit Geo­graphie. Es würde von ungeheurer Bedeutung für den werdenden Menschen sein, wenn er auf der einen Seite wirklich verständigen Zeichenunterricht bekäme, aber in diesem Zeichenunterricht dazu an­geleitet würde, nun, sagen wir, den Globus von den verschiedensten Seiten her zu zeichnen, die Gebirgs- und Flußverhältnisse der Erde zu zeichnen, und dann wiederum selbst Astronomisches, das Planeten­system und so weiter zu zeichnen. 

met wat wij euritmie noemen. U ziet tegenwoordig veel van de lichaamscultuur decadent worden, afglijden; dat bevalt veel mensen wel. Daar willen wij iets tegenoverstellen – waarvoor wij tot nog toe hier gelegenheid hadden het aan de werknemers van de Waldorf-Astoria te laten zien door het begripsvol behandelen van onze vragen door onze beste mijnheer Molt* – willen er iets tegenoverstellen wat nu daadwerkelijk, wanneer het de wordende mens gegeven wordt i.p.v. de tot nu toe alleen maar fysieke gymnastiek, bezielde lichaamscultuur is. Alleen deze kan slechts een dergelijke wil ontwikkelen die iemand dan z’n leven lang houdt, terwijl alle andere wilscultuur de eigenschap heeft dat die in de loop van het leven door de verschillende gebeurtenissen en ervaringen in het leven weer zwakker wordt. Maar met name op dit gebied moet verstandig te werk worden gegaan. Je zal tussen de leervakken verbanden moeten leggen op een manier, waaraan tegenwoordig nog niet wordt gedacht. Je zal bijv. tekenonderwijs en aardrijkskunde met elkaar moeten verbinden. Het zou van geweldige betekenis voor het kind zijn, wanneer hij enerzijds werkelijk verstandig tekenonderwijs krijgt; anderzijds bij deze lessen ertoe gebracht werd om, laten we zeggen, de ‘globe’ van de meest verschillende kanten te tekenen,  de verhoudingen van gebergten en rivieren van de aarde en dan weer zelfs iets van astronomie, het planetensysteem enz.

*Emil Molt, 1876-1936, Direktor der Zigaretten-Fabrik «Waldorf-Astoria». Er richtete für die Angehörigen der Firma Arbeiterbildungskurse ein, Sein Wunsch, für die Kinder der Fabrikarbeiter eine im Sinne Rudolf Steiners geführte Schule zu haben, wurde der Anstoß für die Begründung der ersten «Waldorfschule» in Stuttgart.
Emil Molt, directeur van de cigarettenfabriek Waldorf-Astoria. Hij organiseerde voor de medewerkers van de firma scholingscursussen. Zijn wens om voor de kinderen van de fabrieksmedewerkers een school te hebben zoals Rudolf Steiner die zou leiden, werd de aanzet voor de oprichting van de eerste ‘waldorfschool’ in Stuttgart.

Selbstverständlich wird man das in die richtigen Jahre hineinverlegen mussen, nicht beim siebenjährigen Kinde anfangen; aber vor dem Ablauf des vierzehnten bis fünfzehnten Jahres ist es nicht nur möglich, sondern es ist dasjenige, was unge­heuer wohltätig auf den werdenden Menschen wirkt, wenn es in der richtigen Weise gemacht wird, vielleicht vom zwölften Jahr an.
Für die Gemüts- und Gedächtnisbildung wird dann notwendig sein, eine lebendige Naturanschauung schon in dem jüngsten Menschen zu entwickeln. Diese lebendige Naturanschauung, Sie wissen, wie ich oft­mals darüber gesprochen habe, und wie ich mancherlei Betrachtungen zusammengefaßt habe in die Worte: Es gibt leider heute innerhalb der Stadtbevölkerung zahlreiche Menschen, die nicht unterscheiden kön­nen, wenn sie auf das Feld hinausgeführt werden, einen Weizen von einem Roggen. Es kommt nicht auf die Namen an, aber auf das lebendige 

Natuurlijk moet je dat in de jaren doen waarin dat goed is, niet bij het zevenjarige kind beginnen; maar voor het veertiende of vijftiende jaar voorbij is, is dat niet alleen mogelijk, maar ook iets dat ongelooflijk weldadig op de wordende mens werkt, als het op de juiste manier gedaan wordt, misschien vanaf het twaalfde jaar. Voor de ontwikkeling van het gevoel, van het geheugen zal het dan al noodzakelijk zijn om bij het jonge kind een levendig aanschouwelijk beeld van de natuur te ontwik­kelen. U weet, hoe ik dikwijls over zo ‘n beschou­wing van de natuur heb gesproken, en hoe ik verschillende besprekingen besloot met woorden als deze: er zijn tegenwoordig onder de stedelingen helaas heel wat mensen, die, wan­neer ze buiten op het platteland komen, geen tarwe van rogge kunnen onderscheiden. Het komt daarbij niet op de naam aan, maar op een levende verhouding

blz. 95

Verhältnis zu den Dingen kommt es an. Es ist etwas Ungeheures für den, der die menschliche Natur überblicken kann, was da dem Menschen verlorengeht, wenn er nicht zur rechten Zeit – und die Entwickelung der menschlichen Fähigkeiten muß immer zur rechten Zeit geschehen – wenn er nicht zur rechten Zeit solche Unterscheidungen lernt, wenn er nicht lernt – Sie wissen, es ist nur symptoma­tologisch gesprochen – zu unterscheiden Weizenkorn vom Roggenkorn. Es umfaßt, was hier gemeint ist, natürlich sehr, sehr vieles.
Das, was ich jetzt auseinandergesetzt habe in didaktisch-pädago­gischer Art für den Volksschulunterricht, das wird nach der Tat­sachenlogik etwas ganz Bestimmtes im Gefolge haben, nämlich das, daß nichts in den Unterricht hineinspielen wird, was nicht in der einen oder anderen Form für das ganze Leben erhalten bleibt, während heute nur in der Regel dasjenige hineinspielt, was sich kondensiert in den Fähigkeiten. Das, was man im Leseniernen treibt, kondensiert sich in der Fähigkeit des Lesenkönnens; was man im Rechnenlernen treibt, kondensiert sich in der Fähigkeit des Rechnenkönnens. Aber bedenken Sie, wie das ist mit Bezug auf Dinge, die mehr auf Gefühl und Gedächtnis gehen: da lernen die heutigen Kinder eigentlich un­endlich viel, nur um es zu vergessen, nur um es dann im Leben nicht zu haben. es dann im Leben nicht zu haben. 

tot die dingen. Wie de menselijke natuur kent, weet dat er iets zeer belangrijks voor de mens verloren gaat, als hij niet op het juiste ogenblik  — en de ontwikkeling van de menselijke vermogens moet steeds op het juiste ogenblik plaatsvinden — als hij niet op het juiste ogenblik leert te onderscheiden, als hij niet leert – (u weet, het is slechts als symptoom bedoeld) – rogge van tarwe te onderscheiden; wat hier bedoeld wordt omvat natuurlijk nog zeer, zeer veel meer.
Wat ik nu heb besproken over didactiek en pedagogiek voor de basisschool, zal naar de logica der feiten iets zeer bepaalds voor de praktijk met zich meebrengen, n.l. dat niets in het onderwijs een rol moet spelen, wat niet in een of andere vorm voor het hele leven be­waard blijft; terwijl tegenwoordig in de regel alleen maar dat­gene op de juiste wijze een werkelijke rol speelt, wat zich tot bepaalde vaardigheden verdicht: zo verdicht zich het leesonderwijs tot leesvaardigheid, het rekenonderwijs tot de vaardigheid van het rekenen. Maar bedenk eens, hoe het met alles staat, wat meer verband houdt met gevoel en geheugen. Daar leren de tegenwoordige kinderen eigenlijk oneindig veel, enkel om het weer te vergeten, enkel dus om het in het leven later niet te hebben.

Das wird dasjenige sein, was die Zukunftserziehung ganz besonders auszeichnen wird, daß all die Dinge, die an das Kind herangebracht werden, auch im Menschen für das ganze Leben bleiben wer­den.
Nun, wir kämen dann zu der Frage, was mit dem Menschen zu machen ist, wenn er nun die eigentliche Einheitsvolksschule über­wunden hat und in das weitere Leben hinaufsteigt. Sehen Sie, da handelt es sich darum, daß all das Ungesunde des alten Geisteslebens überwunden werden muß, das gerade von der Bildungsseite her die furchtbare Kluft aufreißt zwischen den Menschenklassen.
Ja, sehen Sie, die Griechen, die Römer, sie haben sich eine Bildung aneignen können, die aus ihrem Leben heraus war, die sie daher auch mit ihrem Leben verband. In unserer Zeit ist nichts da, was uns Men­schen mit unserem ganz andersartigen Leben in den wichtigsten Jahren verbindet; sondern viele Menschen, die dann in leitende, führende

Dit nu zal een toekomstpedagogiek in het bijzonder kenmerken, dat alle dingen, die aan het kind worden gegeven, voor het gehele leven van betekenis moeten blijven.
We zouden nu kunnen vragen, wat er met het kind na het verlaten van de basisschool wanneer hij het verdere leven instapt, moet gebeuren. Ja, daar zal het zaak zijn om al het ongezonde van het oude geestesleven te overwinnen; te overwinnen wat van de zijde van dit geestesleven de vreselijke scheuring tussen de maatschappelijke klassen mede bewerkt. De oude Grieken en Romeinen hebben kunnen op­voeden en zich ontwikkelen op een manier, die voor hen uit het leven was gegrepen, die hen daarom ook met hun leven verbond. In onze tijd is echter niets aanwezig, wat ook ons op een zodanige manier in deze meest belangrijke levensjaren, met het leven dat in onze tijd heel anders verloopt, verbindt; maar veel mensen, die later een leidende

blz. 96

Lebenslagen hineinkommen, die lernen heute dasjenige, was die Grie­chen und Römer gelernt haben; sie werden dadurch aus dem Leben herausgerissen. Und noch dazu sind es die geistig unökonomischsten Dinge, die es nur geben kann. Und wir sind heute auf einem Punkt in der Menschheitsentwickelung angekommen – das wissen nur die Menschen nicht -, wo es absolut unnotig ist für unser Verhältnis zum Altertum, daß wir in diesem Altertum besonders erzogen werden; denn schon seit langem ist dasjenige, was die allgemeine Menschheit von dem Altertum braucht, in solcher Weise unserer Bildung einver­leibt, daß wir es uns aneignen können, auch wenn wir nicht dressiert werden, durch viele Jahre in einer uns fremden Atmosphäre zu leben. Dasjenige, was man haben soll aus dem Griechen- und Römertum, es kann ja noch vervollkommnet werden, ist auch in der letzten Zeit ver­vollkommnet worden, aber das ist Gelehrtensache, das hat nichts mit der allgemeinen sozialen Bildung zu tun. Dasjenige aber, was für die allgemeine soziale Bildung aufzunehmen. ist aus dem Altertum, das ist so sehr durch die Geistesarbeit der vergangenen Zeit zum Abschluß gekommen, ist so sehr da, daß, wenn man nur richtig nimmt, was da ist, man heute nicht braucht Griechisch und Lateinisch zu lernen, um sich in das Altertum zu vertiefen;

positie in de maat­schappij zullen bekleden, leren tegenwoordig veel, wat ook de Grieken en Romeinen hebben geleerd; en zo worden ze dus uit het werkelijke leven losgerukt. Bovendien gaat men daarbij op een manier te werk, die op geestelijk gebied zo oneconomisch is, als men zich maar denken kan. Wij zijn tegenwoordig op een punt in de ontwikkeling van de mensheid aangekomen — de mensen weten dit alleen niet — waar het absoluut onnodig is voor onze betrekking tot de Oudheid, dat we in deze Oudheid in het bijzonder worden opgevoed. Want al sinds lang is datgene, wat de mensheid van de Oudheid nodig heeft, op een zodanige manier in ons opvoedingswezen opgenomen, dat we het ons eigen kunnen maken, zonder dat we gedurende vele jaren worden gedwongen om in een  atmosfeer te leven die ons vreemd is. Onze kennis van de Griekse en Romeinse cultuur kan nog meer vervolmaakt worden, en dit is ook in de laatste tijd gebeurd; maar dat is zaak van de geleerde en heeft niets te maken met algemene sociale opvoeding en cultuur. Alles echter wat voor een algemene sociale opvoeding voor ons uit de Oudheid vruchtbaar is, dat is op een zodanige manier door de geestesarbeid van het verleden tot een afgerond einde gebracht, is zózeer al aanwezig in ons cultuurleven, dat, wanneer je slechts juist gebruikt, wat er al is, het niet nodig is Grieks en Latijn te leren, om zich in de Oudheid te ver­diepen;

man braucht es gar nicht, und für wichtige Dinge hilft es einem nichts. Ich erinnere nur daran, wie ich nötig hatte, damit nicht auf diesem Gebiet so schlimme Mißverständ­nisse entstehen, zu sagen, daß der Herr wilamowitz ganz gewiß ein sehr bedeutender Kenner des Griechischen ist, daß er aber die grie­chischen Dramen so übersetzt hat, daß es schauderhaft, gräßlich schau­derhaft ist, während natürlich die ganze Publizistik und Gelehrsamkeit der Gegenwart diese Übersetzungen bewundert.
Das wird man lernen müssen, in dieser Zeit den Menschen teil­nehmen zu lassen an dem Leben; und Sie werden sehen , wenn wir in dieser Zeit die Bildung so schaffen, daß der Mensch am Leben teil-nehmen kann, und wir zugleich doch in der Lage sind, ökonomisch mit dem Unterricht zu verfahren, dann kann es so sein, daß wir wirk-lich den Menschen eine lebendige Bildung beibringen können. Und das wird es auch möglich machen, daß derjenige, der nach der Hand­arbeit hintendiert, auch teilnehmen kann an dieser Lebensbildung, die

men heeft dit helemaal niet nodig en voor belangrijke dingen helpt het iemand ook niets. Ik wil u eraan herinneren dat ik het nodig vond, zodat er op dit gebied geen ernstige misverstanden ontstaan, te zeggen dat de heer Wilamowitz* zeer zeker een belangrijk kenner van het Grieks is, dat hij echter de Griekse drama’s zo vertaald heeft, dat dat echt verschrikkelijk is, terwijl natuurlijk alle publiciteit en de intelligentsia van nu deze vertalingen bewondert.
Men zal in deze tijd moeten leren om de mens aan het leven te laten deelnemen; en je zal zien, als we voor deze tijd een opleiding vormen, waarbij de mens aan het leven kan deelnemen, en als we tegelijk in staat zijn om in ons onderwijs economisch te werken, dan pas kan het mogelijk zijn, dat we de mens een werkelijk levende opvoeding geven. Dan kan het ook mogelijk zijn, om iemand van wie je ziet dat die later het beste geschikt is voor een handwerk, ook deel te laten nemen aan deze vorming voor het leven, die

*Ulrich von Wilamowitz-Möllendorff, 1848 -1931, Professor der Altphilologie in Greifswald, Göttingen und Berlin, Neben zahlreichen Veröffentlichungen über griechische Dichter und Philosophen gab er in den Jahren 1899-1924 vier Bände von Übersetzungen griechischer Tragödien heraus.

blz. 97

nach dem vierzehnten Lebensjahr einzusetzen hat. Die Möglichkeit muß geschaffen werden, daß diejenigen, die sich früh irgendeinem Handwerk oder einer Handarbeit zuwenden, auch teilnehmen können an dem, was zu einer Lebensauffassung führt. Vor dem einundzwan­zigsten Jahr darf in der Zukunft nichts an den Menschen herange­bracht werden , was nur Forscherergebnis ist, was nur von der Spezia­lisierung im Wissenschaftlichen herkommt. Für diese Zeit muß das­jenige in den Unterricht aufgenommen werden, was reif verarbeitet ist. Da kann man dann ungeheuer ökonomisch zu Werke gehen. Man muß nur einen Begriff haben in der Pädagogik, was pädagogisch-didaktische Ökonomie bedeutet. Da darf man vor allen Dingen nicht faul sein, wenn man pädagogisch-ökonomisch arbeiten will. Ich habe Sie öfter aufmerksam gemacht auf Erfahrungen, die ich persönlich gemacht habe. Mir wurde ein etwas schwachsinniger junger Mensch in seinem elften Lebensjahr übergeben. Es ist mir gelungen, durch pädagogische Ökonomie nach zwei Jahren ihn über dasjenige hinaus-zubringen, was er versäumt hat bis zu seinem elften Jahr, wo er über­haupt noch gar nichts konnte. Aber nur dadurch war ich dazumal dazu imstande, daß ich sein Leibliches und Seelisches so berücksichtigte, daß in der denkbar ökonomischsten Weise im Unterricht vorgegangen worden ist.

na het 14e jaar moet beginnen. De mogelijk­heid moet geschapen worden, dat hij, die vroeg al een of ander handwerk moet beoefenen. ook aan alles kan deelnemen wat tot een opvatting over, tot begrip van het werkelijke leven voert. Vóór het 21ste jaar mag eigenlijk in de toekomst de mens niets worden bijgebracht van alles wat speciaal voor de vakgeleerde van belang is, en wat met de specialisering van de wetenschappen is ontstaan.
Ten behoeve van deze leeftijd moet in het onderwijs worden opgenomen, wat rijp is, wat verwerkt is voor het leven. Je kan daarbij dan werkelijk zeer economisch te werk gaan. Je moet daarvoor bij het onderwijs begrip hebben voor wat pedagogisch-didactische economie is. Als je pedagogisch-economisch wil werken, mag je echter vooral niet lui zijn. Ik heb u dikwijls gewezen op wat ik op dit gebied persoonlijk heb meegemaakt. Mij werd een ietwat zwakzinnig jong mens van 11 ­jaar toevertrouwd. Het is mij door pedagogische economie na twee jaar gelukt, om hem over alles heen te helpen, wat hij door zijn achterblijven vóór zijn elfde verzuimd had, of waarvan hij zelfs helemaal niets had geleerd. Maar daar was ik toentertijd alleen toe in staat, doordat ik met zijn lichamelijke gesteldheid en zijn zielenleven dusdanig rekening hield en die probeerde te begrijpen, dat ik met die kennis zo economisch mogelijk kon handelen bij het onderwijs.

Das wurde oftmals dadurch erreicht, daß ich selber drei Stunden zur Vorbereitung verwendet habe, um den Menschen so zu unterrichten, daß ich irgend etwas, was sonst stundenlang gedauert hätte, in ihn hereinzubringen, in einer halben oder einer Viertelstunde hereinbringen konnte, weil das für seinen leiblichen Zustand notwen­dig war. Sozial gedacht, kann man hinzufügen: Ich war genötigt dazu­mal, das alles an einen einzigen Knaben zu wenden, neben dem drei andere hergingen, die nicht in dieser Weise zu behandeln waren. Aber denken Sie, wenn wir eine vernünftige soziale Erziehungsweise hätten, so würde man ja eine ganze Reihe solcher Leute so behandeln können; denn ob man einen oder vierzig Knaben in dieser ökonomischen Weise behandeln muß, das macht nichts aus. Ich würde nicht jammern über die Anzahl der Schüler in der Schule; dieses Nichtjammern, das hängt aber zusammen mit dem Prinzip der Ökonomie im Unterricht. Nur muß man wissen: Bis in das vierzehnte Jahr hinein urteilt der

Dit was vaak alleen dan mogelijk, wanneer ik mezelf drie uur lang voorbe­reidde om de jongen zo te onderwijzen, dat ik iets, wat zonder die voorbereiding urenlang geduurd zou hebben, hem nu in een half uur of een kwartier kon bijbrengen, omdat dit voor zijn lichamelijke toestand noodzakelijk was. Sociaal gedacht kan ik hier dan nog aan toevoe­gen: ik was toen genoodzaakt dit alles voor een enkele jongen te doen, en er waren nog drie anderen die niet op dezelfde manier les kregen. Maar denk u eens in, wanneer we een rationeel sociaal opvoedingswezen zouden hebben, dan zou je een hele groep van deze jongelui kunnen behandelen, want of je nu één of veertig jongens op die manier les moet geven, maakt niet veel uit. Ik zou geen ach en wee roepen over het aantal leerlingen op school; dit hangt alleen maar samen met het principe van de economie in het onderwijs. Je moet alleen weten: tot op zijn veertiende

blz. 98

Mensch nicht, und wenn man ihn zum Urteilen anhält, so zerstört man sein Gehirn. Die heutige Rechenmaschine, die das Urteil an Stelle des gedächtnismäßigen Rechneniernens setzt, ist ein Unfug in der Päd­agogik; sie zerstört, sie macht das menschliche Gehirn dekadent. Das Urteil der Menschen kann man erst pflegen vom vierzehnten Lebens­jahre ab. Da müssen dann diejenigen Dinge im Unterricht auftreten, welche an das Urteil appellieren. Da können daher auftreten alle diejeni­gen Dinge,welche sich zum Beispiel beziehen auf die logische Erfassung der Wirklichkeit. Und Sie werden sehen, wenn in der Zukunft in den Bildungsanstalten zusammensitzt der Tischler- oder Maschinenlehr­ling mit demjenigen, der vielleicht selber Lehrer wird, dann wird sich auch da etwas ergeben, was zwar eine speziallsierte, aber doch noch immer eine Einheitsschule ist. Nur wird in dieser Einheitsschule alles das drinnen sein, was für das Leben drinnen sein muß, und wenn es nicht drinnen wäre, würden wir in das soziale Unheil noch stärker hin­einkommen, als wir jetzt drinnen sind. Lebenskunde muß aller Unter­richt geben. Zu lehren wird sein auf der Altersstufe vom fünfzehnten bis zwanzigsten Jahre, aber in vernünftiger, ökonomischer Weise , alles dasjenige, was sich auf die Behandlung des Ackerbaues, des Ge­werbes, der Industrie, des Handels bezieht. 

oordeelt een mens niet en wanneer je hem tot oordelen aanzet, verpest je z’n hersenen. Het telraam van tegenwoordig dat het oordeel op de plaats zet van het geheugenmatige rekenen, is in de pedagogie een onding; die maakt kapot, die maakt het menselijk brein decadent. Het oordelen van de mens kan je pas verzorgen vanaf het veertiende jaar. Dan moeten er in het onderwijs dingen komen die aan het oordelen appelleren. Dat zijn de dingen die betrekking hebben op een logisch opvatten van de werkelijkheid. En u zal zien, wanneer dan in de toekomst in de opleidingscentra de leerlingmeubelmaker of de leerlingmachinebankwerker samen met iemand die misschien zelf leraar wordt, dat daar dan iets zal ontstaan wat weliswaar gespecialiseerd is, maar toch ook één school is. Alleen, in zo’n scholengemeenschap moet alles aanwezig zijn wat er voor het leven moet zijn en als dat er niet is, komen we nog sterker in het sociale onheil terecht dan we er nu al in zitten. Heel het onderwijs moet levenskunst opleveren. In de leeftijd van 15 tot 20 moet geleerd worden, maar op een verstandige, economische manier; alles wat betrekking heeft op landbouw, economie, op industrie en handel.

Es wird kein Mensch durch dieses Lebensalter durchgehen dürfen, ohne daß er eine Ahnung bekommt von dem, was beim Ackerbau, im Handel, in der Industrie, im Gewerbe geschieht. Diese Dinge werden aufgebaut werden müs­sen als Disziplinen, die unendlich viel notwendiger sind als vieles Zeug, das jetzt den Unterricht dieser Lebensjahre ausfüllt.
Dann werden in diesem Lebensalter aufzutreten haben alle diejeni­gen Dinge, die ich jetzt nennen möchte Weltanschauungssache. Dazu wird gehören vor allen Dingen Geschichtliches und Geographisches, alles dasjenige, was sich auf Naturerkenntnis bezieht, aber immer mit Bezug auf den Menschen, so daß der Mensch den Menschen aus dem Weltall heraus kennenlernen wird.
Unter so unterrichteten Menschen werden dann solche sein, die, wenn sie durch die übrigen sozialen Verhältnisse dazu getrieben wer­den, Geistesarbeiter zu werden, in den spezial-geistesarbeiterischen Schulen ausgebildet werden können in allen möglichen Gebieten

Geen mens mag eigenlijk deze leeftijdsfase doorlópen zonder dat hij een notie heeft van wat bij landbouw, handel, in de industrie, in de economie gebeurt. Deze dingen moeten tot disciplines worden die veel meer nodig zijn dan die vele onzin die tegenwoordig deel uitmaakt van deze levensjaren.
Dan moeten er in deze jaren dingen aan de orde komen die ik wereldbeschouwelijke zaken zou willen noemen. Daar horen in de eerste plaats geschiedkundige onderwerpen bij en aardrijkskundige, alles wat tot de biologie behoort, dit steeds in samenhang met de mens, zodat de mens zichzelf leert kennen door de wereld die om hem heen is. Onder de zo onderwezen jongelui zullen er dan zijn, die wanneer ze zich door de overige sociale omstandigheden geroepen voelen in het leven geestesarbeid te verrichten, daarvoor op allerlei terreinen in speciale scholen moeten worden opgeleid.

blz. 99

Sehen Sie, in diesen Anstalten, wo heute die Leute fachmännisch aus­gebildet werden, wird ungeheuer unökonomisch verfahren. Ich weiß, daß das viele nicht zugeben werden, aber es wird ungeheuer unökono­misch verfahren, und vor allen Dingen werden die kuriosesten, aus der niedergehenden Weltanschauung herauskommenden Anschau­ungen geltend gemacht. Ich erlebte es noch mit: da fingen die Leute für die hlstorisch-literaturgeschichtlichen Disziplinen in den Universi­täten zu schwärmen an für die Umgestaltung des Vorlesungswesens in das Seminarwesen, und heute können wir noch erfahren, daß gesagt wird: Vorlesungen sollten einen möglichst geringen Raum einnehmen, aber es sollte viel Seminar getrieben werden. Diese Seminare, man kennt sie. Es finden sich treue Anhänger des Dozenten zusammen, welche streng nach den Angaben dieses Dozenten lernen, wie man sagt, wissenschaftlich zu arbeiten. Sie machen da ihre Arbeiten, und werden richtig geistig abgerichtet. Und die Folgen dieser geistigen Abrichtung, die erlebt man schon. Es tendiert immer hin auf das geistige Abrichten.
Es ist etwas ganz anderes, wenn der Mensch in diesen Lebensjahren, wo er zur Fachbildung schreiten soll, in freier Weise zuhört vernünf­tig Vorgetragenem, und er dann Gelegenheit hat, in freier Auseinan­dersetzung, allerdings in Anknüpfung an vortraglich Auseinander-gesetztes, sich zu ergehen. 

In de instellingen, waar tegenwoordig echter de mensen een opleiding tot vakgeleerde volgen wordt verbazend oneconomisch gewerkt. Ik weet dat velen dit niet zullen toegeven; maar er wordt nu eenmaal verbazend oneconomisch gehandeld, en bovendien worden daar de meest curieuze dingen uit de nu ondergaande wereldbeschouwing in de praktijk gebracht. Ik heb het volgende vroeger nog meegemaakt: toentertijd begon men op de universiteiten in de historisch literaire leervakken erg te dwepen met een omvorming van het systeem van college geven in het seminaristische systeem, en tegenwoordig wordt er nog gezegd dat de colleges zoveel mogelijk beperkt moeten worden en dat er veel seminaristische besprekingen gehouden moeten worden. Nu, we kennen deze seminaristische besprekingen. Trouwe aanhangers van de docent, die stipt volgens de aanwijzingen van de docent studeren, komen bij elkaar, om zoals dat heet ‘wetenschappelijk te werken’. Ze doen dan hun werk zo, dat ze in werkelijkheid geestelijk worden afgericht. En de gevolgen van dit geestelijk afgericht worden, nu, die beleven we al. En het gaat nog steeds verder in deze richting. Het is echter iets heel anders, wanneer de mens in deze levensjaren, waarin hij tot vakgeleerde opgeleid moet worden, op een ongedwongen manier luistert naar wat verstandig wordt gedoceerd, en dan de gelegenheid krijgt, eveneens ongedwongen, aansluitend daarop kan reageren.

Übungen können sich schon anschließen, aber der Unfug des Seminars, der muß aufhören. Der ist gerade eine Sumpfpflanze der zweiten Hälfte des neunzehnten Jahrhunderts, die auf Dressur ging, und nicht auf freie Entwickelung des Menschen.
Vor allen Dingen aber muß, wenn von dieser Bildungsstufe die Rede ist, gesagt werden, daß ein gewisser Grundstock der Bildung für die Menschen aller Klassen derselbe sein muß. Ob ich nun Medi­ziner, ob ich Jurist, ob ich Lehrer eines Gymnasiums oder einer Real­schule – diese Anstalten wird es natürlich nicht mehr geben in der Zukunft – werden soll, das gehört auf die eine Seite; daneben muß jeder dasjenige aufnehmen, was allgemeine Menschenbildung ist. Diese muß man Gelegenheit haben, aufzunehmen, ob man nun Medi­ziner oder Maschinenbauer, oder Architekt, oder Chemiker, oder In­genieur wird, man muß Gelegenheit haben, dieselbe allgemeine Bildung

Daar kunnen oefeningen op aansluiten, maar bovenbedoelde seminaristische oefeningen, daar moet een einde aan komen. Dat zijn echt moerasplanten uit de tweede helft van de negen­tiende eeuw, toen men op dressuur teruggreep en niet op de vrije ontwikkeling van de mens. Bovenal moet echter, als van deze periode van de opleiding sprake is, worden gezegd, dat een zekere kern van de hele opvoeding voor de mensen van alle klassen dezelfde moet zijn. Of ik nu arts, jurist of leraar aan een gymnasium of middelbare school worden moet, dat is de ene kant; daarnaast moet echter iedereen leren wat bij een algemeen menselijke levensvorming hoort. En daartoe moet je in de gelegenheid gesteld worden. Of je arts of machinebouwer, architect, of scheikundige of ingenieur wordt, of je in je leven mentaal werk verricht of met je handen, je moet gelegenheid hebben om dezelfde algemene mensencultuur

blz. 100

aufzunehmen, ob man geistiger oder Handarbeiter wird. Das ist wenig berücksichtigt worden bis heute. Es ist ja allerdings schon man­ches an einigen höheren Schulen gegenüber früheren Zeiten besser geworden. Als ich seinerzeit in Wien an der technischen Hochschule war, da trug ein Professor allgemeine Geschichte vor. Er fing an, diese allgemeine Geschichte in jedem Semester einmal vorzutragen; nach der dritten oder fünften Vorlesung hörte er auf – dann war schon nie­mand mehr da. Dann gab es einen Professor für Literaturgeschichte an jener technischen Hochschule. Das waren so die Mittel, um neben dem, was fachlich war, auch etwas allgemein Menschliches aufzuneh­men. In diese Vorlesung über Literaturgeschichte, an die sich, wenn sie zustande kam, angeschlossen haben Übungen im Reden, im münd­lichen Vortrag – wie sie auch zum Beispiel Uhland noch getrieben hat -, in diese Literaturvorlesung, da mußte ich immer einen hinein­schleifen, denn nur wenn zwei drinnen waren, wurde sie gelesen. Aber man konnte sie nur aufrechterhalten dadurch, daß man noch einen hineinschleifte; es war sogar fast jedesmal ein anderer. Außerdem wurde im Grunde genommen nur noch gesorgt durch Vortrag über Staatsrecht, über Statistik, für dasjenige, was der Mensch für allge­meine Lebensverhältnisse braucht. Wie gesagt, solche Dinge sind besser geworden; aber noch nicht ist das besser geworden, was als Impetus in unserem ganzen sozialen Leben vorhanden sein soll.

in je op te nemen, of je nu met je hoofd of met je handen gaat werken. Daar is tot nu toe weinig rekening mee gehouden. Zeer zeker is het op een paar hogescholen al veel beter geworden t.o.v. vroegere toestanden. Toen ik lang geleden in Wenen op de technische hogeschool zat, doceerde een professor algemene geschiedenis. Hij begon deze algemene geschiedenis ieder semester te doceren; na het derde of vijfde college hield hij al op, dan was er niemand meer die kwam luisteren. Verder was er een professor voor literatuurgeschiedenis aan deze technische hogeschool. Dat waren dan de mogelijkheden om naast alles wat tot de vakopleiding behoorde ook van iets algemeen menselijks kennis te nemen. Naar deze colleges over literatuur­geschiedenis waarop dan, — als ze al doorgingen —, oefeningen in het houden van redevoeringen aansloten, zoals b.v. ook Uhland nog gedaan heeft, — naar deze colleges moest ik steeds iemand meetronen, meeslepen, want alleen, als er minimaal twee waren, gingen ze door. Men kon ze dus alleen laten doorgaan door iemand mee te nemen, en dit was zo goed als telkens iemand an­ders. Afgezien van de genoemde vakken werd er alleen nog door voordrachten over staatsrecht, over statistiek gezorgd voor wat de mens aan inzicht in alge­mene levensverhoudingen nodig heeft. Ik zeg wel meteen: deze dingen zijn beter geworden. Maar nog niet wat als stuwkracht in ons hele sociale leven zou moeten zitten.

Es wird aber besser werden , wenn man die Möglichkeit schafft mit Bezug auf all dasjenige, was allgemein-menschlich bilden soll, daß es nicht so gestaltet wird, wie es nur verständlich ist für den, der eine be­stimmte fachliche Grundlage hat, sondern wie es allgemein-mensch­lich verständlich ist. Ich habe mich öfter gewundert, daß die Menschen meine anthroposophischen Vorträge so verschimpft haben. Denn wenn die Menschen auf das Positive gegangen wären, hätten sie sagen können: Nun, was da drinnen Anthroposophie ist, um das kümmern wir uns nicht, aber was der alles sagt mit Bezug auf naturwissenschaft­liche Dinge, die man ungeheuer lobt, wenn sie entgegengebracht wer­den von bloß Natur-Gelehrten, das genügt im Grunde genommen schon. Denn Sie wissen alle, diese Vorträge sind eigentlich immer durchspickt gewesen von Popularisierungen gerade von Naturerkenntnissen.

Het zal echter beter worden als men een mogelijk­heid creëert voor alles, wat algemeen menselijke cultuur is, en wel zo, dat dit algemeen menselijke niet enkel begrijpelijk is voor degene die een opleiding tot vakgeleerde heeft genoten, maar zo dat het werkelijk algemeen menselijk begrijpelijk is. Ik heb me dikwijls verwonderd, dat de mensen zo op mijn antroposofische voordrachten afgaven. Want als men op het positieve daarin had gelet, had men kunnen zeggen: nu wat antroposofie is, daar houden wij ons niet mee bezig, maar wat er gezegd wordt over natuurwetenschappelijke dingen — waar men normaal lovend over is als het door natuurwetenschappers wordt gezegd — dat is voor ons al genoeg om er belangstelling voor te hebben en het te waarderen. Want u weet allen, dat deze voordrachten steeds vol zaten met populaire natuurwetenschap;

blz. 101

Aber es handelt sich vielen Menschen nicht darum, das Positive entgegenzunehmen, sondern das, was sie nicht haben wollten, zu verschimpfen. Das, was sie nicht haben wollten, das war aber ge­rade geeignet durch die Denkformung, durch die ganze Behandlung, auch alles dasjenige zum Beispiel, was naturwissenschaftlich notwendig ist, mitzunehmen für ein allgemein bildendes menschliches Wissen, so daß der Handwerker es so gut haben konnte wie der Gelehrte; so daß es allgemein auch als Naturwissenschaftliches verständlich war. Sehen Sie sich die anderen Weltanschauungsbestrebungen an. Glauben Sie, daß zum Beispiel in den Monistenversammiungen die Leute etwas verstehen können, wenn sie nicht eine naturwissenschaftliche Grund-lage haben? Nein, sie schwatzen nur mit, wenn sie die nicht haben. Das, was hier als Anthroposophie getrieben wurde, ist etwas, was so umwandeln kann die natürliche Erkenntnis, auch die historische Er­kenntnis, daß sie jedem verständlich werden kann. Denken Sie doch nur , wie verständlich sein kann für jeden dasjenige, was ich historisch immer entwickelt habe als einen großen Sprung in der Mitte des fünf­zehnten Jahrhunderts. Das wird, denke ich, jedem verständlich. Das ist aber die Grundlage, ohne die man überhaupt nicht verstehen kann die ganze soziale Bewegung der Gegenwart. 

maar het gaat er bij veel mensen niet om, het positieve van iets te waarderen, maar om op alles wat ze niet willen, kritiek te leveren. En wat ze niet willen, is nu juist zo geschikt door de vorming van het denken, door de hele aanpak om alles, wat b.v. ook voor de natuurwetenschap noodzakelijk is, mee te nemen voor een algemeen menselijk weten, zodat het voor de ambachtsman net zo geschikt is als voor de geleerde; zo, dat het ook als natuurwetenschap algemeen begrijpelijk is. Kijk eens naar de andere wereldbeschouwingen. Gelooft u dat b.v. in de vergaderingen van de monisten de mensen iets kunnen begrijpen als ze niet een algemeen natuurwetenschappelijke basiskennis bezitten? Neen, ze babbelen slechts mee als ze die niet hebben. Wat hier als antroposofie wordt beoefend is iets wat het gewone weten zo kan omvormen, dat het voor iedereen begrijpelijk is en van nut kan zijn; dit is bijv. ook het geval met de kennis van het verleden. Denk u eens in, hoe het voor iedereen begrijpelijk kan zijn, waarop ik historisch vaak heb gewezen als een grote sprong in het midden van de 15e eeuw. Dat is, geloof ik, voor iedereen te begrijpen. De kennis van dit alles is echter de basis, en zonder deze basis kun je de hele sociale beweging van de tegenwoordige tijd

Darum verstehen die Menschen diese ja nicht, weil sie nicht wissen, wie die Menschheit ge­worden ist seit der Mitte des fünfzehnten Jahrhunderts. Wenn man dann solche Dinge entwickelt, dann kommen die Menschen und er­klären einem: Die Natur macht doch keine Sprünge; also, du hast un­recht, wenn du einen solchen Entwickelungssprung im fünfzehnten Jahrhundert annimmst. – Dieser blödsinnige Satz, «die Natur macht keine Sprünge», wird immer wiederum tradiert. Die Natur macht fortwährend Sprünge: den Sprung vom grünen Laubblatt zum anders geformten Kelchblatt, den Sprung vom Kelchblatt zum Blumenblatt. So ist auch die Entwickelung des Menschenlebens. Wer nicht nach der unsinnigen konventionellen Geschichtslüge Geschichte lehrt, sondern nach dem, was wirklich vorgegangen ist, der weiß, daß die ganze feinere Konstitution des Menschen in der Mitte des fünfzehnten Jahr­hunderts anders geworden ist, als sie vorher war. Und das, was sich heute vollzieht, ist die Auslebung desjenigen, was seit jener Zeit die

niet begrijpen. Daarom begrijpen de mensen deze beweging niet, omdat ze niet weten, hoe de mensheid sinds het midden van de 15e eeuw anders is geworden. Als je die dingen dan ontwikkelt, komen de mensen en zeggen: de natuur maakt geen sprongen. Jij hebt dus ongelijk als je zo’n ontwikkelingssprong in de 15e eeuw aanneemt. Deze onzinnige stelling: ‘De natuur maakt geen sprongen,’ wordt al maar herhaald. De natuur maakt in werkelijkheid voortdurend sprongen: de sprong van het groene loofblad tot het anders gevormde kelkblad, de sprong van kelkblad tot kroonblad. Zo is het ook in de ontwikkeling van de mensheid. Wie niet op die onzinnige conventionele leugenachtige manier geschiedenis aanleert, maar alles, wat werkelijk in de mensheid is gebeurd, weet, dat heel de fijnere constitutie van de mens in het midden van de 15e eeuw, anders is geworden, dan hoe die daarvoor was. En wat heden ten dage gebeurt, daarin leeft zich uit, wat sinds die tijd

blz. 102

Menschheit in ihrem Zentrum ergriffen hat. Will man verstehen, was heute soziale Bewegung ist, so muß man solche Gesetze erkennen in der geschichtlichen Entwickelung.
Nun brauchen Sie sich nur zu erinnern an die Art, wie die Dinge hier getrieben werden, so werden Sie sich sagen: Dazu ist nicht nötig ein Spezialwissen, oder im alten Sinne ein gebildeter Mensch zu sein, um sie zu verstehen; es kann sie jeder verstehen. Das gerade wird das Erfordernis für die Zukunft sein, daß man nicht Philosophien, Welt­anschauungen entwickelt, die nur derjenige verstehen kann, der eine bestimmte klassenmäßige Bildung durchgemacht hat. Nehmen Sie doch heute irgend etwas Philosophisches in die Hand, sagen wir von Eucken, von Paulsen oder irgend etwas, woraus Sie sich unterrichten wollen, oder eine jener Universitätspsychologien. Wenn Sie diese Schreckensbücher in die Hand nehmen, Sie werden sie bald wieder aus der Hand legen, denn diejenigen, die nicht fachmännisch dressiert sind von einer gewissen Seite her, verstehen ja nicht einmal die Sprache, die da drinnen angewendet wird. Das ist dasjenige, was aber nur als allgemein Bildendes zu erreichen ist, wenn wir gründlich umgestalten das ganze Erziehungs- und Unterrichtswesen in dem Sinne, wie ich es versuchte heute anzudeuten.

de mensheid in zijn kern heeft aangegrepen. Wil je begrijpen, wat tegenwoordig sociale beweging is, dan moet je dergelijke wetten in de ontwikkeling van de mensheid kennen. Je hoeft alleen maar te denken aan de hele manier, waarop die dingen hier werden behandeld, en dan zul je zeggen: voor dit alles is geen speciaal weten­schappelijke opleiding nodig; het is niet nodig, dat je daarvoor in de oude betekenis een ontwikkeld en geletterd mens bent. Dat juist zal voor de toekomst zo nodig zijn, dat men niet enkel zo over filosofie, over wereldbeschou­wing spreekt, dat slechts hij het begrijpen kan, die een bepaalde opleiding heeft doorgemaakt die bij zijn klasse hoort. Neem tegenwoordig eens iets op filosofisch gebied in handen, laat ons zeggen iets van Eucken, van Paulsen* of een ander geschrift, dat je op een of ander gebied iets moet leren; neem b.v. een van die universiteitspsychologieboeken, — als je deze schrikaanjagende boeken ter hand neemt, zul je ze gauw weer neer willen leggen, want wie niet als vakman op een bepaalde manier gedresseerd is, begrijpt niet eens de taal, die in dergelijke boeken gebezigd wordt.
Iets, wat algemene cultuurwaarde heeft, is alleen maar beschikbaar, als we ons hele opvoedings- en onderwijswezen grondig omvormen, in de zin, die ik probeerde aan te geven.

*Rudolf Eucken, 1846-1926, «Der Kampf um einen geistigen Lebensinhalt», 1896; «Einführung in eine Philosophie des Geisteslebens», 1908.
Friedrich Pauken, 1846 -1908, «Einleitung in die Philosophie», 1892; «Systemder Ethik»,1889

Sie sehen, auch für dieses Gebiet kann man sagen: Die große Abrechnung ist da, nicht eine kleine Abrechnung. Dasjenige, was kom­men muß, das ist, daß im Unterrichten, im Erziehen soziale Triebe entwickelt werden, oder besser gesagt, soziale Instinkte, so daß der Mensch nicht am Menschen vorbeigeht. Dann werden sich die Men­schen voll verstehen – heute gehen die Lehrer an den Schülern vorbei, und die Schüler am Lehrer -, so daß entwickelt wird ein lebensfähiges Verhältnis. Das kann aber nur geschehen, wenn man einmal einen Strich macht unter das Alte. Und er kann gemacht werden. Es ist das durchaus nicht unmöglich aus den Tatsachen heraus, sondern es wird nur zurückgewiesen aus den menschlichen Vorurteilen heraus. Die Menschen können sich gar nicht denken, daß einmal die Dinge auch anders gemacht werden können als bisher. Die Leute haben eine Riesenangst, daß sie verlieren könnten irgend etwas von dem Alten gerade auf dem Gebiete des Geisteslebens. Man glaubt gar nicht, was

U ziet, ook voor dat gebied kan je zeggen: de grote afrekening met het verleden is gekomen, niet een kleine. Wat er komen moet is, dat in onderwijs en opvoeding sociale impulsen in de mens worden gewekt, of beter gezegd sociale instinctmatige gevoelens, zodat de ene mens niet aan de andere voorbijleeft. Dan zullen de mensen elkaar kunnen begrijpen — tegenwoordig gaat de leraar aan de leerling, de leerling aan de leraar voorbij — zodat zich een levensvatbare verhouding tussen de mensen kan ontwikkelen. Dat kan alleen gebeuren, als men een streep zet onder al het oude. En dat kan. Het is door de feiten helemaal niet onmogelijk; enkel menselijke vooroordeelen wijzen dit alles terug. De mensen kunnen zich helemaal niet indenken, dat de dingen anders gedaan kunnen worden, dan tot nu toe. De mensen hebben een reus­achtige angst, om iets van het oude te verliezen, vooral op het gebied van het geestesleven. Men gelooft niet, wat

blz. 103

die Leute für eine heillose Angst davor haben. Natürlich, sie können ja auch die Dinge nicht übersehen. Sie können zum Beispiel nicht übersehen, was durch ein ökonomisches Unterrichten geleistet werden kann. Ich habe es oftmals gesagt: In drei bis vier Stunden – es müßte nur das richtige Lebensalter gewählt werden -, in drei bis vier Stunden kann man junge Leute vom Anfang der Geometrie, der geraden Linie und dem Winkel, führen bis zum – ehemals nannte man es Esels­brücke – pythagoräischen Lehrsatz. Und Sie sollten sehen, was die Leute für eine Riesenfreude haben, wenn ihnen plötzlich der pythago­räische Lehrsatz als Folge von drei bis vier Stunden Unterricht auf­geht! Aber denken Sie doch einmal, was oft für Unfug getrieben wird im heutigen Unterricht, bevor die Leute an diesen Lehrsatz heran­kommen! Es handelt sich darum, daß wir ungeheuer viel geistige Arbeit verschwendet haben, und das zeigt sich dann im Leben, das strahlt aus auf das ganze Leben, und das strahlt hinein bis in die aller­praktischsten Gebiete des Lebens. Heute ist es notwendig, daß die Menschen sich entschließen, in diesen Dingen bis in die Fundamente hinein umzudenken. Anders kommen wir bloß weiter hinein in den Niedergang, niemals aber zum Aufstieg.
Nun, über diese Dinge hoffe ich, in der nächsten Zeit wiederum zu Ihnen sprechen zu können.

een heilloze angst men daarvoor heeft. Men kan natuurlijk het nieuwe nog niet dadelijk overzien, en men is daar dan enigszins bang voor. Men kan bijv. niet overzien, wat door een economisch onderwijs, zoals ik aangaf, gedaan kan worden. Ik heb het dikwijls gezegd: in 3 à 4 uur bijv., als je dan de juiste leeftijd kiest, kan je jonge mensen het begin van meetkunde, van de rechte lijn en de hoek tot – vroeger noemde men dat het ezelsbruggetje voor – de stelling van Pythagoras bijbrengen. En je had eens moeten zien, toen ik dat probeerde, wat een plezier de leerlingen daaraan beleefden; toen ze plotseling de stelling van Pythagoras als vrucht van 3 à 4 uur les begonnen te snappen. En denk er dan eens aan, wat er allemaal voor onzinnigs wordt gedaan in het tegenwoordige onderwijs, voor men aan die stelling van Pythagoras toe is! Het feit is, dat we ontzettend veel geestelijke arbeid hebben verspild; en dit wordt dan in het leven zichtbaar; dit straalt uit in het leven, in de meest praktische gebieden van het leven. Het is tegenwoordig noodzakelijk, dat de mensen het besluit nemen, tot in het fundamentele, tot zelfs in deze dingen, anders te gaan denken. Of we gaan steeds verder de ondergang tegemoet, komen nooit tot een nieuwe opgang.

Welnu, over deze dingen hoop ik dan in de komende tijd weer met u te kunnen spreken.

.

[1] GA 192
[2] GA 192 voordracht 4 (Duits)
[3] De kernpunten

.

de 2e voordracht over volkspedagogie (voordracht 5 in de totale reeks)
de 3e voordracht (vordracht 6 in de totale reeks)
.

Rudolf Steiner over pedagogie(k): alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1505

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.